Page 1

Thema Vergroening

Bedrijf in beeld De Naober hoeve 5

No.

05/2014

Een uitgave van Van Westering Groep bv Losse verkoop â‚Ź 8,49

www.ekoland.nl

Landbouwbeleid (GBL) stelt groene eisen

Verbetering van vruchtwisseling onderdrukt bodemgebonden ziekten

Joel Salatin: Double income, no land


Vleeswaren van st. Hendrick Echt biologisch, echt lekker Vlees zoals het hoort te smaken Henk van Oers staat al sinds 1981 garant voor puur vlees en smaakvolle vleeswaren. Een vakman en pionier die geen concessies doet. Die al jaren duurzaam en biologisch werkt, zelfs al v贸贸r het duurzaam en biologisch heette. Omdat hij weet dat vlees op die manier lekkerder smaakt en omdat hij alleen voor het beste gaat. Het verse vlees en de smaakvolle vleeswaren van Henk van Oers hebben een goede naam en verdienen ook een goede naam: St. Hendrick.


EKOLAND

mei  |  nummer 5 – 2014

20

bedrijf in beeld

 e Naoberhoeve: Zorg voor D mensen, dieren & planten De Naoberhoeve ligt een beetje achteraf, aan de rand van het Ruinerbos. Sommige navigatieapparaten leiden niet naar de boerderij, maar naar een plek in het bos. Eenmaal gevonden, blijkt de Naoberhoeve een paradijsje te zijn.

9

Opinie Vergroenen of verdienen?

L andbouwbeleid stelt groene eisen Vanaf 2016 moeten boeren gaan voldoen aan een aantal eisen van vergroening. Wie niet aan die eisen voldoet, loopt 30% van de inkomenssteun mis. Wat zijn de eisen en wat zijn de gevolgen van het nieuwe beleid?

Inhoud Opinie

Vergroenen of verdienen? 9  Vijf bioboeren, vijf manieren van omgaan met vergroening

regelgeving

Landbouwbeleid stelt groene 13  eisen Leidt het nieuwe Europese Landbouwbeleid tot meer vergroening of minder ambities?

Bedrijf in beeld

De Naoberhoeve: Zorg voor 14  mensen, dieren & planten  Met melkvee, een tuinderij en een zorgtak is de Naoberhoeve een multifunctioneel bedrijf

OP DE cover: De NaoberHoeve FOTO: Bernard Faber

EKOLAND | mei – 2014

13

Regelgeving

Thema vergroening

Regelgeving

landbouw

Maakt TTIP Biologische landbouw 18  onmogelijk? Nieuw handelsverdrag tussen EU en VS bedreigt biologische familiebedrijven en regionale afzet

Van taai gras tot sappig gewas 24  Nederlands echtpaar ontwikkelt compostmethode voor onbruikbare maaisels

Onderzoek

Wordt vervolgd - Deel 35 26   Bedrijfscontinuïteit in de ­biologische landbouw  Double income, no land

Verbetering van vruchtwisseling 21  onderdrukt bodemgebonden ziekten Niet overal is vruchtwisseling vanzelfsprekend en ook in Nederland valt nog wat te verbeteren

vaste Rubrieken Editoriaal 5 Landbouwberichten 6 Recensie Jan Diek van Mansvelt 8 Marktberichten 28 Biohuis update 29 Trekkers 34

bedrijfsvoering

handel & Afzet

EKOPartners - Deel 4 30  De volgende schakel in de bioketen  Agrico’s bio-tafelaardappel maakt pas op de plaats EKO Equivalent 32  Hebben aanvullende private normen toegevoegde waarde in Europees perspectief?

3


voor woord

Subsidies Al bijna 60 jaar lang is het elke paar jaar weer zo ver:

er meer voor doen? ‘Vergroenen’ bijvoorbeeld. En

het landbouwbeleid wordt herzien. Dit keer duurde

wat is dat dan, vergroenen?

die herziening wel heel lang. Na jaren discussie en

Die vragen blijken een heel andere betekenis te

lobby laat staatssecretaris Dijksma ons deze maand in

hebben voor gangbare en biologische boeren. Ook

een brief weten hoe Nederland het nieuwe Europese

natuurorganisaties hebben er ideeën bij. Biologisch

Landbouwbeleid gaat invullen. Dat is best spannend,

boeren blijkt al heel groen te zijn, en veel biologische

want 39% van de Europese begroting zit in de subsidies

boeren blijken zelfs nóg verder te gaan dan wat het

en inkomenssteun van het landbouwbeleid. En

beleid wil. Dat is natuurlijk veel waard, maar hoe

dat is met steeds meer morrende belastingbetalers

verzilver je dat?

steeds minder vanzelfsprekend. In deze editie van

We wensen u weer veel leesplezier met deze Ekoland.

Ekoland staan we daar eens bij stil. Waarom heeft de landbouwsector inkomenssteun en subsidies nodig?

Merijn Bos

Waarom krijgen boeren inkomenssteun? Is het

gasthoofdredacteur

uitoefenen van het beroep al genoeg, of moeten boeren

colofon ISSN: 0926-9142

Uitgever Jaap van Westering

Hoofdredacteur Kees van Veluw

Gasthoofdredacteur Merijn Bos

Eindredactie Bernard Faber

Redactie Maria van Boxtel Eline de Bot Harm Brinks Leen Janmaat

Bladmanager Annemieke Praamstra

Vormgeving

Advertentieacquisitie

Abonnementen

Vilarrica bv Baarn

Van Westering Groep bv, Baarn T 035-8873531 E sales@ekoland.nl

Ekoland verschijnt 11x per jaar. Een jaarabonnement kan elke maand ingaan en kost € 87,49 (NL) inclusief BTW. Het abonnement wordt ­stilzwijgend verlengd, tenzij twee maanden voor het verstrijken van het lopende abonnementsjaar schriftelijk (kan ook via de website) wordt opgezegd. Indien niet anders is overeen­ gekomen wordt jaarlijks een acceptgiro ter beta­ling van het a ­ bonnementsgeld toegezonden. Adreswijzigingen s.v.p. vijf weken van te­voren schriftelijk opgeven aan de abonne­men­ten­ad­ministratie o.v.v. het oude adres (via de adresdrager of www.ekoland.nl, zie abonnee service).

Aan dit nummer werkten mee Merijn Bos, Harry de Bot, Maria Van Boxtel, Bernard Faber, Estella Franssen, Guus Geurts, Leen Janmaat, Chris Koopmans, Matthijs de Kruijff Carolina Leoni, Gerard Oomen, Fransjan de Waard

Redactie-adres Postbus 696, 3740 AP Baarn T 035-8873531 E redactie@ekoland.nl

Druk Drukkerij Veldhuis Media Raalte

www.ekoland.nl EKOLAND | mei – 2014

34ste jaargang nr 5

Abonnementen­administratie Van Westering Groep bv Postbus 696, 3740 AP Baarn T 035-8873531 E abonnementen@ekoland.nl ©2014. Het geheel of gedeeltelijk overnemen van artikelen en/of ­illustraties is uitsluitend toegestaan na schriftelijke toestemming van de uitgever. De redactie noch de uitgever aanvaardt enige verantwoor­delijkheid voor schadelijke gevolgen die kunnen ontstaan na gebruikmaking van gegevens uit dit blad.

Ekoland is een uitgave van Van Westering Groep bv

Los nummer € 8,49 Het volgende nummer van Ekoland verschijnt eind juni 2014

@vakbladekoland

5


Met de open vraag “Kan het consumentenvertrouwen in de biologische landbouw vanuit de regio versterkt worden?” opende de Overijsselse gedeputeerde Hester Maij het gesprek over de toekomst van de biologische landbouw. Maij is door het Europese Comité van de Regio’s benoemd tot rapporteur biologische landbouw. In die functie stelt ze een advies op aan de Europese Commissie over de nieuwe Europese verordening en het actieplan voor de biologische landbouw. In december 2014 moet het advies af zijn. De komende maanden gaat Maij in gesprek met ondernemers, belangenbehartigers en experts uit heel Europa. Het gesprek begon dus in Overijssel, op biologisch-dynamisch bedrijf Keizersrande bij Deventer. Joel Salatin boer uit de USA

MRIJ-runderen Breda: historie én bio-vlees

en pleitbezorger voor duurzame landbouw “beyond organic” reageerde op de vragen van Maij met een vurig pleidooi voor direct contact met de klant en ruimte voor experimenten binnen de regelgeving. Dit pleidooi werd ondersteund door de deelnemers. De Europese Commissie wil de regels over de biologische productie en de etikettering van biologische producten verscherpen, harmoniseren en vereenvoudigen. Dit moet bijdragen aan het vertrouwen van de consument en het landbouwers gemakkelijker maken naar biologische landbouw over te

de gebieden rond Breda. Alle vijf koeien zijn op dit moment drachtig. De kudde wordt binnenkort dus uitgebreid met mogelijk vijf kalfjes. In een later stadium kan de kudde biologisch vlees leveren voor de stad.

Miscanthus doet het goed in kippenuitloop Een diep rode kleur, witte buik, kol en ‘sokken’. Zo zien de vijf runderen eruit die sinds kort in de Lage Vucht-polder bij Breda staan. De brandrode runderen van het MRIJ-veetype zijn een initiatief van StadgoedLandgoed BV. Dat is gespecialiseerd in biologisch agrarisch beheer en natuurbeheer van gebieden in en om stedelijke omgeving. Op grond van Staatsbosbeheer wordt een kudde opgebouwd die ingezet kan worden voor het beheer van natuurterreinen in en om de stad. Ook gaat het om het herstellen van de historische cultuur in 6

Drie legpluimveehouders in Terschuur en Voorthuizen hebben als eersten op grote schaal ervaring opgedaan met het gewas miscanthus in de kippenuitloop. Volgens de leverancier staat het gewas er op twee bedrijven goed bij. Daar is het onkruid

Foto Joop van Nes jr

Gedeputeerde Maij rapporteur bio-landbouw

Hester Maij stappen. IFOAM, de internationale koepel voor de biologische sector wijst het voorstel van de Europese Commissie af. De verordening getuigt niet van een vooruitstrevende, positieve visie op de ontwikkeling van de biologische sector. De Europese lidstaten, het Europees parlement en het comite van de regio’s bepalen de komende maanden hun standpunt. Hester Maij organiseert in samenwerking met Bionext in juni nog een landelijke stakeholder bijeenkomst.

bestreden met wiedeggen, handmatig schoffelen en onkruid trekken. Het derde bedrijf heeft geprobeerd het onkruid te bestrijden door een concurrerend gewas tussen de miscanthus te zaaien. Helaas onderdrukte dit gewas niet alleen het onkruid, maar ook de miscanthus. Geadviseerd wordt dan ook, door te gaan met de onkruidbestrijding. De proef met miscanthus gebeurt in samenwerking met het Louis Bolk Instituut en Bionext. Diverse teelten worden uitgeprobeerd om te zien welke het meeste voordeel opleveren. De pluimveehouders willen beschutting bieden aan hun kippen. Bij voorkeur worden bomen of meerjarige houtige gewassen geplant waarvan ook kan worden geoogst en die mineralen opnemen uit de grond. Miscanthus is makkelijk te telen en je kunt er vanaf het vijfde jaar 20 ton droge stof per ha van oogsten. Het kan wel drie tot vier meter hoog worden. Het geoogste en gehakselde gras kan flink vocht opnemen en lijkt daardoor ook geschikt als strooisel in de pluimveestal.

SP wil verplichte weidegang SP-Tweede Kamerlid Henk van Gerven bereidt een wetsvoorstel voor waarmee melkveehouders verplicht worden hun koeien te weiden. “Een koe hoort gewoon in de wei, en niet permanent op stal. Bovendien past het bij het Nederlandse landschap”, argumenteert de SP’er. Volgens CBScijfers staat 30% van de koeien jaarrond op stal. Van Gerven vindt dat onwenselijk. Hij vreest dat door het verdwijnen van het melkquotum en de verwachte groei van de melkveehouderij nog meer koeien op stal blijven. “Als we niet willen dat de melkveehouderij in een nieuwe bio-industrie verandert, moeten we nu ingrijpen.” Daaraan gekoppeld wil Van Gerven een wettelijk verankerde garantie dat zuivelbedrijven de boeren extra betalen voor weidemelk. Tenslotte stelt de politicus voor dat bedrijven die hun dieren permanent op stal houden niet meer mogen uitbreiden.

mei – 2014 | EKOLAND


landbouwberichten

Erf 1 sleept MVO Award Kampen binnen Biologische zuivelboerderij Erf 1 heeft de MVO Award van de gemeente Kampen gewonnen. De prijs werd op 12 mei uitgereikt door wethouder Pieter Treep. “We zijn heel erg blij met deze prijs. Onze inspanningen als het gaat om maatschappelijk verantwoord ondernemen worden duidelijk gewaardeerd”, vertelt Irene Bruins, mede-eigenaar bij Erf 1. De boerderij bestaat al sinds 1432. In 2011 is Erf 1 overgeschakeld op de biologische bedrijfsvoering en is het daarmee de eerste biologische boerderij van Kampereiland. Sinds oktober 2013 is Erf 1 Skal-gecertificeerd.

Zonnehoeve wil eigen zuivelverwerking Biodynamisch landbouwbedrijf Zonnehoeve in Zeewolde wil eigen zuivel gaan verwerken. Melkveehouder, akkerbouwer en mede-eigenaar Tekà Kappers is van plan dit via crowdfunding te gaan doen. Kappers ziet de vraag naar lokaal geproduceerde biologi-

sche producten groeien. Met het initiatief Zuivelfabriek wil Kappers de niet verkochte melk zelf verwerken tot biodynamische producten en aanbieden onder het merk ‘Zonne Zuivel’. De productlijn zal bestaan uit halfvolle melk, karnemelk, yoghurt, kwark, boter, hangop en kevie.

Thema-uitgave ‘Jaar van de Bodem’

bedrijven, zodat de opvattingen ook direct in de praktijk getoetst konden worden. Op elk bedrijf is een profielkuil gegraven. Op foto’s is te zien dat plantenwortels, wormen en poriën tot 70 cm diep aanwezig zijn in akkers die al tientallen jaren biologischdynamisch worden bewerkt.

Open Dag CBL

In totaal is 100.000 euro nodig om de ruimte klaar te maken voor de zuivelverwerking. De eerste halve ton wil Kappers inzamelen op het crowdfundingplatform doorgaan.nl. Het plan is om een coöperatie op te zetten, waarvan consumenten door deelcertificaten zelf mede-eigenaar worden. In de beginfase produceert Zuivelfabriek zo’n 750 à 800 liter zuivel per week. De producten worden regionaal afgezet via de Hof-webwinkel en de winkel van de boerderij.

