Page 1

Goed onderwijs begint bij de docent Het studentperspectief op docentkwaliteit Mei | 2016


Samenvatting Minister Bussemaker van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap laat weten investeringen te willen doen in docenten. In de Strategische Agenda 2015-2025 staat de ambitie geformuleerd dat er op termijn 4000 extra docenten in het hoger onderwijs bij zullen komen. Vanuit het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) pleiten wij ervoor dat er niet alleen méér docenten komen, maar vooral ook dat docenten kwalitatief goed zijn. In dit visiestuk zet het ISO daarom het studentenperspectief op docentkwaliteit uiteen. Vervolgens wordt docentkwaliteit in de huidige situatie beschreven en tot slot worden aanbevelingen gedaan om de situatie omtrent docentkwaliteit te verbeteren. Vanuit het studentenperspectief wordt een aantal belangrijke factoren genoemd die een docent kwalitatief goed maken. Studenten noemen de kunst te inspireren, didactiek, feedback, afwisseling, beheersing van de Engelse taal, innovatie, digitalisering en het opleiden van docenten als belangrijke factoren. Ook wordt er door studenten specifiek onderscheid gemaakt tussen hogescholen en universiteiten. Voor hogescholen geldt praktijkervaring als belangrijk criterium voor docentkwaliteit, voor universiteiten de balans tussen onderzoek en onderwijs. De uitdagingen in de huidige situatie zijn helaas niet goed zichtbaar. Ten eerste wordt in de rapportage van de resultaten van de Nationale Studenten Enquête (NSE) vaak de nadruk gelegd op de positieve uitkomsten. De resultaten worden als beleidsinstrument ingezet. Ten tweede heeft het merendeel van de studenten geen onderwijskundige achtergrond, waardoor zij lastig concrete problemen in de kwaliteit van docenten kunnen aanwijzen. Uit gesprekken met studenten, online enquêtes en onderzoeken is echter gebleken dat studenten niet tevreden zijn met de huidige staat van docentkwaliteit in het hoger onderwijs. Het ISO doet aanbevelingen om te investeren in een viertal thema’s als het gaat om docentkwaliteit in het hoger onderwijs: - Didactische basisvaardigheden: er moet landelijk een eenduidig en verplicht basiskwalificatietraject komen zodat elke docent dezelfde vaardigheden beheerst, zoals didactiek en het gebruik van digitale middelen; - Docentprofessionalisering: er dient geïnvesteerd te worden in het continu ontwikkelen van docenten middels professionaliseringstrajecten; - Niet alleen mastergraad op hogescholen: er moet niet te zwaar getrokken worden aan de mastergraad. Docentkwaliteit wordt niet bepaald door het opleidingsniveau; - Onderwijscarrière op universiteiten: er moeten financiële prikkels en nationale erkenning komen om zo de verhouding tussen onderzoek en onderwijs meer in balans te brengen.

Docentkwaliteit | 2016

3


Inhoudsopgave

Samenvatting .......................................................................................................... 3 Inleiding .................................................................................................................. 5 1.

Huidige situatie docentkwaliteit .................................................................. 6 1.1. Docentkwaliteit overschat..................................................................... 6 1.2. Prestatie- en werkdruk van docenten ................................................... 7 1.3. Basiskwalificatie voor een docent ......................................................... 9 1.4. Continue scholing ................................................................................ 11 1.5. Problemen op hogescholen................................................................. 12 1.6. Problemen op universiteiten ............................................................... 13

2.

Studentenperspectief op docentkwaliteit.................................................. 15 2.1. Algemeen............................................................................................. 15 2.2. Hogescholen ........................................................................................ 18 2.3. Universiteiten ...................................................................................... 18

3.

Aanbevelingen ............................................................................................ 19 3.1. Algemeen............................................................................................. 19 3.2. Hogescholen ........................................................................................ 21 3.3. Universiteiten ...................................................................................... 21

Referenties............................................................................................................ 22 GeĂŻnterviewde personen ...................................................................................... 24

Docentkwaliteit | 2016

4


Inleiding De Strategische Agenda van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) belooft op termijn 4000 extra docenten in het hoger onderwijs te realiseren.1 Deze extra docenten worden bekostigd uit de opbrengsten van de afschaffing van de basisbeurs. Voor studenten is het van het grootste belang dat de investeringen die met deze opbrengsten gedaan worden zichtbaar en merkbaar terug zijn te zien in hun onderwijs. Zoals beschreven in de Strategische Agenda komen er 15 procent meer docenten bij dan nu het geval is: 2500 nieuwe docenten voor hogescholen en 1400 voor universiteiten. Hoewel het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) onderschrijft dat docentkwaliteit belangrijk is voor het verbeteren van de onderwijskwaliteit, benadrukt het ISO de urgentie om te investeren in de kwaliteit van docenten, en niet alleen maar in de kwantiteit. De kwaliteit van het huidige docentencorps is op belangrijke onderdelen namelijk onvoldoende. Op hogescholen en universiteiten spelen verschillende uitdagingen rondom docentkwaliteit. Op hogescholen is het van belang dat er voldoende aandacht is voor diversiteit en praktijkervaring bij docenten. Deze uitdagingen zijn ook in zekere mate van belang op universiteiten. Daarnaast is de rol van onderwijs op universiteiten vaak nog achtergesteld ten opzichte van onderzoek. In dit visiestuk wordt om deze reden onderscheid gemaakt tussen hogescholen en universiteiten in de context van docentkwaliteit. Dit visiestuk is opgebouwd aan de hand van de volgende vragen: - Wat is voor studenten belangrijk bij de kwaliteit van docenten? - Wat is docentkwaliteit in de huidige situatie? - Welke maatregelen zijn nodig om docentkwaliteit in het hoger onderwijs te verbeteren? Op basis van gesprekken met studenten uit de centrale medezeggenschap (twee focusgroepen) en een online vragenlijst onder decentrale medezeggenschapsraden van hogescholen en universiteiten (door 22 decentrale raden ingevuld), is onderzocht wat zij belangrijk vinden bij de kwaliteit van docenten. Ook is inzichtelijk geworden welke problemen er spelen vanuit het perspectief van deze studenten. Vervolgens zijn gesprekken gevoerd met docenten en met de Vereniging Hogescholen (VH), Vereniging Nederlandse Universiteiten (VSNU), OCW, SURF, Inspectie van het Onderwijs en een aantal instellingen. Deze informatie is gebruikt om tot dit visiestuk te komen. Tot slot zijn aanbevelingen gedaan om de huidige docentkwaliteit in het hoger onderwijs te verbeteren.

1

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2015a). De waarde(n) van weten: Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015 – 2025.

