Page 1

HET ANDERE PARIJS-press.indd 1

19/04/16 17:24


HET ANDERE PARIJS-press.indd 2

19/04/16 17:24


Uitgeverij P O L I S

HET ANDERE

vaN

Parijs LUC SANTE

Vertaald door H A N S E . V A N R I E M S D I J K

hET

HET ANDERE PARIJS-press.indd 3

19/04/16 17:24


Voor Mimi

HET ANDERE PARIJS-press.indd 4

19/04/16 17:24


Sire, ik ben van het andere land. – Ivan Chtcheglov

HET ANDERE PARIJS-press.indd 5

19/04/16 17:24


I N H O U D S O P G AV E

1 — SUBLIEME STAD

‘De vorm van een stad verandert sneller helaas dan het hart van een sterveling.’ (Baudelaire)

9

2 — FLANEUR

Het flaneurschap: een actieve en betrokken vorm van interactie met de stad als stratenplan, tekst en gestolde tijd.

29

3 — SLOOPHAMER

Van kronkelstraatjes naar een rechtlijnige geometrie: de botte bijl van Haussmann verjaagt de armste bevolkingsgroepen naar de periferie.

45

4 — EXTRA MUROS

Leven in de marge: faubourgs, de banlieue en ander niemandsland binnen of buiten de opeenvolgende stadsmuren. 69

5 — CANAILLE

Het ‘volk’ en zijn eigen cultuur. Immigranten uit binnen- en buitenland. Racisme en antisemitisme. 89

6 — MIRAKELHOF

Slechte voeding, lamentabele huisvesting en ziekte, en de wonderlijkste kostwinningen om in leven te blijven.

111

7 — VENUSTEMPEL

HET ANDERE PARIJS-press.indd 6

Prostitutie door de eeuwen heen: van armzalige hôtels de passe tot de chicste bordelen en een bonte homoscene. 135

19/04/16 17:24


8 — ABSINT

Drank, kroegen, clochards en bohemiens: van vrolijk feestvieren tot uitzichtloze misère. 163

9 — VEDETTES

De Parijzenaar als toeschouwer en als spektakel: straatartiesten, carnaval, theaters, danstenten en de furore van de musette, Bruant, Fréhel en Piaf. 191

10 — APACHES

Misdaad en straf: bendes, psychopaten en nobele boeven in actie. Het succes van het fait divers en true-crimebladen. Gevangenissen, strafkolonies en de guillotine. 227

11 — OPROERKRAAIERS

Parijs als decor van revoluties en opstandjes, van de Commune, de barricaden en anarchistische bomaanslagen. 263

12 — DRIFT

De flaneur, de fotograaf, de surrealist en de lettrist op pad om de stad passend te gebruiken, maar de spelregels zijn onherroepelijk veranderd. 311

DANKWO ORD

327 NOTEN

331 REGISTER

339

HET ANDERE PARIJS-press.indd 7

19/04/16 17:24


HET ANDERE PARIJS-press.indd 8

19/04/16 17:24


1. SUBLIEME STAD

I

n Pépé le Moko van Julien Duvivier uit 1937, de film die zich afspeelt in de kashba van Algiers, denken de twee hoofdrolspelers met heimwee terug aan hun geboortestad. Gaby (Mireille Balin) komt uit een gegoed milieu en Pépé (Jean Gabin) is opgegroeid in een arbeidersgezin. Gaby: Ken je Parijs? Pépé: Parijs is mijn dorp! Rue Saint-Martin. Gaby: De Champs-Élysées. Pépé: Het Gare du Nord. Gaby: De Opéra, Boulevard des Capucines… Pépé: Barbès, La Chapelle. Gaby: Rue Montmartre. Pépé: Boulevard Rochechouart… Gaby: Rue Fontaine. Samen: Place Blanche!! Zij noemt locaties op in haar stad en hij noemt plaatsen in de zijne, en dan zijn beiden het eens over een plein dat als het ware het grensgebied tussen beide vormt – de plek waar de Moulin Rouge zich bevindt en waar de afgetrapte danstent van Pigalle oogcontact heeft met de deftigheid van het Quartier de l’Europe. Het lijstje van Gaby beslaat de bovenste rand van de taartpunt van westelijk Parijs, hooguit een kwart van het geheel, waar destijds de betere stand huisde: de Rue Montmartre in noordwestelijke richting, die overgaat in de Rue Notre-Dame-de-Lorette en dan in de Rue Fontaine, om nog een stuk verderop te versmelten met de Avenue de Clichy. Als ze grondig was geweest, had ze misschien ook de chique kant van de linkeroever genoemd: de Boulevard Saint-

Mireille Balin en Jean Gabin in Pépé le Moko, 1937.

