Issuu on Google+

Oost West, Thuiszorg Best? Een onderzoek naar de huidige en gewenste positionering van de HBO-v’er bij Laurens Zorg aan Huis

Niki Maliepaard 0828342

Vraagstelling

Achtergrondinformatie

Hoe kan Laurens Zorg aan Huis de HBOverpleegkundigen positioneren op basis van de 5 rollen van de HBOverpleegkundige?

Laurens Zorg aan Huis wil in de toekomst meer HBOverpleegkundigen aannemen omdat verwacht wordt dat hiermee de kwaliteit van zorg verbeterd. Dit onderzoek is uitgevoerd om te inventariseren of de HBOverpleegkundigen tevreden zijn over hun positionering. De literatuur geeft aan dat het werken volgens het competentieprofiel de werktevredenheid vergroot. Dit onderzoek heeft gekeken naar dit aspect: De intrinsieke motivatie.

Methode Op basis van literatuuronderzoek zijn interviewvragen opgesteld voor kwalitatief onderzoek. Hiermee zijn 5 verpleegkundigen en 2 leden van het managementteam bevraagd door middel van semi-gestructureerde interviews.

Resultaten

Conclusie en aanbevelingen

De HBO-verpleegkundigen en de leden van het managementteam zijn niet tot matig tevreden over de positionering. De rol van zorgverlener neemt het grootste deel van de werkzaamheden in beslag. Aan de overige rollen kan daarom slechts beperkt tijd worden besteed.

De HBO-verpleegkundigen willen werken volgens het competentieprofiel waarvoor ze zijn opgeleid. Met de toekomstplannen van Laurens Zorg aan Huis over de inrichting van de zorg zal de positionering van de HBOverpleegkundigen verbeteren. Daarnaast zal een concrete uitwerking van de rol van HBO-verpleegkundige en de opzet van een Verpleegkundige Adviesraad (VAR) bijdragen aan een betere positionering. Hierdoor zal de intrinsieke motivatie van de HBO-verpleegkundigen stijgen en maakt de organisatie optimaal gebruik van de capaciteiten van haar medewerkers.


Aanleiding van het onderzoek

Methode

‘In welke mate voldoet de huidige overdracht van terminale zorgvragers vanuit het Albert Schweitzer ziekenhuis naar de thuissituatie, hospice of verpleeghuis aan de landelijke richtlijnen en criteria?’

Er zijn op dit moment geen eenduidige en concrete afspraken binnen de verpleegafdelingen van het Albert Schweitzer ziekenhuis met betrekking tot de overdracht van terminale zorgvragers naar de thuissituatie, verpleeghuis of hospice.

Kwalitatief onderzoek Semigestructureerde interviews bij verpleegkundigen Verschillende verpleegafdelingen C1 Longgeneeskunde C3 Neurologie B2 Chirurgie B3 Oncologie F Interne geneeskunde

Resultaten

Conclusie

Aanbevelingen

 De algemene overdracht is onvoldoende voor de terminale zorgvrager Het medische gedeelte en het psychosociale gedeelte in de overdracht is te summier In de overdracht moet beschreven worden welke disciplines betrokken zijn bij de zorgvrager

Algemene overdracht uitbreiden Handleiding ontwikkelen voor het invullen van de overdracht Protocol ontwikkelen voor ontslag rondom de terminale zorg Overdracht digitaliseren

Vraagstelling

Verpleegkundigen missen het psychosociale gedeelte in de overdracht Verpleegkundigen vinden het proces rondom de overdracht goed lopen De wederzijdse verwachtingen zijn nooit onderzocht Aantal verpleegafdelingen hebben al interventies bedacht om de overdracht te optimaliseren


Protocol adherence op de Intensive Care Vraagstelling: ‘Hoe kan de protocol adherence onder de verpleegkundigen op de Intensive Careafdelingen, 3- en 10 zuid, in Erasmus MC beïnvloed worden?

Methode Kwantitatief onderzoek in de vorm van 2 vragenlijsten, verspreidt over 144 ICverpleegkundigen.

Achtergrond Wordt het ontstaan van exogene sputumkolonisaties in de longen verminderd door het steriel uitvoeren van het bronchiaal toilet in vergelijking tot het onsteriel uitvoeren van het bronchiaal toilet? Wat zijn de ervaringen van de ICverpleegkundige met betrekking tot protocol adherence?

Aanbevelingen • Implementeren van protocollen en richtlijnen door middel van een implementatiestrategie • Protocollen en richtlijnen duidelijk en overzichtelijk beschrijven. • Gemakkelijke beschikbaarheid van protocollen en richtlijnen. • Vervolgonderzoek naar effectieve interventies die de protocol adherence onder verpleegkundigen kan verbeteren.

Resultaten & Conclusie Respons: vragenlijst 156%, vragenlijst 250% Protocol adherence positief beïnvloed door: • Implementeren door een adequate scholing en training • Feedback geven • Actieve deelneming vanuit het hele team • Protocollen gemakkelijk in gebruik Negatief beïnvloed door: • Weinig ruimte voor eigen initiatief, • Te complexe protocollen • Weinig aansluiting op de specifieke praktijk • Gebrek aan tijd / grote werkdruk.

Sophie Kleinherenbrink (0819776)


•Vraagstelling ‘In welke mate wordt het protocol ‘bronchiaal toilet’ in de praktijk nageleefd door de Intensive Care verpleegkundigen werkzaam op 10- zuid IC van het Erasmus MC?’

• Achtergrondinformatie - Bronchiaal toilet synoniem voor uitzuigen - Afdeling 10- zuid IC van het Erasmus MC

Protocol adherence op de intensive Care • Methode - Literatuurstudie: Factoren en barrières - Praktijkonderzoek: observatieonderzoek - Kwantitatief onderzoek - 2 periodes van observeren

• Conclusie - Protocol adherence niet optimaal - Verschil tussen observatieperiodes - Effect educatieve interventie

• Resultaten - Handen was gedrag - één of twee personen Sharon van der Zanden 0825023 24-06-2013


Thuis op adem komen Met welke mogelijkheden en knelpunten dient de afdeling Longziekten van het SFG rekening te houden bij het inzetten en implementeren van ziekenhuisverplaatste zorg bij COPD patiënten met betrekking tot de verpleegkundige zorg?

Achtergrondinformatie

Resultaten Op dit moment wordt in geen van de onderzochte externe instellingen ziekenhuisverplaatste zorg nog ingezet. Financiering en het vinden van voldoende geschikte patiënten zijn de grootste obstakels. Het screenen van patiënten op geschiktheid voor vervroegd ontslag is tijdrovend. Alle respondenten zien wel een toekomst in het vervroegd ontslag door ziekenhuisverplaatste zorg.

Door de vergrijzing en het toenemende aantal rokers in de afgelopen decennia is het aantal COPD-patiënten flink toegenomen. Om patiënten in de toekomst optimaal te kunnen blijven behandelen, de beddendruk te verminderen en zorgkosten in de hand te houden moet er gekeken worden naar mogelijke verbeteringen van de zorg voor COPD- patiënten met een acute exacerbatie. Zo zou het inzetten van ziekenhuisverplaatste zorg de ligduur per ziekenhuisopname kunnen verkorten.

Methoden • • •

Literatuurstudie Kwalitatief en beschrijvend praktijkonderzoek Semigestructureerde interviews - 3 interviews met externe instellingen - 2 interviews met verpleegkundigen van de afdeling Longziekten

Janneke Roefs, juni 2013 afstuderend HBO-V Sint Franciscus Gasthuis Rotterdam

Conclusie •

• •

Het inzetten van ziekenhuisverplaatste zorg is een veilig alternatief om de ligduur van COPD-patiënten met een exacerbatie te verkorten. Er is echter nog veel aanvullend onderzoek nodig. Alle verpleegkundige interventies kunnen in de thuissituatie worden uitgevoerd. De belangrijkste aanbeveling:

Start met een pilot waarin geselecteerde patiënten na een ziekenhuisopname van drie dagen met ontslag gaan en thuis nog vier dagen dagelijks (minstens) een controlemoment krijgen van een longverpleegkundige.


Rookontwikkeling

Rookbeleid binnen de langdurig verblijfsafdeling ouderenpsychiatrie. Roken en psychiatrie lijken onafscheidelijk. De prevalentie voor roken onder psychiatrische patiënten is veel hoger dan onder de algemene bevolking. De laatste tien jaar zijn er door verschillende wetgeving een aantal veranderingen op het gebied van roken geweest. Zo is er rookbeleid ingevoerd en is het roken aan banden gelegd. Op de locatie Berkel zijn er afspraken, regels en maatregelen rondom het roken op de afdeling. In de praktijk blijkt het hanteren en handhaven hiervan niet eenvoudig. Vraagstelling: Resultaat: Hoe wordt door de medewerkers van de Redenen voor het rookgedrag locatie Berkel het huidige rookbeleid van de patiënten. Het gaat toegepast, wat vinden zij hiervan en welke hierbij om zelfmedicatie, aspecten zijn van belang om tot een hospitalisatie, verslaving, eenduidig rookbeleid te komen waar iedereen verveling en uitzichtloosheid zich aan kan conformeren? van hun situatie. De cultuur rondom roken op de afdeling houdt het rookgedrag in stand. Het rookbeleid wordt verschillend gehanteerd door onduidelijkheid in regels en afspraken, moeite hebben met de geldende regels en verschil van mening over het huidige Methode: rookbeleid. Kwalitatief empirisch onderzoek door semigestructureerde interviews. Conclusie: Een nieuw rookbeleid is gewenst en voorwaarden hiervoor zijn; kritisch kijken naar en discussie over het huidige beleid en de rol van de verpleegkundige, duidelijkheid in wetgeving en regels, cliëntparticipatie en meer oog hebben voor de gezondheid van de patiënten in relatie tot het roken.

Aanbevelingen. Het creëren van draagvlak voor een nieuw beleid, onderzoek onder patiënten naar huidige rookkamers en gebruik hiervan, stimuleren cliëntparticipatie en het opstellen van een nieuw rookbeleid waarin het ‘stoppen met roken’ een onderdeel is. Sandra Elstgeest 0846758


“DE SAMENWERKING CENTRAAL” Achtergrondinformatie/Methode :

Patiënten van de open opname afdeling van GGZ Delfland ervaren afstand in de relatie met hun persoonlijke begeleider. Er zijn zes semigestructureerde interviews gehouden naar de meningen en wensen van de patiënten ter verbetering van de zorgrelatie.

Vraagstelling : Wat vinden de patiënten van afdeling 12 en 14 van de manier waarop er door de verpleegkundigen invulling wordt gegeven aan de zorgrelatie met de patiënt, Welke rol speelt de persoonlijke hulpvraag hierin en wat kan de verpleegkundige doen om de zorgrelatie zo effectief mogelijk vorm te geven?

Resultaten: De meeste respondenten vinden de samenwerking tussen de verpleegkundige en patiënt een belangrijk onderwerp binnen de zorgrelatie met de verpleegkundige. Binnen deze samenwerking wordt veel waarde gehecht aan de eerste ontmoeting moet de persoonlijke .Naast dit eerste contact zijn betrokkenheid van de persoonlijke begeleider en vertrouwen in de persoonlijke begeleider belangrijke speerpunten. Een aantal respondenten gaf aan het belangrijk te vinden dat er een dialoog ontstaat binnen de zorgrelatie waarin de verpleegkundige en patiënt elkaar aanvullen. Tot slot waren de respondenten zich niet altijd bewust van hun persoonlijke hulpvraag en er werd vervolgens te weinig over de persoonlijke hulpvraag gesproken met hun persoonlijke begeleider.

Conclusie : Betrokkenheid, vertrouwen en informatievoorziening zijn bepalend voor een goede zorgrelatie. De verpleegkundige kunnen dit verbeteren door vraaggerichte zorg meer en beter in de praktijk te brengen. De persoonlijke hulpvraag speelt een te kleine rol binnen de huidige zorgrelaties.

Jasper Buitendijk


HOE

Aanleiding: Voor het goed functioneren van de gezondheidszorg in Nederland is het voor elke instelling belangrijk dat zij kwaliteit van zorg leveren. Er wordt aangenomen dat een protocol een middel is om de verpleegkundigen tijdens hun dagelijks functioneren te ondersteunen bij het leveren van kwaliteit van zorg. In dit verkennende onderzoek wordt nagegaan of dit wel echt zo is Vraagstelling; Is het gebruik van protocollen, tijdens het dagelijks functioneren van de verpleegkundige in de praktijk, van belang voor het leveren van kwalitatief goede zorg?

HEILIG IS EEN PROTOCOL NU EIGENLIJK? Methode: De interviews zijn afgenomen door middel van een semigestructureerd interview, hiervoor is van te voren een proefinterview en een topiclijst opgesteld. Hiervoor is onderzoek gedaan in de praktijk binnen verschillende settingen. Er zijn verpleegkundige in de Algemene Gezondheidszorg geïnterviewd. De andere verpleegkundige zijn geïnterviewd in de Geestelijke Gezondheidszorg en de Maatschappelijke Gezondheidszorg. Tevens zijn er in elke settingen twee verpleegkundige geïnterviewd die differentieerde op ervaringsniveau. Daarnaast is er ook een vak deskundige op het gebied van het gebruik van protocollen geïnterviewd.

Conclusie Het merendeel van de geïnterviewde verpleegkundige heeft goede ervaringen tussen het -gebruik van een protocol en het leveren van kwaliteit van zorg. In de Algemene en Maatschappelijke Gezondheidszorg wordt er in het algemeen merendeels gewerkt met protocollen terwijl dit in de Geestelijke Gezondheidszorg merendeels alleen gedaan wordt op een somatische afdeling. Alle settingen oordelen positief over het gebruik van een protocol als deze wordt gebruikt. Het merendeel van de verpleegkundige gebruikt de protocollen als een leidraad en houvast voor hun handelen, zij wijken af van het protocol als zij dit nodig achten. Een protocol wordt in beide bovenstaande settingen gebruikt tijdens het dagelijks functioneren, ook worden de protocollen gebruikt bij de niet standaard handelingen waar de verpleegkundige nog weinig ervaringen mee hebben. het afwijken van een protocol alleen gebeuren door verpleegkundigen (niveau 4 en 5 verpleegkundige) omdat deze in impact van het afwijken (dienen te) kennen

Laura Veloo afstudeerscriptie 2013

Resultaten: Uit de resultaten blijkt dat, mits verantwoord gebruikt, een protocol een hulpmiddel is voor de verpleegkundige om haar /hem tijdens het dagelijks functioneren in staat te stellen de kwaliteit van zorg te waarborgen. Het merendeel van de geïnterviewde verpleegkundige heeft goede ervaringen tussen het -gebruik van een protocol en het leveren van kwaliteit van zorg. Er zijn nog 2 andere aspecten die van belang zijn bij het werken met een protocol, namelijk ervaring en kennis.


Vraagstelling Hoe kijken verpleegkundigen met verschillende opleidingsniveaus, binnen het Erasmus MC tegen zelfmanagementonder -steuning aan bij mensen met een chronische aandoening?

Hoe kijken verpleegkundigen aan tegen zelfmanagement ?

Methode van het onderzoek Er is gebruik gemaakt van een kwalitatief onderzoek met behulp van een QMethodologie studie. De studentonderzoeker heeft zich gericht op het afnemen van de interviews met behulp van de stellingen, die gingen over zelfmanagement. Deze zijn vooraf opgesteld door de onderzoekers van NURSE-CC. De stellingen zijn opgesteld met behulp van ‘Het Generiek Zelfmanagement Model.’ Valerie Bes

Achtergrondinformatie Het deelonderzoek is van het onderzoeksprogramma NURSECC vanuit het kenniscentrum van de Hogeschool Rotterdam en in samenwerking met het Erasmus MC Conclusie De verpleegkundigen moeten zich richten op het voorlichten, begeleiden en het motiveren van de patiënten. Het is de taak van de patiënten, dat ze serieus omgaan met hun ziekte. Een evenwichtige samenwerking hebben en het samen opstellen van reële en haalbare doelen, het partnerschap doet bevorderen. Ook is er gekeken naar het toekomstbeeld, wat gaat er in de toekomst veranderen ten opzichte van nu. Hoe moeten wij daar als verpleegkundigen op in spelen. Resultaat De resultaten van de zeven geïnterviewde participanten zijn geanalyseerd. De resultaten zijn beschreven volgens de vier thema’s; partnerschap, toekomstbeeld, de rol van de zorgverlener en de verantwoordelijkheid van de chronische patiënt zelf.


“Ik ga wel naar de dokter als ik dood ben� Een kwalitatief onderzoek naar verbetering van het het inschakelen van eerstelijnszorg door clienten uit de maatschappelijke opvang.

Er is onderzocht of er in de literatuur bekend is wat de redenen zijn dat de zorg niet wordt ingeschakeld. Daaropvolgend is in de praktijk onderzocht:

Hoe begeleiders hun clienten Uit de resultaten komt naar ondersteunen en stimuleren voren dat : bij het inschakelen van eerstlijnszorg om vervolgens Begeleiders op verschillende aanbevelingen te formuleren. manieren ondersteunen en Dit werd gedaan door semi stimuleren. Het daadwerkelijk gestructureerde interviews af bespreken van somatische klachten of gezondheid wordt niet als te nemen onder alle uitvoerend hulpverleners van obstakel ervaren. Er worden verschillende interventies gebruikt. de Mackaystraat. Duidelijk is geworden dat daarover binnen het team geen eenduidige opvattingen bestaan.

Eveline Roseboom, Juni 2013


Een betere meldcultuur “Een onderzoek naar de meldingsbereidheid van verpleegkundigen en verzorgenden bij het ontstaan van (bijna) incidenten.”

Fadim Dogan – 0828481 Afstudeeronderzoek HBO- Verpleegkunde


Kan terminale overdracht beter?

Hoofdvraag “Welke aanpassingen, gebaseerd op best practices van andere ziekenhuizen, kan het Albert Schweitzer ziekenhuis doen om de overdracht voor terminale zorgvragers die met ontslag gaan vanuit het ziekenhuis naar de thuissituatie, het hospice of verpleeghuis te optimaliseren?”

Achtergrondinformatie Het onderzoek is uitgevoerd in het Albert Schweitzer ziekenhuis en de samenwerkende ziekenhuizen Ikazie ziekenhuis, Maasstad ziekenhuis en het Amphia ziekenhuis. Dit alles in samenwerking met de Hogeschool Rotterdam.

Methode en werkwijze Praktijkonderzoek door middel van semigestructureerde interviews opgestels aan de hand van topics vanuit de literatuurstudie. De interviews zijn gehouden onder specialistisch verpleegkundige en een transferverpleegkundige. Alle resultaten zijn gecodeerd en geanalyseerd aan de hand van de topics voordat de resiltaten zijn beschreven. Vervolgens zijn resultaten beschreven en in tabellen verwerkt voordat er een duidelijke conclusie is beschreven.

Aanbevelingen Literatuurstudie: Wat hebben andere ziekenhuizen gedaan om de overdracht bij ontslag van terminale zorgvragers vanuit het ziekenhuis naar de thuissituatie, het hospice of verpleeghuis te optimaliseren met betrekking tot het product en het proces? “. Praktijkonderzoek: “Welke interventies en ervaringen uit het Ikazia ziekenhuis, Maasstad ziekenhuis in Rotterdam en het Amphia ziekenhuis in Breda zijn bruikbaar voor het Albert Schweitzer ziekenhuis? “Welke interventies en innovaties zou het Albert Schweitzer ziekenhuis de interventies en innovaties van andere ziekenhuizen over kunnen nemen om de overdracht te optimaliseren?