Docentkwaliteit | 2016

5


1. Huidige situatie docentkwaliteit In de huidige situatie ziet het ISO, na het voeren van gesprekken met studenten, instellingen en koepelorganisaties, diverse knelpunten omtrent docentkwaliteit, namelijk: - de prestatie- en werkdruk onder docenten is structureel hoog; - de basiskwalificatie verschilt sterk tussen instellingen en is vaak niet verplicht; - continue scholing voor docenten ontbreekt structureel; - bij hogescholen ligt er een eenzijdige nadruk op opleidingsniveau, terwijl de didactische vaardigheden minder aandacht krijgt; - Op universiteiten ligt de focus voornamelijk op onderzoek en is onderwijs nog steeds ondergeschikt. Er zullen dus nog veel stappen gemaakt moeten worden voordat de kwaliteit van docenten optimaal is. 1.1. Docentkwaliteit overschat Voordat de verschillende knelpunten rondom het thema docentkwaliteit verder worden toegelicht, is het van belang om eerst na te gaan of docentkwaliteit op dit moment een probleem is en, als dit zo is, waarom dit probleem betrekkelijk weinig aandacht krijgt. Ten eerste worden de conclusies aan de hand van de Nationale Studenten Enquête (NSE) op een dusdanige manier gepresenteerd dat docentkwaliteit geen struikelblok is voor studenten. Vereniging Hogescholen (VH) reageert bijvoorbeeld als volgt op de uitkomsten van de NSE 2014: ‘Belangrijk is ook de toegenomen waardering van studenten over hun docenten: ruim 57% is daarover (zeer) tevreden‘. Een jaar later geeft de VH aan dat de uitslag van de NSE 2015 over de tevredenheid over docenten stabiel is. Voor het ISO betekent dit dat alsnog de helft van de studenten wél verbeteringen nodig acht op het gebied van docentkwaliteit. 57% tevredenheid kan worden vergeleken met een magere voldoende en daarom acht het ISO dat er verbeteringen nodig zijn en vereist daarom aandacht. Ten tweede blijkt uit de Studentenmonitor van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap blijkt dat 33% van de studenten ontevreden is over hun docenten en 53% over de studiebegeleiding.2 De tevredenheid over zowel docenten als studiebegeleiding is nagenoeg vanaf 2011 elk jaar gedaald op hogescholen en universiteiten.

2

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2015b). StudentenMonitor hoger onderwijs 20012014.

Docentkwaliteit | 2016

6


Afbeelding 1. Tevredenheid over docenten, Ministerie OCW 2015

Afbeelding 2. Tevredenheid over studiebegeleiding, Ministerie OCW 2015

1.2. Prestatie- en werkdruk van docenten Uit diverse onderzoeken blijkt dat de werk- en prestatiedruk van docenten enorm hoog is. Zo vindt volgens de Algemene Onderwijsbond (AOb) ongeveer de helft van de docenten de werkdruk te hoog.3 Ook instellingen, zoals de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen en Universiteit van Amsterdam, ervaren dit als een probleem.4 5 Zo werd er tussen 2004-2014 relatief enorm bezuinigd op personeel in het hoger onderwijs, namelijk 327 miljoen op hogescholen en 929 miljoen op universiteiten.6 Op hogescholen ontstaat de werkdruk door te veel bureaucratie en administratieve lasten. 7 Het ISO vindt het van groot belang dat docenten de tijd krijgen die ze daadwerkelijk nodig achten voor het geven van goed onderwijs, en docenten te ontlasten van administratieve lasten zoals cijfers invoeren. Zij moeten zich richten op het ontwikkelen van de student. Op universiteiten ervaren docenten een hoge druk op het doen van onderzoek doordat ze voldoende en kwalitatief goede publicaties moeten maken. Hierdoor komt de tijd die ze aan onderwijs besteden onder druk te staan en krijgen ze over het algemeen onvoldoende tijd voor het geven en voorbereiden van hun onderwijs.8

3

Algemene onderwijsbond. (2012) Kwaliteits-enquête hbo. Sensor. (2015) Werkdruk en Werkvermogen. 5 Folia. (2015) Woekerende werkdruk teistert UvA-docenten. 6 Tedjawirja, P. (2016). CBS: Decompositie onderwijsuitgaven 2004–2014. 7 Algemene onderwijsbond. (2012) Kwaliteits-enquête hbo. 8 SoFoKles (2016). Verkenning in het WO: Prestatiedruk onder wetenschappelijk personeel. 4

Docentkwaliteit | 2016

7


Ook uit een recente steekproef onder promovendi van Promovendi Netwerk Nederland (PNN) en ISO blijkt dat promovendi meer tijd besteden aan hun onderwijstaken dan dat er daadwerkelijk voor staat. 9 Zo geeft 66% van de ondervraagden aan meer tijd te besteden aan deze taken dan dat er daadwerkelijk voor staat.

Hoelang ben je daadwerkelijk bezig met je onderwijstaken? Ik besteed er veel meer tijd aan

9% 10%

24%

Ik besteed er meer tijd aan Ik besteed evenveel tijd als ik zou moeten

15% 42%

Ik besteed er minder tijd aan Ik besteed veel minder tijd aan dan ik zou moeten

Afbeelding 3. Tevredenheid over opleiden van promovendi voor onderwijstaken (n=219), ISO & PNN, 2016

Daarnaast vindt het ISO het van belang dat docenten ook de tijd krijgen om zichzelf te ontwikkelen. Uit een onderzoek van de Algemene Onderwijsbond blijkt dat twee derde van de docenten te weinig tot onvoldoende tijd of mogelijkheden krijgen voor het bijhouden van vakkennis en het professionaliseren van zichzelf. 10 Er wordt geen prioriteit gegeven aan deze taak terwijl dit van essentieel belang is. Izaak Dekker, docent op de Hogeschool Rotterdam, bevestigt dit door aan te geven dat een goede docent aan veel factoren moet voldoen om effectief les te geven: “Er is een aantal belangrijke kernbegrippen binnen het docentschap. Dat zijn de content (inhoud van het vak), de context (waartoe leid je op), de doelgroep (wie zitten er in je klas) en de didactiek (hoe geef je les). In het hoger onderwijs hebben we te weinig aandacht voor de laatste twee, terwijl die juist een grote impact op de effectiviteit van de les hebben.” - Izaak Dekker, docent op Hogeschool Rotterdam.

9

ISO & PNN (2016). De promovendus als docent. Algemene onderwijsbond (2012). Kwaliteits-enquête hbo.