S ublieme stad — 9

HET ANDERE PARIJS-press.indd 9

19/04/16 17:24


Vuurwerk. Illustratie van Félix Vallotton, 1902.

Germain, de Rue de Sèvres, de Avenue de Suffren. De lijst van Pépé is veel beperkter, maar dat heeft zeker voor een deel te maken met het feit dat er in 1937 nog zoveel meer restte van zijn Parijs dan van het hare. Dit boek zal zich niet echt bezighouden met de stad van Gaby. Al was het maar omdat dat Parijs veel minder is veranderd. De grootste concentratie van geld en macht vind je nog altijd in die stadsdelen. En net als de van oudsher rijke buurten in veel andere steden, heeft het chique Parijs waarschijnlijk meer kleine bedrijven, meer cafés en dergelijke weten te behouden dan de meer kwetsbare buurten elders. De rijken hebben nu eenmaal de macht om de dingen te bewaren waar ze van houden. Dat part van westelijk Parijs is hoofdzakelijk veranderd doordat de huidige samenstelling ervan niet alleen oude families en de nouveaux riches betreft, maar ook een aanzienlijk aantal buitenlandse en er vaak niet woonachtige vastgoedeigenaars die investeren in een flat in Parijs zoals ze kunst kopen die ze vervolgens in een kluis bewaren. Die in­­­ stelling maakt dat je haast tedere gevoelens zou koesteren voor die oude families, die op z’n minst verbonden zijn of waren met de bodem en de geschiedenis van de stad. Maar anderzijds herinner je je dan weer hoe die westelijke stadsdelen zich in de loop der tijd steevast vijandig hebben opgesteld tegenover de rest van Parijs; hoe ze gemene zaak maakten met de Pruisen tegen de Commune in 1871; opriepen tot de uitroeiing van de communards, vrouwen en kinderen in­­cluis, tijdens de Bloedweek in mei van dat jaar; en hoe ze in 1938, nadat het Volksfront was verdwenen, ‘voor twintig franc een kaartje kochten om Hitler toe te juichen in de bioscopen op de Champs-Élysées’, terwijl zelfs keurige dames opgewonden het devies ‘Communisten, pak jullie koffers; Joden, wegwezen naar Jeruzalem!’ meescandeerden.1 Het is geen toeval dat het bureau van de Gestapo in de Rue des Saussaies was gelegen en het hoofdkwartier van de Carlingue, zijn Franse tegenhanger, in de Rue Lauriston – beide binnen die driehoek. Maar was Gaby’s stad een en al kuise witte gevels, rustig verkeer en hoffelijke manieren, het Parijs van Pépé was onte­ genzeggelijk rauwer. Het grote marktterrein dat de straten daar vormden deed vogels van allerlei pluimage op de voor-

