Theys Constant, Geschiedenis van Sint_Genesius_Rode, Brussel, 1960, 526p.

Page 1

r¡

1

:

,

~

'.

:

', 1,lf

t

/"' .. '

'

...

THEYS CONSTANT, Geschiedenis van Sint-Genesius-Rode, Brussel, 1960, 526 p.


Edgar Winderickx Beersel-Dworp Tel. 021380.30.14

GESCHIEDENIS VAN

SINT·GENESIUS-RODE


GESCHIEDENIS VAN

SINT -GENESIUS-RODE DOOR

CONSTANT THEYS Oudsekretaris en lid van het erekomitee van het Geschied. en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brahant

MET EEN VOORBERICHT VAN

Dr. Jan Lindemans Lid van de Koninklijke Vlaamse Akademie

BRUSSEL DRUKKERIJ H. DE SMEDT Priester GuyHtsstraal l·t

E.dgsr Wfnderlakx BèerleJ·OwoiP Tel. 02,360.30.14

1960


VOORBERICHT

Na Ruisbroek (1940), Drogenbos (1942), Dworp (1948), Kapelle-op-den-Bos (1953), Linkebeek (1957}, kreeg thans de gemeente Sint-Genesius-Rode eén beurt in de reeks historische dorpsmonografieën door Constant Theys in het licht gegeven. Deze uitgave was mogelijk dank zii de stevige financiële hulp van het Gemeentebestuur van Sint-Genesius-Rode. Het verdient daarom onze lof en dank. Mochten alle gemeentebesturen dit voorbeeld volgen ! Ik ga hier niet herhalen wat ik als voorberîcht in de vroeger verschenen dorpsmonografieën van Theys reeds herhaalde malen mocht getuigen over zijn waardevol1 methodiek, betrouwbaar geschiedkundig werk. Aan deze << Geschiedenis van Sint-Genesius-Rode » heeft Constant Theys vele jaren met liefde en geduld gearbeid. Hij heeft aldaar zijn schoonste jaren beleefd, zijn talrijk gezin groot gebracht, en het kulturele leven op deze bekende taalgrensgemeente gedurende vele jaren behartigd. Met een lijvige monografie over zijn geboortedorp Alsemberg, die ook persklaar ligt(*), zal Constant Theys zijn taak als volbracht beschouwen. Wij wensen hem dat hij het nog moge beleven !

• laken, 1 oktober 1959. Dr. JAN LINDEMANS, lid van de Koninkliike Vlaamse Akademie.

(*) Inmiddels verschenen.

7


TER. INLEIDING EN TER VERANTWOORDING

Wat een wonder het verleden te kunnen bekijken alsof het aktueel was, doorheen de duistere voorhang van het verleden een of ander hel verlicht toneel te kunnen aanschouwen, waarop mannen en vrouwen en geen louter onwezenlijke of ingebeelde schepselen zich bewegen, maar mensen van vlees en bloed zoals wij zelf. TREVELYAN, «De Geschiedenis en de Lezer». Laten we het niet vergeten, de liefde tot het V aderland is niet de vrucht van de mening noch van een dekreet noch van een mode. De vaderlandsliefde groeit uit de gehechtheid tot zijn land, tot zijn gebruiken, tot zijn gezin. Indien we ons willen opbeuren, laten we dan verheffen wat de ware vaderlandsliefde doet ontstaan : de godsdienst, de overleveringen, de volksherinneringen, de volkstaal... laten we wedijveren in studie, arbeid en eer, om de naam van het eigen land op die wijze hoog te houden.

FREDERIC MISTRAL. Eigen1ijk hen ik vooral in · de plaatselijke geschiedenis gaan belang stellen toen ik, vele jaren geleden, gemeenteraadslid te Rode werd en dit achttien jaar lang bleef... Ik wenste wat meer te weten over het verleden et·van ; het kwam me voor dat dit me een heter inzicht zou geven in het heden en in de toekomst van onze gemeente, die me gaandeweg dierbaar was geworden. En ten slotte werd ik tot dit alles nog aangemoedigd door E.H. Edward van den Bogaert, die ltier eenentwintig jaar als onderpastoor stond, terwijl ik inmiddels ook kennis maakte met het Geschied· en Oudheidkundig genootschap van Vlaams-Brabant en zijn geleerde stichter, Dr. Jan Lindemans, die ik nooit genoeg zal kunnen bedanken voor zijn bezielende leiding. Zo onder11ond ik weldra datgene wat J. Huizin ga in <Mijn Weg tot de Historie>, 1947, vet·woordde aldus : <En arbeid in bet ongedrukte materiaal brengt nu eenmaal een bekoring met ziclt, die tot ee11 obsessie wordt, voor de ongeschoolde nauwelijks te begrijpen,. onafhankelijk van de volstrekte belangrijk~ heid van uw onderwerp in het algemeen. Juist in dit schijnbaar zo nnclttere en droge archiefonderzoek. wanneer ge bezeten wordt door de wens, het uiterlijk 10

9


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

. TER INLEIDING EN TER· VERANTWOORDING

te kennen of de samenhang van een zekere verwantschap~ pakt u zo dikwijls dat gevoel van een onmiddellijk kontakt met een stuk verleden... dat haken naar een gezicht op dingen van weleer.»

de eenvoudige reden dat ze nooit zullen gekend, noch de tweede nooit voorgoed opgelost zijn, daar de wetenschap, naarmate. zij zich ontwikkelt, nieuwe gezichtspunten ontdekt. Van een schrijver mag men vergen, dat hij de gegevens benuttigt, waa1·over hij beschikt op het ogenblik dat hij schrijft». Vroeg of laat, trouwens, moet toch een geschiedkundig werk voor hetere boeken va~ het nieuwe geslacht

Oude bladen vertellen... als ze voor ons op de tafel liggen, oude documenten, mat, geel en bruin van ouderdom en stof en dan kijken we met ontzag naar het rimpelige perkament, vouwen een omgekruld ezelsoortje plat en schudden meewarig en weigerig het l10ofd bij het zien van die verbleekte ouderwetse lettertekens... en noehtans wat zijn ze schoon, want we begrïjpen wat ze ons tonen en voorstellen uit het verre verleden, wat van onze voorzaten en voorvaderen hun noden, hun vreugde, hun wel en wee waren. De geschiedenis van Sint-Genesius-Rode is hoofdzakelijk de geschiedenis van een grote brok van het Zoniënbos. Dit uitgestrekte domein, overblijfsel van de oerwouden, beiJ.eerste eeuwenlang het leven van onze bevolking. Daarhuiten vallen geen opvallende feiten aan te stippen. Rode kende noch geduchte kasteelheren noch beroemde veldslagen enz. Het maakte de gewone ontwikkeling mee van de andere dorpen in het hartje van Brabant, dat de H. Bonifacius, vertellende over het leven van Sint Lieven, bewondert als boven alles aangenaam, waaraan· de goede God melk en honig geschonken heeft ... Oorspronkelijk leefde de mens in hoofdzaak van wat er vanzelf groeide, bloeide en krioelde in water, wind en woud~ maar weldra kweekte hij vee, schapen en zwijnen, die in bos en heide hun nooddruft vonden. Al naar door aangroei van de bevolking de omvang van de beschikhare ruimte verhoudingsgewijze slonk, en het leven gaandeweg hogere eisen stelde, werd de grond zelf bewerkt en kwamen landhouwondernemingen op gerooide plekken tot stand. Veeteelt e11 landhouw zullen al heel vroeg het leven van het dorp tot haast in de helft der XJXe eeuw beheersen, en de enkele ambachtslieden als smid, kleermaker, strodekker en timmerman, waren er slechts ten h~hoeve van de beperkte behoeften daarvan. Daarnaast was er een deel der bevolking dat een schrale kost verdiende met het hos : de houthandel, de houtbakkerij en het bezembinden. Geslachten volgden elkander op met wisselend geluk, zwoegen en wroeten in goed en in kwaad en wat onze gemeente thans in handel en wandel, uitzicht en aanzicht is, zoals ze reilt en zeilt, groeit en bloeit, is de uitkomst van die lange geschiedenis. Meteen hebhen we dan een sintetisch beeld opgehangen van Rode's verleden en wat t"r volgt is de toelichting ervan aan de hand van de algemene geschiedenis en van wat de:> tamelijk schaarse oorkonden er weten over te vertellen.

Is daarmee alles gezegd? Wellicht niet, maar met Pirenne in ltet laatste d<'el van de Geschiedenis van België" zeggen we dat: «een geschiedscllrijver tot opbouwE-n doen wachten tot al de grondstoffen van zijn onderwerpen 'foorhtUlden en al de erdoor opgeworpen vraagstukken opgelost zijn, ware hem veroordelen om eeuwig te wachte~ want de eerste zullen nooit bijeengebracht worden, om

10

onderdoen. Wat het wetenschappelijk apparuat betreft, heb ik verkozen de verWIJZmg naar de geschiedkundige bron in de tekst tu~sen l1aakjes te plaatsen en aldus aan de welwillende lezer de moeite te besparen de lezing te onderbreken om beneden de bladzijde een nota in minusknie letter te lezen, wat vermoeiend en vervelend is. Het is alsof men knus te bed ligt en telkens naar beneden moet als er gebeld wordt, zei eens de beroemde Amerikaanse akteur John Barrymore. Raimond Brulez, zijnerzijds, scl1rijft in het Nieuw Vlaams Tijdschriit o.m. over voetnoten het volgende : «Ik verklaar hun metode (overvloedige voetnoten) veeleer door de beduchtheid bij de zogezegde wetenschappelijke kritiek in diskrediet te geraken, moesten ze uit de band springen dezer zo steriele als geijkte geplogenheden. Bij het verschijnen van Lamberty's <<Philosofie der Vlaamse Beweging » heb ik tegen dit zo merkwaardig boek, in de mond van een kritikaster (natuurlijk een doctor in de geschiedkundige wetenschappen ! ) de dooddoener horen gebruiken : «Hoe kan deze teorie juist zijn ? Er staan haast geen voetnota's! » terwijl deze typografische bijzonderheid precies revelatie! was voor de oorspronlcelijkheid van het werk ! » V oórts, blijf ik er de voorkeur aan geven, in .plaats van parafrazering, de onvervangbare waarde van de autentieke tekst weer te geven. Mijn belangstelling gaat, in de eerste plaats, naar het menselijk bedrijf in het verleden. Geschiedenis is voor mij het konlu·ete leven van de mens in vlees en bloed ook met een hart, die onze voorouders waren en op onze bodem leefden. In het «Album Jan Lindemans », 1951, blz. 377-378, zegt Gerard Walschap tlat « de atoom is samengesteld zoals het heelal, in de geschiedenis van Brabant zit volledig die van de weteld, zit volledig de menselijkheid en dus ook de mensheid. Het is niet met de politieke evolutie van een land te hestuderen zoàls Pîrenne, of oppervlakkig de wereldbeschavingsgeschiedenis te volgen zoals Toynbee, dat men mens en wereld kennen leert en mens en wijs wordt~ het is met in de intimiteit van de mens te dringen, zoals Jan Lindemans, lan~s inventarissen, dooprelen en akten, op hoe kleine plaats ook». Men zou me misschien het verwijt kunnen maken dat deze monografie zef>r anekdotisch bewerkt is. Daarmee bevind ik me echter in goed gezelsrhap. G. Lenótre, de Franse geschiedschrijver, (1855-1935 ), die zowat veel-tig hof'kNl en duizenden artikelen over g<'schiedenis schreef, mankte zich, natuurlijk, wegens de bijval die hem te beurt vit>l, vele vijanden. Volgens hen "'tvas hij niet < wetenschappelijk ,. genoeg, schreef hij maar < de la petite histoire ,., in dt> bekende ongunstige betekenis,. zoals men wel raden kan. Nooit echter konden ze hem hetrappen op een onmtttwkeurigheid of nalatigheid uit oppervlakkigheid. Langs minder vervelende wegen kwam hij tot dezelfde besluiten als die van

..

11


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE. de strengste universitairen. Niemand minder dan Georgè Duhamel verklaarde, sprekende ovet• Lenötre : <<Non, non, ce ne sont pas des historiettes, de petites histoires... C'est hien l'histoire... c'est l'éternelle et ineorrigible histoire »... ( Carlo Bronne, « Un historie u nommé Lenötre », Revue .Générale Belge, septembre 1957, blz. 135-137). En op de vraag wat geschiedschrijving is, antwoordt Nobelprijswinnaar Pasternak, dat het is een oogstinventads, een opsomming van gevolgen, een boekbonding van levenservaringen. Voor het overige meen ik dat uit de archiefstukken alles moet uitgebaald worden wat er uit te halen is. Het kan ook anderen te pas komen.

HOOFDSTUK. I

Om te sluiten dank ik eens te meer, op zeer bijzonder~ wijze, Dr. Jan Liudemans, die met zijn hekende bevoegdheid en bereidwilligbeid de hoofd. stukken over de o01·sprong en de naam van de gemeente heeft doorgekeken. Ook het Gemeentehestuur van Rode, niet het minst Mr. Albert De Coster burgemeester, alsmede allen die me op een of andere wijze ter wille waren' ' ben ik ten zeerste erkentelijk.

C. T.

NOTA . De gemengde klinkers als ai, ay, oi, oy, enz., dienen onderscheidenlijk Uitgesproken als aa, aa, oo, oo. De tweede klinker diende oudtijds alleen om de klank te verlengen, zoals thans nog het geval is in het Duits met de letter h. Zo mag men hv. Pater Poirters niet uitspreken als Putaarters maar als Poorters van Roy niet als Vanrwa, maar als van Roo (Rode). In het oudfrans luidd~ roy als rei, en royne (koningin) als reine ; in dit laatste woordt beeft de schrijfwijze zich tcouwens naar de uitspraak gevoegd.

DE NAAM DER GEMEENTE De spelling Rhode is natuurlijk te verwerpen. Het was een produkt van de helleniserende Renaissance, toen Grieks als voor· namer stond dan Latijn (cfr. Erasmus). Het uitvindsel van een verwaand «geleerde» vond ingang hij zijn standgenoten die het Griekse eiland Rhodos kenden. Dit wordt bevestigd door Professor Carnoy die in zijn groot werk « Origines des noms de lieux des environs de Bruxelles», blz. 87, schrijft : << Rhode-Saint-Genèse a un aspect très grec, mais il va sans dire que ni la Genèse, ni la ville au célèhre colosse (Rhodos) n'ont aucun rapport avec ce village, hien que l'introduction de l'h dans l'ortographe du mot Rode soit évidemment due à des réminiscences classiqnes chez les scrihes. » Het grondgebied van Sint-Genesius-Rode heette en heet nog ter plaatse en in de omgeving Rode of Ro zonder meer. De bepaling Sint-Genesius is een latere toevoeging, een precisering die aange· bracht werd toen het nodig bleek de homoniemen in een ruimer verhand te onderscheiden. Laten we vergelijken met een ander voorheela in de naam Sint-Pieters-Leeuw. In de oudste oorkonden is Leeuw Lewe « heuvel » in gebruik om plaatsen aan te duiden die later Sint-Pieters-Leeuw, Denderleeuw, Zoutleeuw, Opleeuw ge· noemd worden, om ze uit elkaar te onderscheiden; nochtans zegt men ter plaatse meestal nog Leeuw zonder meer omdat er geen verwarring mogelijk is. Wanneer duikt de bepaling Sint-Genesins voor . het eerst in geschreven oorkonden officieel op ? In dezelfde tijd als Sint-Agatha· Rode, Sint-Brixius-Rode, Sint-Pieters-Rode enz. ? Voor ons Rode gebeurde dit onder de Franse bezetting. De onderscheiding door de voorvoegsels op en neer was het nteest gebruikte middel om twee gedeelten van een grondgebied, naar het nodig bleek, uiteen te houden. Het gebeurde dan vaak dat een van de twee benamingen het voorvoegsel spoedig liet vallen om de korte, oorspronkelijke naam te blijven gebruiken. Dat was dan die van de tneest belangrijke plaats. Hier volgen voorbeelden "" 13

=

12


DE NAAM DER GEMEENTE

GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

uit de streek : Neer of· Sint-Geneshts-Rode I Op rode, N ederelworp (Huizingen) I (Op )·Dworp; (Neer) I Op Iinkebeek; Neder-Beersel/ (Op) Beersel, enz. (Dr. J. Linde1nans). In tegenstelling n1et zeer veel gemeentena1nen biedt de verklaring van de naan1 onzer ge1neente geen moeilijkheid. Rode, in 1141 in een Latijnse akte Roda, in 1190, 1293, 1435, 1546, 1547 Rode, in 1587 Rode en Roode, in 1630 op een kaart van Zoniën: Rode, en ook wel in een zeer sporadisch geval Rhoo of Rhode gespeld, betekent eenvoudig gerode, gerooide plaats in het bebost gebied waaruit onze streek bestond en lang bestaan heeft. Deze benaming beantwoordt in het Frans aan sart of essart, dat dezelfde betekenis heeft. In verschillende oorkonden is de naan1 der ge1neente gespeld als volgt: 1190 : altare de Rode (KA abdij Vorst); 1236 :apud Roda in p[}rochia de Rode, KA; 1236 : dua bonaria prati que a nobis a pud Roda, KA; 1237 : duo bonaria prati a pud Roda (op Lansrode), KA; 1247 : septem bonaria terre parvem plus vel minus site in parochia de Rod, KA; 1247 : Henrictts de Grols ammanus Bruxellensis et villicus de Uccle et de Roda, K.A~ 1293 : dat ... joncvrouwe Anskina ser Stevens dochter was van Helbeke droegh op in nlins ser Lonijse van Ae hande vif bonre lans ende een half honre hofstede die gelegen sin tussch~n Linkenbeke ende Rode ... (Bonenfant, Cartul. St. Jean, 1953); 1304: scepenen van Alsenberghe ende van Rode, KA; 1429 : in die J>rochie van Rode, KA; de Roede prope Alsenherghe; KA; 1587 : Roo, SP; 158"8 : mensure de Rode, KA; 1634 : Roo, KP; 1767 : route de Roe, BR 15497 22v De nan1en op << rode » zouden wijzen op een periode van grootscheepse ontginningen in de IXe tot de XIr eeuw. Dit betekent niet noodzakelijk dat de plaats toen pas bewoond werd. D_ie ontginning of « roding » kan, doordat dit een opvallende gebeurtenis was, een oudere naa1n verdrongen hebben. Er werden alhier verschillende rodingen uitgevoerd. De voornaanlste zal wel het « groot rod » geweest zijn, gelegen tussen de kerk en de Nieuwstraat en de Terheidestraat. De volgende toponiemen bewijzen zulks : 1530 : velt geh. het Groot Rodt, KA; 1611 : ter Heyden... a en tschoorgat van den grootten Rotte, G. 339; 1620 : opt groot Roth, G; 1632, ter heyden... tegen het goet gen. het groot Rot, G; 1665 : l\ierten de Verwere en Johanna Berck1nans ... 1/2 b. I. te Rode opt velt geh. tgroot Rodt... tusschen de goeden der kercken van Alzenberg, de huysannen van Rode, de goeden van Roode Clooster, tegen het Scl1ildeken, G; 1687 : opt velt geh. het Groot Rotlt tusschen de goeden der kercke van Alsenherge ende de goeden der kercke van Rode, G; XVIr: drije daghw. Iant gelegen ... Hode OJ) het Groot Rotlt tegen den lan{:l:en lochten ende het goet van mijn heer Nico1aij t goed van de kerk van Huizingen); 1701 : hofstadt met e<"nen huyse ... aen den hoo1ngaert naer 't Heyenblock alias "'t groot Roth, G; 1710, 1729 : opt Groot Roth, G; 1730: op 0

.J.

het Groot Roth hoven de kercke, G; 1747 : weyde 3 dw. niet verre van de kerck~ ... paelende aen de Vloey-gracht op het veldt geh. het Groot Roth, G; 1747. : kerckegoed van Alsenberge op 't groot Roth, G; 1747 : 1 hunder lants terheyden op het veldt geh. het groot Rodt, G; 1783 : het groot Roth, G. De naron Grootrod is inmiddels algeheel uit de volksmond ver· dwenen. Wat ook de oudheid van die plaats aantoont is het feit dat ze bijna geheel eigendom was, en zelfs, nog is, van kerk of arme van Rode, Alsemberg en Huizingen. Een tweede gerode plaats was Oprode. 1210: tam apud Holst quam a pud Obroda, I<A; 1221 : a})Ud Holst quam a pud Obroda et apud Roest, KA; 1321 : Item Wille1n Parijs faber de Oprode, R; 1426 : a pud Oproede sub loco dicto tgroot Creftenbroeck, KA; 1532 : lancx de op Ro strate, l(A; 1614 : ter stadt geh. Toprode, G; 1620 : op d'Oprovelt, G; 1649: ter plaetse geh. t'Oprode commende metten eender sijden tsh. str. die van Terroeuien naer Lantsrode loopt, G. 9170; 1649 : ter pl. gen. t'Oprode ... aen sh. str. gen. de Quaeystr. loopende van de kerck naer Lansrocle, G. 9170; 1729 : een ben1deken gelegen t'Oprode langhs de beke, G; 1835 : Op Rhode v.d.M.; Ferme Op-Rhode, Mil. K.; In de « Biographie Nationale>> is een Joachim van Oprode vern1eld, vermoedelijk geboren te Antwerpen en overleden te Utrecht 2-7-1576. Hij verzorgde o.1n. <le eerste verta1ing van de katechismus van Canisius. Een derde rode-plaats is Lansrode, waarvan de volgende excerpten : 1210: in loco discitur Lanscerode, KA, vivario adheret nlolendini in loco qui dicitur Laueerode terre et ne1nore, KA; 1224 : Curia1n de Lancerode, KA; 1305 : ten Crechtens hroec op delsbroec .inde si de te Lansrode wert, KA; 1365 : ad curtes de W aterloes Lansrode Gntendale, RI(. 2352; 1420: I.~antsrode RK. 25215; 1428: aen dEussel van Lantsrode, RK; 1429 : te Lansrode, KA; 1439 : thof des vs. éloosters van Lansro.de, KA; 1430 : eusel van Lantsrode, RK; 1434 : thof van Lansrode, RK; 1440 : van eender groot er heyden tot Lansrode, KA; 1444 : te Lantsrode weert, RK; 1450 : Agriculturum suum de Lansrode, KA; 1450 : gecocht tegen J anne Heyn1ans schoenmaecker lants geh. Lans rode, KA; 1450 : van Reyniere op den Bugborre van den busschelken hij Lansrode, KA~ 1465 : Dierieken van Lansserot, R; 1483 : op de Lansrode heyde, KA; 1485 : in prochia de Rode prope Lansrode, KA~ 1523 : aen die st ra te van Lansrode gaende na Creftenhroeck... op den vs. meer aen tvalveken staende, RK; 1523 : die I.~ansrod delle, RK! 1523 : tot 1--amwoedt>n, RK; 1529 : tot op pedeken van l.~ansroede, RK ~ 1549 : thof van Lansrode, RK ~ 1570 : een stuck bosch ... geh. die Lant~rode heye groot ont:--int 18 of 20 bunders... gemeyneUjck de nlidclelste heye na est <le Gevaertsheye, KA. 5761; 1634: l.~ctnsroode heyde~ KP; 1652: Sint Annen houw bij Lcuultsrode., RK; 1697: Lantsrode wep;he, RK~ 1704: Ia Cense nom· m~e Lnnrherode derrière l'eapinet, SP, 11, 558; 1733 : op h<"t Pacht-


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

DE NAAM DER GEMEENTE

hof van Lantsroode, RK; 1764 : aen den bosch van de ahdije van Cameren bij Lansrhode, WR; 1767: ten gehuchte van Landtsrode, KA; 1773 : het pachthof geseyt het hof te Lantsrode, G; 1783 : naer Lans-Rhoo, G; 1789: teghens de dreve van Lansrode, WR; 1834: Land Rhodesche Dreef, Kad; 1835 : Lansrode, v.d.M.; 1835 : Lans Rlwdes, Kad.; 1935 : Hof .te Lans1·ode, RT 26. Lansrode is het « rode van Landso » (verkort dinlinutief van Zand-naam, als Landbrecht), wijst op een rode, als werk of eigendom van een partikulier of een afzonderlijke instelling (J. L.), hier door monikken van de abdij van Terka1neren. Een andere ontgonnen plek is het K waad1·od : zonder datum : Quaet rot, aan de grens met Waterloo, een plaatsnaam die door de Walen verminkt werd tot: 1769 : Caraute, annexe du Chenoit; Ferme Carattte, T.W. (n) 92; 1834: Drève de Caraute, KP. 418. De betekenis er van zal wel zijn Kwaad Rode, n.l. met slechte, kwade grond. Tenslotte is er nog, aan de taalgrens omtrent Revelingen, de .eigenaardige plaatsnaam Trymaroy (1532 : bij mij vrouwen bo$Ch ende dbosch Trymaroy, RI(; 1547 : aan den haagbosch gen. Tryma· roye, RK; 1551 : over den Hauwael plasch tot tegen den Trimaroye, RK). Het laatste lid schijnt ook te wijzen op een rode. Dit is het nochtans niet; het betekent de « dries van Maroie (Marie) - W aais tris, try trieu = mnl. Driesch. Deze plaatsnaa_m is thans onbekend, maar er bestaat aldaar een plaatsnaam, die in de volksmond het «Wit Gerijmt » heet, wat geen zin heeft. Zeer waarschijnlijk is het de vorengenoemde misvormde en verminkte Trirnaroe (ESB, 1958, blz. 77-78). Het verwaalste Roussart op Waterloo kan ook een rode-benaniing zijn. Misschien een tautologie, zegt Jan Lindemans (ESB, 1958, blz. 77), 1434 : in den steert van Roussaerde dat men heet den Hackenbaert (RK). Deze plaatsnaam verschijnt ook als Roesschaert, Droesschaert enz. Te Zevenbor1·en ligt Dietsrode : 1365 : ad aggerem de Dietsrode (RK. 2352); 1390: Dietsrode block Dystschroide (SP); 1391 : om te 1naeken eenen watermolen op den dam te Dietsehen rode (KA) ; 1431: Dietsehenrode (KA); 1549: Diesrode (KA); XVIIe: tgoet van Dietsrode... houdende tsa1nen 9 bunders gelegen te Ditsrode onder de prochie van Roode neven dwout van Zonien (KA 15576, 17). Zoals men zien kan, is heel onze gemeente ontstaan uit « gerode » of ontgonnen 11lekken in het grote woud.

gemeente die ook een Franse benaming heeft). Het spreekt dus van zelf dat de h in Rhode totaal verkeerd is. Het is dèrhalve spijtig en volkomen onverantwoord vanwege de Commissie voor Toponymie met die vervelende letter h ook in de Franse benaming geen schoonschip te hebhen gemaakt en te hebhen toegegeven aan de gril van ter zake onbevoegden.

Zoals we hierboven konden vaststellen werd de eeuwen door Rode steeds zonder letter h gespeld. Sporadisch komt men wel eell$ een h tegen van wege vreemde ambtenaren. De gemeente heet titans officieel Sint..Geneshts-Rode en Rhode-Saint-Genèse {de enige Rode-

16

17


HOOFDSTUK II

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

DE GEMEENTE. De gemeente Sint-Genesius-Rode, 2.282 ha groot, is gelegen in de provincie Brabant, het arrondissement Brussel in het kanton Ukkel, op 8 km van deze gemeente, 13 km ten zuiden van de hoofdstad, 11 van Hoeilaart, Bosvoorde-W atennaal, 9 van Halle, 7 van Buizingen, 8 van Eigenbrakel, 2 van Alsemberg, 3,5 van Linkebeek, 4 van Dworp, 5 van Beersel, 15 van Gaasbeek, 20 van Nijvel, 40 van Leuven. Ze is 1° de zetel van een belastingontvangerij en kontrole (voorheen Alsemberg en Halle), 2° van een rijkswachtkanton (distrikt Halle); 3° van een postontvangerij, behorende tot de 2e postmnstrijving (Leuven). Het postkanton omvat tevens de gemeente Alsemberg. Op geestelijk gebied behoort ze tot de Dekenij Ukkel en het Aartsbisdom :Mechelen. België telt 2.699 ge1ueenten. Volgens het bevolkingscijfer bekleedt Rode daaronder de 186e plaats.

BODElVIGESTELDHEID Om te weten hoe de Rodese bodem er oorspronkelijk uitzag denke men al de werken van de mens, wegen, gehouwen enz., weg en dan zien we een zompige vallei die hegint boven het Hof te Sint-Anna, van zuid naar noord, tot aan Lansrode, waar ze zwenkt van oost naar west. In die vallei tekent zich 1nin of 1neer duidelijk hier nauw en verder breed, een waterloop af, de latere l\lolenheek. Een tweede laagte daalt van hoven het Hoftenhout af waarin een watervliet kronkelt, de latere Kwadeheek~ in de dorpskom, waar de twee waterlopen san1envloeien ontstond te enip:er tijd de ker:n

.

19


GESCHIEDENIS VAN SINT~GENESIUS-RODE

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

van een dorp en de kerk van een parochie. Ingevolge aanslibbing van grond uit de hoogten, vooral langs de wegen, die ntettertijd diep uitgehold werden, ligt de dorpskont thans 1.00 tot 1,50 m. hoger dan oorspronkelijk. Langs de waterlopen, nl. de Molenbeek, de l(wadebeek met kleinere vertakkingen, vindt men de ntoderne alluviale of aangeslibde gronden en de leemachtige slijkaanvoer der glooiingen (colluvium). Hogerop, in de Brusseliaanse laag, vindt men kwartsachtig wit zand ntet zandachtige tubulaties bevattende afgeronde fistelachtige geglansde zandstenen (grotstenen), overgaande tot ijzer· achtige zandsteen aan het bovengedeelte, afwisselend met kalkachtige en m.ergelachtige zandsteen. Op de Lediaanse laag, o.m. tussen het l(lein Luik en de Hoek en de hoogste gedeelten langs de W atedoosesteenweg, overheerst een kalkhoudend zand en dito zandsteen, met wit en geel gespikkelde tinten overgaande tot okergeel, vaak zeer ijzerhoudend met verscheidene bedden ijzerhoudende verhardingen. Verder doorkneed met nummulieten met valeriola, overgaande naar fossielhoudende zand· steen, ook vermengd met de zone van gerolde nummulieten laevi· gata, wanneer geen Lakeniaans aanwezig is. Langs de steenweg van Waterloo, tussen de Middenhut (123 m) en Waterloo is er een Assiaanse laag van zandachtige, groenachtige klei en geel door· streepte grijze klei. Tussen de Middenhut en de Kleine Hut, naar Ukkel en het Zoniënhos toe, vindt men kleiachtig zand, bedekt met Haspengouws löss (leem) • Op verschillende plaatsen werd deze leentlaag ontgonnen. Verscheidene steenbakkerijen kwamen aldaar voor. Stroomafwaarts van de Molenbeek komen de lagen van het Ieperiaan aan de dagzoom, eerst zandige afzettingen, terwijl nog later, maar dan niet meer op het grondgebied van Sint-Genesius-Rode, ook de Ieperse klei voorkomt en zelfs primaire lagen, behorende tot de oudste afzettingen van ons land, nantelijk het Cambrium (kwart· sieten van het Devilliaan). De roestkleur van de Brusseliaan- en Lediaanzanden komt voort van de oxydatie van glauconietkorrels die in het zand voorkomen. Het zijn zwarte (feitelijk donkergroene) ko1·reltjes. De oppervlakte· laag die in kontakt komt met de zuurstof uit de lucht of het doorsijpelingawater oxydeert tot ijzeroxyde of ijzerhydroxyde (roestkleur). In de klei van het Assiaan is de groene kleur, eveneens aan glauconiet te danken. Omstreeks 1837 werd tot de overheid verzoekschrift gericht om op de Grote Hut grondpeilingen te mogen doen - of het om steenkolen of petroleum ~in~, is niet bekend. -De suikerraffinaderij aldaar en Generaal Leeharlier verzetten zich daartegen en rle zaak bleef erbij.

DE HOOGTEN

20

De Molenbeek, met de vertakking van het Krechtenbroekwater en van de K wadeheek, van zuid naar noord, trekken van oost naar west valleien door de gemeente, waartussen heuvelruggen opklimmen, die op hun top tot hoogvlakten vervloeien. Tussen Krechtenbroek en de Molenheek klimt de heuvel van aan het laagste punt, Tenbroek, 55 m. tot 123 meter op de Middelhut,' met 70 m. in het dorp. 80 m. te Boesdaal. Tussen de heek en heel de vallei van de l(wadeheek van 60 tot 131 m., aan de grens van Waterloo, met Hoftenberg op 90 m., de Hoek 110, het Waterlooseveld 120 m en 123 m. aan de spoorwegbrug van de J agersdreef. Over een korte afstand klimt het landschap te Tenbroek in zuidelijke richting steil tot 110 m., waar het de kam van het 4al van Zevenhorren vormt. De oorsprong van de Molenbeek, beneden Lansrode, ligt op 85 m. hoogtepeil. Het officieel hoogtepeil der gemeente bedraagt 68,813 m. en is gelegen op 40 cm. van de rechterkant van de westeringangsdeur, van de kerk, op 26 cm. boven de grond. DE WATERS Het waternet van Rode behoort tot de kom der Zenne. De voornaamste waterloop is de Molenbeek, die haar uiterste oorsprong heeft tegen Zoniënbos, waar de Waterloosesteenweg ongeveer de scheidingslijn uitmaakt tussen de kom van de Zenne en die van de Dijle. Ten oosten van die lijn vormt zich stilaan de IJ se, een hijriviertje van de Dijle. Ten westen ligt dan onze Molenbeek, die van oost naar west door Rode, Alsemberg, Dworp, Huizingen loopt en te tot in de Zenne uitmondt. In de dorpskom ontvangt ze de Kwadeheek die ten zuiden van het Hof ten Hout ontstaat. Onze gemeente is zeer rijk aan bronnen, die verscheidene vijvers voeden. De Molenheek krijgt haar ei~en loop aan de laatste vijver, de Gevaartvijver. Haar beddin~ was het vrije werk der natuur geweest en hijgevolg zeer grillig en kronkelend. In de loop der jaren werden veel gedeelten ingedijkt en t·echtgetrokken. In 1767 was dit nog het geval tussen de Gevaartvijver en Termeulen : « Alsoo aen d'Abdije van Te1·can1eren sijn campeterende sekere hempden gelegen onder de parochie van Rode hij Alsenherghe ten gel1uchte van Landtsrode, omtrent den Paddeput, palende tegen seker heetnpdeken toeheltoo.. rende aen de wed. de Haze, al waer de beke tusschen beyde seer erom loopende, ende alsoo scparerende dese goederen, behoudens dat de goederen van Tercameren noch waren overspringende 1net eenen hoeck over de heke, soo sijn partijen minsamelijck geconvennieert in der voegen te weten, dat de heke sal w~rden berleyt en gebrocht

21


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

linia recta tusschen beyde goederen... met eenen kleynen gracht dienende tot separatie van de' goedereu van Tercameren ende degene van de wed. de Haze. Item is alnoch geconvenieert dat tusschen de goederen van Tereanieren en die van J oannes van der Gucht... linia recta zal worden gemaeckt ... met ertussen een kleine scheidingagracht (G. 5725). Tussen de Paddeput en Termeulen werd de heek in 1859 naar de overkant van de weg, de Odesstraat (thans de Stationstraat), verlegd en werden er drie bruggen en twee duikers gebouwd, één aan de Paddeput, aan de weg naar Boesdaal, en twee te Termeulen. Oudtijds waren er weinig bruggen. Bij ondiepe beken en rivieren zocht men de best doorwaadhare plaatsen en men reed er eenvoudig

twee vijvers waren. (Het huis van Dr. Coenen is vlak hoven de Grote Krechtenhroekvijver gebouwd). Verder in heel- de zompige laagte tussen de Gevaartvijver en Termeulen, waar altijd een vijver geweest is, en eindelijk uit de Hollehorre, die overvloeidig water geeft. De Molenheek heeft maar één eigenlijke hijheek, de I(wadeheek, die, in de Fonteinstraat overwelfd, aan het Gemeentehuis in de grote heek uitmondt. Voortijds liep de 'I(wadeheek heel de dorpskom in open lucht, vlak vóór de huizen door. Aan elk huis was een overstaphrugje. Het was schilderachtig, maar natuurlijk minder praktisch. In 1896 werd een eerste gedeelte er van overwelfd over .een lengte van 20 m., vóór de huizen van Frans Danneel (-Susse Roene). In 1910 het overige. Ingevolge de verschillende kerkvergrotingen aan de achterkant loopt de I(wadeheek thans onder het koor door. Bij slagregen liad .men in het dorp vaak grote last met over· stroming. Geweldige hoeveelheden water, stroomden van de Lindestraat, de Kerkstraat en vooral de Nijsherg naar beneden. Het plaat.. selijk bestuur overwoog in de jaren negentig de aanleg van een afleidingsriool van aan het gemeentehuis, langs de Dorpstraat en de Dreef om aldaar opnieuw in de grote heek uit te monden. Dit ontwerp ontketende een geweldige beroering. Er vormden zich twee partijen. Tegen de burgemeester, Frans van K.eerherghen, in de wandeling Susse Lanstro, omdat hij de pachter van Lansrode geweest was, de grote voorstander van het werk, werden zelfs liedjes gemaakt en gezongen, waarvan hierna nog de volgende schaarse regeltjes :

Vijt~er

en oud vissershuis.

(Cl. V.T.B.) •:

met kar en J>aard door. Om vaste grond te hekomen legde men er stenen of keien of bussels hout in. Ruim 150 jaar geleden zelfs, waren er in het dorp aan de kerk nog geen bruggen. In 1858 vroeg de eigenaar van het Hof te ln@:endaal te TermeuTen ook een verlegging van de Molenbeek, waar juist is niet bekend. De gemeente sloot met hem een overeenkomst betreffende df' afloop van de bron « du chemin dit Borrestraet à travers sa proprié-té ». Aan de papierfabriek van Jan van Rossum, nu de Molen Algoet, had deze in 1839 een gedeeltelijke 01nleiding van de « Menlebeek » gevraagd. Overal ontvangt de Molenheek onderweg water uit de vele bronnen, o.m. uit de vallei van Krechtenhroek, waar oudtijds trouwens

22

1

J

V anderneuzen Susse Maakte aan de kerk Eenen acqueduque Een onnuttig werk Heel de straat kreveerde, De handel lijdde @:ehrek, En al wie er passeerde Brak bijna den nek. Ook de gen1eenteraad van AlsentherO" was er tegen : het riool

« inonderait notre cmnmune à la premièr~ forte pluie >> •••

Het werk werd aangenomen door aanne1ner Ferdinand Vastiau van Alsemberg voor 10.765 fr. Dit was in 1895. Twee jaar later was 1tet werk voltooid. Tijdens de werken., zo vertelde ons J .-B. Mosselmans-Boon, werden veel hoefijzers, sporen, lanspunten, zwaarden en heenderen van mensen en dieren gevonden. J antn1er dat daarvan niets bewaard bleef. Omstreeks die tijd begonnen de verschillende overwelvingen van de grote beek, die in het dorp dicht achter de huizen doorloopt. ...

23


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

In 1896 hekwam Frans Algoet-Meerts toelating om ze over een lengte van 25 m. te overwelven << derrière sa, maison longeant les parcelles 845 et 846 c de I'atlas des cours d'eau ». Datzelfde jaar zorgde ook de Firma Demeurs Frères et Sreurs voor een overwelving van 96,75 m. in hun fabrieken. Mej. Sabine van l(eerherghen en mej. Momrnaerts « supérieure de la Société Agricole » lieten in 1902 overwelven aan percelen C 824 d, 831 c, 826 c, 826 f. Alfons de

De Gevaartvijver in 1930. (Pentek. Leo Theys, el. Vlaamse Toeristenbond.)

Becker en Sahine van Keerberghen aan percelen C 830 d en 831 c over een lengte van 20 m. Frans de Becker, 8 m. lengte. In 1950 liet het gemeentebestuur het gedeelte van de heek ovërwelven van aan de brug in de Kruisdreef tot aan de uitmonding van het riool, om de Dreef te kunnen verbreden. Omstreeks 1875 had de Stad Brussel in Zoniën galerijen voor de watervoorziening van de Stad aangelegd. Dit had tot gevolg dat de vijvers van Groenendaal, die aan Rode palen, droogliepen. Die vijvers worden thans nog op kunstmatige wijze van water voorzien door de stadsleidingen zelf. Ons gemeentehestuur vreesde toen ook voor water· gebrek en liet in 1876 het waterpeil van onze heken meten door deskundige Zhnmer. Wegen en waterlopen moesten vroeger door de aanpalende eigenaars onderhouden en hersteld worden. De schepenen moesten daar toezicht op houden en de nalatigen op straf van boete aanmanen de nodige werken uit te voeren. Alzo zien we in 1743 dat Sr. Frickx, de papierfabrikant en Gabtiel de Greef, de heek «te hoogh gesteyght. .. ende onhehoorelijck geruympt » bad den. J...B. Hublo had niet « behoorelijek gesnoeyt differente tacken hangende over de beeck » (G. 8305).

24

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

Onze gemeente is rijk aan bronnen die vele vijvers voeden, onderscheidenlijk in de vallei van de 1\tlolenheek, de Kwadeheek en de Zevenhorreheek. In 1842 (Popp) waren er vijftien, samen 16 ha. 33 -~· 60 ca. groot. De aanleg van die vijvers was hetrekkelijk gemakkeliJk. Op bepaalde afstanden werd een dam of dijk dwarsdoor de vallei aangelegd en de vijvers liepen van zelf vol. Het ligt voor de hand ?at vis~week in die zompige dalen, waar niets anders gedijde dans lis en riet of elzen schaarhout, meer zou opbrengen. Die vijvers opnieuw tot weiden of heemden herschapen was al even gemakkelijk. Het volstond ze te laten leeglopen en alleen een gracht te laten voor de verdere afvoer van het water. Zo veranderde de V eldvijver, aan het Hof te Lansrode, meer dan eens van bestemming. De Blonde vijver en de « Vijver heneden het Hof » vormen er thans ~aar één meer. De huidige eigenaar, Robert Thys, liet de weg die er tussen lag weggraven. Toen de Abdij van Terkamerep in 1210 aldaar goederen verkreeg, was haar eerste zorg, benevens het oprichten van een hoeve (Lansrode, het aanleggen van vijvers. De kloosters verbruikten vroeger veel vis. Bovendien kon daarmee in tijden van schaarste van andere Aan de Kwadebeek, in 1935. levensmiddelen een reserve vo~dsel aangelegd worden en konden de kloosters hun onafhankelijkheid bewaren. Ten slotte was het een bron van inkomsten, want andere kloosters voorzagen zich aldaar van vis, vooral voor de vastendagen, die toen veel talrijker waren dan thans. In 1571, onder meer, werd uit de Gevaartvijver de volgende vis geleverd aan de «minderhruers » te Brussel : 50 karpers~ aan de « tninderhrueurs » te Boeten· daal (Ukkel) : 50; aan de « Bruerkens tot Helsen » fElsene): 8 karpers; «ten clarissen te Bruc:ssel : 2 quartieren ». Onder Jan 111 (1312) was één daarvan in leen gehouden door Jan van der Zennen (Johannes de Senna de Bruxella, IX bonaria terre et I vivarium apud Rode Reynoldus tenat). De daaropvolgende verheffingen van de vijvers zijn ingeschreven in het Spechthoek, in 1374 opgemaakt onder nr 4 van dt" inventaris van het archief van het Leenhof van Brabant en in het repster nr 18, opgemaakt in 1500. (B.C.R.A.A. 19, 1880, hl. 355).

25


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

Onder Jozef II werden de vijvers der kloosters afgeschaft en door het Don1ein ingepalmd. Ze werden verpacht, maar h1·achten niet veel op. De visprijs was gedaald, mede ingevolge de afschaffing van de 40-daagse en zaterdagse vasten. Welke vis er in de vijvers van de Abdij gevangen werd kunnen we vaststellen aan de hand van wat er in de 166 eeuw gevist werd. In oktober 1571, onder meer, in de Bosvijver; << in de vijver onder het hof (Lansrode) : vorssels, kerpers, grouw. In de Kontrijevijver : snoek en paling. Op 26.9.1567 « visscherije gedaen tot Lansroode » : in den opperste vijver : 220 karpers en vorsels en handsnoek.. Op de Kontrijevijver : karpers en << 2 groote volle ketels .cleyn w1t voor snoeck aes », palinrren, brasem een grote ketel vorsel « tgene aldaer e gelaten es op deselve vijver om binnen acht daege int clooster te haelen >>. Alles was ingericht om de grootst mogelijke opbrengst te bekomen. Van de benedenste vijvers werd ·vis overgeplaat~t naar de opperste en omgeke.erd. Van de vijvers van Elsene werd jonge vis overgebracht naar Lansrode : .(< van Eisen ghèvoert naer Lansrode 850 antenois wit en brasemen tsaemen 6 ketels ». « Ghespijst tot Lansrode hoven thoff 300 antenois, 300 vorsels en een ketel wit. In de -I(ontrijevijver : 400 antenois, en evenveel vorsels. In de Kleine vijver 250 antenois, 200 vorsels en een schepnet ·wit. Staet te noteren dat dit tegenwoordig jaer tot Lansrode vijvers getrouw en is geweest om aldaer te De Molenbeek te Tenbroek, in 1935. spijsen dan tgene den ael op den Gevaert gespijst is, uyt welcker reden wij te 1neer antenois gespijst hebhen hoven den ordinaris, te weten op den Gevaert 100, opten Schapsvondel 50, opt cleyn vijvereken 50 ». (Antenois eenjarige vis.) In 1570 werd onder 1neer gespijsd: in de Gevaart: 550 antenois; « 200 van den cleynsten utgesocht », .« eenen ketel wit brasemen »; vorsels 700; «noch eenen ketel vorsel ». «Op het Cleyn vijverken: 100 antenois, 200 vorsels, een half schepnet wit. Op het Cruys savoir: 2 quartier hantsnoeck; een half quartier anthenois; drij schepnetten

wit. Op den anthenois savoir : een quartier hantsnoec~ en een vat wit, op een ander savoir : 10 bantsnoeken en een vat wit ». Men was oudtijds zeer streng op het vissen. In de Brusselse Keure van 1229 is bepaald dat « Wye in eens mans wijngaert ginghe bi daghe, sonder orlof, of in der lieden vysscherijen, hij waers om 20 scilden ... worde hij 's verwonnen; ende wien inghinghe hij nachte, hij waer 's om 5 lihras ». De visserij van de kloosterzusters van Terkameren alhier stond dan ook onder strenge bewaking van een daartoe aangesteld persoon. Zo werd op 25.9.1795 J .-B. Houwaert aangesteld als « officier en

=

Zevenborren. De Grote vijver of llfaalvijver.

hewaerder der hosschen en andere goeden en visschen der vijvers ». Onder zijn verplichtingen kwamen de volgende voor : « hij sal caIengieren sonder eenige exceptie of oogsluytinghe; geen heesten laten weyden, roeien of visschcn; tweemael 's jaars O}) sijn kosten « smeyen » en de vijvers onderhouden « als ze roerekelijk vervuild zijn; « een werkman moet hij op zijn kosten nemen; hij moet de laarzen levet·en; in de winter moet hij tween1aal daags de « savoiren en vijvers openkappen tot conservatie van de vis ». Hij geniet vrije huisvesting in het « huys genaemt visschershuys (dit bestaat nog), uitgenomen de grote kamer « die sal sijn tot het gerief der susters alswanneer sij komen tot de visscherij, de stallingen, het ltofken, en een hlockxken daer aen gelegen groot 3 dagwanden 54 roeden »; van de verkoop van het schaarhout krijgt hij 10 stuiver per koop en per jaar en een vast bedrag van 150 gulden in geld • ....

26

27


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

Bij de andere hoeve van de Zusters van Tet·kameren, het Hof te K.rechtenhroek, tussen het station en het Hof te Boesdaal, waren er ook drie vijvers, de grote en de kleine K.rechtenhroekvijver en de Schoefsvijver, op dezelfde wijze aangelegd. 'Vijftig jaar geleden was de plaats nog goed te herkennen. De oudste ver1nelding ervan dateert uit 1462. In 1571 werd het « Cruys savoir » van de Krechtenhroekvijver geSJ)Ïjsd met 50 handsnoeken en 7 « quartier anthenoys ». De Gevaartvijver was de laatste vijver van Terkameren naar het westen toe. Hij was de grootste - in 1842 2 ha. 21 a. 40 ca. maar werd in 1873 middendoor gesneden door de spoorweg. De hovenhelft was reeds lang leeggelopen en verzand, en verdween algeheel in 1954 hij de verbreding en niodernisering van de weg naar Hoftenberg onder de spoorwegbrug door. Die vijver was zeer visrijk. In 1571, hv. werden aan het klooster gezonden : 450 kar· pers, « schoon wit (witvis) ontrint 2 ke_tels », 43 palingen. Aan die vijver werd oudtijds de vis uitgedeeld die volgens oud gebruik jaarlijks aan sommige personen gegeven werd. Die vis heett"e de «geefvis » en de vijver de Geefaard, een personifikatie dus. (tgene des gegheve es op de Kasteel Mal.ibran en kerk. Gevaert achtervolgende d'oude gewoonte). De volgende personen ontvingen hun jaarlijkse vis : in 1571 «den 7 capelaene van Alsenherghe 1netten custere », elk één karper; de Paters van Boetendaal 4 karpers; de hoogmeier had recht op 4 karpers, de ondermeier op 2, de « seven schepenen » elk op 2. Verder ontvingen Jan Evernerts en Matheus de Haze elk één karper. Pieter Everaerts, Daneel van Keerherghen, Joos van den Bergen, Jan van Rossum, Sebastiaan Beeckmans, J au van Bever en « Mijn heer Wijns », elk twee. Het waren allen pachters of huurders van goe· deren van de Abdij. In 1632 beweerde griffier nteester Hendrik de Kegel ook recht te hebben op twee karpers. Hij zou van rentmeester Gillis van Linthout of van de « laicke susters » in 1631 acht karpers ontvangen

28

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

hebben. Hij kon envenwel de naa1n van die zusters niet zeggen. Het gaf aanleiding tot een proces dat tot in 1642 duurde en waarin de kegel « contendeerde tot hetaelinge van twee carpers voor gelijcke achterstel d'leste verschenen te Bamisse 1633 lestleden als greffier v~~ Rode campeterende van het Clooster van der Cameren op hunne VlJVers genoempt den Gevaert» ... De abdij gaf echter niet toe en hield vol dat de griffier soms wel een paar vissen hij de bedeling kon hekomen hebben, maar dat dit daarom nog geen recht was. In 1695 .was er ook een geding, van wege een huurder waarschijnlijk : «Item noch 24 stuyvers jaerelijekx over dese karpers die hetrocken sijn op den Gevaert dewelcke oudersproeken sijn in de hueringe voor het stilstaan van den molen de door het sterckwaeter ende karpers getrocken sijn hij den verhuerder ». De achterstal liep over acht jaar. Met sterk water wordt hier waarschijnlijk bedoeld : hoog water (G. 8326). In 1715 werd de volgende « geefvis » uitgedeeld : « den bantmolen 4, de kerck van Alsenhergh 4, den coster van Alsenhergh 1, Nauts, heer van Alsenherg 1, het hof ten Bergh (pachter Jan Everaerts) 1, den papiermolen 3, den Horenhempt (de huurders er· van) 2, de huysarmen van Rode 2, de cure van · Rode 1, de coster I, den cam (de brouwerij in het dorp) 5, den Kerckenbempt 1, Jan de Smet 2, het Slijp (?) 1, Bruneel 1, Cnof (eigenaar Vijvers te Zevenborren. van het Hof te Ingendaal) 1, Gielis (Cl. V.T.B.) van den Broeck 1. In 1842 was de Gevaart eigendom van de familie de Meurs. Daarhuiten bezaten ze toen nog vijf vijvers, onderscheidenlijk 011eleO'en en groot : Wijk B : 1.60.50 ha.; Wijk B 35 : 65.10 a., Wijk B 1.43.01 ha.; Wijk C 528 h : 8.60 a.; Wijk C 531 : 89.60 a. Tegen de beemd van het hof van Ingtndale was er in 1671 « een cleyn hoeeken aen het vijverken aldaer » (G.). Dat vijvertje bestaat nog. Op de Kwadeheek was er een vijver in de Geukens, een tegen de Kerkho~s~raat, eigendom van de familie Carlier; een in het goed van de f amdte de Greef-Mosselmans en een in de pastorijtuin, die bij d~ opeenvolgende vergrotingen van het Kerkplein geleidelijk teniet gtng. In de 14e eeuw hadden de Paters van de Priorij van Zeven-

42 :

29


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

horren hetzelfde stelstel toegepast als de Zusters ·van Terkameren te Lans1·ode. De bt·onnen vloeien er uit twee richtingen, uit het oosten en uit het zuiden. Die uit het oosten vormen er de Kromme.. vijver (89 a.), de Zeen" of Zaanput, de Ruitersvijver (88.80 a.) en de Molenvijver, die uit de twee richtingen gevoed wordt. Uit het Zuiden worden gevoed : de Blonde vijver, de Vierkantvijver, de V etvijvm·, de K.erkvijvet·, de Heinsputvijver (1.30. 70 ha.), de Molenvijver (4.42.00 ha.). Op deze laatste (gelegen op de Dam van Dietsrode), draaide reeds van in de 14e eeuw een kot·eninolen (Wijk D 194 bis). In 1842 hoorden die vijvers toe aan Graaf Jakobus Andreas Coghen. Van daar af vormt het water de Zevenhorreheek die te Dworp aan de bloe1nmolen de Becker in de Molenbeek overgaat.

Rombonts eike >> (Rk 25.219); de Wielewaaleik (I) (1523, 1551, 1570, 1574, 1634, 1740, 1815) : « boven Lansrode aen de W ewaeleyck >> (Rk 29.384); de Prijsmanseik (1570) : tot in de 18e eeuw heneden den Steenvoortdriesch. op den hreeden wech comende van Prijsman eyck naer de Cortte straete (Rk 27.384); de Schone Eik 1408 : die Scoon eyke (SP), 1478 : Margriete Jans Claes dochter van goede Henriex Breedijck... bider Schoender Eycken (Rk); de Spanjaardseik (vermeld in 1634, 1639, 1661, 1697, 1740), de St Anna-eik, vermeld in 1528, in 1551 : St Annen eycke gestaen op ten grooten Walschen W ech (Rk 25.261) ; de St Stevenseik, tegen Ter Kluizen, vermeld in 1659 (aen den eyck van St Steven (WR), de Steenvoorteik, vermeld in 1620 enen 1664; de St Geertruideeik, vermeld in 1634 tot 1656 (St Geertruyen eyck (KP), die 26-6 inventus est mortus in via W alonica circa quercum St Gertrudis J oannes Bernardt (AP); de nog hestaande Dikke Eik te Zevenhorren eigenlijk de St Huibrechtseik (vermeld in 1511 : aen St Huhrechts eycken (RK 25.223, 10 va). Het was dus toen reeds een De Sint-Huibrechtseik te Zevenborren. merkwaardige boom. Verder wordt hij o.m. nog vermeld in 1514, 1515, 1519, 1521, 1522, 1538, 1630, 1634, 1659, 1661, 1693 (op het Operken hij St Huybrechts Eyck (RK 25387), 1696, 1737, 1740, 1764, 1791. Naar schatting moet hij 7 tot 800 jaar oud zijn. Zijn omtrek bedraagt ongeveer 6m. Omstreeks 1940 werd hij jammer genoeg door de bliksem getroffen, waardoor een hoofdtak afgeslagen werd, zodat hij sedertdien aan die kant aan het bederven is. Het is een historische boom. Op 10.10.1540 rustten Keizer Karel, zijn zoon Filips, zijn zuster Maria (van Hongarije) en de sultan van Tunis, Moelaï Hassan onder zijn brede kruin. De Bonjour-Catherine-eik, 1772 : omtrent Bonjour Catherine (WR 94); 1775: de dreve loopende van Bevenhorren naer Bonjour Catherine (ib. 95), 1783 : op Revelingen... omtrent ende met

BEBOSSING EN BEPLANTING Benevens wat eiken, groeien er in het gedeelte van Zoniën i:n onze gemeente haast uitsluitend beuken. In de andere hossen en hosjes vindt men beuken, eiken, dennen.,. kastanjehome~ herken en in de moerassige laagten ook els. De hagen zijn meestdendeels doornen- en ligusterhagen. Het is hekend dat de spar niet oorspronkelijk tot onze gewesten behoort. Pas in de 18e eeuw werd hij hier aangeplant. Geschiedschrijver Priester Mann zegt dat hij in zijn tijd (18e eeuw) slechts één sparrehos in de omgeving van Brussel kende, nl. tussen Rode en Lansrode. Er bestaat daarvan nog een overblijfsel in het landgoed van Baron E. Rolin, langs het visserspad. In een schouwing van de hossen in 1623, o.m. van « die ledighe plaetsen tusschen den houw van Sint-Anna ende den Post W ech gaende van Alsenberghe naer Braine la Lieulx... den geheelen houw van Waterloos tot Revelinghen toe « werden » bevonden groote ende excessiven schade in het afcappen in grooten getale eycken hoornen, hu eeken, ltesselteren, bereken... op den Crechtenhroeck en Lansrode vele huecken, lterselteren en herekenhoornen afgecapt ... op de Hangeycke vele eicken afgesaeght ende gehouwen buecken, herselteren ende bereken... Int gat van EU eringen (te Zevenhorren tegen Dworp)... op den Vlaenderenhergh een aerthoom afgecapt ende wech gevoert... 30 tot 40 leverijen hout... op de Lange haege hij Ste Geertruyden eycken (FO 4848) .. In Zoniën en op een paar andere plaatsen prijkten enkele merk· waardige bomen waarvan de naam bewaard bleef: Zo hv. de Romboutseik (1431, 1444, 1447) : op den walschen wech aen

»...

30

(1) De wielewaal, ook goudmerel (ortolus galbnla), een der fraaiste inlandse trekvogels tot de familie der kortpootspreeuwen behorende is een gele prlem' snavelige zangvogel met zwarte vleugels.

31


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

zekeren eyck gen. Bonjour Catherine (ib. 102). Scheen die boom groetend te nijgen of gebeurde daar de ene of andere idylle? Er was ook een St Huibrechtseik op de l(leine Hut: 1504, Blmnntaert in de Hutte van St Hubrechts Eycke (RK 12548); de W olfseik, 1515 : aen de Wolfs eycke gaende na den herck ende

nog vermeld in 1659; een Schoonbeuk (vermeld in de XVIIP eeuw) hij Revelingen, in het Frans hekend als beau fan. Of dit dezelfde is als « den Revelinckschenbeuck outrent het voetweghaken >> (WR 450) is niet te zeggen. In het kasteelpark van Graaf de J onghe stond tot 1940, toen hij door een orkaan werd getroffen en weldra uitstierf, een oude beuk, met een omtrek, op een hoogte van 1,50 m, van 7,40 m. De stam was 15 m hoog tot aan de eerste takken. Schilder Stevens heeft hem op een doek vereeuwigd en er bestaat een foto van, met de schilder ervoor, in het tijdschrift van Les Amis de la Forêt de Soignes. Een tweede oude beuk met een brede kruin stond op de hoek van het goed aan de ingang tegen de Eigenhrak~lsesteenweg. Hij werd geveld om de steenweg te kunnen verbreden. De Twee Linden (XVP eeuw : aen de twee linde ter heyde (AP); de Pretersbeuk (1659 : sPrettershueck (G); de St Annabeuk (1531 : aen Sinte Annen hueck (RI( 25241) en verder vermeld in 1535, 1634, 1639, 1656, 1659, 1661, 1740, 1768. In 1855 bestond hij niet meer. Boven Zevenhorren bestond er ook een St Annabeuk: 1595 a ent Sint Annen hueck hoven Sevenhorre (RI() ; de Geplante Beuk, in 1659 (G); de Kruiskensbeuk (1659 : de Cruyskens hueck (G); de Vijfbeuken (1659 : de 5 Buxkens (G); de Ossenbeuk (1659 : den Ossenhueck (G), waarschijnlijk op het plein van die naam : 1634 : Ossenpleyn (KP), 1750 : op de pleyne gen. de Osse pleyne Ianghs den casseyde leydende van Brussel naer de Cautershutte (WR). ZONIENBOS.

De linde op de hoek van de Bosstraat.

aen de Schoon eycke (RK 25226, 27), hij is nog vermeld in de XVIIIe eeuw (KP). Ten slotte was er nog het koppel Eiken (1659: tcoppel eycken (WR). Verder waren er : de Jagersbeuk (1543 : a ent Jaegers beuck (RK 25.253); de Kattemansbeuk (1551: de Craweyts delle voerbij Cattemans bueck om den helboren totten Ct'Uyss.en van daer omtreckende tot allernanette (ter Hand hij Terkluizen (RK 25261), 32

Een woud dat zich uitstrekte van aan de hoorden van de Rijn en de Moezel tot aan de zee, bedekte haast heel de vlakte tussen de Zenne en de Dijle. Het Halderbos, het hos van Vorst, de hossen van Moorselo, het Zaven.terlohos, waren er mee verhonden of waren er maar van gescheiden door velden of heidegronden. Sanderus {Antoon Sanders, priester, gesclrledschrijver, geboren te Antwerpen 1586, t 1664) meent dat het hos deel uitmaakte van het groot kolenwoud, dat zich tussen de Samher en de Schelde uitstrekte. Volgens G. Cumout echter zou het woord « Carbonaria » in de naa1n van het Silva Garhonaria, geen steenkolen bedoelen, n1aar wel de houtskool, die in grote hoeveelheden in het woud werd voortgebracht ten behoeve van de ertsverwerking, vooral in de Gaiio..Romeinse tijd. Zoniën behoorde vroeger waarschijnlijk tot het domein cler Romeinse keizers en vervolgem tot dat der Frankische koningen. In de XII• eeuw l1adden de hertogen van Brabant het in eigen.. dom. Het was steeds een mooie bron van inkomsten en een

33


GESCHIEDENIS VAN

SINT~GENESIUS·RODE

.

reserve in de nood. In zware tijden werd het vaak in pand gegeven. ~~r slot van .rekening was gans het gebied van het hos, met zijn VIJVers en hu1zen een heerlijkheid waarvan de hertog van Brabant tevens leenheer en leenman was, vermits er in zijn naam werd rech~. gesproken en het jachtrecht uitgeoefend en beheerd te zijnen profiJte. In weerwil van de grote rodingen die het onderO'aan heeft is Zoniën nog een van de voornaamste hossen van het land. Over de uitgestrektheid ervan bestaat er geen gegeven vóór de XIJe eeuw. Onder de eerste hertogen van Brabant strekte het zich uit tot de g~meente Eisen?; Etterbeek, Woluwe, Stokkel, Tervuren, Duishu1·g, R1xensart, OvenJ~e, Waver, Ottignies, Lasne, Couture-Saint-Germain,

Te Zevenbo"en.

Plancenoit, Genappe, Eigenhrakel, Waterloo Ohain Terhulpen Hoeilaart, Oudergem, Wa termaal, Bosvoorde, Sint-Gillis: Ukkel, Lin: keheek, Alsemberg en Rode. Van ~e X~Ite eeuw af kan men talnelijk nauwkeurig de gang van de Uitrod1ng volgen. Naarmate de bevolking aangroeide de aanpale1;1de dorpen belangrijker werden, vervreemdden onze hertogen gedeelten van het woud, hoofdzakelijk ten gunste van geestelijke gemeenten of van een hunner leenmannen. De abdij van

34

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

Terkameren werd gesticht in 1201, de kloosters van Groenendaal, Rode, Zevenhorren, Terkluizen in de XIVe eeuw. Volgens Goblet, «Les Forêts de Belgique >>, I. 157, zouden de Xr, Xlle en Xllle eeuw het tijdperk der grote uitrodingen geweest zijn in een mate die nooit meer werd overschreden tenzij in de XIXe eeuw. In de xve eeuw was het vijf mijlen breed van het oosten naar het westen. Volgens de kaart van Floren,s van Langren had het in 1630 een oppervlakte van 8.263 bunders of ongeveer 10.390 ha. waarvan circa 300 ha. open plekken en wegen. In 1545, toen Keizer Karel hevel gaf dat de jaarlijkse houtvellingen 100 hunder zouden omvatten, was het woud 8.257 htmder groot, waarvan 2. 752 hunder niet bedekt met hoogstamuiig hout. In andere oorkonden is de uitgestrektheid geraamd op 8.101 (Sanderus, Regiae domus helgicae, blz. 19) of 8.227 hunder (Sanderus Chorographia sacra Brabantiae, chorog. Viridis Vallis). In een beschrijving van « Suydt Brabant » uit 1599 leest men : << Hier leyt oock 't Zonienhosch, dwelck groot is uytermaten, Want het can in zijn ront wel seven mijl omvatten ». In 1781 achtte Jozef 11 de exploitatie van het woud te duur voor de Staatskas en stelde hij voor het te verkopen. De Geheime Raad en de Rekenkamer wisten dit gelukkig te verhinderen. In een « Extrait du mémoire statistique du département de la Dyle », door de prefekt in het jaar 8 (1801) aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken gezonden, leest men dat bijna heel het departement bebouwd is, maar dat men er nog het mooie Zoniënhos ziet, overschot van het uitgestrekte Ardennenwoud. Het omvat 9.849 bunder, gelijk aan 24.250 « arpents de Paris » (4/5 ha.) of ongeveer 12.585 ha. · In 1824 bedroeg het grondgebied van onze genteente nog 3.400 hunder in Zoniën. De waarde ervan was verdeeld als volgt : 1. 700 hunder Ie klasse tegen 54 fr.; 850 b. 2e klasse tegen 27 fr. en 850 b. 3e klasse tegen 18 fr. Vóór de Spaanse tijd was het domaniaal woud overal van de particuliere bossen en velden afgescheiden met een gracht twee voet en een half breed naar huiten verhoogd met een grondopworp van vijf voet (Rekenkamer A.P. Reg. 188 fos. 23 en 24). Op die benn stonden zeer hoog gesnoeide bomen met een merk in de stam. In 1532, onder Keizer Karel, werden tussen Hoeilaart en Dworp grenspalen geplant. Dit werk duurde n1eer dan één jaar. In 1542 werd het woud nog dichter met palen - meestal van steen van Arquennes of van Klabbeek - afgebakend. In 1559 tot 1561 moesten vele ervan worden rechtgezet, vervangen enz. Op onze gemeente stonden ongeveer 830 van die palen ! Buiten een enkele tf Zevenborren, zijn ze alle verdwenen, wellicht in troebele tijden, 35


GESCHIEDENIS VAN SINT.GENESIUS.RODE

zoals de Franse bezetting, en tijdens de grote roding tussen 1825 en 1830. Moest nten goed zoeken, dan zou men er nog wel vinden als voor· of achterdeurdor~el, keldel'trap enz. Sommige van die palen droegen een Boe1·gondtsch kruis. Tussen de jaren 1659 en 1672 werd de afpaling nagezien en hersteld. "Y ee~ palen waren zoek, verzand (« mits hij versant was »), v~stgegroetd 1n de « wortels van eenen boom », gebroken, « omverre hggende », «den cop af», «van hoven afgeslepen», « staende een luttel scheef », « 1·echtgedouwen ntits hij was hellende bedeekt in de wortelen van eenen hueck » enz.

Dreef in Zoniën.

Aan de hand van die palen, welke ongeveer 3 tot 7 roeden van elkaar stonden, kunnen de oude grenzen van het woud alhier vastgesteld worden. Op smnmige plaatsen, waar het bos hele1naal op. onze gemeente l~g 1noeten twee grenzen beschouwd worden nl. de hu!tenste en de btnnenste. Beginnende in het oosten paalt die buitenste grens aan Ohain « aen d'erve van Bastien Theys », verder « aent goet van de weduwe Franchois Theys ». « aen eenen voetwech leydende naer Brain la leud aen eenen st~enen stichel daer te voren een valveke plach te hangen... op Brachene a en het bloek van ~e Wed. Toussaint Theys•.. aen de erve van Toussaint Theys den Jongen... a en de erve van Magdalena Wittersael... den wech

36

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

;.

ga ende van Roussart naer Ransbeek ... » De 68e paal werd gevonden << in den messinck van de weduwe Steven Theys ». . . cle 74e << a en den groten walen wedt alsoo genoemt de nieuwe groote casseye (steenweO' Waterloo) ». Hier begon een nieuwe reeks palen. De eerste stond op'O de « groote kasseiye aen de erve van Miehiel Theys ... >> V anclaar liepen de palen naar Revelin.gen, langs een « driessche gen. Middelvelt toebeh. Hendrick Pipenpoy... aen het lant van de erfgen. van Jan Theys ... aent hlock va"n Hubert Theys ... aen de straete van Reuve1inge ... den voetwech van Brachen naer Brussele ... lancx de erve van de erfg. Niclaes Theys... den voetwech van Nijvel op Brussel... op eenen hoeck aen het beginsel van de pleyn Cherau aen den eyck van St. Steven wesende gecrttys't (met een kruis op gekapt) lancx het land van de wed. Jan Theys... « de volgende palen staan op het Revelingenvelt ... » aent lant van Jan Reniers over Catte1nans broeck... lancx de goeden van Franchoys Theys (pachter van het hof van Terkluizen·J ericho)... aen den velde van Gahriel Theys... aen de erve van Niclaes Theys... aen een en voetwech komende van Revelinge naer ter Cluysen... tegen het lant van de wed. Hubert Theys ... » De 100e paal van de reeks aldaar stond « lancx de erve van Philips Theys hij de schuer· poorte » ... de 108e « lancx de erve van Franchoise Theys » en de 114e enz. werd gevonden «tegens de erve» van Pieter Theys. Een nieuwe reeks begon aan de « straete gaende van Brussel naer Brachene a en de erve van Jan van der Cammen ... » de 4e « lancx de erve van de wed. Hubert Theys » ... Een verdere paal stond « aen de herhaene gaende van Brussel naer Nijvel aen de lande van den godtshuyse van Hierico ». . . Van daar liep de grens naar de « schranse gemaeckî in den jaere 1649 als de Francoisen tot Binst (Binche) quamen ». De grens volgde een tijdje de baan tot de 39e « hebbende op de sey.de te Nijvel weert een hant ende op d'ander seyde een St.Andriescruys ». V au hier liep de grens naar Zevenhorren « aen Berghmans houke... aen het hlock van Blaervelt.u op de bane lopende van het pachthof van Blaervelt na er het jong Operke .. . tegens den bosch gen. de Vrancx heyde... lancx het lant van Ham .. . aen eenen ho eek van het Vrieshosch... a en het bosch van Courbeau .. . a en den voetwech loopende na er Brachene... lancx de hosselten van Zevenborre... in de leegde van het eynde van Soniehroeck tegens de Ruienrode heyde vast tegens de beke... a en een en hoeck van Helderinghen velt... neffens de straete loopende uyt Sonie naer thof te Helderin~hen (Dworp') »... verder tep:enover de muur van Zevenhorren ... «den bogaerdt ... tegenover den Plasvijver... op den dam van den vijver waern1ede ingeslaegen wordt eenen steert van den vijver... a en een en hoeck van den vijver a en den wech contmfl:nde van het Cloostere na er de handt (op de paal)... a en het vierkant vijverke... aen het vijverke aen de achterdore van de waudf'lînge aen den voetwech gaende achter uyt het Clo<tstere naer ter Gluyseu. 37


AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

op den berg gen. Patershoucken... over den voetwech gaende van Zevenhorren naer Alsenbergh boven het capelleken... op <len dam van den Cromm.en vijver ... aen den vijver gen. den SaenJwt... aen den ~~ureys vijver als nu den Ruytersvijver... aen den grooten MaelVIJVer ... aen den molenhempt ... aen den stiggel van den voetwech loopende na er Elderinge... over de Esselheide ... » Hier komen we aan de binnengrenzen van het hos. « tegen het Calvaenhosch eygendo1n erfg. Jan Mommaerts... lancx den hosch gen. den Cleutinck toeh. den heere van Beersel... a en den Haeghosch... aen de straete na er Tenhroecke... op den hoeck van het Willemsvelt ... » Met de 207e paal k01nen we « aen den Nijvelsehen wech (Brakelsesteenweg) aen den hoeck van den O.L.V.-bosch (Bosstraat) » en «tegens het hosch van Roode Clooster geh. t coppel eycken >>. Voor deze plaats staat in het register : « Gemerckt de palen... in het out register folio 358 niet vint· haer en sijn geweest maer wel eenen gebroken paelsteen om ven·e ligende over de herhaene g~ende van Als. naer ter Cluyse ende dat in het hanghen van den berg aldaer egeenen pael gevóeghlijk en koude gestelt worden, soo is de 227 6 pael uytgenomen ende gestelt neffens eenen anderen staende aen de herhaene tusschen eenen herselteren boom- ende eenen tronckeycke... a en het lant toehehoorende advocaet Jacques Windelincx >>... Van daar af liep de grens naar « de hangeycke » (boven het kerkhof). De 261 e stond op de hoek van Tussen de sparren te Zevenborren. de << quaden plasch aen se· ker bosselke nu weyde, van Rode Klooster... aen de Geynstheyde ». Zo gaat het op «tegens den voetweclt loopende van Brusel na er Nijvel geheet en tJagersgat » en naar beneden « aen de delle van den houten» (Hof ten Hout), verder langs « den eycken bosch... a en de Corte straete... het achtbunder... de lange straete gaende naer Roo (Gehuchtstraat enz.) aen de straete loopende van St. Anna capelle naer Roo »•.• Van aan Sint-Anna naar Lansrode waren nooit palen ttesteld geweest. Hier werden dus nieuwe geplaatst, beginnend: aan « St.Annen houw~ tegens over de St.Anna capelle », de 42• paal

38

werd gezet <<over d'ander sijde van de straete heneden het cap· pelleken aen den hoeck van den boshempt... » ~ Op 30.8.1661 werd met een nieuwe reeks aangevangen. De 1e paal werd gevonden in « den heym (haag) eenichsints versant op den hoeck van den boshe1nt » ... De se aan het Houwken... << de 18e lancx den hoschvijvere... de 22e op den dam tusschen den boschvijvere ende den hlonten vijvere oft peerdewatere >>. Volgt een nieuwe reeks waarvan de 4e stond, << lancx den haeghosch int eynde van de Honneyck delle ... aen het valveken van gen. bosch.. . De 37e aen de straete loopende naer Lansrode geh. de Vleuge .. . lancx de Munnickstraete tot a en den hoeck van den Driesbosch >> ••• Van hier ging het « naer de weyde gen. het cleyn C:rec.htenhroeck » langs Boesdaal om zich hij de grens van Alsemberg en Linkeheek te gaan voegen « aen het stiggelke van Alsenhergh int scheyden van den haeghosch ende dengene van d'Infirmerije van den Begijn· hove tot Brussele ... » Het Zoniënhos, dat men thans zonder gevaar kan doorlopen, krioelde voorheen van wilde dieren. De wilde os, de heer, de wolf, het everzwijn, . evenals herten, damherten en reeën leefden er hun vrije leven. De plaatsnaam het « Vossegelegh » (G. 1672) wijst natuurlijk op de aanwezigheid van vossen. In juni 1616 werden de inwoners « der dorpen aen den woude van Zoenien liggende » opgeroepen « ten eynde sij souden commen assisteren totte wolfsjacht die hunne hoochede in persoone hegeeren te doene ». In één winter werden gemiddeld een tiental wolven gevangen. In de XVIIJe eeuw waren er nog. Er werd één gedood in 1764, twee. in 1765 en één in 1768 (Galesloot). In een proces van den opperjachtmeester van Brabant tegen Markgraaf van Bergh kan vastgesteld worden dat in het begin van de XVIIe eeuw (1626). alhier nog veel groot wild was. Alleen voor evengenoemd jaar werd de bekeurde er van beschuldigd in de streek boven het klooster van Zevenhorren te hebhen geschoten « a coups d'arquehouses, au hois nommé Franche haye (Vranksheide) » een ree., « avec quelques autres hestes noires, certains sangliers dont il y en at eu des blessez >>, een hert en een ree « dans les aveynes (haver) du Censier de Waterloo »; « dans Ie pré nommé Ie verd bois et dus coste de Halsenberge et Rode : un grand sanglier, quelques cierfs et biches et tme hiche prête a mettre bas». En dat was nog maar alleen bij verboden jacht en voor één stroper. Dat er in onze bosrijke streek wel al eens een beestje geschoten of gevangen werd, zal wel nietnand verwonderen. In 1502 had «Jan de Dohegnie wynne in de Hutte (pachter) gharen gehangen om hasen te vangen» (RK 12547). In 1527 had « Francen van Keerbergen metten garen hasen gevangen ». Hij werd maar met 2 Rijnsgulden bestraft omdat hij een « aerm geselle » "

39


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

was. .(RK. 12548). In dat zelfde jaar was het Renderiek Bercktnan (denkelijk de pachter van het Hof te Helderingen) die « eenen nest hanicken (Vlaamse gaai) geroofd had>>. Dit kostte hem 10 Rijnsgulden. In 1506 hadden Wille1n Berentau te Dorepe (Dworp) en Dieriek Heye1nan t'Anderlecht in het bos « gebuydelt » In 1507 Aerde den Loose te Dorepe eveneens. Dit huidelen bestond er in te stropeu 1net een buidel, nl. een net dat vóór de konijnenpijpen geplaatst werd en door het toespringen vau de konijnen toege· trokken werd (v. Dale). Iu een proces.:verbaal op gentaakt door Francis de Page, Joos Rowies, J\'Iichiel W auters, Pi eter van '\Vinst en Antonius Walschot (elders W alschaert), « jagers van S. M. W oude », verklaren dezen dat ze op 12.5.1733 geweest waren in het kwartier van de Bunders en aldaar vóór de noen, tussen 7 en 8 uur, betrapt hadden zekere persoon 1net name van den Plas van Rode 1net een hond en een geweer. Er was nog een andere persoon bij, maar die was weggelopen. Antoon W alscl1.ot was he1n achterna gelopen, maar daar hij met een mes bedreigd werd, 1noest hij de stroper late~ lopen. Van den Plas hekende dat hij had geschoten « na er een klijn herteken ofte ree... ende werd als_oe geleydt op den Drijenhorre in de gevangenis>>. In 1737 werd hij ook nog hetrapt op het jagen «met eenen breek ende winthond ende oock met eene busse in de Pleyne op de Loo ». Van den Plas moet niet lang daarna overleden zijn, want zijn weduwe daagde dat zelfde jaar nog J. Ilias, « drossaerdt van Ste Geertruyde Machelen », om het geweer terug te krijgen dat haar man ontnomen was geworden. (JR nr 321). Grote vogels zijn er ook niet meer. Omstreeks 185Q trof men nog wel eens een reiger aan, die vroeger ver van zeldzaam was in het riet van vele vijvers. De aartshertogen Alhrecht en Isahella vaardigden in 1613 strengere wetten op de jacht uit, zodat het wild zodanig begon te krioelen dat in de nabijheid van het hos geen oogst meer veilig was. Deze toestand nam een einde in 1792 hij de Franse Omwenteling. De vrijheid der jacht werd UÎt@:eroepen, maar dan verviel 1nen weer in de tegenovergestelde overdrijving : er bleef weldra geen stukje wild n1eer, zodat de oude wetgeving 1noest hersteld worden ... De Dijle.. prefect Doulcet de Pontécoulant zegt daarom in zijn verslag : « L'épouvantahle destruction de gihier qui s'est faite dans ces derniers temps l'a rendu très rare dans ce pays, ou il ahondait autrefois. Les cet·fs, les daims, les chevreuils et les sangliers 011t totalement dispant ~ les lièvres dont la forêt de Soignes était remplie ainsi que totttes les chasses hien conservées sont devenus très rares :t~, hetzelfde geldt niet voor de gevaarlijke dieren, « les loups et les renards, <lont on értait parvenu à purger Ie pays, eommencent à reparaître depuis quelques années :».

De Prins van Oranje die na de slag bij .Waterloo het kasteel van Tervuren was gaan bewonen dat hem om zijn moedig gedrag in die slag geschonken was, bevolkte het hos opnie':'-w met herten, reeën en fazanten, die in 1830 in minder dan drie weken door stropers uitgeroeid werden. Ander groot wild dan reeën is er thans niet meer en deze laatste moeten ook zeldzaam zijn. Omstreeks 1937 werden er verscheidene door honden doodgebeten, zodat het Bestuur er moest aan herinneren dat het streng verboden is honden vrij te laten lopen in het hos. In maart 1955 werd~n in de b"?~r!. van de Kleine Hut drie reebokken doodgevonden die waarschiJnhJk van honger omgekomen waren ingevolge de dikke laag sneeuw die er wekenlang gelegen had. Al de vorsten van ons land hadden in Zoniën hun geliefde jacht. Meestal echter was dit in het noo~delij~~ gedeel~e van. het woud, de « Nieuwenhos » tussen Elsene en Sint-Gdlis, het Lmthoutbos, Woluwe, Bosvoorde; het dichtst hij ons kwamen ze aan de Bunders bij Groenendaal waar ze een stoeterij hadden. Het toezicht ervan was opgedragen aan de Woudmeester en aan de Raad, die het Woudrecht geheten werd. De rechtbank van het Woudrecht werd ingesteld tot instandhouding van de kroonhossen en vooral van Zoniën. Het was een burgerlijke en strafrechtelijke rechtsmacht en vonniste al de geschillen inzake verkoop en aankoop in de hossen van de Vorst, de schade veroorzaakt aan de aanplantingen en al de misdaden en wanbedrijven die er bedreven werden. De rechts· bevoegdheid van jachtovertredingen behoorde tot de bevoegdheid van de opperjachtmeester of de drossaard van Brabant, waarvan het konsistorie van de Horen afhing dat gevestigd was in de drie hoofdsteden en aan wie het toezicht op de jacht- en de visvangst evenals het vonnissen van ·de desbetreffende verordeningen was opgedragen. Een van de eerste hekende woudmeesters was Gera~~d van Mechelen aan wie Hertog Jan III, voor hem en voor ZIJn nazaten die functies en tevens het recht schonk de inkomsten van Zoniënhos te innen. Geraard ontving daarbij een bezoldiging hestaande uit 200 gulden, 300 maten hout, 2 hopen houtskool en mocht 80 varkens, 25 hoornbeesten en 4 paarden in het hos laten weiden. Deze schenking, op 12.9.1351, vóór de schepenen van Brussel bleef niet lang behouden (Brabantsche Yeesten, t. 11, blz. 472). Later werden de woudmeesters benoemd en afgezet door de Vorst, die hen, als bezoldiging, de helft van de opbrengst der hoeten overliet. De rechtbank van het Woudrecht bestond uit twaalf gezworenen, die naderhand door zeven rechtsgeleerden vervangen werden. In 1371, toen hun eerste Code opgemaakt werd, zetelden ze te Woluwe. Later hielden ze hun zittingen te Brussel op het Broodhms (Hist. de Brux. t. II, hlz. 497). Deze rechtsgeleerden behandelden alle geschillen in zake de vorstelijke boss~n en de houtverkoop.

40

41


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

In crhninele zaken had de W oudn1eester ook rechtsmacht behalve voor jachtluisdrijven in Zoniën, dat steeds een hijzonder gebied vormde en pas onde1· de Franse bezetting hij de aanpalende gemeenten gevoegd werd. Alles wat in het hos gebeurde viel dus onder de bevoegdheid van die hijzondere rechtbanken. Dat gebied bepaalde zich niet tot het hos zelf, n1aar ook tot de « duwieren » ervan waaronder dient verstaan de z~om of huitenkant van een hos, een halve mijl wijd, waarop het wild gaat azen of weiden. In de Plakkaten van Vlaanderen staat de volgende tekst : « Dat nie1nandt hem vervoordere te jaeghen binnen onse vrije wouden, hosschen, waranden, oft een halve mijle daerontrent, d'welck is het begrip van hunnen duwieren, daer de heesten hun aes haelen ». · . Voor de ·rechtsmacht van het plaatselijk hestuur viel er dus n1et veel over, vooral wanneer men bedenkt dat Zoniën tot aan Boesdaal, de Hoek en Hoftenhout reikte. Zo werd hijvoorbeeld in 1610 de volgende stroperszaak door het Jachtrecht van Zoniën behandeld. « Aen den W outerhosch ter plaetse geh. d'Winckelkeli liggende onder de duwieren van Zonyen... heeft Gillis Goossens stroppen gehangen ende gesteken tot het vangen van hazen gelijck deselv~ dat selve heeft hek~ndt ende dat~ hij se gevangen had de tot seven In getalle » ... hovendien hekende hij «dat hij hadde geschoten eenen haze ende dat den selve inne hadde drije jongen ende dat hij deuselven hadden vercocht 15 stuyvers Onze vroegere spaanderhoeren die wat op hun kerfstok hadden werden ook door die mannen van het Woudrecht 0o-eoordeeld te Brussel op het B:roodhuis.

heeft. Rode Klooster is 1net 57 m. het laagste punt van, het hos, de Brassinelaan op de Grote Hut, op onze gemeente, het hoogste mei 134 m. De h~bossing bestaat uit 3.543 ha. hoog hout; 326 ha. zg. hout van 40 jaar en 263 ha. dennebos. Het hoog hout werd sedert lang (1545) tot in 1886 behandeld volgens de metode der volledige hosa vellinO', op de leeftijd van 100 jaar. Een aantal bomen, gewoonlijk 10 tof 30 per ha. werden behouden Olll een tweede cyclus door te maken. Dit zijn· mooie oude bomen die men nog aantreft te midden

»:

In de XVIJt• eeuw was het hos reeds de geliefkoosde wandeling van de Brusselaars. Zo een wandeling duurde drie tot vier weken en ze aten en logeerden er in de kloosters. « Sonien est en Brabant deux ou trois jects de l'arc près de Bruxelles, et s'estend vers Ie mydi, )us<Jues à B~aine l'Alleud, et à Braine Chasteau, par l'espace de t.r01s heue~. ~ots vrayment ~rand et magnifique, de sorte qu'il contient de cJrcutt plus de 7 heues, et mnhrasse villes et villages et tant d'ahbays et monastères que c'est chose merveilleuse. A~ 1noyen de quoy en l'Esté y a plusieurs gentilshommes et bons bourgeois, qui par trois et quatre sepmaines continuelies se vont eshatre ave; leur me~naiges en ce plaisant hois, visitans aujourd'huy un monastere, de1na1n un autre, non sans grande consolation et plaisir ». (Guicciardini, 1659, blz. 44.) Het hos heslaat thans nog 4.082 ha. Van noord-oost tot zuid-oost nteet het 12 kn1. Zijn geringste breedte, langs de spoorweg bedraagt 3 k~. Het H~. op e~f geme~nten : Ukkel, Waterloo, Terhulpen, Hoeilaart, OvenJse, Dutshurg, 'I ervuren; Sint·Pieters-Woluwe, Ouder· p;em., "\Xl'a termaal-Bosvoorde en Rode, dat er nog 700 ha. in liggen 42

Van uit de Beukenstraat of Lepelstraat. (Roidot.)

van het ander hoog hout dat 100 jaar jonger is. Na de velling wordt de plaats opnieuw beplant. Sedert enkele tientallen jaren wordt die wijze van velling geleidelijk vervangen door de zogenoemde metode der natuurlijke wederaangroeiing. De beuk moet zich zelf voortplanten door het zaad dat van de boom ter plaats. valt. De eik en de es worden hij percelen in grote open plekken geplant. Ander houtsoorten o.m. olm, abeel, ahorn, lork volgens de omstandigheden. Het toezicht op het hos vereiste een groot aantal bewakers. Wegens de veel misdadigers die er zich in verscholen moesten ze soms door een troep soldaten bewaakt worden. In 1565 stelde Margareta van Parma daartoe vier soldaten te paard en zes te voet

.

43


GESCHIEDENIS VAN

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

SINT-GENESIUS~RODE

aan. De Hertog van Alva verhoogde die krijgsinacht tot 12 man te paard en 24 te voet. In 1729 waren er 22 vorsters te paard en 16 te· voet. Die vorsters genoten bepaalde voo1·delen in natura. Filips de Goede (1419-1467) had hun het recht verleend hun vee in het hos te laten grazen. In 1548 verleende Keizer Karel hun de toelating om elk twee hoornheest~n in de meer dan 20 jaar oude beplantingen te laten weiden op voorwaarde ze in het « V eterhoek » te laten inschrijven. (Gohlet I, 250). Aan het hoofd van elk hoskanton staat thans een onderinspecteur of een boswachter-generaal, die elk drie hrigadieren en negen hoswachters onder hun gezag hebben. Zoals we in het begin van dit hoofdstuk gezien hebhen werden in het hos grote hoeveelheden houtskool voortgebracht. Deze nijverheid was ook aan strenge voorschriften onderworpen en evenals met het hout en het wild had men grote moeite om de mensen ervan weg te houden. In 1467 werd Jan Boon de jonge beboet «om dat hij met eenen waghen haeckcolen gevuert heeft sonder banieren van swerten lakenen » (RK 12546). In 1471 Peter dé Keutel « woenende te Roe hij Alsenhergh voor drie ofte vier coelhranders die hij met hem huyswaerdt droech ». In 1474 was het « Willem Snuyte ter Heyden hij Roode om dat sij.~ soene alluttel eoeJen op enen wagenen gheleydt hadde; mydts SIJnder joncheyt » werd hij niet zwaar gestraft. (RK 12546). In 1479 Henric Dierlex « hantwercker woenende te Roode heeft gepoent voer sijn suenken die uut coopluden hout oft goet coelen gedragen hadde ». (RK 12547). In 1482 ván Hoegaert « .woenende te Roode heeft gepoent van enen sack coelen die sijn kinderen geraept hadde ». Dit werd bevonden door hoswachters Jan Metten Snee, Aerdt van A udenhoven en Wil1em van Rode (RK 12547). In 1483 Henric Stuytken « woenende te Roode van hage eoeJen daer geen bannier op gesteken groet genoech sijnde ». (RK 12547). Jan Boen << coelherder (kolenbrander) te Roode in 1484 van eender cuylen die hij te cleyne O'emaect hadde alluttel bevonden hij Daneel van Halle, Johannes Willems, Peter Pickaert ». (~K 12547). In 1498 was het Andries de Becker « woenende te Rode d1e heeft gepoent om dat hij coelhranders thuys droech doen hij te Overhalferen woende sonder consent van sijnen meester Willem van den Bossche». (RK 12548). In 1504 had Jan Huyghe «te Rode colen geraept aen der coopluden colen ». (RK 12548). Gorijs Meert h~d « in de Rutte colen gecoebt die gestolen waren ». In 1506 werd P1eter van den Driesscha geheten Mettenhellen te Rode door vorster. Denijs Cauwe bekeurd omdat hij « twee sacken opgehaven had dte anderen coopluden in de Diesdelle ontvallen waren » (RK 12548). . •

...

De inwoners mochten in het hos het dorre hout rapen, maar zeer dikwijls namen ze ook het groene, wat streng beteugeld was. In 1471 had Jan Callenhergh van Rode « gruenen houte gehoscht ». In 1472 had Gielijs van Dyetschroe « gheten Woutier woenende te Broecke hij Sevenborre eenen cleynen hercksken dat half droege was» gestolen, maar omdat «hij erm is» kwijtgeschol· den. Jan Lippens ook voor het kappen van << groenen herekenhout », waarschijnlijk om er bezems van de maken. (RI( 12546). In 1478 had Jan van den Bossche de jonge leerhoornen doen uithakken en voor de betaling van de boete moest zijn vader «Jan woenende te Roode borg staan». (RK 12547). In 1483 moest Willem van Rode « te rechte komen tegen Willem Ronge velghouwer », die in « tongelijc » gesteld werd. Datzelfde jaar ook Reinier Corenman «te Roode onder de perboom van eenen droeghen herck want hij groot was». In 1490 had Henneken Beers «Inde Hutte der coopluden houdt geladen ende weggevoert ». In 1495 Willem Steppe << winne des Cloesters van Sevenhorre die uyt Soenien velgen hrachte ende in sijn scure voerde die van gestolen hout gemaeckt waren ». (RK. 12547) · In 1498 had « Kerstiaen van Lants roode groen hout gehost (gekapt). Bertelmeus de Sot had op dOperken af gesneden 3 of 4 cleyn espen; Dieriek de Sceper woenende de Roode twee heukskens gekapt; Jan Pruystens te Roode twee huecken tacken die int scheyden van sijnen coop stonden». Dit kostte hem 3 realen. In 1499 had Gielijs Buyens <<de werdin van de Hutte een huecken mey verkocht». In 1500 was het Jan den Wuw « geheeten Hertgeselle had binnen sijnen huyse gruen hout gehoscht en een herkaken ». « Eenen werckman geheeten de Herdegeselle te Rode had met zijnen medeplegeren werckluden ·afgehouwen den haeck scheydende tsheren en de coop uden leyen ». In 1503 had Gielijs de God « wonende te ten Broek hij Rode hereken met eertsvelle (winde) afgehuwen ». In 1506 werd Lippen Claes te Lansrode « door vorster J akoh van Loo bevonden dat zijn kinderen hout gehost hadden >>. In 1508 had Peter Belleman « eenstoelige wissen afgehouwen». In 1508 had « Symoen den Coyere van Dorepe zekere fruythoom uit het hosch van Zonigen uytgetrocken ende wech gedraegen ». (RK 12548). In 1509 had Heynen Pruystken te Rode gruen hout gehost. In 1517 worden Clase Steevens en Marie W atermaele beboet omdat ze << gruen hout hadden gehoscht ». (RK 12548). In 1525 had Henrich Hannaert groen hout gekapt (RK. 12549). Tijdens de inpalmingsoorlogen van Lodewijk XIV werd de hoswacht heringericht onder de ·leiding van Jacques Pastur, gewoonlijk J aco geheten. Hij werd omstreeks 1650 geboren te Eigenbrakel en in 1723 in de Kapellekerk te Brussel begraven. Het fort J aco te Ukkel is naar hem geheten. Voorhij de hoeve van der Erven op de ste~nweg van Eigenbrakel bestond ook een zg. fort J aco : « lancx den selven landén tegenover de achranse gemaeckt in den "'J

44

45


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

jaere 1649 de francoisen tot Binst (Binche) quaemen >> (1659) ... Dit was vóór de tijd van Pastur; nochtans (WR., Reg. 21, fo 26 v0 ) staat de schans op verschillende kaarten later aangeduid met de benanling <<Fort Jaco ». Gedurende de Franse bezetting werd het bos deerlijk gehavend. Op bevel van Na poleon I werden er onder meer 22.000 eiken geveld voor de houw van de vloot van Boulogne. (Somerhausen, Beschrijving van de Stad Brussel, hl. 216). Die vloot viel naderhand in handen van de Geallieerden. (ESB. l95é3, 142-143). De hertog van Wellington kreeg I 000 acres van het bos, die hem 40 fr. per acre (I acre ::::::: 40 lf2 a) ophi·achten. Wellino-ton had 0 niet voorniet « gevochten » te Waterloo...

Il en est qui ont été assez hardis pour offrir 42 mil~~ns en y comprenant tous les hiens nationaux (de kloosters) qu1 y sont enclavés ». Gelegen aan de poorten van Brussel en nog 9.000 ha. groot, zou men van het hos, « admirahlement planté », tegen 4.666 fr. de ha., met inbegrip van de kloosters van Boetendaal, Zevenhori·en, Groenendaal, Rode Klooster, Hertoginnendaal, Terkameren enz., natuurlijk een winstgevend zaakje gemaakt hebben, vooral gelet op de ontwaarding van de Republikeinse munt. En wat kon het de vreemde bezetters schelen wat e1· met het hos gebeurde als het maar opbracht. Gelukkig waren er nog andere

,

Uit een "Verslag uit de Franse tijd lichten we de volgende

helangwekke~~e hijzon~erheden : De vroegere regering benuttigde

gedurende VIJf 1naand In de winter 800 tot 1.000 werklieden om het hoB op de aangewezen plaatsen te trunken (snoeien) en te beplanten. Het snoeien geschiedde op drie verschillende tijdstippeil binnen de honderdjarige velling. Op 15 tot 20-jarige leeftijd werden de overtollige en misgroeiende takken weggesnoeid. De open ruinlten werden beplant ntet jonge planten die .te dik stonden. De tweede snoeiïng had 20 jaar na de eerste plaats, de derde 25 jaar na de tweede. Door die methode was het oud hestuu:.: er in geslaagd het prachtigste woud van Europa tot stand te brengen in het opzicht van OJJbrengst en schoonheid der bonten. De nieuwlichters dachten dat ze het heter kenden en schaften het stelsel af. Het hos werd op alle wijze gehavend. De werklieden die er vroeO'er arbeidden hadden het niet nodig hout te stelen en hadden er zelfs- belang hij hun hos in ere te houden. Zelfs een Franse ambtenaar vroeg om het oude stelsel te herstellen, maar vruchteloos. Geen volk in de wereld, schrijft hij, heeft meer verstand van hoshouw dan de Belgen. (Doulcet-Pontécoulant, Mémoire statistique, hl. 181). Tussen 1840 en 1860 werd het bos verschrikkelijk gephmderd door de naburige bewoners. Dit zal wel te wijten geweest zijn aan de schromelijke ekonomische toestand, die nog jaren na 1830 duurde. Als een bewijs van de geestesverwarring en de zucht naar geld en goed ntoge gelden wat advokaat Godin de Velar op 8.5.1798 aan Graaf Cornet de Grez van Dworp schreef: «Je crois que l'on va v~ndre. la forêt de Soignes. 11 serait possihle que je fusse charge de cette affaire. La Compagnie se chargerait de la construction du Ca:nal de Charleroi à Bruxelles. L' opération serait belle ». Tien dagen later schreef hij : «On est venu me consulter sur un projet d'acquisition de la tohdit~ de la forêt de Soignes. 11 paraît qu'il est fortentent appuy~. Si on la vendait pour d~fricher, je crois qu'on ne pourrait se dis}>enser de faire Ie canal de Bruxelles à Charleroi. 46

De Lepelstraat, nu Beukenstraa.t, in 1931.

liefhebhers en wie het zaakje niet in de wacht slepen kon, gunde ze ook niet aan anderen en zo werd het bos gered. Bij de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden, werd aan Willem I een inkomen uit de Domeingoederen verleend. Deze goederen en, onder meer, verscheidene bossen in Brabant, 11.718 hun· der groot, werden algeheel aan de koninp; afgestaan krachtens een wet van 26.8.1822. Grote ontbossingen of rodingen nan1en een aanvang onder de Franse bezetting, 1naar ze bereikten hun hoogtepunt tussen 1827 en 1836. Op 28.8.1822 werd bij koninklijk besluit de Algemene Neder· Iandse lVIaatschappij tot Bevorderinp; van de Nijverheid opgericht en door Koning Willem onder meer begiftigd met het Zoniënbos, dat op 20 millioen gulden waarde gescha! was en dat voor de

47


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

Maatschappij 1noest dienen tot betaling van een jaarlijkse rente van 500.000 gulden. «La Société Générale pou1· favoriser !'industrie nationale, qui s'est efforcée principalentent de se favoriser ellemême, s'empressa de réduire en un rien de temps la superficie de la Forêt de 1noitié », schrijft een Frans auteur. 7.201 ha. waarvan 6.000 voor landbouw, werden verkocht. Het land dat alhier voort.. kwa1n van de roding van een gedeelte van het hos heette hier nog lang « het land van de Sociëteit >>. Toen de Maatschappij die aan de Belgische Staat 15.500.000 gul.. den schuldig was, het opnieuw aan het Domein overliet (overeenkomst van 4.11.1842), was. het nog slechts 4.500 ha. groot en werd de waarde ervan geraamd op 8.100.000 gulden. Volgens het kadaster bezat de Algemene Maatschappij op Rode toen· 12 percelen hos, samen 457 ha. 50 a. groot. In het volgende voorvalletje is er spraak van voornoemde Maatschappij. In 1824 werden Pieter Panneels en zijn vrouw ter herberg van J acohus Pierret aangesproken door Jakobus van lsterdael « boschwachter van de Algeroeene Nederlandse Maatschappij ». De hoswachter verweet aan de vrouw « dat zij eene gars. was en veele gelijcke re~en en als zij nog gras in den hempt zoude gesneden hebben... dat hij haer dobbel overeengestan1pt zou hebben ... » Van lsterdael zou ook « een-en slag met zijn gesloten hand op het hert van de algenaemde Livina van Eygem » gegeven hebben ...

kavel eiken en beuken. In 1710 waren er in onze gem~ente nog 30 hunder nieuwe geplante hossen, 110 hunder « stokbossen ·». (G. 9840). Over het algemeen bleven de magere of moeilijk te bewerken gronden het langst bos of heide. Buiten enkele percelen magere grond· die af en toe eens onbebouwd blijven liggen, hebhen ~e geen -eigenlijke heidegronden .meer. Vroe~er waren er nog tamelijk uitgestrekte. Zo vindt men vermeld : de Beemdheide, op Tenhroek, 1729; de Bellemansheide 1710.. 1749; de Dueleghemheyde, 1453-1731 (tussen de vijvers en de Drieshosstraat); de Genstheide 1659; het Heideveld 1620-1751; De Hulstheide 1210-1454 {tussen de Gevaart-

Tal van diensthaarheden drukten op Zoniën. Een aantal personen en kloosters ontvingen kosteloos hout en houtskolen. Bij de Franse Omwenteling vervielen al die voorrechten, behalve één, nl. het recht dat de familie van Arenherg, erfgename van de van Withern's van Beersel, jaarlijks had op 136 maten brandhout, 120 zakken houtskool en 700 wishout. Dit voorrecht werd pas in 1899 door de Staat voor 28.697 fr. teruggekocht. · Bij de wet van 26.2.1846 werd het jachtrecht in het hos aan de Koning voorbehouden. Als overschotten van Zoniënhos lagen of liggen in onze gemeente de volgende hossen : het Berkenhos (hij Kreftenhroeck) ; het Breemhos; het Clutinchos (Tenhroek); het Drieshos (tussen het station en Lansrode); het Eikenhos (Hoftenhout); het Elisahettenbos; het Elzenbos, {aan het Jagersgat); het Haaghos (Houwken); het Kluizenhos; het Koningshos; de Kortenhos (Middenhut); het Nieuwhos; het O.L.V.-hos (aan de Bosstraat); het Rondehos (Tenhroek); het Vriesbos (Zevenborren); het Weidenhos; het Wouterhos; het Mannikshos (1439-1450); het Smeyersbos (Hoftenberg); en ten slotte ltet Bos van Zevenhorren zelf, dat vroeger algeheel tot Zoniën behoorde. Het Wouterbos is sedert lang gerooid. In 1701 had de kerk van Alsemberg er 9 hunder hos en werden er bomen verkocht. Jan de Smet « hacker van sijnen style te Brussele » kocht er een

48

De Lindestraat, op de Dries, vóór 1914.

VIJVer en Hoftenherg); de Langeheide (Waterloose veld); de Ronde Heide 1784; Terheide 1640-1729; de Vrancxheide 1659 (Zevenhorren); de Wouterhosheide 1532..1702. In 1790 werd «hoven het gehucht geh. ten Broeck niet verre van het Clooster van Sevenhorre » 9 hunder 1 dagw. « vaegh liggende heyde » in acht kopen verkocht. (G. 8324). In troebele tijden had het hos geweldig te lijden. De jaren 1789, 1815 en 1830 waren de ergste. Onder de eerste Republiek namen de verwoestingen ongehoorde afmetingen aan. Een Brussels schrijver, P.J. Brunelle, zegt daarover dat Zoniën onder h~t Oof;ten· rijks bewind goed beheerd was, de dreven en paden netJes. onderhouden waren, de boomvellingen z6 geregeld waren dat de heplan· tingen er niet onder leden. Onder de Franse ...regering 1vas het haast 49


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

.AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

een volkon1en verwoesting. De aanmaak van roeispanen voor platboomde schepen bestemd voor de inval van Engeland en, vervolgens, het vellen van 22.000 eiken voor palissaden voor de verdediging van sommige steden tegen de verbondenen, veroorzaakten de onder· gang van het hos. In het hos verscholen zich ook al degenen die van het nieuw regime te lijden hadden, voornamelijk zij die voor het leger opge· roepen werden, maar ook andere elementen als dieven en werklozen. « C'est Ie défaut de travail pour des milliers de bras qui exploitaient les mines de houille, qui peuple de hrigands la forêt de Soio-nes » (Papiers de Bouteville) (Bull. Comm. Hist., 1926, hl. 266). I~ een andere brief uit Parijs in 1795 leest men : << Je crois devoir vous prévenir, citoyens, que nos ennemis n'ont pas renoncé au projet de former une nouvelle V endée dans les ci·devants Pays-Bas. Les hrigands qui infestoyent la Route de Na1nur (de Waterloosesteenweg) et la Forêt de Soignes avaient été dispersés, mais aujourd-hui ces 1·assemhlements sont sur Ie point de reprendre une consistance plu~ considérahle... une armée de chouans (het waren de mannen van de Boerenkrijg), au nomhre déjà de 22.000 comhattants, s'était forméè dan la Forêt » ... (B.C.R.A., 1877). Naderhand bleek evenwel dat er maar een 400-tal waren... Het hos dat, zoals we reeds zeiden, tot aan het etation reikte was in die tijd niet erg veilig. In een verslag van 16 V endémiaire Jaar 4, leest men dat << les paisihles hahitants des contrées qui avoisinent la Forêt de Soignes sont frappés de terreur et d'effroi par une aggrégation de hrigands qui les infecte, les vole, les pille et n1enace d'incendier leur habitation »... (Admin. Dyle, nr 6035).

3 dw., 80 r. hos «voortkomende van de gesupprimeerde ,kloosters>> geschat op 28 h. 1 e, 28 b. 2 13 en 27 h. 3e klasse voor 2.767,50 fr. Het ge1neentehestuur meende niettemin dat Zoniën ·zou moeten gen1eten worden omdat het dacht dat er meer bunders waren (A.G.). Veel grote hoeven en herenwoningen werden er opgetrokken, o.m. de hoeve de Dobbeleer op de Kleine Hut aan de J onetlaan; de hoeve van Cutsem-van Keerhergen op, het Gehucht, vroeger ook Smoutmolen geheten; het Hof te Sint-Anna; de Sint-Gertrudishoeve in de dreef van die naam tegen Waterloo; de Huizen Cintra en Leeharlier op de Waterloosesteenweg; het kasteel, park en hoeve Goethals, thans de J onghe d' Ardoye. Omstreeks 1840 was dit goed, dat opnieuw bebost was geworden, 412 ha. 94 a. 75 ca·. groot. De « Raffineric Nationale », thans de hoeve Blaret, besloeg 132 ha. 92 a. en 10 ca. Omstreeks 1842 was er alhier nog als hos : Staatseigendom 458 ha. 14 a. 30 ca.; Goethals 184 ha. 52 a. 95 ca.; Allerhande 21 ha. 19 a. 62 ca.; Samen 663 ha. 86 a. 87 ca. Als gemeenteeigendom was et· in heel de gemeente toen nog 9 ha. 82 a. 39 ca., hestaande uit 38 percelen, land, weide, tuinen, huizen, pastorij, kerk, scholen, heide (79,90 a. - wijk D 186). Gedurende de eerste wereldoorlog, ten gevolge van de werkloosheid, eensdeels, en het gebrek aan kolen, anderdeels, gingen honderden personen hout in het hos kappen. In het begin het droge, dan het groene en gaandeweg dikke bomen. Het Boshestuur nam daartegen maatregelen en op 15.10.1914 verbood het h01nen te kappen in Zoniën en er zich te bevinden met zagen, bijlen, snoeisikkels, houwmessen en materieel om wild te vangen. In 1915 moesten er ongeveer 10.000 overtreders vóór de rechtbank gedaagd worden. Op dat og~nhlik werd de stoffelijke schade aan het hos op 150.000 fr. geraamd, een bedrag dat nu belachelijk voorkomt indien men het niet met de nodige koëfficiënt vermenigvuldigt. Men kan die verwoesting betreuren, maar toch mag niet over het hoofd gezien worden, dat het hout er is voor de mensen en niet omgekeerd. Tenslotte was het hos steeds enigszins als een reserve om moeilijke tijden door te maken. Mits niet al te sterk overdreven wordt, is de natuur overigens rijk genoeg om de geslagen wonden hetrekkelijk snel te helen ... Wat natuurlijk te hetreuren valt is het feit dat er mensen zijn die van dergelijke omstandigheden gebruik maken om aan hun hebzucht te voldoen, want het zijn niet steeds de hehoefstigsten die hout gingen halen.

Verscheidene personen lieten hun leven in het hos. In 1746 werd hoswachter Pieter Louvois er vermoord gevonden. (lnventus est corpus Petri Louvois custodis Silve Sonien et in silva occisus (AP). Op 20.2.1822 werd Jan MiehiJs doodgevonden in de houw van Sehastiaan van lsterdael, hoswachter ter plaatse genaamd de « Vleug ». Hij was van een boom gevallen. Het jaar nadien op 23.1.1823 vonden Jan Haunté en Eustaas de Neyer, boswachters, in de Sint1\Hchielsplas omtrent « de gecapte Dreef » het lijk van Jan Frans de Becker van Rode wonende te Ukkel. Het werd geschouwd door dokter van Tilhorgh van Alsemberg, die verklaarde dat de ntan doodgevroren was. Op 31.5.1828 vonden Frans de Becker en J akohus van lsterdael in « afdeeling Boesdael omtrent het Haeghosch genaamd het Hauken » Gabriel Daneels 65 jaar oud, trunker, wonende in de Nieuwstraat, die van een hoont gevallen was en volgens de verklaring van Dr. van Tilborgh, het « hart verstuikt » had. De roding in het eerste vierde van de XIXl' eeuw 1naakte van Rode een grote gemeente. Buitendien waren er in de gemeente 83 h., 50

Het is niet van gisteren dat Zoniën om zijn schoonheid geroemd en geprezen wordt. In de «Lusthof» van rederijker J.B. Houwaert, 1511·1599, wordt het geheten :

51


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

Suytwaerts leyt een der triumphanste passagie, Die iewers mach ligghen onder s' hemels throone, Streekende naer de playsantste bosschagie, Die soo lieflijck, soo lustigh is, en soo schoone, Dat dit playsant bosch Silvanus kroone Wel te recht nu mach ghenomineert sijn: Dit is Sonien Bosch lustich idoome, T'ivelck van mij nu zal gheexalteert zijn, En mach hier iet te hooghe ghelaudeert zijn ...

Voortijds was het hos niet doorkruist met de mooie en grote lanen van thans. Het verliest er wel iets van zijn schilderachtigheid hij, maar men kan het thans te voet, te paard, per fiets, rijtuig of auto doorkruisen. De meeste van die, doorgaans rechtlijnige dreven, dagtekenen pas uit de Oostenrijkse tijd. Op het Rijksarchief te Brussel hestaan verscheidene" kaarten van Zoniën, o.m. één uit 1634-1638 de tot model gediend heeft voor die, welke in het werk van Sanderus « Regiae domus helgicae » voorkomt. Als toponiemen vindt men- o.m. vermeld, 1437: den coopluyden van Zonyen (KA); 1453: het wout De Molenvijver van Zevenborren. van Zoeningen (KA); (Cl. VI. Toeristenbond.) 1454 : tegen dwout van Zoenyen (KA) ; 1463 : op dhosch van Zoenyen (KA); 1485 : inter buscutn Domini Ducis Brabantie appellatur Zonien (KA); 1659: den wouden van Sonien (W); 1676 : Zoninghen bosch (KA); 1691 : via lapidea sitam silva Sonia ~ 1713 : in silva vulgo Soninghen hosch (P.) ~ 1773 : tegen Soniënbosch (G.). Tot dusver kon de oorSJ>rOn{( van de naam van het woud niet met zekerheid achterhaald worden. Misschien moet een verband gezocht worden met Pagus Sennona{(us, Sengau, een deel van de t>agus Bracbanto, in de VIIr eeuw. ( P. Alberdingh Tl1ijnm, «Karel de Grote en zijn eeuw », hl. 54.) Dr. Jan Lindemans meent dat het E-envoudig varkensbos betekent. Een feit is zeker, dat die dieren oudtijds in groten getale hun voeding in het hos vonden.

52

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

HET BEWONINGSSTELSEL EN DE WONINGEN. Rode, net trouwens als de hele streek, vertoont een uiterst verspreide bewoning. Dit vindt zijn oorzaak in het feit dat de hoeven, waarrond de andere woningen zich in de meeste gevallen gevestigd

Oud huis aan de beek te Tenneulen. Vermoedelijk de oude molen. Enkele jaren geleden afgebroken.

hebben, ook zeer verspreid liggen. Een goed inzicht in de woningen· spreiding vroeger krijgt men aan de hand van een overzicht in 1722 : « In dorp 28; ter meulenstraet 6, in ter meulen 15; op het Hof te Boesdael 1; bij hetselve hof 2; Hof te Lansrode 1; in den Hoeck 4; in de Borrestraete 43; het visserhuys van ter Cameren 1; het Hof ten Berghe 1; op den Wouterbosch 11; op de Nieuwe straete 22; op Heymans drieach 12; in de 'ter Heydestraete 28; ~p den Drieach 8; in de

53


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

ter Heyd~straet 11; op den Bogaert 10; onder de Linde 26; in de W aterstraete 7; op ten Broed\: 34. Samen : 271. » Sedert de aanleg van de spoorweg in 1872 heeft zich rondout het station een agglomeratie gevormd, die lang onbelangrijk bleef. In het begin van de XXe eeuw begonnen de henliddelde Brus· selaars naar een buitenverblijf uit te zien. Eerst gingen ze niet verder dan Ukkel, maar toen de grond er duu1·der en schaarser werd en vooral toen de zondagse verplichtingen van de stedelijke burger· wacht tot Ukkel uitgebreid werden, schoven de villa's verder op naar onze ge1neente. De eerste werden gebouwd tussen de l(leine Hut en de Middenhut. Met de doorlegging van de tram tot aan het station en naar Waterloo, werden tussen de steenweg en de spoorweg honderden villa's opgetrokken, zodat er niet veel meer overblijft van het akkerland dat er anderhalve eeuw geleden ten gevolge van de roding van dat gedeelte van Zoniën, en de streek gaandeweg opnieuw een bosachtig aansèhijn krijgt. Ook op de kruin tussen Tenbroek en Zevenhorren werden in de. jongste tijd veel buitenverblijven gebouwd. Het is hekend dat zelfs tot in de XIXe eeuw de meeste huizen van hout, stro en klei waren. Er waren maar enkele uitzondedngen. In 1620 werd op << ter Heyden een huys van drije gebonden » opge· trokken (G. 328). In 1650 was er op Tenbroek «een huys geheten het Scaillien huys » (G.), een huis dus dat met schaliën gedekt was. Het moet een voornaam gebouw geweest zijn, maar meer is er niet over bekend. In 1741 was er te Terroeuien «een hofstadt metten uienwen steen en huyse » (G.). Voorname ambachtslieden vroeger waren de timmerman en de strodekker. Een Jan de Wandeleer oefende dit laatste vak uit te Tenbroek in 1439. Hij werd dat jaar beboet outdat zijn kinderen hout « gehost» hadden, nl. hout uit het hos gehaald (RK 12547). Uit de plakkaten van Brabant van 24-7-1600 kan men opmaken dat er toen nog menige woning bestond zonder eigenlijke schoorsteen : «Hier inne hegrepen de huysen ten platten lande ... daar in effecte gheen schouwen en zijn dan een roockgat ofte venateren daer den roock uitgaet, dwelck 1nen voor eenen heert oft schouwe rekenen ende tellen sal. » In de XVIIr eeuw vinden we nog zulke hut. In 1743 werd Jan Wiele1nans «ofte den eygenaer van thuys daer hij woont», beboet « over geene pijpe op sijn schouwe te hebhen ». (G. 8205) Cuvelier tDénombrements ... , LXVIII) wijt het feit dat men op sommige tijstippen in de XIV• en xv• eeuw in enkele jaren in het aantal inwoners plotseling zulke grote verschillen vaststelt hieraan dat die armzalige huisjes bij het minste omweder verw·oest of onbewoonbaar gemaakt, maar na enkele dagen of weken konden wederOp{f:etimmerd worden. Bij de minste natuurramp of politieke of ekonomische {l:ebeurtenis verliet de land1nan zijn hut en richtte hij

ze elders op. Het is verder hekend dat bij het naderen v_an VIJandelijke legerbenden, hij uitweek naar de stad, de versterking waaraan bij trouwens had moeten meewerken. Tot ver in XIXe eeuw bleven er nog veel huizen van hout, klei en stro. In het begin van de XXe waren ze zo goed als verdwenen. Eerst werden ze vervangen door hakstenen huisjes zonder verdieping met rode pannen en een gewone drupgoot. Meestal waren de muren gewit en was de onderkant getee1·d. Later' kwamen er met een lage

54

u

FORET 0

0

0

0

.

0

0

0

DE ~

0

0

~-~=~--

. ARRETDU

-

~

0

~

0

~~~ ~\

11

~~~~~ ARRET ~~TRAM •

-

loJ

11

0

~ • : •..•

\~~\

-

0

0

0

u

0

SOIGNES

l

~r-w ~

~

[(

I

lt

~

~

I•

t-

-s~

~int

•t,~

,...... •I ';;"'

I

11·

..,~

-

r---

I

1'\

~~

'SI

Verkaveling op de Middenhut.

hovenverdieping en kleine vensters. Vervolgens 1net een hogere ver· dieping en kornis. Nog later werden de voorgevels mooier, met witte vergleisde stenen als band· en boogversiering. Vele gewitte bak.. stenen gevels werden afgebikt en met een laag cementmortel hepleistercl. In de laatste jaren waren grillige, vrij protserige voor· gevels n1et uitspringende delen in de mode en enkele oudere gevels werden bezet met een peperkoekachtige glinsterende glasgrinthe· pleistering. De meeste hoeven zijn van het z.g. kwadraattype • ..

55


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

DE GEHUCHTEN EN WIJKEN. Als gehuchten werden vroeger beschouwd Revelingen, Dries, Grote Hut, Hoek, Kleine Dries (Klein Luik), Linde, Zevenhorre, Tenhroek, Terheide, Termeulen, Hoftenherg, Hoftenhout, Wouterhos. Nu zou de gemeente heter ingedeeld worden als volgt : Dorp, Termeulen, Stationswijk, Drieshos, Middenhut, Kleine Hut, Grote Hut, Houwken, Hoek, Gehucht, Hoftenherg, l(lein Luik, Nieuwstraat, Hoftenhout, Dries, Linde, Wouterhos, Steenweg op Eigenbrakel, Tenbroek, en dan nog zijn ze moeilijk uiteen te houden, doordat som1nige daarvan als Linde, Dries, Klein Luik, Gehucht en Hoek feitelijk één aaneenbebouwde straat uitmaken. Dit is ook nog

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

DE WEGEN. De wegen zijn de oudste en meest hetrouwbare overblijfselen van de vroegere volksstruktuur. Zeer zware lasten worden vervoerd ovar rivieren en stromen. Doot· het handelsverkeer tussen de stammen onrstonden geregeld helopen paden en de meeste van onze huidige wegen hebhen ongetwijfeld een voorhistorische oorsprong. Onze oudste grote wegen werden vooral aangelegd voor oorlogsdoeleinden. Om die reden heten ze heir- of krijgshanen. De Romeinen legden er verscheidene in ons land aan.

De Grote Hut in 1723.

het geval met andere wijken zoals de Kleine, de Middel· en de Grote Hut aan de W aterloosesteenweg. Binnen enkele jaren zal het grootste gedeelte van de gemeente één aaneenbebouwde agglomeratie zijn. Het gemeentegebied gelegen tussen de spoorweg en het Zoniënhos, eensdeels, en rondom Zevenhorren, anderdeels, onderging sedert een kleine halve eeuw een geweldige verandering. Waar vroeger alleen grote hoeven en uitgestrekte velden lagen is alles thans bijna verkaveld en met lanen en dreven doortrokken en bebouwd met land- en lusthuizen of z.g. villa's. In 1957 kwamen alzo de volgende nieuwe wijken tot stand: 1. tussen de Nieuwstraat en het Hoftenberg; 2. de verkaveling door de S.I.M.L.I. {Société lmmobilière et Mohiliaire du Littoral) tussen de Linkebeeksedreef, de Zoniënhoslaan en de spoorweg; 3. de verkaveling « Cardinal Mercier », tussen de Terkluizen.. dreef en de grens van Eigenbrakel; de verkaveling « Boesdaal » tussen de Boesdaalstraat, de Boomkwekerijlaan en de spoorweg.

56

De Grote Hut t•óór 1914.

Buiten die enkele wegen bleef alles aardeweg tot nog enkele tientallen jaren hier. In de Middeleeuwse oorkonden leest men b.v. «Want t'onser kennisse gecomen is dat tot vele ende diversche plaetsen all01nme in onsen lande van. Brabant, die herstraeter;. ende sijdeweghen alsoo enghe, quaet, diep ende onpassabel ZIJn .•. ,. (B.C.R.A.A., 1880, hl. 270). Toch hestonden er al vroe~ voorschriften omtrent het onderhoud der wegen. Aardewegen vergen immers een geclurig onderhourl wille~ ze enigszins begaanbaar blijven. In het « Lantcharter van Jan Il » Uit 1312, art. 12, leest men dat de bonten die te dicht in de straat staan of er over hangen door de h<"er van het dorp moeten uitgedaan

.

57


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

worden. (B.C.R.A.A., 1880, hl. 262). In 1605 werden voor « vacatien van den lantJneter van diverssche weghen hij hem gemaect int bosch van Zonien ontrent sl(eutershutte ende den Keyenberch » 30 stuivers betaald. (R.K. 4294). In onze gen1eente liggen ongeveer 170 wegen, straten en paden, zonder de heel kleine erbij te rekenen. De meeste ervan zijn zo oud als... de straat, nl. zo oud als de gemeente zelf. Zoals alle

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

)

Onze oudste wegen liggen langs· de heek. Hier en dailr weken ze ervan af waar de grond te drassig was. De eerste inwoners en o.m. de mensen uit het stenen tijdperk volgden ze wanneer ze de steen voor het maken van hun wapens en werktuigen te Spiennes in Henegouwen gingen halen en de afgewerkte produkten gingen ruilen tegen andere zaken voor eigen nooddruft. Het waren enge paden zoals men ze in· J(ongo ziet. Dan komen de wegen die naar de o'udste hoeven leidden. De eerste liep waarschijnlijk van Dworp naar Rode in het dorp, waar vermoedelijk de eerste landhouwvestiging ontstond. Daarna liepen er wegen naar de andere hoeven, zoals het Hoftenhout, het Hof te

Ingang van de Zevengatenstraat in 1936. Macadamisering1 omstreeks 1900, van de Halsesteenweg, te Tenbroek, tussen het Verschoven Huis en de Beemd naar Alsemberg.

zaken hebhen ze hun eigen leven; ze gaan met de tijd mee, al zij het soms wel met enige achterstand. Natuurlijk evolueert de ene weg anders dan de andere. De ene winnen aan belangrijkheid, andere verliezen ze of gaan zelfs te niet, zoals er te Rode reeds veel eeuwenoude wegen verdwenen. Sonunige, met huizen of villa's bebouwde wegen, worden netjes gekasseid of verhard, krijgen effen voetpaden, worden 's nachts electrisch verlicht, terwijl andere nog zijn wat ze eeulven geleden waren en als bleke linten lopen over berg en dal, of bv. de holle wegen als kloven en scheuren in de aardkorst. 58

Steenvoort, hoven de Bierenherg, het Hof te Lansrode, het Hof te Krechtenhroeck. Tussen laatstgenoemde twee hoeven, die allebei aan de abdij van Terkameren behoorden, lag een weg, de Monnikstraat geheten, wat er op wijst dat die hoeven oorspronkelijk door monik.ken gedreven werden. Het Hof te Lansrode was huitendien verhonden met de dorpskom door een straat die de Driesstraat heette. Thans nog wordt ze gedeeltelijk de Drieshosstraat genoemd. Ten noorden had het hof, dat tot circa 1825 aan de zoom van Zoniën lag, was er een verbinding 1net de Brusselweg, die bij de aanleg van de J\tliddelhutwijk verdween. Hij mondde uit dichthij de huidige Zoniënboslaan. Onze gemeente telt twee grote verkeerswegen, de Waterloosesteenweg en de Hallesesteenweg, die echter aan de rand van de gemeente liggen.

59


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

Het wegnet ziet et· ve1·der uit als volgt : een huurtweg tot verbinding van de Alse1nhergse·, de Brakelse- en de Hallcsesteenweg . met de Waterloosesteenweg over het dorp en het station, met vertakking, in de dorpskon1, naar de Hoek en de Grote Hut. Buiten met Alsen1herg, hebhen we geen t·echtstreekse wegen naar de mnliggende dorpen, tenzij veldwegen zonder bestrating. Naar Waterloo gaat 1nen over liet Waterloose veld; naar Eigenbrakel over de Bosstraat; naar Beersel, Drogenhos en Ruisbroek over de Nijsherg, de Bntsselweg, de Galg tot aan de herberg « De Engel », op de Alsen1hergsesteenweg; naar Linkebeek, het Vuurstraatje, cle Zevengatenstraat of een veldweg over Boesdaal. Hier m.oet echter

De T ermeulenstraat.

onmiddellijk aan toegevoegd worden, dat de mensen nog weinig te voet gaan en ze per fiets, auto, bus en tram de grote wegen volgen, zodat hovengenoemde eeuwenoude wegen en paden nu bijna ongebruikt en verlaten liggen. De voornaamste steenweg van onze gemeente is de Waterloosesteenweg. Het '\Vas, in de middeleeuwen, de grote verkeersweg tussen Brusspl en Waals-Brabant. In de oude stukken heet hij dan ook de « alsclte stratE" » of de « Wa1sche wech ». De benan1ing {He hij thans draagt zou natuurlijk p;een zin gehad hebben, vermits dit dorp toen niet bPstond. Er bestond alleen de hoeve van de Abdij van Vorst : het Hof van W aterloPs. Soms ook werd hij « chauss~e de Nanun·::. en « cham:;.s~e de Trèves » geheten. In 1910, toen hij alp:e• heel vernieuwd werd, lu~ette mt~n hem nop; officieel « Steenwep: van Brussel naar Trif'r ». Hij lnoet zeer oud zijn, als aardeweg. Hij volgt immers de kruin van de water~rheidinp: tttssPn Dijle Pn Zenne. Het

"r

60

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

is hekend dat de grote oude voorromeinse wegen haast ~altijd de kam tussen twee waterkommen volgden. In de XVP eeuw was de Waalse weg dus nog een aardeweg en het is dan ook te hegriJpen dat in 1536 « om den quaetsten wech te mijden ... Peeter van Bogaerden woonen<:le in de Groote Hutte van den W alschen wege in Zonien... doer een hlock reed dat toebehoirde Henriek Ruets, weert doen ter tijdt int Vluegat ... » Ruets wilde hem dat « feytelijck verbieden slaende met eenen hanthoom eenen slach... Van Bogaerden, sijn lijf verwerende sloeg Ruets met sijner houweele op sijn hooft ende ter eerden gesmeten, ende daer liggende, gaf hij hem eenen oft twee slagen in sulcker vuege dat Henriek Ruets bynnen sekeren tijt da.er mits sekeren anderen quaden accidenten daertoe geslagen ende gestorven geweest is ». (DR. nr 7). Pas drie jaar later werd de dader gestraft tot het hetalen van 20 Carolusgulden of 20 Brabantse pond ... In een visitatieverslag uit 1629 leest men « dat de lange laeye beginnende van aen de Cleyne pleyn ende loopende tot op den W alschen wech is bevonden dat de voedieden dagelijkx sijn doorrijdende zoo metten houte van die laeye als oock van de laeye van d'Operken, die hunnen wech behoorden te nemen door het groot hout geliJck hier voertijden is geschiedt, 1nitsgaders no~h andere voerlieden met alderhande waeren zoo van calck, steen, gesaeght hout, hoille van het W aelsch Quartier, in der vuegen dat de geheele laeye wordt getraverseert van weghen ». (F.O. 4848). Dit was natuurlijk te wijten aan het feit dat de wegen zelf zo slecht waren. De Waalse weg diende hoofdzakelijk voor l1et vervoer van zware goederen, vooral van kolen. In 1729 zien we de knecht van de Biesthoeve van Gl'Îmhergen « met sijn meesters peerden ende wagen » te Brussel hij Jan de V adder, weerdt in de Roode Poorte hij de Craene logeren, di~ voor twee h1·ouwers van Grimhergen « hadde geweest houillie haelen naer ~t W alsch auartier » {DR. 84). Wanneer de weg eindelijk gekasseid werd is niet bekend, maar in 1626 werd « een accord gemaeckt over het onderhoudt van de cassijde in Zonyen hosch ». De « president ende luyden van sijne maj. can1er van Rekeninghe in Brabant... gehoort het rapport van de rekenmeesters Le Roy ende de Backer, gecomnlÏtteerden tot de verpachtinge van het onderhoudt van de groote cassijde in Zonien genoempt den Walschen wech.u in difficulteyten die de caseyers hebhen voorgewent ter oorsaecke dat de casseye soo seer gebroken en de ongerepareert was om Hendrick de la Noot afgaende pachter noch te continueren 3 maent... intussen de cassije so ver te repareren ende in staet te stellen... ende mede doen coope11 een schip cassijen van Bethune ende 8 a 10 roeden witte cassije van Diep;hem oft Vilvoirde ende doen voeren op den wech hoven de Diesdelle alwaer sij mede sullen mo~en doen maeken ende stelJen eene hutte van omtrent 24 voeten lank ende 15 voeten hreedt rontomme

..

61


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

gerichelt, gevorst ende gepleckt ende met stro gedeckt welke dienen sal om den steen daerinne te hewaeren alsmede om de gereetscha11"' pen van de cassayers daer. inne te sluyten... ordinerende oversulck:x: aen den woutmeester Ferdinand van der Linden te doen teeckenen ter naeste gelegenheyt 12 of 15 espen mn tgereempte ende hantwerk van de hutte de maecken ... » De zonierwegen 1noeten alsdan << aen wederzijden met macht van werkluyden ende in den corsten tijde soo volcon1elijck gerepareert ende in orde gesteh... en dan in pacht gegeven worden ». <<Tot directie ende henerstigingh » zal men stellen twee van de getrouwste vorsters in Zoniën om dagelijks hij de werklieden te blijven, de daghuren op te tekenen. Tevens moesten « lancx den steenweg van 1000 tot 1000 voeten een meersteen ofte paele » geplant worden on1 des te heter distincte notitie te mogen nemen op de . visitatie die men jaarlijks doen- zal. Deze stenen mochten gehaald worden op verschillende :glaatsen in Zoniën waar ze « uytter eerden ende ongeplant liggen ». Dit waren dus toen de eerste afstandspalen langs de steenweg. Elk jaar moest _de steenweg verlengd worden met nieuw werk, nl. « 25 ofte 30 roeden lanck ofte emmers tot concurrentie van tgene den De oude holle T ermeulenstraat. wechgelde » jaarlijks zou uitbrengen hoven het loon van het onderhout (R.K. 323). Pas tussen 1650 en 1665 werd er door de Rekenkamer een eigenlijke steenweg van gemaakt. (Plakk. van Brabant, t. V, blz. 411, 414). Niet lang daarna moet hij reeds erg gehavend geweest zijn, want het duurde nog lang voordat die steenweg goed berijdhaar werd. Tijdens de winter van 1700-01 was hij in zulke slechte staat dat er drie maand lang geen voertuig door kon. Op grote steenwegen vond men van afstand tot afstand een smid. Op de Grote Hut was er reeds vroeg een. In 1730 vroeg André Brassine, hoefsmid, wonende in een huis dat hij aldaar in Zoniën op eigen kosten in 1728 bad laten bouwen, dat eventueel als tolhuis zou kunnen dienen, er zijn vaste woonplaats te mogen vestigen om er, zoals hij zei, de kleine kost voor hem, zijn vrouw en zijn kinderen

62

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

te kunnen winnen door er zijn vak uit te oefenen van s'!lid, tot groter nut van de personen en vervoermiddelen die er dagelijks in groten getale voorbijkomen. Hij kreeg dan de beschikking over een stuk grond in Zoniën groot 20 roeden van 20 voet per roede voor een jaarlijkse vergoeding van 9 kapuinen. Vermoedelijk was deze grond gelegen aan de kant van het Bos, waar het vorstershuis nu nog staat. Van lieverlede, van de ene verhetering tot de andere, is hij geworden wat hij nu is : een grote moderne verkeersweg. De modernisering van de steenweg kwam ook onze andere gemeenteM wegen ten goede. In 1934 · kocht de gemeente 400.000 afvalstenen tegen 0,05 f. het stuk. Daarmee werd in 1936 de Schoolstraat verbeterd die met zeer ruwe silex-stenen gekasseid was. Over de Waterloosesteenweg zegt een schrijver zowat een halve eeuw geleden dat << deze haan eertijds in den grootsten voorspoed was, maar de vaart naar Charleroi en later de ijzeren weg hebhen dezelve zoo grooten slag gegeven, dat zij er niet meer zal van opstaan».. Men ziet dat profeet spelen gevaarlijk is. De schrijver kon echter niet vermoeden, dat benzine- en dieselmotor de spoorweg van zijn troon zouden halen en de weg zijn oude plaats doen terugwinnen. Gemeentewegen. - Een andere belangrijke verkeersweg was de Driesstraat, waarvan we reeds gewaagden. Hij volgt min of meer het heekdal en is ontstaan uit het oeroude pad dat er doorliep. . Het was natuurlijk een zeer slechte weg, vooral te Terroeuien en in de dorpskom, waar de grond zeer moerassig is. Een ·goede eeuw geleden lag er in het dorp nog zelfs geen brug over. Het was een «voorde», wat omstreeks 1930 nog te zien was aan de oude huizen tegen de heek. De dorpels er van lagen maar even hoven het waterpeil van de heek. De huizen werden afgebroken toen er de kloostermuur opgetrokken werd. De eerste verharding van de weg bestond in het bedekken ervan met hout. In een heleide van 1606 (G. 8405) lezen we onder meer dat hij « aen de kercke bevonden was seer quaet te sijn » en dat hij « sal worden gemaeckt (hersteld) met hout». Die straat liep natuurlijk door tot Alsemberg. Datzelfde jaar lezen we verder « Item de selve straete tegen het hlock heer Jans van Onele ende den bempt Antonis de Leenere bevonden heel roth » en dat ze « weder sal worden gemaeckt met groot hout » (dus 1net naast elkander gelegde boomstammen). Bij het graven van de sleuven voor de gasleiding kwam er van dat hout, dat natuurlijk bijna volkomen vergaan was, veel te voorschijn. Hierbij 1nerkte men op dat het peil van de grond in de dorpskom thans anderhalve meter hoger ligt dan de natuurgrond. Bij die gelegenheid kwamen ook zeer veel potscher.. ven aan het licht, de euige voorwerpen die in de ~oud bewaard blijven. ...