Uitgevoerd door: Tamara van der Vlist

Korte termijn: • Ontwikkeling protocol gebruik specifieke overdracht • Nieuwe implementatie van specifieke overdracht • Uitbreiding palliatieve unit Lange termijn: • Digitaal proces en product • Ontwikkeling van standaard overdracht • Ontwikkeling van protocol voor standaard overdracht • Uitvoeren van pilot voor ontwikkelingen in digitaal systeem • Ontwikkeling van palliatief team


De naleving van verpleegkundige protocollen Het verminderen van lijnsepsis op de Intensive Care Neonatologie

Vraagstelling In welke mate en onder welke omstandigheden worden de verpleegkundige protocollen voor het werken met CVK’s in de dagelijkse praktijk nageleefd op de afdeling Intensive Care Neonatologie in het Erasmus MC-Sophia?

Achtergrondinformatie Lijnsepsis is een veel voorkomend probleem op de Intensive Care Neonatologie. Om dit te voorkomen heeft het Sophia Kinderziekenhuis protocollen ingezet voor het werken met CVK’s en een infectiepreventie week ingevoerd. Het doel was zicht krijgen op de mate van en de omstandigheden die de naleving van de verpleegkundige protocollen voor het werken met CVK’s kunnen beïnvloeden.

Methode van onderzoek - Kwantitatief onderzoek

- Observaties aan de hand van observatielijsten - Observatielijsten opgesteld aan de hand van de protocollen - Anonieme observaties - Data-analyse volgens VMS voor zieke kinderen

Conclusie - De gemiddelde naleving van de protocollen valt tussen de 80 en 90% - De omstandigheden lijken geen doorslaggevende factor te zijn in de naleving van de protocollen

Resultaten Er zijn in totaal 35 observaties gedaan. Voor het protocol klaarmaken van IV medicatie is de naleving 81,9% van de 12 observaties. Bij toedienen van IV medicatie is dit 90,2% van de 17 en bij het verwisselen van het toedieningsysteem is dit 87,6% van de 6 observaties. Bij het protocol klaarmaken van IV medicatie valt op dat handen desinfecteren met alcohol 100% wordt nageleefd en het etiket invullen maar 50%. Bij het protocol toedienen van IV medicatie zijn er een aantal punten die 100% worden nageleefd, dit zijn: handen desinfecteren met alcohol, insteekopening en fixatie centrale lijn controleren, en de lijn flushen met NaCL 0,9%. De 30 seconden droogtijd wordt met 64,7% nageleefd. Bij het protocol verwisselen van het toedieningsysteem zijn er een aantal punten die 100% nageleefd worden; handen desinfecteren, indien verpakking infuuszak niet meer aanwezig is het aansluitpunt desinfecteren, de 30 seconden droogtijd, het infuussysteem klaarmaken en het systeem ontluchten en de datum en tijd van de verschoning noteren in de computer. De 30 seconden droogtijd na het desinfecteren van het kraantje wordt nageleefd met 50%. Type protocol Klaarmaken van IV medicatie Toedienen van IV medicatie Verwisselen van toedieningsysteem

Door Selena Licht

Aantal observaties 12 17 6


Duaal als ideaal?! Kwalitatief onderzoek naar de voor- en nadelen van het duaal en voltijd studeren van een HBO-V student binnen het Maasstadziekenhuis te Rotterdam

“Wat is de visie van verschillende actoren op het duaal en voltijd studeren als HBO-V student binnen het Maasstadziekenhuis, te Rotterdam?”

Opleiding tot Verpleegkundige Hogeschool Rotterdam in opdracht van het Maasstad Ziekenhuis te Rotterdam door Miranda de Gast Conclusie

Methode • Interviews Resultaten • Maasstadziekenhuis: geeft voorkeur aan duale studenten. Voltijd student zou aan het einde van de opleiding niet competent genoeg zijn om direct aan de slag te gaan in de beroepspraktijk. • Hogeschool Rotterdam: duale student zou vaardiger zijn in de praktijk. Daarnaast wordt het onregelmatig werken als duale student als zwaar beoordeeld. Doordat de duale student als werknemer binnen de instelling fungeert zou er een zwaardere verantwoordelijkheid op zijn/haar schouders rusten waardoor men zich niet breed kan ontwikkelen. • Student: duaal traject word als zwaar ervaren. Voltijd studeren heeft als voordeel het opdoen van ervaringen binnen verschillende instellingen.


Dit ben ik het zorgpaspoort voor mensen met dementie implementeren en evalueren op de afdeling geriatrie in het Vlietland ziekenhuis. Door: Eline Ziel (0817950)

Een zorgpaspoort is een document waarin staat wat de persoon met dementie belangrijk vindt in het dagelijks leven, wat zijn of haar voorkeuren en behoeften zijn en waar hij of zij hulp bij nodig heeft. Het zorgpaspoort wordt voor opname in het ziekenhuis ingevuld door de persoon met dementie samen met zijn/haar mantelzorger en tijdens opname gebruikt om de zorg beter op de patiënt af te stemmen. Vraagstelling: Wat vinden de mensen met dementie, hun mantelzorgers en de zorgverleners op de afdeling geriatrie in het Vlietland ziekenhuis van het zorgpaspoort 'Dit ben ik' en op welke wijze kan het zorgpaspoort de omgang met mensen met dementie verbeteren? Voor het onderzoek is het zorgpaspoort 'Dit ben ik' geïmplementeerd op de afdeling geriatrie van het Vlietland Ziekenhuis. Het zorgpaspoort werd na net opname door de familie en de patiënt met dementie ingevuld. Na een week werd het zorgpaspoort aan de hand van een semi-gestructureerd interview met de mantelzorger geëvalueerd. Verder is de inhoud van het zorgpaspoort en de implementatie met de verpleegkundigen geëvalueerd door middel van een enquête. Later in het onderzoek is het zorgpaspoort ingevuld op de polikliniek geriatrie. Het invullen van het zorgpaspoort is met deze patiënten geëvalueerd aan de hand van een vragenlijst.

Uit de analyse van de interviews, vragenlijsten en enquêtes is naar voren gekomen dat 33 procent van de zorgverleners gebruik heeft gemaakt van het zorgpaspoort. De mantelzorgers merkten geen verschil na het invullen van het zorgpaspoort in de omgang van de zorgverleners met de patiënt met dementie. De zorgverleners gaven aan dat de implementatie goed is verlopen. De reden van het niet gebruiken van het zorgpaspoort was voornamelijk dat er geen opnames waren van patiënten met dementie. Uit de resultaten blijkt dat de zorgverleners, de patiënten met dementie en hun mantelzorgers het zorgpaspoort zien als een leuk initiatief. Het kan leiden tot leuke gesprekken en afleiding geven van onrust. Het is lastig te beantwoorden of het zorgpaspoort de omgang met patiënten met dementie verbetert. De mantelzorgers zijn wel van mening dat het zorgpaspoort de omgang met mensen met dementie kan verbeteren als de zorgverleners de moeite nemen om het zorgpaspoort te lezen. Veel zorgverleners gaven aan nog weinig tot geen ervaring te hebben met het zorgpaspoort.


Hoofdvraag: Op welke manier kan de rol van de verpleegkundige in de thuiszorg verbeterd worden, zodat er minder medicatiefouten gemaakt worden bij oudere cliënten?

Uit de MIC-analyse van Laurens Zorg aan Huis blijkt dat er in 2011 150 incidenten zijn gemeld. Hiervan is 63,33% met betrekking tot de medicatie. De grootste oorzaak hiervan is dat de medewerker de medicatie is vergeten te geven. Uit voorgaande jaren blijkt dat dit probleem ook steeds groter wordt.

Conclusie: Verpleegkundigen zijn zich te weinig bewust van hun rol bij het medicatieproces. Ook zou de kennis van de verpleegkundigen verbetert moeten worden. Dit kan gebeurt worden door scholing te volgen. Ook moet er gekeken worden of het medicatieproces aangepast moet worden, zodat verpleegkundigen zich beter concentreren en hierdoor minder medicatiefouten maken.

-  -  - 

het gebruiken van de patiëntveiligheidskaart het verbeteren van kennis en concentratie voorlichting geven aan de cliënten.


Achtergrond informatie Onderzoek In september 2009 Nurse-driven protocol ingevoerd. Verpleegkundigen mogen zonder toestemming behandelaar morfine toedienen bij VAS ≥4 tot 72 uur postoperatief na openhartchirurgie. Heeft geleid tot pijnreductie. Scores Ramsay = sedatiescore, beoordeling bewustzijn patiënt VAS = pijnscore, objectief meten van pijn

Methode van onderzoek Dossieronderzoek met speciaal ontwikkeld meetinstrument, waarbij de verschillende stappen uit protocol worden geanalyseerd.

Vraagstelling In hoeverre en op welke manier leven de verpleegkundigen op afdeling Thoraxchirurgie in het Erasmus MC het nurse-driven protocol ‘Painmanagement after cardiac surgery’ na?

Resultaten -

Conclusie

Ramsay en ademhalingsfrequentie 0% VAS 30% na terugkomst IC, 82% tot 3e dag postoperatief Misselijkheid, bloeddruk en pols in >50% bij terugkomst IC geregistreerd. Bij interventies 57% onbekende VAS Van 30 interventies is bij 30% bloeddruk en pols gecontroleerd Bij 11 interventies onbekend welke dosering gegeven, 4 gevallen incorrecte dosering.

De resultaten geven geen antwoord op de vraagstelling. Op basis van de resultaten kan wel geconcludeerd worden dat de registratie matig is. Dus eerst slechte registratie aanpakken, voordat guideline adherence bepaald kan worden.

Aanbevelingen -

Belang van registratie benadrukken Observationeel onderzoek laten uitvoeren

Onderzoek naar het meer medisch inhoudelijk handelen van verpleegkundigen in de kliniek. Frank van den Bulk 2013


.

Kwalitatief onderzoek naar de continuïteit en coördinatie van zorg rondom de begeleiding naar zelfmanagement van patiënten met een blijvend stoma Aanleiding Door gebrek aan continuïteit in de begeleiding naar zelfmanagement ontstaat bij veel stomapatiënten een verlengde ligduur. Patiënten die klinisch gezien met ontslag kunnen, gaan uiteindelijk niet met ontslag omdat zij hun stoma nog niet zelfstandig kunnen verzorgen of de thuiszorg moet nog ingeschakeld worden. Daarbij nemen stomapatiënten na ontslag regelmatig contact op met het ziekenhuis met vragen over de stomaverzorging.

Doelstelling Eind Juni 2013 wordt aan de hand van het literatuuronderzoek en de meningen van de (stoma)verpleegkundigen een advies uitgebracht voor verpleegkundigen van afdeling 8 Noord van het Erasmus MC om de continuïteit van zorg rondom de begeleiding naar zelfmanagement van patiënten met een blijvend stoma te optimaliseren

Vraagstelling Op welke wijze kunnen stomapatiënten van afdeling 8 Noord van het Erasmus MC begeleid worden naar zelfmanagement waarbij continuïteit van zorg gegarandeerd wordt?

Methodiek kwalitatief onderzoek waarbij 4 verpleegkundigen van afdeling 8 Noord en 2 stomaverpleegkundigen werkzaam binnen het Erasmus MC werden geïnterviewd op semigestructureerde wijze. De participanten werden geselecteerd aan de hand van een gemakssteekproef waarbij zij voldeden aan de vooraf opgestelde inclusiecriteria.

Resultaten/ conclusie literatuuronderzoek Voorlichtingsmodel voor gedragsverandering  Ondersteuning leerproces  Goede informatieoverdracht  Effectieve communicatie tussen professionals  Verlenen van patiëntgerichte zorg  Organisatie van de verpleegkundige zorg  Casemanagement

Resultaten/ conclusie praktijkonderzoek Voorlichting wordt niet gegeven aan de hand van een voorlichtingsmodel De ondersteuning van het leerproces is minimaal door ontbreken van protocol/checklist, goede rapportage en het ontbreken van inhoudelijke afstemming tussen afdelingsverpleegkundigen en stomaverpleegkundigen.

Belangrijkste aanbeveling  Gebruik voorlichtingsmodel  Deelname stomaverpleegkundigen aan Multidisciplinair overleg Ontwikkel protocol/checklist Rapportage aanvullen met beschrijving zelfmanagement en psychosociale reactie

Naam: Gerriëtte Dammers Studentnummer 0820984


Vraagstelling: In welke mate zijn de niet-patiëntverzorgende medewerkers van de afdeling Neonatologie van het Maasstad ziekenhuis op de hoogte van Nidcap en in welke mate wordt dit door hen toegepast?

Achtergrondinformatie: Het onderzoek is opgestart vanwege het onvoldoende reduceren van prikkels , voor de prematuren ,door het niet-patiëntverzorgend personeel op de afdeling Neonatologie.

Conclusie: Er bestaat een kennistekort met betrekking tot Nidcap onder de nietpatiëntverzorgende medewerkers. Echter zonder volledig ingelicht te zijn, neemt de meerderheid van de medewerkers verschillende maatregelen om prikkels te voorkomen.

Excellente zorg voor neonaten in het Maasstad ziekenhuis Resultaten: De resultaten van de zeven geïnterviewde medewerkers zijn geanalyseerd. De resultaten zijn beschreven aan de hand van de topics: • Nidcap • Informatieverstrekking • Prikkels • Gevolgen • Ervaring

Kirsten de Bruin; 0817954

Onderzoeksmethode: • Kwalitatief onderzoek; • Semi-gestructureerde interviews a.d.h.v. topics; • Topics zijn opgesteld a.d.h.v. gevonden literatuur in de literatuurstudie.


Vraagstelling: Op welke wijze kunnen professionals advies/voorlichting geven aan nierdonoren over het regelen van huishoudelijke hulp in de thuissituatie na ontslag uit het ziekenhuis?

HUISHOUDELIJKE HULP NA DONORNEFRECTOMIE

Achtergrondinformatie:

Methode van onderzoek:

Uit de praktijk is gebleken dat de periode na ontslag vanuit het ziekenhuis niet overeenkomt met de verwachtingen van nierdonoren. Uit minoronderzoek is gebleken dat nierdonoren behoefte hebben aan voorlichting/advisering over huishoudelijke hulp.

Er is een kwalitatief onderzoek opgezet. Door middel van semigestructureerde interviews zijn zes professionals binnen het Erasmus MC geĂŻnterviewd.

Resultaten: - Voorlichting verbeteren *voorlichtingsmateriaal; *begeleider aanwezig; *Informatie Zorggids actualiseren - Alle donoren voorlichten *bewustzijn creĂŤren - Werk inzichtelijk maken *Verslaglegging Elpado

Door: Kawita Bhaggoe

Conclusie: Alle nierdonoren moeten voorgelicht worden over het aanvragen van huishoudelijke hulp ongeacht zij aangeven hier wel/ geen behoefte aan te hebben.

Juni 2013


Sanne Bloemendaal 0819140

Protocol adherence verpleegkundigen Vermindering van lijsepsis bij kinderen Vraagstelling “Wat is de mate van naleving van protocollen uit het Handboek Verminderen Lijnsepsis door de verpleegkundigen van de afdelingen ICK en Kinderchirurgie in het Sophia Kinderziekenhuis en welke factoren zijn hier van invloed op?” Achtergrond (Lijn)sepsis is een acute levensbedreigende aandoening, die onmiddellijk ingrijpen vereist. Lijnsepsis verhoogt de morbiditeit, en daarmee de kosten van een ziekenhuisopname aanzienlijk. Lijnsepsis is een veelvoorkomend probleem bij kinderen met een CVK.

Methode Door middel van structurele observaties is kwantitatief onderzoek verricht. Het handelen van verpleegkundige is geobserveerd ten aanzien van de naleving van protocollen behorende bij centraal veneuze katheters(CVK). Daarbij is gekeken naar beïnvloedende factoren.

Conclusie Handhygiëne wordt door vrijwel iedere verpleegkundige gedaan, net als het desinfecteren van materiaal. De 30 seconde droogtijd hierna wordt slecht gehanteerd. Er zijn geen duidelijke aanwijsbare factoren hiervoor.

Ervaringen De verpleegkundigen moeten zich bewust blijven van de protocollen en het belang van naleving. Dit kan door scholing en reminders.


Protocol adherence op de Intensive Care Afdeling 3 & 10 zuid in het Eramus Medisch Centrum Sarah Stout - 0817550 Vraagstelling: Welke conclusies kunnen getrokken worden ten aanzien van het nastreven van het studieprotocol ‘bronchiaal toilet’ door verpleegkundigen op de Intensive Care (afdelingen 3 en 10 zuid) in het Erasmus MC door middel van observaties tijdens de steriele perioden?

Achtergrondinformatie:

Resultaten:

• De term protocol adherence betekent het opvolgen van een protocol. • De term bronchiaal toilet betekent het uitzuigen van een patiënt bij teveel slijmproductie. • Onderzoek : Observeren van verpleegkundigen tijdens de handeling ‘bronchiaal toilet’ volgens het studieprotocol. • Belang onderzoek : De opdrachtgever onderzoekt zelf of het steriel uitzuigen van een patiënt minder bacteriën van buitenaf veroorzaakt. De uitkomsten van de observaties zorgen voor een grotere betrouwbaarheid van het onderzoek van de opdrachtgever.

• 3 zuid 44 keer handeling geobserveerd. • 10 zuid 55 keer handeling geobserveerd. • Materialen in bijna alle gevallen aanwezig. • Handen desinfecteren wordt vaak vergeten door de verpleegkundigen. •3 zuid: 98% van de verpleegkundigen trekt een steriele handschoen aan. •10 zuid: 89% van de verpleegkundigen trekt een steriele handschoenen aan. • Het steriel houden blijkt echter lastiger te zijn. (3 zuid: 82% - 10 zuid: 84%) • De swiffelbeademing en waterset bleven in minder dan de helft van de gevallen schoon.

Methode: • Kwantitatief onderzoek. • Literatuurstudie (databases). • Gestructureerde observaties. • Analyse met SPSS 17.0.

Conclusie: Het protocol bronchiaal toilet wordt op veel vlakken niet volledig volgens studieprotocol uitgevoerd. De reden hiervoor is door de observaties niet duidelijk geworden. Tijdens de observaties zijn namelijk maar een paar barrières geobserveerd. Mogelijk zijn andere, in de literatuur gevonden barrières hier een reden voor.


Probleemstelling:“Op de verpleegafdeling HPB chirurgie en MDL van het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam, bestaat er bij de verpleegkundigen onduidelijkheid over de beste manier van het verzorgen van PTC drains, waardoor de verpleegkundigen vaak niet weten wat zij moeten doen bij bepaalde problemen met de drains.”

Achtergrond - Hypothese ‘kennistekort’ - Patiënten moeten soms extra naar de poli komen voor uitleg, of moeten zelfs worden heropgenomen, welke met de juiste voorlichting mogelijk voorkomen had kunnen worden; - Patiënten worden op verschillende manieren geïnformeerd, doordat de verzorging van PTC drains verschillend wordt uitgevoerd; - Er is onduidelijkheid bij de verpleegkundigen over de beste manier van het verzorgen van PTC drains.

Percutane Transhepatische Cholangiografie - drainage

Methode - Literatuuronderzoek: bestaande kennis in kaart gebracht en protocol onderzocht - Praktijkonderzoek: Met behulp van vragenlijsten is het kennistekort van de verpleegkundigen, over de verzorging van PTC drains, in kaart gebracht. 24 vragenlijsten zijn ingevuld door verpleegkundigen op de afdeling HPB chirurgie en MDL.