10 — HET ANDERE PARIJS

HET ANDERE PARIJS-press.indd 10

19/04/16 17:24


grond treden en die mensen spraken heus niet allemaal even netjes, matigden echt niet altijd hun toon, deden niet dezelfde moeite om verzorgd voor de dag te komen; misschien hadden ze het ook niet goed met je voor. En de straten zelf gaven net zoveel beledigingen voor het oog te zien als charmant verweerde huizen van het type dat is te zien op foto’s van Atget. Als je leest hoe Georges Cain de Marché des Patriarches beschrijft, de allang verdwenen vlooienmarkt rond de SaintMédardkerk in het vijfde arrondissement, zou je kunnen denken dat die impressies de weerslag zijn van het klassenvooroordeel van de auteur, die als antiquair en museumcurator door achterbuurten struint op zoek naar vergeten bouwkunstige parels: ‘Wankele krotten die onderdak bieden aan armzalige bedrijfjes: verkopers van naamloze voorwerpen, voddenhandelaren, rommelventers. Er wordt ossenstaartbouillon verkocht aan de voet van een hoge fabrieksmuur die eruitziet als de muur van een gevangenis. En overal hangt de walgelijke lucht van zwavelzuur, bokking en bloemkool.’2 Maar vrijwel dezelfde toon klinkt dertig jaar later, wanneer Eugène Da­­bit, de meest zelfbewuste proletariër aller schrijvers, het gebied bij de Place des Fêtes in het negentiende arrondissement beschrijft: Een schoenveterverkoper met zwaar gehavend gezicht lijkt een masker te dragen met een nepbaard en lippen van rode stof. Op de markt in de Rue du Télégraphe herhaalt een vrouw die tijm verkoopt met schelle stem: ‘Geef deze blinde werk!’ De mensen slepen zichzelf van de ene naar de andere werkplaats om hout te sprokkelen en van de ene naar de andere straat om lompen te rapen; weer anderen zijn ex-bajesklanten of nachtwakers. Als ze naar buiten mogen houden de mannen uit het gesticht, in hun ruwe blauwe uniforms, aarzelend hun hand op in de hoop genoeg bijeen te schooien voor een pakje behoorlijke tabak.3

De Marché des Patriarches, de vlooienmarkt in de Rue Saint-Médard, rond 1910.

Je zou kunnen vragen: waarom zou het ons iets moeten schelen dat die mensen of hun hedendaagse tegenhangers uit de stad zijn verdwenen? Is het niet mooi dat de Saint-Médard zo

S ublieme stad — 1 1

HET ANDERE PARIJS-press.indd 11

19/04/16 17:24


keurig is schoongemaakt en opgefrist dat hij nu oogt als de parochiekerk in elke andere plaats? En was de kunstige her­ aanleg van de Place des Fêtes niet op z’n minst in hygiënisch opzicht verstandig? En dat dat plein nu wordt omgeven door massieve torenflats met de charme van industriële airco’s, betekent dat dan niet dat ze tenminste zijn bedoeld om er mensen met een laag inkomen in te huisvesten? Want laten we wel wezen, als de lage huizen die het plein omringden voordat de stadsvernieuwing die panden opeiste, waren opgefrist en gerenoveerd in plaats van te worden gesloopt, dan had niemand die er vroeger woonde zich die wijk nog kunnen veroorloven. Er zijn inderdaad een paar plekken in Parijs waar armen kunnen wonen, maar de voorwaarde is wel dat die plekken onmenslievend, zielloos en door de wind geteisterd zijn. In het verleden moesten de armen het allemaal zelf maar uitzoeken, wat kon betekenen dat ze vrede moesten hebben met viezigheid en bijbehorend ongedierte; het aanbod dat ze tegenwoordig krijgen verzekert die mensen van een goed verlichte, stofvrije woonomgeving met eigentijdse voorzieningen, maar tegelijkertijd worden ze beroofd van hun talent om te improviseren, hun eigen leefruimte te creëren, zich te wijden aan ad-hochandeltjes in de openbare ruimte, als dat is wat ze willen doen. Ze worden bijeengedreven en aan regels onderworpen die geen ‘sociale ingenieur’ zich in de negentiende eeuw had kunnen voorstellen. De relatieve intimiteit van een stad, welke stad ook, van honderd jaar of langer geleden is al even moeilijk te overdrijven als duidelijk te maken. Misschien dat er bijna evenveel mensen waren, maar ze leefden meer geconcentreerd, in wijken die even afgebakend en zelfredzaam waren als plattelandsdorpen, en waar de mensen veel meer tijd doorbrachten op straat omdat ze thuis geen beeld- en geluidsdragers hadden. Forenzen waren er nauwelijks, zeker niet voor de jaren twintig; iedereen die je tegenkwam – de incidentele toerist of handelaar daargelaten – woonde ook in de stad, meestal zelfs in de wijk waar je die persoon signaleerde. Elke buurt had zijn eigen zonderlingen, behoeftigen, geestelijken, geleerden, vechtersbazen, weduwen, klusjesmannen, bestuurders, sjacheraars, bemoeiallen. De meesten van hen kenden elkaar al