10

Docentkwaliteit | 2016

8


1.3. Basiskwalificatie voor een docent Een vaak gebruikt voorbeeld dat tekenend is voor het hoger onderwijs, is dat het lesgeven aan kinderen in het primair onderwijs een vierjarige opleiding vereist, terwijl docenten in het hoger onderwijs zonder enige training voor de klas mogen staan. Bij de basiskwalificatie zijn er volgens het ISO diverse problemen, welke hieronder verder uitgewerkt zijn. Geen verplichting De huidige Basiskwalificatie Didactische Bekwaamheid (BDB) op hogescholen en de Basiskwalificatie Onderwijs (BKO) op universiteiten zijn nog niet op alle instellingen verplicht, verschillen van vorm en inhoud per instelling en zijn vaak gericht op cijfermatige waarheden.11 Instellingen faciliteren scholing en coaching, maar slechts een deel van de instellingen stellen het volgen van scholing verplicht. Meestal geldt dit alleen voor nieuw aangenomen docenten. In de meeste instellingen kiezen docenten zelf, in overleg met een coördinator of hun coach, wat het meest passende ontwikkeltraject is. Dat het lastig is om scholing en coaching in te bedden in een cultuur waarin autonome professionals werken, onderschrijft onderwijswetenschapper John Hattie. “De autonomie van de leraar als hoogste goed, dat is wat mij betreft een mythe. Waar ik mee worstel is dat iedere leraar denkt dat hij het recht heeft om les te geven zoals hij dat wil. Ik denk niet dat we dat recht hebben. Zoals ik ook niet denk dat iedere piloot het recht heeft om te vliegen hoe hij wil. Het leraarschap is een vak, niet iets dat je doet op gevoel en routine. Er zijn dingen die we wel en niet zouden moeten doen in de klas.” Interview onderwijswetenschapper John Hattie, Trouw 12-11-15. Invulling De invullingen van de BKO zijn voor instellingen vrijblijvend. Op landelijk niveau zijn er wel een aantal thema’s afgesproken die terug moeten komen in de basiskwalificatie, maar de daadwerkelijke vormgeving van de leeruitkomsten mag de instelling zelf bepalen12. Hierdoor is de basiskwalificatie op elke instelling anders, terwijl het ISO het juist belangrijk vindt dat alle docenten hetzelfde basisniveau hebben. Ook de VSNU ondersteunt dit: “De VSNU is bij de opstart actief bezig geweest met de BKO en de waardering daarvan. De laatste paar jaar heeft dat wat meer bij de instellingen gelegen. Naar aanleiding van de Strategische Agenda is het wel een goed idee om daar ook op sectorniveau weer wat meer aandacht aan te besteden.” – Katinka Eikelenboom, VSNU.

11 12

TUDelta (2013). Vage afspraken over ‘lesbevoegdheid’ universitair docenten. VSNU (2008). Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning basiskwalificatie onderwijs.

Docentkwaliteit | 2016

9


Een voorbeeld van de verschillende invulling van de basiskwalificatie op instellingen is de kennis van docenten over het gebruik van ICT. SURF is middels een onderzoek nagegaan hoe ICT-professionalisering in de BDB op hogescholen, in de BKO op universiteiten en in eventuele aanvullende opleidingstrajecten op dit moment is georganiseerd13: “Kennis over ICT is vaker een regulier onderdeel van een BDB-leergang en vaker een keuzemodule in de BKO leergang. Dit betekent dat er op hogescholen gelijkere basiskennis is dan op universiteiten. Bovendien zien we op universiteiten vaak dat docenten die toch al iets met ICT hebben kiezen voor de keuzemodule, terwijl je juist de andere docenten wil bereiken.”. Promovendi opleiden Op universiteiten begint het docentschap vaak als promovendus/promovenda. Uit een recente steekproef onder promovendi van Promovendi Netwerk Nederland (PNN) en ISO blijkt dat zij niet tot nauwelijks voorbereid worden op het verzorgen van onderwijs.14 Promovendi krijgen over het algemeen alleen maar een korte uitleg of een korte training. Zo heeft 34,2% van de gevallen geen voorbereidende trainingen gehad en was 38,4% van de promovendi ‘lichtelijk’ tot ‘niet tevreden’ over de kwaliteit van de trainingen.

Hoe tevreden ben je over de kwaliteit van de scholing die je hebt gekregen voor het geven van onderwijs? 4,1% Geheel niet tevreden 15,5%

11,4%

5,5%

Niet tevreden Neutraal

17,4%

34,2%

Tevreden Geheel tevreden

11,9% Ik heb geen voorbereiding gehad. Afbeelding 3. Tevredenheid over opleiden van promovendi voor onderwijstaken (n=219), ISO & PNN, 2016

13 14

SURF (2015). Rapport inventarisatie ict-docentprofessionalisering. ISO & PNN (2016). De promovendus als docent.

Docentkwaliteit | 2016

10


Ook geven promovendi aan dat op het moment dat ze lesgeven, ze weinig tot geen begeleiding krijgen vanuit een ervaren docent. Zo is 56,1% van de ondervraagden ontevreden over de begeleiding en ondersteuning bij het geven van onderwijs

Ben je tevreden over de begeleiding tijdens het geven van onderwijs? 2,1% 7,7% 34,1%

Ja Nee Neutraal

56,1%

Niet van toepassing

Afbeelding 4. Tevredenheid over begeleiding van promovendi bij onderwijstaken (n=248), ISO & PNN, 2016

Promovendi geven juist aan dat ze vooral behoefte hebben aan een goede inhoudelijke cursus, waarin ze didactische en pedagogische vaardigheden aangeleerd krijgen. Daarnaast hebben ze ook behoefte aan goede begeleiding ‘on the job’, dus begeleiding of een training wanneer ze lesgeven. Zo willen ze peer feedback en begeleiding vanuit een ervaren docent. Het blijkt dat promovendi over het algemeen niet tevreden zijn over de ondersteuning die ze krijgen tijdens het geven van onderwijs. 1.4. Continue scholing Naast het scholen van docenten aan het begin van de carrière moeten docenten zich ook continu blijven ontwikkelen. Op het moment dat een docent eenmaal een bevoegdheid heeft gehaald, is er op dit moment nauwelijks sprake van bijscholing. Het onderwijs verandert echter constant en er komen steeds nieuwe innovaties die de onderwijskwaliteit verbeteren. Het is van belang dat docenten deze innovaties en veranderingen kennen en blijvend aansluiten bij vernieuwingen binnen het onderwijs. Theo Wubbels, onderwijsdeskundige aan de Universiteit Utrecht stelt dat het scholen van docenten anders moet worden ingericht: “De didactiek van de gemiddelde universitair docent kan beter. Heel weinig docenten denken over het onderwijs vanuit het perspectief van het aansturen van leerhandelingen. Docenten denken veelal: ‘wat ga ik behandelen en welke toetsen neem ik af om te kijken of studenten het begrepen hebben?’. Wat ze zich zouden moeten afvragen is ‘wat moeten mijn studenten aan het eind kunnen en wat moet ik ze laten doen opdat ze dat aan het eind ook inderdaad geleerd hebben?” - Theo Wubbels, onderwijsdeskundige aan de Universiteit Utrecht.

