Issuu on Google+

SPEERPUNT ZORG EN TECHNOLOGIE

BLIJVEN LOPEN NA EEN BEROERTE FEEDBACK OP HET NACHTKASTJE 1


COLOFON

In deze reeks zijn eerder verschenen:

Onderzoek: dr. Anita Cremers, ir. Fred Montijn,

• Zichtbaar beter inrichten, door M. Sinoo.

Michiel Punt Msc, dr. Harriët Wittink en

ISBN 978-90-8928-058-9

ir. Marieke Zielhuis

• Co-design: samen de technologie in de zorg

Tekstbewerking: drs. Jolanda Keesom, Arnhem

verbeteren, door R. van der Lugt,

Redactie: drs. Jurgen Mollema en

F. Verhoeven en A. Cremers.

drs. Maaike Smole

ISBN 978-90-8928-061-9

Vormgeving: Studio Vrijdag

• De maatschappelijke business case:

ISBN/EAN: 978-90-8928-0732

toegevoegde waarde voor zorgtechnolo­

NUR: 954

gische innovaties, door E. Huisman en G. Lanting. ISBN 978-90-8928-062-6

Dit is de zesde publicatie in een serie van het Speerpunt Zorg en Technologie. Meer informatie: SpeerpuntZenT@hu.nl, www.zent.hu.nl

• Beeldzorg bevorderen: een kwestie van

ervaring opdoen, door T. van Houwelingen en A. Barakat. ISBN 978-90-8928-0664 • TASTE: het succes van zelfmanagement

ontrafelen, door dr. J. Trappenburg. ISNB 978-90-8928-071-8.


INHOUD

04

BLIJVEN LOPEN NA EEN BEROERTE

06

HET METEN VAN LOOPACTIVITEIT

08

MOTIVERENDE FEEDBACK

10

CO-DESIGN MET FYSIOTHERAPEUTEN EN PATIテ起TEN

14

TELEMETRIESYSTEEM MET MOTIVEREND SCHERM

17

NIEUWE DOELEN

18

LITERATUUR


BLIJVEN LOPEN NA EEN BEROERTE Kan een vorm van telerevalidatie voorkomen dat mensen na een beroerte in de

thuissituatie te weinig lopen en daardoor in een negatieve spiraal terechtkomen?

En zo ja, hoe dan? Die vragen stonden centraal bij het ontwikkelen van een activiteitenmonitor met een feedbacksysteem voor de patiÍnt zelf en voor de fysiotherapeut op afstand. De lectoraten Leefstijl en Gezondheid, Co-Design en Microsysteemtechno­ logie hebben hieraan samengewerkt in het kader van het internationale SUSTAIN-

project. De eerste reacties van de gebruikers zijn positief, ook al valt er nog wel wat te verbeteren.

Ieder jaar krijgen 41.000 mensen in Nederland een beroerte en hebben rond de 216.500 mensen thuis met de gevolgen van een beroerte te maken. Daarmee is een beroerte de voornaamste oorzaak van invaliditeit in Nederland (English, Hillier, 2011). Mensen die een beroerte overleven houden er vaak chronische gevolgen aan over, zoals loop- en balansproblemen, verhoogd valrisico, vermoeidheid en depressie. Vaak veroorzaakt een beroerte een halfzijdig verlies of een halfzijdige beperking van spierfuncties, waardoor iemand zijn mobiliteit en functionele capaciteit verliest (Indredavik et al., 2008; Langhorne et al., 2000).

MEER LOPEN BIJ MINDER ZORG Revalidatie na een beroerte is er op gericht mensen zo zelfstandig mogelijk in hun eigen omgeving te laten functioneren. Omdat zij na de revalidatie vaak geen gestructureerde zorg meer krijgen, is het leren omgaan met beperkingen in loopvaardigheid in de thuissituatie voor veel mensen een moeilijke opgave. Een inactieve leefstijl zet een neerwaartse spiraal in gang waardoor de fysieke activiteit steeds verder afneemt (Van de Port et al., 2006), de verzorgingsbehoefte toeneemt, de mate van zelfstandigheid afneemt en het risico op een volgende beroerte toeneemt (Brazelli et al., 2011). Daar staat tegenover dat het vergroten van fysieke activiteit helpt bij het verbeteren van de loopvaardigheid, zelfs nog jaren na een beroerte. Daardoor kan iemand meer gaan participeren in de gemeenschap en een hogere kwaliteit van leven krijgen (Pound, Gompertz, Ebrahim, 1998). Door de dagelijkse loopactiviteit in stand te houden of te verbeteren zonder de druk op de zorg te verhogen, zouden bovendien minder mensen na een beroerte afhankelijk zijn

4

van (fysiotherapeutische) zorg.