12 — HET ANDERE PARIJS

HET ANDERE PARIJS-press.indd 12

19/04/16 17:24


hun hele leven. Het inkomensspectrum was niet buitensporig breed, maar anderzijds woonden de rijken wel vlakbij, in de straat even verderop. Voor Haussmanns herinrichting van het centrum waren de wijken nauw met elkaar verweven; daarna waren ze meer van elkaar gescheiden. Maar de klassen bleven elkaar tegenkomen op gemeenschappelijke plekken: op de pleinen en bou­­­levards. Het verhaal gaat dat toen de café-restaurants terrassen begonnen op te stellen, de armen ontdekten pas wat en hoe er werd gegeten omdat ze voor het eerst zagen hoe restaurantgasten zich tegoed deden aan hun maaltijden. Op hun beurt hadden de rijken altijd de gelegenheid om kennis te nemen van de cultuur van de armen via hun markten en vertier. Het concept mixité heeft in Parijs trouwens zeker een eeuw gebloeid: een huis van zes of zeven verdiepingen had op de begane grond een winkel; de winkelier huisde op de tussenverdieping erboven; een gegoede familie woonde bo­­ ven die mezzanine op de bel-etage; en vervolgens vond je op de verdiepingen daarboven mensen met een steeds lager in­­ komen naarmate je hoger kwam. De mensen sjokten zo min mogelijk trappen op als ze zich konden veroorloven, en het gevolg daarvan was dat al die huizen op zich een microkosmos van de bredere samenleving vormden. Dat wil niet zeggen dat de samenleving rechtvaardig of vriendelijk was; doorgaans was die meedogenloos. Toch bood ze plek aan het hele scala van sociale klassen en iedereen was op de een of andere manier in gelijke mate betrokken bij de gemeenschappelijke taak om een stad te vormen. Het was een ecosysteem waarin elk onderdeel van het fysieke weef­­sel werd ingezet en uitgemolken en van tijd tot tijd nieuw leven kreeg ingeblazen, waarin alles – van lompen en botten tot ideeën en modegrillen – werd hergebruikt en waarin niets werd weggegooid totdat het volledig opgebruikt was. Zo’n groot deel van het leven voltrok zich in het openbaar dat je een volledige opvoeding kon genieten door simpelweg rond te lopen: van de rivieroever naar de markt en van het plein naar de boulevard; van ‘het grootse gedicht van vertoon’ (Bal­­zac) naar optredens van de kwakzalvers, van danstenten naar openbare terechtstellingen, van de krantenverkopers

Een café. Illustratie van J.J. Grandville uit Scènes de la vie privée et publique des animaux, 1842.

S ublieme stad — 1 3

HET ANDERE PARIJS-press.indd 13

19/04/16 17:24


De Rue Érard, rond 1910.

De Boulevard de Bonne-Nouvelle, rond 1910.

De Rue de La Glacière, rond 1910.

naar de dandy’s, van de prostituees naar de afficheplakkers, van het oosten naar het westen. De geografie en topografie waren een kritieke factor. De stad groeide in concentrische cirkels die werden bepaald door de achtereenvolgende stadsomwallingen: onder Filips II rond 1200; onder Karel V in de veertiende eeuw; de Muur van de Belastingpachters vlak voor de revolutie; Adolphe Thiers in de jaren 1840; en op het tracé van die laatste muur de Péri­phé­ rique die in 1973 werd voltooid. Met elke successievelijke muur slokte de stad weer stukken op van het omringende platteland en zijn dorpen; wat ooit periferie was, verplaatste zich steeds meer naar het midden. In de tussentijd verschoof ook het centrum zelf stukje bij beetje. Niet zo heel ver trouwens, misschien een paar kilometer in vier, vijf eeuwen tijd, maar er ging een grotere beweging van de bon ton mee ge­­ paard. Dat begon bij het Louvre toen het nog koninklijk pa­­ leis was, gleed in de zeventiende eeuw oostwaarts naar de Ma­­rais en keerde toen weer terug naar het westen, eerst langs de Rue de Rivoli en de Rue Saint-Honoré en later naar de even­wijdige boulevards daarboven, terwijl de geliefde woonwijken van de chic, die tegen die tijd de drukke binnenstad begon te verlaten, opschoven naar het noordwesten, richting Plaine-Monceau en vervolgens nog verder naar Auteuil en Passy. Grote delen van de binnenstad werden gedeeld en vervolgens betwist; zelfs na de stadsvernieuwing van Haussmann kon de betere stand onmogelijk Saint-Denis of het Plateau Beaubourg of de Hallen voor zich opeisen. Ook de rotsachtige hellingen van Montmartre en Belleville en Ménilmontant waren stevig in handen van het volk, net als het nevelige zuiden: Maison-Blanche, Croulebarbe, Glacière, Butte-aux-Cail­ les, Grenelle, Montrouge. Het verleden, hoeveel schaduwzijden er ook aan kleefden, was ruig. Het heden daarentegen is volledig gecultiveerd. De eisen van het grote geld en de aanvechtingen van bureaucraten – die al even benauwd zijn voor afwijkingen van de regel als voor ziektekiemen, chaos, frivoliteit, lachsalvo’s en onbeantwoordbare vragen – hebben samengezworen om de voorwaarden te scheppen voor stagnatie, om de stad te saneren tot op een punt waar er geen verrassingen, geen risico’s, geen