Docentkwaliteit | 2016

11


In lijn met een meer continue vorm van scholing, ligt het lerarenregister. Het lerarenregister is een middel om leraren verplicht te stellen hun bekwaamheid aantoonbaar te onderhouden, omdat zij anders niet langer in het register worden opgenomen en daarmee niet meer in het onderwijs ingezet kunnen worden. In het primair en voortgezet onderwijs bestaat dit register al. Het lerarenregister wordt onderschreven door onder andere de onderwijsraad en de VO-raad als een goed middel om professionalisering te stimuleren. Echter hebben zij nog wel kritiek op de manier waarop dit gebeurt. 1516 In het hoger onderwijs bestaat een dergelijk register niet. Hierdoor is er op dit moment geen enkele stimulans voor docenten om zich verder te professionaliseren. Het ISO vindt dat deze stimulans ook in het hoger onderwijs gecreĂŤerd moet worden, waarbij er wel landelijke afspraken worden gemaakt. Het is hierbij van belang dat docenten zich onderdeel van het middel voelen. Om continue scholing verder te bewerkstelligen zal er ook meer kennis gedeeld moeten worden onder docenten. Er is al veel kennis binnen instellingen en er zijn veel voorbeelden van goede docenten. Dit blijkt ook uit de landelijke Docent van het Jaar verkiezing die jaarlijks door het ISO wordt georganiseerd.17 Er is echter nog geen plek waar docenten op landelijk niveau hun kennis op een structurele manier kunnen delen. 1.5. Problemen op hogescholen In vergelijking tot universiteiten is er weinig aandacht voor het maken van landelijke afspraken op het gebied van docentkwaliteit. Waar op universiteiten het begrip BKO bekend is en zelfs voor 80% van de docenten op universiteiten verplicht is, is er weinig bekendheid van een soortgelijk traject op hogescholen. Het eerste en belangrijkste verbeterpunt op hogescholen is daarom om de bekendheid en de toepassing van de BDB te vergroten en in te bedden op elke instelling. Op de meeste hogescholen worden docenten tijdens het aannemen onder andere beoordeeld op het hebben of willen behalen van een mastergraad. Hierdoor wordt op dit moment de kwaliteit van een docent vooral bepaald door het opleidingsniveau.18 Er zijn echter ook uitstekende docenten, bijvoorbeeld vanuit de beroepspraktijk, zonder een mastergraad. Dit zou volgens het ISO meer gewaardeerd moeten worden en voor deze docenten zou er makkelijker een plek moeten zijn binnen hogescholen.

15

Onderwijsraad (2015b). Wetsvoorstel Lerarenregister. VO-Raad (2015). VO-Raad kritisch op wetsvoorstel lerarenregister. 17 ISO (2016). Docent van het jaar verkiezing. 18 Algemene Onderwijsbond (2014b). Hbo zucht onder masterstress: docent zonder titel belandt op dood spoor. 16

Docentkwaliteit | 2016

12


Bovendien is er geen wetenschappelijk bewijs of een mastertitel leidt tot een stijging van de onderwijskwaliteit. 19 Dit terwijl hogescholen op deze manier wel de onderwijskwaliteit proberen te verbeteren.20 Kees Boele, College van Bestuur van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, bevestigt dat voor studenten andere factoren tot kwalitatief goed onderwijs leiden: “Onderwijs moet uiteindelijk gericht zijn op het verwerven van praktische wijsheid, maar op dit moment is dat onvoldoende zo. We moeten terug naar waar het onderwijs ten diepste om draait. Op onze hogeschool worden door de studentengeleding van de medezeggenschapsraad vier succesfactoren genoemd van goed onderwijs: een opleiding met een sterk opleidingsprofiel, leidinggevenden met passie voor onderwijs, student- in plaats van docent-gedreven onderwijs en het serieus nemen van de onderwijsevaluaties” - Kees Boele, College van Bestuur van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Ook is het van belang dat docenten die een mastergraad willen halen hiervoor gefaciliteerd worden. Het is een intensieve periode voor deze docenten, waarbij het van belang is dat zij voldoende tijd en ruimte krijgen om een mastergraad te behalen. Dit is vanwege werkdruk nu nog niet altijd het geval. 1.6. Problemen op universiteiten In de notitie van Goudsteen (2015) ‘Meer geluk dan wijsheid - De kwaliteit van topdocenten aan onze universiteiten’ functioneert naar eigen schatting van topdocenten 30 procent van de universitaire docenten slecht. 21 Volgens Goudsteen wordt daar vrijwel niets mee gedaan. In het onderzoek Improving university lectures with feedback and consultation van Knol (2015) is beschreven hoe universitaire docenten leren.22 Ook zij stelt dat het functioneren verbeterd kan worden door het opleiden van docenten anders in te richten: “Om te kunnen excelleren in onderzoek worden universitaire docenten circa vier jaar opgeleid in de vorm van promotieonderzoek. Tegelijkertijd is de didactische scholing van universitaire docenten zeer beperkt. De BKO is een goede eerste stap, maar daaromheen en op de werkvloer is nog een wereld te winnen. Universitaire docenten leren het vak voornamelijk in de praktijk, met vallen en opstaan, vaak met weinig middelen en in isolatie.” - Mariska Knol, onderwijskundige aan de Universiteit van Amsterdam.

19

Algemene Onderwijsbond (2014c). Studenten presteren niet beter met een master voor de klas. Algemene Onderwijsbond (2014a). Dossier Flexwerk: ‘Hogescholen verhogen docentkwaliteit alleen op papier’. 21 Goudsteen (2015). Meer geluk dan wijsheid - De kwaliteit van topdocenten aan onze universiteiten. 22 Knol, M (2015). Improving university lectures with feedback and consultation. 20