SUSTAIN In het RAAK Internationaal project SUSTAIN (‘Investigating and stimulating long term walking activity in stroke’) hebben wij gewerkt aan het ontwerpen en inzetten van telerevalidatie: het geven van revalidatie via telecommunicatie of internet als therapeutisch middel. Telerevalidatie maakt het mogelijk om loopactiviteit van thuiswonende mensen na een beroerte te meten en de resultaten op afstand beschikbaar te maken voor fysiotherapeuten. Daarnaast kan deze technologische oplossing de patiënt zelf directe feedback geven over zijn loopactiviteit, hem meer inzicht geven in zijn loopactiviteit en hem motiveren om een actieve leefstijl in stand te houden. Daarom hebben we een activiteitenmonitor ontwikkeld die de loopactiviteit van mensen na een beroerte meet en hierover feedback geeft aan de patiënt en de fysiotherapeut op afstand. Hiervoor moesten we een antwoord krijgen op twee onderzoeksvragen: • Kan loopactiviteit van mensen na een beroerte betrouwbaar gemeten worden? • Kan (telerevalidatie-)technologie een oplossing bieden voor fysiotherapeuten om beter inzicht te krijgen in voor- of achteruitgang van loopactiviteiten van patiënten, en voor patiënten zelf om gemotiveerd te worden om te blijven lopen?

5


HET METEN VAN LOOPACTIVITEIT Het accuraat meten van fysieke activiteit bij patiënten die een beroerte hebben gehad, kan gunstig zijn voor hun revalidatieproces. Met de meetresultaten kan feedback

worden gegeven over de hoeveelheid fysieke activiteit om zo de negatieve gevolgen van te weinig bewegen tegen te gaan. Probleem is dat voor het onderzoeken van

fysieke activiteit tot nu toe meestal meetinstrumenten worden gebruikt die duidelijke beperkingen hebben en te weinig aansluiten bij onze doelgroep.

OBSERVEREN EN TELLEN Voor het meten van beweging bestaan subjectieve meetmethoden, zoals observatie door de onderzoeker of het bijhouden van fysieke activiteit in een dagboekje door de patiënt (Pearson et al., 2004). Nadelen van deze methoden zijn de beperkte mogelijkheden tot observatie, de afhankelijkheid van de mate waarin de patiënt zich zijn activiteit herinnert, en de kans dat de patiënt gewenste antwoorden geeft aan de onderzoeker (Pearson et al., 2004). Het objectief meten van fysieke activiteit gebeurt nu voornamelijk met behulp van pedometers die het aantal stappen per dag meten. De accuraatheid van pedometers is echter minder bij mensen die langzamer en in een onregelmatig patroon lopen. Daarnaast is recent aangetoond dat het voor het bepalen van inactiviteit niet voldoende is om alleen het aantal stappen gedurende een dag te meten. Dat komt doordat daarbij geen rekening gehouden wordt met het aantal en de lengte van de loopperioden en met de verdeling van het lopen over de dag. Gebleken is dat er juist op deze punten grote verschillen zijn tussen oudere patiënten die een beroerte hebben gehad en hun gezonde leeftijd­ genoten (Roos, Rudolph, Reisman, 2012). Een oplossing voor dit probleem zou het gebruik van accelerometrie kunnen zijn omdat daarmee niet alleen stappen, maar ook loopperiodes en looptijd gemeten kunnen worden.