“Biologisch-dynamische landbouw maakt jonge gronden volwassener en verstarde, oude gronden jonger.” Dat schrijft bodemkundige Jan Bokhorst in de recente thema-uitgave van de BD-vereniging ‘Bodemvruchtbaarheid als vrucht van de bodem’. Hiermee loopt de vereniging vooruit op het Jaar van de Bodem in 2015. De verhalen in de fotorijke brochure laten zien hoe een op het leven gerichte benadering van de landbouw leidt tot diep doorwortelde, vruchtbare grond. Boeren en landbouwadviseurs van de BD-club spraken op zes werk- en studiebijeenkomsten met elkaar over hun benadering van bodemvruchtbaarheid. Dat gebeurde op verschillende

Het Centrum Biologische Landbouw houdt op zondag 22 juni de Picknick opendag. Met de bekende boeren- en informatiemarkt en diverse andere activiteiten als wandel- en fietstochten of één van de biologische bedrijven in de omgeving bezoeken. Eén van de hoogtepunten is de rondrit op de boerenkar over de akkers van de Tuin van Lelystad. De Biologische Streekgidsen nemen u graag mee op smaaktocht langs de akker en vertellen wat er allemaal groeit en bloeit. Voor kinderen wordt het een avontuurlijke dag. Zij kunnen volop op onderzoek uitgaan. Tevens zullen er verschillende activiteiten georganiseerd worden, waaronder een kinderkookcafé, muziek en ponyrijden. De opendag is gratis te bezoeken tussen 11.00 en 16.00 uur.

“Kleinschalig telen maakt biologisch betaalbaar” Gert-Jan Jansen

‘Meente-moestuin’ Hof van Twello telt inmiddels al 40 tuinders. Die proberen samen om met gratis grond, gratis mest en verkoop uit de moestuin biologische groenten goedkoper te krijgen.

Baas van het spul is eigenaar Gert-Jan Jansen uit Twello. Van hem hebben de tuinders een stuk grond gekregen waar ze groenten op kunnen verbouwen. De helft daarvan wordt verkocht in de streekproductenwinkel van Hof van Twello. De tuinders krijgen de helft van de verkoopopbrengst. Om te voorkomen dat er tientallen kroppen sla in de winkel liggen en bijna geen bieten, moeten

EKOLAND | mei – 2014

de tuinders zich houden aan een teelplan. “Een win-win situatie voor beide partijen”, vindt de eigenaar. Het systeem is gebaseerd op de oude meentes: gemeenschappelijke grond, waar burgers hun koeien op lieten grazen of voedsel teelden. In ruil daarvoor moesten ze sloten of wegen onderhouden. Jansen spreekt de deelnemers erop aan als ze er

een rommeltje van maken. Hij onderzoekt nu of dit systeem ook elders kan werken. De Hof van Twello ligt op een steenworp afstand van de stad Deventer. Er is naast de uitgebreide streekwinkel, onder andere een blote voetenpad, een permacultuurtuin, een middeleeuwse tuin en wijngaard, een rauwe tuin waarin uitsluitend gewassen staan die je rauw kunt eten en een theetuin met terras.

7


Recensie

Thinking like a plant A living science of life auteur Graig Holdrege Denken als een plant, boek­bespreking door Jan Diek van Mansvelt Het voorlaatste hoofdstuk (5), over de zijdeplant (ook wel papegaaiplant) leest als een roman. Craig beschrijft zijn levensloop, maar ook in welke omgeving hij thuishoort, en welke andere organismen, planten en insecten er in welke ontwikkelingsfasen, en op welke manieren, mee verbonden zijn. Hij noemt dat hoofdstuk ‘The story of an organism’. Het is voor hem een voorbeeld voor hoe je naar planten zou moeten kijken om ze écht als levende wezens te begrijpen. Ik ga daar graag in mee: een prachtverhaal. In de eerdere hoofdstukken bouwt hij zijn zienswijze stap voor stap op. In Hoofdstuk 1 wijst hij de weg van een denkwijze die zich baseert op het verbanden leggen tussen ‘objecten’, waar geen leven aan te ‘zien’ is. Een denken dat het leven als een complexe mix van – in principe – niet levende stoffen (moleculen) beschouwt. Een denken dat ons

vervreemd van de wereld zoals we haar zelf direct waarnemen. In hoofdstuk 2 laat hij zien hoe we ons, door onze zintuigen serieus te nemen, onmiddellijk met de aarde-werkelijkheid kunnen verbinden. Onbevooroordeeld waarnemen is de basis voor de her-aarding van ons kennen, betoogt hij. In hoofdstuk 3 gaat hij in op onze manier van denken. Daarbij neemt hij de ontwikkeling van een plant als ‘matrix’ (mijn term, hier). Het gaat hem er om te leren denken in levensechte ontwikkelingen, door telkens waarnemen en denken af te wisselen, als gelijkwaardige partners in het kenproces. In zijn werkelijkheidsgetrouwe beeldspraak ziet hij het inzicht als resultaat van een groeiproces dat zich stapsgewijs ontwikkeld, met het inzicht als resultaat van het kenproces, als bloem. Een bloem die vrucht draagt in de acties die we op ons inzicht baseren. Hoofdstuk 4 wijdt hij aan de manier waarop de plantenontwikkeling door de omgeving wordt bepaald, en niet alleen op de overerfde eigenschappen. Plant en omgeving

vormen samen een eenheid, zoals ons kenproces ook door onze opvoeding en leefomgeving worden mee bepaald. Context en participatie zijn hier trefwoorden. In hoofdstuk 6 tenslotte zet hij alles wat hij liet zien nog eens op een rijtje, nu in het perspectief van de manier waarop we onze opvoedkunde, de leerprocessen en studies inrichten. Versterkt of verzwakt ons onderwijs de levenskrachtige en individuele ontwikkeling van onze kinderen of worden ze afgetraind om als zombies in onze achterhaalde machtssystemen te functioneren als ‘nuttige’ burgers (arbeiders, kostwinners, consumenten)? Hoewel hij soms wat erg veel tijd neemt om zijn punten duidelijk te maken vind ik het toch een geniaal boek, dat ik van harte kan aanraden aan ieder die het leven van de toekomst ter harte gaat.. Thinking like a plant - A living science of life door Craig Holdrege - Uitg. Lindisfarne books, 2013

Opheffing keurings- en controlediensten De keurings- en controlediensten voor de land- en tuinbouw worden opgeheven en gaan op in twee nieuwe organisaties: een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) voor plantaardige en een voor dierlijke aangelegenheden. Dat betekent het einde van onder andere de keuringsdienst voor de biologische landbouw Skal, Naktuinbouw, de Bloembollenkeuringsdienst en het COKZ. Dat schrijft minister Stef Blok in een brief aan de Tweede Kamer. De herinrichting komt voort uit het regeerakkoord, en er wordt ook gekeken naar keurings- en controletaken die nu nog onder toezicht van de Nederlandse Voedselen Warenautoriteit (NVWA) vallen. Naar aanleiding van de parlementaire discussie over de NVWA heeft staatssecretaris Sharon Dijksma (Economische 8

Zaken) al aangekondigd dat zij zich uitvoerig gaat herbezinnen op het systeem van keuring en toezicht. Het College voor de Toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (CTGB) blijft voorlopig bestaan, al wil het kabinet wel kijken of het op termijn verstandig is het personeel van het CTGB onder te brengen in een agentschap. Wat er met het Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) gaat gebeuren is evenmin precies duidelijk. Vooralsnog blijft BBL bestaan, maar het kabinet gaat kijken wat de rol is van BBL nu de Dienst Landelijk Gebied wordt opgeheven. Het Faunafonds wordt opgeheven, zoals ook al in het wetsvoorstel Natuurbescherming is vastgelegd. Hoe het met de

Minister Stef Blok Grondkamers verder gaat, is afhankelijk van de manier waarop het kabinet uitvoering geeft aan het advies over het pachtbeleid. De mogelijkheid bestaat dat de Grondkamer samengaat met de Huurcommissie. De Raad voor de Plantenrassen gaat mogelijk op in de nieuwe ZBO-plant, waarin ook de Bloembollenkeuringsdienst, Naktuinbouw, en de keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed kunnen

worden ondergebracht. In de nieuw ZBO-dier kunnen de activiteiten van het COKZ en het al bij wet opgeven Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten worden opgebracht. Directiesecretaris Arjan Kroon van de NAK zegt in een eerste reactie de vrees te hebben dat de voorgestelde aanpak leidt tot extra kosten in de akkerbouw. Zijn angst is dat de NVWA een aantal taken naar zich toe trekt, wat alleen maar tot extra kosten leidt. “Dan komen eerst de NAK en vervolgens de NVWA het zelfde werk doen. We moeten voorkomen dat met de ZBO’s hetzelfde gebeurt als met de productschappen: dat we ze al opgeheven hebben, voordat het parlement een besluit heeft genomen.”

mei – 2014 | EKOLAND


Opinie

Ekoland vroeg vijf biologische boeren naar hun ervaring en visie op het thema vergroening. Wat zien ziet u als vergroening? En hoe verdient u daaraan? Gaat vergroening samen met voedselproductie en economische groei? Lees wat uw collega’s er van vinden. Tekst Matthijs de Kruijff

Vijf bioboeren, vijf manieren van omgaan met vergroening

vergroenen of verdienen? het Vergroenen van je bedrijf is een win-winsituatie Henk Pelleboer

Polderzicht Mastenbroek is een biologische melkveehouderij midden in de polder Mastenbroek. Het bedrijf heeft veel aandacht voor natuurbeheer en weidevogels. Doelstelling is om de weidevogelstand de komende jaren fors te laten stijgen. Samen met zijn familie runt Henk Pelleboer de boerderij. Hij vertelt over de voordelen van vergroening. “Ik zie het vergroenen van je bedrijf als een win-winsituatie. Door aan bepaalde eisen te voldoen kom je in aanmerking voor beloningen”, begint hij. Polderzicht Mastenbroek draagt een steentje bij aan het verbeteren van de biodiversiteit en natuurgronden. “Uiteraard vind ik dat een goede zaak”, vervolgt Pelleboer. “Vergroenen doe je niet zomaar, je moet de cirkel rondmaken. Daar horen ook de bloempjes, vlindertjes en natuurlijk onze weidevogels bij.” Toch ziet hij ook de beperkingen van het vergroenen in: “Productie-intensiviteit is bijvoorbeeld iets wat onder druk kan komen te staan. Bovendien boeren wij op een groot veengebied, wat ook al de nodige beperkingen met zich meebrengt.” Pelleboer doelt hiermee vooral op de grondwaterstand en vindt beloningen voor vergroenen dan ook terecht: “Ja, een centje extra voor de moeite is meer dan welkom.” Om die extraatjes veilig te stellen, zegt Pelleboer op een positieve manier in te springen op de beperkingen die vergroening met zich meebrengen. “Denk bijvoor-

EKOLAND | mei – 2014

beeld aan het uitstellen van maaidata, iets wat we al jaren doen.” Polderzicht Mastenbroek doet er alles aan om het weidevogels zo comfortabel mogelijk te maken. Onlangs werd ook de Red de rijke weidekaas geïntroduceerd, een initiatief van Pelleboer en de Vogelbescherming samen. “Met zulke producten werk je aan vergroening en verdien je er ook nog eens iets mee”, vertelt de weidevogelboer. Vergroening kan prima gecombineerd worden met het produceren van voedsel, stelt Pelleboer. “Door te vergroenen kan je een heel goed en gezond product maken. Zaken als natuurgrond en minderen van krachtvoer zorgen voor een toename van de productkwaliteit.” Samenwerken met natuurorganisaties raadt hij ook sterk aan: “Je krijgt meer mogelijkheden, waardoor je samen wat kunt verdienen.” Vergroening staat de economische groei van Polderzicht Mastenbroek dan ook niet in de weg. “Voor biologische begrippen zijn wij een relatief groot en modern bedrijf. Stel dat we onze veestapel moeten verkleinen, dan beginnen de problemen pas”, vertelt Pelleboer. Wel vindt hij het een onzekere situatie: “Ik zou het onterecht vinden als bedrijven als de onze minder vee zouden mogen gaan houden. Het wordt tijd dat de overheid een besluit neemt en daar niet onmiddellijk weer aan gaat rommelen”, besluit hij.

9


Ook terugwinnen van warmte uit de melk hoort erbij

De Henricus Hoeve is een biologische zorgboerderij, midden in het Land van Maas en Waal. De boerderij wordt beheerd door de familie Hoefnagel. Naast het houden van melkvee doet De Henricus Hoeve ook aan weidevogelbeheer en houtteelt.

Henk Hoefnagel

Henk Hoefnagel geeft zijn visie op vergroening binnen de biologische sector: “Onder vergroening versta ik verduurzamen.” Hij geeft aan dat vergroening op allerlei manieren kan, zoals bijvoorbeeld door het leggen van zonnepanelen. Het dak van de grote stal is bedekt met 140 panelen, waarmee groene stroom wordt opgewekt. De machines en lampen op het bedrijf halen hier hun stroom vandaan. Energie die overblijft wordt teruggevoerd naar het energiebedrijf, dat het vervolgens weer verdeelt aan andere energieafnemers. “Maar ook iets heel anders, bijvoorbeeld het terugwinnen van de warmte uit de melk hoort bij vergroenen.” Op zijn bedrijf is Hoefnagel echter vooral druk met vergroenen op een bijzondere manier: “Wij vergroenen door houtgewassen te telen. Een perceel wilgenhout komt het hele uitstootverhaal ten goede.” Hoefnagel legt

uit waarom hij aan houtteelt doet en wat het hem oplevert: “We hebben in ons gebied meer dan voldoende grond die nog niet geschikt is voor de landbouw. Deze grond is wél uiterst geschikt voor het telen van hout, waardoor het toch een functie heeft. De wilgen zorgen voor een beperking van de uitstoot van vervuilende stoffen, terwijl we de houtsnippers gebruiken als strooisel in de koeienstal.” Vergroenen, bijvoorbeeld door hout te telen, en het produceren van voedsel kunnen volgens Hoefnagel prima samen. Met het houden van vee profiteert hij van de nieuwe ontwikkelingen, terwijl hij het telen van hout hetzelfde vindt als het telen van een gewas. Ook de economische groei van zijn bedrijf stagneert niet door vergroening: “Het geeft alleen maar nieuwe mogelijkheden, des temeer reden om te blijven ontwikkelen”, vindt Hoefnagel. “Voor ieder tiental koeien een hectare bos is toch prachtig? Het ziet er ook nog eens mooi uit. Wat mij betreft is het verhaal naar de burger op deze manier weer compleet!”