Docentkwaliteit | 2016

13


Daarnaast blijkt uit onderzoek naar docentprofessionaliteit in het Nederlandse hoger onderwijs dat universiteiten de BKO zien als beleidsinstrument met betrekking tot de onderwijskwaliteit. Docenten zijn de dragers van de onderwijskwaliteit en voor de omschrijving van hun kwaliteit verwijzen instellingen naar de BKO.23 Hieruit blijkt dat de BKO wordt gezien als iets dat gehaald moet worden, waardoor het minder over de kwaliteit van de BKO gaat. In de vastgelegde prestatieafspraken tussen het ministerie van OCW en de VSNU is de kwaliteit van docenten, uitgedrukt in percentage docenten met een BKO, één van de indicatoren van de kwaliteit van onderwijs.24 Hierdoor ontstaat een cultuur van kwantiteit en niet van kwaliteit. Er moet niet alleen gefocust worden op de hoeveelheid docenten met een BKO, maar ook op de kwaliteit. Op de universiteiten ligt op dit moment de nadruk vooral op onderzoek. Docenten op universiteiten spreken vaak van ‘onderwijslast’ en ‘onderzoeksruimte’. 25 De oorzaak hiervan is dat er nationale en internationale erkenning is voor onderzoek, maar niet voor onderwijstaken. Ook de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erkent dit probleem. Zo zei ze bij de Docent van het Jaar verkiezingen 2016: “Goed onderwijs is de onbetwiste prioriteit. Nog te vaak wordt gedaan alsof meer aandacht van onderwijs, een ontkenning is van het belang van onderzoek.” – Jet Bussemaker, Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Jan-Anthonie Bruijn, senator Eerste Kamer, erkent ook dit probleem en geeft al sinds zijn oratie van 30 januari 1998 aan dat het geven onderwijs gezien moet worden als iets belangrijks: “We moeten toewerken naar een situatie waarin in HO-Nederland tenminste een enkele medewerker rondloopt die zegt: ik was niet zo goed in onderwijs, dus ben ik maar onderzoek gaan doen.”- Jan-Anthonie Bruijn, senator VVD en hoogleraar aan de Universiteit van Leiden. Dit komt ook tot uitdrukking in financiële middelen en status. Het gevolg hiervan is dat er binnen universiteiten geen nadruk wordt gelegd op onderwijs. Uit het onderzoek van het Rathenau Instituut blijkt dat slechts vier procent van de ondervraagde docenten aan de universiteit ‘het geven van onderwijs’ als het belangrijkste doel ziet.26 Ook de meest belangrijke prestatie-indicatoren bij functiebeoordelingen blijken gerelateerd aan publicaties en aan het verwerven van (onderzoeks)financiering.

23

Alst, J. van, Jong, R. de, & Keulen, H. van (2009). Docentprofessionaliteit in het Nederlandse hoger onderwijs. Naar een professionele infrastructuur als voorwaarde voor studiesucces. 24 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap & VSNU (2011). Hoofdlijnenakkoord OCW – VSNU. 25 Goudsteen (2015). Meer geluk dan wijsheid - De kwaliteit van topdocenten aan onze universiteiten. 26 Rathenau Instituut (2014). Feiten & cijfers - drijfveren van onderzoekers.

Docentkwaliteit | 2016

14


2. Studentenperspectief op docentkwaliteit Naast de status van docentkwaliteit binnen de huidige situatie is het ISO op zoek gegaan naar wat studenten belangrijk vinden bij docentkwaliteit. Hierbij zijn er focusgesprekken gevoerd met studenten uit de medezeggenschapsraden van hogescholen en universiteiten. Middels een online open vragenlijst zijn aan studenten van decentrale medezeggenschapsraden gevraagd wat studenten belangrijk vinden bij een goede docent. In dit hoofdstuk is beschreven wat de belangrijkste punten voor studenten waren. Volgens Annelies Bon, bij de Inspectie van Onderwijsinspectie, is er behoefte aan de mening van studenten: “Docentkwaliteit en professionalisering staan steeds vaker op de politieke en bestuurlijke agenda’s. Het is belangrijk dat docenten en studenten meepraten.“ – Annelies Bon, inspecteur-generaal bij de Inspectie van het Onderwijs. 2.1. Algemeen De volgende punten vinden de ondervraagde studenten belangrijk bij een docent: Inspireren en passie Volgens de studenten die zijn gesproken moet een docent inspireren en passie hebben voor het vak. Als docenten voorbeelden aanhalen uit eigen praktijk en dit met passie overbrengen zullen studenten sneller de kennis en vaardigheden tot zich nemen. Een belangrijk onderdeel is het enthousiasme en plezier dat een docent heeft in zijn werk. Didactiek goed toepassen Didactische vaardigheden van docenten is de manier waarop een docent lesgeeft, waarbij de juiste methodes worden gebruikt. Die methodes moeten aansluiten bij de informatie die geleerd moet worden aan de studenten. Volgens de bevraagde studenten is de juiste didactiek van groot belang. Zij geven aan: “colleges moeten iets nieuws toevoegen ten opzichte van het boek”. Beheersing van didactische vaardigheden zorgen ervoor dat het aansprekend en begrijpelijk is voor studenten. Studenten van hogescholen voegen daaraan toe dat het beheersen van didactische vaardigheden belangrijker is dan het hebben van een mastergraad. Er is bovendien ook geen wetenschappelijk bewijs dat studenten beter presteren of dat de docentkwaliteit stijgt wanneer een docent met een mastergraad voor de klas staat in het hbo.27 Het is ten slotte ook van belang dat er aandacht is voor de ontwikkeling van de individuele student. Elke student heeft namelijk zijn/haar eigen leerstijl en docenten zullen zich flexibel moeten opstellen naar de verschillende manieren waarop studenten (willen) leren. Niet elke student vindt een hoorcollege een prettige manier om te leren.28

27 28

Algemene Onderwijsbond (2014c). Studenten presteren niet beter met een master voor de klas Interstedelijk Studenten Overleg (2015a). Studeren op maat.