14 — HET ANDERE PARIJS

HET ANDERE PARIJS-press.indd 14

19/04/16 17:24


spontane ziekte-uitbraken, geen sprietje onkruid meer zijn. De hervormers en sociale activisten van het verleden, die voor de dringende taak stonden om de hongerigen te voeden en de daklozen te huisvesten, hebben niet kunnen voorzien dat de armen in ruil daarvoor de rijkdommen zouden moeten opgeven die ze bezaten: zowel hun wijken als hun tijdsbesteding, hun schooierseconomie, hun verdedigingsmechanismen, hun weigering zich te gedragen, hun talent plotseling uit beeld te zijn, hun sleutel tot het verguisde, tot het niet opgeëiste, tot de gemeenschappelijke eigendom van de straten. Als gevolg van deze en andere veranderingen zijn we vergeten wat een stad was. De stad had een karakteristieke smaak die nu is ge­­neutraliseerd. De stad had een vluchtige lyrische toon die nauwelijks meer is op te roepen. De jonge Verlaine laat ons ervan proeven: Het rumoer uit de cafés, het slijk op de trottoirs, Stervende platanen die in het donker hun blad verliezen, De omnibus, een orkaan van modder en ratelend ijzer, Die knarst, slecht opgehangen tussen zijn vier wielen, En traag rolt met groene en rode ogen, Arbeiders op weg naar hun club, stenen pijpjes rokend Onder de neuzen van de politiemannen, Druipende daken, zwetende muren, de straat spekglad, Gebarsten asfalt, stroompjes die de goten vullen, Dat is mijn weg – met op het einde de hemel.4 En zestig jaar later schrijft Francis Carco, een flaneur met een gave voor verbale fotografie: Ik wandelde helemaal naar het Concert Pacra, op de hoek van een boulevard en een straat. Ik liep de boulevard op, ging een café binnen en las de kranten. De avond viel. Een apotheek strooide zijn groene en gele licht op het asfalt. Uit een kroegje klonk het raspige geluid van een accordeon. Ik richtte me op de mensen die passeerden: een dikke man met een pet, een politieagent, drie jonge meisjes met paraplu’s, een fluitend

De Rue du Commerce met de bovengrondse metro en La Grande Roue, een reuzenrad van honderd meter hoog dat werd gebouwd voor de Wereldtentoonstelling van 1900.