Aandacht voor vergroening is het resultaat van bewustwording

Peter Harry Mulder

Akkerbouwer Peter Harry Mulder uit Muntendam is al jaren bezig met het aanleggen van akkerranden op zijn percelen. Daarnaast plan hij struweel zodat vogels schuil- en broedplaatsen hebben. Boven zijn akkers vliegen onder ander grauwe en blauwe kiekendieven, honderden geelgorzen, buizerds, torenvalken, patrijzen, fazanten, velduilen, scholeksters. Mulder is groot voorstander van vergroening. “Ik zie aandacht voor vergroening als het resultaat van bewustwording”, begint hij. “Het nieuwe Europese ‘Vergroeningsbeleid’ is een compromis na ruim veertig jaar strijd tussen belangenorganisaties van natuur en landbouw. Het huidig op winst gebaseerd economisch systeem werkt roofbouw op de aarde in de hand”, vindt Mulder. “De daaruit voortvloeiende onbalans of ‘verschraling’ van de biodiversiteit dient nu met vergroeningsmaatregelen hersteld te worden.” Volgens Mulder hebben natuurakkerranden en wintervoedselveldjes, gekoppeld aan een faire vergoeding, gezorgd voor een opleving van de zeldzaam geworden grauwe- en blauwe kiekendief en de velduil. “En dat is nu precies de bedoeling.” Mulder teelt zetmeelaardappelen, bieten en graan. Langs de akkers heeft hij natuurbraakranden aangelegd. Toch zegt Mulder dat het beleid om vergroening te steunen averechts werkt: “Ik verdien niets extra met mijn maatregelen. Ik kan me zelfs voorstellen dat het grootste deel van de Nederlandse landbouwers erop achteruit

10

gaat.” Mulder stelt dat vergroening en voedselproductie hand in hand gaan en vindt dat braakleggen veel meer gedaan mag worden: “Elke boer heeft wel een inefficiënt perceel dat (gedeeltelijk) ingericht kan worden als natuurakker. Vijf procent braakleggen betekent daarom niet evenveel productieverlies. Bovendien mag Nederland dan wel qua exportwaarde de tweede exporteur van de wereld zijn en de hoogste fysieke opbrengsten per hectare hebben, maar ten opzichte van de wereldbehoefte is de fysieke productie een druppel op de gloeiende plaat. In tegenstelling tot het buitenland wordt elke vierkante meter in het agrarisch landschap intensief benut, met de bekende gevolgen voor biodiversiteit.” Hoewel Mulder zegt financieel vooral te lijden onder vergroeningsmaatregelingen en hij forse kritiek op de beleidsmakers heeft, denkt hij toch dat vergroening en economische vooruitgang elkaar kunnen ondersteunen. “Ja, op de langere termijn. Nu brengt het landschap hoofdzakelijk landbouwproducten voort. Vergroening met oog op duurzaamheid en behoud van biodiversiteit, kan de groeiende waardering van de consument voor de producent en het landschap versterken. Daarnaast trekt een aantrekkelijk landschap meer recreanten aan, wat goed is voor de middenstand van stad en ommeland. Niet onbelangrijk is dat goed geïnformeerde consumenten, via politieke partijen, een landbouwkundig gewenste richting bespoedigen. En dat biedt weer mogelijkheden voor economische groei”, besluit hij.

mei – 2014 | EKOLAND


Opinie

Economische groei bevordert vergroening

Douwe monsma

Sinds 1990 is Douwe Monsma biologisch akkerbouwer in Zeewolde. Op zijn bedrijf van bijna 300 hectare worden onder andere biologische aardappels geteeld en gesorteerd. Ook heeft hij zijn bedrijf van 100.000 kWh aan zonnepanelen voorzien. Toch is Monsma in Flevoland vooral bekend als ‘windmolenaar’. “Ik ken twee soorten vergroening, namelijk duurzame energie opwekken en biologisch gewassen telen”, vertelt Monsma. “Duurzame energie opwekken doe ik bijvoorbeeld door me in te zetten voor windturbines, maar ook ben ik groot voorstander van zonnepanelen.” Op zijn biologische akkerbouwbedrijf is vergroening ook een belangrijk speerpunt: “Kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen zijn uiteraard nergens op de boerderij te vinden, maar ook het zuinig omgaan met de beschikbare grond is van belang”, vindt Monsma. Die zuinigheid wordt vooral bereikt met ruime vruchtwisseling. “Onze tafelaardappelen bijvoorbeeld hebben een ruime vruchtwisseling nodig. Die kunnen maar één keer in de zes jaar op dezelfde plek staan.” Verdienen aan vergroening doet de

slimme ondernemer vooral door deel te nemen aan een grootschalig windmolenproject. “Als initiatiefnemer van een windmolenpark heb ik boeren als mijzelf kunnen laten profiteren van duurzame energie. De molens staan op onze grond, waarvoor we dus een vergoeding ontvangen”, legt Monsma uit. De zonnepanelen op zijn bedrijf betalen zichzelf dubbel en dwars terug. “Daarnaast doen we mee aan akkerrand projecten ten behoeve van de ontwikkeling van biodiversiteit in Flevoland.” Volgens Monsma komt de voedselproductie niet in gevaar door vergroening: “In tegendeel, het helpt alleen maar je product te verbeteren.” Het biologisch telen van onder andere aardappels, bieten, tarwe, wortelen, bloemkool, broccoli en sperziebonen zorgt voor een excellente productkwaliteit. Monsma vraagt zich niet af of vergroening kan samengaan met economische groei: “Het is juist andersom. Economische groei bevordert vergroening. Een groeiende economie vraagt meer energie, waardoor we in de toekomst zonnepanelen en windturbines zonder subsidies kunnen gaan plaatsen”, vertelt de windmolenaar. Ook verdere vergroening op het gebied van biologische akkerbouw valt of staat bij de cijfers van de Nederlandse economie, stelt Monsma: “In goede economische tijden hebben consumenten meer te besteden, waardoor er automatisch meer geld in ons laatje komt.”

Vergroening betekent samenwerken met de natuur

Op De Groote Voort in de Gelderse Vallei maken melkveehouders Jan Dirk en Irene van de Voort boerenkaas van Jerseymelk: Remeker. In 2004 stopten zij helemaal met het gebruik van antibiotica voor hun Jersey melkkoeien. Vergroening dus, maar wat vindt Jan Dirk eigenlijk van die term?

EKOLAND | mei – 2014

Jan Dirk van de Voort

“Vergroening betekent voor mij dat je samenwerkt met de natuur”, begint hij. In zijn weilanden groeit gras en klaver. Doordat klaver op een natuurlijke manier stikstof bindt uit de lucht, is kunstmest overbodig. “Het is de kunst om je grond en dieren zoveel mogelijk hun eigen identiteit te laten behouden. Als dat lukt kan je vergroening gaan integreren in de bedrijfsvoering van je boerderij”, luidt zijn theorie. Op De Groote Voort gelden als vergroenende maatregelen: dat er niet meer wordt geploegd, dat er zoveel mogelijk weide is, de dieren gehoornd zijn en dat er geen synthetische en onnatuurlijke producten in de kringloop voorkomen. Al deze maatregelen zouden natuurlijk niet genomen zijn als er niets tegenover zou staan. “Wij verdienen hieraan, omdat we alles zelf doen. De meerwaarde van

ons groene product, namelijk de Remeker kaas, kunnen we dus zelf verzilveren. We produceren en vermarkten alles zelfstandig”, vertelt Van de Voort. Hij noemt vergroening een uitstekende ontwikkeling binnen de voedselproductie. “Natuurlijk gaat produceren en vergroenen samen. Vergroenen draagt enorm veel bij aan de smaak en beleving van een product en daarmee ook de kwaliteit.” In de kaasmakerij wordt om de dag de rauwe melk van de koeien verwerkt tot kaas. Door de melk zelf te verwerken, kan de bijzonderheid ervan tot uiting komen in de kaas. Ze laten de kaas rijpen in het pakhuis, zodat de smaak zich langzaam kan vormen. Kwaliteit boven kwantiteit, ook als gaat om geld verdienen. Stagnatie van de economische groei gaat voor De Groote Voort dus niet op. “Ons groene, margerijk product is een goed voorbeeld van de voordelen van het vergroenen van je bedrijf”, vindt de melkveehouder. Hij houdt net geen honderdtal Jerseykoeien, maar heeft wel werk voor 5 fte. “Onze definitie van vergroening is dus ook nog eens hartstikke efficiënt”, concludeert Van de Voort.

11


Leidt het nieuwe Europese Landbouwbeleid tot meer vergroening of minder ambities?

Landbouwbeleid stelt groene eisen

De inkomenssteun aan boeren vanuit het Europese Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) is een belangrijke inkomstenbron voor boeren en een belangrijk instrument voor de politiek. Vanaf 2016 moeten boeren gaan voldoen aan een aantal eisen van vergroening. Wie niet aan die eisen voldoet, loopt 30% van de inkomenssteun mis. Wat zijn de eisen en wat zijn de gevolgen van het nieuwe beleid? Tekst Merijn Bos | foto’s Ekoland

M

omenteel bestaat het landouwbeleid uit twee pijlers. Vanuit de eerste pijler (90% van het budget) worden de toeslagrechten aan boeren betaald. Vanuit de tweede pijler wordt met subsidies gestuurd op plattelandsontwikkeling, agrarisch natuurbeheer en de concurrentiekracht van de landbouw. Inkomenssteun aan boeren omdat ze boer zijn wordt steeds minder vanzelfsprekend. Er lijkt voedsel genoeg te zijn en belastingbetalers worden steeds kritischer over wat er met hun geld gebeurt. Vanaf 2016 moeten boeren daarom gaan voldoen aan een aantal eisen

Vergroening kan er toe leiden dat er per saldo juist waardevolle akkernatuur verdwijnt. van vergroening. Wie niet aan die eisen voldoet, loopt 30% van de inkomenssteun mis. Belangrijke eisen zijn dat jaarlijks maximaal 5% van blijvend grasland vernieuwd mag worden, dat er minimaal 3 gewassen worden geteeld op bouwland en dat op bouwland 5% wordt omgevormd tot ecologisch aandachtsgebied. Met name die laatste eis heeft veel stof doen opwaaien. Wat is een ecologische aandachtsgebied? Volgens natuurorganisaties is dat habitat voor bedreigde planten 12

en dieren, volgens agrarische belangenorganisaties begint een ecologisch aandachtsgebied al met de teelt van vlinderbloemige gewassen of met een grasstrook langs een sloot. ‘Green by definition’ wordt de biologische landbouw genoemd. Biologische boeren hoeven dus niets aan te passen om aan de vergroeningseisen te voldoen: ze zijn per definitie al groen. Zoals u in deze Ekoland zult lezen, gaan biologische boeren zelfs verder dan de vergroeningseisien in het landbouwbeleid. Krijgen we nu allemaal natuur in het platteland? De eis van 5% ecologische aandachtsgebieden is het gevolg van een advies van een groep wetenschappers. Als 5 tot 10% van de akkerbouw bestaat uit halfnatuurlijke biotopen, dan is dat de beste basis voor robuuste biodiversiteit. Uiteindelijk zijn in allerlei onderhandelingen de eisen minder zwaar geworden en mogen boeren zelf kiezen of ze sloten en slootkanten, vlinderbloemigen of waardevol habitat voor bedreigde vogels aan gaan leggen als ecologisch aandachtsgebied. Ook worden bestaande landschapselementen weer in de meitelling ondergebracht en tellen ze mee als ecologisch aandachtsgebied. Door de huidige koers van de vergroening heeft een aantal organisaties de noodklok geluid: de vergroening kan er toe leiden dat er per saldo juist waardevolle akkernatuur verdwijnt in plaats van dat het er bij komt. Waarom zou je ecomei – 2014 | EKOLAND


regelgeving

Het GLB in historisch perspectief De jaren ‘50: Landbouw, honger en de Europese Unie Door voedselschaarste en honger maakten zes Europese landen in 1957 belangrijke afspraken over voedselproductie. De zes landen groeiden uit tot de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de landbouwafspraken werden in 1962 het eerste Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB). Prioriteiten waren een goed bestaan voor boeren en betaalbaar voedsel. Het beleid was succesvol: voedseltekorten bestonden in de jaren ‘60 niet meer in de EEG. 1970-1990: Grenzen aan de groei In 1968 werd het beleid herzien. Landbouw moest moderner en grootschaliger, om concurrerend te blijven niet alleen binnen Europa, maar ook wereldwijd. Onderdeel van het plan van Mansholt was dat 5 miljoen kleine en verouderde boerenbedrijven moesten stoppen, waardoor een nieuwe generatie van moderne, grote landbouwbedrijven ontstond die steeds effectiever voedsel produceerden. In datzelfde jaar luidde de Club van Rome de alarmklok over de effecten van de steeds intensievere voedselproductie. In de jaren ‘70 en ’80 werd de voedselproductie zelfs gedomineerd door overschotten. In 1972 publiceerde de Club van Rome het beroemde ‘Grenzen aan de Groei’. Het landbouwbeleid had haar eigen doelen voorbijgestreefd. In de jaren ’80 moest zelfs export van voedseloverschotten gesubsidieerd worden. 1990-2014: De eerste stappen naar duurzaam produceren De overschotten wegwerken was erg duur, daardoor groeide in Europa het besef van de grenzen van groei. In 1992 werd het landbouwbeleid opnieuw hervormd onder voorzitterschap van Ray MacSharry. De ‘eerste pijler’ werd in het leven geroepen: de marktbeïnvloeding werd vervangen door directe inkomenssteun aan boeren om duurzaam boer te blijven. Vanuit de ‘tweede pijler’ werd agrarisch natuurbeheer en braaklegging gestimuleerd om overschotten te voorkomen en tegelijk te helpen de biodiversiteitsdoelen te halen die in 1992 werden aangegaan in het Biodiversiteitsverdrag van Rio. EKOLAND | mei – 2014

Vergroening moet, maar de keuze tussen habitat voor patrijzen en een grasstrook langs een sloot is vrijwillig. Wat zullen de meeste boeren kiezen?