BEROERTE-SPECIFIEK METEN Een accelerometer is een meetapparaat dat op het lichaam gedragen wordt en dat een versnelling kan registreren en meten. Deze accelerometers zijn gebaseerd op algoritmen, series berekeningen. Voor patiënten die een beroerte hebben gehad zijn specifieke algoritmen nodig omdat zij langzamer lopen (Goldie, Matyas, Evans, 1996) en omdat de accuraatheid van het detecteren

6


van stappen en loopperiodes afneemt naarmate loopsnelheid en stapfrequentie dalen (Punt et al., under review). Tot op heden is er één beroerte-specifieke accelerometer ontwikkeld: de StepWatch Activity Monitor (SAM) (Mudge, Stott, Walt, 2007). Hoewel deze activiteitenmonitor valide is in het detecteren van loopparameters, zoals stappen en loopperiodes, biedt hij niet de mogelijkheid feedback te geven aan de patiënt en informatie door te geven aan de zorgprofessional. Dat is jammer, want juist het geven van feedback aan de patiënt over zijn of haar loopactiviteit zou preventief kunnen werken tegen fysieke inactiviteit en alle negatieve gevolgen daarvan (Brazelli et al., 2011). Op dit punt ligt er voor ons dus een belangrijke uitdaging.

7


MOTIVERENDE FEEDBACK Behalve naar een geschikt monitoringsinstrument zijn we ook op zoek gegaan naar

een geschikte manier om ervoor te zorgen dat mensen na een beroerte zelf iets doen met informatie over hun eigen gedrag. Over het algemeen zijn mensen zich er wel van bewust dat een actieve leefstijl tot een betere gezondheid leidt (King, 1998;

Ashford et al., 2010), maar gedragen ze zich daar toch vaak niet naar. Het lijkt erop dat ze daarvoor onvoldoende gemotiveerd zijn.

SELF-EFFICACY Motivatie is de drijvende kracht achter gedrag waarmee mensen hun doelen kunnen bereiken. Motivatie kan zowel extrinsiek als intrinsiek zijn. Extrinsieke motivatie komt van buiten het individu en bestaat vaak uit vormen van beloning, zoals een prijs, geld, sociale erkenning of complimenten. Intrinsieke motivatie komt voort uit een persoonlijke behoefte die iemand wil bevredigen, bijvoorbeeld een puzzel oplossen (Petri,1996). Een hoge – extrinsieke of intrinsieke – motivatie blijkt niet altijd voldoende om gewenst gedrag te vertonen. Als iemand wel gemotiveerd is om bepaald gedrag te vertonen, maar weinig self-efficacy – letterlijk: zelfwerkzaamheid – heeft, dan laat hij dat gedrag toch niet zien. Self-efficacy wordt gedefinieerd als ‘het geloof dat men in staat is om bepaalde gedragingen te vertonen en bepaalde doelen te bereiken’ (Bandura,1997). Mensen weten meestal wel wat de effecten zijn van een gezonde leefstijl, maar geloven lang niet altijd dat ze zelf de daarbij passende leefstijl kunnen vertonen en vasthouden (King,1998; Ashford et al., 2010). De mate van self-efficacy blijkt goed te kunnen voorspellen hoeveel iemand oefent, fysiek actief is en ander gedrag vertoont dat goed is voor zijn gezondheid. Daarom is het belangrijk om de self-efficacy te verhogen. Dat kan op vier manieren: • doordat iemand ervaart dat hij een succesvolle prestatie kan neerzetten (meesterschap); • doordat iemand merkt dat anderen het óók kunnen (plaatsvervanging); • doordat anderen tegen iemand zeggen dat hij het kan (sociale overtuiging); • doordat iemand streeft naar een positieve gemoedsgesteldheid (geen stress of angst, een goede stemming).

8


FEEDBACK Door mensen bewust te maken van de gezondheidsvoordelen van hun gedrag en hen ervan te overtuigen dat fysieke activiteit effectief is, kan hun self-efficacy toenemen. Motiverende feedback zou daarbij een rol kunnen spelen (McAuley, Cournya,1993). Feedback bestaat uit het geven van informatie over de vergelijking tussen een geobserveerde prestatie en een bepaald doel, met de intentie de prestatie te verbeteren. Feedback kan gebracht worden als informatie over iemands huidige gezondheidssituatie of als informatie over zijn daadwerkelijke prestatie. Deze informatie kan feitelijk zijn, bijvoorbeeld de afstand die iemand gelopen heeft, of evaluatief, bijvoorbeeld in hoeverre zijn doel behaald is. Feedback kan uitsluitend positief gebracht worden of juist realistisch, waarbij het ook duidelijk wordt gemaakt als de prestatie minder goed was.