Docentkwaliteit | 2016

15


Begrip en betrokkenheid Studenten vinden het belangrijk dat docenten begrip hebben en betrokken zijn bij de situatie van de student. Wanneer een docent bijvoorbeeld inzicht heeft in het kennisniveau en de leefwereld van studenten kan het onderwijs daar beter op afgestemd worden, zodat studenten meer en effectiever kunnen leren. Betrokkenheid bij studenten wordt zowel door studenten aan hogescholen als aan universiteiten vaak genoemd als een belangrijk onderdeel van docentkwaliteit. Begeleiding en communicatie Studenten vinden het daarop aansluitend belangrijk dat docenten hen goede begeleiding bieden. Dit betekent dat er voldoende ruimte is voor de individuele student en dat er naar hen wordt geluisterd. Dit kan gedaan worden door één-op-één contact met de student. Wanneer flexibilisering een grotere rol gaat spelen in het hoger onderwijs zal dit extra van belang zijn aangezien studenten meer keuze vrijheid krijgen. Daarnaast is een kwalitatief goede docent helder, duidelijk en eerlijk in de communicatie. Docenten moeten studenten duidelijk en tijdig informeren over bijvoorbeeld het nakijken van toetsen en over wat er van hen wordt verwacht. Feedback van student aan docent Studenten vinden het belangrijk dat docenten open staan om te leren en om zich verder te ontwikkelen. Zo vinden studenten dat een goede docent om feedback vraagt aan studenten. Hierbij vinden studenten het van belang dat dit niet alleen aan het einde van een vak wordt gedaan, maar ook tijdens het vak zodat deze studenten baat hebben bij de feedback die ze hebben gegeven. Wanneer studenten meer betrokken worden doordat hen om feedback gevraagd wordt, bevordert dat ook het gevoel bij studenten onderdeel te zijn van een leergemeenschap. 29 Volgens het rapport ‘Kwaliteit in het hoger onderwijs’ van de Onderwijsraad (2015) bevorderen leergemeenschappen de motivatie van studenten om te leren. Volgens de studenten die we hebben gesproken moeten docenten onderling meer contact met elkaar hebben. Ten eerste om ervoor te zorgen dat docenten feedback van collega’s krijgen, van elkaar leren en de colleges nog beter worden. Ten tweede omdat het contact tussen docenten van belang is om een betere afstemming te creëren. Op deze manier sluiten de verschillende vakken beter op elkaar aan. Feedback geven Het kunnen geven van feedback aan studenten is een heel belangrijk onderdeel van onderwijzen. Met name feedback die gekoppeld is aan formatieve toetsing is bevorderlijk voor het leren van studenten.30 Formatieve toetsing geeft, in tegenstelling tot summatieve toetsing, studenten meer en op continue basis feedback op hun leerproces. Bij summatieve toetsing ontvangen studenten vaak alleen feedback op een

29 30

Onderwijsraad (2015a). Kwaliteit in het hoger onderwijs – evenwicht in ruimte, regels en rekenschap. Interstedelijk Studenten Overleg (2015). Toetsing en feedback.

Docentkwaliteit | 2016

16


toets in de vorm van een cijfer. Formatieve voortgangstoetsen en tussentijdse toetsen zijn een goede ontwikkeling om gedurende het vak studenten van feedback te voorzien. Er ontstaat een continu proces waarbij studenten constant respons van docenten krijgen op het handelen. Studenten geven aan dat dit verbeterd kan worden. Afwisseling Studenten vinden afwisseling van docenten erg belangrijk. Gastcolleges zijn een grote meerwaarde voor het onderwijs. Daarnaast sluiten verschillende soorten docenten aan bij de diverse type studenten die onderwijs volgen. Studentassistenten kunnen volgens studenten ook helpen om afwisseling te creĂŤren. Daarnaast kunnen studentenassistenten zich goed inleven in de student. Ervaringen met studentassistenten zijn echter wisselend. Studentassistenten die ingezet worden als ondersteuning van de docent worden door studenten vaak als positief beoordeeld. Wanneer studentassistenten echter als vervanging van een docent een werkgroep verzorgen, zijn studenten ontevreden. Deze studenten hebben namelijk niet de didactiek, kennis en ervaring waar studenten behoefte aan hebben tijdens een werkgroep. Engelse spreekvaardigheid Een veel genoemd kritiekpunt over huidige docenten in het hoger onderwijs is hun beheersing van de Engelse taal. De spreekvaardigheid is volgens studenten erg belangrijk. Al jaren eisen zowel studenten als instanties zoals de Onderwijsraad betere beheersing van de Engelse taal.31 Tot op heden zijn studenten nog steeds niet tevreden over de beheersing van de Engelse taal door docenten. Innovatief Volgens de studenten die we hebben gesproken is het van belang dat docenten vernieuwend en innovatief zijn in de manier waarop ze hun onderwijs vormgeven. Uit een rapport van SURF blijkt dat het van belang is dat docenten allemaal over basiskennis beschikken met betrekking tot het gebruik van technische en digitale hulpmiddelen die beschikbaar zijn. 32 Studenten hebben een duidelijke behoefte om plaats- en tijd onafhankelijk te leren waardoor docenten ook moeten weten hoe ze dit kunnen toepassen binnen hun onderwijs. 33 Er zijn volgens het rapport van SURF nu vaak geen eindcompetenties geformuleerd met betrekking tot het gebruik van ICT in het onderwijs. Dat is wel wenselijk omdat het formuleren van eindtermen ervoor zorgt dat er meer gelijkheid komt in de vaardigheden van docenten. Instellingen dragen zelf verantwoordelijkheid dat hun docenten vaardig zijn met de software die op die instelling wordt gebruikt.

31

Onderwijsraad (2011). Weloverwogen gebruik van Engels in het hoger onderwijs. SURF (2016). Rapport inventariserend onderzoek docentondersteuning. 33 Interstedelijk Studenten Overleg (2015a). Studeren op maat. 32

Docentkwaliteit | 2016

17


2.2. Hogescholen Op hogescholen geldt dat studenten het belangrijk vinden dat een docent ervaring heeft in het werkveld. Het opdoen van nieuwe praktijkervaring door docenten vinden studenten die bevraagd zijn voor dit visiestuk waardevol. De Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie (AWTI) adviseert dit ook als belangrijk aspect aan docenten op hogescholen.34 Naast aandacht voor praktijkervaring van docenten, vinden de bevraagde studenten op hogescholen het ook belangrijk om onderwezen te worden door docenten met goede onderwijs- en onderzoeksvaardigheden. Op hogescholen heerst ontevredenheid over de begeleiding door docenten bij het schrijven van de scriptie. Kortom, hogescholen moeten aandacht hebben voor onderwijs, onderzoek en praktijk. Idealiter zou elke docent deze drie aspecten goed beheersen, maar het is ten minste van belang dat docenten elkaar kunnen aanvullen op deze aspecten. 2.3. Universiteiten Studenten geven aan dat het van belang is dat er een goed evenwicht is tussen onderwijs en onderzoek, waarbij ze ook daadwerkelijk goed onderwijs krijgen in het onderzoeksmatig handelen. In het rapport Verwevenheid van onderzoek en onderwijs van de Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie (AWTI) wordt beschreven dat alle studenten onderzoeksvermogen nodig hebben, maar dat zij niet allemaal opgeleid worden tot onderzoeker.35 Opleidingsinstituten hebben volgens dit onderzoek de taak te bepalen wat de algemene onderzoekscomponent van elke bacheloropleiding moet omvatten. Mede vanuit de vraag naar 21st century skills en de ontwikkeling naar bredere bachelor-opleidingen, dat slechts voor bepaalde studenten van belang is. Als er meer balans is tussen onderzoek en onderwijs zorgen universiteiten ervoor dat studenten hun academische en praktische vaardigheden ontwikkelen.

34 35

AWTI (2015a). MKB en Hogescholen. AWTI (2016b). Verwevenheid van hoger onderwijs en onderzoek.