logisch uitmuntende aandachtsgebieden creëren, als je buurman hetzelfde krijgt voor zijn luzerne? Verplichting leidt tot een gebrek aan ambitie. Het instrument ‘vergroening’ biedt voldoende mogelijkheden om een ecologisch waardevol platteland op te bouwen, maar waarom zou je als boer nog iets willen als het toch al verplicht is? Ambitie is cruciaal voor succesvolle ecologische maatregelen, en ambitie is altijd vrijwillig. Succesvolle ecologische maatregelen kun je niet verplicht stellen. Een biologische ondernemer kiest er zelf voor om biologisch te produceren. In die vrijwilligheid schuilt een groene ambitie, en dat is de basis van een al jarenlang gezonde sector met een jaarlijks stijgende afzet. Bovendien verschijnen er

Vijf procent van bouwland wordt ecologisch aandachtsgebied. ook steeds meer wetenschappelijke bewijzen van natuurrendement uit biologische landbouw: biologische bedrijven hebben meer bloeiende planten en meer wilde bijen, maar ook een betere bodemkwaliteit. Daar komt ook nog eens bij dat regio’s met meer biologische landbouw minder vatbaar zijn voor ziekten en plagen in landbouwgewassen. En dat gebeurt allemaal op vrijwillige, marktgestuurde basis vanuit een eigen drijfveer. Niets is duurzamer dan dat. Merijn Bos is werkzaam bij het Louis Bolk Instituut

13


De Naoberhoeve ligt een beetje achteraf, aan de rand van het Ruinerbos. Sommige navigatieapparaten leiden niet naar de boerderij, maar naar een plek in het bos. Eenmaal gevonden, blijkt de Naoberhoeve een paradijsje te zijn. Tekst & Foto’s Bernard Faber

14

mei – 2014 | EKOLAND


Bedrijf in beeld

Met melkvee, een tuinderij en een zorgtak is de Naoberhoeve een multifunctioneel bedrijf

zorg voor o mensen, dieren & planten

E

en oude woonboerderij met twee stallen, een grote schuur en paar caravans omzoomd door houtwallen, waar vier maten en circa 15 deelnemers (zorgvragers) in een vriendelijke ongedwongen sfeer hun werk verrichten. Dat werk is gevarieerd, want de Naoberhoeve omvat ondermeer een zorgtak, een tuinderij met marktverkoop en een melkveebedrijf. Het bedrijf is in 1997 gestart door Sake en Marieke Gerritsen als een BD-melkveehouderij met een kleine zorgtak voor drie deelnemers. De omvang was (en is) 37 ha eigen grond met 35 melkkoeien. Voor de zorg zijn er destijds een kleine groente- en kruidentuin en een kas ingericht. Ook de potstal is toen gebouwd. In 2009 zijn Gerlof Pronk en Maraike Hein op het bedrijf gekomen, zij hebben de groenteteelt opgeschaald met als afzet de boerenmarkt in Enschede. Momenteel omvat de tuinderij ruim ¾ hectare tuin en ruim 300 m2 kas. Het merendeel van de circa 40 verschillende teelten wordt wekelijks verkocht op de markt in Enschede. Voor het echte tuindersgevoel worden er vier productieteelten gedaan, die worden afgenomen door een pakkettenbedrijf. Een klein winkeltje is in een oude zeecontainer ingericht, het miniwinkeltje is twee keer per week open. Gerlof Pronk: “Toen we eerder dit jaar in de schuur een winkel wilden inrichten, bleek er een kerkuil te nestelen. Daarom hebben we de verbouwing nog even uitgesteld.” De zorgtak genereert ongeveer de helft van de inkomsten. Dagelijks komen er tussen de 12 en 18 deelnemers uit een straal van 15 kilometer rond het bedrijf. Sinds het vervoer niet meer wordt vergoed, haalt de Naoberhoeve de deelnemers zelf op.

EKOLAND | mei – 2014

15


Vier keer per jaar organiseert de Naoberhoeve activiteiten voor bewoners in de regio, zoals in de herfst het ‘Inwinteren’, een dag waarop mensen een wintervoorraad kunnen kopen van uien, peen en hout. In de winter als er minder werk in de tuin is, wordt er voor Staatsbosbeheer werk verricht in de omringende bossen. Pronk: “De boeren in de omgeving zijn blij dat wij de houtwallen onderhouden, Staatsbosbeheer is blij dat wij het werk doen, en wij zijn blij met het werk en het hout dat we weer verkopen als brandhout.” Om loonkosten weg te nemen en de continuïteit te waarborgen is in 2011 een maatschap Het merendeel van de gevormd. De circa 40 verschillende teelten wordt maten zijn Sake Gerritsen, Jurre wekelijks verkocht op de markt. de Vos, Gerlof Pronk en Maraike Hein. In de overeenkomst is ondermeer vastgelegd dat de zorgtak maximaal 50 procent van het inkomen van de maatschap mag genereren. In een volgende fase willen de maten de grond vervreemden. Er wordt overleg gevoerd met Stichting BD Grondbeheer BD Landbouw.

Bedrijfsgegevens Naoberhoeve; Maatschap van Sake Gerritsen, Jurre de Vos, Gerlof Pronk en Maraike Hein Arbeid: 4 medewerkers (in totaal 2 fte) Areaal: 37 hectare in eigendom Grondsoort: zand Gewassen: gras, krachtvoer, 1 ha tuinbouw (40 gewassen) Veestapel: 35 melkveekoeien, 15 stuks jongvee, 15 schapen en 100 kippen Rassen: Fries Hollands en Fleckvieh Bemesting: potstalmest en drijfmest Machinepark: 4 trekkers, incl. één smalspoortekker voor het werk in het bos; schudder, maaier, spitmachine, wiedeg en cultivator, kraan, Afzet: Campina - Zuiver Zuivel (melk); weekmarkt (groenten) en EKOnoom (productiegroenten) Bijzonderheden: kapschuur van kassenprofielen www.naoberhoeve.nl

Gevraagd naar de innovaties op de Naoberhoeve, antwoordt Pronk: “Wij strooien de potstal op met houtsnippers en maaisel van natuurland van Staatsbosbeheer. Verder hebben we een kapschuur laten 16

mei – 2014 | EKOLAND


Bedrijf in beeld

bouwen door een kassenbouwer, waarbij spanten uit oude kassen zijn toegepast. Dat scheelde 10.000 euro. Voor de kippen gebruiken we een mobiel kippenhok, een oude bouwkeet. De kippen maken een perceel mooi schoon. Na de kippen hoeven de grond alleen nog maar te culteren. Ten slotte zijn we, om het bedrijf nog flexibeler te maken, dit jaar met groentepakketten gestart. Met de zorg gaan we wat onzekere tijden tegemoet.” Ook op andere gebieden wordt gezocht naar minder afhankelijkheid. Pronk: “We telen dit jaar koolzaad, een halve hectare voederbieten en 3 hectare gerst-erwten. Uit het koolzaad halen we olie voor consumptie en voor in de trekker, de andere teelten zijn krachtvoer.” Op de Naoberhoeve wordt ook aan vergroening gewerkt. Tussen de percelen worden groenwallen aangelegd, er is een moerasgebied van een halve hectare dat actief wordt onderhouden, langs de weilanden zijn natuurstroken aangelegd, die maar één keer per jaar worden gemaaid, er is een bijenstal en ondanks het wegvallen van de subsidie (maar dankzij een zak bloemenzaad) worden er FAB-randen ook dit jaar weer aangelegd. Zonder subsidie wordt er niet direct verdiend aan de vergroening, maar “het geeft wel plezier.” Volgens Pronk is de vergroening prima te combineren met productie. “Op een overhoeks stukje land verbouwen we nu rabarber, hout versnipperen we in de mesthoop, ik zie helemaal geen negatieve effecten.” EKOLAND | mei – 2014

‘’Om het bedrijf nog flexibeler te maken, beginnen we dit jaar met groente­ pakket­ ten.”

Dat de deelnemers echt plezier hebben in hun werk maakt een rondje over het bedrijf wel duidelijk. Ze laten graag met trots zien waar ze mee bezig zijn en gaan graag op de foto bij de trekker, met een ronkende bosmaaier of gewoon rustig leunend op een handschoffel. Betreffende de maten licht Pronk toe: “Maraike haalt haar voldoening vooral uit de tuinderij, Jurre uit de veehouderij en Sake geniet van het feit dat het bedrijf zich zo heeft ontwikkeld. En overkoepelend, de biologisch-dynamische wijze van werken.” Zelf heeft hij zichtbaar plezier in het werken met mensen, deelnemers spreken hem geregeld aan met wat er in hun opkomt: “Het blijft warm Gerlof, misschien kunnen we woensdag gaan zwemmen.” En: “Ik moet nodig naar de kapper.” Pronk hoort het allemaal belangstellend aan, antwoord bevestigend en gaat weer verder met waar hij meer bezig was: het beantwoorden van de vragen voor deze reportage. De biologisch-dynamische visie is op de Naoberhoeve maatgevend voor de landbouw, antroposofie is de inspiratiebron voor de zorgactiviteiten. In de toekomst hoopt de Naoberhoeve uit de kunnen breiden: “Hier 25 deelnemers en een tweede woon- en zorglocatie voor nog eens 25 deelnemers. Wat moet over 5 jaar verwezenlijkt zijn? “Een stevige zorgtak, uitbreiding van de tuin tot 1,5 hectare en een betere winkel.”

17


Nieuw handelsverdrag tussen EU en VS bedreigt biologische familiebedrijven en regionale afzet

Maakt TTIP Biologische landbouw onmogelijk?

McDonaldisering voor iedereen?

De Europese verkiezingen leken nauwelijks te gaan over de inhoud van het Europese beleid. Toch zijn er ontwikkelingen die een meer rechtvaardige en ecologische landbouw en voedselvoorziening ernstig kunnen belemmeren en misschien wel definitief onmogelijk kunnen maken. Het meest bedreigend is de Trans Atlantic Trade and Investment Partnership (TTIP), waarover momenteel in het geheim wordt onderhandeld door de EU en de VS. Tekst & Foto’s Guus Geurts

18

mei – 2014 | EKOLAND


Regelgeving

H

et doel van de TTIP is zoveel mogelijk handelsbelemmeringen te verwijderen. Dit zou leiden tot economische groei, duizenden banen en goedkopere producten voor consumenten. Alleen maar winnaars dus. De EU en de VS willen door gezamenlijke afspraken een blok vormen tegenover de opkomende BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India en China). Het resultaat van de onderhandelingen maatgevend worden voor de hele wereld. Wetenschappers, maatschappelijke organisaties, vakbonden en boerenorganisaties waarschuwen echter voor de grote nadelen van een mogelijk akkoord. Ten eerste krijgen gekozen volksvertegenwoordigers zowel in het Europees Parlement als in de Europese lidstaten geen toegang tot de onderhandelingsteksten. Het onderhandelingsmandaat van de Europese Commissie is vooral tot stand gekomen na besloten consultaties met het multinationale bedrijfsleven. Aan beide zijden van de oceaan lobbyen zij al decennialang voor deze TTIP. Voor landbouw en voedselvoorziening zijn er grote risico’s als de huidige handelsbarrières worden opgeheven. De voorgestelde verlaging van importtarieven dreigt vooral ten koste te gaan van de Europese gezinsbedrijven. In de VS zijn 2 miljoen boeren actief met gemiddeld 180 hectare per bedrijf, in de EU zijn dat er 13 miljoen met gemiddeld 12 hectare. Een verdere schaalvergroting lijkt onontkoombaar als Europa haar grenzen openstelt. Hoewel de Europese boerenorganisatie COPA-COGECA (waaronder LTO) vooral offensieve kansen ziet voor export van zuivel, wijn en tuinbouwproducten naar de VS, zullen vooral Europese veehouders last krijgen van de omgekeerde concurrentie. Te meer omdat de eisen aan Europese boeren op gebied van milieu en dierenwelzijn een stuk hoger liggen dan in de VS. Op de huidige wereldmarkt - zoals vastgelegd in de WTO - geldt echter alleen de voedselveiligheid van het eindproduct als gelegitimeerde handelsbelemmering. De wijze van productie die in Europa is vastgelegd in milieu- en dierenwelzijnswetgeving, mag geen reden zijn producten te weren. Dat kan dus alleen via importheffingen. Binnen een nieuw verdrag dreigt het principe van mutual recognition te gaan gelden. Amerikaanse producten mogen dan in Europa de markt op, als ze voldoen aan hun – vaak veel lagere – standaarden, ondanks dat de Europese boer aan hogere eisen moet voldoen. Het betekent oneerlijke concurrentie en de Europese standaarden zullen ernstig onder druk komen te staan.

EKOLAND | mei – 2014

Biologische markt Amsterdam

‘De voor­ geste­lde verlaging van import­ tarieven dreigt vooral ten koste te gaan van de Europese gezins­ bedrijven.’