S ublieme stad — 1 5

HET ANDERE PARIJS-press.indd 15

19/04/16 17:24


Straatzangers, jaren twintig.

jochie, een arbeidersgezin, twee soldaten, een oude krantenverkoopster die ‘L’Intran!’ riep, een Arabier, een weduwnaar hand in hand met zijn zoontje (…). Het blauwige en feloranje licht van een bioscoop en de roze lampjes en enorme pijl van een reclamebord voor Dupont – Dupont-tout-est-bon – spreidden hun wazige elektrische sporen over de gevels. De straat trilde door de taxi’s, de trams, de metro die op dat punt boven de grond komt. Onder een arcade op de hoek van Barbès en Rochechouart wisten rondtrekkende zangers op sommige avonden een heel publiek aan te trekken. Vrouwen wandelden er­­omheen, deden alsof ze luisterden en verdwenen weldra met een nieuwe vent.5 Heel Parijs strekte zich straalsgewijs uit vanuit de Hallen, de grote centrale markt die stamde uit de twaalfde eeuw toen ko­­ning Filips II een aantal kleinere markten samenvoegde, en die tussen 1852 en 1870 zijn uiteindelijke vorm kreeg, nadat Victor Baltard de enorme gietijzeren paviljoenen had ge­­bouwd die het grootste deel van het marktterrein overkapten. De Hallen omvatten een aantal grote gespecialiseerde markten – halles voor vlees; voor zee- en zoetwatervis; voor boter, kaas en eieren; voor groenten, fruit en kruiden; voor bloemen. Onmetelijk was het. Zola beschrijft ‘een of andere vreem­­de stad, met aparte wijken, met achterbuurten en dorpen, met paden en wegen, met pleinen en kruispunten – dat alles op een regenachtige dag in de opwelling van een reus onder één overkapping geplaatst’.6 Binnen begon ‘deze rivier van groenten’ ’s morgens in alle vroegte geleidelijk kleur aan te nemen met ‘de levendige vlekken van de wortelen, de reine vlekken van de rapen (…) die de markt beschenen met de mengeling van hun twee kleuren’ en ‘de roodbruine vernis van een mand uien, het bloedend rood van een berg tomaten, het groengeel van een partij komkommers, het donkerpaars van een stapel aubergines lichtten her en der op, terwijl grote zwarte rammenassen, als rouwkleden geschikt, nog een paar schaduwgaten overlieten te midden van de trillende blijdschap van het ontwaken’.7

16 — HET ANDERE PARIJS

HET ANDERE PARIJS-press.indd 16

19/04/16 17:24


Maar de Hallen waren veel meer dan zomaar een markt, het was de rus in urbe, die niet alleen de stad met het platteland verbond, maar die ook de stad verbeeldde in het licht van het platteland, met de bevolking als verschillende diersoorten – het kan haast geen toeval zijn dat de markt vlak bij de eeuwenoude ‘vleesmarkt’ in de Rue Saint-Denis lag, de straat waar tot voor kort de hoeren op een rij voor de gevels stonden, huizenblokken aan één stuk. Sherwood Anderson schreef in 1921: De schitterende paarden van Parijs die karren met enor­­me wielen voorttrekken. Kolossale vaten wijn, jutezakken vol graan hoog opgestapeld. De wielen van sommige karren zijn zo hoog als een kerkdeur. Vaak zijn de enorme paarden achter elkaar ingespannen – drie, vier, zes, tien. De dieren zijn niet gecastreerd. Er zit vuur en leven in ze (…) De mannen zijn dol op die enorme hengsten met hun brede borst, en ik ook. Ze zijn niet bang. Ze castreren niet. Hier is het leven nobeler dan alles wat machines tot op heden hebben bewerkstelligd.8 De Hallen vormden een biosfeer, een levende belichaming van de productie- en consumptieketen, een plek van uitwisseling waar de handel zo persoonlijk en zinnelijk bleef als hij altijd was geweest voordat reclame en marketing werden uitgevonden, een enorme sociale nivelleerder, een plaats waar mensen zonder werk altijd wel een klus konden vinden en waar de hongerigen een maaltje bijeen konden schooien met weggegooide maar prima eetbare waar, een druk knooppunt met zijn eigen cultuur en gebruiken, gekleurd door het patina van een bijna duizendjarige traditie. Het was niet alleen de maag van Parijs, maar ook zijn ziel. In 1960 werden de Hallen gevonnist door een bestuurlijke verordening. De sloop ving aan in 1969, ten gunste van een versmarkt voor de groothandel in de verre voorstad Rungis, en vervangen door een infernaal ondergronds winkelcentrum, waarboven zich nu dat pa­­ nacee van de stedenbouwkundige uitstrekt: een espace vert. De film Touche pas à la femme blanche! van Marco Ferreri

De vismarkt in de Hallen, rond 1910.