BETERE PRESTATIES In het kader van SUSTAIN is een experimenteel onderzoek uitgevoerd met gezonde ouderen die in verschillende vormen feedback kregen over hun fietsprestaties op een hometrainer. Zij kregen feedback over hun gezondheids­ situatie óf over hun daadwerkelijke prestatie, op een positieve dan wel op een realistische wijze (Verboom, 2012). Bij een realistische manier van feedback krijgen mensen niet alleen informatie over hun vorderingen, zoals bij positieve feedback gebeurt, maar worden ze ook geconfronteerd met tegenvallende resultaten. Uit dit onderzoek blijkt dat alleen al de aanwezigheid van feedback, in welke vorm dan ook, ervoor zorgt dat de prestatie beter wordt, in de zin van langer fietsen. Tussen positieve en realistische feedback is geen verschil gevonden, maar feedback over de gezondheidssituatie leverde een grotere prestatie­ verbetering op dan feedback over de daadwerkelijke prestatie. Tot slot heeft dit onderzoek bevestigd dat een hogere self-efficacy leidt tot een betere prestatie.

9


CO-DESIGN MET FYSIOTHERAPEUTEN EN PATIテ起TEN Om inzicht te krijgen in de behoeften en mogelijkheden van de patiテォnten enerzijds,

en de wensen van de fysiotherapeuten anderzijds, hebben we een co-designaanpak

gevolgd. Dat houdt in dat we fysiotherapeuten en patiテォnten actief betrokken hebben bij het ontwerpen van de activiteitenmonitor en de daaraan gekoppelde vormen van feedback.

CO-CREATIE VAN HET MEETAPPARAAT Een co-designsessie met vier fysiotherapeuten die ervaring hadden met patiテォnten na een beroerte, heeft inzichten opgeleverd in de remmende en stimulerende factoren voor het blijven lopen. Ook is met de fysiotherapeuten in een korte co-creatiesessie verkend hoe een meetapparaat een plek zou kunnen krijgen in het behandelplan. Onderstaande mindmap (figuur 1) geeft een overzicht van de belangrijkste remmende en stimulerende factoren voor het blijven bewegen die deze sessie heeft opgeleverd.

Figuur 1: Mindmap van fysiotherapeuten met remmende en stimulerende factoren voor het blijven bewegen na een beroerte

10


BRUIKBAARHEID VOOR PATIËNTEN In een sessie met vijf patiënten en twee mantelzorgers hebben we verkend hoe een activiteitenmonitor in het leven van de doelgroep zou kunnen passen. De patiënten hadden allemaal een eerste revalidatie doorlopen en waren op het moment van de sessie onder behandeling van een fysiotherapeut. Twee mensen woonden in een verzorgingshuis en drie woonden zelfstandig. In deze sessie kwamen vragen aan de orde over het fysiek dragen, de dagelijkse gebruiks­ context, de gewenste interactie met het apparaat en de motivatie en doelen van de gebruikers.

VOORBEREIDING In de week voor de sessie was de deelnemers gevraagd dagelijks een gedeelte van de verstrekte ‘sensitizer’ in te vullen. Dit was een klein boekje (zie foto) waarmee de deelnemers alvast bij het onderwerp werden betrokken. Doel hiervan is dat deelnemers tijdens de sessie niet overvallen worden door het onderwerp omdat ze er thuis al hun gedachten over hebben laten gaan.

11


UITKOMSTEN Hoewel de doelgroep beperkingen heeft in conditie en spraak, is het goed gelukt om met een uitgekiende onderzoeksaanpak en met aangepast materiaal veel over de leefwereld van deze patiënten te leren, rijke inzichten te krijgen en een aantal duidelijke ontwerprichtingen te bepalen. Uit de sessie met de patiënten zijn de volgende conclusies voor het ontwerp en het gebruik ervan getrokken:

Voor de monitor: • het is belangrijk om in te haken op bestaande routines en gewoontes wat betreft het opbergen van de monitor (liefst op het nachtkastje) en dagelijks gebruik; • de monitor moet ook met een ‘lamme’ hand aan of om te doen zijn; • de monitor moet klein en onopvallend zijn; • het is wenselijk een cradle of oplaadstation bij te leveren omdat dit helpt om de monitor goed in de dagelijkse routine op te nemen. Daardoor wordt het opladen niet snel vergeten. Het gebruik van een oplaadstation is bekend.