Momenteel geldt in de EU het voorzorgsbeginsel, waarbij een fabrikant van bijvoorbeeld bestrijdingsmiddelen moet bewijzen dat zijn product veilig is, voor het op de markt mag. In de VS geldt de omgekeerde bewijslast, daar moet de overheid aantonen dat een product niet veilig is. Er zal vervolgens ook een druk worden uitgeoefend op de EU om de teelt van genetische gemanipuleerde gewassen toe te laten in de EU, en om de verplichte (GMO)-etikettering van voedsel te versoepelen. Ook dreigt de democratische wetgeving op het gebied van milieu, voedselveiligheid- en dierenwelzijn volledig te worden uitgehold. Via zogenaamde Regulatory coherence worden standaarden tussen de EU en de VS geharmoniseerd via een Regulatory Cooperation Council. Dit council bestaat uit ambtenaren van de Europese Commissie en de VS, die toekomstige wetten onderling beoordelen en afstemmen. Te meer deze raad buiten het zicht van de politiek blijft, heeft de agribusiness straks vrij spel. Het zal dan zeer moeilijk worden om Europese standaarden nog verder te verhogen. Door het Investor to State Dispute Settlement-(ISDS)mechanisme wordt het verhogen van standaarden verder onmogelijk gemaakt. Door het ISDS kunnen investeerders – meestal multinationals – lidstaten of de EU aanklagen bij een ondemocratisch panel, wanneer nieuwe wetgeving hun (toekomstige) winsten nadelig beïnvloedt. Er zijn voldoende voorbeelden bekend van miljardenclaims. Uit angst voor hiervoor zullen overheden wel oppassen met strengere wetgeving, dit 19


Koeien nog steeds in de wei

wordt ook wel het chilling effect genoemd. ISDS is het meest controversiële onderdeel van de TTIP, en zou als de kritiek aanhoudt binnenkort uit de onderhandelingen kunnen verdwijnen, om zodoende de rest van TTIP te redden. Versterkte patenten (IPR’s) op zaden bedreigen het kwekersrecht van boeren en de agrarische biodiversiteit. Ook dreigt strengere regelgeving op gebied van overheidsaanbestedingen het onmogelijk te maken dat deze een voorkeur geven aan lokale producenten ten opzichte van Amerikaanse producten. Zo zullen nieuwe initiatieven die lokale voedselvoorziening mogelijk maken, worden gefrustreerd. Dat geldt overigens ook in de VS waar de Buy America-wetgeving onder vuur zal komen te liggen. Samenvattend betekent een ‘succesvolle’ TTIP dat een zelfvoorzienende geregionaliseerde Europese landbouw met hoge(re) milieu-, sociale - en dierenwelzijneisen verder weg is dan ooit. De noodzakelijke ecologisering van de landbouw wordt onmogelijk gemaakt. Een aantal maatregelen hiertoe zullen namelijk als handelsbarrière worden gezien, of boeren zullen worden weggeconcurreerd omdat Amerikaanse producten hier niet aan hoeven te voldoen. Voorbeelden zijn: het verbieden van bepaalde bestrijdingsmiddelen, ecotaksen op fossiele brandstoffen, kunstmest en bestrijdingsmiddelen en het verhogen van dierenwelzijnseisen. Er is een alternatief. Een brede coalitie van maatschappelijke organisaties, boerenorganisaties en vakbonden uit heel Europa, heeft al jaren felle kritiek op het overheersende neoliberale EU-beleid dat vooral 20

‘De agribusiness heeft straks vrij spel.’

wordt bepaald door het multinationale bedrijfsleven. In november 2013 presenteerden zij een alternatief hiervoor: The Alternative Trade Mandate (ATM). Het betreft een alternatief voor alle onderdelen van de economie. Het pleidooi op gebied van landbouw en voedsel bevat o.a.: • Respecteren van het recht op voedsel en voedselsoevereiniteit. • Zoveel mogelijk zelfvoorzienend worden in Europa op gebied van voedsel om zo kringlopen te sluiten. En zowel de dumping als het grote beslag op land en water in ontwikkelingslanden te beperken (voor teelt van soja, palmolie en biobrandstoffen). • Vervangen van de huidige vrijhandelsverdragen door Europese en internationale vormen van marktregulering die leidt tot kostendekkende prijzen aan boeren, geïnternaliseerde prijzen aan de consument en voedselzekerheid voor allen. • Ondersteuning van duurzame landbouwpraktijken in Europa en in ontwikkelingslanden, met het oog op biodiversiteit, bodemvruchtbaarheid, het klimaat en gebruik van fossiele brandstoffen. In Europa wordt het pleidooi tégen de TTIP gekoppeld aan een campagne vóór de ATM. In Nederland zijn onder andere het Platform Aarde Boer Consument, TNI, BothENDS en SOMO actief binnen deze campagne. Zo wordt aan Europese kandidaten gevraagd een aantal ATM-voorstellen te ondersteunen binnen een pledge campaign. Guus Geurts is de auteur van Wereldvoedsel – Pleidooi voor een rechtvaardige en ecologische voedselvoorziening, en is actief betrokken bij het tot stand komen van de Alternative Trade Mandate. Meer informatie en de volledige ATM-tekst via: www.alternativetrademandate.org ·

mei – 2014 | EKOLAND


Onderzoek

Niet overal is vruchtwisseling vanzelfsprekend en ook in Nederland valt nog wat te verbeteren

Geïnspireerd door het werk van Pieter Vereijken zocht Santiago Dogliotti(1) in Uruguay samen met telers hoe hun bedrijfsopzet verbeterd kon worden. Enkele bodemgebonden ziekten bleven een probleem. Carolina Leoni(2) ontdekte waarom en daarmee ook hoe deze voorkomen kunnen worden. Tekst Gerard Oomen | foto’s Carolina Leoni

Verbetering van vruchtwisseling onderdrukt bodemgebonden ziekten

Family farm Garrido Canelones Uruguay

B

odemgebonden ziekten zijn een wereldwijd probleem, vooral in de tuinbouw. Ze drukken vaak ongezien de opbrengsten. Een plant met een ziek wortelstelsel groeit minder goed en wordt bovendien ook bovengronds gemakkelijker aangetast door ziekten en plagen. Met een zwaardere bemesting, extra water en bestrijdingsmiddelen kunnen de bovengrondse effecten van een ondergronds probleem een tijd gecamoufleerd worden, maar dat maakt dat de ziekten ondergronds kunnen voortwoekeren tot uiteindelijk een teelt in een perceel opgegeven moet worden. De schimmels, bacteriën en ook aaltjes die gewassen aan kunnen tasten, maken allemaal deel uit van een veel uitgebreider ecosysteem in de grond. Al die organismen beïnvloeden elkaar en vormen een duizelingwekkend netwerk van relaties, dat

EKOLAND | mei – 2014

ook nog eens afhangt van de soort grond, het klimaat, de opeenvolging van gewassen en alle teeltmaatregelen. Veel van wat binnen de biologische landbouw gebruikelijk is, helpt om het aantal ziektekiemen te verminderen. Dat is onlangs nog eens gebleken bij onderzoek op Vredepeel (3). In Nederland zijn telers zich in het verleden bewust geworden dat veel problemen voortkomen uit een verkeerde vruchtwisseling. Dat is op veel plaatsen in de wereld anders. Het bouwplan wordt daar voornamelijk bepaald door de afzetmogelijkheden en het verwachte saldo op kort termijn. Wanneer de vruchtwisseling te krap is, kunnen bodemgebonden ziekten en plagen er langzaam insluipen. Zo ging het ook in Uruguay. Op bedrijven van 5-50 ha op zware klei werden vanouds tomaten, paprika’s, uien, knoflook, vele soorten pompoenen 21


Grote kans op ­Fusarium bolrot

Onderdruking van ­Fusarium bolrot trosgierst

Soedangras

en zoete aardappel geteeld, die in het nabije Montevideo werden afgezet. Door de import van goedkope groenten uit Argentinië en Brazilië zijn boeren vaker gewassen gaan telen die nog wat opbrachten: uien en knoflook in de winter en tomaten en paprika in de zomer. Op langer termijn pakte deze intensivering nadelig uit: achteruitgang van organisch stofgehalte en structuur van de bodem, te hoge pieken in de arbeidsfilm, problemen met onkruid, met de logistiek en een sterke toename van percelen met bodemgebonden ziekten. Walter Rossing van de leerstoelgroep Farming Systems Ecology is via Santiago Dogliotti betrokken geraakt bij een project waarin Santiago samen met de boeren zocht naar een zodanige bedrijfsopzet en vruchtwisseling dat al deze problemen weer zouden verdwijnen en tegelijk het bedrijfsinkomen zou toenemen. De meeste boeren teelden niet 100% biologisch, maar de biologische aanpak heeft hen wel geïnspireerd en op goede ideeën gebracht. Santiago heeft, geïnspireerd door het werk van Pieter Vereijken, een procedure gemaakt waarmee hij alle mogelijke vruchtopvolgingen van een aantal gekozen gewassen kon genereren en vervolgens zichtbaar kon maken welke consequenties die zouden hebben voor de bodemvruchtbaarheid, het inkomen , arbeidsbehoefte en ook , zij het ruwweg, voor de kans op problemen met bodemgebonden ziekten en plagen. Het was aan de boer om de vruchtwisseling te kiezen die hem het meest paste. FBRR Onion

ui

Japanse haver

Kidneybonen

ui

tarwe

ogenboon

meldraden schrale en barre tijden overleven. Ze heeft voor vele gewassen en groenbemestingsgewassen nagegaan hoe deze uitwerken op de ziektedruk door beide schimmels. Daarna heeft ze een methode ontwikkeld , waarmee op basis van eenvoudige pot- en veldproeven de te verwachten kans op besmetting bij een bepaalde vruchtwisseling voorspeld kan worden. Daarmee kan uit de lange lijst van de gegenereerde vruchtwisselingen juist die vruchtwisselingen geselecteerd worden, waarbij die schimmels geen probleem gaan vormen. Het voert te ver om de methode hier helemaal uit te leggen, maar een paar details zijn ook voor Nederlandse telers interessant. De schimmel Sclerotium rolfsii kan lang overleven als kluwens schimmeldraden, sclerotia genoemd. Zij vond dat het aantal sclerotia toenam na het inwerken van een vlinderbloemig groenbemestingsgewas en dat het aantal afnam na het inwerken van een grasachtige. De schim-

Srolfsii Onion

‘Fusarium bolrot komt ook in Nederland voor.’

Family farm Barbeito

Carolina Leoni was als plantenziektekundige van de dienst landbouwkundig onderzoek in Uruguay geïnteresseerd in de systeemaanpak van Santiago. Zij bezocht veel bedrijven en kreeg gaandeweg de indruk dat de vruchtwisselingregels, die gehanteerd werden te simpel waren. Zo kreeg ze het vermoeden dat twee belangrijke ziekten (Sclerotium rolfsii bij ­tomaat en paprika en Fusarium oxysporum f.cepae [Fusarium bolrot] bij uien en ­k noflook) zich kunnen vermeerderen op gewassen die aanvankelijk in de benadering van Santiago als veilig werden beschouwd. Zij heeft zich daarna vooral gericht op die twee bodemgebonden schimmels. Beiden kunnen in de grond als rustspore of kluwen schim22

mei – 2014 | EKOLAND


onderzoek

Uien wieden

Carolina Leoni ontwikkelde een methode, waarmee op basis van eenvoudige proeven de te verwachten kans op besmetting bij een bepaalde vruchtwisseling voorspeld kan worden.

mel Fusarium oxysporum f. cv. Cepae is een gevreesde ziekte, ook bij biologische teelt. De schimmel kan moeilijke tijden overleven als een dikwandige rustspore, maar blijkt zich ook te kunnen vermeerderen op heel veel andere gewassen: het minst op tarwe en het meest op de kidneyboon, een Phaseolus vulgaris, net als onze sperciebonen, witte en bruine bonen. Ook onder Japanse haver en soedangras kan de populatie flink groeien, terwijl dat niet gebeurt onder trosgierst. De gewassen zelf lijden er niet onder.­S­ poren worden in de wortels gevormd en deze komen vrij bij de vertering ervan. De onderzoekster toonde aan dat de ziektedruk duidelijk vermindert door de gewassen soedangras, japanse haver en kidneybonen te vervangen door respectievelijk trosgierst , tarwe en ogenbonen (cowpea). Het is aan de Wageningse onderzoeks­instituten om te beslissen in hoeverre ze de methode die Carolina Leoni heeft ontwikkeld, gaan gebruiken om vruchtwisselingen te evalueren. De schimmel Sclerotium rolfsii veroorzaakt in Nederland kroonrot bij een aantal bolgewassen en geeft verder weinig problemen. Fusarium bolrot komt ook in Nederland voor. Ter Linde, EKOLAND | mei – 2014

het oudste gemengde BD bedrijf in Nederland, is ooit gestopt met de teelt van uien. De ruime vruchtwisseling en organische bemesting bleken niet voldoende om de Fusarium bolrot eronder te houden. Met de kennis van Carolina kan men zich achteraf afvragen in hoeverre indertijd het stoppen van de tarweteelt en het doorgaan met de teelt van bruine bonen de Fusarium in de kaart gespeeld hebben. Voor telers blijft de dynamiek in de bodem een intrigerend iets. De laatste jaren is er terecht veel aandacht geweest voor de structuur van de bodem. Het is waarschijnlijk goed om voortaan behalve een schop ook een loep mee het veld in te nemen. Dan kan behalve naar de stand van het gewas en de structuur van de bodem ook naar de gezondheid van de wortels gekeken worden. Ik heb dat de laatste jaren vooral buiten Nederland gedaan en heb daar veel aangetaste wortels gezien. Bronvermelding: 1) Santiago Dogliotti promoveerde in 2003 in Wageningen, zie verder www.edepot.wur.nl/121458 2) Carolina Leoni promoveerde in 2013 aan in Wageningen, zie verder www.wageningenur.nl/en/Expertise-Services/Chair-groups/PlantSciences/Farming-Systems-Ecology-Group/Research/Crop-rotation-design-in-viewof-soilborne-pathogen-dynamics-2.htm of www.edepot.wur.nl/284984 3) www.wageningenur.nl/nl/show/Minder-schadelijke-nematoden-met-biologischeteelt.htm

23


Nederlands echtpaar ontwikkelt compostmethode voor onbruikbare maaisels.

Van taai gras tot sappig gewas Er zijn veel gebieden op aarde die niet geschikt zijn voor landbouw, zoals pampa, prairie, steppe en savanne. Een Nederlands echtpaar ontwikkelde een composteermethode waarbij de organische stoffen die in de grassen opgesloten zitten, behouden blijven en beschikbaar komen. Tekst & Foto’s Bernard Faber

24

E

ind jaren zestig verhuisden Hendrik en Stella van Rijn van de Randstad naar een boerderijtje op de grens van Groningen en Friesland. Daar begonnen ze een biologische geitenboerderij. De zelfgemaakte kaas bracht Stella zelf naar de eerste biologische winkeltjes in Amsterdam. Een biologisch keurmerk bestond nog niet, het geloof in een betere wereld was groot. Henk was eigenlijk musicus, geschoold in klassieke gitaarmuziek. Stella volgde de avondopleiding aan kunstacademie Minerva in Groningen. Maar de geiten werden altijd op tijd gemolken en Stella maakte om de dag kaas. En er kwamen kinderen. Het boerderijtje werd frequent bezocht door journalisten, waaronder de jonge Wouter Klootwijk. Linkse kunstenaars en gesjeesde studenten kwamen er helpen. In

de winter werden er aan de lopende band geitenkaastosties gebakken op de houtkachel. Tot Stella boos werd omdat er te weinig kaas overbleef om te verkopen. Begin jaren tachtig verkocht hun vriend de boerderij. De geiten werden noodgedwongen van de hand gedaan en de familie Van Rijn verhuisde naar een nabijgelegen dorp. Gesteund door de Rijkswaterstaat en Staatsbosbeheer startten ze een project voor het maken van compost van het maaisel van natuurgebieden, dijken en bermen. Van Rijn: “We leerden veel mei – 2014 | EKOLAND


landbouw

Van gras tot compost in vijf stappen •Het uitgangsmateriaal is gedroogd gras, hooi

over de compostering van grassen, vanuit de praktijk, in de theorie en andersom. We bestudeerden de microbiologie van de bodem, van meststoffen en compost. Na een paar jaar concludeerden we dat we de productie konden opschalen.” Het project werd voortgezet in een nieuw bedrijf: Tellus Natuurcompost BV. Drie jaar later werd Hendrik van Rijn helaas ernstig ziek en werd het bedrijf verkocht aan de VAM. Maar het bloed kruipt waar het niet kan gaan en tegenwoordig zet hij zijn missie voort vanuit Portugal, waar hij samen met zijn Stella is neergestreken. Zijn ambitie is om de unieke kennis die hij heeft opgebouwd te delen. “We willen een beetje hoop zijn.”

of op het land gedroogde grassen (in warme gebieden). Het hooi wordt van te voren enigszins gekneusd. •De compoststarter (entvocht) wordt gemaakt van mest van koeien, geiten of schapen. Het gaat niet om de meststoffen maar om de bacteriën in de mest. De mest wordt in een paar stappen verdund met water en gezeefd. •Het hooi wordt in een container of bak gedaan, waarin zich entvocht bevindt en aangestampt tot onder het niveau van het entvocht. Vervolgens wordt er entvocht bijgevoegd, met extra water. Met een deksel en een extra gewicht wordt het hooi gedurende 24 uur onder de spiegel van het entvocht gehouden. Het hooi neemt ongeveer tweemaal zijn eigen gewicht aan vocht op. •Na 24 uur wordt het hooi uit de container gehaald om uit te lekken. Het uitlekken duurt enige dagen. Het uitgelekte vocht kan worden gebruikt om het entvocht aan te vullen. •Het hooi is nu klaar om gecomposteerd te worden. Bijvoorbeeld in een bigbag. Vul de bigbag met het vochtige hooi, stamp het goed aan en dek het af. Na ongeveer drie maanden is het hooi gecomposteerd. Voor het beste resultaat is het goed om de compost te beluchten en te laten rijpen. Daarna kan het worden verkleind en gezeefd.