63


AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

Langs de wegen stonden vroeger veel bomen en sti·uikgewas die vaak de doortocht helmn1nerden of versperden. Bij .een ondet:zoek door de schepenen in 1743 (G. 8305) werd vastgesteld dat Jan de N ayer, de hoer van het Hof te Krechtenhroek, nu de Boomkwekerij, de « straete loopende van Lansrode ri.aer Termetden niet behoorelijek gesnoeyt » had. Het is hekend dat voortijds de naburige eigenaars of gebruikers voor het ouderhoud van de wegen moesten instaan. Jaarlijks deden

De 1:roegere holle Termeu.lenstraat aan de bovenkant tegen de Nieu.wstraat.

de s~~1ep?ne~1 een ronde om te zien hoe het daarmee gesteld was en ~IJ dte 1n gebreke bevonden werden, werden aano-emaand het nodtge te doen. Zo hv. werd in 1641 aan een eio-enaar ~bevolen «in den Regendrieach de Strate gaende van Alsenb~rge naer Nijvele » (de oude Bosstraat) een « slip tt" rnaeekc-m om 't wáeter af te Ioopen naer de de11e ». lG.8105). Onze gemeen~e die, zoals we reeds zeiden, tot omstreeks 1825 !ot tep;en het statton bebost was, stond met de Waterloosesteen weg 1n de volksmond « de hoge kassei », in verbinding door twee wegeU: nl. van aan Lansrode langs de kleine Bntsselweg, langs de Schorre• berg tot op de Grote Hut en de We8 aan de kerk over Sint..Anna. 64

;

De Zoniënhoslaan, die pas circa 1910 tot stand kwam, door rechttrekking en verlenging van het toen genoemde «klein kasseike », bestond vroeger niet. Er was alleen de straat naar Lansrode. Maar onder het Oostenrijkti bewind had men tussen de Middenhut, rechtover de Sint-Michielsdreef, een plaats die toen « Cortenhosch » heette, tot heneden het dal een weg aangelegd naar een zandput, waar het nodige zand gehaald . werd . voor het onderhoud van de Waterloosesteenweg. In een Fran,s stuk wordt die weg « chaussée de La Sahlière » genoemd. In 1821, nu, wenste het hestuur van Rode een verbinding tot stand te brengen tussen de grote steenweg en Rode, Alsemberg, Dworp, Beersel en zelfs Linkeheek, voor het vervoer van brandstoffen en eetwaren uit Nijvel, Erkenne (Arquennes), Charleroi, Mariemont, Namen, enz.· over de Driesstraat (grand chemin rotonné = met hout helegde weg). Op 7-3-1821 werd aan de « Nohles et très honorahles signeurs déput~s de la Province du Brabant Méridional » een verzoekschrift gericht om de zandputweg te mogen verhinden met de Drieststraat en voorts de weg te herstellen die, zeiden ze, sedert tien jaar niet meer hersteld werd en waarvan de losgeraakte stenen gestolen worden. Voor de herstelling konden afvalstenen van de grote steenweg gebruikt wor· den. l{omt dat niet in orde, dan zullen de pachters· enz-. 5 tot 6 mijlen moeten omrijden. Het is ten andere in het belang van de Regering zelf. Het vervoer zal goedkoper worden, vermits twee in plaats van vier paarden zullen volstaan. Aan al die klachten werd vermoedelijk niet veel gevolg gegeven, want in 1823 werd er weer over geklaagd dat de « houtweg die zich uitstrekt van aan de zandput gegraven tot erstelling van de groote kasseyde van Namen tot aen het gehucht genaemd Termeulen », de Driesstraat, onderhouden door het Boshestuur, ten dele gelegen in Zoniën hos en ten dele «in den hosch van de voorheen ahdije van Ter Cameren », sedert jaren niet nieer hersteld werd, ·doordat het Bos er geen hout meer voor leverde. Nu zouden er ten minste 150 bomen van de slechtste kwaliteit - uit het hos nodig zijn en voor 200 gulden dag· huur. De inwoners zouden de bomen op eigen kosten vervoeren « aengezien het gehmyck welck zij van den voorzeyden wegh, gemeynelijk Driesstraat genoemd, maecken ». Het jaar daarop was er weer kwestie van die houtweg «die in Wintersaisoen onbruikhaar is ». De verzoekers vragen kosteloos kasseien, liggende op de steenweg van Namen tussen « Vividoye en Waterloo ». In 1825, was er weer een algemeen geklaag over die « steenweg van Alsembergh a en dengene van N aemen en Charleroi door Waterloo, die door het middelpunt onzer gemeente loopt ». Hij bestaat uit een « gedeelte steen, een gedeelte hout en haerde-weg genaamd Dries-straet, breede van 16 tot 50 en .zelfs 60 voeten, voor vervoer over Alsembergh, Dworp, Beersel, Droogenbosch en Uccle, van brandwaeren, steenkolen, hout, kalk en steen van Erkennes ».

65


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESIUS..RODE

Op dat ogenblik was hij onberijdbaar en moesten er de zware vrachten een omweg van 4 uren doen over Sint-Gilles ! Zo staat er in elk geval in het stuk, waarin men ook verneemt dat de Drieststraat 4326 ellen lang was en daarvan 2311 ellen gekasseid, en er dan nog 2015 ellen te doen waren volgens een ontwerp van landmeter 1e klasse C. Boonaerts. In 1829 werd aan de hogere overheid gevraagd de « steenweg tusschen de N amensche kasseide en den zavelput tot op de Driesstraat » recht te trekken. Daartoe was een grondverwisseling nodig werd er een proces-verhaal van commodo et incommodo opgemaakt, met de N ederlansche Maatschappij (later de Société Générale) en

- ..-?.:~~7

'

~· ~~-

"".,,*'*

Oude woning aan de beek te Termezden1 enkele jaren geleden afgebroken. (Pentekening Dolf Theys.)

waarin de landhouwers J akohus Oscé, Miehiel Duson en J akohus van Volxem vermeld zijn. Dat ging echter allemaal zo rap niet en in 1832 en 1833 zien we weer «afgekeurde stenen van de hoge kassei » gebruiken. . In 1839 is er eindelijk spraak van een grondige verbetering. Het werk bestond uit 15.000 tn2 kasseiwerken. Er werd een toelage van 40.000 fr. aangevraagd en verder een belasting voorgesteld van 7 op-

66

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

centiem op de grondbelasting. In 1846 was er echter ?og geen

~ oplossing, want Bastin, landmeter te Ukkel, maakte een nieuw ont·

werp op voor << Ie passage du chemin vicinal qui relie Ie centre de la commune à la route de Waterloo » over een lengte van 4150 m. en 3 m. breedte. De gemeente had reeds 9017, 68 gulden gespaard, voor die op dat ogenblik enige bestrate weg. Bij die gelegenheid moesten ook bruggen over de beek .gebouwd worden. In 1847 was er weer een nieuwe aanvraag en werden 13 op,centiem op de grondbelasting en 5 op de personele belasting gestemd. Het jaar daarop moeten de werken dan toch een aanvang genomen hebben, vermits er sprake is van de. voortzetting en van 2359, 70 fr te lichten op de Berg van Barmhartigheid, waar het g~sp~ard geld belegd w~s. Met de opcentiemen was het echter nog niet m de haak, want er werd weer een heffing van 18 opcentiem gevraagd. Inmiddels vroeg dhr. Rittweger, een grooteigenaar, de verlegging van een d~~l van het « kleyn kasseyke » n 1' 10 op een breedte van 6,60 m. Om er zich een gedachte van te vormen hoe slec~t de Stationstraat in de laagste tot in Terroeuien was, o.m. nog in 1853, volstaat het uit een stuk over te nemen dat «Gezien de weg nr 10 van de Atlas, gezegd Driesstraet, tot bedding dient voor de Termeulenheek 380 m. lang, onhegaenhaer is in den winter en ongezond in de zomer». Er komt inmiddels weer een nieuw ontwerp voor de pinnen hestaande in een;« nieuwe bedding met verschillende brugjes, draineeren, f ascineereii en vooral een schuine brug met twee openingen rechtover de weg nr 11 (de Termeulenstraat) opdat het water zo recht mogelijk in de heek schiete ». Om die brug. te ~aken moest men door de t~in van Jan Jozef de Gelas, herbergier, die de grond weigerde af te staan ... In 1854 was er weer sprake van « Ia petite route pavée de 622 m. conduisant à UÏ1 hameau populeux· dit Termeulen, et que la commune a l'intention de prolonger puisque les pavés sont déjà prêts ». M~n wilde er een tol oprichten voor half hareelrecht. Op dat ogenblik bestond er te Alsemberg een bareel aan de ingang van de steenweg naar Halle, 1504 m. van ~de kerk van Rode. Het werk vorderde intus.sen maar traag, want in 1855 hesloot de Raad eens te meer de Drie~straat te kasseien met steen « que la cotnmune a retiré de la car,:ièt·e de M. Bourel » (? ) • De heek werd later aan de overkant (links dus, vertrekkende van uit het dorp) van de weg verlegd. Dit blijkt uit het volgende stuk : « Attendu qu'il y a au hameau de Termeulen uu ~bemin re}iant Ia comm~ne ... à Ia route de Charleroi à Bruxelles, qu une partte de ce chemtn est déjà pavée et que la partie vers la eon1mtm~ sert en même. temps de Iit au ruisseau du Maelheek, que par suite en toute satson Ie che1nin est impraticable~ mais qu'il Ie devient surtout en hiver pour chevaux et voitures par suite de gelées; qu'il n'y a non seulement

..

67


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

utilité publique, mais encore de grand motifs de salubrité; que Ie lit du ruisseau actnel sera transporté dans les prairies, qui longent Ie chemin et que par conséquent Ie chemin pourra être convenabiement exhaussé »... De wijk van Termeulen lag toen heel wat lager dan thans. De vloer van het oude stenen huis. tegen de heek, dat op zijn minst uit de 16e eeuw n1oest dagtekenen, en tussen heide wereldoorlogen afgebroken werd, lag bijna een meter lager dan de straat. Dit was het gevolg van het aanspoelen van grond komende van het hogergelegen gedeelte van de straat, die mettertijd een diep uitgeholde straat

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

De aanleg van het station bracht een ganse omme~eer ~n het verkeer te weel)' en noopte het gen1eentehestuur tot nieuwe ,m~at­ regelen en « fin°alement Ie conseil décide encore qu'~ pl~n gen~r~l sera dressé pour les changements qui devront être f a1ts a la vou1e vicinale par suite de l'établisse~ent. d'une station en ~otre commune du chemin de fer, en voie d'execut1on, de Bruxelles a :f:uttre ». Om van de grote uitgaven verlost te zijn, vroeg de Raad In _1876 dat de stationsweg «grote wegenis» zou verklaard worden. Dat Jaar werd ook voorgesteld de straat te kasseien over een lengte van 3734 m. 50 voor een geraamd bedrag van 101.216 fr.

De, thans overwelfde, Molenbeek te Termeulen. (Pentekening Dolf Theys.)

geworden was. Ook van uit de Zevengatenstraat kwam er hij slagregens telkens een grote hoeveelheid zand toegezwommen. Daarhij werd de straat nog kunstmatig opgehoogd. In 1858 werd met Jules de Meurs een overeenkomst gesloten voor het vervoer van grond om de « Tenueuienweg » op te hogen. Datzelfde jaar schrijft de gemeente de ontvangst in van « quelques planches d'un chemin remhlayé », waaruit men leert dat de straat tot dan toe met hout belegd was. Op dat tijdstip (1859) Was er nog geen spoorweg- die zou pas in 1873 aangelegd worden - en de steenkolen (charhon de terre) werden gelost in het station van Groenen daal... wat uitlegt waarom zozeer aangedrongen werd op de verhetering van meergenoemde verkeersweg.

68

De Dreef vóór 1914.

Hoe het in 1882 nog gesteld was met die straat blij~t genoegzaanl uit het feit dat de gemeente vroeg «à comhler et deflacer en partie le cours d'eau dont Ie lit servait de passage aux voitures» ... In 1885 werden er weer plans tot verhetering van de Stationstraat en de Dorpstraat goedgekeurd, nl. 485 m. lengte kass~iing op een breedte van 4 1neter tussen I1et station en de kerk, een dutker van 50 x 50 cm. en een hntg van 2 m. Van aan de kerk tot Alsemberg bedroeg de lengte 418 m., alles samen .~oo: een kleine _100.000 fr. Er waren v;el grondinnemingen nodig. BtJ dte gelep:enhetd noteren . .:W~ dat Egted Ferdinand van Rossun1, handelaar, erop stond,.dat htJ etgenaar zou

69


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

blijven van de helling van de ingenomen grond aan de ingang van de dorpskom rechts. Van advokaat Gamhier werd ook grond inO'enomen, maa.~ de getneente heta~lde niet, ze had geen geld... Daar~p werd met VIJf stemmen tegen v1er gevraagd het verheteringswerk in te. trekken en de percelen aan Gan1bier terug te geven ! Maar daar wilde de hogere overheid niet van weten en ze gaf de O'emeente tien d~gen .~ijd, zo niet zou. een. hijzondere kommissaris gezo~den worden. D.Ie hiJzondere kommissaris was dhr. Gasthuys, wegenkommissaris, d~e 9452,93 fr. aan Gambier uitbetaalde in ... 1889. Op de naburige e~ge1_1aars werd een helas~ing vau 2 fr. de strekkende meter opgelegd, die In 1891 echter wegviel. De kommissaris deed ook bomen verkoP~I_J.' wat een bedrag van 1266,70 fr. min de kosten, 211,83 opbracht. HIJ dwong ook de gemeente tot het hetalen van tien andere eigenaars, die grond afgestaan ha~den .voor 13.221,36 fr. In 1890 liet hij het verkeer schorsen om de rutvoering van de werken te bespoedigen. ,, ..Anderd~els. werd sedert lang geklaagd « qu'il ne se passe pas d ete pour amsi parler, sans que Ie centre ne soit inondé. Une averse un peu forte fait suhmerger les caves et les rez-de-chaussée des hahitations. _Les eaux envahissent les étahles et autres lieux et Ie pavé est chang~ en un cours d' eau ». Provinciaal Jngenieur Moreau maakte een noolontwe~p op. De ~tv?ering ervan bracht heelwat politieke en straatheroenng mee, die In een ander hoofdstukje behandeld worden. Intussen was. het « klein kasseike » opnieuw slecht geworden en werd door raadshd J.-B. van Rossum voorgesteld het grondig te verbeteren. Pas in 1907 werd een ontwerp opgemaakt, waarvan het bestek 143.000 fr. bedroeg. Een derde belangrijke verkeersweg was de Sint-Annastraat, zoals de straat tussen de kerk en de Sint-Annakapel over de Hoek geheten werd, dus to~ waar het Zoniënhos oudtijds reikte. Vandaar tot op de steenw~g hep er m~ar een gewon~ hosweg. Thans is die weg onderverdeeld In de Fonteutstraat, de Lindestraat de Terheidestraat de Gehuchtstraat en de Groothutsteenweg. ' ' Het is hekend dat voortijds de aanpalenden voor het onderhoud van de wegen en de waterlopen moesten instaan. Later moesten al de inwoners daartoe een dag of meer werken, sommigen met kar en paard. . Elk jaar werd aan de kerk na de missen herinnerd aan de Uitvoering van die verplichting, zoals hierna daarvan een voorbeeld uit 1632: « Eodem die (op heden) heeft mr. Peeter van der Haegen meyere gerelateert dat hij binnen der prochien kercken van Alsenberghe ende Rode respective op half vasten dach en sondage lestleden naer de hoochmisse den volcke meest vergadert zijn heeft gepuhliceert de ordonnance des heeren hoochmeyers van Rode van eenen iegelijcken tusschen dit en zes weken naestcommende zoude maecken ende repareeren de heerbanen, straten ende wege, mits-

70

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

gaeders openen ende ruymen die heken, waterlopen ende r}.VIeren aen ende lancx hunne goeden loopende en liggende, op de penen en amenden int stuck van heleyden gestatueert »... (G. 8248) . Zo werd in 1606 ( G. 8405) een inwoner beboet omdat hij << in de selve straete dico de straete van ter beyden loopende naer St. Anna Cappelle nyet en heeft gemaeckt ». Bij de kerk werd in 1662 de straat « bevonden seer quadt ende niet behoirlijck gemaeckt tegen de goeden der cueren... Is geordonneert dat de .selve sal' worden gemaeckt met groot hout». We hebhen reed& gezien dat het een houtweg was. Op 10 juni 1743 hield de overheid een « visitatie v~n straeten, wegen, waterloopen, bruggen, losgaten ende andere puhhque straet· f auten » : Alexander van Rossum « in de straete. komende van St. Anna Capelle... rechtover het landt van .Pau wel Fastenaec~els, het gat van den voetwegh opgegraeven in plaetse van eenen stichel . (een paal om de doorganO' te beletten) te pl<;tatsen »... «Jan van Diest tegens sijn landt rech: over het huys van Gabriël Mathijs de straete seer quaedt ende niet gemaeckt » ... De aansluitende straten waren zo mogelijk nog slechter. In 1743 (G. 8305) werd bevonden dat « Hendrick Boon in de straete loopende naer den Quaden plasch noch geopent nochte geschroeyt » had ... De Sint-Annastraat was dus een gewone aardeweg, mul in de zomer en modder in de winter, die hij overvloedige regen diep weg· spoelde. Alleen in het laag gedeelte, in het .dorp, was .hij me~ hout belegd. In 1844 was de Fonteinstraat nog niet gekasseid en hep de Kwadeheek er door. Tot in 1826 vernemen we er niets meer over, toen in de hegro· ting een kleine som voorzien werd voor de herstelling van de weg van Rode naar de « Groote Rutte». Daartoe werden in 1828 kasseien gevraagd << liggende op den steenweg van Waterloo ». In 1862 vroeg de Raad toelagen voor het verbeteren van de wegen. « Tous ces travaux sont de nature à donner de l'ouvrage à la classe pauvre, si nomhre~tse en notre commune et surtout à l'époque actuelle, quand les obJets de prenrlère nécessité sont d'une cherté excessive », zegt hij in zijn verzoek. In 1861 werd door wegenkommissaris Bastin een ontwerp gemaakt voor « Ie redresserneut du chemin pavé dit de Ste Anne au centre de la commune... et Ie faire passer par une prairie de M. Eggericx a vee aqueduc ».. . Van 1902 eindelijk dagtekent het voorstel van de laatste verhe· tering van de steenweg van het «dorp naar den hoek». Het werd even later uitgevoerd tot aan het Sint-Annahof en na 1906 werd ?et deel van daar tot op de Waterloosesteenweg verbreed. De: verbeten~g in de bebouwde kom van de Hoek werd door een paar eigenaars, die grond moesten afstaan, tegengewerkt tot na de ?orlog 1914-18.

71


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

Omstreeks 1910 kocht senator Max Hallet haast al de grond gelegen tussen Landsrode en de W aterloosest~e~weg en bouwde ~~ een grote villa. In het parkgoed was een hmsJe h~grepen dat hiJ tot een kleine hoeve voor eigen gehn1ik verbouwde. In 1907 werden door deze eigenaar vier lanen aangelegd, nl. de Lansrodedreef, de Lindenlaan en ·de Espenlaan. Het is hij deze gelegenheid dat de oeroude Brusselweg verdween.

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

De steenweg naar Halle loopt enkele honderden meters op het grondgebied van onze gemeente. Hij werd omstreeks 1826 in . de Hollandse tijd begonnen, maar pas na de Belgische 01nwentel1ng voltooid. Vóór die tijd liepen de wegen naar Dworp en Halle langs de Kerkeveldweg en de Esselheide of over de Schoolstraat te Alsemberg (oudtijds de Halleweg geheten). Door die aanleg werd de Tenbroekstraat (rechtover de kartonfabriek Winderickx) onder· hroken en diende het gedeelte ervan aan de rechterkant nog alleen voor de afloop van het water. Die Tenbroekstraat was de oude weg van het ·klooster van Zevenhorren naar hun bloemmolen (thans de kartonfahriek). Een huis stond vlak in ge aslijn van de nieuwe weg. Het werd afgebroken en wat verder wederopgehouwd. Dit is de oorsprong van de naam de1· herberg «Het Verschoven Huis». Het is waarschijnlijk evengenoemde straat die hedaeld wordt in een schepenverslag uit 1743, waarin Jakobus Cleirens beboet wordt omdat hij de « straete loopende van Tenhroeck naer Sonien lancx henen niet gebreedt nochte geeffeut » had. Wat hoger in dezelfde straat had de advokaat van Hamme aan zijn goed niet « behoorelijek geschroeyt nochte gebreedt >>... Gilis van den Bosch had er de << straete niet geopent soo daniglijck datter geen voiture af nochte op en kan »... Frans Thielemans er rechtover had... niet « geeffent de heyrhane naest sijnen kant »... Tot omstreeks 100 bestond de steenweg naar Halle uit een gekasseid gedeelte 3 m. breed met aan weerskanten een aarden berm. Toen werd voorgesteld er een makadam te leggen op een breedte van 5 m. 50. Deze wegbekleding bestond reeds op het gedeelte van de steenweg tussen Dworp en het station van Buizingen en had .geen bevrediging gegeven. Het gemeentehestuur van Rode tekende derhalve heftig verzet aan. In 1861 vroeg J ules de lVIeurs de kasseiing aan van de weg « qui conduit de Ia route d'Alsemherg au moulin de Tenhroeck ».

straat wordt dus Termenlenstraat geheten tot op het Klein.. Luik. Wij denken dat de benaming Nieuwstraat pas uit die tijd moet dagtekenen, tenzij ze feitelijk nauwe smalle straat zou beteken~n. Alles goed en wel, maar in 1861 was de Termenlenstraat nog met gekasseid en horen we er niet meer van spreken. Pas na de eerste wereldoorlog gebeurde dit, Toen nam men de studie ter hand van de rechttrekking en de grondige verbetering va~ de eigenlijke Termenlenstraat een schilderachtig diep uitgeholde smalle weg, helemaal overh~n~en met takken en struiken en waar de voertuigen e~ander niet konden kruisen. Voor de vaandels en hemels der processie was het telkens een ellendig gesukkel om er door te geraken. In 1938 eindelijk werden de werken aangevangen door aannemer Kiekeman van Ganshoren voor 776.279 fr. Het werk geraakte voltooid in het begin van de tweede wereldoorlog. Samen met dat werk moest ook de Kerkstraat tot op de Nieuw.. straat verbeterd worden, maar de oorlog verhinderde de uitvoering. Het eerste ontwerp dagtekende van 1914... Een ontwerp dat heel wat inkt en gekibbel kostte, vooral in verkiezingstijd, was de straat van het station naar de Hoek. Het eerste voorstel dagtekent van 1906 en in 1914 wet·den. de plans goed.. gekeurd. De uitvoering werd verdaagd wegens de oorlog en tevens in verhand met de voorgestelde aanleg van een tramlijn van het station onder de spoorwegbrug aan Hoftenherg. Later viel het ontw?rp .om zo te zeO'gen weg, ingevolge plannen van aanleg van partikuhere lanen tus~en het station, de Hoek en de vijvers, welke ontwerpen op hun beurt wegvielen ter oo1·zake van de ekonomische krisis even na 1930. Tot dusver kwam van een hetere verbinding met de Hoek dus niets in huis ·en de duiker die in de Oude Gevaartvijver reeds met grote kosten was aangelegd geworden, lag daar nutteloos en moest later opgehoogd worden. · De oorspronkelijke plannen die een nieuwe straat voorzagen van aan de overbrugging van de spoorweg op het Hoftenberg rechtdoor naar de henedenkant van de Schoolstraat en vandaar rechtdoor naar de Groothutstraat, aan de Dragonder, geraakten inmiddels volkomen in de vergeethoek en men moest wachten tot in 1953 om een verhetering van de verbinding met de Hoek te zien tot stand komen, nl. de asfaltering en betonnering van de straat over het Hoftenberg naar de Gehuchtstraat en anderdeels van Hoftenberg naar de Bierenhergstraat.

Van de Termenlenstraat vernemen we niets v66r het jaar 1853. De bestrating ervan werd voorgesteld als een groot voordeel. Ze vereiste 3711 n12 kasseien, zonder de kunstwerken. Er werd een toelage van 18 opcentiem gevraagd « considérant que la conunune s'occupe de grands travaux d'assainissement et de pavage entre autres de Ja Menlestraat reliant le nouveau pavé de Ste Anne ». De

In 1904 werden de eerste rooiingaplannen opgemaakt. Dit 'Wil zeggen dat de loop en de breedte van de wegen officieel vastge.. legd werden. Zo werd de straat van aan de grens van Alsemb~rg tot aan het station, en de Zoniënboslaan vastgesteld op 15 m.; dte . van aan de kerk tot op de Waterloosesteenweg over de Hoek, de Bos• straat, de Kerkstraat, de Nieuwstraat en de T~rmeulenstraat, 10 m.;

72

J-

=


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

de Kwade Plasstraat, de Hoftenhoutstraat, de Hutstraat, de Heymansdries, de Langestraat, de Schoolstraat, de Dragonderstraat, de Hollebaan, de Wouterhosstraat op 8 m. Ten slotte werd hij K.B. van 18.1.1951 een algemene rooiingaplan goedgekeurd van nieuwe straten, o.m. op de wijk van de Bellemansheide in aansluiting met wegen 58 en 59. We zeiden reeds dat de wegen hun eigen leven hebhen en met de veranderende ekonomische toestanden meegaan. Dit was misschien vroeger nog meer het geval, toen de mensen nog hun eigen weg konden hanen en steeds de korste konden kiezen. Zo zou men tal van wijzigingen ~elfs afschaffingen van oude wegen en aanleg van nieuwe kunnen aanhalen. In 1911 nog werd vastgesteld dat o.m. de ligging van weg nr. 13 niet meer dezelfde was als hij de uitroding. De mensen hadden -er een nieuwe gebaand. Bankier Engler, de schoonvader van Generaal Goethals, had voor zijn dochter alhier tussen de Bosstraat en de Sint-Gertrudisdreef een groot gedeelte gekocht van het gerooide Zoniënhos. Daarin liepen echter tal van wegen, die verhinderden er een groot aaneengesloten goed van te maken. Het kwam er dus op aan de afschaffing van die wegen te bekomen... .In 1855 vroeg Baron Goethals de afschaffing van de ~egen 7, 14, 15, 16, 43, 45, 49, 60, 61, en 79 di~ door zijn goed liepen. Het gemeentehestuur wilde er echter niet van weten, daar die wegen, vooral de weg nr 14, altijd hestaan hadden en voor « menschen en dieren van Alsemberg, Dworp enz. diende ». Goethals bleef echter aandringen, schafte zelfs eigenmachtig wegen af. De gemeente procedeerde. Ten slotte werd een minnelijke oversenkomst getroffen. Men zou onder meer de weg nr 14 «de Langeheydedreef » verleggen in rechte lijn naar de Sint-Gertrudisdreef, evenals de wegen nrs 79 en 61 zodat een rechtstreekse verbinding met Terkluizen zou behouden blijven. Buitendien zou Goethals een vergoeding van 1.200 fr. betalen. Het eigendom hoorde toe aan de Société Générale die reeds vroeger wegen had willen afschaffen en daartoe afsluitbo: men had geplaatst, welke door het volk, zelfs in het hijzijn van de boswachters, vernield werden ... In 1843 vroegen Baron Coghen en Rittweger, de afschaffing van een . weg, die niet nader bepaald wordt. Het gemeentehestuur van Hoedaart schreef daarover aan onze ge1neente « relativement à un ehemin passant par Ia Forêt de Soignes sous notre commune. II est à la connaissance que ce ehemin a existé depnis de longnes années et a été dep1ûs un temps immé-morial, la route que des hahitants dudit Hoeilaert ont suîvi en faisant Ie pèlérinage à Alsemberg» .... Onze gemeente oordeelde evenwel dat ze geen recht hadden die weg op te eisen, .daar bij op geen enkel plan voorkwam... en heslisten hem niet te behouden daar hij voor ons geen belang had. In 1853 vroeg dhr.. Coghen de afschaffing van de weg nr 78.

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT .~-

Daar men bevond dat hij nooit geldig hestaan had, viel hij dqs ook weg. Men vraagt zich dan af waarom hij een officieel nummer droeg ... Iemand die tussen de jaren 1850 en 1870 heel wat last verkocht in zake wegafschaffingen was J.-B. Wets. In 1853 vroeg hij de afschaffing van de weg nr 84. De gemeente weigerde. In 1858 vroeg hij opnieuw, ditmaal samen met Fr. van Keerherghen, om enkele wegen op Hoftenberg af te schaffen en in 1860 de verlegging. van weg nr 56 <<se rendant du cöté dit Nieuwstraat ». Vergeefs. Een jaar later schafte hij zelf de weg nr 84, te Hoftenberg af. Men gaf hem veertien dagen tijd om hem te herstellen ... In 1870 ook de weg nr 56, de « Lakensfaysweg », 1,65 m. breed. Daarentegen, vroeg J aak W ets, raadslid, in 1877 voortdurend het openen van nieuwe wegen. Hij stelde ook voor dat de inwoners mits betaling zouden helast worden met het onderhoud der wegen. In 1884 had de Gemeente, om doorgang met paarden te beletten, aan de Hoftenbergweg nr 84 palen laten plaatsen, die door J .-B. W ets, Judo van I{eerherghen en Willem van La et uitgerukt werden. De Rijkswacht van Waterloo maakte proces-verhaal op. In 1858 vroeg en hekwam Zuster Sabina van Keerberghen door bemiddeling van haar vader Pieter, tegen betaling van 5 fr., de ver· legging van een weg nr 66. P.-F. van Keerherghen, pachter, hekwam in 1859 de verlegging van de weg nr 4 7, maar moest een duiker bouwen van 1 m. breedte. Dezelfde vroeg in 1879 dat «Ie tuyau de bois existant actuellement sous Ie sentier Gevaartweg, soit remplacé par un acqueduc, apte à donne1· passage aux eaux en temps d'orages ou averses end01nmageant ou ravageant annuellcment ses récoltes, croissant dans ]'ancien étang dit Veldvijver, aujourd'hui converti en terres de culture>> ... Deze vijver is thans opnieuw vijver en diende tijdens de laa1ste oorlog als een soort van strand voor de Brusselaars~ In 1880 keurde de gemeenteraad de afschaffing goed van de Oude Nijvelsehaan nr 32 en van een gedeelte van de n 1' 34~ de Diepestraat. Raadslid J aak W ets, molenaar te Tenhroek, en 21 inwoners, plus 63 van Alsemberg, tekenden daartegen verzet aan. De gemeente bracht in het midden dat hij nog enkel diende voor de waterafloop, dicht begroeid, onder meer met eeuwenoude kopeiken, en onbegaanhaar was. In 1931 werd op verzoek van de belanghebbende eigenaar dhr. Milch, de weg nr 88 afgeschaft 1nits een vergoeding van 600 fr. Het gedeelte van onze gemeente gelegen tussen de spoorweglijn en het Bos onderging sedert een halve eeuw een grondige wijziging.. Voor ouderen van jaren is er het landschap niet meer te herkennen. Het is de grote villawijk geworden. Daar bestond alleen de grote hoeve Louis de Dedohheleer aan een weg die naar Krechtenhroek leidt en later de J onetlaan geheten werd. Een andere weg liep, verder naar Ukkel toe, van op de steen· ""

74

75


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

weg naar de Linkeheek.se dreef. Het was 1naar een smal pad. In het dal liep hij een steile helling af, in de volksmond de Bettekensberg genoemd. De eet·ste villa, helemaal van hout, met funderingen van hakw steen, tegen de Kleine Hut aan de Steenweg, hoorde toe aan Generaal de Selliers de Moranville. Een volgende nieuwe laan was de Lequime.. laan, naa,r de naa1n van de eigenaar van de grond aldaar. Met de doortrekking van de tramlijn, eerst tot aan de Middenhut, dan tot he.t station en later tot Waterloo, verder door de opkomst van de auto, de aanleg van gas, elektriciteit, water enz. na1n die wijk een geweldige uitbreiding. Grondmaatschappijen legden een heel lanennet aan en bevorderden er zelfs de oprichting van de O.L.V.parochie. Het hetekende de dood van verscheidene grote en zelfs eeuwenoude hoeven als Lansrode, Krechtenhroek enz. Oude wegen als de Driesstraat, de Handstraat, naar Sint-Anna, een gedeelte van de weg naar het Houwken, naar de Schorrenherg, vielen weg of werden verlegd. Sedert 1950 werd het gemeentelijk wegennet belangrijk gemoderniseerd. Dat jaar de Kerkstraat en de Dragonderstraat. In 1951 de Bierenherg, de Boftenhoutstraat en de. Bosstraat tussen de Fonteinstraat en het kerkhof, de Boomgaardstraat (asfalt). In 1952 de Boftenbergstraat en de Paardestraat (beton), de Hoekstraat (asfalt). In 1953 de Vijverweg, de Kwade plas, de Bosstraat en de Dreef (asfalt). In 1954-1956 de Alsemhergsesteenweg, de Dorpstraat, de Stationstraat, de Riltwegerstraat en de Hoogveldlaan (asfalt). In 1955 de Jonet-, Lequime en Middenhutlanen (straatstenen). In 19561957 de Boomkwekerijlaan en de Dwarshaagstraat (straatst~nen). De volgende nieuwe lanen werden door partikulieren aangelegd : de Ridderhoflaan aansluitende met de Waterloosesteenweg aan de Kristushoeve (de Dobbeleer) op de grens met Waterloo; de Groenspechtlaan en de Goudn1erellaan aansluitende met de Schilderachtige Dreef aan de grens met Ukkel; de Bosweidelaan tussen de Brassinelaan en de Golflaan. Bossen en eenzame wegen waren voortijds ver van veilig. Allerlei ongure kerels, als bv. rondzwervende vaandelvluchtige huurlingen, leefden van plundering en zelfs van roofmoord. Op de Waterloosesteenweg was het verkeer gevaarlijk. Van aan de Diesdelle liep hij door het hos en er stonden slechts een paar huizen aan de Groene Jager, de Diesdelle, op de Kleine Hut, de Grote Hut en Waterloo. Op het einde van de 17e eeuw, o.tn. in 1698, ging het er zo erg aan toe, vooral op de « W alschen wegh », dat gedurig hijzondere patrouilles moesten ingericht worden. (G. 8303). Maar ook elders was het niet steeds pluis. De voorlaatste dag van het jaar 1667 hadden twee inwoners van Nijvel, dokter Ernest Romain en zijn zuster Anne l\1arguelite, te paard de reis aanvaard van Brussel naar Nijvel. Hun

76

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

" reisweg liep vermoedelijk over Ukkel, Linkebeek, Rode, Eigenbrakel en zo verder. Op de eenzame weg doorheen het Zoniënhos, dat toen nog haast tot dichthij de dorpskom van Linkeheek en van Rode reikte, stelden ze op een gegeven ogenblik, tussen laatstgenoemde twee gemeenten vast, dat ze door vier soldaten te paa~d achte;volgd werden. Niet ver van Terroeuien zochten ze een schmlplaats m een huis maar de soldaten dreigden doorheen de deur te schieten indien hun' niet opengedaan werd. De bewoonster gáf de raad ze binnen te laten en hun. te d.dnken te betalen. Romain liet zijn zuster met de paarden achter en ging met de soldaten mee tot in de eerste herberg op hun weg, te Termeulen, waar hij met hen bescheid deed en verder aan de waardin opdracht gaf ze zoveel hier te schenken als ze maar wilden, waarna hij naar zijn zuster terugging om de reis ·te vervolgen. Zo trokken ze het dorp door en kwamen op een plaats waar de weg weer door het hos liep, << op secker velt genaemt de Hang Eycke alwaer de oude keuster van Rode genaemt Aert Huhlou was merge· lende aen den hosch van Soniën omtrent de W aitsbecke (elders de Waetsheecke, vermoedelijk de Kwadeheek) ». Ze hadden dus van in Termeulen de Rollehaan, de Boomgaardweg, de Linde en de Kwadeplas over de weg door het Hangeikveld naar de Bosstraat gevolgd. De reizigers vertelden hun wedervaren aan Huhlou en vroegen hem of er geen gevaar bestond verder door te reizen, waarop deze vroeg of ze aan hun achtervolgers te drinken betaald hadden. Op hun bevestigend antwoord, stelde Huhlou hen gerust. Toch namen ze een gids mee, Gillis Mosselmans, hijgenaamd Mutsaert. Even later doken echter ook de vier soldaten op en nog geen kwartier daarna hoorde men een schot. Men vond de dokter vermoord langs de weg liggen. Uit het onderzoek, dat door de schepenbank van Dworp ingesteld werd, bleek dat de soldaat die het schot gelost had herkomstig was van Linkebeek, een andere· van Huizingen en de twee overige van Dworp, en dat het slachtoffer omgebracht werd om geen andere reden « daerom dat si i soo schoone mouture hadden ende een geweer hij hen hadden» ... Hoe de zaak afliep is 1:Jiet bekend, doch drie jaar later werd door de schepenbank van Nijvel van de zuster van het slachtoffer nog een verhoor afgenomen dat hierna opgenomen is. «Au 20 janvier 1670. - Information preparatoirement plinse pardevant nous eschevins de la ville de Nivelle a la reqte du Sr. mayeur touchant l'homicide arrivé en la personne de feu Ie Sr. Ernest Romaîn notre confrere (was hij ook schepen?) Ie 23 decen1hre 1667. DeJnoiselle Anne Marguerite Romain fille agée de 42 ans., adjournée, sermentée et examinée sur les circonstances du faict dict et depose que Ie jour susallégué retoumante de. Bruxelles avecq sondit frere se voyans poursuivis de quattres soldats a cheval n'enrent aultre reeours que de se retirer en une petite maison ou estants enfermez Iesdits soldats arrivans menacoient de tirer a travers de Ia porte en cas qu'on ne l'ouvriroit, disans qu'ils vouloien,t; avoir les persounes

77


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

qui y estoient entrees qui estoit la desposante et sondit feu frere, dont la femme de ladite maison dit a elle deposante qu'il failloit ouvrir la porte, qu'il n'y avoit point de peur, qu'elle les cognoissoit hien et que c'estoit Lamhoij, de sorte que la porte estante ouverte yls leur demandirent pour hoire, et leur ayant donné Ie peu de monnoye qu'ils avoient yls demanderent audit feu Romain qu'yl iroit hoire avecq eulx en la taverne la plus proche, ce qu'il fit, et restat la desposante en laditte maison y attendat sondit feu frere qui retourna peu de temps après ayant laissé lesdits soldats en laditte taverne après qu'il avoit donné ordre à l'hostesse de leur donner aultant de hiere qu'yls en voudroient avoir selon qu'yl déclara a la deposante et qu'elle at payé a la ditte hostesse par après estante a Roode, et comme yls continuoient leur chemin passans aupres du clercq de Roode qui faisoit tirer des marles ou pieres sur la campagne ayants de la craincte de passer plus oultre yls lui demandirent s'yl avoit points du danger pour lesdits soldats, lequel leur ayant demandé s'ils avoient donné pour hoire, et estant repondu que ouy, ils leur dict qu'yls pouvoient donc hien passer oultre qu'yls les cognoissoit hien que luy estoit Lamboy ou aultre de Tourneppe et que puis qu'yls avoient donné pour hoire qu'yls ne leur feroient aucun tort, maïs arrivez qu'yls furent quelque peu avant dans les hois comme d'un quart d'heure, les dits quattre soldats les poursuivans au galop, arrivez qu'yls furent auprès d'eux l'un porta un coup d'espée sur la teste dudit feu Romain qui fendit Ie chapeau et luy ouvrit la teste de la longueur d'un grand doigt, un aultre luy porta un coup de hourade sur Ie front, de sorte que se voyant ainsy chargé et au desespoir de sa vie yl fut_ contraint de· lascher un de ses pistolets et a mesme temps celuy qu'elle croit etre Lamhoij luy vint porter un coup de pistolet dans la gorge qui sortit deriere dans Ie dos dont il tomha mort sans plus parler et cependant l'homme que Ia deposante avoit prins pour guide s'estant enfuij et cache n'at plus este rendu, declarante que laditte guide leur avoit esté donnée par un homn1e assez gros et qui chante quelque fois a !'office de l'eglise de Rode, nee allter nee amplius et habita lectura persistit et signavit »... (G. 7166). De Waterloosesteenweg, « de groote easseyde naar Genappe, was soo onvrey geworden dat verscheyde passagiers op denselven daeghe sijn afgezeth geweest »... Die toestand noopte, eindelijk, de overheid tot het nemen van maatregelen, hij wege van het « placcaert » van 23.12.1697 hekend gemaakt. « Souder eenigh interruptie soo hij dach als bij nacht », zouden « verscheyde esquaders ofte koorporaalschappen yder wesende van 10 a 12 gewapende mannen » patroui}.. leren « otn op de groote ofte 's heeren haene ende andere, in de suspecte plaetsen te vangen alle quaedtdoenders ende vagabonden, ofte landloopers, die te leyden naer de gevanckenisse.... ofte meyeryen der naeste gelegen plaetsen alwaar die sullen geapprehendeert

78

AA8.PRIJKSKUNDIG OVERZICHT

worden ... met de clocken trecken, ofte de trommel slaen. om te doen vergaederen d'inwoonders, ende met wapenen doen vervolgen de ges. vagahonden ». Er werd echter vastgesteld dat de << prochies, Eylsen, Uccle, Rode, Alsemberg ende Brain (Eigenhrakel) sijn in gebreke gebleven die ronde te doen ». Het moet dan niet verwonderen dat de haanstropers meester hieven van het terrein en roofovervallen mogelijk hieven, zoals de volgende in het jaar 1698 : « ... omtrent den vier uren is eenighe afsettinghe gedaen geworden op de Casseye hij Waterloo ende dat de voleurs ende afsetters hunnen wegh hadden genomen naer ende lanx den wegh loopende naer Groenendael »... Het « clippen van de clocke soo wel als instante recherche·» hieven zonder uitslag. Uit het deshetreff end verslag over onderzoek lichten we het volgende : « Anne Marteau f emme de Gille Dubois résidente à Charleroy... 32 ans déclare ... qu'étant venu en cette ville (Brussel) avec plusieurs autres personnes de Charleroy avec un chariot pour y venir achepter des marchandises à revendre à Charleroy... avec leur chariot chargé une % heure en deça de Waterloo ont été attaqués, fouillés et dépouillés par cinq voleurs à pied, armés de fusils dont trois étaient hahillés de blanc, de rouge et de bleu» ... Hun werden ontstolen « 11 florins en argent, 25 livres de sucre, 1 coiffure de 3 écus que Mlle d'Epinoy lui a dit d'avoir aussi perdu à cette occasion, hien pour 50 florins sçavoir un castor de 15 florins, une tahacquière de 2 écus, 2 coiffures, 2 écharpes, du caffé, du chocolat et sa monnoye ... Une autre femme nommée Margo a perdu 2 ducats et quelques paires de souliers, quelques livres de filez »... Zij hadden onderweg geen patrouille gezien. In 1668, nl. op 2 april, greep er weer een overval op de Waterloosesteenweg plaats. Kornelis Veldemans « hofsmit (hoefsmid) ende coopman van hout in de Diesdelle », werd op hovengenoemde dag door vier << straetschenders te voet in den bosch van Sonien ontrent den Eyndeplas (even voorhij de Grote Hut) geattaqueert » en aangemaand « sijne horse oft geit » af te geven. Er waren echter maar drie stuivers in de beurs en de aanvallers vonden dat nogal weinig. Ze namen Veldemans dan een wittebrood af dat in een « snutteldoeek gebonden was ende vloeekende ende swerende hebben ze hem dan geleyt dieper int jonck hout » waar hij «hem omringelt vindende ende vreesende grooter quaet, geloofde (beloofde) dat hij hun in de Hutte (thans de Grote Hut), alwaer hij kennisse was hebbende, soude doen tellen eenen pattaeon om te sien oft hij hij dyen middel sonde hebhen connen ontgaen aen hunne handen... maer ze hebhen hem dan nog dieper int cleyn hout geleyt ende alsoo verre huyten weechs, sendende twee van hun om wacht te houden ». Toen dwongen ze hem « met drijge-menten sijn selven te ontcleeden ende uyt te schuddent soo sijnen

.

79


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

just au corps, hemtrock, eausen ende schoenen ende ten langhen leste sijn hemde selver, staende het hooft van de bende ter wijlen dit geschiede met het punt van sijn rappier op het lijf ende eenen gespannen musqueton hem dreygende van moment tot moment te doorsteeken ende te doorschieten, d'welck alsoo gepasseert sijnde, d'andere complicen die de wacht hadden gehouden hem hebhen comen vuegen... ende heginnen te sprecke van den geloofden patacon, drijgende al vloeekende ende swerende hem aen eenen boom op te hanghen... hem versneekende eene obligatie te schrijven over den geloofden pattacon »... Veldemans verontschuldigde zich « seggende maer eenen armen handtwercker te sijn ende dat lrlj eene geheele weke moeste werken om eenen pattacon te winnen» ... Maar ze dwongen hem « eene obligatie te schrijven op een stuck papier het welck eenen van de straetschenders hem in handen was stekende ende dit met eene penne van ·Spaens loot ofte potloot (une plume de plomh d'Espagne; het woord « ctayon » bleek dus toen nog niet bekend) de welcke sij tot dyen eynde gereet hadden ... ende gelijck hij sach ende vreesde dat hij daermede soude vastgebonden geweest hebben, l1eeft hij in plaetse van sijnen naem gestelt den naem van sijnen broeder Jan V~ldemans van Stalle »... Boetke Naes had in zijn tijd wat slimmers bedacht... Na al deze « quaede ttactementen hebhen ze hem alsoo la eten staen, so datter ee~en van hun heeft doen aendoen sijn quaet ende luysachtich hemde»... terwijl het hoofd van de bende den « hemtrock oft nachtlijf » van het slachtoffer aantrok... Eindelijk kon hij zijn weg vervolgen, maar hij werd nog « naergefluyt ende met den musqueton gedreyght apparentelijek om eene vrouwe die !Ui daet~ lijck daer naer rescontreerde, ende ononttwijffelijck hij de sttaet· schenders alreede gesien, omdat hij tegen haer nyet en soude seggen, hebbende korts daer naer gehoort dat de selve vrouwe insgelijckx gespolieert was geweest >>. 's Anderen daags echter werd het hoofd van de bende, een genaamde Filip Fiévé, door Pieter de Troch, vorster te Ukkel, aangehouden niet ver van de Diesdelle en gedetineerd hij ... Kornelis Veldemans. Men nam hem af de « snutteldoeek », een mes, « ende een sacxke met papieren ende pasporten... Laet mij gaen, zei hij, ick sal seggen waer het slaeplijf ende sijn hemde is... Ende gevraght sijnde waer het nachtlijf was... tot Anna op de Rutte». Hij had et verteerd « eenen halven pattacon ten huize van Joos Huyghe op de Hutte en het moest daat liggen onder de schappraeye ofte Iedicant ». Met de obligatie was de schelm gega.an hij Marie de Munter, doeltter wijlen Jacques, 20 jaar oud, «wonende in de leste Hutte, de Grote Hut, in Sonie... tselve billetteken konde men nyet dhtingtteren oft geschreven was met Spaens loot ofte met cool »... Het was niet meer leeshaar en ~iende dat er niets me·e te hekomen

80

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

_.

I J

.f

was, scheurde de kerel het in stukken en wierp het in het , haatdvuur. 's Anderendaags 's morgens was Fiévé komen ontbijten, maar hij kon niet betalen, «Mort Dieu, schteeuwde hij, ick sal mijnen wollen hemde . van mijn lijf doen om u in pant te geven ». En zo kreeg Veldemans zijn· hemd weer. Tijdens het ondetzoek getuigde Filip Opdenbergh, oudste votster van Zoniën, wonende te Hoeilaatt, dat hij enkele dagen te voten, op 29 maart, door diezelfde straatschenders aangevallen wetd. Ze hadden hem twee, dtie stoten << oft botaden op het lijf willen geven met eene earabijne >>, doch hij had de slagen kunnen afweren. Maat dan wetd hem « afgeweldicht sijne earabijn, sijne handschoe• nen, poeder, boten, mes ende eenen gulden oft meer in· geit »... Op een gegeven ogenblik klonk echter « een signael met een fluytke » en de aanvallers <<retireerden» zich. Fiévé, het hoofd van de bende, was <<een man van quaet leven». De inlichtingen die de baljuw van Eigenbrakel over hem verstrekte waren zo ongunstig mogelijk : << Philippe Fiévé, dit monsieur du Chesnoy., at la pluspatt de sa vie esté larrou et volleur ... 11 at commis quantité de vols, effractions de maisons tant de nuict que de jour... A Btaine 1'Alleud, lieu de sa naissance, i1 at esté emprisonné dans Ie catbeau (kasteel) illecq avec Anne Daneau ditte Dame du Chesnoy sa femme et Franehoyse Delfontaine sa mère avec lesqueUes il tenoit ménage audit chesnois (Revelingen) à Btaine l'Alleud ... sa maison at esté une reetraite et logement de toutes sortes des hrigands et latrous des associés et complices». In 1668 « il at esté condamné à estte marqué au doz pat une matque ardente... et ce sous un derny gibet avec hannis~ sement perpétuel hors la tetre et jurisdiction de laditte ville et ftanchise à peine d'estte puny par la corde ... Non obstant », was hij zo « temerair » geweest «pat après d'y revenir loget et sejourner ».. : In de gevangenis van de Steenpoott te Brussel, waar Fiévé opgesloten werd, wetd geoordeeld dat hij, huiten zijn andete schelmstukken, daatvoor alleen reeds de strop ~ad verdiend. Het vonnis luidde dan ook « estre executé par la corde ». De veroordeelde en zijn achthare echtgenote worden met « Monsieur » en « Dame » betiteld, wat toen alleen aan hooggeplaatsten te beurt viel. Indien ze werkelijk tot de hogere stand behoorden, waren ze wel erg diep gevallen... (WR. nr. 397). Op 18.11.1821, omstreeks halfzes 's avonds, werd een zekere Relecom, tolbeambte 2e klasse, uit Chimay, op teis van Brussel naar Charletoi~ aan de ingang van het Drieshos op het Klein Kasseike aangerand door drie mannen gewapend met een pistool, die hem een beuts afnamen die met twee ringen gesloten was en waarin er « des louis simples >, 2 of 3 napoleons voor een totaal bedrag van o:ngeveer 400 fr. zat, plus een wisselbrief van 900 fr.. 14 sols. Ook zijn tabakzak werd Item ontnomen. Later wist ._.hij te zeggen dat zijn

81


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

aanvallers een blauwe kiel droegen en één ervan een hoed ophad en de anderen een «bonnet». Het jaar nadien, ook op een novemheravond, omstreeks 10 uur kwam Sehastiaan Machiels eens van Zoniën terug « par Ie chemin du hameau Coin qui est un chemin isolé ou il n'y a aucune maison » en werd er aangerand en mishandeld door een inwoner der gemeente omdat hij als werkman in Zoniën de zoon van de aanrander zou aangeklaagd hebhen hij Baesen, opperwachter van het hos. DE TOL- EN DOOIBARELEN. Voortijds werd op de grote wegen << een wechgelt, straetgelt en cautsijdegelt » geheven. Dit was een belasting op het vervoer van goederen. Het kan best vergeleken worden met het latere bareelrecht. Uit het begin van de XVIe eeuw dagtekent een tarief van goederen waarop de hertog van Brabant die rechten te Rode en trouwens in de ganse hoogmeierij geheven werden. Een tolbareel werd alhier opgericht op de Grote Hut. Dit moet al zeer vroeu geschied zijn vermits men reeds in 1460 (RK 4164) leest : «va: den wechgelde te Rode dwelke Torreken ~n Rode dit jaar houdt in pachte om 4,5 tseyns gulden te hetalen half in Kersavond ende half in St. Jansavond »... In 1481 werd het voor negen jaar verpacht aan. Henriek de Tamhuysere voor een jaarliJkse vergoeding van 3 pond groot. Van 1670 tot 1672 was J aak Gustin de pachter van het weggeld op de « Cautershutte ». Zijn opvolger, Hendrik V erschaeren, had de pacht overgenomen voor 8.120 gulden. Ingevolge de oo,rlog met Frankrijk deed hij echter zeer slechte zaken. In 1720 bracht het weggeld 3.455 gulden op. In de schepengriffies van Eigenbrakel uit 1673 komt een belangrijk stuk voor betreffende het tolgeld op de Grote Hut: « Liste de ce que les fermiers ou collecteurs du droit de passage de la chaussée et ~hemin d'este (zomerweg) du hois de Soignes recevront des chevaux attelez ou point attelez et autres bestiaux passans ou repassans les barières mises sur la dite chaussée traversant l~dite for..est de Soigne depnis la chapelle d'lxelle jusqu'a certain lieu nome Mont St. Jean de la Waterloo a sçavoir a chacune des trois harières y mises : la 1re audit Mont St. Jean ou l'ancienne de ~aterloo la seconde à !'Espinette ou Cautershutte~ et la 3e au lieu d1t Vleugat et ce pour suhvenir au remboursement des frais de la fabricqs., usage et entretien de ladite chaussée. Plus de toutte autre peante marchandise point specifiée en cette liste paieron A l"advenant de chacun cheval et deux hreufs eomptez pour un cheval comme dessus en quoy ne sont compris les chevaux attelez es carosses ou charrez en charettes des particuliers, ne mesnans voiture, qui passeront sans rien payer comme ils ont fait cy devant

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

et jusque à ce qu'autrement serat ordonné, comme aussi les ,chevaux 'ou mulets du gouverneur général de ces pays, de chariots d'amonition, et autres menans munitions de guerres, vivres, et bagage des soldata et gens de guerre, ceux du mensnier de sa majesté à Boitsfort menant des grains du censier du harras, et finalement les chevaux charrians pierres et sahle, tant pour I'entretainement et allongissement de la chaussée que de celle allant vers Audergom, sans que quelques autres telles qu'elles puissent estre seront exempts dedits droits, ensuitte et au pied du placcart emane Ie 17.2.1668 déclarant de plus que les mannans et inhahitants des villages .de Braine I'Allreud et des hameaux en dépendans d'Ohain, Bois seigneur lsacq, Nizelle, Haut itre, Ophain, Maransart, la Coulture, Lane, Lelou (Lillois) .et Witerzé menans · marchandises de leur creu et provenans sur lesd1ts lieux avec leurs propres chevaux ne payeront que la moitié du premier droit de passage que Ie fermier de la barrière du Mont St. Jean pourra faire recevoir de I'ancienne harière de Waterloo sauf que ceux desdits villages qui entreront sur ladite chaussée par autres chemins que par celuy qui est à droite en sortant de Vaterloo et venant de la cense d'ahhaye de la forest (de hoeve van de abdij van Vorst); item par celuy venant de Ransheeck et Ohain andessus de la jeune taille (jonge houw) de Mont St. Jean et par celuy venant de Revelingh et de Braine l'Alleud devront payer l'entier droit de ladite première harière ainsy que lesdits manans d'en avant desdits lieux Ie devront payer, aussy les entiers droits de 2 autres harières de !'Espinette et du Vleugat lors qu'ils useront de la chaussée en dépendantè, hien entendu aussy qu'au regard des charettes et chariots qui viendront chargez desdittea pesantes marchandises tous charrons seront ohligéz de payer pour tous les chevaux avec lesquels ils seront venus jusques à If2 lieue près de laditte chaussée sans pouvoir alléguer qu'ils auront détellé aucuns desdits chevaux avant l'entrée sur la chaussêe mais payeront pour les chevaux detelez comme s'ils fussent attelez, .Ie tout à peine de 12 florins d'amende touttes les fois que l'on decouvrira avoir voulu frauder les droits de sa majesté »... In 1785 werden de barelen voor 64,40 fr.. verpacht aan Joos de Becker (WR). De ntoderne bareelrechten werden omstreeks 1854 allûer inge· voerd op de « Nieuwe Kassei van Ste Anna », 4.538 m. lang, waarop toen veel zwaar gerij was. Deze kassei is de weg die . nu heet Fonteinstraat, Lindestraat, Terheidestraat, Gehuchtstraat en Groothutstraat. Men stelde voor : een bareel op het « Gehucht », een op de Dries. Later werd voorgesteld~ op de hoek van de Bollehaan (nr. 21) en aan de Kwadelindestraat {n:r. 27)., op de Linde.. De dienst begon op 1.10.1856 en als ontvangers werden op de proef aangesteld Joos van Cutsen~ herbergier, en Anna Katarina van Isterdael weduwe Frans de Beeker, herbergierster. De opbreqgst was geraamd op

82 83


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESIUS..RODE

400 fr. en de ontvangers kregen 20 % op de geïnde sommen. Weldra werd aangevoeld dat de oktrooien of barelen een helemmering waren voor handel en verkeer. Tijdens het zittingsjaar 1859-60 hesloten de Kamers de gemeentelijke oktrooien af te· schaffen. De afschaffing was vastgesteld op 21 juli 1860 en viel dus samen met de nationale feestdag. Overal werden de oktrooibarelen onder gejuich van het volk weggenomen. Er moesten echter helastingen onder een andere vonn betaald ·worden ...

De steenwegen waren vroeger veel spoediger beschadigd dan thans. De kasseien waren niet zo vierkant gekapt, vooral de voet niet, die meestal spits uitliep, zodat ze onder de druk van zware wagens, bv. kolenwagens, die in die tijd tot met acht paarden toe hespannen waren, in alle richtingen ingedrukt werden. Bij dooiweer moesten dan ook strenge maatregelen getroffen worden, die tot op onze dagen bleven bestaan, de zg. dooibarelen. 01n dit heter toe te lichten, halen we hierna een proces aan van de woudmeester van Brabant tegen J .B. Maton uit Gosselies. In dat proces staat te lezen « datter tot conservatie van alle ende eengelijcke steenwegen alhier ten lande gelijdt, meenighe van edicten geemaneert geweest sijn dat mits de voerluyden hunne vóituren soo excessivelijck quamen te laeden, dat sij de steenwegen ruineren ende selfs in het geheel quaemen te vernietigen als sij de selve quaemen te laeden met hoillie, soo is er op 6.7.1750 een expres placcaert gepuhliceert geweest voor de cassijde van Brussel op Naemen ende Charleroy et vice versa hij hetwelck op sware pene verboden was van ende alle tijden hunne waegens ende kerren meerder als met resp. 4 ende 2 peerden te bespannen ... Dat gedurende de 3 weken naer het openen van de harreelen de wagens maer mogen hespannen worden met 4 peerden en de kerren met 2 ... op pene van 100 guldens voor ieder peert»... Op 21.1.1786 nu werd hovengenoemde Maton «bevonden... met sijnen wagen uyter rnaeten hoogh gelaeden met hoillie gespannen met 8 peerden desnyettegenstaande de harreelen ter oorsaecke van den vorst gesloten waren» ... Het aantal paarden werd dus beperkt opdat dan natuurlijk ook de lading zou verminderd worden, maar daar hadden de vrachters ook wat op gevonden... Ze hielpen elkander in de opritten of lieten paarden hijspannen. Ook daartegen moest de overheid dan weer maatregelen treffen en daarom werd verboden paarden hij te spannen ... (WR. 365).

HOE REISDEN ONZE VOORZATEN ? Over de verkeersmiddelen in plaatselijk opzicht zijn we maar karig ingelicht. Meestal werd er te voet gereisd. Arbeiders, ambachtslieden, leurders, de gaanstok in de hand, een < tweezak » of tas op de rug of schouder, vol~den elkander bijna

AARDRIJKSKUNDIG OVERZICHT

onafgebroken op. Wij weten dat er in 1830 alle . dagen uit Brussel twee-en·vijftig diligences in alle richtingen vertro~ken. Daaronder waren er diensten die de Waterloosesteenweg gebruikten, maar dit had voor de inwoners maar een hetrekkelijk belang. De « hoge koets» bleef staan op de Grote Hut. Het <<relais» of aflosplaats was te Waterloo. In 1850 waren aldaar nog twee postillons en acht verwisselpaarden. De koetsen waren 1nooie rijtuigen hespannen met vier paarden. In 1857 vertrok er alle dagen' te 9 uur 's m~rgens aan het Hotel de l'Univers, in de Lange Nieuwstraat, nu de N1euwstraat, te Brussel een mail-coach. Een « victoria » vertrok te 10 uur op dezelfde plaats aan het Hotel van Saksen, en bleef in dienst tot 1914. Omstreeks 1865 waren er te Brussel geen diligences .meer. Te Rode moest men evenwel nog tot 1873 wachten alvorens een spoorweglijn te hebben. Er werd ook veel te paard gereisd. Zo hadden de pastoors van Rode steeds een rijpaard. Pastoor van Hoylant van Alsemberg, die herkomsti« was van Overijse, ging steeds te paal:'d zijn verwanten aldaar he~oeken, zo vertelde me mijn moeder meer dan eens. In december 1834 kreeg de procureur des Konings te Brussel bericht dat de burgemeester van onze gemeente, J.-B. van l{eerherghen, pachter en houtkoopman, op de openhare weg was aangerand geworden. Deze vernam dit en zette de zaken recht als volgt : « Vous ête informé qu'un nommé Jean van Keerberghen de ma commune a été attaqué sur la route qui conduit à F orest (de .Stee~­ weg van Stalle}; je vous dirai que ce van Keerberghen est moz, mazs je n'ai pas été attaqué. Le 20,décembre 1834, vers les J~ heur~s d~ soir venant d'Anvers et arrive sur la route de Stalle, a l endroz.t dtt Wi~dmolenveld, étant à cheval, un individu ayant un panier sur le dos, pendu à un baton, croissant la chaussée se dirigeant sur moi et m'a parlJ, ivre. Je lui ai dit en donnant féperon à mon chev~l, vous êtes heureux que je n' ai pas un báton, je vous en donnerazs, sur ce, eet individu a láché quelques cris mais personne d' autre ne s' est trouvé sur mon passage et la chose en est resté là... » Hoe werden de goederen alhier aan· of weggevoerd vóór de aanleg van de spoorweg ? Tot vóór 1830 met wagen en paard. Hoe onder meer het kolenvervoer geschiedde, vernemen wij uit een geding in 1790 tussen. de Woudmeester en Franci~us Leemans << gehortig ende ingesetene der Stadt van Vilvoo1·den oudt 19 a 20 sigh generende met oommerschap van houillie ter oorsaecke van dewelcke hij bene~fens sijn vader is reydende op de haene van Brussel naer Charleroi» ... en uit een ander op 11-3-1812 (Dijledepart. nr 396) opgemaakt tegen J ...B. van Keerberghen van onze gemeente, die met een wagen m~t 22 cm brede wielband~ hespannen met zes paarden, met kolen mt Charleroi kwam. Aan « Pont à Bascule » te Waterloo werd zijn wagen gewogen en .vastgesteld dat zijn lading van 10.621 kg. te .zwaar woog volgens de breedte der wielbanden. Hij werd bestraft met 27,50 fr boete. ..


HOOFDSTUK III

DE OUDSTE MENSELIJKE NEDERZmiNGEN EN ONTSTAAN VAN DORPSKERN EN PAROCHIE De geschiedenis van een plaats kan men op een willekeurig ogenblik in de tijd laten aanvangen. Onzes inziens moet men daarmee zo hoog mogelijk opklimmen, vermits zelfs het weinige dat er over hekend is toch hijgedragen heeft tot het latere worden en wezen van de gemeente die er uit opgegroeid is. Ook de voorgeschiedenis moet dus zoveel mogelijk er bij betrokken worden, hoewel daaraan geen begin kan bepaald worden. Ze moet inderdaad met honderden miljoenen jaren gerekend worden. In de inleiding tot haar «Geschiedenis van Oranje», schrijft Anna Mulder, dat er een ogenblik komt dat onder de kronieken en oorkonden een streep staat en dit schiJnt te zeggen << van hier af begint de nacht zonder nieuwe dag en dit is de glorieuze nederlaag van elke geschiedschrijving, dat ergens in het verleden een ogenblik komt, waarop de geschiedenis ons ontglipt. Wij mogen dan weten van 200 jaar ~geleden en van 500 'jaar, van 1000 en desnoods van 2000, maar ergens worden we door de oorkonden in de steek gelaten »... De geschiedenis van onze gewesten wordt gewoonlijk ingedeeld in de volgende tijdvakken : I. De prehistorie of voorgeschiedenis, het tijdperk nl. vóór de aan.. vang der geschreven geschiedenis, d.w.z. tot de komst der Romeinen in het jaar 57 vóór Kristus; 2. Het Frankisch tijdperk, van de aankomst der Franken tot het verdrag van Verdun, 370-843; 3. Het leenroerig tijdperk, van het verdrag van Verdun tot het begin van het Boergondisch tijdperk, 843-1384; 4. liet Boergondisch tijdperk, 1384-1482; 5. liet Oostenrijks-Spaans tijdperk, 1482-1555; 6. Het Spaans tijdperk, 1555-1700; 7. Het Oostenrijks tijdperk, 1700·1794, met de Brabantse Omwenteling);


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

8. Het Frans tijdperk, 1794-1814; 9. Het Hollands tijdperk, 1814 -1830; 10. Het Onafhankelijkheidstijdperk, na 1830. De hekende historicus G. Kurth onderscheidt anderdeels drie geschiedkundige lagen nl. de voorhistorische of voor-Romeinse, de Belgo-Romeinse, de Gerntaanse of Frankische ... Voor onze gemeente moeten we aannemen dat haar geschiedenis in het neolitisch tijdperk aanvangt. Onder neolitisch, van de Griekse woorden neos (nieuw) en lithos (steen) wordt verstaan de onderstelling dat geslepen in tegenstelling met ruw bewerkte of behouwen steen (zoals de meeste van Rode) een jonger steentijdperk aanduiden. Zulk tijdperk noemt men nieuwe steentijd of neolitische, tegenover een ouder paleolitisch, van palaios (oud). De duur van de steentijd kan volgens de oudheidkundigen in ons land van 7 tot 8000 jaar geraamd worden. Teoretisch eindigt de steentijd hij de opkomst van het brons, nl. omstreeks 1850 jaar vóór Kristus. De bronstijd eindigt op zijn beurt, hij de ontdekking van ltet ijzer, ongeveer 850 jaar vóór Kristus. Het ontstaan van de hosdorpen in onze streek op enigszins afdoende wijze verklaren is, net trouwens ~Is van de meeste andere dorpen, totaal onmogelijk, hij gebrek aan oorkonden. En nochtans zijn het juist de oudste, de geheimzinnigste die het sterkst onze nieuwsgierigheid wekken. Warmeer we alle wegen en houwwerken wegdenken, kunnen we, nochtans, ons onze streek voorstellen als twee beboste hoogten doorsneden door hrede moerassige laagten van oost naar west, waarin een waterloop, de latere Molenheek zich min _ of 1neer duidelijk aftekent. Aan de voet van die hoogten horrelden de bronnen doorheen de dalen, ltun weg zoekend naar grotere waterlopen. Onze streek bood alles wat er voor ltet menselijk bedrijf nodig is, nl. in de eerste plaats water, een beslissende faktor voor mens en dier, voor vis en pluimwild, verder voor alaam, woning en verwarming. Al de oude dorpen in ons gewest liggen dan ook op of aan een waterloop en zijn gescheiden door velden en beboste hoogten.

Ons gewest was hijgevolg reeds vroeg bewoond, in elk geval reeds door de mens uit de SteentiJd. De alleroudste nederzettingen liggen immers aan de oorsprong van waterlopen, de bronnen. De door de regen van de hoogten meegevoerde grond gaf gaandeweg meer vastheid en vruchtbaarheid aan de laagte, zodat door uitdieping, bedijking en rechttrekking van de waterloop, de bewoners er een geschikte grond voor landhouw en veeteelt vonden. Die menselijke nederzettingen lagen evenwel eeuwenlang ingesloten door boseen en pas in de XII• eeuw zouden, naar de mening van A* Camoy en anderen" stelselmatig hosgedeelten « gerood >

••t

K"n

( '"" 24 26 29 en 9()} onderscheidenlijk van

D"

(nr 25.j'

guu~Re~~ (Dn 2_!!".~:-n noruier n~"" ~. e """ r-

J&WOnu.en te

88

~te,

Bl~~:nm-o~nachd.u'!'e,, witgroenacht. i.J.e jade of niersteen en grijze T'!,ts:ttéefn; kratbher r ) b • l { r 31} en dolk (nr 32} van su.ex o vuu.rs een" op de voorkttnt en op

donker groenachtige,

3.0a en 3(}b 'Vertonen het voorwerp ;L

UB

• •J.-3..

Zt}n:;(4m..

89


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

geworden zijn, zodat de landhouw zich belangrijk kon uitbreiden. Om te ontstaan heeft Rode echter niet hoofdzakelijk moeten wachten op die << roding », hoewel mag aangenomen worden dat deze een vaste vorm en wellicht een naam aan de voo1·naamste bewoonde dorpskern heeft gegeven. Maar zo ver zijn we nog niet. Eerst moeten we een woord zeggen over de oudste nederzetting, die van de mens in de Steentijd. In de « Geschiedenis van Dworp », 1948, hl. 93-99, hebhen we aan de hand van desbevoegde geschied-, oudheid- en plaatsnaamkundigen, als Lindemans, Carnoy, Vannerus e.a. aangetoond dat ons gewest tussen Zenne en Zoniën reeds op zijn minst sedert de nieuwe steentijd door de mens bewoond was. Stenen werktuigen werden gevonden te Rode, te Alsemberg, te Dworp op de Meigemheide en op Krahhos. De belangrijkste vondsten werden gedaan in onze gemeente. Niet minder dan 3.600 voorwerpen met daaronder een tiental bewerkte silexen van het kwaternair tijdvak, pijlpunten, kloppers, hamers, pletters, houwelen, hoorsten en, beitels, dolken, messen, krab- · hers, zagen, polijsstenen werden er gevonden. In 1901 vond pastoor, Jan Bols te Alsemberg een stuk heitel van geslepen steen, en daarna werden hem nog een 60-tal stenen v..oorwerpen overhandigd als bijlen, beitels, messen, krabber$, pijlpunten enz. Hij vond ze schier alle op een plaats de Gensteberg geheten (op de weg naar Beersel). (C.T., Geschiedenis van Alsemberg, hlz. 12-13.) · In sonrmige streken schijnen vele en grote werkplaatsen voor gehouwen steen hestaan te hebben, die de omliggende gewesten en ook de meer afgelegene, zelfs in het buitenland, van voorraad zullen voorzien hebhen (C. Brion, <<De César à Charlemagne >>, Pv.ijs 1949). Zulke plaats moet Rode geweest zijn te oordelen naar· het overgroot aantal gevonden voorwerpen. Volgens Cumout waren de hoogten van Rode, V enewinkel en Meigemheide (Dworp en Alsel\)berg) bewoond sedert het begin van het Rohenhausiaans tijdvak (gepolijste bijl) en zeer waarschijnlijk gedurende een deel van het volgende. De eerste mensen die onze streek bewoonden waren waarschijnlijk nomaden. Ze vestigden zich hij voorkeur op hoogvlakten. Van daar konden ze gevaar en vijanden zien opdagen en de bevriende stammen op nabij gelegen hoogten met vuren waarschuwen. De hutten uit die tijd waren ten dele ondergronds. Ze hestonden uit een ronde of ovale uitgraving op de hoogvlakten en steile toppen dichthij bronnen, op de naar het oosten of het zuiden zachthellende heuvelflanken, zoals ze alhier voorkomen in het dal tussen Lansrode en het spoorwegstation. Die uitgravingen waren afgedekt met takken belegd met zoden of . een dikke kleilaag. Een meestal afhellende ingang gaf toegang tot de hut en de rook ontsnapte lang~ een opening in de dakbedekking. De oudste geslachten voedden zich in belangrijke mate met vis en wild, n1aar het is thans bewezen dat de mensen uit de

ONTSTAAN VAN DORPSKERN EN PAROCHIE

Steentijd graan zaai d en en Sch.apen, geiten en zwijnen kweekten en paarden hielden.

,.. A

,fJ

St61len pijlpunten em:. gevonden te Sine.Gen6$ÎUS·R.ode.

Georges Cumont heeft zijn ongewoon rijke verzameling gesch~n.. ken aan de stad Luik, waar ze ondergebracht is op de tweede verdieping van het Museum Curtius en waar de te Rode gedane vondsten een hele zaal vullen. ...

90 91


ONTSTAAN VAN DORPSKERN EN PAROCHIE GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

De alhier gevonden voorwerpen waren meestal gemaakt met steen uit . de groeven ~an Spiennes en Ohourg, die nog bestaan. Hoe ze die stene.n versJouwden is niet bekend. Was het in gevlochte~ .manden, huiden zakken of sleepten zij ze voort ? Een aanWIJzmg daa1·omtrent kunnen de tegenwoordige onbeschaafde stam· men ons gev~n. Alles wordt er meestal op het hoofd gedragen. Op de heenreis waren ze wellicht ook beladen. Immers in betaling van de steen namen ze vermoedelijk zaken van hun eigen nijverheid m~e, zoals sl~gtanden of gewei van dieren, vruchten als appelen, ~1spelen, pruimen, kersen, die toen reeds overvloedig in het hos te vmden waren. Misschien werd de steen ook per vlot op de Zenne vervoerd. In een bijdrage van Prof. P. Bonenfant, « L'origine des Villes hr~hanç~nnes et ~a « Route » de Bruges à Cologne, Revue beige de P?.Ilologie et d'Histoire », T. XXXI (1953), schrijft deze «dat tussen NIJVel en de streek tussen Samher en Maas gemakkelijke verbindingen heston~en en dat het meer dan waarschijnlijk is dat men zich ook naar die streken begaf om er hijzondere steensoorten te halen : oms~~eeks het einde van de 10 6 eeuw, kan het wel mogelijk geweest ZIJn dat .laten van d~ diensthare mansa van St.-Pieters-Leeu~ verplicht waren Zich regelmatig naar Namen te hegeven om er molenstenen te halen>>. In verhand hiermee meen ik er terloops te mogen op wijzen dat !e Dworp (C.T., Geschiedenis van Dworp, hl. 21), er een eigenaardige weg bestaat, een voetweg maar, de weg nr 30 van Lot (Leeuw), over Kesterheek, Bruineput en Rulrode. Hoe.;el hij in andere wegen verloopt, ze kruist en herkruist, is hij bijna- recht en d e langste van .~e gemeente Dworp, nl. 2.814 meter. Dit moet een ~eer oud pad ZIJn van aan de toen wellicht enige overgang van de ~?ne tussen Halle en Brussel, in de richting van Eigenbrakel en NIJVel. Anderdeels bestaat er op de grens Alsemherg-St.-Genesius-Rode thegen Dworp, nog een stuk weg, de Oude Nijvelsehaan, die echte; t ans noch kant noch wal meer raakt. Te Als~~herg bestond ook een tweede oude weg op Nijvel: ~a en den niJVelsehen vaerwech » (1523), « hoven den Regendries daer en ;ech doer gaet na Nivel » (1523), «de strate die van Alzenherge na IVel ga et » (1523), « a en den Nijvelsehen wech tegenover de capelle ter Schoonderioebt » (17 6 e.). Dit is echter de weg NijvelB~el, ov~r J::illois-Witterzee (oudtijds Lentlo-Uitterzele) die Blanche ~~nne, H1stotre de .la Ville de Nivelles des origines au 13• siècle; NIJVel 1944, « vieu chemin de Nivelles à Alsetn.bergh » heet. We kunnen. ons aldus .enigszins het schilderachtig schouwspel voorstellen. van een. zwaar geladen karavaan mensen, die na een lange en vennoe1ende reis naar hun hut te Lansrode weerkeerden.

92

)

Het klinkt haast ongelooflijk voor ons, die ons onze voorgangers uit de Steentijd nie~ meer kunnen voorstellen, dat er op onzè dagen in Centraal Nieuw Guinea · nog mensen hestaan die steen in plaats van metaal gebruiken. Het werd me duidelijk, schrijft Bijlroer in zijn hoek «Naar de Achterhoek der Aarde», Amsterdam, 1938, hoe gekunsteld onze opvattingen over· praehistorie zijn; hoe weinig men er zich van bewust is, dat de Europese steentijdmensen van duizen· den jaren terug hlijkhaaar gewone mensen' zijn geweest. Wat doet het er toe dat een: boom met een ijzeren dan wel met een stenen bijl wordt omgehakt ? Waar hij een mens in de weg staat, daar wordt hij geveld ! Dáár zit hem de hoofdzaak. De Papoea's zijn niet gekleed. Waren de Steentijdmensen van hij ons het ? W aarsçhijnlijk. Het is een kwestie van temperatuur en klimaat. En dat de steentijd voor mij voorgoed van alle huiveringwekkende geheimzinnigheid is ontbloot, ja integendeel tot een der gemoedelijke tijdperken der geschiedenis is geworden». De eerste bewoners van Rode waren dus mensen zoals wij, maar met minder hulp· middelen. Wie die mensen waren is niet bekend, maar welk geduld hebhen ze niet aan de dag moeten leggen om met goed herekende feilloze klopjes die scherpe stenen messen te ma· ken, waarvan de schoonheid voor ons zo treffend en roerend is. Maar ook reeds hij de aanvang bestaat die bescha· ving, hoe heseheiden ook, en we hoeven volstrekt niet beschaamd te zijn over die ne· derige steenhouwers, want het waren geniale scheppers, bewonderenswaardige uitvinders, Een van de hoefijzers die in septemuitstekende ambachtslieden. ber 1955 op de steenweg van Rode Van die oervolken zijn vooral naar Alsemberg gevonden werden. bewerkte silex-stenen overge· bleven en deze zijn prachtige werktuigen, die merkwaardig pasten voor hun gebruik en met een voorzichtige en liefderijke zorg bearbeid zijn. Het silexwerktuig heeft een vormschoonheid die de meest moderne werktuigen zelden bereiken. Het is langdurig bewerkt, met overleg opg-evat, met zekerheid, smaak en kunstvaardigheid uitge· voerd. De man uit de steentijd bezit een ingewikkeld en volmaakt ""

93


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

stel pijlen, krabbers, doorslagen, beitels, dolkmessen, werp· en stootwapens van been of steen, en naalden, waaruit blijkt dat hij kleren kan naaien, dus lederen riemen en vetets kan vervaardigen. (M. Brion, «De César à Charleutagne », Parijs 1949). . Zeer w~ar~chijnlijk ook vervaardigden ze ruw potaardewerk, hielden huisdieren van allereerste noodwendigheid, verbouwden graangewassen en waren ze reeds bedreven in het weven van stoffen. Dr. Victor Jacques meent dat er te Bosvoorde onder de bevolking der klompenmakers, houthakkers en bezembinders een bijzonder type bestaat dat rechtstreeks van de oudste bewoners moet afstammen. ~it is natuurlijk een loutere gissing, maar er moet in zeer oude tijden In elk geval een mensengroep hestaan hebben die in de open plekken van het hos en ~an de zoom van het woud leefde, zodat de bevolking va? Watermaal, Bosvoorde, Hoeilaart (Groenendaal) met dat ten zmd~n en ten ":esten. van het hos leefde, één volk moet geweest zijn. In dit verhand IS het wel treffend dat het dialekt van de oude inwo· ner van Bosvoorde en Hoeilaart en dat van Rode, hoewel gescheiden door de hele breedte van het Zoniënwoud, haast niet verschilt. DE ROMEINSE EN FRANKISCHE TIJD . Over de Ro~einse en Frankische tijd kunnen we kort ZIJn. Buiten de Franktsche nederzetting van Revelingen, thans Chenois onder 'Y.~terloo, e~. die. zich. uitstrekte aan de zuidelijke grens van het Zonienwoud, WIJSt hier niets op een andere Frankische bewoning. De Dulegemheide (1453, 1455 : een heyde geh. Duylegem heyde, een stuck hoscl1 geh. Duyleghem hage boven den j;hevaert VIJVer en den Schaepsvondel (vijver) comende teuen de Monickstraete (RK) hesehouwt Jan Lindemans als een ge;;.igreerde, d.w.z. een van elders gekomen naam. D.e oudheidkenners schijnen het er eens over te zijn dat de ~?meinen a~~ de rechteroever van de Zenne niet verder geweest ZIJn dan Btuzingen, Huizingen ( 1), Meigemheide (Dworp en Alsein· herg) en Ukkel. In elk geval werden op het grondgebied van onze gemeente geen Romeinse voorwerpen gevonden. . De ~r~nken vo~~en de vallei en stichtten vermoedelijk BuiZingen, E1z1ngen, Hutzingen, W auweringen, Elderingen, Meiningen en Revelingen, waarvan hiervoren sprake is. In Brabant bood de streek van de Zenne, de Dijle en de Demer, met haar met gras begroeide valleien, de gunstige gelegenheid voor

1?JO:

(l) In september 1959 werden te Lot, nabij de Hemelstraat:, dakpannen, een

Vutha~~ t"'t'll stuk van een IJz.ere~ sleut~I,

een vaas van keramiek, een bronzen ring, veiUJ(heidsspelden, spijkers, enkele scherven geel en wit Romeins glaa, een merkwaardtge kleme ronde doos., een gelds.tuk uit de II~"-IIIe eeuw vóór Kristu,

op andt"r-balvt"'

94

mt"ll"'r

diepte, gevonden.

ONTSTÀAN VAN DORPSKERN EN PAROCHIE

veeteelt en de vette zware grond maakte landhouwbedrijf mogelijk ,) (Geschied. v. Vlaanderen I, 117). Tijdens verheteringswerken aan de Steenweg· naar Alsemberg, aan de Kruisdreef werden door de mechanische schop een tiental kleine platte ·hoefijzers bovengehaald van onderstaand model. Uit welk tijdperk ze dagtekenen is .niet bekend. Meer konkrete feiten zijn er uit de oudste tijden over onze gemeente niet bekend. Er mag alleen gerust aangenomen worden dat ze sedert de Steentijd was bewoond en de huidige dorpskom daarvan de voornaamste kern was, waar, te eniger tijd, een parochie, met kerk en priester, tot stand kwam.


HOOFDSTUK IV

KERKELIJKE GESCHIEDENIS ONTSTAAN EN ONTWIKKELING VAN PAROCHIE EN KERK Tussen de eerste nederzetting, eensdeels, en de dorpsvorming, anderdeels, is er nog een grote stap. Eerst zijn het verspreide landhouwdoeningen, die van lieverlede, zonder vaste regel, al dan niet tot een gehucht of dorp zullen uitgroeien. Op de berghellingen naar het zuiden zal_ er .in de. karolingische tijd reeds een voldoend talrijke bevolking hestaan hebhen om het bezoek van een zendeling aannemelijk te maken. Was dit de H. Amandus, de grote geloofazendeling uit die tijd en die, naar het schijnt het geloof predikte te Buizingen en te Eizingen ? Zeer waarschijnlijk zal die bevolking eensdeels hebhen hestaan uit nazaten van de mensen uit de Steentijd en anderdeels uit mensen .die meer uit het westen kwamen, Dworp o.m., dat reeds in de Keltische tijd ·bevolkt was en verderop uitzwermde. Baron de Loë, de hekende oudheidkundige, zegt dat logischerwijs de plaatsen die in de hoge oudheid bewoond waren, het nadien nog waren en dat hijgevolg hun belangrijkheid in het verre verleden noodwendigerwijze hun belangrijkheid op andere tijdstippen van de geschiedenis, dichter hij de nieuwere gelegen, bepaalt. Waarom werd de huidige dorpskom als plaats voor de kerk ver· kozen ? Dit is niet bekend, maar valt wel te gissen. Het bewonings· stelsel van Rode zal wel een zeer verspreid beeld vertoond hebben, met hier en daar in een open plek van het beboste land. De huidige dorpskom zal echter daarvan wel de belangrijkste kern geweest zijn, dank zij een grote landbouwnederzetting, waarvan het hofland zal hestaan hebben uit het Groot Rode, nl, de grote uitgerode plaats, waarvan zestien plaatsbewijzen hekend zijn en waarvan we er hier een paar aanhalen : tgroote Rot 1473, G.; velt geh. het groot Roth 1530, K.; opt velt geh. tgroot Rodt tusschen de goeden der kereke van Als. en van Huizingen, van de huysarmen van Rode, van Rood Clooster~ e11 tegen het Schlldeken, 1665, G.; op het groot Rot b(wen de kercke 1730, G.; het Groot Roth, 1783, G. ..,Dit hofland was dus

97


KERKELIJKE GESCHIEDENIS

Om gewêSt in 1659, vólgeM de kaart van }. Dcm Werden, opgen.amen in Regiae DomlUi Bèlgicae van Antoon Sa:nilerttS..

98

"' gelegen tussen de huidige Fonteinstraat, Lindestraat, Terheidestraat, Nieuwstraat, Kerkstraat, die er met de Doornenhoofdstraat het vruchtbaarste middengedeelte van vormde. Zo moet dan aan de samenloop van de Molenbeek en de Kwadeheek een grotere landhouwnederzetting tot ontstaan zijn gekomen, die dan weldra ook een paar ambachtslieden, een kam met herberg enz. zal aangetrokken hebben. Deze ·landbouwnederzetting of hoeve menen we te mogen .situeren achter de kerk, langs de Kerkstraat, en de eerste bidplaats stond vermoedelijk in de hijvang van de hoeve zelf. Wanneer en onder welke omstandigheden het katholiek geloof er voor het eerst gepredikt werd en ingang vond en de eerste godsdienst· tempel opgericht werd is zelfs niet hij benadering te zeggen, hij volslagen gebrek aan oorkonden. We moeten ons dus behelpen met vergelijkende gegevens uit de algemene geschiedenis om enig licht over het ontstaan van de Sini-Genesiusparochie te laten schijnen. Sommige schrijvers menen dat de parochies met de benaming ~ Rode» voor niet ouder moeten genomen worden dan de 12e eeuw, omdat toen uitgebreide ontbossingen plaats vonden. Anderen spreken van de ge eeuw. De benaming «Rode» is echter niet steeds doorslaggevend. De tegenwoordige naam van een plaats is niet noodzakelijk de oudste. Een jongere benaming verdringt niet zelden een oudere. Dat zien we thans nog gebeuren. In elk geval was onze kerk de moederkerk voor Linkeheek en Beersel en de moederkerken zijn de oudste. Wanneer men dan in aanmerking neemt dat deze heide dochterkerken, vooral Beersel, niet van de jongste zijn, kan gerust worden aangenomen dat onze parochie werkelijk zeer hoog in het verleden moet opklimmen. Onze meeste parochies zijn, ten andere, heel wat ouder dan de dokumenten die we erover bezitten. Zo werd de kerk van Ittre opgericht in 642 en komt Neder-over-Heemheek reeds voor in een akte van 673. (W. I, XXXII). Toen die van Rode opgericht werd zal ze waarschijnlijk heel het gebied hebhen omvat gelegen tussen Eigenhrakel, Dworp, Ukkel~ Bosvoorde, Hoeilaart en Ohain. Tussen het begin van het Karolingisch tijdperk tot het konkordaat van Worms (1142) ligt de opbloei van de parochiale inrichting. (De Moreau, « Histoire de l'Eglise de Belgique », I, hl. 45). Die periode, en vooral die van de IXe tot de Xe eeuw is echter ook die waarover er konkreet zo weinig tot ons is gekomen, schrijft P. Ganshof in « Qu'est ce que la Féodalité », 1947, blz. 180. Men denke maar even aan de Noormannen. De parochie van Rode moet in elk geval reeds geruime tijd bestaan hebhen vóór 1139, vermits hij de oprichting van die van Alsemberg aan deze het derde deel van de tienden van Roth naar de nieuwe parochie overging. (Zie C.T., Geschiedenis van Alsemberg). Rode komt als parochie vervolgens "Voor in een akte van 1190

.

99


GESCHIEDENIS VAN. SINT-GENESlUS-RODE

waarhij Rodgerus (1), bisschop van Kamerijk, verklaart dat hij al het goede dat de zusters . van Vorst doen tot het zijne wil maken, hen wil eren, roemen en hesehermen opdat ze in vrede en stilte zouden kunnen leven. Hij hoopt dat door hun vut-ige gebeden zijn lastige bedevaart naar J erusalem vruchthaar 1noge wezen. Opdat zijn aandenken hi.i hen levend zou blijven en de kracht van hun gebeden hem als een schild zou zijn, schenkt hij hun tot heil van zijn ziel het altaar (parochie) van Rode met haar aanhorigden (dochterparochies) Beersel en Linkebeek. Om dit kracht hij te zetten laat hij de akte door verscheidene hoogwaardigheidsbekleders onder· tekenen (2). In het hiervoren geschetste kader ontstond dus, op een tijdstip dat we wel nopit zullen kennen, onze parochie. Denkelijk zal dit niet als hij toverslag gebeurd zijn. De inwoners waren de kristenen vijandig gestemd. Dezen trokken zich veelal uit de wereld terug en het volk hesehuldigt graag van alle kwaad en euvel zij die niet met hen meeleven. (Brion, <<De César à Charlemagne », Parijs 1949). Kwam zich hier een kristelijk gezin uit het oudere Dworp of Halle vestigen ? Kwam hier een rondtrekkend geloofazendeling of later · een priester uit het domus ecclesiae, de nu missiepost zouden we zeggen, uit een oudere parochie de mis lezen en de sakramenten toedienen totdat de kristelijke gemeenschap belangrijk genoeg was om een kerk, priester enz. te onderhouden en ·kristalliseerde die kleine gemeenschap zich tot een parochie ? Een nieuwe parochie moest immers volgens de kerke1ijke voorschriften, begiftigd zijn met een mansus integer, nl. een hofstede met ongeveer 12 hunder land vrij van elke lasten, met vier laten om dit land te behouwen, en verder een aandeel in het gemeenschappelijke hos. (1) Ogier of Rogier van Wavrin nam inderdaad deel aan de kruistocht van 1189-1192 en overleed te Tyrus aan de pest omstreeks 1191. (2) In nomine sancte et individue Trinitatis, Rogerus, Dei gratia Cameraeensis episeopus, omnibus fidelihus ih perpetuum. Quia, teste beato Gregorio, qui alterins bonum adjuvat, suum facit, omnia hona que fiunt a sanctimonialibus in Forest Deo et beate Marie devote servientibus mea volo facere, ipsas l10norare et exaltare, profesaiones îpsarum tueri et augere, pacique earum ut tranquille spouso suo serviant, omnimodis prospicere. Spero enim quod sacris et ignitis ipsarum precibus, labol" Jherosolitnitani itineris anime mee erit fructuosus. Ut ergo memoria mei apud ipsas vivat et orationum suarum eflicacia contra queque adversantia mild pro seuto et munimento sit, altare de Rode cum appenditiis suis Ber.sele et Linckebeke ipsis pro salttte auime mee in elemosinam dedi, salva nostri juris integritate. Que ut rata et inconvulsa permancant et prlvilegii mei solida auctorltate et sigilli mei impressione et idoneorum testium astipulatione roborata sunt. Signum Hugonis, decani Cameraeensis ecclesie; S. Walteri; Nicholai; Sigerl; archidiaconum; S. Walcherl, eancellarii; S. Johannis de Forest; S~ magietri Ade; S. Egidii de Gondelecort, canonicorum Sanete Marie; S. Herherti, ahi>atis Sancti Autberti Cameracensis; S. Johannis, decani Bruxellis. Actum anno Dominice Incar:nationis MUiesimo centesimo nonage·simo. (Archief van de abdij van Vorst) ..

100

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

De ligging en de grenzen van dit mansus integer aanWIJZen is thans niet meer met zekerheid mogelijk. Alleen kan gezegd worden, dat de kerk, het kerkhof, de pastorij en de aanpalende kerkgoederen er toe behoorden. . De inwijding van een kerk was . een plechtige geheurtenls waaraan de inwoners, de voornaamsten of de landheer .deelnamen. Vóór de godsdienstige plechtigheid vergaderde de htsschop de

Rode en Alsemberg in de XVIIt eeuw. . . (R.A.B., KP nr 715.)

stichters, overeenkomstig de regels en verzekerde hij zich ervan dat de kerk haar dotatie ontvangen had. (Imhart de la Tour, 100-101) · Zoals oudtijds parochies gesticht werden, geschiedt dit nog op onze dagen. In het tijdschrift van Scheut, 25.11.1948, verschee_I! een brief van het dorpsbestuur van Mitsu,. in Ja pan, waarhtJ gevraagd wordt om aldaar een parochie te stichten. Aan de kerk zou het eigendomsrecht overgedragen worden van een stuk grond, ~5 ha. groot, en van 2 ha. rijstvelden. Een vergaderplaats . met huts als voorlopige kerk en pastorij zou ter beschikking gesteld worden.

101


KERKELIJKE GESCHIEDENIS )

Paul Bonenfant (1) meent dat onze parochie geleg~n was binnen het gebied dat door een Brabantse edelvrouw Angela in de IXe eeuw geschonken werd aan de Sint-Pieterskerk van Keulen. Het zou zich uitgestrekt hebhen van. Halle tot Dilheek en van Lennik tot Genval. Jan V erhesselt, in zijn bijdrage « Grote Domeinen en borchten in Brabant»., ESB, 1953, hl. 74-75, denkt d~t Bonenfant het in de breedte wat te ruim heeft opgevat. Zoals Bonenfant het zelf bekent, kan alleen de parochiegeschiedenis van de streek licht werpen op het vraagstuk, waar er gezegd· wordt dat het Domein « één moederkerk met negen dochterkerken » omvatte. Deze moeder·

........... '

. -._-==-==·~' :.:

~~\ ~"',

-;:::::-

1

De Sint-Gene!liu!lkerk. Uiterst links. een hoekje van de oude pastorij, rechts een hoekje van het oud gemeentehuis. (Pentekening Dolf Theys.)

kerk was Sint-Pieters-Leebw en V erbesselt is overtuigd dat die niet hoeven gezocht te worden huiten het oude Leeuw zelf. Deze moederkerk heeft immers steeds doorheen de tijden de volgende kapellen (1) «La notlee de donarion du domaine de Leeuw à réglise de Cologne et le prohlème de la colonisation saxonne en brabant >1 Revue beige de Philologie et d~Histoire, 1935. A. Wauten. cHi&toi:re des Environs de Bruxelles:.,.. I. blz. 77.

103


GESCHIEDENIS VAN ·SINT-GENESJUS-RODE KERKELIJKE GESCHIEDENIS

als dochterkerken erkend : 1. SintwGorik hij de dorpskom; 2. VIew zenheek; 3. Itterbeek; 4. Sint..AnnawPede; 5. Wolfshagen Lot; 6. Mekingen; 7. Rukkelingen; 8. Gaspeldoren; 9. Zeun. Er Dworp met Ruisbroek, Elingen, Oudenaken, Sint-LaureiswBerchem, Eizingen, Buizingen en Huizingen bij hetrekken acht hij niet verantwoord. Wie van heide geleerden gelijk heeft, kunnen we· natuurlijk niet zeggen. Misschien geen van ·heiden. Wat de thesis van Verhesselt betreft kunnen we ons toch afvragen of in de JXe eeuw al die gehuchten van Leeuw reeds een eigen kerkje zouden gehad hebben. Steeds volgens Bonenfant zou dit gebied dus de latere parochies van Alsemberg, Beersel, Linkeheek en het grootste gedeelte van Waterloo, tot en met de aloude hoeve van Waterloo, toebehorende aan de abdij van Vorst, omvat hebben. Alsentberg werd zelfstandige parochie in 1134, maar denkelijk zullen Beersel en Linkeheek toen reeds hestaan. hebben; de kapel van Waterloo werd pas opgericht in 1680 maar bleef tot aan het einde van het oud regime van Rode afhangen. Hier past het enkele woorden over Waterloo te zeggen. De oorsprong van Waterloo moet gezocht worden in het lang verdwenen hof van Waterloo (1); dat in een pauselijke hulle van 1245 ten behoeve van de abdij van Vorst, eigenares er van vermeld als volgt : « Curiam de Waterloo in Roode ». Waterloo werd pas een zelfstandige parochie in 1795. De bedienende kapelaan hing tot dan af van de pastoor van Rode. In 1787 vermeldt pastoor van Achter als voornaamste wijken van zijn parochiaal gebied : Waterloo, de Rutte, ten Broek. (Waterloo pro majore parte est sub diocesi namurcensi); het :viel dus grotendeels onder Eigenbrakel ·Het parochiaal gebied van Waterloo behoorde steeds tot het aartsbisdom Mechelen, terwijl dat van Eigenbrakel van het hisdom Namen afhing. De eerste kapel van Waterloo werd opgericht in 1680. « In Waterloo est sacella fundata et Rege fuit divinium officio a reue fundata sine prejudicia parochia propter distantiam loci a parochia~» In een . artikeltje van pastoor Mary van Waterloo in het parochieblad lezen we dat, toen een bedienaar moest aangesteld worden, er niet kon aan gedacht worden de goddelijke diensten te laten opdragen door de pastoor van Rode, op het grondgebied waarvan de kapel gelegen was~ De afstand was te groot en, voegt hij er hij, hij was gewoonlijk van Vlaamse herkomst. Hieruit zouden we moeten hesluiten dat de pastoors van Rode doorgaans

;. Fransonkundig waren en de bevolking van Waterloo, meestal gèkomen uit Eigenbrakel reeds ten dele verfranst was. In een rekening van pastoor van Achter (1772w1795) leest ~~n « Tot Waterloo onder Rode is een en cappelaen trekkende van SIJD majesteyt 's jaers 232 g. 16 st., plus twee jaergetijden ieder 2 g. 's jaers .... de capelle van Waterloo heeft noch goederen noch rente, noch fondatie » (AP) (I). ·In 1775 werd de kerk van Waterloo in het parochiehoek van Rode kapel geheten : baptisata est a me in sacello de Waterloo ...

De dorpskom ten westen in 1935.

Benedicta Jo~eph filia legitima. Benedict~, ~osephi, ~hilippi Paine Aldenarsensis; susc. prenobilis ac consulnss~us Dom1nus J osephus Nicolaus Clement de Clety et Anna Cath. Olivet ». De oprichting van de kapel te Waterloo was door de geestelijkheid van Eigenbrakel met lede ogen aangezien g~worden en ze trachten te beletten dat de mensen er zouden m1shoren en de kinderen er naar de catechismusles zouden gaan. . Op zondag 26.8.1691 had «Sr. Cambier vice pasteur à Bratne l'Alleud, catt~chisant dans le fournil (bakoven) en la c_ense de Waterloo (toenmalige pachter : Frans Theys en Ca~harma van Cutsem) ou Ie comparant Guillamne Opdenher~h esto1t p~ur son instrnction » gezegd dat ze hun parochie verlieten, dat 1edere?n naar de kapel liep {wat toch niet te verwonderen was, vermits

(1) Het hof te Waterloo, oorspronkelijk Waterloo$ (in 1245 euriam de 11'aterloes, de Vronrode, de Spilotaherghe, de Lenthouth) omdat er geen water

in de omniddellijke nabijheid was, gaf aanleiding tot de naam van het dorp. XVI• eeuw : < une ~ourt et eense appelée Waterlocs >. (P.. Lindemtwt~ ESB, 1937, bt 125).

1

(l) In 1719 wordt door cle Woudmee.tter van Zomën <aenbesteed e~n nieuW't get.immert huys. voor den . Capellaen van Waterloo>. De aannemxng werd <bepal:o:J:slaght > door Hendrîk van der Linden vour 73tt gulden.

104 4a

105


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

een kwartier of een halfuurtje te horen, wat hij een <<assemblée scandaleuse » heette, hoewel hij erkende dat « Albert Ie Roy prêtre et chappelain de la Chapelle roiale de waterloo était plein de piété et de modestie». Hoewel hij de oprichting van een parochie de grenzen ervan moesten afgebakend worden om nader te kunnen bepalen aan wie de inwoners hun tiendebelasting moesten afdragen, bleven die grenzen, doordat de bebouwde kernen te midden van hos en heide lage~, !ang onbepaa~d _en later hij gelegenheid van hosroding, ontginning of de opr1chnng van een andere parochie nader aange.. duid werden. ' Het spreekt wel van zelf dat er soms twijfel of betwistingen oprezen ·nver p·a.rochiegrenzen, tot zelfs in '1849, betreffende het h'?is van P.J. Simon, rademaker, gelegen nr. 26 Wijk A van het Eigenbrakel meer dan een half uur verder lag), om er een mis van

De dorpskom in de richting ttan het station (1935).

kadasterplan van 1836. Alsemberg beweerde dat het op zijn grondgebied lag. Rode beweerde het tegendeel en dat oude mensen het konden getuigen. Vroeger, zeiden ze, was dat huis een hoeve bewoond door meier Steps, na dezes dood door Willem Voets en Petronelia Swaelens, wier kinderen in de burgerlijke stand van Rode opgeschreven staan. De hoeve brandde in 1810 af en werd vervangen door een schuur die negen jaar later verbouwd werd tot woning. Het bleek dat de landmeters in 1836 een vergissing hadden begaan. (GA). In verhand daarmee bestond in het begin van de XIXe eeuw nog

106

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

" betwisting omtrent de gemeentegrenzen, zodat het hestuur in ·1826 een plan moest laten opmaken en stukken lichten om haar recht op bepaalde gedeelten tegen andere gemeenten, vooral Waterloo en Hoeilaart, te doen gelden. Ook nog in 1832 liet het een plan maken van het gedeelte van Zoniën; dat men van de gemeente wou afnemen. Het toenmalig hestuur heeft onze belangen hij die aangelegenheid flink verdedigd., want geen ,stuk waarop het recht had ging verloren. Op 30.3.1825 werd volgende brief gezonden << aan de Wel Edele achthaare heeren Gedeputeerde Staten der provincie Zuid-Brabant : « Wij Meyer en leden der gemeente van Rode Sancti Genesius, canton Ukkel, neeroe de vrijheid van Ued. voor te dragen dat wij krachtens hesluit van zijne Excellencie den Gouverneur in dato 24.2.1825 voorschrijvende het cadaster van het hosch Zoniën, alsmede den brief van Z. Exc. den Gouverneur van 15.3.1825 tot aannoodinge en aenkondigen van den Heere landmeter Bastendorf te vergeselschappen, en hem te aanwijsen de uitgestrekte grenzen onzer gemeente in het hosch-Zoniën. Ten dien einde hebhen wij ons hegeven op 15 dezer ter plaatse genaemd Groonendael op verzoek van d'Heer Bastendorf1 alwaer wij hebhen gekent ende bepaald de waere grensen tusschen onze gemeente, ende de geene van Hoolaert; den I8e dezer om 8 uren 's morgens, hebhen wij ons weder hegeven tot Waterloo, en Braine l'Alleud, alwaer · men geene overeenkomst en hebhen konne hekomen ter oorsaecke dat het plaatselijke hestuur van Waterloo met de geen van Braine 1'Allend gezamentlijk ongerechtige pretentiën hebhen gemaekt op den grond ende grenzen onzer gemeente in het hosch Zoniën, aangezien onze limieten scheidingen in het voorzeyd hosch van oude teyde door ons alteyd zijn gekent geweest. Verre van ons Edele Heercri van pretensie te rnaeken op eenige deelen van het bosch Zoniën dewelke hij onze kennis aen andere gemeentens zoude toebehooren. Des te meer dat wij door de getuygenisse van verscheyde oude boswachters, die 30 a 40 jaaren gedint hebben, konnen hetoonen dat de gemeentens van Waterloo en Braine I'Allend nood geen pretensie ~ehad hebben op de triage hier onder vermeld, deze waerheyd is ook klaar blijkende door verscheyde processen-verbaalen die door rle boschwachters zijn opgemaekt geweest, ende in onze gemeente geaffinieert waer van wij eene copije hier aenvoegen onder nt 1 die uitdrukt triage de Ste Gertrude commune de Rode, op welken trlagen de gemeente van Waterloo pretensie heeft gemaekt, maer om alle geschillen te eindigen tusschen onze en andere gemeentens, over het Zoniënbosch, hebhen wij noodig gevonden Ued. kennis te geven van het grond gecleelte die onze gemeente is heb.. bende in het bosch van Zoniën, hestaande in de volgende triagen : 1. Triage genaentd Bosdael ~ 2. Triage van St Machiel plas of Fond 107


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

St Michel; 3. Triage van de Grote Hutte; 4. Triage de la Belle Etoile ofte Schoon Steer; 5.. Triage van Waterloo, scheydende tegen het 1ste huys aldaer; 6. Tnage van Ste Gertrude; 6his. triage Ste Anna; 7. Triage van Reu~elinge; 8. Triage van la Bruyère; 9. Triage van Zevenhorre, welke tnagen altemaer gelimiteerd zijn daar groote en andere dreven onveranderlijk zijn. . Daer en hoven 1noeten wij U ed. voordragen dat onze ge~ eenteten allenteyde heeft moeten dragen ende hetaelen alle onkosten der ongelukken zoo aen ~ustitien, jurezijns (chirurzijns), hegravenesse etc. de cadavers d1e men verscheyde malen hebhen dood gevonden in de hovenstaande triagen. En om U nog meer te hetoonen~

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

.; begin van de XIVe eeuw: Ukkel 20 lihers, Linkeheek 10, Ru~sh~oek 10, Dworp 25, Buizingen 15, Huizingen 15 en Rode 20. Ingevolge de aangroei van •de bevolking verbrokkelde de SintGenesiusparochie verder af in de XIXe en xxe eeuw in: de SinteBarharaparoèhie, de'' O.L.V.-parochie en de Sint-Elisahethparochie die ook een gedeelte·· van Alsemberg beslaat en als tweede parochie van deze laatste gemeente geldt.

Van op de kerktoren in de richting van de Kerkstraat (1935).

hebhen wij d'eer hier bij te voegen onder n° 2, een extract uit de Rolle der grondbelastingen onzer gemeente des jaars 8 der Fransche Republiek, waer in staet uitgedrukt dat men over het deel van Zoniën hosch aen onze gemeente voor grondlasten hetaeld heeft eene somme van. 29.539 fr. 55 c. zoo nogtans dat men alsdan maar circa de helligt der grondlasten en heeft moeten hetalen in evenredigheyd van het jaar 1824. Diensvolgens vetrouwen wij ons dat Ued. niet e.n zal gedoogen, onze gemeente in het geen haer toebehoort zouden benadeeld worden ». J amme.r genoeg zijn de plannen waarvan hier spraak is verdwenen. Om de hetrekkelijke belangrijkheid van de parochies in onze streek te kennen vergelijke men de taxationes (belastingen) die aan hét bisdom Kamerijk moesten afgedragen worden in het 108

G~zicht op Rode tmn de toren van de kerk van Alsemberg. In het midden, links, het kerkhof; rechts het voetbalveld.

DE PATROON VAN .DE PAROCHIE. De patroon van de parochie is de H. Genesius. Naar de «Acta Sanctorum », Antwerpen 1646, blz. 577-578, was hij een mimus, ee~ toneelspeler, aan het hof van keizer Diocletianus. Voor die vorst werd eens een spel vertoond dat de liturgie en de gebruiken van de katholieke godsdienst in een hatelijk en bespottelijk daglicht moest stellen, onder meer het sakrament van bet Doopsel. Toen nu Genesim die, naar gezegd wordt, een kristelijke opvoeding genoten had, het wttter over zijn hoofd voelde vloeien, riep hij uit dat hij kristen was. Diocletianus dacht eerst aan een grap, maar het bleek 109


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

ernst te zijn. Hij liet Genesius folteren en ten slotte op 25.8.285 onthoofden. . Z~ werd Genesius de schut~heilige der toneelspelers. Zijn bekertng IS het onderwerp van het hekend toneelwerk van de Franse schrijver Ghéon, « Le Comédien et la Gräce », dat in het Nederlands werd omgezet en hier te lande menigmaal en natuurlijk ook te Rode werd opgevoerd. J ean-Paul Sartre schreef een hoek over « Sahit Genet Comédien e~ Martyr » (1952). Te Parijs bestaat een genootschap v~n St.GeneBlUS voor toneelspelers. In Vlàanderen hadden we .« Genesius » een

het land en zelfs uit het huitenland deelnamen. E.H. Meert hield er een gelegenheidesermoen waarna een gezellige hijeenkomst ~ plaats had en de hoop werd uitgesproken dat deze jaarlijkse gebeurtenis tot een kulturele gebeurtenis zou mogen uitgroeien. Het is niet hekend hoe de H. Genesius de patroon van onze parochie geworden is. Het enige dat ·men in verhand daarmee verneemt, staat in de overlijdensakte van Petrus · Vinck, die hier achttien jaar pastoor was ·tot in 1652. Men leest daarin « dat hij veel zorg droeg voor de zielen, de kerk, de armen en de goederen der pastorij; dat hij op het einde van zijn leven op het dringend verzoek van Franciscus Richart, van J akohus Boonen, aartsbisschop van Mechelen, de relikwieën hekwam van de H. Gene~ius, die plechtig van uit de kerk van Alsemberg werden overgebracht naar de kerk van Rode op de dag van de kerkwijding, nl. op 25 augustus ». St. Genesius wordt alhier aangeroepen tegen de wratten, gezwellen enz. Op andere plaatsen tegen de vallende ziekte. Vroeger kwam men alhier veel meer ter bedevaart dan. thans; vooral uit het Walenland. De Walen hielden meer van bedevaarten dan de Vlamingen. Te Huizingen was dat ook het geval. De meeste bedevaart· gangers naar St. Leonardus waren Waalse mensen. Ook te Alsemberg kwamen voortijds veel Walen. In het Walenland was onze heilige hekend als «-Saint Pourria ». « Pourria » (poireau) is het Waalse woord voor « wrat ». In een in het W aais geschreven toneelspel « Pèlerinage trouhlé par Ie diabie » in l'Argayon, 1893, bhl. 107--108. is er spraak van onze heilige :

Laulau,

De Eigenbrakel$esteenweg.

maandschrift gewijd aan toneel, muziek, kultuur en verenigingsleven, van de Centl"ale Kunstgemeenschap « Genesius ». Te Edingen bestond er een « Société dramatique de Saint Genets » (E. Mathieu Annales du _Cercle d'At"chéologie d'Enghien, Tome I). De «Spelende persanagten » van de oude Kamers van Retorika te Brussel in de XVI0eeuw hetaalden jaarlijks op St. Genesiusdag 6 stuiver. Dit moest gesebioden op die dag zelf of uiterlijk acht dagen later~ (Dr.. C. de Baera, ESB, 1948, hl. 16). Te Antwerpen bestaat er een «Concert en theaterbureau Genesius ». In september 1950 liet de Federatie der Kristelijke Toneelverenigingen alhier een mis opgedragen ter ere van de H. Genedus als patroon der toneelspelers, waaraan toneelspelers uit alle delen van 110

D'ssus toute el tère i n' a pont d' si joli colau. Comme tous les autes èfants, il attrappe enne misère : Mains, portant jusqu'à c'te heure, i n'a ni co d'qwé braire. On décide el voyage à Rhoute, à Saint Pourria. I d' a tt'avau ses mains, gros comme des panses de via ». wat in het Nederlands luidt : In heel de wereld is er geen mooier kind, maar net als alle kinderen~ heeft het soms wel een kwaaltje. Tot nog toe is het echter niet erg. Het heeft wratten op zijn handen dik als de huik van een kaH. Men besluit dan een begankenis te doen naar Rode hij « Saint Pourria ». Als verwijzing staat er op bladzijde 129 hij, dat St. Genesius in de kerk van Rode vereerd wordt tegen de wratten en dat om de genezing te hekomen de pelgrims gewoonlijk een raap offeren. Van dit laatste hebhen we alhier echter nooit gehoord. De bedevaartgangers gaan binnen of buiten driemaal rond en nemen een flesje wijwater mee, waarmee ze thuis de wratten doppen. Spuiters zeggen dat ge vijf fr. in de offerblok moet steken en dat ge er van af zijt. Van de 5 fr. natuurlijk..• 111


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

Van de begankenis . bestaat er een uiterst zeldzaam geworden, gekleurd prentje, gedrukt hij K. van de Vijvere-Petyt te Brugge, met een kerkelijke goedkeuring van 1897 en een Litanie van St. Genesius, martelaar (25 augustus). Patroon tegen wratten, po~­ ken, gezwellen enz. vereerd in de kerk van Sint-Genesius-Rode. « ... H. Genesius, roemrijke belijder van Christus; die op wonderhare wijze de gratie der bekering tot het christendom verkl.'egen heb~; die deze gratie zoo bereidwillig beantwoord hebt; die op het ogenblik van uw Doopsel uw zonden door de Engelen hebt zien ui~wis­ schen; die, getroffen door de genade, Christus kloekmoedig heleden hebt; die de wraak van den Romeinsehen keizer heldhaftig getrotseerd hebt; die om uw geloof in Christus wreedelijk gegeeseld werdt; die op de pijnbank uitgestrekt en met ijzeren kammen en gloeiende toortsen gemarteld werdt; die al deze folteringen met de grootste verduldigbeid doorstaan hebt; die zegdet bereid te · zijn duizendmaal voor uw God te sterven; die uw spijt uitdruktet zoo Iaat den waren God gekend te hebben; die onthoofd werdt voor het Heilig Geloof; die de kroon der martelie hekomen hebt; Opdat wij door uw voorspraak van alle slechte gepeinzen des geestes gezuiverd worden; Opdat wij van pokken, gezwellen en wratten verlost worden. Lam Gods... Laat ons bidden. Geef ons, bidden wij, Almachtige God, door de voorspraak van uw martelaar Genesius van alle kwalen des lichaams verlost en van alle slechte gepeinzen des .geestes gezuiverd te worden. Door Christus... (Imprimatur, Mechliniae, 22 Juli 1926.. J. Thys, can. lib. eens.) ~ Druk. Fr. Verbeyden en Zoon, Alsemberg». , Het beeld van de heilige dat in de kerk staat is een gepolychromeerd pleisteren werk, in de stijl zoals. ze omstreeks 1900 gemaakt werden. Het kwam in de plaats van een oud beeld, dat verdwenen is. . · Nazaten van de familie Camhier bezitten een op leder geschilderde afbeelding van de heilige. Dit stuk behoorde, samen met een zelfde afbeelding van St Sehastiaan tot een soort van wimpel, 4 m. lang en één meter hoog, die misschien hij grote gelegenheden in de kerk opgehapgen werd. De ouderdom ervan is moeilijk te bepalen, maar sommigen schatten de XVIe eeuw. De naam Genesius werd te Rode weinig als voornaam gegeven. Een paar gevallen slechts komen in de oude parochiehoeken voor. Op 18.2.1634 werd te Dworp gedoopt Genesius Herculier, zoon van Andries en van Josina Leunis. De peter was Genesius Fastenaekel en de meter Marie de Duyve. In de laatste jaren kenden we drie gevallen (1).

(l) De familienaam Geniets:. in het Antwetpse, is at te leiden van deae heiligennaam (J.L.) •.

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

Weinige kerken in ons land zijn aan de H. Genesius gewijd ( 1). Buiten die van Rode zijn er maar twee, nl. St Denijs (St Genois) in West-Vlaanderen en Ruette hij Aarlen. In Frankrijk zijn ze ontelbaar o.m. St-Genès-Champavelle, St-Genest (Vienne), St-Genest-Lerpt, St-G~nest-Malifauxi, St-Geniès (Dordogne), St..Genis de Malgoirès, St-Geniès Ie Bas, St-Geniez d'Olt, St-Genis de Saintonge, St-GenisLaval, St-Genis-Terre-Noire, St-Genix-su.r-Guiers. De kerk van St-Genès van Thiers werd in 575 opgericht door de H. Avitus, bisschop. Er moeten er nog tal van andere zijn .in gemeenten waarin de naam van de Heilige niet voorkomt. Te Madrid is er een San-Ginèskerk. Te Bordeaux bestaat een Porte St Genès. Er bestaat ook een H. Genesia, maagd e~ martelares, die vooral in Piémont · (Italië) vereerd wordt op 8 juni (Dictionnaire ·des noms -de baptême, G. Belèze, Paris 1863). De Heilige Genesius die in Frankrijk vereerd wordt zou noch~ tans een andere zijn dan de onze. Er bestaat immers een Heilige Genesius van Arles (Frankrijk) die omstreeks dezelfde tijd moet geleefd hebben en ook op 25 augustus gevierd wordt. Verschillende hagiografen hebben dit samenvallen van de feest .. dag van die gelijknamige heiligen op zijn minst zeer eigenaardig gevonden en het vraagstuk onderzocht. In de Analecta Bollandiana, deel XXIX, 1910, orgaan van het Genootschap der' Bollandisten, verscheen een uiterst belangwekkende bijdrage over he.t vraagstuk van het geschiedkundig hestaan van de Heilige van de hand van Pater Ch. van der Vorst S.J. Une Passion inédite de S. Porphyre, Ie Mime). Samengevat is de stand van het vraagstuk als volgt : Onder de eerste martelaren van het Kristendom worden vier toneelspelers Vel.'noemd nl._ de H. Gelasius, de H. Arclalion en de H. Porphyrus in het Oosten, de H. Genesiua in het Westen. Het verhaal van hun bekering vertoont veel gelijkenis. V oor ons komt St Genesius in aanmerking. Volgens Bertha von der Lang, Studien. zur Genesiuslegende, I, Teil (Berlijn 1898), heeft de Romeinse Genesius niet

(1) Er is ook het eigenaardig geval van het dorp Sint-Denijs, dat. in het frans Saint-Genois heet. Het ligt hij de taalgrens in West-Vlaanderen. K. de Flou, in zijn Woordenboek XIV, 563-565, geeft talrijke citaten Sanctus Dionysius (1230), S. Denijs (1339), Sendenijs (1337) enz. maar ook S. Genesius (1234, 1330 enz.), Saint Genois (1304, enz.), St. ]enois (1314, enz.). De Flou verklaart het geval als volgt ! <aldus genaamd naar hare beide kerkpatronen Sint-Dionysius en SintGenesius. De Vlamingen verkozen de eerste de Walen de tweede benaming. Van daar Saint·Genois naast S:tnt·Denijs ». Ik geloof daar niet veel van ! Het heeft geen ~n hier twee versehUlende patronen, die haast homoniem zijn, te veronderstellen,. Het dunkt mij meer waarschijnlijk hier een gebrekkige uitspraak, bij Vlamingen~ van een oors·pronkelijke franse benaming,. als verklaring te aanvaarden. V gL bv. Dillil voor Gillis.. (Jan Lindemans.) ..

112

113


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

bestaan. Hatnack, een andere schrijver, integendeel, meent dat de akten van St. Genesius in elk geval op een geschiedkundige grond bestaan hebben en Paul Allard (La Persécution de Dioclétien, t. 13, Parijs 1908) verdedigt het historisch bestaan zo niet van het lijden, dan toch van de petsoon van de martelaar. De H. Genesius van Arles was een openhaar griffier. Hij weigerde een edikt tot kristenvervolging van Maxintianus (285-305) over te schdjven. Hij verliet de stad, maar werd in de voorstad Trinquetaille ingehaald en er onthoofd. Reeds vroeg werd hij vereerd, niet allen in Frankrijk, maar ook in Spanje. Ten voordele van een H. Genesius in Rome kan een stuk worden aangevoerd uit de ve eeuw dat in het Vatikaan berust met opschrift en een beeltenis van de HH. Genesius en Lucas. Maar daaruit kan niet hesloten worden dat Genesius een Romeins martelaar was, want dan zou Lucas ook als een Romein moeten doorgaan. Uit dat stuk kan dus alleen uitgemaakt worden dat een H. Genesius toen te Rome vereerd werd. De Heilige staat afgeheeld onder de trekken van een jong mens, hekleed met een pallium en met een hoek onder de arm, wat meer denken doet aan een griffier dan aan een toneelspeler. De H. Genesius van Arles worgt ook steeds voorgesteld als een jong mens. Pater van de Vorst ·meent dan de volgende hesluiten te mogen trekken : 1. De vermelding van St-Genesius te Rome in de martelarenlijst van Hieronymus is ·verdacht. Het is zeer waarschijnlijk dat ze alleen toe te schrijven is aan de herhaling van de naam van de heilige Genesius van Arles; 2. Tal van getuigenissen bewijzen het hestaan te Rome van een eredienst tot St·Genesius. Wijl de heilige van Arles, beroemd in Gallië en in Spanje,. vermeld staat op de oorspronkelijke lijst van Hieronymus, bestaat- et geen bezwaar dat hij het voorwerp van die eredienst was; 3. De legende van de mimus of toneelspeler, ingevoerd uit het Oosten, verklaart volkomen de « ontduhheling » van de heilige. Het vraagstuk blijft dus onopgelost, met nochtans een sterk vermoeden in het voordeel van één heilige, nl. die van Arles~ In verhand hiermee vermelden we ten slotte nog, volgens de ~ Chronique des Ducs de Brabant» door Edmond de Dynter, in zes hoekdelen, tutgegeven naar het handschrift van Corsendonck met nota's en de oude vertaling in het Frans van J ehan Wauquelin, door P. F. X. de Ram, Rector van de Leuvense Hoogeschool en lid van de Koninklijke Contmissie voor Geschiedenis, 1854-1860, dat het lichaam van St. Genesîus in de !Xe eeuw naar het klooster van Auge, op het eiland Reichenau in het westelijk gedeelte van het Meer van Constanz, in het hertogdom Baden overgebracht werd .. ~ Corpora sanctorum Valentini et Genesii in Augiam monasterium translata sunt :.. In de Franse vertaling : «Et adonc furent translatez les corps de Saittct Valentin et de Sainct Genèse au monastère de Auge :.. (Deel I, blz. 214). 114

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

GOEDEREN, INKOMSTEN EN UITGAVEN. Zoals we reeds zeiden, werd, hij haar oprichting, de Sint-Genesiusparochie, begiftigd met de nodige inkomsten om te voorzien in bestaansmiddelen voor . pastoor en koster, het onderhoud en de herstelling v~n het kerkgebouw en het pastorcel huis, de onderstand van de armen en het onderwijs der arme .kinderen. De inkomsten werden verdeeld in drie parten, nl. een derde voor de kerk, een derde voor de pastoor en een derde voor de armen. Bij de gewone middelen kwamen ook toevallige inkomsten zoals schenkingen, de opbrengst van de offerblokken enz. . . Onder de voornaamste inkomsten van een parochie hoorde de tiendehelasting. Oorspronkelijk moest het tiende gedeelt.e van de opbrengst van land- en tuinhouw en van de handenarbeid worden betaald. Later zal nog alleen het tiende geheven worden op graangewassen (Gesch. van Vlaanderen, I). De tiendebelasting werd geheven door de patroon of bezitter van ?._e kerk. Vóór 1190 was dit de abdij van Kamerijk, daarna de abdiJ van Vorst. Deze bezat ook, volgens akten van 1221 en 1227 een tiende te Linkeheek en te Beersel. In vethand met de oude tienden leest men in een akte « dato 1225 in Augusti >> : Item Joannes van der Poorte heeft gelost van Bernaert Uccle seckere thiende in de prochie van Rode voor 26 ponden Brabants verpacht voor 10 midden coren en haver, welcke thiende door het convent van Vorst gegeven is aen den Proost voor 4 1;2 ponden Btahants 's jaers om te doen drij allemoesen 's jaers, te weten eene op den Verjaerdagh van den sterfdagh van den voers. Joannes, eene op ons heer hemelvaertdagh end~ d'andere op ~· drijvuldigheydt dagh; iedere reyse van. 30 schell~gen Brahan~s ~ den Verstaende de Weerde daer van In levensmiddelen te d1stt1· hueren » ... Praktisch bestond de graantiende uit het wegnemen van elke tiende schoof door de daartoe aangestelde tiendesteker. Over de lasten en plichten van deze laatste geeft volgend stuk uit I 787 (G.8283) volledig bescheid. « Eodem die (heden) compareerde Jan van Keerberghen den weleken alhier in originale heeft gevisioneert de commissie (opdracht) op hem heden verleden door den ~erw. heere pastor van Rode, hij dewelcke hij is aengesteld als thiendesteker, met voordere maght van te vigileren .<waken) op alle .de cure-goedeten, hey.men ende haeghen, hereet siJnde ten effecte d1er te presteren den eede daer toe staende, onder officie, ende ni~t elders, exactelijek over te brengen. Van bedoelde eed volgt h1erna de eigenaardige tekst uit 1653 van de hand van pastoor van Cutsem. < lek... helove ende sweere op mijne mannelijcke waerheyt, op miJn deel hemelrijek ende op al dat ick van Godt houdende ben, ter presentie van alle die hier tegenwoordich sijn, ..,leggende mijn handt

115


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE KERKELIJKE. GESCHIEDENIS

op heylicht Cruys, dat ick alle graenen aengaende de thlnde van den heer Pastoor van Rode sal gadeslaen ende hewaeren sonder eenige daer van te laten verloren gaen, noch met imant te simuleren om wat tedenen het soude moegen wesen, oft om yet dat hert sonde connen dencken. Soo helpt mij Godt ende alle sijn heyligen. Amen.» Een gedeelte van de kerkelijke inkomsten hestonden ook uit missen en jaargetijden. Hier volgen er enkele die mogelijk sommige families kunnen interèsseren. In 1730 << voor J enneken de Ha es in broodt 1 gulden »; dit moest betaald worden door « den hecker van Calvort » ntet uitdeling van 1 g. brood. Sedert 1726 was het evenwel niet meer betaald geworden (G. 8440). In 1772 was ·er een jaargetijde gesticht op het goed 't Hinneken, dat toen betaald werd door Jan de Nayer; Barbaramissen voor 4 gulden van wege Gillis Swaelens; op het Hof ten Berg was een gelezen jaargetijde gesticht van 5 g. 5 st., met Sint-Audriesmis van « pachter Wijns te vragen aan Sus Loos »; een jaargetijde op een gelege tegen de Borrelaar onder Alsemberg voor Loclewijk Andreas Fremau; deze familie moet vrij welhebbend geweest zijn te oordelen naar de verkoop in 1730, van roerende zaken die acht bladzijden omvat en waaronder tin, koper, Spaansleren stoelen, schilderijen enz. voorkwamen (G. 8314). Er bestond ook een jaargetijde voor Egidius Hannáert « camerlingh van S.M. Carel den V gefondeert op een goed tot Ruevelinghe ». Het juiste jaar der fondatie is onbekend. Er is in het archief ook sprake van de fondatie van Egidius Hannaert, eertijds ook in het klooster van Zevenborren, afgelegd door de heer Charlier van Eigenhrakel, voortijds pachter van het Hof te Ellishout. Zou dit dezelfde Hannaert zijn? Best mogelijk. Werd hij misschien te Zevenborren, door Keizer Karel, die er dikwijls kwam, om een of andere reden iu dienst genomen ? In 1772 hadden Geraard de Reymaeker en Jan d.e Ridder een jaargetijde bezet op het pachthof van Hongerijen te Beersel. In 1775, op 6 november, een jaargetijde voor mevrouw de Tontheur. Voor de latere tijden vermelden we nog alleen het legaat aan de kerk door Maria Anna Michiels, weduwe Judokus J acquemeyns~ volgens haar testament 21.12.1825, voor 24 gezongen missen 's jaars voor haar en haar man ten eeuwige dage... Jaarlijks bedroeg dit 4442 g. nl. voor de celebrant 22-26, de koster 11..18 g., de orgelist 7.80, de blaasbalgtrekker 2.08, de kerkfah riek 1.-. De nalatenschap van Maria-Anna Michiels bedroeg n1eer dan 4.000 gulden (A.G.), een flink bedrag voor die tijd. Aan het einde van het oud regime was de financiële toestand van kerk en arme als volgt : Inkolll$ten : De tiende opbrengende op

...

een gewoon jaar in granen, sloorzaad, klaverhooi, viggen en land 1.537 gulden 11 stuivers, 3 oot·den; een kleine tiende onder Beersel werd verhuurd 25 g.; het 4e deel van de grote tiende van Linkebeek, in het bezit van de abdij van Vorst 160 g. 2 st.; het pastareel huis met schuur, bakhuis, stallingen, ttûn, neerhof samen omtrent Y2 hun.; der; 5 hunder land hestaande uit twee blokken onder Rode van 2 hunder en 3 hunder verhuurd 155 g.; een dagwand onder Rode in jaarschaar 10 g. 10 st.; twee kleine weiden elk Y2 dagwand groot 10 g.; een gesticht jaargetijde 54 g. 5 st.; allerlei toevallige inkomsten 7.0 .g., zodat de inkomsten samen 2.0~2 g. 8 st. en 3 oorden bedroegen. Uitgaven : een kapitaal van 4.000 g. courant geld tegen 3 % met goedkeuring van de Raad van Brabant voor de nieuwe kerk, de eerste tien jaar af te leggen 100 g., de vijftien. daaropvolgende jaren 150 g., de overblijvende jaren 200 g; een « recognitie » aan de . abdij van Vorst van de helft van de universele tiende : 225 g.. 15 st.; een recognitie van 10 mudde haver aan diezelfde abdij was niet meer betaald sedert 1777 omdat de abdij het aandeel niet· betaalde waarop de pastoor meende recht te hebhen op de tiende van Linkeheek; de vergoeding van de onderpastoor 240 g. ; helastingen (20e penning, bede en impost) 111 g. 12 st.; herstellingen aan de pastorij, per jaar 25 g.; cijnsen 5 g. 19 st.; vergoeding van de tiendesteker 25 g. (RK. 46793). Omstreeks het midden van de XIXe eeuw bezat de kerk nog 3 ha. 22 ca. goederen in 20 percelen.

HET BEHEER VAN DE KERKGOEDEREN. Dit werd waargenomen door de kerkmeesters. In 1717 werd

« binnen de stadt Brussele onder het cachet secreet van S.M. het Reglement op de kerck ende H. Geest goederen van den dorpe van Rode » . opgemaakt waarin bepaald werd « dat de selve rendanten, niet konnende schrijven, ofte andersints onbequaem zijnde om h1mne rekeninghe te schrijven ende stellen, den pastoor 't selve sal mogen doen, ende de secretaris de selve teeckenen, sonder salaris daer voren te genieten; dat alle de vs. devoiren, ingevolge van desen reglemente, oft andersmts ter saecke van de vs. goederen . te geschieden, sullen moeten gratis gedaen worden, sonder eenige oncosten, 't zij van vacatien, maeltijdt, verteir oft andersints, gelijck oock door den pastoor ende den coster, de hegraeffenisse van aerme lijeken ende andere diensten en devoiren den arme raeckende, gratis sullen moeten gedaen worden, ordonnerende een ieder sich hier naer te reguleren, aiies bij provisie, tot andersints hij den Hove sal gedisponeert worden.» {A.P.). Enkele oude kerkmeesters bleven bekend, o.àl. Claes Claes (1532).

116

117


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

Niklaas de Ridder (1) .. Cl a es de Riddere (1532), vermoedelijk een kleinzoon van de vorengenoemde. Wouter Boonen (1533). Jan J oes ( 1533). Jan van Huynen, Anna Marinis (1533). Jan de Bossere (1533) (G. 6636). Dionijs de Ridder (1560). Wouter de Haze 1560. Niklaas van Rossun (1666). Frans Medaert (1666).

DE H. GEESTTAFEL EN DE ARMMEESTERS De Kerk schonk steeds haar volle aandacht aan het lenigen van de nood der behoeftigen, waarin zij volgens haar leer, Kristus zelf zag. Onder ;Karel de Grote werd bepaald . dat een derde van de inkomsten der parochie daaraan zouden besteed worden. (Gesch. van Vlaanderen, I, hl. 155) . Verder waren er op vele -plaatsen gast· en godshuizen, door edelmoedige zielen in het leven geroepen; ook abdijen, kloosters en toevluchtshuizen hielpen de nood lenigen. Zeker, alles was niet volmaakt- welk menselijk werk is het ? doch de Kristelijke geest, die nog op onze dagen wonderen van naastenliefde uitwerkt bezielde de stichters en leiders van al die instelJingen. Veel konkrete feiten over de armenzorg in onze parochie vindt men in het archief niet. De pastoor, geholpen door de H. Geestmeesters, deden het nodige zonder daarvan ellenlange verslagen op te maken en de rekeningen behelzen dan ook slechts gezamenlijke ontvangsten en uitgaven. In een verslag van de landdeken uit 1572 staat vermeld dat de H. Geesttafel met zorg bestuurd wordt door de pastoor. Het ambt van armmeester was een post van vertrouwen•• Van de hand van pastoor Vinck (1639-1652) vinden we op de binnenzijde van het parochiehoek de tekst van de eed die de armmeesters toen moesten afleggen : « lek... love ende sweere op mijn mannelijcke (1) Hij behoorde tot een oud geslacht, waarvan de volgende gegevens bekend zijn: VIbis. Gillis de Riddere, vermeld in 1321, 1346, vader van : VII. Gillis de Riddere, vermeld iu 1348, 1365, die naliet : 1. Gillis, die volp;t onder VIII. VIII. Gillis de Riddere, vermeld in 1379, 1394, t 1427, gehuwd met Marion van Percke wier ouders het Hof van Linkebeek, later Hof te Pereke geheten, bezaten ; ~ij hadden de volgende kinderen ; l. Hendrik, volgt onder IX. IX. Hendrik de Riddere, vermeld in 1427, 1431$ 1465, t 1475, vader van : X. Gillis de Riddere, vader van : XI. Niklaas de Riddere, schepen der bank van Rode, kerkmeester van Sint Genesius. In .1452, p;ehuwd met Elisaheth Spierlt'ic~ dochter van Willem, foerier van Keizer Karet Zij baden de volgende kinderen : 1. Hendrik1 .2. 1\llargriet, 3. Katelijne,. 4. Elisaheth, 5. Jan, 6. Atma, 7. Maria. (E.,c:.;B, 1934, blz. 409.)

118

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

"' waerheydt op miJn deel hemelrijck ende op al wat ick van Godt houdende hen tot presentien. van wie die hier tegenwoordich sijn, leggende mijn. handt opt heylich cruys dat ick alle de goeden der kerck van Rode d'aermen toebehorende sael gaede slaen, bewaeren ende doen hewaeren, ontvangen ende uytgeven, ten beste proffeyte van dese kercke oft aermen, alst oft waer tot mijn eygen proffeyt ende daet en sael ick niet laeten om eenige vrindschap oft vijantschap, maegschap of genaerschap, schade oft bate, oft yet daet herte mogen gedencken. Soe helpe mey Godt ende alle Godts lieve Heyligen. Amen.» Dit was het ook in de Hollandse tijd toen de eed bepaalde«dat zij de bediening waartoe zij geroepen zijn, met ijver en getrouwheid zullen vervullen, overeenkomstig de grondwet, de alge· mene landswetten en hetgeen hun bij het reglement van bestuur is voorgeschreven, dat zij de vergaderingen getrouwelijk zullen bijwonen, en voorts alles wat in hun vermogen is, tot het welzijn van de armen dezer gemeente, zullen aanwenden, als mede dat zij om niets hoegenaamd in hun amhtsbetrekking te doen of te laten, van niemand enige helofte of geschenken aangenomen hebben of zullen, in enigerlei maniere. Zo waar, helpe mij God Almachtig». De ontvangsten voor de huisarmen, nl. de behoeftigen die in de parochie huiszittend zijn, in tegenstelling roet armen uit andere dorpen, bedroegen voor 1730 bijvoorbeeld, 194 g. 1 st. 2 o. 7 m. De Tafel genoot ook nog 340 g. 14 st. 2 o. roggetienden op 27 percelen land. De inkomsten van goederen in erfpacht uitgegeven heliepen 646 g. Goederen op termijn verhuurd leverden 1.015-0-2 g. op. Voor de « locagie van de graenen » genoot de pastoor het 24ste vat. Aan de armen werden geld, graan, kleedsel enz. uitgedeeld. Uit een rekening van. 1746 op de pastorij opgemaakt in aanwezigheid van Baron de Provins, heer van het dorp, Pieter W auters, landdeken van Sint-Pieters-Leeuw, J.B. van Santen, pastoor, J.B. van den Elsken, meier, Miehiel Gillis Hofmans, armmeester., Frans de Gelas, schepen, blijkt dat voor de jaren 1730 tot 1746, 626 g. meer uitgegeven dan ontvangen werd. (G. 8440). Een andere rekening vermeld een kapitaal van 1.500 g. geleend aan juffrouw de Tombeur «gehypothekeerd op seker twee speelhuysen met den enelos en den vijve1 van Alsemberg » (het kasteeltje op het Winderickxplein) tegen een rente van 60 g. waarvan afgetrokken was 6 sister koren met het hakken en malen, zodat er 40 g. 12 st. overschoot, Op de Bank van Wenen was een kapitaal belegd van 1.400 g. Onder de uitgaven komen voor « aen de kostere volgens ordinair 30 st. en 6 sister koren 's jaers om de arme kinderen te leeren lesen en schrijven ». Voor het onderhoud van arme kinderen, aan kleedsel, aan « outcosten van doctoors, medecijnen, aenbesteden van oude en gehrekkeHjke mensen » 218 g. 3 st Noodlijdenden genoten af en toe een hditenkansje bij sterf..