De groentemarkt in de Hallen, rond 1910.

S ublieme stad — 1 7

HET ANDERE PARIJS-press.indd 17

19/04/16 17:24


Filmfoto uit Touche pas à la femme blanche! van Marco Ferreri, 1974.

uit 1974 valt binnen een bijzonder subgenre van die tijd: de kluchtige en revisionistische western. De hoofdrolspelers zijn Marcello Mastroianni (als een geschifte George A. Custer), Michel Piccoli (als een aanstellerige Buffalo Bill) en Catherine Deneuve (als de blanke vrouw in de titel). Een groot deel van de film speelt zich af in een uitgestrekte gelige vlakte die er overtuigend uitziet als de woestijn in de zuidwestelijke staten van de VS – totdat de camera uitzoomt en je constateert dat het de enorme kuil is die werd gegraven op de plek waar de Hallen ooit verrezen, de toekomstige locatie van het winkelcentrum en het RER-station Châtelet-Les Halles. Charges van de cavalerie denderen over de Rue Rambuteau, troepen drommen samen voor de Bourse du Commerce, en dan is er het aangrijpende schouwspel van honderden indianen, gespeeld door zwartharige Parijzenaars, die worden gedwongen weg te trekken uit hun land, in colonne langs de steile af­­grond van de afgraving. Hun ‘tocht der tranen’ lijkt eindeloos, al kan het hooguit een paar honderd meter zijn. Er bestaat een steevast terugkerende vereenzelviging van de Parijzenaars met indianen die teruggaat tot de jaren 1820 en 1830, en werd aangewakkerd door de furore die de Leather­ stocking Tales van James Fenimore Cooper maakte – onder anderen door Balzac en Hugo genoemd als een belangrijke invloed. Misschien dat dat Alexandre Privat d’Anglemont, de volleerde flaneur van de negentiende eeuw en zelf een op Gua­­deloupe geboren man van gemengd ras, ertoe bewoog te rouwen om de teloorgang van Belleville in de jaren 1850 met de woorden: ‘De beschaving heeft hier opgetreden zoals in Noord-Amerika; bij haar opmars heeft ze alle wilden op haar pad verjaagd.’9 Het Belleville dat hij betreurt was de plaats die toen nog buiten de stadsgrenzen lag, een landelijke plek met dranklokalen in de openlucht, dansgelegenheden en het naar verluidt zo bekoorlijke Île d’Amour, ‘waar zoveel kortstondige verhoudingen begonnen’. Heel kort daarna werd Belleville het bolwerk van de Parijse arbeidersklasse en het hart van de Commune, zo strijdbaar en explosief dat zenuwachtige bureaucraten het verdeelden over vier afzonderlijke arrondissementen. Het was ‘een vurig plebejische hoofdstad, noodlijdend en klassenloos als een mierenhoop’, volgens de