De composteermethode die Van Rijn ontwikkelde is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek. “De bron van onze kennis ligt in de microbiologie, de bacteriologie van de bodem, en wel specifiek in de an-aerobe verwerking van stalmest. De Duitse ingenieur H. Krantz heeft een methode ontwikkeld om stalmest te verwerken tot, wat hij noemt edelmest, waarin alle onkruidzaden vernietigd zijn en de voedingsstoffen zijn behouden gebleven. Hierover wordt eind jaren dertig in Nederland gepubliceerd door de landbouwspecialisten Jan Smit en F.C.Gerretsen. Ook de publicaties van de microbioloog Selman A. Waxman hebben ons geholpen.” De essentie van Van Rijn’s composteermethode is het gedurende 24 uur onderdompelen van het droge hooi in een met koemest geprepareerde entvloeistof. “Door het hooi onder te dompelen in een bak met entvocht en het daar 24 uur te laten intrekken, komt het intensief in aanraking met de bacteriën die in het entvocht aanwezig zijn. Door het gewicht dat er op ligt én door het water, wordt de aanwezige lucht uit de gehele massa geperst. Ook worden de stengels van het hooi nog eens gekneusd. De waslaag op het hooi wordt door de etsende werking van het entvocht aangetast. Er komen scheurtjes in de stengels, waardoor de lucht uit de stengel wordt geperst en het entvocht zich kan indringen. En ziedaar, de afbraak van het hooi tot compost is begonnen. Voor mij was dit een EKOLAND | mei – 2014

ontdekking. Een superervaring en een eerste overwinning. Want een goed begin maakt dat alles wat erna komt ook werkt.” Voor een stap voor stapbeschrijving van het hele proces zie kader.

“De bron van onze kennis ligt in de anaerobe verwerking van stalmest.”

Een nieuw perspectief biedt het composteren van grassen op het intensiever agrarisch gebruiken van land dat anders op z’n best geschikt is voor extensieve veeteelt. Misschien een onverwachte toekomst voor jonge boeren? Of de gewenste uitbreiding van bestaande activiteiten. Voor kleine boeren in Afrika biedt het misschien een aanvullende mogelijkheid om hun grond vruchtbaarder te maken en de structuur ervan te verbeteren. Met toepassing van de hierboven beschreven methode komt voor hen een nieuwe bron beschikbaar voor het maken van vruchtbare compost. Anderen kunnen er misschien hun voordeel mee doen voor het verbeteren van hun eigen compostmethode. Op de prachtige blogsite van Hendrik en Stella van Rijn staat alles over het composteren van grassen en nog veel meer: http://compostboerderij.blogspot.pt/ Kijk ook naar dit filmpje op YouTube waarin het hele proces van drie maanden in drie minuten is samengevat: http://bit. ly/1mzdK09

25


D e e l 35

Wordt vervolgd Bedrijfscontinuïteit in de biologische landbouw

Double income, no land

In het midden: links Joel Saltin, rechts Jan Wieringa

Yuppen zonder kinderen worden getypeerd als double income, no kids oftewel DINKY´s. Geïnspireerd door de Amerikaanse boer Joel Salatin bedacht de auteur voor agrarische opvolging de variatie double income, no land. Bij zijn bezoek aan Nederland pleitte Salatin op boerderij Veld & Beek voor het instappen van jonge boeren in de landbouw. “Laat een jongere starten met een aanvullend, eigen bedrijf.” Tekst Maria van Boxtel & Fransjan de Waard | foto’s Estella Franssen

O

p Veld & Beek wordt gebouwd. De nieuwe stal die in de zomer tevens dienst gaat doen als tomatenkas is praktisch af, aan de bestrating op het erf wordt de laatste hand gelegd. De bezoekers van de middag over bedrijfscontinuïteit met de Amerikaans boer Joel Salatin – jonge boeren, oudere boeren, net-nog-niet boeren, bankiers en NaJK’ers– stappen enthousiast over de stapels zand en stenen naar de ontvangstruimte in de oude boerderij. Met zijn

26

mede-ondernemers en betrokken burgers is Veld & Beek de perfecte illustratie van het verhaal van Salatin. Hij bouwde het bedrijf van zijn ouders, Polyface Farm, uit van een ‘stapel rotsen’ tot een multifunctionele boerderij met zo’n 20 ondernemers. Het bij-

“Een boerderij moet minimaal twee inkomens opleveren.”

zondere bedrijf werkt door de natuur na te doen, heeft een mobiele infrastructuur voor zijn dieren en verkoopt alle producten direct aan consumenten en restaurants. Werken volgens deze principes van zijn vader maakt het volgens Joel Salatin veel makkelijker voor jonge ondernemers om in te stappen in de landbouw. Joel Salatin was zelf al jong actief als ondernemer. “Ik startte op m’n tiende met het houden van kippen en verkocht onze producten op de straatmarkt.” mei – 2014 | EKOLAND


bedrijfsvoering

Mobiliteit vormt de basis van zijn boerderij. Dieren vasthouden in dichte stallen werkt niet volgens Salatin. ‘Portable farming’ noemt hij het zelf. De koeien hebben ‘shade mobiles’, verrijdbare daken die aan elkaar kunnen worden geschakeld en de dieren schaduw en rust bieden. Salatin verplaatst de kudde en de mobiele stallen elke dag. “Schaduw zorgt er bovendien voor dat de urine van de dieren rustig kan intrekken en niet verdampt.” Binnen drie dagen worden de koeien gevolgd door ‘egg mobiles’ met legkippen. “Kippen hebben klauwen, ze krabben graag de koeienvlaaien uit elkaar.” Daarachter aan komen de vleeskippen, dan de kalkoenen, en ook de varkens worden regelmatig verplaatst. “Het wordt een ballet van bedrijfstakken die elkaar opvolgen en aanvullen, het zijn complementaire activiteiten.” Dit geeft een nieuwe boer de mogelijkheid om een nieuwe tak te beginnen: zijn eigen koninkrijk. Dat hoeft niet op eigen land, zo kan bijvoorbeeld een kippentak heel goed op het land van een melkveehouder. Slimme aanvullingen, die het geheel versterken. Sowieso laat Polyface Farm graag het werk door de dieren doen: “Door maïs in het strooisel in de winterstal te verstoppen en te laten fermenteren, zijn de varkens in de lente enthousiaste omzetters van deze compost.” Je hebt meer kans met directe verkoop vanaf de boerderij. “Directe verkoop geeft je de kans de ‘retail dollar’ voor jezelf te houden. Zo kan je als boer met minder volume al een inkomen verdienen, en heb je minder infrastructuur en minder kapitaal nodig. De grootste barrière om jongeren de landbouw in te krijgen en ouderen eruit is het benodigde kapitaal. Maar er zijn ook vormen van landbouw waar je bijna geen kapitaal nodig hebt, waar je gewoon mee kunt starten. Doe dat, en trap er niet in dat je je hele leven werkt om een moderne schuur af te betalen.” Op de vraag hoe je een oudere boer zover krijgt om je toe te laten op zijn bedrijf, trekt Salatin theatraal de schouders strak, kromt zijn rug, strompelt en trekt de mondhoeken omlaag. Hij schreeuwt bijna: “Maar ik wil helemaal geen onervaren sukkel die er niks van snapt, alles anders wil en de gereedschapEKOLAND | mei – 2014

mer en ze was thuis geschoold. Ze wilde graag ons contact met en verkoop aan de voedselgroepen in de stad verbeteren. Ik wist niet of ze het kon. Toen hebben we afgesproken dat ze op basis van 3% commissie zou werken.” Zo hoefde Polyface Farm geen salaris op te hoesten voordat er resultaten waren en kon Sheri de uitdaging aan. “Dat pakte uitstekend uit, in-

Een starter kan een eigen bedrijfstak opzetten of waarde toevoegen aan bestaande takken. pen op de verkeerde plek teruglegt.” Ook in zijn omgeving komt hij ze tegen, en hij reageert zelf ook wel eens zo, als hij moeite heeft iets los te laten. Zachter nu: “De echt belangrijke vraag die je jezelf als senior moet stellen is deze: ‘wil ik alleen oud worden?’ Er zijn weinig mensen die daar zin in hebben. Dan moet je samenwerken en dingen loslaten.” Hij ziet dat jongeren ook moeten investeren. “Boer zijn is een vak. Investeer in een opleiding. Start jong met een bedrijf. Probeer drie tot vijf jaar een bedrijf op te bouwen, eventueel kan je daarna weer verder, maar dan heb je tenminste ervaring om mee te nemen naar een volgende boerderij. Zo creëer je vertrouwen voor het bedrijf waarin je komt mee-ondernemen.” Salatin gelooft in complementaire bedrijven op één boerderij. “Een boerderij moet minimaal twee inkomens opleveren. Met maar één inkomen is het niet duurzaam, want je hebt altijd een periode dat je tegelijk met meerdere generaties op een bedrijf werkt.” Met het creatief stapelen van meerdere bedrijven op hetzelfde land kun je meerdere inkomens verdienen. Complementaire activiteiten zijn belangrijk om de senior niet te bedreigen in zijn eigen tak. Joel maakte dit zelf mee toen zijn schoondochter Sheri een eigen taak op de boerderij wilde. “Ze is heel lief, maar ze had geen ervaring als onderne-

middels loopt 40% van onze omzet via de voedselgroepen.” Polyface Farm heeft een programma voor stagiaires. “Eigenlijk om te ontdekken wie er geschikt is om op termijn bij ons een onderneming te starten.” Inmiddels zijn er zo’n 20 ondernemers op Polyface. “We maken afspraken, die op twee A4tjes passen. We spreken af voor welke tijdsperiode iemand het bedrijf opstart, wat de verwachtingen zijn van de ondernemer en van Polyface, en wat de beloning is. En voor de USA: een clausule dat niemand elkaar juridisch vervolgt.” Er zijn ook veel jongeren die bij ons zijn gestart en die nu elders een boerenbedrijf hebben. Dat geeft enorm veel voldoening.” Maria van Boxtel is partner in Land & Co. Fransjan de Waard is werkzaam bij de Waard Eetbaar Landschap. -B  ekijk het Filmverslag van de bijeenkomst op Veld & Beek op www.future-farmers.net - Kijk via www.salatinnaarnederland.nl naar Youtube filmpjes over Polyface Farm of ‘There’s never been a better time to go into farming’ met Joel en Daniel Salatin. - Zoek je mensen of een biologische boerderij of ondernemers voor een tak erbij? Kijk op www.landgilde.nl Sluit je op facebook aan bij de groep ‘bioboeren land en co’ voor directe uitwisseling onder jongeren. - Zoek je grond? Kijk dan ook eens op www.groenegronden.nl - Wil je grondstoffen (voer, mest, stro) of grond uitwisselen? Ga naar www.bionext.nl en klik op ‘Bio-Bank’ - Voor biologisch uitgangsmateriaal is er www.biodatabase.nl

27


De Rit start ‘Blije Bijenactie’ De Rit zet zich vanaf vandaag in om de bijensterfte in Nederland tegen te gaan. De Rit, onderdeel van Royal Wessanen, start de ‘Blije Bijenactie’ waarmee ze verwacht 20 miljoen bijen te kunnen redden. Voor ieder verkocht actieproduct doneert De Rit een bedrag aan de Nederlandse Bijenhouders Vereniging. Sinds 1945 is het aantal bijen in Nederland gehalveerd en de bijenpopulatie krimpt nog steeds jaarlijks. Hierdoor loopt de voedselproductie in Nederland direct gevaar, aangezien bijen verantwoordelijk zijn voor de bestuiving van meer dan 70% van al onze gewassen.

Biomeerwaarde Ei wordt in juni opgericht

Het Pluimveemuseum in Barneveld is op 19 juni het toneel van de oprichtingsvergadering van de Coöperatieve Vereniging in oprichting (i.o.) Biomeerwaarde Ei. Deze gaat vanaf 2015 de eieren van de biologische legkippen van de leden centraal in Barneveld verzamelen en sorteren, en vervolgens verkopen aan pakstations. Die gaan allemaal dezelfde prijs voor de eieren van de coöperatie betalen. Onder die prijs zullen geen eieren verkocht worden. Overschotten worden van de markt gehaald en naar een ander afzetkanaal gestuurd. Door leden een wintertoeslag en zomerkorting te geven, probeert de vereniging het aanbod van 28

Charles Bloema van de Nederlandse Bijenhouders Vereniging (NBV): ‘Dankzij de actie van De Rit kan de NBV 7.000 Nederlandse hobby-imkers helpen om meer bijen te helpen. Dit doen we met onder andere imkercursussen, kennisuitwisseling, het juiste materiaal en advies in ons speciale Imkercentrum. Zeer noodzakelijk, want ook

eieren in de zomer te verkleinen. Een teveel aan eieren in de zomer bepaalt immers in belangrijke mate de prijs van biologische eieren. Door alle eieren centraal te verwerken met een zelfde kwaliteitsbeoordeling, wordt een hogere opbrengstprijs behaald. Tot nu toe hebben 52 pluimveehouders met tezamen 710.000 biologische kippen een intentieverklaring getekend en 2.000 euro inleggeld betaald. Wim Thomassen, biologisch pluimveehouder in Overberg (U), initiatiefnemer en voorzitter van Biomeerwaarde Ei, wordt na de oprichting directeur van de coöperatie.