Voor het contact met de fysiotherapeut: • het zou gemakkelijk zijn als de meetgegevens automatisch worden door­ gestuurd naar de therapeut; • het is heel belangrijk dat de fysiotherapeut iets doet met de meetgegevens; • de fysiotherapeut speelt een aanzienlijke rol in de motivatie voor bewegen.

Voor de feedback naar de patiënt zelf: • complimentjes en aanmoediging zijn heel belangrijk voor deze doelgroep; • het ‘oog van de meester’ werkt goed; • het is handig om te relateren aan doelen die mensen zichzelf gesteld hebben, bijvoorbeeld het aantal traptreden op een dag; • de patiënten willen graag dat de monitor hen ook helpt om hun eigen grenzen te bewaken en aangeeft wanneer ze te ver gaan; • voor sommige patiënten geldt dat ze niet afgeleid moeten worden tijdens het bewegen; zij moeten dus geen directe feedback krijgen tijdens het lopen; • de hoeveelheid interactie met de monitor (dagelijks, of vaker naar wens) moet ingesteld kunnen worden;

12


• competitie met anderen kan beter niet via de monitor lopen; • om de interactie met de monitor zo direct mogelijk te laten zijn moet die monitor zo eenvoudig mogelijk te bedienen zijn, grote knoppen hebben, meer kleur dan picto’s hebben en meer picto’s dan tekst, en eventueel persoonlijk in te stellen zijn, bijvoorbeeld met een achtergrondkleur; • de monitor moet met één hand te gebruiken zijn; • patiënten willen graag een ‘anonieme dag’ kunnen hebben, zonder meting; • feedback aan patiënten moet niet via de computer worden gegeven omdat dat voor deze doelgroep te moeilijk is.

Algemeen: • de wil tot vooruitgaan en zichzelf bewijzen is een belangrijke motivator; • pijn, vermoeidheid en angst staan beweging vaak in de weg; • het is heel belangrijk hoe de introductie van de monitor verloopt; argwaan speelt een rol.

Wat mensen motiveert om te bewegen: • externe factoren, zoals complimenten, aanmoediging, gehoord zijn, moed houden van de omgeving (fysiotherapeut en mantelzorgers); • interne factoren, zoals ritme, routine, gewoonte, plicht, wens tot het bewaren of terugwinnen van zelfstandigheid, geloof en hoop over vooruitgang.

13


TELEMETRIESYSTEEM MET MOTIVEREND SCHERM Op basis van alle gegevens over het bewegen van mensen na een beroerte, de

gebruiksvoorwaarden voor een nieuw instrument en de feedback door fysiotherapeuten op afstand zijn we aan de slag gegaan om een geschikte activiteitenmonitor te maken.

FESTA Om het lopen na een beroerte te monitoren en de potentieel positieve effecten van feedback te onderzoeken hebben we FESTA (FEedback to STimulate Activity) ontwikkeld. FESTA is een telemetriesysteem dat bestaat uit een drie-assige accelerometer die gekoppeld kan worden aan een docking station. De accelerometer meet de ruwe versnellingssignalen. Het docking station berekent hieruit diverse loopparameters, evalueert of de hoeveelheid loopactiviteit van de afgelopen dag voldoende was ten opzichte van het door de therapeut gestelde doel, geeft deze informatie weer op een beeldscherm, zendt een e-mail naar de therapeut met de uitgerekende loopparameters en laadt de batterij van de accelerometer op om zodoende de volgende dag weer opnieuw te kunnen meten. Zie voor het technische werkingsprincipe figuur 2.

SD-kaart

Feedback

USB Gedragen door de patiĂŤnt

kastje

GPRS

docking station

Figuur 2: Het technische werkingsprincipe van FESTA

14

therapeut


BEROERTE-SPECIFIEK ALGORITME Omdat mensen na een beroerte langzamer en anders lopen dan anderen, is het lastiger om het lopen goed te meten. Daarom hebben we een beroerte-specifiek algoritme ontwikkeld waarmee het aantal stappen, het aantal loopperiodes, de gelopen afstand en de gelopen tijd is te meten. Hiervoor moet de patiĂŤnt het kastje op de onderrug dragen. Het algoritme is getest op validiteit en betrouwbaarheid op de genoemde loopparameters. Op die punten zijn de uitkomsten gelijk aan die van de bestaande activiteitenmonitor, de SAM. Dat is voldoende om kleine toe- en afnames in loopactiviteit over een dag te constateren.

Figuur 3: Schermontwerp voor fysiotherapeuten, gemaakt door Kim Kranenborg

SCHERMONTWERP VOOR FYSIOTHERAPEUTEN Fysiotherapeuten gaven aan dat ze per patiĂŤnt het persoonlijk doel, zoals duur en intensiteit van bewegen, willen kunnen instellen en inzicht willen krijgen in de voortgang. Om die intensiteit te kunnen meten is naast een accelerometer ook een hartslagmeter nodig, die bij voorkeur op de borst wordt gedragen.

15


Figuur 4: Schermontwerp voor patiënten, gemaakt door Bas Holleman

Fysiotherapeuten willen ook graag inzicht krijgen in het type activiteiten dat iemand heeft ondernomen, bijvoorbeeld naast lopen ook staan, zitten en liggen, en in de verdeling van activiteiten over de dag. Daarnaast willen zij graag een week- en maandoverzicht krijgen en de mogelijkheid om notities te maken. In figuur 3 laten we een schermontwerp zien waarin de fysiotherapeut links per week een doel kan instellen en rechts kan zien hoe het is gegaan. Op dit scherm is nog niet te zien hoe de activiteiten over de dag verdeeld waren, maar dat gegeven kan nog toegevoegd worden. In dit ontwerp is ook ruimte gereserveerd voor gegevens die het gebruik van een hartslagmeter oplevert.

SCHERMONTWERP VOOR PATIËNTEN Patiënten gaven aan dat ze graag zo veel mogelijk positieve, stimulerende feedback wilden krijgen. De informatie moest beperkt blijven, bijvoorbeeld tot informatie over de duur en de intensiteit van het lopen, of het goed is gegaan en of ze hun doel gehaald hebben. Ze wilden ook graag een pictogram met een positieve uitstraling, bijvoorbeeld een zonnetje. Feedback ontvangen ze het liefst aan het einde van de dag, op het moment dat ze het meetapparaat in de cradle, het oplaadstation, plaatsen. In figuur 4 is het uiteindelijke ontwerp voor de motiverende feedback te zien. In de ochtend krijgen mensen een licht scherm te zien waarop het doel van die dag plus een aanmoediging (‘Veel succes!’) is aangegeven. Daarnaast zijn er donkere schermen die ‘s avonds getoond worden en waar op staat hoe het die dag is

16

gegaan. Op beide schermen staat dat de feedback gaat over lopen.


ZONNETJE VOOR GEZONDHEID Het zonnetje heeft in het schermontwerp een prominente plaats gekregen. Een vol, groen zonnetje betekent dat het doel gehaald is, in dit geval twintig minuten lopen. Dit is feitelijke, realistische informatie. Daarnaast is nog een motiverende uiting toegevoegd, in dit geval ‘Heel goed gedaan!’. Als iemand minder goed heeft gepresteerd, verandert de kleur van het zonnetje in oranje of rood en de motiverende uiting naar ‘Bijna goed!’ of ‘Dit kan beter!’. Het zonnetje plus de achtergrond van het scherm zijn ontworpen met de bedoeling om het meetapparaat een ‘gezonde’ uitstraling te geven. Daarnaast kunnen gebruikers via de tabs aan de bovenkant nog terug- en vooruitkijken in de week om hun voortgang beter te kunnen zien.

NIEUWE DOELEN We zijn er in geslaagd om een werkende activiteitenmonitor te ontwerpen die betrouwbare meetinformatie geeft over het lopen van mensen na een beroerte en die qua vormgeving en plaatsing in de woning aansluit bij de wensen van de patiënt. Daarnaast is via co-design in nauwe samenspraak met fysiotherapeuten en patiënten de feedback over het lopen ontworpen. Uit een eerste evaluatie is gebleken dat het huidige ontwerp positief ontvangen wordt. Maar er valt nog genoeg te verbeteren. Onze nieuwe doelen zijn: • het meetapparaat nog kleiner en beter vormgeven zodat het prettiger draagt op het lichaam; • de algoritmen voor andere activiteiten dan lopen ontwikkelen; • de vorm van de feedback verder onderzoeken en aanpassen aan de persoonlijke voorkeuren van patiënten; • de vormgeving van de informatie voor de fysiotherapeut nog een stap verder brengen en implementeren in een webomgeving; • en tot slot: achterhalen hoe een dergelijk systeem gaat werken in de revalidatiepraktijk.

17


LITERATUUR

18

Ashford, S., Edmunds, E., & Fren, D. P. (2010):

Stroke, Vol. 31, No. 6, pp: 1223–1229.

What is the best way to change self-efficacy to

McAuley, E., & Courneya, K. S. (1993): Adherence

promote lifestyle and recreational physical

to exercise and physical activity as health-promo-

activity? A systematic review with meta-analysis.

ting behaviors: Attitudinal and self-efficacy

British Journal of Health Psychology, Vol. 15,

influences. Applied & Preventive Psychology,

pp: 265–288.

No. 2, pp: 65-77.

Bandura, A. (1997): Self-Efficacy: The Exercise of

Mudge, S., N. S. Stott, and S. E. Walt (2007):

Control. New York: W.H. Freeman and Company.

Criterion validity of the StepWatch Activity

Brazzelli, M., D. H. Saunders, C. A. Greig, and G.

Monitor as a measure of walking activity in

E. Mead (2011): Physical fitness training for stroke

patients after stroke. Archives of physical medicine

patients. Cochrane database of systematic reviews

and rehabilitation, Vol. 88, No. 12, pp: 1710-5.

(Online), No. 11.

Pearson, O.R., M. E. Busse, R. W. M. van

English, C. and S. Hillier (2011): Circuit class

Deursen, and C. M. Wiles (2004):

therapy for improving mobility after stroke: a

Quantification of walking mobility in neurological

systematic review. Journal of rehabilitation

disorders. QJM : monthly journal of the

medicine: official journal of the UEMS European

Association of Physicians, Vol. 97, No. 8,

Board of Physical and Rehabilitation Medicine,

pp. 463-75.

Vol. 43, No. 7, pp: 565-571.

Port, I.G.L. van de, G. Kwakkel, I. van Wijk,

Fogg, B. J., & Eckles, D. (2007): Mobile

and E. Lindeman (2006): Susceptibility to

Persuasion: 20 Perspectives on the Future of

deterioration of mobility long-term after stroke:

Behavior Change. Stanford, CA: Stanford

a prospective cohort study. Stroke; a journal of

Captology Media.

cerebral circulation, Vol. 37, No. 1, pp. 167-71.

Goldie, P.A., T. A. Matyas, and O. M. Evans

Pound, P., P. Gompertz, and S. Ebrahim (1998):

(1996): Deficit and Change in Gait Velocity

A patient-centred study of the consequences of

During Rehabilitation After Stroke. Arch Phys

stroke. Clinical rehabilitation, Vol. 12, No. 4,

Med Rehabil, Vol. 77, pp: 1074–1082.

pp: 338-347.

Indredavik, B., G. Rohweder, E. Naalsund, and

Roos, M.A., K. S. Rudolph, and D. S. Reisman

S. Lydersen (2008): Medical complications in a

(2012): The structure of walking activity in people

comprehensive stroke unit and an early supported

after stroke compared with older adults without

discharge service. Stroke; a journal of cerebral

disability: a cross-sectional study. Physical therapy,

circulation, Vol. 39, No. 2, pp: 414-420.

Vol. 92, No. 9, pp. 1141-7.

King, A. C. (2001): Interventions to promote

Verboom, L. (2012). The Effect of Performance

physical activity by older adults. Journals of

Feedback on Current Behaviour versus Performan-

Gerontology, Vol. 56A (II), pp: 36-46.

ce Feedback in Terms of Health Outcomes on

Langhorne, P., D. J. Stott, L. Robertson, J.

Cycling Performance in Older Adults. Master

MacDonald, L. Jones, C. McAlpine, F. Dick,

thesis Human Technology Interaction, Industrial

G. S. Taylor and G. Murray (2000): Medical

Engineering & Innovation Sciences, Eindhoven

Complications After Stroke: A Multicenter Study.

University of Technology.


HOGESCHOOL UTRECHT Hogeschool Utrecht (HU) is een kennisorganisatie waar door hoogwaardig onderwijs en onderzoek wordt gewerkt aan innovatie en professionalisering van de beroepspraktijk. Het is een sterk groeiende, dynamische hogeschool. De HU is gevestigd op het Utrecht Science Park, nabij strategische, kennisintensieve partners UU en UMCU. Kennisontwikkeling en kenniscirculatie beschouwt de HU als één van haar kerntaken. De HU investeert dan ook in vraaggericht toegepast onderzoek, kennis­ circulatie en kennisvalorisatie en levert als University of Applied Sciences door onderwijs en onderzoek een grote bijdrage aan de innovatie van de beroepspraktijk en daarmee aan de sociale en economische ontwikkeling van de innovatieve regio Utrecht/Amersfoort.

HU kenniscentra De HU kent zes kenniscentra waarbinnen het onderzoek plaatsvindt. Verschillende lectoraten binnen een bepaald onderzoeksdomein vormen samen een kenniscentrum. Een kenniscentrum doet onderzoek op specifieke thema’s, in samenspraak met het beroepenveld. Elk kenniscentrum binnen de HU heeft een eigen website. Op deze sites vindt u informatie over de individuele onderzoeksgebieden, onderzoeken en projecten. Ook worden de lectoren aan u voorgesteld. Het overzicht van de kenniscentra vindt u op www.onderzoek.hu.nl

Speerpunt Zorg en Technologie Het speerpunt Zorg en Technologie richt zich op onderzoek als gevolg van twee trends. Het aantal ouderen neemt snel toe en de ontwikkelingen in de technologie gaan heel hard. De gangbare gedachte bij Zorg en Technologie is dat de technologische toepassingen een bevorderende invloed hebben op het dagelijks leven van mensen met een zorgvraag. De andere kant is dat technologische toepassingen, bijvoorbeeld ICT-toepassingen, in sommige situaties juist belemmerend werken voor mensen met een zorgvraag. Het vraagstuk dan is hoe de techno­logische toepassing ontworpen en gebruikt moet worden, zodat er geen of nauwelijks belemmeringen meer zijn. In het algemeen hebben vooral oude ouderen en mensen met een chronische ziekte een zorgvraag. Binnen het speerpunt ligt de focus op hoe zorg en technologie kan inspelen op een potentiële zorgvraag en op deze manier een preventieve werking kan hebben.

19


Het Speerpunt Zorg en Technologie richt zich op de volgende vraagstukken: • Hoe kan Zorg en Technologie de belemmering in het dagelijks functioneren en of sociale participatie voortkomend uit de biologische veroudering of als gevolg van een chronische ziekte verminderen? • Hoe kan Zorg en Technologie een positief effect hebben op de ondersteuning van het cliëntsysteem bij de zorg voor de naaste? • Hoe kan Zorg en Technologie het werk van de beroepsbeoefenaar binnen de zorg verlichten en daarmee passend zijn bij de zorgvraag? • Hoe kunnen binnen Zorg en Technologie woningen/leefomgevingen worden gebouwd die maximaal aansluiten bij de mogelijkheden van mensen met een zorgvraag?

Contact Mw. prof. dr. Helianthe Kort, programmadirecteur Zorg en Technologie Mw. drs. Elise Nauta, programmamanager Zorg en Technologie Hogeschool Utrecht, Kenniscentrum Innovatie van Zorgverlening Meer informatie: SpeerpuntZenT@hu.nl, www.zent.hu.nl


Speerpunt Zorg en Technologie Hogeschool Utrecht