Ruiten in drievoud

Page 1

Ruiten in Dvievoud

Vertrouwen, weemoed en twijfel inpoezie

Willem Ruiten, Bab Ruiten, Teun Ruiten Tjailing de Jager V'

Ruiten in Drievoud

Vevtrouwen, weemoed en twijfel inpoezie

Teun Ruiten Bab Ruiten Willem Ruiten

Teksten: Tjalling de Jager

Omslag naar een schilderij van: Tjalling Ruiten

ISBN 978-90-71521-20-1

© Uitgave Stichting “Urker Uitgaven” Urk 2010 Op de omslag: Urk vanafhet Top gezien ±1915 Olieverfschiiderij van T.j. Ruiten Foto’s: Museum Het Oude Raadhuis, Familiearchief

Druk: Drukkerij Het Kleine Klif Urk

Inhoud Biz.

Woord vooraf 7

1. De herkomst van de familie Ruiten 9

• Een Schokkerfamilie 11

• De stap naar Urk 14

• Vergroeid met de Urker samenleving 15

2. Teun Ruiten 23

• Zijn leven 25

• Hoe hij was 27 • Zijn werk 28 • Gedichten 31

3. Bab Ruiten 45

• Haar leven 47

• Hoe zij was 49 • Haar werk 51 • Gedichten 53

4. Willem Ruiten 73

• Zijn leven 75

• Hoe hij was 77 • Zijn werk 80 • Gedichten 84

5. Gelegenheidsgedichten: 131

• Een spiegel van de tijd 132

• Gedichten voor Dindua 139

6. Lijnen naar het heden 149

Overzicht van de opgenomen gedichten 156

vooraf

Natuurlijk is het in de familie gemeengoed dat Willem, Bab en Teun Ruiten gedichten schreven. Wij groeiden daarmee op, knipten gepubliceerde versjes uit en waren verguld met de bundels van Willem. Maar toen zij, ouder geworden, niet meer schreven, schoofhun poezie ook in ons leven naar de achtergrond. Waarschijnlijk is dat eveneens het geval bij de weinigen die hen nog hebben gekend. De generatie van nu zal met hun werk nauwelijks bekend zijn. En dat is jammer, want de thema’s waarover hun gedichten gaan en de gevoelens die er uit spreken, zijn ook nu nog herkenbaar en actueel. Wij waren dan ook enthousiast toen de Stichting Urker Uitgaven ons benaderde met het plan om een uitgave te wijden aan het dichterstrio Teun, Bab en Willem Ruiten. Want drie dichters binnen een gezin, waarvan er een op landelijk niveau publiceerde, is vrij uniek te noemen.

A1 pratend over vorm en inhoud, kwam de voorbereidingsgroep al gauw tot de conclusie dat de gedichten aan betekenis zouden winnen als men ze plaatste in de context van de persoonlijkheid en het leven van de dichters.

Van elke dichtende Ruiten is daarom een levensbeschrijving, een korte karakterisering en een beknopte beschouwing van zijn of haar werk opgenomen. Daarmee is de uitgave meer geworden dan een bloemlezing van de gedichten.

Al schrijvend en selecterend, hebben wij recht willen doen aan de personen achter de gedichten, zonder een eenzijdig positief beeld te schetsen.

Er komen personen tot leven met hun sterke en minder sterke kanten, hun overtuigingen, geloofen twijfels. Mede gevormd doorhun afkomst en de gebeurtenissen in hun leven. Personen die, met deze bagage gewapend, hun gedachten, gevoelens en herinneringen uitten in poezie.

In de gekozen gedichten hebben we er naar gestreefd dit beeld tot uiting te laten komen. Er zijn goede en minder goede opgenomen. Persoonlijke gevoelens beschrijvend zowel als herinneringen aan hun jeugd en

Woovd
7

gebeurtenissen uit hun latere leven. Zo ontstaat een beeld van het brede scala aan gedichten die deze Ruitens hebben nagelaten. Er is de nodige aandacht besteed aan de afkomst van de Ruitens. Want, hoewel niet meer weg te denken uit de Urker samenleving en al snel volkomen Urker geworden, de Ruitens zijn van oorsprong een Schokkerfamilie die nog niet eens zo heel lang op Urk gevestigd is. Het is al met al een boeiend verhaal geworden. En wellicht motiveert het de Schokker nazaten om zich te verdiepen in de poezie van de Ruitens.

Wij zijn blij dat de Stichting Urker Uitgaven deze editie mogelijk heeft gemaakt en danken alien die aan de tot standkoming van deze uitgave hebben meegewerkt. Wij hopen dat u aan het lezen ervan net zoveel plezier beleeft als wij aan de samenstelling.