Aanbevelingen - Activiteiten inzetten om het kennistekort aan te vullen

Resultaten - Kennistekort op bijna alle gebieden

- Protocol uitbreiden

- Niet iedereen kent het protocol en/of handelt volgens het protocol

- Patiëntenfolder ontwikkelen - Gerandomiseerd onderzoek uitvoeren  EBP kunnen handelen

- Het protocol is zeer beknopt - Weinig eenduidigheid in de verzorging

Naam: Regine van der Kraan


Afstudeeronderzoek naar terminale zorg gericht op pijn in het Albert Schweitzer ziekenhuis. Vraagstelling: In welke mate voldoet de huidige verpleegkundige terminale zorg gericht op pijn op de afdelingen van Albert Schweitzer ziekenhuis aan de kwaliteitsindicatoren (voortkomend uit de literatuurstudie)?

Methode: Mixed methods: dossieronderzoek en groepsinterviews. Conclusie: 1. Er is geen eenduidig beleid t.a.v. terminale zorg in het Albert Schweitzer ziekenhuis. 2. Deels voldoet de kwaliteit van zorg: de VAS score wordt bijgehouden en er wordt getreeft naar comfort d.m.v. rescuemedicatie. 3. Deels voldoet de kwaliteit niet: de pijnanamnese wordt niet op alle afdelingen gebruikt en de pijnverpleegkundige is maar op twee afdelingen benoemd. Ervaringen: Veel geleerd, veel interesse voor terminale zorg gekregen en ingezien waarom onderzoek doen belangrijk is voor de kwaliteit van zorg

Door Kelly Verdoorn

0822005


Een verpleegkundig coach tijdens de inwerkperiode Vraagstelling

Doelstelling

Hoe kunnen coaches op een eenduidige en optimale wijze ingezet worden gedurende de inwerkperiode van nieuwe verpleegkundigen op een verpleegafdeling in het Sint Franciscus Gasthuis te Rotterdam?

 Een advies hoe op een eenduidige wijze coaches ingezet kunnen worden tijdens de inwerkperiode op een verpleegafdeling  Welke ervaringen hebben verpleegkundigen over het coachen

Methode Kwalitatief onderzoek Literatuuronderzoek en praktijkonderzoek Interviews -Vier gecoachten -Vijf coaches Verpleegafdelingen -Urologie/ Traumatologie -Reumatologie/ Nefrologie -Vaat- Longchirurgie

Achtergrondinformatie N.a.v. minoronderzoek over toetsen en aanbieden van nieuwe stof en welke tools toegevoegd kunnen worden tijdens de inwerkperiode. Werken met een coach is effectief! Nu onderzoek naar coachen tijdens inwerkperiode. Wat zijn de ervaringen van gecoachten.

Aanbevelingen

Aantal keer benoemd

Voorkeur vorm van coachen 5 4 3 2 1 0

Coachen is een goed initiatief Gecoachten vinden het erg prettig om met een coach samen te werken Coach is rolmodel, begeleidende rol Coach informeert, leidt rond, geeft feedback en begeleiding Voordeel: Een vast aanspreekpunt Nadeel: Contactmomenten plannen lastig door werkdruk en verschillende roosters Begeleiding en Feedback volgens verwachting en werkzaam Coaching door middel van gesprekken en samenwerking samenwerken mag meer

Contactmomenten coach - gecoachte Aantal keer benoemd

Groter onderzoeksgroep Focusgroep doen Contactmomenten verbeteren

Resultaten/Conclusie

Coaches Gecoachten

3,5 3 2,5 2 1,5 1 0,5 0

Coaches Gecoachten

Fleur van den Bulk Vormen van coachen

Contactmomenten


Methode: interview en focusgroepen

Wat betekent het elektronisch voorschrijven van medicatie voor de verpleegkundige als zorgprofessional op de afdeling Orthopedie in het Sint Franciscus Gasthuis?

Interview

Focusgroepen

- Overzichtelijk, leesbaar en allergieĂŤn bekend - Communicatie arts en verpleegkundige belangrijk en verwarring aangepaste medicijnen - Alert blijven ondanks EVS

- Medewerking arts nodig - EVS is extra werk en ingewikkeld - Kwaliteit van zorg verbeterd - Verpleegkundigen en hun verantwoordelijkheid verminderd

Sint Franciscus Gasthuis Afdeling Orthopedie Huidige situatie: verlengde –armconstructie wordt gebruikt. Is dit met de invoering van het EVS mogelijk?


Zorg rondom delier patiënt

Onderzoek naar het toepassen van kennis bij de zorg voor de patiënt met een delier ‘Welke kennis passen verpleegkundige van het Maasstad Ziekenhuis afdeling neurologie toe bij het verplegen van een patiënt met een delier en in hoeverre maken zij hierbij gebruik van de richtlijn en het protocol van de instelling?’ Methode Om deze hoofdvraag te beantwoorden is er gestart met een literatuurstudie. Met deze literatuurstudie is er een theoretische onderbouwing gegeven aan de centrale vraag en de deelvragen die hierbij zijn gesteld. In deze literatuurstudie is onderzoek gedaan naar het delier, de specifieke zorgvragen hierbij, de richtlijnen en protocollen. Ook is er een documenten onderzoek gedaan, waarbij de documenten in het maasstad ziekenhuis zijn onderzocht. Hierbij aansluitend is er een kwalitatief onderzoek gedaan onder vijf verpleegkundigen op de afdeling Neurologie van het Maasstad Ziekenhuis. Conclusie Uit het kwalitatief onderzoek bleek dat de kennis bij de verpleegkundigen over het beeld delier op de afdeling, voldoende was. Uit het documentenonderzoek kwam naar voren dat er binnen het Maasstad Ziekenhuis een protocol en de richtlijn delirium aanwezig is. De zorg wordt uitgevoerd aan de hand van deze twee handleidingen. Echter op de afdeling, wordt hier geen gebruik van gemaakt. Bij meer dan de helft kwam dit door onwetendheid, zij hadden hier nooit naar gezocht. De verpleegkundigen handelen zonder te kijken naar een protocol en voeren de opdracht van de arts uit. Ervaring Op de afdeling neurologie van het Maasstad ziekenhuis worden de voorschriften voor de zorg van een patiënt met een delier niet nageleefd. Dit speelt niet alleen op deze afdeling, maar is een groot probleem binnen de zorg. Hoe komt het nu dat de richtlijnen vaak niet wordt toegepast? Asmera Gebresilasie - 0806124


Vraagstelling: “Op welke manier kunnen de verpleegkundigen van de afdeling hematologie van de Daniel den Hoed Kliniek bijdragen aan het ontslagtraject van patiënten met het primair centraal zenuwstelsel lymfoom.

Methode: analyse-eenheid gericht op zinnen en fragmenten, gevolgd door het labelen van relevante tekstfragmenten.

De weg naar het ontslag!

Een onderzoek naar het ontslagtraject van patiënten met het primair centraal zenuwstelsel lymfoom

Conclusie: de verpleegkundigen moeten kennis bezitten van het PCNSL en de neurologische symptomen, de aspecten van het ontslagtraject structureel doorlopen en de patiënten voorzien van informatie. Resultaten: Stap 1: eerste inventarisatie bij opnamewordt niet uitgevoerd bij opname in het ziekenhuis Stap 2: ontslaggesprek minimaal 24 uur voor ontslagwordt niet structureel uitgevoerd voor ontslag Stap 3: nabellenwordt structureel 24 uur na ontslag uit het ziekenhuis uitgevoerd Grootste behoefte: informatievoorzieningis niet toegespitst op het PCNSL Anouk van de Nieuwe Giessen (0804849)


Achtergrondinformatie: Aandachtsvelder is een verpleegkundige die zich verdiept in een bepaald aandachtsgebied en verspreid opgedane kennis om deskundigheid bij collega’s te bevorderen. Aandachtsvelders palliatieve zorg liepen tegen volgende knelpunten aan: - Onduidelijkheden omtrent taken en verantwoordelijkheden. - Te weinig tijd om taak te kunnen volbrengen - aandachtsvelders voelen zich slecht begeleid.

Methode: Kwantitatief praktijkonderzoek d.m.v. een enquête , waarbij een concept taakomschrijving wordt geëvalueerd. Deelnemers: • Aandachtsvelders palliatieve zorg Erasmus MC: 9 • Aandachtsvelders Rode Kruis Ziekenhuis: 3 Ervaring als aandachtsvelder: • 1 jaar: 3 deelnemers • 2 jaar: 3 deelnemers • Langer dan 2 jaar: 5 deelnemers

Vraagstelling: Welke meerwaarde heeft een taakomschrijving voor de aandachtsvelder palliatieve zorg en wat heeft de aandachtsvelder palliatieve zorg nodig om zijn taken goed uit te voeren?

Taakomschrijving aandachtsvelder palliatieve zorg Welke meerwaarde heeft dit voor de aandachtsvelders?

positief over taakomschrijving

negatief over taakomschrijving

geven aan behoefte te hebben aan een nauwere samenwerking met betrokken disciplines

rol aandachtsvelder komt beter tot uiting met taakomschrijving

Aanbevelingen: - Vervolgonderzoek waarbij ontwikkelde taakomschrijving wordt geëvalueerd. - Onderzoek naar kostenplaatje van de aandachtsvelders. - Aandachtsvelder meer tijd bieden, waar mogelijk. - Nauwere samenwerking bevorderen met betrokken disciplines.

Conclusie: • Aandachtsvelders zien de meerwaarde van een taakomschrijving. • Meerderheid van de aandachtsvelders beoordeeld concept taakomschrijving als goed. • Aandachtsvelders geven aan behoefte te hebben aan een nauwere samenwerking met: - verpleegkundigen, verpleegkundig specialisten, management en andere disciplines.

Doina Hoofdman


Mantelzorg in beeld Achtergrondinformatie

Vraagstelling

De afgelopen jaren ziet men een toegenomen incidentie van het aantal patiënten met een primair centraal zenuwstelsel lymfoom (PCNSL). De meest voorkomende symptomen bij deze patiënten zijn cognitieve- en gedragsstoornissen. Voor de mantelzorger van de patiënt met het PCNSL kan dit stress, angst en onzekerheid opleveren.

“Welke factoren zijn van belang voor het doen van aanbevelingen voor een richtlijn voor de verpleegkundigen van afdeling hematologie van de Daniel den Hoed Kliniek met betrekking tot het ondersteunen van de mantelzorger van de patiënt met het primair centraal zenuwstelsel lymfoom?”

Methode

Resultaten

Er is een kwalitatief onderzoek uitgevoerd met behulp van semigestructureerde interviews. Topics zijn opgesteld aan de hand van de resultaten van de literatuurstudie. Na het afnemen van de interviews heeft volledige transcriptie plaatsgevonden. De transcripties zijn onderverdeeld in fragmenten en deze zijn voorzien van labels.

Informatie vormt de grootste behoefte van de mantelzorger. Ook praktische ondersteuning en psychosociale ondersteuning worden als aandachtspunten benoemd. Wat betreft psychosociale ondersteuning vormt het observeren van de draagkracht en draaglast van de mantelzorger een belangrijk punt.

Conclusie Op de afdeling hematologie van de Daniel den Hoed Kliniek bieden de verpleegkundigen geen ondersteuning volgens een structuur of standaard. Zij hebben behoefte aan handvatten voor het bieden van mantelzorgondersteuning.


BEROEPSPRAKTIJKVORMINGSPLAATS OF REGULIERE VERPLEEGAFDELING?

Vraagstelling: Is een leerwerkplaats geschikt als beroepspraktijkvormingsplaats voor de HBO verpleegkunde student in het Maasstadsziekenhuis te Rotterdam? ACHTERGROND INFORMATIE: (WAAROM) • Maasstadziekenhuis heeft geen leerwerkplaats • Onbekend is wat een goede leeromgeving is voor de HBO verpleegkunde student. Is dit een leerwerkplaats of reguliere verpleegafdeling • Is een leerwerkplaats een bijdrage voor het Maasstadziekenhuis?

METHODE VAN ONDERZOEK: • Meetinstrument van Robbert Gobbens: enquete • Interviews

RESULTAAT:

CONCLUSIE:

Bevorderende factoren leerwerkplaats: • oplossing voor een te kort aan stage plaatsen • kloof tussen theorie en praktijk wordt overbrugd • zelfstandigheid en verantwoordelijkheid wordt vergroot • rollen van de HBO verpleegkunde het best ontwikkelen • voorbereid op de toekomst waardoor kortere inwerkperiode

Een leerwerkplaats IS GESCHIKT als beroepspraktijkvormingsplaats voor HBO studenten in het Maasstadziekenhuis omdat studenten hun COMPETENTIES EN ROLLEN hier het BESTE KUNNEN ONTWIKKELEN. De kloof tussen theorie en praktijk wordt overbrugd op een leerwerkplaats. Daarbij is VERDER ONDERZOEK IS NODIG om een beter beeld te verkrijgen van de ervaringen van werkbegeleiders en studenten voor het opstarten van een leerwerkplaats.

Als belemmerend wordt ervaren: • grote druk op werkbegeleiders • slechte communicatie tussen scholen en leerwerkplaats • niveau verschil tussen de studenten

LIANNE WATTEL


Een Q-methodologische studie naar de seksuele opvoeding van ouders aan kinderen met hiv in het Sophia kinderziekenhuis in Rotterdam

resultaat Er zijn vijf profielen te onderscheiden in manier waarop ouders hun hiv positieve kind seksuele opvoeding geven. Bijna alle ouders herkennen zich goed of heel goed in één of meerdere profielen.

hoofdvraag Welke, in de praktijk toepasbare, profielen zijn er te onderscheiden in de seksuele opvoeding door en ondersteuningsbehoefte van ouders van kinderen met hiv in de leeftijd van nul tot en met 20 jaar?

conclusie • De profielen zijn bruikbaar als handvatten om het gesprek over seksualiteit aan te gaan met de ouders.

• De profielen vertonen veel overeenkomsten in de gezichtspunten, gevoelens en ervaringen van ouders ten aanzien van seksuele opvoeding. • Verder onderzoek is nodig om de ondersteuningsbehoefte per profiel volledig te kunnen beschrijven en eventueel meer onderscheid aan te kunnen bregen in de verschillende profielen.

Elise Hartkoorn


Motivational Interviewing: Motivational interviewing werd in 1980 ontworpen voor het bevorderen van de therapietrouw in de verslavingszorg. Motivational interviewing is een patiënt gerichte maar directieve aanpak. Het doel is om de bereidheid om te veranderen te vergroten. Dit wordt gedaan door de patiënt verandertaal te laten uitspreken en ambivalentie weg te nemen. Hoofdvraag: Op welke manier wordt de interventie motivational interviewing toegepast bij zelfmanagement patiënten met hypertensie die behandeld worden op het hypertensie spreekuur van het Maasstad Ziekenhuis?

Methode: • Literatuuronderzoek • Kwantitatief onderzoek • MITI scorelijsten • Interview met opdrachtgever

Achtergrond: Dit onderzoek is een onderdeel van een grotere studie. Deze grotere studie gaat over de therapietrouw bij het gebruik van zelfmanagement en motivational interviewing. Dit onderzoek heeft als doel om de toepassing van motivational interviewing te meten. De toepassing van motivational interviewing wordt gemeten met behulp van de MITI score. Met behulp van deze score krijgt men een cijfermatig inzicht in de toepassing van motivational interviewing.

Resultaten/conclusie: De verpleegkundige past motivational interviewing toe op een niveau dat gemiddeld iets lager ligt dan het niveau van beginning proficiency.

Aanbevelingen: - Minder (gesloten) vragen stellen - Onderzoek na ongeveer een jaar herhalen


Meten is Weten Achtergrond informatie Project binnen het Erasmus MC genaamd ‘Zorgconcept 2017’ Streven naar om van de nieuw bouw van het Erasmus MC een ziekenhuis met kwalitatief hoogwaardige zorg te maken. Pilot afdeling Transplantatie en vaatchirurgie. Lay-out aanpassingen gedaan op de pilot afdeling. Effecten en consequenties op de patiëntenzorg en patiënttevredenheid is onbekend. Er was geen valide meetinstrument beschikbaar om de huidige situatie te testen. Valide meetinstrument ontwikkelen om de patiënttevredenheid in kaart te brengen.

Vraagstelling ‘In hoeverre is de Kernvragenlijst Patiënttevredenheid Academische Ziekenhuizen geschikt om de patiënttevredenheid op de afdeling Transplantatie en Vaatchirurgie (9 noord) van het Erasmus MC te onderzoeken en welke aanpassingen kunnen daarin gedaan worden om specifieke aspecten van de nieuwbouw te meten zonder dat hij zijn validiteit verliest?’

Methoden Literatuuronderzoek Praktijkonderzoek; 1. Expertmeeting 2. Pilot vragenlijst 3. Definitieve vragenlijst

Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat de Kernvragenlijst Patiënttevredenheid Academische Ziekenhuizen (KPAZ) niet geschikt is om de specifieke aspecten van nieuwbouw project te meten. Er zijn een aantal aanpassingen gedaan aan het bestaand meetinstrument om de specifieke aspecten van de nieuwbouw te kunnen meten.

Aanbevelingen De opdrachtgever wordt aanbevolen om de constructvaliditeit van het meetinstrument te bepalen

Kübra Kilinc 0821772


Metabool Signaleren doe je zo! Wat hebben de verpleegkundigen nodig om de signalering van het metabool syndroom bij patiënten met schizofrenie te bevorderen en dit bewust toe te passen in de standaard werkwijze van de afdeling opname twee?

Achtergrond informatie: Metabool syndroom: een patiënt voldoet aan twee of meer van deze symptomen: Een te grote buikomtrek, een te hoge bloeddruk, teveel bloedvetten: triglyceridengehalte is verhoogd (overgewicht), te hoog LDLcholesterol, verhoogde nuchtere bloedsuikerspiegel of diabetes type twee. Uit onderzoek blijkt dat patiënten met schizofrenie meer kans hebben dit te ontwikkelen. Risicofactoren: Medicatie gebruik (antipsychoticum), negatieve symptomen, leefstijl, lage sociale steun, laag zelfbeeld, stigmatisatie, familiaire aanleg en financiële problemen. Grootste doelgroep op opname twee: patiënten met schizofrenie. Observatie onderzoeker: Er wordt niet aantoonbaar gewerkt met de signalering van het metabool syndroom door de verpleegkundigen.

Methode Onderzoek: Kwalitatief onderzoek d.m.v.: Semigestructureerde interviews. Interviews zijn getranscribeerd en gecodeerd. Belangrijkste resultaten zijn beschreven.

Belangrijkste resultaten: - Weinig kennis over metabool syndroom. - Samenwerking tussen verschillende disciplines verloopt niet soepel. - Wordt niet gewerkt met richtlijnen of protocollen. - Wordt niet bewust gesignaleerd. - Hoge prevalentie op de afdeling.

Aanbevelingen: Conclusie: Uit de conclusie zijn vier thema’s naar voren gekomen waar aanbevelingen op zijn gedaan: -Kennisverwerving. -Bewustwording. -Praktijkbeleid. -Samenwerking.

Monique Lammerts, 0816870, Juni 2013.

Kennis: het aanbieden van educatie. Bewustwording: Na de educatie zal Bewustwording tot stand komen en hier Meer mee gewerkt worden. Praktijkbeleid: Protocollen en richtlijnen, Nulmetingen, Screening en monitoring, Aandachtfunctionaris aanstellen en Voorlichting. Samenwerking: Samenwerking met zowel Artsen als andere disciplines verbeteren.


TAVI: Verpleegkundige Checklist L. Joziasse, M.J.A.G. de Ronde, P.P.T. de Jaegere Erasmus Medical Center, Department of Cardiology, Rotterdam, The Netherlands

Introductie

                                                             

Trans Catheter Aortaklep Implantatie

Transcatheter Aortic Valve Implantation (TAVI) is een relatief nieuwe interventie om bij aortaklepstenose (AS) een aortaklep te vervangen. Dit kan plaatsvinden via transfemorale, transapicale, directe trans-aorta of subclaviabenadering. Binnen het Erasmus MC Thoraxcentrum worden in 2013 100 patiënten op deze wijze behandeld. Rekening houdend met de vergrijzing is de doelgroep nog steeds groeiend.

Achtergrond   Bij 20,4% van de TAVI’s komt een vorm van infectie voor (Boon 2012). De oorzaak van het ontstaan van deze infecties is onduidelijk. De mogelijk oorzaak kan ten grondslag liggen aan de bestaande port ‘entrée post TAVI. Om in de toekomst een effectonderzoek te kunnen uitvoeren, is een geschikte verpleegkundige observationele checklist essentieel. In deze checklist dienen de risicofactoren/determinanten die door verpleegkundige geobserveerd worden, opgenomen te worden. Om de checklist zo gebruiksvriendelijk mogelijk vorm te geven, volgt onderzoek naar het vormgeven en/of samenstellen van een verpleegkundige checklist (figuur 1).

Doelstelling Een goed hanteerbare verpleegkundige checklist opstellen vanuit de literatuur, vervolgens in de praktijk een pilot uitvoeren om de checklist te testen/evalueren op hanteerbaarheid. Eventueel aanbevelingen doen om de checklist binnen de dagelijkse patiëntenzorg te gebruiken om zo te komen tot klinische besluitvorming, en in de toekomst gebruiken voor een effectmeting binnen een cohort onderzoek.

Vraagstelling Hoe kan een goed hanteerbare verpleegkundige checklist samengesteld worden die gericht is op het rapporteren en observeren van risicofactoren en determinanten om deze manier infectie bij de verschillende port ‘d entree te kunnen diagnosticeren bij patiënten postTAVI?  Methode

Checklist

TAVI Patientennaam: Dagelijks gebruik AB

Patientenzisnummer: Ja

Verpleegkundige beoordeling checklist, mate van bruikbaarheid

Opnamedatum:

Indien de vraag met JA is beantwoordt, dient de checklist NIET ingevuld te worden!

Nee

Dag van opname

Dag 2 20:00

Hemodynamische gegevens

Dag van opname

Dag 3

20:00

Bloeddruk: Temperatuur: Polsfrequentie: Observatie Jugularislijn Ingebracht op: Multilumen-katheter:

Dag 2

/

Ja

/

8:00 /

Dag 4

20:00 /

8:00 /

Dag 5

20:00 /

8:00 /

Dag 6

20:00 /

8:00 /

Dag 7

20:00 /

8:00

20:00

/

/

8:00 /

20:00 /

Dag 3 8:00

20:00

Dag 4 8:00

20:00

Dag 5 8:00

20:00

Dag 6 8:00

20:00

Dag 7 8:00

20:00

8:00

20:00

Welke score geeft u de hanteerbaarheid van de checklist?

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Is de checklist kort en bondig omschreven?

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Is de checklist gemakkelijk in te vullen?

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Heel slecht 1 2 3 4 5 Zeer goed

Nee Verwijderd Gewisseld

Roodheid:

Verwijderd Gewisseld

Verwijderd Gewisseld

Verwijderd Gewisseld

Verwijderd Gewisseld

Verwijderd Gewisseld

Verwijderd Gewisseld

Verwijderd Gewisseld

Verwijderd Gewisseld

Verwijderd Gewisseld

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar

Geen Weinig Matig Veel Hematoom:

Verwijderd Gewisseld

Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar

Geen Weinig Matig Veel Zwelling:

Verwijderd Gewisseld

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar Niet Beoordeelbaar

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Geen Weinig Matig Veel

Verwijderd Gewisseld

Verwijderd Gewisseld

Verwijderd Gewisseld

Verwijderd Gewisseld

Verwijderd Gewisseld

Verwijderd Gewisseld

Verwijderd Gewisseld

Verwijderd Gewisseld

Verwijderd Gewisseld

Verwijderd Gewisseld

Verwijderd Gewisseld

Verwijderd Gewisseld

Tips en/of op- of aanmerkingen

Bijzonderheden (Jugularis): Bijv. Tip kweek, pus bij insteekopening, enz.

Observatie Blaaskatheter Ingebracht op:

Bijzonderheden (Blaaskatheter): Bijv. Defecte urineopvangzak, verwisselen van katheter, kweken afgenomen /urine ao.

Omcirkel wat van toepassing is! Bij vragen en/of opmerking kun je altijd bellen met 06-28233209 ( L. Joziasse)

Omcirkel wat van toepassing is! Bij vragen en/of opmerking kun je altijd bellen met 06-28233209 ( L. Joziasse)

Figuur  1   Data Analyse

                                         

De mate van hanteerbaarheid van de checklist werd gemeten door beantwoorden van een drietal vragen. Deze vragen worden door de verpleegkundige beantwoord met een opgestelde likertschaal. 1.  Welke score geeft u de hanteerbaarheid van de checklist? 2.  Is de checklist kort en bondig omschreven? 3.  Is de checklist gemakkelijk in te vullen? (Bellamy e.a. 2009)

Door toepassing van SPSS (18.0) beschrijvende statistiek zijn de resultaten op de drie verschillende onderdelen inzichtelijk gemaakt (figuur 2). Opvallend is dat de mate waarop de checklist hanteerbaar is, het laagst scoort.

Figuur  2  

Conclusie                                                              De   beschrijvende statistische gegevens zijn ingevuld door 36 verpleegkundige respondenten. De mate van hanteerbaarheid wordt het laagst gescoord. Mogelijke oorzaken/redenen hiervoor kunnen voortkomen uit de volgende citaten:

‘Gevraagde  gegevens  zijn  relevant  echter  worden  deze  al  op  meerdere  plaatsen  gedocumenteerd  (Elektronisch  PA<entenDOssier   (ELPADO),  controlelijst  rapportage)  hierdoor  is  het  extra  werk  voor  verpleegkundige  zodat  wellicht  verminderd  invullen  ervaren   wordt’  ,  of  ‘Misschien  ten  aanzien  van  drukte  op  de  afdeling  dat  dit  formulier  gedigitaliseerd  kan  worden  verder  geen  opmerkingen’.   Bovenstaande bevindingen leiden mogelijk tot het doen van een aanbeveling, die zich richt op het ontwikkelen van een digitale checklist, geïntegreerd in het actuele ELPADO, zodat het de verpleegkundige geen onnodige handeling en tijd kost om de gegevens in te vullen (figuur 3).

Referenties 1. Van  der  Boon  R.M.  e.a.  2012.  ‘Frequency,  Determinants  and  Prognos>c  Implica>ons  of  Infec>ous   Complica>ons  aDer  Transcatheter  Aor>c  Valve  Implanta>on’.  American  Heart  Journal.  Nog  niet   geplaatst.  

Figuur  3  

2.  Bellamy  e.a.,  1999.  ‘Bellamy  N  A  survey  of  outcome  measurement  procedures  in  rou>ne   rheumatology  outpa>ent  prac>ce  in  Australia’.  Journal  off  Rheumatology.  1999  (26):1593-­‐9.    

L.Joziasse@erasmusmc.nl  


Roos Lecram 0827622

Een goed begin is het halve werk Een kwalitatief onderzoek naar de voorlichting aan patiënten met een Klatskintumor Vraagstelling “ Welke schriftelijk communicatiemiddel is er nodig om de mondelinge voorlichting aan patiënten met een Klatskintumor zo volledig mogelijk aan te vullen, zodat zij een compleet beeld hebben over het ziekte- en zorgproces en welke onderwerpen dienen hierin nadrukkelijk naar voren te komen?” Achtergrondinformatie De Klatskintumor is een tumor die zich op de splitsing van de linker- en rechterlevergang, ofwel Ductus Hepaticus bevindt. De tumor veroorzaakt in eerste instantie weinig klachten, waardoor de ziekte vaak in een laat stadium wordt ontdekt. Patiënten worden in het algemeen in het Erasmus MC of het Amsterdam Medisch Centrum (AMC) behandeld, in verband met de complexiteit van de ziekte en de specialisatie in deze centra. Jaarlijks worden in beide centra ongeveer 50 patiënten behandeld. In het AMC wordt er gewerkt met de folder “Galwegkanker”. Desondanks wordt er in beide ziekenhuizen een gebrek ervaren aan schriftelijk communicatiemiddelen voor deze patiënten. Methode van het onderzoek Het praktijkonderzoek betreft een kwalitatief onderzoek met behulp van semi- gestructureerde interviews met vijf verpleegkundigen uit het AMC en Erasmus MC. Conclusie De mondelinge voorlichting kan effectief aangevuld worden met een schriftelijk communicatiemiddel als een folder. Het ideaalbeeld voor de toekomst is een online zorgdossier of platform voor voorlichting op maat. Belangrijke onderwerpen zijn: algemene informatie over functie lever en galwegen en het ziektebeeld, onderzoeken en behandelingen, zowel curatief als palliatief en complicaties en symptomen. Resultaten en ervaringen Er is een folder ontwikkeld die tijdens een vergadering van de V&VN werkgroep Gastro-entrologische oncologie is gepresenteerd. Mogelijk kan deze folder inspiratie bieden voor het ontwikkelen van een landelijke folder. De aanbevelingen kunnen door de praktijk opgepakt worden. Na een jaar bloed, zweet en tranen is er met trots het eindproduct gepresenteerd en blijkt inderdaad: “Alles komt uiteindelijk wel goed”.


Onderzoek ter realisatie van een competentieprofiel voor de chat door Sanne Kramers Achtergrondinformatie: Technologische ontwikkelingen en patiëntgericht werken hebben ervoor gezorgd dat de GGD een chat heeft opgezet voor jongeren tot 25 jaar om te praten met verpleegkundigen over soa en seksualiteit. Om kwaliteit te leveren dient een competentieprofiel specifiek voor de chat opgesteld te worden.

Methode: • Literatuurstudie • Kwalitatief onderzoek: semigestructureerde interviews met vijf beginnende verpleegkundigen van de afdeling Soa en seksualiteit van de GGD.

Benodigde competenties:  Algemene competenties van de sociaalverpleegkundige;  Sense opleiding;  Digitale vaardigheden  Gesprekstechnieken  Vaardigheden ter verwerking en analyse van informatie;  Taalvaardigheden;  Omgang met kanalenreductie;  Professionele houding;  Kwaliteitsgericht werken;  Kennis van ethische en juridische aspecten.

´Welke basis/aanvullende competenties en vaardigheden hebben de sociaalverpleegkundigen van de GGD Rotterdam-Rijnmond nodig voor het uitvoeren van online hulpverlening door middel van chatten met jongeren tot 25 jaar op het gebied van soa en seksualiteit?´

Citaat verpleegkundige: ´Ik denk dat het heel nuttig is. En noodzakelijk. Zeker omdat dit iets heel nieuws is. Een nieuwe vorm van hulpverlening. Voor ons allemaal.´

Conclusie: Verpleegkundigen die chatten met jongeren hebben een competentieprofiel nodig dat als belangrijkste punt de algemene competenties van de sociaalverpleegkundige bevat.


Overgewicht onder Turkse zuigelingen en peuters, een steeds groter wordend probleem Aanleiding Meerdere verpleegkundigen op het consultatiebureau hebben opgemerkt dat de adviezen over leefstijl en overgewicht door Turkse ouders vaak niet worden opgevolgd. Hierdoor blijft het overgewicht van hun kind in stand. Bij verpleegkundigen wekt dit frustratie op. Vraagstelling Op welke wijze wordt bij de benadering en advisering van artsen en verpleegkundigen op het consultatiebureau Delfshaven, aan ouders van kinderen van 0-4 jaar van Turkse afkomst met betrekking tot leefstijl en overgewicht, rekening gehouden met culturele achtergrond?

Methode - Literatuuronderzoek naar de Turkse cultuur - Semigestructureerde interviews aan de hand van een topiclijst Resultaten Er wordt geen uniforme werkwijze gehanteerd, de respondenten handelen op hun eigen manier. De meeste respondenten geven aan geen rekening te houden met culturele achtergrond en passen de benadering aan, aan de persoon die voor hen zit. De meest benoemde knelpunten aangegeven door de respondenten zijn de taalbarrière en grootouders die veel zoetigheid geven. Conclusie De meerderheid van de respondenten houdt tijdens consulten geen rekening met de culturele achtergrond. De belangrijkste aanbeveling is om voldoende tijd te besteden aan Turkse ouders tijdens een consult en de benadering warm en meedenkend te laten zijn. Ook een scholing in gespreksvaardigheden en over de Turkse cultuur kan helpen.

Chantal Ketelaar 0822007 OVK4D


AANBEVELINGEN VANUIT DE LITERATUUR Vanuit wetenschappelijke literatuur blijkt dat het opzetten van een palliatief consultatief team en het implementeren van het zorgpad stervensfase de kwaliteit van terminale zorg verhoogd wordt.

ZORGPAD STERVENSFASE Uit onderzoek blijkt dat het zorgpad stervensfase bijdraagt aan kwaliteit van zorg voor de stervende patient, de symptoomlast in de laatste dagen

Een onderzoek naar terminale zorgverlening, gericht op het terminaal delier in het Albert Schweitzer ziekenhuis In dit onderzoek is een antwoord gezocht op de volgende vraagstelling: “Hoe kan de kwaliteit van verpleegkundige zorg die geleverd wordt aan terminale patienten in het Albert Schweitzer ziekenhuis gericht op kwaliteit van leven, geoptimaliseerd worden, waarbij een specifieke uitkomstmaat het terminaal delier is?” Terminaal delier Een delier is een toestandsbeeld dat in korte tijd ontstaat (uren tot dagen), waarbij het bewustzijn wisselend gestoord is en de patiënt vaak verward is. Een specifieke vorm van het delier is terminale rusteloosheid. Deze vorm komt voor bij 40 – 90 % van de terminale patienten, meestal in een betrekkelijk stille vorm.

verminderd, de communicatie met zowel patient als diens naasten verbeterd en bijdraagt aan de multidisciplinaire samenwerking (iknl.nl).

PALLIATIEF CONSULTATIEF TEAM Belangrijkste resultaten bij inzet van een palliatief consultatief team zijn betere tevredenheid van de patient, langere verblijfsduur in een hospice, verminderde ziekenhuisopnames en totaal

Een delier heeft belangrijke gevolgen op de kwaliteit van leven. Het optreden van een delier heeft invloed op de ervaring van het einde van het leven, met inbegrip van het maken van beslissingen ten aanzien van de medische behandeling en de mogelijkheid om de laatste levensdoelen te bereiken (Irwin, 2008). Vroegtijdige herkenning van het delier is dus van uiterst belang.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de behandeling en verpleegkundige interventies bij een delier in grote lijnen overeenkomen met de evidence based literatuur en richtlijnen. Er zijn echter aandachtspunten. De belangrijkste aanbevelingen zijn op een rijtje gezet. Aanbevelingen Aan werkgroep delirium wordt aanbevolen meer aandacht te besteden aan de (h)erkenning van een stil delier door verpleegkundigen bij de patient in de terminale fase. Dit gezien acht van de tien verpleegkundigen aangeven dat zij het moeilijk vinden een stil delier te herkennen. Aan werkgroep delirium aanbevolen om kritisch te kijken naar de observatieschaal DOS en eventueel het evalueren en implementeren van de Confussion Assessment Method. Dit gezien de negatieve reacties van verpleegkundigen waardoor de DOS ook niet zorgvuldig wordt ingevuld.

Methode Door middel van interviews bij verpleegkundigen is de verpleegkundige zorg rondom de terminale patient, gericht op het terminaal delier onderzocht. Deze resultaten zijn vergeleken met literatuuronderzoek naar evidence based zorg rondom het terminaal delier.

lagere kosten van de gezondheidszorg (Gade, 2008).

Ingrid Weller - 0820059


Vraagstelling Op welke wijze kunnen verpleegkundigen van de afdeling Longziekten van het Maasstad Ziekenhuis een start maken met het begeleiden van COPDpatiënten bij het stoppen met roken tijdens een opname?

Achtergrond informatie Stoppen met roken is één van de belangrijkste aanbevelingen aan mensen met COPD op het moment dat zij de diagnose krijgen. Op de afdeling longziekten wordt onvoldoende aandacht besteed aan stoppen met stoppen met roken. Methode onderzoek Literatuuronderzoek Praktijkonderzoek door middel van semi-gestructureerde interviews onder 6 verpleegkundigen (MBO en HBO) die werkzaam zijn op de afdeling longziekten

Conclusie Starten met stoppen met roken begeleiding tijdens een opname op de verpleegafdeling door middel van motiverende gespreksvoering als behandeling, aangevuld met een farmacologische behandeling met Nortriptyline of Bupropion ter ondersteuning zorgt voor een toename van de slagingskans met 37% mits een follow up van minimaal 1 maand na ontslag. Ervaringen Wel stoppen met roken advies en voorlichting over gevolgen van roken voor COPD. Te behalen gezondheidswinst wordt niet besproken. Patiënten worden niet begeleid bij het stoppen met roken omdat er geen tijd voor is, geen tijd voor gemaakt wordt, dat de focus ligt op het klaarstomen om weer naar huis te gaan, verpleegkundigen verliezen geduld en omdat verpleegkundigen onvoldoende kennis en vaardigheden hebben om de patiënt te begeleiden. Verpleegkundigen hebben geen kennis van motiverende gespreksvoering.

Deborah Haazer 0839191


De attitude van verpleegkundigen tegenover zelfmanagement onder oudere chronisch zieken

De hoofdvraag van dit onderzoek is: Wat is de attitude van verpleegkundigen met verschillende opleidingsniveaus, werkzaam in de sector ouderenzorg gericht op chronisch zieken in de regio Rotterdam, tegenover zelfmanagementondersteuning bij mensen met een chronische aandoening? Achtergrond informatie: In Nederland leven ongeveer 4,5 miljoen chronisch zieken. Verwacht wordt dat het aantal mensen met een chronische ziekte in de toekomst verder toeneemt. Ongeveer 60% van de oudere bevolking wordt geconfronteerd met Multi-morbiditeit. Er wordt op dit moment ongeveer 18 miljard besteed aan de chronisch ziekenzorg, dit is 70% van de totale zorgkosten. Verpleegkundigen kunnen met hun centrale rol in de zorgverlening een belangrijke bijdrage leveren aan de omslag van de traditionele behandelingsgerichte zorg naar gezamenlijke zorg waarin zelfmanagement centraal staat. Het nieuwe beroepsprofiel is ook een toekomstgericht model waarbij zelfmanagementondersteuning centraal staat. Het is belangrijk dat onderzocht wordt wat de attitude van verpleegkundigen is tegenover zelfmanagementondersteuning omdat de competenties en het onderwijs op het gebied van zelfmanagement dan specifiek gericht kunnen worden op hetgeen verpleegkundigen nodig hebben. Er heeft eerst literatuuronderzoek plaats gevonden. Het praktijkonderzoek heeft plaats gevonden onder verpleegkundigen werkzaam in de sector ouderenzorg in de regio Rotterdam. Tijdens het onderzoek is de participanten gevraagd 37 stellingen te rangschikken van eens naar oneens. Aan de hand van de stellingen en de manier waarop de participant deze gerangschikt heeft zijn semigestructureerde interviews afgenomen. Resultaten: zes verpleegkundigen, mannen en vrouwen in de leeftijd van 21 tot 48 jaar hebben deelgenomen aan het onderzoek. Uit het onderzoek kwam naar voren dat verpleegkundigen op dit moment nog maar weinig zelfmanagementondersteuning bieden. Tijdens de opleiding is volgens de verpleegkundigen weinig aandacht voor zelfmanagementondersteuning geweest. Als doel van zelfmanagementondersteuning zien verpleegkundigen betaalbaarheid van zorg als een bijkomstigheid. Conclusie: de resultaten vanuit de praktijk komen overeen met de resultaten van de literatuurstudie. Voor verpleegkundigen is het moeilijk zelfmanagementondersteuning te bieden omdat zij er weinig ervaring in hebben en geen bijscholing ontvangen. Tijdens de opleiding moet er meer aandacht voor zijn.

Charliene Krugers 0822621


Achtergrondinformatie

Het betreft een secundaire analyse van resultaten van een onderzoek uit 2011 onder ouders van hiv positieve kinderen, onder behandeling in het Erasmus MC-Sophia Kinderziekenhuis. Conclusie was dat de ouders ondersteuningsbehoeften hebben bij de seksuele opvoeding van hun kinderen. Omdat de seksuele voorlichting op de poli op dit moment nog niet structureel genoeg wordt gegeven, is het van belang om onderscheid te maken in deze behoeften en de vormgeving van seksuele opvoeding door ouders. Zo kan de verpleegkundig specialist bij deze behoeften aansluiten.

Methode van onderzoek Q-methodologie Een methode waarmee gezichtspunten over een bepaald onderwerp in beeld wordt gebracht, door middel van onderscheiding in profielen. Bestaat uit 4 stappen, waarvan de eerste drie zijn uitgevoerd in 2011. Stap vier betreft de analyse, en is in dit onderzoek uitgevoerd middels PQMethod. Respondentvalidatie Middels schriftelijke enquêtes, met daarin algemene vragen en een Likertschaal, zijn de resultaten van de Q-methodologie voorgelegd aan ouders met hiv. De enquêtes zijn geanalyseerd middels SPSS.

Resultaten

De uitkomst van de Q-analyse zijn profielen, waarin de gezichtspunten van de ouders onderscheiden zijn in vijf profielen: Profiel A: ‘Beschermend en Open’ Profiel B: ‘Gelovig en Gesloten’ Profiel C: ‘Onwetend en Open’ Profiel D: ‘Bezorgd en Open’ Profiel E: ‘Gelovig en Open’ De enquête liet zien dat Profiel A voor de meeste ouders van toepassing kan zijn.

Conclusie

De ouders zijn niet zo makkelijk in een hokje te plaatsen aan de hand van hun achtergrondkenmerken. De onderscheiding is te maken, maar er zijn tussen enkele profielen overeenkomsten in gezichtspunten. Qua herkenbaarheid zijn de profielen te gebruiken als hulpmiddel om een gesprek aan te knopen. Om echter de unieke gezichtspunten en de houding van elke ouder te typeren, zijn deze profielen (nog) niet onderscheiden genoeg. 24-06-2013

Melina Burgstad

0821430


De leeromgeving op leerafdeling Neurochirurgie van het Erasmus MC, met de verpleegkundige in de rol van begeleider als uitgangspunt.

Kelly Langerak Gecombineerd project met E. van WIngerden

Aanleiding; Uit evaluatiemomenten op de leerafdeling blijkt dat de een meerderheid van de stagiaires de leeromgeving als niet optimaal ervaren. En blijkt dat de werkbegeleiders de rol van coach niet optimaal weten te vervullen door het missen van een eenduidig beleid met betrekking tot het begeleiden van de stagiaires. Vraagstelling; “Hoe kan een eenduidig beleid worden gecreëerd met betrekking tot het begeleiden van verpleegkunde stagiaires van verschillende leerjaren op de leerafdeling Neurochirurgie van het Erasmus MC?”

Methoden  Literatuurstudie; Engelse- en Nederlandstalige Literatuur  Praktijkonderzoek; d.m.v. kwantitatieve onderzoeksmethode.  Onderzoeksinstrument; Enquête Resultaten  De werkbegeleiders volbrengen niet alle taken die ervoor zorgen dat er een krachtige leeromgeving wordt gevormd.  Stagiaires blijken belangrijke punten te missen in de begeleiding.  Overeenkomsten tussen de werkbegeleiders en stagiaires.

Conclusie en aanbevelingen Gericht op het begeleiden van stagiaires, om de rol als begeleider voldoende te kunnen volbrengen en wat de bijdrage is van een werkbegeleider voor het krijgen en behouden van een krachtige leeromgeving, blijkt dat een eenduidig beleid kan worden gecreëerd door te beginnen met het helder krijgen hoe de verpleegkundigen de rol van werkbegeleider dienen te vervullen. De aanbevelingen zijn gericht op het ontwikkelen van een procedure over het begeleiden van de stagiaires.  Scholing / training over manier van begeleiden  Vaste begeleidingscriteria op papier  Intervisiemomenten inplannen


Achtergrondinformatie De afgelopen jaren wordt er binnen de psychiatrie veel gedaan om de toepassing van dwang- en drangmiddelen te laten afnemen. Er wordt geprobeerd de separatiecijfers terug te dringen en alternatieven te ontwikkelen. Ook binnen het Klinisch Centrum Acute Psychiatrie (KCAP) van Parnassia wordt er gebruik gemaakt van dwang- en drangmiddelen. Binnen het KCAP is er nog weinig bekend over de mening van patiënten met 8e keuze 11 34 betrekking tot dwang en drang, waardoor de zorg mogelijk onvoldoende aansluit bij de wensen en behoeften van de patiënten. Dit terwijl de missie 7e keuze 3 21211 26 van Parnassia laat zien dat zij de kwaliteit van leven van de patiënten willen vergroten en de patiënten gastvrije zorg aan willen bieden. 6e keuze 3 12 3 2111 3 19

Alternatieven voor dwang en drang, het perspectief van patiënten.

5e keuze

4 1 5 2 5

Vraagstelling Hoe denken de patiënten van de afdeling KCAP van Parnassia Den Haag over het gebruiken van dwang- 4e keuze en drang maatregelen en alternatieven hiervoor?

5 3

Extra medicatie toendienen Fixatie Hand-in-hand begeleiding Comfortroom Holding 5 minuten

11

Time-out kamer

4

5

6 1 4 2 5

5 13 Kalmerend gesprek

3e keuze

4 4 4

2e keuze

6

6

6

13

1e keuze 2 2 21

0

5

5

13 20

30

Ja (%)

Nee (%)

Separatie Fixatie Noodmedicatie

45 11 75

36 78 14

19 11 11

17 0 75

Geen van allen/kan niet kiezen

X

X

X

8

Weet ik niet (%)

Detectiesysteem op slaapkamer Anders

6

Baat bij …

Hester van Alten - 0819472

Polsband

2 6 21

19 10

5 12

40

Voorkeur (%)

n.v.t.

Methode Om deze vraagstelling te beantwoorden is er een literatuuronderzoek gestart in combinatie met een beschrijvend kwantitatief onderzoek. De data voor het praktijkonderzoek is verzameld door middel van de Nederlandse versie van het gestructureerde interview: “Patient Perspective on Restraint and Alternatives” (PatPRA) Dit meetinstrument is ontwikkeld door onderzoekers vanuit Europa, zodat dit onderzoek in geheel Europa uitgevoerd kan worden. De PatPRA is een gestructureerd interview met vooropgestelde antwoorden, een vast protocol voor de werkwijze en een code boek om de data te verwerken. Bij het analyseren van de data zijnde resultaten gepresenteerd in cijfers, tabellen en grafieken. Zowel patiënten die wel, als die geen dwang en drang hebben ondergaan en opgenomen waren op het KCAP kwamen in aanmerking voor het onderzoek. Er werd voor de selectie gebruik gemaakt van een gelegenheidssteekproef. De verpleegkundigen van de afdelingen speelden hierbij ook een grote rol. Uiteindelijk hebben er 36 patiënten deelgenomen aan dit onderzoek. Resultaten en conclusie De belangrijkste resultaten van dit onderzoek geven aan dat de patiënten noodmedicatie verkiezen boven separatie en fixatie en de patiënten denken dat men hier ook het meeste baat bij zal hebben. Het belangrijkste alternatief voor separatie vinden de patiënten een kalmerend gesprek. Naast het kalmerende gesprek worden ook de comfortroom en time-outkamer veel genoemd. De ervaringen met noodmedicatie en separatie zijn wisselend, maar veelal negatief. Uit het onderzoek is gebleken dat de patiënten denken dat het toepassen van middelen en maatregelen voorkomen kan worden door meer met de patiënten te communiceren en gesprekken aan te bieden.


Verbetering verpleegkundige overdracht in het Sophia kinderziekenhuis Vraagstelling Op welke wijze kan de schriftelijke, materiĂŤle en mondelinge verpleegkundige overdracht van patiĂŤnten tussen de interne afdelingen kinderchirurgie zuid en intensive care kinderen en de externe afdeling Pallieterburght van het Sophia kinderziekenhuis verbeterd worden? Aanbevelingen 1. Head-to-toe checklist en I-5 Tool; 2. Aanwijzen regie verpleegkundige kwaliteit en goed bijhouden van overzicht opname in PDMS (Elektronisch dossier); 3. Scholing over Elpado door verpleegkundigen medium care & scholing voor verpleegkundigen Sophia door een dag te werken bij Pallieterburght; 4. Invoeren mondelinge verpleegkundige overdracht d.m.v. telefoon en skype verbinding.


Protocol adherence onder IC-verpleegkundigen Vraagstelling: In welke mate wordt het protocol ‘Bronchiaal toilet’ nageleefd, door de Intensive Care verpleegkundigen van afdeling 10-zuid van het Erasmus Medisch Centrum, en welke aanbevelingen kunnen worden gemaakt om de protocol adherence voor dit protocol te bevorderen?

Achtergrond: Protocol adherence in kaart brengen is nodig voor het onderzoek van de opdrachtgever naar de relatie tussen steriel uitvoeren protocol ‘Bronchiaal toilet’ en het ontstaan van exogene sputumkolonisaties in de longen.

Methode:

● Literatuuronderzoek (factoren/barrières en bevorderende interventies) ● Observatieonderzoek (85 onsteriele BT observaties en 55 steriele BT observaties)

Resultaten protocol adherence: ● Materiaal  ● Voorbereiding  ● Uitvoering 

vrijwel in 100% van de gevallen aanwezig handhygiene 0 tot 27%, uitvoering 2 personen 50 tot 61%, masker, handschoenen en schort 70 tot 100% steriele BT observaties 80 tot 89% t.o.v. 44 tot 66% bij de onsteriele BT observaties

Conclusie: - Materiaal is geen factor/barriere voor de protocol adherence. - Lage protocol adherence voor uitvoering door 2 personen en handhygiëne. - Veel hogere protocol adherence bij steriele uitvoering t.o.v. onsteriele uitvoering.

Aanbevelingen: - Vervolgonderzoek. - Protocol adherence bevorderen d.m.v. integrale aanpak van bevorderende interventies. - Implementatie steriele protocol verankeren. Roxan Mulder 0814663


Verpleegkundige interventies bij psychotische patiĂŤnten bekend met cannabis gebruik Vraagstelling: Welke interventies kunnen verpleegkundigen op de afdeling P1 toepassen bij patiĂŤnten met een psychotische stoornis of schizofrenie om de kans op heropname ten gevolge van cannabis gebruik zo klein mogelijk te maken? Achtergrondinformatie: Het Erasmus Mc heeft verschillende psychiatrische afdelingen. P1 is de psychiatrische afdeling gespecialiseerd in eerste psychosen. Momenteel worden op de afdeling farmacologische interventies aangeboden (medicatie). Verder worden signaleringsplannen opgesteld en wordt psycho educatie aangeboden. Dit blijkt niet voldoende te zijn om de heropname t.g.v een cannabis gerelateerde psychose te verminderen.

Doelstelling: Het doel van het onderzoek was om aanbevelingen te doen over verpleegkundige interventies voor de afdeling psychiatrie P1. Zodat een heropname ten gevolge van een cannabis gerelateerde psychose verminderd word.

Resultaten Psycho educatie: meer gestructureerd aanbieden. Signaleringsplannen: meningen zijn verdeeld over werkzaamheid. Farmacologische interventies: In combinatie met andere interventies toepassen. Cognitieve gedragstherapie (CGt): nuttig, maar hectiek van de afdeling speelt een grote rol. Motiverende gespreksvoering: Nuttig.

Aanbevelingen De verpleegkundigen moeten geschoold worden in motiverende gespreksvoering en cognitieve gedragstherapie. Cognitieve gedragstherapie en motiverende gespreksvoering moet in het behandelaanbod zitten van de afdeling P1. Psycho educatie dient op een meer gestructureerde manier plaats te vinden.

Methode van onderzoek Praktijkonderzoek d.m.v semigestructureerde interviews. De aandacht ligt op verpleegkundige interventies en wat de mening van de verpleegkundigen hierover is.

Conclusie Uit de literatuur is gebleken dat cognitieve gedragstherapie en motiverende gespreksvoering effectief zijn in het verminderen van cannabis gebruik bij psychotische patiĂŤnten. In het praktijkonderzoek is naar voren gekomen dat verpleegkundigen het belangrijk vinden om CGt en motiverende gespreksvoering toe te passen. Hier moet echter een structurele basis voor zijn welke de afdeling niet kan bieden vanwege de hectiek op de afdeling.

Marjolein Haspers


De naleving van een protocol onder verpleegkundigen Achtergrond. In september 2009 is op de afdeling Thoraxchirurgie van het Erasmus MC het pijnprotocol ‘Painmanagement after cardiac surgery’ ingevoerd. Volgens het nurse-driven protocol mogen verpleegkundigen zonder tussenkomst van een arts, na een openhartoperatie morfine toedienen aan patiënten bij een VAS ≥ 4 mits de ademhalingsfrequentie boven de 12 keer per minuut is, de systolische bloeddruk boven de 100 mmHg en de Ramsay-score onder de 4 is.

Methode. Middels een dossieronderzoek van 37 patiënten is er onderzocht in hoeverre de verpleegkundigen de scores uit de ‘topiclijst’ hebben geregistreerd.

Resultaten. Registratie scores na terugkomst van de Intensive Care Registratie scores na terugkomst ic Herhaling scores na terugkomst ic Scores N = 37 Scores N = 37 Pijnscore (VAS) 35 % Twee uur na terugkomst Bloeddruk 62 % Pijnscore (VAS) 76 % Pols 62 % Sedatie-score (Ramsay) 0% Ademhalingsfrequentie 3 % Vier uur na terugkomst Misselijkheid 62 % Pijnscore (VAS) 0% Sedatie score (Ramsay) 0 % Sedatie score (Ramsay) 0% 100 Registratie in %

Vraagstelling. ‘In welke mate wordt het geldende nursedriven protocol ‘Painmanagement after cardiac surgery’ door de verpleegkundigen op de afdeling Thoraxchirurgie in het Erasmus MC op de juiste wijze nageleefd?’

80 60

Registratie

87

85

83

standaard scores

76

40 20 0

Pijnscore (VAS) 0 Totaal

0

0

Sedatiescore (Ramsay)

0

Dagdienst Avonddienst Nachtdienst

Registratie scores gift morfine Scores N = 40 Voor het geven van morfine Bloeddruk 43 % Pols 43 % Ademhalingsfrequentie 0% Sedatie score (Ramsay) 5% Na het geven van morfine Pijnscore (VAS) 10 %

Dosering morfine Juiste

13%

dosering Onjuiste

16%

dosering 71%

Niet geregistreerd

Conclusie. Op basis van deze resultaten kan er een uitspraak worden gedaan over de mate van registratie per topic door de verpleegkundigen. Maar door onvoldoende registratie is het niet mogelijk om met de gekozen onderzoeksmethode de guideline adherence vast te stellen en een uitspraak te doen over in Nicole Vermeer welke mate het protocol wordt nageleefd.


Attitude verpleegkundigen over zelfmanagementondersteuning Vraagstelling: Welke attitude hebben verpleegkundigen met verschillende opleidingsniveaus uit de sector thuiszorg in de regio Rotterdam over zelfmanagementondersteuning bij patiënten met een chronische aandoening? Achtergrondinformatie Op dit moment telt Nederland 4,5 miljoen mensen met een chronische aandoening, dit aantal zal doorstijgen. Dit betekend dat steeds meer mensen een beroep doen op de zorg. De zorg aan chronisch zieken zal steeds meer in de thuissituatie gaan plaatsvinden. Bij het inpassen van de ziekte in het dagelijks leven spelen verpleeg- kundigen een belangrijke rol. Ook in de recent verschenen beroepsprofielen wordt het ondersteunen van mensen met een chronische aandoening gezien als een belangrijke taak binnen alle verpleegkundige niveaus. Methode van onderzoek - Literatuuronderzoek - Praktijkonderzoek; kwalitatief onderzoek. 37 uitspraken over zelfmanagementondersteuning zijn voorgelegd aan de participanten. Zij hebben deze gerangschikt in stapels van eens en oneens. Hierna is er een toelichting gevraagd op de manier waarop de participanten de uitspraken hebben gerangschikt.

Ervaringen/resultaten Verdere ontwikkeling tot HBOverpleegkundige door het doen van onderzoek. Gekeken naar een onderwerp wat in de zorg steeds meer toegepast zal worden.

Nathalie Gelderblom - 0820526

Conclusie Zelfmanagementondersteuning wordt omschreven als het gezamenlijk helpen van patiënten om kennis over vaardigheden, de aandoening en behandeling te vergroten. Doelen opstellen met de patiënt wordt gezien als belangrijk aspect gezien om de regie zoveel mogelijk bij de patiënt te houden, de sociale omgeving wordt gebruikt bij het opstellen. Er wordt aangegeven dat zelfmanagement kan bijdragen aan de betaalbaarheid van zorg. Als er goed in kaart wordt gebracht wat patiënten zelf kunnen, is het mogelijk om zorgmomenten over te slaan. Tijdens de opleiding tot verpleegkundige wordt er voldoende aan theorie behandeld over het onderwerp, wel wordt praktijkervaring gemist. Aanbevelingen De aanbevelingen na het onderzoek zijn: - Oefenen met situaties uit de praktijk met simulatiepatiënten tijdens de opleiding. -Kijken in praktijk bij welke patiëntencategorieën met zelfmanagement gewerkt kan worden en bij welke niet. - Vervolgonderzoek met verpleegkundigen uit andere regio en andere sector.


Een goed begin is het halve werk Aan welk schriftelijk voorlichtingsmateriaal geven patiënten met een operabel pancreascarcinoom de voorkeur, tijdens de operatieve fase, en aan welke inhoudelijke informatie hebben zij behoefte?

Achtergrond

•Diagnose pancreascarcinoom • Veel informatie in korte tijd -> gaat deels verloren door emotie. • Vragen & onzekerheden bij de patiënt -> daarom telefonisch- of mailcontact met de verpleegkundig specialist. •Behoefte aan schriftelijk voorlichtingsmateriaal/naslagwerk

Methode van onderzoek •Literatuuronderzoek • Kwalitatief onderzoek -> focusgroep -> geleid door 2 ervaren gespreksleiders -> 6 participanten. • Volledige transcriptie -> opstellen hoofdthema’s -> labels toewijzen aan hoofdthema’s.

Probleemstelling

Patiënten met een operabel pancreascarcinoom, die worden behandeld in het Erasmus MC, krijgen van de betrokken behandelaars in de operatieve fase en bij het ontslag geen schriftelijk voorlichtingsmateriaal dat kan dienen als naslagwerk. Dit heeft tot gevolg dat patiënten onzeker zijn en bevestiging zoeken bij de betrokken behandelaars.

Conclusie Praktijkonderzoek

Conclusie literatuur

•Effectieve voorlichting doet een •Behoefte aan schriftelijk beroep op verschillende zintuigen voorlichtingsmateriaal is onduidelijk • Mondelinge voorlichting daarom •Patiënten zitten met vragen -> ondersteunen met schriftelijk contact verpleegkundig specialist -> voorlichtingsmateriaal mogelijk geen vragen als er • Patiënten hebben behoefte aan (schriftelijk) naslagwerk beschikbaar informatie over diverse had geweest. onderwerpen. • Meer informatie over: risico’s van de aandoening en behandeling, opname en medicatie Aanbevelingen •Voorlichting gericht op de individuele patiënt -> ringbandmap met algemene informatie, waaraan aparte katernen over een specifiek onderwerp Ilse van Kekerix. 0819760 toegevoegd kunnen worden Gastro- intestinale chirurgie, •Vervolgonderzoek Erasmus MC Rotterdam


Klatskintumor Op zoek naar een schriftelijk communicatiemiddel Achtergrond De Klatskintumor is een tumor die zich bevindt in de galwegen op de splitsing van de grote galbuis (Ductus Hepaticus). Over het algemeen gaat deze ziekte gepaard met weinig klachten. Wanneer de tumor de galweg helemaal afsluit, krijgt de patiënt pas te maken met diverse klachten, waardoor de ziekte laat wordt ontdekt. Vanwege de complexiteit worden deze patiënten vaak doorverwezen naar het Erasmus MC. De behandeling van de Klatskintumor is momenteel één van de speerpunten van het Erasmus MC. Vraagstelling ‘Welke schriftelijke informatievoorziening is er nodig om de mondelinge voorlichting aan patiënten met een Klatskintumor zo volledig mogelijk aan te vullen, zodat zij een compleet beeld hebben over het ziekte- en zorgproces?’ Methode Het praktijkonderzoek betreft een kwalitatief onderzoek door middel van semigestructureerde interviews, die zijn afgenomen met behulp van een topiclijst. Dit onderzoek is uitgevoerd onder drie artsen en twee verpleegkundigen, allen werkzaam binnen het Erasmus MC met deze patiëntengroep. Conclusie Uit zowel literatuurstudie, als praktijkstudie komt naar voren dat op dit moment een folder het meest geschikt is voor deze patiëntengroep. Over de inhoud van de folder zijn de respondenten het grotendeels met elkaar eens. Er moet een eerlijke beschrijving worden gegeven over wat een Klatskintumor is, waar het precies zit, welke klachten je ervan krijgt en de behandelingsmogelijkheden. Vervolgens een omschrijving van de mogelijke onderzoeken, die worden uitgevoerd voor aanvullend onderzoek en een Second Opinion. Daarnaast moet er deel gewijd worden aan palliatieve zorg. Begrippen die bij dit onderwerp aan bod moeten komen, zijn: kwaliteit van leven; terminale thuiszorg; hospice; euthanasie; pijn en angst. Resultaten en ervaring Na het uitwerken van de resultaten en conclusie, is er een opzet gemaakt van een folder. Deze is opgenomen in de scriptie en aan de opdrachtgeefster binnen het Erasmus MC verstrekt. Tevens zijn de resultaten van het onderzoek gepresenteerd tijdens een algemene vergadering van de V&VN op 17 juni jongstleden. Het uitwerken van dit onderzoek was een uitdaging en ik ben trots op het resultaat!

Manon Blijleven (0826367) Ovk4B


Morele dilemma’s & handelwijzen omtrent de geheimhoudingsplicht Vraagstelling: Hoe gaan verpleegkundigen, van het CJG te Delfshaven, om met morele dilemma’s tijdens een PGO, wanneer informatie gedeeld moet worden met andere zorgprofessionals in het belang van het kind en dit moreel en wettelijk gezien een moeilijke beslissing kan zijn?

Methode: •Literatuuronderzoek •Interviews •Ethische visie •Juridische visie

Achtergrond: Verpleegkundigen van het CJG geven aan het lastig vinden te handelen in een moreel dilemma omtrent de geheimhoudingsplicht. De wetgeving biedt niet altijd voldoende houvast.

Resultaten: Verpleegkundigen van het CJG overleggen in een moreel dilemma altijd met een regisseur voor advies. Bij het handelen van de verpleegkundigen, wordt rekening gehouden met de geheimhoudingsplicht, maar in geval van nood wordt deze doorbroken.

Conclusie: De verpleegkundigen geven aan het vaak lastig te vinden om te handelen in morele dilemma’s als gevolg van onvoldoende deskundigheid in een situatie of tegenstrijd met eigen normen en waarden. Er wordt in principe altijd gehandeld in een dilemma.

Lindsay Rast


Achtergrondinformatie

Resultaten

Dwang- en drangmaatregelen worden zeer frequent toegepast binnen de psychiatrie, diverse alternatieve interventies maken het mogelijk dit aantal te reduceren. Het is van belang bewezen alternatieven te kunnen aanbieden. Daar wordt mogelijk een bijdrage aan geleverd door onderzoek naar de effectiviteit van de comfortroom.

In acht van de dertien casus hebben de patiënten een positieve verandering door gemaakt. In twee casus gingen de patiënten op advies van een begeleider, in de overige casus gingen de patiënten op eigen initiatief. In zes casus verbleven de patiënten onder begeleiding in de comfortroom en in één casus werd zo nodig medicatie voorafgaand aan de comfortroom ingenomen.

Vraagstelling Welke verandering (gemeten met de CrisisMonitor) van het toestandsbeeld is zichtbaar, bij patiënten die een periode in de comfortroom hebben doorgebracht op advies van een begeleider op Opname 2 of omdat zij zelf aangaven daar behoefte aan te hebben?

Conclusie Methode van het onderzoek Kwantitatief, uitgevoerd middels quasi-experiment (gelegenheidssteekproef). Drie maanden dataverzameling, voor- en nameting met een interventiegroep. Aan de hand van topics (voortkomend uit de literatuurstudie) zijn drie respondenten (semigestructureerd) geïnterviewd, voor resultaatbespreking.

De resultaten vanuit de CrisisMonitor geven een positieve verandering in het toestandsbeeld weer. In de resultaatbespreking wordt dit ook door de respondenten benoemd.

Gegevens Naam: Karlijn Maaskant (0842410) Mailadres: karlijnmaaskant@gmail.com Opdrachtgever: Edwin Hellendoorn Begeleidend docent: Monique van den Berg Parnassia Groep Zorgbedrijf: Bavo Europoort Afdeling: Opname 2


Achtergrondinformatie Bij de meeste IC-patiënten is bewaking en behandeling noodzakelijk. Deze bewaking en behandeling die een hoge frequentie en intensiteit hebben, gingen de afdeling Neurochirurgie te boven. Hiervoor is sinds 2012 de Neuro High Care in het leven geroepen.

Methode (zowel kwantitatief als kwalitatief) • • •

Enquêtes Interview Observatie

Resultaten

Vraagstelling Wat zijn de knel- en pluspunten die ontstaan zijn door het oprichten van de afdeling Neuro High Care, ten aanzien van de werkdruk van de verpleegkundigen op de afdeling Neurochirurgie van het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam?

Conclusie Knelpunten: • Problemen in de overdracht • Negatieve sfeer • Weinig waardering • Te weinig uitdaging • Onenigheid over complexiteit zorgvraag patiënten. Pluspunten: • 85% ervaart minder werkdruk • Meer tijd voor de patiënt • Meer tijd voor andere zaken • Doorgroeimogelijkheden • Ontlasting van de IC

Jasmijn Oostveen 0819207


Achtergrondinformatie Op de afdeling verloskunde/gynaecologie in het Vlieland ziekenhuis worden maagspoelingen uitgevoerd om misselijkheid en braken bij pasgeborenen op te heffen. Hierbij wordt met een maagsonde de maag van de pasgeborene schoongespoeld. Vanuit verschillende onderzoeken is de ineffectiviteit van maagspoelingen gebleken en worden daarom ook afgeraden .

Aanbevelingen

Probleem/vraagstelling

Welke aanbevelingen kunnen er gedaan worden met betrekking tot alternatieve interventies voor het opheffen van misselijkheid en braken bij pasgeborenen die in de praktijk kunnen worden toegepast als alternatief op de verpleegkundige interventie maagspoelen?

• • •

Bekende interventies (beter) toepassen en rapporteren, Indiceren van protocol maagspoelen Overleg met de kinderarts Sacharose toedienen bij maagspoeling Onderzoek doen naar de interventies ‘Aromatherapie’, ‘voedingsverdikking’ en ‘medicatie’

Resultaten/Conclusie Het merendeel van de O&G-verpleegkundigen voeren de maagspoeling uit en staan hier ook achter. Wel is het merendeel van mening dat het protocol ‘maagspoelingen bij pasgeborenen’ geïndiceerd moet worden. Geconcludeerd kan worden dat maagspoelingen in de toekomst niet zullen verdwijnen uit het zorgbeeld.

Idrisca Venetiaan 0854114

Methode van onderzoek Kwantitatief en kwalitatief onderzoek onder 31 Obstetrie en gynaecologie verpleegkundigen en 11 ziekenhuizen in de Regio Rotterdam/DenHaag


Ik ben het niet waard, zie je wel!

Wat zijn volgens borderline cliënten, die opgenomen zijn geweest op de Albatros, redenen waarom hun acting-out gedrag tijdens hun opname toenam wat heeft geleid tot onvrijwillig ontslag? Achtergrondinformatie Afgelopen vijf jaar zijn er 37 cliënten met ontslag gegaan op de Albatros. Hiervan zijn er 24 cliënten weggestuurd door het behandelteam, omdat er een toenemend vorm van (zelf)destructief gedrag was

Methode Kwalitatief onderzoek • Literatuuronderzoek • Praktijkonderzoek • Semi- gestructureerde interviews onder de push-out borderline cliënten en de twee behandelaren

Resultaten • De behandeling zorgt voor spanningen en stress • De therapieën worden als erg fijn en leerzaam ervaren. Maar ook als confronterend, zwaar en intensief. • Er is veel spanning en stress buiten de therapieën om • De groep wordt als eng en spannend ervaren. • Het gevoel van falen komt sterker naar boven

Conclusie De cliënten ervaren veel druk wat zorgt voor oplopende spanningen. Het lukt ze niet meer om de aangeleerde methode te gebruiken om hun spanning te verlagen. De enige uitweg is (zelf)destructief gedrag. Ze belanden in een negatief spiraal en worden het negatieve middelpunt van de groep, met als gevolg zich een ‘zondebok’ te voelen. Waardoor het (zelf)destructieve gedrag toeneemt.

Patty Ton, 079 4645


Morele stress onder toekomstige AGZ verpleegkundigen Een kwalitatief onderzoek naar ervaringen van studenten HBO-Verpleegkunde Hoofdvraag: In welke mate ervaren AGZ gedifferentieerde studenten HBO-verpleegkunde aan de Hogeschool Rotterdam, morele stress tijdens hun stage en hoe leren studenten in hun opleiding hiermee om te gaan? Methode: De onderzoek setting bestaat uit 3e, 4e en meerdere jaars AGZ studenten verpleegkunde aan de Hogeschool Rotterdam. Van de 11 benaderde studenten zijn 7 interviews afgenomen, waarbij er 6 als data konden worden gebruikt. Daarnaast is de docent ethiek geïnterviewd over de plek van morele stress in het huidige curriculum. Bij het interviewen is gebruik gemaakt van semigestructureerde interviews. De studenten hebben allen de morele stress thermometer ingevuld (Wocial, 2013). Dit valide meetinstrument geeft eenvoudig weer welk cijfer (van 0-10) de student aan het stress gevoel geeft in een specifieke situatie of periode. Resultaat: Opvallend was dat op 1 student na iedereen morele stress ervaren heeft tijdens stages. Dat terwijl de omstandigheden vergelijkbaar waren. Enerzijds zijn er dus de niet ideale omstandigheden die onwenselijk zijn, maar waarbij niet iedereen morele stress ervaart. Anderzijds kunnen de gevolgen van morele stress bij degene die het wél ervaren van ernstige aard zijn, en moeten daarvoor oplossingen worden gezocht. Geen van de studenten denkt nu in de positie te staan om de oorzaken van morele stress aan te kunnen pakken. Bij de vraag wat de studenten hebben gemist in het onderwijs aangaande morele stress, waren de meningen te categoriseren in ‘voorbereiding op stage’. Aanbeveling: Stage voorbereiding zou mogelijk een deel van de gevolgen/problemen kunnen voorkomen. De tweede belangrijke aanbeveling is gebaseerd op de resultaten van het interview met docent ethiek in vergelijking met het nieuwe competentieprofiel van de verpleegkundige (Schuurman, 2012). De aanbeveling pleit voor een vak ‘organisatorische vaardigheden’, waarin de studenten op de juiste wijze hun HBO competenties lereninzetten om morele stress aan te pakken en daarbij gebruik te maken van mogelijk al bestaande gremia van de instelling.

“Morele stress is een vorm van stress dat opkomt op keuzemomenten wanneer je denkt te weten wat de juiste keuze is, maar iets of iemand beperkt je in het nemen van de juiste keuze.” (werkdefinitie, vertaald van Wocial e.a. 2013:169) Oorzaken genoemd door studenten: - Werkdruk - Ingezet worden als werknemer - Prestatiedruk - Beoordelingsangst - Angst om mee te moeten liegen voor andermans fouten - Minder competente collega’s/ begeleiders - Onzekerheid over eigen competentie Gevolgen volgens studenten: Hevige emoties zoals: angst, frustratie, paniek, onzekerheid, dichtslaan, balen etc. Maar ook verlaagde kwaliteit van zorg verlening, slecht slapen, piekeren, energieloosheid, motivatieverlies en vroegtijdig stoppen van stage/functie. Geraldine Wigboldus– de Kruif 0804811 In samenwerking met Kenniscentrum Zorginnovatie Hogeschool Rotterdam


dyspnoe onderzoek naar dyspnoe bij palliatieve patienten in de terminale fase Tot op heden is er geen eenduidig beleid ten aanzien van palliatieve en terminale zorg binnen het ASZ. Het Albert Schweitzer ziekenhuis wil hierdoor graag innoveren in terminale zorg. Daarom is de huidige kwaliteit beoordeeld aan de hand van literatuur

aanbevelingen - Combinatie meetinstrumenten DVAS en saturatiemeter. - Zorgpad Stervensfase invoeren op elke afdeling. - Sneller comfortbeleid opstellen en daarmee onnodige handelingen vermijden. - Wekelijks MDO op elke afdeling. - Palliatief team oprichten. - Klinische les over specifieke patientengroep door longafdeling.. - Regelmatiger overleg met medische team moet plaatsvinden.

Op welke punten voldoet de verpleegkundige zorg in het Albert Schweitzer ziekenhuis, aan de gestelde indicatoren vanuit de literatuurstudie over het leveren van kwaliteitszorg aan de (individuele) terminale zorgvrager met dyspnoe. - Dossieronderzoek bij niet overleden patiënten op zes geselecteerde afdelingen. - Aanvullende groepsinterviews met verpleegkundigen op de zes geselecteerde afdelingen.

verschillen & overeenkomsten - Niet gewerkt met meetinstrument DVAS. - Te laat gestart met comfortbeleid, waardoor onnodig handelingen doorgaan. - Slechts één afdeling werkt met het Zorgpad Stervensfase dat bijdraagt aan kwaliteit van zorg en symptoomlastvermindering in de laatste levensfase. - Fysiotherapie voor ademhalingsoefeningen te weinig in consult. - Meer relatie met dyspnoe en angst leggen. - Focus Comfort en Symptoomverlichting. - Gewerkt met bewezen meetinstrument. - De observatiepunten dyspnoe. - Juiste medicatie als actie op dyspnoe. - Juiste disciplines bij psychosociale problematiekkwaliteitszorg aan de (individuele) terminale zorgvrager met dyspnoe.

De longafdeling voldoet, van de zes afdelingen waarop groepsinterviews zijn afgenomen, het meest aan de door de literatuur gestelde indicatoren. Geconcludeerd kan worden dat het Albert Schweitzer ziekenhuis in grote lijnen voldoet aan de gestelde indicatoren vanuit de literatuurstudie. Wel zijn er enkele verschillen geconstateerd tussen de literatuur en de praktijk.

AIka Kwakernaat 0804071


CPOT

Critical Care Pain Observation Tool

Pijnmeting door IC-verpleegkundigen Bij gesedeerde beademde patiënten

Achtergrondinformatie

Resultaten

--Uit onderzoek en spiegelgesprekken

--Er is een sterke, positieve

is gebleken dat patiënten ervaren pijn

samenhang tussen de CPOT-scores

op de IC.

van de pijnconsulent en de IC Methode van onderzoek

--Bij aanspreekbare patiënten wordt voor pijnmeting de NRS gehanteerd. Bij gesedeerde en beademde patiënten wordt geen pijn gemeten.

--Kwantitatief onderzoek --Het gelijktijdig bepalen van de CPOT in rust door twee verpleegkundigen

--De verpleegkundige dient de best mogelijke zorg te leveren. Pijnmeting is hier een onderdeel van.

en een intensivist. --Er zijn 30 patiënten geobserveerd in een periode van zes maanden.

--De CPOT is een meetinstrument dat kijkt naar gedragingen, die kunnen

verpleegkundige. --Beiden hebben een matige correlatie met CPOT-scores van de intensivist. --Bij 4 van de 30 beoordelingen overschrijdt het verschil tussen de beoordelaars de drempelwaarde (geen pijn versus pijn).

Conclusie

wijzen op pijn.

--Het aantal van 4 overschrijdingen van de drempelwaarde op 30

Vraagstelling

beoordelingen is een getal wat Analyse

In hoeverre geeft pijnmeting met behulp van de CPOT, bij gesedeerde en beademde volwassen patiënten in rust op de intensive care van

--Met behulp van SPSS 20 --De Spearman’s

het Vlietland ziekenhuis, door verschillende beoordelaars een

rangcorrelatiecoefficiënt is voor paren van twee beoordelaars bepaald.

gelijke score, zodat er een consistent pijnbeleid kan worden gevoerd ?

naam:

Elke Berger (0853258)

mail:

elkeberger@chello.nl

opleiding:

HBO-Verpleegkunde (maatwerk)

instelling onderzoek: Vlietland Ziekenhuis, Schiedam datum:

juni 2013

aanvaardbaar is en bruikbaar in de praktijk. --Om de CPOT op een juiste en eenduidige wijze te kunnen toepassen is scholing van belang.


Meten is weten, Agressie gemeld?! Aanleiding Uit onderzoek van het Erasmus MC bleek 75% van de verpleegkundige te maken te hebben gehad met agressie. In 2011 is hiervan in totaal 29 keer een melding gemaakt. In 2012 was dat 154 keer. “Dat is dus maar het topje van de ijsberg als je het vergelijkt met de enquête cijfers.”

Wat is er nodig voor verpleegkundigen op de psychiatrische afdelingen van het Erasmus MC om agressie te melden via het Risico Management Systeem?

- Meer tijd, veel meldingen worden niet gemaakt wegens tijdgebrek ! -

Blame Free omgeving volgens literatuur belangrijke factor, deze is in het Erasmus MC op de psychiatrie afdelingen al aanwezig.

- Een terugkoppeling van de meldingen en wat er vervolgens met deze meldingen wordt gedaan.


“Samen zoeken naar de grens van eigen mogelijkheden” Onderzoek naar het effect van het gebruik van het Omaha Systeem op het ondersteunen van de zelfredzaamheid van de cliënten van Buurtzorg Nederland.


Van  een  veilige  thuishaven  “KinderHaven”  naar…?   De  transi*e  van  jongeren  met  astma  naar  de  volwassenenzorg.    Onderzoeksvraag:  

 “Aan  welke  eisen  en  inhoud  moet  een    transi3eplan   voldoen  om  een  jongere  voor  te  bereiden  op  de   transi3e  van  “KinderHaven”  naar  de  volwassenenzorg?”  

AchtergrondinformaBe   De  transi3e  van  KinderHaven  naar  de  volwassenenzorg  verloopt  nu   abrupt  en  ongestructureerd.  In  overleg  met  de  jongere  wordt  er  met  18   jaar  contact  opgenomen  met  het  Havenziekenhuis,  de  huisarts,  het   Erasmus  MC,    of  ander  ziekenhuis  in  de  buurt  en  maakt  de  jongere  de   transi3e  zonder  enige  voorbereiding.  Vanuit  de  prak3jk  bestaat  de   behoePe  om  de  jongeren  een  gestructureerde  voorbereiding  op  de   transi3e  te  bieden.  

 

Deelonderzoek:   “Aan  welke  eisen  en  inhoud  moet  volgens  de  longartsen   en  verpleegkundig  specialisten  van  het  Havenziekenhuis   een  transi3eplan  voldoen?”  

Methode:   Kwalita3ef  onderzoek   door  semi-­‐ gestructureerde   Interviews.   Er  is  gekozen  om  voor   beide  poliklinieken   dezelfde  topics  te   hanteren  om  beide   onderzoeken  met   elkaar  te  kunnen   vergelijken.  

Eindpunt:   Havenziekenhuis  of   elders  

Resultaten   Ø  SchriPelijke  overdracht  niet  al3jd  voldoende,  sociale  context   mist   Ø  Transi3eplan  moet  bevaTen:   •  Afspraken  over  manier  van  overdragen;   •  De  benodigde  competen3es  en  vaardigheden  voor  de   jongeren  om  de  transi3e  te  kunnen  maken;   •  Een  jaar  van  te  voren  starten  met  de  voorbereiding  op   de  transi3e;   •  Verantwoordelijkheden  van  de  professionals;   •  Afspraken  over  eventueel  kennismakingsgesprek;   •  Indica3e  door  verpleegkundig  specialisten  in   KinderHaven  over  betrokkenheid  verpleegkundig   specialist  in  de  volwassenenzorg.  

Conclusie   Een  hele  uitgebreide   voorbereiding  op  de   volwassenenzorg  lijkt  in  het   geval  van  astma  niet   noodzakelijk.  Er  is  gekozen   om  voor  het  opstellen  van   het  transi3eplan  de  “toolkit   transi3eprotocol”  van   www.opeigenbenen.nu  als   basis  te  gebruiken.   Nienke  Visser,  0817036  


Methode van onderzoek

Achtergrondinformatie De kwaliteit van zorg voor patiënten met diabetes mellitus is in Nederland gemiddeld gesproken acceptabel. Toch ontvangen nog niet alle patiënten de noodzakelijke zorg en worden bij ongeveer 30% van de patiënten met diabetes mellitus de streefwaarden niet gehaald, ondanks de ruime beschikbaarheid van richtlijnen. Er lijkt dus ruimte voor verbetering in de kwaliteit van de diabeteszorg.

Literatuuronderzoek toont aan dat de kwaliteit van zorg bestaat uit vier domeinen, die in het praktijkonderzoek zijn getoetst in huisartsenpraktijk ‘Hellendaal’ met een combinatie van kwantitatief en kwalitatief onderzoek: o Professionele kwaliteit van zorg: kwantitatief dossieronderzoek van 264 diabetespatiënten. o Organisatorische kwaliteit van zorg: kwantitatief observatie onderzoek naar het handelen van de praktijkverpleegkundige. o Maatschappelijk, moreel en juridisch verantwoorde zorg & o Patiëntgerichte zorg: kwalitatieve interviews met 5 diabetespatiënten.

Conclusie o Professionele kwaliteit van zorg: uit het dossieronderzoek kan geconcludeerd worden dat de diabeteszorg doeltreffend, veilig en effectief is. o Organisatorische kwaliteit van zorg: met behulp van het observatieonderzoek is gesignaleerd dat er geen afspraken zijn over gestructureerd overleg en case finding. Daarnaast blijkt dat er geen patiëntenenquête gebruikt wordt. o Maatschappelijk, moreel en juridisch verantwoorde zorg: uit de interviews kan geconcludeerd worden dat de zorg tijdig, vrij toegankelijk en geïndividualiseerd verleend wordt. o Patiëntgerichte zorg: met behulp van interviews blijkt dat de deelnemers over het algemeen tevreden zijn over de diabeteszorg die de praktijkverpleegkundige in huisartsenpraktijk ‘Hellendaal’ levert.

Lianne van der Hoek 0816933

Resultaten o Professionele kwaliteit van zorg: volgens de puntentelling van het scoresysteem van de Zorggroep Eerste Lijn wordt huisartsenpraktijk ‘Hellendaal’ ingedeeld in de categorie van de hoogst scorende praktijken. o Organisatorische kwaliteit van zorg: twee van de zes punten van de organisatiestructuur in deze huisartsenpraktijk voldoen niet aan de ‘Zorgstandaard voor goede diabeteszorg’. o Maatschappelijk, moreel en juridisch verantwoorde zorg: de zorg is tijdig, vrij toegankelijk en wordt geïndividualiseerd verleend. o Patiëntgerichte zorg: de deelnemers zijn over het algemeen tevreden over de diabeteszorg die de verpleegkundige in de huisartsenpraktijk levert.


Achtergrond De participanten van het praktijkonderzoek waren 32 (bijna) (gespecialiseerd) verpleegkundigen, werkzaam op de afdeling Verloskunde van het Erasmus MC - Sophia Kinderziekenhuis, te Rotterdam. De afdeling Verloskunde bestaat uit een Zwangerenafdeling, Verloskamers en een Kraamafdeling.

Joyce van den Nieuwendijk 0817980 HBO-Verpleegkunde Hogeschool Rotterdam 24-06-2013 Verloskunde â&#x20AC;&#x201C; Kraamafdeling Sophia Kinderziekenhuis

Vraagstelling Welke aanbevelingen kunnen worden gedaan aan verpleegkundigen van de Kraamafdeling van het Sophia Kinderziekenhuis om hechting tussen moeder en kind te bevorderen na een sectio caesarea? Methode van onderzoek Het onderzoek is kwantitatief. Er is gebruik gemaakt van een vragenlijst met meerkeuzevragen aan de hand van stellingen om gegevens te verzamelen. Met behulp van Microsoft Excel zijn de verkregen resultaten gestructureerd en geanalyseerd. De resultaten zijn weergegeven in cirkeldiagrammen en tabellen.

Een onderzoek naar bevordering van hechting tussen moeder en kind na een sectio caesarea

Resultaten 90% van de respondenten zou de pasgeborene vaker door moeder zelf willen laten verzorgen, 0% laat babymassage toepassen door moeder, 89% zou moeder vaker huid-op-huid contact willen laten ervaren met haar pasgeboren kind en 72% vader en kind. 52% zegt vader geen huid-op-huid contact te laten ervaren met zijn pasgeboren kind, waarbij er 5 van de 32 aangeven dat ze hier niet aan denken. 81% gaf het antwoord meer aan de bevordering van hechting tussen ouder en kind te willen gaan doen. Conclusie De aanbevelingen die kunnen worden gedaan zijn: - Babymassage gaan laten toepassen door ouders; - De positieve gevolgen van het bevorderen van hechting beter bekend maken op de afdeling; - Huid-op-huid contact vaker toepassen (ook tussen vader en kind); - Vervolgonderzoek doen.


GVO of nog een blow? Vraagstelling Op welke wijze kunnen verpleegkundigen, werkzaam op afdeling Dorpsblik, op een effectieve manier een nieuw, op cannabisgericht, GVO-programma uitvoeren dat aansluit bij de behoeften van patiënten met schizofrenie?

Achtergrond Cannabisgebruik onder patiënten met schizofrenie komt erg veel voor. Zij hebben daar verschillende redenen voor en zien hier deels de voor –en nadelen van in. Op afdeling Dorpsblik is tot een half jaar geleden gezondheidsvoorlichting -en opvoeding (GVO) gegeven, aan de hand van de Libermanmodule. Dit is door omstandigheden niet voortgezet, waardoor de patiënten langere tijd geen GVO hebben ontvangen. Door deze GVO weer op te pakken dient er onderzoek gedaan te worden naar wat de wensen en behoeften zijn van de patiënten en verpleegkundigen op de afdeling.

Methode van onderzoek Het praktijkonderzoek betreft een verkennend kwalitatief onderzoek. Hierbij zijn interviews afgenomen met drie patiënten en drie verpleegkundigen. De interviews werden afgenomen aan de hand van een vooraf opgestelde topiclijst. Het doel van dit praktijkonderzoek was om erachter te komen wat de wensen en behoeften zijn van de patiënten en verpleegkundigen omtrent een op cannabisgericht GVO-programma.

Resultaten Uit het onderzoek blijkt: • Dat er een behoefte bestaat naar een GVO-programma voor schizofrene patiënten die cannabis gebruiken; • Dat het IDDT-model bewezen effectief is; • Dat verpleegkundigen opnieuw willen beginnen met de Libermanmodule; • Dat het uitgangspunt van het GVO-programma draait om het bewust worden van het gebruik, besef en inzicht krijgen in wat het gebruik met je doet; • Dat deelnemers aan bepaalde inclusie –en exclusiecriteria moeten voldoen; • Dat het GVO-programma door een ervaringsdeskundige en een verpleegkundige moet worden gegeven; • Dat de trainers over verschillende benodigdheden moeten beschikken wanneer zij het programma willen geven.

Conclusie

Aanbevelingen

Uit het praktijkonderzoek blijkt dat de voorkeur uitgaat naar de Libermanmodule. Het IDDT-model blijkt echter effectiever. Het GVO-programma moet worden gegeven door een ervaringsdeskundige en een verpleegkundige. Het GVO-programma moet verschillende uitgangspunten aannemen. Het GVOprogramma moet zowel in groepsverband als individueel worden gegeven. Tenslotte zijn er verschillende criteria naar voren gekomen die bepalen of patiënten wel of niet deel kunnen nemen aan het GVO-programma.

• Gebruik de Libermanmodule opnieuw; • Bijscholing verpleegkundigen IDDT-model; • Evalueren en bijstellen Libermanmodule; • Groepsverband & Individueel; • Deelnemers: Inclusie –en Exclusiecriteria; • Ervaringsdeskundige & Verpleegkundige; • Meer onderzoek effectiviteit Libermanmodule; • Meerdere verpleegkundigen en patiënten interviewen; • Meer onderzoek naar behoeften en wensen GVO; • Onderzoek bij instellingen zonder Liberman; • Welk programma voor exclusie deelnemers.

Tanja Roggeveen – 0818652 – Hogeschool Rotterdam – juni 2013


DE VERGELIJKING LEREN BIJ LAURENS ZORG AAN HUIS & MAASSTADZIEKENHUIS

WAT ZIJN DE VERSCHILLEN? UITKOMSTEN ENQUÊTE LAURENS ZORG AAN HUIS MAASSTADZIEKENHUIS

3

0

6

MATIG

7

REDELIJK

1

6 GOED

LEERKLIMAAT VAN DE PRAKTIJKLEERPLAATS 30 % van respondenten die de enquête heeft ingevuld bij Laurens zorg aan huis heeft het leerklimaat als matig beoordeeld. Uit de enquête bleek dat structuur en kwaliteit van de werkbegeleiding als veilig wordt ervaren. Het gaat hier om werkbegeleiding dat door een HBO-verpleegkundige wordt gegeven, dat er coaching bijeenkomsten voor de werkbegeleiders mogelijk is en dat er nooit tot zelden voldoende gekwalificeerde werkbegeleiders aanwezig zijn. Uit het meetinstrument blijkt dat er fundamentele verbeteringen noodzakelijk zijn.

0

0

9

MATIG

4

1

REDELIJK

9 GOED

2

0 MATIG

7

3

REDELIJK

1

10

1

GOED

0 MATIG

9

7

0

REDELIJK

6 GOED

ZORGVERLENER

REGISSEUR

BEROEPSBEOEFENAAR

Waar 10 % van de respondenten van Laurens zorg aan huis de rol van zorgverlener als goed scoort, geldt dit voor 69 % van de respondenten van het Maasstadziekenhuis. Het komt duidelijk naar voren dat het Maasstadziekenhuis gestructureerder werkt met een patiënten-of cliëntendossier in vergelijking met Laurens zorg aan huis.

Opvallend is dat 77 % van de respondenten van het Maasstadziekenhuis de rol van regisseur als goed beoordelen en 10 % van de respondenten van Laurens zorg aan huis. Het grootste verschil wordt beoordeeld op het multidisciplinair

Waar geen enkele respondent van Laurens zorg aan huis de rol van beroepsbeoefenaar als goed scoort, geldt dit wel voor 46% van de respondenten van het Maasstadziekenhuis. Drie competenties die van belang zijn voor de rol van beroepsbeoefenaar, worden bij beide leerwerkplaatsen anders beoordeeld.

afstemmen van de zorg met het oog op continuïteit.

Daarnaast worden medisch jargon en vaktaal in het Maasstadziekenhuis bijna altijd begrijpelijk gemaakt voor patiënten en diens omgeving, in tegenstelling tot Laurens zorg aan huis, waar dit als soms wordt ervaren.

Het gaat hierbij om: • Voeren van een kritische collegiale dialoog over het eigen professionele handelen. • Participeren in de ontwikkeling van nieuwe classificatiesystemen, standaarden en modellen en deze in de praktijk toepassen. • Uitvoeren van klinische lessen en presentaties.

Uit de enquête bleek dat de cultuur van de afdeling gemiddeld een 4 (bijna altijd) scoort. Leidinggevenden zijn ondersteunend, er zijn goed geschoolde collega’s aanwezig en reflectie en coaching worden als hulpmiddelen bij persoonlijk leren gebruikt.

AANBEVELINGEN AANBEVELING 1

AANBEVELING 2

AANBEVELING 3

DOCENTEN: CREEËR MEER VERDIEPING IN DE THUISZORG.

COACHES: STUDENTEN HEBBEN MEER STURING NODIG VAN HBO-V’ERS

STAGEPLAATS: NEEM HET MEETINSTRUMENT VAN GOBBENS AF

BIJVOORBEELD:

BIJVOORBEELD:

BIJVOORBEELD:

Laat door vierdejaars HBO-verpleegkunde studenten of net afgestudeerde HBOverpleegkundigen een gastcollege over de thuiszorg verzorgen.

Ondervraagden gaven aan dat ze het op prijs zouden stellen als er vaker advies kan worden gevraagd bij HBO-V’ers op de werkvloer.

Voeg het Gobbens-meetinstrument toe aan de eindbeoordelings criteria.

WANT:

WANT:

WANT:

Door de studenten bewust te maken hoe zij zich kunnen ontwikkelen in competenties in de thuiszorg, zullen zij hier meer uitdaging in vinden. Dit geldt eveneens voor het ontwikkelen in competenties in de algemene gezondheidszorg.

De kennis van HBO-V’ers helpt studenten bij het ontwikkelen van competenties én het oplossen van grote en kleine praktische vraagstukken.

Door de leerwerkplaats meetbaar te maken, kan het stage bureau van de Hogeschool Rotterdam na verloop van tijd ook de studenten per leerjaar plaatsen bij de voor hun meest geschikte BPV-plaats.

LEREN BIJ LAURENS ZORG AAN HUIS & MAASSTADZIEKENHUIS

DANIELLA KEGELS 0800069


GVO of nog een blow? Vraagstelling Op welke wijze kunnen verpleegkundigen, werkzaam op afdeling Dorpsblik, op een effectieve manier een nieuw, op cannabisgericht, GVO-programma uitvoeren dat aansluit bij de behoeften van patiënten met schizofrenie?

Achtergrond Cannabisgebruik onder patiënten met schizofrenie komt erg veel voor. Zij hebben daar verschillende redenen voor en zien hier deels de voor –en nadelen van in. Op afdeling Dorpsblik is tot een half jaar geleden gezondheidsvoorlichting -en opvoeding (GVO) gegeven, aan de hand van de Libermanmodule. Dit is door omstandigheden niet voortgezet, waardoor de patiënten langere tijd geen GVO hebben ontvangen. Door deze GVO weer op te pakken dient er onderzoek gedaan te worden naar wat de wensen en behoeften zijn van de patiënten en verpleegkundigen op de afdeling.

Methode van onderzoek Het praktijkonderzoek betreft een verkennend kwalitatief onderzoek. Hierbij zijn interviews afgenomen met drie patiënten en drie verpleegkundigen. De interviews werden afgenomen aan de hand van een vooraf opgestelde topiclijst. Het doel van dit praktijkonderzoek was om erachter te komen wat de wensen en behoeften zijn van de patiënten en verpleegkundigen omtrent een op cannabisgericht GVO-programma.

Resultaten Uit het onderzoek blijkt: • Dat er een behoefte bestaat naar een GVO-programma voor schizofrene patiënten die cannabis gebruiken; • Dat het IDDT-model bewezen effectief is; • Dat verpleegkundigen opnieuw willen beginnen met de Libermanmodule; • Dat het uitgangspunt van het GVO-programma draait om het bewust worden van het gebruik, besef en inzicht krijgen in wat het gebruik met je doet; • Dat deelnemers aan bepaalde inclusie –en exclusiecriteria moeten voldoen; • Dat het GVO-programma door een ervaringsdeskundige en een verpleegkundige moet worden gegeven; • Dat de trainers over verschillende benodigdheden moeten beschikken wanneer zij het programma willen geven.

Conclusie

Aanbevelingen

Uit het praktijkonderzoek blijkt dat de voorkeur uitgaat naar de Libermanmodule. Het IDDT-model blijkt echter effectiever. Het GVO-programma moet worden gegeven door een ervaringsdeskundige en een verpleegkundige. Het GVO-programma moet verschillende uitgangspunten aannemen. Het GVOprogramma moet zowel in groepsverband als individueel worden gegeven. Tenslotte zijn er verschillende criteria naar voren gekomen die bepalen of patiënten wel of niet deel kunnen nemen aan het GVO-programma.

• Gebruik de Libermanmodule opnieuw; • Bijscholing verpleegkundigen IDDT-model; • Evalueren en bijstellen Libermanmodule; • Groepsverband & Individueel; • Deelnemers: Inclusie –en Exclusiecriteria; • Ervaringsdeskundige & Verpleegkundige; • Meer onderzoek effectiviteit Libermanmodule; • Meerdere verpleegkundigen en patiënten interviewen; • Meer onderzoek naar behoeften en wensen GVO; • Onderzoek bij instellingen zonder Liberman; • Welk programma voor exclusie deelnemers.

Tanja Roggeveen – 0818652 – Hogeschool Rotterdam – juni 2013


Psychiatrie zonder separeercel? Kan dat? En hoe moet dat  dan?  Psychiatrisch ziekenhuis Parnassia in Den Haag wil alle separeercellen sluiten. De afdeling voor langdurigezorg gaat in  2014 hun separeercel definitief sluiten.  Hoe denken medewerkers van afdeling Wonen gesloten over het afschaffen van de separeercel op de afdeling en welke  interventies leiden er volgens hen toe zodat gedwongen opsluiten in een separeercel niet meer nodig is? Mark Wesemann is persoonlijk begeleider op de afdeling Wonen gesloten. Daar heeft hij kwalitatief onderzoek verricht. Over werken helemaal zonder separeer zijn de meningen verdeeld. Niet iedereen heeft vertrouwen in de toekomstvisie  van de directie dat op de afdeling zorg kan worden geboden zonder een separeerruimte. Voordat er gekeken kan worden  naar welke interventies ertoe kunnen leiden dat gedwongen opsluiten in een separeercel niet meer nodig is, moet er eerst  een gemeenschappelijk vertouwen zijn in de visie dat zorgvuldig afgewogen interventies daadwerkelijk ertoe kunnen  leiden dat gedwongen separeren niet meer ingezet hoeft te worden om de veiligheid op de afdeling te waarborgen.    


‘Wat heeft de dokter mij ook alweer allemaal verteld?’ Een onderzoek naar de inhoud en vorm van de voorlichting aan de patiënt die een Whipple/PPPD operatie ondergaat in verband met een benigne afwijking Vraagstelling Aan welke vorm en inhoud van schriftelijke voorlichting hebben patiënten die een Whipple/PPPD operatie hebben ondergaan met achteraf een benigne afwijking behoefte in de pre- en postoperatieve fase van hun behandeling?

Achtergrondinformatie -Patiënt krijgt gedurende het chirurgische traject geen schriftelijk voorlichtingsmateriaal - Veel informatie wordt ‘vergeten’ door de grote hoeveelheden en emoties die spelen gedurende dit traject.

Onderzoeksmethodiek Kwalitatieve opzet: Focusgroep (n=4) onder patiënten die in de laatste 9 maanden van 2012 zijn geopereerd & observaties (n=2) van preoperatieve intakegesprekken op de polikliniek

Situatie na een PPPD operatie

Resultaten / Conclusie Patiënten zouden graag meer informatie willen zien over: - Complicaties en de hieraan verbonden behandeling (hiermee overigens geen link met de literatuur) - Informatie met betrekking tot ontslag: Welke klachten zijn normaal, wanneer ziekenhuis contacteren? Dit allemaal het liefst op papier in de vorm van een brochure én op het internet. Al het materiaal dient door het Erasmus MC en op multidisciplinaire wijze te worden geproduceerd.

Jeffrey de Jong 080496

Erasmus MC Gastro-intestinale chirurgie


In hoeverre zijn de verpleegkundige interventies die tegen jeuk bij dialysepatiënten worden toegepast door de verpleegkundigen van het Sint Franciscus Gasthuis te Rotterdam evidence based”? 1- Praktijkonderzoek 11 verpleegkundigen geïnterviewd d.m.v. vragenlijst.

-Wereldwijd toename chronische nierinsufficiënte -Nierfunctie <10%Dialyse -Dialyse: nadelen, o.a. jeuk -Behandelingen tegen jeuk weinig /geen effect - Daarom interventies om intensiteit te verminderen -Diversiteit aan deze interventies, welke passen de verpleegkundigen van het SFG toe? -Welke zijn evidence based?

Passen interventies toe op basis van eigen ervaring en praktijkervaring: - Huid invetten met vaseline, Lanettecrème, ureumzalf - Mentholpoeder - Adviezen Evidence based?

2- Literatuurstudie:

- Baby olie? - Masseren: aromatherapie? - GLA-rijke crème - Capsaicine crème - Adviezen Aanbevelingen: -Vervolgonderzoek - Meetinstrument - Richtlijn

Betul Yildiz 0821207


De handen ineen: Terugdringen van vermijdbare medicatie- incidenten! In 2011 waren er 95 meldingen van medicatie incidenten en in 2012 is dat gestegen naar 164 meldingen (Zorg Aan Huis regio noord- west).

Hoe kan de stijging binnen één jaar van 55,8% meer medicatie incidenten in een thuiszorgsetting verklaard worden? Een kwalitatief onderzoeksmethode in de vorm van semi – gestructureerde interviews.

Mijn scriptie is als bewijs opgevoerd bij de audit van juni 2013. Zo kon Laurens ZAH aangeven dat ze bewust zijn van het probleem. De opdrachtgevers zijn erg tevreden en enthousiast. Ik heb toestemming gekregen om samen met de beleidsmedewerker van Laurens, dit project voort te zetten.

Imran Catik (0816423) Opleiding tot HBO verpleegkundige


De leerafdeling De leeromgeving op leerafdeling Neurochirurgie van het Erasmus MC, met de verpleegkundige stagiaires niveau 4 en 5 als uitgangspunt. Erica van Wingerden Gecombineerd project met K. Langerak

______________________________________________________________________________ Aanleiding: Uit evaluatiemomenten kwam naar voren dat de stagiaires de leeromgeving als niet optimaal ervaren door onvoldoende begeleiding van hun werkbegeleiders. De werkbegeleiders missen een eenduidig beleid met betrekking tot de begeleiding. Vraagstelling: Waaraan moet een krachtige leeromgeving voor de verpleegkunde stagiaires niveau 4 en 5 voldoen op leerafdeling Neurochirurgie van het Erasmus MC?

Methode: - Literatuur; boeken en databanken naar zowel Engelse als Nederlandse artikelen. - Praktijk; kwantitatief onderzoek met een enquĂŞte als onderzoeksinstrument.

Resultaten: - De stagiaires geven aan dat de werkbegeleiders op een aantal belangrijke punten tekortkomen; - Literatuur laat zien dat dit belangrijke punten zijn voor het creĂŤren van een krachtige leeromgeving voor de stagiaires; - Resultaten medestudent: deze belangrijke punten zien de werkbegeleiders niet terug in hun eigen handelen. Conclusie en aanbevelingen: Om een krachtige leeromgeving te kunnen creĂŤren voor de stagiaires is het belangrijk om over de tekortkomingen van de werkbegeleiders gericht op de begeleiding aanbevelingen te doen; 1. Scholing / training over de manier van begeleiding 2. Vaste begeleidingscriteria op papier 3. Inplannen van intervisiemomenten


1. Achtergrond Ongeveer twee à drie jaar geleden is het zorgpad ‘Stevensfase’ geïntroduceerd op twee afdelingen, 3B (Interne Geneeskunde/Oncologie met palliatieve unit) en 5B (Interne Geneeskunde/Longziekten), van het Ikazia ziekenhuis in Rotterdam. Sindsdien maken zij gebruik van het zorgpad op de afdeling. Er is verder geen onderzoek gedaan naar de ervaringen met betrekking tot het gebruik van het zorgpad ‘Stervensfase’ op beide afdelingen. 4. Methode Er is gekozen voor kwalitatief onderzoek. De subjectieve data zijn verkregen door middel van opgenomen interviews onder zes gediplomeerde verpleegkundigen. De interviews zijn letterlijk uitgetypt en gecodeerd aan de hand van opgestelde topics die tot stand zijn gekomen vanuit de probleemanalyse en de literatuurstudie. De resultaten, de conclusie en de aanbevelingen zijn beschreven van uit de geanalyseerde data. 5. Resultaten Uit de resultaten is gebleken dat het zorgpad ‘Stervensfase’ op beide afdelingen gebruikt wordt. Op afdeling 3B wordt deze vaker gebruikt ten op zich te van afdeling 5B. Daar is het gebruik minimaal. Het opstarten is erg lastig. Patiënten kunnen snel overlijden of knappen weer op. Het is vaak moeilijk in te schatten, wanneer het juiste moment van starten is. Het zorgpad is een prima hulpmiddel in de stervensfase van de patiënt. Het is netjes, overzichtelijk en duidelijk. Alle aspecten en observatiepunten komen aanbod. Een overzichtelijke rapportage over de patiënt en familie is echter een gemis in het zorgpad.

2. Doelstelling Het doel van deze afstudeerscriptie is dat er onderzoek gedaan is naar het gebruik van het zorgpad ‘Stervensfase’ op twee afdelingen. Er is een vergelijking gemaakt tussen beide afdelingen met betrekking tot de bereidheid en de ervaringen met het zorgpad ‘Stervensfase’ onder de gediplomeerde verpleegkundigen op afdeling 3B en op afdeling 5B.

3. Vraagstelling ‘Wat zijn de ervaringen met het gebruik van het zorgpad ‘Stervensfase’ door het gediplomeerde verpleegkundigen op de afdeling 3B (Interne Geneeskunde/Oncologie met Palliatieve Unit) in vergelijking met afdeling 5B (Longziekten/Inwendige Geneeskunde) in het Ikazia Ziekenhuis?’

6. Conclusie Iedere geïnterviewde verpleegkundigen hebben positieve ervaringen met het gebruik van het zorgpad ‘Stervensfase’. Ondanks dat zij vinden dat het te weinig gebruikt wordt. Vooral op afdeling 5B gebruiken zij het zorgpad minimaal, waardoor er sprake is van een gebrek aan ervaring. Het gevolg hiervan is dat ze het zorgpad minder snel inzetten, moeite hebben met toepassen en opstarten van het zorgpad. Op afdeling 3B komt het vaker voor dat ze het zorgpad toepassen. Hierdoor is er op deze afdeling meer kennis en ervaring opgedaan met betrekking tot het zorgpad. Beide afdelingen vinden het een prima hulpmiddel als het eenmaal is opgestart.

*Ceylan Cevher (0821072)


Achtergrondinformatie: Op afdeling Neurologie in het Erasmus Medisch Centrum krijgen neurologische zorgvragers altijd in portie sondevoeding toegediend. Dit met reden dat door onrust en manipulatie van de sonde, de kans op aspiratie vergroot is wanneer er continu sondevoeding gegeven wordt. Dit is echter nog nooit wetenschappelijk onderzocht. Het verpleegkundig management is nieuwsgierig naar wetenschappelijke informatie en praktijkervaringen op andere neurologische afdelingen. Vraagstelling: Doelstelling: Is er (wetenschappelijk) bewijs dat het Aan het eind van het onderzoek, toedienen van continue/drip 12 juni 2013, worden sondevoeding meer gevaar kan aanbevelingen gedaan met opleveren voor aspiratie door betrekking tot het geven van manipulatie van de maagsonde bij de porties of continue/drip neurologische patiënt dan het toedienen sondevoeding bij de neurologische van sondevoeding in porties en wat zijn zorgvrager zowel onderbouwd met de praktijkervaringen van professionals wetenschappelijk bewijs als ook op neurologische afdelingen met praktijkervaringen van betrekking tot de neveneffecten van het professionals op diverse geven van continue en porties neurologische afdelingen. sondevoeding bij de neurologische patiënt? Cherique van Kersbergen 0819377

Methode: In dit kwalitatief onderzoek is er gebruik gemaakt van een literatuurstudie en zijn er semigestructureerde interviews gehouden met vijf respondenten uit verschillende organisaties, werkzaam op neurologische verpleegafdelingen. Resultaten: Uit interviews blijkt dat alle geïnterviewde respondenten in porties sondevoeding toedienen bij de neurologische zorgvrager in verband met de gevolgen die continue/drip sondevoeding met zich mee kunnen brengen. Deze complicaties worden vaak als ernstiger ervaren dan de complicaties die kunnen optreden bij porties toedienen. Uit het literatuuronderzoek blijkt dat er geen voorkeur bestaat voor het geven van sondevoeding in porties of continue, dit is niet wetenschappelijk onderzocht en bewezen.

Conclusie: Er is geen wetenschappelijk bewijs gevonden waaruit blijkt dat continue sondevoeding meer gevaar oplevert voor aspiratie bij de neurologische zorgvrager door manipulatie van de sonde, dan het toedienen van sondevoeding in porties. Toch wordt op de verschillende neurologische afdelingen sondevoeding in porties gegeven met als voornaamste beweegreden de kans op dislocatie door de sonde door onrust van de neurologische patiënt.


50 40 30 20 10 0

Davide Plomp, 0804845 Spoedeisende hulp in het Erasmus MC

Ja nee


‘’Communiceren met anderstaligen’’ gemaakt door Agnes Rosinda 4de jaars HBO-V. Studentennummer: 0819230 Vraagstelling: Welke belemmerende en bevorderende factoren ervaren de verpleegkundigen ,op de afdeling Longziekten SV van het Erasmus MC, in de communicatie met anderstalige patiënten en waar liggen de mogelijkheden tot verbetering? Achtergrondinformatie: Communicatie in de zorg is essentieel voor de patiënttevredenheid en voor goede zorgresultaten. Het ideaal van de WGBO is dat de patiënt juiste en volledige informatie krijgt. Verpleegkundigen krijgen regelmatig te maken met anderstalige patiënten, waardoor er niet volgens dit ideaal gewerkt kan worden, communicatie verstoord en de zorg niet optimaal afgestemd en geleverd kan worden

Doel: in kaart brengen welke belemmerende en bevorderende factoren verpleegkundigen ervaren in de communicatie met anderstalige patiënten. Aan de hand van de resultaten van het onderzoek worden er aanbevelingen geformuleerd tot verbetering van de communicatie

Conclusie: Factoren zoals taal, cultuur, tijd, werkdruk, onbegrip en religie belemmeren de communicatie met anderstaligen. Deze factoren worden weer bevorderd door het inschakelen van tolken, tweetalige collega’s en familieleden. Verpleegkundigen kunnen de communicatie met anderstaligen bevorderen door een professionele bejegening, attitude, houding te hebben. Verder kan de afdeling ook een bijdrage leveren door hulpmiddelen beschikbaar te stellen en het organiseren van interculturele scholingsbijeenkomsten

Resultaten: Verpleegkundigen voelen zich belemmerd in de communicatie met anderstalige patiënten. Verscheidene verpleegkundigen geven aan dat dit vooral veroorzaakt door factoren als onbegrip, taalbarrière, cultuurverschillen, tijd en werkdruk. De bevorderende factoren bestaan uit het inschakelen van de familie, collega’s, tolken, non-verbale communicatie en professionele bejegening.

Methode: Het kwalitatief verkennende onderzoek met semi-gestructureerde interviews vond plaats onder 7 verpleegkundigen op de afdeling Longziekten van het Erasmus MC


Van een veilige thuishaven “KinderHaven” naar...? De transitie van jongeren met astma naar de volwassenenzorg Doel- en vraagstelling: Het doel van dit project was om een transitieplan te ontwikkelen voor kinderen met astma van de polikliniek Kinderhaven. Tijdens dit afstudeeronderzoek was de onderzoeksvraag: “Aan welke eisen en inhoud moet een transitieplan voldoen om een jongere met astma voor te bereiden op de transitie van “KinderHaven” naar de volwassenenzorg?”.

Achtergrondinformatie: Op de polikliniek was er geen plan aanwezig om de jongeren met astma te begeleiden naar de volwassenenzorg. Per jaar maken ongeveer 25 kinderen met astma de transitie van de polikliniek “KinderHaven” naar de volwassenenzorg. In de onderzochte situatie verliep de transitie abrupt en onvoorbereid. Methode: In het praktijkonderzoek is kwalitatief onderzoek verricht doormiddel van semigestructureerde interviews met behulp van een topiclijst, geformuleerd aan de hand van de uitkomsten van het literatuuronderzoek. Na selectie op basis van de in- en exclusiecriteria zijn acht professionals uitgenodigd voor een interview. De onderzoeksgroep bestond hierna uit drie kinderlongartsen en twee verpleegkundig specialisten.

Resultaten: Volgens de literatuur is het aanleren van zelfmanagement een cruciaal onderdeel van transitiezorg. De jongeren moeten met achttien jaar de transitie maken en het is wenselijk om de vaardigheden die volgens de professionals nodig zijn, te hebben behandeld. De zelfstandigheid van de jongere kan tijdens het polikliniek bezoek door de drie-fase methode worden bevorderd. Tijdens het gehele transitieproces zal de coördinatie bij de verpleegkundig specialisten van de polikliniek “KinderHaven” liggen. Aanbevolen wordt om een standaard overdrachtsformulier te maken waarbij van belang is dat in dit formulier concreet staat wat overgedragen moet worden. Wanneer een complexe jongere de transitie maakt naar de volwassenenzorg wordt aanbevolen om, indien noodzakelijk, telefonische contact te zoeken met de behandelaar van de volwassenenzorg. Conclusie: Een uitgebreide voorbereiding op de volwassenenzorg lijkt in het geval van astma niet noodzakelijk. Om deze reden is er gekozen om voor het opstellen van het transitieplan de “toolkit transitieprotocol” van www.opeigenbenen.nu als basis te gebruiken en hierbij ook een criterialijst en individueel transitieplan op te stellen.

Lynn Krijvenaar Duaal student HBO-Verpleegkunde


De ervaren zwaarte van een hyperthermie behandeling. A.A. Aangeenbrug, Dr. J. van der Zee, Prof. Dr. Ir. G.C. van Rhoon Erasmus MC, Universitair Medisch Centrum Rotterdam, afdeling Radiotherapie, unit Hyperthermie. Achtergrond: Hyperthermie is een aanvullende behandeling bij radiotherapie en/of chemotherapie. Patiënten geven aan hyperthermie behandelingen zwaar te vinden. Klachten of problemen kunnen een beperking vormen voor het toegediende vermogen tijdens de behandelingen. Vraagstelling: Wat is de subjectieve tolerantie van patiënten die een hyperthermie behandeling ondergaan in het Erasmus MC te Rotterdam? Methode: Patiënten die voor hyperthermie behandeling kwamen werden gevraagd een vragenlijst in te vullen voor en na iedere behandeling om de klachten voor en tijdens de behandeling te inventariseren. Er werd geïnventariseerd welke klachten, die de patiënt voor en tijdens de behandeling ervaart, in verband staan met de zwaarte van de behandeling.

Resultaten: De resultaten van negen diepe hyperthermie behandelingen zijn geanalyseerd. De subjectieve tolerantie was bij diepe hyperthermie behandelingen gemiddeld een 6.2 op een schaal van 0 tot 10, waarbij 0 niet zwaar en 10 extreem zwaar was. De vermoeidheid tijdens de behandelingen lijkt het grootste probleem voor patiënten. Pijnklachten tijdens de behandelingen namen toe gedurende de behandelperiode. Het item dat voor patiënten het meeste last veroorzaakte was de lange duur van de behandelingen.

Klachten voor de behandelingen (n=5, 9 behandelingen) Klacht Gemiddeld Mediaan Min-max Std dev Slikklachten 2.22 2 0-6 2.54 Eetlust 6.00 6 4-8 2.00 Misselijkheid 5.89 7 1-9 2.52 Defecatie 4.56 5 0-10 3.71 problemen Mictie problemen 1.22 0 0-4 1.72 Huidproblemen 2.00 0 0-7 3.04 Slaapproblemen 4.22 4 0-10 4.06 Vermoeidheid 7.56 9 4-10 2.13 Verwachtingen 5.78 6 1-10 2.91 Spanning 4.89 6 0-8 3.02 Angst 3.00 3 0-7 2.69 Somberheid 3.33 1 0-9 3.87 Pijn 4.00 5 0-8 2.98 Gevoel 5.78 5 3-10 1.99 Overig 1.88 0 0-9 3.56

Verloop klachten gedurende behandeltraject (n=5 / 9 behandelingen) Gemiddelden per behandeling (sd) gemiddelde 1 2 3 totaal Vermoeidheid 7.00 (1.00) 4.25 (2.22) 7.00 (2.83) 5.78 (2.28) Pijn 1.33 (1.53) 3.75 (2.22) 7.00 (2.83) 3.67 (2.87) Zwaarte 7.67 (2.08) 4.75 (2.06) 7.00 (2.83) 6.22 (2.39)

Klacht

Conclusie: Op basis van deze resultaten kunnen geen conclusies worden getrokken, maar bij voldoende respons wordt het mogelijk om de subjectieve tolerantie van hyperthermie patiënten vast te stellen. Met de nu bekende gegevens lijkt het dat de ervaren zwaarte van de behandeling voornamelijk wordt beïnvloed door de vermoeidheidklachten, verwachtingen, gevoel en de pijnklachten van de patiënt. Waarbij de vermoeidheidsklachten het meest overeen komen met de ervaren zwaarte van de behandeling. Het onderzoek zal worden voortgezet. Informatie: a.aangeenbrug@erasmusmc.nl


Posterpresentaties Verpleegkunde