119


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE )

geval van bemiddelde mensen, zoals in 1730 h.v., Nicolaes Stroohant }:tuurde « 't gelege te Beersel groot een half bunder... t'welck is veronderpant voor 18 stuyvers 's jaers om uytte deylen in hroodt ofte andersints aen den armen die op den 4 Februari sullen comen hooren 't jae1·geteyde van Lamhertina Kumpts en bidden voor haere ziele en van weylen haren man Francis de Ha es >>. ( G. 8440). Niet alleen voor kerk en godsdienst was de Franse bezetting een droeve tijd. Ook op burgerlijk gebied was het ver van in orde; In een stuk uit die tijd is er sprake van een « triste état spiritnel et civil ». Pastoor J amhers, in een brief van 13.6.1805 schrijft dat « de administratie van den arme ten zijnen tijde van gelijken slecht bestierd is geweest». Zijn opvolger pastoor van Bol, verklaart dat hij zelf de armen uit eigen middelen heeft moeten helpen en. voegt er hij, dat er doden te hetreuren waren uit pure nalatigheid. (3 Messidor Jaar XIII). Door het Franse dekreet van 23 Messidor, jaar 11, werd gans het vermogen onzer weldadigheidsinstellingen als staatseigendom opgevorderd en nam de Staat de onderstandsdienst op zich. Dat bleek echter weldra een onuitvoerbare taak en na korte tijd diende een nieuw stelsel ingevoerd. Aldus kwam men tot de oprichting der burgerlijke godshuizen en weldadigheidshurelen, die in het bezit kwamen van de goederen der vorige liefdadige werken en in ruil daarvan moesten zorgen voor het officieel onderhoud der noodlijdenden. Bij de wet van 10-3-1925 werd de openhare onderstand opnieuw omgewerkt en opgedragen aan Kommissies van Openbare_ Onderstand. De wettelijke onderstand is echter doorgaans een lichaam zonder ziel; hij verschaft de arme stoffelijk brood. Verder strekt zijn roeping niet. Hij wordt daarhij uitgeoefend door bezoldigde bedienden. De behoeftige, die overtuigd is van zijn recht op onderstand en de hulp der openbare besturen als plicht aanziet, betuigt dan ook doorgaans weinig of geen dank voor de ontvangen weldaden. De mens leeft echter niet alleen van brood, hij heeft ook zielenood en die kan alleen gelenigd worden door hovennatuurlijke liefde. Gelukkig is er nog de Kristelijke liefdadigheid die de tekort· komingen onzer officiële instellingen aanvult. Deze taak wordt o.m. waargenomen door de St Vincentius a Paulo-vereniging waarvan hier ook sedert vele jaren een afdeling bestaat en vooral schamele armen helpt in gevallen die niet onder de bevoegdheid van de K.O.O. vallen. In de Krislelijke Caritas vinden onze wettelijke onderstandsinstellingen een kosthare en onovertroffen medewerkster. Omstreeks 1840 bezat de Anne nog 27 percelen goed (huis, tuin, land, weide) met een totale grootte van 6 ha. 66 a. 8 ca., over 7

De SintrGenesiuskerk. Rechts, het hztls waar La Malibran gewoond heeft. (Cl. Pajottenland)

121

120

..


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

het algemeen stukken van weinig waarde. In 1840 had hij ook 5 percelen grond te Dworp samen groot : 2 ha .. 22 a. en 6 ca.

Zelfs van de kerk die W auters in 1855 gezien heeft is er ons geen beeld gebleven. Alleen het grondplan van de middeleeuwse kerk met de verarotina in 1777 is bewaard gebleven. Dat grondplan 0 kan ons echter een ;edachte g~ven van haar belangrijkheid. Het was een kleine kruisvormige kerk zoals de meeste vroeger en waarschijnlijk in Romaanse bouwtrant. W a~. ~~t de allereerste kerk ? Vermoedelijk niet. Meer dan waarschiJnliJk was de eerste bidplaats een gebouwtje dat wat groter was dan de. huize? van d~e tijd, gemaakt van hout, klei en stro en. helder . Wit gewit. He~. ts trouwens niet uitgesloten dat het eerste bidplaatsJe een afhankeliJkheid was van de hoeve in het dorp. Te eniger tijd werd dan eindelijk een stenen. gebouw opgetrokken, onzes inziens echter reeds vroeg, want zo n1et zou er wel

Ande1·e gemeenten hadden alhier ook armengoed, o.m. Halle, wijk D nrs. 66, 67, 68, 223 land en weide, 44 a. 45 ca. groot. Huizingen, Wijk C nrs. 218, 221, 222, 223, 224, 226, 227, 228, samen 1 ha. 1 a. 21 ca. Elsene, wijk A 57, een weide van 23 a. 50 ca. Het Armenhuis van Sint-Goedele te Brussel, een huis in vruchtgebruik, wijk C 717, 84 ca. groot. Hier volgen nog de naam van enkele oude armmeesters : Jan geheten Lissen, Gielis van den Bossche, 1468; Hendrik Udens gen. van den Bossche; Pieter van Callenherghe, 1137 (G. 6636); Dionijs de Duyve; Claes de Ridder, de jonge, 1560. KERKGEBOUW. In de .« Geschiedenis van Vlaanderen >>, I, hl. 308, leest men dat « wij ons de ontwikkeling van de houwkunde in onze gewesten niet verkeerd mogen voorstellen. De kerkgehouwen hebhen zich langzamerhand ontwikkeld uit de vroegere ruwe houten gehouwen, soms met stucwerk van leem tussen houten ramen" opgetrokken, niet zelden zien wij op het einde van de Xle eeuw op het platteland eenvoudige kerken oprijzen, rechthoekige gehouwen vlak afgedekt, eenheukig, die eerst later zijbeuken zullen krijgen. Het koor is rechthoekig gesloten »... Evenals de woningen waren ook de eerste kerken opgetrokken van hout en klei, naar de smaak van de zg. vakwerkbouw, waarbij vooreerst een geraamte getimmerd. wordt met zware balken, waartussen dan latten en takken gevlochten worden en dit alles met klei bestreken. De bedaking was van riet of stro. Zulke kerkjes werden door de geloofazendelingen zo gebouwd in de en JXe eeuw. In de heiligenlevens wordt vaak melding gemaakt van houten kerken. (C. Leurs, «Gesch. van de Vl. Kunst», I, hl. 19). Van de eerste kerkjes van onze parochie is volstrekt niets bekend. Omstreeks 1855, schrijft W auters (Histoire des Environs de Bruxelles, lil), dat de kerk van Rode een modern gebouw is, behalve de toren, een vierkante massa, waarvan het hestaan uit de middeleeuwen dagtekent. Het begrip middeleeuwen is evenwel in de tijd een nogal rekhaar begrip. J ...B. Gramaye in zijn « Antiquitatis ilJustrisimi Ducatis Brahantiae », hl. 52, zegt dat « Rodio cis Halsebergam » een merkwaardige oude toren bezat (Et turrim vetustam insignium loco bahere). Of daarmee de toren van de kerk bedoeld wordt is niet zeker. Maar in elk geval van een kasteel of een andere toren is er nooit kwestie geweest te Rode.

vrne

122

.. •

·+·.o.!!. !! !I_ !!~ •

DJ"&

1ç•o

I

I

,_

GRONDPLAN DER OUDE KERK MET VERGROTING IN 1777. Zwart: behouden oud gedeelte. Wit: weggebroken oud gedeelte. Gearceerd : nieuw gedeelte. (Teken. Leo Theys - Cl. E.S.B.)

enige vermelding van overgebleven zijn. Het spreekt van zelf dat dit stenen gebouw na drie, vier eeuwen houwvallig en vooral veel te klein zal zijn geworden : in elk geval in de tweede helft va~ de XVIIIe eeuw was ze te klein 2.650 Brabantse voet. De ahdtJ van Vorst die, als begeefster van de kerk, voor een vergroting of een nieuwe kerk moest tussenheide komen, weigerde dit te doen, omdat, zo beweerde ze, de grote tienden van Rode mitsgaders verscheidene stukken land en goederen in 1522 aan de pastoor afgestaan werden tegen een jaarlijkse vergoeding zoals we reeds zagen. Ten dele was dit juist, maar gewoonlijk ging het zo : de tiendeheffers trokken de inkomsten op maar Uachten er niet aan

=

123


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

iets op zij te leggen tegen dat grote kosten aan· kerk en pastorij moesten gedaan worden. En als dan de uitgaven niet verder konden uitgesteld worden, kwam er ruzie en proces. Dit was alhier het geval. In de volgende resolutie van de schepenbank is de stand van zaken langdradig, maar treffend uiteengezet: « Alsoo de parochianen der Heerlelijckheyd van Rode Sti Genesii van 't sedert sestigh a seventigh jaere herwaerts soo danighlijck sijn vermenigvuldight geworden ende al noch van tijd tot tijdt aengroeyen dat de pa1·ochiale kercke aldaer staende al van over langh te klijn is geweest om alle de gene die van dito parochiaenen verobligeert sijn sondaghs ende 's heylighsdaghs soo wel als op de andere dagen van obligatie van misse te hooren daer in al niet en connen binnen geraecken, hoe dick sij aldaer tegen malkanderen gedrongen staen ofte niet, om de 1nisse heneffens het woordt Godts, ende andere goddelijcke diensten te connen hijhooren, selfs niet hij tour in heijde de missen dewelcke op die daegen daer inne gecelehreert worden, in sulcker voegen, dat er 't elcke reyse een groet deel van hun willende misse hooren, dan moeten huyten blijven op 't kerckhof onder de locht oft blauwen hemel in alle voorvallende regens, win .. den, haegels, sneeuw donder, hlixems, ende t~mpeesten soo van koude als van heete. Item dat men daer en hoven oock verwittight is, dat de jaerrelijcke inkomen ende offer dier kercke soo weynigh modique sijn, dat daer uyt nauwelijckx haer eygen ondérhoudt heneffens alle het gene daer inne tot den dienst Godts eenighsiens noodigh · en kan gevonden worden, veel min eenige de minste vercierselen, de welcke nochtans in soo een heylige plaetse tot meerder eere en glorie van Godt, wel souden hehooren te wesen, soo dat alles aldaer op het alderarmste ende slechtste is. Voorders dat men oock in tegendeel van dien geinformeert is dat de respectieve thiendens van 't patronaatschap dier prochie welcke aldaer geheft worden meer als genochsaem om te connen vinden de hekastingen te doen 't zij tot het vergrooten van die kercke, oft wel tot het opbouwen van eene andere grootere in der selver plaetse oft daer omtrent. Besonderlljck als men wel wilt in aendacht nemen de menighvuldighe jaeren revenue, de welcke de respectieve heffers die daer van alreede van over onhedenckelijcke tijden hebhen tot nu toe genoeten, ende alnoch actuelijck sijn profiteerende, mitsgaeders oock de gene die sij geduerende als naer de gemelde te doene vergrootinge ofte verhouwinge nog sullen comen te ontvangen sonder dat men oynt gesien beeft, dat sij thiendeheffers daer uyt oyt eenighe nieuwe werck tsij aen de choor of aen den thoren souden gemaeckt hebben. Ende aengesien dat dit alles aen de vs. prochiaenen seer groote klachten, opspraeck ende misverstanden doet opreysen, daer inne om voordere hesoudere ofte andere inconvenienten te meyden sonder nyt stel dient voorzien te worden soo ist dat wij ondergateekenden meyer, scltepenen ende bedesetters derselve prochie van Rode Sti f':renesii 't samen als regeders van aldaer in onse geseyde respectieve

124

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

" qualiteyten heneffens onsen kerckmeester genootsaeckt ~IJn t~ resolveren soo en gelijck wij wel expresseli.ick resolveren m1ts d?~en d~! er uyt ons corpus sullen worden gedeputeert soo ende gebjek . WIJ deputeeren hij desen de heeren Egidius Boet onsen tegenwoord1gen oudsten schepenen rechtsgeleerden heneffens onsen bedezetter Nicolaes Meedts (Meerts ? ) ende Philippus Stroohants kerckmee~ter ten eynde hunnen respectieve lasten daer over sullen adressecren 1n rechte daer van sigh te transporteeren in de edele ahdije van Vorst als groote hefterse onser meergenoemde prochie, ende aldaer aen de seer edele en eerw. ahdisse der selver ahdije in 't min· nelijck te versoecken dat sij de voors. vergrootinghe ofte verhouwinghe soude gelieven te doen ten langhsten binnen den tijdt van een jaer naestkomende. Dat sij gecommitteerde ten dienen eynde sigh oock al soo sullen adressecren hij onsen voors. Eerw. Heere pastoor, den weleken de gemelde tiende van de ahdije van Vorst in t' geheele of lichtende en genietende ende aen hem dîergelijck doen. Ende in cas '"Van weygeringhe, uytstel ofte eenige an· der uytvluchten soo sull~n sij gecommitteerden aen die vrouwe ahdisse ende heere pastoor in hunne vs. qualiDe Sint.Genesiuskerk. teyten van onse 't wegen (Teken. Leo Theys - Cl. E.S.B.} aenseggen dat wij ons 't . h d hunnen respective lasten daer over sullen adressecren m ree te her ende al 800 als te raede. Sullende sij gecommitteerde ~a:f; un wedervaeren aen ons doen pertinent raport, actum 1 · · · » Ondertekend: Pieter de Leener, Francis de Gelas, Joos van Obhet·· glt~ Nicolaes Meedta, Guilliam Steps, Philippus Str?ohants. Dit alles was met veel eerbied maar teve~s kr~~ug g~zegd. Ma.ar het hielp niet, zodat de zaak in hoger beroep gtng btJ Mana Theresta. Deze besliste in 1772 dat abdij en pastoor moesten overee~~men en dat de Raad van Brabant 4 000 gulden zou le~en tegen 3 % s Jaars

5

71

125


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

in 30 jaar af te lossen. Daarmee was de zaak eindelijk geklonken en kon houwmeester De Wez (1) een plan opmaken.

Het werk werd toevertrouwd aan meester Poelaert, « m~eysser dër Abdij>>. Joannes Lauwereys, de koster, moest van alles rekening houden. Deze, die heel gewichtig nooit anders tekende dan : « J oannes Lauwereys, coster in Ro » was een « cumulard » waar er nu misschien geen weerga van bestaat. Buiten zijn kosterschap, was hij herhergier en logementhouder. Samen met zijn zonen, zijn hroe· ders en zijn zwager werkte hij mee aan het meest uiteenlopende werk dat er aan de kerk te verrichten was. Hi:j heliep en beredderde alles. De aanhef van zijn opdracht staat hoven op .zijn 1 e rekening en luidt : « Specificatie van het Gene ick Joannes Lauwereys coster in Rode gte Genesius, aen alle de handt werkers Ende Eenighe timmermans die ick naer beschreven in Dachuere betaelt . hehhe, soo van Steen te Treeken voor de nuwe kerck als aen deselve doen te wercken, Ten dinste van de Edele Dammen der abdeije van Vorst uijt ordonantie van d~ Seer Eerweerdighen heere Rentmeester der selver ahdeije door weleken heer ick J oannes Lauwereys verkoesen ende gestelt is geweest, om daer op wel te letten, ende daer aen doen te avanceeren in het welck ick mijn uytterste devoeren hehhe gedaen vervolgens conscientie soo veel het mogelijk was, Ende mede gewerckt heb van den morghent tot den avond toe. » En dan hegint hij alles op te tekenen : «In den Eersten met den handwerckmans heginnen te we:rcken van 13 Augustus 1776 tot 21 September. » Dag aan dag neemt hij nota van het getal werklieden, « dachueren, veerdeelen. » Op 6 mei « hegonst met de oude kerck af te breken... Naer Alderheylighen de dachueren a acht stuyvers daeghs hetaelt » (in plaats van 10). Jan Fivé of Fiefvé, ingezetene van Rode, leverde de steen : <<Item op den 8 Desserober 1776 heb ick Joannes Lauwereys tot Rode a en Jan Fivé, hetaalt op Rekeninghe van den Steenput. Eene somme yan Eenen dertigh guldens en thien stuyvers; welcke van U Erweerdigh heer Rentmeester is in mindernisse gestelt aen den selven Jan Fivé geweest op sijne geheele somroe van den selven steen put, het welck ick hij quitantie aan UI. heer rentmeester getoont hehhe. » Op een andere plaats staat vermeld dat Fivé 171 gulden trekt voor het « scheynsen der stenen >>. Eigenlijk scheizen, scheyssen (Kil.), intensief van scheiden, bep. : steen uithalen. Een Scheisput, in Brabant, is een steengroef. Op 31.12.1777 rekende onze koster af met « J oseph Poelaert metser deser ahdije over den uitgeef aen metsers, steenkappers, dienders van de metsers, aen votueren van blauwen steen, aen smeden, a en houdt enz. alles voor de kereke tot Rode. Steenkappers... metsers... dienders... id in d'Ahdije gewerckt... votueren blauwen steen va:n Fuilluie (Feluy) ..• smeden.... koreeloven » Van 13 augustus tot 18 december bracht Lauwerijs voor hem en zijn zoon 172 d. in rekening, waaronder : « In den eersten twee daeghen met mijnen zoon gewerckt aen de pomp om te stellen den datum als voren in thn:merijsie. »

-

""'

..,.

--_..

...

Ingang van het dorp ten noorden, in 1893. (Pentekening DoH Theys)

Er was eerst voorgesteld een gans nieuwe kerk op een andere plaats te houwen. Hiervan kwam echter, vermoedelijk weo-ens de kosten, niets in huis. e

0) La3!ret1s Benedikt Dewez, geboren te Petit...Rechain in 1731 en overleden te Groot-BtJgaardeu 1·11·1812, was een bekend bouwmeester. Hij maakte de plannen voor veel kerken en andere gebouwen. Zie c- Biographie Nationale>, IV, 908.

126

127


KERKELIJKE GESCHIEDENIS

GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

gheordonneert thien potten dobbel hier voor uwe Eerste vesieten; Item op den 28 7beJ: noch heseth aen de selve met vijf potten hier; Item hetaelt aen J udocus Weemaels voor drij husselen roeijen voor de cooreelhacker~ den 29 7her a 8 cts den hussel; Item hetaelt vijf stuyvers voor Wissen voor de selve; Item op den 1n October ui. voereman met naeme Mertens gedroncken geweest een pot hier· Item door ordonnantie van men heer den Rentmeester aan d; coreelhaclters getapt hondert potten dobbel hier a twee cts den pot; Item. den 13 ~her door ut heer rentm. aen mij geordonneert 14 pot· ten dobbel hter aen de steentreckers; Item sijn de coreelhackers noch. ten achteren gebleven van verteer in hien als sij den hoven hebhen ingeset in jaer 1776 de somme van twee guldens en 12 stuyvers; Item op den 31 Januari 1777 ten mijne huijse verteert door ul. knechten, steenhouer en meyser vier potten brijn hier; Item op

. den 7 April door ul. steenhouer verteert 2 potten bruyn hier; Item :> den 6 Meij tot Brussel gekocht vier palotten schuppen a ~13 cts 2 oord. het stuck; Item den 1n Junij gekocht twee boute schuppen voor de co1·eelhackers a 7 cts het stuck dico; Item den 29 Meij 1777 ten mijnen huijse gedroncken geweest een tonnen hruijn bier, van alle de wercklieden die aen de kerck werckten tot Rode over de eerste steenen van de nuwe kercke die geleijdt sijn door ui. meijser J osephus Polaert in den naem van de edele mevrou van Vorst, ende door mij J oannes Lauwerijs coster in Rode ten tweeden, in den naem van den heer rentmeester derselver Ahdeije; Item den 4 Junij door ul. heer rentm. geordoneert aen den cooreelhacker te geven vijf potten dobbel hier; Item den 5 Junij gekocht van Lauwerijs Swalus, seven husselen roeijen voor vlaegen mede te maecken voor de coreelen mede te dekken a thien stuyvers den bussel; Item hetaelt aen Jan van Keerberghen voor de pomp te steerupeeken thien stuyvers den 12 Junij; Item den 18 Junii hetaelt aen Jan Mosselmans tot Dworp voor hun twee, eenen dagh aen de pomp te wercken om grooter te boren het bovenste stuck, Ende eenen nuwen Eemer daer toe gelevert, samen drij g. Eenen st.; Item hebhen de selve gedroncken ses potten dobbel bier; Item heb ick J oannes Lauwerijs den 11 J ulius gelevert, vier wissen bueckenhout a eenen· g. en vijftien st. de wis voor den coreelhoven; Item noch vijf wissen van het selve houdt gelevert den 1n Aug. voor het selve; Item den 2 Augustus betaelt aen Peeter Everaet voor twee catrolen te drijen; Item den 9n Augustus verteert van de coreelbackers 20 potten bier uijt ordere van den heer rentmeester; Item noch voor de coreelhoven gelevert den 25 Agustus vijf wissen buckenhoudt; Item den 3 October voor den lesten coreelhoven gelevert vijf wissenendrij veerdeelen doudt dico; Item den 6 Dessemher gekocht vijfthien pont naeghelen voor de kercke bij nootsaeckelijkheid want in de Ahdeije suleken soort niet en waeren voor de somme van twee guldens drij stuyvers drij oorden dico. >> Hierna een rekening die bijzonder hetrekking heeft op logement en eten en drinken. «Specificatie aengaende de dinshoden van d'Abdeije van loge• ment, traetament ende Bier. In den eersten den eersten den scheijlledecker met sijnen qnaep twee daeghen van maeltijdt ende eenen nacht gelogeert; Item thien potten dobbel hier; Item den 13 Junü hun achtten voeremans geweest met fotneren eenen daegh in nlaeltijdt; Item van bier 12 potten brijn bier ende 12 potten wit bier; Item den 9 dito (Julins) twee voeremans geweest ende maer omheten; Item den 11 Augustus heeft den inseneur met den meijsser J osephus Polaert saemen noenmaeltijdt gehouden; Item de selve verteert een pint weijn met eenen pot widt hier; Item· den 26 en 27 Augustus twee daegen eenen voereman hoornen gehaelt in Sonighenhosch; Item den selven dattllll als voren den koninch werkman twee daeghen

128

s

De rekening van wat in zijn herberg voor de kerk verteerd werd is zeer ~teressa~t omdat h?t ons zegt wat toen te Rode gedronken werd. Etgenaardtg genoeg ts er nergens spraak van likeuren een enkele maal van een pint wijn. ' « Specificatie van hier ten mijnen huijse gedroncken door ordonnantie van men heer den rentmeester ende van andere extraordineiringhen uijtgeft. · In den eersten verteert door ui. voereman ende den timmermail die den geheelen dagh blijven werken is om de pomp helpen te stellen ses potten dobbel hier; Item op den 12 7her ui. rentm.

De Dorpstraat vóór 1914. Het tweede (lage) huis rechts was de herberg «Het Valleke ».

(Fr. Wijns)

...

129


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

getracteert; Item heeft den selven voereman geweest met planeken van clooster en elcken dagh noenmaeltijdt gepröfiteert den 18 en 19 7her; Item van den 11 tot den 14 9her drij voeremans vier daeghen vervolgens geweest om de cleemputten te vullen ende oock blijven logeeren; Item 36 potten widt hier; Item den 22 en 23 eenen voereman twee daeghen vervolgens geweest met planeken en kepels ende elcken dagh noen gehouden; Item is noch verteert geweest in differente reijsen; als men lteer den Rentmeester tot Rode geweest heef~. met den 1nseneur men heer Leuckx, den coeijsier. Ende so.mti!dts door J osephus ~.olaert de quantitijdt van twintig potten Wit hter en twee potten hnJn hier. » · V oor het houwen van de kerk had men verschillende ovens hakstenen gebakken op het goed van J ~Idocus V andevelde, schepen van Alsemberg, . verhuurd 3 dagwand land, salvo justo, uit een blok van 2 hund~r. Dit gaf aanleiding tot de volgende afrekening: Vergoeding 1776, 24 gulden; vergoeding 1777, 24 gulden; ·verlies van opbrengst, 14 gulden; 28 tierlingen' koren en plaetsen van barakken (15 st. per tierling), 21 gulden; geen vruchten, 10 gulden. De abdij trok daar nochtans 12 gulden af omdat V andevelde intussen zijn koeheesten op het stuk had laten weiden. De betaling werd uit naam der abdiJ gedaan door de meier van Vorst, E. L. van Segelsmn. Voor de kareelbakkers was er een hijzondere << specificatie van het Bier die ick J oannes Lauwerijs gelevert hehhe aan de coreelhackers in het ,laer 1777. » «In den eersten in drij differente reijsen gelevert drij tonnen goet hruijn hier ende seven tonnen en half cleijn hier te weten a negen g. de tonne het goet bier ende a 31 st. het cleijn hier hedraeght samen 38 g. 12 st. 2 oord.; viif tonnen clef.Il hier; Item is door hem coreelhackers voorders ten mijnen hUIJse gedroncken geweest ende somtijdts uijtgehaelt de quantiteydt van 187 potten goet hruijn hier 2 st. den pot ». Wat al potten hier ! «Specificatie van hier die door ulieden meijser Josephus Poelaert ende den plecker verteert is geweest in differente reijsen in het jaer 1778 ... aen de mijssers van florui (Feluy) die de kercke gewelft hebhen 23 potten hruyn hier; Item heb ick gelevert 45 busselen stroot voor den coreelhoven te decken a vier guldens het hondert; Item voor het logement man de meysers van Floreu die de kercke van Rode gewelft hebben, bestande in 't lteel 181 nachten 2 oorden per nacht. In den eersten heb ick J oannes IJauwerijs heginnen te wercken met de handwerckers om de cleemputten te vullen waer de coreelen uîjt gemaeckt sijn geweest van op den 13 tot den 16 Jan. 1778, 9 man; Aengaende de daegen van meijn sonen van saevel helpen te haelen ende ca lek te blussen hegonst van den 26 Meert I 778 .. Item hehbe ick J. Lauwerijs gekocht den 30 Maart 5 bussele~ roeden door ordonantie van den h. Rentmeester voor eenett niettwen coreelhoven te dienen maar om dieswillen daergeenen ge.m.ackt en ia

ISO

KERKELIJKE GESCHIEDENIS 800 heb ick die 5 bussels gehruyckt om aen . ~en heer ad~ocaet " Gamhier wederom te geven, die ick voor de ahdeiJe te voren ontleent hadden dico a 10 st. den hussel; Item den selven geweest den 13 Julins om stelhoudt te haelenvoor Linckenheeck ende gedroncken met den meijserqnaep 2 potten hruijn bie~; .:. Ende .. ged~oncken 3 pinten hoogaert; Aengaende de dachuere In ti~meratie dte .~oor mij J oannes Lauwerijs ende mijnen broeder Sehastiaen, ende ~IJnen soon gewerckt sijn, hegonst van 23-3-1778; In de kercke tot Lmcke.hecke gewerckt; Item heb ick gewerckt met de handtwerckmans drij daeghen en half om de cleemputten te. vullen; Ite:r;n de daeghen die mijnen swaeger Ludovicus Fremou tnnmerman In Alsemberg aen hetselve werck gewerkt heeft 14 dag. 2 veerd..» . Lauwerijs heeft ook aantekening genomen van de verkoop van de steen voortkomende van de. afbraak : Machiel Boon·; Jan V ankeerberghen 18 keiren cleynen steen; Jacobus .~ullehergh 5 ~eiren cleijnen steen met 2 peirden; Petrus LauweriJS ct steen; HIJ zelf kocht .er ook.

In de Winter omstreeks 1930. In het laatste der lage huizen sindsdien afgebroken, hield Trinne Smokkel: een ' snoepwinkeltje voor de schoolkinderen.

Volledigheidshalve ook nog een rekening (31-3-1778) van 30..11 g. betaald aan de Wed. Gillis van Keerhergen voor ·het voeren van zavel. Een rekening van 85 g. 10 het~ald aan Barhanr De Gelas, eveneens om zavel te voeren. Een rekerung van 16 g. voor sc?ade aan fruitbomen. Een rekening van 2 035 g. 19 aan G. Mathieu. ':oor het ijzerwerk. Een rekening van 711-18 g. betaald aan Gdham Herremans voor 2 373 vaten kalk. Zo geraakte de kerk voltooid en . kwam er een eind aan de eelvuldige werkzaamheden van koeter Lauwerijs. Wellicht zal lûj :en afleiding gevonden hebben in een ve~dubbelde ijver ten 131


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE KERKELIJKE GESCHIEDENIS

dienste van zijn kerk, waaraan hij een zo profijtig· als bedrijvig aandeel had gehad. Over zijn nieuwe kerk schreef Pastoor Van Achter in het Latijn in zijn doophoek: «Ten jare Onzes Heren 1777, den 12n der maand mei, begon de abdij van Vorst te houwen een nieuwe kerk van het dorp Sint~~enesius-Rode., met de toelating van de Aartsbisschop en met een hiJdr~ge va~ de Raad van Brabant, zijnde 4.000 gulden terug te hetalen In 30 Jaar tegen 3 t. h. Het werk duurde 2 jaar en d.e kerk werd gewijd door de Hoogeerwaarde Heer J oannes, Kardinaal van Franckenherg, Aartsbisschop van Mechelen, op 30 september 1782! waarva~. d~ ve~jaardag valt op de laatste zondag van ~eptemher (dr,e kerkwqdmg lS dus de oorsprong onzer kleine kermts). Quod attestor, J. Van Achter, pastor in Rode Sti Genesii. » De gedenksteen van die wijding is nu geplaatst in de muur van de doopkapel onder aan het venster der gesneuvelden. Hij vermeldt « Consecratum anno 1782 ». Gedurende de verbouwingawerken droegen pastoor en onderpastoor de mis op in de kerk van Alsemberg en daar vervulden de Rodenaren ook hun zondagplicht. In 1843 richtte het gemeentehestuur ~en brief aan de Koning waarin er op gewezen ·wordt dat ingevolge « la dérodation de la forêt » (tussen 1825 en 1830) de bevolking sterk aangegroeid is en de kerk te klein geworden. Velen moeten mis lioren aan de deur « à cause de la presse », binnen. Bouwmeester Spaak had een ontwerp opgemaakt met een uitgave van 24.000 fr. Het jaar daarop zonden ze een nieuw vertoog om te zeggen dat de kerk « est loin de suffire aux hesoins des fidèles », en dat de toren dreigde in te vallen. Dit laatste zullen ze er misschien hijgevoegd hebhen om er~ de schrik voor de verantwoordelijkheid hij de hogere instanties in te krijgen. De gemeente zou een toelage toestaan van 4.058,93 fr. Daarvoor zou ze een gemeentegrond verkopen waarvoor ze een erfpacht van 334,34 fr. te dragen had, die in 1845 verviel. Om de rente te kunnen terughetalen moesten 8 ha. en 59 a. grond verkocht worden. Van een uitvoering van het ontwerp kwam er inmiddels niets in huis. ~n 1850 werd er opnieuw fel geklaagd over het gebrek aan plaats m de kerk. Het volk was zodanig tegeneen aangedrukt dat er bijna alle z~nda~en mensen moesten huitengedragen worden. Sinds de vergroting In 1782 was de bevolking immers meer dan verdubbeld. In 1859 eindelijk werd de vergroting van het kerkgebouw aangevat aan de voorkant. De toren die in de kerk stond (zie de schets van de plattegrond hiervoren) werd afgebroken. De nieuwe moest op nieuwe funderingen komen, maar daar de grond er zodanig slecht was - we hebhen dit ook kunuen vaststellen toen het nieuw gemeentehuis gebouwd werd - . moesten 300 mB grond worden uitgegraven en 120 beukenhouten heipalen tot stuitens toe ingeheid. Daarop werd een roostering van 10 m 8 henkenhout gelegd.. Verder 132

~was er 140 mS hreuksteenfunderingsmetselwerk en 640 m 3 opgaand metselwerk nodig. Voor het gewelf werd 70 m 3 metselwerk van Bo01nse paapsteen gebruikt. V oor de sokkels en de hoekverbindingsstenen werd 150 m 3 witte steen verwerkt voortkomende van groeven te Waterloo; 60 m 3 witte steen van de afbraak moest behoorlijk herkapt worden. Er was 44 m 3 .blauwe hardsteen die vooral terug te vinden zijn in de laatste vier pijlers van de twaalf die de kerk schragen, en in tegenstelling met de voorste, uit één stuk arduin zijn en aldus aantonen van waar de kerkvergroting begint. Aan de huitenkant is de muur ook enigszins gescheurd. Al het metselwerk moest af zijn tegen 15.9.1860. Het timmerwerk vereiste 10 m 3 eikenhout voor de draagblokken van de toren en het nieuwe kerkgedeelte. Het dak 26 m 3 dennenhout van Riga en 500 m 2 berd voor het leiendak. Aan de toren werden 35 m 2 leien van Herbeumout verbruikt. De vloer werd gelegd met 312 m 3 steen van Basècles van 30 cm. zijde. De bezetting van de muren omvatte 900 m 2 (2 lagen grauw en I wit), de gewelven 410 m 2 • De volgende aannemers werkten aan de kerkvergroting mee : Hoofdaannemers Cullus en Bottemanne: onderaannemers: slotenmakerswerk : Winkel van Kasteelbrakel; timmerwerk : J. Michiels, Rode (waarschijnlijk Jef Kazak); plafonneerwerk: van den Berghe, Rode; ijzerwerk : Dandoy en Ragoen, Rode; loodgieterswerk : Schoonjans, Rode; ijzeren halken : Ackermans, Brussel; heipalenhout : Wijns, Rode en van Keerherghen, Alsemberg; schaliedekkerswerk: Boulangier, Rode; metselwerk: Leheau, Rode; schilder.. en glazenmakerswerk : van der Linden, Ukkel, Besta, Hal1e, en Tordeur, Alsemberg; kareelhakker (600.000 stuks) : van der Gucht, Rode; marmerwerk: ~Hermans; donderroede: Edm. Sacré (6 fr. de strekkende meter) ; landmeter : Arm. Roussel. De totale uitgave bedroeg 61.204,50 fr. Om die uitgave te helpen dekken verkocht de kerke· raad in 1863, volgens meting van landmeter Moska, acht partijen land, geschat op 20.820,00 fr., op het Boesdaalveld 1.13.60 ha.; op de Kleine Nijsherg 75 a. 42 ca. en I ha. 3 a. 10 ca. : op het Groothos 50 a. 50 ca. en 30 a. 40 ca.; op de Grote Waterpoel (de Eikenbos, hoven het Wit Kapelletje te Alsemberg) : 24 a. 80 ca. Op 4.6.1860 was de gemeenteraad hijeen gekomen om de plechtigheid van het leggen van de eerste steen te regelen, die ~ou voorgezeten worden door Generaal Baron Goethals, om reden « qu'on ne connaît aucune personne plus digne que le général Baron Goethals.... qui ne cesse de répandre de nombreux bienfaits », om de eerste steen te leggen. Wanneer de plechtigheid juist plaats had is niet bekend, maar pas in 1862 was de vergroting voltooid. Een steen met opsdtrift in de voeting van de steunheer aan de voorkant van de kerk herinnert eraan. In 1863 werd het werk door de afgevaardigden van de Konunis·

133


KERKELIJKE GESCHIEDENIS

GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE )

sie der Monumenten gekeurd.. Zij bevestigden dat de vergrotingawerken in alle opzichten met zot·g uitgevoerd werden. Het bestek bedroeg hij de opmaking ervan in 1859 39.000 fr., maar dit bedrag werd overschreden wegens onvoorziene omstandigheden die zich tijdens de uitvoering van de werken voorgedaan hadden, o.m. de belangrijke heheiing om de onvastheid van de bodem te verhelpen.

gedeelte langs de heek tussen het huidig gemeentehuis en de papierf ahriek ? In elk geval, Lukas Osce, die kleermaker was, woonde omstreeks die tijd waar het gemeentehuis nu staat. Onze kerk is geen kunstwerk, vooral niet van buiten, maar het is de onze. Onze voorouders waren arm, de meesten doodarm. Ze hebhen steeds voor het allernoodzakelijkste gezorgd, nl. aan de inwoners de gelegenheid en de vereiste ruitrite te bezorgen om hun .godsdienstige plichten te k1mnen volbrengen. Ze biedt thans plaats voor 1400 personen. Binnen valt ze zoveel te n1eer mee, vooral sedert de herschildering, onder pastoor Pastiels, door de firma Bressers. In 1932 werd de hete-luchtverwarming geïnstalleerd. Daartoe werd naast het koor, ten noorden, een stookgebouwtje opgetrokken. Een kerkbaljuw of «suisse» werd ingesteld in 1869. '\

KERKRAMEN

De Sint-Genesiuskerk binnen; vóór de herschildering.

Daar ingevolge de vergroting naar voren, het gebouw één meter van het openhaar domein innam, .werd overeengekomen het kerkhof ten noorden af te voeren en aan de gemeente af te staan. Een gaan-. pad van 2 m. breedte zou er aangelegd worden opdat de kerk niet helemaal op het openhaar domein zou staan. In een stuk uit 1785 lezen we dat werd « geaccordeert met pachter Steps (Boesdaal), schepen, over de thiende van zijn hosken liggende achter de choor van de kerk groot een half hunder voor 3 stuyvers alle keeren als hij het capt ... hetaelt Lucas Osce 3% stuyvers ». Waar lag dat bosje eigenlijk? Misschien in het moerassig

134

Het is niet waarschijnlijk dat onze kerk voor 1860 gekleurde ramen bezat, althans vonden we daarvan geen spoor. Het waren gewone ramen, waarvan er een overblijft hoven de zijingang aan de noordkant. Thans zijn er 21 gekleurde ramen : drie in het koor, zeven aan de noordzijde, drie in de voorgevel en acht aan de zuidzijde. Het middènraam in het koor verbeeldt de patroon onzer kerk, de H. Genesius, en draagt het opschrift « Urhe et orhe juhilante NCMI >> == Heel de wereld het· eeuwig jubileum vierende. Vroeger was daar een ander raam, voorstellende de marteling van de H. Genesius, een gift in 1871 door Graaf Coghen, die toen eigenaar was van het domein van. Zevenhorren. De schets van het raam werd getekend door J. Stallaert, schilder te Brussel. De kartons kostten 250 fr .. en glasschilder van der Poorten uit Brussel maakte het raam voor 800 fr. Op dat ogenblik (eigenlijk in 1868) was dat midden· venster nog dichtgemetseld. De kerkeraad vroeg aan de gemeente het te openen en tevens de ongekleurde zijramen, waarvan het lood in slechte staat was, te vervangen door gekleurde. De gemeente· raad achtte dit evenwel niet nodig en verwierp het verzoek met 6 stemmen tegen 2. Later, maar toch vóór 1871, ging de zaak toch door. Buiten bovengemeld middenraam zou het tweede bekostigd worden door de kerkeraad en een paar andere personen~ voor het derde zou een toela.ge aan de ragering gevraagd worden. We hebhen niet kunnen uitmaken of die laatste twee ramen er ooit gekomen zijn, en evenmin waarom. het middenraam reed,.s in 1901 vervangen werd. In ieder geva~ in 1870 keurde de Kommissie der Monumenten

135


KERKELIJKE GESCHIEDENIS

GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

het ontwerp goed van « trois vitrau.x: à placer dans les· fenêtres du choour de l'église de Rode». We lezen daarover in het <<Bulletin du Comité Archéologique du Brabant », 1870, I, hl. 4, van de hand van zijn sekretaris, gt·aaf A. O'Kelly : << De nos jours, M. Marchenoir, artiste-peintre à Bruxelles, exécuta pour .ce temple (Rode) une verrière représentant la Vierge aux Sept Douleurs. Comme pendant, on remarque un vitrail dans Ie genre mosaïque donné par un bienfaiteur de l'église bätie dans Ie style romain. On a fait dans Ie choour un essai de peinture ou plutot de hadigeonnage polychrome qui offre Ie coup-d'ooil Ie plus choquant et Ie plus barhare ». Het linkerraam stelt de H. Lodewijk voor. Onder de voeten van de heilige staat' het wapenschild van de gevers, graaf en gravin Lodewijk de J onghe d'Ardoye-Goethals. Onder de vederbos en de helm verbindt een hertogenkroon (? ! ) de beide schilden der adellijke huizen met de kenspreuk van de graaf: Deus et Honnor, nl. God en eer. In honnor staat een n te veel. Op de muur hoven het gestoelte aan de kant van de sakristij stond de spreuk juist gespeld en met een grafelijke kroon. In 1936, bij de herschildering van de kerk, viel dat tafereel weg. In de sakristij hangt een schilderij met de wapens van de familie Goethals met de zinspreuk« In Als Goet », een gebrekkige allusie op de naam, die evenwel ~eigenlijk << goede hals, goed bloed » betekent.

;

Elke gemeente heeft haar officieel gedenkteken. Er ~e;d blijkbaar weinig rekening gehouden met de wenk van de Minister van Binnenlandse Zaken, die in 1919 in de Senaat verklaard ~ad: « Soyons aussi parcimonieux que possible en monuntents. Fatsons un monument, par province, et que cela n' empêche pas les communes d'ériger des plaques commémoratives pour lesqueUes Ie Gouvernement accordera des subsides »... Aan de ..noordkant stelt het 3e raam O.L.V. van het H. Hart voor. Het werd in 1894 bekostigd door Egidius Simeons et ux~r (en zijn echtgenote) Elisabeth de Hoe. Het 4e met de beeltenis van de H. J oannes de Evangelist is een gift van J oannes Ma~saert en zijn echtgenote Barbara Berckmans. Jan Massaert woonde m de Kerkstraat en was meesterplafonneerder, kerkmeester en gemee~te­ raadslid. Het se, in 1896 gegeven door Pastoor Aerts. ter zahge gedachtenis van Helena Docx, zijn moeder (Piae Memoriae Helen~e Docx R.D. Aerts pastor dedicat). Het stelt de H. Helena .voor (z~e betreffende dit raam verder het hoofdstuk over de pnester mt Rode, bij Dom Lebeau). Het 6• raam is een gift uit dankbaarheid (grato animo) in 1898 van Jan Frans van Achter en zijn vrouw Maria Paesmans. Van Achter was pachter op het Hoftenhout, gemeenteraadslid, schepen en kerkmeester geweest. Het stelt de H. Margareta voor. Het laatste raam aan de noordkant staat boven de zijdeur en is een gewoon ongekleurd raam. Daarop volgt aan de voorkant, hoven de Grot van

Aan de rechterkant is de H. Andreas afgebeeld met de wapens en de spreuk van de begiftigers, Generaal Graaf André de J onghe d'Ardoye en zijn echtgenote barones de Wijkerslooth de Rooyestein. Deze drie nieuwe ramen hebhen 3475,71 fr. gekost. De twee fraaiste ramen staan naast het St. Jozefsaltaar en het H. Hartaltaar. Het eerste stelt de vlucht naar Egypte voor. Het opschrift luidt : Anno 1873, met het geslachtswapen en de spreuk « Ex corde » Uit ter harte, van de schenker, de familie Delcor uit Ukkel, waar Daelemans de toenmalige pastoor, onderpastoor geweest was. Het tweede stelt de Boodschap van Maria voor en werd in december 1874 geschonken door de E.H. van Cutsem ter gelegenheid van zijn eerste Mis (R.D~ Ant. van Cutsem neomissa dec. 1874 D.D.). De beide ramen zijn in Renaissance-stijl, terwijl die van de beuken, die we verder beschrijven, in de gotische zijn, wat geenszins overeenkomt met de stijl van de kerk. Ramen in de noordbeuk : de H.. Lode1vijk, in 1893 g6$Chonken door pastoor Aerts. Er zijn dus twee ramen met de voorstelling van die heilige. Het raam heeft als onders.chrift met de wapens van Paus Leo VDI juhilante Ludovieus Aerta pastor l1.D. 1893 = Leo VIII zijn jubileum vierende nt 50 jaar priester. Bet 3• raam vertoond het beeld van de H. Katarina en werd in 1894 geschonken door Katarina de Hoe. Op het voetstuk .prijkt het wapen van Kardinaal Petnte Lamhertus Gaassens aartshissehop van Mechelen.

=

136

Ernaast bevindt zich het gedenkraam van. de gesneuvelden van de ~erste wereldoorlog, in 1920 door « De parochianen» . geschonken: Het werd vervaardigd door J. Vosch uit Brussel. Het 1s een moot getint tafereel. Links ziet men een kerk in de vlammen opgaan. Daarnevens, in het midden, de gekruiste Kristus en aan de voet van het kruis een vrouw - een andere Moeder van Smarten - met op haar schoot haar gesneuvelde zoon. Een kiniJ. leunt tegen haar aan. Onderaan staan de namen der gesneuvelden met de plaats en het jaar dat .ze <<vielen voor het Vaderland>> : J.-P. Tondeur (Kapelhoek 1915) ; J...B. Peetraons (Adinkerke 1915) ; J .-B. de Bree~aeker (Soltau 1916); J.-B. van den Plasch (Klein~nberg 1917); Antoon Mosselmans (Westvleteren 1916); Jaak de Spiegeleer (aan de IJzer 1917)-; J.-B. Hannaert (Westrozebeke 1918); P. van der Gucht (Zarren· 1918); J ...B. Lonhois (Cabours 1918) ~ ~.-J. M~es (Bntgg~ 1918); Frans Sermon (Beitem 1918); Frans Mtchiels (Rouen 1918), Jaak Beymans (Queue-de-Bois 1914); H. Swalen(' (Rocour ·1915); Pr. Clerens (Champion-Cognelée 1914); Pr. de Greef (R.amskapelle 1914); J.-B. Swaelens (Niederwehren 1915). Dit raam is een treffende, sprekende en troostende huid~ ~an het offer. Het heeft diepere zin, in elk geval, dan het offiCieel gedenkteken, dat weinig kunstgevoel verraadt.

Sa:

13'7


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

Lourdes, aldaar in de tijd van pastoor Hermans opgericht, een ge~leurd raam. Het stelt de Doop van Jezus voor. De aanwezig· heid van dat raam aldaar vindt zijn verklaring in bet feit dat daar vroeger de doodkapel was. Het grote middenraam aan de voorkant verbeeldt de apostelen Petrus en Paulus. Vroeger stond onder dat raam een jaartal en het wapen van de heren van Rode en van Alsemberg (Bols, << De Kerk van A~se~nherg >>). Het raam aan. de voorkant hoven de huidige doopkapel IS gekleurd, doch het zijn enkel cirkels, vierkanten en ruiten in lelijke kleuren. In 1848 had men « doen maken twee nieuwe gelaese vensters in de kerk ». Hebhen ze misschien hetrekking op deze laatste ramen ? Het volgend raam in de zuidbeuk werd eveneens· in. .aandook-en van een eerste mis geschonken, door E.H. Emiel de Dobbeleer (neomista posuit 21.9.1896). Het stelt de H. Anna voor. (Zie het hoofdstuk Priesters uit Rode). Vervolgens komt een raam met de H. J oanna van Valois, in 1895 gegeven door Frans de Hoe en zijn echtgenote J oanna de Boeck. Het volgende is dat van de H. Cecilia, gift in 1895, van J .-B. de Greef en zijn vrouw Maria Renson, van Tenhroek. Het se raam aan die kant werd in 1897 geschonken door P.-F. van Keerberghen Conjugi defuncta (overleden echtuenote) Cornelia Winderickx sihique (en de haren). Het stelt de H~ Jozef met het Kind Jezus voor. Het 6e raam, de H. Huhertus, is weer een gift van Pastoor Aerts (Lud. Aerts pastor Dono Dedit 1893). Het laatste raam verbeeldt de H. Elisaheth en werd in 1893 gegeven door de Bond van de H.H. Harten (Associatio S.S. Cordium D.D.). MOBILAIR, ORNAMENTEN EN KUNSTVOORWERPEN. Uit het tijdperk vóór de Hervorming verneemt men niets över het mobilair enz. van de kerk. In 1585 woedde de heeldenstorm over onze streek als een van de meest woeste uitspattingen van een alvernielende godsdienststrijd. In een paar weken tijd werden honderden kerken kapellen kloosters enz. beschadigd, leeggeplunderd of onherstelba~ verwoest: Vooral de heiligenbeelden, relieken en benodigdheden van de goddelijke diensten moesten het vreselijk ontgelden. In een verslag over een bezoek van de kerk in 1592 bericht de landdeken van Sint-Pieters:Leeuw echter. dat alhier niets geprofaneerd ~erd, dat het Chrisma, de H. Olie en de doopvont in goede staat ZIJD, dat het licht gedurende de goddelijke diensten brandt, dat er geen relieken zijn, maa.r wel twee kelken,. twee missalen en gewaden in genoegz.ame hoeveelheid. Er wru:-en vijf altaren, waar· van drie gewijde en twee ongewijde. In de meeste kerken stond er vroeger een zgn altaarstuk" een

J.I·

138

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

; schilderij hoven het altaar. In 1662 stelde dit de geboorte van Kristus voor. (De schilderij van den hooghen autaer representeert de geboorte Jesu Chris.) (AA.). Bet is niet hekend wat ervan geworden is. Onder de Franse bezetting werden al de << menhelen ·en effecten» van onze kerk door de Fransen verkocht, maar door Fremau, lid van de municipale raad, ingekocht. In 1825 .werd in verhand hier· mee een geding tegen de gemeente ingespannen doo~ advokaat Gamhier van Terroeuien betreffende twee kerkbanken d1e deze als zijn eigendom opeiste. Uit een verweerschrift van de gemeenteover· heid lichten we daaromtrent het volgende : « overwegende dat het blijkt uit ontwijfelachtige stukken hier voor oogen hebbende, .als het plakschrift in druk aankondigende de openhare verkooping wegens de domijnen bepaald op 15 Vendémiaire se jaar van de Republiek (7.10.1799) van de meubelen en effecten, mobilair van de kerken der gemeenlens van het vorig kanton Uccle, van dewelke deze deel uitmaakte en van de rekeningen dezer kerk verschenen kersmisse der jaren 1797 tot 1802 incluis, behoorlijk gedaan en gesloten den In febrnarij 1808 en goedgekeurd door den heer Latour du Pin, prefect der Dijle, hij zijn hesluit van 4.5.1809, dat de heer Fremau, lid van dezen raad ten tijde van gemelde verkoo· ping agent der gemeente zijnde alle meubelen en effecten dezer kerk ingekocht en daarna heeft overgelaten aan deze kerk voor den prijs van 97 g. 15 c. 71 honderdste Nederlandach geld... Overwegende dat door den gemelden inkoop den heer Fremau, opregten eigenaar geworden is van alle de verkogte meubelen van dewelke gemelde twee baneken wes kwestie alsdan deel m~~kte en .dat de kerk dezer gemeente in 't vervolg er onveranderliJken cesstonnaris van geworden is.. En dat indien den heer Gamhier recht hadde tot de twee gemelde banken, hij zijn actie tot revendicatie alsdan zou moeten werkstellig gemaakt hebben. ~ij deze be~e~gre~~ns acht eenstenuniglijk dat den heer Gambier met gegrond IS m ZIJne vraag en dat het kerkbestuur behoord gemachtigd te worden om zich te mogen verdedigen tegens den heer Gamhier nopens het recht van den eigendom van op gemelde twee banken en geld en boeken zich er in bevindende uitgenomen, de welke kunnen den eigendom zijn van den heer Gambier, maar niet de sleutels ':~n dewelke de heer Gamhier bekend in bezit te zijn, deze sleutels ZIJn de acessoiren derzelve banken» .•. (G.A.). Het is ons niet hekend wie in het gelijk gesteld werd.

Het voorlaatste hoofdaltaar is van 1900 en van de hand van beeld.. houwer S. de Maertelaer, uit Schaarbeek. Zonder de schildering kostte het 2000 fr. In 1942 werd een nieuw hoofdaltaar, bestaande uit een marmeren tafel op ~uiltjes, geplaatst met. giften van de gelovigen en bij gelegenheid van het 25-jarls priesterschap van 139


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

pastoor van den Broeck. Ook hij die gelegenheid werden de heelden van de H. Genesius en van <?.L.V. ':~n vóór de voot·ste pilaren weg~ genouten en tegen de muur In de ZIJbeuken geplaatst. De zijaltaren komen van het klooster van Zevenhorren, de tabernakels werden er in 1848 ingebouwd. De predikstoel, in Lodewijk XIII-stijl, dagtekent van 1721, zoals op dat meubel vermeld is. De vier Evangelisten staan er op afgebeeld, evenals, op de panelen van de kuip, de drie kerkvaders de H. Amhrosius, de H. Hiëronimus, de H. Gregorius. Hij is herkomstig van het klooster van Zevenhorren, evenals het koorgestoelte en de kommuniehank, waarvoor mevrouw Gustaaf de Meurs en haar dochter Eufr.asia in 1864 « allerkostelijkste kommuniekieeden >> schonken. Volgens de ove:rlevering kocht advokaat Gamhier, die toen op het kasteeltje van Ingendaal woonde, de predikstoel en schonk hij hem aan onze kerk. Ook de twee voorste biechtstoelen komen van het klooster. Dè andere zijn slechts minderwaardige nabootsingen van de eerste. Het geld voor de aankoop van de verschillende meubelen te Zevenhorren werd verschoten door Juffrouw de Man de Speelhoven vrouwe van de heerlijkheid (RK. 46793). ' . De kruisweg werd gemaakt te ~ntwerpe~ en kostte 100 fr. per statie. De namen van schenkers stonden vroeger geschilderd op houten horden die onder elke statie bevestigd waren. Door Lamhertina K.umpts, echtgenote van Frans de Haes, die op 17.10.~676 o.':erleed, werd ee_n ciborie geschonken. Zij stichtte ook een JaargetiJde « que donaVIt ecclesiae nostre novum cihorium et fundavit anniversarium » (parochieboeken). Een andere, zilveren ciborie dagtekent uit 1848 en kostte 245 fr. Van dat jaar ook dateert een « baldakijn met omloop » en van 1841 een nieuwe kelk van 200 fr. De kerk bezit verder nog een zware gotische monstrans in 1875 door de paro~hianen bekostigd. De weduwe J aquemeyns-v~ Keerberghen, de kmderen van Cutsem (in het dorp), vrouwe Gillis van Achter (voorzitter van de kerkeraad)., Petronelia van der Gucht en Ida de Meurs gaven elk een gouden ring met edelstenen; Maria van Rossum een gulden hart; Pastoor Daelemans gaf een hele schat ju~elen : •een krui~ met diamanten, twe~ oorringen met grenaten, dne krmsJes met Witte stenen, twee knoopJeS met paarlen, een sieraad met fijne stee~tjes en vier fijne edelgesteenten, die op de lunnla der monstrans mgezet werden. Al de stenen werden er in verwerkt. Ze kostte 2050 fr. en werd vervaardigd door dhr. de Kapper te Brussel op de Grasmarkt. De monstrans is echter veel te zwaar voor gewoon gebruik en dient alleen ter gelegenheid van de gedurige Aanbidding. De volgende voorwerpen werden door het « Comité des corres.

pondants de la commission royale des monuments » opgenomen in het « Inventaire des ohjets d'art existant dans les édifices publies des communes de !'arrondissement de Bruxelles>> : een doopvont van blauwe steen, gotische stijl, uit de 16e eeuw; het deksel van koper is echter modern. (Tot in 1909, toen de Grot van Lourdes in de kerk opgericht werd, bevond de doopvont zich op de plaats van die grot). Een kelk van verguld gedreve~ en geciseleerd zilver, stijl Lodewijk XIII, met drielobbige voet, waarop de l(ruisiging, de Verrijzenis en de 'Hemelvaart voorgesteld zijn. Hij is herkomstig van het vroeger klooster van de Paters J ezuieten te Brussel (omstreeks 1763) en is vermeld in de kataloog van de tentoonstelling te Mechelen in 1864. Een beeld van de H. Barbara, dragende de toren met drie vensters en een leeuw, uit de 17e eeuw. - Een beeld van O.L.V. met kindje Jezus en scepter uit de 16e eeuw, zeer mooi. Volledigheidshalve vermelden we nog dat in 1846 zes nieuwe kandelaars voor 500 fr. aangekocht werden ter vervanging van de hestaande die in slechte staat waren. In 1844 werd een ornament aangeschaft voor drie heren. Het gehucht Tenbroek hield sinds jaren het schoon gebruik in ere alle jaren aan de kerk een of ander te schenken. Daaronder komen de volgende waardevolle stukken voor : Een kaarsenkroon voor de Grot van Lourdes; acht vernikkelde flambeeuwen voor de processie; een koperen lessenaar voor het misboek; twee zevenarmige schuin opgaande kandelaars; vier koperen bloemenvazen; twee vijfarmige kandelaars; een wit zijden benediktiedoek of schoudervelum; een vernikkelde lantaarn voor d<" berechtingen (1921); negen schilderijen met de voorstelling van de verschillende. tijdstippen van het kerkelijk jaar en de voornaamste feestdagen (1923); een vernikkeld wijwatervat en twee kwispels. Bij de afschaffing in 1783 ·van het klooster van Zevenhorren werd al het roerend goed ervan verkocht. Pastoor van Achter deed zijn uiterste best on1 verscheidene kerkmeubelen te kopen die in de parochiekerk hoognodig waren. Op 10-6-1785 schrijft hij : « Expose humbiement Jaques van Achter., curé, qu'aiant ohtenu les orgues du Convent de Sept Fontaines supprimé, il se trouve dans une nécessité absolue d'avoir un juhé, mais conime il n'y a pas d'autre, qui puisse mieux servir, que celui dudit Sept Fontaines. C'est pourquoi, qu'il a son recours respectueux envers vos Messeigneurs, vous suppliant de lui (pour son église) faire la gract" de la laisser suivre avec les porles pour 20 florins ». Hij kreeg ze voor 28 gulden. Op 23-6-1784 bood hij 2 pistolen voor enkele houtbeschotten met het kruis op het tabernakel van l1et koor en de kommuniehank. In juli daarop eiste hij ook de deur van de kamer van de Prior op die, naar hij bew-eerde., begrepen was hij de houtbeschotten, die hij voor 10 g. 10 st. had gekocht. De overheid vroeg .hem een ve;: klaring van wege de gezworen verkoper Suys ~dat die deur erbiJ

140

141


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

verkocht was. Dat bewijs kon de pastoor niet voorleggen en hij kreeg de deur niet. Op 15-8-1784 verkreeg hij de twee zijaltaren voor 42 g, nadat hij betoogd had « que son église étante nouvellement hatie est dans un misérahle état à regard des n1euhlements à cause de sa pauvreté ».

duysent vijf hondert acht en negentich »; op de kleinste : << lek hen gegoten een duysent ses hondert 28 ter eeren van de H. Moede~ Godts ende St. Genijs patroon van Roo ». Misschien zijn het deze heide klokken die in 1864 tot twee nieuwe werden hergoten door klokkegieter Marquehrucq, die 0,50 fr. per kilogram trok voor het hergieten, met een minimum afval van 5/20. Hij moest metaal bijleveren ·tot 1.500 kg voor de klok tegen de 3,50 fr. het kg. Al het ijzerwerk werd betaald tegen 0,75 fr. het kg. en voor het vervoer der oude klokken van 'Halle naar Akren werd 150 fr. aangerekend. De borgtijd bedroeg 18 maand. Deze klokken werden gewijd op 17-5-1864 te 11 uur door deken Renders van Ukkel. Op 22-10-1762 zond kerkmeester Hendrik Wijns, daarin « geauto· riseert weghens N. de Tomheur, vrouwe deser parochie heerlijckheydt, oppernomhoiresse van die kerke, « een supplicatie » aan de abdis van Vorst om te melden dat « de 2 ooren der thiendeclock recenter gebroken sijnde, de selve aldus in staet niet en was om geluydt te worden, en alwaert dat men sulcx noch dierfde risqueeren in het naeste perijckel was om te breken.». Zoals steeds weigerde de abdij tussen te komen. De zaak kwam vóór de Raad van Brabant, die besliste ·dat abdij en pastoor ze samen op hun kosten zouden laten herstellen, bv. door meester « kloekgieter van den Gheyn » te Leuven. Op 23.7.1793 verordende de Franse Konventie dat over heel het gebied van de Republiek de klokken ter beschikking gesteld moesten worden van de minister van Oorlog... zoals 150 jaar later ook de Duitsers zouden doen. Op 22 Germinal Jaar IV (1795) werd alle klokgelui verboden, tenzij om Franse overwinningen aan te kondigen. Onder pastoor van Bol (1805-1811) viel er een klok naar bene· den, welke weten we niet. We vernemen dit in een brief van de pastoor : « Ie- conseil de marguilliers m'a prié de s'assemhler à cause des dornmages caussées à l'horloge et cloches par Ie cler dont une cloche est tombée et cassée (sic) ». Het ging niet al te best tussen pastoor en koster ... Vóór 1940 hingen er drie klokken in de toren. De kleinste met een gewicht van 300 pond met toon mi boven. Het opschrift ervan luidde : « Me Franciscam donis parochianorum datum 1849 suscepit Petrus Ant. Antonus et Francisca de Sadeleer. R.D. Pastore J .B. de Mayer. A.L.J. 'Van Aerschodt-van den Gheyn me fudit Lovanii » = « Mijn naam is Francisca. De parochianen gaven me in 1849. Petrus Ant. Antonus was mijn peter en Francisca de Sadeleer mijn meter. Onder het herderschap van J .B. de Mayer. A.L.J. van Aerschodt-van den Gheyn goot mij te Leuven ». Deze klok komt van elders. Trouwens in 1849 was Z.E.H. Peeters hier pastoor. Naar inlichtingen mij vriendelijk -verstrekt door Kan. van Cauwenbergh, bibliotekaris van de Leuvense Universiteit, komt ze

In de kerk is er geen enkel schilderij. In de pastorij hing er echter een groot doek, herkomstig van het klooster van Zevenhorren, maar met weinig kunstwaarde. ORGEL Onder de meubelen die in het klooster van Zevenhorren werden gekocht (1) bevonden zich het orgel en de orgelkas die later evenwel grotelijks verbouwd werden, onder meer in 1841. Van het oude orgel hestaan nog de volgende delen:« montre, prestant, fourniture, fluit en cornet ». In 1868 werd het orgel hersteld en vernieuwd door orgelma· ker Anneessens van Ninove « pour arranger nos vieux orgues avec quelques nouveaux jeux: deux nouveaux secrets, un pour positif, l'autre pour Ie grand orgue, un nouveau soufflet, buffet etc.». Alles voor een bedrag van ongeveer 4.000 fr. De nieuwe kas werd getekend door houwmeester Appelmans. Om die uitgave te bekostigen was de kerkeraad verplicht tamelijk veel grond te verkop~n, gelegen op het Gehucht, Hoftenherg, Dries, Linde, in het dorp, op het Winkelken, op de Grote Nijsherg op Alsemberg, op het Boesdaalveld, « het Gansewijken », samen verscheidene hektaren. In februari 1932 werd het doksaal halkonvormig naar de binnenkant van de kerk vergroot, een maatregel die enkele ja-ren later zonder nut werd door de opheffing van de doksaalzang en de vervanging ervan door de gezamenlijke Gregoriaanse zang, wat destijds heel wat misnoegen en herrie onder de leden van de toen flinke Ceciliakring veroorzaakte ... KLOKKEN Onze oudst bekende klokken dagtekenen onderscheidenlijk van 1598 en 1628, wat laat vermoeden dat de voorgaande tijdens de Hervormingaberoerten teloor gingen. Op die klokken stonden de volgende opschriften : « Co melis J anssens heeft mij gegoten int jaer (1) Op 17·11·1784 besliste de overheid «de laisaer auivre au curé van Achter pour son église les orgu.es de eelle du prieuré supprimé de S.F. telles qu'elles se trouvent, y com.pris le Positif, pour Ie prix de 2.00 florins qu'il en a offert~. (RAB, Cawe de la Religion, 480.)

142

143


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

van de kerk van Heldergem (arrondissement Aalst • 0. Vl.). Hoe die hier geraakt is weet hij echter niet te zeggen. Hij onderstelt dat << Francisca » met haar 300 pond wat te licht bevonden werd en een zwaardere klok werd hesproken in 1870 op voorwaarde dat de gieter de oude zou overnemen. Deze zal misschien door de klokkegieter als een koopje aan Rode zijn aangeboden. Wij schreven daarover destijds om verdere inlichtingen aan de heer pastoor van Helde1·gent, maar ontvingen geen antwoord ... De middelklok, de Genesiusklok, geeft de toon mi onder aan, meet 1,50 m. hij 1,50 m. en· weegt 850 kg. Peter en· meter waren Graaf en Gravin Coghen. Het opschrift luidt : Sancte Genesi, Patrone sanam serva campanom : Det sanctum, plenum hace et modulamen amoenam. Me fudit L. Marquehreucq. Acren · 1864. {Heilige Genesius bewaar deze klok in goede staat; dat ze een heilige, een volle, aangename toon geve). De grote klok is 2 m. hoog met een basismiddellijn van 1,40 m. Ze weegt 1.850 kg en geeft de do-toon aan. Meter en peter waren Eugenia de Meurs et Leon Rittweger. Op de plechtige wijding waren ook aanwezig B. Evers, vikaris van het aartsbisdom, pastoor Mariën van Alsemberg en J ules de Meurs, burgemeester. Ze ·draagt het opschrift : « Vocor Maria Eugenia Augusta Clara, pia, Defunctos ploro, vivos voco, fulgura frango, nte fudit »... (Ik heet Maria Eugenia Augusta, de. vrome. Met klare stem beween ik de doden, roep ik de levenden en breek het bliksemvuur). Hetzelfde opschrift stond ook op de grote klok van Schafhausen en Schiller koos het als leitmotiv voor zijn lied van «die Glocke » (1799). Klokgelui had oudtijds volgens sommigen de kracht het onweder te verdrijven. Anderen meenden dat het geraminel der klokken de lucht zodanig schokte, dat haar fysische toestand er door gewijzigd en het ontstaan van bliksem of hagel verhinderd werd. (Zie C.T., Geschiedenis van Dworp, 1948, hl. 141). Op zondag 20.7.1940 werd in de kerken een bisschoppelijke brief voorgelezen in verhand met de klokken. Ze mochten alleen luiden voor het Angelus en slechts tien slagen vóór mis en lof. Er mocht geen klokgelui zijn daags vóór de hegrafenis en na de absolutie na de uitvaartmis. Bij hesluit van de bezetter van 1.11.1941 werd heslag op de klokken gelegd. In de Duitse streken was dit al lang gebeurd. Het duurde alhier toch tot 12.2.1943 voordat er uitdrukkelijk hevel gegeven werd ze weg te halen. Op zondag 21.3.1943 werd in al de kerken een brief, ondertekend door al de bisschoppen, afgelezen, waarin protest aangetekend werd tegen het door de Duitse legerleiding voorgenomen wegnemen van de klokken. Na veel tegenstribbelen, werd toegestaan dat in elke toren één klok zou blijven hangen en de oudste het laatst zott weggehaald worden. Daartoe werden ze in vier soorten ingedeeld : A: klokken van na

144

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

1850; B : klokken van 1790 tot 1850; C : klokken van 1700 tot 1790; D : klokken van vóór de XVIIIe eeuw. (Dom J oseph ·KreRs, « La Bataille des Cloches » Revue Générale de Belgique, juli 1949, hl 424). Op 19.3.1950 werden door Mgr. Everaert twee nieuwe ~lokken gewijd. De grote is toegewijd «Aan de algoede en Almachtige God en aan het Onbevlekt Hart van Maria». Peter was Alhert De Coster, burgemeester ; meter, Gravin Denise de Jonghe d' Ardoye. Op de klok staat het opschrift: <<Wil Maria's stem aanhoren. De Hemel zal u toebehoren ». De tweede klok is opgedragen aan de H. Genesius, patroon der parochie~ Peter was : André de Greef; meter : Cecilia W auters {vroedvrouw). Tekst van de klok: «Ik luid in vreugde en in nood maar ene boodschap : God is Groot ». · De klokken werden bekostigd door de parochianen en met de hulp va11 de leden van de katholieke aktie. .TORENUURWERK. Over vroegere kerkuurwerken verneemt men niet ve~~· Omstree~s 1805 schreef pastoor van Bol aan de prefekt van de DIJle : << Il n Y a à Rhode une horloge sonnante, qui depnis des anné~s ne marche pas, malgré qu'on déhite publiquement que Ie maue en porte annuellement 1'entretien dans son budget. >> In 1864 werd door de gemeenteraad vastgesteld . dat er nog ~een horloge was; wellicht wordt bedoeld nog geen nieuwe.. Het Jaar daarop, na de vergroting van de .kerk, werd op d~ toren een uurwerk geplaatst dat vervaardigd werd door Oppers In Nederland. H~t koste 2 015,79 fr. plus 50 fr. inkomrechten. Een horlogemaker mt Brussel plaatste het en leverde daarhij kroonraderen, en ander toebehoren ofn de 4 wijzers te doen draaien, wat nog 865 fr. kostte. De gehele uitgave werd gedragen door de gemeent~kas. Dat uurwerk gaf waarschijnlijk geen voldoening, w~nt reeds In 1872 was men gedwongen er een nieuwe te plaatsen, dte gehe~~ geleverd werd door de firma L. Michiels uit Mechelen, terzelfder tiJd als een regulateur « stelsel Miebiels » in de sakristij, verhonden met het torenuurwerk, De kosten bedroegen 1142,04 fr. In 1936 werden de wijzerplaten op de toren in het nieuw gezet. BEGRAAFPLAATSEN Van de plaats of plaatsen waar alhier vóór de oprichting va;t een parochie met kerk en kerkhof de doden begraven werden, IS geen spoor overgebleven.. Wat blijft er trouwens na enkele tientallen jaren van een dood lichaam over ? Men denke maar even aan

145


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

ons oude kerkhof I'ondom de kerk. Hoeveel jonge mensen weten nog dat op het plein aan weerskanten van de kerk eeuwenlang ·onze doden ter aarde besteld werden ? Er wordt algemeen aangenomen, dat het hegraven van de kristenen J;ondom de kerk pas in de Xle eeuw een aanvang nan1. (A. van Hageland, «De magische kring om de dood», 1959, hl. 47). Geen enkele plaatsnaam te Rode geeft hieromtrent enige aanduiding, zoals hv. Dodenrust en Helnelrijk te Dworp, of Hemelrijk en Helle op vele andere plaatsen tot in Nederland toe. Bij de Germanen was Hela de godin van de onderwereld. .Deze naam leeft voort in de toponymie als Hellehoek, Hellegat, Helleput, Helle en bijna altijd liggen de plaatsnamen Hemelrijk en Helle naast elkander, zoals te Alsemberg, waar ze gelegen zijn aan de voet van de kerkheuvel (C.T., Geschiedenis van Alsemberg, blz. 13-14). Wijl er dus te Rode zulke plaatsnamen niet hekend zijn, is het meer dan waarschijnlijk dat de doden van ons dorp er hijgezet werden, voordat er een parochie met kerk en kerkhof opgericht werd. Men bedenke dat Alsemberg zeker tot 1155 nog een gehucht van Rode was. De oude hegraafplaatsen werden gewoonlijk aangelegd langs de grote wegen op een zandige grond naar het zuiden gekeerd. Dit was ook te Alsemberg het geval, gelegen aan de oeroude en enige weg van Nijvel naar Brussel {a.w., blz. 44).

Het kerkhof, gelegen, zoals we het elders· reeds zeiden, aan de samenloop van de Molenheek en de K wadeheek, was ste~ds zeer vochtig en nat. In 1860 bood Baron Goethals een bedrag va~ 750 fr. om het kerkhof te draineren. De gemeenteraad oordeelde d1t onvoldoende en vroeg 1000 fr. In 1857 besliste de kerkeraad «ingezien de klijnte van het kerkhof en de noodzaekelijkheyd van de doode liehaemen te kunnen hegraeven, de kaeyseyen alsook de wegen op te hrecken als oock de gaeten in den steen toe te doen ». D1t laatste is minder duidelijk.

Bijgaande schets uit 1805 stelt de ligging en grootte van de oude hegraafplaats rondom de kerk voor. Zo zal de toestand nog in 1859 geweest zijn toen de oppervlakte ervan vastgesteld werd op 15 a. 32 ca. Of en hoe het kerkhof afgesloten was is niet bekend, maar in 1743 stellen de schepenen vast dat «het kerckhof niet behoorelijek afgesloten ende gestichelt is», nl. afgesloten -met een stichel als toegang. (G.8205) . Door de vergroting van het kerkgebouw in 1778 en in 1860 viel telkens van de oorspronkelijke grootte een gedeelte weg. In dit laatste jaar zal het echter niet zo heel veel geweest zijn, want de vergroting geschiedde aan de voorkant, waartoe toen een huis afgebroken werd. Omstreeks 1850 was het kerkhof reeds te klein geworden, hoewel inmiddels een stuk van de pastorijtuin afgenomen werd «van aan de achterdeur van de nosterzijde der pastorij tot aen de huitenmuur van den hof langs de kasseide ». De grondvergunning van 12 m. voor een grafkelder die Baron Goethals in 1859, voor de som van 150 fr. bekwam, maakte de toestand natuurlijk niet gen"' akkelij.ker. Men kon die vergunning echter niet weigeren doordat Goethals een groot weldoener van de armen der parochie was. Voor mevrouw Goethals moest een bijzon.. dere plaats voorbehouden worden, wijl ze een protestante was, en «om deze familie geen tegenheid te geven tegen onzen heiligen godsdienst » staat er in de gemeentelijke beslissing te lezen. 146

)

L-------------~~----------~· Het kerkhof rond de kerk.

Omstreeks 1860 1noesten gemiddeld 60, en rond 1885 meer dan 80 lijken per jaar geborgen worden. Het kerkhof werd dus bepaald te klein te meer daar in 1861 het noorderlijk gedeelte ervan, ongeveer' 5 are afgevoerd werd «om de binnenplein van ~et dorp te vergroten». Sedert jaren werd aldaar ten andere .met meer begraven. Voor die grondafstand aan het openhaar domein betaalde de gemeente 538,49 fr., moest ze de kosten van de grondafvoer dragen en « eenetl trottoir of ganghare weg van twee meters breed langshenen het kerkgebouw aenleggen •.. welken trottoir 16 centimeters hooger moest zijn als de plein ». In maart 1956, bij de straatverbreding en -verbetering werden vele goed bewaarde kisten en geraamten en zelfs zerken blootgelegd, welke laatste evenwel spijtig genoeg weer vernield werden zonder aantekening van hun opschrift te nemen... Op herhaald verzoek van de pastoor en op aandringen van de Goeverneur der provincie besliste de genteenteraad eindelijk dat 147


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

het kerkhof niet in overeenstemming was met de bevolking, dat het was een << cloaque de pudrité >> en werd eenparig hesloten tot de aanleg van een nieuw kerkhof. Daartoe werd in 1881 een stuk grond, ongeveer een hektare groot, langs de weg nr 39 eigendom van Niklaas de Dohheleer, tegen 8.000 fr. de ha. aangekocht. Het kerkhof werd gebouwd door aannemers Wille1n en Ferdinand Vastiau van Alsemberg. Het kostte in totaal 21.163,66 ft.

verklaart hij. Hoe de zaak verder verliep is niet bekend. De vorige pastoor, ·J amhers, inmiddels pastoor te Ramsdonk, had ook zijn advies te geven. <<De administratie van den armen te Rode is te mijnen tijde van gelijken slecht bestierd geweest ... ik en hebben daer van geen oord oyt ontvangen», schrijft hij. In 1857, bij de aanstelling van Jan Frans de Nayer als grafmaker en orgelhlazer, vernemen we welke de plichten en lasten van die funkties waren : « hij moet zijn werk met eerbied en go·dsvrticht en zonder klappen doen, en mag geen baldaedigheyd toelaten die de godsdiensi en de eerbied voor de dooden verbiedt ». Als orgelblazer is· hij helast met het toezicht op het doksàal, mag nie~ mand· anders hovenlaten dan de zangers en de indringers beleefd buitenzetten... · De kdste:p.en hebhen er steeds prijs op g~steld zoveel mogelijk in de kerk zelf begraven te worden. Alleen de priesters en enkele vooraanstaande personen bekwamen echter d~e gunst. Op het einde yan ·de 18e eeuw kwam er een bepaald verbod nog in de kerk te begrav~n. Toch was dit niets nieuws. Reeds vroeg werd daartegen ingegaan en in de 9e eeuw weigerde Prudentins een nieuwgebouwde kerk, zelfs indien ze een vroeger gebouw verving, in te wijden omdat in de oude de doden begraven werden. We menen dat het niet zonder belang is een lijstje op te maken van de personen die alhier in de kerk hijgezet werden. Thans nog liggen in de kerk een paar grafzerken waarvan het opschrift nog leeshaar is. Andere zerken werden, vermoedelijk hij de vergroting, achteraan in de rechterzijbeuk naasteen in de vloer gelegd. De opschriften en versieringen zijn jammer genoeg totaal weggesleten. We zeggen jammer genoeg, inderdaad, deze getuigen uit het verleden zouden moeten in ere gehouden worden voor de kunst en de geschiedenis. Ze verschaffen ons inlichp.ngen over de genealogie, de kerkelijke gebruiken enz. Steeds hebhen de mensen hun doden vereerd. De pyramiden in Egypte, de « stelen » in Griekenland, de duizenden gedenkstenen die voor de gesneuvelden opgericht werden. Iemand heeft gezegd dat men met de graven de geschiedenis der mensheid schrijven kan. Het zou dan ook te wensen zijn dat de grafzerken evenals ramen, schilderijen, ornamenten enz. zouden bewaard blijven. Hier volgt dan een lijst van personen die in onze kerk hegraven werden. Menigeen zal er nog een verre voorouder in herkennen. Wijl de sterftehoeken echter niet hoger reiken dan 1639 bezitten we geen oudere inlichtingen. 1639 : In het Sint..J anskoor, Barhara, weduwe Willem de Verwere, naast haar man. 1645: Elisabeth de Verver, oude jonge dochter, di.e « 100 flecopos » per testament aan de kerk naliet. Begraven in het Sint•Janskoor (in choro Ste Joannis). 1681 : Petrin.a de Haas « in senectute bona ». 1647 : Andreas Tijck,

In 1909, toen reeds ongeveer 30 jaar niet meer rond de kerk hegraven werd, werd de grond van het oude kerkhof, die een meter hoger lag dan de straat, afgevoerd. De aarde werd gestort in het moeras tussen Terroeuien en de heek heneden het station. Dat werk werd zeer slordig gedaan en met weinig eerbied voor de doden. Wekenlang lag de straat vol heenderen en zelfs schedels die van de karren rolden. In de Brusselse pers verschenen daarover verontwaardigde artikels. De afsluitmuren werden weggebroken en het werd het plein dat we nu kennen met bestrate weg en oorlogsgedenkteken. Aan de kant van de pastorij werden muurtjes gebouwd en plantsoenen aangelegd. Na de oorlog van 1914-18 werd het kerkplein nog vergroot met een stuk van de pastorijtuin en het vijvertje om voldoende plaats te maken voor het oorlogsgedenkteken. Onder de Franse bezetting, nl. in 1805, was een ernstig geschil gerezen. tussen pastoor va~ Bol en F. van Keerherghen, « maire, cabaretier et hrasseur de h1er et hrandevin près de l'église » (hoek van de Kerkstraat en de Dorpstraat). De familie van Laurent Fastenae~~ls vroeg om deze te laten hegraven nabij de lijken van zijn familte. De pastoor wees een andere plaats aan. Vandaar het geschil. De tegenstrevers begonnen elkander te « beschrijven » hij de overheid. Van Keerberghen verweet aan de pastoor dat hij de mis van 6 uur op 9 uur gesteld had. Aan die mis was men gewoon en wie ze niet kon }~oren had nog de tijd om een andere bij te wonen in een naburige g~meente enz. Daarop deed de pastoor ook zijn hoekje open en zet onder meer dat er te Rode een slaande torenuurwerk was d~t sedert. jaren stillag, hoewel de kosten van onderhoud gere· ~eld In rekening gebracht werden. De middauklok wordt ueluid door kinderen, zodat het soms middag luidt te uur, 11,30 ;. enz. Wat de 1nis betreft, laat de pastoor opmerken dat hij alleen staat, zonder ~~derpastoo~ en 1300 « kommunikanten » of paasplichtigen heeft. HIJ beschuldigt ook van Keerberghen ervan de sluitingaklok 's avo~ds . ~iet te luiden ui! persoonlijk. belang, als herbergier, en zeer dtkwtjls zondags laat VIool spelen, oorzaak van grote uitspattin~en en van diefstaHen door kinderen bij hun ouders en meesters. Er heerst te RodE" een droevi~e geestelijke en burgerlijke toestand,

I

148

149


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

oude pachter. 1650 : Willem de N ayer, echtegnoot van Maria Pays. 1650 : Jonanna Kuppens, echtgenote Egidius de Haes. 1650 : Bartoiomens de Haes, oud man. 1651 : Pieter Hasey, echtgenoot Maria de Haes. 1657: Jacoha of Jaclijn Pareys weduwe Frans van den Plassche. 2-3-1684 : Niklaas Theys, brouwer en kerkmeester; 1683 : Frans Huhlou, zoon van de koster. 28-8-1684 : J oanna Tijek, weduwe Niklaas Theys. 1684 : J oanna de Haes, echtgenote Pieter Testaert, met gesticht jaargetijde. 1685 : Theodoor Leyskens ( ohiit longa et diuturna tahe conectos... sororuis mens propre matrem meam (zuster en moeder van pastoor Minten). 1688: Natalis Moriaux, zoon Ghislenus en Anna Le Loup, 10 jaar oud. 1691 : Filip Wielmaer, ongehuwd. 1694 : Joanna Matton, 3e vrouw van Arnout Hublou; Maria Hublou dochter van evengenoemde. 1695: Barhara Testaert, dochter van Pieter en van Elisaheth Claes, 8 maand oud, Arnout HulHou, ongeveer 18 jaar oud, zoon van Arnout, pachter, en van Joanna Matton (longa tahe confectus). 1697: Arnout Hublo, pachter en weduwnaar (longe tahe et phrenesi exhaustus). 1699. Sirnon de Nayer (inuptus). 1706 : Petronilla Clabots, weduwe Joannes Huhlo; Joannes de Nayer, (erat adque inuptus); Pieter de Troch (conjugatus in primo matrimonio). 1709: Joanna de Nayer; Lareis de Glaes, kind van 10 maand; J oannes Fastenakel. 1718 : Jan Everaerts, pachter van Lansrode; Gillis Asaer, pachter. 1719 : Barhara van V elthem, echtgenote ·van Jan Everaerts. 1726 : Pieter Everaerts (villicus == pachter, in Lansroo en schepen). Maria van den Bosch, echgenote van Jan van Eyck. 1727 : Elisabeth de Haes : echtgenote Pieter Testaert; Katarina Wilmaer, weduwe Pieter de Troch, brouwer hij de kerk; Domina Maria Dorremans (filia devota). 1728 : Domina Anna Maria Roch, echtgenote Domini Formon. 1730 : Dominus Andreas Formont. 1765 : Katarina Pietin. 1767 : Pieter de Troch. 1775 : Jan de Cuyper. 1777 : Lamhrecht Loicq (Loeck) echtgenoot van Katarina de Groot. 1796 : Anna Maria Stroohant, kind. Onder het oud regime hadden kerkhofvergunningen geen zin, vermits de notahelen in de kerk hegraven werden. De eerste grondvergunning op het oude kerkhof werd in 1852 aangevraagd door de weduwe de Meurs (3 x 3 m.). Later, in 1857, geeft deze 30 fr. aan het armbestuur voor die grond. In 1866 krijgt Dame Eu~enie Theyssens geboren de Meurs een vergunning berekend tegen 25 fr. de m 2• In 1884 werd een tarief vastgesteld. Personen uit de gemeente : 30 fr. plus 5 fr. per m 2 ; buiten de gemeente : 60 fr. plus 15 fr. Grondvergunningen werden toegestaan in 1884 aan Charles Adolphe Ferdinand de Meurs, de wed. P.-J. Dijckmans, eredirekteur der Belastingen; Verstraeten-de Meurs; in 1886 aan Sebastiaan de Munter, meestergast in de fabrieken de Meurs. In 1885 aan Karel Remy Claes; in 1887 aan Gustave de Meurs van Huizingen; in 1889 aan P.-F. van Keerherghen. In 1908 werd voor de eerste maal in de gemeenteraad voorgesteld een lijkwagendienst

150

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

,)

in te richten, maar wijl tot 1912 niemand zich aangeboden had on1 die dienst te ondernemen, hesloot de raad zelf een wagen -aan te kopen. Deze beslissing werd evenwel nooit uitgevoerd en in 1913 werd de zaak verder verdaagd. Inmiddels kwam er een oplossing door partikuliere ondernemingen uit Ukkel en uit Eigenbrakel Tot vóór de eerste oorlog bestond het gebruik met Allerheiligen en Allerzielen op de graven brandende kaarsen te steken. 's Avonds waren die honderden pinkelende vlammetjes ~en eigenaardig schouwspel. Na de oorlog verviel dat gebruik gaandeweg en werd dat der steden overgenomen, nl. de graven te versieren met krisanten. Zo heeft elke tijd zijn eigen aanschijn.

INKOMSTEN VAN DE PASTORIJ De inkomsten hestonden hoofdzakelijk uit een gedeelte van de opbrengst der tiendebelasting. Dat gedeelte was doorgaans nogal schraal berekend. Bij een overeenkomst van het jaar 1522 had de abdij van Vorst aan de pastoor alle grote, kleine en novale tienden afgestaan tegen een jaarlijkse vergoedhig van 10 mudde koren en 10 mudde haver. Alleen de helft van de vleestiende en de offeranden; die aan de abdij behoorden, waren daarvan uitgesloten. Door die overeenkomst werden de inkomsten van de pastorij aanmerkelijk opgevoerd. Te meer daar naderhand de waarde der tienden, evenals van andere goederen ten minste verviervoudigde. Maar wellicht waren de uitgaven in dezelfde mate gestegen. De pastoor genoot ook een tiende te Beersel en te Linkebeek, welke laatste bestond uit 1/6 van de grote tiende. Deze tienden waren voortgekomen van de Vrouwenabdij van Vorst, die ze bij de akte van 1190 hekomen had. In 1685 werd door de pastoor van Linkebeek, die als inkomsten 20 bunder land, een zeer kleine tiende en een novale tiende bezat, een geding aangelegd tegen de pastoor van Rode, de abdij van Vorst en de heer van Beersel. Het duurde drie jaar en had tot gevolg dat de pastoor van Rode zijn tiende onder Linkeheek afstond tegen een jaarlijkse erkenningsvergoeding van 6 gulden. Zo zijn er al eens betwistingen geweest tussen de abdij van Vorst, de pastoor van Rode en die van Linkebeek over de inkomsten. In 1754 merkte de pastoor van Rode aan, dat wat de dochterkerk van Linkebeek betreft, de pastoor van Rode aan de abdij van Vorst de helft van de kompetentie (de inkomsten) van de pastoor van Linkeheek van 1754 tot 1765 moet vergoeden. De jaarlijkse inkomsten van de pastorij bedroegen in 1774 : openbaar verpachte tiende 940-15 g., uit de hand verhuurde tiende 232-16 g.; de zaadtiende 60 g.; het curen· of pastorijland (5 bttnder) 4 g.; samen 1373 g. 11 st. De jaarlijkse lasten bedroegen : aan de

151


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

abdij van Vorst 228 g., aan de onderpastoor 240 g.; voor de herstel~ ling van het pastareel huis en de stallen 40 g. ; de 20n van de dorps~ lasten van Rode en Alsemberg 84 g.; aan de kerk van Rode en Alsemberg aan de heer van Drogenbos, die van Aa, 5 g; samen 604 gulden. De inkomsten waren dus nogal belangrijk, maar de uitgaven waren het ook. Pastoor van Achter (1772-1796) hekloeg zich over zijn inkomen : Dese drie jaeren was den oogst wel ·geluckt, in het toekomende riskere ick noch hagelslagh, misluckte oogsten, oorlogh en andere voorvallen als banqueroeten etc. aengesien het meestendeel sijn arme n1enschen, bessem-ruakers, die den pastoor dickwils moet almoesse geven, want de taefel van den H. Geest heeft noch geen 20 guldens inkomen voor een gemeynte van 1100 communicanten (paasplichtigen) interim (ondertussen) moet ick altijd de lasten drae· gen lukken of niet» ... De tienden van Linkebeek zijn 150 g. waard, zegt hij, waarvan ik er 140 aan de pastoor aldaar moet geven, en ~aarvan zou ik nog de pastorij moeten onderhouden. . In :1 '789 genoot de pastoor de tiende op de volgende goederen : « Drij bosschen van Terkameren, den eenen genoemt den nieu- wen geplanten bosch groot drij bunder salvo justo, den 2n den Berkeren bosch van de selve groote; den 3n den klooster weyde groot vier bunder, item eenen nieuwen lleplanten hosch tusschen Lansrode en St Anne cappel groot twee bunder salvo justo, item een nieuw beplant bosken tegen Creftenbroeck groot een half daghwant; Item eenen bosch loopende van van lsterdael naer het hof ten Hout groot een hunder salvo justo. Item eenen bosch genoemt den Exterenbergh groot se~ bunders waervan de Marasdelle geen thiende geeft. Item de bosschen van Renderiek Tielemans den eenen groot een hunder en den anderen een derde van een hunder gelegen tusschen de bosschen van Terkameren en noch een klijn heneden Jakemijns groot een daghwant. Item het boske van Francis de Gelas gelegen tegen den bosch genoemt den Exteren bosch groot een en half daghwant. Item ten broek eenen bosch genoemt de Belleweijde groot..• Item ten broek een bosken paelende tegen Leonardus block genoemt het moulleke nu uytgeroyt. Item den bosch van Sr de Bie groot thien daghwant. Item eenen bosch van het begijnhof tot Brussel te Creftenhroeck groot drij daghwant. Item het bosken van de Bekker orutrent het gehucht paelende tegen Sonien groot een en half daghwant. Item het hosken van pachter Steps tegen de weijde van Gilllam van Ophergbe groot een daghwant » (Archief pastorij).

152

· KERKELIJKE GESCHIEDENIS

PA!STOREEL HUIS Van de oudste. pastorijgebouwen is niets.. bekend. Zoals o~eral zullen ·ze wel van hout, klei en stro geweest ZIJn, zoals het .overig~~s nog was in 1730 : « 't is nu zo dat men komt te vragen reparat1~n ende instaatstellingen van sijn pastorcel huys.. . dat van cleem Is, in steen te stellen, welck huys in slechten staet is » (A.A.) · In 1498 wordt het geheten << thuys van der erfcueren ». In het verslag van de landdeken uit 1572 staat te lezen dat het een grote, onlangs gebouwde pastorij was (K.A. 2323). Dit schijnt erop te wijzen dat ~e vroegere tijdens de Hervorming afgebrand of verwoest werd .. He!. Is hij die gelegenheid dat al het oud archief zal teniet gegaan ZIJn. In 1666 heeft het « Curenhuys seyn gerief van Kaemer, keucken, inganck, kelder, 2 kleyn kamerkeus ter aerde, .2 kamers. boven en solder, is als wel onderhouden van decken, plecken, Witten ende andersints met seynen hof, gerij pleyne, plaetse, schueren, stallen, waschhuys, hackhuys, groot ontrent % bunder, al wel onde~hou­ den » (A.A.). Bij het overlijden, in 1686, van pastoor Jan Minten bestond de pastorij uit de << nedercamere, de cleyne camere heneffens de voorcamere de cokene, de camer boven de achtercamere oft salette, den zolder,' den vloer (ingang of vestibule), de plaetse, den hovenbuere (bakhuis), den kelder, den stal ende schuer ». De over· leden pastoor h~at 2 kalveren, 5 . varkens en ~- :paarden. Een hele hoerderij ! Op een andere plaats luidt de beschriJVIng aldus.: « pasto· reel huys, schuet, hackhuys, stallinghen, hof, bascour », gelegen op een half hunder grond. Deze pastorij bleef bestaan tot in 1731, toen een ni~uwe werd gebouwd : «In het jaar 1731 is uyt de fondamenten rueuw opge· houwt het pa_§itoreel huys tot Ro~ ende heeft gecost de somme van 3700 guldens » (K.A. 7093). De nieuwe pastorij moet al vroeg te wensen overgelaten hebben, waarschijnlijk meer ingevolge gebrek aan onderhou~. dan door no~­ male sleet. Dat onderhoud viel ten laste van de abdiJ van Vorst dte evenwel beweerde dat de pastoor er moest voor zorgen:. In een geding tegen pastoor Fenain (1751-1772) beweerde de abdiJ dat de pastoor genoot en bleef genieten de rijke tiende van Rod~, .~e « curengoederen » en de kleine tiende te Beersel en dat het hilhJk was dat hij de kerk en de pastorij in goede staat zou houden. Pastoor J akohus van Achter beschrijft de toestand van het ~?bo~w als volgt in 1777 : « Aen mijn huys wilt de voorschreven ahdiJe ~Iet doen waer nochtans de keuke drijght van in te vallen, het paVIJ~~l is altemael in stucken, het en is niet geplafonneert, de vensters ZIJn rot, het is veel te küjn, sijnde maer eenen sma11en en enkelen bauw, de haute stallen sijn alreets van ouderdom. geconsununee~t, en aengesien het ter occasie van 't bouwen der nieuwe kercke, ik

"

153


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESIUS:.RODE

alles gratis laet tot het gerief der geseyde ahdije, sèhuer en stallinghen, alles wordt nu meer als oijt versleten en gebroken». In 1791 werd ein?~lijk een overeenkomst gesloten tussen pastoor van Achter en de abdiJ voor het houwen van een nieuwe keuken die « in perijckel is van inne te vallen ».. De abdij zal die keuken ;< ten gronde doen a~~erpen ende op de selve plaetse een nieuwe opbouwen ter groote ..gelijck de selve keu.ke actu.elijck existeert ». Buitendien zal de abdiJ « gehouden wesen een Ioote pompe te stellen mitsgaeders

De pastorij van 1727, vergroot in 1844 en afgebroken in 1938. (Pentekening Leo Theys. Cliché «Eigen Schoon » en « De Brabander»)

eene camer te rnaeken met eene grote venster hoven de gemelde keuke dewelke haeren inganek sal hebhen hij middel van een te maken deure in de muer van het huys neffens de keuken». Als aandeel moest de pastoor 500 g. betalen. Aan een oud gebouw zijn voortdurend kosten te doen. In 1843 stelde de kerkeraad voor een nieuwe pastorij te houwen « aenmer· kende de vervalling van het gebouw en daer en hoven ongenoegzaam i~ voor de bewoning van de heeren pastoors en onderpastoors >. Arrond11;sementsbouwmeester Spaak maakte in 1844 een ontwerp op

154

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

"

ten bedrage van 24.000 fr. De gemeenteraad was het niet eens met een gebeel nieuwe pastorij en stemde ten slotte e~~ toelage .voor een vergroting « vu I'état de délahrement de ce hallment qui est loin de suffire pour l'hahitation du curé ». Het ontwerp bedroeg 7.500 fr. De vergroting bestond in een lange smalle vle~gel aan de westkant aangebouwd. Aan die kant werd dan een Ingangsdeur gemaakt en werd die aan de oostkant in een venster veranderd. Omstreeks die. tijd werd een muur opgericht «langs ~en bof van de pastorij nevens de weg geseyd Waterstraat (nu Fonteinstraat) in de plaets van de haeg staande langs die straet ». In ~85! werd een brugje over het pastorijvijvertje gelegd. De pastoriJlUID was daardoor helemaal ommuurd. Die muur was alleen door . de ~erk bekostigd geworden en derhalve niet gemeenschappelijk. In 1869 vroeg de familie van K.eerherghen de muur oostwaarts tegen hun goed als gemeen te hescbouwen. ~n 1870 _verkocht graaf Louis O'l(elly de Galway, die toen de latere villa Mahhra~ bewoond~, eveneens de gemeenschap van de pastorijmuur aan die kant. Die muur was 11,37 m. lang en O'Kelly hetaaide voor de helft ervan 797 fr. We hebhen gezien dat de pastorij omstreeks bet midden v~n de 19e eeuw reeds in slechte staat was. Het moet dan ook niet verwonderen dat in het begin van de 20e eeuw pogingen ondernomen werden om een nieuwe pastorij te bekomen. In elk geval omstreeks de jaren 1930 was de bouwvalligheid dieper en diepe.r: doorgedrongen, en was het wezen zelf van het gebouw ondermiJnd : verweerde muren doorgezakte roosteringen, gescheurde en scheefgetrokken muren: vermolmde dakkap enz. De provinciale houwmeester H .. ~an Hall verklaarde dan ook in zijn verslag van 21.5.1937 dat « de hmd1ge pastorij zó bouwvallig was dat men de kosten om ze bewoonhaar te maken op 180.000 fr. mocht schatten, nl. veel te veel onkosten ':?or hetgeen meq er kon van verw:achten. Ik hen van . ~e~ng, MtJne Heren, voegde hlj er hij, dat bet veel heter zou zt~n dit gehou~, zonder houwkundig karakter, af te breken en een nieuwe pastonJ, in verhand met baar bestemming, te doen opbouwen ». En t~cb vond men in de o-emeenteraad slimmeriken die het heter wtsten en beweerden da; het gebouw nog in zeer goede staat was ! . Maar hun verzet bad alleen een politieke reden. Het was ~en ~ddel zoals een ander om stokken in de wielen te steken. Niettemin werd de pastorij in 1938 afgebroken door de Etablissements des fils J. Lorge te Wasmes hij Bergen voor de som van 800 fr. Een ontwerp voor een nieuwe gebouw was inmiddels reeds klaar van de hand van houwmeester H. J acobs. Doordat het kollege echter over geen meerderheid beschikte, slaagden tegenstrevers erin de aanbesteding te verhlnderen. Dit is een grote scbadepost voor de geme~ntefin~nciën g~wor­ den. Het ogenblik om te houwen was ~eer _guns!ig : ~~~e kredieten mede met het oog op werkverschaffing tn dte kriSISJaren war~n beschikbaar. Inmiddels brak de oorlog uit en was er geen kwestie

.

155


GESCHIEDENIS VAN SINT·GENESIUS-RODE

meer noch van toelagen noch van houwen. De pastoor werd O'ebuis.. vest in het huis toebehorende aan de weduwe van koster Jan Moder in de Dreef tegen een maandhuur van 600 fr. In januari 1944 werd door de gemeentewerklieden het over· blijvend puin weggeruimd en de grond, waar eens de pastorij stond, geëffend, zodat er geen het minste spoor meer van overblijft. ~~ 1945 werd een nieuw ontwerp opgentaakt ten bedrage van 2 m~lJoen, welk ontwerp Mgr. van Cauwenhergh tot één miljoen verminderde. In 1954 weer een nieuw plan met een uitgave van 2.200.000 fr., dat ook wegviel door de aankoop, in 1955, van een huis in de Kerkstraat 16, voor 900.000 fr. 600.000 fr. verhouwingswerken.

+

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

PASTOORS Voordat de parochie en de kerk ontstonden was aldaar de priester, de missionaris, gekomen om het zaad van het kristelijk geloof te strooien. Hij was een rondtrekkend man, zo~ls thans veel missionarissen in de verre landen, en het heeft welhebt nog heel wat O'eduurd voordat het ·.aantal gelovigen groot genoeg was en de heschlkhare middelen volstonden om de parochie te stichten, een kerk te houwen en in het onderhoud daarvan en van -de bedienende priester te voorzien. Wanneer dit gebeurde is niet bekend, zoals we reeds zeiden. Door de vergunning van een kerk met dochterkerken verkrege~ de abdijen en kapittels het recht de bedienaar aan te ste,llen. Uit

De oude, afgebroken pastorij. De pastorij met gedeelte aangebouwd in 1844 (ten noorden).

Sedert de Franse bezetting, die alle pastoriegoederen had verbeurd ~erklaaard, werd..er te lande fe] getwist over de vraag wie eigenaar IS van de pastoriJ, de kerkeraad of de gemeente. Tot in 1876 werd de kerkeraad als de eigenaar aangezien, indien hij 1o de pastorij aangekocht of gebouwd had; 2° indien ze bestond vóór de Franse omwente1ing en haar werd teruggeschonken door het Konkordaat. Hoewel latere rechtsgedingen de eigendom der pastorijen aan de gemeente toewezen, erkende de rechtspraak ook dat de kerkeraad ze kon teruggeworven hebhen hij de dertigjarige prescriptie, indien hij zelf gedurende dat tijdperk het onderhoud, de grote herstellingen, verheteringen en alle andere werken als eigenaar eraan uitgevoerd had (ESB, 1934, hl. 371).

156

dien hoofde heeft de abdij van Vorst steeds de priesters voor de pastorijen van Rode, Linkeheek en Beersel aangesteld. Over de allereerste eigenlijke pastoors is volstrekt niets bekend. De eerste die we aantreffen is: JAKOB VAN MELLELOE. « Priestere ende prochiaen van Rode », in een akte van verkoop in 1468, door de huisarm.en, van een stuk erf van 3 dagwand « soe heyde soe hosch » gelegen te Alsemberg, aan « meester Ghijshrecht geheeten Molenpas verwaer· der van den leenen ende leenhoeeken ende secretarys » van de hertog van Brabant (G. 336). Deze priester was waarschijnlijk herkomstig

157


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

van Brussel, waar tussen 1386 en 1429 verscheidene burgers van die naam voorkomen (Dr. E. Spelkens, « Intermédiaire des Généalogistes », 1957, hl. 286). JAKOB BEECKMANS. Treedt op 13 juni 1498 op in de haardtelling als : « heren J acoppe Beeckman, erfprochiaen tot Rode »... Hij bewoonde « thuys van der erfcueren aldaer » (Cuvelier, a.w.). KRISTlAAN MINNEBYER, in 1522 « priestere ende prochiaen der prochie van St- Genesius·Rode hij Alsenherge bisdom Camerijcke » (G. 7635, 7737). In de kerk van Alsemberg werd voor hem lang een jaargetijde gelezen, bezet op een geleeg te Tenhroek. De rente ervan werd afgelegd door Denijs de Duyf (A.P. Als.). In 1527 werd hij op aanbrengen van J acop de W ouwe met 3 st. 4 den. beboet omdat een van zijn vm·kens in Zoniën aan het grazen was (Rk. 12549). MICHIEL GIELIS. In een schepenakte van 1537, waarin hij en zijn broeder Jan, « secretaris des eerw. Reeren Bisschop van Camerijck, tot behoef van de prochiaenschap aldaer << schenken >> twee derdendeelen van een hofstadt oft woonstede metten huysinghen daerop staende lochtingen daeraan paelende ende alle toehehoerten groot een dachtwant... ende daer den vs. prochiaen ten tijde sijnde, dander derdendeel paelende aen de goeden van de erfge· namen wijlen J ans Claes ende metten anderen ziden tegen de goeden van de fahrycke van Rode commende metten voorhoefde tegen tsheeren straete. Item noch een stede daeraen paelende metteu huysinghe daerop staende ende auderen toebelloorten groot oyc een dachwant... na est vs. goeden tegen de goeden der erfenaemen Michiels van der Motten hoven den curen vau Rode... heneden tegen sheeren straete... op last van een jaergetijde metten soen· daeghsge bede dwelc de voers. kercke te lese plach » ... ..{G. 6636, fO 201 V 0). HENDRIK VAN DEN BLOEKE. In een akte van 13.9.1559: « heer Henriek van den Bloeke nu ter tijt prochiaen der prochie van Rode» ... (G. 6638 fo 57). LAUREIS VOS. In een getuigschrift in 1559 voor Wolfaert van der Caemeren, koster, afgeleverd door Hendrik van den Bloeke voornoemd « en heer Laureys Vos, priester prochiaen van Rode vs. geweest hebbende ende nu prochiaen der kercke van Halsenberge » (G. 6638 fo 57 ro). PIETER SUETINCK. « Priestere ende erfprochiaen van Rode», maakt in 1562 het testament op van Laureis de Ridder (G. 6638, fO 97). FRANS ROELANTS. Prior van het Klooster van Zevenhorren, werd in 1592 helast met de parochiedienst te Rode en te Alsemberg. BARTOLOMEUS PERIN. In een akte van 14-10-1568 van « per· mutatie van pastirije ende cappellenije als priester ende proebiaan des dorps van Rode ende aldaer woonachtigh ».

158

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

JAN HOREMAN. Vermeld in een schepenakte van 8-1-1570 (G. 337) als «priester prochiaen van Rode». Hij maakte in_ 1571 ;. een bewijs op « hij de welcke men bevindt dat J acoh Bruylandt zoon van Jan (dat jaar overleden) es een goet ende catholicq persoon van de ouder Roomsche religie (een soort van bewijs van burger· trouw ... ) en de alzoe met egheender hande heresie hesmet ofte infect sijnde »... Hij had dat bewijs nodig om zijn vader als vorster in Zoniën op te volgen met residentie te Rode. Als borgtocht moest hij 80 pond Artois storten. (RK. 295 fo 277). Jan Hoorman komt ook nog voor in een stuk van het K.A. nr 2323. In 1585 bediende hij ook een tijdje Alsemberg (A.A.). JAN VAN ONCLE. « Friestere ende pastoor van Rode», die men in verscheidene stukken aantreft, o.m. in G. 8326. Hij was. er reeds pastoor in 1597 en stond in 1603 tevens in voor Alsemberg. ROGIER VAN DEN BERGHEN. Treffen we aan in 1618 (G. 2854) in een afrekening tussen Jan van den Berghen en Jan Brumeels. In 1626 wordt hij vermeld in een geding inzake de huisarmen. In 1632 (G. 8325) heeft hij nog een geschil << over 2 thienlinge graens » met Pieter van der Haegen, pachter te Alsemberg. De pastoor had blijkhaar toen veel last om de hem verschuldigde rechten te doen uitbetalen. In 1636 heeft hij het weer aan de stok met pachter Steven de Leenere << tot hetalinghe van drije rinsguldens ter saecke van Sint Arme misse die sijne hoeven jaerlijckx schuldig is te hetaelen als pachter opt selve hof hesedt met noch twee veertelen rox over seker jaergetijt opt selve hof hesedt » (G. 884). Hij overleed zonder testament op te maken in 1633. Zijn broeder en zusters zonden een brief aan de aartsbisschop om een deel van zijn nalatenschap te bekomen. Hij zou zeer veel van zijn inkomsten besteed hebhen aan herstelling en onderhoud van de pastorij, zodat ~ze aldus benadeeld· werden. Ze wezen er ook op dat hij een van zijn neven « ter studien gesouden had die hem geerne sonde hegeven totten priesterlijeken staet ende hem onlancx een plaetse geprocureert in het seminarie van Antwerpen ». Deze studiën moesten nu voortbetaald worden (A.A.). Waarschijnlijk kregen ze geen voldoening en in 1638 stelden ze een geding in tegen de kerk- en armmeesters. Pastoor van den Berghen was denkelijk uit Rode zelf of altans uit de streek herkomstig te oordelen naar de namen van zijn erfgenamen : « Eodem die heeft Pieter de Leenere hem geconstitueert horge of cautionaris voor Peeter Loock ende zijne consorten erfgenaemen wijlen heer Rogier van den Berge aen den tegenwoordigen pastoor heere van Rode voer de weerde van de helft van zekere wintervitsen gestaen hebbende opt curenlant van Rode, ende dat m.its den arreste bij den vs. heere pastoir op de selve vitsen doen doene » (G. 8248).

159


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

},RANS VLEMINCKX. «Licentiaat in der Godtheyt ».Komt voor in een akte van 16-}2..1633 voor de betaling van 108 guldens te << Bahmisse ». Ingesteld 7-2-1633. Resigneerde in 1633. PIETER VINCK. Uit Brussel. Ingesteld 1-10·1639. Hij legde, in 1639, het eerste parochiehoek aan. Hij was te voren « capelianus per· petue capellanie S.S. Cornely et .Catharina in capello in oppido Thenensis » (Tienen). Hij overleed op 16-5-1652. We lezen in zijn overlijdensakte dat hij met veel ijver zorg droeg voor de parochianen, de kerk, de armen en de goederen van de pastorij. Vroeger traden de pastoors zeer dikwijls als notaris op. Pastoor Vinck maakte aldus gedurende zijn pastoorschap een paar dozijnen huwelijkskontrakten op die ingeschreven staan in het huwelijksregister. JAKÖB VAN CUTSEM, uit Anderlecht, ingesteld 15.6.1652, doopte hier voor de eerste maal op 4.5.1653. Tussen het overlijden van pastoor Vinck in 1652 en de aankomst van zijn opvolger zorgde pastoor Lukas van Lathem van Alsemberg alhier voor de parochiedienst (et pro tempore Rode desservitor). Volgens een telling op 8.5.1664 bestond zijn huishouden uit vier personen, hield hij 2 paat,. den, 5 koeien, 1 vaars, 3 varkens. Buiten het curenhuis met zijn appendentiën en dependentiën groot een-- half bunder, bewerkte hij 7 dagwand land in een hesloten blok, palende aan het goed van Sidrach de Ridder, aan dat van het godshuis van Rode Klooster en aan het kuregoed {waarschijnlijk het huidige goed van de familie de Greef-Mosselmans); een weide van % dagwand eigen goed palende ook aan de pastorij; een weide van dezelfde grootte, ook eigen goed, palende aan de wed. de Ridder en het kuregoed; een dw. land palende aan het goed van Cancellier van de:g, Winckele, aan de straat en aan het goed van het Geesthuis van Sint-Goedele te Brussel; een « hofken daer een schuerken op staet » groot een % dagwand, palende aan het kerkhof; een weide van Ya van een % hunder palende aan de straat en aan de pastorij. Hij overleed op 27.2.1671. Zijn erfgenamen waren Pieter van Cutsem en Jan V erheyleweghen, die een stuk land van Ya van een bunder verkregen gelegen te Alsemberg « op den Nijsenhergh » (G. 8286). Pastoor van Cutsem was in 1655 getuige hij de doop van het kind J akobus., zoon van Miehiel Meets en Marie de Cuyper te Dworp. SERVAAS VAN MALCOT. (S.T.B.P.). Waarschijnlijk door de Universiteit van Leuven benoemd 14.6.1671. Na vier maand dienst overleed hij op 7.7.1671 en werd in het koor bijgezet. JAN MINTEN, ingesteld 13.6.1672. Men treft hem aan in een paar gedingen in 1675 (G. 8257) om de betaling te hekomen van 4 gulden te.gen -Hendrik Delfosse voor de begrafeniskosten van zijn zoon. De parochiegeestelijkheid was in de regel nogal stug op haar rechten,

zegt Kan. Laenen. Dit gold vooral voor het toedienen van de sakramenten en de teraardebestelling van de parochianen.~ Tussen de pastoors en de kloosters ontstond vaak herrie daaromtrent. Ook te Rode zien we dat. Naar « sekere oude notiti~p :raeckende renten, cheynsen als andersints {had) de cueren oft pastorije van Rode (het volgende recht) : Item het clooster van Sevenhorre moet jaerlijcx geven aen den pastoor voor het hoochtijtgelt van de dienst· boden het vierendeel van een once silvers >>... Naar aanleiding nu van het overlijden, in 1679, van de knecht van het klooster, een zekere N. Heymans, eiste p.astoor Minten dat recht, dat sedert jaren niet meer betaald was geworden. Minten beweerde de pastoor en « sielsorger » te zijn van de dienstboden van het klooster. Hij tekende verzet aan tegen de handelwijze van de paters die aan hu~ knecht de laatste sakramenten toegediend hadden, terwijl zij daarop slechts recht hadden wat hun eigenlijke kloostergen1eenschap betrof. Pastoor Minten kreeg ten slotte na een lang en omslachtig proces, gelijk. Dat vierendeel van een « once silver » werd vastgesteld op 13 stuivers 1 blank. Pastoor Minten moet geen gemakkelijk karakter gehad hebben. Meer dan eens was hij in een of ander proces verwikkeld. Op 18.9.1682 werd hij verwezen tot een boete van 6 g. plus de kosten wegens « injurien ». Evenals de meeste parochieherders in die tijd, was hij tevens landbouwer. Zijn veestapel bestond uit 4 paarden, 5 koeien, 2 kalveren en 5 varkens. Van tijd tot tijd moest hij dan met kar en paard de haan op. Zo reed hij op 21 november 1681, vergezeld van zijn nicht Mechtildis van Hasselt, zijn knecht en Arnout Huhlou, koster en burgemeester, naar Brussel. De Alsembergsesteenweg bestond toen nog niet;· hij werd pas in 1740 aangelegd. De weg liep over de Nijsberg, de Brusselweg, de Galg, het Hongerijenhof, en liep uit op de Heirweg te Beersel, en verder over Kalevoet, Stalle en Vorst. Te Stalle, aan de herberg De Kroon, was een tolhareel, waar weggeld geïnd werd. Toen onze reizigers er die dag aankwamen werden ze onthaald op klachten van de « pachtersse >> van het tolgeld, die beweerde dat pastoor Minten haar drie weken tevoren « ter handt gestelt hadde een wit oort in de plaats van eenen hlaumuser ofte stuck van 3 stuyvers ende daerna niet had willen supplieren ». Door haar dochter liet ze er Jan de Ridder, gezworen vorster op Zoniën, bijroepen. Er ontstond een krakeel en hoewel Minten wilde betalen, maakte de vorster een proces-verhaal op en daagde hem dadelijk om enkele dagen nadien te 10 uur op het Broodhuis te Brussel te verschijnen. In de « aenspraeck ende conclusie » wordt eraan herinnerd dat volgens het keurhoek « ofte Eeuwigh edict geen vorsters mop;en aengetast oft geinjuneert worden ofte door afd.ragende woorden ende affronten nyet en mogen worden wederhouden van het bedienen

160

)

161


KERKELIJKE GESCHIEDENIS

GESCIDEDENIS VAN SINT-GENESIUS..RODE

van hunne functies ofte zoo nyet moeten de schuldiO'en met rigoureuse 0 penen gecorrigeert » wot·den. · ~!nten werd. ~rvan beschuldigd de vorster << gedrijght te hebhen dat hiJ aidyen hiJ geenen priester en waere, den selven soo gesont uyt den huyse (de Croon~) nyet en soude ga en », hem verwijtende v;;m « Jan Fouter, coetJongen, verckenswinger ». Tijdens « den discoursen had de knecht den vorster stommelinckx van achter vermeynt op het ~ooft te slaen metten stapel van sijn claissoir », wat door de aanweztgen echter verhinderd werd. De « nichte des gedaeghden... aldaer oock tegenwoordig sijnde, had den knecht aengewackert ende geseyt dat hij den vorster den cop sou inslaen »... In zijn . verweer verklaarde pastoor Minten dat hij « op sijne kerre aencommende tot aen de Croone oft drayhoom gestelt tot Stalle eenigh .. different gehadt hadt met de pachtersse van het wechgelt ». HIJ en « verstonde nyet zoo onheleeft geblammeert te word~n _voor eenen bedrieger ... de pachtersse had door haar al te seer Indiscrete tonge haer vermeten sigh te vanteeren hem te doen arresteeren... gedreven door eenen hoosen wint was ze geloopen tot Jan de Ridder tot Uccle... sijn geselschap oordeelende dat de · pachte_r.sse hij dranek gelijck oock dito de Ridder was» ... Nochtans~ was ~J << tot d~n vorster gegaen hem seggende goeden avont. Wel Ja~, IC~ hen hier soo veel als gearresteert, wildij voor mij horge blijven · » In Rlaats daarvan antwoordde Jan : « Gaet wandelen, men weet dat giJ..eenen grooten schreewer zijt... waarop de pastoor: Wel Jan, weet giJ ~el wat casack gij draeght ende wyens waepens daer op staen... giJ versta et uw officie nyet, doet hem uyt en ge?~t hem aen iemant die het verstaet... gaet henen de verckens driJVen... Maer neen, Jan, soo opgehlaesen van bier als van onbeleeftheyt, op.hef.f.ende sijn fusieck ende dreygende vermeten van- te seggen dat ghiJ hiJ Godt geenen paep en waert ick sonde u wel anders leeren »... , waarop Minten antwoordde « waert saecken dat ick geenen priester en waere gij en sonde mij alsoo nyet affronteeren »... Er was daa~ veel volk in de Kroon en verscheidene personen werden als getmge ~pgeroepen, o.m. Franciscus Jozephus Daneels « scho~lmeester van SlJnen snele ». Deze had de priester horen zeggen «dat Ick de croone nyet en droeghe wijsende naer sijnen hoofde ende . oph?ffende sijnen stock ende dreyghende, seyde d' een oft ander petit homme grand creur (?) ». Waren daar ook Jan van der Eist, « chirurzijn », evenals de vrouw van molenaar Clerens van Alsemberg. Het proces duurde lang en hoe het afliep is niet uit te maken. Het getuigenverhoor laat de indruk dat pastoor Minten wat te heftig geweest was. Hij was een braaf man, maar kort aangebonden, zoals er zoveel zijn. Hij overleed : « 11.6.1686 obüt reverendus admodum dominus Joannes A1:inten presbit~r et pasto.r in Roda S. Genesii est sepultus in alha I choro ad patins ver legttur et cantatus epistola reqniesoat

162

)

in pasce reliquit prope prepositum anniversarium >>. Tot voor de eerste oorlog werd dat jaargetijde nog opgedragen. Zijn testamentuitvoerder was Hendrik van Berekenbosch p-astoor van Beersel (Bt). Deze had zich echter als dusdanig laten vervangen door de pastoor van Sint-Gillis-Brussel. De voornaamste erfgenaam was Mechtildis van Hasselt, zijn nicht die, op de pastorij woonde. De erfgenamen hadden heel wat last en ze moesten zelfs procederen om in het bezit te komen van schuldvorderingen, onder meer tegen Jan de Ridder « tot hetaelinge van 27 guldens :voor eenen ingecochten messinck ». (RAB, WR, nr 404). In 1685 was reeds ook Theodoor Leyskens, schoonbroeder van Minten, in de kerk hegraven geworden << prope matrem meam », naast mijn moeder, schrijft hij. Zijn moeder, .Mathia.· W ou~ers alias Minten woonde· bij hem in en was overleden op 3.8.1680, ·tachtig jaar oud. In de Rijksarchief te Brussel ( G. 8303) vonden we. de hoedelbeschrijving van de nalatenschap van de pastoor. Ze is belangwekkend omdat we er een kijk krijgen op bezit en levenswijze van een dorpsherder uit die tijd. «Inventaris van alsulcke menhele en andere effecten als bevon· den syn ten sterfhuyse van wylen den Eerw. Heere JOES MINTEN in sijnen leven priestere ende pastoor der prochie van Rode gestaen ende geleghen binnen de selve .prochie omtrent de kercke aldaer op den xxj J uny 1686 Coram RQelandt van der . Eycken meyer Mr. Jan haptista van der Eist Jan Beymans ende Andries Machleis schepenen en wij onderges. als greffier. Item als volght : In de neder camere: In den eersten een hangende horologie metten swert boute casse ; Item een ledicant met sijne van witte en groene gemengelde stoffe hehanchsel gordynen en ommeloop met een hedde twee oorcussens en hooftpo· linck; Item eene houte schrijnhout tafel; een swert senbantien (I~) met een overelect ; sesse houte stoelen ; drye spaenschelaere (2) stoelen en eene swerte leenstoel; - eene schilderye representerende de Justitia Salomon; -een gelaesen berdt met drye wyngelaesen; - vyf soo clyne als groote schilderyen; noch eene representeerende de doode moeder van voors. heere pastoor; - sesse pampieren beldekens soo in liste als sonder; - een cleyn spiegelken; - een crucifiss wesende swert hout en vergult; twee houte capstocken; - een schinck oft stortherdt. In de cleyne camer beneffens de voor camere: Eerst twee bussen oft fusillen; - Item een slecht schapprayken; -een schabelleken; - eene fnuppelinghe sargie; - eenen capstock. In de cokene: Item eene..• hanck oft schappraye van weechen (l) Schrij.ftaféltje. (2) Vau Spaans Ieder.

163


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE · KERKELIJKE GESCHIEDENIS

hout; een gelaese herdt met een hiergelas; -- twee eyseren ht·aetpannen; - eenen swerten Jlotleest; - acht àerde soo potten als pinten; - een tenue sautvat; - een en tenuen moestaartpot; eene co peren vierpanne; eenen houten keet·senhack; eene steyne cruycke; - drye haspels; - een hruyn houte. sautvat; - een hlecke lampe; thien tenue lepels; eenen roester; eene tange; - eene candelaer; - een eyset·e latte; - eenen eussel (3) ; twee eysere spoten; - twee tanghen; een en roester; - eenen heugel; - een cleyn eyken dechselken; - eenen co peren gieter en ketel; sesse houte stoelen; - eene houte opslaende schrynhoute tafelken. Inde camer boven de achter camere oft salette: Inden eersten een ledicant met twee gordynen, bed de en eenen hooftpolinek; Item stucken verkenvlees oft speek; - Item twee bussen; - drye stroeye corven; - eenen co peren ketel; - eene schrijnboute schap· praye; eene fnuppelinghe sargie; twee leersen; eenen stoel; - eene weymen waschmande; - vier tenue schotels; - eene sekel; - een en tenuen pissepot; - derthien tenue tellioren. Op den zolder: Een weynich coren. Inden Vloer: Eerst een houte schahhelle; - Item een veertel maete; - Item een schilderycken wesende een hatailleken. . Inde somer cokene: Eerst eenen houten hlock; - Item ee:O: cuype met vuyl lynwaet geprepareert o:rp. te wassen; - een deel gewasschen lynwaet in eene mande; - twee copere ketels; - twee lampkeus; - twee stoelen. Op de plaetse: Eerstens een leghe sluphancke; - een hancke; eene camillioen; - eene roede en swert geschilderde kercke deure. In den hovenbuere : Eerst een moillie meth decks el en een paele; - Item acht ledighe tonnen. In den kelder: Eerst sesse tonnen goet bier; - Item twee tonnen cleyn hier. In den stal: Eerst vijf koyen; - Item twee calveren; - vijf verckens soo groote als cleyne; - vier peerden; - drye kerren; twee ploeghen; - een eghde. In de schuere: Een deel stroyt om te stroyen. Op de plaetse: Een partyken wishout en heytsel; - Item een meyssinck. In den hof : Eerst vyfthien corven met hien; - Item vier eydele hiecorven; - Item eene partye hopstaken. Item alsoo mechtildis van hasselt nichte van voors. heere pastoor heeft verclaert dat op de camer hoven de cokene waeren sckere pampieren soo den arme kercke als de prochic en ander den voors. wylen heere }>astoor racekende en dat den heere pastoor van heerssel (3) Ensel, unsel :::::::: knipwaag, balance romaine.

164

schepenen den selve pampieren geen acces oft inspectie en hebhen ) connen nemen, soo is de selve camer toegecachetteert weseh ter presentie alsvoors; dus memorie. Aldus gedaen geinventariseert ende bevonden binnen die voors. prochic van rode ten daeghe rnaende jaere en ten overstaen alsvoren. Ita attestor als greffier ». Deze inventaris, die ons tevens de plaatsbeschrijving van de pastorij geeft, vermeldt geen hoeken; Pastoor Minten was nochtans een geletterd man. Had hij ze misschien reeds weggeschonken aan familie of vrienden, hv. pastoor Berekenbosch? Meelttildis van Hasselt overleed te Rode op 8 mei 1705. PIETER EUGEEN NOPPEN. Ingesteld 13.7.1686, overleden op 5. 7.1706 en in het koor begraven. In het Album Pastorem, .deel I, lezen we: << 1679 Pastor Petrus Eugenius Nopen 1683 transiit in Zandhergen ».Pastoor Noppen trad ook vaak op als notaris. Een paar van die akten volgen hier : « Op heden 22.7.1694 sijn overeen gecomen Qrestiaen van der Eist en J enne de Smet weduwe over het weesegeld te weten dat de kinderen van de voorschreve J enne de Smet genoemt Sussane, Niclaes, Huyhereght, Lisehet, sullen hebhen elcks 12 guldens te weten : als si.i sullen gecomen sijn tot eenen vasten staet ende waer het sacke is sommige quamen voor te sterven hun deel van het selve weesegelt oock sal te niet blijven souder te versterven op de andere ende in caes J enne de Smet toecomende huysvrouwe van Qrestien van der Eist quam voor hem te sterven den vs. Qrestien sal behouden de tocht sijn leven langh van het ghelege hun huys op staet groot 3 dagw. hier in hegrepen een dagw. dat teghen aen het selve huys is daer voor sijn salvis obligeerende te onderhouden de voorsijde kinders van J enne de Smet tot den ouderdom ieder van l6 jacren ende , het huys te onderhouden in behoorlijeken staet dit alles gedaen in de presentie van Bertel Simeons en Jan de Smet als getuygen »... « Op 21 ~ay sijn gecomparéert voor mij ende getuygen hier oudergenoemt Jan Panneel wevenaer ende Cathlijn de N ayer weduwe dewelcke samen willende trouwen op de naervolgende manier eerst met maleander sijn in accordt gecomen dat hunne respectieve kinderen niet en sullen iedts mogen pretenderen aen de meubelen de welck.e in 't sterfhuys sullen gevonden worden voor de doodt van alheyden naer dewelcke de voorschreven respectieve kinderen sullen gelijckelijck deylen tgene als dan daer sal gevonden worden soo nochtans dat ist sacken dat Cathlijn de N ayer eerst comt te sterven den voorschrevenen Jan Parmeel sal gehouden sijn ha ere kinders te onderhouden soo sieck als gesont . tot sij tot staet sullen gecomen sijn in teeeken der waerheydt hebhen de comparanten neffens de getuygen dese onderteeckent desen 21 may 1698... » « Op heden desen 17 mey sijn. voor ntij ende getuygenen hier onder genoemt Peeter van der Zande en J enne Berckmans dewelcke van sin sijnde samen te trouwen hebhen voor weesegelt geaccordeert

..

165


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

aen het voorkint van den vs. Peeter van der Zande wevenaer dat het vs. kind 1net naemen . . . . . . . . . van der Zande als het tot staet sal comen, te geven 100 g. eens gelijck sij accorderen hij dese mits J enne Berck.ntans in cas sij overleeft Peeter van der Zanden haeren toecomenden man sal behouden de tocht van alles haer leven langh ende in cas de vs. Jenne Berckmans quam te vinden in het sterfhuys van Peeter van der Zanden, meer geit als 60 g. sij pro rata van die minder schuit sal moeghen dat weesegelt geaccordeert op costen ende verminderen». Op 9.7.1706 werd een desservitor aangesteld: Jan Hagaerts (AA). JAN-BAPTIST VAN SANTEN. Uit Halle. Ingesteld 20-6-1707. In 1695 was hij kapelaan van het H. Kruis te Wale1n (Gesch. van Walem). Van 1697 tot hij zijn benoeming te Rode was hij pastoor van Bogaarden. In Hallensia, 4e reeks, van J .-M. van den W eghe, 1936, hl. 113, lezen we dat een Jan Borremans, geboren 2-4-1640, zoon van Jan en van... van den Gehuchte te Halle, na eerst onderpastoor in Sint-Goedele te Brussel geweest te zijn, op 68-jarige leeftijd pastoor te Rode werd. Dit zou dan gebeurd zijn in 1708. Welnu; dit is moeilijk aan te nemen, vermits J .-B. van Santen toen alhier pastoor was. Echter ligt .er tussen het overlijden van pastoor Noppen (5-6-1706) en de benoeming van zijn opvolger een gaping van bijna een jaar, in welk tijdperk alleen Borremans ·alhier pastoor zou kunnen geweest zijn. Naar zijn biograaf, Firmin Blondeel, zou hij op 22-9-1707 overleden zijn, wat zou kloppen indien men daarhij dan zou veronderstellen dat hij misschien wegens ziekte vóór de benoeming van van Santen ontslag zou genomen hebben. Anderdeels zou hij, volgens Reusens, pastoor geweest zijn voordat hij kapelaan van Sint-Goedele werd, in welke funktie hij zou overleden zijn ! In elk geval, hij bekwam de kapelanij van Sint-Joris in de SintGoedelekerk en werd in 1684 bevorderd tot kanunnik aldaar. Hij staat bekend als zeer ijverig in de dienst der zielen en schreef de volgende werken die tot ons gekomen zijn : 1o Openhare Aenweysingh tot de waere Christenkerck, door een t'samenspraeck tu~ schen een catholijck ende partije, nopende l;aer eygendommen waer door zij uyt alle christeloose vergaderingen is kenhaer; met een grondighe wederlegging van de principaelste verschillen. Brussel. Jacobus van de Velde; in-16 van 63 hl.; 2° Eenigheydt des gheloofs oft wel grondregel tegen de grondeloose onwetentheyt... door een samenspraeck. tusschen een catholyck ende partij. Brussel 1693; in-16 van 58 hl.; 3° Kort hegryp van den grontregel ende vervolgh des Gheloofs, vervattende het Gheloof in eenen Godt : Wet van Moyses : Comste Messie : het Christene Gheloof. Brussel, Eug. Hendr. Fricx, 1696; in·24 van 162 hl.; 4° Antwoorde op de voorgeworpen Gheloofshelijdenis van Michaël Loeffins voor desen hekent onder den naem van Pater Cyprianus van Brussel, Brussel, Lambertus Marchant, 1698,

166

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

daarvan den sleutel was hebbende, waer door de voors. meyer e::1de in-16 van 191 hl.; 5° Den Christenen Elias aenwijsende den eenighen ende waeren Godt, de voorige W aerheyt van de wet Moysis, den Messiaen, ende ware Christene K.erck, Brussel, Lamhertus Marchant, 1698; in-16 van 392 hl.; 6° Kort onderwijs van de noodighste weten. schappen, ende oeffeninghen tot de saligheyt in het leven ende in het sterven~ 1-12. Dit werk beleefde vet·scheidene uitgaven. (Biographie Nationale, deel 2, hl 729-730). • Net als zijn voorgangers hield pastoor van Santen er een landbouwbedrijf op na. In 1747 bezat hij 3 paarden, 3 hoornbeesten, 2 « halfers » en 2 lopelingen (jonge varkens) en bewerkte hij 2 bunder, I dagwand en 50 roede land en weide. Het gezin bestond uit 4 personen. Hij overleed op 31.7-1751. (Die 31 ohiit rev. adm. Dnis Joannes Baptista van Santen pastor hujus parocchiae anno etatis... octogesima qui per annis 45 hu jus parochiae animarum sihi commissarurn cure quam zelotis sime incubuit ac per 10 annos eadem zelositate parochlam de bogaerde vixit qui tandem hic vita f ructus est ac ante magnum altare sepultus jaeet). De akte van de verkoop van zijn nalatenschap is bewaard gebleven: « Conditiën ende voorwaerden, daer opdat D. Heer J oannes Baptista van den Elsken, meyer der Parochiën ende Heerelijckheden van Rode, Alsemhergh ende Linckebeke als executeur testamentair, beneffens de geïnstitueerde erfgenaemen van wijlen den heer Eerw. Heere Johannes Baptista Vansanten in sijn leven Pastoor der parochie van Rode voors. ingevolge desselfs testamente gemaeckt ende gepasseert voor den Notaris M. D. Delcor present getuyghen op den 27-7 ll. wettelyck ende puhliquelijck voor meyer ende Schepenen der voors. Parochiën met den stockslagh aen den meestbiedende sulley. vercoopen alle ende iegelijcke meubilaire effecten door wijlen den voors. Heere Pastoor achtergelaeten ende t' sijnen sterfhuijze berustende bestaende soo in huysraedt, bestialen, gerecken, voituren, ploeggen, eghden, hout, hoy, graenen, stroo enz. mitsgaeders oock eenighe hoeken als andersints. Ende sijn de conditiën als volgt : (Volgen die conditiën}. Et facta est condemnatio. Hiernaer volgen de voorberoepen koopen meubilaire effecten: Boeken: a Lapide in Evangelia; - Auctuarium Fabri; Lessius de jure et justitia; Sermoonen van Bernardus; - den Bijhel in 't Vlaemsch met het nieuw testament in 't Iatijn; - scriptura Sacra ende voordere boeeken sijn innegehouden. 1 paer slaeplaeckens met 2 riawijnen - 1 paer laeckens met 1 paer flawijnen - 1 mattelasse - 1/2 dozijn servetten met 1 hanunelaecken - 4 maal 4 manshemden - 2 slaeplaeckens - 1 pluymen bedde met den bootpullinek - 1 groene sargie met 1 pluymen oorcussen - 1 stroosack - 3 manshemdens met eenighe doeeken - 2 slaeplaeckens en 2 flawynen - 9 handtdoeeken - 6

167


KERKELIJKE GESCHIEDENIS

GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

servetten met 1 hammelaecken - 1 witte sargie - 12 servetten en I hantmelaecken -: 5 cleyne hammelaeckens -- 6 servetten en I hammelaecken - 1 wercke sargie - 1 pluymebedde, hoofdpullinck, cafsack enz. . Ee~en ouden reysaedel ntet eenen ·toont - 2 stegelreepen, erepier, Cingel en mondstuck - een viertelvat - 36 1nelckteylen - 2 cuypkens met een spoelwiel, ·I thetaefelken. Een deel papiere schilderijen - alnoch een deel schilderijen van papier, gueridon ende twee dessairmandekens - een swerten stoffen casack, 2 jupons, slaeplijf, een peir leire eaussens - eenen casack, jupon en twee slaaplijven -- taefelcleedt, 6 servetten en I hammelaecken - een tafelcleetien, I themooreken en 1 mandeken met 3 flessen - I waefeleyser met I raeprooster - 1 spieghel met swerten lies~ - ~ .I chocola~-:~:JOtteken, mandeken en een deel pluys· merckt, schilderiJe, 1 cruCiftx - 1 schreynhoute schappreytien 1 schreynhoute lessener - een deel schilderijtiens. . I cleyne witboute eetschapreye - 2 witte boute taefels - 1 weeck boute schappraye ~et haeren voet - I botercuyp, roelekvat en koeyecuyp - 1 spinnewiel met 2 grawoilen - I tennen treekpot met suyckerschotelken - 2 melckcuypen met 1 spinnewiel, hanckxken enz. - I5 tonnen- 2 wijnstucken - 1 waschcuyp 1 taefeltje schincback ende laeye ..:...... 1 schrynhoute taefel - 2 'koeycuype~ met. ! melckcuyp - I hraedt casse met haer spit - 1 tonne tnet 1 WlJnstuck - I waschcuyp - 1 pluyme bedde, hooftpullinek en 2 oorcussens - I kerre huyfve - I cacadoor, gritsel, .2 gaffels, schepnette en steeckeyser. I copere marmutte met haer decksel I eyser cassoir - 1 copere melckhaecker - I copere tourtpanne met haer decksel - alnoch 1 tourtpanne met haer decksel - I copere casserolie met dry copere pasteypannekens alnoch 2 c~pere casscrollen 1 grotten coperen ketel met I eyseren drijpickel - 1 mandeke met een deel oudt eyserwerck - 1 schilderije behelsende eenen winter - 1 schilderije - 1 liest om potten aen te hangen - 2 hloemstuckxkens met 1 andere schilderije - 1 schilderij~ he~~lsende d'offerande van Abraham - 2 sclulderijckens 7 schildenJen - 3 schouwstucken - I haegh scheir - 5 thetaskens, 6 schotelkens, treekpotten ende spoelcomme - 1 spoelcomme, treekpot, 2 thebussen, suycker schotelken en 4 echotelkens - I tenne schotel met 6 tailloiren - 2 tenne waterpotten - 1 waterpot van ten met 1 tenne hedde buys - 1 tenne schotel met 6 tenne tailloiren - 2 tenne eandelaers, mostaertpot, peperhusse en 2 saffraenpottekens - 2 tenne schotels - 1 tennen treekpot - 7 paer mauwkeus - 3 tenne schotels, 1 tenne comme met 1 boterpanneken - 1 witboute eetschappraye - 1 coperen mortier - 1 eoperen candelaer, 2 copere pannekens, 1 copere cruyckxken - 4 tenne botertalliorkens met 1 santvat - 2 eysere haelen met de eysere latte - 1 copere panneken, scheirbecken, vischspaen etc. - 2 eysere aelen - 1 eysere

168

croon capmes lepel - 2 tenne waeterpotten met 3 lepels - 2 schup· ·pen, greepe~ met 1 deel eyserwerck ~ I schuppe, tange, ~laespijp . - I rooster, coffoir, en copere keirspanneken. - 1 hemmes, ockx, eyseren haemer en ntestgreep - 50 ledige flesschen den 2n en 3n coop flessen - I kruywaegen - 1 botervat - I deel boonstaecken met eenigh ander hout ~ I deel latten - I deel planeken 1 coop latten - I deel eycken planeken - alnoch 1 deel eycken planeken - I ·deel hopstaceken ~ I deel flessen :- I meyte. hout - I weeckhoute eet scappraye I spaenscheleuen fauteml. ..,Gecontinueert 18 Augti 1751. - De geheelen hof te wet~n de potagerije fruyten ende andere vruchten sonder de hoeppe IS gebleven aen den heere desservhor alhier voor IO-IO. - I hoeckcasse. - I braede casse, 2 copere pannekene - 6 stroeye stoelen - 1, buste 4 boute stoelen - 2 eysere potten - 2 brandteysers, 2 tangen enz. 1 gieter, panne ende rooster - 1 gegoten hrandteyser - I boterpot - I mande enz. - I eysere latte, ketene - tentten waterpot, commeken, 3 steenen potten, hierpot - 3 cruycken, schaele enz. 6 biese stoelen. 1 pot met verckensliese - 2 melckheemers - I deel verckensspeck --.;... 2 boute stoelen, mostaert theyle etc. - I tennen ten-back, rietstock, eyseren pot, coperen ketel etc. - I schappraye en I vleeschhlock - I peir leire waggen - 1 schappraye - alnoch een schappraye - I hang heyser, vergulden liest, s!?el etc. - I deel houtwerk met I vleeschcuyp - 1 deel hout - partiJe eyckenhout 1 meytie stroo - I meyte .hout gedeckt met eytsel - I deel eyckenhout I meytien eytsel (I8 g.) - 1 deel hout - alnoch I partije hout - noch I deel hout - I hoop spaenderen - alnoch I partije spaenderen - I coop booroen - a~och I coop hoornen. - 1 eghde, eauter enz. - I heurrevat. en 3 WIJmen - I ploeghe 1 kerre - alnoch 1 kerre - 2 meytiens stroo - I wantmolen I wandt, mercktmande, 2 gritsels, sifte enz. - I co.op ~edorsen gerste stroo - allen den ongedorsten gerst (I8 st. par tierelinck) - allen het ongedo;sen graen - 3 leghhundels hoey - het restant van 't gershoeij - 3 en 5 leghhundels claverhoeij - I leeder met kerreseel - 2 eghde haecken. Koopen peirden met conditie van 5 schellingen drinckgelt : 1 peerdt genaampt Pie - alnoch 1 peerdt genaet~_Pt het stelle· p~erdt - noch 1 peerdt gen. Watermael. -- Koopen k~mJen 2 scheil. drmck· geldt : 2 koeyen - 1 osken - 1 kalf - 1 VIgge - I vercken. 3 waterheemers - de hoep met staecken - 1 sle~pmolen. ~et I kusseneel- 1 kevie met 11 kieckens- alnoch 1 keVIe met kieckens.-:2 stucken rauw gesanten vleesch - alnoch 3 stucken - I vleesch· cuyp - 1 havereasta - 1 seijsel - 3 tonne middelhier .• 1 tonne sterck.hier - 4 tonnen hier - noch 1 tonne met haer h1er - .2 ledige tonnen - 2 en 3 stellinghen - 1 deel hout - 1 vleesch· block. - I coop claev-eren op 't block achter de schuere - 1 coop achter den peerdenstal - 5 coopen daernaest - 5 coopen op 't

2

169


GESCIDEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

kerkenveldt. - 3 coopen haever op 't selve veldt op, den last van de thiende daeraen die onderworpen is 't zij aen de costerije, Pastorije ofte vrouwe ahdisse van Vorst als thiende hefferse ende Patroonesse der Parochie van Rode ofte wie van hen daertoe gerechtigd mocht sijn, de welcke van wegens dit sterfhuys tusschen malcan· deren desaengaende geheel gelaeten worden. - 10 Coopen terwe liggende gepiekt op 't selve veldt op den last van de thiende als vooren endevoorts dat den cooper sonder corten oock sal gehouden wesen te geven den 25n schoof aan den Pieker tot desselfs keuze. 7 sacken - 12 kaese ntanden ~ den ouden gerst is gebleven aen d'hr Fricx - 1 coop maut - 1 boute taefel - 2 coopen nieuwen gerst - 10 sisteren oude haever - noch het restant van de haever - I coop erwetten - I coop gerste krinsen - 10 taefelmessen I saedkleedt, sack etc. - 2 sacken met hoep - 1 steenen back - 3 tonnen 2 x 6 spaensche-leiren stoelen - I groote schrijn-boute taefel - eenigh oudt houte werck - 1 ledikant met behangsel - I souder - I ander ledikant .~ I nterrie veulen - 1 roode koeye. - Alhier gebracht om te vercoopen : << I grooten eyseren ketel en I eysere marntitte ». - Dit zijn de enige voorwerpen die hijgebracht werden. Dit gebruik bestaat hier nog en ook ongetwijfeld zoo wat overal. Meubelen competeerende a ende J oen heggijnties in 't particulier : I slaepntande - 1 eysere potteken met 1 cope:re ketelken - 1 metaele marmitteken met steenen inckpot - ledikant met blauw hehansel (toebehorende Jw. M. A. Vandermaelen) ». Wie die begijntjes waren is niet uit te maken. Mogelijk zijn het de twee nteiden der pastorij die met de pastoor en onderpastoor de vier personen uitmaken die in de verschillende rollen van beden enz. voorkomen. De verkoop duurde twee volle dagen en van al de omliggende dorpen waren kopers opgekomen. Er waren 290 kopen, die zonder orde alle dooreen voorkwamen. Blijkbaar zat Pastoor van Santen er goed voor. Gebrek aan eten en drinken was er niet en ook niet aan allerlei gerief om het te winnen, gereed te maken en op te dienen. Ongetwijfeld heeft hij het niet gewonnen met zijn kerk. Deze was steeds zeer arm en Rode was htûtendien een arme parochie, met een paar pachthoeven, de strikt nodige ambachtslieden - smid, timmerman, kleermaker en schoenmaker - en voor het overige arme « cossaeten » en vooral houthakkers en bezembinders. Tot hij de Franse omwenteling hielden al de pastoors van Rode zich bezig met landhouw en veeteelt en daarin vonden ze wellicht een verzekerde bron van hestaan en na lengte van jaren- voor Pastoor van Santen, 45 jaar- een hetrekkelijke welstand. JAN lVIARTEN FENAIN. Uit Brussel. Ingesteld 10-7·1752. Hij was bachelier in de godgeleerdheid en eerst 9 jaar pastoor te Bekker.. zeet Hij overleed op 23..4-1772 en werd hegraven in het koor aan

170

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

de evangeliekant. Sindsdien, in 1780, werd de kerk vergroot en ligt zijn grafzerk in de vloer van het schip zelf. Het opschrift _ervan ) luidt : « D.O.M. Monumenturn R.D. J oannis Martini Fen~in S.T. Baccalaurei Forma ti 9 annis · pastaris in Beckerseel et 20 In Rode Sti Genesi obiit 23 aprilis 1772 ». Bij testament stichtte hij «tot laefnisse sijnd~r siele een ~eu'Y~ge fondatie van 20 gelesen misse met den profundts te ~o~n In SIJne voorschreven parochiale kercke van Rode op 20 verschilbge donderdagen met expositie van het hijligh sacrament des autaer~ ». Voor elke mis kreeg de pastoor 10 stuiver en de koste~ 5 ... << tn remu· neratie van die 20 missen: een perpetuelle fondatle van 10 p~tten olie 's jaers tot het branden van de lampe van het alder~eyhgste venerabel : 10 g ». Samen met de missen bedroeg de fondatle 59 g. 's jaars. Daartoe werd gestort een « obligatie van 1400 duytse guldens op de banck van Weenen nr 2852 ». Het over~chot van de rente w~s bestemd voor zijn broeder en twee zusters Pteter Emmanuel, Mana Magdalena, Maria-Anna « souder interferentie d'een op d'ander ». Na de dood van dezen moest de rente overgaan op de « armen tafelen». JAKOBUS VAN ACHTER. Uit Zaventem. Ingesteld 26-6-1772. Was hier 21 jaar pastoor en overleed in 1793 en werd a~hter het koor begraven {post chorum), tussen de graven der vondelingen en vaderlandskinderen van Brussel Zijn broeder Jan, rustend koster van Zaventem, die hij hem inwoonde, overleed op 12-10-1796. Pastoor van Achter liet aan de huisarmen 10.000 g~lden na. ~et valt. echter te betwijfelen of het armhestuur integraal 1~. het bezit van ~1e som kwam. Het was overigens een zeer beroerde tiJd. In ~Ik geval In 1825 verzocht het armbestuur om betaling van 4500 g. « utt de naerlaetenschap van M. van Achter>>. De heer Poot, meier te Ternat, was nog 4000 Nederlandse gulden aan van Achter schuldig. He!. armhestuur vroeu om te roogen vervolgen. Pa~toor van Achter had hiJ de afsch~f­ fing t::~van het klooster van Bethanië te Bn1ssel door advokaat Gambter van Rode kerkelinnen laten kopen. In die periode worden drie huwelijken ingezegend door Pater Colomhus kap. « ex commissione desservhor ». JAN COOLS. Uit Bornem, geb~ren 28-~:1757, zoo~ van Daniël en van Elisabeth van W esemael. HiJ kreeg ZIJn benoeming van we~e de universiteit van Leuven en werd ingest~~d 1~-7:~795. Later, In 1801, werd hij pastoor te Lippeloo, waar hiJ schieliJ~ .~verleed ?P 5-4-1819 en hegraven werd onder het venster der saknstiJ. (Geschï:e· denis van Lippeloo, E.S.B., 1931). In een verslag voor h~t. aartsb~s­ doms staat van zijn hand te lezen dat hij « non est assiduts m studxo et Iectione sed sine tempore ~, wat te hegrijpen is wanneer me!I nagaat dat hij naast zijn pastoorsa~bt, net als .al ~? pastoors Uit die tijd, landhouwer was. Zijn genn bestond u1t ziJn zuster, een knecht en eeJ.l meid.