Docentkwaliteit | 2016

18


3. Aanbevelingen In de Strategische Agenda van Hoger Onderwijs: ‘De waarde(n) van weten’ vraagt de minister met betrekking tot docentverbetering aandacht voor meer waardering voor het onderwijs, permanente professionalisering van docenten en onderwijsleiders en aandacht voor diversiteit in het personeelsbestand.36 De vraag is echter op welke manier dit wordt gerealiseerd en welke rol instellingen en de overheid hebben. In dit hoofdstuk worden eerste algemene aanbevelingen gedaan om docentkwaliteit te verbeteren. Daarna worden er aanbevelingen gedaan, gericht op het verbeteren van docentkwaliteit op hogescholen en universiteiten. 3.1. Algemeen Zoals eerder aangegeven vindt het ISO het van belang dat alle docenten een basiskwalificatie hebben en zich blijven professionaliseren. Monitoring docentkwaliteit Het ISO heeft gemerkt dat er weinig gegevens bestaan over de huidige kwaliteit van docenten. In vergelijking met het studiegedrag van studenten wordt het thema docentkwaliteit nog onvoldoende gemonitord. Het ISO vindt het van belang dat docentkwaliteit structureel wordt gemonitord om op deze manier specifieke verbeteringen te ontdekken en tot actiepunten te komen. Didactische basisvaardigheden Een vaak gebruikt voorbeeld dat tekenend is voor het hoger onderwijs: het lesgeven aan kinderen in het primair onderwijs vereist een vierjarige opleiding terwijl docenten in het hoger onderwijs zonder enige training college mogen geven. De huidige basiskwalificatie trajecten zijn niet verplicht en verschillen per instelling. Daarom doet het ISO de volgende aanbevelingen: 

Er moeten landelijke kaders komen over wat een beginnend docent moet kunnen en kennen. In deze kaders worden de leeruitkomsten die een docent moet behalen vastgelegd, zodat elke docent in het hoger onderwijs over dezelfde basisvaardigheden beheerst. Om dit te bereiken moet er dus worden geïnvesteerd in een landelijk eenduidig BKO/BDB traject. Dit wordt gezamenlijk opgesteld met alle verschillende stakeholders binnen het Hoger Onderwijs.

Het behalen van een basiskwalificatie moet voor iedere docent verplicht worden.

36

Ministerie van OCW (2015a). De waarde(n) van weten: Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015 - 2025.

Docentkwaliteit | 2016

19


Promovendi en tijdelijke docenten moeten een minimale training krijgen voordat ze zelfstandig les mogen geven. Daarnaast moeten zij worden begeleid in het geven van onderwijs zoals dit ook met onderzoek wordt gedaan.

Binnen de BKO en BDB is het van belang dat er meer aandacht wordt besteed aan het lesgeven in het Engels en het gebruikmaken van ICT binnen het onderwijs.

Docentprofessionalisering Het ISO ziet het als een verplichting voor de instelling om te investeren in het continu ontwikkelen van docenten. Als deel van de bestedingsrichting in ‘docenten’, zoals benoemd in de Strategische Agenda, zou een deel moeten worden geïnvesteerd in het opzetten van professionaliseringstrajecten. Hierdoor krijgen docenten de tijd en de middelen om zich verder te ontwikkelen. Om dit te bereiken ziet het ISO de volgende kansen: 

Voor docenten moet de basiskwalificatie worden gezien als startpunt van docentprofessionalisering en niet als eindpunt. Het ISO vindt het van belang dat het blijven ontwikkelen een vast onderdeel wordt voor docenten om zo het gebruik van innovaties in het onderwijs te stimuleren. Hier zijn landelijke afspraken voor nodig zodat docenten zich jaarlijks blijven scholen.

Om dit te bereiken moet er een vergroot en transparant trainingsaanbod zijn om de continue scholing van docenten te faciliteren. Het moet duidelijker worden welke kennis en expertise er is en waar docenten deze kunnen vinden. Hierbij zijn de volgende punten van belang: o Universiteiten en hogescholen moeten ervoor openstaan om kennis en expertise te delen met docenten van andere universiteiten en hogescholen; o Er zal tijd en ruimte gecreëerd moeten worden binnen het takenpakket van docenten om zich te kunnen professionaliseren, zodat docenten de kans krijgen zich verder te ontwikkelen; o Er zal binnen instellingen meer gebruik gemaakt moeten worden van onderwijskundige leiderschap om zo vernieuwing en continue scholing te stimuleren; o Als laatste is het van belang dat er een community ontstaat waar alle docenten de mogelijkheid krijgen om hun kennis en ervaring te delen. Hiervoor kan gedacht worden aan een landelijke digitale community waar kennis, ervaring en lesmateriaal wordt gedeeld. Dit kan een uitgebreide variant worden van het open en online delen van lesmateriaal, zoals in de strategische agenda van hoger onderwijs staat vermeld.

Docentkwaliteit | 2016

20


3.2. Hogescholen Het investeren in docentprofessionalisering wordt door alle studenten in het hoger onderwijs genoemd als belangrijk aspect van een verbetering van docentkwaliteit. Op hogescholen wordt de ontwikkeling van docenten door studenten gespecificeerd in twee punten van aandacht: 

Op hogescholen is het van belang meer bekendheid te genereren en gebruik te maken van de BDB. Zoals eerder aangegeven zal elke docent een basiskwalificatie moeten behalen.

Praktijkervaring wordt genoemd als belangrijke voorwaarde voor een kwalitatief goede docent. Het hebben van een mastergraad vinden studenten daarin van ondergeschikt belang. Het ISO vindt dat de mastergraad minder zwaar moet meewegen bij het aannemen van een docent. De kwaliteit van de docent moet voorop staan.

3.3. Universiteiten De balans tussen onderwijs en onderzoek kan en moet volgens het ISO beter. Er zal meer aandacht moeten worden besteed aan onderwijstaken en docentkwaliteit. Het ISO wil dat de onderwijscarrière op de universiteit extra wordt gestimuleerd. Hierbij gaat het er niet om dat onderzoek verdwijnt binnen de werkzaamheden van een medewerker op de universiteit, maar dat juist onderwijs een groter aandeel kan krijgen. Hierbij doet het ISO de volgende aanbevelingen: 

Er moet volgens het ISO een financiële prikkel en nationale erkenning komen voor docentschap. Bij het bepalen van de hoogte van de schaal zal de kwaliteit van lesgeven een even belangrijke rol moeten spelen als onderzoek. Meer universitaire medewerkers worden op die manier aangemoedigd zich meer te richten op het docentschap, waarbij de nadruk voor hen wellicht minder zal liggen op onderzoek. Dit kan daarnaast ook gestimuleerd worden door de mogelijkheden van een ‘onderwijspromotie’ te verkennen. Op die manier wordt binnen een promotietraject gezorgd dat er naast onderzoek ook aandacht is voor didactiek, onderwijswetenschap en onderwijskundig leiderschap.