18 — HET ANDERE PARIJS

HET ANDERE PARIJS-press.indd 18

19/04/16 17:24


revolutionair en romancier Victor Serge,10 die er ging wonen in 1909, terwijl de Britse historicus Richard Cobb sprak van ‘de hoge citadel van de Parijse geest’11 die naar Belleville was geëmigreerd vanuit zijn voormalige habitat in het centrum, in de Cité en de Rue Saint-Denis, na de grootschalige chirurgische ingrepen van baron Haussmann. Daar kwam bij dat Belleville mettertijd beroemd werd omdat het immigranten en vluchtelingen opnam uit het zuiden en centrum van het land; Oost-Europese Joden die werden verdrongen uit de oude Joodse buurt in de Marais; Noord-Afrikanen, voorname­ lijk uit Algerije; West-Afrikanen uit Senegal, Guinee, Ga­­bon, Ivoorkust; en Vietnamezen en Cambodjanen, vooral etnische Chinezen uit die landen. Tot op zekere hoogte ge­­beurt dat nog altijd en is Belleville het enige stadsdeel waarop de term ‘smeltkroes’ van toepassing is. De foto’s die Willy Ronis maakte van Belleville en Ménil­ montant in de jaren veertig en vijftig zien eruit als de foto’s van Montmartre van vijftig jaar eerder, maar dan voller en drukker: opeengestapelde huizen die van de heuvel lijken te glijden; tuinen en braakliggende grond en zelfs lapjes bos die zijn weggestopt in elk beschikbaar hoekje; straten die trappen worden en dan weer straat; cafeetjes die zich verstoppen in stegen; werkplaatsen van ambachtslui op minuscule binnenplaatsen; her en der uitkijkpunten vanwaar de hele stad is te overzien. Het was een bescheiden plek, het resultaat van aanpassen en improviseren; geld en grootse plannen wa­­ren er nooit ook maar in de búúrt gekomen. Als een van de nieuwste wijken, historisch gezien, bleef Belleville de geest van de oude stad trouw en benaderde het zijn beperkingen met een fikse dosis lef en zwier, alsof het een nederzetting van boomhutten was. Veel daarvan is met de stadsvernieuwingen van de jaren zestig geregulariseerd en genormaliseerd; hele straten vol oude huizen werden kaalgeslagen om plaats te maken voor flatgebouwen. Op het fraaie hoofdgestel van de voormali­ ­ge arbeidersverbruikscoöperatie La Bellevilloise in de Rue Boyer, nu een rockclub, zijn hamer en sikkel nog altijd te zien; en aan het westelijke uiteinde van die straat, in de Rue de Ménilmontant, loont het de moeite halt te houden bij het pand waar de saint-simonisten van Prosper Enfantin samen­

‘Even niet bewegen!’ – Rue de Belleville, rond 1910.

De coöperatie La Bellevilloise in de Rue Boyer, rond 1910.

S ublieme stad — 1 9

HET ANDERE PARIJS-press.indd 19

19/04/16 17:24


kwamen, die in de jaren 1830 kleding droegen met knoopsluitingen op de rug opdat zelfs aan- en uitkleden een gemeenschappelijke onderneming zou zijn. Boven Belleville lag La Chapelle, ‘eerder een koninkrijk dan een arrondissement’, schreef Léon-Paul Fargue in de ja­­ ren dertig.

Onder de métro aérien op de Boulevard de la Chapelle.

De Boulevard de la Villette, rond 1910.

Dit koninkrijk, een van de rijkste van Parijs qua badhuizen, waar je op je beurt wacht zoals bij de tandarts, wordt beheerst door de lange en hoge spoorbrug van de bovengrondse metro, die de wijk bekroont als een diadeem. In noordelijke richting strekt zich de Rue d’Aubervilliers uit als een langgerekte kermis barstensvol winkels. Verkopers van varkenspoten, van kant­werk per kilo, van petten, van kaas, van kroppen sla, van slappe koffie, van gekookte spinazie, van twee­­­dehandsfietsbanden – op elkaar, over elkaar, in elkaar, als een meccanodoos om nachtmerries van te krijgen.12 La Chapelle en het ernaast gelegen La Villette – en andere grensgebieden in het noordwesten, het oosten en langs de hele zuidflank van de stad – vormden zo’n beetje het achterwerk van de stad, het stuk dat je eigenlijk niet te zien mag krijgen, hoewel je er niets aan kon doen dat dat wel gebeurde als je de stad binnenkwam of verliet: fabrieken, gasreservoirs, slachthuizen en de goedkoopste revolutiebouw, ingeklemd tussen kanalen enerzijds en anderzijds spoorbanen in noordelijke en oostelijke richting vanuit de treinstations met de namen van die windstreken. Daarvoorbij bevond zich tot 1919 de laatste militaire verdedigingswal en daar weer achter lag het niemandsland dat de ‘Zone’ heette. In tegenstelling tot de meeste moderne steden, die in alle richtingen uitdijen, werd Parijs gedefinieerd door zijn randen. Daar legde de stad de gren­zen van het aanvaardbare qua voorzieningen en qua men­sen die eromheen woonden – zowel die bevolking als die voorzieningen verdrijvend met een middelpuntvliedende kracht die mettertijd alleen maar is toegenomen, maar die in 1850 al volop zichtbaar was:

20 — HET ANDERE PARIJS

HET ANDERE PARIJS-press.indd 20

19/04/16 17:24

Het andere Parijs  

Stad van het volk

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you