8

1. De hevkomst van defamilie Ruiten

‘TjaCCing Ruiten en Cjeertje Ruiten (Bafz&er (De oucfers van Teun, (Ba6 en ‘Wiffem

10

Ruiten en Schokland

Bij het voormalig lichtwachtershuis op Schokland, is bij een bank een gedenkplaat aangebracht met daarop de namen van de Schokkerfamilies. Een daarvan is de familie Ruiten, waarvan wij een tak tegenkomen op Urk. De Ruitens vormden op Schokland een uitgebreide familie die vooral geconcentreerd was in de Middelbuurt en Ens. Rond 1820 zijn er zo’n 80 personen met de naam Ruiten in de registers ingeschreven. Schokland is de bakermat van de dichtende Ruitens waar dit boekje over gaat. Eloe heeft deze familie zich ontwikkeld en hoe is de connectie met Urk tot stand gekomen?

De werkgroep Genealogie van de Vereniging Vrienden van Urk heeft een uitgebreid overzicht samengesteld van de herkomst van de familie Ruiten. Ook Bruno Klappe heeft daar in het blad Schokkererf al eens aandacht aan besteed. Wij maken dankbaar gebruik van deze bronnen.

Een Schokkerfamilie met een Limburgs accent

In 1736 laat Joannes Godefriduszoon Reuten zich met zijn drie kinderen inschrijven in Kampen. Hij komt van Stevensweert in Limburg. Van een dorp aan de Maas gaat hij naar de stad aan de IJssel. Joannes kent het leven aan de rivier. Sinds twee jaar is hij weduwnaar. Zijn vader Godefridus Hendrikszoon Reuten is reeds in 1718 overleden, zijn moeder negen jaar later. En hoewel Joannes vertrouwd is met het leven in Stevensweert, biedt het hem in deze periode niet wat hij zoekt. Hij durft een heel andere streek op te zoeken. Maar wel een gebied dat boeiend is als knooppunt van handelsroutes. De rivieren, de Zuiderzee, de route naar Friesland met Schokland als tussenstation, die naar het westen naar Amsterdam. Andere visserij dan op de Maas. Een van de kinderen die met hem meegaan, is zijn zoon Christianus (Christophorus) Jansz. Ruijten. Die is dan al 18 jaar en werkt als timmerman. Opmerkelijk is dat in het doopregister van de Rooms Katholieke Kerk zijn naam als Ruijten geschreven is. De anderen zijn gewoon Reuten.

11

Genesteld op Schokland

Christianus leert een Schokkermeisje kennen. Of hij op het eiland woonde of werkte of dat het meisje in Kampen werkte, we weten het niet. Er waren veel contacten tussen Schokland en Kampen. Dus ontmoetingen waren geen uitzonderingen. Hoe het ook zij, Christianus (Christophorus) Jansz. Ruijten trouwt in 1745 op Schokland in de rooms katholieke kerk met Marritje Jacoba Visscher. Marritje is protestant. Het echtpaar gaatwonen in de Middelbuurt en krijgt negen kinderen.

De lijn naar de huidige Urker familie Ruiten loopt verder via de oudste zoon Jacob Christiaansz. Ruiten. De schrijfwijze van de naam krijgt bij deze Jacob ook zijn huidige vorm. We zien dat deze nogal wisselt, waarschijnlijk afhankelijk van het schrijftalent van degene die inschreef. Maar misschien wisten de naamdragers het ook niet meer precies. Joannes Godefriedusz komt als Reuten in Kampen, zijn zoon Christi¬ anus Jansz, wordt bij de doop als Ruijten ingeschreven, Jacob Christi¬ aansz. wordt Ruiten genoemd als hij gedoopt wordt, terwijl zijn broers en zusters als Reuten, Ruijten en Ruiten worden vermeld. Hoewel pastoors en dominees hun best doen de eigen kerk te beschermen, zijn de Schokkers zelfwat flexibeler in geloofszaken en tot onderhandelen bereid: de eerste drie kinderen van Jacob en Marritje worden gereformeerd gedoopt, de overigen rooms katholiek. Hoe deze oecumene in het gezin in praktijk wordt gebracht, is niet bekend. Waarschijnlijk vraagt het leven van alledag zoveel aandacht dat kerkelijke scheidsmuren minder belangrijk zijn.

Schokker eigenzinnigheid

Jacob Christiaansz. Ruiten wordt dus op de dag van zijn geboorte, 24 april 1746, gereformeerd gedoopt. Hij treedt in de voetsporen van zijn vader, wordt timmerman en blijft ook op de Middelbuurt wonen. Als hij volwassen is, laat hij het oog vallen op Trijntje Reijers Kale, een vissersdochter uit een gereformeerde familie. Dat lijkt goed te passen. Maar Trijntje krijgt een andere belangstelling. Zij gaat niet meer naar