Skal: meer ernstige afwijkingen Het aantal biologisch geregistreerde bedrijven steeg in 2013 naar 3601. Skal heeft in 2013 in totaal 4878 inspecties uitgevoerd, zowel jaarlijkse controles als flitsinspecties en monstername. Hoewel het merendeel van de biologische ondernemers de wetgeving goed naleeft, is het aantal ernstige en fatale afwijkingen met

afgelopen winter is de bijenpopulatie weer bijna 10% gekrompen. Het gemiddelde bijensterftecijfer ligt nog steeds te hoog door het gebruik van bestrijdingsmiddelen, verschraling van het landschap en parasieten.’. Met de verkoop van elk actieproduct kunnen 100 bijen worden behouden!

bijbehorende sancties in 2013 hoger dan voorgaande jaren. De inspecteurs constateerden in totaal 687 ernstige afwijkingen en 70 fatale afwijkingen. Dit aantal is hoger dan in 2012, toen het om 411 ernstige en 19 fatale afwijkingen ging. De stijging in 2013 is te verklaren door fatale afwijkingen bij 27 rundveehouders die niet voldeden aan de welzijnsvoorwaarden voor het aanbinden van vee in de wintermaanden. Ook de decertificering van een biologisch kaasbedrijf speelt mee.

Agrico Jongerendag Dinsdag 13 mei verzorgde aardappelcoöperatie Agrico in MartiniPlaza in Groningen haar vijfde editie van de Jongerendag, speciaal voor jonge telers van

16-35 jaar. Het thema van dit jaar was: “De Agrico-teler v2.0”. Er werd ingezoomd op hoe “de nieuwe teler” eruit ziet en hoe de coöperatie hier op in kan spelen. Gerrit Hiemstra was één van de sprekers en nam vanuit zijn brede ervaring als meteoroloog en weerpresentator de Agrico-jongeren mee in zijn verwachtingen voor de toekomst onder de titel: “Het veranderende weerbeeld. Kans of bedreiging?”.

Jaco Burgers boegbeeld bio-landbouw

Per 1 mei is Jaco Burgers door LTO Noord benoemd als boegbeeld voor de biologische landbouw. Burgers volgt daarmee Evert Rienks op. Met Burgers heeft LTO Noord een ervaren bestuurmei – 2014 | EKOLAND


marktberichten der aangetrokken met veel kennis over de biologische akkerbouw. Als directeur van ERF BV, een biologisch akkerbouwbedrijf van bijna 2000 hectare in Flevoland, houdt hij zich daar dagelijks mee bezig. Daarnaast participeert hij in een landbouwonderneming in de Oekraïne. Burgers wordt binnen LTO Noord tevens voorzitter van de nieuw te vormen sectie West Biologische Landbouw en lid van de vakgroep Biologische Landbouw LTO Nederland. Burgers maakt zich sterk voor een proactieve houding van de vakgroep en realistische regelgeving. “We moeten proactief blijven en proberen om vooruit te lopen op de Europese regelgeving, zodat we ons onderscheiden van andere landen. Daarnaast wil ik me sterk maken voor realistische regelgeving en een breed rassenpakket aan zaden.” Hij noemt het gebruik van 100% biologische mest als voorbeeld van realistische regelgeving.

Theatervoorstelling Mansholt

Vanaf 5 juni gaat de locatievoorstelling MANSHOLT in première en vervolgens reist het stuk door het land om op te treden op plekken die zijn verbonden aan het leven van voormalig landbouwminister en eurocommissaris Sicco Mansholt. De rol van deze beruchte en beroemde politicus wordt gespeeld door Helmert Woudenberg. MANSHOLT is het verhaal over de aanjager van groei, die zich uiteindelijk tegen zijn eigen beleid keert omdat hij wordt

geconfronteerd met de negatieve effecten ervan. Terug naar een kringloopeconomie en meer duurzaamheid wordt zijn devies. Er volgt een discussie over productie en voeding die ook vandaag nog actueel is. Niet alleen zijn politieke leven is roerig. Ook thuis breken onrustige tijden aan als hij in een affaire belandt met een veel jongere stagiaire. Het stuk speelt niet in theaters, maar op boerderijen door het hele land.

Voko Almere: ook pastinaak en aardpeer Het Voedselkollektief Almere (Voko) is een nieuw bedrijf dat biologische producten inkoopt bij lokale boeren in Flevoland, en deze voor een eerlijke prijs aan de man brengt. Boerin Judith, één van de oprichters, haalt groenten, melk, eieren en fruit op. Het collectief

verkoopt deze producten, vaak goedkoop. Zo kost één kilo aardappelen iets minder dan een euro. Naast deze ‹standaard› producten verschijnen af en toe ook boerenkaas of ‹vergeten› groenten als pastinaak en aardpeer in het assortiment. Leden van het collectief kunnen hun bestelling iedere maand doorgeven. Die kunnen zij dan zelf ophalen in het ecologisch woonproject De Discus in Almere. Leden worden wel gevraagd één keer in de twee maanden te helpen met het inpakken van de bestellingen of andere taken uit te voeren.

Biohuis update Nieuwe bio-regel­ geving krijgt kritiek uit heel Europa In de maand april is in alle sectoren hard gewerkt om de bio-wetgevingsvoorstellen van de EU door te werken en van commentaar te voorzien. Op basis daarvan is besloten dat de Nederlandse biologische sector nee zegt tegen de nieuwe voorstellen voor biologische regelgeving vanuit Brussel. Dat werd eind april vastgesteld in een bijeenkomst van Bionext, met handel, verwerking en voor de boeren het Biohuis. De nee-strategie wordt ingezet omdat er grote onzekerheden zitten aan het opzetten van een compleet nieuwe regelgeving zoals de Europese Commissie die nu voorstelt. Een belangrijk

EKOLAND | mei – 2014

probleem is dat de Commissie de precieze invulling en toepassing van de regels later wil doen en dat helemaal naar zich toe wil trekken. Daardoor ontstaat een bureaucratisch systeem van regelgeving. De boeren en de lidstaten hebben er dan geen invloed meer op. Door de sector gewenste ontwikkelingen, zoals meer omschakelaars, worden juist afgeremd als de voorgestelde herziening zou doorgaan. De uitgebreide sectorraadpleging leverde veel suggesties op voor verdere verbetering van de bestaande regelgeving. Zowel de strategie als de inhoudelijke voorstellen zijn beschreven in een infobulletin. Dit bulletin is verspreid onder de ketengroepen en de dragende organisaties van het Biohuis. Het bulletin is daar beschikbaar voor de leden.

Biohuis en Bionext zijn lid van van de Europese koepel van biologische organisaties, IFOAM EU. Na raadpleging van de leden kwam ook IFOAM EU tot het standpunt dat het nieuwe wetgevingsvoorstel in zijn huidige vorm onacceptabel is. De Europese biologische sector, inclusief koplopers als Duitsland en Oostenrijk, is voorstander van geleidelijke verbeteringen in de bestaande biologische wetgeving. Deze wetgeving is pas sinds 2009 van kracht.

Biohuis onderzoek biologische bemesting 2015 In het kader van het onderzoek naar de mogelijkheden om het aandeel biologische mest te verhogen, is een enquête gehou-

den onder rundveehouders en akkerbouwers. Het Louis Bolk Instituut doet in samenwerking met de WUR onderzoek. Er zijn enquêtes uitgezet bij zo’n 80 ondernemers uit de biologische landbouw. Het Biohuis wil graag weten hoe deze groepen met mest en bemesting omgaan en hoe zij de mestmarkt zien. Daarnaast is er onderzoek gedaan naar de totale meststromen in de biologische sector en de mogelijkheden om de toepassingsmogelijkheden van dierlijke mest te verbeteren. De resultaten worden meegenomen in de besluitvorming over de bemestingsregels voor 2015. In mei en juni worden deze besproken in de werkgroep bemesting en de Bioraad van het Biohuis.

29


De e l 4

EKO

Partners De volgende schakel in de bioketen

Pe te

AGRICO

“Zoektoch r Dijk: aardappel t naar resistent ras priorit eit nr 1.”

AGRICO’s bio-tafelaardappel maakt pas op de plaats De biologische aardappel ondergaat momenteel de wet van de remmende voorsprong, van echte groei is geen sprake meer. “In de jaren negentig was de consumptieaardappel een van de snelst groeiende bio-producten in het schap. De laatste tien jaar zijn andere biologische groenten en fruit booming en blijft de aardappel wat hangen”, constateert Peter Dijk, commercieel manager van aardappelcoöperatie Agrico. Tekst Harry de Bot | foto’s Harry de Bot & Agrico

D

ijk’s beleidsterreinen zijn consumptieaardappelen (zowel bio als gangbaar), communicatie, marketing en duurzaamheid. Dat het hoofdkantoor in Emmeloord toch enige groei in bio kan noteren, is te danken aan de toegenomen export, vooral naar Duitsland. “De afgelopen zomer is een mooi voorbeeld. In een achterblijvende gangbare markt scoorde bio relatief goed, maar traden wel flinke prijsverschillen op. Als biologisch erg duur is, verlies je consumenten die je niet zo een-twee-drie terug hebt. Want de Nederlandse consument belijdt met de mond wel milieu en duurzaamheid, maar laat zich in de winkel toch door de prijs leiden.” De veertig jaar geleden opgerichte aardappelcoöperatie is niettemin succesvol en qua volume momenteel Nederlands grootste waar het gaat om de biologische ‘tafelpieper’ (rassen Ditta en Agria) en bio-pootgoed. De meeste telers zitten om de hoek, in akkerbouwprovincie Flevoland. Volgens Dijk is er op dit mo-

30

ment een redelijk evenwicht tussen vraag en aanbod. Hier dus geen continue zoektocht naar gangbare telers die willen overstappen. Iedere maand belichten we in deze rubriek de zogenaamde volgende schakels in de biologische keten. Verwerkers, toeleveranciers, handelaren, nationale en internationale handelsbedrijven komen aan bod. We spreken met de ondernemer(s): Welke plannen hebben zij met het bedrijf en hoe kijkt de ondernemer naar de markt en de toekomst?

Bepalend voor de opbrengst is de schimmelziekte phytophthora. Waar de 23-koppige researchafdeling van Agrico dan ook naarstig naar op zoek is, is het effectief afweren van deze beruchte ziekte. “Door de bank genomen is het opbrengstverschil tussen gangbaar en bio ongeveer 2 : 1, in cijfers 50 resp. 25 ton per ha. Maar wat de opbrengst van bio vooral bepaalt, is het moment waarop die schimmelziekte toeslaat. In 2013 ging het dus goed, maar in 2007 hadden we door hoge luchtvochtigheid en daardoor vroege besmetting hooguit 10 ton per ha. Wij doen er bij onze rasontwikkeling alles aan om de resistentie te verhogen. Dat is wel een zaak van lange adem. Van de 230.000 zaailingen die we vorig jaar hebben uitgezaaid, gooi je het eerste jaar meteen de helft weg.” mei – 2014 | EKOLAND


Handel & afzet

Wij zijn verantwoordelijk voor de afzet van 65 biologisch telende leden. De onderzoekers van Agrico speuren in hun kweekprogramma naar de resistentie in zowel loof als knol. Phytophthora bestaat echter al honderden jaren en laat zich zonder chemie niet makkelijk verslaan. Dijk verwacht dat het huidige kweekprogramma nog een jaar of vijf doorloopt voordat een resistent én goed eetbaar biologisch ras is ontwikkeld. Schets eens de plaats van Agrico binnen de bio-keten. “Wij zijn verantwoordelijk voor de afzet van 65 biologisch telende leden. Met 15.000 ton neemt biologisch zo’n één derde van alle consumptieaardappelen voor zijn rekening die jaarlijks via Agrico worden verhandeld. We communiceren geregeld en bezoeken de leden via onze buitendienstmedewerkers. Kwaliteit staat voorop. We doen testen in het veld en nemen na het rooien monsters, om in- en uitwendige schade vast te stellen. Eind juni maken we de uitbetalingsprijzen bekend. De hoogte daarvan hangt af van uitwendige gebreken en aflevermoment. Nee hoor, dat geeft nooit problemen! We zijn een transparante coöperatie en de teler ziet zelf ook wel als 20 procent van zijn oogst blauwe plekken of veel rooischade heeft.” “Behalve eind juni komen we ook in december met de telers bij elkaar, dan vooral om de meer technische zaken te bespreken. Verder brainstormen we met de poolcommissie, een vijftal aardappelboeren die namens hun collega’s meepraten over het te voeren beleid.” Agrico combineert gangbaar en bio. Geeft dat geen risico op ongewenste vermenging? “Nee, allang niet meer. Daar zorgt Skal trouwens wel voor, ook wij zijn als bedrijf natuurlijk gecertificeerd. Sorteren gebeurt uitsluitend op twee biologische sorteerbedrijven. De hele bio-productieketen, inclusief pootgoed, is van teler tot aflevering gescheiden.” “Of wij voorop lopen binnen de biologische sector? Ja, zo voelt dat wel en we nemen daarin ook onze verantwoordelijkheid. Bio staat bij ons erg hoog in het vaandel. Een zorgpunt is wel om jaarrond voldoende bio-piepers in de supermarkt te krijgen. In de zomer lukt dat niet altijd en halen we tijdelijk product uit het buitenland.” Uw eigen merk Bioselect kom je in de winkels nog maar zelden tegen. “We gebruiken de naam Bioselect nog steeds als EKOLAND | mei – 2014

verzamelnaam, maar onze bio-aardappelen liggen nu inderdaad in diverse supermarkten onder de huismerknaam. Eigenlijk komt Bioselect op geen enkele verpakking meer voor. Jarenlang was het de enige merknaam in het aardappelschap, maar het is zo groot geworden dat het huismerk van de afnemer nu beter effect sorteert.” Levering verloopt volgens Peter Dijk in drie-eenheid tussen Agrico, supermarkten en verpakkingsbedrijven. De laatste maken vaak zelf de prijsafspraken met supers en natuurvoedingswinkels. In de verwerkende industrie (chips, zetmeel, frites) speelt de biologische aardappel overigens een veel kleinere rol vanwege de hogere prijs. In hoeverre zitten Europese regels de aardappelsector in de weg? “Die regels pakken nadelig uit voor Nederland. Met gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen zit Europa redelijk op één lijn. Maar in Nederland mag een aardappel pas biologisch heten als ook het pootgoed biologisch is. In Duitsland en veel andere landen geldt die eis niet. Dat geeft behoorlijke prijsverschillen en werkt dus concurrentievervalsend. Mede hierdoor maakt biologisch pootgoed maar één procent uit van onze jaarlijkse 400.000 ton pootgoed.” Uw belangrijkste speerpunt voor de toekomst is dus... “Om enkele biologische rassen te ontwikkelen die zodanig resistent zijn tegen phytophthora, dat telers zonder de huidige risico’s een goede opbrengst kunnen halen. Nu is biologisch ondernemen continu afwegen van risico’s. Als we erin slagen die nieuwe rassen op de markt te brengen, heb je wel kans dat er snel een tekort aan biologische telers ontstaat! Want met minder risico op besmetting en een hogere opbrengst per ha gaat de prijs voor bio-aardappelen zeker naar beneden. En dan kunnen we weer flink groeien.”

van oor spr ong eindresulta tot at

31


Hebben aanvullende private normen toegevoegde waarde in Europees perspectief?