..

171


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

JAN-BAPTIST NORBERT JAMBERS, ,was hier pastoor van 1801 tot 1805, toen hij in dezelfde hoedanigheid overging naar Ramsdonk, waar .hij vroeger onderpastoor geweest was. Hij overleed te Meise op 16-5-1808, als bedienaar « casualiter ibidem existens ». B. VAN BOL. Van 1804 tot 1808. Het huisgezin bestond uit zijn knecht en zijn zuster met haar kinderen. J ...B. VAN GEESBERGEN. Van 1808 tot 1819. LOUIS SCHUERMANS. Geboren te Bost 1794, van 1819 tot 1843. HENDRIK-FELIX PEETERS. Geboren te Diest 9-7-1807, van 1843 tot 1858. Bij de vergroting van de kerk in 1859 had pastoor Peeters kort vóór zijn vertrek huiten weten van de kerkmeesters hij J .-B. van Hoof te Antwerpen een nieuw altaar besteld en verder voor 900 fr. werken in de kerk laten uitvoeren, wat aanleiding gaf tot een proces. JOZEF DAELEMANS. Geboren te Malderen 10-3-1816. Onderpastoor Ukkel 14-8-1839. Pastoor te Rode 17-12-1858 tot hij zijn overlijden 3-8-1880. Hij schreef, in 1866, « De Pelgrim van Halle », een volksuitgaaf, 126 hl., van het werk van Justus Lipsius, ter gelegenheid van het 600-jarig jubelfeest, en « Uccle Maria's dorp ». · _ FRANS-LODEWIJK AERTS. Geboren te Lille, op 6-11-1834. , Onderpastoor in de Sint-Germanuskerk te Tienen op 24-12-1858. Pastoor alhier op 18-9-1880, waar hij overleed op 25-11-1908. Hij was dus alhier 28 jaar pastoor en liet er de herinnering aan een ingoed en liefdadig herder. Hij was ook een dicht~r van meer dan plaatselijke betekenis. Als onderpastoor van de Sint-Germanuskerk te Tienen schreef hij een lang dichtstuk « Castelfidardo Lauwer op het Graf der FrancoBelgen », verschenen bij Boekdrukker G. Adriaan, Kiekenmarkt 26, te Brussel. Het verscheen ook in << De Tijd » te Tienen,- in 1861. Rechts en links, o.m. in de Nederduitse Bloemlezing van Bols en Muyldermans, in de Ware Volksvriend, verschenen verdienstelijke gedichten van zijn hand. Dr. Remi Sterkens vermeldt hem in zijn werk « De Priesters-dichters der Kempen >>. Even vóór zijn dood, evenwel, vernietigde hij al zijn letterkundig werk ! Het voornaamste gedicht van pastoor Aerts, is het volgende : DE GOTHISCHE KERK Wat wonderlied ontvangt ons op den drempel van 't heiligdom ? 't Is niet der psahnen toon, Die ruiseltend zweeft en in den hoogen tempel van Davids harp weerklinkt voor Davids zoon; 't Is niet de zang uit gouden mond en veder In Hellas taal den ongekenden God Ter eer gevloeidi zoo wonderhoog en teeder, Zoo ~wellend vo van bruisend zielsgenot; 't Is geen mmiek door orgelende kelen Des tnensehen horst ontstegen in haar vlucht, Waar al de toonen onze ziel in spelen, Als witte duiven langs de blauwe lucht,

172

. KERKELIJKE GESCHIEDENIS 't Is 't misehen niet der murmelende waatren, Die, paarlende in der zonnestralen glans, Al rinkelende in 't marmerhekken klaatren, Omhoog, omlaag in dartelenden dans; 't Is niet de tocht langs gouden koepeldaken Opvarend uit des Horens gouden vloed, De juichtoon niet waarmee hij 't grootsch ontwaken De zon haar beeld in duizend spiegels groet; 't Cypressenwoud bergt in zijn donkere kronen, Zijn blaadrendos van flonkerlicht doorgloeid, 't Mysterie niet der wonderbare tonen, ' Het hooger lied in hooger sfeer ontbloeid. Het is een lied zoo plechtig, zoo verheven, Zoo vol van hooge en hovenaardsche kracht, Dat het de ziel doet jubelen en beven, Als ze iedren toon met nieuwe geestdrift wacht; Hoe zal mijn toon dat reuzenkoor vertolken, Dat machtig zwelt, een toomeloze zee, Niet onder 't floers van donkere onweerswolken, Maar voerend heel der zonne luister mee ? 0 menschentaal, de spelende de kluistren Ontbinden kunt van heel het scheppingslied, Hier breekt uw kracht, hier wordt uw zingen fluistren, Maar zingen als die tonen kunt gij niet. Wat rees het heerlijk voor 't gezicht Het zinnebeeldig kerkgesticht (Een hymne in steen en eik gedicht). Der middeleeuwe kunst. Daar klimt het stout en trotsch op breede .grondvest heeft gezeteld, die de Rots, De onwrikbare Kerkrots ons beteekent, Uit stormgebeuk en 't golfgeklots, Den moker van Tyran en Hellepoorten, brekend. Leest ge. in den kalk, die muur aan muur (Ten spijt van luchtgeweld en duur) En steen aan steen verbindt, en eeuwen staalvast ketent, De liefde niet, die in Gods heilige kerkgemeent' En ziel met ziel èn mensch met God vereent, In eeuwigheid van sleet noch lossen wetend ? Het kantig frijtbosch, dat de muren ringsom schoort. Zijn zij, die, met Gods wijsheid hier omgloord, Van helsehen scheuringageest den schaapstal vrijden, Orakolmannen, die door schrift en woord De onvasten treden hoên van uit te glijden Op 't glihhrig voetpad naar de hemelpoort. En ziet gij; hooger op, die monsters niet (Wanschapen seorpioen en wreedgemuilde draken En grimmig tijgerhoofd) met opgesperde kaken En afgekeerden grijns den hemelregen braken ? 't Is 't Hellegeestendom, dat kerk en altaar vliedt, Gods heilige woon de zwarte zielen biedt, Gezengd door 't too.rnig hlikaemhranden, Dat uit onzichtbare cherubsbanden (Geduchte schildwacht der gez.alfde tempelwa.nden) Het ijaelijk nag:iert 1. •. Hooger sclûet

173


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

Het steile dak ZIJn goudgekamde tinnen Door lucht en neevlen heen, voert ziel en zinnen Uit 't stof ten hoogen. brengt mij klaat te binnen De steilte (slechts met taaien moed te winnen). Van Sions gloriedaken, waar 't op ziet. Een loofrijk torenbosch houdt wacht, Bescbaûwt de transen ! 't Is 't gemijterd voorgeslacht, De bisschop, die hier Jezus' heilleer bracht, De Apostels, die hier 't graan op woesten heigrond spreidden, De leeraars, die hier 't zaad in naakte voren leidden, En nisgehemelten en rijke beeldenschat. Uit ruwe klompen steen gehouwen, Haar zusters werk bezielt voor d'oogen, nimmer mat Die lustwarand van schoonheên rond te schouwen. Wat heiige huivering rijdt mij de leden door Bij 't overschrijden van d'ontzagbren drempel ! Wat hemelbalsemlucht waait uit 's Heeren tempel, Wat grootscl1e lofzang ruischt mij hier in 't oor Uit muur en pijler, vloer en welfsel, glas en koor !... 't Heeft alles ziel en stem, verheft het hart naar boven Wat heerlijk" aanblik... zijn wellicht de hemelhoven V oor mijn verbijsterd oog hier opgeschoven, En zweeft mij geest, hekleed met englenglans, De sterrelichtenkreits van 't zalig Sion langs ? 0 Heemlen, zoo ooit aardsche wormen, Uw scbaduw hier, uw heeltnis mochten vormen, Hier Heemlen, is uw schaduw. thans Wie zijn die rank gewassen zuilen (Een statig woud in hecht arduin) Die met hun gulden bladerkruin Schier aan het scheemrend oog outschuilen En wie, wie die serpentenmuilen Dit luipaardras, dit drakenbloed, Dat tusscben .'t kapiteelloof wroet En grijnst en stuiptrekt ? . . . Geen, de Kerkleerare u, De onwrikbare waarheidssteunpilaren, 't Aposteldom, dat staf en mijter draagt En 't geesdijk kerkgebouw als stut en schraagt;

In de onbesmette hand der kampioenen, Verwinnaars van de hel in 's levens worstelperk. Dit wordt door 't schip beduid - der strijdren kerk Waar Jezus vrijgekochten Door stagen duivelenlist en nooit vermoede tochten En 's werelds huicheltaal zijn aangevochten. Hier voegt dus schoon de predikstoel, Waaruit, in 't razend strijdgewoel, Der Priestren veldklaroen den krijgren toe komt klinken, Den zwakke moed geeft als hij zwicht, Den sluimerende opwekt- waar hij ligt, Den vluchteling weerroept tot den plicht, En 't zwaard van 't Goddlijk Woord verwinnend om leert blinken In 's Christen koene vuist ! Hier past de biechtstoel mee, GenadeweUend Siloë, Waarin het jat·en snerpend wee Der diepste zielkwetsuur gezalfd wordt en genezen, En van de rotte legerstee De neergesabelde, opgerezen, 't Herblonken schild aanvaardt, en, nieuw geharnast held Met Jezus' bloed in 't hart, naar strijd en zege snelt. Een prachtig traliewerk verbiedt den ongewijden Het koor, door Priestervoet slechts in te schrijden En laadt met eedlen trots op zwiergen zuilenpraal Het grootach amboon, het glorierijk doksaal. Wat heeft de beitel hier al kunstbevalligheden Aan groep hij groep uit harden eik gesneden; Het heimnisvol verhaal van vloek en Heilgena, Van 't erfsmetzwanger plichtvertreden, 't Verheur van 't versch geschapen Eden Tot aan 't verzoenend Lam, geslacht op Golgotha. Volheerlijk bovenal, blinkt fier en hoog, In 't ruim van den triomfwelfboog, De heiige slachtbank mij in 't oog Het gloriekruis, ontzag.. en eerbiedwekkend, Met koningsgoud omkorst en edelsteen bestrooid, Met leuteleliepracht omgroeid, Zijn zeegrijke armen den aanhiddren openstrekkeud !.. . Daar pn1kt zijn nu de zegevaan, Waar Hij, die Adams schuld had opgelaan, Den helleeuw mee bevocht, zijn muil den buit outscheurde En 't duurgewonnen kroost tot hoogren heilstand beurde, Tot eedler rang verhief, dan dien 't verloor Door d'appelbeet. Daar hangt hij tusschen scllip en koor De Middlaar~ Hij, de Grote Schuldvoldoener, 't Gesloten Paradijs ontgrendlend,... de Verzoener Vau God en mensch, die God en mensch in één persoon Vereende !.. . daar, daar heersebt Hij op zijn troou, D'Almaclltge dood en slangvertreder, Vol majesteit, maar liefdevol en teeder. 0 nader 1 schoon zijn Hoofd de keizerswrong omprang', Ach 't neigt ons vriendlijk toe en biedt de broederwang Zijn Zijwond gaapt en wasemt zoen uit en ontferming, Wijl Hij zijn palmen, vol erharming En als ver&machtend naar omarming, Van menscll.. en englendom tot spa.nnens uitstrekt. Daar, Wat lager spreekt ons 't heldenpaar, Dat onder 't dmipend galgaltaar

En dit, - het ketterdom door hen hestreen, Verpletterd, platgetreen; Een muitziek slangennest, zijn moederschoot verscheurend En, hardgenekt geslacht, Gods heilgena verbeurend Door eigen waanzin. Verder heen Vertoont zich 't koor, door priesterzool alleen Gedrukt, de Horeb, waar God spreekt uit wierookvlammen, Geen bloed van versgekeelde rammen Maar Goddlijk offerbloed gena roept op 't altaar. Het koor is 't hoofd van 's Heilands lichaam, waar 't Kruisvormig grondplan net en klaar op zinspeelt, wijl de beuk, die dwars voor 't midden schiet, Op hei zijn open armen ziet, En 't lagerliggend schip zijn maagdlijk lijf hediedt. Aandoenlijk rijst het koor, ter noordzij zachtjes hellend. Ons Jezus'neigeud hoofd aan 't kruis voor oogen stellend. Het koor is mede 't zinnebeeld Vau "t triomferend kerkgedeelt' Den Hemel, rustpaleis, 1vaar eeuwige palmen groenen

174

175


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

Zijn doodstrijd :meeleed, voor de deernisvolle Moeder En Hij, haar toehesehikt als hoeder ' Johannes, maagdlijk jongeling, Die aan des Heilands boezem hing, De alzuivre honingleer bem kuste van de lippen Johannes, wien op Patbmos' zeestrandklippen Der heemlen lichtpoort openging, En 't boek, dat tijdenzwaai en volkrenwenteling regelt, Door 't Goddlijk Zoenlam werd ontzegeld. Hier mag mijn oog geheel den kring Der kunstkleinooden, die ik zing, Met onverzaadbren lust doorweien. Met wat juweelenrijkdom praalt Gods Bruid van binnen ! Zaalgenreien Met kleuren waar geen regenboog hij baalt Maar vloeiend zonnengoud in 't vloeibaar glas gemaald Toewenkend uit pijlslanke vensterbogen ' Den palmtek in ~e band, den hemellach in de oogen, Van sterrenvonkeling doortinteld en omstraald; De gulden lichtkroon met haar zeven zonnen Het beeld van· 't zevental genadebronnen Uit Jezus'zij gestroomd - 't gewelfsel boog en stout Een net van bogen op een zee van blauwend goud ' Waar: hemels ter: in blinkt, of EngJenzwingen roeien ' Op leliën langs rib en bochten bloeien Godvruchtig ridderschap, sinds een eeuw geknield Op prachtig grafgesteent, de handen saamgevouwen · In ongestoord gebed, aandoenlijk uitgehouwen De wanden, door 't penseel verlevendigd bezield Hier spreuk bij spreuken uit Gods heilige Bladen· Door Englenhand ontrold - daar levensdaden In een taafreelenreeks - 't onzeggelijk schoon Van altaar - venster - muur - pilaar - gewelfsieraden Het kunst- en zinrijke van ieder deel 't Verkondt bier alles 's Hoogsten Woning, En gansch verhemeld bij die prachtvertooning Zink ik, van lieverlede, aanbiddend neer ! ... L. AERTS, Pastoor.

JAN-ERNEST MAGOSSE. Geboren te Tedanen (Overijse) op 27-2-1872. Zoon van Willem en van Maria-Teresia Pauwels. L~uvense Universiteit 17·8-1896. Leraar aan het O.L.V.-Instituut te Halle 14-91897, waarvan hij 7-3-1907 direkteur werd tot hij zijn benoeming te Rode 22·2·1915. Hij overleed er 26-1-1929. JULES-JOZEF PASTEELS, zoon van Kornelis en van Maria· Louisa van Nijverseel te Asse, waar hij geboren werd op 19-8-1876. Onderpastoor te Geldenaken in 1901; te Schaarheek Sint-Maria 1911. Alhier ingehaald op 10-3-1929. Ging 5-4-1937' op rust te Stokkel. Hij liet twee vensters in het koor weder openkappen, de centrale verwar· ming · in de kerk aanleggen. Daartoe werd naast het koor aan de noordkant een stookgebouw opgetrokken. Bij deze . gelegenheid werd vastgesteld dat de Kwadeheek onder het koor doorloopt~ Onder pastoor Pasteels werd ook de kerk helemaal herschilderd (in 1932). Hij overleed te Stokkei 28-2-1956. JAN VAN DEN BROECK. Uit Wemmel, waar hij 14.3.1891 geboren werd. Onderpastoor in Sint-Karolus-Borromeus (Molenbeek) 15-6-1916; in de Sint-Katelijnekerk te Brussel in 1923. Alhier pastoor 1937. In het Sint-Elîsaheth ziekenhuis te Ukkel overleden 16-2-1948 en te Rode begraven. Voor zijn zilveren priesterjubelfeest liet hij het nieuw marmeren hoofdaltaar plaatsen. JAN-MARIA-RAlMOND VAN STAPPEN. Geboren te Tildonk 23-6-1901. Onderpastoor te Dworp 7-6-1928; Meise 1931; Sint-J ans· Molenheek 8-2-1934. Alhier pastoor benoemd 21-3-1948.

(Uit « Christen Harp en Beitel ». Verscheen eerst in de « Nieuwe School- en Letterbode », november 1876. Ook opgenomen in «De Abdijkerk v~ De?-de~on~e ».door Dom A.M.T. van Kempen, 1902.) Het gC:dtcht ts eigenliJk gemaakt op de prachtige Sophla-kerk t?.Konst~tinopel, in 532-537 door keizer Justinianus gebouwd in hizantiJnse StiJl, ter ere van God de Zoon, de H. Wijsheid (Haya Sophia), thans verlaagd tot een moskee (Mgr. Dr. H.-J .-A. Schaepman Aya Sofia, V. hl. 47-49). ' AUGUST HERMANS. Geboren te Rotselaar 13·6-1867. Leraar in het klein Seminarie te Mechelen 28-9-1891; onderpastoor in Sint·J an en Niklaas te Schaarheek 3-1·1906; pastoor te Rode 4-1-1908 en er overleden 16-12-1914. Hij was een talentvol predikant en stelde de kindennis in te 9 uur 's zondags. In 1912 richtte hij het Gildenhuis op dat in de wandeling Patronaat geheten werd en later door Pastoo; van den Broeck in « Parochiehuis » omgedoopt werd.

176

ONDERPASTOORS Onderpastoors zijn helpers van de pastoor. Van een onderpastoor in de zin waarin deze geestelijke thans opgevat is was er vóór de 17e eeuw goon spraak. Bij tijdelijke door de overheid ingewilligde afwezigheid, ziekte of ander wettig beletsel, stelde de pastoor zelf of desnoods de deken of de aartsdiaak, in naam van de bisschop, een plaatsvervanger, een desservitor, een bedienaar aan (Laenen, «Kerkelijk en Godsd. Brabant », I, 263). Tot 1856 waren de onderpastoors alhier op de pastorij gehuisvest. Van dat jaar af, onder pastoor Peeters « aucun de M.M. les vicaires n'est plus logé ni nourri dans la cure ». Later is de «derde heer», de jongste onderpastoor, opnieuw op de pastorij gaan wonen. (Tot voor enkele jaren werden de heren geestelijken van de parochie met een bijzondere naam aangewezen : de pastoor was natuurlijk Meneer Pastoor, de 1ate onderpastoor heette de « kleine pastoor » en de 2" onderpastoor was de « derde .heer ».) Op een gegeven ogenblik hadden de Zusters een huis ter beschikking gesteld van de « kleine pastoor ». Thans huizen er de heide onderpastoors. Een lijst van onderpastoors kan niet zeer hoog opklimmen. Tot 177


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

ver in de XVIIIe eeuw stond de pastoor immers àlleen voor de zielzorg alhier. Een E.H. VAN WILDER troffen we aan in 1746. ENGELBRECHT LEEMANS wordt vermeld op 13.11.1748. ANTOON JOZEF DE DROOGHE, « coadjutor in Ro St. Genesius », die op 23.11.1751 als peter optreedt van Frans Jozef de Champs. PIETER JOZEF DE K~EYSER, geboren te Grimhergen 21.2.1727, als zoon van Gillis en van Klara Tielemans « vice-pastoor in Ro >> en andere plaatsen. Hij overleed te Grimhergen 5.4.1800, waar hij in de hesloten tijd hij zijn zuster verbleef. Hij studee1·de in het Kollege te Geel. MARTEN GHEUDE. Vermeld in 1770 en 1772. A. LUYSSAERT. V ern1eld in 1775. In 1802 « vica1~is in Eyseringen ». PIETER IDIERS'. Vermeld in 1776. PIETER VAN DER MEEREN. Vermeld in 1777. J.-B. LIJSEN. Vermeld in 1779. JAN BUYS, onderpastoor te Alsemberg, doopt te Rode in 1779. C.-J. LEROY. Van 1779 tot 1782. Werd toen rektor te Waterloo, dat tot dusver slechts een van Rode afhangende kapel ~as. PIETER DE MEYER. Minderbroeder van Boetendaal in 1783. C.-L. BOUCHEZ. 1783 tot 1785. P.-H. DE K~EL­ VER. 1785 tot 1787. J.-B. ROGIRRS. 1787. M. VERMEULEN. Minderbroeder van Boetendaal, doopt in juli 1788. J.-B. DE SMEDT. Van 1789 tot 1790. G. H. VERLUYTEN. 1790 tot 1791. P. J. MERTENS. Van 1791 tot hij zijn overlijden, op 11.12.1793, aan een besmettelijke ziekte « qui in ista paroeiria p1urimus vitam aufert » (die in deze parochie aan velen het leven ontnam). (AA.) FILIP JAN PENNEMAN, protonotarius apostolicus te Alsemberg, doopt te Rode in 1792~ Pater VAN ESPEN doopt in 1793, « ex commissione pastor » en nog in januari 1794 als « stationnarins ». J. REYERS tekent als desservitor op 24.12.1793. A. J. MERTENS doopt in mei 1794. JAN I(ORNELIS BOGAERTS doopt in april 1795. MARTEN VAN ZEEBROECK, geboren te Merchtem 2.8.1796, zoon van } akoh en van Barhara de Pauw, werd hier onderpastoor op 20.9.1820, waarna hij biechtvader en predikant werd in St. Goedele te Brussel. Op 18.1.1843 werd hij pastoor te Steenhuffel (ESB, 1934, 369). GERARD MASSART, 1816. JAN VAN DEN SANDEN, 1817. PIETER LE GRAND, 1818. ADRIAAN W.ILLEMS, 1819. J .-B. PEETERS, 1820. JAN GREGOOR DUWAERTS, uit Tienen, 1822. In 1826 te St. Katarina-Lomheek en pastoor te St. Agatha-Berchem in 1834, te Tollenheek van 1841 tot 1858. PIETER WAUTERS, 1826. KAREL HANEGREEF, 1834. PIETER DE HOUWER, 1837. J.-B. DE SMET, 1839. MICHIEL BECKERS, 1841. PIETER DE GEEST, 1843. PIETER BIDDELOO, 1843. PIETER RONSlVIANS, 1845. LOUIS VAN MOL, 1845. JAN BOGAERTS, 1847. PIETERVAN DER HASSELT, 1847. EGIDIUS VAN PEE, 1848. LOUIS DILLEN, 1849. J .-B. VAN LAETHEM, uit Merchtem, 1852. Later pastoor te Hekelgem. PIETER DE RIDDER, .1855. J ...B. GEUENS, 1857. JAN THOMASSEN, geboren te Geel 21.8.1836. Onderpastoor te St. Lamhrechts-Woluwe in 1864, te Rode in 1867. Pastoor te Battel in 1877-1905. Overleden 178

KERKELIJK~

GESCHIEDENIS

te Opwijk 20.11.1908. PIETER DE VOS, 1869, PIETERVAN CANT, 1875. JAN GOELEN, 1876. J.-B DU BOlS, 1877. VIKTOR PEINEN, 1879. PIETER EDWARD CELIS, geboren te Wilrijk 17.2.1850. Onderpastoor te Linkeheek in 1874, te Rode in 1880. Pastoor te Londerzeel in 1893. Overleden 2.8.1911. P.F. VAN GOETHEM, geboren te Boom 20.5.1858. Onderpastoor te Rode in 1882, te Wilrijk in 1883. Pastoor te Stabroek in 1904. Er overleden 14.2.1924.

Onderpastoor Edward van den Bogaert (1909-1930).

JAN VAN ELSEN, geboren te Asse 21.4.1852. Onderpastoor te Kaggevinne-Assent 1880, te Rode 1883, coadjutor te Drogenhos 1885, pastoor te Boondaal in 1892, pastoor te Lippeloo in 1899. Er overleden 18.4.1935. Schrijver, in ESB, van een geschiedkundige schets van de gemeente Lippeloo. JOZEF FRANS SALLETS, geboren te Aarschot 17.3.1860, onderpastoor te Rode 26.6.1885, pastoor te Miskom 22.3.1897, er overleden 30.7.1910. FRANS NEPOMUCEEN DE MAEYER, geboren te Puurs 11.7.1857, onderpastoor Hoeilaart 4.9.1885, coadjutor Hingene 15.2.1890, onderpastoor Rode 30.1.1893, pastoor Borchtlombeek 30.3.1908, aldaar overleden 6.8.1910. KAREL 179


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

PONCHAUT, geboren te Vollezele 30.5.1871. Onderpastoor te Rode 27.3.1897 en er overleden 19.2.1917. FRANS EDWARD VAN DEN BOGAERT, geboren te Rumst 3.7.1881. Onderpastoor de Sart-Dames· Avelines 20.12.1906, te Rode 1909. Pastoor te Groot-Bijgaarden 1930. Er ·overleden 19.1.1944. Over deze priester werd toen geschre· ven : « Op 19.1.1944, 14 jaar dag op dag na zijn aanstelling als pastoor van Groot-Bijgaarden, werd aldaar na een korte ziekte, onder een grote toeloop van volk, ten grave geleid de Z.E.H. Edward van den Bogaert die, na een kort verblijf als onderpastoor te Sart• Dames-Avelines, van 1909 tot 1929 alhier in dezelfde hoedanigheid zijn priesterlijke taak vervulde. Hoe jammer dat de plaatsruimte in de pers zo beperkt is, want enkele regelen kunnen niet volstaan om de vruchtdragende bedrijvigheid van de betreurde aflijvige te schetsen en om een verdiende hulde aan zijn nagedachtenis te brengen. Als voortzetter van het werk van de te vroeg verscheiden Pastoor Hermans, stichtte en bracht hij tot bloei al de werken .in het Gildenhuis en onder meer de W erkmanskring, de Sakraments· hond, de Toneelgroep «Klimop>>, de Boerengilde, de kleine en de grote Studiekring « Recht door Zee », evenals de Volkshoekerij, waaraan hij persoonlijk honderden hoeken schonk. Aan de oprichting van de Davidsfondsafdeling in 1924 nam hij ook een ruim aandeel. Door zijn scherp verstand, zijn uitgehreidé en veelzijdige kennis, zijn vrijmoedig en minzame inborst wist hij steeds te helpen, op te beuren, te verenigen, aan te wakkeren. Hij was een volks priester, een man van wijze raad, een man van God. Bij zijn benoeming tot pastoor werd hij dan ook op ontroerende en grootse wijze gehuldigd en op zijn inhaling te Groot-Bijgaarden was er haast geen huis van zijn oude parochie dat er niet vertegenwoordigd was. Zijn onverwacht verscheiden vervult ons met treurnis en zijn gezegend aandenken zal ons in lengte van jaren hijblijven ». FRANS VAN DE WALLE, geboren te Meerle 3.7.1886. Onderpastoor te Geetbets 21.1.1915, te Rode 1917. Pastoor te ZoerleParwijs 26.7.1939. PIETER VAN DEN MAEGDENBERGH, geboren te Rumst 2.7.1882. Onderpastoor te Waanrode 30.9.1907, te Rode 1921. Pastoor te Glabheek-Zuurhemde 20.1.1932. FRANS DE RONDT, geboren te Leest 3.12.1891. Leraar Klein Seminarie te Hoogstraten 15.6.1916, onderpastoor te Rode 19.1.1930, te Ukkel (Kalevoet) 30.4.1930. Pastoor te Weert-aan-de-Schelde 6.2.1940, pastoor te Steenokkerzeel 5.3.1944 tot 30.9.1953. CYRIEL UYTTENHOVE, geboren te Vollezele 4.9.1903. Leraar aan het O.L.V.-Instituut te Halle 21.4.1927. Onderpastoor te Rode 12.6.1930, te Vilvoorde O.L.V. sept. 1937. Godsdienstleraar aan het Atheneum te Mechelen. Sedert 1955 op rust te Rijmenam. JULES MICHIELS, geboren te Tremelo 22.1.1891. Leraar aan het St. Jozefsgesticht te Ternat 28.6.1919. Onderpastoor te Rode 20.11.1932. Pastoor te Boortmeerbeek oktober 1938. MAURITS JOZEF ALBERT ROBDNS, geboren te Lier

22.2.1910. Onderpastoor te Rode 11.7.1938, te Ramsel in januari 1950. RENAAT VIKTOR VAN DEN HOOF, geboren te St. Kwintens.. , Lennik 16.9.1912. Onderpastoor te Rode 24.10.1938, te Essenheek en te Borcht-Lomheke 1942. PIETER VAN GRUNDERBEEK. Priestermissionnaris van Scheut. Geboren te Heverlee 26.10.1914. Onderpastoor te Rode van 17.3.1941 tot 16.7.1945. Thans missionnaris in Kongo. JULES GHISLAIN DE MAN, geboren te St. Kwintens· Lennik 8.10.1917. Onderpastoor te Rode 25.7.1945. Stichtend kapelaan van St. Elisaheth Tenbroek (Alsemberg).' Thans op rust~ JOZEF ANDREAS ALFONS VAN DER HEYDEN, geboren te St. Martens-Lennik 21.9.1928, zoon van Frans en van Elisa Kestens, te Rode benoemd 13.9. 1954. JAN FILOMENA HUBERT JOCHEMS, geboren te .Wommelgem 22.4.1932, zoon van Leo en Wilhelmina Jespers, te Rode benoemd 3.10.1957.

180

KOSTERS. In een akte van 1421 verschijnt koster Wouter Hannemans ( G. 6635his). In 1506 is er sprake van de koster, maar zijn naam wordt niet vermeld. Deze was bevonden geworden in een « laye », plaats in het hos waar verkocht hout lag, « sonder consent » en had er onhehoor• lijk « gewracht >> (R.K. 12548) . De volgende hij naam hekende koster is WOLFAARD VAN DER CAMEREN. Te zijnen behoeve werd de volgende akte opgemaakt, waarin we tevens vernemen welke de inkomsten van de kosterij waren : « Certificatie voor Wolaerde van der Cameren, allen den genen die dese letteren zullen sien oft hooren lesen, J acop van Cutsem ende Henriek de N ayer scepen ons gen. heeren des K. van zijnder hanck van Alsenherghe ende Rode, Saluyt doen te wetene eenen igelijcken dat op ten dàch van heden datum desen voer ons commen zijn in properen persoene Dionijs de Ridder, Wouter de Haze, kerckmeesteren van Rode, Dionijs de Duyve ende Claes de Ridder de jonge, huysarmmeesteren van Rode... ende hebhen gelijckelijck op henne minne waerheyt ten ernstigen versuecke Wolfaerts van der Cameren coster der vs. Kercken van Rode, voer de gerechtige waerheyt vercleert dat zij v:el weten ende hen kennelijck te wesen dat de jaerlijcxsche innecommen ende die zekeren prouffijten competentien der V$. custerije als te wetene van custer brooden,. ey eren, schooven van coren ende evenen (haver) metter thienden der selven custerije tOdbeboerende van jaergetijden als van gefondeerde gesongen ende gelesen missen ende meer andere vervallen der vs. custerije toehehoirende wel bedragen ende uythrengen die somroe van 42 rijnsguldens ende 2 stuvers oft daaromtrent, ende want men in allen rechtvaardigen zaken schuldich is ende behoirt der wae.rheyt getuyganisse te geven zunderlinghe des versoebt zijnde soo 181


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

hebhen wij vs. scepen ter behoeften van de vs. van der Cameren onsen gemeynen schepenen zegel desen letteren doen aenhangen >> ••• (13.9.1559). Wolfaard hield land en vee. In 1539 werd lrij door de woudmeester beboet omdat een· koe en een kalf van hem « in Zonyen te weyen was bevonden » en in 1548 werd hij weer bestraft omdat zijn kinde1·en <<int groen hout» werden hetrapt (R.K. 12550). De v.olgende is PIETER INGELS. Tot in de XVIe eeuw was de koster doorgaans een geestelijke, zij het van lagere orde. In het dekanaal verslag van 1572 staat hij aangetekend als « tonsuratus » nl. met geschoren kruin, en als een rechtschapen man die zijn werk goed verricht (KA. 2323). Hij komt ook nog voor in 1570 (KI( 12777), waarin sprake is van « Reynken den Custer van dat hij een mes getrocken heeft ende geslagen nae Pieter Ingels sonder te raecken ». Anderdeels wordt ook «den zoene des kosters van Rode bestraft van dat hij met eenen langen messe iemand gequetst heeft» (RK 12777). · Een latere koster heette IMBRECHTS. Hij had eens hoogmeier Theodoor van der Stock beledigd. Deze daagde hem voor de vierschaar en Imhrechts werd veroordeeld om te verklaren dat << hem de selve injurie leet te sijne, ende /die tegen de waerheyt gesprocken te hebben, biddende Godt, der justitien ende den aenleggere vergiffenisse, zijnde te vreden te hetalen in de kercke van Rode een pont was plus de costen » (G. 8326). De vrouw van lmhrechts heette Maria Stroohant en overleed op 21.3.1639. Het is het oudste sterfgeval in de parochiehoeken. Daarna moet er een koster JAN PLETINCX geweest zijn, vermeld in de broederschap van de H. Rozenkrans van Alsemberg. Vervolgens vinden we als koster PIETER LOCX (LOECX) overleden op 13.11.1647 (custos nostre ecclesiae, in ecclesia intra turrim sepultus == hegraven onder de toren) . AERT of ARNOUT HUBLO treffen we aan met zijn echtgenote Joanna de Becker in een erfenisakte van een << weyde van een dagwant hij de kercke » (G. 9170). In 1658 verschijnt hij nog in een akte van borgstelling voor J akohus van Cutsem, pastoor te Rode « aen vrouwe Maria Anna van der Goes, weduwe wijlen sieur Jacques Roelants, cmnmis postmeester der stadt Antwerpen, voor een lichting van 50 guldens... van sijne t'achterheyt van een corenrente ghehyptheceert op sekere thien dagwant lants geheeten het Kerckevelt gelegen te Alsenberg ». In een andere akte stelt pastoor van Achter zich borg voor Huhlo, als rentmeester der armen, voor 50 gulden voor land op het « Bangeusvelt », onder Alsemberg. Koster Huhlo bezat een huis in eigendom op een hunder grond te Bolleheke... « op het straetken loopende van de kercke naer den W auterhosch .» •.,. Hij bezat 4 paarden, 2 veulens, 8 koeien, 5 kalveren, 1 varken. Zijn ~ezin bestond uit zes kommunikanten of

182

. KERKELIJKE GESCHIEDENIS

paasplichtigen (G. 8404) . J oanna de Beeker « uxor antiquis custodis », ;. overleed op 2.6.1675 en werd in de kerk bijgezet. De volgende koster was ook een Arnout Huhlo, zoon van Thomas, gehuwd op 6.6.t1648. Zijn vrouw, J oanna Fastenakel, overleed reeds op 15.9.1650 en werd in de kerk begraven. Daarna is het een Jan Hublo, die overleed op 21.10.1694 en eveneens in de kerk hegraven werd. Zijn vrouw heette Petronilla Ciahots en we kennen van hem een zoon. Arnout, die hem als koster opvolgde, en een dochter Elisaheth, in een akte uit 1713 (G. 365). Koster Arnout Huhlo, gehuwd met Maria van V elthem, verloor tussen 1698 en 1706 vier zeer jonge kinderen, die allen in de kerk hegraven werden. Arnout overleed in 1714 en werd ook in de kerk hegraven (sepultus in ecclesia). Zijn vrouw overleed in 1719. Een zoon van Arnout, Hernardus « gehortigh der parochie van Rode Sancti Genesii ende alsnu woonachtig binnen de stadt van Maestricht », verkocht in 1723 aan Jan de Nayer en Barbara Lessens te Dworp een % hunder weide met de opstal er op staande tegen de Molenheek in het Molenbroek ( G. 345). Nadat de kosterij honderd jaar in een zelfde familie geweest was, meestal van vader op zoon, kwam het ambt in handen van een familie Lauwereys. Simon Lauwereys was daarvan de eerste. Hij was tevens meester rademaker en overleed in 1764, na 50 jaar kosterschap (qui fuit per quinquaginta annos custos hu jus ecclesiae... sepultus in ecclesia). In 174 7 wordt er melding gemaakt van een proces van hun dochter Elisabeth tegen Paul de Cnop « en appel de mariage devant la Cour Spirituelle de Malines » (G. 8305). In 1770 verkocht de weduwe, Anna de Nayer, haar huis, « sekere hofstede met den huyse, schueren, stalleken, camers, keuken, vloerken, werckhuys, schole ende voordere plaatsen daerinne... tegens malkanderen gehouwt onder een dack, mitsgaders met het hofken, hackhuys ende oven... alle andere toebehoort en, groot tusschen de 15 ende 20 roeden... omtrent de kercke aldaer » palende oostwaarts met een lange zijde aan de straat naar Termeulen, zuidwaarts tegen de kam of brouwerij van de weduwe en kinderen Pieter de Troch, waar de heek tussen loopt, westwaarts van achter tegen een weide en noordwaarts tegen het hofje van de Troch... cijnsroerig met 2 kapuinen en 40 schelling per jaar aan de heer van Beersel, waarvoor jaarlijks 24 stuiver en 3 oorden betaald worden. De koper moet gedo~en dat Anna de Nayer, de weduwe van Lauwereys, haar leven lang en daarna nog zes weken aan het ene of het andere van haar kinderen de vrije bewoning en het gebruik van cle school en de afhang of « huylaert » moet laten ( G. 8322). Een uilaard is een bergplaats en rommelkast in een van de hoeken van een schuur. Hij geeft een ruÎlnte onder het getaste stro, droog en tamelijk vorstvrij. Koster Lauwereys had negen kinderen : « de eersaeme en eer-

183


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

· KERKELIJKE GESCHIEDENIS

haere Elisaheth », Joannes, Sehastiaan, Barhara, Francisca, Maria, Anna, Petrus en Egidius, die in 1770 allen meer dan 25 jaar oud waren (G. 3857).

laten binnenbrengen. De pastoor moest een andere zanger, een ,) zekere Fremau aanstellen, die door de koster afgedreigd werd. De familie smeekte de koster om toch maar te willen zingen, maar vergeefs. De pastoor .begon dan de dienst met Fre1nau als zanger in de plaats van de koster die zich dan maar naar het orgel begaf, maar slechts hij tussenpozen speelde en zong op een uitdagende wijze. Ten slotte moest de pastoor hem huiten de kerk zetten. Intussen wilde meier van Keerberghen geen ,toelating geven om te begraven, zodat het lijk van 7 tot 10 uur in de kerk bleef. .. Daags daarna weigerde de koster de deur van. de doopvont te openen voor een doop en was de pastoor verplicht zijn knecht te roepen om de voorgeschreven antwoorden te geven. Pastoor l(lerens, van de St. Katelijnekerk te Brussel, die toen deken voor Rode was; stelde een onderzoek in en vroeg de afzetting van de koster. Een volgende koster was J .-B. de Proost, te Denderleeuw geboren in 1799. Daarna komt Martin de Coster, benoemd in 1857. Hij was tevens sekretaris van de .kerkeraad. Hij werd opgevolgd door HENDRIK MICHIELS, 17 jaar oud, die reeds drie jaar de dienst voorlopig waargenomen had. Hij was de zoon van Jozef Michiels-Ruys, schrijnwerker, winkelier en herhergier « In den Hert » aan de kerk, een mooie herbergnaam die jammer genoeg later voor een nietszeggende Franse moest verdwijnen. Daarna kwam hier als orgelist ALFONS MOORTGAT, geboren te Opdorp 8.9.1881, die reeds na een paar jaren kapelmeester werd van de Basiliek van Q.L.Vrouw te Halle, waar hij van 1905 tot 1919 verbleef en er het wijdvermaarde massaspel « Maria's Leven» op tekst van Aloïs W algrave, kom poneerde, dat om de vijf jaar opgevoerd wordt. Sinds jar@n woont hij te Tiegem, waar in 1933 een tweede groot massaspel « De Passie van Ons Heer », wel zijn subliemste werk, op tekst en muziek van hemzelf vertoond werd. Moortgat studeerde humaniora te Tienen en muziek te Mechelen onder Edgard Tinel in het Lemmensinstituut. Hij komponeerde o.m. een dozijn missen, motetten, geestelijke en wereldlijke liederen, toneel· en orkestmuziek, die alle veel herdrukken kenden, en werd in verscheidene wedstrijden gelauwerd. Hij was tevens een fijnzinnig dichter en taalkenner. JAN PIETER MODER, geboren te Sint-Joost-ten-Node 12.4.1885. Hij overleed schielijk op 26.8.1936, toen hij het orgel aan het bespelen was. Hij werd voorlopig opgevolgd door PIETER ANNON uit onze parochie, die als blinde, muziek en orgelspel geleerd had. RAlMOND PIETERS, geboren te Serskamp, tevens gemeentesekretaris te Alsemberg van 1.5.1947 af.

JAN LAUWEREYS volgde zijn vader op en overleed in 1778. Ook hij werd in de kerk hegt·aven. Daarna, onder pastoor van Achter (1772 en 1793), was Willem Steeman koster.

Toondichter Alfons Moortgat.

In die jaren was een Ludovikus Lauwereys alhier koster, die gehuwd was met Maria Katarina van Achter.. Koster Lauwereys woonde in 1788 op de Linde. Hij was ook grafmaker. Hij moet niet van de gemakkelijkste geweest zijn. In 1805 werd een nieuw tarief voor begrafenissen ingevoerd, dat hem niet aanstond. Om zich te wreken, weigerde hij op een gegeven dag een dode in de kerk te

184

185


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

BROEDERSCHAP VAN SINT-ROCHlJS. In het kerkelijk achlef . van Rode op het aartsbisdom bevindt zich een ongedagtekend afschrift van de << Reguien ende Statuyten van de broederschap van Sint Rochus, ingesteld door den doorl. heere aertshisschop van Mechelen in de kercke van Roo ». Te oordelen naar spelling en trant kan de tekst dagtekenen van de XVIe eeuw. Het is trouwens in die eeuw dat die heilige hijzonder vereerd werd tegen de pest. De H. Rochus werd geboren omstreeks 1293 en overleed in 1327 te Montpellier {Frankrijk). Volgens de overlevering genas hij velen van de pest in Italië. Na de dood van zijn ouders deelde hij zijn goed aan de armen uit en ging de pestlijders verzorgen. Hij viel als slachtoffer. van zijn naastenliefde en in zijn ziekte kwam een hond hem dagelijks wat eten brengen. Sint Rochus is de schutsheilige van de tabaksbewerkers, plafonneerders of stukadoors witters kasseiers en plaveiers. Zijn feestdag valt op 16 augustus. ' ' Hoe lang die broederschap bleef hestaan is niet bekend, maar onder pastoor Jakobus van Achter {1722-1796) bestond nog alleen de broederschap der Gelovige Zielen. In de linkerzijbeuk van de kerk te R~de staat een beeld, + 1 m groot, van de H. Rochus. Dagtekent het van vóór de Beeldenstorm ? Dit is mo~elijk, want . in genoe_mde kerk hestaan nog twee andere merkwaardige houten heelden uit de XVJe eeuw, en uit de verslagen van de landdeken blijkt dat alhier niets <<geprofaneerd» werd. Hierna volgt dan het voornaamste uit bedoelde « regule~ ». ..In de a~n~ef van de statu!en wordt erop gewezen- dat « den beliJder Chnsti J esu Rochus, die welcke gestorven is in het jaar 1327 den 16 dach augusti in het leste van sijn leven ontfangen hebbende de H. Sacramenten, naer een ootmoedich ende vierich gebed » van Godt heeft verkregen « dat alle die gene die hueren toevlucht tot hem souden nemen, hewaert souden worden van de peste oft haestighe sieckte, de welcke hij noch levende heeft genesen met het _teecken des H. Cruyses, om van dese groote verdiensten deelachtich te worden, soo ist oeck seer genoechlijck den selven H. Roebus op een hesondere manier te eeren ende te dienen, opdat wij onsen toevlucht nemende tot de verdiensten ende hijstant van den H. Roebus van de peste, ende haestighe sieckte souden mogen hewaert worden, soo sal het goet ende profijtelijek sijn aen siel ende li (a}chaem hem (zich) laeten in de schrijven in het broederschap van St Rochus,. hetwelcke ingestelt is om van de peste te mogen hewaert worden, ende van Godt met de selve hesocht sijnde, door de verdiensten ende voorspraeck van den selven lüjlige te mogen genesen, ende i~gescreven sijnde, d?Se naerv~lgende reguien onderhouden uyt befde. want de selve niet en verbmden op pene van eenige sonde :....

186

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

In de broederschap worden opgenomen alle personen, mans en vrouwen, jong en oud « daertoe devotie hebhend.e ». Op -de . dag der inschrijving moet men biechten en kommuniceren. De tnge· schrevenen moeten de geboden Gods en van de H. Kerk onderhouden, zich wel wachten van « vloecken ende sweren » en daartoe ook hun onderzaten· aanmanen en met voorheelden zien te trekken, en de overtreders met de liefde Gods vermanen en straffen. De ingeschrevenen moeten driemaal daags, 's m?rgens, 's middags en 's avonds het kruisteken maken en telkens drte onze~vaders en drie weesgegroeten bidden ter ere van de H. Drievuldigheid. Op de eerste zondag van elke maand wordt een mis opgedragen ter ere van St.-Roebus en zullen <<diegenen die een hesonde:r:e affectie tot de H. Roebus draegen, biechten ende communiceren naer raedt van de biechtvader », alsmede op de hoogdagen en andere feestdagen van 0.-L.-Vrouw. Op de feestdag van St.-Roebus moet~n de ingeschrevenen « neerstichijt doen om den f eestdagh te vieren ende met goede wercken te onderhouden, ende haer tot de hicht hequaem maecken ende soe het vleesch ende hloet ons heeren J esu Christi ontf angen (ten waer sij dat daechs te vooren op den dach van 0.-L.-Vrouw Hemelvaart hadden gedaen) ». Die dag zal ook het beeld van St.•Rochus omgedragen worden « ende sal men naer den noen de vesperen met het lof singen ende benedictie met het H. S~crament. » Wordt iemand ziek dan moet de naaste gebuur « uyt hefde Gods en ter eere van St.-Roebus de pastoor terstont verrnaenen op dat hij den patient bezoekende den selve soude in tijts van de H. Sacramen· ten versien ende hem mogen in het gebet van de anderen recom· manderen ». Voor de overleden ingeschrevenen moeten de anderen « Godt ahnachtich _ootmoedelijek hidc:len ende ist mogelijck hooren den dienst der misse welcke voor de siel sal gedaen worden, oft lesen daer voer een roesenhoeyken oft eenige ahnoessen doen ter eeren van St. Roebus »... Op de feestdag van de heilige zal een mis van «requiem ~or~en gedaen tot laefnisse der siele van de overledenen waert~e eemgehJck soe veel als dat sal mogelijck sijn hem sal laeten VInden of ten minsten u ut· elcke familie een, gedachtich sijnde dat voor haer alsoe sal geselrieden ». . .• Al de ingeschrevenen zullen « naer haer vermogen JaerliJCX een ahnoesse geven ter ere van St. Roebus om alsoe de costen ende lasten van het broederschap te onderhouden als oock daer met de arme menschen soo wanneer sij met de haestige sieckte sonde hesocht worden te hulpen in coopen van nootelljcke medecijnen dienende tot haere sieekte ». De offeranden worden ontvangen door twee « proviseurs », die samen met de pastoor overleggen waaraan de opbrengst zal besteed

187


KERKELIJKE GESCHIEDENIS GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESIUS.RODE

worden. Jaarlijks wordt rekening en verantwoording gedaan aan de landdeken en de << erf-prost ». ~e hroed~rschap wordt «bediend>> door een « erfprost en twee prov1s~urs » d1e door de erfproost alle jaren vernieuwd worden met « kenrosse ende consent » van .de pastoor. « Om te behoeden veel inconvenienten ende opspraeck soe wort wel expresselijck verboden eenige maeltijden te doen op cost van het broederschap maer sal de arheyt gedaen worden ter liefde Godts ende ter eren van St. Rochus ».

DE PROCESSIE. Onze dorpspr?~essies zi~n zonder twijfel zo oud als de parochies zelf en .de wegwiJZei· zal In de loop der eeuwen wel geen grote verand~r1ngen o?~ergaan hebben. Toch gebeurde dit soms. Uit een stuk mt 1606 hhjkt dat de processie ook door de Hangeikstraat, nl. de straat tussen de l(wadeplaA en de Bosstraat, ging: «Item de Hanckeyckstrate hoven Gahriel de N aeyere bevonden tusschen de goeden des hoefs van Hameyden ende de Naeyere te veel plaetsen hoven zoe verstopt en toegewasschen van den houte dat een man te peerde daer onder qualijck can passeren, zijnde nochtans de strate daer de .cruycen ende processien van Rode passeren » (G. 8405). In 1753 Is er sprake van « een parceel van den processiewegh die loopt tot aen den voetwegh van den W auterbossche >>. Over de samenstelling van . de processies bezitten we niet de minste inlichting van vóór 1933, toen de volgende groepen er in voorkwamen : 1. De goddelijke deugden. -- 2. De Kindsheid. - 5. Groep van de H. Elisaheth van Hongarije. - 4. Groep van de H. Margareta van Schotland: ..- 5. De H. Lutgardis. - 6. Groep van de H. Katarina van Alexandne. - 7. Groep van de H. Theresia van Lisieux. 8. Groep van de H. Agnes.- 9. Groep van de H.Cecilia.- 10. Groep van de H. Barhara. - 11. Het beeld van de H. Barhara. - 12. De fanfare «Wel doen en laten zeggen. - 13. De H. Aloisius van Gonzaga. - 14. Het beeld van de H. Genesius. - 15. Het beeld van de H. Jozef. - 16. Engelen. - 17. Groep van de H. Engelhewaar.. der. - 18. Groep van de H. Aartsengel Michaël. - 19. Groep van O.L.V. van Lourdes. 20. Groep van de Koningin der Maagden. - 21. Groep van de Koningin der Martelaren. - 22. Groep van O.L.V. der Zeven Smarten.. - 23. Groep der XV Misteriën. 24. Groep van O:L.V. - 25. Beeld van O.L.V. - 26. Schildknapen. 27• Beeld van Kind Jezus. - 28. Groep van J e".&US en Sint J anneken. ----:- 29. Beeld van het Lam Gods. - 30. Kruistochters. - 31. Afbeelding. van het .H. Sakrament. - 32. Groep van het H. Lijden. 33. Groep van het H. Hart. - 34. Beeld van het H. Hart. - 35. Groep der parochiale werken (Boerengilde, Werkersverhond enz.). -

37. Vlag der Kajotters. - 38. Zangers van de St. Ceciliakring. 39. H. Sakrament. - 40. Burgerlijke overheid en politie. De processie "gaat tweemaal per jaar uit : zondags na Sakramentsdag en 'zondags na St. Genesiusdag. I(ERKELIJI(E GEBRUIKEN. In de middeleeuwen werd er na de plechtige uitvaart van een afgestorvene door de verwanten achteraan in de kerk een maaltijd gehouden, misschien omdat de huizen over het algemeen niet groot genoeg waren voor al dat volk. Dit gaf mettertijd aanleiding tot misbruiken waartegen de K.e1·k zich natuurlijk moest yerzetten. Op 14.2.1715 had men alzo «contrarie de placcaerte van 10.7.1711 op den dach van het uytvaert van wijlen Nicolaes de Becker 's daeghs daer naer gehouden opene maeltijdt >>.

WAAR TER BEDEVAART GEGAAN WORDT. De oudste bedevaart is die welke alle jaren op de eerste zondag van mei naar Alsemberg gedaan wordt. Na de mis van 8 uur hegeven de Rodenaren zich processiegewijs naar Alsemberg langs de Bosstraat en de voetweg uitkomende op het Winderickxplein. Beneden de grote kerktrap worden ze opgewacht en hegroet door de parochiegeestelijkheid. Vervolgens wordt naar de kerk gegaan waar de hoogmis opgedragen wordt door de priesters van Rode. Na de mis wordt de omgang voortgezet langs de oude processieweg, langs de Beukenstraat. Over die bedevaart staat in het archief niets vermeld, alleen dat in een reeds aangehaald werkje van Pastoor Bols vermeld staat dat << Vrouw G. van St. Genesius-Rode op 24 mei 1891 een ingelijst briefje hij het O.L.V.-Beeld plaatste met de vermel· dÎI!g van haar vurige dank jegens Maria «die haar drijjarig kind van twee erge ziekten genas ». Jaarlijks gaan de verschillende bonden naar Scherpenheuvel, Oostakker, Edegem of Halle. Veel moeders gaan ook met hun kinderen naar Diegem. Vroeger gingen ze ook naar Couture-SaintGermain. Ook naar Bois-Seigneur-lsaac wordt wel eens voor bloed.. ziekten gehedevaard.

SINT-BARBARAPAROCHIE. Ont versclûllende oorzaken, a.d.z. de voortdurende aangroei van de bevolking, en de grote afstand tot de dorpskom., ontstond gaandeweg de nood aan een nieuwe parochie in het noord-oostelijk 189


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

gedeelte van de gemeente. Deze wens en wenselijkheid kwam bepaald tot uiting in 1900 en op 4 april van dat jaar verklaarde de gemeente.. raad daartegen geen bezwaar te hebben. Onder de giften en legaten die bij gelegenheid van de oprichting van parochies steeds helpen om de nodige kosten te bestrijden, was de voornaamste de schenking, door J oanna en Jan van Keer· berghen, van een perceel land wijk B 279 c, waar kerk en pastorij zouden opgetrokken worden. De gift geschiedde onder voorwaarde van een jaargetijde voor de ouders der schenkers. Op 21-11-1901 keurde de gemeenteraad voor de pastorij een huishuurvergoeding van 550 fr. goed op de 600 fr. ge· vraagde, met 5 ja, 2 neen en 2 onthoudingen. Die vergoe· \ ding werd in 1906 tot 900. fr. verhoogd, maar de gemeente zou liever het pastoreel huis kopen voor een bedrag van I 23.697 fr. In de toren hangen twee klok](en, zonder opschrift. Een ervan werd gegeven door de familie de Dohheleer. Sedert 1928 is ze huiten dienst. Voor de herschildering van de kerk door Bressera van Gent, werd op zondag 5 juli 1936 een omhaling gedaan. In het parochieblad van die zondag staat daarover te lezen : « Wij moeten de kerk in het midden van de parochie houden. Welnu, de kerk staat te De Sint-Barbarakerk. midden der kermisvreugde, CPentek. Dolf Theys.kermisfeesten en kermistaar· Cl. Vlaamse Toeristenbond.) ten. Het is niet genoeg dat zij die vreugde ziet en hoort, zij zou misschien wel willen meeproeven van de kruimels die van de tafel vallen. Haar kleed is gelapt en geschonden en daarom zullen wij een aalmoes vragen opdat zij een nieuw kleed moge aantrekken. » In de processie gaat een groep van een dertigtal personen die gekleed zijn met witte broek, blauwe kiel en strooien hoed. Sedert enkele jaren wordt de H. Joanna d'Arc er in afgebeeld. Ze is echter vergezeld van zg. middeleeuwse soldaten die op de borst en rug de letters RF dragen « Répuhlique Française » !...

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

Een nieuwe in koper ultgedreven kruisweg werd geplaatst in 1937 tot 1938. Elke statie kostte 750 fr. In 1936 werd een nieuwe .~ doopvont geplaatst en het jaar daarop de afsluiting ervan. De doopvont kostte 5.500 fr. In mei 1938 werd een diefstal gepleegd in de kerk. Een ciborie stond gereed om meegenomen te worden, maar de dieven moeten. - het was in volle dag - verrast geweest zijn; er waren alleen de twee ampullen met de H. Olie en het Krisma verdwenen. De dief werd gevat en tot twee jaar gevangenzitting veroordeeld. Hij had op vele andere plaatsen kerkdiefstallen gepleegd. . Bij gelegenheid van het 25 jaar pastoorschap van pastoor Mies in 1938 werd een nieuwe predikstoel geplaatst. Hij werd helemaal uit Kongolees hout vervaardigd door Jozef W outers-Kille:t;J-S· Het beeldhouwwerk is van de hand van J ules Raes-de Greef van

--~

=

190

De 0. L. Vrouwkerk op de Middenhut. Pentek. Leo Theys. - Cl. Vlaamse Toeristenbond.)

Alsemberg. De panelen verheelden de vier evangelisten en op het vijfde staat, eveneens in hout gesneden, het opschrift: « Jubilante pastore parochiae Sanctae Barharae hunc suggestum D.D. 1913-1938. :. De oude predikstoel ging over naar een nieuwe parochie te Tongerlo. In 1953 werd achter de kerk een parochiezaal opgericht op een stuk grond nagelaten door Z.E.H. Jan van Keerberghen (zie Priesters uit Rode). In de parochie werd, op de Waterloosesteenweg 250, een huis gebouwd met een kapel rechtover de hoeve Blaret. Sedert 6.1.1959 is het het Provinciaal huis van de Paters Oblaten der Waalse Provincie.. 191


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

Op de Vijverweg werd er ook een kapel gebouwd voor het klooster van de Dochtérs van het H. Hart van Maria, een· kongregatie in 1790 te Parijs gesticht. Het is een rusthuis voor oude zusters. Ze dragen geen unifonn.

omdat er illegaal drukwerk in zijn bureau ontdekt werd. Hij stierf in Duitsland. Zijn broeder Henri, geboren te Brussel 26-5-1903, die toen reeds ziekelijk was, volgde hem 4-10-1941 op. Wegens.. dezes.. z.wakke gezondheid werd hem op 3-10-1944 een helper toegevoegd: ahhé ALBERT MARTOU. Deze wordt in 1951 vervangen door ahhé GASTON SEVIN, die op 31-12-1956 naar de parochie van Terkameren :verplaatst wordt. Inmiddels valt pastoor de Backer ernstig ziek en wordt E.H. JAN WEYGANTT, onderpastoor van Sint-Genesius, met de leiding van de paro· chie belast. Pastoor de Backer overlijdt in het Sint-Elisahethgasthuis te Ukkel op 2-9-1958.

De stichtende pastoor van de Sint-Ba1·haraparochie was Isidoor Romhout FRANS VAN OVERSTRAETEN, geboren te Mechelen 2.7.1871, onderpastoor te Linkeheek 12.2.1897. In 1913 werd hij, pastoor te Weerde-aau-Zenne en in 1922 te Attenrode. In 1936 ging hij op rust en vestigde zich te Buizingen. Hij overleed te Nijlen in 1949. De tweede pastoor was ADRIAAN MIES, geboren te Antwerpen 13.4.1876. Onderpastoor te Ukkel St. Joh 6.7.1900. Alhier pastoor sedert 7.4.1913. Bij gelegenheid van zijn 25 jaar pastoorschap kreeg elk gezin van zijn parochie een fles wijn thuis en werd een grote Vlaamse kermis gehouden, die ongelukkig genoeg tragisch eindigde. Het zoontje van J.-B. Heymans, landmeter en schepen, werd dodelijk aan het hoofd gekwetst door het ontijdig springen van vuurwerk. In 1950 vierde Pastoor Mies zijn gouden jubelfeest en ging op rust einde november 1950. De derde pastoor is MARCEL P ASTUER, geboren te Brussel 13.2.1903, onderpastoor te Bonsval 29.5.192~, in St. Franciscus-Xaverius te Kuregem-Anderlecht 6.11.1930, in St. Elisaheth te Schaarheek 2.5.1938, pastoor in St. Barhara te Rode 4.12.1~50 en ingehaald op zondag 17 daarna. De sneeuw lag 20 cm dik en er heerste een ware sneeuwstonn. l

VICTOR WINNELINCKX-STRAETE was van april 1904 tot einde januari 1958 koster van de parochie. PAROCHIE VAN 0.-L.-VROUW OP DE MIDDENHUT. Deze parochie werd opgericht in 1930 voor een bevolking van nagenoeg 750 zielen. De stichtende pastoor had ze willen toewijden aan 0.-L.-Vrouw ten Glimlach (N.-D. du Sourire ( ?), maar Mgr. van Cauwenhergh verzette zich daartegen om liturgische overwegingen. Het werd dan 0.-L.-Vrouw, Oorzaak onzer Blijdschap. Aanvankelijk geschiedden de diensten in een vertrek van de nieuwgehouwde, zeer ruime pastorie. Het links van de pastoorswoning aangebouwde huis, was hesten1d voor de koster. De kerk werd opgetrokken in 1935-36. De parochiestichtende pastoor was E.H. EDGARD CORNELIS uit Mechelen, voorheen onderpastoor te Sint-Joh (Ukkel). De tweede pastoor was van 1939 af, MAURICE DE BACKER, uit Brussel. In 1941 werd bij door de bezettende macht aangehouden, 192

Luchtfoto van de Middenhut (1935).

Op 10-7-1958 is E.H. Weygantt het slachtoffer van een motoonge· vaL De dienst wordt dan waargenomen door E.H. SCHOOFS, oudpastoor van de Sint-Antoniusparochie te Etterbeek. Op 19-10..1958 wordt HENDRIK VLOEBERGH, onderpastoor van de Sint-Pietersparochie als pastoor ingesteld, en E.H. W eygantt benoemd tot onderpastoor te Anderlecht 0. L. Vrouw van het H. Hart. In maart daarop wordt Vloehergh reeds vervangen door E.H. JAN DE 7

193


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

WOLF, leraar aan het Kardinaal Mercier-I(ollege te Eigenhrakel. Tot onderpastoor werd in juli 1960 aangesteld ERNEST CAMBIER, tot dan toe onderpastoor te W atermaal-Sint-Huhertus. De Grot van O.L. Vrouw va~ Lourdes werd in 1933 dank zij een geldelijke gift van een rijke dame opgericht.

zaken gaan echter niet vlug. In 1941 werd door het bisdom heslist dat Tenbroek een kapelanie van Alsemberg .zou zijn en werden de grenzen ervan vastgelegd. Weldra ·waren de plans klaar, maar de oorlogeomstandigheden verhinderden de uitvoering. De kapelanie telde 975 zielen, waarvan 525 op Rode en 450 op Alsemberg. Onder· pastoor DE MAN van de Sint-Genes~usparochie werd met de oprich· ting ervan helast en was de eerste kapelaan. Het kerkgebouw, naar een ontwerp va~ architekt Armand de Mey, van Oudergem, werd· opgericht op een stuk grond met huis, eigendom van Albinus Otte. De aannemer was E. Lefehvre en Zoon van J auche. De eerste steen werd op 8-12-1951 gelegd door Mgr de Smedt, nu bisschop van Brugge, en de plechtige wijding had plaats op 1-6-1952, eveneens door Mgr. de Smedt. Het binnenste van de kerk werd in 1954 in kleuren geschilderd onder leiding van Pater Fimmers. De kruisweg, in kunstmozaeïk, 45 x 60, komt uit de werkplaatsen van Rogier van de Wegh~., te Brugge. De klok, met fa-toon, weegt 169 kg en kostte 25.350 fr. Het opschrift luidt: «St. Elisaheth van Hongarije h.v.o. kapelanie St. Elisaheth J. de Man, kapelaan. Peter : M. Armand de Mey, houwkundige, meter: Mevr. Rosa Lefevre-Mottier, aannemer, gevers van deze klok (me henedixit die 16 a nov. 1952, R.D. P. van Keerberghen Dec. Ucclensis ». De volgende kapelaan is, sedert 17-12-1956, MAURITS DE RIJ CK, geboren te Zellik 9-11-1918, voorheen onderpastoor te Dworp sedert 12-7-1944. Koster-orgelist is EDWARD BEKKERS-THEYS.

SINT-ELISABETHPAROCHIE Hoewel deze nieuwe kapelanie van de parochie van Alsemberg afhangt, moeten we toch een woordje zeggen over de aanleiding tot

KAPELLEN EN KRUISEN

De Sine-Elisabethkerk.

het ontstaan ervan. Wegens de hetrekkelijk grote afstand tot de hoofdkerk en de snelle aangroei van de bevolking, had pastoor Hermans er reeds aan gedacht er een kerk te laten houwen. Zulke 194

Uiteraard vindt men de meeste van onze kapelletjes op de pro· cessieweg en wijl de processiewegen zo oud zijn als de parochie z~lf, mag men daaruit besluiten dat er aldaar van ouds kapelletjes waren en de huidige, vooral die welke tot rustaltaar dienen, telkens ver· nieuwde gebouwtjes waren. Een gewone volkskapel gaat immers niet lang mee. Op het oude kerkhof (rondom de kerk) bestond ar ook een kapel. In 1839 besliste de kerkeraad « dat op het kerkhof in de capelle zal worden gesteld een gekruisten Christus met twee helden ». De eerste kapel op de processieweg is die op de hoek van de Dorpstraat en de Kloosterweg in de omheiningamuur, van het cementbepleistering en werd een eerste maal herbouwd in 1847 eti een tweede maal enkele jaren geleden, toen de nieuwe afsluitings.. muur in de Dorpstraat gebouwd werd. 195


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

De volgende staat links tegen het huis der kinderen J .-B. van Rossum-Hanssens. Die kapel is van bruine zandsteen en van hetzelfde model als twee kapellen op de processieweg van Alsemberg hoven de Nijsherg. Ze werd er in 1834 opgebouwd door Pastoor van Hoylant van Alsemberg, voor de processie van deze parochie. In de Lepelstraat, tegen het vuurstraatje, stond tot vóór enkele jaren vóór de eerste oorlog een eenvoudig kapelletje van baksteen. De volgende is een muurkapel· letje op de hoek van de Rollebaan en de Termenlenstraat in de gevel van het huis van Frans Ragoen~ Wouters. Er staat een O.L.V.-beeld in van porselein onder een . glazen stolp. De dorpel is van blauwe hardsteen en vermeldt de volgende tekst : « Dominus A. C. Camhier erexit 30 Aug. 1806. Hier is inal· heureuselijck gebleven Jan Everaert, den 15 Meert 1785 bidt voor de ziel ». Op het eerste gezicht zou men zeggen dat die steen niet voor de kapef bestemd was, doch voortkomt van een kruis, zoals er vroeger hij moorden of dodelijke ongevallen op de openbare weg zo vaak opgericht werden. Moest men, op onze dagen, een gedenksteen plaatsen als er iemand door een trein, tram of auto enz. aan zijn einde -komt, dan zouden onze straten er weldra als kerkhoven gaan uitzien. Bedoelde steen komt voort van een gewone kapel die, voordat het huis er omstreeks 1900 door de familie Wouters gebouwd werd, in het Kapel van Pastoor van Hoylant talud stond. Gevallen van alleenin de Dorpstraat. staande kapellen die later in de huisgevel ingebouwd werden, komt men alhier 1neer tegen. Voortstappende, kwam men weldra aan een diepuitgeholde weg, waarvan er in de streek zoveel zijn, de Termeulenstraat, die inmiddels verbreed en gemoderniseerd werd. Boven aan het kruispunt van evengenoemde straat, de Gevaartweg, de Nieuwstraat en de W auterhosstraat, in de zijgevel van het huis J .-B. van der Aa.. Savenherg, is een kapelletje ingebouwd met een O.L.V.-beeldje er in. Hier ook stond enkele tientallen jaren geleden een grotere kapel, waarin een dozijn personen plaats konden nemen. Ze was afgesloten

196

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

~

met een dubbele ijzeren traliedeur. Met de pr~cessie van Hoog.. waardig en die van de grote kermis wordt op d1e plaats dnor de aanwonenden een rustaltaar opgericht. Het volgend kapelletje staat aan het kruispunt van de Nieuwstraat, de Terheidestraat, de Hutstraat en de Gehuchtstraat. Ze staat in de tuinmuur van het huis Smuldera-de Ridder. Ook deze was vroeger een alleenstaande kapel, die weggebroken werd om plaa!s te maken voor het woonhuis. Ze is toegewijd. aan O.L.V. Het deurtJe is kunstig uit plaatijzer gesneden. Tweemaal per jaar word~ er aan de kant van de Nieuwstraat een rustaltaar voor de processie op~e­ richt. In de Terheidestraat stond er vroeger ook ergens een ~ap~lletJe. Op de Dries staat een kapelletje in de muur van het hms . L1ebert.

De Sint-Jozefskapel in de Bosstraat. 1939.

Het is de opvolgster van een kapel die voorheen aan de ingang van de Boftenhoutstraat stond. Op die plaats, in de volksmond « de Dries» en officieel de Koninklijkeplaats geheten, wordt ook telkens een rustaltaar opgericht. Daar ook lopen verscheidene straten bijeen, nl. de Terheidestraat, de Krommeweg, de Doornhoofdstraat, de straat naar de W auterhos, de Lindestraat en de Hoftenhoutstraat. De kapel op de hoek van de Lindestraat is toege~ijd aan het H. Hart. Ze dient tevens tot rustaltaar voor de processte. Van overouds (17 6 eeuw) stond daar een kapel, de Kwadelindekenskapel. De Kwadeplas heette toen ten andere de K wadelindekensstraat. Het woordje « kwaad » wijst erop dat de linde door de ouderdom in slechte toestand moest verkeren en niet zeer lang daarna verdween. Nog op de processieweg, op de hoek van de Bosstraat en de

197


KERKELIJKE GESCHIEDENIS

GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE ~oetweg

naar Alsemberg, werd in 1889 een mooie stevige kapel ter ere van sint Jozef opgericht, van rode en zwarte Boomse baksteen, met een hand van witte steen en zinken dak. Op de steen in het timpaan leest men : « 1889 J .M.R. » (Jozef Michiels-Ruvs, in de wan· deling Jef Kazak) Beneden links, aan de hoek van de Bosstraat staat een eenvoudige witgekalkte kapel. Over de oprichting ervan ie niets bekend. In 1614 is er spraak van «een geleghe metten huyse stallinghen ende pampiermolen enz. aen sheeren strate gaende van Rode naer Alsen· berg tegenover het Cruysken ... ». Oudtijds stond daar een kruis.

)

« de .huys armen van Ro van eenen hempt 2 dw. over Steyne Cruys daer de heke tusschen heyde loopt>> (KA), 16e eeuw: «~aen het kru.ys te Rode ... palende aen de Hanckeycke » (AP) Alsemberg), 1674 << aen t' Cruys commende metten eender zijde aen de Boschstraete daer naer Nijvel gaet » ( G), 1784 : « het steene cruys >> (KA) ;

De Lindeboom omstreeks 1920.

In 1674 wordt het vermeld in goederen nagelaten door Godevert de Ridder en Katarina Berckmans, onder meer « een gelege metten huyse, schuere, stallinghe, hovenhuer daerop staende groot drij daghwanden... gelegen in de parochie van Rode a en t'Cruys commende metter eender zijde aen de Boschstraete daer men naer Nijvel gaet metter andere zijde tegen de goederen der kercke van Rode ende metter vierder tegen de cuere goederen»... (G. 8303). In 1730 bestond het nog want er is sprake van « een dachwant tot Rode tegen over het Cruysken daer den papiermolen op staet »... Deze papiermolen is nu de bloemmolen Algoet. In 1532 : « Machiel van der Motten » a en het Steyne Cruys ..• palende aen het curenlant en de Hanckeycke straete » (KA), 1532: 198

Het kapelletje onder de linde aan de Bosstraat. (Pentekening Leo Theys)

1791 : « Bernart van Volsom ZIJn gelege aent cruys tot Rode » (AP). Of daarmee een en hetzelfde kruis bedoeld wordt, is niet bekend. Meer dan waarschijnlijk werd het kruis aan de Bosstraat als « emhlème de la superstilion » door de Franse bezetter vernield en er in de plaats een Vrijheidsboom geplant. De volgende tekst komt dit staven : « Ontvangen de somme van thien guldens in voldoeninghe

199


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

van hondert potten bruyn bier die ik getapt hebbe uyt ordre van Guilliam Steps borgerneester van alhier aen de gemeyntenaers van Rode op den dag wanneer den boom van vrijheyt geplant is, wesende den 26-12-1792 >> w.g. H. Hullebergh. Deze woonde waar nu de huizen nrfl 8, 10 en 12 van de Dorpstraat gelegen zijn. Het was en is . nog steeds het gebruik in vele landen een boom te planten de dag dat er in het persoonlijk of openhaar leven een belangrijke gebeurtenis plaats grijpt. Onder de Franse bezetting werd bij een verordening van 3 pluviose Jaar 11 voorgeschreven in al de gemeenten een vrijheidsboom te planten. Bij een andere wet van 24 nivose Jaar VI werd aan de gemeenten bevolen de uitgeroeide, gestolen, afgekapte of verdorde bomen op hun kosten te herstellen. Hij die er op betrapt werd een vrijheidsboom te vernietigen of te beschadigen kon met vier jaar gevangenis bestraft worden. Overal in onze dorpen werden vrijheidsbomen geplant, maar vele ervan werden vernield en toen de tegen Napoleon verhonden legers onze streken in 1814 bezetten werden er veel van de nog overblijvende geveld. In 1830 werd aan de gemeenten aanbevolen een vrijheidsboom te planten, maar weinige gemeenten gaven daar· aan g~volg. In 1876 deed het stadshestuur. de vrijheidsboom uitkap· pen die op het Paleizenplein te Brussel geplant was. Hij werd in ~leine blokjes yerzaagd waarop de handtekening van de burgemeester Ingebrand werd en ten voordele van de Armen verkocht... (Revue Beige de la Police ... 1930).

In 1934 werd in het kapelletje een verguld beeld van O.L.V. van Alsemberg .geplaatst. Als de processie uitgaat wordt er ~door de · geburen een rustaltaar van gemaakt. Het is de laatste kapel op de omn1egang. In vroegere jaren trok de processie, in de plaats van de Linde· straat verder af te trekken zoals nu, de Kwadeplas en het Hangeikveld over en zo de Bosstraat af. Dit legt misschien uit waarom er hoven in de straat op de glooüng tussen, allerlei struikgewas een kapelletje gezet werd. Het is van gewone ~laatselijke haksteen en ongeveer 2 x 0,75 x 0,60 m. groot. Het stond er lang ledig en ver· laten. In 1933, vermoedelijk in verhand met de plechtige kr?ning van O.L.V.-van Alsemberg, liet de familie van Graaf de Jonghe d'Ardoye, tegen de muur van de hoeve V andererven, aan de ingang van de St. Gertruidedreef naar Waterloo, een kapelletje houwen ter ere van O.L.V. van Alsemberg. De wapenspreuk van die familie : «Deus et Honor >> is in het geveltje ingegrift. Ongeveer op diezelfde plaats heeft oudtijds altijd een kapel gestaan. In een verkoop van hout « op de lange lae bij Savenhorren » in 1600, staat vermei~ : « twee caopen Iiverey hout aen Ste Gertruye Cappelleken », In 1782 : « achter Ste Gertruyde kappelleken naer Tousseynensplas », (WR 101). In 1834 staat ze als « Capelle Ste Gertrude » op een kaart aangewezen en in 1844 bestond ze nog. Een zekere heer Leghait kreeg toen van de kerkeraad toelating om ze te herstellen op voorwaarde ze te onderhouden en aan de armen << te geven 3 delen van het vierde deel van den offer van den armen van Ter K.luizen ». Op het gehucht Tenbroek is er maar één kapel, op de steenweg naar Halle in de tuinmuur van de familie J .-B. de Greef-Renson, op de hoek van de Oude Nijvelsehaan. Ze is toegewijd aan O.L.V. van het H. Hart. Tot voor enkele jaren werd er in de meimaand steeds een versierde meiboom geplant. In de Gehuchtstraat in de haag van de hoeve de Smoutmolen van de familie van Keerberghen stond vroeger ook een kapel, die wegviel hij de verbreding van de straat aldaar. In 1902 werd de plaats ervan officieel bepaald als volgt : eigenaar Juliaan ':~n Keerbergen, Wijk B 11 h langs de weg nr 19, 2 m 50 van de asliJn van de straat. Ze was gedekt met schaliën. Op de stafkaarten staat ze nog afgebeeld. Misschien ter vervanging ervan, liet Jan van Keerberghen, aalmoezenier van het St. J ansgasthuis en later van het Brugmann-gasthuis te Brussel, aan de overkant van de straat even verder naar de kerk toe, een kleine bidkapel houwen van gevelsteen. Ze is toegewijd aan O.L.V. van de Gelovige ~ielen. De kapel i~ v~n binnen zeer fraai versierd. Er staat een eikenhouten altaartJe tn waarop vijf gepolychromeerde beelden geplaatst zijn. Alle weken wordt ze met water schoongemaakt. Op de voorgevel leest men : « O.L.V. der Gelovige Zielen - 2.11.31 - J .V.K. ».

De linde, met zijn weelderige kruin en geurige, heilzame bloe· sem, was de meest geliefde boom van onze voorouders. Ov.eral treft men hem aan; op het dorpsplein, op de « driesch » van de gehuch· ten om de « tente » hij de « oogstkeur >> te beschutten, gerechts· zitting voor de landhouwaangelegenheden, een of tweemaal in het jaar. Men treft hem ook aan op de tweesprong der wegen, als wegwijzer, voorzien gewoonlijk van een heiligenbeeld, om de boze geesten te verwijderen die de reizigers op die plaatsen afwachten en op een dwaalspoor ..brengen; eindelijk als grensboom tussen akkers of andere gebiedsverdelingen (J. Lindemans, Hand. Kon. Kom. Top., V, 1931, hl. 205). De linde aan de Bosstraat, clie ingevolge het doorhakken van de hoofdwortels voor de aanleg van de gasleiding aan het verdorren was gegaan, werd op 18-9-1959 geveld en acht dagen later, zaterdag 26 dito op een wagen geladen en stoetsgewijs naar het gemeentehuis gevoerd, waar zijn overlijden werd aangegeven. Tevens werd de geboorte ingeschreven van een jonge linde, die vervolgens plechtig, met redevoeringen en muziek, en onder een grote toeloop van volk, geplant werd. De oude linde had dus de leeftijd van 167 jaar bereikt. Weinige bomen zullen zulke volledige burgerlijke stand bezitten.

200

7a

201


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

Een onzer oudste kapellen is ongetwijfeld de St-Annakapel aan het pachthof van die naam langs de Steenweg naar de Grote Hut, en Waaraan in 1547 en 1574 her~tellingen werden uitgevoerd. In een stuk uit 1614 lezen we in de plaatsbepaling van een perceel land : <<op 't Bergenvelt commende met 2 syden aen de goeden van Reynier Meganck, aen de kercke van Rode, aen de heer Adriaen van den Winckele, een half hunder op den Steenvoirtdriesch langs sheeren strate loopende van Joorijnsdriesch naer St. Anna». In een ander stuk : « Anno 1696 is thiende geweest... Item in de delle achter Ste Anne-Capella ». In 1730 : <<de strate loopende van So• nienbosch naer Ste Anna Capellen». In een « visitatie van straeten enz. » van 1743 is er sprake van « Alexander van Rossum in de strate . komende van St Anna capelle naer Rode recht· over het landt van Panwel Fastenackels het gat van den voetw~gh opgegraeven in plaet· se van eenen stichel te plaet· sen » ( G. 8305). De huidige kapel is een~ gebouwtje van 3 x: 3 x 3 met een tentdak van schaliën. Bovenop staat er een gesmeed ijzeren kruis. Boven de deur aan de huitenkant is een ruitsgewijs geplaatste blauwe steen met ingebeiteld opschrift : « Sacrum Divae Annae 1864 ». Binnen staat op Muurkapelletje in de Nieuwstraat het altaartje een beeld van de (1934). Moeder Anna, ongeveer 70 cm groot, en in de voorkant van het altaar : «In honorem Stae Annae me fecerunt anno 1864 ». Tot 1825 reikte het Zoniënhos tot op die plaats, zodat het kapelletje aan de ingang van het hos lag. Dit blijkt ook uit een tekst uit die tijd « à l'entrée du Bois de Soigne il y a une chapelle dédiée à Ste Anne qui dépend de cette paroisse ». We vermelden hierhij nog terloops dat enkele jaren geleden toen de processie nog tot op de Grote Hut ging, aldaar telkens een rustaltaar geplaatst werd door Frans Duson. Aan het uiteinde van de verdwenen Handstra at, had de familie P.F. van Keerherghen-Winderickx in 1908 een kapel ter ere van O.L.V. van Lourdes laten optrekken « Ter gedachtenis aan het jubeljaar van O.L.V. van Lourdes 1856-1906 ». Ingevolge grondverkoop

202

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

e~

en wegverlegging werd die kapel in 1933 een tweehonderdtal_ ~ete~s hogerop in de richting van SL Anna, langs de St. Annalaa~, d1e ~n de plaats kwam van de Handstraat, verplaatst. De kapel 1s nu In witte kunststeen. Achter de ijzeren traliedeur prijkt een pleisteren beeld van de .Onbevlekte Ontvangenis, ongeveer 0,60 m hoog. , De laatste kapel die we beschrijven staat op de uiterst.e uithoek van de gemeente op de wijk de Zevenster:. in de Brass1nnedreef. Haar. geschiedenis is niet oud maar tamehJk belangwekkend. Ze werd tijdens de eerste oorlog opgericht ter ere van O.L.V. en was weldra het voorwerp van een drukke verering. Tientallen van ex-voto's voor hekomen gunsten hangen er omheen. Later werd die staakkapel vervangen door een « grot van Lourdes >> van tamelijk grote afmetingen. Het oorspronkelijk kapelletje staat er nog naast. Op zondag 31.8.1958 werd door Mgr. Schoenmaeckers aan de grot de eerste steen gelegd van een heiligdom ter ere van O.L.V. Onbevlekt Ontvangen. Het gebouw is heel wit onder een blauw leien dak en omringt door witte muren. Het zal onmiddellijk aansluiten bij een klooster en de herinnering levend houden van het eeuwfeest van de verschijningen te Lourdes. Benevens . de nog bestaande, treft men in de toponymie tal van verdwenen kapellen en kruiMuurkapelletje op de Dries (1934). sen aan. Die '"kruisen werden vermoedelijk meestal opgericht als aandenken van aldaar gebeurde dodelijke ongelukken of gepleegde moorden. Op de kasseide van Waterloo was er in 1789 een « wit cappeleke » {WR 106) ; in 1772 is er sprake van het « kapelleken van van Haelen» {WR 94) • in 1659 staat een << cappelleken » vermeld « over den voetwech 'gaende van Zevenborre naer Alsenbergh » (WR) en in de XVll 0 eeuw : « tcloysterwaerts (Zevenhorren) achter het capelleken » (KA. 15576). In 1835 en zeker tot 1886 stond er een veld.. kapel beneden tussen de Bosstraat en de Brakelsesteenweg (Capelle Eyeken VdM en AP). Ten slotte, tussen 1535 en 1548 is zevenmaal een « heeldeken » vermeld « op ten wech van Brachene aent Beldeken hoven Zevenhorren » (RK. 25245). In de plaatsaanduiding, in 1547, van de 73ste grenssteen van Zoniën komt er ook de naam van een kapel voor : « den 73n pael wesende gecruyst staet over den voetwech gaende uytten cloestere van

.

203


KERKELIJKE GESCHIEDENIS GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

Sevenhorren naer Halsenberge aen tvalveken hoven het Cappeleken genoempt onser vt·ouwen ten kerselare aen sPaters Houwken » (R.K. 491). In 1546: sBecket·s (de Becker) cruys op de Verckenshutte (RK. 508) ; 1551 : op ten Grooten W alschen wech a en Besieckmans cruys (RK. 25.261); 1590: septem jornalia terre apud Rode prope silvan1 juxta Doncke cruce (S.P.I. 18), waarschijnlijk tegen Terkluizen. Daar woonde een geslacht de Doncker, o.m. in 1766 : land van Miehiel de Donoker (WR. 92, 93) ; 1750 : in Sonien in den

1767, het << Kruys van Franciscus Swaelens ... outrent het Euperken >> (WR. 92). In 1517 is er een Schoon Kruis: op de WC?ch die gaet van Hoelaer nae Halsenberge aen tSohoen Cruyse (RI(. 25.228) ; het Trapmans kruis, in 1503 : J acoppe van Cotthem geh. V ersanne die quetate Bertel Heykens in de Hutte aen Trapentans Cruyse (RK. 12548) ; in 1532 is er sprake van een hunder land hoven lngendale « ten Cruysken, in de droge weide gestrekt aan de straat van het « Cruysken te Schoenheeke heyde » (K.A.). . Op de linkerhoek van de W aterloosesieenweg ~n de Brassine· dreef stond in 1521 een kruis dat het Lazaruskruis en later het Ja gerskruis geheten werd (a ent Lazarus Cruyce, 1534, 1541, a en Lazarus cruys; 1570: op den grooten walsschen wech tusschen het Lazarus en St Annen eycken; 1.656: op den Walschen wech onder Rode ... wesende het leste huys naer het jagerscruys » (G.). Een eigenaar aldaar, Jan van den Plassche, had aan de Raad van Financiën gevraagd om het huis dat hij er bezat te mogen herstellen. Dit werd hem geweigerd. De Rekenkamer was in beginsel tegen· stander van het houwen van huizen aan de zoom van het hos omdat « bij daige, hij nachte » hout werd gekapt enz. en het vee grote schade in het hos veroorzaakte. In 1602 : <<een gelege metten huse gelegen op den walschen · wech genaempt het tSegerscruys ... » In 1657 heet dat kruis anders, ten minste als dit hetzelfde is : « wesende het laetste huys aen het J agerscruys ... ». In een doopakte uit 1690 wordt melding gemaakt van een toevailige geboorte «ad crucem lapideam in Zonia », dus een stenen kruis in Zoniën; St Annakruis (1695 : Sinte Anna Cruys (S.P.I.). Aan de linde in de Bosstraat stond oudstijds - tot voor de Franse Omwenteling, menen we - een kruis dat in de volgende tekst uit 1532 vermeld is : « aen de Boschsstrate die van Alsenherge na Nivel gaêt ende metter andèr zijden aen de strate die van aent cruysken te Ro na de Hangeyke ga~t ende onder aen het Vierstraet· ken » (K.A. 2326). Thans bestaat er nog één kruis, in de dreef. Het is een schoon kruis van blauwe hardsteen, in 1805 opgericht tot nagedachteni~ van « Egidius Winderickx pachter en papiermaecker te Dworp », die op deze plaats om het leven kwam.

Kapel van het Kindje Jezus van Praag. op het Ho/tenberg.

HET KLOOSTER VAN ZEVENBORREN.

houw van Revelinghe outrente het Roodt cruys langhs de casseyde van Brussel naer Waterloo {WR) ; van het Stenen Kruis is er sprake in 1634, 1661 ('tSteene Cruys oft Jaghers cruys, in 1740); een ander Stenen Kruis wordt vermeld in 1764, 1767 (op de Laereheyde (Zevenborren} (WR. 92). Misschien is dit kruis hetzelfde als, in

Een enigszins volledige geschiedenis van dit klooster zou dit werk, dat al zo lang is, nog langer maken. Om die reden werd er bij het essentiële gebleven, met een wat uitv·oeriger behandeling van de minder hekende omstandigheden van de afschaffing ervan.


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

Van die oude stichting wordt trouwens thans een grondige studie gemaakt door een geestelijke uit Brussel.

goedvinden op voorwaarde dat dit geschiede vóór 16 mei 1784; dat de kerk onmiddellijk na hun vertrek moet gesloten worden. Op 17 april 1784 bood substituut procureur-generaal Cuylen zich in de plaats van zijn vader, die belet geheten wordt, op het klooster aan. In zijn verslag meldt hij dat alles « en bon ordre » bevonden werd. De kloosterlingen werden vergaderd en er werd voorlezing .gegeven van het edikt van 17-3-1783, waarna aan elkeen een gedrukt uit· treksel betreffende hun toekomstige toestand overhandigd werd. Vervolgens werden Sieur « d'effonseca » (de Fonseca) aangesteld tot notaris en Sieur Harrewyn tot ekonoom, deze laatste tegen 5 gulden per dag. Tot beheerder werd benoemd advocaat A.J .G. Helman de Willebroeck uit Brussel Van alle drie werd dan door Cuylen de eed afgenomen. Daarna liet Cuylen de sleutels overhandigen aan Helman en hem allerlei inlichtingen verstrekken over rekeningen en kassen. Aan klinkende munt werd gevonden in het « comptoir » van de procurator, 821 gulden 6 stuiver in courant geld. De 21 april kwam Cuylen terug voor het opmaken van de « lijst van het personeel >>. Het bestond uit : Alexander W alschaerts, prior, 78 jaar oud, herkomstig uit Brussel; Vincent van Steenwinckel, sub-prior, 48 jaar oud (Brussel); Pieter-Jozef Vissoul, senior, 61 jaar oud (Brussel); Jan-Baptist Janssens> 60 jaar oud (Brussel); Filip Jozef van Meurs, 51 jaar oud (Brussel) rector; Thomas Stanislas Toussaint, 49 jaar oud (Brussel); Willem de Beer, 47 jaar oud (Brussel); Marten Wets, 45 jaar oud (Brussel); Ignaas-Frans-Jozef Sibens, procurator, 43 jaar oud (Meise) ; Antoon Steenman, 36 jaar (Mechelen); Jan-Baptist Bruylants, 34 jaar (Brussel); Jan-Baptist Nechelput, 33 jaar {Tollenbeek); Karel-Domien van Hamme, 33 jaar (Vil· voorde); Jan-Baptist van Stoochten, 32 jaar (Gierle); Augustijn Spinet, diaak, 28 jaar (« de Lettelinghe en Hainaut ») ; Pieter du Mortier, 46 jaar (Bellegem); Filip Zanders, novice, 21 jaar (Brussel); Gillis Domi~n van Dijck, 66 jaar (Brussel); Jan-Baptist Walschaerts, 61 jaar (Watermaal); Frans de Leener, 61 jaar (Alsemberg); Filip Snoers, 40 jaar (Watermaal). Allen verkozen « la pension et de rentrer dans Ie monde » en vroegen het behoud van de meubelen van hun kamer, evenals hun zilveren tafelgerief. Het valt niet uit te maken of ze voldoening kregen. We hebben de indruk van niet. De prior vroeg hovendien de effekten en meubelen van zijn eigen kwartier en een hijzondere steun, omdat hij oud en sukkelachtig was en niet voort kon zonder hulp van een knecht. Pater Vissoul, oud en lijdend aan « goute siatique à deux ruptures » kon ook geen knecht missen en vroeg het behoud van de volle rente. Pater Sihens kreeg het stuk wijn dat hem persoonlijk toebehoorde. Pater d:u Mortier., van het opgeheven klooster van Elsegem die

Voordat Gillis van Breedijck, kapelaan ·van de kapittelkerk van Anderlecht, samen met een paar vrienden, in 1380 de priorij s~ichtte, waartoe Hertogin J oanna hem een perceel grond in· volle eigendom ·en « in puere aalmoessen om die minnen van Go de ende in verlichtenissen der sielen allen onsen naercomelingen » schonk, op last van een jaarlijkse 1nis tot lafenis van de ziel der schenkster was daar in de huurt reeds <<de eerste cluyse hewoent hij ee~ deus.ter (Duitser?) cluysenaer Christiaen genaempt >> (KA 15576, 18) en In een stuk uit 1490 leest men van «een plaetsken metten elshroxken gelegen hij den Godtshuys van Sevenborren totten pedeken (pad) toe ga ende na er den cloyster.. . gegeven a en Heinrich Plaetman ende Geerardt de Dijn om aidair een cluyse te rnaeken » (ib. 16). In het Brusselse geslacht t'Serhuygs komt ook een tak Cassaert geheten Plaetman voor. In 1365, 1376 en 1384 waren twee Hendrik's Plaetman schepen te Brussel (F. de Cacamp, Brahantica,. 1958, 2de deel). De Heinsvijver zou naar die Heinrich of Hendrik· genoemd zijn. Volgens de overleveringen, zou men er overblijfselen. van die kluis gevonden hebben. _ De priorij, waarvan de kloosterlingen de regel van de reguliere kanunniken van St. Augustinur; aannamen, werd~ in 1401 verenigd met het kapittel van Groenendaal, en later, in 1417, met dat van Windesheim. In 1442 voerden de kloosterlingen het Slot in en leefden dit ~a tot in 1635. Zij hielden zich voornamelijk bezig met de ~tudte, het kunstschrift, de hoekverluchting enz. Tijdens de onlusten In de Nederlanden namen ze de wijk naar Halle en van 1619 tot 1636, tot het verwoeste klooster wederopgebouwd was, op het slot van Beersel. In de XVJie en de XVIIJe eeuw had Zevenhorren veel te lijden van het oorlogsvolk, vooral van de soldaten van Lodewijk XIV. . . ~aast al de teksten die hetrekking hebhen op de afschaffing ZIJn In de Franse taal gesteld en klinken zakelijk administratief zonder veel ontzag of enig meewaren. Procureur-ueneraal Cuylen ui; 0 Brussel, was gelast de beslissing van afschaffing op het kloost:r te hetekenen met de volgende onderrichtingen : 1° de bepalingen naleven van het edikt betreffende de meubelen en de effekten, welke door Pater Overste « et les autres individus » - in de etyxno· logische .hetekinis van het woord - gevorderd worden; 2° pater d?- Mortier, kloosterli~r v~n het opgeheven klooster van Elsegem, dte te Zevenhorren ZIJn Intrek genomen heeft, kan geen gelijke rechten van de kloosterlingen aldaar vorderen; 3° betreffende de beslissing over de knechten die voor hun leven lang opgenomen werden; 4° dat de kloosterlingen mogen weggaan wanneer zij het

206

207


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESIUS..RODE

zijn intrek te Zevenhorren had genomen, vroeg hetzelfde stelsel als dat der andere paters, doch verkreeg het niet. Lekehroeder van Dijck, die moeilijk te heen was en steeds dokt~r en chirurgijn nodig had, vroeg om een jaarlijks steungeld. De « voor hun leven » aangenomen knechten, Lukas de Boeck, portier en smid, 67 jaar, reeds 20 jaar in het klooster, had 350 gulden gestort; Antoon Paesmans, stal- en paardenknecht, 46 jaar, 22 jaar in het klooster, 50 gulden. Sehastiaan Hauwaert, knecht van de prior, 66 jaar, 24 jaar klooster, 465 gulden; Jan Oscé, kleermaker en haarkapper van de monikken, 62 jaar, 44 jaar in de dienst van het klooster met 63 gulden gagie en de kost, was vader van acht kinderen. Hij smeekt « très humbiement », dat zijn hijzondere toestand in aanmerking zou genomen wo1·den. Joos Meuris, herder, 61 jaar, 29 jaar klooster, voor 48 gulden en de kost. J.-B. van den Borren, 40 jaar, uit Brussel was in het klooster als kommensaal (kostganger) voor de duur van zijn leven (voedsel, was en zorg als de klooster~ lingen) mits een som van 2.500 gulden. In zijn verslag zegt Cuylen nog dat er geen reden bestond om de goddelijke dienst voort te zetten vermits er op 15 mei niemand meer in het klooster zijn zou en trouwens op een kleine mijl afstan4 de parochie van O.L.V. van Alsemberg gelegen was. Tijdens een ander bezoek, in april <<de grand rnatin », werd. door Cuylen zoon al het zilverwerk van de kerk, met uitzondering van de gewijde vaten die nodig waren voor het -celebreren van de goddelijke diensten, verzameld en naar de Munt gezonden. Hoe reageerde de bevolking op de maatregel ? Niets vernamen we daarover. J acohus van Achter, de toenmalige pastoor van Rode, vertolkte ongetwijfeld het algemeen gevoelen toen hij in een_parochieboek in het Latijn optekende: « Memoria. De 3e Paasdag van het jaar 1784 werd afgeschaft de Priorij der Reguliere Kanunniken te Zevenborren. Eilaas. Het bestond sedert de XITie eeuw (dit moet XIVe zijn). Het bloeide door geleerde, godvruchtige mannen, ijverig in het biecht horen en in het hijstaan der naburige pastoors. Wat een ellende ! Ja, het was droevig om zien hoe die heren verplicht waren hun huis te verlaten. De hoogeerwaarde prior Alexander W alschaerts, een grijsaard, aanschouwde weeklagend een laatste maal het klooster. Velen weenden, sommigen vergaten hun reisgoed, anderen werden hij de hand geleid als blinden. Men hoorde luid gejammer en geween. Het was Rachel die weende over haar zonen en niet getroost wilde worden, want de zonen voedden haar moeder. Ze gaven immers viermaal per week aalmoezen aan hun deur. 0 miseria, o Damnum, Quod Attestor. J. Van Achter, pastor in Roda. » Zodra het klooster ontruimd was, werd overgegaan tot de verkoop van het torenuurwerk, de klokken., de penduJen enz. De meubelen, verkocht op 13-12·1781., brachten 651 g. 2 st. op. Wie de kopers waren staat niet vermeld. We weten echter dat twee biechtstoelen,

208 Ee:n Pater A.ugu.s;tijn tJan Zevenbon·en.

(Eigen arclllef)


GESCHIEDENIS VAN SINT·GENESIUS-RODE

KERKELIJKE GESCHIEDENIS

de ~redikstoel, de kommuniebank thans in de St-Genesiuskerk staan. Het koorgestoelte en het kootbeschot werden voor 12 pistoles aan de St-Goriskerk te Brussel afge&taan. In verband hiermede rees een geschil. De werklieden hadden .·niet alleen het hesehot weggenomen maar ook de vensterbanken en de deurhekledingen, die feitelijk niet tot het beschot behoorden. Buitendien, had men een oude kast meegenomen. Het marmeren plaveisel van de kerk was eerst bestemd voor het krijgsgasthuis te Brussel, maar later werd daarvan afgezien. De kerk van Alsemberg vroeg het, doch bekwam het niet. De verkoping van de meubelen van het klooster en van het refugiehuis te Brussel <<à l'endroit nommé terre neuve, la 3e maison après l'entrée des Bains publies », bracht 5.193 g. 11 st. op; de onkosten en tantièmes bedroegen 366 g. 5 st. Wat er van de bibliotheek geworden is weten we niet. Over de schilderijen verne1nen we allen van A. Wauters, dat er in 1785 een schilderij van de Crayer verkocht werd: 0.-L.-Vrouw en het kind Jezus, aan wie de H. Dorothea, te midden van een groep andere heiligen, een korf bloemen aanbiedt. Op de pastorij te Sint· Genesius-Rode bevindt zich ook een groot doek, met weinig kunst· waarde, van het klooster.

onwaarschijnlijk. Men vraagt zich af wat daar nog te verwoesten overbleef. Wie de eerste koper van het « zwart » kloostergoed was, is niet bekend. Omstreeks 1850 was het eigendom van een Vrouw W ouwermans uit Brussel, die er een papierfabriek oprichtte. Al de gehouwen waren met schaliën gedekt. Zes duizend er van werden besteed om de thans nog hestaande kapel van het Hof van Terkluizen (van het klooster van de Zuste~s van Jericho) te herstellen, terwijl de 10.000 andere onder meer dienden voor de « Cense de Roumiroir » te Nizelles, waar ook vensterramen naartoe gingen. Wat er op het einde overbleef moest in kleine partijen verkocht worden, opdat al de mensen van de omgeving hun gerief zouden hebben. Al het puin werd gestort in de gracht « qui · environne l'église » en op die plaats moest een «pépinière» komen, waarvan de aanleg niet meer dan 250 gulden mocht kosten. De oogst te velde, het graan, de klaver en het gras werden ook verkocht. Joos van der Velden, pachter te Alsemberg, had een groot deel van die oogst gekocht maar door het afbranden van zijn hof, in december 1785, waarhij ook 17 van zijn 20 hoornbeesten verkoold werden, ging ook de aangekochte oogst in de vlammen op. Op een· verzoek, ondertekend door al de schepenen, werd hem de koopsom kwijtgescholden. Later werden de vijvers voor de visvangst verpacht. Er waren er toen acht, nl. - in volgorde van zuid naar 110ord de Blonde vijver, 2 dagwand en 49 Y2 roeden groot; de Vierkantvijver, 1 dw. en 12 r.; de Molenvijver, 6 bunder, 1 dw. en 60 r.; de Krommevijver, 1 b. en 24 r. Er waren huitendien drie verdwenen vijvers, nl, de << Ruytersvijver >> 1 h. 24 r. gelegen tussen de Molen· vijver en de Krommevijver; een elshos vroeger vijver, 2 dw. 8 r. en een elsbos vroeger vijver 79 JA roeden, heide ten noorden van de Krommevijver. De huurder moest al de belastingen betalen, de goten onderhouden; de mulder mocht steeds de vijvers « treeken en op setten »; op de « maelvijver » mocht niet gevist worden << vooraleer den Heynsvijver gespannen sal vol staen ende sijn volle water sal hebhen ». De huurder mag « netten hangen ». Bij een akte van 1426 had Hertogin Joanna aan de kloosterlingen de vergunning toegestaan in het Zoniënhos kosteloos 800. 1naten hout te nemen. Bij de afschaffing van het klooster Wilde de Tolkamer die gunst aan het beheer der Religiekas ontne1nen. De Raad van Brabant besliste er echter anders over en bepaalde dat die 800 maten zouden hestaan uit << hois moitié hole et moitié trembie ». Naar een oude bepaling in de huurovereenkomst, «la censière de Tout-lui-faut (Blareveld) invitait tous les ans la communauté à venir dîner che~ elle ». Deze zgn. « récréation » verenigde gewoonlijk 10 kloosterlingen tegen « 10 sols par tête ». Die geplogenheid viel natuurlijk met de opheffing van het klooster weg.

Al de gehouwen zouden gesloopt woraen, behalve het vreemdelingenkwartier, dat tot woning moest dienen voor de beheerder Helman en de « concierges >>. Dit kwartier bestond uit een keuken een washuis en twee kamers op de begane grond. Het is dit gehou~ dat thans nog bestaat en, verbouwd en opgesierd, tot woonhuis dient van de huidige eigenaar, de heer Timherman. Er heerste een echte slopingskoorts. Alles moest met de grond gelijk gemaakt worden. Als reden werd aangevoerd dat «les batiments sont en si- mauvais état, à l'exception de la seule église, qu'ils ne sont bons qu'à être démolis ». De brouwerij die tegenaan de stallen lag, werd eveneens gesloopt. Wijl aan de hoeve, die pas gebouwd was, geen woonhuis was, werd met een gedeelte van de ntaterialen er een veor 2.550 gulden opgetrokken. Daarna lagen er nog twee grote hopen arduinsteen, die eveneens verkocht werden. Onder de Brabantse omwenteling (1789-1797) en met de toestemming van de bisschoppen werden een aantal kloosters weder in bezit genomen ntet de werkelijke of oogluikende toelating van de Staten. Waar dit het geval was, was het niet voor lang. De overrompe· 1ing van de Nederlanden door de Franse sans-culotten bracht de algehele afschaffing van de kloostergemeenten mee. D'Hoop en anderen schrijven dat ook de Paters van Zevenhorren naar hun klooster terugkeerden. Dit is 'lveinig waarschijnlijk. Immers, wat er van de gebouwen overbleef was weinig of niets. Geen enkel bewijs wordt trouwens aangehaald. De mening, anderzijds, dat de sans..culotten op hun beurt het klooster verwoestten, is al even

210

..

211


HOOFDSTUK. V

DE FEODALE IN.STELLINGEN GRONDHEERLIJKHEID EN BEZITTERS ERVAN. In de Geschiedenis van Dworp, 1948, hl. 101 en volgende, hebhen we gezien dat gans de streek gelegen tussen Gaasheek en Genval behoorde tot een allodium of vrijgoed, dat een Brabantse vrouw Angela tussen 794 en 818 aan de St. Pieterskerk van Keulen schonk. Volgens Paul Bonenfant, «La Notice de la Donation du Domaine de Leeuw-Saint-Pierre à rEglisede Cologne», 1935, zou in de Xe eeuw reeds een groot gedeelte van het goed van Angela door machthebbers uit de handen van genoemde kerk ontvreemd zijn geworden. « Les siècle la majeure partie princes territoriaux ... se sont partagé au du sol» (P. Ganshof, « Qu'est-ce que la Féodalité? », 1947, hl. 81). Hoe dit in zijn werk ging is niet bekend, maar in elk geval werd het in de XIr eeuw in twee delen gescheiden. Al wat op de westzijde der Zenne lag, kwam in handen van Godeverd van Leuven, broeder van Hertog Hendrik II, die de titel van heer van Leeuw aannam, wêlke titel, in latere ·tijden, vervangen werd door die van heer van Gaasheek; deze bezitting kreeg daardoor de naam van Land van Gaasheek. Wat op de oostelijke oever der Zenne lag bleef onder de Kroon van de Hertog van Brabant. In het begin der eeuw ging « de prochie van Roode te hootvonnisse aen de mannen van Leene van Brabant toehehoirende onsen gen. heere den keyser als hertoge van Brabant»... (R.K. 12777). Om een uitzonderlijke reden, die men niet kan verklaren, zegt Wanters (Histoire des Environs de Bruxelles, III, blz. 690), hoorde de schepenbank van Rode rechtstreeks af van het Leenhof van Brabant, tot in 1391, toen Jan van Withem van hertogin J oanna vergunning kreeg om te Rode, Alsemberg, Dworp, Linkeheek en Be-ersel een schepenbank te stellen. In verband hiermee lvijat Fr. de Cacamp, de hekende genealogist en historicus, uitgever van « Brabantica », Bundel werken over Familiegeschiedenis, erop, dat Wanters zich vergist heeft omtrent de betekenis van de akte van

xe

xva

..

213


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS RODE

Hertogin J oa:ttna uit 1391 ten gunste van Jan van Withem van Beersel. W auters heeft inderdaad volkomen ten onrechte veronder· steld dat de domaniale schepenbank van Rode afhing van het Leenhof van Brabant. Alleen de schepenbank van de heren van Beersel, in 1391 opgericht en gehoekt door het Leenhof behoorde daartoe. Deze rechtsmacht strekte zich uit zoals in bedoeld charter woordelijk wordt bepaald tot : « allen saken der heerlicheyt ende lieden alleen aangaende die de vs. heer van Withaln heeft in onsen (van de hertogen) dorpen vs.» De akte van 1391 is louter de instellingsakte van de heerlijkheid van Beersel, die vóór die datum niet bestond en slechts een klein leen was amper zeven hunder (Spechthoek van 1374 - Galesloot, Livre des feudataires du duc Jean 111, 1312).

Het kasteeltje van de heren van Rode en Alsemberg op het Windericksplein te Alsemberg. (Naar een gekleurde tekening van I. de Rous, op het Prentenkabinet te Brussel.)

Vóór 1391 behoorde Beersel dus gewoon tot de schepenbank en de hoogmeier van Rode. Met ingang van 1391 hekwam Jan van Withem de oprichting van een heerlijkheid met middel- en laaggerecht, hestaande uit zijn bezittingen en lenen te Beersel, Rode, Alsemberg, Dworp en Linkeheek. Te Rode dus de laathoven van Tenbroek en een paar andere te Alsemberg, het Hof te Boesdaal te Rode en misschien enkele andere goederen. Met één woord, het eigen leen van de familie gehouden van de hertog van Brabant, net als alle lenen. De oprich.. ûng van de schepenbank van Beersel heeft de hertogelijke schepenbank van Rode, Alsemberg, Linkebeek, Dworp, enz., onaangeroerd gelaten.

214

DE FEODALE INSTELLINGEN

,~

Rode heeft, net als Alsemberg, Linkeheek en Dworp en enkele andere lenen, laathoven en enkele allodiale of eigengeërfde~ goede· ren uitgezonderd, steeds van het domein van de .hertogen van Brabant deel uitgemaakt tot hij de (opzeghare) verpandingen van de XVIe eeuw (Haller van Hallerstein) en de XVIIe eeuw (Boisot, van den Winckele) en te allen tijde heeft er een gemeenschappelijke schepenbank hestaan voor die dorpen (samen met Huizingen, Buizin· gen en Eizingen, tot de XVr· eeuw), met e~n meier aangesteld door de ambtenaren van de hertog. Deze schepenbank bestond vóór en na 1391 en tot op het einde van het oude regime. Rode en Alsemberg werden in 1562 afgestaan aan ridder Wolf Halier van Hallersteyn, hotelmeester van de koningin van H~ngarije : Rode mits 1.335 pond, Alsemberg voor 1.040 pond. Beide sommen werden in 1574-1575 terugbetaald aan de weduwe van Haller, Elisaheth, dochter van Niklaas van Logenhagen. Een tijdje later eiste Jan van Withem, heer van Beersel, de heide dorpen op in hoedanigheid van « naderling », d.w.z. als eigenaar van de voornaamste lenen die er in lagen, nl. Boesdaal en Tenhroek. Op 11.2.1577 werden ze hem door het Leenhof van Brabant toegewezen en gingen ze vervolgens over op zijn dochters, in 1591, van wie het Domein (van de Hertog) ze terugvorderde. In 1648 kocht Jan Alhert van den Winckele, raadsheer van Brabant en later kanselier van Gel.. derland, het ltoog-, middel- en laaggerecht van Rode en Alsemberg voor 6.000 gulden en op 8.9.1650 voorgoed mits een opleg van 6.500 gulden. In een geboorteakte in ·de parochieregisters lezen we wanneer hij er zijn plechtige intrede deed: <<Ten jare O.H. 1648, op 13 december, werd geboren Jan, wettige zoon van Zidrach de Ridder en van Katarina Berckmans op de dag dat de heer Jan van den Winckele zijn intrede deed in de heerlijkheid van Rode en Alsenherg en als peter van de boorling optrad ». Het is hekend dat die plechtige inbezitneming van een heerlijkheid met feestelijkheden gepaard ging. Zijp. zoon, J aak, licentiaat, werd vervolgens, in 1671, heer van Rode, Alsemberg en Linkebeek, die zijn erfgenamen in 1680 verkochten aan Jan Nauts, sekretaris van de Raad van Brabant, in 1685. De zoon van laatstgenoemde, Jan-Bapûst., licentiaat in de Rechten, liet in 1690 zijn bezit na aan zijn broeder Eugeen-Lanreis, wiens goederen in 1741 overgingen aan zijn neven en nichten en nl. aan Maria Barhara de Tomheur. Deze schonk hij testament « haere twee speelhuysen tot Alsenhergh », waarvan de opbrengst moest besteedt worden « aen de arme siecken, ook aen andere oude lieden ende schaemele armen, die sigh christe1ijk gedraghen, en hun beste gedaen hebhen als sij conden om eerlijk htmnen cost te winnen », zoals in haar uiterste wilsbeschikking te lezen staat. Na de dood van haar zuster, schonk Maria Barbara de drie dorpen hij gift onder levenden aan Baron de Provins, 1757, opge-

215


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

DE FEODALE INSTELLINGEN

volgd door Maria Barhara J osepha de Man de Speelhoeven, in 1775. Deze stierf ongehuwd op 5.9.1796 en had onder meer als erfgenamen haar zuster lsahella Maria de Man, weduwe, sedert 1775 van J.-B. Rol. Bij het overlijden van Karel Jozef Ghislain Rol van Alsemberg, op 17 .6.1848, ging de nalatenschap op zijverwanten over. In weerwil van de afschaffing, door de Franse on1wentelaars, van de heerlijkheden met alle 1·echten, zoals het recht van aanplanting op openbare wegen, had juffrouw de Man in 1822 nog bomen laten verkopen op gemeentewegen en andere openbare plaatsen. Het kwam tot een geding, dat ze natuurlijk verloor. Ze had ook de betaling gevorderd van vier renten ten bedrage van 544,22 fr. Ze kon zich blijkhaar moeilijk hij de nieuwe staat van zaken aanpassen... _ Tot een van de heerlijke rechten behoorde het Plantrecht. Alles wat op de openbare wegen groeide was eigendom van de dorpsheer. In 1750 werden alzo kopen bomen verkocht « staende op naervolgende 's heeren straeten toebehorende de heerlelijckheyt van Alsemberg, Rode en Linkeheek ». De betaling moest geschieden in handen van Baron de Provins « op de Cancelryën » te Brussel. In de Handstraat van de Sint-Annakapel tot Lansrode stonden 3 eiken, 15 beuken en 1 hesselteer, gekocht door Antoon Bt·assine « op de Cautersche Rutte» (G. 8318).

kocht het in 1486. «Her Henriek van Witham ... 23.6.1486 ... hij coope gedaen tegen J ouffrouw I(atherinen van Nijvele ende Wouters Bosch huers wettichs mans ende momhoirs~.. hij doode J aquemaerts van Nijvele... 1458.,. soene Gillis in 1439 hij coope gedaen tegen Joannes van Guttichoven geheten van Berghen » (op Zoom). (L.B. Reg. 18). In 1439 houdt « Lijsheth Jans dochter van Bousdael eenentwintich huenderen hoschs lants heempts ende, hofsteden liggende tot Bousdale inde prochie van Alsenberg ». Daartoe hoorde ook een «erf· vorsterie op Zonyèn ende twee manschappen die J ans Sarns van haer te houden plach ». (Leenhof van Brah. fo 337). Deze lenen vielen, net als alle andere, hij de Franse revolutie weg.

ANDERE HEERLIJKHEDEN. Boesdaal en Tenbroek. De heren van Beersel bezaten goederen te Rode en te Alsemberg, voornamelijk op het gehucht Tenbroek en te Boesdaal Een charter van januari 1293 vermeldt tevens de schepenen Loclewijk de Palude of van den Broek (ser Lodewics acepen van den Broke) en de leenmannen van Wouter van Rode. Deze laatsten hadden geen gemeenschappelijk zegel en gebruikten dat van de schepenbank van Rode. In de XIVe eeuw werd van de kastelein van Brussel te Boesdaal en Tenbroek een grote heerlijkheid 1net meier, cijnshof, een cijns van 44 schelling Lovens, 33 schelling payements, 38 kapuinen, 2.300 eiren, 16 sister haver, het recht van middel- en laaggerecht en dat van straffen « toten live toe », tnet voorbehoud de schuldige aan de dienaars van de Vorst over te leveren, in leen gehouden. Everaart Clutinc, die in 1346 leefde, bezat de heerlijkheid, vervolgens Frank, heer van Melin, waarna ze overging op de van Glymes van GrÎlllbergen. Hendrik van Withem, heel" van Beersel, kocht ze van J aak van Glymes, in 1480. Een tweede leen van Brabant, Boesdaal, bestaande in een erfelijk hosrecht van 20 .bunder land, hoorde toe aan de Hertog. In 1312 was het in het be~it van Jan van Boesdale. Hendrik van Withem 216

HOOFDMEIERIJ De geschiedenis van de hoogmeierij van Rode behoort eigenlijk niet tot de geschiedenis van Rode als gemeente.. Toch moeten we er een hoofdstukje aan wijden omdat het, althans hij name, de hoofdplaats was van een administratief gebied, dat we kunnen vergelijken met een klein arrondissement. De administratieve gehieclsonderverdelingen van Brabant waren zeer ingewikkeld en zijn weinig bekend. Paul Bonenfantin zijn werk « Quelques Cadres territoriaux de l'Histoire de Bruxelles », 1934, heeft getracht daarin enige klaarheid te brengen. Volgens hem was Brabant in 870 verdeeld in vier graafschappen, waarvan de grenzen overeen· stemden met de vier landdekenijen. De ammanie van Brussel, waarvan de grenzen dezelfde moeten geweest zijn- als die van een oud graafschap Brussel, een gedeelte van het oorspronkelijke Brabant (W.I.), was in hoofdmeierijen onderverdeeld. In 1256 (Rekeningen in Rollen, nr 2602) hestonden de meierijen Sint-Gillis, Vilvoorde~ Erps, Kapelle-op-den-Bos, Overijse en Rode. Hoewel de hoofdmeierijen van de Ammanie Brussel sedert de eerste helft van de 12e eeuw bestaan, worden ze voor de eerste maal pas in 1356 vermeld. (Brabantse Yeesten, 11, hl. 521). Aan het hoofd van die meierijen stond een meier of hoogmeier, door de Rekenkamer voor drie jaar aangesteld na verpachting aan «die meest daer om willen geven». In 1475 hestonden de meierijen Rode, Kampenhout, Asse, Kapelle, Merchtem, Vilvoorde, Hoeilaal"t, Genepiën (Genappe), Terhulpen, Graven (Grez) en Mont-SaintGuihert. Onze ltoofdnteierij omvatte de volgende dorpen, waarbij het bedrag is aangewezen W!l'arvoor ze in 1677 moesten « contribueren in de repartitie van 1· guldens ». Rode 4 gulden, 8 stuiver, 11

.

217


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

DE FEODALE INSTELLINGEN

denier; Watermaal 6 g. 7 st. 1 d.; Kraainem 3 g. 19 st. 11 d., Etterbeek 1g. 10 st. 5 d.; Sint-Pieters-Woluwe 2 g.; Alsemberg 4 g. 15 st. 2 d.; Dworp 6 g. 3 st. 9 d. ~ Sint-A gatha-Berehem 2 g. 11 st. 5 d; Huizingen 4 g. 15 st.; Linkebeek 2 g. 8 st. 1 d.; Groot-Bijgaarden 6 g. 17 st. 2 d.; Sint-Ulriks-kapelle 4 g. 9 st. 6 d.; Ukkel 9 g. 13 st. 2 d.; Boondaal 1 g. 17 st. 7 d.; Beersel 3 g. 18 st.; Ruisbroek 4 g. 3 st. 2 d.; Bekkerzeel 1 g. 8 st. 6 d.; Ternat 18 st.; Meerbeek 7 g. 19 st. 10 d.; Drogenbos 2 g. 13 st. 4 d. Hierhij kan men zich de betrekkelijke belangrijkheid van die dorpen in .die tijd voorstellen. Treffend vooral is hv. Etterheek en Sint-Pieters-Woluwe. Het ambt van meier, net als de meeste ambten, werd verpacht aan de meestbiedende. Vaak werd bet te hoog gepacht en dan moest de meier zijn schade inhalen.

De volgende feiten hebhen ook hetrekking op de oude hoofdmeierij. In 1407 « Van Percievael van Molenheke scepenen clerck ·van Rode poerter te Brussel om dat hy eenen scepenhnef van R,ode valsch maecte ende dair in ende ut gedaen hadden na datten de scepen van Rode hezeghelt hadde »... (R.K. ~3775). In 1483 <<Hennen Cote die welcke hij den meyer. van Rode IS geweest . gevang~~ van dieften ende van die dr~igemente van hrande ende want hiJ was geboren inden lande van Gaesheke soe heeften de meyer navolgen~~ der ouder costumen gelevert mynen heere van Gaesbeke te Lake hiJ Beersel opte Brugghe, dien heeft doen richten metten sweerde ende dat Hennen geen goet en had de >>... In 1481 << V ap. J:Iennen Sueten woonende te Pamele int lant van Gaesheke ende Ingeboren van Lyere die welcke midts dat hij veeler hande cler?ichheyclen ~adde gestolen is gegheeselt geweest mit roeyen w~nt hiJ noch ~eer JOnck was ». Hij werd gegeseld door Jan de V1sch « scherpnc?~er der stadt van Bruessel » die daarvoor 6 stuiver trok « want hiJ ~west komen van Brussel tot Rode>>. 1483. «Ende noch soe heeft d1e vs. Amman (van Brussel) te coste gehadt aeu die twee vremde gesellen deen uut Ingelant ende dandere uut Scotlant, te weten aen voentcosten van elcke 8 daghen dair zij te Rode hebhen gevangen geseeten »... (RAB, RK nr. 12776). Te Rode moeten ook St. Petermannen van Leuven geweest zijn. ·De St. Petermannen van Leuven waren mannen en vrouwen die zich mits betaling van een hoofdcijns onder de bescherming stelden van de Kerk of van de patroon van de Kerk. Zij genoten vele vrijheden en voorrechten. Het voornaamste van die voorrechten bestond erin dat ze niet konden onttrokken worden aan hun natuurlijke rechters, nl. het Petermannengerecht, althans tot het laatste kwart der XVP eeuw. (Mr Dr Schillings, Rechters, misdaden, en straffen-in vroegere tijden te Leuven, in ESB, 1955, hl. 93). · Aan dit voorrecht zochten andere gerechtsinstanties voortdurend te tornen, maar ook de St. Petermannen maakten misbruik van hun voorrecht. In 1405 had de hoofdmeier van Rode « Coppen Aleyten, dair f aem overliep dat hi eenen pot gestolen soud~ hebben... ghepoint mits dat hl Sente Peteren man was ... ». Het Jaar daarop noteerde de~elfde meier in zijn jaarlijkse rekening en verantwoording, dat hij « gevaen hadde te Rode Machiel Minnarde van Cfl!aden facten ... ende hem dair lange tijt gehouclen hadde ende. van ~an voer~en hen ten Driën Dorre (gevangenis te Bosvoorde) dau (hiJ) hem anheyde (nl. hem op de folterbank liet leggen om hem te doen heke~en) .». Maar dat « Sente Peeters lieden van Loeven... hem huyt hlessehen als hllDllen messenieman van Lovene, ovennids de privilegien... die sij dairop hebben, soe dat de vs. Machiel hem hadde te koste gedaen 6 kronen Brabants:.. (RK. 12775) ..

Voor minder zware straffen ve1·koos de tneier dan liefst de compositie of minnelijke schikking, niet zonder te trachten de afkoopsom zo boog mogelijk op te voeren. De minnelijke schikking was niet alleen een makkelijk middel om geld te slaan, maar tevens een stelsel om zich van alle ingewikkelde gevallen af te maken. Wanneer de zaken moeilijk te bewijzen zijn, het geding lang kan " duren en om allerlei redenen gooide de meier het op een akkoordje en liet hij de schuldige afkopen of « poenten ». (A. Schillings, E.S.B., 1955, 90-91). Hierna volgen enkele feiten die hetrekking. hebhen op hoogmeiers van Rode. Hendrik de Grols was meier in 1247 (Henricus de Grols an1manus Bntxellensis et villicus (meier) de Uccle et de Roda) (K.A.). Hoogmeier Gillis Mennen, ridder, uit het Brussels geslacht van Rodenheke, een tijdje schepen van Brussel, werd krijgsgevangene gemaakt in de slag hij Basweiier op 22.8.1371 en overleed in juni 1375 (Tahlettes du Brabant, 1956, 227). Tijdens zijn meierschap werd door Wilde Bilien een klacht ingediend omdat « sijn wijf een hemde verloren had de van op enen tune (een haag), ende dat hi (Gillis) wel wist wie dat hadde, doch creech sij 't weder van den meyer, ende moist hem geven 2 guldenen peter ». (Bolsée, « La grande Enquête de 1389 »). Die klacht was evenwel vergeefs want de meier was toen reeds overleden. JAN VAN HEELBEKE treft men aan in 1389. JOES DE VLEMINCK. Hij was gehuwd met Joanna Coelmans. Hij verschijnt samen met zijn dochter Dorotea, gehuwd met Hendrik van den Dijcke in een schepenakte van 24.8.1540 en in een akte van 6.3.1537 als « J oes Vlemincx alias Berthout meyer van Rode » voor Jan. Ots zoon wijlen Mathijs en Anna Breeckmans van het Hof van Kissem te Dworp (G. 6636). Sr. MACHffiL VAN OPHEM was « gewesen hoochmeyer des landt ende meyerye van Ro » in 1655 (G. 8459).

218

219


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

DE FEODALE INSTELLINGEN

VRIJHEID.

GEWOONTERECHT OF KOSTUIMEN.

Ee:r;a.. vrijhei~ hetekende een grondgebied waarvan de bezitter,

nat~urbJk Ult eigenb~l.ang, voordelen schonk aan wie er zich wilde Vestigen, hem onder ZIJn bescherming nam en Verklaarde dat hij d" er een bepa~l.de . tijd verbleef, :moest 'gehouden worden voo1· een' vr~J man. De VriJheld kreeg van de grondheer keure schepenbank en zegel. ' Rode schijnt geen vrijheidskeure van de Hertogen van Brabant verkregen te hebben, meent A. Wauters I LIII maar volgens M.J. de Bast, << L'Institution des Co:nununes da~s Ia Belgique >>, Gent, 1819, zou ze er wel een ontvangen hebben, nl. in 1251, hetzelfde jaar als Mer~htem, en na ynvoorde in 1192, Tervuren en Duisburg in 1226, Brusselm 1229, IJse In 1234, Asse in 1248 (C.T. Gesch. van Kapelle-op· de?-·!Jos~ .. 1953, hl. 102). Volgens anderen ontving Rode zijn eerste privilegie~ van Hertogen van Lotaringen en van Brabant Hendrik I en Hendrik 11 In 1232 en 1340. Op 10.8.1403 vez:le~nde Joanna van Luxemburg aan de vrijheid van Ro.~e de ~achtig~ng om een wekelijkse macht te houden en ~en a~ClJns te bchten op wijn, haringen, vee, de stoffen die vreemde ooplieden ..er zo~den komen te koop stellen en verder een zegel te laten sniJden d1e zou bevestigd worden aan het linnen dat in de gemeente g.~we~en werd (Reg. aux privilèges, nr. 8. _Folio's 74 en 75). Als VriJheid speelde Rode één enkele maal een politieke rol. In 1372, toen de slag van Basweiier aanleiding gaf tot een nieuw verdrag tussen de steden van Brabant, stelde Rode zijn zegel op dat verdrag : de hekende Keure van Kortenberg. e De bewoners van een Vrijheid werden poorters geheten. Na de 14 eeuw ~~:door het poorterschap van een kleine vrijheid als Rode veel van ZIJn belang. Tussen 1330 en 1350 noteert men slechts één poorter, nl. Jan de Temmerman (Rek. Rollen 2561). Alleen dat van fote s~e~en werd nog op prijs gesteld. Ten andere, en mede met ~ V?stiging, voorgoed, van de macht der hertogen, na hun overwmrung op de Bertouds. Hier moest de inwoner niet beschermd worden tegen andere heren, vermits het gebied van overouds reeds tot de hertog behoorde.

?e

Meiseniers van Rode : Jan Boesdale, Jan Willem en Jakob van

Boegarden~ Jan Adaemssone van Boegarden, Hughe en Arnt van Es~ele, W11lem Gherart .s.one van Essele, Ra.es van der Vneren, Heman Wouters, Pet~r SIJn brueder, Jan Tomjs sone, Peter Prisemesse, Gherart en Hemree J ans Deckers kinderen, Morissijs Gielijs Clercs sone, Jan de Slupere. Poorters : Meester Jan de Temmerman. Dit waren de voornaamste inwoners. (RAB, Rolrekeningen, nr. 2561, omstreeks 1350). ·

220

Voortijds hestonden er geen geschreven wetten. Alle zaken wer· den gevonnist· naar het gewoonterecht, dat steunde op de natuur van de mens, van de grond, op de algemene arbeidsvoorwaarden, op de eisen van de welvoegelijkheid en van het midden, getoetst aan het wisselend gebruik van de tijd. Mettertijd, nochtans, werd orde· ning nodig. Omstreeks 1400. werd een aanvang gemaakt met het verzamelen van de voorschriften van het burgerlijk recht. Nog later, op 28.8.1531, verordende K.eizer Karel het gewoonterecht in schrift te stellen of te kodificeren. De « Costuymen van het recht van Rode, Halssenherghe ende Leeuwe » zijn opgenomen in het werk van Constant Casier, << 'Coutumes du Pays et Duché de Brabant », 1873, en hestaan uit 43 artikelen die betrekking hebhen op erven en verdelen van goederen. Het zon wel de moeite lonen met die eigenaardige oude bepalingen kennis te maken, maa:.: het zou al te veel plaats vergen ze op te nemen. Op het Rijksarchief te 's Gravenhage (Nederland) berust een handschrift, getiteld : « Lantschart ons genedichs heren hertogen van Brabant nad'lantrecht der hanck van Rode >>. Deze keuren werden geschonken door hertog Jan I aan de inwoners van zijn meierijen van Rode en van Wamheek (« onsen lieden nut onser meyerien van Rode ende van W amheke »). De tekst is op weinig na dezelfde als de kenre van de ammanie van Brussel uit het jaar 1292 (W. III). Enkele bepalingen uit die keuren waren: de meier, vergezeld door twee schepen, zag het gewicht .van het brood hij de hakkers na en, indien hij het te licht bevond, werd de hakker bestraft met een boete van 5 schelling zo het brood vóór het venster, en van 20 schelling zo het binnen lag. Twee knechten moesten toezicht houden op het bierhrouwen. De heenhouwers mochten vers vlees slechts 3 dagen houden. Rondlopen van vee, kansspelen, vernielen van afsluitingen, lopen op bebouwde akkers, was verboden. Personen die 's nachts zonder noodzakelijkheid op straat waren liepen 20 stuiver boete op. Om de oogst te mogen binnenhalen moest gewacht worden tot de tiende geleverd was; van zijn kant mocht de tiendeheffer de oogst niet aanraken dan in aanwezigheid en met de toestemming van de landbouwer. SCHEPENBANK. De rechtsbedeling, in vroegere eeuwen vrij ingewikkeld, was het in onze gemeente nog meer, wegens haar ligging in en tegen het Zoniënhos. Zij viel immers niet alleen onder de plaatselijke schepenbank, maar ook Qllder de Drossaard van Brabant, onder het Woudrecht en

221


. DE FEODALE INSTELLINGEN

GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESIUSRODE

het Jachtrecht, waarvan het rechtsgebied zich niet alleen tot het eigenlijke hos, maar ook tot de duwieren (een brede strook rondom het hos) uitstrekte. Dit laatste 1noest natuurlijk dienen om te beletten dat hosdieven, wild.. en baanstropers, zich aan de hoswachters enz. zouden kunnen onttrekken zodra ze huiten de zQom van het hos zouden geraken. Het eigenlijke plaatselijk gerecht was de schepenbank, door de heer van de grond aangesteld. De schepenbank, die enigszins overeen• stemt met ons huidig vredegerecht, bestond uit een meier, schepenen, griffier en officier, soms bijgestaan door een schepen-rechtsgele"erde om te voorzien in het gebrek aan kennis of bevoegdheid van de gewone schepenen. Tweemaal per jaar hielden de schepenen een openbare vergadering of gouwdag waarop alle overtredingen, misdrijven enz. afge.. handeld werden. Voor 1460 lezen we daarover: «Den scepenen van de hancke van Rode die gewoenlic sijn geweest te houden tsjaers de goudagen te weten den 1n goudach des goensdaeghs van beloeken Paesschen den anderen des goensdaeghs na Scte Baefs dach ende den derden des goensdaeghs na derthien dach, op elke van welken goudaeghen die vs. meyer hen gewoenlic is te hetaelen eene maeltijt . ende dat nyet laeten en mach aengesien d_,oude gewoente die dair af van seer ouden tijde tot hiertoe is onderhouden ende oic den redenen hoven gen. Dair om voor elk van den vs. drie goudaeghen verschenen bynnen der tijt van dese, 2 royalen»... (RAB. RK. nr. 1460). Sommige belangrijke zaken werden behandeld door de amman van Brussel. Zo zien we in 1640 (G. 8249) te Brussel op de «Steenpoorte » een « extraordinaria genecht >> houden waar de hqogmeier, meier Jan Loock, schepenen Gahriel de N ayere en Pieter Beymans aan deelnemen. In strijd met thans had immers niet elk dorp zijn eigen bestuur. Meestal bestond een schepenbank uit twee en meer dorpen, naar willekeur van de heer van de grond, die in dat opzicht oppermachtig was. Deze schepenbank vergaderde gewoonlijk in een herberg aan de kerk. Te Rode geschiedde dit onder meer in de 17e eeuw in de herberg van Rogier de Haese en die van Peeter de Haes (24-7-1666), en die van Bertel Heymans en van Niklaas Theys. Op 18-10-1791 had het « genecht », zoals die zittingen geheten werden, plaats « ten huyse ende herherghe van Ludovicus Fremau ». Te Alsentberg was het in de «Zwaan», de «Drie Koningen»; te Linkebeek in « Sint-Sebastiaan ». Gewoonlijk vergaderden de schepe• nen om de beurt in een van deze drie dorpen, om de veertien dagen en soms wel alle weken. In een schepenvergadering in 1637 (G. 8248) had Jan Hazey gezegd dat de schepenen geen eerlijk vonnis in zijn zaak tegen Matlûjs W eets gesproken hadden. Schepen Gabriel de Nayer liet dat niet zeggen, daagde Hazey en deze werd veroordeeld tot 6 Rijnsgulden, ten behoeve van de armen van .Rode, ho·ewel

222

~

hij om genade smeekte en zeide dat hij gesproken had ~< uyt passie ende dronckenschap >>. De boeten behoorden geheel tot de hertogen van Brabant, behalve op het leengoed van Boesdaal en Tenhroek, die tot de heer van Beersel behoorden. Reeds in 1302 bedienden de schepenen zich van de Vlaamse taal (in de plaats van Latijn). MEIERS Oorspronkelijk was een meier een locale plaatsvervanger van een heer, een klooster, in een hoeve of een parochie. In het Latijn werd hij een « villicus » geheten. De opvolger van een kloosterlijke hoeve enz. bleef << villicus » heten, en in de parochieboeken wordt een pachter << villicus » en de pachteres « villica » geheten. De oudst hekende meier staat onder een akte 1134 als « J oannes villicus de Roda » vermeld. De meiers waren de plaatselijke vertegenwoordigers van de grondheer, helast met het handhaven van zijn rechten en voorrechten, het innen van de gelden die hem toekwamen enz. Hun bevoegdheden breidden zich stilaan uit tot de gerechtelijke en de administratieve aangelegenheden. Doordat de grondheer van Rode de Hertog van Brabant zelf was, werden de eerste meiers door hem aangesteld. Later, bij de verpanding van de heerlijkheid, werden ze natuurlijk aangewezen door de plaatselijke heer. In de XIVe eeuw waren er veel misbruiken in de uitoefening van het gerecht door de plaatselijke bestuurders binnengeslopen. Geldaf· persing en uitkoperij waren aan de orde. Hertogin J oanna van Brabant liet dan in 1389 een uitgebreid onderzoek ter plaatse zelf instellen. Het l-egende klachten. Vooral meier Everaart Connen of Cunnen moest het ontgelden. Zo hekJoegen zich Andries Strepen en Gie.lis Fellebaert « als dat op tide voirleden huere heider wive sceldende worden omme coelen dien in huere hoeve stonden, also dat quade tongen dairtussen worren ende dat dit quam voir Everart Connen, sodat Everart seggen wonde dat Dries wijf in Feilebaerts hof om coelen geweest soude hebben, des niet en was, nochtans moist de meyer hyraf van eiken hebhen 25 libers payements » (J. Bolsée, «La grande Enquête de 1389 », hl. 148). Inwoners van Buizingen, Eizingen en Huizingen hekJoegen zicl1 vooral over Wouter, de ondermeier van Rode : « Item, die van Busingen ende van Eisingen toenen ende nemen op ten eet (verklaren onder eed) dat heide huere prochien soudeniergeit gegeven hadden Everart Connen, haren meyer, van 14 nachten, ende doe viel dat huere liede binnen 8 dagen afquamen so dat de vs. meyer meer onthouden biet van dien van Busingen 2 mottoenen ende van dien

223


KERKELIJKE GESCHIEDENIS

DE FEODALE INSTELLINGEN

vau Eysiugen 4 mottoenen dan huere soudeniergeldt liep na dien dat sij afquamen de welke 6 mottoenen sij noyt ghecrigen en con· sten van hem al ees 't dat sijs hem dicwile verrnaent hebhen ». « Item na den thonen dat die van Busingen ende van Eysingen doin over Everart Conoen als dat sij hem moesten geven 6 mottoe· nen meer dan hoire gelaviegeldt gedroech (soldij van lansiers), is getaxeert dat Everart Conne mijnre vrouwen (de hertogin) dairvoir sal geven 30 1nottoenen, valent 24 gulden». Over «Wouter, d'ondermeyer van Rode... klagen de goide lieden al meest van Eysingen alse dat sij hem gegeven hebhen ende geven moiste van eiken scote 6 lihers payements, dat hen groet ongelijc dunckt want sij, soo sij zeggen, des daechs als yet gescoet ware nemmeer sculdich sijn en souden dan 10 stuvers payements ende 's nachts 20 stuvers, ende voirtijds nentmeer hetailt en hebhen dan dat dair omtrent binnen enen jair of twe te hroken heet ». Daarop antwoordde Wouter « dat lrl noyt preter noch sentter en was ende dat hl noyt niet en scutte, mer hl hout die vrunte ende als die preter coye, perde of ander dinc in sijn vrunte brengt, dair nempt lrl af dat hem die scepenen wisen » (een schutter was een aangestelde die loslopend vee, dat andermans eigendom beschadigde, opving en in het schot of de vroente opsloot, ten koste van de eigenaar van dat vee). In 1412 was Jan van der Zenne meier te Rode. Hij had toen een man « die op een elshosch een stucxken houts ghehuwen hadde en calengierde » met 11 stuiver beboet. De meier moest echter het geld teruggeven (RK. 12544). De volgende meier was Hendrik de Kegel « onlancx meyer van Rode ». In 1430 had hij zich reeds tegenover de Drossaard van Brabant te verantwoorden voor misbruiken, nl. « van dat hi hem mesgrepen of versuympt mach hebben, aen eenen knecht geheten -Daem U ter Huven om dat hi dien niet uyt geheicht en heeft uut handen des haillus van Gaesheke die den selven knecht gevangen hadde dwelck hij sculdich hadde geweest te doene daer te Roede gewonnen ende geboren was ». De baljuw van Gaasbeek had dus een knecht aan· gehouden die niet onder zijn rechtsmacht viel en de Kegel had deze niet opgevorderd. De tweede hesehuldiging bestond erin dat onze meier « sijn mannen van leen hadde doen vergaderen om van hen te leen te doen ontvangen I ~ dachwant lands bi enen knecht geheten Cuppen (J akoh) Wouters de welke 1 % lands desselfs knechts hrueder jegen mijn genedigen heer (de hertog) overmids enen doetslage verhoirt hadde, hoe wael dat die Henriken (de Kegel) dat leen van hem niet en liet ontfa en, want hem sijn mannen van leen hem dit ontrieden ». Wegens doodslag was dat stuk land dus ten behoeve van de hertog van Brabant verbeurd verklaard, tnaar de Kegel had door het leenhof een akte latell opmaken om die verbeurte onmogelijk te

maken, iets in de aard dus van wat thans gedaan .wordt om goederen op naam van de vrouw te stellen in geval van bankroet. ~ Verder liet « hl enen knecht ongevangen inder prochien van W ambeke die te Loven op wege uut geseit was om dat. hi enen man gekwetst hadde geheeten Hennen Maris ». Hij had dus een knecht laten lopen die moest gestraft worden. Voor dit alles werd van onze meier een boete van 50 philippusgulden gevorderd (RK. 12530). In 1440 treft men Pieter van Binnen als me,ier aan (RK. 621). In 1527 werd « meyer of vorster van Rhode, Alsenhergh, Doreppe, Huysingen, Eysingen ende Buyssingen Henryck van Grasdorf » hij akte van de Rekenkamer, voor drie jaar om 8 rg. In 1491 werd de meyerie oft vorsteria van Roode genomen door Pieter Maerschalck... op condicie dat hij hynnen... 3 I. 10 · st. in de Rekenkamer van Bruessele zal hetalen (RK. 516). In 1498 moet hij de meierij niet meer gehad hebben, want hij staat aangetekend als << stadhoudere des meyers ». In 1508 treffen we Jan van der Cameren aan die de meierij « te pachte heeft genomen voor 3 jaren van half maart, om 8 pond». In 1539 was « onlancx aflivich geworden Joos de Vleminck meyer van Roode ende tot den bedienen ende exerceren van den vs. officien alnoch hij ons heren den keyser... niet versien en was. Dair hij sijne maj. kueren ende hruecken aidair gescapen waeren te verdonckeren ende te verliesen ende de justicie ongeadministreert bliven tot groten ongerieven van de ingesetenen... na advies der goeden kennisse die zij (de mannen van de Rekenkamer) hebhen van den persoen van Henricke Rijpelbosch (alias van Grasdorf) », die Joos de Vleminck lang vervangen had gedurende zijn absentie, wordt hij gelast de meierij « wel ende gatruwelick te bedienen » « zoals het een « go et en getruwen meyer te do ene staet » (RK. 294): Collijn (Niklaas) Boucquet staat vermeld in 1541. In 1548 >treffen we Bernaart de V adder als meier aan. Hij was pachter op het Hof te Lansrode. Op 15 juli van dat jaar werd hij door Pieter de Vleugale met « een opsteker driemaal in zijn horst » gekwetst. De dader was er dan van onder getrokken en negen weken lang weggebleven. Gevat, werd hij echter maar tot 30 stuiver boete bestraft, omdat het feit in dronkenschap gebeurd was «ende diverse goede Inden » voor hem ten beste spraken en « mits sijnre armoede » (RK. 12777). In 1561 werd de V adder echter af gezet wegens schulden en nalatigheid (RK. 12777). In zijn plaats kwam Filip van Conde die zijn eed aflegde op 7-7-1561, in «handen van den president ende luden van den cameren ». Dit was de laatste hertogelijke meier, doordat in 1562 Rode en Alsemberg verpand werden aan ridder Wolf Halier van Hallersteyn. Thomas van Grasdort staat als meier vermeld in 1579 (RK. 383 fo 407). Merten de Stoute was meier in 1581. We hebben vervolgens « Heynric Doyman onder meyer te Rode den weleken gheset


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

DE FEODALE INSTELLINGEN

was enen wech te Meylanen om enigerbande worden wille die hi geseit soude hebhen der Stadt Recht van Bruessele die hem niet en hetaemden te segghene ». Hij werd dus veroordeeld tot een bedevaart naar Milaan omdat hij onbetamelijke woorden ten nadele van die (de overheid) van Brussel gezegd had. Buitendien moest hij een boete betalen van 10 % groot, de helft voor de heer de andere voor de stad (RK. 12702). Meier Pieter Loocx treft men aan in 1616 (RK 309). Dan duurt het tot 1771 voor we nog een naam van een meier vermeld vinden, nl. Pieter de Leener, « horghemeester », en J.-B. van den Elsken, Jan de Doncker.

volgen : Piete1· Maerschalck, Walraven Stevens, 1498; Niklaas de Riddere, schepen der bank van Rode, kerkmeester van .Sint-Genesius, in 1552 gehuwd met Elisaheth Spierinck, dochter van Willem, foerier van Keizer Karel Zij hadden als kinderen; Hendrik, Margriete, Katelijne, Elisaheth, Jan, Anna, Maria (ESB 1934, 409) ; Jakob van Cutsem, Hendrik de Nayer, 1560 (G. 6638); Willem de Verwere, 1620; Gabriel de Nayer, 1637; Andries Tijck, 1647; Joos de Leener; Augustijn van Cutsem, licentiaat in. de rechten, 1648; Miehiel Coomans, Jan Berckmans, 1649, 1659; Filip van lsterdael, Frans van der Eycken, ·Gabriel de Ridder, 1653 (G. 343); Jan de Smet, 1658; Willem Berckmans, Frans de Haes, Niklaas van. Rossum, Gabriel Wets, 1666; Pieter Everaerts, Jan Smons, Gillis de Gelas, Joos van den Berghen, Jasper de Greve, Sebastiaan Berckmans, Francis van Rossum, Jan van Bever, Jasper Wijns, 1711-14; Niklaas Simeons, Ludo Matton, Jan van Hemelrijck, Gillis van den Berghen, Jan de Nayer, Miehiel Lemmens, 1745 (G. 8305); Frans de Gelas, Frans van den Bosch, Joos van Obberghen, 1748 (G. 8306); Antoon de Geynst, 1753 ; Pieter de Leener, 1756; J.-B. van den Bossche, 61 jaar oud in 1761 ; Frans Mertens, 1760 ; Miehiel Lemmens, 1785; Louis Fromont, Jan de Becker, 1791.

SCHEPENEN Het schepenambt is een zeer oude instelling en was steeds, en is trouwens nog, een belangrijk ambt. Alvorens hun ambt te aanvaarden, moesten ze voorheen een lange en strenge eedsverklaring _ afleggen. (C.T., Gesch. van Kappelle-op-den-Bos, hl. 121-123) : lek N... hulde ende sweire den heere Keyser koninck van Spaignen ' aertshertoghe van Oistenrijck, hertoghe ~an Brabant... goet end; getrouwe te zijne, alle heure rechten, statueten, privilegien ende alle puncten van der blijden incompste des laudes van Brabant wel ende getrouwelijek t'onderhouden. Voort sweir ick der· beylighen kercken recht, weduwen ende weesen recht ende eenen iegelijcken die recht hegeirt, raedt geven ende raedt halen, ende als ick o·p mijn voeten staen ende in bancken, en sitten gaen met mijnen medegesellen ende mij rnaent die meyere die mij van rechtsweghen schuldigh is te maenen, dat ick dan naer taele ende wedertaele een goet énde recht vonnisse sal wijsen naer mijnen vijf sinnen. Voort sweir ick, dat ick om schependom geenderbande goet, gifte ofte miede gegeven en hehbe noch doen geven, ofte laeten geven van mijn wegen noch gebeden noch doen bidden offe laeten bidden hij mij selven oft hij iemandt anders in eenigher manieren. Voort sweir ick dat ick om recht geenderbande goedt, geit gift oft miede nemen en sal ofte laeten nemen bij mij selven ofte bij iemandt anders van mijnen weeghen in eenigher manieren, maer dat ick eenen iegelijcken recht doen sal die recht begeirt, evengelijck den armen alsoo wel als den rijcken, ende dat en sal ick laeten noch om vaeder noch om moeder, noch om suster noch om broeder, noch om geenderbande noot noch om vreese van de doodt. » (Fiskaal Officie, nr 588). Enkele schepenen hebben hun naam in akten nagelaten. Doordat, zoals we reeds zeiden, onze schepenbank nog andere dorpen om,ratte, is het niet steeds zeker of de aangeltaalde namen wel alle inwoners van Rode zelf betreffen. De oudst hekende is Jan t>an Pirke, in 1389 (Bolsée, a.w.). Dan

226

GRIFFIERS De griffiers der schepenbanken waren de voorgangers van onze gemeentesekretarissen. Meestal waren ze echter rechtsgeleerden, doordat schepenbanken tevens rechtbank en notariaat waren. De oudst hekende griffier van de schepenbank is Guilliam Roohaert. In 1641, mr. Hendrik de Kegele. (G. 8249). In 1642 stelt de Abdij van Ter Cameren een geding in tegen ):tem. P.-A. de Coster is griffier in 1688. Melchior Leopold Cleutincx was « greffiarius in Rode ». Joos van Polfliet stippen we aan in 1759 en later. Hij was « woonende in het Silverstretien tot Brussel». Guilliam Reyntiens treffen we aan in 1772. Hij was ook griffier van Z.M. Opperjagerij van Brabant, te Bosvoorde. DORPSOFFICIEREN Polltie zal er wel altijd geweest zijn, ten minste van toen er eigendom bestond... De naam der funktie veranderde naar tijd en omstandigheden. Vroeger heetten de landelijke politiedienaren « pra· ters, preters ::., van het La1ijn « Pretor » en ook sergeanten en offi.. eieren, ~oals ten onzent. Die officieren waren verbonden aan de schepenbank en stonden meier, schepenen en griffier ter zijde. Hun

227


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

voornaamste taak bestond evenwel in het bewaken van veld, hos en weg. De oudst vermelde is Peter de V os << preter van Rode » (Bolsée 150) in 1389. Dat het tussen wet en burger niet altijd goed botert is een oud liedje. In 1575 werd Jan Busseloorts gestraft met 15 stuiver omdat hij de « diener van Rijpelbosch (die ook van Grasdorf geheten werd) geinjurieert had de om de dienst hij hem· gedaen ·om dat hij hem gecalingiert hadde seggende ghij en hebt hier gheen calengieren, ick scijte opten meyer van Rode op sijn dieneren en op u oick »... (RK. 12777). Jan van Grasdorf, van Alsemberg, was preter in 1623. Jan Loock de oude, ook van Alsemberg, deed in 1630 de « hehoirlijcke eedt als mede pretere der Banck van Alsenherge ende Rode in handen van Joncker Laureys van Ghindertael en hoochmeyere. llij overleed in 1648. Zijn zoon, die ook Jan heette, legde in 1635 de eed van « getrouwichheyt af als lieutenant en ondermeyere >>. van de bank. In 1636 rees er tussen deze en preter Hendrick Loock een geselril over het aantal preters, die met drie moesten zijn, waarvan een hospreter. Hendrik de Haese, die hier preter was, werd dat jaar koster te Huizingen « alwaer hij is bedienende de costerije ». In dat jaar treffen we ook Hendrik Boerîe, en in 1639 Boudewijn Panneels aan (G. 8284). Joos Claes legde de eed af in 1644. In 1651 overleed een preter Andries Loox. Zoals .men ziet bleef een functie lang in een zelfde familie. In 1675 deed Gillis Mosselmans « van wegens en ten versuecke van den heere deser bancke den eedt als preter oft officier... in handen van heer ende mr. Daniel Tasselon schepene » en vóór den heer van den Winckele, heer van de schepenbank. Hij was nog in dienst in 1694 (G.8286). Jan Crocket, van . Alsemberg, legde de eed af in 1681. In 1694-1730 was Andries Mathijs officier (G.8260).

DE FEODALE INSTELLINGEN

"

gedaan aan « zeelen, hanstoen, moste ende rat en andere saken daertoe dienende » (RI(. 12775). Veel strafuitvoeringen geschiedden op de Grote Markt te Brussel, maar dan gebeurde het dat het dode lichaam aan de galg in de streek waar de misdaden. gepleegd waren werd opgehangen << zolang het duren zal », als « schrikwekkend voorbeeld » voor anderen. Later · toen Alsemberg, Rode en Linkeheek één heerlijkheid vormden 'zonder Beersel, had de heer van ,dit laatste dorp er ook een galg. Er was . bepaald d~t hij steeds vdje toegang tot die galg zou hebben.

STRAFPLAATS Elke schepenbank had haar eigen strafplaats, gewoonlijk een galg. Deze werd opgericht buiten de dorpskom, maar toch langs de grote weg, op een eenzame plaats. De galg van onze schepenbank stond aan de Brusselweg, ongeveer aan de samenloop van de grenzen van Rode, Linkeheek en Alsemberg, op het grondgebied van deze laatste gemeente. De plaats waar ze stond heette het Galgeveld (1664 : op den wech van Alzenberge met oick aent Galgevalt ende optreekende tot tegen "t Heeghdevelt (RK. 4253). In 1406 werd te Rode een « hangdief Neele Grobbe gericht welke eenen doetalach dede te Watermale :.. Daartoe werden uitgaven

228

229


HOOFDSTUK VI

HET EKONOMISCH LEVEN LANDBOUW Er was een tijd dat alles hos, heide en moeras was. Al naar de bevolking aangroeide na de eerste menselijke nederzettingen werd al maar door meer land ontgonnen. Waarschijnlijk hestonden de eerste bewoonde kernen van onze gemeente uit afgezonderde hoeredoeningen in uitgerode gedeelten van het woud, waarrond gaandeweg woningen opgericht werden voor mensen die in de hoeve of met houthakken hun kost verdienden. Voor al die mensen werd dan na verloop van jaren een kerkje gebouwd in de voornaamste dorpskern, aan de samenloop van de latere Molenheek en de I(wadeheek. Over de oude landhouwtoestanden hestaan er weinig inlichtingen. Vermits de mensen vroeger in een gesloten ekonomie leefden, zal de landhouw aangepast zijn geweest aan de belangrijkheid der bevolking. « Meer vragen zij niet », zegt Henri Pirenne (Gesch. van België, IV, _440), sprekende over de hoeren, «dan van de hand in de tand te kunnen leven met de luttele opbrengst van hun arbeid ». Om verder de geschiedenis van de landhouw in onze gewesten te verstaan, zou men het werk moeten lezen van Ir. P. Lindemans en wat hier volgt als plaatselijk illustratiemateriaal beschouwen. De boerenstiel was steeds een vak van taai en eerlijk werken en wroeten, ofschoon het wel eens gebeurde dat de ene of de andere zijn winst trachtte te vergroten, zoals bijv. Willem van Mons, die in 1482 «om dat hij zijn schalen daer hij de boter mede weeghde bevonden was te licht wesende », tot een boete van 6 stuiver veroordeeld werd (RK. 12776). In 1396 leest men echter nog wat krassers: « Lise metten Floyte » werd met een geldboete van 5 mottoenen bestraft « omdat si in haer boter een padde hotterde ende dat si die hottre dien Inden vercoeften (RR. 2641). Nu, het is niet zeker dat Lieze met de Fluit een boerin was. Ze kan ook een koopvrouw geweest zijn, want welk werkelijk belang ze er bij had die pad in de boter te verwerken is ons een raadset Een pad in een korf zou

»...


HET EKONOMISCH LEVEN

GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

nog aan te nemen zijn. Het is hekend dat nien voortijds zeer streng was op het stuk van zondagwerk. Op 7-8-1718 werd een hoer van Rode met 3 g. bestraft omdat hij, « wesende eenen sondagh had de gearheyt in hoy ». ( G. 8285). · . De grond .bracht vroeger heel wat minder op dan nu. De chemische bemesting bestond niet. De grond. werd alleen verbeterd met stalmest en mergel. Tussen de spoorweg en de Waterloosesteenweg, bestaat er nog een plaats de Mergelput geheten. In 1667 was Aart Huhlou, « mergelende » op het Hangeikveld. Later werd ook kalk en de zg. « Cendres de Hollande » aangewend. In 1715 had de pachter van het Hof ten Hout een « kerre gelaeden met asschen op het velt » staan. In 1686 waren hier 300 hunder houwland en 40 hunder weide. De .re.st bestond uit 104 hunder hos en 20 hunder vijvers. In een statistiek van maart 1834 verneeJut men dat op een oppervlakte van 6~6 ha. nl. de grootte van de gemeente zoals ze was zonder de mtgerode gedeelten van Zoniën, ingedeeld was als volgt : 41 ha. hos, 3 ha. 60 a. weide, 12 ha. 80 a. 15 ca. tuinen, 63 a. tarwe, 299 ha. rogge, _ 6 ha. gerst, 170 ha. haver, 14 ha. koolzaad, 7 ha. 40 a, 72 ca. honen, 170 ha. aardappelen, 5 ha. allerlei gewassen. Zoals men ziet werd .· er uiterst wei?-ig tarwe ve~houwd, wat er J>P wijst dat de grond er eerder van mmdere soort IS. De peulvruchten uit de middeleeuwen vóór de opkomst van de aardappel, waren nog vertegenwoordigd met 7 ha. en het koolzaad, dat totaal uitgediend' heeft, met 14 ha. Welke waarde het graan voor de mensen had kan men afleiden uit het feit dat schepen Niklaas van Rossum op 4.9.1692 Daniël de Ronge daagde « om dieswille dat zijn kindt hadde getrocken eenige aeder~n graen uyt de schuere van van Rossum ende" uytgewreven ter quantlteyt van twee dohhel handtsvollen »... Hij werd bestraft met een boete van 5 schellingen en 2 stuivers (G. 8285). Buiten de pachters die wij hierna in de beschrijving van enkele oude pachthoeven aantreffen, staan er in een akte uit 1664 in het Leenhoek van Brabant, nr. 18, de volgende personen als pachter vermeld met de belangrijkheid van hun doening en gezin. .~hili~~ van ~eerberck h~urde een huis met 15 h. palende aan Zonien_; ZIJn gezin heston~ mt 4 paasplichtigen en hij had op dat ogenblik 2 paarden, 3 koeien en 3 kalveren. Hendrik van Velthem bewoonde een huis in huur, toebehorende aan de abdij van Terkameren, tegen 24 g. per jaar. Er was een koolhof (groententuin) en een boomgaard aan van % b. Hij had in eigendom 2 koeien, 5 vaarzen en kalveren en hield een koe in huur van Hendrik de Winckeleer. Zijn gezin telde 3 paasplichtigen. Franchois Medard was « pachter opt hofken van de weduwe wijlen Lieven de Blicq :. en bezat in eigendom 1 hunder land op de Bellemansheide. mj had 5 p~ar~en, 1 veule~ 6 koeien, 6 vaarzen en zijn gezin telde 4 paasplichtigen. Cornehs Claes « bezat een huis in huur :. en djn

232

gezin ón'lvatte 4 paasplichtigen. Hij hield 3 slechte paarden, 3 koeien en 4 kalveren in eigendom en 2 koeien in huur van zijn broeders Pieter en Matheus. Mayken (Maria) W ets weduwe Gielis Claes had in eigendom 2 huizen waarvan één op een 1;2 hunder geh.. <<.den Hoeck » en een huis op 6 dw. land gelegen in «den Hoeck », % h. tegenover den Steenvoorteik en 1 h. land opt Bergenveldt. Het gezin telde 4 paasplichtigen en er waren 2 paarden, 3 koeien, 2 kalveren. De meeste landhouwbedrijven hestonden uit kleine doeningen zoals we er een uit 1838 typeren. De weduwe Miebiels bezat een half hunder land, een huis van klei gedekt met stro, gebouwd op een grond van de kerk. Zij huurde daarhij 9 dagwand land, bezat een koe en een kalf en hetaaide samen 28,25 fr. belastingen. In 1846 omvatte de gemeente op een gezamenlijke oppervlakte van 2.299 ha., 882 ha. bebouwd met graangewassen, 36 ha. met nijverheidsplanten, 348 ha. met wortel- en voederplanten, 91 ha. weiden, 16 h. boomgaarden, 10 ha. moestuinen, 1 ha. lusttuinen, 474 ha. hos, 1 ha. heide, 15 ha. braakliggend land. Bij de landhouwtelling van 1934 waren bezaaid : met tarwe 155 ha. 25 a., rogge 77 ha. 77 a., gerst 31 ha. 30 a., haver 193 ha. De voornaamste bebouwde vruchten waren koren, tarwe, gerst, haver, boekweit. Ook koolzaad werd veel gekweekt en er bestond een « slooracttiende » ( 1773) . Koolzaad was vroeger vooral onmisbaar voor de verlichting met de kleine smoutlampen. Tussen 1940 en 1945 werd opnieuw veel sloorzaad verbouwd. Dit was echter een louter oorlogverschijnsel, dat daarna totaal verdween. De erwten- en bonenteelt, die vroeger een ruime plaats in de landhouw bekleedde, viel grotendeels weg hij de opkomst van de aardappel. De vroegste vermelding van deze vrucht komt voor in een verkoping van een huishoedel, waarin ook een « coop pataerten »: was. Gaandeweg werd die vrucht meer en meer verbouwd. Volgens een statistiek van 1785 hadden de « aerdtappels ofte pattaeten 1.147 3/4 sakken» opgebracht. Tussen 1830 en 1870 was het een slechte tijd voor de landbouw. In 1844 mislukte de aardappeloogst haast totaal. In 1845 waren de aardappelen aangetast door een ziekte, waarvan de naam niet wordt vermeld. In elk geval waren er ongeveer 300 ha. aardappelen geplant en de ziekte werd eerst vastgesteld op 28 juni. In gewone jaren bracht de oogst per hektare 227 hektoliter op. Dat jaar amper 15. Geen aardappel was nog goed om als plantgoed bewaard te worden. De meest verbouwde aardappelen waren vroege witte en rode. De blauwe en de rode hadden het meest geleden. In de jaren na 1935 heerste de plaag der koloradokevers, bij zover dat het Ministerie van Landhouw strenge maatregelen moest voorschrijven.. In 1954, misschien ingevolge het slechte natte weder, bleek de kwaal verdwenen.. Over de fruitteelt valt er ook niet veel te zeggen. Over het

.

8a

233


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

alg~meen mag aangenon1en worden, dat vooral appelen, peren, kersen, pruimen, okkernoten gewonnen werden. In een pachtbrief van 1454 voor « Jan Lauwereys sone wilen Gielis die men heet Lauwereys » die het Hof te Krechtenhroek van de abdij van Terkameren gehuurd had, lezen we onder andere voorwaarden, dat hij het blok geheten de acht hunderen en een stuk « driesch sal moeten laeten ten eynde van sine jae1·schaeren wel heheymt (afgesloten) ende geg1·acht met eene hooggracht ende hijde zijde opgebonden met eene levende dorende haege daer op staende out sijnde 24 jaeren ende opt voorseyde hlock aen de canten allomme laten omset met appelhoornen ende peerhoornen op dertich voete na deen den ander staende >> ••• In 1645 werd ten verzoek van Guilliam van Nijversele door de schepenen een onderzoek gedaan ten huize van Panwel de Keyser «over sekere bergamotlepeeren die op eergisteren s'nachts in den meneschijn sijn gepluckt ... ende bevonden werden hij de Keyser» ... ( G. 8249). In 1950 noteren de statistieken 40 hectare boomgaarden op 529 ha. teelland. Het landhouwalaam bleef eeuwenlang bijna onveranderd en eenvoudig. In een stuk uit 1789 vernemen we hoe gewone mensen hun graan dorsten « ende deselve uytgegeeselt op eene tonne ende deuselven daer omme dickwils de halve tonne ande de wand t'hunnen huyse hadde commen haelen ». In 1830 telde men 15 rijtuigen met twee wielen; 10 landhouwwagens met vier wielen; 16 karren met twee wielen; 4 stortkarren met twee wielen; 3 stortkarren met drie wielen (-de bekende, niet meer gebruikte << kaminoelen >>). In deze statistiek staat vermeld dat « alhier geen karren met vier wielen hestaan >>. Als oudste hoerengeslachten vonden we tussen 1330 en 1350 de volgende, welke tevens « maysniede lieden » van Rode waren. Jan Boesdale, Jan van Boegarden, Willem van Boegarden, J acoh van Boegarden, Jan Adams sone van Boegarden, Hughe van Eessele, Arnt van Eessele, Raes van der Vueren, Willem Gherart sone van Essele, Herman Wouters, Peter sijn hrueder, Jan Tonijs sone, Peter Prisemesse, Gherart ende Henriek J ans Deckers kinderen, Morissijs Gielis clercs sone, Jan de Slupere. De meisniedemannen waren dienstplichtig, de kossaten, nl. de gewone mensen niet, zeer waarschijnlijk omdat de eersten de rijkste boeren waren en een krijgs· uitn1sting konden bekostigen. De kossaten hetaalden slechts een bede of belasting (Bonenfant, Revue de Phil, et d'Hist., 1935, I, 801). Later, in 1478 komen de volgende hoeren voor in een rekening « van den profijten die gecomen sijn van de oighstwaerheyd oft eeningen » van 1478 : Gielen de Ridder, Goossen Steevort, (Hof te Steenvoort), Wouter de Cuyper, Wouter Claes, Heyn van Lyere, Jan Troyen, Jan van Huynen, Heyn de Pijpe, Jan de Smet, Peeter Weyts, Willem van Mons (vermoedelijk van het Hoftenhout), Vrank Han.. kijnk (Hangeikveld), Geert de Nayer (Krechtenbroek), Vrank Meens.

In 1526 staan er zeven hoeven opgetekend. Ook uit het volgend lijstje van 1748 kan men opmaken dat vóór de uitroding in de Hollandse tijd alhier geen werkelijk grote bedrijven waren. Trouwens, na aftrek van zandgronden, moerassen, heide en hossen, bleef er niet zoveel over, waarhij nog dient opgemerkt dat onder de navermelde oppervlakten, verscheidene in een ander dorp gelegen waren. Jan de Nayer Termeulen, 14 bunder~ Gillis Hofmans (over meer dan 4 ge~eenten) 20; Jan Everaert 20; Fran~is de Glas (onder vier dorpen) 30· Niklaas Simeons 6; Jan de Nayer (Krechtenhroek) 24; Miehiel Le~mens 40; Panwel Fastenaeckels 17; Jan ·van H~melrijck 30; Francis W eemaels 7; Alexander van Rossum 15; Francis Smons 17; Guilliam de Cuyper 27; Wed. Stefaan de Boeck 14; J akohus Cleirens 20 en Laureis Thielemans 5. Dit zijn dus zestien landbouwbedrijven. Eige~aa~~ig, in 1~~6 vindt men er nog << 16 redelijke groote pachters». Dit ZIJn natuurliJk niet dezelfde, vermits acht grote hoeven hun ontstaan te danken hebhen aan hovengemelde uitroding. Omstreeks 1950 telde men 28 landbouwers, waarvan I met meer dan 100 ha.; 2 met meer dan 50; 3 met meer dan 40, 2 met meer dan 30 · 4 met meer dan 20; 7 met meer dan 10; 9 met meer dan 5 ha. 'slechts twee daarvan zijn eigenaar van hun bedrijf. De beteelde oppervlakte bestond uit 120 ha. ta~e, ha. rogge, 60 ha. haver, 40 ha. gerst, 25 ha. vlas, 10 ha. smkerh1eten, 20 ha. aardappelen.

234

6?

VEETEELT. Onze voorzaten hielden zich voornamelijk bezig met de teelt van schapen en varkens. Het vee vond zijn voedsel hoofdzakelijk in hossen, de vele heidegronden en op verloren hoeken en kanten. Bij een schouwing van het Zoniënhos in 1629 werd bevonden dat op « 's P 1-incen weydeken » te Ze~enhorren soms 7~ paarden aan het weiden waren. In de houw hiJ St AnnakapelletJe werden van 5.6.1629 tot 30.4.1630 «bevonden ter weyden gaende » 835 paa~: den, 564 koeien, 248 varkens, 200 schapen (F.O. 4848). Dat. ze hiJ die gelegenheid soms .op ander1nans goed kwamen, moet niet ver· wonderen. Zo werd in 1465 « Dieriek den Saelhouder » beboet « omdat hij een vereken quetste dat hynnen sijnen huyse quam geloepen » (R.K. 12775). Dat zelfde jaar kreeg Lijshet Lauwereys ee~ boete van 8 st. « die hadde te Roode hare heesten gejaecht doer die heke in anderen luden weyen »... (R.K. 12776). Doordat Rode voor 4/5 door Zoniën omsloten was, ligt .het voor de hand dat de vorsters veel last hadden om het vee erht'?ten te houden en de overtreders te bekeuren. Vooral tegen het weiden in jong bout, en dit was begrijpelijk, werd streng opgetreden. Enkele

235


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

gevallen : « Peter Pluymoel geheten van Lansrode » had zijn paarden op de jonge houw laten grazen << ten tide als hij in den dienst mijns heeren van Ravesteyn in den armeen van Vranckerijck gevaren was». Dit gebeurde in 1467. In 1472 was het «Goesen de Baec te Roe hij Als. » met drie paarden. Dit was aangebracht geworden door vot·ster Gijshrecht van der Linden. Datzelfde jaar werden ook Jan de Decker van Lansrode, Heynric van Gheertroe geheten Spanduyt en Gielis de Loese geheten Dunnehier hetrapt (R.K. 12546). In 1473 was het opnieuw <<Goesen de Baec woenende te Roe hij Als.» met drie paarden en « Heynen metten Gathe te Rode » in 1508, die met een koe << ommeginc ter weyden in Zonyen » (R.K. 12548). Sontntige hoeven, zoals die van Lansrode, Steenvoort en Boesdaal, hadden, onder zekere voorwaarden, het voorrecht kosteloos een bepaald a,autal heesten in het hos te laten weiden. Anderen konden dat recht verkrijgen, maar tegen betaling van een jaarlijkse

van het Woudrecht van Brabant mochten de varkens van de personen die van de Vorst « gratien hadden die op Souyen te drijven ;>>, alleen « int lanck hout >> komen, « te weten in thout dat tijdich ende groot genoech is om yan den princen wege te worden vercocht ». De schapen van de gerechtigden moesten << gehuedt werdden in de oude lanck houten. daer men aen egheen schueten schade gedoen con ». Ook mochten hier alleen komen « mastscapen om te slaen tot huerder (de gerechtigden) nootdorst ende montcoste ende nyet meer ». Paarden en koeien mochten « gaen op eenige ' jonge houwen dat is te weten... plaetsen · daer hout heeft geplogen oft sonde mogen wassen, daer die scheuten nyet alsoe hooge ende sterck en sijn, dat die sijn uyt allen dangiere ende sorge van de heesten ».

Het Hof van Mosselmans. Thans Hotel-Restaurant « Nouveau-Rode », aan de Zoniërtlaan, die er doorgetrokken werd.

Het Hof te Lansrode in de 16c eeuw.

vergoeding, hestaande in een bepaalde hoeveelheid haver. In het jaar 1500 bracht die vergoeding haast niets op, doordat zij die ze moesten hetalen zich onder een andere naam hadden laten inschrijven en «vele hen wech geloopen ende uuten land gegaen sijn »..• In bet hos moesten de heesten « aen den .hals hebhen hangende eene clinekende helle zonder 't geluyt oft 't geclanck der selver ergerincx mede te helettene oft te stopene »••• (1548). In 1732 werden 15 « horene heesten van het .Hof te Lansrode op Zonien bevonden sonder clinekende belle aen den hals te hebhen :.. Volgens de Keure

Het vee bleef in het bos, dag en nacht, gedurende een groot deel van het jaar, onder de Iloede van zijn herders. Het melkvee werd in de hossen gemolken. Opdat woudpreters en herders toezicht zouden kunnen houden op het vee, moesten dus al de koeien een hel om de hals dragen, wat destijds wel een aardig klokkenspel was, kleppende van uit de verre diepten van de « dellen » in de plechtige stilte van het woud {P. Lindemnns, a.w., I, 340). Gras snijden in het hos wali ook verboden. In 1472 (R.K. 12546) werd Gielijs van Roe met 2 st. en 6 den. beboet « omdat bij enen

236

...---

-·"

-

(Schets Dolf Theys)

237


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

hussel ghers ghesneden hadden in Sonien, meynende daer aen niet te hebhen mesdaen ». Het hoeft wel geen hetoog dat de mensen uit waren hun heesten zonder toelating in het hos te laten weiden. of er meer lieten grazen dan hun toegestaan waa. Zo werden in 1464 door de woudmeester de volgende personen achtervolgd van wie « eenige heesten » bevonden werden «ter weyde gaende in Zoenien die in den Veterhoeek niet geschreven waren : Dieriek van Lantsrode, 1 kalf; Jan de Mol, 1 kalf; Grieten Colijns, 1 koe; Hogairde, 1 koe, 2 paarden; Peter Huge, 1 koe; Lijnen Weyts, 1 kalf; Aerde Boeyman, 1 kalf; Jan den Deckere, 1 paard en 1 varken; Jan Schoef, 1 koe; Henne Ingels, 1 koe. Ze werden allelnaai beboet (R.K. 12546). -In 1471 had Gielis Grieten «van Roe koyen in den jongen houw laten grazen » (R.K. 12546). In 1503 werd Willem de Winne van « den hove te Rdde bevonden drie ledege heesten op Zonyen te laten gaen ter weydenen ongeschreven » nl. zonder toelating. De bekeurders waren Gabriël de Vorster, Danneel van Halle, Jan van Hoedenage en Thomas van der . Hameyden (R.K. 12548). In 1520 was het Henriek de Pover « coyer » die met zijn kudde koeien op Zoniën hetrapt werd. In 1527 Machiel van Rode en Symoen Terpoels die onin~schreven varkens in het hos hadden laten gaan; in dat zelfde jaar had een vrouw op de Hut een « soch >> van de woudmeester gekocht als « verdovelt in Zonyen ende langhe verloren geweest had de »; in 1528' Wouter Schaeyer voor « eoeyen die hij huedde op het jonek hout » (R.K. 12549) ; in 1539 Henriek Theeus met 2 paarden en 2 koeien in het jonge groen, en Willem de Muntere met een kalf (R.K. 12550). Gegevens over de vroegere veestapel zijn schaars. Voo:.: 1664 zijn ze nochtans volledig. Er waren toen 58 paarden, onderverdeeld als volgt: 2 gezinnen met 5 paarden, 2 met 4, 5 met 3, 11 met 2 en 3 met 1. Er waren in totaal 6 veulens. De 178 koeien waren verdeeld over : 34 gezinnen met 1 koe, 24 met 2, 9 met 3, 8 met 4, 1 met 5, 2 met 6, 1 met 8 en 1 met 12. De 33 vaarzen : 9 gezinnen met 1, 2 met 2, 2 met 3, 1 met 6, 1 met 8. De 89 kalveren : 15 gezinnen 1net 1, 14 met 2, 4 met 3, 6 met 4, 2 met 5. De 20 varkens : 4 gezinnen met 1, 1 met 3, plus 1 heer, 2 zeugen en 10 lopelingen. Schapen : 1 gezin met 40 en een met een « enddeken schapen ». In die tijd werd ook veel vee verhuurd. In 1664 hielden 19 gezinnen 1 of 2 koeien of vaarzen in huur, samen 21 koeien en 6 vaarzen. Dit wijst ongetwijfeld op geen schitterende ekonomische toestand. Vele mensen hadden dus de middelen niet om zich een koetje aan te schaffen. Daaronder waren natuurlijk ook een paar gevallen van eigenaars uit de stad, die hij hun huurder of pachter een stukje vee lieten vebnesten. lVIen zal ook opgemerkt hebhen dat in zake veeteelt de als

dusdanig aangewezen tien <<pachters» een zeer geringe veestapel hadden. In de XVIIIe eeuw verbeterde die toestand. Op~ het Hof te Steenvoort o.m. vond .men in 1784 : 4 paarden, 12 · koeien en 50 varkens. Anderdeels stelt ·men vast dat in plaats van 200 schapen in 1483, er geen meer waren. Tot in het begin van de XVITe eeuw werden in onze gewesten veel schapen gehouden. Door de mededinging van de wol uit het buitenland, vooral uit Amerika, die veel fijner was dan de onze, verminderde die teelt hier gaandeweg ( C. T. Gesch. Dworp, hl. 249). In 1834 waren er 62 paarden, 250 koeien en 2 ezels. In 1950 : 189 paarden, 613 runderen en 179 varkens. Wat de hijenteelt betreft, valt alleen de verkoop in 1767, in een sterfhuis, te vermelden van « biehallen » (G. 348) .

238

DE OUDE HOEVEN. HOF TE LANSRODE. - De vrouwenabdij van Terkameren bezat te Rode veel goederen. Het belangrijkste deel daarvan was het Hof te Lansrode, Leo van Aa, burchtheer van Brussel, bekrachtigde in 1237 de schenking, door Frank van Straten gedaan alvorens naar het H. Land te trekken, van 2 hunder land. Die schenking was helast met een cijns van 2 denier (RAB. RK. 5568). En zo waren er verschillende schenkingen, waarvan akten en ·afschriften van akten in het archief van de abdij op het Rijksarchief te Brussel berusten. In een specificatie van de goederen gelegen onder Rode en Lansrode staan de volgende stukken : 10 hunder hos gelegen tegenover het hof gegeven anno 1224, een broek verkregen hij wisseling op het Overbergveld anno 1297; een broek genaamd den Schaepvondele (vijver) verkregen hij wisseling anno 1297; 2 hunder beemd verkregen in 1237; 4 % h. land ·verkregen anno 1247; 2 h. land anno 1242; een broek « geleghen hij Steenvoort en heet ten Zeven horre vercreghen hij wissele om een hunder lants gelegen neven Drithaeghen hoven Bosdael uit jaer 1304 goensdach voor half April »; een stuk land tegenover Steenvoort verkregen anno 1300; 11 dagwand land gelegen te « Creftenhroeck in de sijde te Lantsrode weerts en noch 5 dagw. in tselver velt anno 1305 »; een stuk land... opt velt te Steenvoort anno 1394; 6 dagw. land aan de hreede horre te Steenvoort anno 1395; 1 dw. « in de prochie van Rode» anno 1429; een « hofstadt met huys enz. gelegen hij Oprode hij tgroot Creeftenhroeck »; 2/4 « daer een gemeynen wech is doorgaende anno 1426 >>; 66 % roeden land met nog 66 roeden « daaraen gelegen thiende vrij gelegen opt Bergenvelt.•. hoven den Contreye vijvere en 't cleyn vijvereken vereregen anna 1529... » de 66 ~4 roeden verkregen hij wisseling. ' Het moet dus niet verwonderen dat de abdij er een opzichter, 239


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESIUS~RODE

een « p1·eter » aangesteld had, die in 1459 Wouter heette. Misschien was hij dezelfde als pachter Wouter hierboven..In dat jaar komt hij voor in een rekening waarin vastgesteld wordt dat ·hij betaald werd van 7 dagen« van alrehande herhout (brandhout) ende hachout te dragen uyten heempde aen den vijver hoven thof op ten· herch mits dat den godtshuyse wagenen daer hij niet genaken noch geladen en costen ». · In 1439 werd het goed van Lansrode afgepaald. << Betaelt des dynsdaeghs noenens te Lansrode als men de monnick hosch meerde 6 g. mn hamele vleesch... item hetaelt Lauwereys Kiekens van 11 daghen in 5 partijen te weten van hout te vellen te Lansrode daermen meerde... item op alder sielen dach hetaelt den meyer ende schepenen van Rode van 26 meeren alomroe te setten aen die goeden Willem _Rouge ende J anne Lauwereys te jaerschaere houden van elcken meer voir tgodtshuys deel... item noch den gh.emeynen goeden mannen van den dorpe gegeven 9 den. myts dat donckeren nacht was eert volda:en was ende van den meer steenen te soecken »... Hieruit blijkt dat er reeds vroeger meerstenen stonden (K.A.). In 1787 bezat de abdij alhier, huiten haar twee hoeven, nog 75 hunder hos. De oorsprong van het Hof te Lans!'ode moet vermoedelijk g~zocht worden in de schenking, 1210, van Hendrik I de Strijdvaar· d1ge, hertog van Brabant (1190-1235) en zijn echtgenote Matilda, aan de abdij van Terkameren (1), van een molen~ te Elsene en van 50 hunder land en broek te Lansrode (A.W. 111, 696). In 1224 voegde genoemde vorst daar nog 10 hunder hos aan toe, gelegen vóór het hof en op voorwaarde dat de abdij het van grachten zou omringen en niet zonder zijn toelating zou yerkopen. Een gedeelte van dat goed lag op Krechtenhroek, waar de abdij ook een hoeve liet oprichten, welke, zoals die van Lansrode, eerst door monniken gehouden werd, wat in de toponymie veel sporen heeft nagelaten, zoals o.m. in 1400 lancx der Monickstraete; 1439, in den Monickxbempt; 1440: te Lansrode op den Monickbosch ende aen de vijvers; 1773 : de Driesstraete eertijds geseyt de Moninck straete. Dit was de straat die van het hof van Lansrode naar het dorp liep. Op het dikwijls zeer verspreid grondbezit der kloosters ontstonden << uithoven », een soort van grote hoerderijen met een huis.. kapel. De landhouw en veeteelt werd er uitgeoefend ten bate van de

(1) De abdij van Terkameren werd gesticht door Hendrik I, hertog van Brabant, in 1201. In 1578 werd ze door de Spanjaarden afgebrand, onder voor.. wendsel dat er Kalviilisten verbleven. In 1599 werd ze weder opgebouwd en aan de kloosterzusters teruggegeven. In 1796 verkocliten de Franse bezetters ze als nationaal goed. Sedertdien diende ze tot fabriek en hospitaal en naderhand tot gesticht waar er gewoonlijk van 1.200 tot 1.500 bedelaars gehuisvest werden.

240

HET EKONOMISCH LEVEN

)

abdij (A.W.v.d. Hurk, <<De Norbertijnen», 1908). Toen ~e tijd van de o-rote ontginningen voorhij was, werden de lekehroeders overbodig , :n de hoeven en polders tegen een meer voordelige prijs aan wereldlijken verhuurd (Pirenne, 11, 30). De· oudst hekende pachter is Jan Bazier of Hazier en na hem Colijn (Niklaas) Hancke (in alder manieren dat Co lijn Hancke tot nu onlancx (1439) die goeden te jaerschaere gehouden heeft ende voer hem wijlen Jan Bazier). In genoemd. jaar neemt Wouter van den Steene geheeten van Assche (een zuster Katelijne van Assche treedt namens het klooster op in de huurovereenkomst met pachter Pluymen in 1463) het hof over door tussep.komst van Jan Schiethaze,

Hof te Lansrode in 1935. (Pentekening Leo Theys, cl. VI. Toeristenbond)

proost van ~de abdij. Hei hof, wordt daarin beschreven als << thof des vs Clooster van der Cameren te Lansrode metten huyse ende schueren daer op staende, metten hogaerden, winnende lande, weijden of euselen ende heyden met eenen vijver geheeten Creften· hroeck (het is eigenaardig dat die vijver toen tot het hof van Lansrode behoorde) ende met alle den anderen rechten ende toebehoren der vr. hoefs »••• Er waren ook twee « stucken hempts te Neder· heerzele in die prochie van Beersele daerop een stuck groot ontrent 6 dachw. es geleghen in den Diepenhempt... een ander stuck groot 3 dachw. in den Monichempt metten rechten dat die vs, Wouter 6 peerden 14 eoyen ende eenen verre zal mogen houden ter weijden op dhosch van Zoniën... en voor hem wijlen Jan Hazier plac te houden» •.• In 1404 vorderde de algemene ontvan~er van Brabant Willem Tonsus de vergoeding in haver die voor het weiderecht in het woud betaald werd. Doordat ze ~een akte meer bezaten van het hun

241


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

verleende voorrecht, voldeden ze aan die eis, maar toen Tonsus ontslag nam hekwam de abdij van hertog Antoon een bekrachtiging van de gunst (20~8-1410). In 1564 had de pachter «doen (in) serijven » 10 koeien, 3 veterpaarden (RK. 4253). Op 23·7~1726 werd door vorster Engel Everaerts vastgesteld dat om 7 u. 's n1orgens op de « bundershauw » (ergens aan de huidige Blmdersdreef) 11 koebeesten, gehoed door een jongen, in het jong plantsoen graasden, welke de vorster « aenstonds dede stauwen ofte retireren uyt den jonghen hauw {jong plantsoen) » onder bedreiging van << verbeurte der heesten » (WR 451). Verder was de· pacht onder meer helast met een cijns van 10 « clootcasen goede ende geve -. den nteyer en schepenen van ! Rode en van 3 Rinsche gulden 22 cijnsgulden, 1 sister rox pacht· coren » ... en van 20 pond boter half mei te leveren (RAB, KA , Ter Kameren). Vroeger werd op alle Bra· hantse / hoeven harde kaas gemaakt. Hier en daar prijkt nog in een oude hoeve het kaaskot, waar de kaas in weer en wind te drogen gesteld werd. De abdij en sommige over· heidspersonen kregen jaarlijks een hol kaas. Zeer dikwijls, onHet woonhui.s van het Hof te Lansrode, der meer in 1642, ontstonden in 1935. daarover betwistingen. De pachter gaf er natuurlijk zo weinig mogelijk (dat de gedaeghde als greffier te competeren jaerlijc eenen clotkaese tot laste van den Goidtshuyse van ter Cameren oft van hunne goederen). In 1634 was de Weduwe Niklaas Hazey daarover ten achteren tegenover meier Henriek de kegel en « contendeert tot hetaelinge van 19 clootkesen verschenen te Banisse 1633 hem als griffier van Rode oompeterende van der cameren op hunne vijvere hoven de 2 carpers sjaers »... (G. 8248). Onder de verdere voorwaarden dienen vermeld : De pacht wordt aangegaan voor zeven jaar. De pachter moet het huis onderhouden « van winde ende dacke waeter ende wint werende hij alzoe dat Wouter als daer gebreek in es den proest... ten tijde sijnde dat deze maent te voiren sal moeten kundighen eer men dat zal moeten doen repareren :.. Daartoe moet Wouter jaarlijks 500 geluys (dakstro)

leveren om de huizingen te « verdecken, ende dergelijck oock stroot om een hutte op de vijvere... alsmen die visschen zal ».. ~ Hij zal ook « die schuyte, in de vijvere wesende, als men... dlesch ende cruyt afmaye sal ende uytdoen ... vueren ende overl.egg~~ van den eenen vijvere aldaer totten anderen ende als nten d1e VIJVere slob.. heren sal, zoe sal Wouter die werckluyden . daer toe gestelt gheven alle daeghe tweemael pottagie ende hun bedden leenen uit hof om aldaer te rusten ende te liggen ... hij moçt .oock de werklieden om hun geit haelen oft doen haelen ende hringhen hroot ende hier ... as sij des aen hèm hegheren selen ». Bij het einde van de pacht. moet hij de kreftenhroekvijver « met voedinghe ghespijst » laten. Ook op het einde van. zijn termijn moet hij 10 hunder bezaaid laten met

~

I

242

Hof te Krechtenbroek, in 1935.

rogge en niet viertijdige voren· bedreven, 6 hunder met haver en op één voor bedreven, 11 hunder braak eenmaal « gheerijt ». Jaarlijks heeft de pachter << zijn truncken ende slechten op dommeloopen » van de goederen zoals zijn voorgangers « voertijts gehadt ende geploegen hebhen » Gillis van Conwenbosch en Jan geheten Esselen, schepenen van Brussel, hechtten hun zegel aan de akte 26-6-1639. « Peeter Plumen sone wijlen Willems geheeten Pluymen » (elders ook Pluymoen) keurt het hof tegen dezelfde voorwaarden voor 12 jaar met ingang halfmei 1464. De volgende pachter is Jan de Blander, die in 1446 het hof voor 18 jaar in jaarschaar nam tegen een cijns van 18 gulden, 25 pond boter, 2 hamels en 800 « geluys en die winne (pachter) sal den werckluyden (van de abdij die in het bos en aan de vijvers werkten) altoos den coat geven ende tclooster de dachuere ende alle andere voer· waerden blijven gelijck :.. In 1467 werd Kerstiaen van Lansrode, waarschijnlijk de pachter,

243


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

HET EKONONnSCH LEVEN

tot 6 st. 8 den. beboet on1dat 3 paarden << he1n opt jonge (hout) in Zoenien outloepen » waren (RK. 12546). In 1441 was reeds zijn « mairte » bestraft geweest van het stelen van << tachoute » voor 3 st. 4 den. (RI( 12546). Of Dieriek van Lanserot. Godevaerd ende Claes van den Berghe, die in 1465 « Hennen de Cuypere niet vuysten sloegen dat hij hloeyde » en elk 24 st. boete moesten betalen, iets met het hof te maken hadden is niet uit te maken. In 1515 treft men Filip Claes als pachter «van onsen Clooster" hove van Lansrode » aan, die « welcke zinneloos ende desperaat wesende, in den Cloosterhove van live ter doot bracht met eenen bijle Nyelen Crocket ». Wijl hij een arm man was, « dul ende sot zijnde, meer sculdech was den goidshuyze dan hij hadde moegen connen hetaelen, mits den weleken alle zijne goeden heslagen ende gearresteert waren», werd hij slechts met 7 Rijnsgulden bestraft (RK. 1254). Was het de vrouw van de voorgaande, die in 1522 « pachtenersse opt hof van Lansroy » was en << strijtbaer geweest was teghen Mar· griete sRidders (de Ridder) pachtenersse binnen den hove geheeten t Oproe » (toebehorende aan Terkameren ? ) • De twee pachteressen hadden dus gevochten. De eerste werd hest:t:aft met 23 st. de tweede met 21 st. (RK. 12547). Het hof bestond vroeger uit een inrichting die in veel van zijn eigen behoeften voorzag. Dit blijkt uit een stuk van juli 1582, waarin Guilliam de Vaddere, de toenmalige pachter, verklaart eerlijk gebruik te zullen maken van twee grote brouwketels en andere gereedschappen die tot de brouwerij behoren, van het aambeeld, en ander gereedschap der smidse, het ijzerwerk, slootwerk, schrijn~out, van ketels, stenen potten, lood- en ijzerwerk, stenen bakken, enz. Als verdere pachters staan bekend : Niklaas Hazey in 1620 (G. 8438). Miehiel Hazey, Pieter Hazey, Miehiel Hazey, die een betwisting had met de abdij over « Clootcasen » en vis van de Gevaartvijver. Waarschijnlijk waren ze allen verwant van vader op zoon. In 1644 is Gielis Loecx er pachter (JR 297). Guillam de Busscher, die het hof in 1680 huurde, betaalde 21 sister tarwe, 50 sister koren, 50 sister gerst en 50 sister haver. In een ander stuk staat hij aangetekend voor 8 mud 2 sister koren, 1 ~ mud en 2 sister gerst, 8 mud en 2 sister haver, 3 ~ mud koren en in geld 105 gulden. Hij bezat toen 5 paarden, 1 veulen, 12 koeien, 8 vaarzen, 1 zeug, 1 heer, 10 lopelingen. Zijn gezin bestond uit 8 personen (LB 18). Guillam de Busselter overleed in 1644 (villicus in Lansrode, vir integrissimus civibus que amicicimus door zijn medeburgers zeer bevriend). Marie de Ha es, weduwe van de Busscher zette de pacht voort tegen dezelfde voorwaarden. In het bos mocht ze 3 vette paarden, 14 koeien en 1 verre (stier) laten grazen (LB.. 18).

In die tijd veranderde het hof gedurig· van pachter~ Wellicht waren de tijdsomstandigheden ongunstig, ingèvolge de inpalmingsoorlogen van Lodewijk XIV, want in 1681 maakten pachter Pieter van Sint Jan· en zijn huisvrouw K.atarina van Hemelrijck een afrekening met de << hoursieresse » van Terkameren, « raeckende sijne 't achterheyt soo in' granen, weydehure tot 1669 ». Er bleef een schuld te vereffenen van 858 g. 5 st., 6 penn., maar er werd << quyt· gescholden in consideratie van troubele tijden, verlies van oorloge, reparatie aen het huys ende hetaelinge van alle impositien (belastingen) drij jaeren pachten, granen ende sooveel in weydehure te weet~n 4575 g. 12 st. zodat er blijft schuldich 382 g. 13 st. perm.... die van Sint Jan helooft te betalen in 1682 in 2 reysen >> ••• Jacques van der Eist, pachter, verschijnt in 1702 vóór de schepenbank te Linkebeek om zijn zoon Jan te late~. ontvoogden, « bevindende sijnen sone Jan hequaem om selfs profiJt te connen doen heeft verclaert der selven ten effecte van dien te emanciperen, ende uyt sijnen hroode te stellen, tot vervolgh van sijn particulier ende propre profijt» ... (G. 8262). Op 9-1-1726 overleed Pieter Everaerts, << villicus (pachter) . ~n Lansroo » en wordt hij in de kerk begraven. Hij was schepen. ZIJn weduwe Barhara Testaert, was zijn derde vrouw. Deze hertrouwde met Mi~hiel Lemmens (G. 8314). In 1726 werden huismeuhelen .~nz. verkocht «van wegens de kinderen ende erfgenaemen van WIJlen Pieter Everaerts ». De verkoop bestond uit zeer interessante zaken en duurde 6 dagen (G. 8314). In 1750 was Ludovicus de Nayer pachter op het hof (WR 520). Van 1772 tot 1803 Filip Stroohants. Deze huurde het voor jaar· lijks 150 gulden, 40 sister tarwe, 40 sister koren, 40 sister gerst, 40 sister haver, 6 koppel hennen, 3 zakken appelen en 3 « crauweyden >> of vrachten.: Het hofland bestond uit een stuk tegen de « Veldvijver » en de straat aldaar : 6 dagwand en 68 roeden; een weide eertijds vijver genoemd de « Blonde Vijver » tegen de weg aldaar beneden het Hof en tegen « Soniënhosch »; 1 dagw. en 37 r. « rontorn in sijne heymen (hagen) », een weide genaamd het « Lange Weiken » of « Horrenbeemd» 5 dagw. aan de straat naar « Steenvoort »; een weide te Beersel; een stuk land genoemd het Kaardenblok 7 hunder; 1 dagw. en 16 roeden palende aan Zoniënhos, aan Jan Kickx en aan de Handstraat; een stuk land genaamd de « Elf Bunderen », groot 13 bunder, 1 dagw. 32 roeden, palende aan het straatje aldaar genoemd de Driesstraat, aan de Handstraat, de Armen van Rode, de erfgenamen Komelis Poot, Pieter Testaert; een stuk land gezeid de «Drinkelingen:. wezende een hesloten blok van 21 bunder, palende aan het pachthof, langs de Veldvijver, het Bos en de Driesstraat eertijds geheten de 1\llonnikstraat. Samen, met inbegrip van boomgaard, weiden, beemden, landen, pachthof enz. 45 bunder, 3 dagwand en 32 roeden.

=

...


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

Uit de pachtovereenko1nst lichten we verder het volgende : Het geleverde graan moest «wel hereyt sijn met wanne en vlogele »; de heesten mochten in Zoniën weiden volgens het « Woudrecht »; geen stro mocht verkocht worden, alles moest in mest omgezet worden; hij vertrek moest de pachter al het mest achterlaten; hij moest de stra.. ten, heken en kanten onderhouden, evenals de « drayhoomen >>. De abdij had het recht de hagen uit te rooien. De pachter Jnoest jaarlijks 20 voeder aarde of zand uit de vijvers halen.. Die vijvers moesten twee voet diep zijn « ende wanneer (hetgene den Heere wilt ver• hoeden) 't zij hij daege ofte hij nachte daer eenige ongevallen overquaemen, tsij door vloedt ofte eenighe onweders enz. soo sal den huerlinck schuldich sijn terstout tot hulpe te comen met karren, paerden en domestieken om alle schaede te verhoeden ende vijvers ende visch te salveren ». . . De zes « crauweyden » hestonden uit een wagen en drie paarden om het hout in de hossen hijeen te .voeren. Wanneer de religieusen of de rentmeester van de abdij over· kwamen moesten zij eerlijk naar staat onthaald en getrakteerd worden. De paarden moesten worden gevoederd en een koppel paarden voorgespannen om naar de abdij heen en terug te 1ijden. Het goed mocht niet voortverhuurd worden (KA). De uittredende pachter mocht niet meer dan 14 bunder harde granen en sloren bezaaien en de laatste drie jaren er geen << verhandzaaién tensij die hehoorlijck mestende » (KA 5724). Ingevolge de verkaveling van het hofland tot villa-bouwgrond, werd het bedrijf na de eerste oorlog stilgelegd. De hoevegehouwen zijn eigendom van Robert Thijs en worden nog alleen door een huisbewaarder bewoond. De laatste pachter was Hendrik van Keerherghen. De huidige hoeve is een mooi gehouwenkompleks in kwadraatvornt. Twee vleugels dagtekenen van 1738; dit jaartal is nog te zien op de binnenplaats.

HOF TE KRECHTENBROEK

Afsluitingen met palen en draad waren er oudtijds niet. Ze hestonden uit hagen op stokken en ook wel grachten. In 1458 werden Govart W allax, Wouter Claes, Jan van Hullenberghe, Gheert van Tinenen en Jan Truyen bezoldigd van den goidshuyse hosschen gelegen te Lansrode geh. Monnickhosschen binnen Zoenijen aen ende voer thof te mugrechtene ende te beheymen voer die beesten, lanck 229 roeden gemeten hij (door) den wagenmeester ende Jan Alaer· <lene »... (RAB, KA). In 1438 werd aan « Reynier op den Bugborre van den busschelken (bos) hij J..,ansrode, dat Jannen van der zennen te houden plach metten voerle omgaens den 5 bunderen uytgescheyden 12 trunck eycken die lûj zal laeten sta en om te belteymen » •.. Bij de nteeste grote hoeven was er oudtijds een vleug of grote duiventil, boven de ingangpoort of in een afzonderlijk gebouwtje.. In 1661 : aen de straete loopende naer Lansrode geh. de Vleuge (WR). In 1822 lteette cle plaats er nog de Vleuge. 246

Krechtenhroek was ook een hoeve van de Abdij van Terkameren. De oudste vermelding van de plaats dagtekent uit 1304 : << lants die gelegen sijn ten Crechtenhroec op d'elshroec in de side te Lansrode wert... dat lant heet de driesch >> (I(.A.). Dit land lag dus tussen Krechtenhroek en Lansrode, even hoven het station, op de plaats die nu Drieshos heet. In 1427 stonden Jan en Willem geheten Lissen, zonen van Jan geh. Lissen van Rode hij Alsemberg, aan de abdij van Terkameren al de rechten af die Jan Lissen. bezat op een huis met toebehoren gelegen ter plaatse geh. Creftenhroeck met de daaraanligg~nde lan· derijen. Als getuigen traden op Willem van Kesterheek en Simon van Op hem, schepenen van Bntssel (K.A.). Op 26-4-1448 huurde Jakob van Nedervelt «zoen wijlen Gyshrechts van Nedervelt », voor 60 jaar een heide groot 6 bunder, geheten « Creftenbroeckheyde... in de parochie van Rode bij LansM rode, palende aan de kleine kreftenhroekvijver » (RAB, KA). In 1449 huurde Jakob van Nijvelle zoon Gillis, een vijver << appelatum tcleyn creftenhroeck », die hij volgens de voorwaarden moest «slob· hen, vegen ende voorden». In 1453 nam Willem de Ronge .zoon wijlen Jan die men heet Ronge in huur een stuk land en heide 6 bunders geh. Creftenhroeck hcyde... met oick den huysen (vermoeM delijk de hoeve) palende aan de grote kreftenhroekvijver en aan de goederen die Jacques van N ederveldt << placht te houden » en moest daarop maken een huis, en land van maken« om met ploeghe te labeuren». Op het einde van zijn « termijnhuer... alsoo sal moe· ten laeten. dat .men die met ploeghe ende eeghden sal mogen winnen ». Vóór 1485 had Jan Scotte die men heet Pruyske en vóór hem Henriek Cnaps de volgende goederen voor 60 jaar in erfpacht gehouden: een stuk land en heide, groot 8 hunder <<nevens Schoefs vijver geheten groete creefte vivere ... lancx de Boosdael strate ... aen Schofs lochte... noch 6% dagw. land aent landt van den erfgen. der Ghertruyens ... aen den Eechdriesch... aen Claes Neels lochte; 3 dagw. land aan de erfgen. Lantwijk meester Adriaens Dullaerts .•. aan het land van Jaquemaerts van Nijvele; 1 dagw. land palende aan Jan Boesdaels Iant; 1 dagw. land op Linkeheek aen tstrecke... aan de kinderen Stelens land; 2 dagw. en 3 dagw. aan schoefsvivere geheeten den Creftenhroeck vivere », plus nog een paar kleinere stukken. Het hofland van Krechtenbroek was eerder slecht. In 1674 en 1676 werd na een onderzoek bevestigd : « Item designeert de slechte gesteltenis.se van de 3 partije in questie tot bewijs dat de selve niet en meriteeren d'oncosten om te labeuren... Dat de selve partije is heyachtieh ende herghachtig mede dat de partije daer aen gelegen beneden in de leeghde tegen Zonighen hosch seer besebadicht wordt door de lommeren van hoornen in den hosclt 'vas.sende ».

247


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

Het hof te Krechtenhroek moet van jongere datum ZIJn dan Lansrode. Trouwens ntoest het oud zijn, dan zou er net als aan dit laatste het voorrecht van weide in Zoniën aan v.erhonden geweest zijn. Deze gunst viel overal weg hij de Franse Omwenteling. In de XVIIe eeuw was « Louys Berckmans pachter woonende op het pachthofken toebehoorende de ahdisse van Tercameren ». Hij betaalde 6 Rg. pacht per jaar en hield 2 paarden, 3 koeien, 5 kalveren en zijn gezin bestond uit 3 paasplichtige personen. Dit zal wel het hof te Krechtenhroek geweest zijn (LB. 18). Verder is er over de hoeve niet veel hekend en we moeten wachten tot 1671, toen boswachters, op 12 november, «oock geweest waren in seker hof omtrent Crechtenhroeck waervan den pachter met naeme Jan geheeten Dragonder » was {W.R. 397). Een volgende pachter was Laureis de Nayer {villicus in Krechtenhroeck) die op 22.12.1722 overleed {P.A.). In 1747 vinden we op Krechtenhroek Jan de N ayer, « horghemeester ». In een << lijst van de personen, peerden, koeyen, verckens, schouwen ende ploegen » te zijne huize bevonden, staan vermeld « 3 schouwen, 4 paarden, 1 ven-· len, 8 koeien, % koye onder de 3 jaeren, 4 kalveren, 1 vereken in. sijn huys met noch 121 verckenen op Sonienhosch ». Het hof was toen 24 hunder groot. In 1772 was Louis de Nayer op het hof. Vermoedelijk geldt het hier drie geslachten van vader op zoon. De laatste pachter was Entiel Meert-de Dohheleer. De hoeve werd aangekocht door de N.V. «Pépinières de Rhode-Saint-Genèse », die van het hofland boomkwekerijen aanlegde en de verbouwde hoeve liet dienen als woning voor de toeziende hovenier.

want met Adriaan Doverijn, heer van Drogenhos (C.T. Gesch. van Drogenbos, 1942, hl. 15). In 1483 verleenden Maximillaan ~?n Oostenrijk en zijn zoon Filips aan Huggen (Hugo) van DovenJn, gewezen schildknaap van Karel de Stoute, die van zijn ouders het Hof te Steenvoort geërfd had, toelating om in Zoniën, zonder enige vergoeding te betalen, 6 paarden, 12 koeien, 24 varkens en 200 schapen te laten weid.en (Reg. 135, fo 190). In de XVJe eeuw werd het hof beschreven als volgt : « een huys metten stallen, schueren ende hogaerden, winnende landen groot tsamen omtrint de 14 dw. ende 18 royen gelegen in de prochie van Rode te Steenvoort metten ondersten sijden tegen godshuys vijver geheeten Coetraij ende tegen de goederen der kinderen wj.jlen Jans van den Winckele » (heer van Alsemberg). Onder de voorwaarden van de pacht vermelden we uit 1595 dat de pachter het laatste jaar van zijn pacht niet meer mag « troncken ende houwen, dan alleen de doornen om daermede te vermaecken » (de tuin== haag) (K.A. 5724). In 1620 hoorde het hof << metten grond ende hogaerde geheeten thof te Steenvoirt » toe aan Jan Houwaert en Lamhertina de Becker. Het hofland was gelegen in de « Cokersdelle, opt Bergenvelt, onder den Sleypsack, op de Coeckeldelle, in de Steenvoirtdelle ». Er was ook een « weyde oft Dries». In 1652, waarschijnlijk na het afsterven van de laatste der echtelieden, werd een « taxatie » met het oog op een << lotinge » (verdeling) van het hof gehouden. Het bestond toen uit de volgende delen : de hofstede met huis, schuren, stallen en boomgaarden, 10 dagwand land van Terkameren, 15 dagwand op het Bergenveld, 4 hunder aan St. Elisabethen en een droge weide gen. het Sijp. Er werd toen ook « een groote quantiteyt hoornen soo opgaende als trunckeycken herselteren als andersins in twaalf kopen verkocht », de eerste koop << beginnende .1ancx henen die strate van aen de Kokersdelle die loopt tot aen den Honscul is 7 hoornen geteckent met eene kerfve » (G. 8308). In 1784 vindt men nog een « goedenisse van 't pachthof te Steenberghen in den Hoeck... Jnet 40 roeden erve... met het geheel vrij gesagh van heesten op Zonienhosch » volgens het Keurhoek van 1660. Er waren toen 12 koeien, 4 paarden en 50 varkens. Zoals men ziet was het hof er niet op vooruitgegaan. Met de Franse bezetting vielen alle zg. voorrechten weg, ook dat van het weiden in Zoniën. Op 13 Fructidor (31.8.1805) zond Jan Panneels, de toenmalige eigenaar van het Hof te Steenvoort of Steenherghe, een bezwaarschrift in tegen de afschaffing. Het werd natuurlijk afgewezen (Dep. Dijle, 1105). Hoe en wanneer het hof en zijn naam verdween is niet uit te maken. Zelfs geen van de in verhand ermee vermelde plaatsnamen is in de volksmond nog bekend.

HOF TE STEENVOORDE. Een onzer oudste hoeven was het Hof te Steenvoorde, gelegen aan de samenloop van de Schoolstraat en de Bierenherg. De oudste vermelding ervan vinden we in een akte van de << scepenen van Alsenherghe ende van Rode (die) om dat dit waer es ende gestande aal blijven (htm) gemeinen segel hebhen gehangen aen dese letteren die waeren gemaect int jaer ons heeren dusent drie hondert ende vire goensdach voer half april ». Krachtens die akte verwisselt « J anne Oliviers sone van Steenvoert » met den « grooten meester (geestelijke rector) van den goidts huyse van der Cameren... een hronc dien gelegen es neven Steenvoert ende heet ten Zevenborren, om een bunre winneus lants dat leet neven de Driethage boven Bosdale met voerwerde dat de genoempde Jan ofte diet lant hoirt sal geven altoes dyen van den godshuyse vier stuvers ende vier cappoenen alsule geit alse den hertoghe van den genoempden hroucke » gaven.... (K.A.. 5613). Later wordt Steenvoort eigendom van Doverijns, var•

248

249


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

Op de plaats waar het hof moet gestaan hebben, is er thans een groepje dichtbijeenstaande huizen. Mogelijk zijn het gebouwtjes die eenmaal tot het oude hof behoord hebben.

Danijs Weervel ende al in die selve side oft de straete, ende noch wel 9 dachwant lants alsoe alse zijn gelegen die ons quamen (die we verkregen) m-et suster Margueriten onser nonnen Merttens dochter was van Boendaele ende in derve van desen soude zijn Jan van den Eechoute ende hij heeft ons ende Jan van Bosedale ende J anne zijnen soene gelovet (beloofd) hier op genoecht te doene oh he_n ende oh zijn goet wanneer men hem eiseet ende rnanet omme dat dit waer es ende vast sal blijven soe hebhen wij vqergen. acepenen van Rode en .... onsen gemeynen segel gehangen aen de se letteren en in kennesse der waerheyt, die gesciede in den jare ons heeren doemen ~creef dusentich drie hondert ende vive dies maendaghs nae sente Pieters dacht des apostels dat oegst rnaent toe ga et » (I(.A. 5613) · Het hof had in 1412 het voorrecht een bepaald aanial heesten op Zoniën te laten weiden : << met eenen dref op Souyen toehehoerende den hove van Bousdale van zekeren getale van alrehande

HOF TE BOESDAAL. Het Hof te Boesdaal was een leen dat toebehoorde aan de hertogen van Brabant, die het in 1486 in leen gaven aan Hendrik van Withem, heer van Beersel. De oudst hekende houde1· van het hof is Jan van Bosdale die in 1305 een stuk goed verwisselde met de Abdij van Terkameren : «Wij scepenen van Rode en van Alsenherghe gn1den alle deO'ene die dese letteren selen sien oft hoiren lesen, doen cont dat ~am de meester van der Cameren Bruder Gielis ende Jan van den Bosedale ende Jan sijn wettege sone voer ons ende hespraeken eenen wissel van goede alsoe dat Jan van Bosed.ale ende Jan zijnen soene souden

Hof te Boesdaal.

geven aen voergeseiden Meester Brueder Gilise van der Cameren te sijns godsitusen hoef (behoef) hem ochte die sine ahdisse welt 11 ?achwa~t lants die gelegen zijn ten Crechtens hroec op deis hroec In de s1de te Lansrode wert ende noch 5 dachwant lants in tselve velt ende heide dese stucken alsoe se gelegen zijn hebhense min oft meer.•. dit hevet Jan van Bosed.ale ende- Jan gelovet sijn sone te voldoene ob hen en oh al haer goet wanneer dat de voergeseide ahdisse ende die... meester Broeder Gielis heeft oick gelevert den voergen. Jan ende Jan sijne sone lant dat gelegen es hoven Henries lochtenen dien men heet Keyzer ende dat lant heet de Drieach endE- no<'h ten eynde van desen lant dat Jacoh houdet Weervel ende

250

Achter het Hof te Boesd.aal, in 1935.

heesten te mogen houden gaende ende worden bedreven opt selve wondt van Zonyen te weten 12 koeyen, 1 verre, 2 peerden, 50 verkenen, 1 heet· ende dat de wynne (pachter) van den selven hove van Bousdale mach halen op Zoenien sine herring (brandhout) ende met ander afgebroken oft uytgewaeyt droech hout souder nochtau minen genadigen heere (de hertog) enige merckelike scade opt tselve sijn wondt te mogen doen, ntetten sackgelde daer toe hehoerende, beginnende aen de heke te Linckenheke (?) ende alsoe opgaende lancx den hoscl1 van sonyen tot aen de hrup;ge te Borrehraghen (in

251


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

1499 Borrehrachenen) toe» (L.B. Reg. I8 fo 303 v 0 )~ In I564 was het iets minder met IO koeien, I stier, 2 paarden en 25 varkens (R.K.. 4253). Joos Huyghe, pachter van het hof, « toe behoorende den Prince van Arenhergh », betaalde in I664 als pacht 75 gulden in geld en I3 mudde koren. Het bedrijf moest er toen niet schitterend voorgestaan hebben. Dit merkt men aan de prijs. Er waren ten andere op het hof maar de volgende heesten : « zesse slechte peerden, 7 koeyen, 3 calveren daeronder 2 huerkoeyen, 4 vm·ckens en een enddeken van 50 schapen». Het gezin van Joos bestond uit acht kommumkanten (G. 8404). De hofgehouwen waren toen 1·eeds op een andere plaats opgericht «Joos Huyge houdt in pachtinge een weyde van 5 dachw. daer het pachth()f plach op te staen ... 6 dw. opt Boesdaelvelt aan de W olfput, I dachw. lant aent Stichelken » enz. In I648 had de vrouwe van Beersel «evictie» gedaan tegen Joos Huyge en Marie Pannis (pachters van Boesdaal) van een stuk land « daer een huys ende hof placht op te staen gelegen te Boesdael onder Rode, jurisdictie van Beersel, op de Exterenherg » (G. 352). In I675 vinden we Guilliam Schuermans als pachter. Hij kocht dat jaar voor 36 g. hout op de Steenhos te Alsemberg (G. 348). In 17I1 h?erde er Gillis de Gelas, «pachter _en coopman opt hosch van soruen» (G. 8304). In 1748 werd Elisaheth Hazey, zijn weduwe, te voren weduwe van Jan de Nayer, door Filips Paridaens, rentmeester van de hertog van Arenberg te Beersel, vóór de schepenbank gedaagd ter betaling van 292 g. 8 st. « voor restant van 6 jaar verachterde landtpacht van het hof gen. Boesdael onder het ressort van Beersel ». De pacht was slechts voldaan geworden voor 33 hun.. der tegen IO g. IO st. per bunder, terwijl hij een meting van het hofland, die de heer van Beersel had laten doen, gebleken was, dat er 37 hunder en 2 dagwand waren, zonder zekere 3 hunder te tellen zodat de totale oppervlakte 40 h. 2 dw. en 57 roeden bedroeg. Verder waren er nog 3 bunder, die de pachter « hij gratie » kosteloos mo~ht bewerken, mits betaling van de heerlijke grondcijns. In het gedmg .werd ook bepaald hoeveel « erffelingen alias thierlingen » tarwe, koren en gerst moesten gelaten worden hij het «afscheiden, gelijck wijlen Jan de Nayer er in sijn aencommen in 1690 had bevonden » (G. 8306). In 1719 ~etaalde de Gelas o.m. voor I dw. % land 1 penning Leuvens, 50 eieren, en de « doode handt »; voor een weide en hof 6% kapuinen, 50 eieren, 1 veertel haver en I penning Leuvens. In d? streek van Boesdaal werd vee] pacht met eieren betaald. Op Ltnk.eheek heette een stuk land de Eierenberg omdat er jaarlijks 60 eieren moesten voor gegeven worden ( G. 352). In 1772 was Gillis de Nayer op het hof. Datzelfde jaar moet 252

HET EKONOMISCH LEVEN

hij opgevolgd geworden zijn door Frans de Gelas. De laatste pachters waren J.-B. van Cutsem en daarna dezes zoon Antoon. De hoevegehouwen vormen thans een stevig met schaliën gedekt mooi, omsloten vierkantkompleks De hakoven staat evenwel huiten dat kompleks op een opvallende grote afstand ervan. Dit had ZIJn reden. Toen schuren, stallingen en huizen nog met stro gedekt waren, zette men het ovenkot op een afstand van de gehouwen om wille van het brandgevaar, waarvan de gevolgen veel erger waren dan thans. Aan blussen viel niet te denken en verzekering bestond er niet. Tot omstreeks I850 lag het hof nog aan de zoom van het hos. Sedert 1834 evenwel waren er reeds grote plekken hos gerooid, zodat stilaan de omgeving herschapen werd in een bebouwde vlakte van het meest eentonige uitzicht, zegt A. W auters. . · Bij de oude hoeve had de « Société de la Raffinerie Nationale » er een' andere laten houwen, welke in 1846, hij de ontbinding van die .vennootschap, aan verschillende particulieren van Brussel ver· kocht werd. Of die kleine hoeve die is welke schuin aan de overkant staat is niet bekend. Frans Capouillet, uit Waterloo, die aan het hoofd van die raffinaderij stond, bezat toen het volgend goed te Rode : G I a. land 3 ha., 92 a. 40 ca., I huis 14 a.; E 40 h land, 6 ha., 12 a., 40 ca., samen IO ha. 18 a. 80 ca. HOF TEN HOUT. Een van onze alleroudste hoeven. Hoewel het oudste stuk pas uit I640 dagtekent, wijst de benaming << ten Hort.t ); op een vroeg ontstaan, in de tijd toen het woord «hout» voor «hos» gebruikt werd. In latere tijden zou die hoeve hof ten Bos geheten hebben. In genoemd jaar, op 2 juli, werd door Bertel de Greve, armmeester, en Pieter de V erwer, schepen en pachter van het hof, << hestaydt aen aen Gielis de Munter een vundelinck kindt sonder de wete des heeren Pastoors. Het weleken kindt int hof ten boutte, daer woont Peeter de V erwer, was gelijdt, en men heeft den heere Pastoor weys gemaeckt, dat het kindt wecl1 was gedraeghen een jaer daer voer bevonden hebbende, dat kindt was tot Rode, heeft den h. Pastoor verstaen door den pastoor van Scharrenheek dat tselve was gedoopt tot Brussel ende geen seckerheyt hebbende, soo heeft den pastoor hetselve gedoopt op conditie ende genoempt Denijs » (Parochiehoek). In 1655 vindt men de eerst€' beschrijving van het hof, nl. « een pachthof metten huyse, schuere, stallen ende andere edificien daerop staende, lande, weyden ende hosschen daeraen gelegen, groot 18 hun· deren, roette fruythoomen, tronckhoomen, gelegen in de prochie van Rode geheeten t' bof ten Houte, eommende metten eender 253


GESCHIEDENIS VAN· SINT.GENESIUS-RODE

sijde tegens de goeden der erfgenamen van weylen Philips Goossens, metter derder sijde tegen de Hootstrate loopende naer Terheyden, op den chijns van 8 scheil. ende 8 penn. Lovens t'sjaers aen · sijne majesteyt als hertoghe van Brabant». Dit bewijst eens te meer dat het grondgebied van Rode grondbezit was van de Hertogen van Brabant. Of Pieter goede zaken gedaan had is niet bekend. In elk geval moet zijn weduwe Katarina de Becker in 1656 reeds in grote geldverlegenheid verkeerd hebben. Hendrik Ghysels, borger · van Brussel, die met haar dochter Maria gehuwd was, had haar 500 gulden geleend, die ze niet kon teruggeven. Haar schoonzoon kreeg dan een gedeelte van het mobilair van het hof. Dit belette niet dat ze « in de gevanckenisse deser stadt Brussele genoempt de vrunte gestelt werd uyt crachte van condemnatie voluntair » voor schulden. Ze moest dan zo heel jong niet meer geweest zijn. Ter betaling van schulden werd een gedeelte van haar huisraad, alaam en beesten in beslag genomen, nl. 6 melkkoeien, 8 kalveren, 1 grijze « hincx.t », 1 « ruygen hincxt »; 1 rode merrie, 1 veulen, 6 varkens, 1 kar, 1 wagen, 2 ploegen, 1. eg, 2 bedden, 4 koperen ketels, 1 koperen bekken, 2 ijzeren potten, 1 tinnen schotel en ander huisraad. De hoeve zelf werd verkocht aan Louis Tellio, kwartiermeester-o-enetaal van Z.M. legers in de Nederlanden, wonende op de Hoogs~raat te Brussel. In 1656 gaf Tellio aan Jan de Verwer zoon van Pieter, « seker pachthof met twee schueren, stallen, hovenbuere (bakoven), waeghenhuys met zijn solderinghen, roette boomgaarden ende weyden daer aen wesende mitsgaders 14 bunder, een dw. saylandt ... geheeten thof ten Houten... voor 9 continuele jaren... voor 40 sister coren en 6 sister terwe (hieraan kan men zien in welke verhouding het graan alhier verbouwd werd, dus bijna uitsluitend rogge f volgens de maete van Brussel... en voor de weyden en huysino-hen jaerlijksch 150 gulden... daerinne hegrepen de weyden van he~ Jaegers Gat ... te leveren de vs. rogge ende terwe teleken jaere te St.' Andriesmisse » ten huize van de verhuurder « sonder sijnen cost oft last, wel hereydt met wande ende vlegele op 2 penninghen naest den beste dat ter roerekt komt ende de vs. weyden huere te St. Mertensmisse »••• De verhuurder en vervolgens de huurder, moet huis, schuur en stallen in behoorlijke staat stellen. Jaarlijks moet de pachter 200 gelui stro voor de daken leveren uit het stro van het hof; hij mag geen stro verkopen, maar alles omzetten in mest en « wel loffelijek labeuren met sijnen viertijdighe voeren sonder eenich landt te mogen meer vruchten oft verhandtsayen en gedurende de vs. termijn eens loffelijck overmesten ». De straten, kanten en heimen moet hij behoor• lijk kuisen, reinigen en vermaken... behoorlijk trunken, en kappen « ten hoogde van 5 of 6 voeten tegen het springen van de heesten naer aex ende houwmes recht »; de beemden behoorlijk rioleren, kuisen en reinigen en alle grachten behoorlijk uitleggen, zo niet zal

HET EKONOMISCH ·LEVEN

het de verhuurder doen tegen dubbele kost. De verhuurder reserveert zich het hos tegen de Kortestraat 4 h. 2 dw. 86 r., het hos geh. Elsbos palende aan het Jagersgat 11 dw. 10 r. groot, mitsgaders vier fruitbomen ter keuze van den verhuurder, waarvan de pachter het fruit ten huize Tellio moet leveren zonder kost of last. De pachter heeft geen recht op trunk of sleun van opgaande bomen en mag geen beesten op de weiden ]aten dan· nadat het schaarhout vier jaar oud is. De pachter moet alle heden en dorpslasten betalen. Het Bergenveld groot 6 dw. 78 r. nu bezaaid' met tarwe en het bunder

?

254

Kasteelhoeve van lngendaal, in 1939.

geheten op de Rollebaan met koren moeten bij het afscheiden van de pacht met dezelfde vruchten bezaaid zijn en de rest laten liggen op behoorlijke maartvoren. De pacht werd afgesloten ter presentie van Miehiel van Ophem, meier van Ukkel, Gabriel Niclaes, meier van het land van Gaasbeek, als getuigen (F.O. 385). Dit waren zeer Zlvare voorwaarden en weldra was er een nieuwe pachter, nl. Niklaas van Rossum « pachter woonende opt thof ten Houten ». In 1664 had deze 4 paarden, 1 veulen., 6 koeien, 4 kalveren, 1 varken, 1 « cuddeken » schapen. Zijn gezin bestond uit 4 paasplichtigen. Beter dan lange beschouwingen, zal de volgende hoedelheschrijving, op 27.8.1715, op verzoek van de Woudmeester van Brabant ingevolge een. overtreding van het Woudrecht opgemaakt ten laste

.

255


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

van Jan Steen, de pachter van het hof, een gedachte geven van de sociale toestand van een hoer .op dat tijdstip : In de stal : « 4 peerden, 1 swerte grijse merrie met maer een oog, 1 blinde ruyn, 1 swerten ruyn; 4 goreelen, 2 sadels met achterlappen, 2 paer hoomketens. In den koystal : 1 roode bonte roije koye en 3 grijse, een hruyn vees en een grijsen ver; . 1 kerre gelaeden met asschen op het velt, 1 kerre staende voor de deure ». In de keuken : « moillie, vleeshlock, boute tafel, eysere braetpanne, 1 tenne schotel, 1 tenne tailloir, 1 soutvat, eysere pot met ketel>>. In de kamer : <<schrijnhouten tafel, noteieren cleerschappraeye ». «Op de laye van Revelinge : 200 sacken herte spoelen. Op den . cin.gel van Revelingen.: 200 wissen espenhout. In de schuere : 200 ttrehngen gruyn ende Wit graen, 50 tirelingen terwe »~ Jan Steen was houtkoopman en had waarschijnlijk ook buiten zijn koop wat hout hijgekapt... In 1725 was Jan· Smons op het hof (villicus in villa ten Hout) . Hij overleed dat jaar op 6 februari. Net als al de overige pachters, was hij tevens « coopman op den hosch van Zonien ». Op 4.10.1739 overleed de toenmalige pachteres Katarina van K.eerhergen (villica in villa ten Hout) (AP). Het hof bestaat nog en is eigendom van de familie de Jonghé d'Ardoye. De laatste pachters waren J,.-F. van Achter-Paesmans, hun zoon Victor van Achter-Chahert, en Van Lancker.

Blankveld tussen de goederen van Wouter van den Steene geh. van Assche ( G. 343) . Op het einde van de middeleeuwen hield de kerk van Alsemberg er een cijns van de horebtheer van Brussel· ·«den d~oogen lochtinge », << Vraisemhlahlement un tumulus », zegt S~~der Pierron, « Histoire de la Forêt de Soignes », 11, hl. 576. Waar hiJ dat vandaan haalt, mag Joost weten, een lochting is immers een ge:wone om· heinde tuin, een groententuin of voor een, of andere kleinere teelt zoals hop enz. Op de kaart van J. d~ .Wautier uit 1820 staat ?r l~nks van de weg die aan het hof voorhiJloopt een soort van pilOri of schandpaal. De hoeve is ook vermeld op de hekende kaart van Ferraris en op die van A. Cardon van, 1768. In de tweede helft van de 196 eeuw werden de gehouwen aanzienlijk verbouwd en vergroot door de opeenvolgende eigenaars, nl. de ·gebroeders Alfons en Victor Gamhier (het heette later nog lang Camhieres'Hof), de familie de Meurs, dr. P. Docq, die het eigendom verkocht aan notaris Leon Brunet van Brussel. Deze maakte er een aantrekkelijk landhuis van waarvan de rose muren fris afsteken te midden van de groene omgeving. Het park is 15 ha. groot. Aan de. Stationstraat ligt een vijvertje. Tegen de hoevegehouwen is er een kapel gewijd aan O.L.V. Als oorlogschepen van de stad Brussel kreeg Brunet in 1944 last. Het goed werd geplunderd en na de plundering zou men het in brand steken, maar er was daar iemand die nog een beetje gezond verstand overgehouden had en het wist te beletten. De prachtige heukehomen van het park werden geveld en heel het goed wordt thans verkaveld.

HOF TE INGENDAAL. Dit hof ligt vlak op de grens van Rode en van Als~mherg, hij zover dat het in oude stukken soms op de ene dan op de andere gemeente gesitueerd wordt. Er zijn nog andere dergelijke gevallen te Alsemberg, nl. het Hof ter Hulst, thans op Dworp, het Hof te Herisem en zelfs het Hof te Solheide, Dworp. Gewoonlijk stond het woonhuis op de ene en de aanhorigheden op de andere. Deze toe.. standen moeten een reden hebben. Zeer waarschijnlijk is dit gebeurd toen de grenzen der parochies vastgesteld werden. Die landbouwondernemingen, die zeer oud zijn, ouder dan we doorgaans denken, dienden als mijlpalen. Een lijn werd getrokken van de ene hoeve tot de andere enz. Thans ligt het hofje op Alsemberg en het herenhuis op Rode. Het is een zeer oude doening. De naam alleen reeds zegt het. Een .« ing » is immers « een deel land in gemeenschappelijk bezit waarvan de onderscheiden gedeelten niet beheimd of afgesloten zijn»., een oude rechtstoestand dus. Het hoorde lang toe aan een familie Knoff. In 1664 aan de weduwe van Sr. Alhert Knoff. Het was 36 hunder groot, nl « de hoeve ~eh. Engendael... met zijn gronden, woonhuize metten lochtene ende bempde ». Die stukken grond heetten het Klein Ingendaal, het 256

HOF TEN BERG Dit hof is ook zeer oud, hoewel het eerste spoor ervan pas dagtekent uit 1620. Het was toen 33 hunder groot en verpacht aan Antoon Franchoys. In een akte van 18-1-1642 vindt men er meer over. Antoon Meganck « sone wijlen Reynier geloeft te geven jaerelijcx... a en Jannen Buelens in den naem ende ten behoef van... Claude van der Eycken riddere heere van N ederloo, tegenwoordleb hourgmeester der stadt van Brussel ende van vrouwe Juliane van der Beeken sijne huysvrouwe... alle jaren 150 rijnsgulden vallende op 18 Januari... op ende sunderlinge de hellicht van een schoon winhof metten huysingen, schucren, stallinge ende andere edificien daertoe heboirende gelegen in de prochic van Rode geheeten thof ten Berghe metten winnende landen., groenswaerden ende hoss~hen daeraen clevende daeraf d'ander hellicht toehehoirt Joanna Elisabeth Meganck. sijne suster »•.• (G.9170). Het goed hoorde d"!~ toe aan ~~ familie Meganck. en Antoon had het verpand, vermoedeliJk ?mdat _hiJ in geldverlegenheid was. De landhouw heeft steeds ernstige criSes 9

251


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

gekend. Hij had het goed hij loting, scheiding en deling geërfd van « wijlen zijns vaderen gepasseert tusschen hem ende wijlen Jacques·

Meganck zijns broeders was» op 17.6.1617. Het hofland bestond uit de volgende percelen : « 11 hunder 3 dagwand geheeten theyshlock gelegen voert hof... a en de goeden die waeren Jan van den Bergen... de kinderen Jack van der Winderheke geheeten het Bergenvelt. Het vleugenhlock (waar dus een vleug of duiventil op stond of op gestaan had) 5 dw. 83. r. voer thof daer die fruythomen rontsomme inne staen. 75 roeden lants uyt een stuck van 1 dagw. 75 roeden gelegen hij den cleynen sleypsack geheeten het velt van den boute », nl. het veld hij het bos, wat weeral op hoge ouderdom wijst. Dit stuk paalde aan Henriek Claes nu Henriek J onckbouwens, aan de wed. Sovaster en aan het goed_ van de kerk van Rode. 14 hunder 3 dw. uit een stuk van 17 hunder « opt Bergenvelt ». Het paalde aan de goederen van het Hof te Steenvoort, later van Jan Houwaert, de kerk van Rode en Panwel În den Waeyere. Een blok van 3 1f2 h. 34 r. Het paalde met twee zijden aan Zoniën. Een « cleyn stuxken hogaert van 38 roeden daer die groote schuere op gestaen heeft voer thof ». Een « hogaerdeken van 74 r. achter die schure >>. Een « anderen hogaeri van 1% h. 70 r. geheeten Berthels locl;~.ten voer de hoeve neven tVleugehlock ». Drie dw, 78 r. « geheeten den grooten Sleypsack », palende aan J aak Meganck, Henryck Claes en advokaat J onckhouwens en met drie zijden tegen den « grotten vijver geh. den Gevaert ». Eén dw. 90 r. « groenswaerden geh. het Elshroecxken... aen den grooten Sleypslack. Een half hunder 70 r. beemd « geheten den Breevoerdere aen de vijvers met een streeck lancx den vijver geh. den Schaepvondere ». 3 dw. 62 r. « hempts in den Hollenhorre te Alsenhergh ». 6 dw. hos hij « thof ten Berge geh. Sn{eyershosch. « Een geleghe daer een huys op te staene plach... te Rode ter plaetse geh. ten Berge ». Een gelege palende « aen den hempt geh. Slijpsack, aen de strate die van den hove ten Berge n.aer Rode ende den Gevaert gaet ». 5 dw. in drie stukken « opt Bergenvelt daermen gaet te Steenvoert weert, daerop een stuck groot is een half hunder aen den wech gaende naer Deylhroeck; het ge stuck 1 1f2 dw. aen de goeden Frerijn Claes. Een. plecxken erfs ten Berge... tussen de goeden Peeter van den Bergen. Een stuck lant 3 dw. 92 r. op theydevelt. Een hempt met een beyken 11 dw. 53 r. van drije vergedert nevens Smeyershosche ». Aan de santenstelling van het hofland kan men vaststellen hoe verbrokkeld de grond hier toen al was. Dit wijst tevens, zoals we reeds zeiden op een zeer hoge ouderdom. Dit blijkt nog nader uit de menigvuldige cijnzen en lasten die op het goed drukten, nl. aan de Hertog van Brabant 3 kapuinen en 3 schellingen, 9 penningen en een derde van een penning Lovens.. Aan de heer van Aa 72 pennigen Lovens:, 3 % kapuinen, 2 % veerteel, 1 % vierling even (haver) en 4 broden Lovens. Aan de kerk van

258

HET EKONOMISCH LEVEN

Alsemberg 33 mijten. « Aen Sweerts geslachte (een van de zeven geslachten van Brussel) 3 kapuinen, 3 schellingen payements. Den prochiaen ende den costere van Rode 2 veertelen rocx ». Aan de kerk van Rode voor een « weeckmesse 4 Rg. 10 st. te kwijten den penninck 18. De heer van Beersel een zister rogge, 10 penningen Lovens en 4 kapuinen. Aan de kerk van Beersel 37 st. jaarlijks. Aan de kerk van Linkeheek 4 stuivers. A en die van J ericho (het St Elisahethklooster te Brussel) 1 rg. en 10, st. tegen de penning 16 ». Tussen 1664 en 1672 was Nicasius Borremans « pachter opt hof ten Bergh » (G.8404). In een akte uit 1672 lezen we : « Nicasius pachter opt hof ten Berghe gelegen tot Rode huert hetselve pachthof van de wed. van wijlent den heere Raedt Ricart ende hetaelt daervoor jarelijckx aen geit 90 g., 17 sisteren coren, 20 sisteren terwe, 36 sisteren haever... saemen. 306 g. 8 st.» (G. 3839). Volgens een pachtbrief van 1645 moest de pachter het land « hesayet laeten gelijck den selven pachter tsijnen incomen volgende de eerste huere verclaert bevonden te hebben, te weten met 90 tienlinghen coren, 75 tarwe, ende 60 haver»... (Not. 4416). Er waren toen 3 paarden en 1 koe, 2 kalveren en 40 schapen in eigendom en « 2 in huringe van Antoon Crahbe, leenhouder tot Brussele ende d'ander van Bertel Simeons » (LB 18). In 1680 huurden Roeland Daelemans en Mariken van Veltem het hof van Baron de Mervaux. Dus verandering van eigenaar en van pachter. In 1711 vinden we Filips de Varo als eigenaar en vernemen we dat Daelemans ten achteren is in zijn pacht en de hoeve gekocht wordt door Jan Everaerts, die er in 1730 nog op was (G. 8303, 8304) ... In die tijd was het hof 43 h. groot. In 1714 kwam er intussen weer een andere eigenaar: Baron de Mannoy, « op sijn pachthof tot Rode gem. gen. het Hof ten Bergh >>, of is het dezelfdë persoon als de Mèrvaux hierhoven? Zoals men ziet veranderde het goed voortdurend van eigenaar. In 1741 verkochten Barhara Everaerts, dochter van Jan en huisvrouw van Pieter Berckmans meester maalder der stad Brussel, « seker pachthof gem. gen. het Hof ten Berghe ». Tevens verkopen ze « sekere hofstede met den kleemen huyse, schuere stalle » enz. 3 dw. groot, niet ver van de kerk, palende ten N.O. aan Camhier, ten z. aan de straat naar Termeulen, ten W. aan de straat van Rode naar Brussel. De kopers waren Frans Everaerts en zijn huisvrouw Katarina van Cutsem (G. 358). De hoeve werd gepacht door Kornelis van Hemelrijck en zeven jaar later ÎF> er een Jan van Hemelrijck op, vermoedelijk de zoon van Komelis. In 1764 was het hof door Katarina van Cutsem weduwe Frans Everaerts verhuurd aan Hendrik Wijns en :J.\IIaria Mahieu voor negen jaar tegen. 500 g.. In de pachtvoorwaarden was ook het onderhouden van de ho:tnput begrepen (G. 8349).

259


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

In 1789 werd het voor de zoveelste maal verkocht ( G. 8323). Uit dit alles moeten we besluiten, dat het nooit een beste doening geweest was. Inderdaad wanneer we de aard van de grond nagaan, meestal zand en steengrond, moet dat niet hovenmate verwonderen. Reeds lang is het trouwens geen landhouwonderneming meer. Toch verraadt het nog hestaande gehouwenkompleks, dat tot kleine woningen verbouwd is en nog een typische scherpe puntgevel ver· toont, duidelijk de oorspronkelijke bestemming. De naam bleef bewaard in de aanwijzing van de wijk aldaar, die in de jaren na de tweede oorlog tot een volkrijke huurt herschapen werd, mede dank zij de verbreding en modernisering van de straten aldaar. Door de aanleg van de spoorweg werd het hofland in twee delen gesplitst. Om de oude toestand en ligging te kennen moet men dus de spoorweg « wegdenken >>.

van Terkameren, w., de Mommaartsboomgaard. Het vijv~rtje was een dagwand groot. . In 1753 hoerde op het « hof ten Hove ofte Spaignaertshof » J au Ever a erts, weduwnaar van Maria Anna Coosemans en werd de inboedel geschat. Daarin is er onder meer spraak van « canthout staende op de beymen (hagen) der selve goederen», drie hunder « braecklants », 4 1f2 b. « verhandtsaeydt » 2 b. sloren, 15 ton~en, 2 vleestonnen, I ledikant behangen met sérvetgoed, 2 schappraai.en, 2 kisten van without en hardhout, 12 stoelen, een « goude cruys, silvere gespen, silvere oorijser van Maria ;Anna Coosemans uytgedeylt aan de zes kinderen ». De gouden n~gen, « te weten eenen roosrinck met seven steenen ende den trouwnnck tsaemen .getaxeerdt door den silversmidt 't Serstevens tot Brussel ». Verder van een « dorschkleedt, hael, lat, tange, 4 schuppe, rooster, vierijser, drie ijsere ketels, al het aardewerk, een tonne goed bier de welcke ontsteken is, de moillie met de kaeshancke, alle de pataten, 30 ellen ongesneden lijnwaert, den wintmolen (wanmolen ? ) , 2 ploeghen ende 2 eghden, 2 kerren, 4 peerden met hunnen gerecken, 1 veulen van twee jaeren, 5 melckoeyen, alle de hoornbeesten, 100 coopen geerst, 649 coopen coren, 93 coopen haver, 23 coopen er~ten, klaeversaet, 2 leeren, hoey ende toema~t, coop ho~t uyt S?n1en ». Als liggend geld was er 400 g. Als mali kwam er In rekening een jaar bodeloon van den knecht, << sijne gouvernante » 5 maand gagie a 3 g. per maand, quartierlasten, 25 g. boe~k der courtresse », kwartierlasten van 1745 tot 1748 : 120 g.; 20e penning 19 g.; 2 maand interest van twee renten op het pachthof : 127 g. Na Jan Ever a erts kwam zijn zoon Jacobus op het ho~.. La~er stichtte deze « twee gezongen missen tot laeffenisse » van ZIJn ziel en die van zijn ouders bezet op een deel hof, land, boomgaard en weide met stenen huis schuur, stallingen... met bomen en houtwas daarop staa""nde « te v~orens deel gemackt hebbende van t pagthof ten hove of Spaignaertshof ... ter Meulen » (1772). In 1785 staat bet hof vermeld als Hof ten Heuvel (G. 8283).

HOF TEN HOVE OF SPANJAARDSHOF Dit is ook een sinds lang verdwenen hoeve. Van de gehouwen werden kleine woningen gemaakt, waarvan het geheel nog een hoevekompleks verraadt. Heden nog heet de plaats er het Spaans Hof of Spanjaardshof. In het ons oudst hekende stuk wordt het beschreven als· volgt : « een hof met huysinghen, schueren, stallinghen, consisterende in hogaerden, hempden oft weyden ende winnende landen groot int geheel omtrent 50 hunderen gehuert door Pieter de V erwere ende geheeten thof ten hove... helast metten gehande van sheeren cheyns ende 16 sisteren rocx der kercke van Halsenhergghe » (G. 8217). Te Halle bestond er in 166'0 ook een Spaniënhof (M.J .v.d. W eghe, Hallensia, 4e reeks). In 1641 werd een erfelijke rente van 137 Çg. 10 st. 's jaars verkocht, verkregen door Jan van Halewijck op het pachthof « hof ten hoven » te Termeulen, met 68 hunder en 3 dagwand « winnende lande ». Het was dus inmiddels 18 hunder groter geworden ( G. 8251). Naast het hof stond in 1698 een «speelhuis» nl. een herenhuis. Dat jaar deed notaris Cornets «ten versuecke van jouffr. Joanna Douez verhoth aen den greffier van Roo ende Alsenherghe van niet te staen over eenige goedenisse ofte allnatie van een speelhuys gestaen ende gelegen ter plaetse genoempt ter roeuien beneffens het hof gem. ter Hoeven »... (Eigen archief). In tegenstelling met het hof, van klei en stro, was het speelhuis van steen ; in 1730 is het in een goedenis beschreven als zijnde « seker pachthof mette huy.. singe, schuere, stallinge, gemet$t speelhuys, ende andere edificien daer op staende met het coolhofken (groententuin} boomgaarden, hee:mpden, twee weyckens, winnende lenden, vijverken, hoornen, planta· gien »... 22 hunder groot. gelegen, n. de beemd van het klooster

HOF TE BOLENBEKE

In een stuk uit 1682 (G.9170) leest men « opt tBoesdaelvelt alsoock twee andere bunderen gelegen ter plaetse voors. mitsgaders alnoch seker pachthof genoempt Bolenbeke te Rode». Reeds in 1547 (G. 6637) staat de plaatsnaam vermeld : « in de proclrle van Rode hoven Bolenbeke... paelende aen een p lecxken erfve Willems Boene, aen het straetken dat van Kautersvivers gaet naer de heyde, tegen een gelega der hnysarmen, aen sheei·en strate die van Rode leyt naer de vs. heyde »... Die Kantersvijvers zijn de vijvers van de Abdij van Terkameren; « een gelep;e met hnyse gem. gen. den Grueninck gelegen ...

260

261


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

te Bolenheke (1564). In 1575 wordt de plaats nog vern1eld «ten Bolenheke metten hoof de aen t straetken dat van den Guyken compt naer t straetken dat van der roeuien compt naer het Heydeveldeken » (G. 337). In 1661 kochten Arnout Huhlo en Jenneken de Becker een geleeg met huis « in sijnen beymen » gelegen te Bolenheke geheten Torekens lochtinck (G. 343). Waar dit pachthof gelegen was is niet goed uit te maken en in elk geval moet het al zeer lang verdwenen of van naam veranderd zijn.

HET EKONOMISCH LEVEN

laten weiden. In 1564 waren de volgende dieren << ingeschreven » : 8 koeien, 4 paarden en 25 varkens (RK. 4253). In 1657 hoerde er pachter Gillis de Haese met zijn huisvrouw Katarina van Droogenhosch. Er waren 5 paarden, 15 hoornbeesten « soo groote als cleyne », 20 varkens « oock soo groote als cleyne », 1 wagen, 2 karren, 2 ploegen. Gillis had schulden en was ten achteren in de pacht voor 599 gulden en 241 veertel graan (G. 8286, 8288, 8330).

HOF TER HEIDE Op Terheide moet ook eens een hof hestaan hebben. Het wordt beschreven als volgt in een schepenakte uit 1573 (G. 337) : <<een hof gem. geh. thof ter Beyden metten (met) lochtene (groententuin), hloke (veld) metten berch... 3 bunder... palende aan 11 b. in de prochie ter heyde neven de bange eycken tusschen den vijver des hoefs (hof) van den broeck, zoniën en de Bosch straete ... noch 11 h. weyden daer bosch stond ter heyen ... hij Jans van der Zennens vijvers aldaer tusschen dwaut van Zoniën en Gielis Imbrechts... 7 dagw. beemd ter heyen ». -Dok in de volgende tekst Gielis de Hase, Jan Boen, het goed van Rodeklooster een blok van is die hoeve vermeld, nl. « te Rode tegen KeldelJilan; goet terheyde gaende van der linden nae sCantersvijver scheydende aen eenen pruymelaeren struyck ende eenen esch staende naest den hove van der heyen metten eenen eynde tegen tsollochten gaende van thof ter heyen naer scautersvijvere (ib.) ». Oudtijds werden bomen en struiken vaak als grensteken gebruikt. Het Hof van Aerts, in 1941. (Pentekening Doll Theys)

HOF TEN BROEKE Op vele oude kaarten staat een Hof ten Broeke vermeld. Het is sinds lang verdwenen, zodat het moeilijk is de ligging ervan nauwkeurig te bepalen. De oudste vermelding is van 4-6-1398 toen J acoh van der Roesen J acobs soen opdroeg « thof O'eh. ten Broeke Y2 hunder in de prochie van Rode neven den moden ende neven Wouter Hollants erve, 3% h. heemts hoven thof, 1 b. land geh. tRoeshunder gelegen onder den W outerhossche, ten behoeve van Diederlex Heinrics Haenkenshoet witteghe soen wilen was »... (G. 9638). De volgende is uit 1532 (K.A. 2326) : «die van den Roeden clooster van den hove van ten Broeke hem lieden toehehoerende Jnet al den huysingen, schueren ende stallen, lochten, hoegaerden, hempden, hosschen, winnende landen etc. ». Te oordelen naar deze hesebrijving n1oest het tamelijk belangrijk zijn. Alles sa1nen was het 40 hunder groot. Het hof mocht ook vee in Zoniën

262

Joos de Becker «pachter opt pacht 12 sisters koren en 175 g. in 4 koeien, 3 vaarzen, een varken plichtigen. In 1762 hoerde er een Jaak oud en stond hij ook hekend Zoniën ».

thof te Broeck » hetaalt voor zijn geld. Hij had in 1664 : 3 paarden, en in zijn gezin waren 6 PaasClerens. In 1774 was hij 79 jaar als « den oudsten coopman van

HOF TE OPRODE Aan de Groothutstraat, voorhij de Sint-Barharakerk, staat een oud hof waarvan weinig hekend is. Wanters (Environs de Bt't.l.L) spreekt van een bof gelegen « ten Gehucht », dat de naam zou bewaren van Op-Rode, die men reeds in de oude akten vindt.

263


HET EKONOMISCH LEVEN

GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

Het hoorde toe aan de familie A erts waarvan een zoon en twee dochters ongehuwd op het hof overleden, waarna het gehouden werd door Louis van K.eerberghen-Van der Schueren. HOF TEN GEHUCHTE Dit hof werd na de uitroding door de Algemene Maatschappij, gebouwd door Frans van Keerherghen. Op een kleine steen aan de ingangspoort staat ingekapt: « F.V.K ... M.J .... l8 ... ». Een stuk van de steen is afgebrokkeld, zodat de juiste datum niet hekend is. In 1888 was daar ook een smoutmolen, eigendom van Judo van Keerberghen. Die molen werd gedreven door een paard. De mensen uit de streek lieten er onder meer sloorzaad en zelfs beukenootjes tot smout verwerken voor de oude smoutlampen. Thans is het nog een gorte hoeve, ~igendmn van de familie Van Cutsem-Vankeerberghen. <<

CINTRA »

Aan de Waterloose steenweg, vlak tegenover de Groothutstraat, staat een groot wit gebouw, dat oorspronkelijk het Kasteel van Cintra heette, ofséhoon het, huiten zijn mime afmetingen, niets van een kasteel weg heeft. Het werd er in 1838, toen de Société Générale grote stukken van het uitgerode Zöniën ver· kocht, gebouwd door een zekere Cintra, een Spaans of Portugees hoger officier, die, naar gezegd wordt, een groot f ornrln verzameld had. Te eniger tijd werd het een eigendom van Pierre J oseph Hallez, notaris en burgemeester van Waterloo, overleden in 1853. Naar Tarlier De kasteelhoeve Lecharlier, in 1954. Wanters (H.G.C.B., Canton de Nivelles, hl. 86) zou op die plaats een huis gestaan hebben behorende aan kapitein J acquot Pastur. Hallez zou het in 1820 gekocht en afgebroken hebben wegens de vervallen staat ervan. Later werd het een hoeve, die thans bedreven wordt door de Familie Hector Paermentier-Balcaen, herkomstig uit Wortegem.

264

HOF LECHARLIER OF BLARET ;"

Dit hof was· 129 ha, 14 are en 90 ca groot en behoorde tot een uitgerode plek die de « Société Générale » in 1835 · verkocht had aan Generaal P.-J. Leeharlier, herkomstig van Terhulpen, die in Portugal een groot fortuin gewonnen had. Op de kaarten stond het vroeger vermeld als << Chäteau du Général Leeharlier ». Leeharlier was een origineel. In het uitgerode bos had hij., zonder veel ploegen of eggen, de tarwe zo maar tussen wortels en struiken laten zaaien. Natuurlijk was de oogst navenant en Leeharlier boerde op die wijze zolang tot hij uitgeboerd was en zijn groot fortuin opgeraakte. In 1845 kon hij zijn belastingen van 130 fr. niet meer betalen en ging hij bankroet. In 1841 was hij wat anders begonnen, nl. een slachthuis « pour abattre des chevaux et autres animaux pour en extraire la graisse au moyen de la cuisson par éholition »... (sic). Ten slotte ging hij scheep naar Mexiko met het doel aldaar zijn fortuin te herstellen, maar kwam om hij een schipbreuk tijdens een storm in de Golf van Mexiko (W auters, Ill, 680). In 1848 werd het goed aan· gekocht door de weduwe Cool, pachteres. Op de 120 fr. helastin· gen die ze aan de gemeente te hetalen had vroeg ze 30 fr. ver· Ingangspoort mindering, wat haar toegestaan van de Sint-Gertrudishoeve, in 1935. werd ... Daarna veranderde het goed nog dikwijls van eigenaar. In 1854 dhr. Champeaux, in 1868 Huyttens en Wittouck, (Wijk G 3 .b) die er een stokerij oprichtte. In 1869 rees er .een geschil tussen de gemeente en Wittouck-Boucquau, die beweerde dat hij eigenaar was van de helft van de Brassinnelaan, dus op een strook van 5 m. breedte. Hij wou er een rij bomen planten. De gemeente beweerde natuurlijk het tegenovergestelde en voerde aan dat die weg, die naar Hoeilaart en Terhulpen loopt, sedert onheuglijke tijden haar eigen· dom was (GA). In 1872 plaatste Felix Wittouek er een tweede stoomketel, van 35 pk., maar de z,aak scheen toch niet te vlotten, want in 1873 was ze nog slechts « une simple distillerie agricole ::., gedreven door Osear van der Snick.t (A.G.).

265


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

Omstreeks 1870 dook gevaar op voor verontreiniging van het water door het afvalvuil van de stokerij. Het gemeentebestuur moest er zich mee bemoeien en stelde meermalen vast « que Ie sieur Wittouck laisse écouler librement les vinasses et autres résidus provenant du travail de sa distillerie, dans Ie bas..fonds, qui conduit vers les étangs, situés entre !'Espinette et Ie centre de la commune, lesquels forment la souree du ruisseau Ie Termeulenbeek >> (A.G.). Tussen 1920 en 1930 werd het grootste gedeelte van het hofland herschapen in een speelveld voor de « Waterloo-Golfcluh ».

KASTEEL EN HOEVE GOETHALS Het kasteel bestaat uit drie delen. Het eerste gebouwd in de · Empire-stijl, het tweede met de toren .w<:rd hijgebouwd in 1860 en het derde, met de grote ontvangstzaal ln 1892. Het torengehouw achter de hoeve en de hoswachtershuizen werden omstreeks 1870 gebouwd naar ontwerpen van architekt Cluysenaer. De hoeve hij het kasteel, werd twee' geslachten lang door de familie de Dohheleer, uit de streek van Sint-Pieters-Leeuw, vervolgens door de familie van der Erven uit Ansegem bedreven. De huidige eigenaar is Graaf Filip de Jonghe d' Ardoye.

HOF TE KWADEREEK Het Hof te Kwadeheek is van jonge datum. Op de kaart van van der Maelen van 1836 staat op de plaats ervan slechts een klein huis vermeld. Met de volgende kadasternummers Wijk 698, 699, 700 (huis), 701 (weide), 702 (weide), 702 bis (hos), samen 75 are groot. De achtereenvolgende eigenaars en hoeren waren J .-B. van der Deelen, Hendrik Coppens-van der De~len en dezes zoon Leo.

HOF SINT-GERTRUDIS Deze welhekende landbouwonderneming, gelegen tegen Waterloo werd aangelegd en gebouwd na de grote roding in de Hollandse tijd. Het is ons grootste hof, met 180 ha. Het werd tussen 1825 en 1835 gebouwd door de « Société pour f avoriser !'Industrie » die een maat· schappij opgericht « pour favoriser }'Industrie de la Betterave à Sucre » Voor de bouw werden veel eiken van Zoniën verwerkt. De maatschappij ging evenwel failliet en in 1840 kocht Baron Goethals al de gehouwen en terreinen op. Op de hoeve waren achtereenvolgens de families Lacroix, Collard en zonen, Van der Cam. Met ingang van 1955 werd de doening niet meer verpacht en wordt ze door de eigenaar, Graaf de J onghe, met een zaakvoerder, Lannoye uit Knokke, voor eigen rekening geëxploiteerd. Het hof kreeg zijn naam van de dreef waar het gelegen is1 welke dreef op haar beurt haar naam dankt aan een kapelletje gewijd aan die heilige die reeds vroeg aan die dreef tegen de Eigenbrakelsesteen.. weg moet hestaan hebhen en in 1933 door een ander Sint-Geertruidekapelletje vervangen werd. Op een zondagavond in oktober 1951, brak er een geweldige brand uit, ingevolge een kortsluiting op de zolder hoven de stallingen. De oogst en 25.000 kg hooi gingen in de vlammen op. Het hoornvee, 125 stuks; kon hijtijds in veiligheid gebracht worden.

26·6

-

Kasteel van Graaf de 1onghe d~Ardoye, in 1935.

KORENMOLEN OF NIEUWE MOLEN. De loop van de Molenheek volgend, hebben we eerst de « Nieuwen Molen» (1846) aan de afloop van de Gevaartvijver, waar de heek eigenlijk begint. Hij werd in de 19e eeuw opgericht door de familie de Meurs. Dit moet omstreeks 1340 gebeurd zijn. In 1842 was er een klacht ingediend geworden tegen het waterpeil. Als gevolg daarvan werd een 20 duim kleiner waterrad geplaatst. Of er daar vroeger een molen geweest is, is niet waarschijnlijk. In de 17° eettw is er nochtans sprake geweest aldaar een papiermolen te bot.nven door de hekende Brusselse drukker Jan Mommaert. In 1608 had de abdis van Terkameren daartoe vergunning verleend, nl. « te mogen stellen eenen pampier molen op den dam van den Gevaert·

.

267


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONON.USCH LEVEN

vijver te Lans1·ode onder de prochie van Rode naer welcke conditien Jan Motnmaert drucker der Stadt van Brussele »... (K.A.). Reeds vóór 1914 werd de korenmolen huiten gebruik gesteld en tussen heide oorlogen werden de gehouwen gesloopt, nadat er enkele jaren een linnenwasserij en strijkerij van de familie Deny 0O'evestigd was. Thans bliJft er geen spoor meer van over. De n1olen was gelegen Wijk A nr 146 h op een goed van 4 a. 70 ca. De Gevaartvijver was toen nog niet door de spoo1·weglijn doorgesneden en 2 ha. 21 a. 40 ca. groot.

des hoefs van lngendaele, zuidwaerts de straete die van de!'- meulen naer Rode gaet recht tegen over den pumpiermolen der wed. Jans Mommaert »... Meer is er echter niet over bekend.

MOLEN VAN TERMEULEN Zeer waarschijnlijk was de oudste' Inolen van Rode, denkelijk een graanmolen, gelegen op de hoek van de Stationstraat en de

De verdwenen korenmolen aan de Gevaartvijver, vóór 1914.

Termeulenstraat, rechts. In 1532 is er reeds sprake van een « hofstat ter Moelen » en het is onze enige oude plaatsnaam 1net « molen » .. Het oude zware stenen gebouw met hoogdeur en kruisventers, dat n1eer dan een halve meter lager dan het peil van de straat lag, en in de jaren 1930 gesloopt werd, dateerde op zijn :minst uit de 16• eeuw. Uit onderstaande blijkt overigens bet hestaan van een andere molen te Tenneuten dan de papiermolen : « seckere drij dachw. lants... opt veldeken commende noordt en oostwaerts tegen de goeden 268

MOLEN ALGOET Oorspronkelijk was dit een papiermolen. Hij werd opgericht in 1546. Op 17 november van dat jaar verkreeg koster Wolfaard

van der Cameren de vergunning tot het· houwen van een papiermolen of wel een slijpmolen (om gereedschap en wapens ~e slijpen) met twee kleine raderen ter plaatse waar hij twee weiden bezat, tussen Rode en Alsemberg, op voorwaarde aan de Domeinen een cijns van een gouden karolus te betalen. In 1564 (R.K. 4253) betaalde hij die cijns nog « voor tconsent hem gedaen van te moegen herleggen eene heecke voer zijn erve gelegen tot Rode om eenen pampieren oft slijpmolen te moeghen maecken ... ». In 1631 hoorde de molen toe aan Gabriël de Nayer. Ingevolge een geding met de pastoor werd tussen partijen overeengekomen dat men << de arcke in questie zal dieper ende hreeder maecken naer v:erheysch van watere ». In 1642 was Guillam de N ayer, vermoedelijk de zoon van de voorgaande, op de molen. Volgens een schepenakte van dat jaar « sal hij opwaerts hoven sijnen molen... a en sijne arcke setten een schuyfhert van ander halven voet hooch ende dat hij tselve en alle tijde van den vloet sal opensetten »•.. (G. 8405). , In 1652 betaalde Gabriël de Nayer een cijns aan de kerk van Rode « op sijnen pampiermolen ». Dit was de zoon van de voorgaande, want in een akte van hetzelfde jaar is er sprake van de « pampiermolen toebehoorende d'ergenaemen van Gahriel de Nayer den ouden (de grootvader) waer tegenwoordigh is woonende Gahriel de N ayer den jongen ». Deze hield toen vier koeien, drie kalveren. Het goed werd beschreven als volgt : « een geleghe metten huyse stalle ende pantpiermolen... met de lange zijde a en de traete ga ende van Rode naer Als. tegenover het Cruysken (waar nu het kapelletje staat) metten andere sijde aen de Sevenborre straete (de Bosstraat) ende met twee andere sijden aen de bempden van de kerck van Als. » ( G. 8404-05). Later vernemen we wat meer over die familie de N ayer : « Gahriel de N ayere sone wijlen Gabriels daer moeder af was Elisabeth de Haese als erftochteresse in den naem van zijne kinderen behouden van wijlen Maria van Ohbergen », nl. J oanna de Naeyere gehuwd met Gielis de Nayer ... Joanna 23 jaar oud, Cathelijne 20, Gahriel 19, Lesken 18, Machiel 17, Jan 15, Christiaen 12. Twee van de kinderen, Maria en Niklaas woonden te Namen (G. 9170) .. In 1660 verpandde Cahriel de Naeyer'Y vóór notaris Turfhoop

.

269


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

« een huys metten pampier meulen daerop staende, groot met twee

Met water gedreven bloemmolens begonnen ook de stoom aan te wenden. Frans Algoet-Meerts werkte in 1888 zijn bedrijf om tot een stoommolen. Vier jaar later plaatste hij een stoommachine van 85 P.K. Diezelfde nijveraar plaatste te Rode de eerste dynamo· turbine, 4 P.K.- 30 ampère, 110 volt- met accu's van 50 ampère. Later kwam er een brouwerij hij. Vóór 1914 brouwde men er een soort van << Munich », « Mühlbrau >>, dat grote hijval genoot. Evenals de brouwerij de Dohbeleer-Mertens, ernevens, ligt ze sinds jaren stil ten gevolge van het opkomen van grote brouwerijen, vooral in de hoofdstad, waarmee kleine dorpsbrouwerijen onmoge· lijk kunnen konkurreren. . Thans is het opnieuw een maalderij gedreven door Frans Algoetde Neve. '

weyckens daeraen liggende » 1 h., nog _3 dw. land hoven· de molen gelegen tussen het goed van de erfgenamen Winderlinckx en die van de kerk van Als., nog 3 dw aan het kerkegoed van Rode tegen « den Burreler », nog 1 h. tegen de « Meulestraat, voor een lening hem gedaen door zijn dochter Maria gehuwd met Thomas Gahriels en hertrouwd met Jan Monceaux, « fortificatie meester ten dienste van S.M., ten bedrage van 300 g. plus een obligatie van 1639 samen 700 g. 334 g. rente, overeengekomen voor 1.000 g. tegen 6% % (G. 8286). In 1700 kochten Pieter Everaerts en J enne Marie van Meerheke van Linkeheek het goed, dat beschreven wordt als volgt : « seker steenen huys verhonden mette vercochte papiermolen staende nieuws (schuin) tegen~ver den selven molen die te vorent is vercocht ende hier niet mede is vercocht ende gront aen den heleyde geaffecteert, met twee weyckens daer aen gelegen groot saemen een bunder... op een deel van dewelcke het vs. huys is gehouwt. Item tot 3 dw. lant gelegen hoven den molen tusschen de goederen der ergenaemen Windelincx ende de kercke van Als... Item noch 3 dw. lant comende met d'een sijde aen het kerckengoet van Rode ende hoven aen d'ergenaemen Windelincx ende tegens den__. Bureler... om daeraen te verhaelen de courtresse eender erfelijcke rente van 62 g. 10 st.». De verkopers waren de weduwe Miehiel de N ayer en Guillam van Cutsem haar tweede man « ende Elisaheth de N aeyer lest weduwe van wljlen Miehiel de N aeyer », Jan, Simon en Miehiel de N aeyer en Franchois van Velthem en J oanna de N ayer zijn huisvrouw, Pieter Everaerts en Katarina de N aeyer, allen kinderen wijlen Miehiel ende Elisaheth de Naeyer (G. 8349). .. Op de papiermolen toebehorende de weduwe Miehiel de N ayer was een rente van 9 g. bezet om daarvoor jaarlijks 10 gelezen missen op te dragen in de kerk van Alsemberg ter intentie van advokaat Sleypen, die alhier veel goederen bezat (AP. Alsemberg). In 1731 was de molen eigendom van Filip Jouman <<·coopman van vodden ende papieren » te Brussel. In 1783 staat er in een akte (G. 8315) « den papiermolen genaempt den Slijpersmolen ». In het kadaster, omstreeks 1840 opgemaakt, vindt men als eigenaar Jozef de Paebnacker. Het huis was gekadasterd C 750, de tuin C 751, samen 4;96 ha. groot. In 1835 staat nochtans Frans de Hoe als eigenaar vermeld en in 1855 liet de weduwe het groot wiel van 6,72 m middellijn en 1,65 m breed, een sclteprad dus, vervangen door een ander van 2,56 m middellijn en dezelfde breedte als lrlervoren. Wanneer de molen een graanmolen geworden is, hebhen we niet kunnen uitmaken, maar vermoedelijk was dit reeds onder deze eigenaars. In 1879 werd de waterretenue stroomopwaarts door Sebasûaan Frans de Hoe met 10 cm verhoogd (A.G.).

+

270

MOLEN VAN TENBROEK. De laatste molen op de heek te Rode is die van Tenhroek, Wijk D nr. 47. Oorspronkelijk was het een slijpmolen, nl. een molen welke diende om gereedschap te slijpen, en later een papier.. molen : << een pleeken erf daer een slijpmoelen op te staene plach dwelck nu (27.4.1530) verkeert is in een pampiermoelen... tusschen de goeden Caerls van Herlair ende goeden tproest van Vorst... de strate kommende van den moelen nae Rode» (G. 6636). Dit was een van de oudste bedrijven op de heek. In elk geval, is er daar reeds in 1476 spr;;tke van een Romhout van den Broecke,· papierslager (vergelijk met olieslager). Romhout werd toen beboet omdat zijn heesten die hij te hoeden had gegeven aan Moen (Simon) Gosens « op ten cant van Sonien (tegen Zevenhorren) waren vonden · weyende » ·(R.K. 12541). Aan het nog hestaande gebouw, dat zeer oud is, valt nog goed te zien dat het voor geen graanmolen gebouwd werd. Thans nog ligt het voor de tweederden ongebruikt. Waneer de papiermolen graan.. molen werd is niet bekend. W aarsehijnlijk gebeurde dit in de eerste jaren van de eeuw, misschien toen de graanmolen van het klooster van Zevenhorren, de kartonfabriek der Gebroeders Winde· rickx, van bestemming veranderde. In 1741 was Guillam Meerts op de « graupapiermolen~ .. renderende jaerl. 44 guldens ». Niklaas Meerts, « groutpapiermaecker onder Rode ten Broecke », zijn zoon menen we, kocht in 1767, samen met zijn huisvrouw Anna Maria de Rauw, van Christina Boon « sekere weyde ofte hlock weaende alsnu landt ende hofstede..• 3 dw. met een huysken daerop staende ende den hontwasch daeraen annex... ten gehuchte van ten Broecke... paelende het geseydt huys ende messinck daer van znydt tegens het blook. daer de herberghe de Belle opstaet... west tegen hetgene van fliklaas de Beeker....

xrxe

271


GESCHIEDENIS VAN· SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

noordt achter het hlock van Gijshrecht Fiefve ende oost tegens Niklaas ··de Becker ende het volgende pijletsken daer het schuerken, verkeuskot ende biehalle op staen alhier niet mede vercocht... te zamen 9 dw.·>> ... belast met 100 eieren en «een capuin aen de heer van Beersel» ... 4 veertelen rogge aan de pastoor van Huizingen en 2 veertelen aan de koster aldaar voor een jaargetijde voor juffr. Maria Nagels... 2 gulden voor de kerk van Alsemberg ... 14 stuiver over 3 lichte mottoenen aan het Rode Klooster... en

In 1824 verkreeg J.-B. van Rossum de toelating «tot het mogen verzetten van de grond arcke van zijnen molen gelegen in deze gemeente, in het gehucht genaarnd Tenbroeck ». In 1854 was die molen nog eigendom van de familie van Rossum. De « vanne d'abée » werd toen verbreed van 1,02 m tot 1,30 m en het rad van 2,54 m middellijn en 1,50 m breedte vervangen door .een ander van 2,54 op 1,75 m en tevens 1,32 meer stroomafwaarts geplaatst. Er werden toen ook « des clous de jaugeage » aangebracht. Van de familie van Rossum ging de molen bij erfenis over op de familie Wets, nl. Jaak Wets, in de wandeling Koben Dots en zijn zoon J .-B., die ongehuwd overleed. De laatste maalder was Louis Chabert, die in 1952 het bedrijf, dat wegens het verouderde stelsel en de vervallen eri versleten toestand der toestellen, niet meer lonend was, stillegde. De molenaars hadden een zg. molenrecht, ook molster geheten, d.w.z. dat ze van het gemalen graan een gedeelte mochten nemen. Het is hekend dat ze vaak wat meer namen dan dat waar zij recht op hadden. Gemakkelijk werden ze niet betrapt, maar als het gebeurde werden ze nogal streng bestraft. Zo werd in 1407 « Aerde den molder van Rode omdat hij meer genomen liadde van den coerne (koren) in sijnen molen dan sijn molenrecht » hij minnelijke schikking met 3 kronen beboet (R.K. 12775).

MOLEN VAN ZEVENBORREN.

De oude

papier~

en graanmolen van Tenbroek, in 1935. (Pentekening Dolf Theys}

2 blanken van één oord aan het Klooster van Jericho ... (G. 348). In een schepenakte (G. 370) van 1760 is er sprake van een stuk grond van 5 dw. « met de nieuwe huyse, schuere ende stallingen ende pampier molen daerop gesteld » Sehastiaen van de Velde en Barbara den Neus palende ten o. aan het goed van de prins van Rubempré, ten z. de straat, ten w. het goed van Groenendaal, ten n. de Molenbeek~ Denkelijk wordt hier de molen van Tenbroek bedoeld, want omstreeks 1788 was een Jan van de Velde, mi.sschien zijn zoon, op de molen. Heel de doening stond op zes hunder land en . weide, wat nagenoeg overeenkomt met de grootte in 1840, nl. 5 ha. 5 a. 99 ca.

212

Deze molen staat op de « dam van Dietsrode », aan de afloop van de Molenvijver, 4 ha. en 42 a. groot. Hij is gelegen wijk D 194 his. Sede1·t enkele jaren is hij buiten gebruik gesteld. De laatste molenaar was Willem Algoet-de N eyer. Deze molen is ook zeer oud. Hij werd opgericht bij een oktrooi van Hertogin J oanna van Brabant op 15-3-1401-1402. Datzelfde jaar verkregen de kloosterlingen van de hertogin ook de banmolen van Tenbroek (nu de karton.. fabriek Windericn). Als er aan een van die molens wat scheelde of te weinig water was, mochten de molenaars bij elkander laten malen. In een huurceel van de molen van Tenbroek uit het jaar 1646 leest men daaromtrent : « Item is onder den uytgevers ende den huerlinck een vast contract ende beloefte gedaan dat den uytgever sal moghen comen maelen in den meulen ten Broecke gehouden hij den bnerlinck soo dickwils als aen den menlen te Dietsrode gehouden hij den Convent (klooster) iet sal we$en gebroken oft hij faut van water moghen comen tnaelen den hnerlinck op den moelen te Dietsrode soo dickwijls daer iet soude moghen gebro.. ken aen den menlen ten Broeck in den verstande dat wederzijde molster en sal genomen worden sonder fraud oft argeliest » (K.A. 15593). -

273


GESCHIEDENIS VAN SINT·GENESIUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

In 1605 was Jan Nicaux << molitoris in Sevenhorre >>. Zijn vrouw heette Elisaheth Meets. In 1684 treft men er een Gahriel de Naver aan. Zijn vrouw Elisabath de Nayer « molitrix in septem fontihus » overleed dat jaar op 23 april en werd te Rode in de kerk begraven. In 1736 is er een Jan Ceulemans. « geweesde molder ». en in 1823 is Filip Marcq er «mulder» (A.G.). Na hem was er Clement Joseph Ghislain Marcq, geboren te Wouterbrakel 21.11.1909. ,

hempt van Rode ». Pieter hield daarhij 4 koeien, 1 vaars. en 4 kal- ,. veren (G. 8405). In 1674 bezette hij een jaargetijde op een dagwand land te Terheide. In 1670 (G. 8303) wordt het goed nog beschreven als volgt : « Item· de brouweri je tegenover de kercke tot Rode metten huyse, stallinge, schuere ende den gront getaxeert 1.000 guldens met alle schijnsens »... Na de Haes kwam Niklaas Theys, een zoon uit het Hof te Waterloo, toebehorende aan de Abdij van Vorst, op de brouwerij, die natuurlijk ook een herberg .was. Theys was schepen en de schepenl;lank vergaderde er gewoonlijk om de « genechten » of rechtszittingen te houden. In 1679 werden hem 9 g. 12 st. betaald «in drij keeren hij de weth verteert». In 1755 vinden we op de brouwerij Peeter de Trogh « herberge van clijne nerringe ende hrauwerije waervan den ketel te koop is uyt reden van 't cleyn gewin »... In een akte van 1778 maken we kennis met de kinderen, alle meer dan 25 jaar oud, van wijlen Pieter de Troch « in sijn leven brouwer ende herhergier... ende wijlen Theresia Everaerts », nl. Katarina gehuwd met Pieter de Drahhe, J oannes, Petrus, J acohus, J oanna gehuwd met Matbias Heymans, Engel, Anna gehuwd met Judocus de Cuyper « actuelijck soldaet onder het regiment van Vierset liggende alsnu in garnisoen binnen de stadt Brugge >>... De achtergelaten goederen hestonden uit : « sekere hofstede met den huyse, schuere, stallinghe, werckhuys ende hrouwerije... met allen het camme gerecht soo roerende als onroerende met brouwketel; hrouwcuypen, koelhack, leekback als andersints... recht over de kercke paelende z.o. tegens de straete van Rode naer Als., z.w. het goedt van de huysarmen van Rode nu in jaerschaer heseten hij J acohus Houillenhergh en Elisaheth Leclercq dochter van Hertel, n.w. van achter tegen de volgende weide, n.o. tegen de straete gaende van Rode naer Brussel ende naer het gehucht Ter Meulen op den last van 2 capuynen 9 schellingen ende 1 denier Lovens als grondcijns aan de heer van Beersel... voor het moggen behouwt laeten van den dorstvloer der schueren ende voor het putsel der hrouwerije »... Dat goed was in 1727 gekomen van Peeter de Troch en Katarina Willemaers. De verdere goederen waren : « seker weydeken nu in lant hekeert »... 50 roeden palende met twee zijden tegen de heek en met de twee andere zijden aan het goed van de armen van Als., door hun ouders verkregen hij openhare verkoop door de Domeinen in 1741. « Sekere weyde » % b. groot met het recht van één karper per jaar vanwege de abdij van Terkameren « uytgenomen dat er hier uyt eertijds genomen is den grondt ende hofken daer het huys opstaet nu in eygendom van Jacobus Dandoy smidt aldaer de quantiteyt van 30 roeden » palende ten z. achter « tegens den hof van thuys der vs. hofstede daer de heke tusschen beyde doorloopt, ten w. het goed van den arme van Rode... ende ten dele tegens dito Dandoy., te vorens Sirnon Ltnwereys eoster, ten n.

BROUWERIJEN. Over het algemeen kende men oudtijds in onze streken geen andere drank dan hier. Bier werd verbruikt zoals thans koffie, die als volksdrank :van hetrekkelijk jonge tijd is. In 1765 heet het : « het volk drinkt hier zoals het brood eet ». Bij elke maaltijd hier, soms ook bierpap, hiersoep, te Alsemberg nog hekend als Kallehahoe. Buiten hier, werd ook thee gedronken, o.m. van salie, die ook op melk getrokken werd. Later werd er ook Hollandse thee ingevoerd « comende van hun eilanden », maar het werd geen volksdrank. In elk dorp hestonden een paar brouwerijen of kammen, zoals ze toen geheten werden. Het waren kleine _.bedrijven, meestal tevens herberg, die hun eigen hier, en ook brouwsels maakten voor burgers en hoeren, die daartoe de grondstoffen leverden. De oudste vermelding van een brouwerij alhier is van 1443, toen een Gielis van den Bossche hier « hriedere » (brouwer) was (R.K. 12546). In 1594 en 1601 is er sprake van een « stuck erfs gelegen tot Rode tegenover de kerck... met twee zijden tegen de Camme van Rode... den hempt der huysarmen... aen de heecke aldaer loop ende... Peeter -Ingels en Martina sV ogeleeren (de Vogeleer) » (G. 339) . In 1610 verschenen « Roelandt, Cathelijne, Franchoys, en Elisaheth lngels, kinderen wijlen Peeter en Martijne Soogelaen, Antoon Govaerts namens Peeter Engels enz tot behoef van Catharina Boenen, dochter wijlen Govaerts, in verhand met « een stuck erfven gelegen te Rode aen de kercke daer eertijts een huys, camme, schuere ende stallinge op te staen plaegen ende nutertijt door de trouhlen (de gevolgen der godsdienstberoeringen van de Hervorming) al vervallen ende afgebroken» ... Dit goed paalde aan de straat, de heek, aan het goed van Joris de Smeth, aan de huisannen van Rode. Het was helast met een cijns van 4 gulden aan de heer van Beersel, 10 st. aan de kerk van Rode en 12 st. aan die van Alsemberg. Anderdeels genoot het jaarlijks acht karpers uit de Gevaartvijver (G.. 339). Later werd die herberg en kanune wederop· gebouwd. In 1664 bezat Peeter de Haese « brouwer van stile in eygendom de camme van Rode groot met het huys ende coolhof (moestuin) een dagwand en enige roeden, palende met twee zijden aan de straat, de beke aldaer voorhij loopende ende den armen-

274

275


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

• de representanten van Jan Swalus daer een kleyn straêtjen ofte voetwegh tusschen heyde loopt ... , ten o. de straete, ten z. tegens de vs. afgescheyden grondt ofte hof van Jacobus Dandoy op den last van 2 capuynen ende 1 hlanck grondtcheyns, mede oock 3 st. 1 hl. voor het opstalleken aen den heere van Beersel... Item 1 ~ dachw. nu hekent voor % hunder,.. gelegen op het velt geh. de Rollehaene, palende tegen de Wouterhos in jaarschaar bezeten door Jan Hannaert, de erfgenamen Knopf, Sr. Gamhier, Sr. van Bever, helast met 112 veertel haver en 1 denier Leuvens aan de heer van Beersel... in 1721 van de Domeinen gekocht » (G. 348). ;Eigenaardig genoeg, hoewel ze vlak naast de school .woonden, kon niemand van de kinderen de Troch zijn naam zetten ... Omstreeks 1840 was de brouwerij kadastraal gelegen Wijk C, de brouwerij nr ,819, het huis nr 820, de tuin nr 821. Het geheel was nog 9 a. 57 ca. groot en eigendom van Judocus van Cutsem. In 1861 had deze gevraagd er op eigen kosten een duiker onder de straat te leggen om water naar zijn brouwerij te leiden « attendu que l'eau du misseau est devenue trop insaluhre ». Hieruit leren we dat tot dan toe het water van de heek nog hetrekkelijk zuiver gebleven was. Deze herberg en brouwerij vormde dus de hoek van de straat achter de kerk rechtover het gemeentehuis./ De laatste brouwer herhergier was Zephirin Remy-Dandoy, maar de brouwerij zelf was overgebracht geworden in de Kerkstraat, thans de herberg Het Brouwershuis. Toen ook deze brouwerij ophield te hestaan was Remy geassocieerd met Jozef Winderickx. Deze aloude herberg en brouwerij, de Kroon geheten, werd later afgebroken. In 1745 staat ook Guilliam v.d. Bosch vermeld als brouwer, zonder herberg. . · Gaandeweg kwamen er meer brouwerijtjes hij, zodat er in 1755 VIer vermeld worden, nl. 1) « Peeter de Boeck jonghman brouwer van weynig neiringe »; 2) Gillis van Keerberghen << herberg ende hrouwerije, den titel gepegeld op 8 112 tonnen >>. Deze was gelegen achter de kerk op de hoek van de Kerkstraat. In 1767 kocht Ègidius van Keerherghen, brouwer en herbergier, gehuwd met Barhara de Gelas, van Frans Berkmans, officier, en zijn vrouw Katarina du Fremeau, 3 dagwand land op het Lindekensveld, aan de straat van Alsemberg naar Linkeheek geheten de Lievevrouwenweg ( G. 348). Een vierde brouwerijtje stond ledig... Ook te Termeulen bestond er een brouwerij. In 1718 was ze gedreven door de kinderen van Jan van den Plaach, nl. « een hofstadt Jnet brouwerij met ap· en dependentien » palende aan de straat, de heek en aan de weide van juffr. Corselius. In 1736 was ze tevens een stokerij, zijnde « sekere hofstede met den huyse, schuere, stallinge, hrouwerije, brandewijnstokerije, met de ketels, fournaisen, brouw• cuypen, koelhacken ende andere gereck daervan dependerende 1 dagw. groot•.. gelegen te Terroeuien ende genoempt Sint-Arnoldus :. (de 276

HET EKONOMISCH LEVEN

patroon der brouwers). Dat goed paalde ten n. en .o. aan .de straat, ten z. aan de heek, ten w. aan de weide van mevr. van Homhorah. In 1755 vindt men ze nog vermeld (G. 370). In 1784 wordt ze geko~ht door Frans Degelas en zijn huisvrouw Elisaheth de Roover en nader omschreven als volgt : « sekere hrouwerije ende andere ·houwen daer op staende, brouwketel, hrouwhuyse, eenen koelhack, vijf grepen, een stoockgaffel, een crahher, zeven stuyckmanden, een vloet. Item een geelcuype met den grond » enz. Aan deze kant van de heek, ~chter het huis van de familie Wouters, staat nog een zeer oud gebouw, vlak tegen de heek. In 1771 stond Jan van der Gucht, gehuwd met Maria Anna van den Bossche a.ls herbergier, brouwer en kuiper op d~ lijst der belastingen, maar hij verklaarde « dat hij in 't jaer 1771 geene herberge meer en heeft gehouden ende oock in zijne camme niet meer en heeft gebrouwen». Zoals men ziet heeft elk tijdstip inzinkingen gekend. In 1773 verkocht hij trouwens zijn goed aan Sehastiaan de Geynst en Anna Cleiren, van Alsemberg, nl. «de hofstede daer sij actuelijc sijn woonende... huysingen, werckhuys, schuere, stallinge, hrouwerije een stuck landt metten witten arduynsteen daerop liggende op de RoUebaene palende aen den voetwegh van TermenJen naer de Linde »... vander ·Gucht had het goed gekocht van Guillam van den Bossche en Katarina de Bue, zijn schoonvader. De kopers waren hun « halven broeder swaeger ende swaegerinne ». Voor 1836 worden 3 brouwerijen aangegeven, waaronder die van Hendrik Mommaert en een van Rossum. De brouwerij de Dohheleer..Met·tens, op de hoek van de Dorpstraat en de Hollehorrestraat, is de vergroting van een der vier die in 1755 vermeld zijn. Omstreeks 1840 was ze eigendom van Frans Ferdinand de Becker. Het gebouw stond aan de overkant van de heek, zodat deze_ ervoor liep en was gelegen op perceel C 839 a en het geleeg was 59 a. 34 ca. groot. Er bestaat te Rode nu nog één brouwerij « Rodea », opgericht door André de Greef-Mosselmans. De aard van het vroegere hier kunnen we enigszins kennen aan ~e ve~werkte grondstoff~n. In een rekening van 16-9-1785 (G. 8286) 1s « Niklaas Theys sculdtch a en J ouffr. Catharina de Rauw wed. Jan Stockmans 211 g. 18 st. voor .geleverde graen, terwe, mant ende gerst als andersints... te hetaelen in 4 ma el van 3 rnaenden tot 3 rnaenden ». Ter vergelijking vermelden we dat te Brussel in de 149 en 15~ eeuw « waghehaert » gebrouwen werd uit 6 maal 156 liter koren en 10 1f2 maal 156 liter gerst, gekookt in 18 aam water. Buitendien bestond er een gemener hier « dunder hoppe» uit dezelfde hoeveelheid grondstoffen doch met 24 aam water (Mém. Cour. Ac. B.C.R.H. 1903-04). Volgens een « notitie van hier te leveren aen Peeter Labarre

.

277


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESIUSRODE

tot Linckebeeck » uit het jaar 1779 (Woudrecht n:r 532), is er spraak van « kleyn bier >>, dat de oudsten onder ons nog gekend hebben, << wit bier, een vierde paert bruyn bier gebrouwen ende alles gelevert ». STOKERIJEN Vóór de 19e en het begin van de 20e eeuw, toen hier verscheidene landbouwstokerijen bestonden, vindt men huiten de vorenge· noemde te Termeulen, in 1736) slechts één vermelding van een stokerij, nl.; die van herbergier Gillis van Keerbergen, achter de kerk, die in 1745 een brouwerij en een stokerij in bedrijf had. In het jaar. X onder de Franse bezetting waren er 453 genever· stokerijen in het Departement van de Dijle (Brabant). Er werden 1.736.490 « 1nyriagram » graan verstookt, . in een verhouding van % koren en 7i gerst, die circa 64.445 liter brandewijn opleverden. De helft ervan werd in het Departement zelf verbruiki; de andere helft werd naar Frankrijk, maar grotendeels naar Duitsland uitgevoerd (Mémoire statistique du Département de la Dyle bi. 165). In 1872 bekwam Niklaas de Dobbelee._r, op het pachthof van Graaf de J onghe d'Ardoye,. op de Steenweg naar Eigenbrakel, vergunning om een stokerij op te richten, met een stoomketel van 5 atm. druk. De grootste was wellicht die van Louis Blaret op de Waterloosesteenweg. Een andere, op het Hof Sint-Gertruidis, werd in 1882 opgericht door J ules Lacroix. Hij gebruikte een stoomketel van 2 atm. In 1897 plaatste zijn opvolger, Ferdinand Depré, een 7!Waardere ketel. In 1884 bestond op de Grote Hut, Wijk B 29 b, een landbouwstokerij, gedreven door de gebroeders Willem en Jules Winderickx. In 1888 werd er een ketel van 5 m 58 geplaatst en in 1912 nog een zwaardere. Deze nijverheid was echter niet voorspoedig. De mededinging met grote stokerijen was moeilijk, bij zo ver dat de Regering in 1896 de landbouwstokerijen wilde steunen door middel van helastingsontheffingen. Het bedrog waartoe deze maatregel aanleiding gaf was echter zó groot, dat de maatregel ingetrokken werd. Warmeer onze stokerijen ophielden te bestaan is niet juist bekend, maar na de eerste wereldoorlog waren er in elk geval geen meer. PAPIERNUVERHEID Er bestaat een hemelsbreed verschil tusschen de hedendaagse papiermakerij en die uit de middeleeuwen, welke technisch zeer primitief was. Wat zag men in di(> papiermolens ? Een groot scheprad

278

HET EKONOMISCH LEVEN

dàt, bewogen door waterkracht, een ronde houten balk draaiend houdt en waardoor drie stel houten pletbomen op en neet gaande, katoenen en linnen lompen in drie bakken pletten. Op deze primi· tieve manier duurt het zes en dertig uur dat de lompen << los gevezeld>> zijn~ De werkman gooit het uiteengereten goedje dan in een grote met water gevulde kuip en .bereidt door stevig roeren de pap, de papierpap, een dunne grijze brij, die in een houten bakvormig raam met als bodem een metaa1doek waar:door het overtollige vocht kon weglopen, geschept werd. De man nam een druipend stapeltje vellen brij van het vilt en legde het onder de houten pers. Krachtig duwend schroefde hij de pers vast. Het vocht liep er in straaltjes uit. Daarop haalde hij de pers weer op en nam de stapel eraf. Handig trok hij blad voor blad los en hing deze over ·de droogdraden. « 's Zomers als het goed warm is waren de bladen soms in twee dagen droog, 's winters kon het wel drie weken duren. Zo werd in de middeleeuwen papier gemaakt. Blaadje voor blaadje. Er was geen leerplicht, er werd niet gelezen, er werd ook bijna niet geschreven, er was ... ja, waarvoor had men toen eigenlijk veel papier nodig ? Wat zou. echter onze wereld nu zonder papier zijn? De onverzadigbare behoefte heeft daartoe wondermachines geschapen. In onze Geschiedenis van Linkebeek (1957) hebben we gezien dat na de uitvinding van de drukkunst een grote vraag naar papier oprees en er weldra, veel vroeger dan Pirenne het meent (in 1550), papiermolens kwamen op de beken en riviertjes, vooral ten zuiden van Brussel. In elk geval moeten er reeds geweest zijn in het begin van de 15e eeuw. Omstreeks 1440 hadden « Gielijs wijf van den Plast ende Rummen die papiermoldere gruen houdt in Sonien gebost» (RK. 12546). « Willem den papiermolder » werd in 1459 gestraft omdat hij bevonden was met een « vlandereele ». (RK. 12775), in 1491 << Clemendt de pampiermaker » die door vorsters Jan van Oodenage en Danneel van Halle bekeurd werd (RK. 12547); in 1496, Jan Paleydt pampiermaker, door vorster Jan den Sot bekeurd omdat hij «eender vrouwen gesmeten hadde op Soenien » (RK 12547); in 1560 werd Willeken de « papier moelder >> beboet omdat hij was «hebbende eene vlandereel >>. Op onze Molenbeek - ze is ernaar geheten - ontbrak het ook niet aan molens, zoals we trouwens reeds konden vaststellen, Laureis de Ridder bezat alhier een papiermolen toen hij in 1562 huwde met Anna sRidders (de Ridder) (G. 6638, f 0 99). In een akte van verkoop., in 1705, van « Lowies de Haes, innegesetene tot Rode, pampiermaker van sijnen sûele » kunnen we vast· stellen dat de toenmalige papiermolens zeer kleine bedrijven waren en geen vergelijking kunnen doorstaan met onze moderne fabrieken. Het waren familiebedrijven~ samengaande met landbouw, en grote winsten schijnen ze niet te hebhen opgeleverd. Meer dan eens moest

279


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESIUS..RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

het goed beleend of verkocht worden om de schulden te betalen. Dit was ook het geval met de Haes, « denweleken sonder scande of angst ofte in prejudicie van eenighe van sijne crediteuren, maer wel ende alleenelijek ter goeder trouwe, heeft vercocht, gecedeert, ende getransporteert, soo hij vercoopt, cedeert ende transporteert hij desen met hehoorelijcke traditie aen ende ten behoeve van Philips Feigneau borgher ende innegesetene deser stadt Brussele, alhier present, mede comparerende, ende het naerbeschereven tsijnen behoeve accepterende, dats te wetene eerst een bedde met den hoppelinck, sargie, oorcussen, ende slaep coetse, een cleerschapraye, een rechbanck, met een moellie, ende het decksel, twee paer vormen, te weten een paer cartonvormen, ende een paer papiervormen, de vellen daer men het papier mede maeckt, eenen ijseren pot met eenen ketel, ende eene maremit, alle het stroy alreeds gedorschen, ende tgene alnoch te dorschen, soo liggende in de schuere, als op de tasse, twee kisten, eene bruyne, ende eene witte, twee capmensen daermen de voddenen met capt, de graenen hesaydt op een half hunder landt, gelegen op den Nijshergh, onder Halsenherghe, een vlesschcuyp, ende een botervat, de hien met de corven, een lath met twee haelen ende eenen rooster, een koybeest, met een veirs, een deel hoenderen, ende finaelijck een · vereken en dat om ende mits de somroe van 175 guldens couranten ende loopende gelden» (G. 8288). Alles voor 175 g. ! In 1682 was er te Dworp een J oes de Haes, een papiermaker, die toen 36 jaar oud en weduwnaar was, met drie kinderen J acquemeyne 8 jaar, Lijsbeth 4 jaar, Jan 2 jaar. Buitendien had hij vier « aangehouden kinderen >> : Gillis, Anthoen, Pieter en Marie Windericlu, onderscheidenlijk 23, 21, 19 en 12 jaar oud. Hun meid was Marie de Gijnst, 22 jaar oud (G.). Op een gegeven ogenblik moet dit gezin uit Dworp weggegaan zijn en wellicht was J oes een verwante voorganger van hovengenoemde Lowies. In 1736 vinden we alhier een Hendrik van den Bossche als « papiermaecker » vermeld. Op welke molen is ons niet bekend. In 1753 worden een granmolen en twee papiermolens vermeld. In 1846, volgens een officiële telling, twee graanmolens, de Nieuwe molen aan de Gevaartvijver, en de Korenmolen in het dorp (Algoet), vier papiermolens, waarvan een op Tenbroek en een te Zevenborren.

Mommaert en in 1642 hoorde hij nog toe aan ZIJn dochter. In een « heleideboek » van de schepenen van dat jaar leest men : « ~Opwaerts in de heecke heneden den pampier molen ·van jonckvrouw Mommaert bevonden in de Mailheke eene slippe belettende den cours van den waetere, is geordonneert dat deselve sal worden doorgesteecken » (G. 8405). Een boomgaard te Terroeuien heette lang «de Mommaertsbogaert ». . Drukker Mommaert had geen zonen. Zijn dochter Barbara huwde met drukker Sr. Hendrik Fricx «wonende tot Brussele ». Hun zoon volgde hen later op : «Sr. Eugenius Fricx den jongen, so0:e Sr. Hendrick Fricx ende van wijlen Barhara Mommaert ».

PAPIERFABRIEK DE MEURS De papiermolen de Meurs is denkelijk de oudste, maar wannneer hij opgericht werd is niet bekend. In 1562 hoorde hij toe aan Jan Danoot, die hem toen overliet aan « Govaert ende Hendrick Boone :., nl, « eenen pampiennolen metten huysingen gelegen aen de muelenherehstrate » (G. 6638, f 0 92) .. Daarna werd hij eigendom van de reeds vernoemde hoek.<lrukker

280

Gedeelte van de papierfabriek de Meurs, thans « du Pont de la Warche».

In 1664 werd een gedeelte van hun goederen, mitsgaders de molen beschreven als volgt : « eenen pampier molen metten huysingen daerop staende ende sijne toebehoorten in der grootte, vueghen ende manieren gelijck die gelegen is in de prochie van Rode tusschen de goeden der erfgennemen Dieriek van Hoylaert in d'een seyde ende de goeden Huybrecht van der Straeten, in d'andere commende met eenen eynde aen den Molenherch straete op den commer van... schellingen drije penningen Lovens ende twee kapuinen aen den heere van Halsenberch »..• (G. 8286). Evenmin als zijn schoonvader, dreef Fricx de molen zelf. Heel de doening, 2% groot, was in 1664, waarschijnlijk reeds lang, verhuurd aan «Jan de Nayer den jonghen, groupapier maecker », voor 128 gulden 's jaars. Er werd op die molen dus een gemene papiersoort,

281


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

wellicht hom- en pakpapier, gemaakt. Jan de Nayer was tevens landbouwer. Hij had toen 3 paarden, 4 koeien en 3. kalveren. Zijn gezin bestond uit 6 paasplichtigen. De molen is ook vermeld in 1746 in een akte waar er sprake is van « Toussaint W autier jongman ende werckman in den papiermolen van d'Reer Fricx tot Rode» (W.). Buiten de « pampier molen te Rode metten huyse daerop staende gelegen tusschen de goeden der erfgen. Dieriek van Hoeylaert » (G. 8286) bezat de familie Fricx-Mommaert in 1664 te Brussel een huis gelegen op de « Plattensteen naest den huyse geh. den Ketel ter eenre, de de vuylheke ten andere >>. Bij de papiermolen lag een beemd die in 1741 «den kerckenvorrel hiJ den pampiermolen » heette ( G.). In 1757 werden Hollandse werklieden in de papierfabriek van Fricx te werk gesteld. Ze woonden hier met vrouw. en kinderen. Het waren protestanten en pastoor Fenain vreesde dat ze de kinderen van de parochie met hun leer zouden besmetten. Hij sprak er met Fricx over, die ( quod proles Parochianorum per proles haereticum corrum· pi possent) meende dat hun aanwezigheid niet in strijd was met 's lands wetten en dat er trouwens zulke mensen ook te werk gesteld. waren in de papierfabrieken van Terhulpen en van Woluwe (A.A.). Drie generaties lang bleef de molen in het bezit van de familie Fricx. Georgius, de laatste, had geen mannelijke afstammelingen. Een dochter huwde met een de Meurs en in 1790 kocht Karolus de Meurs van Cecilia J osepha en J oanna Marie de Meurs, << beyde testamen· taire erfgenaemen van Sr. Georgius Fricx en Maria Joanna Landas ... den pampiermolen, roerende en onroerende wercken, de nieuwe huysinge, huyskens ende voordere hatimenten aer op staende, de wateringen, landen, hoven ende weyden daer aen wesende als namentlijck de groote weyde, een hlocksken stuyckende tegens het kerckenvorrel mede oock tegen het veldt genaemt het Winckelken (hoekje) paelende n. met de halve heke tegens de kerckegoederen van Alsenherg tot tegens de casseyde, o. met de geheele dreve ende heke tegens de casseyde »... De Mommaerts' en Fricx, verwierven een zekere bekendheid. In de Biographie Nationale, deel 15, hl. 88, staat over hem een levens· bericht. In 1838 werd in de papierfabriek van de weduwe Ferdinand de Meurs de nieuwe drijfkracht ingevoerd, bestaande in een stoomketel van 15 pk. op 3 atmosfeer. In 184 wordt hij vervangen door een ander van 25 pk. In 1858 vraagt en bek01nt dezelfde firma de toelating tot uitbreiding met de volgende hedrijfstoestellen « buit piles, une machine continue, deux machines à vapeur, deu.x chaudières, quatre tubes chauffeurs». Die toestellen moeten 18 m. van de straat, 45 m. van de huizen, 2 m. van de bouwlanden staan; de keteldruk bedroeg 4 atm., de grootste stoommachine ontwikkelde 35 pk., de kleinste 5.

Geregeld werd aldus de driJfkracht der machines opgevoerd. Jules de Meurs plaatste in 1871 een nieuwe ketel van 60 pk., de firma Demeurs Frères et Sreurs liet in 1887 al de ketels vervangen door de volgende vier : 1 van 90 pk., 1 van 40, 1 van 17 en 1 van 5, waaraan in 1893 twee stoomketels Bollinckx werden toegevoegd, onderscheidenlijk 250 en 20 pk. De gebouwen volgden natuurlijk. I~ 1896 werden belangrijke gehouwen opgetrokken. Een « réchauffeur systême Green» met 144 huizen werd in ·1897 geplaatst. Een ander gebouw werd in 1902 over de overwelfde heek opgericht. Omstreeks 1840 omvatten de goederen van de familie de Meurs (wed. Ferdinand de Meurs en kinderen) 55 percelen, samen groot 55, 13.49 ha. De papiermolen stond op Wijk C 529 a en was 6,30 a. groot, het pakhuis nr 525 en 1 a. 20 ca. groot. Over een gedeelte van die goederen, een groot dagwand beemd << den kerckenvorrel » was een geschil gerezen tussen de pastoor en Louis Fremau, als kerkmeester, en Carolus J osephus de Meurs, archier van de edele lijfwacht van Z.M. Het eindigde in 1793 met een minne· lijke schikking (A.A.). Tot in 1922 bleef men bij de Meurs de oude methode, nl. het geschept papier maken, o.m. voor het zegel en formaatpapier. Eens te meer moest het oude voor het nieuwe wijken; het was niet meer lonend. Van in 1790 had de familie de Meurs met toenemende voor· spoed haar fabrieken, de grootste nijverheid van de gemeente, beheerd tot in 1933, toen de hele instelling overging in handen van de N.V. der Papierfabrieken van la Warche, Malmedy. Het bedrijf verschaft werk aan hij de 300 werknemers.

282

WEVERIJ VAN HAM

In 1912 werd ter plaatse « de Beemd », in een natte weide die oudtijds eigendom was van het Rode klooster te Oudergem, door de firma van Ham Frères van Eigenbrakel een weverij opgericht, omdat ze te Eigenbrakel te moeilijk het nodige personeel vonden, wegens de sterke geboortevermindering aldaar. Dit bedrijf bezorgde omstreeks 1950 werk aan een goede 100 werknemers. Gemiddeld werd er per Jaar 35.000 kg. garen verwerkt. De fabrieksgebouwen staan gedeeltelijk op Rode en Alsemberg. KAREELBAKKERIJEN

In onze kleiachtige streek zijn steeds steenbakkerijen geweest. In 1859 vroeg J aak van Keerberghen, landbouwer, vergunning om kareel te bakken, maar doordat hij de vereiste vergoeding niet wilde " 283


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESIUS..RODE

dergelijke vergunning in 1860 op Tenbroek. Datzèlfde jaar ook betalen, werd ze hem geweigerd, De weduwe van ·der Haeghen vroeg Pieter Willekens in de Hoek, wijk B, 92 a. Ook de weduwe Frans Oscé op het Kerkeveld wijk C 708. Koster Martinus de Coster liet in 1861 steen bakken op zijn eigendom gelegen in de Rollebaan wijk C 745 a en 747. . Als oude plaatsen waar haksteen gemaakt werd vindt men, in de 17 6 eeuw « tK.arreel velt... ende de straet tot over die nieuwe straete » (KA 15576); in 1746 : «het Correelblock » (WR); het kareelbos, en de kareel, denkelijk bij Zevenborren.

WINDMOLENS De windmolens zouden in onze streken ingevoerd geworden zijn door de kruisvaarders, zo wordt algemeen aangenomen. De oudste door Pirenne vermelde windmolen in de Nederlanden is van het jaar 1246. Miraeus kent er nog een oudere in een charter van Filips van de Elzas, uit 1183, waarin spraak is van een « molendinurn quo vento movetur » een molen door de wind bewogen. Te oordelen naar oude plaatsnamen; .. 1532: « aen de Molenherch strate » (KA), 1664: aen den Molenborch straete » (G), 1781 : «in de Meulenhergh straete gaende van Termeulen _naer de kercke op het klijn lngendaelveldeke » (G.)., zou er aldaar een windmolen gestaan hebben. Een molenberg is immers een hoogte waarop een molen gebouwd is (Van Dale) . Die windmolen kan reeds vóór ·1532 verdwenen zijn vennits nog alleen de grondverhevenheid bestond waarop hij gebouwd was. De kerk van Alsemberg bezat ook een heuveltje, « den Droogen Lochtinge >>, gelegen hij lngendale. Ze hield het in cijns van de kastelein van Brussel. Misschien wordt daarmee wel de molenberg bedoeld. In gans de streek tussen Zenne en Zoniën zijn een paar molens bekend. Die van Beersel in de 176 eeuw, welke slechts een kort hestaan kende, en die te Rode op het Gehucht. Niet zeer ver van hier, te Mont-Saint-J ean (Waterloo op de hoek van de Waterloosesteenweg en de Mechelsesteenweg (wijk B 423 en 424) heeft er ook één enkele jaren gedraaid. De oprichting werd vergund hij een oktrooi van 21·4-1777 aan J.-B. Minne, op last van 10 mudde koren. Een afbeelding ervan staat in Georges Barral, « Itinéraires illustrés de !'Epoque de Waterloo», Parijs, 1896. Op hoogtepunt 110, aan de Molenweg, wijk E. 503,504, oudtijds «de Lange Laije » (1775), bestond er van 1867 tot 1924 een wind· molen van het gewoon houten model. Hij bezat drie koppel stenen en een pletmolen voor haver (geplette haver heet men hier «zwijnaard»), alsmed~ een stalen wiek van 24 meter lengte. In evenge•

=

284

De windmolen de Haspe op het Gehucht. (Tekening Dolf Theys)

285


HET EKONOMISCH LEVEN

GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESIUS.RODE

noemd jaar 1867 werd hij door Louis de Haspe te 's Gravenbrakel aangekocht, waar hij in 1831 gebouwd geworden was, en te Rode wederopgericht. Louis de Haspe bleef op zijn molen tot hij zijn overlijden in 1905 en werd opgevolgd door zijn zoon Thomas, tot in 1924. Dat jaar deed deze de tnolen van de hand omdat het bedrijf niet meer lonend was, en hovendien omdat hij wegens de huizen die in de omtrek hijgebouwd werden, vrij onregelmatig werkte. In 1888 reeds had Louis de Haspe trouwens vergunning gevraagd om een stoomketel van 4 atmosfeer te plaatsen. De ntolen werd verkocht voor 7.000 fr. aan een molenaar van Westouter ter vervanging van een andere die aldaar door de oorlog verwoest was geworden. Jules Lievens uit Langemark kwam hem uiteennemen en liet hem per spoor vervoeren. Een gedeelte van het houtwerk bleef hier. De wederoprichting te Westouter kostte hovendien nog 42.000 ·fr. Een lichte verhevenheid en vier blokken blauwe arduin, de straatnaam « Molenweg » waar hij een halve eeuw « met zijn grijze kap en vier rode wieken» het landschap beheerste, herinneren alleen nog aan zijn hetrekkelijk kort hestaan en spijtig verscheiden. In 1953 liet de kleinzoon van Louis de Haspe, Emiel, een kleine houten windmolen als versiering in de tuin en als herinnering aan de verdwenen molen oprichten. BEZE~:IBINDERIJ.

Evenals de inwoners van Bosvoorde, Mazenzele en Lommel (L.), heten die van Ro in de folklore <<de Bezembinders». EigeyJ.lijk zou het moeten zijn « Bezemmaker? », want het woord « bezemhinder » komt men in de oude stukken nergens tegen. Deze benaming hebhen ze - althans die van Ro - te danken of te wijten aan een van hun voornaamste vroegere takken van bedrijvigheid, nl. het maken van brem· en herkehezents. Het was een zeer nuttig en hygiënisch bedrijf. Ze zorgden voor de properheid van huis en stal, dorp en stad. Brussel was een belangrijke afnemer. Dit werd evenwel niet steeds ten volle gewaardeerd, wellicht doordat het doorgaans arme mensen waren die er zich mee bezig.. hielden. Bij de dikke Paretter5 van Beersel, onder meer, stond dat niet hoog aangeschreven: tijdens een twist, in 1747, in de herberg het Rood Kruis. op de Laarheide te Beersel, over het toenmalige dorpshestuur aldaar, zei iemand, dat « de regeerders heter souden doen naer Roo gaen leeren hessemen maecken » (ESB, 1953, hl. 220). Voelt ge de schamp ? Het was nochtans een oud en eerbiedwaardig bedrijf, want reeds in 1403 waren we leveranciers van het Hof! In een rekening van de Rekenkamer, nr. 4162, staat het volgende: « Janne Boddaerds 28.6

)

gegeven van hessemen ·die hi gelevert heet opt Hof mit sinen kerrè (aan) den poertier tusschen Sente Jans 1403 ende 1404 »... · Enkele bezembindersgezinnen uit die verre tijd zijn bekend. In 1405 hadden de volgende personen vergunning om herkenrijs in Zoniën te snijden : Lijsen Gollekens, Lisen sDroeven, Reinier van den Broeke, Jan Paloke, Hannen Wijt (met eenen messe), Lisen Broechoens, Marien Herts, Jan den Piper, Hannen Molkeman, Jan · den Backer, Thijs Ciaterbosch (vermoedelijk een voorzaat van de familie Clahots), in 1410 NeeJen Plattehorse, in 1419 Katarina Everaerts « Willem Miebiels wive », die oorlof had « hessemen te sniden een jaer lanck >> (RK. 12544). In 1533 had Jan de Munter Claes de hessemaker met een stok geslagen (R.K. 125~9, 309 fo 214 V 0 ) . Zeer veel vindt men verder in de oorkonden over de bezembinders niet. Immers, de mensen hielden daarover geen aantekeningen en het mag voor de geschiedenis bijna een gelukkig feit heten dat de bezemmakers soms al iets mispeuterden en het gerecht het boekstaafde, zodat het voor onze nieuwsgierigheid bewaard bleef. Er wordt wel eens gemeend dat hossen en kanten vroeger zo min of meer allemans goed waren en men er kon kappen en snijden wat men nodig had of dacht nodig te hebben. Dit blijkt helemaal anders te zijn. Trouwens, hout was voorheen een kosthaar goed. Men had er veel nodig voor het optimmeren van huizen, voor het alaam en vooral voor verwarming in de open haarden. Ook voor de ijzernijverheid had men grote hoeveelheden houtskool nodig. Het bezemhinden was, zoals we zeiden, het bedrijf van schamele lieden die het herkenrijs gingen snijden waar het groeide, natuurlijk op andermans goed. Dit snijden van rijs geschiedde vaak niet zonder veel ruzie en baldadigheid. Ruzie met de eigenaars der hossen, wie:r bomen soms deerlijk gehavend werden, ruzie ook om wille van het stelen van brandhout hij die gelegenheid. Ruzie vooral van de balsturige bezembinders ondereen, die uit schraap· zucht, ieder voor zich zelf, zoveel mogelijk brandstof trachtten in te palmen. Om al deze moeilijkheden te voorkomen, moest de over· heid ingrijpen. Zo verscheen in 1571 het Plakkaat op de bezem.. binders. Deze mogen rijs snijden zonder nochtans de stnrlk of het opgaande hout af te rukken. Ze moeten, om rijs te snijden, de schriftelijke toelating van de eigenaar van het hos bezitten. De toelating vermeldt de tijd waarin ze mogen snijden. Zij moeten ze steeds bij zich hebhen en het vertonen aan de hos- of veldwachters die erom vragen. Wie met bezems leurde en geen biljet kon vertonen, werd de waar afgenomen. De eerste maal werd hij beboet, een tweede maal gegeseld en de derde maal uit .het land gebannen. Tot eer van de Rodenaren moeten we er al dadelijk hijvoegen dat we in de stukken slechts één geval van « geesselinge » aantreffen, nl. van de vrouw van « Aert de Belser die zich had vervoordart

287


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

hessemen te snijden in het jonck hout te weten in ·de Walen laye gelegen hij de Lange Laye » (hij Zevenhorren). Men mocht maar ten hoogste ntet tweeën berk snijden en noch houwmes noch bijl hij zich hebben, om geen brandhout te stelen, en geen weimes (jachtmes) om niet te stropen. Ze moch~~n o?k niet meer berk snijden dan ze dragen konden en het riJS ntet voeren maar 1noeten het dragen (Paul Lindemans, ESB, 1948, hl. 440). Alhier waren de bezemmakers vooral aangewezen op Zoniënhos. VolO'ens het Keurhoek ·« vermach niemant hessem rijs te snijden 0 oft te maecken dan ter plaetse ende quartieren daer den Woutmeester sulckx sal toelaten op verbeurte van gearresteert te worden». In de nteiersrekeningen van 1575 lezen we dat een « Peeter de Besserumaker gruen herkenhout gesneden had op de hosschen van J ouffr. Marie van Meerheke en des warrantmeesters hosschen ». Dit kostte hem een boete van 6 stuiver (RK. 12777). In 1683 werden Jan Machleis er{ zijn vrouw door officier Thomas V oets « gecalengiert » of bekeurd wegens het snijden van « herekenrijs op . den hosch gen. de Schoonheuékheyde » (aan de Processieweg te Alse:mherg) - (G. 8257). In 1699 werd Alhert de Wandeleer beboet v~or het «-cappen van beasemrijs in den );,osch van heere CannoniCk Knopf » (aan de Zevengatenstraat). In 1757 werden Berten Daniel van Rode en twee anderen hetrapt op het snijden van herkenrijs op het Euperken te Zevenhorren. Ze werden veróordeeld tot de zware boete van 16 gulden (WR nr. 364). In 1664 waren er 17 bezemmakers waaronder 7 aangetekend als «arm». Voortdurend werd vastgesteld dat « mans, vrouwen- ende kinderen in groot getal hun vervoirderen op den hosch van Sonien hessemen te maecken, doende daerinne onspreckelijcke schaede, door dyen sij differentelijek over al gaen sonder distinctie van plaetsen ende dickwils afcappen de nieuwe spruyten ende de toppen van de jonghe hercke hoornen, al soo wel als de sijde rancxkens, sulckx dat al in struycken hekeert wordt, allencxkens van de heeste afgeten ende te nyet gaet »... Artikel 69 van het Keurhoek werd dan aangevuld met de bepaling dat « Item soo wie bevonden worde hessem• rys snijdende ofte gesneden hebbende in de hosschen souder dat te hebhen gehuert tegen den Wantmeester tot sekeren genoempden plaetsen ende cingelen {een bepaald gebied van het bos), alsoo die brieven die men daerop sal verleenen verciceren sullen, die sonde verbeuren 15 Rijnsguldens ende daeren hoven voor den callengierder 3 Rijnsguldens De boswachter die iemand hetrapte en. bekeurde trok dus 3 guldens. Dit waren voor de tijd vrij belangrijke bedragen (WR nr. 438). In 1717 werd aan Hendrik Miebiels dergelijke brief afgeleverd: « Die Woutmeester van Brabant eonsenteert aen Hendrick Miebiels

HET EKONOMISCH LEVEN

te moghen snijden bessem rijs op Sonie ende dat met een mes voor den tijdt van een jaar beginnende Bamisse (I oktober 1717) op de ge designeerde houwen », ondertekend P. Lorenzo del Marmol. Tussen 1784 en 1794 waren er te Rode 40 .hez.emhinder.s. houder van een « hessemhrief » of vergunning om bezemrijs in Zoniënhos te kappen. Daarvoor hetaalden ze jaarlijks 4 gulden. Hierna volgen hun namen : Jan Swaelens, Francis de Le.euw, Weduwe Wielemans, Hendrik Machiels, Hendrik Mosselmans, Pieter van der Poorten, Weduwe Bertel ·Daneel, Pieter Swaelens, Gillis Hannaert, Hendrik Daneels, Jan Swalens, Hendrik Wielemans, Gillis Swaelens, Miehiel Machiels, Laureis Swalens, Gi1lis van der Poorten, Jan Machiels, Sehastiaan Meerts, Geraard Swaelens, Gillis Loux, .Francis· Swaelens, Jan de Wit, Jan Swalens, J .-B. Machiels, Miehiel Swaelens, Dominicus Zuniga, Jan Mosselmans, Weduwe Andries Michiels, Gillis van den Plas, Jan Swalus, Hendrik Hannaert, Hendrik Lou_x, Weduwe Jan de Waghe, Miehiel Boon, Sebastiaan Machiels, Jan Wielemans, Antoon Swalus, J .-B. de W aegh, Pieter Verpoorten, de weduwe van den ouden Hendrik Michiels, Magdalena van den Plassche, Kornelis Stevens, Marianne Machiels, Sehastiaan Wijns, J oannes de Winckeleer, Gahriel Hannaert, Machiel Testaert. Zoals men ziet was het toen een tamelijk belangrijke nijverheid waarmee + 200 inwoners de kost verdienden. Een magere kost toch want Pastoor van Achter schreef dat « het meestendeel sijn arm~ menschen, hesem-makers, die den pastoor dickwils moet almoesen geven» (WR nr. 117). Uit een soort van volkstelling, in 1642 door de schepenen van Rode opgemaakt, blijkt dit voldoende : « Laureys Boon... hessemmaecker... levende op den armen... bezit een hutte in eygendom op een baH dagwant; Hendrick de Greve hessemmaecker ..• levende op den arme... hesit een hut in eygendom ... heeft twee koeien; Jacques de Munter bessemmaecker hesit in eygendom eene hutte; Nicolaes de Munter hessemmaecker levende op den arme hesit een huysken in eygendom op een dagwant, houdt een kalf; Laureys de Munter hessemmaecker... levende op den arme... hesit in eygendom eene hutte op een half dagw.; Pieter de Munter hessemmaecker en levende op den arme... een cleyn hutteken hij (door) hem gestelt souder o:rdre op sheeren straete... 2 royen... paelende rontsomme aen sheeren straete ». Hij had dus op de straat, misschien waar deze wat breder uitviel, een hut gebouwd zonder toelating; « Guilliam de Winckeleer hessem.maecker hesit in eygendom eene hutte op een half dagw.; Steven Swalens bessemmaecker••. levende op den arme hesit in huer een gerinneert huys toebehoorende de erfgennemen van Matheus Claes.... Hendrik Wets hessemmaecker ende levende op den anne hesit een butteken in huer van de wed. Peeter Wets sijnen vader was, op een half dagwand.» .,.

)

»...

288

10:

28.9


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

BET EKONOMISCH .LEVEN

In een proces van de woudmeester in 1760 trad als getuige op « Jan Miebiels sone Hendrik bessem maecker » (WR 503). In 1623 werd hij een hosvisitatie vastgesteld dat het <<snijden van hessemrijs waermede den jonghen houw op sommighe plaetsen teenemael wordt geraseert... in den houw van Ste Annen werd bevonden groote schade in het snijden van. het beasemrijs . ende banden voer den mutsaert ... de schade was schriekelijek om sien »... (P.O. 4848). Op 9 november 1778 waren twee inwoners van Rode Jan de ~it « getrout met een seker Rens >>, en Gabriel Beaugign~n in de JOnge houw van Kortenbos, tussen de Kleine Hut en de Middelhut bezig « hercke grondtplantsoen » te snijden en bezems te maken: Toen ze hun vracht hadden, waren ze « gaen sitten in eenen hoechel geptst ende hadden ze hunnen pijpen aangestoken >>. Op dat ogenblik werden ze « hesprongen » door boswachter Pieter de Villers en convooisoldaat Ftancis Berty. De bezemmakers zetten het op een lopen, achtervolgd door de boswachters. « Loopt niet de Wit, ick kenne u genoegh, ende sal u wel crijghen » riep de Villers. Hel gestolen hout werd in twee bussels gedragen « ten huyse van J oseph Cavaen op St. Huyhrechtshutte (Kleine Hut) ». In elke bussel waren ongeveer 500 twijgen. Zo klonk het relaas van de wachters, maar toen de Wit ged·aagd werd, kwamen drie getuigen, Hendrik Hannaert, 30 jaar, Gillis Danneels, 25 jaar en Gillis van der Pooten, 23 jaar oud, allen werklieden hij Guilliam Steps, pachter van het Hof te Boesdaal, onder eed verklaren dat de Wit op de gemelde dag samen met hen bi.i de pachter gewerkt had van 6 uur 's morgens tot 7 uur 's avonds, en samen hun «kant» (boterham) gegeten hadden! ... Ten huize van de Wit werd huiszoeking gedaan en zijn vrouw werd bekeurd om groene husselen « hessem stocken gevracht » te hebben. Ze beweerde dat deze gevracht werden door Laureis Swalus bij wie ook «groen bessem stocken » gevonden werden (WR nr. 523): Op een schone morgen van het jaar 1781 was Belheriene de huisvrouw van Hendrik Loeckx vroeg opgestaan en had ze 'een zware vracht bezems op het boofd gezet om deze te Brussel aan de man te brengen. In die dagen werd veel hout in Zoniën gestolen en de vorsters hadden hevel gekregen een scherp toezicht te houden op al wie op enige wijze handel in hout dreef. Op « de easseyde outrent Stalle (Ukkel) » kwamen twee vorsters « haer te gemoet draeghende op haer hooft eenen hussel bessemen in den weleken gebonden waren drij groen versch gecapte hessemstoeken van wit perselaeren houdt onder welcke groene stocken oock was eenen stock van eenen jongen espenboom waeraen de bloyende schorsen noch waren hangende :.. . . Op de vraag waar dat hout vandaan kwam, trok ze « uyt haeren sack eene quittantie over gecoebt hout :.. Het stuk dagtekende echter nit 1774 en de vorsters oordeelden, dat

hout dat zeven jaren geleden gekapt was « niet meer en conde groen nochte bloyende wesen »... Twee van de « gemelde hessèmstocken werden in arrest genomen ende gesequestreert in de herberge de Roose tot Stalle». Toen Belheriene 's avonds thuis kwam vertelde ze natuurlijk haar wedervaren aan haar man en deze wachtte niet om verweermaatregelen te nemen. Hij trok naar het << dorp » bij Francis van Keerherghen, achter de kerk, om er << eenige .pesselaere latten staende op de kievels ofte clijn .trunckboomen van sijnen hof » te kopen. De hoswachters visten echter weldra uit dat die koop na de « calengie » geschied was en van Keerberghen dierf de eed niet doen dat de in heslag genomen stokken van het hij hem gekocht hout voortkwamen. Bovendien werd ten huize van Loeckx afval van de kwestige stokken ontdekt ! Hij. gaf zich echtér nog niet gewonnen en loochende maar alles. Zelfs dat zijn vrouw te Stalle betrapt werd door de drie officieren van het hos., en dat die quittan· ties zo oud waren, wel dat kon zijn vrouw toch niet weten, vermits ze noch lezen noch schrijven kon ... Een heel proces voor twee bezemstelen en een vrou~ die, hoogst waarschijnlijk op blokken, zo wat 13 km te voet aflegt met een zware en ongemakkelijke vracht op haar hoofd, zonder de even lange terugreis te rekenen, wellicht met aangekochte waren op haar hoofd (WR nr. 522). Jan Machiels, bezemmaker en stoelmaker, in de wandeling genoemd « Pattar », 48 jaar oud, had op zondag 28.7.1784, in dronken to~~tand, samen met zijn zoon Jan, 22 jaar, de vorsters beledigd. HIJ werd veroordeeld om << gecoloqueert te worden in het Brabandts heterhuys bij Vilvoorden voor eenen termijn van vier volgende jaeren » (WR. 361). Datzelfde jaar nog zat ook de zoon gevangen oP. d~ Hal~epoort (toen gevangenis) wegens « excessen ». Gelet op ZIJn Jonge Jaren en de «duur deszelfs detentie» werd hij losgelaten mits betaJ.iÏJ.g van de kosten (WR nr. 361). Voor « het binden van hessemen » gebruikte men ook « stocken haeselaere hout ». In 1790 werden drie bezemmakers betrapt op het stelen van dergelijk hout in Zoniën. Bij iemand van hen vond men 152 dergelijke stokken, bij de 2de 80 en hij de 3do twee busselen. Deze laatste had ze in de .grond verstopt «op een plaets onder den drup » van het dak van zijn huis (WR nr. 365). Alles wat vroeger ter markt gebracht werd was streng gereulementeerd. Ook de verkoop van bezems, zoals blijkt uit de volge~de t~~st nit het a~chief van het Woudrecht in 1789 : ... « sigh op diJnsdagh van SlllXen van den voorleden jaer hegeven heeft met den soldaet Peeter van der Linden aen de Lovenscha poorte (te Brussel), om aldaer te vigileren op. de bessemmaeckers, die eonder billet met hessemen souden ter merckt eomen ».•• Verder bepaalde artikel 69 van het Keurhoek dat men de bezems niet mocht « ter markt dragen voor een ander maer sullen ...

290

291


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

gehouden wesen die selver te draeghen, vergeselschapt van eenen helper»... . . In 1789 vinden we als « hessentemaeckers van st1ele >> Francis Swalens, 25 jaar oud, en J .-B. Machiels; 26 jaar << ~n . sijnen huyse uegaen sijnde om sijne pijpe te outsteeken », en Gillis Louckx en Jan Swalens, in de wandeling genoemd Jan Poeper ... In 1938 staat er geen bezemhinder van beroep meer vermeld in de bevolkingsregisters. Bezemen werden nog gemaakt als hijverdienste in de winter en in kwade tijden. Tijdens de laatste oorlog werden er nog gemaakt, de laatste, onder meer door Tutke, eigenlijk Guillam Hannaert geboren 2.6.1857, gehuwd met Anna Maria Azare en wonende in de Krommeweg. Hij was eigenlijk een « plekker » of stukadoor. Het was een type. Steeds opgeruimd, was hij voortdurend aan het neuriën. « Mijn lijf steekt vol liedekens », zei hij, natuurlijk vooral als hij een glas gedronken had. Niet dat hij overdreef. Als lid en vooraanstaande << tenor » van de Zangvereniging « De Jagers van 't Gebergte » of liever van « Les Chasseurs de la Mon. . tagne », hoewel Tutke geen woord Frans kende, zong hij met over:tuiging de hoogdravende meerste1nmige Franse « chreurs ».

HET EKONONOSCH LEVEN

).

Een greepje bibliografie over de bezembinderij : Dr. j. Weyns, « Bezemhinderij te Bosvoorde >>, in Bulletin des Musées Royaux d'Art et d'Histoire, IVe reeks, jg. 23 (1951), hl. 68-79, 6 illustraties. Inleiding over de bezem in het volksleven, korte historiek der bezemhinderij te B., beschrijving der hindtechniek, kennismaking met de vroegere vastenavondpop der « Bez~mmakers ». In «Appeltjes van het Meetjesland», 1949, spreekt G. de. Smet, de bezembinders Kleit, en M. Steel over een Lied der hezemhmders. TAARTJESMAKERIJ. Het is werkelijk treffend hoe snel, hoewel haast on?pgemer~t, de dingen rondom ons van gedaante veranderen of verdWIJnen. ZIJn er, bijvoorbeeld, thans nog veel mensen die weten wat een petroleumlamp is of die er een gedachte van hebhen hoe onze moeders brood maakten en hakten ? Steeds ging het zo; gedurig kwamen er nieuwe vormen.

Als een laatste hulde aan de hezênunakers, dichtte Willem Savenheru voor hen het « Liedje van de Bezemhinder », waarvoor Broeder Cassiaan van het Scheppersgesticht de muziek componeerde.

Het bezembindertie van Ro Voegt immer ijverig en vro Het sterk en buigzaam berkenrijs En zingt daarbij een blije wijs. En wat hij biedt zijn trouwe klant Is werk van eigen en van vaardig hand Dat best voldoet de zwaarste eis Daarom fluit hij zo luid zijn wijs. En als hij 't zuur gewonnen geld In vrouwtjes lieve handen telt Dan is haar kus zijn hoogste prijs En diepgelukkig klinkt zijn wijs. Refrein: Al ben ik maar een bezembinder Ik moet voor niemand onderdoen En mijn verdiensten zijn niet minder: Een bezem heeft elkeen vandoen Want ieder heeft zijn deel te vegen tt Zij rijk of arm, 't zij groot of klein Opdat de straten en de stegen Almn steeds zuiver zouden zijn. 292

Het lijkt nochtans, dat tijdens de laatste vijftig jaar, gebruiken en specialiteiten verdwenen die eeuwenlang stand hielden. Onder de invloed van pers, kinema, radio, televisie wordt alles gelijkgeschakeld, genormaliseerd en vooral gehanaliseerd. Alles wordt in serie gemaakt; overal vindt men dezeHde produkten, terwijl het eigene en schilderachtige van elke streek teloorgaat. Ongetwijfeld hebhen eensdeels verfijning van smaak en ander· deels de toepassingen van gas en electriciteit, van stoom- en benzine· drijfkracht, met hun gevolgen voor levenswijze, vervoer en verkeer, vooral dit laatste, een grote ommekeer teweeggebracht. Vroeger, immers, behield elke streek gemakkelijker haar eigen aard en karakter, haar eigen voortbrengselen., cloordat snelle gemeenschaps.. middelen ontbraken.. 1o

293


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

Sommige steden en zelfs dorpen hebben evenwel nu nog een specialiteit in het hakkers· of banketbakkersvak. Dit geldt vooral voor hekende bedevaart· en marktplaatsen. Wie kent er hijvoorbeeld niet de pepernoten of boerelenen van Scherpenheuvel, de kranskens van IIalle, de Lierse vlaaikeus enz. ? Ook onze gemeente, ofschoon geen bedevaart· of marktplaats, had haar eigen specialiteit, nl. haar taartjes. Vóór het verdwijnen van de laatste taartjesvrouwen, hadden we de gelegenheid om daar· over, uit hun mond zelf, een en ander op te tekenen en voor algehele vergetelheid te behoeden. De thans volkomen verdwenen taartjesnijverheid te Rode is zeer oud. De oudste baksters zeiden ons dat hun overgrootouders het bedrijf reeds ,uitoefenden en de geschiedenis wijst trouwens op een overoud hestaan (M.-J. van den Weghe, Hallensia, 1937, hl· 74-84). In een « Liedeken van den straetcoophandel van Halle » van vóór 1775 luidt het :

HET EKONOMISCH LEVEN

te bekomen, zodat het niet moest << opkonten » en dadelijk met het maken van de taartjes kon begonnen worden. Van het deeg werden stukjes, « pollekene » genaamd, afgenomen en met de hand gerold tot de dikte van een klein kippenei. Die pollekens werden vervolgens met een houten roller zeer dun open· gerold. Dan kwamen de moeilijkste bewerking het vormen van de opstaande rand. Dit geschiedde met de toppen der vingeren van beide handen, terwijl men het lapje deeg deed ronddraaie:q.. Wanneer dan tafels, banken en planken met die schaaltjes volgelegd waren, werden deze gevuld met «spijs », bereid met gedroogde pruimen en gedroogde appelschijven, de zogenoemde « begijnoren ».

... En daar zat Een boerin op haer gat; Zoudij geen Roosche taerten, Pruymtaerten of rijsttaertén coopen ? ...

De taartjesvrouwen deden er naar het schijnt goede zaken. Zowel de Hallenaren als de markt- en heiligdombezoekers bleken op die snuisterij verzot. Voor niets ter wereld ook zouden die van Rode de Halse kermis gemist hebben. Hoe jamnrer, zegt een Halse schrijver, is het niet dat er geen foto's meer hestaan van deze kruiwagenkraampjes, die vlak vóór de kleine manshoge huizen van de Arkenvesten stonden. Tot omstreeks 1900 hielden een twintigtal ge~innen er Taartjesbereiding. zich nog met het taartjes ma\" ken bezig. · Wanneer men de omstandigheden nagaat waarin die mensen werkten, kan men niet anders dan in bewondering staan voor de moed en de noeste ijver van die dappere vrouwen. Het waren immers haast alleen vrouwen die voor het zware werk instonden. Dat taartjesbakken en verkopen was geen licht werk. In de namiddag werd de deeg « beslagen ~· uit zeer fijne bloem, met toevoeging van zout en suiker. Het deeg moest « zeer vet bewerkt :. zijn. Gist was er niet i11; ten einde een stijf en vormboudend deeg

294

Met taartjes op weg naar Brussel. (Pentekening Leo Theys)

Half en half gelijk de «tuiten» van Ro, zegt men nog. Er werden ook taartjes gevuld met de hekende rijstpap, doch veel minder. Gemiddeld waren er drievierde pruimtaartjes voor een vierde rijsttaartjes. · Inmiddels was de oven aangestoken geworden; de oven « aten ~ (heten), zegt men hier. De oven moest gloeiend heet zijn, om de taartjes rap te doen « pakken ». De ovenvloer werd dan goed zuiveropgedweild en de taartjes erin geschoven. Gemiddeld konden er 200 in en als de laatste erin gingen, mochten de eerste eruit enzovoort. Als de taartjes gebakken waren, was de oven nog bijna heet genoeg om brood te hakken. Zoals ze er uit zagen zou men gezegd hebhen dat ze ternauwernood het vuur « gezien » hadden. Dit kwam doordat er geen gist in was. Wegens hun uitzicht zegde

295


GESCIDEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

men te Halle : « Het is in de zonne gebakken, zoals de taarten van Ro ». « In de maneschijn gebakken pruimtaarten aan acht centen het koppel », schreef Dr. Em. van der Linden, van Sint-Joh, in Eigen Schoon en de Brabander, (1941). Nu waren de taartjes wel gebakken, maar ze moesten ook aan de man gebracht worden, en dat was geen kinderspel. 's Anderendaags 's morgens, te half drie, werd de kruiwagen, hespannen met een kloeke trekhond, - in 1772 telde men hier 31 honden opgepakt met de << bandelier » op het hoofd -- niet over de schouders - en berg op en berg af de richting ingeslagen van Brussel, 13 kilometer ver ! . De ..taartjes lagen in grote platte manden, ongeveer 90 cm. middelliJD en 25 cm. hoog, die op strowissen rustten om het dooreen schokken op de ongelijke w~?en en ho~~elige steenwegen enigszins te de~pen. Ze lagen ~r, spiJS tegen spiJS gekoppeld, in stapeltjes van tien. Er ware11. dne. ~erschillende grootten. Ongeveer 7, 10 en wel eens 15 cm. middelliJn. Men kan dus uitrekenen waaruit zulk een vracht taartjes op een knrlwagen bestond. Waar werden te taartjes verkocht? Weinig te Rode zelf. Het.· voornaamste en geregeld afzetgebied was Brussel, vooral op de Botermarkt, waar de verkoop te 5 uur, in de winter één uur later, begon, en soms tot I uur na de middag duurde. Gewoonlijk reden ze tot drie- viermaal per week naar Brussel. Was de verkoop huitengewoon gunstig, dan gebeurde het wel eens dat ~e die reis tweemaal op één dag ondernamen. Geen kleinigheid, 50 kilometer per dag met een kruiwagen ! Het mag herhaald worden: het waren dappere vrouwen! . E?n an?ere. verkoopplaats lag aan de kerk te Anderlecht. Op H. Dnevuldighe1dsdag stonden de << taartjesvrouwen » op de KapelleInarkt, en op Paasmaandag op de weg naar Diegem, ter gelegenheid van de grote begankenis naar Sint-Kornelis. Martjen de Brabander, in een bijdrage in Eigen Schoon, 1944, hl. 79, over. « Verloren gegane Halse gebruiken », schrijft dat « de Hal~e kernnssen steeds een ruim afzetgebied voor de vermaarde « truten ':an Ro ~ vor~de~. Van i~ de vroege morgen zette de stoet der taartJ~svrouwen ztch m bewegmg om, vooraan in de voormiddag, voor de Pinksterkermis en ook voor de kermis van .de eerste zondag van se~te~ber, hoewel dan een ietsje minder, ter plaats te zijn. Wel een twmtig vrouwen, .en soms meer, stonden op de gebruikelijke plaatse~ met haar kmiwagens als enig kraam, terwijl de honden er naast rutrustten en de bandeliers slap neerhingen na, strak gespan• nen over het hoofd van de dappere ventster, van Rode tot Halle de vracht gesteund te hebben. De plaatsen werden ingenomen van a~ de bru~ ov~r de vaart van Charleroi, even voorbij het stationsplem, tot diep m de Bosstraat, soms zelfs voorbij de brug over de arm van de Zenne ».

Een laatste en gemakkelijker operatiegebied vonden ze te Alsem· berg aan de kerk. Daar gingen ze telkens als er iets bijzonders was, een kerkelijke plechtigheid, als Vormsel enz., maar vooral op de zondagen dat er bedevaarten kwamen, << processies.». .zeggen. .ze.. hier. Dit duurde heel de zomer door, van de 1ste zondag van mei, te beginnen met de bedevaart van Rode, tot met die van Bosvoorde, die de laatste was, naar aanleiding waarvan men zei : Rode haalt de sleutel en Bosvoorde draagt hem weer. Nu is de bedevaart van Lot de laatste en wordt er gezegd : « Rode haalt de sleutel en Lot brengt het. slot ». De << processies » komen nog wel, maar de taartjes zijn, eilaas, lang verdwenen ... Voor het feestmaal van de Gouw· dag van het Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, in 1934, heeft de laatste taartjesvrouw, de weduwe Leonard-Azare, hijgenaamd «de Pruim», de laatste maal een honderdtaal taartjes gebakken. Een van haar dochte~s maakte ze nog een tijdje daarna. Weduwe Leonard-Azare. De weduwe Katarina LeonardDe laatste taartjesbakster. Azare, die tientallen jaren lang met de kruiwagen naar Brussel en elders trok en, betrekkelijk jong weduwe werd, heeft twaalf kinderen grootgebracht. · Ze woonde in de Nieuwstraat en hield er daarhij nog herberg en winkel! ~

296

HOUTHANDEL De houthandel is een onzer oudste nijverheden. Immers, ons dorp lag te midden van het hos en hetrekkelijk dicht bij de stad met haar grote· behoefte aan hout onder alle vormen, hoofdzakelijk brandhout. Men bedenke maar even hoeveel haardhout en hakkershout er niet nodig was in een tijd dat de steenkolen daartoe nog niet aangewend werden. Onze voornaamste houtkooplieden waren de pachters. In een lijstje uit 1712, onder meer, (G. 8304) vindt men vermeld, Jan Smons, 30 jaar oud; Sebastiaan Berckmans, « oudt schepen pachter ende innegesetene », 50 jaar; Laureis Thielemans, 23 jaar, Gillis Hazey., 37 jaar; GuilJiam Hofmans, «alle pachters en cooplieden 10 a

297


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

op den hosch van Zonien ». De pachters waren daarop trouwens het best ingesteld. Ze hadden paarden, wagens en knechten en het hoswerk geschiedde in de winter, wanneer er natuurlijk weinig of geen werk op veld en hoeve was. Of ze altijd gouden zaken maakten valt niet te zeggen. In elk geval was « Jacques van der Eist, innegesetene pachter tot Rode, woonende op het· pachthof gem~ gen. Landtsrode ende Anna van der Haeghen sijne huysvrouwe » in 1705 wegens « overgecoebt houdt op sijne maj. grooten wonde van Sonien schuldich ende ten achteren de somme van 613 gulden 13 st. » Guilliam de Munter wonende op de Cautershutte (de Grote Hut) was borg. Om heslaglegging te voorkomen, werd aan Pieter Everaerts . van Linkeheek gevraagd om ook borg te zijn en er werd overeengekomen dat de « comparanten ~ouden. cedeer«tn : 4 swerte peerden wesende twee hincxten, ende 2 merrien, met twee veulens, een roodt wesende oudt over het. jaer ende een swert van desen jaere. Item seven melckkoyen, eene verse, met twee ossen, ende eenen verre, Item 17 verckens daaronder wesende eene sogghe, Item twee ·kerren, Item twee ploeghen ende 2 heden (eggen), Item alle het houdt, mutsaert, spoelen, als ander-sints t'gene sij tegenwoordigh op den grooten wande van Sonien · noch sijn hebbende, Item van gelijcken al9och omtrent de 16 hoenderen hesaeyt graen hun . competerende, Item alle de cloppelinghen, stroy ende fourragien op de gemelde hoeve Landtsroc, souder eenighe exceptie»·~· (G. 8288). Op de . houtverk~op stonden strenge wetten. Lengte en: .dikte van de verschillende houtsoorten waren bepaald (FO. 4848). In het Keurhoek van Zoniënhos van 1460 bepaalde artikel .41 o.m. « Dat voortaen egheen coopman oft andere en zal moegen doen maeken, vercaopen noch leveren eenich ezellade hout, hetzij cushaer goet oft levereije; noch oick groot noch cleyn hoophout, het en hehhe zijne hehoorelijcke linghde ende groette, alzoe men dat van ouds heeft plegen te maken, zonder dat eenich coopman van eenigen van desen vieren manieren van houte tweederbande verscheiden groette oft lenghde sal moegen doen maken; mer het sal altet moeten zijn eenrehande cushaer ezellade hout, eenrehande cushaer groet hoephout, eenrehande cleyn hoophout oft eenrehande cnshaer leverije hout, zonder eenich onderscheet tusschen het hout dat men ten Hove, oft dairt die rentmeester van Brabant sal hewijsen, leveren sal, ende thans dat die coopluyden anderen luyden selen vercoopen ». De ~ maten ende lengten van het wishout, leverijhout, mntsàerden, halfhout, poirterkens » enz. moesten zijn als volgt : « Een sehernel, of wisse, houdt 2 leverijen, of 32 stukken houts. 1 leverij of eselslade % schemel of 16 stukken houts ». Deze ~ houten » werden gemeten door gezworen meters « met schernelen ende ketenen; welke keten moet hebhen de lengte van 9 voeten 4 duymen. Alle wishout, 't zij gezaegd of gekapt, moet hebhen de lengte van 3 % voeten.

Het halfhout, tusschen de zeven ende acht palmen, zonder het aenzetten van de akse of hijle, ende dik grijps ende duyms. Dè poirterkens, op de lengte van het halfhout, inhoudende 5 tot 6 stokken, naer advenant hunne dikte. De mutsaerd ende den heytsel, op de lengte van 11 palmen, ende in dikte van 6 palmen, elke palme tot 4 duymen, mate van Brussel gerekend; welke dikte zal gemeten worden heneden den hand, zonder denzeiven te vullen met bladeren of andere vuyligheyd ... Het leverijhout moet lang wezen 2 voeten ende 8 duymen ».. In 1441 werd Rafaël van der Borct bestraft omdat hij « cruwagenhout op sinen ezel hrachte te Brussele om te vercoopen » (RK. 12546). In 1471 werden Gielis en Willem de Ronge gehruederen van Rode gestraft omdat ze in het hos van de heer van Beersel {op Boesdaal waarschijnlijk) « 12% eselladen leverijen (hout) te cleyn gemaeckt » hadden. Gielyse van Rode werd in 1469 beboet « om dat in sinen coop tweerhande groette van hout » bevonden werden (RK. 12546). In 1517 werd Pieter Keyaert te Rode bekeurd omdat « sijn hout te cort en te cleyn was na visitatie» (RK. 12548) •.

298

Een groot gede~lte van de bevolking verdiende vroeger de kost in het hos met het planten, .snoeien en vellen van bomen enz. In een ~ staet ende memorie van plaenten tot Rode van den jaere 1689 » werkten Jan Loocx, Gahriel Claes, Gielis Engels, Gillis W eets, Jan van den Plaes en Peeter de Haes 24 dagen en dronken ze 24 potten hier « alse het plantsoen uytgedaen hebhen ». Het toezicht op het hos waa zeer streng. Onder meer was bepaald

« dat geene . cooplieden en sullen vermogen af te haelen uyt den hosch eenigh gelevert hout uyt hunne respectieve singels ten sij allen hetselve gelevert ende geleeekent is met den hamerslagh, op de verbeurte vän hun handt ende ·6 guldens voor elcke livrije » (1725). Op zulke overtreding stond dus als straf het afkappen van hun hand ! Desondanks gebeurde het toch, zo begeerlijk was dat hout. In 1460 werd zeHs een hele kar hout gestolen. Willem Lissen, nl., had « J anne Knape van Rode een kerre in sinen gewrachte eselladen ~oute, dat hi op sijn vorle ghemaect hadde ontvoert daer bi met bevonden. was » (RK. 12544). Kappen van groen hout werd ook streng beteugeld. In 1716 was alzo Jacques J oly « binnen Brussel ter roerekt ·gecomen met een kerre gelaeden met groeten mutsaer nl. 125 mutsaerts het binnenste nat ofte groen houdt ende het huytenste droog» ••. Dat hout was bestemd voor broodmaker Gillis de Naeyer. Deze kocht echter geen katten in zakken en trok J olly vó6r het Woudrecht, dat oordeelde dat de mutsaards « aldus bedriechlijck waeren gemaeckt om de goede inwoonders (van Brussel) daer mede te circwnvenieren ende voor droog doorgaen. .. het hout wesende alsdan seer dier»... (WR. 436).

299


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONON.ITSCH LEVEN

Het zevende gebod nam men nooit zeer. nauw wanneer het er op aankwam goedkoop aan hout te geraken. Het hos, was immers, van het« aouvernement >> en dus een beetje van iedereen ... Huiszoekingen, aanpa~sen van «gerat» (gestolen) hout aan de struiken waarvan het misschien afgekapt was enz. mochten niet veel haten. Men kocht een koopje hout in het bos en dan was kontrole moeilijk, zo niet onmo• gelijk, « maer integendeel is het gene der huyten lieden volgens de daegelijcksche ondervindingen dickwils seer suspect alsoo degene woonende outrent den woude van Zonien op pretext van eenigh hout op eenen coopdagh te coopen in den selven woude eene andere quan-

Het klein kachelhout, de welbekende spaanders, werd~ meestal door armere mensen verhandeld. Het bestond doorgaans uit droog hout dat mocht gesprokkeld worden en uit de spaanders die voortkwa~en van het vellen van bomen. De armsten droegen het in een zak op het hoofd naar de stad, anderen met kruiwagen en hond, en de meest bevoordeligden hadden een karretje met bomen waar· tussen de zakjes hout op loshangende kettingen geladen waren, en getrokken door een ezel. Net als te Schaarb~ek, was het bekend ~at er te Rode tamelijk veel ezels waren, d1t zonder woordspeling

Houtvervoer in Zoniën. (Pentekening Dolf Theys)

Houthakkers in Zoniën. (Pentekening Dolf Theys)

titeydt commen te ratten»... leest men in een stuk uit 1780 (WR. 520). Of wel had men een kwijtschrift hij zich tot bewijs dat het hout voortkwam van aankoop. De ene handelaar maakte het voor de andere op. Dikwijls maakten familieleden zulke kwijtschriften op; zoals Andries Mosselmans in 1780 voor zijn broeder Pieter, aan wie hij « een qualeteydt van groet en cleyn kort en lanck dick en dun haeselaeren houdt » verkocht had... Op 1-9-1725 werden Jakobus Miebiels en Jau Troch betrapt toen ze met kar en paard hout haal· den uit « sekere plaetse van Sonien genaemt de langhe laije (op het Waterlooseveld) outrent het voetweghaken van den Revelincksen beuek » (WR 450).. In 1787 vonden hoswachters in het « eauton van Revelingen een groene esselteiren boom 15 a 16 duym diek » en in het bos van de abdij van Vorst te Waterloo, 13 afgekapte groene « esseheren ».

300

gezegd... De laatste exemplaren vond men op het Gehucht hij Bette van Raas (wed. Lanckmans) en hij Stefke. De eerste werd afgedankt omstreeks 1950 en de tweede, « Tobie » werd in september 1952 aan een slachter van de Hoek verkocht. In 1772 telde men alhier 40 honden en in 1785, 48. Dit zullen voorzeker geen schoothondjes geweest zijn, maar potige trekbonden die vóór de kruiwagens gespannen werden en de zware vrachten van en naar het veld en vooral de vrachten hout en taartjes naar Brussel en elders trokken, zoals dit tot in de eerste jaren van de 20 6 eeuw nog het algemeen gebruik was. In het begin van de 196 eeuw moet dat aantal nog groter geweest zijn. In elk geval oordeelde burgemeester Dachicourt op 4-3-1824, dat het enige middel om de vele los· lopende honden te beletten kwaad te doen, erin h~tond. voor e!ke hond een belasting te stellen van 3 gulden, «,aen~ezten dat er ztch

301


GESCIDEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

inwoonders bevinden die 3 ofte 4 honden hebben en die moeite hebben om voor hun zelf te voorzien in 't onderhoud van 't leven» (GA). Het hout dat tot kachelhout « gekleind » werd kwam vooral voort van de dorre takken in grote bomen. Die takken heet men « reullen ». Ze werden met een lange stok waaraan een haak bevestigd was naar heneden getrokken. Zonder lijfsgevaar was dit niet. In de loop der tijden viel er al eens een ongeluk te betreuren, zoals in 1692 toen Anna van den Berghe echtgenote van Frans de Munter, onder een boom verpletterd werd. Het zijn vooral de vrouwen die schromelijk hard gewerkt hebhen om met het hout uit Zoniën de kost voor hun gezin te verdienen. Niet alleen zwaarheladen kruiwagens over afschuwelijke wegen, bergop hergaf, moesten ze op verre afstanden voeren, maar ook op het hoofd werden vrachten kilometers ver gedragen, zoals we reeds zeiden. Zelfs deden ze dit wanneer ze in zwangere toestand verkeerden, zoals b.v. in 1672 in juni, toen Katarina Hannaerts, echtgenote van Hendrick Loockx, op de terugweg uit Brussel, waar ze hout geleverd had (portaverat ramos arho rum), te Ukkel onderweg het leve.n schonk aan een tweeling van 7 maand, die Elisaheb en Christina gedoopt werden en een paar dagen nadieJl overleden. In de omgeving van het hos was dat hout dragen op het hoofd trouwens een algemeen gebruik. Zo zien we Margareta Hernie, huisvrouw van Pieter Ruelens, uit Watermaal « dragende op haer hooft eenen hussel groen huecken gekloven hout» (WR 522).

In oorlogstijd heerste er schaarste aan brandstof. Daar de nood van de ene niet alleen het brood, maar vaak ook een 'fortuin is voor de andere, was dit een huitenkans voor alle slag van houthandelaars, vooral voor de spaanderhoeren. Met allerhande vervoer· en draagmiddelen werd het hout naar de stad gebracht. En wat dat hout kostte wisten zij die het niet konden missen en nog blij waren er aan te geraken om zich te warmen. In veel gevallen kreeg men voor 100 kg. betaald hout er in de werkelijkheid maar 80 of zelfs "70, waarbij dan nog op te merken valt dat het vaak vers of voQhtig was. Als het hout te droog geworden was, aarzelden sommige'it niet het met water te besprenkelen ... Winstbejag is steeds de grote drijfveer van de mens geweest en al naar de wisselwerking van vraag en aanbod, komt het zwakker of scherper naar voren. In tijden van schaarste worden de verbruikers gestroopt en de verkopers rijk. Wetten en toezicht hebhen daar nooit veel kunnen aan veranderen. Ook in 1759 was de brandstof weer zeer duur en we:rd door de overheid vastgesteld (WR. nr. 502) dat « verscheyde persoonen hun geneerende met hout te vercoopen sigh dagelijckx vervoorderen binnen de stadt Brussele te coop te stellen ofte lanckx de straeten te coop te brenghen alderhande soorten van hout gelaeden ·op kerren, de selve op soodanighe manieren laedende ende palerende al oft daer een menichte hout op was, daer men daer naer bevindt seer weynigh ende slecht op te sijn, waermede verscheyde eenvoudige menschen bedrogen worden ... Dit niettegenstaende differente placcaerten van Keyser Carel van 1520 op tstuck van ongeoorloofde misbruycken... Aengaende t'vercoopen van den houten van Sonien mitter rnaeten ende getale ende oock den permissien op te cleyne wagenen ende kerrekens ... tot onser kennisse gecomen is hoe dat eenige ingesetenen van onse vriheden ende dorpen bij ende omtrent onsen wonde van Zoenien gelegen, hen over vele tijdts gevordert hebben gehadt ende noch dagelijckx vorderen te doen maecken sekere wagenen ende kerren vele oorter ende minder wesende dan die van allen ouden tijden hebhen pleghen ende hehooren te sijne, mit weleken clijnen ende corten wagenen ende kerren sij hout ende mutsaert ter merokt brengen in onser stad van Brussele d'welck hij sommighen hij nachte ende mitter maenen stelen, nemen ende la eden van den houte van den coopluyden van onse wouden... Op eeuighe andere teyden soo brengen sij 'tselve hout ende mutsaart op groote kerren ende wageuen hij onser stadt van Brussele aldaer sij t'selve ontlaeden ende wederom laeden op andere clijne ende corte kerren ende wagenen.... rnaeekende van eenre kerre twee kerrekens ende van eenen waghen twee waegekens ofte ten minste van twee groote wagenen ofte kerren twee clijne wagenen ofte ketten, sonder dat t'selve hout. willen vercoopen tnitter ezelaede ofte wissen mitten getalle, maer alleenelick mitten voeder, waghen ofte kerre...

Op het stelen van groen hout was men zeer streng. In 1560 werd Matheus de Neyere tot de galeien veroordeeld om groen hout gestolen te hebben, « als vercocht hout geapprehendeert zijnde van wegen den woutmeester van Brabant es insgelijcx den Drossart in bande geconsigneert, ende hij den selven ter galleyen gedaen... om aldaer te dienen eenen termijn van zesse jaeren om dieswille dat hij diverssche oppressien ende insolencien hadde gecommitteert duer 't rebelleren hij hem gedaen aen den vorsters ofte dienaers van Sonyen ten tijde als zijlieden exercerende hunlieder officien hem, Matheeus, wouden apprehenderen ofte sijn gestolen groen hout afnemen »••. (R. 7). In 1692 werd vastgesteld «dat alsoo eenige delinquenten ontrent Sonien geseten (wonende) hem daegelijcx vervoorderen soo wel hij daege als hij nachte het groen hout af te houwen ende hedecktelijck tot hunlieder huyse te draegen of te vuerenen ». Gewoonlijk ook werd het gestolen hout en het vervoenniddel samen verbeurd verklaard en ten bate der Domeinen verkocht. Op 14-10·1681 werd « seker kerre bevonden met gestolen of vervreemde kip spaenderen in den hoach van Condenberg op de Nedermerokt » (de Grote Markt te Brussel) verkocht « met bet gareel » van Pieter van der Stappen voor 5 g~ 5 st.

302

..

303


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

ende hesundere op de dierheyt van den boute ende mutsaerde wesende tegenwoordichlijck in der selver onser stadt van Brussele... Voortaen sal nimant mogen vercoopen noch leveren... eenich herehout te weten ezellade, hout, liverije, wishout, hackhout... dan mitter rnaeten of mitten getalle en moghen vercoopen... op ·pene van 10 royaelen. » Voor diefstallen op het hos, zullen· de overtreders worden « gebannen uyt onsen vors. hossche van Zoenien ende hunnen leven lanck... hunne hroot niet meer daer inne... moghen gewinnen.» Op 5-1-1732 deden de vorsters Kornelis van Haelen, Pieter La Barre, J .-B. Linard en Hendrik Kayaert een huiszoeking hij Antoon de Villé. « Doorsoeckende het huys », weigerde zijn vrouw de toegang tot de zolder en waren ze genoodzaakt het ·s]ot « op te pranghen ». Zij vonden er «verstopt in het stroy >> 249 stukken groen beukenhout en in de stal 63 stukken beuken « leverije »•hout en enige beuken stokken (WR. 463). In 1731 hetrapte hoswachter Pieter Hasey, een houtdief, met << 18 sacken groen eycken hout>>. « Ik heh met ul. niet van doen... ick hebhe den fonsten van u », : schreewde hij de hoswachter toe. . Tussen vorsters en spaanderhoeren (1) bestond er natuurlijk altijd een oorlogstoestand. In 1739 waren"'« arme luyden langhst de Lovensche poorte (te Brussel) eenigh hout binnen de stadt brengende» ... Bij die gelegenheid beweerde een vopster « geaggresseert te sijn geweest omtrent het Crommen Ellehooghstratie bij de Cancelrije met eene reyde ofte timmermans regel ende naer eenighe ·slaegen die naer hem door den selven wirden toegehrocht, met sijnen hlooten degen te hebhen afgeweirt ofte gepareert, ende aen een Jan Grimherghs ten selven tijde te hebhen toegebracht eenen steeck ontrent de kele waer van Grimherghs corts daer naer is gestorven»... De hoswachter moest zich daarover verantwoorden, want er werd geoordeeld dat hij « langhs daer eenighsints hadde geexcedeert de regels van eene onschuldige verweiringe »... en of! Op 7-3-1746 waren de vorsters Pieter Everaerts, Pieter Houwaert, 1an Houwaert en Hendrik Thielemans binnengevallen hij de weduwe de Boeck en. hadden er in de « hijvanck bevonden 150 stukken liverij hout van huecken hoornen versch gecort ende gesaeggt ten deele al geteeckent met 3 differente teeckens »..• Ze hadden 5 tot 6 stukken gemeten en daarvan waren er 4 van« differente lenghdens ». De dochter, die thuis was, werd « gecalingiert » en het hout « gear• resteert ». Toen de vorsters weerkwamen had men het hout « verdraghen oft weggevoert » en daarom werd dan ook de weduwe bekeurd. Het hout was op ongeoorloofde wijze uit Zoniën gekomen

Zoals elke industrieel, trachtten de beoefenaars van onze hout· nijverheid natuurlijk hun grondstof, het hout, zo goedkoop moge· lijk te hetrekken uit het bos, dat ze min of meer., uit atavisme misschien, als gemeengoed beschouwden. Als het enigszins mogelijk watöJ, zorgden ze er voor het zelfs kosteloos vast te krijgen ... Dit maakte natuurlijk niet de rekening van het hoshestuur en de vorsters. De << vensters » zeggen ze hier nog, hadden dan ook opdracht de houtdieven streng achterna te zetten., In het archief van het Woudrecht vindt men daarover menige typische bijzonderheid. Zo hadden op 3 maart 1790 de vorsters een kar gestolen hout aangeslagen. « De gecallengierden » zonnen op middelen om weer in het bezit te komen van hun kosthare grondstof. Dat middel, een paardenmiddel, was· er weldra op gevonden ·en in bende begaven ze zich « ten huyse van Ludovicus Laureys, coster en schoolmeester (en herhergier) om met gewelt den sleutel van de kercke te hebhen ten eynde, soo sij opentlyck seyden, de clock te kleppen om het volck hij een te vergaderen om soo gesaemenderhand de vorsters van den wande van Soniën uyt den dorpe te verdrijven ende wegh te haelen de carre die door de vorsters gearresteert was ... » Daar de koster weigerde aan hun verzoek te voldoen, trokken ze ~ met het selven insight ende het selven eynde naer de pastorye », waar ze « op het refues van den sleutel te geven, aen den heere pastoor verscheyde dreygementen hebhen gedaen », onder meer << dat hij soo verre hij heere pastoor den sleutel niet en gaf sij sijn huys souden in brand gestoken hebben ... » Het waren voorzeker verschrikkelijke bedreigingen, maar tot daden kwam het gelukkig niet en ten slotte dropen ze af. De zaak bleef hun echter op de maag liggen en ze zouden het in elk geval vroeg of laat aan de vorsters betaald zetten. Pas drie jaar later bood zich die gelegenheid aan. De voornaamste helhamels waren « J oannes Heymans, sone Judoci, handwerker van stiel, 25 jaar oud, wonende ten tijde op logist ende ten tijde bij sijn ouders alwaer hij· sijn costen is coopende... ende J acohus Miebiels sone Hendrick., 28 jaar oud, blockroaker ende casseyder, weese, wonende met sijn broeder ende suster ». Op 21 april 1793 om 9 uur bevonden hovengenoemden zich samen met hun « complicen » J oannes Hannaert, Sehastiaen de Geynst en Miehiel van den Au den in de herberg van J acohus Pierret, waar ook aanwezig waren drie vorsters van Zoniën, nl. J ...B. de N ayer en Pieter en Hendrik Laharre. Deze laatste was heginnen te zingen en J acohus Miebiels riep hem toe dat hij hem niet « en moeste uytsinghen » (tarten). Labarre antwoorde dat dit geenszins zijn bedoeling was, maar Miebiels zocht natuurlijk ruzie en riep terug « dat het maer eenen bondtsjodders of jidders salaris was ? t) :.. Inmiddels was een van de complicen reeds met « een eysere vuerschup besigh met te slaegen » op de Nayer en had... Heymans «van onder

(WR. 484). (l) Het woordje « spaenderen > troffen we het eerst aan in 153'9 (RK. 12551).

304

305


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

de schauw opgevath eene eysere hlaespeyp >> w~ar1nee hij ZlJn tegenstrever « verschijde geweldige slaegen » toebracht. De aangevallene zocht zijn heil in de « vlugt naer de ca1ner waer hij agtervolgt werd ende nog verschijde slaeghen met de hlaespeyp » ontving. De Nayer vluchtte verder en zijn achtervolgers gingen hem « soeken in de cam ofte hrouwerije van Franciscus van l(eerhergen~ al vloeekende ende tierende, seggende tot de persoon die daar aanwezig was « dat sij het wiesten ende hem moesten hebben, dat sij hem souden · leeren seggen mijn Heer den wantmeester het is soo dick ende soo dick, dat sij de rechten nogh niet en kenden maer dat sij hem hun reght souden geleert hebhen ». Kort daarna in de herberg weergekeerd, liet hij « onder .sijnen kiel de eyseren hlaespeyp vallen ». Nadat de baldadigaards « een wijnigh aen het vier geseten hadden, deden sij een light branden (normaal volstond de klaarte van het haardvuur) ende alsoe de plaetsen van de herherghe doorsoght... daerhij al soekende seggende in woorden ofte substantie, wij moeten soecken naar de Laharren, sij moeten dood». In hun woede sloegen ze dan « de vensters ende glasen van de herhergh stucken >>. De Laharre's hadden zich vermoedelijk uit de voeten gemaakt.. ~ De N ayer echter was bedekt met « wonden ende contusien ende door de slaeghen was oock gebroken de groote_pijp van den linken arm». Het kwam tot een groot geding, dat zijn verloop had op het Broodhuis te Bmssel. De beschuldigden ontkenden stelselmatig alles en over de uitspraak is niets vermeld (WR. nr: 548). Zoals men ziet was het haantje van hoswachter niet altijd n1et rozen bezaaid. Jan Machleis « hygenaemt Pattaer » bezemmaker en stoelmaker, stond hekend als een << boosaerdig persoon », als een « .openhaeren ende fameusen ratter op Zoniën... V erschijde vorsters souden hem niet geerne calengieren uyt vreese van aenrandinge oft brand aen hunne wooning. » Dit laatste was trouwens al eens gebeurd. Naar het gebruikelijke kunstgreepje had Jan in 1781 in Zoniën een hoopje « sleunreys » gekocht en, om zijn hoop je hout tegen voordelige voorwaarden te vergroten, nog 21 jonge eiken in de omtrek afgekapt. Toen hij met dat werkje bezig was werd hij op heterdaad hetrapt door vorster Pieter Laharre. Enige dagen nadien vroeg Jan aan Labarre : « Wel Peeter wat zijt gij ntet mij van sin ? - Niet en siere, Jan, ma er gij moet voor het recht comen ende ick vermeynde naer ue. huys te comen ten eynde ue. te daegen, maer vermits gij alsnu hier sijt, daer is ue. daegement tegens morgen. » Brigadier Schoonheydt, die daar ook aanwezig was, zei op zijn beurt tegen Jan : « Wat gaet ue. over, Jan, van dusdanige dunne hooroen te cappen, gij weet dat de amende soo swaer is van eenen dunne als van eenen dicke ende dat gij huyten staet sijt dese amende te betaeleJL :. « Ja », antwoordde Jan, « maer ick had veraccordeert met ee.nen houilleman om er 12

HET EKONOMISCH LEVEN

te leveren tegen 2 schellinghen », waarop Schoonheydt , wedervoer dat << ge moeste heest sijn om voor 2 schellinghe amende te risquee· ren». Maar Jan « hegonste te guychelen (giebelen?) ende te singen »... Hij zei dat het « gemakkelyck was yemandt te mineren» ... hijvoorbeeld dat men << d eene reyse sijne pataeten te velde conde uittrecken, d'andere sijne coyen ofte verckens om verre stecken, mostaert in sijnen hof ofte landt sayen », dit alles als een bedekte bedreiging tegen de vorsters die hem zouden willen te na komen. Hij hield nog andere « drygende discoursen », onder meer dat hij hun « sijne tonge sonde uytsnijden ende sijne oogen uytstecken ». Om te heginnen « sonde hij immediatelyck naer het huys gaen van den warranthueder Pieter Wielemans hijge_naemt Pier Scherrehaenens om sijne laeye uyt te werpen, sijn vereken doodt te smijten ende sijn kinderen de he~nen stucken te stampen »... Zijn vrouw was al geen haar heter. Een paar dagen later bevond deze zich ten huize van de weduwe J.-B. de Nayer « aldaer woonende op den Driesch », samen met andere personen, onder meer een soldaat van het regiment van << graeve Murray >>, « genaemt Dominicus Zuniga », die verkl~arde dat Wielemans <<een dief was ende ~at hij van intentie was sijn huys af te cappen »... Daar sommige omstaanders beweerden dat hij niet zou durven, was hij onmiddellijk bereid een stoop hier te verwedden dat hij het wel doen zou. De vrouw van Jan Pattaer moedigde hem aan en zei dat ze thuis nog drie bijlen had. Daarop gingen ze en een tijdje later begon Zuniga «al vloeekende de hoekstijlen van het huys af te cappen »..• Toen hij ophield was er één helemaal doorgekapt en een tweede bijna, maar het « huys viel toch noch niet in », staat in het stuk te lezen. De strijd tussen hoswachters en houthandelaars liep meer dan eens bloedig af. Op 15-3-1789, zondagnamiddags, was Hendrik Swalens gewezen << officier van den woude van Zoniën », ten huize van zijn vader gegaan. Aldaar zag hij aankomen J acohus en Jan Francis Michiels. Na zich gewapend te hebhen met een << mesthaeck ofte drijtandt », ging hij die personen « alsoe te gemoet ende tot hen naarderende seggende : seyde daer valsche teekenaars ! » Zonder meer begon hij te slaan en te kappen naar Jacobus, die de slag kon ontwijken. Vervolgens sloeg hij naar Jan, die echter op de aanvaller « insprong ende hem den mesthaeck ontnam ». « Corts daemaer » kwam aldaar woudinspecteur Jan Schoonheydt, « die souder voorgaende rusie eeuen scheut met een pistool op een distantie van 5 à 6 voeten toebracht in het hoofd van dito Jacobus:., waardoor hem een grote wonde werd veroorzaakt. « Sterck hloyende :. liep deze tot in de « holle straete », waar Swalens hem met stenen nawierp, waarvan een « swaeren steen op den voet van Ja cobus » terechtkwam, zodat dezes schoen er door « gebroken » werd en de voet « soodanigh opgeswollen was dat hij verscheyde dagen geen schoen kon aendoen ». Wat de aanleiding tot die twist geweest was

"' 306

307


HET EKONOMISCH LEVEN

GESCHIEDENIS VAN. SINT-GENESlUS-RODE

is niet met zekerheid uit te maken. Vermoedelijk zullen de aangevallenen tegen de hoswachters getuigd hebhen in een zaak waarhij laatstgenoemden in het ongelijk gesteld werden en waarhij Swalens zelfs zijn hetrekking zal verloren hebben, want twee jaar nadien treft men hem opnieuw aan in een hosgeding. « Beneffens zijne huysvrouwe >> was hij op 10-2-1791 «in den woude van Zoniën ·in den canton genaemt het Euperken hesig in den jongen houw die niet overgegeven was hesemrijs te snijden ... daeroover ter plaets gecalen.. giert» deed hij « verscheijde menacen ende drijgementen aen de vorsters Peeter Labarre en J .·B. de N ayer, seggende tot Labarre : dat gij alleen waert gij soude het niet doen... wil ick u een cleyts (oorveeg) geven ... », waarop de N ayer antwoorde : « W aght u daer van, want ten sal niet wel vergaen met u. >> Daarop liep Swalens « met gramschap naer eene peertse waer een steeckyser op gebonden was (om droge takken uit de bomen te steken of te trekken), « seggende ick sal u wat gaen geven ». Tot zijn vrouw, hem van achter « vastpackende ende tegenhoudende, seyde hij al vloeekende : laet mij maer gaen, ick sal se wat gaen geven, het sal uwen keer sijn, gij dief, ende uwen meester is oock eenen dief, hij en can geen recht doen »... · Van J.-B. Goedvinck, houtkoopman in de « Opperstraat » ·te Brussel, en van J.-B. van Keerberghen te Rode, werd in 1825 eiken schors gestolen. Schepen J acquemeyns deed samen met hoswachters Frans de Becker, J aak van lsterdael ~en J .-B. Marcelis een huiszoeking « op het gehucht den Hoek » en vonden er 40 pond schors. Deze schors was bestemd voor de leerlooierij. In juni 1824 moest een brigade marechaussees tegen de houtdieverijen afgezonden worden en sprak de plaatselijke ov-erheid in ~843 van « une dévastation ». Gedurende de eerste wereldoorlog ging het zo ver dat de Commissie voor Natuur en Stedenschoon moest tussenheide komen. Op een vergadering van 7-11-1914 (B.C.R.A.A., 1914, hl. 242) trad Schilder Stevens in het perk voor de vrijwaring van het hos tegen de al te verregaande plundering ervan. De notulen vermelden daarover : « La discussion est close et la parole est donnée à M. Stevens pour entretenir la réunion d'un site splendide qui lui est familier et hien cher: la Forêt de Soignes. Après avoir entendu M. Stevens, la Commission Royale décide d'écrire à M. Ie Procureur du Roi et à M. Ie Procureur général près la Cour d'Appel pour les prier ~'ouvrir des enquêtes et des poursuites contre des maraudeurs qui abattent et dépècent des arhres vivants de grande envergure de la forêt de Soignes et de la forêt de Verrewinkel, à Rode-St-Genèse, bien que les ad:ministrations communales de la circonscription fassent délivrer un stère de hois menE-uellement à chaque ménage de ces délinquants. » Ook ftedurende de tweede wereldoorlog verschafte de hout-

308

)

handel een broodwinning en vaak een vette, aan tal van Rodenaren. Kolen waren zeldzaam, zoals men weet. Het kachelhout- werd per kilogram verkocht en sommige spaanderhoeren deinsden er niet voor terug hun hout dat 's anderendaags moest geleverd worden, in de regen te laten staan of met water te besprenkelen. Dit werd

Spaanderboer met sprokkelhout in Zoniën. (Pentekening DoH Thoys.)

toch bijna uitsluitend gedaan door gelegenheidsspaanderhoeren. De heroepshandelaars deden het niet. Ze hadden vaste klanten en wensten ze ook na de oorlog te behouden. De spaanderhoeren hebhen ook hun folklore, maar er werd nooit iets van opgetekend. Als ze van de stad terugkwamen werd

"'

809


HET EKONON.OSCH LEVEN

GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

hun wel eens toegeroepen : « Hedde lnee lange terf noe Brussel geweest ? » Om te zeggen dat iemand met iets blij is, zegt men soms nog : « Zijn g... is met en spaantje gekrabd ». · De handel met aansteekhout heeft zijn genadeslag gekregen met de laatste oorlog. In 1938 telde men nog 18 kleinhouthandelaars van beroep, waarhij dienen gevoegd de spaanderhoeren die 's winters of in slechte tijd het bedrijf uitoefenden. Het spaanderhoerengild inspireerde Willem Savenberg tot volgend lied, waarvoor Broeder Cassiaan, van het Scheppersgesticht te Alsen1herg, de muziek schreef.

SPAANDERBOERENLIED. We ~taan in de kar al vroeg in de morgen, We rijden naar Brussel onz' spaanders bezorgen, De spaanders van Ro, dat is deugdelijk hout Van bonkige beuken uit Zoniënwoud. We weten de weeldrige rijkemansdeuren, We kennen de kunste van zagen en zeuren, En als onze vracht aan de man is geraakt, Dan wordt daar een flinke fles geus op gekraakt. We foppen de rijken wanneer wij het kunnen. Dat moge de Heer ons wel oogluikend' gunnen Hun hart is zo klein en hun beurs is zo groot En thuis zijn veel mondjes die wachten op brood. Refrein: Wie kent hem niet de spaanderboer, de spaanderboer van Ro. Dat is een kerel sterk en stoer voor werken niet te blo. Hij zwaait de bijl en heft de pint met evenveel talent. Noch wet nock meester die hem bindt Hij is een vrije vent : Van buiten ruw als eikenbast, Van binnen kostbaar goud : Zo is de spaanderboer lijk 't past Een zoon uit Zoniënwoud. AMBACHTEN EN AMBACHTSLIEDEN. In 1764 vinden we Pieter Oscé x Maria Anna Testaert als kleer· maker. Hij bewoonde het « kleemen huys », hof enz. gelegen achter « d'hooge choor der kercke palende van voren en ten w. aan het

JSIO

)

kerkhof daar de straat tussendoor loopt, ·ten n. het goed van de , kerk in jaarschaar bezeten door Hendrik van Pede, ten o. de weduwe en kinderen wijlen Arnold Huhlou, schoenmaker, ten z. het goed van de weduwe Jan Frans de Riddere ». Voor dat huis betaalde hij 8 schellingen en 2 kapuinen aan de heer van Beersel (G. 347). Onze oude smidsen verdwijnen. Er moeten niet veel karrewielen noch veel paarden meer worden beslagen. Het is misschien niet helemaal overbodig hier de luttele inlichtingen te vermelden die we erover bezitten. De oudst hekende smid is Wilieme Parijs (faher de Op1·ode) in 1321 (R.) André Brassine, smid, verkreeg omstreeks 1730 van de Domeinen een klein stuk grond in Zoniën op de Grote Hut om er een huis met smidse op te trekken (R.K. 50860). Petrus Brassine « faher ferrarius op de Hutte » was waarschijnlijk zijn zoon en opvolger (AG.). In 1760 was hier smid Gabriël Swalus gehuwd met Maria Pieret. Zijn huis met stal en smidse stond op een half dagwand niet ver van de kerk (G. 347). In 1842 vroeg Niklaas Jozef Colinet de toelating om een smidse te houwen op de Grote Hut (A.G.). In 1871 vroeg J .-B. Dandoy een zelfde toelating op wijk C 627 en 628 (in de Kerkstraat). Die van Chrisliaan Ragoen heneden in de Termenlenstraat werd aangevraagd in 1891 op perceel nr. 19. In 1734 was Louis Matton smid te Termeulen. De laatst gekomen smidse was die van Prosper Mévisse-Barry, opgetrokken in 1897 aan de weg nr. 2 en de weg nr. 36, toen onderscheidenlijk Driesstraat en Nieuwe Molenstraat geheten, thans gewoon de Stationstraat (A.G.). LINNENBLEKERIJ.

In de dorpskom aan het curegoed bestond er in 1738 een linnenblekerij : een weyde gen. de Blijckerije daer eertijts een huys placht te staan ( G. 345). Het aan huis geweven lijnwaad werd er gebleekt. De ellenlange stukken werden er opengelegd en met houten schoppen besprenkeld met water uit greppels, die er aan weerszijden aangelegd waren. MEUBELMAKERIJ EN SCHRIJNWERKERIJ. Na de papiervervaardiging is thans welücht de meubelmakerij de voornaamste nijverheid van de gemeente. Ze ontstond omstreeks 1890 en is tot hoge bloei gekomen. In de eerste meubelmakerijen werd alleen wit hout verwerkt. Men maakte alleen zeer goedkope en eenvoudige bedden, kleerkasten en vooral de welhekende < dobelkorkens , of « double--corps », een

..

311


GESCHIEDENIS VAN SINT..GENESIUS-RODE

soort van buffet. Het was het eerste teken van meer gerieflijkheid hij de kleine man. Tot dusver vond men in de meeste huizen alleen de nodige bedden, een « hank » om er de hoedendoos op te zetten en de kledingstukken aan te hangen; een kleerkast was een grote uitzondering en natuurlijk een linnenkast en een lavabo en nacht· tafel nog meer. Het beste « dinge >> werd in een kist gelegd. Er waren nog geen werktuigmachines en alles moest met de hand gezaagd, gestoken en geschaafd worden. Gewoonlijk· werkten de gasten per stuk en er waren er die, bijna dag en nacht werkende, per dag een « dohhelkorke » afwerkten { ! ) en dan vijf frank verdiend hadden, een dikke daghuur voor die tijd. De gaten van kwasten en knoesten in het hout werden opgevuld met een mengsel van lijm en zaagmeel. De meubelen werden dan op een kruiwagen over de toenmalige hobbelige wegen naar het station gevoerd en het gebeurde wel eens dat er iets losging. Tegen alle gebeurlijkheden werd steeds hamer en tang, nagels en een pot lijm meegenomen. Zo kwamen de meubelen dan te Brussel of in de Waalse streek, waar de verkopers ze schilderden, oppoetsten en in « eik » of « notelaar » zetten. Stilaan, zeer stilaan, kwam er meer stijl in de meubels, men maakte er van pitch-pin, er kwamen spi~gels en marmer hij te pas, en men maakte hele slaapkamers. De eerste motor, een petroleummotor~ werd in 1902 geplaatst hij Willem De Mol in de Kerkstraat - 4 pk met een vliegwiel van één meter middellijn en 350 wentelingen per minuut. Het was de eerste alhier, toegepast op de houtbewerking. NIEUWE NIJVERHEDEN. In de XIX.e eeuw werden pogingen gedaan om nieuwe mJverheden in te voeren. In 1887 verkregen de gebroeders August, Xavier en Alfons Winderickx vergunning om een toiletzeepfabriek op te richten Wijk D nr. 29 op de linkeroever van de Molenheek te Tenhroek. De fabriek was opgetrokken in 1893. Het materieel bestond, huiten hovengenoemde ketel, uit een snijmachine, een hroyeuse, een « bourdonneuse », een paar handpersen, een ketel voor roetsmelting en een voor de zeepvervaardiging. De zaak bloeide niet hijzonder en nadat een Georges Coumont er een tijd een soort van Sunlight-zeep vervaardigd had, viel het bedrijf vorgoed stil.

HET EKONOMISCH LEVEN

·"

Greef en Antoon Mosselmans, de eerste twee in de Stationstraat . tussen Terroeuien en de weg naar Boesdaal, de derde in de Lindestraat, Door het gemeentebestuur werden die bedrijven geheten «des ateliers de mollisage de vieux cuir », vermoedelijk wegens het feit dat de oude schoenen in water geweekt werden alvorens uiteengerukt te worden. De belanghebbende zelf noemde zich « camhruriers ». Ook deze kleine nijverheid verdween samen met de eerste · oprichters ervan. DE KATOENSPINNERIJ VAN HAM. Deze fabriek werd vóór de eerste wereldoorlog schrijlings op de grens van Rode en Alsemberg opgericht. De plaats was voortijds eigendom van het Rode Klooster en bestond uit een vrij natte weide, waar gewoonlijk de hele zomer door magere vaarzen te weiden gesteld werden, die vóór de winter als vette heesten verkocht werden. Er werden nog andere pogingen gedaan om nieuwe nijverheden te vestigen. In 1877 werd door Jan Frans Paesmans vergunning gevraagd om op Wijk B nr. 187A een cichoreifabriek op te richten. Of er geen vergunning verleend werd of wat ook, in elk geval is er niets van in huis gekomen. In 1928 had de vennootschap van de Zijdefabrieken van Maransart een stuk grond aangekocht tussen de Zoniënlaan en de Drieshosstraat om er een f ahriek voor « hohinage, cannetage et retordage » van kunstzijde op te richten. De kommissie der monu· menten verzette zich daartegen om de volgende overwegingen, dat de aanpalende eigenaars daartegen verzet aantekenden dat er sedert een kwarteeuw aangenomen was dat die grond alleen voor villa's zou dienen, dat wegens de ligging aan de zoom van het woud, de hoogste, gezondste ligging van de omgeving door de geneesheren aangeraden wordt. Bij K.B. van 30-10-1928 werd het verzoek afgewezen (B.C.R.A.A. 1928, hl. 442).

DE HANDEL. Over de handel voortijds, buiten de verkoop van hout, bezems

DE OUDLEDERBEWERKING. Een andere kleine nijverheid werd omstreeks 1900 begonnen, nl. het verwerken van oude schoenen tot leer voor hielen. Drie personen hielden zich daarmee bezig: Frans de Nayer, Pieter de 312

en taartjes, valt er weinig te vertellen, niet omdat er geen was, maar omdat er geen oorkonden over bewaard bleven.. De voornaamste handelstak waren de landhouwprodukten., voornamelijk op de mark· ten van Halle en Brusael. Bijzonderheden daarover vindt men even· wel niet, al evenmin als over de plaatselijke handel, die beperkt was tot een paar winkeltjes, die specerijen't ellegoed en andere "' 313


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

noodwendigheden voor alle dag7 als blokken, klein gerief, potten en pannen en aardewerk enz. verkochten. Gewoonlijk hadden die kleine neringdoeners meer dan één pijl op hun hoog. Zo was Bertel Le Clercq, in 1752, « ingesetene, schoenmaecker, winckelier ende herhergier » (G. 347).

HERBERGEN. Herhergen of plaatsen waar de mensen konden hijeenkomen om hun dorst te· lessen, om te overnachten, te praten of zich te vermaken zijn er altijd geweest. Het is een menselijke en sociale behoefte. In 1486, de oûdste vermelding die we vonden, werd alhier een Reine Boemgaert met 9 stuivers beboet omdat hij <<den weert zijn gelach niet hetalen en wonde ende deuselven uyt sijnen huyse riep », d.w.z. op straat riep om te vechten. Zoals men ziet waren er toen ook al « poeffers >>. Op 18-6-1716 had de meier een genaamde Gabriel Mosselmans gedaagd, wiens dochter « Marie op den 2den Junij lestleden is geweest in de herberge den Spithof tót Linkebeke (die) aldaer haer heeft vervoordert met jonglnnans te drincken en te dansen» ... , waarvoor de beklagenswaardige vader 6 gulden boete te hetalen kreeg. De oudste herberg die men aan de kerk aantreft is het Hert, in 1460, nl. « gronde metten huysen daerop staende ende sijnen anderen toebehoerten... gelegen tegen de kerk dweers over op ten hoeriek (hoek)... a en de goeden Jan Thuenken ende metten achtersten eynde na est tgelege den herdt » ( G. 336). Eigenaardig genoeg, niemand eiste dat goed op, hoewel het aan de kerk afge· roepen werd. Het was zo zwaar met achterstallen belast, dat de schuld hoger liep dan de waarde ervan ! Aan de kerk lag in 1615 ook nog « een gelege metten huyse... ~en. het Hoochuys... tussen het hempdeken van Christina Hannaerts, de hempt van Guillam de V erwere... aen de heke en de huysarmen van Beersel » (G. 399) ; « a en de goederen van Filip de Ridder en Katarina de Weemere ». In 1659 verkocht Joos Mosselmans het aan Pi eter de Haze en Anna Medaer ·( G. 343). In 1769 werden «ten huyse van Pieter Lauwerijs, in het Bourf{ons Cruys », aan de kerk, ten overstaan van meier J .•B. van den Elsken, schepenen Frans de Leener en Frans de Glas, dorpsofficier Frans Berckmans en griffier Joos van Polfliet, op last van 1\faria <Ie Ridder « geassisteert met I>ieter l..,auwerijs, haer man ende ntomhoir, Pieter en Guillarn de Ridder, Pieter Clerens en Niklaas a~ IUdder als testantentaire uitvoerders aangesteld door wijlen l\f.A. d~ Ridder», over Jacobus, Katarina, Tobias en Anna (Ie

314

315


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONON.USCH LEVEN

Ridder, minderjarige kinderen, de goederen verkocht van wijlen Frans de Ridder en Maria Anna Clerens, nl. « sekere bofstede (perceel) met den huyse, schuere ende stallinge met de weyde ende erve alsnu hof... achter de kerck, groot ontrent één dachwant, paelende ten z. aen Jan de Clerck daer den voetwegh tusschen heyde loopt, ten w. het kerckhof ofte de straet daer tusschen liggende, ten n. Peeter de Trochs (thans P. Beien en K. Smulders), ten o. de hofstede van Jan Huhlo ». Het goed werd toegewezen aan Paulus Broers voor 1.524 g. wisselgeld, daarin begrepen 2/3 der hogen voor het we~en van «proficiat». De eigenlijke kopers waren evenwel Ludo.vtcus Fremau en Barbara Lauwerijs, ingezetenen van Alsemberg (Etgen archief).

Pierret (herbergier) ; Marcus van Pede (winkelier) ; Gillis van den Bosch (herbergier). Buitendien was er ook nog een herberg in Tenbroek die nog zo heel veel jaren niet verdwenen is en waarvan de naam nog hekend is, nl. de Belle. In 1745 werd de streek onveilig gemaakt door een « sekere Antoine Le ··Groslet vagahont... den weleken overgelevert sijnde geweest aen het officie des heeren Drossaards van Brabant hij desselfs vonnisse de date 29 Julij 1745 op 30 dito op de Grote Merckt tot Brussel geraedehraeckt is geworden ». Een patrouille had hem alhier gevangen en had « geduerende dien tijdt verteirt in de herberghe de Belle ten Broecke >> ••• Boven Zevenhorren wordt in 1783 (KA. 15960) de «·herherghe den Culot » vermeld. Waar de herberg « int Hol » in 1693, gelegen was is niet bekend (G.). In de 17e eeuw is er ook nog sprake van «een huys, hof, schure, stallinge, hoomgaert 6 dagw. aen Ter Meulen met lochtinghe de herberge daer onlangs een huys opgebouwt is » (G. 366). Op de Kleine Hut bestond omstreeks 1700 een herberg die een vergaderplaats was van baanstropers, die in Zoniën lelijk huis hielden. Dat jaar werden drie zonen van de herhergier wegens hun misdaden opgehangen en de vierde verbannen. Dit hielp niet veel. Drie jaar later werden er twee vorsters bijna vermoord. Men liet dan het huis afbreken ... (W. 111, hl. 658). In 1785 werd in « de herberghe St. Huyhrechts Hutte », op die zelfde plaats, de genaamde C. de Becker, in de wandeling geheten Mint, aangehouden terwijl hij met de kaart aan het spelen was met de « baes in de wandelloge geheeten Pie Pastoor, met Pee Baron, een genaamde Timmermans, hijgenaamd Wuyten, en nog een andere genaamd Platten Dijntjen ». (WR. 530). In 157Q is er « de herherghe van W aterloes op den groten Walsschen wech » (RK. 27384) en in 1576 « aen den heerwech beneden de herherghe «vermeld». (RK. 496). Dit zal wel de afspanning van de postkoets geweest zijn. Zoals we reeds zeiden was Waterloo toen een gehucht van Rode. Op een kaart uit de 16e eeuw staat de schets van een herberg « geheeten de Huth », op « Den wech naer St. J ans-Bercht » (Mont· Saint-J ean), op de steenweg van Waterloo dus. In 1499 had Peter Lenaerts in de Hutte een knecht gesmeten met eender eatsoelen (RK. 12548). Was dit een « kassoor » of het kletsoor van een zweep ? In 1500 werd ~ Gielijse Buyens weert in de Rutte » beboet omdat hij hout opgenomen had dat « de coopluden op den wech hadden laten liggen» (RK. 12548). Hij was daarbij nog in een geding betrokken tegen Daneel Roekeloos. In een akte uit 1507, worden door « suster Margriete Smols » Mol) abdis van Terkameren «ter oettnoediger, beden van Amelrijck

Een eigenaardige herbergnaam is het « Tapgaatje ». Hij is vermeld in 1652 : << een huys gen. het tapgoycken hoven de kercke ... ter plaetse geh. Bolenheke... tegen t Heyenvelt; een weycken nu lant daer een ltuys met vier gebonten op staet ... gen. het Tapgaetken » (G. 343) ; 1702 : « het Tapgattien >>; 1751 : « huyse ende hlock ... 3 dw. gen. Tapgaetien »; 1753 : « aen het Tapgaetien >> (G.). Het Tapgaatstraatje is het wegeltje dat van in de Rollebaan naar de school loopt. Op de hoek van de Terheidestraat en de Nieuwstraat was er van ouds een herberg « het Schildeken », gelegen op een half bunder grond. In versc~eidene schepenakten is er sprake van, in 1532 en 1594 : « het schildeken tusschen de straete gaende van der beyden naer dhosch van Zoniën in de Houwtstraete » (G.), 1657 « op het armelandt teghen de straete comende van Termeulen naer tschil~ deken»: 1767 : «op de Nieuwstraete aen het schildeken » (G.) In 1731 was er een herberg De Groene Boom ( « op de Nieuwstraete het huys gen. den Groenen Boom », G.). In 1664 waren er de volgende herbergen : Berthel de Munter « ~erhergier ende hantwercker »; Laureys W ets, herhergier « op den Dnessche », op een grond van drie dagwand; « Cathelijne Berckmans weduwe wijlen Sidrach de Ridder in sijn leven vorstere van den ~oude van So?Ïen... haer generende met bier te tappen », ergens In het dorp; Pteter van den Plas, herbergier en handwerker; Rogier de Haese, smid en herbergier; Korneli.s Loucx, handwerker en bier· tapper. . .In de belastingsstaten voor 1745 zijn tien herbergen opgetekend : Gdlis . van Keerbergen (herberg, stokerij en brouwerij) ; Berthel Le CJe~<:<J (~erberg en winkel); Pieter de Troeh (herberg en b:ouwenJ); S1~on Laure~s (koster en herbergier); Jan Frans de R1dder (herbergter) . ~ (Lou~s Matton (smid, herbergier en winkelier); Jan van .den Plas (herberg.ter); Jan Wets (herbergier); Pieter Looex (herbergter); Weduwe Daniel van den Plasch (herbergier); Bertel 316

317


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

V os ten hijsine van J anne van Osij onse proest, J oannes van der Slachmoelen onsen clerck ende Willem van Rohhrock... uitgegeven ende verpacht wordt aan J ooris van Boogaerden woenende In de Hutte een stuck weyde opt hosch geheten den Grooten Triest gelegen in Zoenien metter eenre zijde lancx aen de Stakette metten ander aen die goeden die J ooris van den .Boegaerden aldaer is houdende ... van a en sijn wooninghe ofte huys tot a en d' eerste meergat van de Stakette » (K.A.). De Triest lag in het hos tegenover hovengenoemd goed. In 1514 had « Peeter Rohhijns Willem de Molder gesmeten op te Hutte » (RK. 12548). In 1516 staat Jorys «weert in de Hutte » vermeld (ibid.). In 1629 woonde « Carel van den Eeckhoudt, oudt in de 40, int hosch van op skeutershutte », herhergier in Ste Huyhrecht (WR). In de 18e eeuw was er nog sprake van de « herberge geheeten de hutte » (S.P.I. 375). De oorsprong van de drie hekende Hutten (Vleurgat, Kleine Hut en Grote Hut) is niet bekend. Denkelijk waren die hutten bewoond of gebruikt door vorsters van het woud. De Grote Hut werd ook Keutershut geheten naar de naam van twee hekende vorsters, Wouter de Keutere in 1525, Goedevaert de Keuter in 1548 (RK~. 12549). Het was in elk geval steeds een verzatnelplaats van boswachters, reizenden en trekkendèn enz., wat af te leiden valt van de nogal talrijke kleine voorvallen die in hoeken en rekeningen opgetekend zijn. In 1525 werd door vorster Wouter de Keuter aangebracht dat de potten van de hiermaat van « J oorys, de weert in de Hutte », te klein waren (RK. 12549). Datzelfde jaar had «het wijf van Lyhrecht Sammels, pijper » (doedelzakspeler), uit Anderlecht, « in de Hutte » een man gesmeten met een pot op zijn hoofd; Jan- de Wuw geheten Hertgeselle, had dit aangeklaagd. In 1527 had Henriek van Boegaerden «in de Rutte » gevochten en Jan Loock met een pot gesmeten. Ook dat jaar had J acop Goyeloon de waard in de Hut uitgescholden voor verrader, « wijshot », koekoek, en hem willen slaan. Jan de Rave1 vorster, had dit feit aangebracht. In 1529 had Adriaan de Custer in de Rutte met een pot geworpen. In 1546 had Vranck Zarteels « een coopman passerende door dhosch van Zonyen metten gesellen van den provoost Harlaer aen tschoon cruys in de Rutte grooten overlast gedaen, hem slaende ende dreygende zijnen hals af te houwen» ... In 1548 had Henriek de Munter « J ericken de pijper in de Rutte op ten dieperiek met een en pot in evelen moede gehloetreyst » (RK. 12550). In 1664 was «Joos Huygen den Jongen, hiertapper woonende op de spinette of jaegerscruys ». Dit kruis stond op de hoek .links van de steenweg en de huidige Brassinedreef. Tijclens de Franse omwenteling werd het omvergesmeten en verdween het. In dat zelfde jaar vindt men ook venneld een Jan de Leener als herbergier « op den walschen wech ». Er stonden toen maar drie huizen op de Grote

Hut. Een daarvan was gebouwd in 1604 en betaalde aan het. domein een cijns van 3 pond Artoois. De twee andere waren bewoond door hovengenoemde Jan de Leener en Jan Panneel. Ze brandden af in 1666 en werden heropgebouwd met hout uit het hos << ten gerieve van passanten reysende lieden » vorsters en jagers. In 1788 was Pieter Hulleberg waard van de herberg « genaemt de Groote Rutte». Op zondag 19 oktober v:an dat jaar had hij zijn «familie getracteert ter oorsaecke van het geliggen van sijne huysvrouwe », d.w.z. <<ter oorsaecke van het kinderhedde der haesinne omdat ze 14 daegen van kindt was». Onder de genodigden waren « drije cosijnen van de huysvrouwe die voor hun plaisier op de viole » speelden. Buiten nog verschillende personen van Alsemberg en Rode, waren daar ook J .-B. Schoonheydt, brigadier vorster van Zoniën en zijn knecht. Pieter Labarre sone Petri, die er «samen gedroncken hadden in eene kamer ». Tegen de avond, omstreeks 6 uur, kwamen daar ook Judocus van den Bossche van Bosvoorde, 25 jaar oud, kasseider, met Hendricus van W eyenhergh, kasseider te Als.emherg, wie hij een bezoek gebracht had. Bij wijze van bescheid, had Labarre aan van den Bosch en zijn vriend «overgebracht sijn glas met hier, gelijck dit oock aen hem gedaen had den inspecteur Schoonheydt ». De anderen, van hun kant, brachten eveneens hun glas aan Schoonheydt en Labarre over. Dit alles was echter maar komedie. Er hing poeder in de lucht. Een paar verbrui· kers zagen het ding aankomen en waarschuwden van den Bossche : « Cohe ick raede u van naer huys te gaen want vreese rusie ende dat gij sult qualyck vaeren ... » « lek sal gaen, antwoordde Kohen, maer moet mijn stock haelen ·die in de caemer is. » Dit was zijn verderf, want daar zaten nog Schoonheydt met « sijnen aenhanck ». Voorzichtigheidshalve trokken de verbruikers, de enen voor, de anderen na, .weg, want Schoonheydt had geen beste reputatie en werd gevreesd. ZeHs een gezelschap werklieden die in een « aparte caemer gerustelyck eene flesch wijn droncken », braken eindelijk op. Ze waren « alle, nyemant uytgenomen, vrouwelyck ofte hadden, soo men seght, eenen lapper aen »•.. Tussen het drinken do~r was Labarre van den Bossche heginnen te « chicaneeren ende te seggen dat hij niet levendig naer Boitsfort en soude gegaen hebben », waarop v. d. Bossche niet antwoordde... « integendeel, alnoch meerrnaels &ijn glas hier overbrengende om alsoe hunnen goeden moed te konnen winnen ... » Daar v. d. Bossche niet naar hun zin reageerde, lieten ze « eenige tassen punsch comen » en brachten ze over aan deze laatste, die « oock alsdan eenige tassen punseh commandeerde »... Op een gegeven ogenblik dronk Labarre zijn glas in een « teugh » loog en sloeg er « stommelinga » :m~e op het hoofd van v. d. Bossche « met soodanighe force ende geweld » dat het bloed « nyt sijn hooft op sijn kleederen was spruytende ende afseypende »... Ondertussen had Schoonheydt y.. d. Bossche « toege-

318

319


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

pakt met soedanigh geweld » dat dezes kleren ervan scheurden. Hem hij de « krage vasthoudende », gaf Labarre hem « differente slaegen op den kop met de punsch tassen» ... en sloeg er twee daarvan op zijn kop stukken... Op het getier kwam Hulleherg, die reeds naar bed was, toegelopen en trachtte het slachtoffer « uyt de handen van die harhaarsche tirannen » te verlossen. Schoonheydt « versoebt » hem echter v. d. Bossche « voorts dood te mogen slaen ende te vermooren ... » .« Dito haes refuseerde echter dit te laten geschieden daer het ongoddelyck .was », waarop Schoonheydt dan zei « houdt nu op, hij heeft genoeg ». Maar Labarre was het daarmee niet eens : «hij moet dood ende dood naer Boitsfort gedragen worden» ... Het slachtoffer « swemmende in sijn bloedt » was intussen wat hijgekomen en liep « al kermende naet· het waschhuys », waar Francisca van den Berghe ' << huysvrouwe van Petrus van Effen cokersse » die voor den « maeltijdt » gezorgd had, hem << uyt menschlieventheydt » het bloed afwaste. Op dat ogenblik kwam Schoonheydt erbij en vroeg « judasschig » wie hem geslagen had ! Uit vrees voor nog ergere gevolgen antwoordde v. d. Bossche dat hij niet wist, wat sommig.en deed zeggen dat hij « eenen laf aard » was. Dan kwam ook Labarre terug en stootte bet « meyssen, Barhara van Opveld stadakint (von• deling) van de stadt Brussel», tot tegén de muur zeggende « Laet mij maer voorts slagen, want als ik tot Boitsfort sal komen, ik sal der ook aen moeten» ... Met een tweede slag w.erd de meid tot tegen de kelderdeur « gadeijst ofte gelyck men gemeynelyck sijd, gevlogen >> ••• Eindelijk kon de deerlijk toegetakelde Bosvoordenaar ve~trek· ken ntet van W eyenhergh (wat deze gedurende het toneel gedaan bad staat nergens vermeld). Deze vergezelde hem, langs cle « Walsellen wegit.», de huidige W a.terloosesteenweg, die toen nog volop door het hos liep, tot op de Kleme Hut in de lterherg « de Swerte Marianne ». Daar werd « uty compassie ende solaes vuer aengemaeckt ». Na een « moraen tijd» en een weinig hersteld zijnde is hij « stillekans naer huys gegaelen ». Het moet een moeizame tocht geweest zijn alleen « diep in nacht », dwars door het eenzame en donkere hos... 6 to~ 7 kilometer ver. In elk geval het was tussen 2 en 3 uur in de morgen toen hlj thuis kwam « hehloeyt als een christus ». Chirurzijn Petrus Gillis, die er hijgeroepen werd, deed hem zijn wedervaren vertellen en stelde vast dat hij een « contusie in den kop had ter diepte van een lidt van den klijnen vinger ».•. Jan Schoonheydt, de voornaamste held van de gebeurtenis, werd natuurlijk ter verantwoording geroepen. Hij moet een rare seigneur geweest zijn. Hij werd opgesloten en nu kwamen de tongen los. Van alles stond er op zijn kerfstok : slagen en verwonding, ontvreemding; omkoperij, achterhouden van loon, diefstal enz.. Dibnaal zat hij voorgoed in de klem. Met alle middelen zocht er uit te gerakan.. Zoo liet hi.i o.m. ee·n getuige van Alsemberg en een van Rode op een pens-

kermis hij Labarre te Linkeheek verzoeken. Als de genodigden er aankwamen was er echter van een dergelijke kermis niets te zien, maar er zaten veel mensen, onder andere << den notaris van Calevoet », er werd op de viool gespeeld en gedanst. ;tv.Iaar er werd vooral gedronken .om ook de getuigen stomdronken te maken. Dezen vertelden later dat men hen zoveel « bruin hier » had doen drinken dat ze weldra niet meer wisten wat ze deden en verklaringen ondertekenden waarvan ze zich later niets meer lterinnerden en daarom ook herriepen. Hoe het met Schoonheydt juist afliep weten we niet. Over hem, zijn omgeviug· en zijn tijd ligt er in bet archief van het Woudwezen (nr. 543) genoeg om een roman van het hos te schrijven.·« Jan vol Schoonheydt, gij vagahond, gij dief » werd hem op de straat uageroepen ...

320

De voorschriften op de herhergen waren vroeger streuger dan thans. Om herberg te houden was er een toelating vereist. Meier en schepenen << resolveerden dat ingevolge het placcaert van 1585 nyemant geen herhergen en sittingen sal houden ten platten lande tensij dat hij alvorens sal hebhen permissie van onsen officier (veldwach· ter) ende wethouderen... Tegens welck placcaert heeft gecontre· vieert Thomas Voets het welck wij hent siju verbiedende mits desen uyt redenen siju ltuys seer onhequaem (ongeschikt) sijude als staende tegen over de kerckdeure van Rode alwaer seer groot scandael aeu den dienst Godts sonde connen te geschieden, Item geheel laetende hier te tappen op ander heltoorlijcke plaetsen »... (G. 8260). Dat huis stond inderdaad vlak vóór de kerkdeur. Pas in 1860 werd het af gebroken hij het vergroten van de kerk. De drankhuizen moesten gesloten blijven onder de H. Mis, het sermoen, de kristelijke lering, de vespers enz. In 1694 werd Thomas Voets bekeurd omdat hij zondags onder de goddelijke dienst hier getapt had. Dat de mannen toen, vooral hij een lijkdienst, wanneer de meesten thans nog de kerk verlaten na de offerande, baastig waren om in die herberg, een pot te pakken, moet ons uiet verwonderen. Het was een oude en algemene kwaal. In de 156 eeuw was het hestuur van de voldersambacht te Brussel verplicht een boete te stellen van 3 plaketten om de leden te dwingen tot op het einde van een lijkdienst in de kerk te blijven (Mém. Courr. de l'Acad. de Belgique 1903-04). De mens heeft steeds . een groot zwak gehad voor geestrijke dranken,. en dit is te begrijpen, maar het kwaad zit hem alleen in de overdaad... die schaadt... We hebhen gelezen over Noë en we kennen de gevolgen van zijn overdaad. Reeds in 1408 schreef Jan van Rode, dat « luden die ghesont inder .tavernen gaen dieke 11

321


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

(dikwijls) siec ende qualic om ha er herte daer weder nut. Die wel sprekende daer in gaen, comen dicke daer weder. u ut, ·dat men niet te meer en verstaet van dien ghenen die te voren wel spraken wat si segghen, dan of si ebreeuwsch spraken; siende Inden comen daer dicke weder uut, dat hem haer oghen staen als enen ver.. dronckenen calve ende dat si luttel of· ghene besceyt en sien; die daer recht op haer bene ingaen, die comen daer dicke weder uut al vallende ende al struckelende ende laveren die straten over als een scip dat laveert, nu op die een side dan op die ander; wise Inden comen daer dicke weder uut sonder sinnen ende wilt als een beest; ja ghesonde, mechtige Iu den worden daer somwilen doot uut ghedragen »... In de 17e eeuw was de (Franse) brandewijn fel in de smaak gekomen. De Brusselse dichter Suetemans schreef in 1659 daarover het «Lofdicht van de wonderlijcke kracht, deucht,, ende uytwer.. kinghe, van den ·klaeren edelen brandewijn >>. Maar het is vooral in de 18e eeuw dat het verbruik ervan sterk toenam. In de archieven vindt men daarvan wel sporen. « lteni in den In betaelt aen een half pint brandewijn . op den coopdag-h van meubelen» (1708). In een proces in verband met Zoniën verklaart een getuige dat hij gegaan was naar het dorp om de « vroeghmisse te hooren, en ter herberge van Peeter Everaerts gedronken had eene scheute genevel om hem aldaer te laten scheeren » (1789). Het sluitingsuur ook was veel vroeger gesteld dan nu. In 1712 werd J eroom Mosselmans gestraft << ter saecke van naer den 9 ure in de herberge verbleven te hebhen ». In 1715 kreeg Merten de Bue 3 g. boete omdat hij « naer den 9 uren heeft blijven sitten drincken in de herberge den Bistaffel » (hoven de Nieuwstraat). In een schepenboek uit 1824 lezen we een typisch verslag over een ronde die de schepen van politie Pieter J acquemijns samen met veldwachter Kornelis Everaerts gedaan had om de herhergen op tijd te doen sluiten. Ze vertrokken te 7 uur op Tenbroek bij Hendrik Wouters. Te 8 uur waren ze bij Lukas Oscé in het dorp (wijk C nr. 773). Deze antwoordde hun dat hij zou laten dansen tot 10 uur. Om 8,30 u. waren ze bij Pieter Louckx, wiens vrouw zei dat ze de toelating hadden van de meier - wat niet waar was - . Ze wilde niet doen ophouden. Om 9 uur kwamen ze binnen hij J akohus Pierret, die hun antwoordde : « de wet doet al wat ze wiL ik risqueer daer niet aen, dat ze doen mochten al wat ze kosten» ... Van Gillis van Isterdael ktegen ze ten antwoord dat hij deed zoals al de anderen. Vervolgens deden ze een tweede maal dezelfde ronde. Te 9,45 u. antwoordde Luk.as Oscé dat. bij zou ophouden. Om 10,45 u. zei Pieter Louckx, die ook niet voldaan had aan de wet « raeckende de klock-lu.yd.ing voor het slnyten van de herhergen », dat hij niet zon ophouden vóór 12 uur.. Te 11 u. hij Pie:rret ant•

woordde dezes vrouw dat ze wel wisten wat haar man gezegd had ... Dat jaar was het nogal roerig geweest. De 24e juni o~ 7,30 's avonds was er in de bovengenoemde herberg van Oscé twist ontstaan, die tot een vechtpartij ontaardde. Frans Heymans, Miehiel de Greef, J .-B. Steekman en J.•B .. de N ayer, « alle vijf werkmans bij de Meurs, papierfabriqueur » de eerste vier van de gemeente, de vijfde van Dworp, waren de belhamels. Er werd een pint stukgeslagen, drie glazen in het meel gestoken, het geld op de grond geworpen. De baas kreeg slagen en stampen en men trok zijn vest uit, natuurlijk alles in· aanwezigheid van veel toegelopen volk. Datzelfde jaar, in de nacht van 19 op 20 November, werd bij Jan Frans ·van Achter, herbergier en winkelier gestolen· «-door een venster gevende op de kasseyde, dewelcke nochtans voorzien was van een houte venster, die zij met zoodanige macht opengedaan hebben, dat ·zij een hout gebroken hebben van eenen ·duim dik, en drie duimen breed, die de honte vensters kruiste, en hebben door de vensters weggedragen bij naer alle zijn tinnewerk te weeten ontrent 16 tel.. jooren, waervan seven geteeckend waren met de letteren J.F.V.A., een terrine id., een dienlepel geteekend G.W. ontrent 15 tinnen lepelen ongeteekend » enz. Van Achter blijkt een goed ingezeten burger geweest te zijn. In 1789 had er een vechtpartij plaats « ter herberge van Mathias Crishauter, geseyt den Duyts ». Een der vechters heette Jacobus Miebiels en was << casseyder ende blockmaeeker >> ( G. 8323). Herbergen waren voorheen meer dan eens plaatsen die aan de politie heel wat last berokkenden. Vooral op kermis.. en dansdagen. In 1831 onder meer hekJoeg het plaatselijk bestuur er zich over dat wanneer men op de huiten laat dansen er steeds twist ontstaat. Telkens moesten er rijkswachters bijgehaald worden, maar ze konden natuurlijk niet oveyal tegelijk zijn. . In de laatste jaren verdwenen er veel herbergen. Aan de kloostermuur in de Dorpstraat stond er vóór de eerste oorlog nog de herberg met een mooi geschilderd uithanghord « In den Leeuw van Waterloo », waarop de toren met zijn leeuw kunstig geschilderd was. In het dorp was er ook « De Hert » en de « Drie Pottekens », « Het V alleke », tegenover het postkantoor, het « Café de la Poste », « In de Rechtvaardigheid »••• Soms bleef de naam van een herberg voorthestaan in de naam van een wijk of een straat. Zo de Dragonderstraat, genoemd naar de herberg « In de Dragonder », die later, belachelijk genoeg, « Le Dragon Bruxellois » werd. In 1762 woonde daar Jan de Becker die bij de dragonders gediend had en de Dragonder als toenaam gekregen had. Men vindt die herberg ook vermeld in 1834 (AG). Er zijn thans nog 77 herbergen, benevens 2 hotels en 5 herbergen

eethuizen. 323


'

GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

De oude hiermaat van Rode gold voor heel de streek huiten Brussel.: <<Ten platten lande wordt meest gehruyck de mate van Rode, waarvan den pot 5 oncen grooter is als dien van Brussel, ende houdt 32 oncen ». Men ziet het, toen reeds verkoos men de grootste.

ringen hebhen hetrekking op graan op termijn te leveren ~en met gereed geld te betalen. Dit heette men « voircoop ». Haast altijd is deze verrichting evenwel een geldlening, terug te betalen onder ·de vorm van graan om de ongeoorloofde interest te verduiken. De ont· leners heklagen er zich doorgaans echter niet over dat ze rente moeten .betalen, maar ·wel over wat er gebeurt wanneer de termijn vervallen is en niet in staat zijn het graan ,te leveren. De koopman verkoopt alsdan het graan aan de boer terug en dit wordt soms jaren herhaald. Deze opeenvolgende omzettingen van graan in geld en van geld in graan leiden per .slot van rekening tot een aanzienlijke verhoging van de oorspronkelijke schuld. Het bedrag van de woeker· rente is zeer verschillend. Bolsée rekende uit dat het liep· van 10 tot 50% per jaar. V oor Rode staat er in het onderzoek slechts één geval van dergelijke lening vermeld, nl. « tuugt Jan van W aterloes dat J acob vah der Roesen d' oude, cochte jeghen Peteren van W aterloes 100 mudden corens, half evene (haver) ende half rogghe, binnen 10 jaren te betalen alle jaren 10 mudden, ende ten ende van den 10 jaren so gaf de vs. Peter den vs. J acob sijn geit weder ». De andere gevallen zijn gewone geldleningen tegen interest «geit voor geit: «Item, tuugt Gielijs Coremans dat Peter Leder leende Vrancken den Poekenere ghelt om bate. - 166. Item tugt Vrancke de Poekenere dat hem leende de vs. Peter 1 croene, darvor hi hem ghelofde 2 gulden. Item, tugen met den vs. Vrancken, Hennen Hellinc ende Hein de Cautere. - 169. Item, tuugt Coppen Allten dat hem leende Hennen Prijsmes 1 dobbelen mottoen ende 2 franken op goeden pant eenen tijt staende om 14 groeten Brabants de weke te baten. - Item, tuugt Jan de Coc dat hi vercocht den vs. Hennen 3 mottoen die hem Goden Bec sculdich was ende gaffe den vs. Hennen om 1 möttoen en gereets gelts ». Dergelijke geldverrichtingen werden ook gedaan met goederen als hout, steen, kalk, wijn, brood, lijnkoeken, varkens, paarden enz. In de volgende klacht betreft het wijn : « Item, tuugt Jan van Meyghem. (Alsemberg) dat hem leende Reine van Bersele 10 mottoen, alle weken om 2 gelten wijns te baten, also mits 't ferlinghen ende verdagen wel 6 rnaent lanc, so gaf de vs. Jan den voregenoemden Heinen, boven de 10 mottoen, 90 mottoen ». In de volgende zaak betreft het « Kerstiaen Merte dat hi leende Geenken Bras 1 francke om 1 labay (brood) de weke te bate.» Zoals men ziet is er niet veel nieuws onder de zon.

ALGEMENE SOCIALE EN EKONOMISCHE TOESTANDEN In vroegere eeuwen was geld lenen <<op bate, op pande », straf.. haar met boete op grond van de mening dat het woeker was, nl. het nen1en van een huitengewone hoge rente voor geleend geld. Oor· spronkelijk noemde men inderdaad het nemen van rente steeds woe· ker. Slechts zelden werd geld geleend om het produktief te maken. Meestal geschiedde dit alleen wanneer iemand in ogenblikkelijke verlegenheid verkeerde. Hieruit is te verklaren dat men het nemen van rente beschouwde als in strijd met het natuurlijk zedelijk gevoel (A. Schillings, ESB, 1955, 199). Ook de Kerk verbood geld te lenen tegen interest. Maar wijl mensen door tal van oms!andigheden in een toestand kunnen geraken dat lenen de enige uitkomst blijkt, wendde men zich tot personen die door geen godsdienstig bezwaar weerhouden waren en deze waren in die tijden haast alleerr de Joden. Zo kwam het dat geld lenen een Joodse bezigheid werd. Het waren de Lomhaarden.. In vele steden waren er ook « Leentafels » en de meeste geschiedschrijvers die zich met geldverkeer hebhen bezig gehouden, o.m. G. Bigwood, « Le Régime juridique et économique du Commerce de l'argent dans la Belgique au Moyen Age », Brussel1921, meent dat de huitenlieden uitsluitend een beroep deden op die « Leentafels ». Deze schrijver had echter geen oorkonden over het platteland kun· nen raadplegen. Dhr. Bolsée echter was gelukkiger. In een studie door hem aan hetzelfde vraagatuk gewijd, nl. << Une enquête sur les usuriers dans l'ammanie de Bruxelles en 1393 », 1937, bewijst deze geleerde archivaris dat de huitenlieden wel hij woekeraars ontleenden. Bij het einde van de 14e eeuw was de toestand zó slecht; dat Hertogin J oanna zich genoopt zag een onderzoek te laten instellen. Driehonderd gevallen kwamen aan het licht, waaruit bleek dat de geheime woeker zowel in Brabant als in Vlaanderen bestond. Het onderzoek in de hoogmeierij van Rode had plaats van 23 tot 31 maart en te Rode zelf op 26 dito. « Dit 's hesnee ghedaen in der baneken van Rode, 26 martii anno XCJI0 , over dieghene die vercoep, perseroe of wouker ghedaen hebben, ghelijc wetteghe persone hierna besereven vor scepenen van Rode, te weten Wouter Cl a es ende Jan Aerts ». Welke zijn de verschillende soorten van renteleningen die in de processen-verhaal voorkOJnen ? Een groot gedeelte van de verkla-

324

Uit de aard en het bedrag van de helastingen alsmede uit de kategorie en de reakties van de belaste kan ook wel wat afgeleid worden over vroegere ekonomische toestanden. De sociale toestanden in de middeleeuwen waren helem.aal anders dan thans; zo mocht bv. een knecht zijn"' n1eester niet zonder

325


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

voldoende reden en zonder dezes toestemming verlaten (Recueil d'anciennes coutumes). In Rode troffen we daarvan een paar gevallen aan. In 1495 werd Willem Boenen « werckman van Roode gepoent om dat hij liet staen Anthonys Nienens werck ende ghinc elders wercken ». In 1497 betaalde Gielijs de Craye << woenende ter beyden in de prochie van Roode 1 royael boet omdat hij uyt den wercke van Gorijs Mariasis ghinc », en Willem Boen omdat hij zijn werk liet staan. In 1498, Willem de Hont te Rode omdat hij Mertens van Wesenhage werk liet staan (R.K. 12548). De mensen hebhen natuurlijk altijd helastingen moeten betalen; onder ene of de andere vorm, en nooit, al evenmin als nu, hebhen ze die graag betaald. Reeds in 1492 zien we het klooster van Zevenhorren ,klacht indienen tegen een belasting ( Cuvelier, Dénom· hrements ... ). Pirenne, IV, 24, vertelt dat in 1571 de mensen, liever geen hier n1eer drinken dan de hatelijke taksen te betalen, en over een « pastuer die de collecteurs (helastinggaarder), die tot hem te biechte quamen nyet en heeft willen ahsolveeren » (ib. 25). De oudste belasting die men vern1eld ' vindt is een bede v~ 50.000 kronen die door de 25 dorpen van de meierij van Rode in 1425 moest betaald worden (R.K. 4576~). Daarvan werd Rode zelf aangeschreven voor 12 kronen, Alsemberg voor 5, Doerepe (Dworp) voor 30,5 (? ), Huizingen voor 7, Buizingen 6, Linkeheek 16, Ruisbroek 27, Drogenhos 5, Beersel 5,5 enz.· De belastingen, de zogen. heden, hestonden uit een vastgesteld bedrag dat over de meierijen, dan over de dorpen en in de dorpen over de inwoners verdeeld werd. Deze verdeling over de inwoners werd gedaan door de bede· of belastingzetters. Alle jaren kwamen deze d!larvoor een· maal hijeen na de hoogmis van 9,30 u. in een herberg bij de kerk. Gewoonlijk was dit in die van koster Lauwereys, later in die van Jakobus Hullehergh en van Fremau. De bedezetters stonden er ter beschikking van de inwoners om alle klachten en bezwaren te ontvangen. In 1684 weigerde de huisvrouw van Jakob de Munter haar belasting te betalen. Ze werd dan vóór de schepenbank gedaagd en in zijn « aanspraak » verklaarde de meier dat « de lasten onder de gemeyntenaeren » verdeeld werden « naer proportie van elcx hehhing, bedrijf ende neringe », dat het « inschelijcx effen (even) soo dienstich ja noodsackelijck is » de niet betaalde lasten « bij wijse van executie (beslaglegging) te verhaelen, omderwille dat andersmts alle setboeeken (helastinghoeken) souden nutteloos blijven ende gewillighe betaelders door d'ongewillighe in den druck souden worden gehrocht, ten tweeden omdat het somwijlen is voorgevallen dat d'officiers, drijvende eenige executie, stoornisse ende feytelijck beletsel is aengedaen geworden de geexecuteerden oft hunne geassocierde, soo is daerinne, boven het gestatueerde van de Room· sche wetten en hij diverssche plaecaerten vooreien geworden. Bij

dewelcke groote corporele straffen, penen ende amenden nae meri.. ten van den cas tegens ende tot laste van de turhateurs ende heletters van executie sijn gecommineert... ». De hoornheesten van vrouw de Munter waren ten huize v~ Bertel Wets « afgepandt om daeraen te verhaelen de quote », dus haar aandeel in de dorpslasten. Daarna werden die heesten « geschat ende in bewaemisse ghestelt ten huyse v,an Jan Beymans », maar ze werden er uitgehaald en de « gedaegde defereerde niet aen het exploot. Opgetoghen sijnde door eenen quaeden drieft >> had ze de officiers. «met modder ende vuylicheyt soo dapperlyck hesproeyt dat sij hun hebhen moeten vertrecken ... om meerdere ongeineken » te voorkomen. Uit deze « ondeuchdighe handel >> kon ·men niet minder <<infereren als van naeckte ·violatie van de justicie »..• (G. 8257). In 1701 zagen de « regeerders van Rode » zich genoodzaakt het graan te verkopen van Jan van Keerberghen « tot hetalinge van de dorpslasten ». In 1747 was er een belasting per persoon hoven de 14 jaar, per paard, mnd, ploeg, schoorsteen en op de thee. Dit moest 1.706 gulden opbrengen. Op ontduiking van een persoon, heest enz. was een boete van 10 pattacons gesteld. Er waren toen alhier 66 personen die niets konden betalen. Van de gezinnen die moesten hetalen waren er 37 «ten achteren in de generaele capitatie de anno 1747 ende van dewelcke hij geenen middel, selfs niet de executie militair (dwang tot hetalen met de hulp van soldaten) betaelinge en heeft connen hekomen ». Men kon natuurlijk een kei het vel niet afdoen. En zelfs wanneer er wat was ging het soms nog niet. Zo ziet men in 1750 dat van Bertel Meerts wegens achterstand in de betaling van helastingen huisraad te koop gesteld werd. Er was echter niem11nd die een bod deed en de kosten der mislukte veiling bedroegen 34 gulden! (G. 8318). In de rollen der helastingen staan gewoonlijk de redenen van wanbetaling vermeld. Sommige van die redenen zijn wel eens pittig. «Jan de Gelane, oudt, catijvigh, arm ende faillant » (1745). Het ging nochtans slechts over een bedrag van 18 stuiver 1 oord. De weduwe Gillis van den Plassche «alias de Toeckersse en wilt niet betalen» (1765). Gillis Voets « seght niet te connen hetaelen ter oorsaecke dat hij hijnaer den geheelen winter met bevrosen voeten geseten heeft ». Voor iemand die Voets heet is dat niet te verwon· deren. Peeter Swalus « seght niet te connen hetalen om dieswille dat sijne huysvrouwe in dit jaer het ongelnek heeft gehadt van haer heen te breken (1766). J ...B. Huhloe arm, oudt, catijvigh ende gehreckeHjck (1771). Gillis Pierret zeght niet te konnen hetaelen ter oorsaecke van sijne lanckdurighe sieekte ende gehreckelijckheydt. Jan van den Gucht seght dat hij in 't jaer 1771 geene herberge meer en heeft gehouden ende oock in zijne ,.camme niet meer en

326

327


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

heeft gebrouwen. Sieur J .-B. Marne chirurzijn uyt den prochie vertrocken in salutate hospite (1759) ». Het ging om 10 stuiver. Armen en noodlijdenden zijn er steeds genoeg geweest en geval· len van kwijtschelding van de nochtans niet hoge helastingen komen er in de oude bederollen voortdurend voor (uyt reden van hare sobere gesteltenisse ... ) . In een zetting van 1755 had het dorp af te dragen een som van 503 g. en 8 st., « mitsgaders van alsnog haere quote (deel) in de 3de quaert van een en 20sten penninck toegestaen a en. sijne conincklijcke hoogheydt de Gouverneur generaal deser Nederlanden voor een extraordinaria secours tot onderhoudt van sijn hof» ... In 1772 (G. 8387) bestond er een belasting op de honden. Er waren er 31. We onderstellen dat dit kleine honden en schoothonden moeten geweest zijn, omdat we moeilijk kunnen aannemen dat de trekhonden, die hier veel talrijker moeten geweest zijn zouden helast geweest zijn. In onze bergachtige streek, immers, en voor het vervoer van hout, bezems en t~artjes naar de stad, was een trekhond onmisbaar en zullen er wel weinig gezinnen geweest zijn die er geen-~ hadden. ··

en boomgaard, 3 paasplichtigen, 2 koeien en 5 vaarzen in ~igendom. 1 in huur van Benderiek de Winckeleer. FRANSCHOIS MEDART., pachter opt holfken van de wed. wijlen Lieven de Blicq, 4 paasplichtigen, in eigendom 1 h. land op de Bellemansheide, 5 paarden, 1 veulen, 6 koeien, 6 vaarzen. CORNELIS CLAES, pachter,· 4 paasplichtigen, huurt een huis, heeft in eigendom 3 slechte paarden, 3 koeien, 4 kalveren, huurt een koe van elk van zijn broeders Pieter en ·Matheus. NICOLAES VAN ROSSUM,' pachter wonende op het Hoftenhouten, toebehorende de heer kwartiermeester-generaal te Brussel, 4 paasplichtigen, heeft 4. paarden, 1 veulen, 6 koeien, 4 kalveren, 1 varken, 1 enddeken schapen. Brouwers : PIETER DE HAESE, «brouwer van stile bezit in eygendom de Camme van Rode» groot met huis en groentenhof 1 dagw. en enige roeden, vier paasplichtigen, 1 koe, 1 vaars, 4 kalveren. FRANCHOIS LOOCX de jonge, zoon Andries, heeft in jaarschaar van zijn vader weide en land 3 dagw. met een camme daarop staande gelegen ten Broecke. Voermans: FRANCHOIS DE HAES, vooreman, 2 paasplichtigen, heeft in huur een pachthof toeheh. de erfgenamen van de heer van den Tempel, 1 paard. JAN PANNEEL, huis in eigendom op de Walse weg Zoniënhos, 4 paasplichtigen, 3 paarden. JAN CLAES, 4 paasplichtigen, 2 paarden, 2 koeien in huur van Jan Calle van Linkeheek en d'ander van zijn zuster begijn te Brussel. FRANCHOIS DE HAESE, de oude, 3 paasplichtigen, in eigendom een huis 1/2 bunder, 1 hunder weide op het Boesdalveld, 2 paarden, 4 koeien, .2 kalveren. JAN DE VERWER, 3 paasplichtigen, huis in huur toebehorende aan Hendrik Geyssels te Brussel, 1 bunder, 1/2 dagwand, 1 paard, 1 veulen, 1 koe, 1 kalf. Wagenmaker : JAN DE NAYER, 2 paasplichtigen, huis in eigen· dom, 2 koeien, 2 kalveren. . Boswachter : GILLIS LOUCX, waranthueder (jachtwachter) ende calengierder, 2 paasplichtigen, 1 koe, 1 kalf. Herbergiers: CORNELIS LOUCX, handwerker en hiertapper, 3 paasplichtigen, huis in huur, 12 bunder, 3 koeien, 2 kalvers. CATHELIJNE BERCKMANS, weduwe Sedracht de Ridder, in sijnen leven vorstere van den wouden van Soniën (haer regnerende met hier te tappen), 3 paasplichtigen, bezit in eigendom een huisje 3 dagw. heeft lf2 hunder op de Bellemansheide, 1 dagw. en lf2 bunder op het Terheideveld, 3 koeien, 1 kalf. LAUREYS VOETS, 2 paasplichtigen, huis in eigendom 3 dagw. palende den Driesche, 2 kalveren in eigendom, 2 huurköeien van de weduwe Sedracht de Ridder. BERTHEL DE RIDDER, 3 paasplichtigen, herhergier en handwerker, huis in eigendom 1 dagw., 2 koeien, 1 vaars, 1 kalf, 1 varken. JAN DE LEENER, 3 paasplichtigen, huis in eigendom op de Walse weg, 2 paarden, 1 koe, 1 zeug. JOOS HUYGEN den jonge, bier• tapper wonende op de Spinette oft J aegerscruys, bezit een huis ..

Over het algemeen. genomen, is er iu/ de vroegere eeuwen nooit grote weelde geweest. Zelfs de zgn. bemiddelden hadden het per slot van rekening zo heel ruim niet. In een gewoon dorp en op enkele jaren tijd een fortuin vergaren, zoals thans, was iets vrij zeldzaam: Alleen oorlogsleveraars, oorlogswoekeraars en hoge runbtenaren Uit de stad konden dat en dezen waren het die hoeven landerijen en heerlijkheden kochten. Landbouwers en amhachtsliede~ leefden stil en zuinigjes en onder de overige inwoners -was meer armoede dan wat anders. In een telling op 18-4-1664 (G. 8404 en 8405) gehouden ten oversta~. van de pastoor, van meier Roeland van der Eycken, schepen Gu1lliam Berckmans, bedezetter Bertel Simeons, griffier Guillam Robarts « als commissaris daartoe gedeputeert » komen gegevens voor die uiterst belangwekkend zijn voor de toenmalige ekonomische toestanden; ze zijn het ook voor de kennis van onze oude frunilies. Pachters : LOUYS BERCKMANS, pachter wonende op het pachthofken toeheh. de Abdisse van Terkameren. Hij hetaaide 6 Rijnsg. per jaar. Zijn gezin bestond uit 3 paasplichtigen, personen dus hoven de 12 jaar. Hij bewerkte ook 1 bunder land toebehorende aan de heer van Beersel. Hij hield 2 paarden, 3 koeien, 5 kalveren. NICASIDS BORREMANS, pachter wonende op « thof ten Berghen », toebeh. aan de wed. van de heer Raad Ricardt, 1 bunder, 6 paas.. plichtigen, 3 paarden, 2 kalvers, 40 schapen, 2 koeien in huur van Antoon Cr~hbe leenhouder te Beersel en van Bertel Simeons. HENDRIK VAN VELTHEM, pachter, huis in huur toebehorende de Ahdisse van Terkameren, 24 gulden per jaar, hunder met koolhof

*

329


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

I dagw. op de Walse weg, I koe, I kalf, 2 huurvaarzen. PIETER VAN DEN PLAS, herhergier en handwerker, huisje in huur van Janneken Crocket; wed. Gillis van den Plas, I dagw., I koe in huur van Gillis de Mol, maalder, te Linkebeek. Smid: ROGIER DE HAESE, smeth ende herbergier, 3 paas· plichtigen, huis in eigendom, 1 kalf in eigendom, I huurkoe van Jan Calle te Linkeheek en 1 stier van Gillis de Mol. Handwerkers: JAN MEEUS, 3 paasplichtigen, huisje in eigendom I dagw., I koe, I kalf. FRANCHOIS LOUCX, levende op de arme, 2 paasplichtigen, huis in huur van de wed. Carel Loucx 6 dagw. Op hetzelfde erf staat nog een ander huis waar is wonende STEVEN P ANNEEL, voerman, 3 paasplichtigen en een paardeken, 1 koe. JAN MACHIELS, 3 paasplichtigen, I huisje in huur 2 lf2 dagw. DAVlD LERINIACQ, 3 paasplichtigen, arme, huis in huur van Jacques Kints, I koe, I kalf. JOOS METTEWIE, 2 paaspl., levende op de arme, huis in eigendom 3 dagw., 2 koeien en 1 vaars in huur van Jan Spinael te «Dorp» (Dworp). MACHIEL BILLET, 3 paasplichtigen, huurt huis van Joos Fastenaekels te « Doerp » metten hovenhorre (bakoven) waarin is woonende BERTEL DE GREVE, · levende op den armen, 2 huurkoeien, I huurvaars van Joos Fastenaekels. ANDRIES MEERTS, huis in huur. JAN DELBACK, 2 paaspl., bezit een « beg~nst >> huis in eigendom, 6 dagw., I koe, 2 vaarzen. PEETER DE SCHUYTENAER, 2 paaspl., huis in huur van de weduwe Anthoon Hellinckx (koster) Alsemberg, I bunder, I kalf, 1 huurkoe van J enne Strootsnijders. BERTEL LOOCX, 2 paaspl., huis in huur van Cornelis Houwaert te Linkebeek, 1 bunder, I koe, I huurvaars. JOOS CLAES, 2 paaspl., huis in huur van Matheus Claes, 3 dagw., 2 koeien. P AUWEL CLAES, 1 paaspl., alsnu levende op den arme, hut in huur toebehorende Cornelis Houwaert, Linkebeek, 3 dagw. land in den Hoeck, 2 koeien, 2 kalveren. JAN PANNEEL, 2 paaspl., stroetsnijder heset huysken half geruineert toebeh. erfgen. Jan Pauwels. NICOLAES MACHIELS, 3 paaspl., beset een huys van Terkameren, 2 eigen koeien, 2 huur· koeien. PADWEL DE GREVE, 2 paaspl., huis in jaarschaar van den arme, 1 koe, 1 huurkoe van Andries Michiels. NICOLAES ABLOUS, 2 paaspl., huis in huur, 1/2 bunder, 2 koeien. JAN DE WEVERE, 3 paaspl., heeft in eigendom 3 dagw. HENDRICK TIJCK, 2 paaspl., huis in huur van Gahriel de Ridder te Alsemberg, 25 roede, 1 koe, 1 kalf. MATHEUS DE WEVER, huis in huur. STEVEN VAN DEN PLAS, 2 paaspl., huis in huur, 1 koe, 1 vaars. JASPAR DE GROOTE, 2 paaspl., eigen huis, % dagw., 2 koeien, 1 kalf. Int selve huys woont alnoch PIETER LOOCX, 2 paaspl. THOMAS VOETS, 2 paaspl., huis in huur van Nicolaes Machiels, 1/2 bunder, 2 koeien. GUILLAM DE RONGE, 2 paaspl., eigen huisje, 6 dagw., 2 koeien, 2 kalveren. MATHUS DE WINCKELEER, oudt sieck man levende op den arme, 5 paaspl., in eygen gerinneerde hutte, 1 dagw. CORNE·

330

HET EKONONUSCH LEVEN

).

LIS VAN DEN A UDEN, eigen huisje gelegen op tapgaeylten (Tapgaatje), 2 paaspl., 2 koeien, 2 kalveren. ANDRIES LOUCX, 2 paaspl., huis in huur van Mathijs Meerts te Beersel, lf2 bunder, I koe, 2 kalveren. BERTHEL HEYMANS, huis in huur van Peeter Beymans te Ukkel, 4 paaspl., 2 koeien, 1 kalf.. NICOLAES HASSY, huisje in huur van Joos Huyge te Alsemberg, voor .een deel « gerinneert ». BERTHEL SIMEON, 2 paaspl., bezet .een huis in tocht door zijn huisvrouw toebehorende de ·erfgenamen· Jan 'de Smeth groot met het weiken daaraan gelegen lf2 h. palende aan de heek, 3 dagw. land opt Veldeken, 1 dagw. boven het Winkelken, I/3 hunder ter Heide aan het Ste Barharablok, I plexken land onder de Linde, 4 koeien, I/2 dagw. beemd in de Gemene beemd aan het goed van Rode Klooster. HENDRIK DE WINCKLIER, handwerker op het hos, 3 paaspl., huisje I dagw. aan het Beurrestraatje, I koe, I kalf, 72 r. land « Kerckestraetien ». JAN MACHIELS, 3 paaspl., I huisje 21/2 dagw., 1 koe. Zonder opgave van beroep : PHILIPS VAN KEERBERCH, 4 paaspl., huis in huur I5 hunder palende aan Zoniën, 2 paarden, 3 koeien, 3 kalveren. MAEYKEN WETS, wed. Gielis Claes, 4 paaspl., eigen huis 1 b., eigen huis 1/2 h., den Hoeck eigen huis 6 dagw. den Hoek, V2 h. land tegenover de Steenvoorteik, 1 b. land op het Bergenveld, 2 paarden, 3 koeien, 2 kalveren. GABRIEL DE HAES, eigendom 1 h. land op het Oproeveld, 1 beemd 70 roeden. ANNE DE HAES, huisvrouw van Jan Claes, I huis op rente, I/2 b. land op de Bellemansheide. JAN CURENS, 1/2 b. land. ROGIER DE HAES, bezit 1/2 bunder land op het Boesdaalveld palende aan de goederen van Terkameren. NICOLAES MACHIELS, in huur van Sr. Peeter de Garcia .lf2 hunder land op het Bergenveld. GABRIEL WETS, in huur van de kinderen Pieter J acohs schrijnwerker te Brussel, 80 roeden te Steenvoort. GUILLAM DE WINCKELEER, in eigendom I1/2 dagw. land op de Bellemansheide. ANNA BERCKMANS, huisvrouw van Steven van den Plas, in huur van de weduwe de W ez te Bmssel, 2 lf2 dagw. land op het Hayenvelt. HENDRIK BOENS, in eigendom 1/2 h. land ten Broecke. ANNA VAN DEN BROECK, weduwe Hendrick de Winckeleer, in eigendom 1 dagw., in huur van de weduwe Jan de Ridder tot Boetafoot 1 dagw. land, in huur van Jan Pletincx te Huldenberg, 12 roeden land aan de Linde... de Buerestrate. CATHELIJNE LOOCX, weduwe Steven Panneel, tegenwoordige huisvrouw van Franchois Hauwaert, in eigendom 1 1/2 land gen. den Hoeck. JAN P ANNEEL, wonende op de Hutte, in huur 1/2 b. land op ten Hayevelt. FRANCBOlS DE HAES, schepen, verklaert op naam van HENDRIK VAN VELTHEM, pachter van het goed van Terkameren een blok land en weide ten Crechtenhroeck, 7 bunder. NICOLAES MACHIELS, in eigendom een huis waar Thomas Voets woont, 1/2 bunder, 1 blok van 1 dagw., 72 roeden land op de Linde. JENNE GAY., 1 paaspl., weduwe HENJ)RIK BOON, arme, ~31


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

I huis, 1 bunder, I koe. In hetzelfde huis woont ook HENDRICK BOON, haar zoon, landwerker, 2 paaspl., 2 koeien. PADWEL DE KEYZER, op den arme, huis 1/2 dagw. in huur van de weduwe Hendrik de Haes, 2 paaspl., I koe. PIERIJNE BOON, weduwe MACHIEL DE GREVE, 4 paaspl., in eigendom een huisje 1/2 bunder, 1 koe, 1 kalf. ELISABETH LOOCX, weduwe Gillis Panneel, I paaspl., huis in eigendom 12 roeden, 1 koe, I kalf. NICOLAES WETS, huis toebehorende de erfgenamen van Jan Panneel. AUGUSTIJN HASSY, 2 paaspl., huis in huur van de wed. Gillis Claes. GUILLAM BERCKMANS, 4 paaspl., huis in eigendom 1 dagw., in tocht 3 hunder van zijn kinderen behouden van FRANCHOISE HAUWAERT, 2 paarden, 2 koeien, 2 kalveren. MAYKEN VAN WALSCHOT, wed. NICOLAES DE HAES, 2 paaspl., huis in huur 1/2 dagw., 2 koeien. BERTEL DE MUNTER, wèd. HENDRIK VOETS, 1 paaspl., huisje in eigendom If2 bunder, I koe. MARGARITA HUYGE, wed. CHRISTIAEN DE RIDDER, 2 paas pl., eigen huis 3 dagw., 1 koe in huur van Jan de Ridder, haar zoon, wonende te Vorst. In hetzelfde huis woont ook haar dochter MAEYKEN DE RIDDER, wed. SIMON PRIEM levende op aalmoesen of hij de H. Geest, woont alleen. BERTEL DE GREVE, 3 paaspl., oud gebrekkelijk man in vervallen huis in tocht in eigendom van Andries Loucx, 6 dagw., 1 koe In huur van Comelis Loucx. PEETER DE HAESE, · 2 paaspl., in eigendom huisje waar woont JENNEKEN DE DUYVE zijn moeder, weduwe HENDRIK DE HAESE en FRANCBOlS DE RIDDER, samen voor 8 g., 1/2 dagw. palende aan Jan de Nayer, rademaker. Franchois de Ridder heeft een koe. JENNEKEN DE DUYVE, wed. HENDRIK DE HAES, in eigendom 1 h. geh. Husemonts geleghe palende aan Jan de Nayer, rademaker, 1 h. op het Terheideveld, I derdendeel -gelegen ter Heide, 1 huis in huur door Matheus de Wever 6 dagw., 1 huis in huur door Pieter de Haes, 1 huis verdeeld in twee woningen, 1 h. aan de heek., 1/2 dagw. beemd aan de heek. MAYKEN PARIJS, wed. Guillam . de Nayer, in eigendom 5 dagw. op de Rollebaan tegen de beemd de Rose en de Wouterhos, 3 dagw. op het veld geh. de Rollehaan. JAN DE NAYER de jonge, in eigendom 1/2 hunder land op het Groot Rod, I derdendeel land op de Rollehaan. CATHLIJN WEEMAELS, wed. PHILIP DE RIDDER, huis in tocht van erfgenamen Philip de Ridder, 2 paaspl., % h. aan het Beurrestraatje, % dagw. land ter Heide, 1 koe. MARTIJN BOON, weduwe PEETER WETHS, 1 paaspl., in eigendom 1 huis 1/2 h., 1 huurkoe van haar zoon. NICOLAES MACHIELS, in eigendom een huis bewoond door Thon1as Voets, 1/2 h. tegen het goed van de kerk, 1 blok van 1 dagvr., 72 roeden land onder de Linde. (.ÀTHELUNE VAN DEN BERGHE, wed. JAN SIMEONS, 1 paaspl., huis in eigendom van een derdendeel, 1/2 h. en 1 dagw. land ter Heideveld, 3 daglv-. land ter Heide onder de Linde, 13 roeden. HUYBRECHT DE RONGE, levende op de arme, zeer oud en Ziek man.. in eigendom 1 hutteken van 12 roeden 332

HET EKONOMISCH LEVEN ~

op het Sint-Barharahlok, 4 paaspl. CATHELIJNE DE MUNTER, wed. GUILLAM DE HAES, levende op de arme met haar simpele zoon, in eigendom een « gerinneerd huysken », 1 dagw. op het Sint-Barhara· blok, 2 paaspl., 2 koeien. In dit huis woont ook STEVEN WETS, handwerker, met 2 paaspl. en 2 koeien. JENNE ROMBOUTS, wed. JAN CURENS, 3 paaspl., huis in eigendom 1/2 h. te Bolleheke, 1/2 h. land geh. Ketelerenlochten, 2 paarden, 3 koeien, 4 kalveren. REYNIER DE LEENER, huisje in eigendom, 3 dagw. MARIE GREUWELS, huisvrouw. FRANCBOlS MEDART, huurling van de erfgenamen van der Wilen, 5 h. land de Bellemansheide. NICOLAES DE RIDDER, zoon Gahriel, 1 h. land het Rosbunder, 2 h. 32 ~- op het Steenvoortveld. PIETER DE BECKER verklaart gekocht te hebhen van Guillam Beirens als getrouwd hebbende de dochter van Bernaeri de Bast 10 dagw. land te Tenhroek. MAGDALENA TIJCK, huisvrouw van BERTHEL HEYMANS, in huur 1/2 h. land van de Kapelanij van Beersel op het Winkelken, I/2 dagw. in den Hoek naar de Steenvoort toe. JAN MICHIELS, huurt 1/2 h. land van Steven de Maesschalck ter Heide, 1/2 dagw. land van de erfgen. van Cathelijne Weemaels ter Heide. ANNA VAN HEMELRIJ CK, huisvrouw van Jan de Groote, huurt I h. land van de Armen van Huizingen ter Heide op het Groot Rod, I dagw. land van de kerk van Alsemberg op het Groot Rod. NICOLAES MACHIELS,. in eigendom I dagw. land ter Heide, 1 stuk land 72 roeden onder de Linde, in huur '1 dagw. land op het Groot Rod ter Heide, 1/2 h. land van het Godshuis der Rijke Klaren op het Groot Rod, 1 dagw. land op het Groot Rod toebehorende aan Pieter van den Plas. ALNOLDUS HUBLO, in huur van de Kapelanij van Beersel 3 dagw. land op het Winkelken, 1/2 b. land op het Heyenvelt, 5 dagw. van de kerk van Alsemberg op het Heideveld. FRANCBOlS DE HAESE heeft in huur van de erfge· namen van Raadsheer van den Brande, 6 dagw. weide de Hoge Beemd, 1 dagw. het W aterhloksken regenoten het goet daer het hof plagt te staene, 1 b., gen. het Kwaadhunder op het Boesdaelveld, 1 dagw. aan het Stichelken van Alsemberg. PitTER HAUWAERT huurt I bunder te Steenvoort volgens een biljet van zuster Caleuris procuraterse van het klooster van Sint-Elisabeth « op den Berch Sion » te Brussel. In de telling van 1664 vindt men geen vermelding van houthakkers, bezembinders. De meeste mensen hadden geen bepaald beroep. Het waren kossaarden, die leefden van wat land, een koe, wat arbeid voor and·eren, wat houthakken, bezembinden. In 1686 telde men 80 huizen van koesaard en. (G. 9840). Er waren 2 papiermolens, 2 brouwerijen, 4 herbergen. (G. 9840). Een van de zwaarste tijdperken voor het grootste deel der bevolking van Rode was de XIX'. eeuw. De voornaamste oorzaken daarvan waren de naweeën van de Franse hezetûng, de oorlogen van Napoleon I, de opkomst der machines en, ..na 1830, de afschei· 333


HET EKONOMISCH LEVEN

GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

ding van Noord-Nederland. De arbeidende stand vooral betaalde vrij duur de prijs van onze onafhankelijkheid. W erkgehrek, slechte oogst, epidemische ziekten volgden elkander haast zonder onderbreking op. In 1820 wijst het dorpshestuur op << l' ex:trême pauvreté des hahitants ». (A.G.). Er liepen nog veel schooiers over het land die hij gelegenheid diefstallen pleegden. In een schepenverslag lezen we de tamelijk omstandige beschrijving van een diefstal in klare dag. In de namiddag van 22-9-1822 kwam hij landhouwer J aak Boon-de Man, op de wijk Tenhroek, een hedelaar gekleed met een korte blauwe kiel, een bruin fluwelen broek, schoenen met nagels, en een klein versleten hoedje op het hoofd. In de hand droeg hij een pakje in een wit en rood gekleurde zakdoek. Hij sprak gebroken Vlaams. Even daarna toog de boer met zijn volk naar het veld. Toen hij tegen de avond terugkeerde, stelde hij vast dat hij gedurende zijn afwezigheid was bestolen geworden. Negen manshemden, zes gemerkt 1net blauw garen aan de mouwen, drie vrouwenhemden, drie grote wit en rode zakdoeken, een « ebamoezen >> rok ( Siamoise, meestal purpere stof uit zijde en katoen waarvan het gebruik in Frankrijk eerst werd ingevoerd door de gezanten van de koning van Siam, onder Lodewijk XIV), een ·versleten heddelaken, een blauwe kiel, een blauwe voorschoot, een broek van groen nanquin (Nanking, oorspronkelijk hooggeelachtige stof, naar de gelijknamige stad in China) gevoederd met grijs linnen, een broek van groen fluweel ook met grijze voering, en drie gulden geld waren verdwenen. (ESB, 1937, blz. 395). Wanneer men de gemeentehegroting van 1820 vergelijkt met die van 1938, bijvoorbeeld, het laatste normaal dienstjaar vóór de oorlog, staat men versteld van het verschil. De ontvangsten van eerstgenoemd jaar bedroegen 531 g 2. st. de uitgaven 538 g. 21 st., zodat er een tekort was van 7 g. 19 st. In 1822 werd de gemeente verzocht accijnzen te heffen. Vergeefs echter. Als reden werd aangehaald, dat geen van de omliggende dorpen er gesteld had en dat de Rodenaren « pour la plupart de pauvres journaliers » zijn. Van het nieuw recht op « la mouture et l'ahattage » wilden ze evenmin weten. Op een bevolking van 1.680 zielen in 1825 werden er 1.461 voor het gemaal helasthaar geacht. De overigen werden als volstrekt onvermogend beschouwd. De belastingschulden werden in tien klassen ingedeeld : Klassen

1 2

334

Aantal aangeslagen

Belasting

personen

per persoon

25 52

1,40 0,75

3' 4

98

5 6 7 8

209 136 201 218 326 195

9 10

1

0,60 0,50 0,40 • 0,30 0,24 0,18 0,12 0,06

In de « hroodz~tting », in 1826, vernemen we de toen gebruikte soorten van brood met de prijzen in «Nederlandse ponden». Tarwe· brood gehuild 9 1/2 cent; idem ongebuild 8 cent; roggebrood 6 1/2 cent. In die tijd bestond er ook een belasting op de honden, maar schepen Fremau, die gelast was de lijst er van op te maken, had dit niet gedaan. Fremau betaalde zelf niet graag... Hij was ~Is · houtkoopman geassocieerd met een de Greef en heiden hadden verzet aangetekend tegen de betaling van belastingen. In een brief van het gemeentehestuur staat te lezen dat << I'autorité supérieure a connaissance que Ie Sr. Fremau est ennemi de la bonne Union ». In 1842 staat in de gemeenterekening een bedrag vermeld van 8 frank voor de inlijsting van het portret van de Hertog van Brabant (Leopold 11). Dit portret bestaat niet meer. Gaandeweg worden de lasten groter. De uitgaven voor bedelaars, zinnelozen en behoeftige zieken stijgen merkelijk. Vooral de kosten voor onderhoud van hedelaars en landlopers in de abdij van Terkameren, die, nadat ze door de Fransen was in heslag genomen en verkocht en achtereenvolgens tot f ah riek had gediend, ten slotte een gesticht voor landlopers was geworden. Het gemeentehestuur oordeelde dat « Ie Gouvernement doit prendre des mesures efficaces pour empêcher les jeunes et vigoureux: fainéants de s'y faire héherger »... In 1855 nochtans staaf de kas er goed voor. Immers, de ontvangsten bedroegen 5.108,74 fr. tegen 4.832,94 fr. uitgaven, met een batig slot dus van 275,80 fr. In de uitgaven was 1.670 fr. aan het onderwijs en 1.682,56 fr. aan de wegen besteed. Met de Franse overheersing was de armenzorg in handen van de openharen hesturen overgegaan, maar of het daarom heter ging valt te betwijfelen. In 1823 was er een tekort in de armenrekening van 750 gulden, << wat alle de inwoonders doet klagen en waervan twee derdes arme hoseh-werkers zijn ». In een bezwaarschrift tegen de militaire prestaties in 1824 leest men dat « les habitants de notre commune sont presqua tous d'indi· gents hûcherons ». In 1824 werd gevraagd om een commissie aan te stellen om een geldinzameling te doen ten voordele van de gemeente Sint-Jans-Geest. Ons armhestuur achtte dit nutteloos gezien « ire groote armoede der

335


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONOMISCH LEVEN

ingezetene, die hij naar altemaer houthakkers zijn, die verpligt zijn van weerzijde te helpen om te hestaan en 't is aan U ed. ook· wel bekend, dat deze gemeente (Rode), de armste is van 't geheel arron· dissement » (w. g. A. Demeurs). Sommigen namen hun toevlucht tot de koning. In mei 1825 ontving alzo Barhara van Helder echtgenote J.-B. de Nayer 40 gulden toelage van Willem I. De woningen waren haast alle van stro en klei. Zelfs landhouwers met paarden en runderen bewoonden zulke huizen. De weduwe Miehiel J acquemeyns-Panneels, hij wie verscheidene paarden gestorven waren, bezat vier lemen hutten en 3 hunder land, helast met 2200 gulden ! In 1828 vroeg het Armhestuur 150 frank te mogen lichten uit de Berg van Lening, « omdat er veele onvoorziene rampen in de gemeente voorgevallen zijn in de jare 1827-1828 ». Op 10-3-1830 deden burgemeester en schepenen een beroep op de Koning om een onderstand voor de « armen der gemeente, bijna geheel door behoeftige daglooners, bezemmakers en boschwerkers bewoond en onder de armste der provincie gerekend ». In 1835 lezen we weer dat «plus de trois-quarts des hahitants sont hûcherons, journaliers et mendiants >>.:Op 19-5-1836 ontving de gemeente uit Brussel 600 frank voor de « arme zieke mensen ». Ze maakte van die gelegenheid gebruik om 1.000 fra~ nieuwe steun te vragen voor de << convalescentie der cholerazieken ». Beteren deed het inmiddels niet. In 1841 heklaagde het gemeentehestuur er zich over dat de inkomsten slechts 1.593 frank bedroegen, waarvan er eerst af moest voor pensioenen, voor huishuur van weduwen en wezen 143 frank, voor dokters 224 frank, zodat- er slechts 929 frank overbleef om 61 gezinnen of 320 personen te steunen, huiten de personen die moesten geholpen worden wegens de strenge winter van 1841, «voyant l'état de dénuement et l'affreuse misère ou se trouvent les indigents de notre commune par un hiver aussi rigoureux: que nous venons de passer... et Ie hesoin devenant de plus en plus pressant, capahle d'émouvoir Ie creur Ie plus endurci, nous nous avons permis de disposer des dits fonds, et indépendamment de ces sacrifices,. si des personnes notables et charitahles n'eussent pas venus au secours de ces malheureux un grand nomhre parmi eux auraient dû périr de froid, de misère et de faim ... ». In 1846 werden van de 410 gezinnen der gemeente er 300 als arme huishoudens beschouwd. In die jaren heeft het Vlaamse land, dat al sinds lang door de geschiedenis niet zeer begunstigd was geweest, de denk gekregen die het thans wel materieel, maar in zijn diepste wezen moreel nog niet gans te hoven is gekomen. Van dan af mocht men spreken van het « arme Vlaanderen ». Want in wijde kringen van stad en land heerste er inderdaad zwarte armoede en ook als het ergste voorbij was zijn de gevolgen van die stoffelijke nood op ons volk blijven drukken; het is vreesachtig, ondeTWorpan,

lijdzaam gebleven, behept met een gevoel van minderwaardigheid. (Paul de Mont, « De Bloeiende Gaarde »). Zelfs de rijken hekJoegen zich er over dat ze te zwaar helast waren en... ze kregen voldoening ! De wegenbelasting van graaf Coghen, Generaal Lecharlier, de Suikerrafinaderij, de Bank (Société Générale), werd onderscheidenlijk verminderd tot op 12,96 frs., 19,68 fr., 28,50 fr. en 66,78 fr. Die vermindering werd, in 1842, door anderen aangeklaagd hij de goeverneur, o.m. dat de «armen hoger werden helast en de rijken verlaagd». (A.G.). Veel inwoners hadden in de vroegere jaren hun kost gewonnen door de rooiing van een groot deel van het Zoniënhos. Maar thans, klaagt de gemeenteoverheid, « notre commune, s'appauvrit d'année en année, par suite du manque d'ouvrage, la partie de la forêt de Soignes sous notre commune étant presqu' entièrement dérodée » (1845). In de winter van dit jaar moesten 326 gezinnen vier maand lang onderhouden worden. Er zal 28.110 fr. ontbreken schrijven de armmeesters. Buitendien dreigen er nog 173 gezinnen hij te komen die wat land hebben, maar wier aardappeloogst totaal mislukt is. « ... Notre commune, l'une des plus pauvres de la province et la plus malheureuse sous tous les rapports par ce grand nomhre de families sans travail et sans moyens d'existance qu'elle renferme, ne con· naissant d'autre profession que celle de hûcheron; ils pourvoyaient en grande partie à l'entretien de leur familie en travaillant dans la forêt de Soignes, mais à présent que cette partie est dérodée, ils n'ont pas d'ouvrage, pas de poromes de terre, et tombent à charge du bureau de hienfaisance ... » Bij die klacht voegen zij een over· zicht van inkomsten en uitgaven. Inkomsten : 1.909,83 fr., uitgedeeld aan kleren 629 fr.; aan eetwaren 726 fr.; in geld 186 fr.; aantal ondersteund~ gezinnen 153 met 612 personen. De volgende winter 173 met 692 personen. Tegen 0,75 fr. steun per dag en per gezin kon het Armhestuur niet ver geraken met de 1.229,83 fr. die het in kas had. De gemeentekas kon niet bijspringen; daar was ook veel te kort. De meeste hoeren konden niets geven. Ze konden zelfs hun pacht niet betalen. Om die toestanden enigszins te verhelpen besliste de gemeenteraad in 1851, toen samengesteld uit J .-B. van Keerherghen, hurge· meester, Degelas, schepen, Demeurs, J acquemyns en W ets, leden, onder meer een weefschool op te richten om « des ohjets d'étoffe de cotonnettes » te leren vervaardigen. Er werd een overeenkomst gesloten met de firma Verhuist, de Rongé et Cie te Ohain (Waterloo). In een brief aan de gemeenteoverheid schrijft de firma : « Pour satisfaire à votre demande nous venons confirmer nos conventions verbales relatives à l'apprenûssage d'ouvriers tisserands dans Ia commune de Rhode-Saint-Genèse. Afin de contrihuer autant qu'il est en notre pouvoir au développement du travail par la fahrication des tÎS$\lS de coton et de laine, nous fourniron\ l'ouvrage néoossaire

336

337


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET EKONOMISCH: LEVEN

afin que les apprentis soient promptement au courant du tissage de nos étoffes. La commune de son cöté se chargera des frais de contremaître et de la construction des métiers d'apprentis. Lorsque vous jugerez, Messieurs, qu'il y aura assez d'hommes formés, pour que ceux~ci en instruisent d'autres, vous pourrez renoneer au contre· maître que nous avons étahli à Rhode-Saint-Genèse à votre demande et à vos frais. Nous sommes persuadés que vous n'aurez qu'à vous louer d'avoir introduit !'industrie du tissage dans votre localité; c'est une bonne idée pour .Ie soulagement des hahitants pauvres et à laquelle nous nous aasoeions volontiers. » De kosten voor twaalf .weef getouwen met toebehoren en een leermeester gedurende een jaar bedroegen 1.600 fr. De gemeente kon die som echter niet betalen. Daarom stelde ze voor 5 opeen.. tiemen op de grondbelasting van 1850 te heffen, een lening aan te gaan en een toelage te vragen... Van een toelage wou Brussel niet horen. De hogere overheid ·ried aan een openhare inschrijving te doen en het armhestuur aan te spreken. Daarop antwoordde de. gemeente dat een openhare inschrijving niet te doen was, doorda( de inwoners elkaar al meer dan genoeg moesten hijstaan en dat het armhestuur vol schuld zat, wegens he~ onderhoud van de noodlijdenden en ook van de talrijke landlopers in het gesticht van Terkameren. Nochtans had het armhestuur in 1852 een huitenkansje genoten. Een heer Ferd. Nicolaij, ridder in de Leopoldsorde, rentenier te ... Stavelot, schonk toen hij akte verleden vóór Notaris Laurens de Neck te Sint-J ans-Molenheek, onder levenden, aan het bureel van Weldadigheid een eeuwigdurende rente van 250 fr. op de Belgische Staat. Tenslotte leende Luitenant-generaal Goethals in 185~ een som van 600 fr. tegen 4 % en terugbetaalbaar uiterlijk op 31-12·1855. In 1864 bleef er nog een oude schuld van 192,05 fr. van de « Ateliers de rlssage » te vereffenen. We weten niet of de weefschool veel hijval genoot. We hebhen de indruk van niet. De oude tijden, toen gedurende de wintermaanden de huitenmensen voor eigen gebruik lijnwaad weefden of lieten weven, waren voorbij. (In 1747 tekenden we drie wevers aan die bij de hoeren aan huis gingen weven, nl. Jan Hicx, Stefaan Pierret en Jan Frans Hendrickx). Veel beteren deed het inmiddels in elk geval niet. Op 22-11-1855 besteedde het bureel een som van 80 fr. « pour l'achat d'uu chaudron et Ie placement de celui-ci, devant servir pour la préparation de soupes économiques ». Die winter werd er voor 600 fr van die soep gemaakt. Het jaar daarop moet er weer gezorgd worden « pour faire face aux premiers heaoins des pauvres nomhreux de la COntllltme pendant l'année de ctise alimentaire que nous traversons »... In 1857 brak de rode loop uit. Dokters d'Udekem en Tongre brachten hun rekeninp:en binnen. De gemeente erkende de schuld, maar had geen

geld... Aan nieuwe lasten kon niet worden gedacht, « les ~ habitants étant déjà trop éprouvés dans les dernières années » ( 1859). Die ellende en werkloosheid moesten natuurlijk aanleiding geven tot bedelarij en landloperij .. Zo kree_g het 'bestuur ook last 1net dat volkje : «on . ne pourra jamais atteindre Ie hut désiré, si l'on continue à admettre avec cette même f acilité dans les hospices et dépots de mendicité, des personnes jeunes,' fortes et capables de tout travail corporel, mais lesquelles, par une coupable oisivité, s'adonnent à la paresse, à la mendicité, à une vie déréglée » (1859). De rekeningen van dit gesticht ·evenals van dat van Hoogstra ten, begonnen binnen te komen. Het duurde tot in 1867 voordat ze vereffend werden, « heureusement éteintes >> schrijven de armmeesters, blijkhaar opgelucht. Terloops delen we hier nog een mening mee van het Bureel van Weldadigheid uit 1869 over de economische toestand alhier, waarvan het beginsel thans nog volkomen juist is : « Considérant qu'il est incontestable que dans notre localité, la vie coûte aussi chère que dans les eentres de population des plus considérahles, puisque Ie prix de tous les articles nécessaires à la vie, est calculé d'après Ie marché de la ville de Bruxelles ou celui de Hal et ce qui est plus, il y a certaines choses qui coûtent plus cher chez nous que dans la capitale >> ••• In die tijd werden de behoeftigen zeer hijzonder geholpen door Baron Goethals, met voedsel, kleding en beddegoed. (A.G.). Nog eenmaal wordt er, in 1891, geklaagd over «les dépenses résultées de~ rigueurs exceptionnelles de l'hiver 1890-1891 », waarna de toenemende opbloei van landbouw, nijverheid en handel menselijker levensvoorwaarden gaan doen heersen. De laatste twee oorlogen . brachten een geweldige ontwaarding van het geld. Uit een reclamebiljetje van een paar jaren vóór 1914 lichten we de volgende prijzen ter vergelijking : << Truien in wol (alle kleuren) voor kinderen van 1 tot 12 jaar van af 1,95 tot 2,65 fr. Truien voor mans van af 4,40; kousen voor vrouwen van af 0,58 fr.; id. voor vrouwen en kinderen van af 0,40 fr., 0,95 fr.; id. extra zwarte en bruine van af 0,75 fr.; Carche corsets van af 0,40 fr.; Normalsche onderlijfkens voor mans 1,75 tot 2,35 fr.; Onderbroeken 1,75 tot 2,35 fr.; Cache-cols van 0,50 tot 1,80 fr.; idem in zuiver wol en in alle kleuren I, 70 tot 2,60 fr. Groote keus van hroekskens voor kinderen 1,75 tot 2,60 fr. Men aanvaardt ook het aanbreiden van kousen, zokken, enz. ». En de prijs van het vlees in 1933: Rund- en varkensvleeswaren (in de Lindestraat) : « Korteletten of Carhonade van de filet, het halve kg 6 fr.; Spiering 5 fr.; Roti 5,50 fr.., zonder henen 6 fr.; mager spek 3,50 fr.; vet spek 2,50 fr.. ; vet (reuzel) 3,50 fr.; ribbe.. kens en hammekans 3 fr.; gekapt 4,50 fr.; ltoppen het kg. 2 fr.;

338

339


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESIUS..RODE

geperste kop, het kg. 4 fr.; mager spek, per 5 kg. 6 fr. het kg.; saucissen 4,50 fr.; achterhespen, de 100 gr. 2 fr.; gekookte hespen, de 100 gr. 2 fr. Evenmin als thans hetaalden de mensen graag belastingen. In 1857 kloeg er een belastingschuldige omdat hij 70 fr. moest hetalen en maakte een· vergelijking met wat andere burgers betaalden. Bij die gelegenheid leest men dat « les families du Baron Goethals et de Demeurs sont généralement connues dans la commune comme pratiquant sur une grandè. 'échelle la charité privée, surtout la familie de M. Ie Baron Goethals, dont les hienfaits aux pauvres sont immenses »... De hegroting van 1863 beloopt 23.555,30 fr. ontvangsten tegen 23.547,63 fr. uitgaven. De hegroting van 1884 deed een nog geweldiger sprong in de hoogte. De ontvangsten heliepen 76.703,56 fr., de. uitgaven 73.963,24 fr., zodat er nog een batig slot bleef van 2.740,32 fr. Voor de wegen werd 4.492 fr. uitgegeven. Dit belette de Raad niet aan de overheid te berichten dat « il est reconnu que la situation financière de notre commune est loin d'être hrillante, au contraire, il est permis de dire qu'elle est mauvaise ». Het is niet onmogelijk dat dit een stelsel van klagen was o~ ge~ werken te moeten uitvoeren, die vooral de bestuurders zelf, of hun geestesgenoten, zouden getroffen hebben. Het waren allen pachters en houtkooplieden en gedurig zijn er klachten tegen hen. In 1888 o.m: is er een klacht van die aard uitgaande van veertien personen. Dat jaar was er toch een tekort van 7.041,77 fr., dat in 1889 tot 3.168,18 fr., en in 1890 tot 1.404 fr. herleid werd. Het gemeentehestuur was daarover zeer fier en besliste dit door aanplakbiljetten ter kennis van de yevolking te brengen. Leningen waren vroeger omzeggens niet bekend. De eerste gemeentelening dagtekent van het jaar 1891. Voor verschillende werken werd een bedrag geleend van 25.000 fr., terugbetaalhaar in 66 annuïteiten. Dit werd met 6 stemmen tegen 4 en 1 onthouding gestemd. Omstreeks die tijd ook begon de gemeente zich te ontwikkelen. In 1902 waren er 20 bouwvergunningen; in 1903, 17, in 1904, 16. De volgende cijfers van even na 1950 geven, beknopt, een idee van de ekonomische toestand. Er waren 1.500 arbeidersgezinnen, 1.000 hediendengezinnen, 350 leiders van handel en nijverheid, 150 handelsgezinnen en 28 landhouwgezinnen; 45 meuhelfahrikanten, 24 textielhandelaars, 26 houthandelaars, 21 beenhouwerijen, 9 kolenhandelaars, 7 schrijnwerkerijen, 8 bierhandelaars, 8 elektriciteitshandelaars, 8 lood- en zinkhewerkers, 4 wasserijen, 13 aannemers van bouwwerken, 9 van schilderwerk, 14 van vervoer, 7 van stukadoorwerk, 5 van grondwerk.. Rode is thans een welstellende gemeente, waar o.m. het meubel.. bedrijf en een hrood~g voor werklieden en bedienden in de hoofdstad een grotere plaats zijn gaan innemen. Vlotte verkeersmid..

340

HET EKONONnSCH LEVEN

delen als electrische trein, tram en autobussen, een grondig "Verbeterd wegennet. Sedert 1830 vervierdubbelde de bevolking. Door noeste arbeid groeide mede uit een in hoofdzaak uit hout• hakkers, bezembinders, spaanderboeren, grondwerkers en « kleine lieden » samengestelde bevolking, gaandeweg een welvarende, meer ontwikkelde middenstand.

341


HOOFDSTUK VII

HET KULTURELE LEVEN VOLKSONDERWIJS Over de eerste eeuwen van het hestaan onzer parochie en gemeente is er betreffende het onderwijs niet veel in het archief overgebleven. Het zou dan ook geen zin hebhen feiten uit de alge~ mene geschiedenis aan te halen, was het niet dat door vergelijking met de algemene geschiedenis de waarschijnlijke toestanden alhier de weetgierige lezer aan het licht gebracht worden. Bij het lezen van de geschiedeniswerken ter zake ontgaat men niet aan de indruk dat er in elk geval meer onderwijs was dan gewoonlijk gedacht wordt.

Onder allen consten die men vint, Soe is die conste der penne aldermeest bemint, Ende hadden die conste der penne ghedaen, Die werelt hadde te niet gegaen, zo schrijft een Petrus van den Plas in een akte van 1479 uit Leuven (B.C.R.A., 1936, hl. 301). Reeds in het begin van de 15e eeuw, en in strijd met de gangbare mening, zegt Lehon in zijn « Histoire de l'Enseignement populaire », bestond er in onze streek reeds een waar volks~ onderwijs. De hekende Ludovicus Guicciardini, die in het midden der 16e eeuw 40 jaar in ons land verbleef, verklaart in een zijner werken dat haast alle dorpelingen « ten allen minsten », kunnen lezen en schrijven. Trouwens de eerste geloofspredikers hier te lande, net als onze huidige missionnarissen in de heidense landen, gaven onderwijs. Er kwamen reeds vroeg bisschoppelijke scholen en de bisschoppen droegen aan de parochiepriesters op jongelieden in hun pastorij op te tiemen om. ze te onderrichten. Dit was de kiem van de parochiale scholen die zich tot hij het einde van het oud regime handhaafden. De diocesane synoden verplichtten de ouderfi hun kinderen naar

343


HET KULTURELE LEVEN

GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

de zondagsscholen te zenden op straf van beroofd te worden van de hulp der H. Geesttafel (Pir. IV, hl. 343). Dit onderwijs was heel eenvoudig, maar het beantwoordde aan de behoeften van de tijd. Onze voorouders leefden eenvoudig en hadden geringe behoeften. De eerste grote stuwkracht werd, zoals hekend is, gegeven door Karel de Grote, die aan elke pastoor de verplichting oplegde een school te openen ten gerieve van de knapen van zijn parochie. Op de buiten, reeds in zeldzame gevallen in de 158 eeuw, vrij veel in de 168 en geregeld van de 178 eeuw af, was de koster tevens dorpsschoolmeester. Soms kreeg hij daarvoor een vaste vergoeding, elders genoot hij als schoolmeester een kleine vergoeding van wege de meerbemiddelde ouders en een toelage van de H. Geesttafel « Hoog herente pedagogen halen vandaag gaarne de schouders op en glimlachen hij de h~rinnering aan die kosters-schoolmeesters. Deze waren het nochtans die samen met hun eenvoudige pastoor de vertrap· pelde huitenbevolking der 168 eeuw tot een krachtig en godsdienstig volk kneedden» (Laenen, a.w., blz. 271-272). · De lessen der zondagsscholen hestonden in 1609 uit het verklaren van de katechismus en gebeden, lezen en s~hrijven (Pirenne, IV, 356). In een hoogmeiersrekening over de jaren 1397-1403 staat de volgende post « Item noch uitgehegeven Henrix den Seoelmeester met 1 plackate 5 guldens, ende Henneken van Cóudenherghe met 1 cedulle 1 gulden valent te ghader 9 mottoenen » {Rek. Rollen 2632/42). De pastoors en kosters hielden er echter geen annalen op na, zodat men over hun onderwijs maar zeer karige gegeve~s vindt. In de kerkrekening van 1730 staat een post waaruit gemelde toestand blijkt: « Aen de coater... ses sisteren coren 's jaers, ende dat voor het dirigeren, schrijven, en henaerstigen d'affairens der armen, mits· gaders om d'arme kinderen te leeren lesen en schrijven>> ... Op sommige tijdstippen was het nochtans niet de koster die het onderwijs waarnam. Het kon immers gebeuren dat hij dit liefst niet deed of er onbekwaam toe was, of geen tijd had, zoals koster Arnold Huhlou, die een vrij grote hoerderij bedreef. Een J. Polaerts was toen met het onderwijs helast en woonde in een huis toebehorende aan de koster. In 1698 ondertekende hij het volgend kwijtschrift; « lek onderschrevene kenne een jaer gewoont te hebhen in de camer van de weduwe Jan Huhloe, verschenen 13·11-1698, die de regeerders hebhen gehuert voor de somnte van 6 guldens 's jaers om aldaer schole te houden »..• Uit onderstaande akte kan opgemaakt worden waar die school gelegen was. In 1769 kopen Jakobus Dandoy en Elisaheth van Haelen, zijn huisvrouw, van Anna de Nayer weduwe Simon Laureys, meester rademaker en koster, « sekere hofstede metten huyse, schuerken; stalleken, camers, keucken, vloerken, werchuys, schole end.e voordere

;.

plaetsen wesende alle tegens malekanderen gebouwt onder een dack, mitsgaders met het hofken, hackhuys ende oven daerop staende, heneffens alle andere toehehoorten... groot 't saemen ... tusschen de 15 ende 20 roeden... outrent de kercke aldaer, paelende alsnu van vooren oostwaerts met d'eene lange seyde tegen 's heeren straete komende van Brussel ende van Terroeuien naer dito kercke, suydwaerts met d'een seyde tegens de camme ofte hrouwerije van de weduwe ende kinderen Peeter de Troch, da~r de heke tusshen heyde loopt, westwaerts van achter met de andere zeyde tegens een wevde ende noordwaerts met d'anderen eynde tegens een hofken heyde o~ck van dezelfde weduwe Petrus de Troch alwaer de haegen aldaer staende, in 't geheel toehehooren a en de hofstede alleen · wesende ~h~ynsroerigh met twee cappuynen ende 40 schellinghen ~ayements s Jaers aen den heere van Beersel waervoor jaerlickx hetaelt wordt 24 stuyvers 3 oorden... De cooper moet gedooghen dat Anna de N ayer haer leven geduerende ende naer ha ere doodt noch 6 wecken lanck aen d'een en d'ander van haere kinderen de lihere hewooninghe ende gehruyck van de schole en de afhanck ofte huylaert » (G. 8322, 348). Die school was dus gelegen op het perceel, dat in de Dorp· straat thans nr 39 draagt. In 1744 wordt er ook nog een schoolmeester vermeld, Amhroise., zonder meer. Over de graad van ontwikkeling of « geleerdheid » vroeger zijn er al evenmin veel gegevens. Er was trouwens groot verschil van tijdperk tot tijdperk. Veel hing af van de persoonlijkheid van de lesgever en van de politieke en ekonomische toestanden. Over het algemeen stellen we vast dat de overheidspersonen, meiers en schepenen, arm· en kerkmeesters, ten minste hun naam konden zetten. In een reglement uit 1717 « op de kerck ende H. Geestgoederen van den dorpe van Rode » vernemen we ànderdeels dat ze niet konden schrij .. ven en dat de Raad van Brabant voor hen een hijzondere regeling moest treffen: «Dat de selve rendanten, niet kormende schrijven, ofte andersmts onhequaem zijnde om hunne rekeninghe te schrijven ende te stellen, den pastoor 't selve sal mogen doen; ende de secretaris de selve teeckenen, sonder salaris daer voren te genieten. Dat alle de vs. devoiren, ingevolge van desen reglemente, oft andersints ter saecke van de goederen te geschieden, sullen moeten gratis gedaen worden, sonder eenighe oncosten, 't zij van vacatien, maeltijdt, verteir oft andersints; gelijck oock door den pastoor ende den coster, de hegraefenisse van aerme lijeken ende alle andere diensten en devoiren den aermen raeekende gratis sullen moeten gedaen worden •.. » Na Karel de Grote, was ongetwijfeld Maria-Theresia de voor· naamste bevorderaarster van het volksonderwijs. Karel bezat echter de macht om zijn hevelen te doen tûtvoeren, terwijl de keizerin, althans wat onze gewesten betreft, het moest afleggen tegen de onwil van het volk en de plaatselijke besturen.•

345


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET KULTURELE LEVEN

Het ontwerp van Maria·Theresia was van die aard dat het thans nog de kern uitmaakt van ons volksonderwijs. In haar verordening van 9-9-1774 leest men in de aanhef dat niets haar nauwer aan het hart ligt dan het ware welzijn van het land dat God haar toevertrouwd heeft, dat ze vastgesteld heeft dat de opvoeding, grondslag van het geluk aller natiën, een hijzondere zorg vereist. Ze wenst vurig dat de ouders hun kinderen ten minste 6 tot 7 jaar lang naar de school zouden zenden. In alle steden en dorpen moeten lagere scholen opgericht worden. Geen schoolmeester mag aangesteld worden, indien hij de voorgeschreven metode niet kent. Alle geestelijken of leken die. tot dusver school hadden gehouden, mochten voort onderwijzen, doch moesten zich zoveel mogelijk in de nieuwe metode inwijden. De leerstof bestond uit: a) de Godsdienst en zijn geschiedenis; de zedeleer; b) lezen zowel handschrift als drukschrift, de eerste vier regels van de rekenkunde met de regel der gewone verhoudi?· gen; c) op het platteland zal men gebruik maken van een hoekJe_ samengesteld om een « goed burger te maken en hem de spaarzaamheid aan te leren». · Alleen de geestelijken mochten de kristelijke leer onderwijzen. Al de pastoors moeten ten minste eenmaal per week katechismus in de dorpsschool geven. Het onderwijs moest tegelijkertijd aan al de· leerlingen van een zelfde klas gegeven worden. De meester moet ervoor zorgen dat al de leerlingen samen lezen. Ze moeten meer hun verstand ontwikkelen dan hun geheugen overbelasten. De kinderen moeten leren zich goed uit te drukken. Klasuren: 8 tot 11. 's Zomers op het platteland van 7 tot 10. 's Namiddags van 2 tot 4. Duur van het schooljaar: op het platte· land : ten minste van 1 december tot einde maart (vooral voor de kinderen van 9 tot 13 jaar. Daarhuiten zonder verplichting, omdat ze hun ouders in het goede jaargetijde moeten helpen. De 26 semester liep van Paasmaandag tot Sint-Miehiel (29 september). In de oogsttijd waren de lessen geschorst voor de kinderen boven 8 jaar. In de winter mochten de onvoldoend geklede kinderen niet verplicht worden naar school te gaan. Meisjes moesten vooral leren naaien, breien en alles wat voor hun staat nodig is. Wezen :mochten niet vóór 13 jaar aan het werk gesteld worden. Vooral in de zomer moest een soort van naschools onderricht gegeven worden, na de goddelijke dienst, nl. ten minste 2 uur les in de school en herhalingsles door de meester onder toezicht van de pastoor of de onderpastoor. De les begon met het lezen van het evangelie van de dag en het epistel en dan lezen; schrijven en rekenen, en veel ondervragen. Leerjongens kregen geen getuigschrift indien zij de avond.. en

zondaglessen. niet goed. gevolgd hadden. Er moest een register aangelegd worden voor het aanstippen van de vlijt en de oplettendheid der leerlingen. Op het platteland waren als toezichters op het onderwijs aangesteld, de pastoor, .de officier van de he~r en een voorzichtig man, gekozen onder de schepenen of een ..Inwoner der ge~~ente. .De priesters moesten goed op de hoogte ZIJn .van de onderWIJskwesties, zoniet mocht hun geen parochie gegeven worden. Artikel 21 bepaalde dat de onderwijzers wel toelating konden krijgen om een eerzame handel. te drij;e~, doch op straf va~ afzet· ting ·mochten ze geen herberg houden, Indien ze voldoend~ middelen van hestaan hadden. Ze mochten ook geen muziek maken of «deuntjes» spelen op feesten, bruiloften enz., in herhergen of dergelijke huizen. In onze gewesten werden die voorschriften omzeggens niet toegepast. Jozef 11 pakte de zaak opnieuw onder handen. Hij liet een onderzoek instellen. Daaruit bleek onder meer dat, wat de herhalingslessen betreft, (zondagslessen enz.) ze moeilijk om uitvoeren waren, << doordat de jongelieden de zondagen. en feestdagen ang~t­ vallig gebruiken om zich te vermaken ». De ~eiZer mocht al ev~~n slagen, hoewel hij van het ontwerp van ZIJD moeder de Ke1zenn nog heel wat had laten vallen. Hij bemoeide zich trouwens. met al te veel hijzonderheden die, hoe goed bedoeld ook, Iedereen ontstemden. Onder de Brabantse Omwenteling werd weer een poging gedaan, door advokaat Desroches. Deze betreurde vooral dat de Vlaamse taal veronachtzaamd werd en had de moed daartegen krachtig te reageren en maakte het onderwijs ervan verplicht. Deze taal, rijk en oorspronkelijk als al de talen der wereld, zei hij, wacht in onze streken slechts op een geniaal man. Omstreeks 1790 was de toestand naar de oude sleur teruggelopen. Leopold 11 had moeten toegeven aan het volk en al de door Maria-Theresia en Jozef ll ontworpen verheteringen moeten intrekken. De ouders vervielen in hun zorgeloosheid, die meer te hetreuren dan schuldig was. De meeste gemeenten bleven zonder school. Het onderwijs, als er was, werd gegeven in slechte lokalen, door onbevoegde meesters, volgens een gebrekkige metode. Men kon trouwens van hen niet veel eisen : ze waren slecht betaald. Stok en ezelsoren moesten de plaats innemen van een metode. De onderwijzers genoten geen achting. Wat was men ver van de tijd van Maria-Theresia, die voor de onderwijzers de eerste plaats opeiste in de openhare plechtigheden 1 Door de Franse bezetting werd de ondergang van het onderwijs voltrokken. Wel stonden er tal van Franse ltervormers op, doch al hun stelsels leden aan utopische gedachten "Van de ideologie der


HET KULTURELE LEVEN

GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

Omwentelaars. Een ontwerp Chénier uit 1792 verving de benaming «maître d'école » (schoolmeester) door << instituteur ». Het kind hoot·t de Staat toe, alvorens aan de ouders toe te behoren, 1neende hij. Raffron was meer voor de vrijheid. << 11 y a moins de danger à laisser les enfants entre les rnains d'un père patriote qu'entre celles d'un maître corrompu ». In een ander ontwerp werden de ouders of voogden die hun kinderen niet ter school stuurden de eerste maal bestraft met een boete gelijk aan de helft van hnn helastingen en de tweede maal met de beroving van hun burgerrechten gedurende IO jaar... Met één woord, onze gewesten ondergingen al de lotgevallen die de Republiek in haar achterlijke gang meebracht. ·Ze had al de onderwijsinrichtingen afgeschaft en niets in de plaats gesteld. De Franse afgevaardigde Fourcroy stelde vast dat men niet meer leerde lezen of sciD;ijven. Onderwijs in de volkstaal wilden ze niet geven, voor onderwijs in het Frans hadden ze noch leerlingen noch de nodige krachten. Ze richtten alleen middelhaar · onderwijs in dat hun de kaders en de geest voor hun denationaliserend beleid zouden aan de hand doen. Onder het Directoire werd het onderwijs totaal vrij. Iederee:ri. mocht scholen openen. Dit was in elk geval heter dan niets. Het valt niet te ontkennen, schrijft L. Lehon in zijn a.w., dat pas in 18I5 onder het Hollands bewind de eerste volksscholen opgericht worden die naam waardig. Vooral de «Maatschappij tot Nut van het Algemeen » maakte zich in dat opzicht verdienstelijk. Omstreeks I816 zou Pieter Jozef Tellier, in I799 te Waterloo, een zoon van een schoolmeester, te Rode les hebhen gegeven terwijl hij hij z!jn grootvader te Alsemberg woonde om er hij de pastoor Latijn te leren en in het Groot Seminarie te Mechelen opgenomen te worden om later priester te worden. Dit althans staat te lezen in de vele aantekeningen die de latere kanunnik nagelaten heeft, vooral over de slag hij Waterloo. Van 1817 tot 1828 werden 1.146 schoollokalen en 668 onderwijzerswoningen gebouwd of hersteld. 1.977 onderwijzers en 168 onderwijzeressen kregen hun brevet. In I830 bedroeg het aantal scholen 4.046 met 157.000 jongens en 136.000 meisjes. Welke was in die tijd de toestand in onze gemeente ? Uit de karige aantekeningen in het archief vernemen we dat het gemeentebestuur in 1823 een toelage van 200 gulden vroeg op de « somme van 2000 guldens door Zijne Majesteit den Koning (Willem I) begunstigd voor het onderwijs... tot het kopen van boeken, banken, pipitters, inckpotten, stoef, stoelen enz. ». In 1825 werd het schooUokaal, dat eigendom was van de wed. Frans van Keerherp;hen, in goede staat geoordeeld. Het zou echter wat moeten vergroot worden. De f1;emeente zou dan 50 g. huur ~~

J ...B. de 348

.

Proos~ uit Denderleeuw

was toen « leenneester:. en

.i

.

ook koster in I826, 34 jaar oud. Hij had 50 jongens en 40 meisjes ... hij zomertijd. Er waren wel banken maar geen lessenaars. De kinderen hielden op hun knieën hun « kas », een soort van schooltas van karton of hout, waarop ze hun lei legden, Een stuk schuin gesneden schalie diende vaak tot griffel. De Proost bezat alhier 3 percelen land gelegen wijk A 82 • 25 • I04 (Popp). Weldra bleek het schoollokaal te klein. In I827 werd tot het houwen van een eigenlijke gemeenteschool besloten. Vier percelen grond werden daartoe voorgesteld : I. Een hof waar een lemen huis op stond gelegen hij de grote kerkdeur, «geheel nuttig tot een school »; 2. Een hof toebehorende aan de kerk << omtrent dezelve gelegen waar een lemen huis op gesticht is en welker materialen aan de huurling zijn toebehorende» (op jaarschaar, dus), omtrent 25 roeden groot; 3. Een hof insgelijks toebehorende aan de kerk, aldaar gelegen, groot 20 roeden, waar een lemen huis opgebouwd is, waarvan de houwstoffen aan de huurder toebehoorden. Deze laatste twee huizen waren verhuurd voor 9 jaar met ingang van 30-11-1827; 4. Een stuk labeurland toebehorende aan de Arme, 50 roeden groot omtrent 200 ellen van de kerk (140 m). Geen van deze stukken werd nochtans genomen. Een << bevoegder» grond in het dorp, groot 16 roeden 75 Nederlandse ellen, ook toebehorende aan de kerk, werd ten slotte gekozen. Het is de plaats waar nu het gemeentehuis staat. Er stond een lemen huisje, gedekt met stro. De bewoner was Jozef Oscé, die 6 gulden 's jaars huur betaalde. De gemeente zou hem een ander huis bezorgen. De andere plaatsen werden te duur bevonden « gezien de luttele middelen der gemeente ». De gekozen plaats staat nader aangegeven als volgt: Een grond van de kerk, aldaar gelegen omtrent de kerk, groot 17 roeden, 13 ellen, 39 palmen, palende I 0 de steenweg, 2° de Molenbeek, . 3° Lukas Oscé, 4° Jakoh Oscé, gehuurd door Jozef Oscé voor 5 Nederlandse gulden 's jaars, alwaar zich op bevindt een lemen huis, aan voormelden Jozef Oscé toebehorende. De afstand geschiedde bij wijze van eeuwigdurende rente van 5 gulden per jaar, vrij van lasten. Oscé trok 18 g. om zijn huis af te breken. Plan en bestek der school werden opgemaakt door houwmeester Cordemans. Het bestek heliep 5. 700 gulden. De gemeente verklaarde niet hij machte te zijn dit te bekostigen, vermits ze maar over 1.800 g. beschikte. De raad meende dat «het zelve {de school) met veel minder pragt zoude kunnen opgerigt worden » en dat overigens een enkel schoollokaal voor Rode en Alsemberg zou volstaan... Zo zou één onderwijzer voldoende kunnen betaald, en een behoorlijk onderwijs kunnen gegeven worden. Ten gevolge daarvan werd het bestek tot 4.400 g.. vernûnderd. Op bet einde van 1828 ontving de gemèente 800 g. van de

349


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

« goedgunstigheid » van Koning Willem, voor het oprichten van de school. Meier Dachicoort sloot .een overeenkomst met Jozef Dieudonné, steenkapper te Alsemberg, voor het leveren van bruine steen. Die uitgave bedroeg 800 g., welke het nieuw bestuur na 1830 weigerde te erkennen. De gemeente kocht van J .-B. Wets 150.000 bakstenen en van de Nederlandse Maatschappij (nu de Société générale) « 23 eike hoornen, moetende dienen voor de oprichting der school ». Na 1830 kwam er een nieuwe inzinking. Sommige gemeenten die gedwongen geworden waren bedragen voor het onderwijs in hun hegroting op te nemen - en nu dachten onafhankelijk te zijn schaften deze af. Onderwijzers vielen zonder betrekking en allerlei minderwaardige scholen doken op. Te Rode blijkt dit evenwel niet het geval geweest te zijn. Inmiddels geraakte de school in 1831 voltooid. Onderwijzer de Proost was er nog en onderwees tot in 1833 << lezen en schrijven in het Vlaamsch en de eerste beginselen van het Fransch, rekenen elt catechismus». Hij werd opgevolgd door Miehiel Ferdinand Victor Meulemans. Deze had 55 leerlingen waarvan 25 meisjes, op een bevolking van 1.849 inwoners. Hij genoot geen wedde, maar trok 0,64 fr. per leerling en per maand. In 1835 was er echter geen onderwijs. Waarschijnlijk was Meulemans vertrokken en vond men geen plaatsvervanger. In elk geval, pas in 1836 kwam er een nieuwe onderwijzer, nl. August Thielemans. In de school stonden toen 7 lessenaars, 4 banken, 1 reken· hord en 1 kachel Er waren geen maten en gewichten; die werden eerst in 1848 gekocht. Thielemans, die 75 fr. wedde trok, bezat naar het schijnt de vereiste bekwaamheid, maar was te oud om zijn leerlingen te behouden. Ze maakten naar het schijnt geen vorderingen. De gemeente zag zich gedwongen hem met het onbeduidend overhlij.. vend aantal leerlingen in een door haar bezorgd lokaal te plaatsen en hij gebrek aan een mannelijke kracht, Zuster Louisa Roefs in de gemeenteschool aan te stellen. Deze had 104 leerlingen, waaronder 70 behoeftigen waarvoor ze niets trok. Volgens verslagen uit die tijd, maakten haar leerlingen snelle vorderingen en vervulde ze haar ambt « avec grand zèle ». In 1836 bekloeg het genteentebestuur er zich over dat vóór 1830, 1.200 g. werd ontvangen en sedertdien nog geen centiem voor het onderwijs... De tijden waren hard. In 1840 lag het onderwijs weer eens in duigen. Men vond geen onderwijzer. De gemeente beloofde 100 fr. premie aan wie er een bezorgde ... Het schoollokaal bleek zeer slecht gebouwd te zijn; in die tijd reeds werd het door de overheid onbewoonbaar verklaard. Drin· gende herstellingen waren nodig. Er was hovendien gebrek aan 350

HET KULTURELE LEVEN

schoolgerief. In een inspektieverslag staat te lezen dat << de leèrlingen niet kunnen opschuiven bij gebrek aan gerief >>. Eindelijk kwam de wet van 23-9-1842. In elke gemeente moest er ten minste één school zijn, met dien verstande dat wanneer er voldoende onderwijs bestaat, er geen verplichting bestond een school te bouwen. Dat jaar werd Pieter Jozef de Brauwer tot onderwijzer en sekretaris aangesteld. In 1'843 werd er een klas bijgebouwd en de Brauwer, << digne instituteur » kreeg 400 fr. wedde, nl. 150 fr. van de Staat, 150 fr. van de Provincie en 100 fr. van de Gemeente. Hij gaf klas aan 136 leerlingen, die echter niet allen konden zitten, want in 1844 waren er de schoolmeubelen nog niet. De vrouw van de Brauwer, J oanna de Greve, die onderwijzeres was, gaf onderwijs aan 51 meisjes. Omstreeks 1848 werd onderwijs gegeven aan 110 leerlingen. De onderwijzers trokken 350 fr. en in die som kwam het armbestuur voor 100 fr. tussen. Inmiddels was in 1847 een vrije school geopend geworden door Zusters en hun onderwijs kwam zodanig in de gunst, dat reeds het jaar daarop mevrouw de Brauwer geen enkele leerling meer had. De jongensschool telde 56 behoeftige kinderen, waarvoor de onderwijzer, huiten zijn wedde van 300 fr., 24 7 fr. trok. In 1852 werden voor 200 fr. lessenaars gekocht en de lokalen hersteld. Meester de Brauwer overleed in 1854 en werd opgevolgd door Antoon Boelpaep, gemeentesekretaris. Hij vervulde deze posten tot in 1885. Het was een zeer verdienstelijk onderwijzer en ambtenaar. Bij een benoeming had de hogere overheid er zich tegen verzet dat hij deze beide hetrekkingen zou bekleden in een gemeente als Rode, met 2.915 zielen. Ten slotte kwam de zaak in orde. Er zou hem een onderwijzer toegevoegd worden, die hij geheel of gedeeltelijk zou betalen. Walter V erkoyen, uit Lier, werd daartoe benoemd. Deze genoot een wedde van 300 fr., maar Boelpaep moest hem kost en inwoon geven en Verkoyen moest de sekretaris helpen. Omstreeks die tijd genoten 107 leerlingen kosteloos onderwijs. Reeds in 1856 nam Verkoyen ontslag. Hij werd vervangen door Pieter Frans Philips, uit Lier, die in 1859 ontslag nam en opgevolgd werd door Fideel van Droogenbroeck, uit Stabroek. Na twee jaar vertrok ook deze en kwam in zijn plaats Felix Jozef Goossens, uit Sint-Kwintens-Lennik. Datzelfde jaar stemde de raad voor de eerste maal een bedrag voor de prijsuitdeling : 150 fr. De school werd vergroot en er werd een speelplein aangelegd. In 1862 besliste de hogere overheid dat een hoofdonderwijzer een tuin moest hebhen van ten minste 10 are. Daartoe kocht de gemeente Wijk C 789, een stukje grond achter het gemeentehuis dat tot achter het goed van Jan van Rossum reikte en toebehoorde aan de wed. Pieter Jozef de Brauwer, die intussen llertrouwd was met 351


HET KULTURELE LEVEN

GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

een heer Oste, touwslager te Hamme. Het goed was 14 a. 15 groot en kostte 1.556,50 fr. Datzelfde jaar werd de toelage voor de prijsuitdeling verminderd tot 130 fr. « quoique Ie Conseil eut volontiers maintenu la somroe de 150 fr. >>. De onderwijzers bleven hier nooit lang. Na drie jaar dienst nam Goossens ontslag om onderwijzer te worden te Alsemberg. Jan Hubert Benaets, uit Sint-Truiden, werd in zijn plaats benoemd. Boelpaep en Benaets kregen onderscheidenlijk 800 en 600 fr. jaarwedde. Deze laatste nam reeds ontslag in 1867 en werd opgevolgd door Karel Asveld uit Bonheiden. In 1867 werden de eerste landkaarten gekocht en werd een avondschool :opgericht, hoewel de gemeente liet opmerken << que sa situation financière, qui tendait à s'améliorer, a reçu un coup terrible en 1866, par l'épidémie (de cholera) qui a ravagé la commune». Asveld was de eerste onderwijzer der avondschool. Hij trok daarvoor 100 fr. plus 6 fr. per leerling. Hij had er toen rond de 100. De avondschool had grote bijval. Ook Boelpaep werd met een leergal)g helast en er werd zelfs voorgesteld het ganse jaar door les te geven. Doordat Rode haast uitsluitend een landhouwgemeente was, werd daarvan echter afgezien. Maar voor de kinderen van minder dan 14 jaar, die hij Demeurs, de enige fabriek te Rode, werkten, werden hijzondere avondlessen ingericht. · In 1868 waren er, benevens 133 behoeftige jongens, een dertigtal betalende leerlingen, - 12 fr. voor de hoogste afdeling, 9 fr. voor de laagste. Het onderwijs stond toen op goede voet en gaf voortreffelijke uitslagen. In de vergadering van de Raad van 26-6-1870 werden de onderwijzers gelukgewenst om de schitterende onderscheidingen die ze met hun leerlingen hekomen hadden : 4 prijzen voor godsdienst en zedeleer en 4 voor de wetenschappelijke vakken. Omstreeks die tijd vroeg de overheid om een bewaarschool op te richten. De Raad was evenwel van gevoelen dat wijl Rode geen aaneengebouwde gedeelte had en de huizen overal verspreid lagen, een bewaarschool dus niet zou beantwoorden aan het doel van dergelijke inrichtingen. Intussen nam de bevolking maar gestadig toe. Er waren 412 schoolgaande kinderen. Een 15-tal daarvan volgden geen dagschool. De overheid maande aan lokalen hij te houwen. In een verslag van de arrondissementskommissaris leest men daarover, dat de school bestond uit 2 klassen die volgens de oppervlakte 67 en volgens .de kubieke inhoud 81 leerlingen konden plaatsen. Hij schreef dat bij zijn laatste bezoek er 132 kinderen in de klas van de hulponderwijzer zaten; «zaten» bij manier van spreken, want er stonden er 24 recht.... bij gebrek aan plaats op de banken ! Die banken hadden elk 8 plaatsen en er zaten 12 leerlingen op 1

;.

Asveld ging weg in 1877 en kreeg als opvolger Jozef Boelpaep, die in zijn derde normaalstudiejaar was. Datzelfde jaar begon de bevolking van de Grotè Hut en van de Hoek te roeren en stuurde ze een verzoekschrift. in.. om. een school te bekomen. Het hestuur viel daar echter niet mee in en vond dat de ondertekenaars niet talrijk genoeg waren, dat er wel 3 tot 5 man van hetzelfde gezin getekend hadden en verder dat de afstand toch zó groot .niet was ! Een derde klas in het dorp moest volstaan. Volgens de plans van bouwmeester Hansotte moest die derde klas 8.350,84 fr. kosten. Daartoe verkocht de gemeente een stuk grond in de Nieuwstraat voor 3.609,65 fr. P. Lots van Sint-Gillis was aannemer voor 6.316,88 fr. De meubelen werden voor 2.250 fr. geplaatst door J .-B. Wijns van Rode. Als derde onderwijzer werd dan benoemd, Frans de Groot uit Glabbeek-Zuurhemde. Intussen kwam een antikatoliek landsbestuur aan het bewind en brak de schoolstrijd van 1879 uit. In gans het land verwekte de nieuwe schoolwet een heftige beroering. De katolieken hestreden het godsdienstloze onderwijs zeer scherp. Allerwege werkten ze de oprichting van eigen scholen in de hand, om de schooljeugd aan d~ Staatsscho~l te onttrekken. Verreweg het grootste gedeelte der kinde~e~, g~mtddeld. 75 % voor gans het land, bezochten de bijzondere mnchtingen. Dit was ook het geval alhier. He~ Ministe~ie verzoc~t de gemeente een school voor meisjes op te richten en m afwachting een lokaal te huren of de meisjes naar de jongensschQol te sturen. Het gemeentehestuur verklaarde ueen middelen te bezitten om een school te houwen, te meer daar*=' het nog maar pas een derde klas bijgebouwd had. Verder bood er zich geen enkel meisje voor de jongensschool aan. Het lVIinisterie vroeg ook weer om een bewaarschool. De Raad besliste dat vermits al de kinderen naar de bewaarschool der Zusters gingen, dit nieuwe, nutteloze en trouwens ondraaglijke kosten zou meebrengen. In 1880 kwam de Raad evenwel op een vroegere beslissing terug en besliste hij een school in de Hoek te bouwen. . ~ddels w?ren er vooral wegens de grote afstand toch enkele meiSJes naar de Jongensschool gekomen en werd er een naaimeesteres aangesteld, nl. Rosalia Wilson, geboren te Alsemberg 19..3-1838 echtgenote Frans Danneel, 53 jaar oud. ' Voor de school van de Hoek werd een stuk grond aangekocht van . 33 a. 42 ca., gelegen Wijk B 173 a, eigendom van J ...J. J acque.. llllJns, tegen 11.000 fr. per ha. De aannemer was P. Mosselmans uit Linkebeek, voor 42.851 fr. De hemenheling werd uitgevoerd door Fitmin Raes, uit Alsemberg, voor 3.090 fr. In 1883 was de school gereed. Als ee:rste hoofdonderwijzer werd ér benoemd : Pieter Antoon Jozef Boelpaep. Hij genoot een wedde van 2;()00 fr. Buitendien


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS RODE

hedroea de hegroting van het eerste jaar onderhoud 25 fr.; school· behoefren 67,50 fr.; verwarming 82 fr. Doordat de school gemengd was, werd Gudula Colinet, echtgenote Boelpaep, tot naaimeesteres benoemd ~et een wedde van 100 fr. De kinderen hetaalden 1 fr. voor benodigdheden. In 1884 nam de Groot ontslag om naar· Hoegaarden over te gaan. In zijn plaats kwam Gustaaf De Coster, van de normaalschool van Gent, die reeds plaatsvervanger was. In 1885 werd de avondschool geschorst. Daarentegen werd het onderwijsprogramma uitgebreid en ook « les éléments de la langue française » onderwezen. Omstreeks die tijd heerste er een hevige krisis in handel en nijverheid. De vette jaren na de Frans-Duits~ oorlog van 1870 war~n voorhij en de gemeentekas was leeg. Om die reden werd voorlopig in de Hoek geen tweede onderwijze~ aangesteld. In de laagste. klas stond een « moniteur » of helper, d1e 50 fr. per maand verdiende (behalve in de vakantie). . : De voorwaarden van het kosteloos onderwijs werden gewijzigd~ Kinderen van ouders die minder dan 15 fr. belasting hetaalden kregen kosteloos onderwijs en de overigen heta.alden 1 fr. in de hoogste afdeling en 0,75 fr. in de laagste. Naderhand werd dit weer veran· derd en 0.50 fr. voor de laagste en de middelhare afdeling en 0,60 fr. in de hoogste betaald. · In 1886 rezen er moeilijkheden in verhand met de grenzen van het schooldistrikt. Die grenzen werden dan nader bepaald. In 1885 nam Antoon Boelpaep ontslag als schoolhoofd en als sekretaris. Gustaaf De Coster volgde hem als schoolhoofd _op. Bij die gelegenheid besliste de Raad, dat een aantal kinderen. van het mannelijk geslacht uit de school van het centrum naar die van de Hoek zouden overgaan en dat van 1 januari af elke school zou bediend worden door een hoofdonderwijzer, hijgestaan door een hulponderwijzer. Op 2 januari 1886 werden Alfons Coremans, uit Gahnaarde; en lsidoor Nijs, uit Scherpenheuvel, van de normaalschool van Brugge, benoemd. Hun jaarwedde bedroeg 1000 fr. De school van het centrum telde in 1887-1888, 153 jongens; die van de Hoek, 102 jongens en 40 meisjes. De Zusterschool had 225 leerlingen. .• De gemeentepolitiek speelt soms rare parten. Het was de tiJd van de Vetten en de Mageren. In 1888 deed er zich een koddig incident voor. Al het gemeentepersoneel kreeg van 150 tot 200 fr. opslag; kort daarop werd die beslissing. ingetrokken. Anderdeels werd 25 fr. gestemd voor de bekroonden van de wedstrijd onder de gemeente· scholen. De bevolking groeide geweldig aan. Van 1830 tot 1930 vervier• dubhelde ze, terwijl die van Alsemberg slechts verdubbelde. In het

354

HET KULTURELE LEVEN

Centrum werd een derde kracht nodig. Eustaas Polycarpu~ Jozef Wilson, uit Rode, van de aangenomen Normaalschool van Brussel, werd benoemd. Schoolbevolking op dat tijdstip : Centrum 203 jongens; Hoek 142 jongens en 30 meisjes; de Zusters 249 meisjes. Van 1889 af werd de avondschool opnieuw geopend, vijf dagen per week. Ook van dat jaar af werd het onderwijs volkonten kosteloos. Voor de meisjes was dit echter maar van 1898 af. Dit jaar namen de scholen deel aan de kantonale wedstrijd. Die van het dorp met 13 leerlingen, de uitslag was schitterend : 10 eerste prijzen, 3 tweede prijzen; de school van de Hoek met 5 leerlingen. Uitslag : drie eerste prijzen. Voor de prijsuitdeling werd 40 fr. meer gegeven. Voor het schooljaar 1890-1891 telde men 235 jongens en 293 meisjes. V oor de heide jongensscholen werden toen twee reeksen platen voor het onderwijs van de H. Schrift gekocht. In 1891 nam Caremans ontslag. Hij werd vervangen door Emiel Lavigne, toen plaatsvervanger te Dworp. De invloed van de dagschool op de avondschool liet zich gaandeweg gevoelen. In plaats van 5 dagen klas werden er maar 4 meer gegeven. In 1895 werd de bewaking van de kinderen op het middaguur ingericht. De schoolbevolking groeide gedurig aan. Een vierde klas werd nodig in het centrum. Ze werd gebouwd door aannemer F. Flamand, uit Eigenhrakel, voor 22.063 fr. Jong nog, overleed onderwijzer Wilson in 1899. Jozef Draegers werd in zijn plaats benoemd, maar ging reeds weg na amper een half jaar dienst. Jozef Smulders, geboren te Dworp, 13-2-1875, t 11-6-1934, volgde hem op. Tot opvolger van Wilson werd aangewezen Georges Straete, van de vrije Normaalschool van Brussel. Inmiddels ook te St-Gillis benoemd, nam hij binnen de maand ontslag en kwam Renaat W alckiers, van de Normaalschool van St-Niklaas in zijn plaats. Te dien tijde hadden de prijsuitdelingen plaats: in het Centrum de 1ste zondag van september en in de Hoek acht dagen later. De schoolbevolking bestond uit 273 jongens en 282 meisjes. In 1902 vroeg een onderwijzer dat de gemeente het middelbaar onderwijs van zijn jongens zou bekostigen ... Dit werd natuurlijk afgewezen. Wat de schoolgehouwen betreft, het bleek weldra dat die van het dorp, waarvan de verschillende delen op zeer verschillende tijdstippen gebouwd en de oudste ervan bepaald houwvallig waren. Tevens werden de lokalen van de gemeentediensten te klein. Op de vergadering van de Raad van 1..3..1904 werd de beslissing genomen een gans nieuw schoolgebouw op te richten, op de wijk.... Terheide. In 1907 overleed schoolhoofd Boelpaep. Isidoor Nijs volgde hem. als dusdanig op. In het Centrum werd deze op zi)n beurt opgevolgd

355


HET KULTURELE LEVEN

GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

door Servaas De Crem, uit Gooik, van de Normaalschool van Sint· Niklaas. Terzelfder tijd werd Pieter de Haspe tot 3e onderwijzer benoemd in de Hoek. Mevr. Wed. Boelpaep nam toen ontslag als naaimeesteres. Sinds de oplichting van een Zusterschool in de Hoek kwamen er trouwens geen meisjes meer naar de jongensschool De beslissing om een school te houwen op Terheide werd niet dadelijk uitgevoerd. Pas in 1908 werd een stuk grond voorgesteld van 67 a. 80 ca. wijk C 636 a en 642 a tegen 20.000 fr. per ha. De schoolkommissie verkoos echter een andere grond Wijk C 579, groot 88 a. 80 ca. tegen 10.000 fr. per ha. Dit is de plaats waar de school van de Wouterhos gebouwd werd. Bouwmeester H. J acohs maakte plans voor 6 klassen en de nodige bijgebouwen. Bestek 94.367,- fr., zonder de bijgebouwen. Deze kostten 28.999,87 fr. De nieuwe school werd ingehuldigd op 15-8-1912. De school was uitstekend, maar de afstand voor de kinderen van Tenbroek was er nog groter door geworden, en had ook tot gevolg, dat veel kinderen van het schoolgebied van de Hoek, dat vroeger tot halfweg de Nieuwstraat reikte, naar de nieuwe school overliepen. Daaruit ontstond al dadelijk onenig• heid en gekijf. Op 5-9-1912 werden twee onderwijzers hijgenoemd : J .-B.-L. Ma es en J .-V. Erkelhout, van de Normaalschoo1 van Mechelen. Gedurende het schooljaar 1914-15 telden onze scholen 397 jongens en 355 meisjes. Tijdens de oorlogsjaren had ons onderwijs niet al te veel te lijden. Het ging haast onbelemmerd zijn gang en in 1915 werd zelfs een nieuwe klas geopend, waarvoor dhr van Hassel, uit Oetingen, van de Normaalschool van Malonne, benoemd werd, met een aanvangs· wedde van 1.400 fr. In 1915 stuurden inwoners van Tenbroek een verzoekschrift om een school te hebben. Het ogenblik was natuurlijk weinig gtmstig en de zaak werd uitgesteld. In die jaren begon de nieuwe school van het centrum, die met weinig zorg en toezicht opgetrokken was geworden, een bron van onkosten te worden. In 1917 nam van Hassel ontslag. Bij gebrek aan mannelijke kandidaten, werd Margriet van der Stichel, uit Rode, van de N onnaal· school van Heverlee, benoemd. Onderwijzer Maes, die hij het leger was, overleed twee dagen vóór de wapenstilstand, op 9-11-1918, te Sint..Michiels-hij-Brugge, gestorven voor het Vaderland. Op 6-3..1919 werd hij vervangen door Frans Pierret, uit Rode, van de Nonnaalschool van Ukkel. Op 17-9-1920 werd schoolhoofd De Coster tot directeur zonder klas benoen1d. Ingevolge die benoeming, werd Jozef Retour, uit Rode, van de Norn1aalschool van Ukkel benoemd. Het jaar daarop werd ook Celestin Deroeck, uit Lo4 van dezelfde Nonnaaischool benoemd. Ook dat jaar werd het medisch schoolonderzoek ingericht. Dr. Leo Carlier voor de meisjes, Dr. Florent Claes voor de jongens. In 1921 werd de kwestie van een school in Tenbroek ter

356

)

hand genomen. Onderhandelingen werden gevoerd voor hef huren van de oude zeepfabriek van Gustaaf Winderickx. Nadien werd een stuk grond aangewezen, gelegen aan de Steenweg op Halle, wijk D 32 a en 30 d 2 groot 1 ha. Op 20 december vroeg het gemeentebestuur aan de hogere overheid om een bewaarschool met speelzaal op te. richten.· Ingevolge een grondige verandering in de samenstelling van de Raad na de verkiezingen, kwam daar ,echter niets van in huis. In september 1922 werd onderwijzer Alhin V alvekens hesehikbaar gesteld. Geboren te Rillaar 15·9-1870, overleden 3-7-1925 te Dworp, waar zijn vader koster was. In december 1923 werd de avondschool voorgoed afgeschaft~ Nog slechts 9 leerlingen voor drie onderwijzers volgden ze. In de oude school, achter het gemeentehuis, bleven nog twee bouwvallige klassen bestaan. Om al de klassen in één gebouw samen te brengen en genoemde twee lokalen vrij te maken voor een vaktekenschool, werd hesloten op de Wouterhosschool twee nieuwe gelijkgrondse klassen te houwen en van de gelegenheid gebruik te maken om al de gehouwen, die druipten van de vochtigheid wegens de terrasdaken, met een dak te bedekken. In 1923 nam onderwijzer Deroeck ontslag en werd hij vervangen door Jules Retour, uit Rode, van de Normaalschool van Lier. In augustus 1924 werd het onderwijs van de 4e graad volledig ingericht. Servaas De Crem werd er als leraar aangesteld. Datzelfde jaar werd V alvekens voorgoed vervangen door Frans Demunter, van de Normaalschool van Ukkel. Ook Pieter Ragoen, uit Rode, werd kort nadien benoemd. Op 30-1-1931 ging schoolhoofd Nijs van de Hoek op rust. Hij overleed te Anderlecht 6-5-1946. Renaat W alckiers .was zijn opvolger en in aantal werd Emiel Dehaspe, van de Normaalschool van Ukkel, benoemd. In 1932 ging op zijn beurt schooldirecteur De Coster op rust na een loophaan van 48 jaar. Zeer lang genoot hij die rust niet. Hij overleed op 29-12-1933. Als directeur werd hij opgevolgd door Pieter Dehaspe. In 1937 werden de twee klassen achter het oud gemeentehuis afgebroken met het oog op het optrekken van het nieuw gemeentehuis. In afwachting dat de klassen op de Wouterhos voltooid ware~ werden de kinderen van de laatste graad in de zaal van het Gildenhuis ondergebracht. In 1939 ging dhr Walckiers op rust en werd Servaas De Cr~ schoolhoofd. In aantal werd hij onder 30 kandidaten vervangen door Willem Savenherg, primus van de Scheppersnonnaaischool te Alsem.. berg. In de centrumschool werden drie nieuwe klassen opgericht. In 1940 werd mevr. Decrem·Van der Stichelen om., gezondheidsredenen

357


HET KULTURELE LEVEN

GESCHIEDENIS .VAN SINT-GENESlUS-RODE

hesehikhaar gesteld. Op 1-4-1942 werd Pieter Dehaspe schoolhoofd in het centrum. Bij gebrek aan brandstof werden de scholen van 5 tot 15-2-1942 gesloten. Op het einde van dat schooljaar bereikte P. Dehaspe de leeftijdsgrens en werd hij opgevolgd door Frans Pierret. Op 1-9-1943 nam Servaas Decre1n ontslag. Pieter Tiemunter werd in zijn plaats benoemd. In 1949 werden hijzondere Franse lessen ingericht. De eerste titularis was J an-Lodewijk Demol, geboren te Rode 20-2-1924, die kort nadien naar Kongo vertrok. Alhert Van Haelen, geboren te Rode 1-7-1916, volgde hem op. . . . ·Op 29-3-1950 ging Jan ·Erkelbout op rust. Jules-Jan Degelas, geboren te Alsemberg 2-9-1927, en Noël-Leo Beke, geboren 4-9-1927 werden henoeritd, evenals Frans-Leo-Adriaan Herremans, geboren te Dworp 22-8-1929. In 1955 Etienne-Raimond De Meyer, geboren te

Moederhuis~ kapel en school van de Zusters van VII weeën (1935).

Nederbrakel 22-4-1928. Op 1-9-1957, werd Frans Demunter aangesteld als opvolger van schoolhoofd Jozef Retour, op rust gesteld. Willem Savenberg nam ontslag op 1-9-1958. In 1945 werd Jules Retour schoolhoofd in de Hoek. Na zijn oppensioenstelling in 1959, werd hij opgevolgd door Pieter Ragoen. MEISJESSCHOLEN Zoals we reeds konden vaststellen., hestonden er althans wat het lager volksonderwijs betreft, geen afzonderlijke scholen voor meisjes, tenzij in een zeldzaam geval dat me-erbemiddelden hun kinderen naar

35·8

)

een kostschool stuurden. In een nalatenschapsrekening leest· men dat voor een dochter van Hendrik Thielemans en Petronilla de Haes vorster in Zoniën « aen Anna Françoyse Quaresme schoolmeestersse voor thien rnaenden de schole gefrequenteert te hebhen » 3 g. 10 st. en 10 g. 3 st. voor 29 maanden school betaald werd ( G. 8323). De eerste lerares alhier was Zuster Louise Roefs, die er onder· wijs gaf van 1836 tot 1840, maar van wie verder niets hekend is. Ze was ten andere niet speciaal aangesteld voor de meisjes en maar aangesteld hij gebrek aan een mannelijke leerkracht. Van 1842 af stond J oanna Katarina de Greve, echtgenote van onderwijzer de Brauwer, voor het onderwijs van de meisjes; ze had· er ~oen 51. De eerste eigenlijke afzonderlijke meisjesschool valt samen met d~ stichting van de Kongregatie der Zusters van Zeven Weeën in 1847. Het onderwijs in die school viel zodaiD.g in de smaak dat reeds in 1848, mevrouw de Brauwer · geen enkele leerling meer had. Op 13-2-1851 werd de kloosterschool dan ook door d~ gemeen~e aangenomen. Er waren toen 113 kosteloos schoolgaande ktnderen; In 1852, 122 en in 1854, 141. Deze kongregatie werd gesticht door Sahina Van Keerberghen dochter van Jozef Van Keerherghen-Meerts, Sahina was de jongste van acht kinderen. Ze werd geboren op 7 november 1820 op de hoeve « Lansrode ». Op 25-jarige leeftijd wilde ze naar het ~looster ga~n en trad t~e tot een kloostergemeente, die haar diensten rutoefende In het gasthms van Diest. Ze bleef er slechts vier dagen. Toen stelde Pastoor Peeters aan de ouders· Van Keerberghen voor een school te houwen te Rode, waar hun dochter volop kon uiting geven aan haar drang naar aposto· laat. In april-1846 werd een weide hij de kerk aangekocht, daar waar thans het klooster rijst (1). Sahina trok naar de Zusters Vincentianen te Gent om haar noviciaat te heginnen op 8 december 1846 en kreeg. op 13 januari 1847 het kloosterkleed en de naam Zuster Maria Felicia. Twee helpsters traden eveneens in hetzelfde noviciaat binnen: Maria Houpels en Theresia Van Keerherghen. Zij werden gc:kleed op 25 mei 1847. Dat drietal zou dan de kern vormen van de n1euwe (1) De familie Van Keerberghen bezat in de dorpskom reeds eigendom in erfpacht. In 1777 namen Jan Van Keerberghen, zoon van Gillis en. van Barbara De Gelas en zijn echtgenote. Anna Reniers voor 27 jaar in « jaarschaar > van de kerk ~en dagwand land;c palende aan de « Calseyde » van Rode naar Alsember~ palende aan de curegoederent aan Jakobus Hullebergh, aan Guülain Hullebergb en aan Jan Van Isterdael, genomen uit oen grotere partij van tien d.agwand;c tegen 10 g.. 10 st. per jaa.r, onder verplichting een «loffelijk:. huis erop se bouwen dat ze niet mochten verkopen, belasten of vervreemden. De boutwaa. behW.ve' die langs de &traat, bleef a'an de kerk. (A.P.) '

359


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

kloostergemeente die met instemming van Kardinaal Sterckx onder de bescherming van O.L.V. van Zeven Smarten, gesteld werd. Intussen was te Rode de bouw van het. klooster flink vooruitge· gaan: een school, kapel, keuken, refter, spreekkamer, kantschool rezen ras op. En op 25 oktober 1847 werd het kompleks hetrokken door de stichtster en haar twee helpsters, die op 13 juni 1848 geprofest werden. Na 12 jaar waren er 14 zusters die hun tijd verdeelden over ziekenverzorging, onderwijs, huiselijk werk, veldarbeid. De eerste school was een kantschool. Het kantweven werd er onderwezen alsmede het lezen en rekenen, schrijven en godsdienst. Van 1853 af kwamen er gediplomeerde leerkrachten in dienst en werd het staatsprogt'amma gevolgd. In 1946 werd op grootse wijze het eeuwfeest van de kongregatie gevierd in aanwezigheid van Kardinaal van Roey. De plechtigheid bestond uit een dankmis, een plechtige feestzitting, de opvoering van een kantate gedicht door Willem Savenberg op muziek van Piet Annon, en van Het Spel der Zeven Smarten. Bij het ontstaan van de schoolstrijd in 1879 deelde de overste van het klooster, Zuster Melanie, aan het gemeentehestuur mee dat ze de aanneming van haar .school verzaakte, die ze tot dusver genoten had. In 1884, na de val van het Ministerie, vroeg en hekwam ze opnieuw de aanneming. In 1880 had de hogere overheid de oprichting van een bewaar· school bij de meisjesschool geëist. De Raad antwoordde daarop dat er geen meisjesschool was en dat er hijgevolg geen bewaarschool kon aan toegevoegd worden; die meisjesschool hadden ze !'Chter ook geweigerd te houwen... Al de bewaarschoolkinderen van heide geslachten gingen ten andere allen naar de zustersschool. In 1887-88 telde de school 225 leerlingen; in 1890-91, 293. In 1914-15 bedroeg het aantal leerlingen van de heide zustersscholen 355 leerlingen. In 1920 werd in de school van het Centrum een 7e klas geopend. Met ingang van het schooljaar 1957-58 omvat het Instituut van O.L.V. van Zeven Weeën de volgende afdelingen: Kleuterschool, van 3 tot 6 jaar, Voorbereidende afdeling (lagere school van 6 tot 12 jaar), Moderne humaniora (van 12 tot 18 jaar), pretechnische afdeling (12-13 jaar), Technische school (van 14 tot 18 jaar), Vrije handelskursus (van 13 jaar af}. KLEUTERSCHOOL De kleuterschool werd door de Zusters opgericht in 1867 en bestond tot in 1907 uit één klas voor jongens en één klas voor meisjes.. Van dat jaar of waren de klassen gentengd.

360

HET KULTURELE LEVEN

DE ZUSTERSSCHOOL IN DE HOEK Deze school werd geopend in 1903 en door de gemeente aangenomen op 21-3-1904. De eerste overste was Zuster Klara, Angelika Taeckels. MEISJESSCHOOL VAN TENBROEK Deze school werd door de Zusters van O.L.V. van Zeven Weeën opgericht in 1950. Ze omvat een kleuterklas en de eerste twee jaren lager onderwijs. VAKTEKENSCHOOL In januari 1913 werd er een vaktekenschool opgericht. De eerste leraar was Louis Swaelens. De eerste kommissie bestond uit de heren Victor de Dobbeleer en Leon Thomas. Tot januari 1933 werden de lessen gegeven in de oude dorpsschool achter het gemeentehuis. Na de sloping werd ze overgebracht naar de zaal van de weduwe van Sumere op de hoek van de Lindestraat, nr 45, en de Boomgaardweg, voor· een huur van 125 fr. per maand. In 1922 werd een tweede afdeling ingevoerd. Als tweede leraar werd J .-B. Heymans, architekt, aangeduid. Deze was reeds lid van de kommissie en moest als dusdanig aftreden. Hij werd vervangen door dhr. R. W alckiers. In 1928 werd deze leraar in de plaats van Beymans en werd hij als lid der kommissie vervangen door dhr Frans Pierret. De lesvolgers werden aangenomen op de leeftijd van 14 jaar. Het tekengerief, als passerdoos, tee, winkelhaak, tekenplank, potloden, tekenhoek enz. waren kosteloos (uit een prospectus van 1937). DAVIDSFONDSAFDELING Deze afdeling werd op 29·6-1924 in het Gildenhuis opgericht voor onze gemeente en die van Alsemberg. Het stichtend hestuur was samengesteld als volgt : erevoorzitters : Ernest Magosse, pastoor en Emiel de Ruysscher, pastoor van Alsemberg; voorzitter: Constant Theys, staatsant.btenaar; ondervoorzitters : Augustine Van der Meylen, schoolhoofd te Alsemberg; sekretaris: Frans Pierret, onderwijzer; penningmeester: Clovis Fontaine, opziener bij de Boerenbond~ leden : Edward Van den Bogaert, onderpastoor, Karel Van den Maagdenherglt, onderpastoor, Adriaan Van Steen, onderpastoor, Alsem· berg, René Walckiers,. schoolhoofd, Jan Er~lhout, onder,vijzer, Fernand Mosselmans, bediende, Xavier Sleewagen, goudsmid. Het 12 tt

361


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET KULTURELE LEVEN

aantal leden bedroeg: in 1924 :79; 1925: 127; 1926: 178; 1927: 326; 1928 : 350; 1929 : 435; 1930 : 510. Onder dit hoog aantal leden waren er verscheidene uit de aanpalende dot·pen, waar nog geen afdeling was. Achtereenvolgens ging onze af deling er andere stichten te Dworp, Huizingen, Beersel, Linkeheek en Eigenbrakel (Terkluizen). Ledental in 1932 : 450; waarhij rekening moet worden gehouden met leden B. C. en D.; 1933 : 403; 1934 : 354. Met de oorlogeomstandigheden en de noodgedwongen verminderde aktiviteit en geldnood hij sommigen daalde natuurlijk het aantal leden dat in 1943, 238 bedroeg. Op 25-5-1946 werd te Alsemberg een zelfstandige afdeling opgericht. Er hestonden onder· afdelingen voor toneel, zang, en simfonie en een studiekring. Van 1924 tot 1944 werden de volgende•., ontwikkelings· en ontspanningsavonden enz. ingericht die een· huitengewone belangstelling wekten: 4 muziekfeesten, 8 sporenherdenkingen, 6 kerstfeesten, 28 voordrachten 4 kunsttentoonstellingen, 2 liederavonden, 2 zangavonden, 2 filma~onden, toneelavonden, 5 H. Missen tot lafenis van de· afgestorven leden en 9 uitstappen. Huidig hestuur : Z.E.H. R. Van Stapp.en, erevo~rzitter; Ferna'?-d Demunter, griffier, voorzitter; Herman Wauters, he~ende, sekretan~; Paul Octave, bediende, penningmeester; Fernand Ltntermans, Loms Van Keer, Adolf Loeckx, Noël Beke, Pieter Demunter, Renaat De N ayer, Roger De Smet, Jan Van den Henden.

tuten, de verentgtng, na enkele werkelijk mooi geslaagde feesten, uiteenviel... hoewel hier toch moet aan toegevoegd worden dat de oorlog en de naoorlogse toestanden hun deel in het roemloos einde ervan gehad hebben.

HOGER LEVEN Aanvankelijk heette deze vereniging << Troost in Nood », gesticht in 1917 door enkele onderwijzers, die de taak op zich namen een gt"oot toneelfeest in te richten waarvan de opbrengst zou besteed worden tot leniging van de nood van behoeftigen. Op donderdag 14-3-1918 werd dan door een «groep leraressen, en Ieraars van Rode en Alsemberg », Celestin Brassine, Pieter Dehaspe, Jan Erkelhout, Pieter Killens, Frans Pierret, Hendrik en Jozef Retour, Marguerite Straete, J eanne Swalens, Gustaaf Swaelens, Jozef Van den Bosch, Augustine Van der Meylen, Marguerite Van der Stichel, en Renaat W alckiers, de vereniging « Hoger Leven » gesticht om door « de inrichting van model-lezingen, uitgalmingen, letterkundige gesprekken, gezangen, muziekstukken, voordrachten met lichtheelden en het opvoeren van toneelstukken te streven naar meer verstandelijke en zedelijke ontwikkeling van het volk ». Daartoe werden dadelijk « vier vertakkingen : een muziek-, een letterkundige, een maatschap· pelijke en een toneelafdeling » opgericht. Voorwaar een edel opzet ! De samenstelling van die groep en van het hestuur was echter zo uiteenlopend van politieke strekking, dat, in weerwil van alle mogelijke vooroorgshepalingen in de sta•

362

TONEEL In de middeleeuwen is alhier geen toneel bekend, hoewel Pirenne (III, 300) schrijft dat heel de 16e eeuw door het reeds in ~e vorige eeuw zo groot aantal rederijkerskamers nog gedurig toenam. Ze waren even talrijk als de zangmaatschappijen in de 19e eeuw. Van deze eeuw af werden veel toneelstukken opgevoerd, maar niet door toneelkringen als zodanig. De Zang· en muziekverenigingen gaven echter elk jaar een toneelfeest ten beste. Vooral in het Gildenhuis werden geregeld toneelfeesten gegeven door de verschillende kulturele verenigingen die er gevestigd waren, zoals de Sint~Genesiusgilde enz. Af en toe trad ook een vreemde groeJ? op, o.m. het « Cransken » van Alsemberg, dat zeer gunstig aangetekend staat.

TONEELKRINGEN IN DE HOEK De eerst h~kende is de Sint-Guidokring, een soort van hoerengilde opgericht in 1903. Jacques Alhert van Alsemberg tekende er een « reglement» voor, dat jarenlang in de herberg van J aak Balieu hing. In minder dan 25 jaar tijd, -veranderde deze vereniging tot vier· maal toe van zetel en driemaal van naam. Ze stond achtereenvolgens onder de leiding van Jozef Smulders, Ferdinand Duson en Edward Swaelens. Tijdens de periode van 1928 tot 1934 kende deze wijk drie toneelgroepen: a) « Sint-Guido's kring» onder leiding van Edward Swaelens; h) « Sint-J ozefshond » onder leiding van Pieter De Munter; c) « Onder Ons » onder leiding van Jozef Smulders en later van Edward Swaelens. In 1935 trad een groep « Liefhebhers » op onder leiding van het toenmalig onderwijzend personeel, om de onkosten te dekken voor de herschildering van de kerk en de vernieuwing van predikstoel en doopvont. Uit deze vereniging werd in 1939 « Acta's Sint..J ozef » geboren met als regisseurs : Piet Savenberg en P. De Munter. De zuivere opbrengsten van de toneelfeesten en Vlaamse kermissen kwamen ten goede aan de kerk, aan de soldaten tijdens de mobilisatie, aan de krijgsgevangenen en later aan de opbouw van een nieuwe parochiezaal (tot in 1955) .. Noodgedwongen verhuisde deze groepering naar de « Gevaart » om heden haar scllennen ~p te timmeren in

363


GESèHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET KULTURELE LEVEN

« Terroeuien ». De regie is in handen van Jozef W eemaals met als voornaamste hestuursleden: Piet De Munter, Louis Deman, Pieter V anopslagh en Rik Desmedt.

Het lokaal was gevestigd hij J .-B. Dandoy, smid en herhergier op de hoek van de K.erkstraat en de Boomgaardweg.

SINT-CECILIAKRING Onder de verschillende zangverenigingen heeft deze kring steeds een voorname plaats ingenomen. Zij traden niet op huiten de kerk maar zorgden er voor dat de Rodenaren op elke hoogdag steeds een mooie brok gewijde muziek te genieten kregen. Tot in 1920 waren er zowat 20 zangers, maar in 1930 bereikte dat aantal er 40. ZANGVERENIGING « LA CONCORDE » Deze zangkring werd in 1858 opgericht in het gemeentehuis.: Alle vergaderingen en werkzaamheden werden zorgvuldig gehoekt in registers die nog steeds bewaard blijven hij de heer Willem De Mol in de Kerkstraat. Vooral van 1900 .-tot 1909, toen de muziek· leiding in handen was van de heer Backx en A. Van der Stichel, bloeide de vereniging. . De leden droegen een uniform hestaande uit een blauwe kiel (1), witte broek met zwarte strepen en « getten », een bleke hoed en een stok. Ze werden dan ook humoristisch « kikvorsslagers » geheten. De vereniging nam deel aan veel festivals en vieringen, o.m. te Dworp op 17-7-1866. In 1906 hield de maatschappij een festival ter gelegenheid van het 50-jarig hestaan waaraan 9 koorkringen en 11 fanfaremaatschap· pijen deelnamen en stukken uitvoerden op drie kiosken (Dries, Termeulen en Dorp). Daartoe schonk het gemeentehestuur 1.000 fr. toelage. Zoals het met de meeste van de zangverenigingen verliep verdwijn· de ook deze. De wereld verandert en brengt nieuwe levenswijzen mee. Na 1910 werd er niet meer gezongen. De vereniging hield nog alleen een jaarlijks feestmaal voor 6 of 7 overlevenden, in 1930. (1) Er wordt ten onrechte wel eens gedacht dat de buitenmensen vroeger gekleed gingen met een blauwe kiel en een « neusdoek met witte bollekeus ». een zijden klak op het hoofd en houten blokken aan de voeten. Dit is een vergissing.. De blauwe kiel diende vroeger ter besdmtting en vervulde zowat dezelfde funktie als thans de stofjas (eache-poussière). Hij werd vooral 's zond·ags gedragen boven de zwarte lakense jas die jarenlang moest meegaan. Wat er in de laatste jaren als nationale klederdracht in folkloristbelle stoeten enz. wordt gedragen, komt niet overeen met de werkelijkheid. Geen rode zakdoek, maar ltet witte «kolleke ::. en voor de borst, het witte «hemd ::. met het zwarte « krav.atteke ~, dat wms de dracht. (Paul Lindeman&t in «Volkskunde:.,. 1960.)

364

ZANGVERENIGING «DE JAGERS VAN 'T GEBERGTE» Deze vereniging, die eerst « Les Chasseurs de la Montagne » heette, werd op 1-1-1866 opgericht met het doel «de zangkunst aan elke rang en stand zonder politieke inzichten aan te moedigen ... ieder jaar aan de leden en muzikanten een muziek· en toneelkundig feest aan te bieden ... deel te nemen aan festivals, stoeten, uitstappen en hij mogelijkheid een feestmaal te geven of een reis te doen». Het lokaal was eerst gevestigd hij Susse Van Mies, op de Dries, later hij Susse Koelie, niet ver van daar, en nog later hij Jan de Kremer, ook in de huurt, in de Terheidestraat, << Au Grand Salon Lyrique >>, waar Tist Duson, de muziekmeester, was gaan wonen. De stichters waren : Frans de Becker, die 46 jaar lang voorzitter, erevoorzitter en bestuurslid bleef. Hij overleed op 6-1-1912. De hestuurder was J.-B. Duson, die aan de vereniging grote, belangeloze diensten bewees tot hij zijn afsterven op 31.8.1927. De voornaamste stichtende zangers waren: Alexander Duson, Ferdinand Duson, Frans Duson, Karel Mosselmans, Michel Straete, Hend1·ik Swaelens, J aak De Becker. Als voornaamste uitgevoerde koren staan vermeld : << De Kermis » en « De Eik » van Karel Miry, « Le Printemps », Kreutzer, « Les Martyrs aux Arènes », de Rillé, « Les Contrehandiers », Limnander, «La Muette de Portici», Auher, « Le Comhat Naval », Alfred de Saint-J ean, « 0 Pepita », Müller. Ter gelegenheid van haar 20-jarig hestaan richtte de vereniging op 5-6-1887 een festival in met avondverlichting en op 12 en 19 daarop volksspelen hij de zingende leden herbergiers. Bij het 25-jarig hestaan werden alleen volksspelen gehouden hij de leden herbergiers op al de zondagen van 14 juni tot 25 oktober. In de jaren 1891-92 bereikte de vereniging haar hoogste bloei, met 50 tot 55 zangers. Ter oorzake van de eerste wereldoorlog werd het halfeeuwfeest der vereninging pas op 4-9-1921 gevierd met een festival. Gedurende zijn hestaan nam de kring deel aan een 60-tal festivals, o.m.. te Antwerpen, Aat, Bergen, Brussel, Laken, Sint-Gillis, Doornik, Halle, Leuven, Oostende enz. ~an 1873 tot 1889 droegen de Jagers van 't Gebergte de volgende klediJ : een rode soldatenpet met gele galon, ongeveer zoals die der stationschefs. De hestuursleden hadden natuurlijk verscheidene galons; verder een zwarte kiel met wit krawatje, een rode broek met brede .gele .bies en lage witte getten. Als ze op reis gingen hadden ze huitendien een houten geweer, een weitas, èen poederhoorn en

365


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET KULTURELE LEVEN

een veldfles. Toen de vereniging eens op reis was en te Dinant de mis bijwoonde, had de predikant hen bemerkt en tussen zijn preek in riep hij de stoelzetter toe, dat ze aan die Franse soldaten geen stoelgeld moesten vragen. Hij had onze brave zangers voor Franse soldaten aangezien ... In elk geval, met die schilderachtige kledij had de vereniging heel wat premies en prijzen gewonnen. Later werd nog alleen een blauwe kiel, en daarna nog slechts een kepi met de letters LCDM gedragen. Elk jaar werd een toneelfeest ingericht en na dit feest een lekkere smulpartij gehouden. Er kwam stilaan verval en sedert 1910 bestond de vereninging nog alleen hij naam. Een algemeen ver· schijnsel. Bij gebrek aan belangstelling, vooral van wege zingende leden, werd de vereninging na 67 jaar hestaan op 31-12-1932 voorgoed opgeheven. Deze inlichtingen over de vereniging danken we aan J .-B. Pierret, die er lang een zanger was, en aan Ferdinand Duson, de zoon van~ de stichter.

ZANGVERENIGING <<RECHT DOOR ·ZEE»

« LES ARTISANS REUNIS ». Enige jaren voor de eerste oorlog werd er nog een zangvereniging van die naam opgericht met «Pee Duson » als muziekmeester, maar ze heeft maar een jaar of twee bestaan. ZANGVERENIGING « DE WARE VRIENDEN » De zanglust van velen kon zich niet neerleggen hij het verdwijnen van de twee oude kringen en in 1913 werd onder hovenvermelde naam een nieuwe vereniging gesticht in de Hoftenhoutstraat hij Emmanuel De Mol-Fellemans. De kring stond achtereenvolgens onder de muzikale leiding van Servaas De Crem en Frans Pierret, heiden onderwijzers. In 1913 werd zelfs een toneelfeest opgevoerd, maar de eerste oorlog kwam alles in de war sturen tot in 1919 de werkzaamheden werden hervat en steeg het ledental weldra tot 120, waaronder 45 zangers. Omstreeks 1930 onderging de kring op zijn beurt het lot van zijn voorgangers. De bloeitijd van dergelijke volksverenigingen was voorbij; het was de laatste te Rode. Nieuwe vormen voor het volksvermaak waren ontstaan als de sport, n1et voetbal, handbal, wielrennen enz. Met de radio werd zang en 1nuziek in huis gebracht. 366

Vóór de tweede wereldoorlog bestond er in het Gildenhuis een bloeiende zangvereniging. Over de stichting enz. konden we niet veel achterhalen. Alleen weten we dat ze in mei 1958 met 50 zangers en zangeressen deelnam, in de Patriazaal te Brussel, aan een wedstrijd ingericht door de Zennekerlinnen. Onder de leiding van de heer Frans Pierret behaalde ze er een erediploma als eerste in de reeks B en de 2de algemene prijs met de gelukwensen van de jury. MUZIEKVERENIGINGEN. In· de XIX e eeuw werden geweldig veel muziekverenigingen opgericht. Even vóór 1914 vermeldde het Belgisch jaarhoek voor instrumentale muziek ongeveer 4.000 harmonieën en fanfaren. Na de tweede wereldoorlog was dit aantal geslonken tot 2.270. Onze volksmuziekmaatschappijen sterven uit en op de nog hestaande weegt de slopende onzekerheid van . hun lot. Vele zonken weg wegens de moedeloosheid van hun eigen leden, de onverschilligheid van de gemeenschap en de overheid. Waar is de tijd - vóór de opkomst van sport, radio, televisie en bioskoop - dat de « sorties » van de fanfares een van de zeldzame aanleidingen waren die de dorpelingen zondags kwam opkikkeren ? Och ja, het optreden van de << pardehlee »-spelende muzikanten, gevolgd door een joelende menigte gaf soms aanleiding tot veel hierverbruik en de gevolgen daarvan en het kan wel dat de karika· tuurachtige Fanfare de Sint-lansvrienden van Ernest Claes hier en daar hestaan .heeft, maar toch valt het niet te ontkennen dat onze fanfaren mogelijkheden tot volksontwikkeling, niet alleen voor muzikale opleiding, doch ook van opvoeding, tucht, samenhorigheid, liefde voor volk en kunst scheppen. In het verenigingsleven van stad en dorp spelen onze muziekkorpsen een voorname rol. Men kan zich geen gebeurtenis voorstellen zonder de deelneming van een muziekvereniging. In optochten of processies stappen de muzikanten vooraan. Bij de inhuldiging van geestelijke of wereldlijke overheden of hij begrafenissen weerklink ken de opgewekte of droeve aria's van een fanfare of harmonie. Bij andere plechtigheden a.d.z. prijsuitdelingen, tentoonstellingen, onthullingen van standbeelden, sportgebeurtenissen enz. komen de muziek· verenigingen onvervangbaar van pas. De muziekverenigingen zijn met het volksleven vergroeid. In sociaal opzicht vormen de fanfares vreedzame en demokratische groeperingen zonder winstbejag, die de gemeenschap heel wat diensten kunnen bewijzen en de beste behoeders .zijn van de folklore en de plaatselijke overleveringen. Het geld van de gemeenschap zou oordeelkubdig moeten besteed

367


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

worden deels aan de naschoolse studiën, waaronder de muziekbeoefening die het leven verfraait en ve1·aangenaamt. (Jules Geysels, « Onze Volksmuziekmaatschappijen », in « Op de Uitkijk », orgaan van de vereniging voor kunst en kennis van het personneel der Algemene Spaar- en Lijfrentekas, maart 1956.) DE KONINK.LIJKE FANFARE «WEL DOEN EN LATEN ZEGGEN » Deze vereniging werd op 30-3-1879 bij de weduwe De Munter te Termeulen, in de Stationstraat, gesticht door de volgende personen :

Eugeen de Meurs (1854-1911). Erevoorzitter van < Weldoen en laten Zeggen> t'an 1894 tot 1911.

Egide Benoit, Karel Benoit, Edward De Becker, Adolf Degela$, Sebastiaan De Munter, Victor Hemalsteen, J aak Heymans, Pieter

368

Adolf De Greve Frans Savelberg (Ho/tanberg)

fTenneule:n)

Pieter Wets Jozrd De Munter fNieuwstraat)

fKerkstraat)

]aak Wets

rwouterbos)


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

Heymans, Adolf Laurent, Karel Michiels, J.-B. en Fr. Mosselmans, J.-B. Mostin, P. Partous, Frans Stoffels, Hendrik Swaelus, Pieter Tieseghem, Jozef Van Obberghen, J .-B. Van Rossum, Pieter Voets, J .-B. Lovenweent en Frans Wets. leder van hen stortte 2 fr., waarmee van wal gestoken werd. Deze vereniging waarvan de benaming « Wel doen en laten zeggen », een woordelijke vertaling is 'van haar eerste naam « Bien faire et laisser dire », zou in het Nederlands moeten luiden «Doe wel en zie niet om >>.

Gustaal Swaelens, voorzitter van de fanfare van 1920 tot 1958.

Het eerste bestuur, aangesteld 6.. 7-1879, was samengesteld als volg;t: Sebastiaan De )\.funter, voorzitter; Frans Wets, ondervoorzitter; Pieter Partous, penningmeester; Henri Swaelus, sekretaris; Vie tor Hernalsteen; J ...B. Mostin; Jozef Van Obherghen (grotendeels 'Werklieden of bedienden van tle paJ>ierfabriek de Meurs).. De muziek.. mcestf'r was Gerard J acohs van Sint-J ob·Ukkel en de ondermttziek..

370


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

meester Jan F1·ans Vastiau (Tenh1·oek). Op 14-8-1880 werd burgemeester Jules de Meurs erevoorzitter. Datzelfde jaar nam Edmond Dehutte de muzikale leiding van de fanfare over en vervulde hij die funktie 45 jaar lang. . · In 1890 werd Henri Swaelus voorzitter en het jaar daarop werd het eerste vaandel van de vereniging ingehuldigd, geschonken doo1· dhr. Mommen, broeder van mevrouw Louis Van der Wee, apotheker, « De Krokodil », in het dorp. In 1894 wordt het erevoorzitterschap toegekend aan Engeen de Meurs (portret in het lokaal). Maakten toen deel uit van het bestuur, Henri Swaelus, voorzit_ter; Frans Algoet-Meerts, ondervoorzitter; Gustaaf De Coster, sekretaris; J .-B. Clerens, penningmeester; Willem De Mol, kommissaris. Een nieuw hestuur trad in 1905 op met Georges Straete als voorzitter. Na het afsterven, in 1911, van Engeen de Meurs werd erevoor· zitter Willy Schlohach, kunstschilder, villawijk Kleine Hut, opge· volgd door Daniël de Meurs en na deze door Baron Etienne Rolin. _ Van 1920 tot 1958 werd het voorzitterschap waargenomen door Gustaaf Swaelens, Wouterhos, en thans door Leo Herremans. De dil'igenten waren, achtereenvolgens : Frans Partous, Laurens Backx, luitenant Spoel, _v~n het 3ste liniefegiment. Dewever, Louis W eemaels, later direkteur van het Nationaal Orkest van België, J ules · Springael en Richard Mosselmans. De· vereniging richtte tweemaal een festival in : in 1904 hij haaP 25-jarig hestaan en in 1929 hij haar gouden jubelfeest. In 1925 nam ze met goede uitslag deel, in 3de afdeling, aan het Provinciaal Tornooi. Datzelfde jaar dong ze ook mee in de internationale wedstrijd te Vilvoorde en behaalde er de eerste prijs voor uitvoering, de eerste prijs voor lezing van het blad en een hijzondere prijs als dirigent voor Frans Partous. In 1926 was ze weer op het Provinciaal Tornooi en hekwam in 1930 de eerste plaats in haar afdeling. E1k jaar richt ze twee uitstappen in evenals een toneelfeest. De fanfare telt 35 muzikanten en 325 ereleden. Het lokaal is thans gevestigd bij Michel W auters, in het Bron· wershuis, Kerkstraat 4. Het hestuur voor 1959-60 bestaat uit de volgende heren : erevoorzitters : Baron Etienne Rolin en Gustaaf Swaelens; ereondervoorzitters: Georges Straete en A. Van der Gucht; erebestuurders : Frans Partons en Jules Springaal; bestuurder : Richard Mosselmans; voorzitter: L. Herremans; ondervoorzitters: Karel Borremans, Sebastiaan Boon en Edmond Boelpaep; pcmt:dngmeester: Engeen Bergmans; hulppenningmeester: Robert Ootave; sekretaris: Annand Van Ac.ker; hulpsekretaris: Handrik Dtmlöl; onderbestuurder: Frans Fellemans; vaandeldragers: J.-B. Mosselmans en Louis Mosselmans; toneelleider : Albert Trochs; bibllotekarls : Sebastiaan Mosselmans; kom.tllÎS&arissen: Jo§ef Voet&, Jan Remy, Em.iel Moe&elmans, Miebel Hemalsteen e:n Julien Contignac.

372

HET KULTURELE LEVEN

FANFAREMAATSCHAPPIJ <<LES MONTAGNARDS ». Deze vereniging werd opgericht in 1880 op Tenhroek. Ze kwam nooit tot grote bloei en viel ten slotte weg. J .-B. De Greef-Renson was er la~g voorzitter van en Cesar Van Oppens, uit Alsemberg, ondervoorzitter. Op 8-8-1936 nam de maatschappij nog deel aan het festival te Dworp ingericht• bij gelegenheid van het 50-jarig hestaan van de fanfare « De Onhemiddelden ». FANFARE «SINT-JOZEF>> Deze werd hij het ontstaan van de parochie door pastoor Van Overstraeten opgericht. Hij bekostigde samen 1net « De Vetten » de instrumenten. Zijn heengaan en het uitbreken van de pte wereldoorlog waren niet vreemd aan de geleidelijke afbrokkeling van deze - eens zó bloeiende vereniging. Tot tweemaal toe heeft men ze schijnbaar willen redden. In 1923 werd een nieuwe fanfare opgericht «Willen is I(unnen » die, dank zij de l(oninklijke fanfare «Wel doen en laten zeggen» stand hield tot in 1940. FANFARE VAN DE GROTE HUT. Het vaandel van deze vereniging werd .ingehuldigd op 8-10-1876.

373


HOOFDSTUK VIII

HET ONTSPANNINGSLEVEN SPEL EN SPORT. Het is thans een uitgemaakte zaak dat onze voorzaten, net als wij, huiten de kermis· en feestdagen, de herberg met kaart-, hak- en kegelspel, het roken, dat spoedig algemeen werd, hij zover dat in 1727 iemand vaststelde dat men « hijnae niet en siet eenigen werckman of huytenman sonder de pijpe in den mond» (Pirenne, V, 266), hun gemeenschappelijke speelvelden hadden, net als wij nu golf.. velden, voetbalvelden, renhanen en andere sportterreinen hebben. (C.T., Gesch. van Dworp, 328; Gesch. van Kapelle-op-den-Bos, 209.) Al wat halspel is, hetzij geworpen met de hand of wel voortgestoten met ·de voet of met een stok of kolf zal wel zo oud zijn als de mensheid zelf. Het gezond verstand alleen zegt het reeds. Wie meent (!at voetbal, bijvoorbeeld, pas sinds de jaren 1900 wordt gespeeld heeft het mis voor. Reeds in de jaren 1330 werd het beoefend. In een oud handschrift leest men dat hij een brief van Jan XXIT, prinsbisschop van Luik, aan Gijselbrecht, priester van zijn bisdom, toelating verleend wordt om opnieuw voethal te spelen, nadat dez.e hij ongeluk een mens had gedood. «Met nog andere priesters en leken voethal spelende, en de hal nalopende om hem met de voet naar een bepaald doel te richten, raakte hij onvrijwillig een gebreklijk man, die met andere omstanders het spel volgde» .•. Het laat dus geen twijfel dat toen reeds gevoetbald werd, vermits de tekst duidelijk zegt dat de hal met de voet naar een bepaald doel werd geschopt. Over de regels van het spel is echter niets bekend. Bal- of golfspel moest buiten de bewoonde wijken gespeeld worden, ter wille van mogelijke schade aan huizen of letsel aan voorbijgangers, dus in open veld, op de heide of ander ledig liggend land, waar ook geen schade aan de vruchten kon aangericht worden. Die velden, pleinen of plaatsen hebhen hiir en daar een spoor 375


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET ONTSPANNINGSLEVEN

nagelaten in de toponymie. In de Rollebaanstraat (1520 de weyde geheeten de Rose tegen de Rollebaen), « te Rode opt Heyendal aen de Rollebane » (1592 - G. 337) en in de Dragonderstraat, in de volksmond nog de Bollebaan genoemd (1854) bestond er een bollebaan, nl. een soort ·van holspel Het is ook hekend dat plaatsnamen 1net « sol » plaatsen zijn waar oudtijds aan openbaar spel of sport, voornamelijk aan een of ander balspel werd gedaan.

Sollochtingh ... palende aen het straetken loopende naer de kerck van Alsenberg » in 1779 ( G.) Hieruit blijkt dat er zelfs twee zulke speelvelden bestaan hebben, nl. één aan de kerk en één op Terheide. In 1564 kocht Laureis de Ridder een huis tegenover de kerk geheten het « Kaetshuys » wellicht in verhand te brengen met het sollespel (G. 337). Zo zullen ook eens d'e speelvelden van onze voetbalverenigingen, wanneer deze reeds lang hun hestemming zullen verloren hebben,. in de toponymie blijven voortleven onder de benaming « aan de voethal » hv. SCHUTTERSGILDE.

Boogschutters.

(Cl. Pajottenland, 1958)

Ook te Rode hadden onze voorzaten zulke plaats : de « Sollochten » in 1475 (JL); een « gelege geheten den Sollelochten ter stadt (plaats) geh. ter Beyden met 3 zijden aen de straete » en met de andere tegen het goed van Pieter Spierincx « comende met eenen eynde ommedraeyende de goeden Laureys de Ridder» (G. 337 • 1557 .. 1560 • 1563); lant geh. den Sollochten, in 1680 (G.. 357): zeker huys geh. den sollochten in 1592 ( G.) ; « ter beyden tegen de linde aldaer gedeylt uyt den sollochten » in 1620; «een gelege bij de kercke.... onttrent een bunder Iandts... ende de straet tegenover de Sollochten » in 1729 (G.) ~ « een huys ende hofstede ~ b. geh. de

376

Wanneer te Rode de eerste schuttersgilde opgericht werd is niet bekend. . In 1512 werd Ruhhen de Clerck met 8 Rg. beboet «van dat hij In grammen moede eenen stalen hoge gespannen hadde ende daer mede gegaen ten huyse van den prochiaen te Rode ende den heere e~n wiekende wonde gesmeten hadde met zijnen daggen want hij niet geschoten en heeft» (R.K. 12776). Was de Clerck misschien een lid van de gilde ? Benevens ontspanning en vermaak, droegen de gilden ook ruimschoots het hunne hij tot opluistering van de godsdienstige en burgerlijke plechtigheden. Zo vereerde de «gulde van O.L.V. van Alsenherghe op den sondach binnen d'octave van het H. Sacrament de processie van Rode met trommeleer ende phijffelaer... zoals der selver gulde van Rode is wesende van menschen · memorie in gehruyck »•.• -Jan de Naeyer, koning, had in 1651 de processie vereert met de trommel «ende fluyt op deuselven sondach »... Die wederkerigheid dagtekende dus van « menschen memorie », wat op een oud hestaan van een gilde te Rode wijst. Er kunnen evenwel onderbrekingen. geweest zijn. In elk geval was er geen gilde van Rode aanweZig op het grote haagspel te Brussel in 1531. Die van Alsemberg was er wel. Anderdeels waren er Rodenaren lid van de gilde van Alsemberg. In 1532 was zelfs Joos de Vleminck, meier van Rode hoofdman van die gilde. In 1680 was de overdeken ervan ee~ inwoner van Rode. Nog andere moeten ertoe behoord hebben. In een geding van de Drossaard van Brabant in 1714 over een diefstal lee~t . men . dat .~e. hekl~agde gewoond had « tot Roo bij sekere Gmlliam, den htJnaem niet wetende dan dat men hem is noenlende Guilliam de Coninck uyt redene hij . is Coninck (van de gilde) van Alsemberg»... In 1681 staan vermeld als alferis of vaandeldrager, Arnout Hublou, koster van .Rode, die ook reeds tweemaal koning geweest was, en Niklaas van Roa&um, driemaal koning. Wat vast staat is het feit dat in of even vÓ6r 1702 een nieuwe

377


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET ONTSPANNINGSLEVEN

gilde opgericht werd. In genoemd jaar zijn imniers « Peeter Hazey en Mathijs van Leeuw dienende dekens van de nieuwe opgerichte gulde binnen de proclrie van Rode ». ·Zij werden toen voor de schepenbank gedaagd op· grond van « het. placcaert de date 15.. 2-1701 opt stuck van gulde voor soo veel deselve gulde daer aen heeft gepecceert op den 11n deser... sijnde een sondach lestleden als geschoten hebbende den conincklijcken vogel te houden publiecke.. lijcke vergaederinghe n1et hunne gulde ende dat deselve niet en sullen conne11- doen blijeken van de permissie van admissie van de gulde» ... Ze werden dus gedaagd omdat ze geen of nog geen vergunning hadden om te bestaan. Daaruit zou eveneens moeten afge· leid worden dat de oude gilden opgehouden had te bestaan of wel dat er een tweede opgericht werd.

hadden. Waarschijnlijk werd dit voorschrift niet stipt nageleefd, want op 10-7-1711 verbood Karel 111 <<zich te begeven in de Guldens van de getrouwde Mans, op pene van 25 guldens amende» ... Een zware straf ! In 1753 was Gillis Beymans keizer. Hij was dus drie jaar achtereen koning geweest, nl. drie jaar achtereen had hij de Koningsvogel geschoten. Alle geschillen en moeilijkheden . die tussen de gildebroeders . mochten oprijzen waren ter beslechting van de hoofdman· en zijn gezwoornen. I~ volgend uittreksel uit een ordinaris genecht op 22-9-1679 « festinam Sti Mathei », gehouden hij Niklaas Theys, brouwer, herhergier en schepen, werd zulk geval van bevoegdheid behandeld : « weder de gedaeghde is guldebroeder oft nyet terwijlen als wanneer hij heeft gecommitteert het delict waerover ten desen is geconcludeert de gulde al was gesepareert dat sij nyet meer in corpore hijeen waeren vergadert, dat hij integendeel het vendel was gequittert gelijck oock den hraecke, maer dat hij aldaer van selve gulde gescheyden sijn gecomen als moetwillighe, ende alsoo in den aenleggere hebhen gecommitteert het delict dat de gedaeghde over sulckx alhier .voor wel ende te rechte is geactionneert als competenten rechter» ... De schuttersgilden hesehikten over een veld waar ze hun schietoefeningen hielden. Zulke plaats heette Gulden Bodem. In 1664 is er sprake van een houtkap « die hegint aen het rat op de heeck tot tegen den gulden boom » (R.K. 4253) en in 1686 van het « Gulden boomken » (G. 9883). Waar dit veld juist lag is niet bekend. In 1768 hestonden er twee wippen. Of de ene voor de gehuwden en de anderë voor de ongehuwdèn was, valt niet uit te maken. Deze wippen zijn afgebeeld op een plan op het Rijksarchief te Brussel, KP nr. 716. Ze bevonden zich op de grond die de hoek uitmaakt van de Hollehorrestraat en de Kloosterweg, thans de ommuurde tuin van het Klooster der Zusters. In de tweede heHt van de XVIIJe eeuw moeten er echter ook doelen hestaan hebben. De houder van een herberg aan de kerk had het « sop » van bomen afgebroken « ende hetselva gesteken voor de Iommeringe op een sijnder doelen in den hof hebbende het lijf ofte stuck. (de stam) aldaer ter plaetse laten liggen»... in de weide van de kerk van Alsemberg gehuurd door Henricus van Campenhout, pachter van het Hof van Hongarije. Bij dekreet van 25-11-1797 werden door de Franse bezetting alle gilden, ambachten en broederschappen opgeheven. Waar het archief, het vendel en de braak gebleven zijn, is niet bekend. In elk geval blijft er niet het tninste spoor van over. In de loop van de XIX• eeuw werden we~r nieuwe schutters-

De Boogschutters.

(Cl.

Pajottenland~

In 1784 verscheen « MartintlS Fluppens overdeken van de gulde deser proclrle n1et hem gevoeght Gillis de Greef ende Henric de Nayer gildebroeders derselve :. .•. Hier is vennoedelijk sprake van een later geslichtte gilde voor ongehuwden, die ingevolge een verordening van Philips V van 15·2-1701 geen toegang tot de grote gilde meer 378

1958)

379


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

gilden opgericht, die echter geen opvallend hestaan kenden. Ze kwamen en gingen, herrezen of verdwenen voorgoed. Over enkele ervan verzamelden we de volgende inlichtingen.

HET ONTSPANNINGSLEVEN

De huidige beheerraad bestaat uit de heren François~ Meert, voorzitter; Paul Van der V elden, ondervoorzitter; Robert Popleu, penningmeester; René Mees, Frans Liehert, Jozef Van Rossum, Louis Michiels, Jozef J akemeyn, Emiel Killens, Marcel Chalon, sekretaris; Piet Theys, adjunkt sekretaris, tevens redakteuren van het ledenblad.

SCHUTTERSGILDE <<DE ONBEMIDDELDEN >> Deze gilde werd door J.-B. De Greef en Willem Lonhois voor 1932 opgericht in de herberg van Jozef De Proost, heter gekend als «de Flekke », Kerkeveldstraat, Fort, te Tenhroek. Ter documentatie vermelden we de «grote schieting» van 20-4-1941 met de volgende prijzen : 2 hoogvogels van 80 fr.; 4 zijvogels van 4@ fr.; 4 kallen van 25 fr.; de drie laatst afgaschotene : 20, 25 en 30 fr.; 28 kleine vogels van 10 fr. samen 775 fr. prijzen. De voorwaarden waren: Inzet 15 fr. Terug 10 fr. Berekend op 55 schutters. In geval een schutter minder, 1 vogel minder, 1 schut· ter meer, 1 vogel meer. Inschrijving om 13,30 uur. Begin 14,30 u. · Einde 18,30 u. De laatste twee ronden zullen geroepen worden. De · maatschappij was niet verantwoordelijk voor ongevallen. Het hestuur bestaat thans uit Jules 'De Nayer, voorzitter en koning, Willem Lonhois, ondervoorzitter, Emiel Berchmans, penningmeester, Leo Algoet is keizer. ANDERE SCHUTTERSVERENIGINGEN. In 1930 bestond er een schuttersvereniging « De Jonge Schutters :. en later ook nog de Kapperskluh, gevestigd hij Jan Boon op de Terheidestraat.

VOETBALVERENIGINGEN. Geen van de personen die we ondervroegen over ontstaan, vergaan en heropleven van de voethalkringen te Rode, kon ons een enigszins bevredigend antwoord geven. De eerste turn· en voethalvereniging werd in 1913 gesticht door ingenieur Jozef Algoet in het lokaal «Café de la Station» hij Gustaaf De Neyer. Elke winter werd er een toneeHeest gegeven. Ze had een uitstekende turnleraar uit Brussel. Het speelveld was gelegen aan de « Carré Miehot »., boven het station., later op de Hut, en later te Termeulen. Vervolgens kwam er < Rhode Sportieve» (1919-1923) met rood-gele kleuren (1919·21 en ten slotte de « Rhodienne » iu 1927 in de Kerkstraat < Café der Sportliefhebbers ». In 1925 werd de vereniging tot « koninklijke » bevorderd bij gelegenhei(I van haar 25-jarig bestaan. 380

HANDBAL. Even vóór 1930 werden ve:t;scheidene handhalverenigingen opge.. richt, nl. << Charlot », zo geheten naar een speciaal hier. van de brouwerij André De Greef-Mosselmans, de « Espérance », de «DogAle >>, de « White Star », de « Rhodienne Pelote du Centre », in de Hoek de koninklijke Handhalmaatschappij (sedert 1954), «Balie d'Or », zo geheten naar het lokaal hij de weduwe Accacia, op de straathoek, rechts, aan de kerk, «A la Pomme d'Or » ... Deze vereniging werd opgericht in juni 1927 onder het hestuur van Frans Willekens, voorzitter, Emiel De Haspe, sekretaris, Jan Accacia, penningmeester, Frans Windmolen, Frans Van Haelen, Willem Van Haelen, Frans Clerens, Jozef Van der Deelen. Het huidig hebeer is samengesteld als volgt : André Delval, voorzitter, René De Haspe, ondervoorzitter, Emiel De Haspe, sekretaris, J aak Mosselmans, penningmeester, Jozef Van der Deelen en J. Van Opslag, kommissarissen. Alleen deze kring bestaat nog. De overige verdwenen na een jaar of twee. WIELRENNEN. De wielrenwedstrijden of velokoersen hebhen sedert enkele jaren de volle gunst van het volk gewonnen. De plaatselijke koersen 'Worden hier gewoonlijk . gehouden ~p kermismaandag. Meestal worden de prijzen geschonken door brouwerijen en door de herberghazen. De herberg waar «vertrek» en <<aankomst» plaats heeft varen er natuurlijk het best hij. Bij wijze van voorbeeld volgt hierna de « inrichting » van zulke wedstrijd of « kermiskoers » : In 1936, op 6 september, werd de « Grote Prijs » Alha en Bieren Imperia} gereden, zijnde een wegrit voor nieuwelingen onder de 18 jaar, voor renners der gemeente., tellend voor het kampioenschap van Sint-Genesius-Rode. Afstand 50 km. op goede baan. 300 fr. prijzen en premies, verdeeld als volgt: I•to: 75 fr. met beker en palm; 2de: 50 fr. en beker; 3de : 40 fr ; 4d• : 35 fr. ; Sd• : 25 fr. ; 6d:e : 20 fr. ; 7de : 10 fr. ; get.: 10 fr.; 9d·• : 5 fr.; JOd• : 5 fr. Inschrijving bij Jaak Heymans, Gehuchtstraat « Klein Luik ». De inrichters zijn uiet verantwoordelijk voor de gebeurlijke ongevallen tijdens of na de.. koers.

381


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET DUIVENSPEL. Het duivenspel wordt hier sedert jaren duchtig beoefend. Er ontstonden en vergingen verscheidene duivenliefhehhersverenigingen. PASSPEL. Omstreeks het einde van de XIXe en het begin van de xxe eeuw dook alhier het « passpel » op, een kaartspel voor geld waarhij soms een heel weekloon werd verloren. Ook schoolknapen deden er aan mee en de onderwijzers hebhen jarenlang hun best gedaan om de kwaal uit ter roeien. Het werd meestal op straat gespeeld (op de Dries) en wachten stonden steeds opgesteld om de spelers . van de kmnst van de _politie te verwittigen. Omstreeks 1910 nam .de kwaal zulk een omvang, dat aan het politiereglement een artikel met strenge heteugelingsmaatregelen moest hijgevoegd worden. Reeds enkele jaren is het passpel gelukkig verdwenen. VOLKSGEBRUIKE~.

Meiboomplanting. - De planting van de Meihoon was een gebruik dat reeds in de voorkristelijke tijd bestond. Later werd het gekerstend. Vóór 1914 bestond de Meiboomplanting alhier nog, o.m. aan de kapel van J .-B. De Greef-Renson, op de hoek van de Hallese steenweg en de weg naar de molen van Tenhroek, en aan de kapel op de Linde. Het was gewoonlijk een spar, onderaan zoW'àt 10 cm dik en met ontschortste stam. De kruin was versierd met veelkleurige papieren vlaggetjes en slingers en aan de voorkant hing de hekende papieren krans. Van dit gebruik vonden we één vermelding in 1785 (WR 538). Bij een onderzoek in zake « diftens van houdt»... werd « op den hijvanck van Frans van Keerberghen pachter en brouwer in eene gracht... een gekapte speere hoorntje gevonden... die gedient had de voor een en meyhoom geplant ... voor het huys van Jacobus de Greef. .. naest van Kerherghen... Pieter V erheyde was op den 2n of 5den Mei 1785 in den avont naer huys comende ende hadde gesien dat het geseyt meyhoomtje was uytgetrocken ende ter aerde op de straete was liggende »••. Greef van Halfvast en. - Volgens de meest aanvaarde mening staat de Greef of Graaf van Halfvasten in verhand met de viering van Halfvasten als slotfeest van de winter. Men verbrandde de winter onder de gedaante van een stroman en haalde daarna feestelijk de lente of de zomer in, met een stroman getooid met lover en linten. Alsdan werd de zo·mer, de Zomergraaf of Graaf van Halfvasten ingehaald.

382

HET ONTSPANNINGSLEVEN

. . Tot vóór de eerste wereldoorlog werd om zo te zeggen alhier alleen de .Greef (Sinte Greef) van Halfvasten gevierd. De eerste verrichting bestond in het « mandeke zetten ». Dit « mandeke » bestond in die tijd gewoonlijk uit een « broodplatina », waarmee moeder de tweekilobroden hakte. Enkele dagen va11: te voren werd er reeds uitgezien naar enkele handsvollen droog gras op hermen en kanten, om het mandeke mee te vt.:tllen satn.en met een wortel, een heet of een stuk brood, alles voor de ezel van de Greef. Wanneer het mandje hij grootouders, peter of meter enz. moest gezet worden, werd de « platine » of soms een echt korfje in een handdoek geknoopt. Zo iemand die zijn mandje ging zetten herkende men direkt! «die gaat zijn mandeke zetten», zei men. V oor de rest ging het ongeveer net als nu : vroeg slapen gaan, hunkerend van nieuwsgierigheid vroeg opstaan. Snoep en speelgoed waren wel wat eenvoudiger. Een « greef » nl. een man van brooddeeg, die soms 60-70 cm lang was, met ogen, mond en knopen op de huik van krenten, speculaas, vijgen en een appelsien, voor velen de enige die ze in het jaar kregen. Verder was er het bewaren van het geheim wie Sinte Greef was, van groot belang. Wie het wist mocht immers zijn mandeke niet meer zetten. Wie het wist hield zich echter van den domme, tot na zijn eerste Communie (11 jaar); dan was het in elk geval afgelopen. De ontvoogden waren dan fier dat ze met vader of moeder of de grotere broers of zusters de mandekens van de kleinere mochten helpen vullen. De reklame van de grote warenhuizen in de stad hebhen de Greef van Halfvasten doodgekregen, eerst hij de hogere, dan hij de middenstand ~en eindelijk hij het volk.

Nieuwjaar. - Op oudejaarsavond ziet men nog kinderen, soms verkleed of vermomd, de huizen langs of binnentrekken er liedjes zing~nd als : Nieuwe jaar in 't ander land, Mijn moeder heeft haar rok verbrand. Had ze het niet gedaan 'k Had niet moeten zingen gaan. Nieuwe jaarke zoete, Ons varken heeft vier poten, Vier poten en ene staart, Is dat nog geen wafel waard ? Zijn de wafelen nog niet gebakken, Leg ze dan in 't bakltuis•.• Het bakhuis is geloten Met vier ijzeren poorten...

383


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET ONTSPANNINGSLEVEN

Meestal toch zingen ze een liedje dat ze in de school geleerd hebben en dat volstrekt niet dezelfde oude sfeer noch bekoorlijkheid heeft.

Ons Nie, in 't Frans is 't Eugenie, Mijn beste Heer pastoor, Is 't wezen dat ik 't liefste zie ... Zij houdt mij binnen 't spoor.

Met Pasen doen de misdieners in de kerk tijdens de mis. een omhaling, gingen ze vroeger of gaan ze soms thans nog hij de hoeren om eieren.

En nu wenst Sooi U veel geluk En vreugden echt en waar' En hier in Ro een jubelkruk Van meer dan honderd jaar.

Op Sint-Thomasdag bestaat nog veel het gebruik vader of moeder huiten te sluiten en hun wat te doen beloven, hv. een wafelenhak.

Wat er zoal te hekijken is in de stoet van een pastoorsinhaling kan men in de volgende opsomming zien. Er moet hierhij echter toegegeven worden dat de inhaling van Pastoor Van den Broeck, op 9-5-1937, wel een hijzonder karakter had. Wegwijzer van den stoet : Stationstraat, Termeulen, en Nieuwstraat, Klein-Luik, Terheide-, Linde-, Bos- en Dorpstraat. V algorde van den stoet. - Eerste deel : Geschiedenis en Volksleven. - 1. Opening door 4 veldwachters in tenue van 1830; 2. Jan, villicus de Roda, oudste meier van Rode (1141); 3. Bisschop Rogier van Kamerijk; 4. Ida en Ava van Vorst, abdissen der abdij rond 1050; 5. Gillis van Breedijck, kapelaan van Anderlecht, stichter en eerste prior van de abdij van Zevenhorren (1380) ; 6. Keizer Karel op bezoek te Zevenhorren : de Keizer, de abt Nikolaas Roherti, edellieden en -dames uit het gevolg van de keizer; 7. Jonkvrouwen Maria-Barhara en lsahella de Man de Speelhoven, laatste landsvrouwen van de heerlijkheid Rode (1775) ; 8. Pastoor J acohus Van Achter, houwer der vorige kerk (1782); 9. Personaliteiten uit 1831 : J .-B. van Keerhergen, burgemeester; Peeters, pastoor; Egied Van Achter, voorzitter van de kerkf ahriek; Cornelis Everaerts, veldwachter; 10. Personaliteiten uit 1860 : vergroting van de kerk : Baron Goethals; J .-B. Van Keerherghen, voorzitter van de kerkraad; Spaak, bouwkundige;· raadsleden; 11. Dom Manrus Leheau, abt der Benediktijnerabdij van Dendermonde, weldoener der kerk; 12. Taart· jeshaksters, wagen (Nieuwstraat); 13. Bezembinders, wagen (Linde en Kwadeplas); 14. «Waar gehakt wordt vallen Spaanders», wagen (Terheide); 15. Kantwerksters, wagen (Vrouwengilde); 16. Groep Reuzen (Davidsfonds); 17. Groep vooroorlogse soldaten (Oudstrijders). Tweede deel : Nijverheidsbedrijven. 18. Meubelmakerij, wagen (Tenhroek); 19. Landbouw, groep te paard (Boerengilde); 20. Papiernijverheid, wagen (Termenlen). Derde deel: Afvaardiging van ± 12 man van elke vereniging.-21. Handbal « Espérance », Klein Luik; 22. Doelschutters « De Ware Vrienden », Hoftenhout; 23. Kaartspelers « Schuppenhoer », Dries; 24. Doelschutters «Horse-Ale», Terheide;. 25. Fanfarenmaatschappij «Wel doen en laten zeggen»; 26. Duivenmaatschappij

Vóór de eerste oorlog werd door de werklieden nog veel verloren maandag gevierd, wat er in bestond niet te werken. en herberghezoek (Zie daarover ook B.C.R.H., 1863, blz. 482). PASTOORSINHALINGEN Pastoorsinhalingen, behoren ook tot graaggevierde volksfeesten. Buiten de mooie stoet, verdienen de op· en jaarschriften de belang· stelling. Bij de inhaling van pastoor Magosse kon men o.m. de volgende << gedichtjes >> lezen : Bij de stoelzetter :

Aanhoor, Pastoor, de zegezang Van ons driedubbel « Leve lang » ! Dat God U kracht, genade schenkt Van hem te volgen waar Hij wenkt. Bij de koster :

Ontmoet op uwe levensbaan Niets wat U kan ter neder slaan ! Voleind als Pastoor nog menig jaar Tot gij zijt voor de Hemel klaar ! Bij Sooi de hoer (Frans de Becker) :

Mijnheer Pastoor, hierachter in In 't straatje zonder end' Woon ik met Nie, mijn koningin En 'k ben met haar kontent.

Mi:jn wijf dat is een beste ziel; Zij is noch bot noch fier; En ik, ltaar man, ik doe de stiel Van voermttn en pom]>ler. 384

13

385


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS RODE

« Le Centre >>, dorp; .27. F.C. «La Rhodienne » en supportersgroepen; 28. Oudstrijders; 29. Duivenmaatschappij «Het Gouden Wiel>>, Nieuwstraat; 30. Duivenmaatschappij << Les jeunes Atnateurs », Tenh1·oek; 31. Doelschutters «De Kappersclub », Terheide; Onderlinge Bijstand; 33. Sint-Genesiusziekenkas; 34; Ziekenkas «De Verenigde Werklieden van Rode en Alsemberg; 35. Vlaggen der Parochiale Werken; 36. Studenten fietsgroep; 37. Boerengilde; 38. Christelijk Werkersverhond; 39. Davidsfonds; 40. Genesius, groep gevormd door toneelkring « Genesius » met medewerking van de Nieuwstraat; 41. Middenstand; 42. Sint-Vincentius-a-Paulogenoot· schap; 43. Kajotsters; 44. Vrouwengilde. Vierde deel : Godsdienstige verenigingen. - 45. Kruistochters; 46. Kongregatie met wagen « Onze-Lieve·Vrouw » ; 4 7. Andere godsdienstige genootschappen; 48. Bond van het H. Hart met wagen «Heilig Hart». Vijfde deel: Rijtuigen met Pastoor, Deken en getuigen, leden van kerkfabriek en gemeenteraad. De plechtigheid werd hesloten met een vuurwe~k. VOLKSGELOOF In de volksmond wordt verteld dat er in de tijd alle nachten een wit kalf tussen Termeulen en de Nieuwstraat kwam. In een hut aldaar woonde een oude vrouw. Het was een toverheks en alle nachten moest zij als een wit kalf rondlopen. Op een andere plaats kwam er ook alle nachten, .Dp klokslag twaalf uur, een koets met twee witte paarden bespannen. Een kwartier na middernacht was alles weg. Op die plaats werd een kapel gebouwd en sedertdien bleef de koets weg. De kapel werd afgebroken en een huis gebouwd. In de gevel werd een nis gemaakt, die de kapel vervangt. Zolang dit kapelletje in de muur zal bestaan, zal ook de koets met twee witte paarden wegblijven... Bijgeloof is taai. En wie denkt dat het uitgeroeid of bijna uitgeroeid is zou zich erg vergissen. Inderdaad, weinigen geven nog toe dat ze niet hijgelovig zijn. En toch zijn ze het. Men vindt thans o.m. nog mensen die geen messen als geschenk willen kopen of krijgen : dat snijdt de vriendschap ..• Rondom een bevalling heerste vroeger no,gal wat bijgeloof. Hier en daar blijft daarvan zelfs nog wat hangen. Zo hv. zal een kraamvrouw, wanneer een buurvrouw haar komt be21oek~ en vraagt : « Hoe is het er mee ? > gauw hout aanraken voordat ze een antwoord geeft. Voordat ze haar « kerkzang :. doet, mag ze geen geld « verhandelen :.. In 1943 was er (op het Gehucht) een werk.mat1.S'fl"ouw van middelbare leeftijd die het volkomen nutteloos aehtte voor ha.ar stek kind een geneesbeer te raadplegen. Het moest toch sterven, se! fie,

HET ONTSPANNINGSLEVEN

"' want de zwarte vogel (een kraai) was over het dak van het huis gevlogen. Gelukkig stierf het kind niet. In februari 1947 was er in De Hoek een jonge vrouw, wiens echtgenoot zwaar ziek was, die een heiligenmedaille, die· ze aan de hals droeg, telkens als zij de zieke een of ander vloeihaar geneesmiddel toediende of hem te drinken gaf, in de lepel of in de tas doopte. Geen van heiden gingen naar de' mis (E.S.B., 1949, blz. 382-383). Sommigen menen ook dat wanneer een koe niet hevntcht geraakt het geld voor de stier hij een gebuur moet ontleend worden. Platte kaas mag men voorniet meenemen, maar als er botermelk hij is moet men iets betalen. Met onbetaalde botermelk over straat gaan brengt ongeluk. In de toponymie is er maar een benaming hekend die verhand kan houden met volksgeloof, nl. in 1564: de Duyvelsdelle (RK 4252). DE REUZEN TIST EN TRIENE Door Jan F ellemans, die er steeds de stuwende kracht van is, werd in de schoot van de Vereniging « Rode-Centrum » in 1954 een werkgroep opgericht om de oude Rodenaar en de oude nijverheid folkloristisch te doen herleven. De reuzen Tist en Triene werden gehore~. Zij verheelden het eenvoudige en harde leven van de oude Rodenaar : Tist, de stoere man, bezemhinder van beroep, hijwijlen houtdief, en Triene, taartjeshakster, die dit beroep uitoefende om d~ sociale toestand van het gezin wat te verbeteren. Op 25-9-1954 werden zij plechtig gedoopt door Tijl Uilen· spiegel (Willem Savenherg) met gueuze- en kriekenlambik en suiker· hollekens. Na het doopsel trokken beide reuzen in stoet door het dorp. In de stoet werden de volgende liederen gezongen, op tekst van Bert Peleman, door Annand Preudhomme getoondicht.

BEZEMBINDERSLIED. Bezembinders groot en klein Willen wij voor altijif, zijn Rodenaars met hart en ziel Trouw aan onze stoere stiel. Refr. Bezembinders houdt maar moed Houdt muar moed Nieuwe bezems keren goed Maar ook irorule keren fijn, Als .we 11Uila1' wn Rode djn .. Als •e moo:r 1JCt1'& Rode zijn..


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET ONTSPANNINGSLEVEN

Bezembinders in de weer Legt er 't bijltje niet bij neer. Met of zonder droge keel Kapt met Tist 'nen bezemsteel.

T AARTENBAKSTERSLIED.

Rappe Rodenaars Kappen doen we Hout gaan rapen Met den Tist, die

zijn wij zij aan zij, in het bos slimme 1-'0S.

Sa Trinne, stook uw oven rood! Toe ! bak nogeens een boerenbrood maar laat de « tuiten » voren gaan gelijk er nergens geen besta~n! Refr. « Begijnenoren » groot en klein; wat smaken Ro' se « tuiten » fijn ! met pruimen en met appelspijs stelt iedereen zo'n « tuit » op prijs !

Tist en Triene.

De Reuzen Tist en Trie1te.

Hebt ge zorgen in de kop Klopt er met een besem op. Doe lijk onze grote Tist Die er steeds het fijn van wist. Sint Genesius, Patroon, Zet nen bezem naast uw troon Houd eenieder welgezind Die te Rode bezems bindt.

388

Sa Trinne ga nogeens op stap met pruimentaart en rijstepap! Te Halle en te Anderlecht vond niemand ooit zlln «tuiten» slecht I Sa Trinne trek nog maar eens rond met kruiwagen en trouwe hond ! Te Brussel wordt er al gesmakt zo gauw ge Ro'se tuiten bakt ! Sa Trinne met uw bandelier ! Beleef aan 't bakken weer plezier I En met de korf al op de kop;-. geraak er weerom bovenop I

389


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET ONTSPANNINGSLEVEN

Op donderdag 19 .j1n1i 1955, te 17 u. 10 had de plechtige afkondiging plaats van het huwelijk van Tist en Triene. De bruidstoet vet·trok te 14 u. in de Dorpstraat en volgde de processieweg. Te 17 u. kwam Keizer K.arel, hijgestaan door Tijl Uilenspiegel, trouwen vol· gens de gebruiken van de streek, met geld werpen en koordspannen. Honderd spelers namen deel aan een groots massaspel op het kerkplein, gevolgd door een reuzefestijn en zang en dans ter ere van de jonggehuwden.

Samenvatting van het spel

Feestwijzer 10.00 u. : Ontvangst van de vreemdelingen door het bestuur van Rod&Centrum en de plaatselijke afdeling van V.T.B. en V.A.B. 10,30 u: Toeristische wandelingen te voet en per auto tussen Zoniën en Brussel - 12,30 u : Officiële ontvangst van alle toeristen door het schepenkollege op het Kerkplein. Welkomwoord door hurgemees;. ter A. De Coster. 13,00 u: Gezellig middagmaal in open lucht• . . .:. . . 14,30 u : Vertrek van de publiciteitsstoe)::. - 15,00 u : Vertrek van de folkloristische stoet..

Samenstelling van de stoet l. Opening met landsknechttrommen; 2. Trompetters van St-GenesiusTurngroep; 3. De Sint-Sehastiaangilde van N eder-oveF--Heemheek; 4. Bmsselse Reuzen van de Hoogstraat; 5. Wagen van de Lindeboom (Rode); 6. Reuzen, Johan Colmann met harmonie {Overijse); 7. Kruiwagens, houtrapers, spaanderboeren, enz.; 8. Wagen met spaanderboeren; 9. Wagen met taartenbaksters en bezembinders; 10. Breugheliaanse taartendragers; 11. Houthakkerskinderen; 12. Volksdansgroep van Rode-Centrum; 13. Fanfare «Wel doen en laten zeggen»; 14. Reuzenbezem; 15. Groep bruidskinderen; 16. Taartendraagsters (mand op kop); 17. De reuzen Tist en Triene; 18. Keizer Karel met zijn gevolg; 19. Groep getuigen en leden van het Komitee; 20. Volk van Rode. De gelegenheidsmars, door de fanfare tijdens de stoet gespeeld, werd getoonzet door de heer Arthur V anderstichelen. De spelers van het stuk « De Bruiloft van Tist en Triene », werk van Willeut Savenberg, waren Tijl Uilenspiegel : Jan Brigou, Keizer Karel: Jan Savenberg, Filip, zijn zoon: H. Vandebeginne, Maria van Hongarije : J acqueline De Mets, de Sultan van Tunis : Julien Contignac, De Abt van Zevenhorren : Piet Theys-v.d. Bosch, Een Rodenaar: Piet Theys·Proost. De regie was in handen van Rik Dhondt.

390

Keizer Karel komt met een voornaa1n gevolg de abdij van Zevenhorren bezoeken. De keizer vraagt de abt een eenvoudig maal, met kost van te lande. Deze vraag brengt de abt in verlegenheid. Maar Tijl Uilenspiegel weet raad. Hij zal naar de dorpelingen gaan en een specifieke Roodse diskaart opmaken. De Rodenaren willen zich graag tot het spelletje lenen, maar ze stellen een voorwaarde : de keizer moet hun reuzen trouwen. Karel stemt toe en het vorstelijk gezel· schap krijgt dan zijn zin, onder de vorm. van een weelderig hoeren· . bruiloftsmaal, opgeluisterd met .dans en zang.

BRUILOFTSLIED VAN « TIST EN TRINNE ». Armand Preud'homme Bert Peleman Tist en Trinne goed getrou,wd Weest te Ro maar niet benauwd (bis) Tist en Triene gaat te samen blij op zwier Proeft de vlaaikens en het bier (bis) Tist en Trinne vrolijk paar Vindt het leven niet te zwaar (bis) Blijft te Ro uw ronde doen Geeft mekaar, geeft mekaar, geeft mekaar Geeft mekaar een Breugelzoen. Tist en Trinne, allebei ! Zet de bezem maar op zij ! Troeft mekaar niet vechtend af ! ]doopt niet nijdig naar Uw graf! Tist en Trinne : hand in hand ! Smeedt te Ro de huwelijksband! Steekt als bruidegom en bruid ! Feestelijk de bezem uit Tist en Trinne : zoekt uw troost in een Vlaams en talrijk kroost! Leef nog eeuwen lang tet,ree ! Ro viert vast uw jubilee ! De gebeurtenis genoot een overweldigende bijval. Ze werd door de Televisie opgenomen en al de bladen wijdden er uitvoerige versla· gen aan. Sedertdien nrunen Tist en Triene op vele plaatsen binnen en huiten het land deel aan folkloristische feesten. D,e heze:rns, spaanders en taartjes zijn thans de sprookjeswereld van de folklore hinnwg6treden. Voor onze voorzaten was het echter bittere ernst en de striemende stroeve strijd om het bestaan.

391


BET ONTSPANNINGSLEVEN GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

Pastoor van Achter (1772-1796) schrijft ergens, dat <<het SIJn arn1e menschen, hessem-1nakers etc., die den pastoor dickwils moet almoesse geven ... ». OPENBARE FEESTEN Buiten het feest van de planting van de Boom van Vrijheid, tijdens de Franse bezetting, vonden we voor het oud regime geen vermelding van een officieel volksfeest. In 1838 werd de gemeenteraad door de hogere overheid verzocht de septemberdagen te vieren. De Raad antwoordde daarop « que la commune par sa position ne peut se permettre aucune dépense pour les journées de Septemhre. D'ailleurs les hahitants sont tous des cultivateurs et constamment occupés de leurs travaux agricoles et ne les abandonneraient pas pour participer aux plaisirs. Ce serait donc à tort d'ouvrir un crédit pour eet ohjet et la commune n'est déjà que trop obsédée par la grande multitude d'indigents qu' elle renferme». In 1880 bij het halfeeuwfeest van d.:( onafhankelijkheid, bestond de viering in een huitengewone uitdeling van hulp aan de armen ten bedrage van 200 fr., door de Raad gestemd; daarhij werd een openhare inschrijving geopend waarvan 300 fr. verwacht werd en waarmee vooral kleren voor de armen zouden aangekocht worden. Bij de 75e verjaring werden grijze stenen hierpotten met deksel met de er op geschilderde jaartallen « 1830-1905 » aan de schoolkinderen uitgereikt, hoewel . er enkele raadsheren van mening waren dat zulk geschenk niet passend was voor kinderen ... Wat de eigenlijke viering betreft, vinden we niet vermeld wat er gedaan werd. In elk geval, de maatschappijen gaven geen gevolg aan de oproep van het bestuur. De scholen kregen een vlag met de Belgische kleuren. Er was een Te Deum. Verder verklaarde de genteente geen kosten te kunnen doen en vroeg ze aan de hogere overheid een toelage, die ze natuurlijk niet kreeg. Ten slotte stemden ze toch 600 fr. wellicht de prijs van potten en vlaggen. Het eeuwfeest, gevierd op zondag 3-8-1930, werd ingezet met een plechtige dankmis en Te Deum. Daarna had een plechtigheid plaats aan het gedenkteken der gesneuvelden van de wereldorlog. V erscheidene redevoeringen werden uitgesproken. De schoolkinderen zongen de Brabançonne; Zou ik mijn Land niet minnen (Emmanuel Hiel en P. Backx); Vredezang, (J. de Geyter en Peter Benoit); Chreur patrloûque (René Louthe); Naar Wijd en Zijd. Aan de scholen werd ditmaal weer een driekleur geschonken. Bloemen werden neergelegd door de deelnemende verenigingen. In de namiddag werd een stoet gehouden, hestaande uit de volgende 45 numm.ers: Ruiterij., Rijkswacht; leerlingen der jongensscho-

392

len; leerlingen der meisjesscholen; oudsoldaten van Leopold~l; oudsoldaten; fanfare <<Willen is Kunnen»; Onder Ons; Praalwagen der Brouwerij Algoet; Handhal White Star; Schuppen Boer (kaartspelers) ; praalwagen van de Bond der Grote Gezinnen; het Gouden wiel (fietsers); Sint-Guido'sgilde (de Hoek); Handbal Balle d'Or; Sint-Jozefshond (Den Hoek); Le Centre (Duivenmaatschappij); Praalwagen van de Vleeshandel; Sint-Vincentiusvereniging; Praalwa· gen van biersteker .Antoon van Aerden (Brouwershuis) ; Handhal Rhodienne; De Jonge Schutters (handboog); De Windklievers (duivenmaatschappij; Voethalkring van Terroeuien; Praalwagen van de Gebroeders Swaelens Houthandel; Handhal Charlot; La Violette (duivenmaatschappij) ; Koninklijke Fanfare << Wel doen ·en laten zeggen »; De Jonge liefhebhers (duivenmaatschappij); Handbal Leopold (naar de Brouwerij Leopold); La libre (duivenmaatschap· pij); Socialistische Werkersbond met praalwagen; .Voetbal La Rhodienne; de Spaandershandel; Onderlinge Bijstand van Rode en Alsemberg; Handbal Hops-Ale; Ziekenkas Sint-Genesins; Kristelijk Werkersverhond; Praalwagens van de Brouwerij De Greef; Davidsfonds; de J(limroosjes (meisjeshand); Dachicourt, meier van Rode in 1830;. Klimop (toneelkring); Katholieke hond; Boerengilde dorp met praalwagen; Boerengilde de Hoek; Tenhroekse wielrijders; Gener~~~ Leman met ordonnans; Praalwagen De Vrijheidsboom; OudstnJdershond; Gemeenteoverheid; Inrichtingskomitee; Politie. Als vrijheidsboom werd een linde geplant achter het gedenkteken op het kerkplein. Ten slotte had er een ontvangst plaats op het gemeentehuis, waar een glas geuzelambik gedronken werd. Een vuurwerk hesloot de viering. Zondags daarop, . 10 augustus, richtten de herbergiers van De Hoek de volgende volksspelen in: Paling- en Ringsteken; eieren stukrijden, vóór de herberg van Jaak Balieu-Housiaux; prijskamp voor de grootste luiaard, vóór de herberg van Machleis-De Corte, aan de spoorwegbrug; koorden eten, vóór de herberg Accasia-Walschot, aan de kerk; mastklimmen, vóór de herberg van J .·B. Swaelens; flessen vullen met de mond, vóór de herberg Mosselmans; lepelkoers, vóór de herberg « Vuist». 's Avonds te 21 uur Fakkeltocht en Vuurwerk. KERMISSEN. Kermis is de samentrekking van kerk-mis en hetekende oorspronkelijk niets anders dan een godsdienstige plecbtigheid gepaard met feestelijkheden, die telkens hij de verjaring van de kerkwijding werden gehouden. Deze godsdienstige feesten ontaardden mettertijd en alleen de processie, welke nog steeds op kermisdag uitgaat, herinnert aan de eigenlijke betekenis van de lermis. 13a

393


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET ONTSPANNINGSLEVEN

De urote kermis van augustus herinnert dus aan de eerste kerkwijding van de Sint-Genesiuskerk. Andere bewijzen dan de overlevering bezit men daarover echt~r niet. De oudste vermelding van die kennis dagtekent van 1525 ter gelegenheid van een feitje dat tot zelfs in de laatste jaren der XIXc eeuw niet ontbrak, nl. een gevecht. « Bertel de Muntere de Jonge was strijthaer geweest ende commissie gemaect ·op des heeren straete (de openhare weg) ter kermisse van Roode ende hadde zijn mes gatrocken op eenen yegelijcken ». Deze Tenierse ... vertoning kostte hem 5 stuiver boete. In het jaar 1777 had een tweede kerkwijding plaats die tot een tweede kennis, die van de laatste zondag van september, aanleiding gaf. In 1869 hekwam de gemeenteraad de toelating om dinsdags na de kermis een jaarmarkt te mogen houden. Er waren voor 1000 fr. prijzen. Juist tien jaar later werd de jaarmarkt op maandag gesteld. Voor het uitreiken der prijzen werd een keurraad of kommissie aangesteld, waarin de meerderheid personen huiten de gemeente waren, ten einde de grootst mogelijke onpartijdigheid na te streven. De keurraad van 1880 was samengesteld uit Sehastiaan Van den Plas, uit Alsemberg; Chahert, uit Eigenbrakel; . J aak de Ro en Frans De Greef, uit Rode, en Jozef Van Hemelrijck, uit Dworp. In het begin van de eeuw kwamen er veel kermissen hij. Haast elke wijk had de hare. De juiste datum ván invoering is niet bekend. In 1904 had de Grote Hut in elk geval reeds een kermis, nl. op de laatste zondag van de maand mei. Die wijk vroeg er toen een tweede op de tweede zondag van september en de verschuiving van de eerste tot Pinksteren. _ De wijkkennissen zijn de volgende : Nieuwstraat : 1ate zondag van Halfvasten; Stationstraat: Pasen; Tenbroek en Grote Hut: Pinksteren ; 1ate zondag na Sakramentsdag ; Klein Luik : laatste zondag van juni; de Hoek: pte zondag van juli en rto zondag na Sint-Barhara; Station: zondag voor 21 juli; Kleine Hut: zondag voor 1 augustus; Middelhut: Maria-Hemelvaartdag; Termeulen: zondag na 11 november. Omstreeks 1900 werd er in de stationswijk ook een kermis ingesteld. 's Maandags had er een eigenaardige wedstrijd plaats, die erin bestond een varkentje vast te grijpen en vast te houden met de staart. Dit schijnt zo moeilijk niet, maar dat lichaamsdeel was rijkelijk ingesmeerd met bruine zeep, zodat er daar nogal wat lawaai en getier van mens en dier ontstond. Na veel inspanning was er ten slotte toch een winnaar, die het in bedwang gehouden spek· dier als prijs kreeg. Bij die gelegenheid werd er gezon.gen : Wie heeft dat varken, wie heeft dat varken, wie heeft dat varken hij zijn staartje gehad >... Bijna elk jaar wordt er hier of daar een zg. Vlaamse kermis gehouden.. Het zijn kermissen welke dienen om een slag te slaan.. Het vraagt veel volk f\1\ werk, maar het brengt op. Meestal is er

een liefdadig doel mee gemoeid. Op 25 juli 1938 werd aldus ten voordele van twee zieke huisvaders, een Vlaamse kermis gehouden in de school der Zusters in het dorp, met de volgende nummers: Volkspelen, l(onijnengril, Pottenwerpen, Ringwerpen, Kermiskraam, Rad van Fortuin, l(oppenwerpen, Kluchtige waarzegger, Rijstpap eten, Vissen (hengelen) met ringen, Grappenk;ot, Kaharet met kluchtzanger, Mosselen en frit enz. Natuurlijk is daar telkens een « prachtige>> of monstertomhola hij. Het jaar daarop, 6-8-1939, was er een ten voordele van kerk en missiewerk met de volgende « kramen » : Bloemenweelde, Sierdoosjes en' Kussens, Reukwerk, voor Lekkerbekken, Roomijs,· Buffet, Banketbakkerij, Wijnhuis, Koffiehuis, Visserij, De Hemel, Pierrots en Pierretten, de Sterrewacht, Den Hoek in V ers en Beeld, Dierentuin, de Tempel der Dramatische l(unst, de Vliegende Po.st, Openluchttheater, Allerlei Spelen, de Wandelende Jood, de Mooie Molen. Uitleggen waarin dat alemaal bestond zou ons te ver brengen. Tot slot was er ook een hallonnetjeswedstrijd. Om meer leven in de brouwerij te brengen, hebhen de herbergiers er steeds van alle soorte~ kennissen op gev~n~en, ~aar~-~ pensen-, vis-, frit- en mosselkernnssen enz. Op de briefJes die ZIJ hij die gelegenheid laten drukken komt ook wel al eens een «gedichtje» of een rijmpje voor, dat niet stee.ds zeer kieskeurig gesteld is, zoals b.v. onderstaande, maar het IS echte f~lklore.: «Op Zondag 23 en Maandag 24-12-1934, Grote vis- en fntkenn1s hij Jozef de Proost, heter gekend Flekke Jef. Dames en Heren, komt allen hij de Flekke- Daar kunt g'een uurken blijven plekken - Met visch en frit - Tussen uw gehit - Daar hoort ge Kohe Prot - Krijschen door zijn strot - Van kak en confituur - Tot g'op den duur_ krijgt een kuur ---:- Ge drinkt dan ne goede geuze En sterk wordt g'als een reus - Kohe zal voor te lachen - Door zijn henen zakken - En in zijn broek eens kakken »... En een ander : zondag 16 november, Groote vischkermis ingericht door Guillaume de Chauffeur in zijn welbekende herberg, Steenweg op Halle .206, Tenhroek. - Lomme de Chauffeur - Geeft altijd de voorkeur - Want eten en drinken - is er van eerste klas - Zoudt ge niet willen dat het al zondag was ? » Buiten de kennissen, is er in. de win.ter geen zondag of er is bal in een of andere herberg, waarop de .liefhebbers dan onweerstaanbaar uitgenodigd worden, bijvoorbeeld als volgt : « Danseressen, Dansers, Ziehier goed nieuws voor U - Op zondag 16 dezer (1936) heeft het jaarlijks Sportief Bal plaats, waartoe gij uitnodigd wordt door de Supportersclub «Hoger Op»; in de alombekende feestzaal «Belle Vue» van de heer Seb. Struelens, Lindestraat 71 .. Een uitgelezen fijn. orkest zal de nieuwste, de fijnste, de modernste en de meest meeslepende dansen uitvoeren en de dansers onweerstaan· baar de pist inlokken. Zonder het te weten zal men aan. het dansen zijn. Wij rekenen op uw aanwezigheid en hopen samen een plezanten

xxe

394

395


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

avond door te brengen, waaraan iedereen met plezier terugdenken zal» ... Bij smnmige gelegenheden, zoals op verkiezingen, wanneer er veel volk op de . baan is,. profiteren sommige hazen .ervan om een feestje in te richten, zoals op 24-5-1936 in ·de Hoek : «Wie hier waagt zijn kans - 't Is niet voor de zwans Kan winnen .een gans », beweerde de herbergier. ENKELE LOSSE FEITEN UIT HET VROEGERE VOLI{SLEVEN In het ~egin van de XVe eeuw verspreidden zich in Europa henden eigenaardige reizigers die de toekomst voorspelden, maar ook stalen en stroopten. Men heette ze Bohemers omdat ze zeiden te komen uit Bohe:ïnië en Egyptenaars, omdat hun aanvoerder zichzelf de titel gaf van Groothertog van Egypte. Anderen, die in 1427 te Parijs aangekomen waren, zeiden dat ze hoetelingen waren uft Egypte, heiden geworden waren en nu op de wereld moesten ronddwalen en in geen bed mochten slapen en opnieuw kristen wilden worden (Paul Morelle, « Histoire sociale··», Parijs 1947, hl. 73). Die Bohemers zijn thans zeldzamer geworden, vooral sedert de eerste wereldoorlog komt men ze nog zelden. tegen, maar in de XVliie eeuw vooral krioelden ze en waren ze gevreesd. Zigeuners zijn vermoedelijk de afstammelingen van een lage Hindoe-kaste die in het begin van de XVe eeuw door de overweldiger Tamerlan uit Indië verdreven werd. In de XVITie eeuw waren ze een zodanige plaag gewo-rden, dat er hijzondere plakkaten over uitgevaardigd werden, zoals trouwens reeds hij een edikt van 1660 tegen landlopers en hedelaars in het algemeen opgetreden werd : « Niemanden die sijn gesouden leden heeft, hetzij geestelijek oft wereldtlijck en mach lancx: het landt loopen onder pretext van werck te gaen soecken, ofte om hroodt te bedelen ofte op den goeden man te leeren souder sîjnen cost te hetaelen, op' pene van met roeden ghegeeselt te worden ende gheteeckent met een ijser voor d'eerste reyse ofte wel gheemployeert te worden in puhlicque wareken ofte andersints gestraft ts worden ». In februari 1730 waren te Alsemberg een troep mannen, vrouwen en. k~nderen binnengevallen die men alhier « Bohemers » en op sommige plaatsen te Rode « Blohemers » heet. Dertig, veertig jaar geleden kwamen ze nog geregeld, gewoonlijk met een rommelige woonwagen. Drie weken later werden de hovengenoemde hohemers te Rode aangeho.uden en aldaar hij Lauwereys van den Broeck opgesloten, in afwachting dat ze naar Brussel op de Steenpoortgevangenis zouden overgebracht worden. Enkele dagen nadien werden de personen ondervraagd die er last van ondervonden hadden.

39·6

HET ONTSPANNINGSLEVEN

I(ornelis van Hemelrijck, 40 ,jaar oud, «dienende schepe~ ende pachter » te Rode, verklaarde dat op zekere dag een jongen hem was komen roepen : << V a erken, daer zijn Egypteuacren in huys ». Hij v.~nd ze alle hij het vuur zittende en vroeg hun wat « sij binnen SIJnen huyse quaemen doen». Zij antwoordden « seer stoutelijek : Wat souden wij huyten blijven doen, het is immers te kout... wij mogen ons hier wel .comen wermen ... ». De pachter wedervoer dat « sij daertoe geen oorlof en hadden», waarop zij antwoordden« dat sij geen outragie en wilden doen, dat sij alleenelijek logist hegeerden ». ~it werd hun geweigerd, waarop zij vroegen «of er niet eenige pota.. g1e v~n snoenens overigh en was ... » Er werd hun dan << eeni.gh raep P?tag1e voor gestelt, van dewelcke sij geproeft hebbende ende hun niet smaeckende >>, boter en brood vroegen tegen betaling. Nadat ze « gegeten ende kleyn hier gedroncken hadde » werden ze naar de schuur verwezen, die van huiten op slot gedaan werd. De verklaring van de pachter strookt niet helemaal met die van de landlopers. Men zou hen namelijk hebhen gegeven «pap van half melck ende kleyn hier met bloem ende hroodt daerinne ende daerenhoven noch ieder eenen boterham oft twee ... » en ze zouden « vroegh all~ slapen sijn gegaen uyt dyen de menschen van het huys hunnen heudt van doen hadden ». , · ··· « Aen sijn volck » had de pachter geordonneerd dat zij s'anderen daags vroeg zouden ontbijten en het huis sluiten, want dat de landlopers niet meer binnen mochten. 's Anderendaags kregen dezen dan hout om huiten vuur te maken, waarmee ze « vertrocken in een hosschagie een hoogscheut verder». Later waren ze evenwel teruggekomen om brood en boter te vragen, maar onder bedreiging van aanhouding waren ze ten slotte weggetrokken. Gillis van den Plasch, 20 jaar oud, knecht bij van Hemelrijck, verklaarde dät een der landlopers, een man « aenhehhende een g~strept juppon... hem hadde willen goede geluck seggen ende hem willen leeren omeenen schellinck de wetenschap om een rijke dochter te hecomen ende hem willen leeren verscheyde toeren ofte konsten met de caerte ... » Hij had ook gezien dat die man « eene geheele handvol geit uyt den sack was treekende om met de caerte te spelen» ... De hohemers hadden ook woorden gehad met de « domestiquen uytdyen sij in de schuere hun gevoegh hadden gemaeckt »... en hadden gezegd dat ze konden « oplecken ». Ze loochenden dit echter en beweerden dat « het maer alleen was vuyl gemaeckt door den pisse van de klijne kinders »•.. Op 30 maart werden ze veroordeeld om « tot den bloede toe » gegeseld te worden en uit het hertogdom verbannen. Het vonnis werd . 's anderendaags op de Grote Markt te Brussel uitgevoerd. Al deze mensen waren ten slotte slachtoffers van de vreselijke oorloguniseries van die eeuw. Overal verjaagd, waren ze wel gedwon· gen te bedelen en erger nog. Het k1inkt bijna traiiseh wat een hunner

397


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

HET ONTSPANNINGSLEVEN

aan hun ondervragers antwoordde : « dat overn1its sij op der aerde gesebaepen sijn ende in d' ael'de niet connen cruypen.. . si~ op de selve tnoeten blijven... ende des winters geenen anderen middel en hebhen om te subsisteren». (RAB, Dross, nr 85).

Het kapmes hing « ontrent de voordeure in de camer gecomen lancxt een cleyn camerken alwaer den knecht sliep ». Op 16-11-1714 werd het volgend vonnis gewezen : « Om ten vollen te wesen geconvinieert, soo door seyne eygene bekentenissen als andersints, in de rnaent van September 1713 op een en voornoen met een mes te hebben weeten open te doen ·de voordeure van Bartholomeus Maes, inwoonder tot. Beersel, ende aldaer gegaen te sijn tot in de camer alwaer hij gevonden hebbende den sleutel van eene kiste, de selve te hebhen geopent, ende daer uyt gestolen te hebben, twee goude ringen weerdich t'samen omtrent de acht pattacons, die selve vercocht te hebhen a en Jan de· N aeyer, inwoonder tot Dworp; - oock met voordaght gegaen te sijn, op St. Huyhreghtsdagh van den selven jaere, naer de huysinge van Peeter Borremans, inwoonder tot Roo, ende aldaer omtrent den acht uren van den morgen een gat met sijnen voet te hebhen gebroken in den leemen want van de selve huysinge, ende aldaer door gewelt met een houwer, het gene hij daer in huys heeft gevonden, opengebroken te hebhen eene kiste, ende uyt de selve gestolen te hebhen omtrent 30 guldens, oock uyt de selve camer gestolen te hebhen een laecke juppon en hro.ecke, heneff ens een paar cabritte handschoenen;... den selven condemoerend mits desen gehrocht te worden op een schavot, de stroppe aen den hals, ende aldaer de galge hoven het hoofd, tot den bloede toe te worden gegeeselt ende gehrantmerkt, ende voorts in een eeuwigh hannissement huyten jurisdictie van desen hertogdommen van Brabant om 't selve te ruymen binnen tweemaal 24 uren op pene van de galge ... » (R.A.B., Dross. nr 72).

DIEFSTALLEN Bij Pietet• Borremans werd in 1714 een· diefstal gepleegd. Hij vertelde dat hij op Sint-Huihrechtsdag naar zijn werk op het Hof ten Berge gegaan was en zijn vrouw naar Brussel. 's Middags thuis komende om te eten, had hij vastgesteld dat een deel geld liggende in de « laye » ·van de kist en een deel « geknopt in eenen gestrepten neusdoek » en een ander deel « in eenen witten neusdoek » verdwenen was, alsmede een « juppon » van laken met knopen, gevoederd met bruin katoen. De dief was binnengekomen door een « gat achter sijne huysinge door den leemen want aen de mose emumende naar den hoschcan~· toe». Het was een genaamde « Machiel-soeckt-sijn-vaeder, hebbende een cael hoofd, hebbende gewoond hij Guillam van Rossum». Machiel loochende natuurlijk ! Maar uit de confrontatie met Borremans bleek dat « het juppon 't sedert de hégaene dievertje was gekeert... dat het de eygenste knoppen waeren, te meer dat de golpe {golp, gulp = split in een mansbroek) aen de knoopsgaten is gemaeckt van 't selfste laecken gelijck oock aan den justaco.rps... » Hij viel weer door de 1nand en hekende dat het _!tledtngst~ uekeerd werd door de kleermaker van Dilbeek. Met de broek had hiJ ~ den juppon laeten hermaecken omdat ze sterk versleten was op de knien, oock datter eenen lap was geset tusschen de heenen ». Hij gaf ook toe gestolen te hebhen « eenigh geit uyt eene kiste staende in de camer ... die hij opengebrocken hadde met een capmes hetgene hij daer in huys had gevonden ... twee partijen geit het eene in een hruyn stuck catoen ofte lijnwaet ende d'ander in een vrouwe huyve »••. Dit was voorgevallen omtrent Allerheiligen 1713 'smorgens tussen 7 en 8 uur. Om binnen te « geraecken had hij met sijnen voet een gat gestooten in den weeght {weeg, Ie1nen wand, vgl, wandluis weegluis, enz.) van het huys ..• » Sommige mensen hadden hem gezegd dat er geld was hij Borre.. mans. Hij had met hen echter niet gedeeld, maar ze dikwijls beschonken, vooral « J enne Coddaerts weeende eene coolbrandster woonende tot Roo ,., die wist dat het tnet het geld van Borremans was « waermede sij vrolijck waeren ... » Buitendien had Machiel er ook gestolen een paar « cabritte handschoenen» (van geitenleder). Jupon en broek had hij in huis aange· trokken en cle « quade corsaye hroeck » achtergelaten .•.

=

398

AARDBEVING Op zondag 21 november 1932 had er in ons land, een aardheving plaats die overal, maar vooral in west- en zuid-België gevoeld werd. Hier te Rode waren de schokken ook vrij sterk en tal van schoorstenen huitelden naar beneden. In « De Standaard » van 22-11-~2 lezen we : « Eindelijk werd nog gemeld dat in het Brusselse, te Sint-Genesius-Rode o.m. huizen beefden, en aldus een grote schrik hij de inwoners veroorzaakt werd ». Op 11-6·1938 's middags te 11 u. 58 en een tweede maal te 14 u. 10 en daags daarna te 14 u. 30 hadden er geweldige aardschokken plaats die vrij lang duurden, over het grootste gedeelte van het land. Ze veroorzaakten op vele plaatsen een ware paniekstemming. Ook in. Frankrijk en Engeland werden er schokken gewaar geworden. Hier en daar vielen er huis.. en fabriekschoorstenen in en er waren één dode en verscheidene zwaargewonden. Te Rode bepaalde de schade zich tot enige afgebrokkelde schoorstenen en gebroken pannen. Daags daarna" op zondag 12-6-1938, te 14 u. 30, had er een nieuwe

aardbeving plaats. 399


HOOFDSTUK

IX

DEMOGRAFISCH OVERZICHT BEVOLKING Er is wemtg nauwkeurigs hekend over de bevolking van onze steden en gemeenten vóór de XVIr eeuw en zelfs later. De parochieboeken (geboorte, huwelijk en sterfgeval) werden alhier pas sedert 1639 gehouden. De eerste ingeschreven dopeling was het kind van Egidius Loocx en Petronelia Hassay (Hazey) en peter en meter waren Andreas Loocx en Agnes de Gelas. De eerste, vage inlichting over onze bevolking vindt men in een « bede » of lichting van 940.000 gulden om het losgeld te hetalen voor hem zelf en zijn troepen na de verschrikkelijke nederlaag die Hertog Wenceslas en Joanna van Brabant op 22-8-1371 te Bäsweiler in Gelderland leden. Alle personen in Brabant « wonechtech ende geseten binnen den palen van Brabant buten ende binnen steden, edele ende onedele vrij ~ende onvrij, vergadert omtrint Alreheyleghemesse in 't jaer van LXXIIII, die mechtech sijn te gelden drij jaer lanc respectieve 1, 2 ende 5 mottoenen om te vergheldene die grote scade van den strijde van Baeswilre ».•. Te Rode waren er 53 gezinnen welke een van die bedragen drie jaar lang konden betalen. Bij wijze van vergelijking volgen hierna de cijfers voor enkele dorpen uit de streek: « Alsenherghe 24, Dorpe 75, Busingen 13, Eysingen 12, Husinghen 28, Uckle 118, Linckenheke 44, Runsbroec 45, Droeghen· bossche 28, Bersele 19 ». De volgende inlichting is van 1437, toen 117 woningen aangegeven worden. Wanneer men dit aantal vermenigvuldigt met 4~ 5, algemeen aangenomen cijfer van de gemiddelde samenstelling van een gezin voor dat tijdperk, komt men tot een bevolking van 530 zielen. De jaren 1464 en 1472 geven ons slechts 99 woningen; in 1480, 77; 1492, 41; 1496, 68; waarvan 3 onbewoonde. Voor 1498 worden door pastoor, meier en schepenen aangegeven : bewoonde huizen 43, arme 25, onbewoonde 3... Voor 1526 staan 85 huizen vermeld, onderverdeeld als volgt :

401


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

DEMOGRAFISCH OVERZICHT

29 van welstellenden, 39 arme, 7 hoeven, 10 geestelijke huizen (hui~ zen die tot de kerk behoorden, zoals pastorij, kosterij, klooster van Zevenhorren enz.). · De bevolking groeide weinig of niet aan. De kindersterfte was ongewoon groot. Cuvelier, « Dénombrements des Foyers », LXIX, schrijft dat in de geslachtsboom van een familie Rohrbach van 1400 tot 1570 de 2/3 van de kinderen vóór hun ouders stierven en de geslachtsbomen van onze Belgische families vol zijn van dezelfde voorbeelden. Deze toestand is trouwens nog zo heel veel jaren niet verbeterd. In 1922, bijvoorbeeld, stierven er hier nog 11 kinderen beneden de 2 jaar. Tegen epidemieën stond men machteloos. Daarbij kwamen oorlogen en andere rampen, als de ruïnerende politiek van Karel de Stoute. Ook natuurrampen. Het jaar I464 was uiterst hard voor het arme volk. De temperatuur bleef beneden 0° van I5 decem· her tot I5 febrnart In de winter van 1467 regende het zeven weken achtereen (Blanchard, « La Flandre », blz. 40). Zoals overal had onze gemeente meer dan eens van besmettelijke · ziekten te lijden. In de XVe eeuw woedde de pest te Brussel en voor· het jaar I489 alleen zouden er duizenden slachtoffers gevallen zijn (Cuvelier, a.w., CCII). In de XVIe eeu.w woedde ze andermaal. Geschiedschrijver Mann vertelt dat er in I529 een zg. « Sweetende sieckte »in de hoofdstad heerste die veel mensenlevens wegrukte. Hoe~ wel daarvan niets opgetekend bleef, zullen de mensen van bij ons er niet vrij van geweest zijn, wat ten andere voldoende blijkt uit de achteruitgang van onze bevolking in die jaren. In I65I waren er ongewoon veel overlijdens. Er waren gevallen van 2 en 3 in één gezin, zelfs van 4 : de vader Karel Trefois, de meid, en 2 kinderen van 6 tot 4 jaar. De naam der ziekte staat niet vermeld, maar dat jaar waren er ook enkele ongewone sterfgevallen te Alsemberg, die pastoor van Lathem aan de « salichheyt » toe~ schrijft. Vermoedelijk betreft het de pest, want in 1647 heerste die ziekte ook te Buizingen. (M. Van den W eghe, « Geschiedenis van Buizingen», hl. 24). In I666 maakte de pest ook veel slachtoffers te Bn1ssel. Er waren hier dat jaar 300 paasplichtigen. Tussen 1675 en 1676 hadden we alhier ook af te rekenen met de rodeloop of dysenterie die meer dan 30 slachtoffers wegmaaide. In 1683 heerste die kwaal opnieuw en eiste ze een honderdtal slachtoffers. In .februari I693 staan twee gevallen van «fiber pestifer » opgetekend, nl. Christina de Vos en Gillis Ingels, echtgenoot van 1\tfaria W eets. Voor de jaren 1683 tot 1709 doen we een greep uit de gehoortecijfers: I683 : 21; 1684: 24; 1685 : 20; 1686 : 22; I687: 23; 1688: 25; 1689 : 10; 1690 : 22; 1691 : 9; 1692 : 20; 1693 : 19; 1694 ; 16; 1695 : 22; 1696 : 27; 1697: 18; 1698: 2I; 1699 : 18; 1700 : 7; 1701 :31; 1702: 13; 1703: 25; 1704: 28; I70S: 23; 1706: 27; 1707: 26; 1708: 31; 1709: 17... Zoals men ziet wijkt het geboort&

cijfer soms sterk van het normale af, b.v. in 1700 met 7 tegen 3I het jaar daarop. In I709 bedroeg de bevolking 883 zielen (KP, nr 93). De geboorten per duizend inwoners bedroegen bijgevolg circa 23,78 per duizend inwoners. Voor 1744 staan 536 « kommunikanten » vermeld, waarbij .dienen gevoegd 8 voor Krechtenbroek en 19 voor de « Kautersche Hutte » (de Grote Hut) : de gezinnen Gilliam de Munter, Andries Brassine en Carolus van Haelen. Er waren er ook nog 36, die toen kerkelijk onder Waterloo stonden. In I753 waren er 160 woningen. In 1786 1684 inwoners, wat overeenkomt met de IlOO paasplichtigen die pastoor van Achter aangeeft. Immers naar een uitgebreide studie van A. De Vos. «De bevolkingsevolutie van Evergem, enz.», « Appelt~ jes van het Meetjesland», I957, hl 26, mag het gemiddeld aantal paasplichtigen van een parochie op 2/3 geraamd worden. In I795, 350 kommunikanten, 6 huwelijken, I9 dopen en 28 overlijdens. Men vergelijke dit aantal sterfgevallen bv. met dat van 1916, toen er voor tienmaal meer inwoners slechts 34 overlijdens waren. Zoals men ziet was het aantal inwoners geweldig geslonken onder de Franse bezetting. In het jaar X (I80I) bedroeg ze nog slechts 1019, tegen I684 in I786 en 1649 en I787 (A.A.). In 1830 was de bevolking, ingedeeld volgens het aantal mannelijke en vrouwelijke personen en volgens de leeftijd als volgt : Beneden I jaar, mannelijke I5, vrouwel. I5; van I tot 2 j., m. 16, vr. 27; van 2 tot 3 j., m. I8, vr. I9; van 3 tot 4 j., m. 22, vr. 22; van 4 tot 5 j., m. 29, vr. 33; van 5 tot 6 j., m. 21, vr. 23; van 6 tot 8 j., m. 49, vr. 46; van 8 tot IO j., m. 47, vr. 50; van IO tot I2 j., m. 43, vr. 66; van I2 tot I4 j., m. 35, vr. 49; van 14 tot 16 j., m. 49, vr. 43; van I6 tot 20 j., m. 64, vr. 82; van 20 tot 25 j., m. 98, vr. 80; van 25 tot 30 j., m. 63, vr. 8I; van 30 tot 35 j., m. 68, vr. 66; van 35 tot 40 j., m. 53, vr. 41; van 40 tot 45 j., m. 50, vr. 50; van 45 tot 50 j., m. 38, vr. 48; van 50 tot 53 j., m. 33, vr. 21; van 53 tot 56 j., m. 32, vr. 26; van 56 tot 59 j., m. 22, vr. 20; van 59 tot 62 j., m. 16, vr. 20; van 62 tot 65 j., m. I3, vr. 14; van 65 tot 67 j., m. IO, vr. 1I; van 67 tot 69 j., m. I1, vr. 12; van 69 tot 71 j., m. 5, vr. 2; van 71 tot 73 j., m. IO, vr. 5; van 73 tot 75 j., m. 1, vr. 4; van 75 tot 77 j., m. 2, vr. 4; van 77 tot 79 j., m. 2, vr. 3; van 79 tot 81 j., m. 3, vr. 1; van 81 tot 85 j., m. I, vr. 1; van 86 tot 87 j., m. 3, vr. 0. Men telde van het mannelijk geslacht : 613 ongehuwden, 352 gehuwde~ 21 weduwnaars, samen 982 personen. Van het vrouwelijk geslacht : 522 ongehuwden, 353 gehuwden, 54 weduwen" samen 1.911 personen. Er waren 411 huizen, wat dus circa 4,65 personen per gezin uitmaakt. In 1844 stipt men 100 geboorten tegen . 44 sterfgevallen aan. Een geboorteoverschot dus van 56. De bevolking neetut sterk toe,

402

403


GESCHIEDENIS VAN SINT.GENESIUSGRODE

DEMOGRAFISCH OVERZICHT

zodat we in 1840 2.300 inwoners ·tellen, in 1877 3.207 in 680 huizen, dus gemiddeld ongeveer 5 personen per huis of gezin, onderverdeeld als volgt over de verschillende wijken :

was de wens de dienst van de burgerwacht te ontgaan, waardoor eerst Ukkel aan de beurt kwam, omdat daar geen verplichte burgerwacht bestond. Maar toen ze ook daar ingevoerd werd, schoof de uitwijking verderop naar onze gemeente. Later kwamen er nog andere oorzaken hij, waaronder een der voornaamste te zoeken is in de hetere verkeet·smiddelen, tram, bus, auto enz ... die de forensevestiging in onze gemeente bevorderde. ' Bij wijze van steekproef, een paar cijfers over de militie en de werkloosheid in 1935 : Er waren 63 militieplichtigen; 31 werden aangewezen, 4 vrijgesteld, IO verdaagd, 3 kregen onbepaald uitstel, I2 kregen een jaar uitstel en er waren 2 vrijwilligers. Er waren gemiddeld 70 werklozen (A. G.). In I957 waren er 9.339 inwoners. Er waren I4I geboorten, II3 sterfgevallen, 73 huwelijken en 8 echtscheidingen, 3.0I4 mannelijke en 3.341 vrouwelijke kiezers, 43 militieplichtigen. Huwelijken : I958 : 76; I959 : 75. Gehoorten I63 en I6I. De gehoorten bedragen in de laatste jaren gemiddeld 1I7 en de overlijdens 83. In- en uitwijking : I958 : 802 tegen 721; 1959 : 864 tegen 678. Op de 6.355 kiezers in 1958 waren er 3.590 niet te Rode geboren, waaronder 153 buitenlanders, nl. 70 uit Frankrijk, I8 uit Kongo, I3 uit Engeland, 9 uit Rusland, II uit Duitsland, I uit Oostenrijk, 13 uit Nederland, 2 uit Hongarije, 3 uit Kreta, II uit Italië, 2 uit Spanje, 2 uit Tsjechoslowakije, 2 uit de V.S.A., 5 uit het Groothertogdom, 4 uit Polen, I uit Turkije, India, Algerië, Perzië, Albanië, Roemenië, 692 geboren in Wallonië, 934 uit de officiële Brusselse agglomeratie. De wereld wordt klein.

Wijk Dorp Termeulen . Boesdaal Hoftenberg Hoek. Henken .' Grote Hut St. Anna Gehucht Dries (Klein Luik) Nieuwstraat Wouterhos Terheidestraat Hoftenhout Kleinendries (Dries) Linde Tenbroek Zevenhorren St. Geertruide

.

Aantal inwoners

Aantal huizen

275 204 151 56 193 55 145 77 116 43 267 146 269 128 120 '267 243 26 65

63 47 27 14 54 11 34 16 29 9 70 40 71 31 31 62 56 5 10

Gemiddeld 4,23 personen per gezin. Verder volgen dan de tienjaarlijkse cijfers, die wijzen op een steeds sterker toenemende bevolking : 1880 : 3.400; I890 : 4.000; I900 : 4.632 (9I7 gezinnen en 951 woningen) ; 1915 : 5.933; 1930 : 6.930; 1947 : 8.I66 (4.007 mannen en 4.I59 vrouwen); 3I-I2-1950 : 8.643 (4.240 mannen en 4.403 vrouwen) - Staatsblad 20-5 ..1951. In het jaar 1922 waren er 102 geboorten, 51 huwelijken, 36 overlijdens onderverdeeld als volgt : 11 kinderen van minder dan 2 jaar; 1 persoon tussen 30 en 40 jaar; 3 personen tussen 40 en 50; 2 personen tussen 50 en 60; 11 personen tussen 60 en 70; 6 tussen 70 en 80 en 2 tussen 80 en 90. 1930: 6.930; 1940: 7.627; 1950: 8.643; 1958 : 5.035 mannen, 5.253 vrouwen, totaal 10.287; 1959 : 5.166 m., 5.406 vr., totaal 10.572. Tot omstreeks 1900 was de gemeente door eigen gehoorteoverschot aangegroeid. Later begon de inwijking om allerhande oorzaken. Een van de eerste was de mode van de rijkgeworden Brusselaars een zomerverblijf op de huiten te hebben. Een tweede

404

HONDERDJARIGE

In de parochiehoeken (van I639 af) vonden we geen enkele honderdjarige vermeld. De oudste inwoner was Bartholomeus Simeon, « senex 95 annorum » (grijsaard van 95 jaar) in 1679. De aanwijzingen over sterfgevallen enz. zijn in die registers uiterst heknopt en onvolledig. Een enkele maal zal er een korte nota bijstaan, zoals bv. over Joes Swalens, overleden in 1725 : « sieut vixit sic ohit » = hij stierf zoals hij geleefd ha(l. .. Er is één honderdjarige bekend, nl. Anna Maria Vogeleer, geboren te Lembeek 3-11-1817, overleden te Rode 24-3-1919. Ze huwde te Lembeek 2-2-1841 met J .-B. Boulangier, geboren te Halle in 18I6, overleden te Rode 3-12-I900. Hij was pannedekker en de honderd· jarige heette in de wandeling Marieke de .Pannendekker. De viering had plaats op 4-11·1918 in de herberg «De Sportvrienden» achter de kerk.

40S


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

DIAMANTEN BRUILOFT Gouden bruiloften zijn niet zo heel talrijk, maar dian1anten zijn zeer zeldzaam. In september 1959 vierde men de voor hun 82 jaar nog zeer flinke Jaak Duson en Nette Van den Bergen, die in n~' 22 van de Kerkstraat een beenhouwers- en later een specerijwinkel hielden. Ze zijn de grootouders van de hekende Anderlecht-voetbalspeler Frans Degelas. De viering werd ingezet met een dankmis gevolgd door een ontvangst op het gemeentehuis, waar hun twee zilveren schotels werden geschonken. DOOPNAMEN. In de middeleeuwen kreeg de oudste zoon bijna altijd de naam van zijn vader, later die van zijn grootvader. De volgende kinderen, die van peter of meter.. In onze tijd wordt daaraan zeer vaak afbreuk gedaan en beslist de moeder ove-r de voornaam van haar kindje. Die keuze is meer en meer een kwestie van mode geworden. Vroeger was die keuze zeer beperkt. In een .lijstje van vormelingen uit 1687 vinden we Gahriel, Questien (Kristiaan), Guillam, Jan, J enne, Adriana, Maria, Lijsebet, Magriet, Geerart, Hijndrick, Peeter, Bertel, Berber, Machiel, Simon, Arnoldus, J acohus. In een andere lijst van vormelingen uit 1751 vonden we, gerangschikt naar hun aantal : Jan 32, Franciscue 10, Egidius en Henricus 8, Jacobus 6, Guilielmus, Nicolaas, Petrus en Sehastiaan elk 5, Carolus, Cornelius en Antonius elk 4, Laurentins 3, Engelhertus en Sirnon elk 2, Arnoldis, Andreas, Bartholomeus, Ludovicus, Michaël en Winandus elk I. Voor de meisjes vinden we: 24 Maria's, 18 Anna's, 16 Kata· rina's, 13 Elisaheth's, 9 Joanna's, 7 Barhara's, 3 Petronilla's; Antonetta, Carolina, Clara, J acohina, J osina en Theresia elk 1. Zoals men ziet, waren de J annekens en Miekens het talrijkst en ze zijn dat nog steeds.

MELAATSHEID. Een van de meest gevreesde ziekten in de middeleeuwen was de melaatsheid. Ze was over heel Europa verspreid. In een ongedateerd stuk in het kerkelijk archief (RAB, 14578) zijn de verschillende soorten van melaatsheid uiteengezet (G.T. Geschiedenis van Kappelle-op-den-Bos, hl. 224). Er waren er negen en het was niet gemakkelijk uit te maken of het melaatsheid was of niet. «Hoe men de lruarije sal kennen. Daer is een sorte Laserije dat

406

DEMOGRAFISCH OVERZICHT

sijn grooten rappen hooch verheven onder heel roodt sangewijn e~de hoven grouwachtich met dicke matere ende compt het heel lichaem ende dese rappen sijn. gelijck hoven toe geschraut dese compt seer selden (voor). Nu isser noch een sorte dat sijn gelijck bloetsweren die hebhen heneden gelijck naeyen om dat het vel soq te gaeder treckt dese moeten drije oft vier reysen uyt gestelt worden, om dat se de bloetsweren soo gelijck sijn dat dusantie dat moet leeren. Nu isser een ander sorte dat sijn groote roven die comen al veel hij ee~, ende sien witachtich met groote witte voechtige pailien ende die compt oock op het hooft. · Nu isser noch een ander sorte die op het hooft compt die is drooch ende bleekt as met schellen witachtich, ende compt oock over het lichaem, ende sijn soo platte plecaten. Noch isser een sorte die seer gelijck is aen het schorft, dat compt met cleyn pugelen het heel lichaem door gelijck cleyn swerkens, dese moeten oock 3 oft 4 mael uytgestelt worden want dat moet oock gekent worden door de usantie als het tusschen de vingeren compt, is het meer teeken van schorft als van Laserije. Noch isser een sorte van seeren dat sijn hooge sweren seer naer fat en van cnoppen van roosen, ende het vel treckt onder teenemael fronselachtich. Noch isser een sorte dat sijn placaten soo groot als een hant dat sijn soo al veel rappen hij malcanderen ende dese bleek als met witachtige voechtige palien, ende dit compt veel aen armen ende heenen. No~h isser een sorte dat sijn cleyn pugelkens het heel lichaem door die hlec!,ten as met witte schellekeus gelijck sernellen die en hoeven niet uytgestelt te worden. Noch isser een sorte die compt met cleyn viercantige hleyntiens vol matere, die gaen open ende droogen maer comen al wederom die en moeten niet uytgestelt worden» (KA 14578). Als er in een dorp een verdachte was, werd hij door twee personen, gewoonlijk armmeesters, naar het klooster van Terbank te L~~ve~~ gesticht door Hertog Hendrik I, gebracht, onderzocht en hiJ tWIJfel enkele maanden in observatie gehouden. Wie aangetast was werd huiten de gemeenschap der andere mensen « verwezen ». Dit was het enige middel om voortzetting van de kwaal te verhinderen. Voor hem werd dan op een eenzame plaats een huisje gebouwd, dat hij niet meer mocht verlaten. Alhier moeten dergelijke huisjes ook hestaan hebben, maar in tegenst~lling met bijna alle andere dorpen, waar daarvan een spoor tn de toponymie overbleef, is dit hier niet het geval Tot in de . XVII• eeuw en zelfs later nog was die kwaal een algemeen versehijnsel. De gevallen warett niet talrijk, maar er was

407


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

DEMOGRAFISCH OVERZICHT

geen dorp of er waren er een paar. In de registers van Terbank (K.A. 14558) vonden we daarover, wat onze gemeente betreft, het volgende. Op 11-9..1504 werd uit << Roeye gevisiteert Ma1·griete Troy ende niet hesmet bevonden van dei· lazarije... getuigen Lauwereys Swellens (Swalens) Francke van den Inde, heiliggeestmeesters (arm· meesters) van Halshergen (Alsemberg)». Op 16-3·1506 uit « Roye hij Halsenherg.. . gevisteert Andries Laureys... niet hesmet bevonden ... Getuigen Goris en Ghele ». Op 25-3-1508 uit << Roy... inde verst geleyt » (in observatie gesteld) tot in september, Jan van den Broeck. Getuige : Claes de Ridder, heiliggeestmeester. Wat de uitslag was is niet bekend, maar in 1519 werd hij niet hesmet bevonden. De getuigen waren Hendrik van Huynen (koster van Alsemberg), en Gielis van den Broeck, armmeester. Op 14-8-1522 werd onderzocht Jan van den Bossche wonende te Roe hij Halsenherge. Hij werd niet hesmet bevonden, <maar toch «in den verst gelyt tot Meerte ». Getui· gen: Heer Dieriek de Bruyne en Gielis Imhrecht, heiliggeestmeester. Op 17-8-1535 werd onderzocht Jan van den Vaete. De getuigen ware11 Panwel Claes en Jan de Neer (Nayer): Op 13-8-1552 werd onderzoch~ Claes Hieroens. Getuigen : Matheus Claes en Jan de Muntere, heiliggeestmeesters. Op 19.6.1560, uit Roo, werdr<< verwezen» Herhel Spoets, geboren te Heeme. Getuigen : Francis de VIceschouwer en Kristiaan van der Ercken. Het laatst hekend geval van onderzoek te Terbank is dit van Hendrik de Ridder, die op 23-8-1630 « gevisiteert en niet verwesen werd want hij geen gebreek in lasarije en heeft ontfanghen » (KA 14560). Op 13-3-1679 overleed alhier « Martinus Volckmans Ieprosis » {G.A.).

oorzaak ervan werd algemeen geweten aan de grote ellende· welke in die jaren heerste. In een verslag uit 1833 vinden we daarover de volgende inlichtingen: De bevolking bedroeg 1916 zielen. De kwaal brak uit op 20-8-1832 en eindigde op 21 oktober daaropvolgend. Het ·aantal zieken bedroeg 181, het aantal sterfgevallen ·46. Tevens stierven nog 40 personen van andere ziekten. Het aantal aangetaste huizen bedroeg 156. Er waren 22 gezinnen met elk twee doden, en 8 gezinnen met drie. In een doktersverslag uit die tijd leest men dat de ziekteverschijnselen waren : « vomissements liquides hlanchatres, hrunatres, muqueux ou hilieux survenant de manière hrusque et se répétant fréquemment, selles hlanchatres, douleurs très vives cöté estomac ». Sommige zieken werden afgezonderd. De ziekte had geen invloed op de dieren. Als ontsmettingsmiddel had het gemeentehestuur de huizen doen witten (kalken), de kleren der behoeftigen doen << verschoonen » of vervangen, voor zover de armenkas zulks toeliet. Er waren toen geen geneesheren in de gemeente. Er werd dan een beroep gedaan op Gaspar van Tilhorgh, « officier de santé », te Alsemberg, en op dokters J .-Ph. van der Eist, Math. van der Eist en Jean-Louis Bernard Morren, te Ukkel. Als uitgaven van de gemeente vindt men : 1. Pour médicaments, 266 gulden; 2. Médicin, 201 g.; 3. Literie et hois de lit, 107 g.; 4. Gardes-malades, 60 g.; 5. Viande pour consommé, 55 g.; 6. Pain, 40 g.; 7. Farine de lain (sic), moutarde, vinaigre, 64 g.; 8. Chauffage et éclairage, 60 g. Een tweede maal, in 1866, woedde die ziekte alhier. Van 25 juli tot 18 september maakte ze 187 slachtoffers. Op kermisdag {maandag na de 25 6 augustus) werden 21 lijken naar het kerkhof gedragen. Oude mensen wisten te vertellen hoe de lijken met kar en paard naar het kerkhof gevoerd werden, zonder begeleiding. Iedereen was met schrik en vrees geslagen. De onkosten voor de gemeente bedroegen 2985 fr. De Koning schonk 220 fr. en de gemeente stemde nog 500 fr. « pour suhvenir aux frais d'entretien du grand nombre d'orphellns et de veuves délaissés par Ie choléra ». Een persoon had 100 fr. voorgeschoten voor de aankoop van dekens. Jarenlang drukte de herinnering aan die ramp en aan die noodlottige en sombere kermismaandag op het gemoed der Rodenaren. Nu nog wordt elk jaar, 's maandags na de grote kermis, te 9 uur, een « Choleramis » opgedragen, die druk hijgewoond wordt.

CHOLERA In de « Reys van Latrappe naar Roomen », door M.-J. de Geramh, 1839, hl. 253, leest men over de cholera : «De colera, deze plaeg, die geheel Em:opa ontsteld, verscheiden~ steden ontyolkt en alle maatregelen veriJdeld had; deze plaeg, Wier verwoesting men slechts kent, en tegen welke de geneeskunde niets vermag, nadat zij het grootste gedeelte van Italien doorloopen was, en Roomen twee· mael gedreygd had, taste hetzelve in het begin van het verleden jaer met al haer woede aen, en deed het ijzen van schrik. Dezen inval was zoo onvenvacht en zoo plotselijk dat hij de geheele stad in rep en roer zettede, en dat de inwo?ers, die zich welllcht onkwetsbaar geloofd hadden, slechts op de nnddelen dachten om het ~evaer door eene schielijke vlucht of door een volmaakte afzondermg te ontgaen :;. De cholera heerste te Rode vooral in 1831, 1832 en ln 1866. De

408

In 1843 heerste alhier ook de typhus en in 1848 de typhus en de rodeloop. Tijdens de eerste oorlog stierven er ook veel personen van de zg. Spaanse griep. 409


DEMOGRAFISCH OVERZICHT

GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESIUS.RODE

VONDELINGEN V erlaten kinderen zijn er steeds en overal min of meer talrijk geweest. Vooral in vroegere eeuwen waren ze een zware last voor de stadsbesturen. Een Frans toerist in de Nederlanden vertelt, dat gedurende het jaar 1624 alleen te Brussel hij de 260 kinderen te vinden gelegd werden ! In 1640 kocht een priester, Jau V ernimmen, te Brussel een groot stenen gebouw om er een tehuis voor vondelingen in te richten. Op de huiten evenwel waren de gevallen eerder zeldzaam. We hebhen de volgende opgetekend: Op 28-4-1657 werd aan de grote poort van het klooster van Zevenhorren een kindje gevonden dat Katarina van den Borre geheten werd. Op 13-7-1679 werd er weer een gevonden en Maria Anna van Savenhorren genoemd. Op 5-4-1685 werd onder de naam van Genesius gedoopt een kind dat op Tenbroek te vinden gelegd was. Op 18-12-1779 werd een kind dat op de dorpel van de deur van het Klooster van Zevenhorren gevonden werd de naam Gratianus van den Trap gegeven. Op 28-4-1795 werd aan de' vijvers tussen het station en Lansrode het lijkje gevonden van een onbekend kindje van 7 maand, dat als Sehastiaan van den Vijver gedoopt werd. Zo ziet men hoe sommige familienamen ontstaan. In de beroerde tijden van het einde der XVIIr eeuw waren onze gewesten overstelpt met soldaten, meestal avontuurlijke huurlingen, die veel wanorde in de zeden veroorzaakten. Men kan die toestanden vergelijken met die na de laatste twee wereldoorlogen... Sedert 10 jaar, schrijft de Prefekt van het Dijledeparlement in zijn « Mémoire Statistique du Département »... blz. 203, is het aantal verlaten kinderen geleidelijk over al de streken van Frankrijk geste· gen. In het jaar VIII werden er te Brussel ongeveer 3.500 verlaten kinderen geteld, waarvan er 3.000 door de Stad moesten worden onderhouden. De overgrote meerderheid der vondelingen werden op de huiten uitbesteed in gezinnen, aan wie een onderhondsgeld betaald werd dat verschilde volgens de leeftijd van het kind, maar gemiddeld 6,12 F per maand bedroeg. Deze bezoldiging hield op wanneer het kind een leeftijd bereikte waarop het dienst kon bewijzen aan hen die het opgevoed hadden (ibid. hl. 203). Het is niet te geloven hoeveel van die « vaderlandskinderen », zoals ze genoemd werden, alhier geplaatst werden. En nog treffender is het dat over een tijdperk van enkele jaren, honderden van die schepseltjes stierven. Het is hekend dat de kindersterfte voortijds zeer groot was, doch de vondelingensterfte was bepaald abnormaal. Misbruiken moeten er in elk geval geweest zijn, want burgemeester Jan van Keerberghen achtte zich verplicht te verbieden dat de vondelingen in het veld zouden werken. Ze werden inuners uitgebuit door hun pleegouders, die ze te jong en boven hun krachten deden werken. 410

"

In de parochiale sterftehoeken luidt de overlijdensakte van die vondelingen doorgaans als volgt : «Die 9 Nov. 1764 ohiit Stèphanus Sions hic positus ex parte civitatis Bruxellensis ut educaretu1·, sepultus in cemeterio >> (Op 9 Nov. overleed hier het kind Steven Sions, hier uitbesteed vanwege de stad Brussel om opgevoed te worden, hegraven op het kerkhof). Voor het tijdperk van 1770 tot 1797 vinden we 526 sterfgevallen! Tussen 1788 en 1797 zijn er 227. Het zwaarste jaar was 1787 met 73 overlijdens., In 1832 overleden hier nog twee van die vaderlandskinderen, nl. Genoveva Ridderkens, 38 jaar, en Karel Laurens, 46 jaar oud. Wat de namen betreft vinden we er weinig die eigen zijn aan onze streek. Een deel zijn specifiek Franse, enkele Duitse en ook wel een paar Engelse. Het grootste deel zijn klaarblijkelijk vondelingennamen. Zo hebhen we opgetekend : V erkist, V erlast, Crepon, Lappers, Lichtermolen, Soeteheeck, Kiekevel, Tahaweyn, Coelevoet, Middelnacht, Overwindt, Vernacht, Londerzeel, Groenendael, Lomhardie, Vieshroeck, Guerrier, Gaffey, Borgerswacht, Smalstraet, Concentré, Bloemhof, Vracht, Waterlandt, Vonnis, Blickslaeger, Appelpijp, Opdepleck, Spiegelshuys, Hofmeester, Spinnekop, V ertreck, Halfveste, V rolijck, Steenwegh, Rohinet, Seize, Voorspoed, Molewaeter, Savelherghe, Grootenganck, van N attenhroeck, Trouwendael, Coperoos, Orlogie, Armurier, Wintermaendt, V astenhalf, Stockregel, Snep velt, V reesloos, Trompet, Dieghem, Verpast, Brusseghem, Stroodt, Timhal, Binnehank, Kitsteen, Winterlandt, Veldslag, Gazet, Plutot, Esschenhout, Communes, Op den Messingh, van Smalwaeter, Opdenbergh, van den Stal, Verwisselt, Depiper, van Bertem, Loré, V erson, van Kanten, Accosta, V anolhruggen, Swijns, Eusehius Gersheysselen, Gossart, Duhois, Alverius, Plasmans, Nelst, Dilheeck, Brusselaer, Paillard, Van Smalwater, Van Schamp, Rijsmans, Normin, Y ders, Hammers, Everart, Cortenhoven, Loters, Stockmans, Meslaer, Faisant, Devonde, Sorge, Dewé, Sirnon Sions ... GENEESKUNDIGE DIENST Uit vroegere tijden is hier maar één dokter bekend, nl. Sr. J .-B. Marne chirurzijn. Hij heeft hier geen goede zaken gedaan, want in de belastingaboeken staat hij als volgt vermeld : « uyt dese parochie in salutato hospite vertrocken - 10 st.» (1759), dit wil zeggen : zonder zijn gastheer te groeten met de nevelkar vertrokken = zonder te betalen. Na hem was er alhier geen andere meer vóór 1871, toen Gustaaf De Preter-Naets zich alhier kwam vestigen, in het huis later bewoond door Dr Florent Claes..Van Cutsem in de Kerkstraat. Na Dr De Preter, kwam Dr Emiel Carlier, uit Meerheek bij Ninove, die scheepsdokter geweest was, en opgevolgd werd door zijn zoon Leo, in 1959 overleden.

=

411


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

De pokinenting werd hier voor de eerste maal toegepast in 1842 door P.-J. Marinus << médecin-chirurgien accoucheur» uit Dworp, die ook helast was met de geneeskundige dienst der armen alhier. In 1844 werden 182 kinderen ingeënt, waarvan 8 hetalenden. Omstreeks 1850 meesterden alhier ook veel Dr. Mercier uit Eigenbrakel en dr. Tongre uit Ukkel.

)

HOOFDSTUK X

PLAATSELIJKE BIOGRAFIE Op 30-11-1422 overleed in het klooster van Groenendaal Henricus dictus Coeckendaele van Roede. Hij moet wel een uitzonderlijk mens geweest zijn dat hij waardig bevonden werd van de volgende vermelding in de dodenregisters van die priorij. Op St Andreasdag t A.D. MCCCCXXII ohiit Henricus l(ockendael, donatus, mire et sancte simplicitatis homo, qui fuit fidelis huhulcus noster, ut agone ejus patuit (sic). (overleden na een zware doodstrijd onze trouwe schaapherder, Henricus Kockendae1, een in zijn eenvoud wonder en heilig man). LA MALIBRAN. Maria Felicia Garcia, de wereldberoemde zangeres, werd te Parijs geboren 24-3-1808. Zij huwde te New York met François Eugène, Louis Malihran, in 1781 eveneens te Parijs geboren, maar Amerikaan genaturaliseerd. Ze huwde een tweede maal met de te Leuven geboren beroemde violist Charles de Bériot. Van omstreeks 1828 tot hij haar dood te Londen in 1836 ingevolge een val van haar paard hij een rit, was ze haast altijd op reis tussen Frankrijk, Engeland, Italië en ons land, waar ze hij korte pozen in 1829, 1832, 1833 en 1836 verscheen. Te Brussel woonde ze o.m. hij de SintGoedelekerk, op de villa die Charles de Bériot te Sint-Joost-ten-Node liet houwen en die sindsdien gemeentehuis werd. Tijdens haar verblijf te Rode bewoonde ze de Villa Malibran met het park dat thans eigendom is van de familie De GreefMosselmans. In het park hestaan nog verscheidene stand- en horst· heelden van grote toondichters die de sfeer voor haar beroemde bewoonster moesten scheppen, o.m. van Engel, Bach, Liszt, van la Malibran zeH en een groep « De Droom van het Oneindige ». Vóór La Malihran, in het begin van de XJXe eeuw,. woonde er de familie Fremau en na haar een familie 0 I<elly, die later naar 412

413


PLAATSELIJKE BIOGRAFIE

GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

llalle trok. Toen André De Greef het goed kocht was het eio-endom van Louis Van der Wee, die er de apoteek « De Krokodil >~ hield. GENERAAL BARON GOETHALS Goe~~als, ~arel Augus! Ernest (Baron), geboren te Mauheuge (FrankriJk), mt een Belgische vader, op 18-4-1782. Op IS-jarige le?~tijd tr~d ~j als kadet hij de jagers in het Oostenrijkse leger. HIJ vocht In Tirol tegen de Fransen en werd onderluitenant in 1800. Bij de inpalming van ons land ging hij op 2-7-1804 in Franse dienst over, en werd toen luitenant~ Hij streed te Ulm, Austerlitz en J ena. Op 3-4-.1.807 werd hij bevorderd tot kapitein. In 1809 was hij in Italië, waar hiJ te Bellinzona verwond werd. In 1811 was hij hataillonschef. Hij maakte de veldtocht mee in Rusland. Op de terugtocht werd hij gevangen genomen. Dit was zijn geluk. Toen Napoleon en het keizerrijk op 12-8-1814 ineenstortten, kwam hij terug en werd opgenomen in het... Hollands leger waar hij weldra luitenant-kolonel· werd. Als dusdanig voerde hij in 1815 hevel over de troepen die· tegen Napoleon streden en verkreeg van Koning Willem het kruis van Ridder in de Willemsorde. In 182(} werd hij bevorderd tot kolonel en op 20-12-1826 tot majoor hevelhebher over de provincie Antwerpen. In 1829 ging hij over naar West-Vl~anderen zodat hij ~ij het op roe~ .van 183~ te Brugge was. Overmand door d~ opstandehngen, trok hiJ achteruit tot Oostende met 1.500 man. Ziende dat hij slechts op 500 man kon rekenen, sloeg hij met de 1.000 overige naar de omwentelaars over. Na de Revolutie werd hij aan het hoofd gesteld van de krijgskolonnen die in Luxemburg optraden. Op 9-7-1847, na 17 jaar oorlog en 50 jaar dienst, ging hij op rust en overleed te Brussel op 7-4-1851. Zijn biograaf, H. Vigneron i~.« ~a Belgique ~ilitaire », deel I, 1856, hl. 629, zegt van hem, da; hiJ .ZICh onderscheidde door « un esprit ferme, éclairé et des talents militaires que jamais personne ne songea à lui contester ». Zijn zoon, August, Louis, geboren te Turijn (Italië), in 1812, en te Brussel overleden in 1889, was Minister en vleugeladjudant van Leopold 11.

GENERAAL GRAAF ANDRE DE JONGHE D'ARDOYE Graaf. André de Jonghe werd geboren 26-8-1861. In 1880 trad hij in de krijgsschool en werd op 27-12-1882 benoemd tot onderluitenant hij het ~t~ regiment gidsen. In d~! regiment verwierf bij al de graden. MaJoOr op 26·3-1910, werd hiJ op 20-5-1912 vleugeladjudant van Kotûng Alhert. Op 1·8-1914, hij het uitbreken van de oorlog, voerde hij het bevel over het 1"t~ regiment pdsen en werd op 20 november daarop

414

~

tot ·kolonel bevorderd. Enkele dagen later werd hij aangewezen voor het Britse Hoofdkwartier. Op 30-3-1916 werd hij bevorderd tot generaal-majoor en werd hij helast met de leiding van de Belgische Zending hij het Belgisch Gezantschap te Londen, met ingang van 6-2-1917. Op het einde van datzelfde jaar werd hij op rust gesteld, doch bleef in funktie, om ten slotte op 10-9-1920 tot ereluitenant-generaal en erevleugeladjudant van Koning Alhert te worden. · Hij overleed in december 1936 en werd in allen eenvoud in de familiekelder te Ardoye bijgezet. Hij was gehuwd met Geneviève Zoë, Jacqueline, Marie, ·Françoise, Ghislaine, Barones de Wyckerslooth de Rooyesteyn, overleden te Brussel in haar 89ste levensjaar op 16-11-1959. ENKELE ANDERE PERSONALITEITEN

Johan de Maeght, de teergevoelige schrijver van zoveel echt menselijke pareltjes, woonde tot hij zijn dood, in maart 1938, aan de woudkant van Zoniën op de Middenhut. Hij was geboren te Beert en werd 62 jaar oud. Willem Savenberg. - Te Rode geboren, 18-4-1919., behaalde het onderwijzersdiploma in de Scheppersnormaalschool te Alsetnherg, het diploma van Hogere Opvoedkundige Studiën te Mechelen, schreef verhalen voor de jeugd in de Kleine Zondagsvriend, Robbedoes, Ons Volkske, het Zondagsblad, Lihelle; volksverhalen in De Toerist, het Zondagsblad, Ons Volk; toneel voor de jeugd: De Tovermuts, De Sint in het Kabouterland, Uitg. Vinck, Antwerpen; 0 die Koppige Ezel, in het Frans vertaald, Het Sterretje Stompestaart, Uitg. Opbouwen; De Wondere Appels, Tom de Herders jongen, Twee Stoute Poppetjes, Uitg. Britto, Brugge; ·toneel voor volwassenen : Blanche krijgt een man (eenakter), Vinck, Antwerpen; luisterspelen voor de jeugd, uitgezonden door het N.I.R. : De Luie Prins, Het Vogeltje Tiereliere; Duhhelkrul, Van een Vlinder; hoeken voor de jeugd : Lamme Luis, Uitg. De Kinkhoren, Brugge; Hokus Pokus, Uitg. Beyaert, Brugge; Dubhelkrul, Uitg. Lannoo, Tielt; gedichten: Harten Twee, samen met Piet Theys, De Legende van O.L.V. van Alsemberg, Uitg. De Galerij, Evere. Willem Savenberg is thans direkteur van de beenhouwerijschool te Anderlecht. Piet Savenberg. - Speelde eerst in de Sint-Jozefskring, de Hoek. Behaalde in 1939 de eerste prijs voor Regie in het Conservatorium te Brussel. Stichtte in 1944 het Schooljeugdteater. Schreef onder deknaam A. Svenherg : Stnidje Smee, De Duivel speelt en verliest, De Boerenkrijg, De Prinses en de Zeven Raven, Vlaanderen die Leu. Hij overleed hij een auto-ongeval 28-3..1956. Zijn werk leeft voort o.l.v. Jan Savenherg, zijn broeder, en bereikte in 1959 (bet 15de) de 3.0QOate vertoning. 415


PLAATSELIJKE BIOGRAFIE

GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

Arthur Van der Stichel. - Geboren te Dworp 31-12-1878. Stelde steeds veel belang in de plaatselijke geschiedenis van onze gemeente, waarover hij af en toe een artikeltje schreef. Van der Stichel was jarenlang fanfaredirigent en schreef een paar stapmarsen. Ferdinand Van Hemeb·ijck. - Alhier geboren in 1940, thans wonende Lindekeusweg 14 te Alsemberg, student in de Rechten, schreef reeds heelwat in studentenbladen en . publiceerde onlangs zijn eerste dichtbundel, De Korf van Licht en Schaduw, die getuigt van waar dichterschap en zuiver taalgevoel.

GEESTELIJI(EN UIT RODE De oudst hekende priester uit Rode - er moeten er meer geweest zijn- is JAN-BAPTIST VAN DER VELDEN, alhier geboren 2-8-1834; priester gewijd 22-12-1860; onderpastoor Heikruis 11-4-1861; leraar aan de Rijksnormaalschool te Lier 12-11-1864; pastoor te Sint· Kwintens-Lennik, overleden 8-5-1888. Een JAN FREMAU uit Rode was pastoor te Ottignies. Ilij bezat te Alsemberg omstreeks 1845 1 ha. 42 a. 50 ca. land en hos (Popp). De naam Fremau werd ook op alle mogelijke wijzen gespeld. Op 12..9-1727 werd alhier geboren Maria Anna J ansens, dochter van Karel en van Elisaheth Dorothea de Formon. In 1730 werd het huisraad, waaronder 12 schilderijen en enige papieren, verkocht van Andreas de· Froment. Een der erfgenamen tekent J.J. Fremau (G. 8314). Op 10-9-1728 overleed alhier Anna Maria Roch, echtgenote Domini Formon, en werd in de kerk hegraven (A.G.). HENDRIK LEBEAU, werd alhier op 5-10-1848 geboren als zoon van Narcisse Leheau, uit Brussel en toen 45 jaar oud, en J acqueline W auters, 39 jaar oud, geboren te Rode. Het gezin woonde op het gehucht Tenbroek en hield er herberg in een oud hekend huis « In de Bel », dat men reeds vermeld vindt in 1745. Otnstreeks 1920 veranderde het van eigenaar en er werd geen handel meer gedreven. Het oude houten uithanghord met de hel verdween. Later houwden de ouders ietwat verder een huis met herberg geheten « In de Klok ». Frans Leheau, in de wandeling Suske V allie was aannemer van metselwerk en handelaar in bouwmaterialen. Hendrik studeerde in het St. Victorspensionaat van de Broeders . van Barmhartigheid (Scheppers) te Alsemberg. Niet lang echter, want weldra zien we hem in het ambacht van zijn vader meewerken. Op 21 jarige leeftijd trad bij in het Dominikaner klooster te Dendermonde. Wat daartoe aanleiding gaf en waarom die orde verkozen werd weten we niet. Hij bleef niet lang in deze stad. Het jaar daarop, 18-6-1870, ging hij over naar het noviciaat van het klooster van Affligem, dat toen pas hersteld was.. Hij deed zijn eenvoudige geloften 27·12-1871, zijn plechtige geloften 8-12-1876 en werd 22-12-1877 te Meeltelen tot priester gewijd. Twee jaar later, op

416

;

22-9-1879 werd hij naar de nieuwe stichting van Steenbrugge .gezonden en vervulde er de functies van keldermeester en biechtvader. In 1~82 kwam hij terug naar Affligem ingevolge zijn stabiliteitsgelofte, wil zeggen de gelofte die een monnik doet om standvastig in hetzelfde klooster ·te blijven. Hij bekleedde er dezelfde ambten als te Steenhrugge. Op 15-7-1888 werd hij tot prior Conventualis van Dendermonde benoemd en op 25-3-1890 door het Provinciaal Kapittel tot afgevaardigde hij het Generaal I(apittel der Congregatie. Hij koos tot wapenspreuk «In pulchritudine pacis » (In de schoonheid van de vrede, ontleend aan het hoek lsaïas, XXXII, 18, zinspelende op de naam van de prelaat {Leheau = de schojne) en de wapenkreet der orde: Pax). Op 16-7-1894 werd hij tot eerste abt van Dendermonde verkozen en gewijd door Mgr. Stilletnans, bisschop van Gent, hijgestaan door abt Rildebrand de Hemptinne, primaat der orde en door abt Rohertus van Ommeren, abt van Bornem. Van omstreeks die tijd dagtekent zijn grote bedrijvigheid tot uitbreiding van de abdij. Tussen 1900 en 1902 werd een nieuwe abdijkerk gebouwd, waarvan bij op 30-7-1901 de eerste steen legde, op 6-6-1902 inzegende en die Mgr. StilleDom Maurus Lebeau. mans op 19-8-1902 plechtig wijdde. Ook op missiegebied werkte hij door de stichting, samen met Affligem en Steenhrugge, van een missie in Noord-Transvaal Nog veel zou hij wellicht verwezenlijkt hebben, maar de wereldoorlog bracht de vernieling van zijn werk. Op 6-9-1914 werd de abdij met de drie vierde van de stad in asse gelegd. Met een deel van de kloosterlingen vluchtte hij naar Steenbrugge en op 14 oktober week hij over Holland en Folkestone naar Engeland uit. Aanvankelijk vestigde hij zich te Ramsgate en einde december op het kasteel van Lady Mostyn te Talacre, die het te hunner beschikking gesteld had. Hier bleven de paters van Dender· monde tot 1919. lVIaar toen was de oude aht reeds lang hij de Heer. In januari 1915, dus enkele dagen na zijn aankomst, werd hij erg ziek, werd wat heter, maar bleef « door de smaJ;t der scheiding en 417


PLAATSELIJKE BIOGRAFIE

GESCIDEDENIS VAN SI:NT-GENESIUS RODE

de vernieling zijner Abdij aan het ziekbed gekluisterd » (doods· prentje) tot hij zijn overlijden te Talacre op 13 oktober 1915.. Hij werd hegraven op het kerkhof van de Paters Capucijnen te Punt Asaph (Noord-Wales). Zijn grafschrift luidt : Hic dormit In pulchritudine pacis Rmus Manrus Lebeau O.S.B. Ahhas Teneramundanus in Belgio. Ohiit in Talacre ·13 oct 1915 R.I.P. ' . . Zoals reeds vroeger werd gezegd is er in onze kerk aan de noorderkant een gekleurd glasraam met de beeltenis van de H. Helena

Ho/ Sint-Anna, vóór de rechttrekking van de Groothutsteenweg.

en in.. 1896 door pastoor F.L: . Aerts geschonken tot nagedachtenis van ZIJn moeder. Onderaan pnJkt het wapenschild van Dom Maurus Lebeau. Waarom dat wapen erop staat is niet bekend. Misschien is het een stille hulde voor een weldaad of aan de eer voor de parochie waar een hoogstaand man het licht zag of eenvoudigweg een vriend: schappelijke hetrekking tussen pastoor Aerts en Dom Leheau. Bij de brand van de abdij van Dendermonde op 6-9-1914 vergingen al de papieren en geschriften van Dom Leheau, same~ met .het grootste deel van het ahdijarchief. In die papieren zouden wellicht de reden van de aanwezigheid van zijn wapens op het kerkr.aam en andere belangwekkende hijzonderheden over zijn per· soonlijkheid te vinden geweest zijn.. ANTOON VAN CUTSElVI. Ter gelegenheid van zijn eerste mis schonk hij een gekleurd raam aan de kerk, voorsteiloode de Boodschap van Maria (met opschrift: R.D. Ant. van Cutsem neomista DcC. 1874 D.D.).

418

.J

J.-B. FILIP VAN KEERBERGHEN, alhier geboren 28-9-1866. Leraar St. Rombontskollege te Mechelen 3-1-1892; ouderpastoor van de Kapellekerk te Brussel 1897; aalmoezenier van het St. Pieters· gasthuis te Brussel 12-9.. 1908, later in het Gasthuis Brugmann tot 1946. Vierde zijn gouden priesterjubelfeest op 3-1-1942. Overleden te Vorst 14-12-1948. EMIEL DE DOBBELEER, alhier geboren op het Hof St. Anna 1-3-1872; gewijd te Mechelen 19-9-1896; ond.erpastoor te Sterrebeek 1896; pastoor te Kraainero 1905; aalmoezenier der Zusters van O.L.V. van Zeven Smarten te Wezenheek 1923; aldaar overleden 17-12-1934. Ter gelegenheid van zijn eerste mis schonk hij aan de St. Genesiuskerk een gekleurd raam met het beeld van de H. Anna (~eomista posuit 21-9-1896). BERNARD STRAETE, alhier geboren 20-10-1880; onderpastoor te Limal 14-12-1905; pastoor te Villers-la-Ville 11-9-1918. JOZEF VAN ACHTER, alhier geboren 3-6-1882, op het Hof ten Hout; zoon van J.F. en van Maria Paesmans, voorzitter van de Kerkeraad, armmeester, gemeenteraadslid en schepen. Leraar aan het klein Seminarie te Hoogstraten; pastoor te Bellingen 13-10-1929; er overleden 8-4-1943. AUGUST DENIJS MARIA JOZEF DE PRETER, alhier geboren 15-11-1884; zoon van dokter Louis De Preter-Naets; onderpastoor te Melin, Brussel O.L.V. Bijstand, Sint-Pieters-Leeuw 9-6-1910; pastoor te Borcht-Lombeek 19-1-1936; aalmoezenier te Kapellen en te Wamheek; overleden 25-12-1948 te Wambeek. JAN JOZEF MARIA VAN KEERBERGHEN, alhier geboren 21-8-1889; zoon van Hendrik Van I( eerberghen van het Hof te Lansrode. l(andidaat in het Wijsbegeerte en Letteren; leraar aan het St. Mariagesticht te Schaarheek 14-9-1915; pastoor te Meensel, l(iezegem 31-5-1927. PIETER JOZEF VAN KEERBERGHEN, alhier geboren in 1890; dr. in de Wijsbegeerte en Letteren; priester gewijd 23-9-1913; leraar O.L.V.-gesticht te Kuregem-Anderlecht 14-9-1915; direkteur St. Pieterskollege te Ukkel 1929; pastoor-deken van Ukkel sedert 1940. WILLEM CLERENS, alhier geboren 8-10-1906; zoon van J .-B. en van M.C. Swalens, Termeulen; eerste mis te Rode 25-5-1931; Ieraar aan het Klein Seminarie te Neerwaver 21-8-1931; onderpastoor te Anderlecht, april 1937; godsdienstleraar middelhaar onderwijs te Schaarheek 21-11-1947. HILAIRE JAN AUGUST DE COSTER, alhier geboren 27-11-1912; zoon van Gustaaf De Coster-Leyssens, schoolhoofd; pt{' mis op zondag 23·7-1937; onderpastoor te Rehecq-Rognon 1937; pastoor te St. lansGeest 1942. JOZEF I.ODEWIJK :MARIA GRISLEEN DE COSTER, alhier geboren 11-11..1913; gewijd in 1938; onderpastoor Oud-Heverlee 1938, "' 419


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESJUS-RODE

Koekeiberg St. Anna 1942; onderpastoor te Ukkel St. Pieter 14-9-1945. Broeder van de voorgaande. PIETER JOZEF DEVROEDE, alhier geboren 29-11-1915, zoon van Gustaaf en van Maria van Volsem. Studeerde oudere humanoria in het kardinaal Mercier-kollege te Eigenhrakel, als primus perpetuus

Monseign-eur Devroede.

in het Belgisch Pauskollege te Rome van 1935 tot 1940, vervolgens aan de Leuvense Universiteit tot 1942 en verwierf er de graden van licentiaat in de Wijsbegeerte, licentiaat in Godgeleerdheid met de allergrootste onderscheiding (maximum van de punten) en baccalaureus in de Tomistîsche Wijsbegeerte. Op 16-2-1941 werd hij door kardinaal van Roey tot priester gewijd. Van 1942 tot 1947 was hij leraar in de Poësis aan het kardinaal Mercier-kollege en werd er in 1947 direkteur tot 1947, toen hij Mgr. de Furstenherg opvolgde als rector van het hovengenoemd kollege te Rome, waar hij tevens verbindingapersoon is tussen de Belgische bisschoppen en het Vatikaan. 420

PLAATSI~LIJKE

BIOGRAFIE

Zijn wapenschild is dat van zijn familie, die stamt uit ~eraard ) de Vroede uit St. Pieterskapelle (XVe eeuw) (zie de pas verschenen monografie van Goffin). Het blazoen bestaat uit drie rode arenden op gouden veld met in het midden een blauwe ster. De wapenspreuk duidt op de naam de Vroede, nl. de wijze en de leuze Recta Sapere. Deze kenspreuk verwijst naar de Collecte van de mis van Pinksteren : da nohis in eodem Sphitu recta sapere, of, in het Nederlands, geef dat wij in dezelfde Geest de ware wijsheid bezitten. In 1950 werd. Mgr. Devroede bevorderd tot kanunnik van het kapittel van Mechelen, in 1951 geheim kamerheer van Paus Pius XII en in 1952 huisprelaat van dezelfde Paus. ALBERT VICTOR FERNAND DE DOBBELEER; alhit{r geboren 14·6-1915; zoon van Frans De Dohheleer-Mertens, van het Hof Sint-Anna, brouwer in de Dorpstraat; pte mis te Rode 27-7·1941, leraar en ekonoom aan het I(ollege I(ardinaal Mercier 25-8-1941; pastoor te Ohain. EMIEL DE GREEF, alhier geboren 11-1-1920 zoon van André en van Anna Kat. Mosselmans, brouwer; gewijd 25-5-1945; onderpastoor te Dilheek 31-5-1945, te Bonsval 22-10-1949. LODE STOFFELS, geboren 11-3-1925, zoon van Jozef en van Joanna Wauters; gewijd 23-7-1950; onderpastoor te Elewijt 30-7-1950; te St.-lans-Molenbeek O.L.V. Middelares 27-8-1953. _ HERMAN JAN FRANS WAUTERS, geboren te Ruisbroek (Bt) 19-1-1931, zoon van Pieter en van Louisa V anderpooten, uit Ruis.. broek, gewijd op 15-8-1956 Premonstratenzerabdij van Tongerlo als kanunnik Goswin door Mgr. Van Uytven. Eerste mis te Rode tnet sermoen door Mgr. Devroede. FLORENT lVIARIA JOZEF VAN CUTSEM, geboren te Rode 30-8..1930, frater Huhertus van de Norbertijner abdij van Grimbergen, zoon van Antoon en van Maria Rosalia De Greve, pachter op het Hof te Boesdaal, gewijd door Mgr. De Smedt 25-7·1958. Eerste mis te Rode 3-8-1958. MISSIONARISSEN. RAlMOND VAN KEERBERGHEN, alhier geboren 10..3-1897; scheutist; gewijd 23-9-1923; naar China vertrokken 10-8-1924; terug.. gekomen in augustus 1934; 2de afreis in augustus 1936; voorgoed teruggekomen 24-5-1948 wegens de politieke toestanden ingevolge ~e kommunistische revolutie. Verbleef van 15-3-1943 tot 17·8-1945 m Ja paus koncentratiekamp in China. PAUL VAN KEERBERGHEN, broeder van de voorgaande; alhier geboren 13..7-1899; zoon van Juliaan Van Keerberghen-Carlier, aan het Hof de Smoutmolen, in de Gehuchtstraat; gewijd 22-4-1923; naar China 'Tertrokken 21-8-1923; teruggekomen in 1933; 21:1e afreis in 1934; na verscheidene maanden in een gevangenis verbleven te ...

421


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

hebhen werd hij door de Japanners buiten zijn missiegebied gezet en naar Zuid-Afrika gevoerd, waar hij tot na de oorlog verbleef en andere missio~arissen vetving; hij reisde naar zijn missie terug, maar geraakte er niet meer wegens de kmnmunistische revolutie; in mei 1948 werd hij door zijn oversten naar Amerika gestuurd. Zuster Maria Genesius van de Zusters van Liefde, in de wereld ELISABETH MOSSELMANS, dochter van J .-B. en van Maria Benoit, op 27-4-1922 te Antwerpen ingescheept naar de missie van Loeloeaburg, Kasaï, Opper-Kongo; op 15-11-1946 werd haar het ereteken verleend van Ridder in. de Orde van Leopold 11 (Staatsblad van 24-9-1949). KRISTlAAN JOZEF RAGOEN, geboren 14-41894, zoon van Pieter en van J oanna Maria Michiels, van de . Witte Paters van Afrika. Hij schreef in « Nieuw Afrika», het tijdschrift van J.7i'YJ· de Kongregatie, dierenver· Witte Pater Jozef Ragoen. halen over Kaloeloe de (Penteketting Leo Theys) Haas, de held in het dierenrijk hij de negers van Urundi. In hetzeHde tijdschrift verscheen van hem ook een neger· roman « Sahina ». Joanna WAUTERS, Zuster Maria-Simonna, dochter van Hendrik Jozef en van Sidonie Stoffels, geboren 15-9-1928" van de Kanunnikessen..lnissionarissen van St. Augustinus te Heverlee. Vertrok in augustus 1956 naar Oeroendi voor de J eugdheweging.

DE OUDE EN NIEUWE RODENAAR. Het karakter van een volk is geen gegeven grootheid, maar een aan wisselingen onderhevig verschijnsel (Godfried Bomans). In een memorie door de prefekt van het departement van de Dijle (de huidige provincie Brabant) onder de Franse bezetting in het Jaar X der Republiek {1801) aan de Minister van Binnenlandse Zaken te Parija gezonden over de « eonstitution physique et mora.le des hahitant.s "~ staat o.m.. het volgende te le$6n : De bewonen van 422

PLAATSELIJKE BIOGH.AFIE

het platteland, die minder in de gelegenheid waren zich te vermengen met de Fransen, de Spanjaarden en de Duitsers, die achtereenvolgens d.e meesters in het land waren, hebhen in grotere mate hun eigen volksaard bewaard. Ze zijn werkzaam, volhardend, spaarzaam en verdragen ·moeilijk alle vreemd juk. Ze zijn sterk verhonden met de grond, dapper, maar vijand van oorlog en ook van alle nieuwigheid. Het volk is bijgelovig, maar niet fanatiek, moeilijk in beroering te brengen en tevens moeilijk om tot bedaren te brengen. Het laat zich gemakkelijk door uiterlijk vertoon en macht beïnvloeden. Dit laatste lijkt nogal tegenstrijdig. Het volk is ook belust op feesten, kermissen. Nergens hestaan er zoveel feestdagen in het jaar. In de zomer bieden de dorpsfeesten onder de naam van kermis in elk dorp een levend beeld van de dorpstonelen die de Vlaamse landschapschilders op hun doeken voorgesteld hebben. Verder zegt die Franse hezettingsamhtenaar, dat, « Beaucoup d'hahitans font à Bruxelles Ie métier de maçon et sont paresseux, se livrent à la hoisson de l'alcool de grain; d'autres vivent de la vente à Bruxelles de quelques f agots de hois recueillis dans la Forêt. » (E. v. d. Linden, ESB, 1937, 117). Of dat oordeel gewettigd was, laten we in het midden. Men vindt immers altijd vreemden die, zelfgenoegzaam, chauvinistisch, eigendunkelijk menen, dat ze ver vooruit zijn op de anderen en denken dat ze hun zeden, hun taal, de vrijheid, - die niets anders is dan hun vrijheid met U te doen wat ze willen te moeten opdringen. Om niet al te hoog in de geschiedenis te moeten opklimmen ondervonden onze gewesten dat met de Boergondiërs, de Spanjaarden, de Fransen, de Oostenrijkers, weer eens de Fransen en de Duitsers. Dat d~ ou.de Rodenaar een ferme pot hier, een stevige « druppel » dronk is meer dan waarschijnlijk. Dat deed hij nog tot een paar tientallen jaren geleden, maar dat deed hij in de eerste plaats om zijn zwaar leven door te bijten. Vloeken kon hij ook, maar om dezelfde reden en omdat hij geen woorden vond om zijn nood, zijn harde lot, zijn gevoelens af te reageren. Ons volkskarakter wordt gewoonlijk omschreven als vroom en zinnelijk, mystiek en realistisch. We zijn een volk van kermis en bedevaart, het volk van Runsbroec en Breugel. .. Toch heeft de Rodenaar een eigen wijze om deze algemene karaktertrek te heleven en dit onder de invloed van twee faktoren : de aanwezigheid van het hos en de schrale ekonomisehe omstandigheden waaronder zijn bestaan verliep. Inderdaad, het hos heeft het wezen en het lot van de Rodenaar bepaald. Hij leefde in het hos, met het bos en van het ho'S. Het leven van de Rodenaar was niet zoals dat van een boer, die moet planten wat hij oogsten wil, of zoals een handwerkman, die regelmatig moet produceren. Neen, voor de Rodenaar groeide de oogst uit eigen beweging. Het rijke hos faalde nooit in zijn opbrengst, en de Rodenaar had maar te nemen wat

423


GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESIUS..RODE

PLAATSELIJKE BIOGRAFIE

hij nemen wou. Alleen dit « nemen » was niet zo eenvoudig. liet was harde, bijna onmenselijke arbeid, die weliswaar. hetrekkelijk goed werd beloond. Arbeid die, omdat hij zó zwaar was, niet met dezelfde regelmaat kan herhaald worden. Felle, heftige goed beloonde inspanningen, gevolgd door inzinkingen : dat is het levensritme van de Oude Rodenaar. Dat deze inzinkingen te maken hebhen met drank.. en braspartijen zal niemand verbazen. Na een paar borrels wordt het zware, harde leven hnmers op magische wijze schoon en goed. De eigen zwakheid, kleinheid en vernedering wordt omgezet in een bedrieglijk gevoel van waarde, kracht en grootheid. K.ortom : de wijsheid verhuist naar de kan. Op de inzinkingen volgen dan weer de inspanningen. Er leeft in de volksmond 'een krasse vergelijking die deze trek duidelijk tekent : de vergelijking tussen de kemel en de Rodenaar. De kemel kan twee weken werken zonder te drinken. Oe Rodenaar kon twee weken drinken zonder te werken. Maar wat moet die drinkebroer heginnen als hij zijn roes heeft uitgeslapen en berooid ontwaakt ? Werken als dé kemel ! ~.. . En dat deed hij. Want hij heeft - net als het hos dat ook leeft op het grote ritme van groeien en sterven - een ontembare levenswil en levensmoed. Hij houdt van het leven en wil het te allen prijze veroveren. Nooit liet hij zich door de meest verpletterende tot vooruitgang omstandigheden terneerslaan. Hij heeft zijn steeds gaaf gehouden en het is deze eigenschap die in de jongste halve eeuw de welvaart van het huidige Rode heeft bewerkt. De armoede waarin hij eeuwen heeft geleefd, heeft hem zijn beruchte geslepenheid gegeven. De Oude Rodenaar is eel! Reinaert : de kleine man, de ekonomisch zwakke die zich zelf moet redden en derhalve bestendig in konflikt leeft met de machthebbers, de bezitters en de gezagdragers. In de eerste plaats aanvaardt hij niet dat men hem van zijn hos het... vruchtgebruik ontzegt. Hij kon het hos gewoon niet hetreden of hij moet ergens wat afhakken dat verboden is. Al was het maar een boompje van een arm dik, dat, gedroogd, versjacherd wordt als schopsteel, tegen de prijs van... een pint !. ... Verder vindt hij dat wie hetalen kan, hetalen moet en dit principe paste hij als « handelaar » op velerhande wijzen toe : het gewicht van brandhout wordt aangedikt met enkele emmers water over de hoop; het aantal geleverde zakken wordt geteld aan de lege... waartussen op handige wijze een paar loze exemplaren zijn gesmokkeld. Blijkt de oude Rodenaar het versebil tussen het mijn en het dijn niet al te goed te kennen, dan moeten wij in dit feit nochtans meer een symptoom ~ien van zijn nood dan wel van ware boosheid. Het is niet overdreven de Oude Rodenaar te zien als een . groot en overmoedig kind, iemand met een jong karakter. Dat blijkt uit zijn onstandvastigheid eensdeels, uit zijn ontvlambaarbeid en edel-

moedigbeid anderdeels. Want edelmoedig is hij ! Hij heeft een grote p()tentie aan gaven des harten; hij is een gevoelsmens. De Rodenaar kan zich werkelijk totaal inzetten, ronduit voor zijn overtuiging opkomen, wars van elk menselijk opzicht, maar ook doof soms, voor de stem van de nuchtere rede, van het zakelijk verstand. Zo komt de Rodenaar ons uit de « nevelen der tijden »· tegemoet als een noeste werker, met een gulle ziel, :rr,.et het hart op de tong. De natuur had voorwaar aan de eerste ontginners geen rijke toekomst voorherèid. Op de hoogten was het woud en de laagten waren moerassen, met plassen stilstaand water, overgroeid met lis en riet en op de heide tierde tussen brem en· struiken een spichtig gras, om het vee in het leven te houden. Alleen door harde vlijt in het hos en op het veld heeft hij er zich doorgewerkt en deze trek ligt nog in de Rodenaar van thans. Door noeste onverdroten arbeid en mede dank zij techniek en wetenschap, groeide gaandeweg uit een bevolking die haast uitsluitend bestond uit houthakkers, spaanderhoeren, grondwerkers en «kleine luiden », een welvarende, meer ontwikkelde middenstand die, op zijn beurt, het aanzijn zal schenken aan een nieuw type van flinke mensen, waarvan de hesten op geestelijk en ekonomisch gebied naar de top zullen stijgen.

wil

424

De autochtone bevolking, de oude families die sedert vele geslachten, ja sinds eeuwen, vaak dezelfde percelen bewerken, worden al meer en meer overstroomd door ingewekenen uit alle windstreken, zonder rechtstreekse hand met het dorp. Het komt er op aan dat de herinnering aan de oude families, hoeven en plaatsen bewaard blijven. Wat de nieuwe inwoners betreft, zonder dat iets hijzonders hen heeft aangelokt dan de mogelijkheid er een huisvesting te vinden, hij dezen moet de belangstelling gewekt worden voor alles wat hen ontringt, de oude plaatsnamen, de gebruiken, de overhlijfse~ Ien van het verleden, zodat ze aldus op hun beurt aan onze gemeente gehecht geraken.

425


HOOFDSTUK XI

VROEGERE OORLOGSFEITEN Zonder al te hoog op te klimmen, blijft het een feit dat sedert acht eeuwen de tijdperken van rust en vrede zeer kort waren. Tussen Rouvines (1214) en Waterloo liggen de voortdurende oorlogen van de hertogen van Boergondië, van keizer Karel, van Filips 11, de invallen en rooftochten waaraan de legers van Lodewijk XIII, Lodewijk XIV, Lodewijk XV en van de Franse omwentelaars en, in onze tijd, de Duitsers zich schuldig maakten. Bij al deze krijgsverrichtingen lagen onze gewesten op de doortocht van de legers van vriend en vijand, en van de enen zowel als van de anderen had men doorgaans evenveel te lijden. Onze dorpen waren een rijke prooi voor foerageerders in de zomer en kwartiermeesters in de winter. Reeds voor gewoon verblijf was men beducht. Dit trachtte men te ontgaan door uitkoop. Zo zien we in 1623 dat << voor den uytkoop van zekere soldaten die binnen dese prochie pretendeerden te logeren » 9 gulden werd uitbetaald door de « bedesetters » {belastingheffers) van het dorp. Het aldus betaalde geld heette «sauvegardegeld ». Al de~ dorpen deden dit, maar de soldaten moesten toch elders onderkomen vinden en meer dan eens gebeurde het dat, uitkopen of niet, de verbintenis niet gehouden werd. Soldaten zijn nu eenmaal altijd en overal dezelfde. Het middeleeuwse vendellied kan als hun ·aller leuze gelden.

Sint Joris geef ons kleren Geef ons soldij en brood Dat wij geen koude lijden Geef ons de boer zijn zwijn Zijn wolhemd en zijn duiten Dat kan geen zonde zijn•.. Op hier waren de soldaten natuurlijk bijzonder belust. In de schepenrekeningen vindt men daarvan veel posten. Bij Adolf Rom· bonts dronken ze in 1623 voor 16 g. bier « dat de soldaten aldaer hadden doen tappen »· Ze werden ook bij de inwoners ingekwartierd.. Meier Jan van Grasdorf hield in dat jaar 10 soldl!ten·

427


VROEGERE OORLOGSFEITEN

GESCHIEDENIS VAN SINT-GENESlUS-RODE

Er waren wel voorschriften, maar de soldaten trokken er zich niet veel van aan. Volgens een edikt van 1642 « waer mede de soldaeten ten platte lande hen sullen moeten te vreden houden : soldaeten in dorpen vernachtende sullen hen moeten genoegen met redelijeken cost, ende ieder soldaet met twee potten hiers, ende soo wanneer sij alleen paisteren, sal elck van hem n1oeten contenteren met eenen pot, van ghelijcken de ruyteren sullen hun moeten contenteren met simpel refrechement, ende 2 spinten haver, maer des nachts sullen moeten hebhen 3 spinten ende den cost , gelijck eenen voetganger, wel verstaende dat de .hevelhebhers van de troupen, sullen gehouden sijn eersten ende alvoren, te thoonen henne ordre en pascedel, ende dat sij te voren in 3 uren gaens daer outrent niet gepeystert en hebhen ». Anderdeels mocht « niemandt eenige troupen van soldaeten uytcoopen, maer daer die commen, sullen moeten geaccomodeert worden, op de pene van 50 guldens ». Het gebeurde ook zeer vaak dat soldaten niet of niet op tijd werden betaald, ofwel, zelfs dat men ze in natura betaalde door ze hv. een st.ad .~f ~en dorp te laten plunderen ... Trouwens, de soldij bestond dikWIJls 1n een helofte het veroverd gebied te mogen plunderen. Wee dan, de overwonnenen ! Niet zonder reden staat er in de litanie van Alle Heiligen : Van pest, hongersnood en oorlog, verlos ons Heer! Het zijn vooral de oorlogen in de XVIr en XVIIIe eeuw die alhier grote schade, lijden en ellende geh1·acht hebben: De Franse legers trokken in eindeloze en bandeloze stoeten over onze gemeenten. (Gesch. van Vlaanderen, I). De armzalige woningen van de huitenmens werden geplunderd en gewoonlijk daarna in brand gestoken. Nadat de aanval was afgeslagen of de vijand vertrokken .kostte het g_elukkig geen ~rote inspanning om die schamele huisjes 'weer op te timmeren en ZICh opnieuw aan de arbeid te zetten. Het was het gewone lot van de plattelandshewoner. In 148~ "onderhield de ~eier van Rode te Halle een troep soldaten om d1e stad te verdedigen. In 1488 werden Beersel, Linkebeek, Dworp; Alsentherg, Buizingen, Huizingen geplunderd en afgebrand. Twee Jaar later werd het vierde van hun. helastingen kwijtgescholden als schadeloosstelling (W. Ill, 675). In 1646 ntaakten de Franse en Hollandse soldaten de weuen onveilig en de vier Leden van Vlaanderen verklaarden dat t:>de sold~ten « met zulk geweld en zulke razernij plunderden, dat 1nemg generaal van het leger openlijk verklaarde dat hij nooit iets dergelijks had gezien... waardoor het land gans' woest en ontvolkt zal worden»... (Pir. IV, hl. 281). Voorbij de Sint·Gertrudisdreef, langs de Brakelsesteenweg had kolonel Ja co Pastur een versterking tegen de Fransen opgerich~ die in 1659 venneld staat als volgt : « lancx de zeiven landen tegenover de schranse gemaeckt in den jaere 1649 als de Fransoisen tot Binst 428

;

(Binche) quamen (WR 7). In 1834 heette de weg er nog Schra~sdreef (KP 418). Op 17 en 18 januari 1684 kwamen 400 .Franse ruiters huizen afbranden te Elsene, in de Diesdelle, te Linkeheek en Alsemberg, maar vooral te Rode (W auters, Ill, 280). Op 8-10-1691 werd .Jacques Pastur, J aco, geboren te Waterloo 16-12-1635 en in 1723 hegraven in de Kapellekerk te Brussel gelast als kapitein van een korps voetvolk van 200 · man « pour affranchir la forest de Soigne des insultes et courses francoises >>. De generale staf ervan werd gevestigd op de Cautershutte (Grote Hut). De Fransen waren verholgen toen ze dit vernamen en met ongeveer 4.000 man kwamen ze de huizen platbranden, onder meer ook het tolhuis (ESB, 1930, hl. 15-18). · In 1695, na de inneming van Namen, was Koning Willem 111 van Engeland komen legeren te Bois-Seigneur-Isaac. Deze troepen plunderden Vorst, Ukkel., Drogenbos, Linkebeek, Rode, Alsemberg en Dworp volkomen leeg. Overal namen ze de meubelen en het graan mee. In 1697 werd Aat door een machtig leger aangevallen. Bij die gelegenheid werd heel de streek ten westen en ten zuiden van Brussel door soldaten en vluchtelingen helemaal leeg gefourrageerd (W. 111., 575). Op 16-11-1705 werd Gillis Berckmans, zoon van Cornelis en man van Maria Michiels, in zijn huis vermoord door soldaten van het regiment van Sint-V aller. Toen werd ook door die soldaten het huis van Pieter de Haes, dat van de weduwe Daniel Medaert en van Laureys van den Broeck vernield. Pieter de Haes diende daarover ee