In het HR-beleid is er meer aandacht nodig voor de rol van de docent binnen universiteiten. Bij de beoordeling van medewerkers is meer aandacht nodig voor de kwaliteit en ontwikkeling van onderwijstaken, zoals dat nu ook voor de kwaliteit van onderzoek gebeurt.

Docentkwaliteit | 2016

21


Referenties Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie (2015a). MKB en hogescholen - Partners in innovatie. Den Haag: Quantes. Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie (2015b). Verwevenheid van onderzoek en hoger onderwijs - Eenheid in verscheidenheid. Den Haag: Quantes Algemene onderwijsbond. (2012). Kwaliteits-enquête hbo. Utrecht: Algemene onderwijsbond. Algemene Onderwijsbond (2014a). Dossier Flexwerk: ‘Hogescholen verhogen docentkwaliteit alleen op papier’. Geraadpleegd via http://www.hogeronderwijs.nu/2014/03/dossier-flexwerk-master-kantklossen-hadgehad-was-nog-hbo-docent/ Algemene Onderwijsbond (2014b). Hbo zucht onder masterstress: docent zonder titel belandt op dood spoor. Geraadpleegd via: http://www.aob.nl/default.aspx?id=272&article=10601&q=onderzoek&m= Algemene Onderwijsbond (2014c). Studenten presteren niet beter met een master voor de klas. Geraadpleegd via: http://www.hogeronderwijs.nu/2014/11/studentenpresteren-niet-beter-met-een-master-voor-de-klas/ Alst, J. van, Jong, R. de, & Keulen, H. van (2009). Docentprofessionaliteit in het Nederlandse hoger onderwijs. Naar een professionele infrastructuur als voorwaarde voor studiesucces. Nijmegen: VSNU. Boele, C.P. (2016) Onderwijsheid: Terug naar waar het echt om gaat. (derde druk) Zoetermeer: Klement, DUB (2016). Scepsis over extra docenten aan universiteiten. Geraadpleegd via: http:// www.dub.uu.nl/artikel/nieuws/scepsis-extra-docenten-universiteiten.html Folia. (2015) Woekerende werkdruk teistert UvA-docenten. Geraadpleegd via http://www.folia.nl/opinie/95882/woekerende-werkdruk-teistert-uva-docenten. Goudsteen & Company (2015). Meer geluk dan wijsheid. De kwaliteit van onze topdocenten aan onze universiteiten. Zwolle: Goudsteen & Company. Interstedelijk Studenten Overleg (2015a). Studeren op maat. Utrecht: ISO Interstedelijk Studenten Overleg (2015b). Toetsing en Feedback. Utrecht: ISO Interstedelijk Studenten Overleg (2016). Docent van het jaar verkiezing. Geraadpleegd via http://www.iso.nl/docentvanhetjaar/

Docentkwaliteit | 2016

22


Interstedelijk Studenten Overleg & Promovendi Netwerk Nederland (2016). De promovendus als docent. Knol, M. H. (2013). Improving university lectures with feedback and consultation. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2015a). De waarde(n) van weten: Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015 – 2025. Den Haag: OCW. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2015b). StudentenMonitor hoger onderwijs 2001-2014. Den Haag: OCW. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en VSNU (2011). Hoofdlijnenakkoord OCW – VSNU. Den Haag: VSNU. Onderwijsraad (2011). Weloverwogen gebruik van Engels in het hoger onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad. Onderwijsraad (2015a). Kwaliteit in het hoger onderwijs – evenwicht in ruimte, regels en rekenschap. Den Haag: Onderwijsraad. Onderwijsraad (2015b). Wetsvoorstel lerarenregister. Den Haag: Onderwijsraad. Rathenau Instituut (2014). Feiten & cijfers - drijfveren van onderzoekers. Den Haag: Rathenau Instituut Sensor. (2015) Werkdruk en Werkvermogen. Geraadpleegd via: http://www.sensormagazine.nl/nl/magazine/?action=download&item_id=2150 SoFoKles (2016). Verkenning in het WO: Prestatiedruk onder wetenschappelijk personeel. Den Haag: Stichting SoFoKleS SURF (2015). Van docentprofessionalisering naar onderwijsontwikkeling inventarisatie van de status quo van ICT-docentprofessionalisering. Utrecht: SURF. SURF (2016). Rapport inventariserend onderzoek docentprofessionalisering ondersteuning online leren. Utrecht: SURF. Tedjawirja, P. (2016). CBS: Decompositie onderwijsuitgaven 2004–2014. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek VO-Raad (2015). VO-Raad kritisch op wetsvoorstel lerarenregister. Geraadpleegd via http://www.vo-raad.nl/themas/professionalisering-docenten/voraad-kritisch-op-wetsvoorstel-lerarenregister. VSNU (2008). Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning basiskwalificatie onderwijs. Den Haag: VSNU.

Docentkwaliteit | 2016

23


Geraadpleegde personen Naast literatuurbronnen zijn de volgende mensen gehoord in hun visie over docentkwaliteit:          

Studenten van hogescholen en universiteiten uit de achterban van het ISO Katinka Eikelboom, VSNU Christiaan van den Berg, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Annelies Bon, Inspectie van het Onderwijs Christine Bok, SURF Jan-Anthonie Bruijn, senaat VVD en hoogleraar aan de Universiteit van Leiden Kees Boele, College van Bestuur van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen Izaak Dekker, docent aan de Hogeschool Rotterdam Mariska Knol, onderwijskundige aan de Universiteit van Amsterdam Theo Wubbels, onderwijskundige aan de Universiteit Utrecht

Docentkwaliteit | 2016

24


Auteurs Lisanne van Kessel Simon Theeuwes Ontwerp Jasper Sonderen Over ISO Het Interstedelijk Studenten Overleg is de grootste landelijke studentenorganisatie en behartigt de belangen van studenten uit het hoger onderwijs. Bij het ISO zijn 35 (aspirant) lidorganisaties en acht convenantpartners aangesloten, die samen ruim 688.000 studenten vertegenwoordigen. Het ISO is vaste gesprekspartner van onder andere het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de politieke partijen en de koepels van universiteiten en hogescholen.

Profile for Interstedelijk Studenten Overleg

Docentkwaliteit goed onderwijs begint bij de docent  

Het studentperspectief op docentkwaliteit

Docentkwaliteit goed onderwijs begint bij de docent  

Het studentperspectief op docentkwaliteit

Advertisement

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded