De stad van morgen

Page 1

DE STAD VAN

MORGEN 2 JAAR C EXPERTI ENTRE OF SUSTAIN SE SMART ABLE CIT IES


2 jaar Centre of Expertise Smart Sustainable Cities

DE STAD VAN

MORGEN


VOORWOORD Hoe realiseren we slimme, duurzame en gezonde steden waar mensen graag willen wonen en werken? Het Centre of Expertise Smart Sustainable Cities (CoE SSC) – plat­ form voor bedrijven, kennisinstellingen en Hogeschool Utrecht – heeft een productief tweede jaar achter de rug. Samen met studenten werkt het Centre aan innovaties met en voor bedrijven die slimme, duurzame en gezonde steden versneld tot stand brengen. Professionals met verschil­ lende expertises – zoals zorg, techniek, bouw, economie, ecologie, sociologie en creatieve sector – werken samen aan projecten. Door deze systeembenadering hebben technologische oplossingen voor verduurzaming meer kans van slagen. Bovendien blijkt de verbinding tusen beroepspraktijk, onderzoek en onderwijs veel op te leveren voor alle partijen. In deze uitgave geven we een impressie van lopende en nieuwe projecten, onder­ gebracht in drie programmalijnen: Gezonde gebieden gezond gebouwd; Stedelijke gebieden energieneutraal; en Duurzaam gedrag: mens en organisatie. Het gebruikersperspectief is in het afgelopen jaar beter in beeld gekomen door creative designers bij innovaties in de energiesector te betrekken. Bovendien is door samenwerking met partners in de zorg ook het perspectief op gezondheid van de gebouwde omgeving beter geïntegreerd geraakt. 2  | 3

DE STAD VAN MORGEN

Medio januari 2017 verhuist het Centre of Expertise Smart Sustainable Cities naar het Utrecht Science Park, waar het een centrale plek krijgt tussen de praktijklaboratoria. Door aansluiting op een nieuw ingerichte Energiedaktuin zullen de laboratoria worden voorzien van eigen duurzame energie en warmte. In de verschillende technische werk­ plaatsen kunnen ‘full scale’ bouwdelen, installatie- en energieopslagsystemen worden geplaatst. Integrale systemen zullen bouw­f ysisch, energetisch en besturings­ technisch worden getest op maakbaarheid en assembleerbaarheid. Zo wordt systeem­ innovatie voor de praktijk ook mogelijk. De nieuwe laboratoria vormen een ideale ontmoetingsplaats voor onderwijs, onder­ zoek en bedrijfsleven. Wij helpen u dan ook graag met het opzetten van ‘live’ proefopstellingen voor het testen van uw bouw-, instal­latie-, energie- of besturings­ systemen. Nadia Verdeyen Algemeen directeur Centre of Expertise Smart Sustainable Cities


ONDERWIJSVERNIEUWING MET INTERNATIONALE PARTNERS ESSENCE

Binnen het internationale project Essence – European Sustainable Solutions for Existing and New City Environments – is een onderwijsprogramma van een half jaar voor bachelorstudenten opgezet. Op 5 september 2016 is deze cursus voor het eerst van start gegaan. Essence wil via het onderwijs de ontwikkeling van duurzame steden stimuleren: zo komt duurzaamheid prominent op de agenda te staan van jonge professionals. EP-Nuffic (expertise- en dienstencentrum voor internationalisering in het Nederlandse onderwijs) kende in maart 2016 de Orange Carpet Award 2016 in de sector hoger onderwijs toe aan Essence. De prijs wordt uitgereikt aan projecten en personen die de afgelopen tijd een bijzondere bijdrage hebben geleverd aan de internationalisering van het onderwijs. Vijf Europese onderwijsinstellingen en drie gemeenten werken sinds 2014 samen in Essence. Hogeschool Utrecht is initiatiefnemer en werkt samen met vier partners in het hoger onderwijs (Valencia, Turku, Manchester, Hamburg) en drie regionale overheden (Utrecht, Alcoi bij Valencia, Turku). Het lectoraat Nieuwe Energie in de Stad van Hogeschool Utrecht coördineert Essence.


BLENDED LEARNING

CREATIEVE OPLOSSINGEN

4  | 5

DE STAD VAN MORGEN

Het onderwijsprogramma gaat over het realiseren van Smart Sustainable Cities en is gebaseerd op blended learning. Dit is een mix (blend) van verschillende leeromgevingen: face-to-face onderwijs in het klaslokaal, leren op de werkplek, leren in leerteams en online leren. Erlijn Eweg, projectleider van Essence, licht toe: “Op die manier kunnen we de studenten, docenten en experts vanuit de verschillende locaties laten deelnemen. De onderwijs­ instellingen werken nauw samen in werkgroepen en maken gebruik van digitale communicatie als Skype, e-mail, video-conferencing en live streaming. Voor leermaterialen wordt een digitaal studieplatform gebruikt. Het is heel spannend hoe deze eerste cursus zal verlopen. Of de studenten goed uit de voeten kunnen met de digitale leeromgeving en of de samen­ werking tussen de partnerhogescholen vanaf verschillende locaties naar wens verloopt.” Aan de cursus die in september is begonnen doen 32 studenten mee. Zes studenten van Hogeschool Utrecht, twee van andere Nederlandse hogescholen en 24 uit de andere partnerlanden. In het eerste semester heeft de hele groep les op Hogeschool Utrecht. Daarna doen de studenten drie weken fieldwork in de partnersteden. Met de cursus vallen 30 studiepunten te verdienen. Studenten leren in de cursus steden te verduurzamen op sociaal, econo­ misch en bouwkundig gebied. Een opdracht van een gemeente vormt de rode draad in de cursus. De cursus bestaat uit zes modules: introductie, methodology (creative solution searching), social design, physical transition, entrepreneurship en project. De hoger onderwijsinstelling die de sterkste competenties heeft op een bepaald gebied, is telkens in the lead wat betreft het cursusonderdeel. Erlijn Eweg: “In een van de modulen leren studenten creatieve oplossingen te verzinnen voor stedelijke duurzaamheidsproblemen. Ook gemeenten zijn nauw betrokken. Zij dragen praktische problemen aan waarmee ze worstelen en waarvoor studenten passende oplossingen gaan bedenken. Zo overweegt de gemeente Utrecht een all-electric woonwijk. Maar wat betekent het voor de infrastructuur en de woningen als je geen gasleidingen aanlegt? En hoe kun je deze boodschap ‘verkopen’ aan toekomstige bewoners en winkeliers? De gemeente Alcoy (Spanje) ligt in een natuurgebied en kan dus niet meer in de breedte groeien, alleen in de hoogte. Hoe kunnen ze dat duurzaam doen? En hoe kunnen ze op vervoers­ gebied hun CO2-uitstoot verminderen? Elektrische fietsen zijn geen optie vanwege de grote hoogteverschillen. De gemeente Turku (Finland) wil een duurzame woonwijk aanleggen, maar de wijk mag niet los van de oude stad liggen. Er moet een goede connectie zijn. Hoe moeten ze dit aanpakken?”


Om de cursus verder vorm te geven organiseerde Essence het afgelopen jaar twee werkconferenties en daarnaast twee docententrainingen over blended learning. De bijeenkomsten vonden plaats in Valencia in maart en september 2015 en in Turku in november 2015. De module entrepreneurship werd in juni 2016 tijdens een bootcamp van een week getest in Manchester. Door het CoE werd onder meer kennis gedeeld over het verwerven van 21st century skills door studenten. Het Nederlands hoger onderwijs loopt hierin voorop. Stefan Räther is een van de deelnemers aan de cursus. Hij studeert Marketing en Business Studies aan de Hochschule für Angewandte Wissen­ schaften in Hamburg. “Het studieprogramma is behoorlijk zwaar, maar ook erg leuk”, zegt hij. Hij doet ook nog een talencursus Nederlands: “Nu ik een paar maanden in Utrecht woon, wil ik van de situatie gebruikmaken om de Nederlandse taal en cultuur te leren kennen. Ik merk wel dat veel mede­ studenten problemen hebben met de Engelse taal, bijvoorbeeld deelnemers uit Spanje. Dat maakt de communicatie tot een ware uitdaging. Maar het mooie is dat je kennismaakt met verschillende manieren van denken, met diverse benaderingswijzen, achtergronden en houdingen. Het is dus moeilijk, maar heel verrijkend.”

VIETNAM

Eind augustus 2016 kreeg het Carpe netwerk op basis van Essence van Erasmus+ een driejarige vervolgfinanciering om de onderwijsmodule geschikt te maken voor Vietnamese universiteiten. Erlijn Eweg: “We dachten: de kennis die we ontwikkeld hebben, is zo waardevol. Kunnen we de module beschikbaar maken voor andere landen? De module is ontwikkeld door onderwijsinstellingen uit westerse landen. Het is ontzettend interessant om te kijken of deze vorm van onderwijs ook geschikt kan worden gemaakt voor een ontwikkelingsland. Onze contacten uit Finland en Spanje hebben goede banden met universiteiten in Vietnam. Dus hebben we besloten uit te zoeken of zij gebaat zijn bij onze kennis. Hiervoor gaan we nauw samenwerken met zes Vietnamese universiteiten.” Het Vietnam-project start in oktober 2016 onder leiding van Turku University of Applied Sciences (TUAS) onder de naam Sustainable Alliance of Urban Network in Asian Cities (Saunac) met Martijn Rietbergen (HU) als projectleider.


GEZONDE GEBIEDEN GEZOND GEBOUWD

Hoe realiseren we gezonde steden waar mensen graag willen wonen en werken? Om dat te bereiken werken professionals met verschillende expertises, zoals zorg, techniek, bouw en economie, samen in de programma­lijn Gezonde gebieden gezond gebouwd; ook wel kortweg genoemd 4G. De trekker van 4G is prof. dr. Helianthe Kort, lector Vraaggestuurde Zorg bij Hogeschool Utrecht. Zij is tevens hoogleraar Building Healthy Environments for Future Users aan de Faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Eindhoven. In de 4G-groep werken een groot aantal partijen samen. Naast het lectoraat Vraaggestuurde Zorg en een aantal techniek- en bouw­ docenten van Hogeschool Utrecht zijn dat Movares, BJW Wonen, BAM, Ingenieursbureau Atze Boerstra, Royal HaskoningDHV en de gemeente Bunnik.

6  | 7

DE STAD VAN MORGEN


WELL-BUILDING STANDARD

PROEFTUIN BUNNIK

ˮDe proeftuin dient als regelloze ruimte om te onderzoeken welke ideeën haalbaar zijn”

Helianthe Kort: “Voor veel mensen die werken in de sector gebouwde om­geving is het concept ‘gezond gebouw’ nog niet zo vanzelfsprekend. Gebouwen worden doorgaans beoordeeld op veiligheid, toegankelijkheid, brandveiligheid en sinds een aantal jaren ook op duurzaamheid. Maar met het principe van de ‘healthy environment’ – dat ik vanuit de Faculteit Gezondheidszorg veel toepas – wordt in Nederland meestal nog niet gewerkt om de gezondheid van gebouwen te waarderen. In de Verenigde Staten is de ‘WELL-Building Standard’ al een geaccepteerd predicaat om de gezondheid van gebouwen aan te geven. We hebben afgesproken dat we in de 4G-groep ook aandacht willen geven aan deze code. Ook zijn we hard bezig meer samenwerkingsprojecten van de grond te tillen tussen studenten Built Environment en studenten Zorg en Gezondheid. Die kruis­ bestuiving levert heel veel op. Zo hebben in de Minor Public Health Engineering studenten techniek samengewerkt met studenten gezondheid. De studenten onderzochten onder andere de lucht-, licht- en geluidskwaliteit en de gebruikerservaring van het gerenoveerde onderwijsgebouw van Hogeschool Utrecht aan de Heidelberglaan 7 in Utrecht.” De gemeente Bunnik is door de 4G-groep aangewezen als proeftuin om het bestemmingsplan voor de toekomst verder te ontwikkelen als gezond gebied met gezonde gebouwen. Bunnik wordt gezien als proeftuin voor de stadsregio Utrecht. Het is een snel vergrijzende gemeente, maar Bunnik wordt ook steeds belangrijker als overflowgebied voor Utrecht-Oost, door de nabijheid van het Utrecht Science Park (USP) en de lagere huizenprijzen. Innovatie in Bunnik is nodig, zowel fysiek als sociaal. Helianthe Kort: “Welke oplossingen kunnen we bedenken om ouderen in Bunnik langer zelfstandig thuis te laten functioneren en wonen? Wat betekenen vergrijzing en overflow voor huisartsen en andere zorgvoorzieningen, voor woningbouw, de bereik­ baarheid met het openbaar vervoer? Ideeën die verder uitgewerkt kunnen worden zijn bijvoorbeeld de aanleg van een verlicht fietspad naar het USP en het slechten van de barrière voor fietsers bij de A12 – het tunneltje bij Fort Vechten. In de proeftuin worden allerlei partijen met elkaar verbonden die gewoonlijk weinig of geen contact hebben. Zoals huisartsen, eerstelijns­ adviseurs, gemeente, zorgverzekeraars, sportfaciliteiten, woningcorporaties. De proeftuin dient tot 2018 als regelloze ruimte om te onderzoeken welke ideeën haalbaar zijn.” Zo zijn studenten Werktuigbouwkunde en Technische bedrijfskunde van de HU in januari 2016 begonnen een verduurzamingsplan te maken voor het gemeentehuis en gemeenschappelijk maatschappelijk vastgoed in Bunnik. De studenten worden begeleid door Engie Services (voorheen Cofely).


“Alle partijen voelen dat er behoorlijke bedreigingen op ons afkomen als we niets doen.”

8  | 9

DE STAD VAN MORGEN

“We zitten met de 4G-groep nu volop in de fase van de gesprekken”, vertelt Jan Kamphuis, die als eigenaar van bouwbedrijf BJW Wonen ook betrokken is bij het One-Stop-Shop-atelier van de HU en lid is van de programmaraad van het CoE. ”Alle partijen voelen dat er behoorlijke bedreigingen op ons afkomen als we niets doen. Maar Nederland is verzuild en versnipperd, daardoor kost het veel tijd en moeite om echt iets te bereiken. Niet alleen in Bunnik, maar bij alle projecten waar we mee bezig zijn. Het is een kwestie van lange adem, want we hebben het over systeemveranderingen. Het is verleidelijk om snel met projecten te beginnen, maar de kans dat je dan later vastloopt is groot. Taaie problemen kun je niet met een paar pennenstreken oplossen. Het sterke van het CoE SSC is juist dat we langer de tijd kunnen nemen om na te denken over de doelen. Dat overleg is heel productief en je voelt dat mensen zeer betrokken zijn. Ik hoop en verwacht dat de projecten die het CoE gaat ondersteunen daardoor een veel grotere kans van slagen hebben. Ook omdat ze multidisciplinair zijn trouwens. En omdat er van­te­ voren heel grondig naar de behoeftekant wordt gekeken. De gedrags­ aspecten zijn namelijk cruciaal voor de slagingskans: hoe krijg je gedrags­ veranderingen op gang? De betrokkenheid van Hogeschool Utrecht als kennisinstituut in het CoE is daarbij cruciaal, met name de deelname van studenten. Zij hebben nog geen belangen en werken vaak interdisciplinair en komen daardoor vaak tot innovatievere oplossingen.”