EKO

Equivalent

Biologische producten zijn herkenbaar aan het Europees biologisch keurmerk. In principe gelden binnen de EU dezelfde regels. Sommige afzetmarkten en afnemers stellen echter aanvullende eisen met private keurmerken. Is het zinvol om hierbij aan te sluiten? Tekst Leen Janmaat & Chris Koopmans

I

n Duitsland creëren organisaties (Verbanden) zoals Bioland en Naturland meerwaarde door hogere en aanvullende eisen te stellen en dit te ondersteunen met een eigen logo. Ook Zwitserland (geen EU lidstaat) en Zweden (KRAV) werken in die richting. Kunnen we de groei en afzet van biologisch versterken met extra verduurzamingthema’s die aansluiten bij de verwachtingen van consumenten? En over welke aanvullende thema’s hebben we het dan? Het onderzoeksproject ‘Equivalentie EKOkeurmerk’ is een beleidsondersteunend project dat mogelijk is gemaakt dankzij het biologisch amendement. Hierin zijn het Louis Bolk Instituut met Stichting EKOkeurmerk en Bionext aan de slag gegaan om te achterhalen welke duurzaamheidsthema’s binnen de EU spelen en in de private merken van de ons omringende landen van belang zijn. In Nederland kunnen we hierbij aansluiten met een herkenbaar EKO-Holland product. Wellicht helpen plusmodules van het EKO keurmerk mee aan equivalentie met andere private keurmerken. In de tabel zijn meerdere aspecten onder elkaar gezet met daarbij de verschillen tussen de verschillende merken. Aanvullend nog enige toelichtingen en aanvullingen. Natuur of biodiversiteit en de zorg voor het landschap zijn vanzelfsprekendheden die veel consumenten al van biologische bedrijven verwachten. Veerkracht en zelfregulering horen bij biologisch en het achterliggend idee is dan ook dat natuur en biodiversiteit hieraan kunnen bijdragen. De vraag is of biodiversiteit hiervoor een middel is of een verplicht onderdeel behoort te zijn omdat natuur op een bio bedrijf thuis hoort. Op dit onderwerp schrijft Biosuisse duidelijke regels voor, namelijk dat minimaal 7% van het land-

32

bouwareaal beschikbaar is voor natuur inclusief bos, sloten en andere natuurelementen.

Kunnen we de groei en afzet van biologisch versterken met extra verduur­ zaming­ thema’s die aansluiten bij de verwach­ tingen van consu­ menten?­

Eigen voedervoorziening en voederrantsoen zijn onderwerpen waarvoor aanvullende normen zijn geformuleerd. Bioland stelt dat minimaal 50% (voor herkauwers 60%) van het voer op eigen bedrijf moet zijn geproduceerd. Hierin kan worden samengewerkt met bedrijven in dezelfde regio. Zowel Bioland als Natuurland stimuleren samenwerking en uitwisseling tussen de bedrijven. Dit om kringlopen op bedrijfsniveau of in regioverband te sluiten. Rondom voersamenstelling en ingrediënten zijn ook verschillen waarbij voor de eiwitvoorziening in varkens- en kippenvoer meer of minder gedetailleerde normen zijn geformuleerd. Zo verbiedt Bioland het gebruik van vismeel in diervoeders. Ook stellen Bioland en Naturland nadere eisen aan de regionale productie. De grenzen die voor ‘regio’ worden gehanteerd, zijn gedefinieerd met afstanden. De basis is vaak het lidmaatschap van de bedrijven van bijvoorbeeld Bioland of Naturland. In Nederland is de definitie voor ‘regio’ ruimer dan in Duitsland. Voor bemesting en specifiek de aanvoer van dierlijke mest, gelden voor Bioland en Natuurland strengere normen. Voor gebruik van gangbare mest zijn per land weer andere regels van kracht. Dit hangt deels samen met interpretatie van de EU-verordening, zo is er in Nederland voldoende biologische kippenmest beschikbaar en is het gebruik van gangbare kippenmest verboden. Bioland en Naturland verbieden het gebruik van zowel gangbare drijfmest als pluimveemest. Ook gebruik van bijproducten zoals bloed- en beendermeel zijn in Duitsland verboden. mei – 2014 | EKOLAND


handel & Afzet

EKO-code voor agrariërs Stichting EKO-keurmerk heeft in samenspraak met stakeholders thema’s benoemd die vanuit duurzaamheidperspectief worden uitgewerkt in een code voor agrariërs. Deze thema’s zijn vooral gericht op landbouwactiviteiten, maar zullen in de toekomst worden aangevuld voor de vervolgketen. De EKO-code is de collectieve ambitie voor de toekomst van de biologische landbouw in Nederland. In de Europese wet- en regelgeving zijn al veel zaken vastgelegd, maar veel biologische boeren leggen de lat een stuk hoger. De consument verwacht dat ook van biologisch. De EKO-code is een opstap naar duurzamere biologische landbouw. Er ligt een uitdaging om samen speerpunten te formuleren die richting geven en helderheid verschaffen Wat en hoe kan biologisch bijdragen aan oplossingen voor het mondiale klimaatprobleem? Hoe komen we tot het gebruik van 100% biologisch zaai- en pootgoed? Wat is eerlijk zaken doen? Hoe organiseren we antibioticavrije veehouderij? Acht duurzaamheidsthema’s zijn geformuleerd om greep te krijgen op het abstracte en veelomvattende onderwerp verduurzaming: kringloop, bodemkwaliteit, rassen, zaai- en pootgoed, biodiversiteit (natuur en landschap), pure en schone productie, diergezondheid en –welzijn, energie & klimaat en sociaal & eerlijk. Het is niet de bedoeling om een in beton gegoten lijst met criteria te formuleren die bepaalt of een bedrijf EKO is of niet. EKO is meer een bedrijfsfilosofie. Elke ondernemer heeft bedrijfsspecifieke mogelijkheden en onmogelijkheden. Maar samen delen we de code.

Het verbruik van fossiele brandstoffen vormt een aspect van duurzaamheid. Behalve tractoren en machines zijn koelcellen en verwarmde kassen grootverbruikers van energie. Zowel Bioland als Biosuisse stellen grenzen aan het verwarmen van kassen in de winterperiode. Behalve voor opkweek doeleinden, staan zij het verwarmen van kassen in de periode van november tot maart niet toe. Alleen het vorstvrij houden (tot 5oC) is in deze periode toegestaan. Gevoelige onderwerpen zijn onder meer het gebruik van koper als gewasbeschermingsmiddel, CMShybriden bij koolgewassen en witlof, maar ook de nanotechnologie. Vooral in de aardappelteelt, wijnbouw, hardfruit- en tomatenteelt is toepassing van koperhoudende middelen nog biologische praktijk. In Nederland zijn deze middelen overigens door de gewasbeschermingswetgeving verboden. Zowel in Duitsland als Zwitserland wordt toepassing van deze middelen onder voorwaarden toegestaan. Waar de EU-verordening de grens legt bij maximaal 6 kg koper per ha per jaar, stellen Bioland en Naturland de grens bij 3 kg. Afgelopen jaar is het gebruik van CMS-hybriden door diverse organisaties verboden, naar verwachting zal deze norm door afnemers worden overgenomen. Voldoende reden om dit ook voor Nederland tegen het licht te houden en te werken aan rassen die zonder deze techniek zijn ontwikkeld. Nog gevoeliger, maar nog niet erg onderkend, is misschien nog wel de regulering van de nanotechnologie. De aandacht hiervoor lijkt

bij de meeste labels in de kinderschoenen te staan. Op de bedrijven zelf maar zeker in de handel mag worden verwacht dat men hier in de praktijk al mee te maken heeft. In dit onderzoek zijn de aanvullende eisen voor bovengenoemde keurmerken in kaart gebracht. De resultaten worden gebruikt bij de verdere verduurzaming van de sector bijvoorbeeld via het EKO keurmerk. Hiervoor blijft afstemming nodig met de betreffende keurmerken, internationaal, maar vooral ook met de biologische (deel-)sectoren in Nederland.

Omschakeling

Gedeeltelijke omschakeling is mogelijk.

Gedeeltelijke omschakeling is mogelijk.

Gehele bedrijf dient bio te worden.

Gehele bedrijf dient bio te worden.

Gedeeltelijke omschakeling is mogelijk.

Natuur en biodiversiteit

Geen specifieke regels.

Geen specifieke regels.

Geen specifieke regels.

Geen specifieke regels.

7% land bestemd voor biodiversiteit inclusief bos, greppels en niet-verharde wegen.

Eigen voeder voorziening

Herkauwers 60% eigen voer. Varkens en kippen 80% aankoop mogelijk. 95-100% van biologische oorsprong.

Herkauwers 60% eigen voer. Varkens en kippen 80% aankoop mogelijk. 95-100% van biologische oorsprong.

50% voer van eigen bedrijf en 60% voor herkauwers of aantoonbaar gekoppeld regionaal bedrijf.

50% voer van eigen bedrijf 90% voer moet uit ruwvoer of regionaal gekoppeld afkomstig zijn. bedrijf met aantoonbare terugkoppeling mest.

Bemesting

Nationale interpretatie: 80% van A-lijst en gangbare kippenmest verboden.

Geen aanvullende regels.

Gelimiteerd tot 112 kg N/ha en oorsprong en beperkt tot vaste mest na compostering Gangbare drijfmest en kippenmest verboden.

Gelimiteerd tot 112 kg N/ha en oorsprong en beperkt tot vaste mest na compostering Gangbare drijfmest en kippenmest verboden.

Hoeveelheid mest tot 180 kg N - 225 kg N/ha. Gangbare mestaanvoer mogelijk.

Fairtrade

Nationale wetgeving.

Fairtrade aansluitend en verwijzend naar bestaande fair-trade labels.

Geen specifieke regels.

Separate standaard.

Landroof uitgesloten.

Bronnen: Verordening (EG) Nr. 834/2007 en (EG) Nr. 889/2008 Biogarantie Lastenboek September 2013, www.biogarantie.be Bioland Richtlinien, November 26th 2013, www.bioland.de

EKOLAND | mei – 2014

Naturland Richtlinien Erzeugnis, 05/2013, www.naturland.de Bio Suisse standards, edition 1 January 2012, www.bio-suisse.ch Bijlage 4 Enquête onder boeren en telers tav agrarisch programma EKO-keurmerk, versie 20130609

33


Trekkers Te koop: Bio bedrijf Groote Ark van 1ha zavel in Noord Groningen. Email: grooteark@planet.nl Te koop: Stokland zaaimachine met reserve zaaipijpen. tel. 0503095676/0610747152. smit@duon-advies.nl Te koop in Zuidwest-Frankrijk: biologische boerderij met 180 melkgeiten, 30 hect. weiland, 7 hect. bos, moderne kaasmakerij met EU-certificaat, zeer rendabele vermarkting in Frankrijk en Duitsland. Website: www.capribio.fr, e-mail: susanne@talleux.de (wij spreken Frans, Duits en Engels) Aangeboden voor pacht/verhuur 5 ha tuinbouwgrond lichte zavel eventueel met woonhuis en gebouw.reacties op 0610329852 of

VAN GORP

e mail hvdsteege@gmail.com Biologisch melkvee- en zorgbedrijf Boerderij Buitengewoon te Epe, zoekt 20 oudere melkkoeien. Welke biologische melkveehouder heeft melkkoeien over voor vervroegde uitstoot richting de nieuwe vrijloopstal op Landgoed Tongeren? 06-144 543 54 of www.boerderijbuitengewoon.nl Te koop, voormalig bio fruitbedrijf in W Friesland. 3 ha zavelgrond (16% afslibbaar). Goed ontsloten en fraai gelegen.Goede mogelijkheden voor jonge startende ondernemers in de biologische tuinbouw en neventakken.Skal-licentie tot eind 2014. www.landgilde.nl of via Kees Water, Ekopart, “Bedrijf NH” Westerkerkweg 81, 1606 BB Venhuizen.

voor particulieren en land- en tuinbouwbedrijven € 5,- (excl. BTW) per regel (±30 tekens, incl. spaties of minder)­. Vet‑gedrukt € 5,extra per regel. Minimum plaatsing € 15,-. Duidelijk aangeven welke tekst vet gedrukt moet worden.

BIOLOGISCHE VOEDERS BV

voeders e h c is g lo io b in t s li ia c e De sp De biologische voeders worden apart geproduceerd in onze fabriek te Schalkwijk en zijn leverbaar in de gehele BENELUX Informatie: Tel. 0416-315770 - Fax 0416-315779 Zomerdijkweg 2 - 5145 PK Waalwijk NL info@van-gorp.com - www.van-gorp.com

www.ekoland.nl

€ 87,49 - Tijdschrift abonnement, € 49,99 - iPad abonnement

Van Westering Groep bv Advertentietekst per e-mail, sturen naar:

trekkers@ekoland.nl Vermeld altijd duidelijk het adres waar de rekening naar toe moet w ­ orden gezonden.

Ontwikkelaars voor een sterk en levendig platteland • Beleidsadvisering landbouw • Versterking verbrede activiteiten • Omschakeling naar biologisch ondernemen

Helmer Wieringa: 06 – 53 44 77 70 Taco IJzerman: 06 – 13 10 26 98 Maria van Boxtel: 06 – 53 59 31 88

www.landco.nl


Profile for Ecology and Farming

Ekoland 5/2014  

Gratis online editie van het vakblad voor de biologische keten in Nederland en Vlaanderen

Ekoland 5/2014  

Gratis online editie van het vakblad voor de biologische keten in Nederland en Vlaanderen

Advertisement