SELFICIENT MODULAIRE WONINGEN VOOR SOLAR DECATHLON CHALLENGE Selficient is de naam van een modulaire, energieneutrale, gezonde woning die ontwikkeld wordt door een team van 26 studenten van Hogeschool Utrecht. De duurzame woning is gemaakt van bio-based materialen als hout, vlas en wol. Het is een levensloopbestendig huis dat bestaat uit gestandaar­ diseerde klikbare modules, die in en later weer uit elkaar te halen zijn. Het Selficient-huis wordt in het najaar van 2017 gepresenteerd op de U.S. Department of Energy Solar Decathlon Challenge in Denver. Dit is een tweejaarlijks event waarin studententeams energiezuinige, kosteneffectieve, aantrekkelijke huizen op zonne-energie ontwerpen en bouwen. Het HU-team bereikte in februari 2016 de finale. “Een zelfvoorzienend huis dat naar elke levensbehoefte aangepast kan worden, dat wordt de woningbouw van de toekomst”, voorspelt Sjors Peeters Weem, student werktuigbouwkunde en een van de projectleiders van Selficient. En het huis wordt ook nog betaalbaar: ”Veel andere studen­ ten die meedoen aan de Solar Decathlon bouwen huizen die onbetaalbaar zijn voor de gemiddelde mens. Wij willen iedereen bereiken. Zoiets werkt pas wanneer ieder mens het toe kan passen.” “Het Japanse houtframebouwbedrijf Suteki gaat het project sponsoren”, vertellen studenten Robin Stuiver en Jason Hoogerbrug, die samen met Thijs Morel de andere drie projectleiders zijn van Selficient. “En de Nieman-groep (raadgevende ingenieurs duurzame gebouwen) gaat ons adviseren. Met diverse mogelijke andere sponsors hebben we contact. We kunnen er in het kader van een minor van september tot febuari 2017 fulltime mee bezig zijn, dus we kunnen heel veel voortgang maken. Bijzonder is dat we nu in één project alle fases meemaken, van ontwerp tot en met realisering. Dat maakt het extra leuk.”


LEGO-ACHTIG CONCEPT

“Het product is bedoeld voor eind­ gebruikers, dat is uniek voor de bouwsector.”

EXPERIMENTEEL ZELFVOORZIENEND HUIS

10  | 11

DE STAD VAN MORGEN

“Het product dat de studenten voor de Solar Decathlon Challenge ontwikkelen is uniek voor de bouwsector, omdat het bedoeld is voor eindgebruikers”, licht Jan Willem Croon (tijdelijk lector Nieuwe Energie in de Stad aan Hogeschool Utrecht) toe. “Tot nu toe heeft de bouwsector zich alleen gericht op woningcorporaties en vastgoedontwikkelaars. Maar je ziet nu in de markt een kanteling, bijvoorbeeld met de ontwikkeling van de tiny houses. Van het modulaire Selficient-huis huur of koop je alleen de modules die je nodig hebt. Na verloop van tijd kun je ze weer laten terugbrengen of er juist andere bij laten voegen. Je kunt bijvoorbeeld een extra kamer aan je huis laten koppelen als je een kind krijgt, je moeder in huis wilt nemen of kantoorruimte nodig hebt omdat je voor jezelf begint. Met een virtuele bouwmodule die een beetje doet denken aan het spel Sims kun je je eigen huis ontwerpen. Nieuwe en gebruikte panelen komen in een voorraaddepot te staan. Dus geen bouwafval meer, maar hergebruik. Het is een lego-achtig concept dat levensloopbestendig is. In een latere ontwikkelfase is het de bedoeling dat het huis ook ‘slim’ is. Het waarschuwt bijvoorbeeld als er iets niet goed is. Het modulaire huis kan zo op termijn uitgroeien tot een servicemodel. De bouwsector heeft hier nog weinig ervaring mee: aan modulaire keukens en wandmeubels zijn we gewend, maar modulaire woningen, dat is heel nieuw.” “Het Selficient-huis is ook een experimenteel zelfvoorzienend huis. Het maakt gebruik van zonne-energie en heeft een energieregelingssysteem. Op de langere termijn zal het zelfs helemaal geen energieaansluiting meer nodig hebben”, vervolgt Jan Willem Croon. “Grote energieleveranciers zijn zeer geïnteresseerd in die ontwikkeling, ze willen weten wat dit voor hen betekent. De energiemarkt bevindt zich nu in een enorme transitie. Eneco is een van de koplopers wat betreft het nadenken over de overschakeling op duurzame energie. Het Selficient-huis wordt daarom waarschijnlijk gebouwd op de Eneco Energy Campus in Utrecht die de afgelopen zomer is geopend. Op de campus van Utrecht Science Park wordt ook een Selficient-huis gebouwd. Op de Eneco Energy Campus zijn HU-studenten van het One Stop Shop-afstudeeratelier trouwens ook bezig met de duurzame renovatie van twaalf woningen. Het Selficient-huis helpt bedrijven verder in het denken over energietransitie en hoe je gezonde woningen bouwt. Het laat bedrijven uit de bouw- en energiesector zien wat voor soort huis dit zou moeten zijn. De Selficient-woning is een praktisch experiment dat een perspectief biedt op de slimme woning van de toekomst.”


CREATIVE DESIGNERS EN HET GEBRUIKERSPERSPECTIEF

GREEN DEAL SMART ENERGY CITIES

Innovaties in de energiesector blijken lang niet altijd succesvol uit te pakken, omdat eindgebruikers en eigenaren er om een of andere reden niet aan willen. Vaak komt dit door onbekendheid, onzekerheid, een te technische of economische benadering of onvoldoende afstemming met potentiÍle gebruikers. De overheid lanceerde daarom het progamma Green Deal Smart Energy Cities – Empowering Smart Energy Citizens. Een landelijk consortium in vijf gemeenten met twaalf kickstartprojecten, waar ook het CoE SSC aan deelneemt. Doel van de Green Deal is een versnelde overgang naar een slimmere en op duurzaamheid gebouwde energievoorziening, passend bij de lokale situatie en de lokale eindgebruikers. Bewoners, gebruikers en eigenaren van de gebouwen worden bewust betrokken en geactiveerd.


NEUTRALE SCHAKEL

GEBRUIKERSPERSPECTIEF NAAR BOVEN HALEN

DESIGN THINKING

12  | 13

DE STAD VAN MORGEN

In de Green Deal is gekozen voor begeleiding van projecten door creative producers, innovatiecoaches en energie-infra experts. Dit zijn marktexperts die alle betrokken partijen – consumenten, eigenaren en gebruikers van gebouwen, overheden, netbeheerders, bouwsector, technologiebedrijven – ondersteunen in hun aanpak en keuzeproces. Want door de vele betrokken stakeholders is besluitvorming vaak lastig of moeizaam. Het CoE SSC werkt in de Green Deal onder andere samen met ontwerpers van de Design Innovation Group (DIG) die optreden als creative producer. Zij vormen vanuit de creatieve industrie een neutrale schakel tussen projectontwikkelaars, (locatie)eigenaren, bewoners en particuliere woningbezitters, ontwerpers en bedrijven. Marieke Rietbergen van DIG: “Van bovenaf opgelegde plannen voor verduurzaming van woonwijken werken vaak niet, omdat de bewoners niet op het aanbod ingaan. Vaak is onduidelijk wat de achterliggende motivatie van bewoners om te verduurzamen is. Wij halen het gebruikersperspectief naar boven. Onze rode draad is gedrag: wíllen mensen de innovaties wel zoals ze bedacht zijn? Je moet de eindgebruikers goed meenemen in het traject. Hoe kijken zij naar de omgeving, wat is voor hen belangrijk? Hoe haal je ze over om energiezuiniger te leven, zodat het past bij hun eigen doelen, behoeften en emoties? Daarnaast proberen we de verschillende belangen­ posities van alle betrokken spelers bespreekbaar te maken. De doelen hoeven niet hetzelfde te worden, maar je kunt wel begrip kweken voor elkaars standpunten.” “We nemen diepteinterviews af met bewoners om te weten te komen wat hun bezwaren zijn. Vaak zijn er achterliggende motieven die mensen in eerste instantie niet benoemen. Ze zien bijvoorbeeld op tegen het ‘gedoe’ van een renovatie, zoals het moeten leegruimen van de zolder. Een oplossing kan dan zijn dat ze daar hulp bij krijgen. De Hindoestaanse gemeenschap in Gaasperdam voelde zich bijvoorbeeld schuldig, omdat ze hun huizen behoorlijk warm willen stoken. Je sluit te weinig aan bij de doelgroep wanneer je ze vraagt een trui aan te trekken. Wel heeft Minouche Besters (een van de creative producers) de avond ‘inductiewokken’ bijgewoond om het gesprek aan te gaan over het energieverbruik in huis. Het gaat om de oplossing van een vraagstuk, niet om het ontwerp als zodanig. Ons werk is wat ‘design thinking’ heet: de waarde van het ontwerpen zit in het begrijpen van de (latente) behoeften van gebruikers. Waardecreatie is steeds meer een co-productie tussen aanbieder en klant en dat contact ondersteunen we.”


ˮWíllen mensen de innovaties wel zoals ze bedacht zijn?”

CREATIVE PRODUCERSAANPAK

Werken binnen het CoE SSC in projecten als de Green Deal heeft voor DIG veel meerwaarde, vindt Marieke Rietbergen: “Het expertisecentrum helpt ons kennis te ontwikkelen over creative producers en ontwerpmethodologie. We hebben vooral veel aan het lectoraat Co-Design van Remko van der Lugt, die de vertaalslag maakt tussen technisch domein en ontwerpdomein. Via het CoE SSC krijgen we voor DIG een ander type vragen binnen waar kennisontwikkeling en het oplossen van vraagstukken sterk samen gaan. Wij als bedrijf worden er nog al eens van verdacht alleen geld te willen verdienen. Met het CoE SSC kunnen we laten zien dat we ook graag kennis ontwikkelen. En doordat het CoE SSC een groot netwerk heeft komen we ook gemakkelijker in contact met bijvoorbeeld gemeenten.” De afgelopen jaren is op het lectoraat Co-Design veel kennis opgebouwd over het betrekken van bewoners bij de energietransitie – de creative producers-aanpak. Die kennis is echter zeer diffuus en moeilijk toegankelijk voor de beroepspraktijk. Daarom is het lectoraat Co-Design begin 2016 begonnen met het ontsluiten van deze kennis voor de beroepspraktijk: een toegankelijke kennisbasis in de vorm van een website en een publicatie over geleerde lessen, uitdagingen en kansen.


ONE STOP SHOP WONINGRENOVATIE: DE METHODIEK BEWIJST ZICH Huiseigenaren die hun woning duurzaam willen renoveren weten vaak niet waar ze moeten beginnen. Om huiseigenaren gemakkelijker over de streep te trekken ontwikkelden diverse bouwbedrijven daarom in de afgelopen vier jaar – in co-creatie met studenten van de opleidingen Bouwkunde, Bouwtechnische Bedrijfskunde en Communicatie and Multimedia Design van Hogeschool Utrecht – diverse One Stop Shop-renovatieconcepten. Dit zijn concreet uitgewerkte renovatieprototypes, waardoor huiseigenaren gemakkelijker de beslissing nemen tot Nul-op-de-Meter-renoveren. De One Stop Shop begon in 2013 met BJW Wonen. HU-studenten doen in het One-Stop-Shop-afstudeeratelier onderzoek naar productmarktcombinaties en leveren zo een bijdrage aan de totstandkoming van de prototypes.

14  | 15

DE STAD VAN MORGEN


PROTOTYPES EN BIJZONDERE BUSINESSMODELLEN

ˮDeze methodiek is echt een succesvoorbeeld op systeemniveau.”

Intussen worden de kennis en inzichten over de renovatieconcepten zeer succesvol toegepast in samenwerking met een groot aantal partners, waaronder 033 Energie, Plecht-Vos, Van de Leij, Eneco en Alliander. Door de renovatieproto­t ypes kunnen huiseigenaren gemakkelijker de beslissing nemen tot duurzaam renoveren. Welke aanpassingen zijn verstandig, wie kan dit leveren en hoe verhouden zich de kosten tot de besparingen? Huiseigenaren kunnen kiezen uit diverse prototypes, die vervolgens verder op maat worden gemaakt en industrieel vervaardigd. Dat is iets wat bestaan­ de renovatieoplossingen niet kunnen bieden, want elk huis is anders en het energiegebruik per huishouden verschilt. Naast de prototypes werden door de bedrijven en studenten ook bijzondere businessmodellen ontwikkeld, waarmee de woningrenovatie kostenneutraal uitpakt voor de eigenaren. Zo’n model is bijvoorbeeld dat de eigenaar een bedrag investeert dat gelijk is aan het maandelijkse bedrag aan het energie­bedrijf over een aantal jaren. De bedoeling is dat de renovatie uiteindelijk kostenneutraal is en bovendien leidt tot minder onderhoud. De duurzaam gerenoveerde woningen zijn Nul-op-de-Meter (NOM) en op termijn zelfs energie­leverend. Jan Kamphuis (directeur BJW Wonen) licht toe: “De prototypes en business­ modellen zijn in de afgelopen periode verder uitgewerkt en geschikt gemaakt voor toepassing op grote schaal, waardoor het aantrekkelijk is voor bedrijven om erin te investeren. We merken dat dit inderdaad is gelukt, want steeds meer bedrijven haken aan en willen met het One Stop Shop-concept gaan werken. De methodiek bewijst zich en is echt een succesvoorbeeld op systeemniveau. Door als bedrijf in het Centre of Expertise samen te werken met een kennisinstituut als Hogeschool Utrecht blijf je niet steken bij ad hoc-oplossingen, die op termijn weinig zoden aan de dijk zetten. Er is meer tijd om te werken aan betere oplossingen. Je hebt te maken met tegenge­ stelde belangen en met partijen die soms nog niet gewend zijn met elkaar samen te werken, dus het is een kwestie van lange adem. Werken binnen het CoE maakt de kans dat projecten succesvol zijn vele malen groter. Wat ik ook heel mooi vind om te zien is dat we met studentengroepen in het One Stop Shop-afstudeeratelier in driekwart jaar een behoorlijke innovatie­ slag blijken te kunnen maken, omdat studenten geen belangen hebben. Zo kom je tot multidisciplinaire oplossingen op systeemniveau, die een veel grotere kans van slagen hebben.” Jan Kamphuis past het One Stop Shopconcept nu ook toe in het oosten van het land in samenwerking met studenten van Saxion Hogeschool.


OPSCHALEN

ˮJe biedt mensen een woning die mooier, gezonder, comfortabeler en veiliger is.”

16  | 17

DE STAD VAN MORGEN

Het One Stop Shop-afstudeeratelier wordt begeleid door Rogier Laterveer en Liza Looijen. Beiden zijn als onderzoeker verbonden aan het lectoraat Nieuwe Energie in de Stad. Rogier Laterveer: “We zijn met de One Stop Shop een enorm eind verder dan een jaar geleden. Nu zijn we op een kantelpunt naar een veel professioneler organisatie. Van een onderwijs­ project willen we het One-Stop-Shop-atelier opschalen naar een langlopend praktijkgericht onderzoeksproject met diverse onderzoekslijnen. Zodat we niet meer alleen met telkens wisselende studentengroepen werken, maar ook met vaste onderzoekers. Ook willen we de methodiek kopiëren naar andere domeinen, zoals de Circulaire Economie. We gaan de One-Stop-Shop meer inbedden in het Centre of Expertise Smart Sustainable Cities en het lectoraat Nieuwe Energie in de Stad. Ook start-ups willen we een kans geven. Dit idee zijn we momenteel aan het uitwerken samen met diverse lectoren, waaronder Helianthe Kort, lector Vraaggestuurde Zorg bij de HU.” “Belangrijk voor de richting van de One Stop Shop is om de Nul-op-deMeter-opgave breder te zien dan alleen technisch. Het gaat ook om aspec­ ten als levensloopbestendigheid, gezondheid en betaalbaarheid. Je biedt mensen een woning die mooier, gezonder, comfortabeler en veiliger is en realiseert dit door de energiekosten te investeren in de woning. Een nieuw inzicht van de afgelopen periode is dat de ontwikkelde concepten geschikt blijken te zijn voor veel bredere toepassing dan alleen bij woningrenovatie. Dat is ook nodig, omdat de productie alleen rendabel kan worden bij grotere aantallen. BJW Wonen past de concepten al toe in nieuwbouw­ opgaven. De oplossingen in de woningrenovatiemarkt gaan we ook uitbouwen naar sectoren als kantoortransformatie en zorggebouwrenova­ ties. De komende tijd gaan we ook bezig met gestapelde woningbouw, de NOM-Ready-aanpak (stapsgewijs naar NOM brengen) van grondgebonden woningen en andere huizen-typologieën die buiten de scope vallen van de eerste generatie NOM-renovaties.”


NUL-OP-DE-METER STAAT VOOR GROTE UITDAGINGEN Het Nul-op-de-Meter-programma (NOM) begon in september 2014 en heeft als doel het energiegebruik in zo veel mogelijk nieuwe en bestaande woningen in de provincie Utrecht naar het niveau ‘nul op de meter’ te brengen. Dat wil zeggen geen energielasten bij gemiddeld gebruik. Het geld dat normaal naar de energierekening gaat wordt ingezet voor een grondige renovatie die een woning niet alleen energieneutraal maakt, maar ook veiliger, gezonder en comfortabeler. Het afgelopen jaar ontwikkelde het programma zich in een andere richting dan eerder voorzien.

NUL-OP-DE-METER ALLIANTIE UTRECHT

Ivo Opstelten, directeur praktijkgericht onderzoek van het Centre of Experti­ se Smart Sustainable Cities en lector Nieuwe Energie in de Stad bij Hoge­ school Utrecht: “Het doel van NOM is nog steeds exponentiële opschaling van het aantal NOM-woningen, zodat NOM de norm wordt. Op verzoek van de Economic Board Utrecht (EBU) had het CoE daarvoor samen met regionale partijen een programma gemaakt, vanuit een rol van regisseur van de regionale ontwikkeling en procesversneller. De beoogde aanpak is in 2015 getoetst bij bestuurders van verschillende stakeholders rond NOM in de regio: provincie en gemeenten, bouwpartijen, woningcorporaties, financiële instellingen en taxatiebranche. Het bleek dat de doelstellingen gedeeld worden en er behoefte bestaat aan verbinding, versterking en kennisuitwisseling tussen de verschillende lopende en nieuwe initiatieven, vanuit een onafhankelijke partij. Maar dat gemeenten de regierol wat betreft de lokale NOM/energietransitie-activiteiten juist vanuit de eigen organisatie willen versterken.” “Samen met de EBU is daarom in januari 2016 de Nul-op-de-Meter Alliantie Utrecht in het leven geroepen. Dit is een onafhankelijk interventieteam gefinancierd vanuit de provincie Utrecht. De samenwerking met het CoE is wat losser geworden, nu de verantwoordelijkheid gelegd is bij deze spin-off van het CoE-programma. Een spin-off overigens waarin ik ook zelf onder­ steuning geef bij de regionale NOM-uitdagingen, samen met een aantal


bedenkers van het oorspronkelijke regio-programma en de EBU. Tegelijker­ tijd werkt het CoE hiermee ook nog steeds samen, onder andere vanuit mijn lectoraat Nieuwe Energie in de Stad en andere lectoraten. In het eerste half jaar van 2016 lag de focus van de NOM Alliantie Utrecht – ook vanwege een beperkt budget – vooral op de ondersteuning van bestaande initiatieven en het leren daarvan, maar nog niet op het creëren van nieuwe.” “Je ziet dus dat NOM uit de experimenteerfase komt, maar de opschaling in de regio moet eigenlijk nog beginnen. Dat heeft trouwens ook te maken met de landelijke condities, die nog steeds niet op alle aspecten ideaal zijn voor NOM. De Energieprestatievergoeding is weliswaar aangenomen, waardoor woningcorporaties nu in veel gevallen van NOM een betere businesscase kunnen maken dan de standaard label B-renovatie. Maar die regeling kent ook nog beperkingen, bijvoorbeeld rondom NOM voor gestapelde bouw en bij warmtenetten.”

INTERVENTIE- EN AANJAAGTEAM

ˮJe hebt te maken met zó veel verschillende belangen en aandachts­ punten bij NOM.”

“Maar eigenlijk kun je in deze fase niet zonder een partij die losstaat van de directe stakeholders van NOM-initiatieven. Dat is wel gebleken uit de behoefte aan interventies door de NOM Alliantie Utrecht bij enkele NOM-projecten in de regio Utrecht in het afgelopen jaar. Daardoor zijn projecten die dreigden te stranden toch verder gekomen. Je hebt te maken met zó veel verschillende belangen en aandachtspunten bij Nul-op-de-­ Meter. Een onafhankelijke partij, die het regionale netwerk kent en verbindt en waar ook alle NOM-kennis van de regionale partijen en over landelijke conditionering is samengebundeld, heeft al echt zijn waarde bewezen. We worden momenteel ook zeker betrokken bij de regie, in feite als regie­ adviseur en -ondersteuner. De provincie is nu bezig het mogelijk te maken dat zo’n interventie- en aanjaagteam de komende jaren voortgezet en versterkt kan worden.” “De bekendheid met Nul-op-de-Meter is sterk gegroeid en de flow rondom NOM begint dus langzaamaan op gang te komen. Het zal niet vanzelf gaan en NOM moet ook geen dogma worden. Maar NOM is wel het meest haalbare concept gebleken voor verduurzaming van woningen, zeker voor laagbouwrenovaties van woningcorporaties. Sterker nog: we hebben onlangs kunnen onderbouwen dat gemeenten en woningcorporaties niet hoeven te kiezen tussen sturen op beschikbaarheid, betaalbaarheid of duurzaamheid. Want met een NOM-vastgoedstrategie kun je deze beleidsdoelstellingen onderling verbinden en versterken.”

18  | 19

DE STAD VAN MORGEN


NOM-ABONNEMENT

NOM-READY

“De uitdagingen bij de particuliere sector zijn zeker op financieel gebied nog groot, ook al wordt NOM ook daar steeds haalbaarder. Met de landelijke Stroomversnelling ben ik bezig om de objectgebonden financiering uit te werken. Dat is een financieringsvorm waarvan de aflossing doorloopt bij de volgende eigenaar als de woning verkocht is, een soort NOM-abonnement. Dit biedt een oplossing voor de zorgen over restschuld bij de financier en bij de bewoner die de NOM-renovatie wenst. Doordat dit abonnement niet duurder is dan de normale energiekosten voor de NOM-renovatie, bied je dus een risicovrije mogelijkheid op beter wonen voor hetzelfde geld. Enkele energie- en netwerkbedrijven zijn al concrete experimenten met objectge­ bonden financiering aan het voorbereiden. Ook voor de ‘gewone’ hypothe­ ken bieden de meeste grote banken nu 27.000 euro extra hypotheekruimte voor NOM. Daar wordt al veel gebruik van gemaakt, vooral bij NOM-nieuw­ bouw. Een NOM-nieuwbouwstroom kan leiden tot meer bekendheid met de voordelen en mogelijkheden van NOM.” “Ondertussen is in de praktijk ook behoefte gegroeid aan een concreet NOM-Ready aanbod. Dat is een aanpak waarbij een huis niet in één keer, maar in de loop van de tijd in stappen naar NOM wordt gebracht. Het CoE heeft deze uitdaging nu ook opgepakt. Vanuit het One-Stop-Shop-atelier van het CoE hebben bijvoorbeeld enkele HU-studenten in januari 2016 voor NOM-Ready een selectietool voor NOM-gevelelementen ontwikkeld. Die tool vertrekt vanuit de woonwensen van bewoners. Zo worden de behoeftes en motivatie van bewoners vertaald naar woningingrepen die NOM op een verantwoorde wijze mogelijk maken bij vervolgingrepen. Bijvoorbeeld ten aanzien van daglichttoetreding en ruimtegebruik. Met dit soort initiatieven en de kennisontwikkeling met bouwcoalities en woningcorporaties in de regio zien we dat het One-Stop-Shop-atelier een landingsplaats is geworden voor allerlei NOM-vraagstukken, ook buiten de regio Utrecht. Daar mogen we best trots op zijn!” “We zijn er natuurlijk nog lang niet, maar toch ben ik positief over de ontwikkelingen. De regio’s Utrecht en Noord-Brabant zijn wat mij betreft nog steeds Nul-op-de-Meter-koplopers, als je kijkt naar het aantal gemeen­ ten, woningcorporaties en aanbieders in die regio’s dat ermee aan de slag is in pilots. Maar we staan nog voor grote uitdagingen.”


Uitgave Hogeschool Utrecht Centre of Expertise Smart Sustainable Cities Oktober 2016 ISBN/EAN 978-90-8928-102-9 Redactie Mariek Hilhorst (Tekstredactie en Productiebegeleiding) Ontwerp Studio Vrijdag Contact Centre of Expertise Smart Sustainable Cities Per 1 januari 2017: Padualaan 99 3584 CH Utrecht

Disclaimer

T. 088 481 82 83

De teksten in deze publicatie zijn gebaseerd op de door het Centre of Expertise Smart Sustainable Cities

smartsustainablecities@hu.nl

verzamelde informatie die zo zorgvuldig mogelijk is

www.smartsustainablecities.hu.nl

verwerkt. Als er desondanks toch iets is misgegaan,

@SSCities

kunt u contact opnemen met ons. Ondanks alle zorg die we aan de teksten hebben besteed, aanvaarden we geen

Deze publicatie is gedrukt op gecertificeerd

aansprakelijkheid voor de eventuele schade die zou kunnen

FSC-papier.

voortvloeien uit enige fout die in deze uitgave zou kunnen voorkomen.

coessc_bo_1016_sv

COLOFON


coessc_bo_1116_sv

Het Centre of Expertise Smart Sustainable Cities is een publiekprivate samenwerking van bedrijven en kennispartners, gestart in mei 2014 op initiatief van Hogeschool Utrecht. Het Centre maakt het mogelijk om samen aan vernieuwende producten, diensten en oplossingen te werken, die de realisatie van de slimme, gezonde, duurzame stad dichterbij brengen. Dat doen we door innovatief onderzoek te koppelen aan nieuwe bedrijvigheid, en (toekomstige) professionals op te leiden, zodat zij een bijdrage kunnen leveren aan de smart sustainable city. Zo werken we aan de transitie naar steden die ook in de toekomst leefbaar en aantrekkelijk zijn.

ISBN/EAN 978-90-8928-102-9