12

de kerk in Ens, maar wel naar de rooms katholieke kerk in Emmeloord. Ook bezoekt zij de catechisatie niet meer. Zij wordt met haar vader door de predikant en een ouderling voor een gesprek ontboden. De dominee vraagt de reden van haar handelwijze. Trijntje antwoordt gedecideerd dat zij niets heeft tegen de gereformeerde leer, maar gewoon meer zin heeft in de rooms katholieke en dat zij dus rooms wil worden. Verwijzingen naar Gods oordeel helpen niet, Trijntje blijft bij haar standpunt en wordt op 22 September 1773 uitgeschreven uit de gereformeerde kerk en ingeschreven in de rooms katholieke kerk. Het moet in de ldeine gemeenschap van de Middelbuurt nogal wat stof hebben doen opwaaien. En ookTrijntje en Jacob zal het niet onberoerd hebben gelaten. Bovendien wordt zij zwanger voor het huwelijk. Zij trouwen op 7 maart 1774 in Follega (Lemmer) voor de rooms katho¬ lieke kerk. Wat de reden daarvan is, we kunnen er slechts naar gissen. Op 14 augustus 1774 wordt het eerste dochtertje geboren. Zij en alle volgende kinderen worden rooms katholiek gedoopt.Door toedoen van Trijntje komt erweer een generatie Ruitens die eenduidig rooms katho¬ liek is.

De scheidslijnen tussen rooms katholiek en gereformeerd worden op SchoHand, zeker door de bewoners zelf, nog steeds met de nodige souplesse gehanteerd. Zo is er in deze periode een Jacobus Ruiten de jongere, die trouwt met Trijntje van der Molen. Op 1 november 1783 wordt het huwelijk in de rooms katholieke kerk voltrokken en op 2 november in de gereformeerde kerk. De Hnderen worden weer allemaal rooms katholiek gedoopt.

De lijn naar de Ruitens van dit boekje loopt via het zesde kind van Jacob Christiaansz. Ruiten en Trijntje Kale: Johannes Jacobsz. Ruiten.

Schokker rijkdom?

We schrijven het jaar 1806. Op 20 april treffen we Johannes Jacobsz. Ruiten aan in de rooms katholieke kerk te Emmeloord, samen met zijn bruid Aaltje Klaas Zalm. Hun huwelijk wordt voltrokken. Johannes treedt in de voetsporen van zijn vader. Hij wordt timmerman. Maar daarnaast is hij ook aannemer. Hij woont op de Middel-

13

buurt, zoals vrijwel alle Ruitens en heeft daar twee huizen in zijn bezit. Bovendien heeft hij nog een woning op Emmeloord in eigendom. Naar Schokker begrippen doen deze Ruitens het niet slecht. Een neef van hem is opzichter en levert puin ter versterking van de zeewering.

Twee dochters trouwen later met een zoon van een visser die tevens burgemeester is. Hoewel veel kinderen jong sterven, neemt het aantal Ruitens gestaag toe.

Hoe Johannes tot deze vorm van welstand is gekomen, is niet bekend. Johannes en Aaltje krijgen negen kinderen, waarvan er drie op jeugdige leeftijd overlijden.

Johannes verdrinkt op 10 maart 1848 in de Zuiderzee bij Schokland. Aaltje is al overleden in 1841. De lijn loopt verder via hun zesde kind: Jacob Ruiten.

Lonken naar de buren: Urk in zicht Jacob Ruiten wordt geboren op 4 december 1815. Ook hij wordt timmerman van beroep. Jacob leeft in een periode waarin de omstandigheden zwaarder worden. Het eiland kalft steeds verder af. Herstelwerkzaamheden bieden nauwelijks soelaas. De armoede neemt toe, middelen van bestaan worden schaars. En aan de horizon doemt de donkere wolk van de ontruiming op.

Er zijn in deze periode al Schokkers die het eiland verlaten omdat er elders werk te vinden is. Ook bij verschillende Ruitens is dat het geval. Al betreft dit meest vrouwen die door een huwelijk het eiland verlaten. De meeste eilandbewoners houden echter koppig vol.

Jacob trouwt op 7 april 1841 met Jannetje de Boer, een Urker meisje dat op Schokland dienstmeisje is.

Jacob is rooms katholiek en Jannetje belijdend lid van de Nederlands Hervormde Kerk. Bij dit echtpaar komt er weer duidelijk een protestantse invloed in het huwelijk. Jacob en Jannetje krijgen zeven kinde¬ ren. Hun huwelijk heeft slechts veertien jaar geduurd.

Afgezien van de vaak erbarmelijke omstandigheden waarin de meeste Schokkers leefden, heeftJannetje het de laatstejaren van haarverblijfop Schokland wel heel moeilijk gehad. Haar manJacob sterft in September

14

1855, nog geen veertig jaar oud. Haar jongste dochter Trijntje sterft op 22 december 1855, nog geen twee maanden oud. Haar zesde kind Jan overlijdt op 29 oktober 1856, drie jaar oud. Nog geen maand later moet zij afscheid nemen van haar vijfde kind Peter, vijf jaar oud. En ofher nog niet genoeg geweest is, overlijdt in maart 1857 haar oudste zoon Johannes op veertienjarige leeftijd. Het is genoeg voor Jannetje. Schokland biedt geen toekomsr meer. Steeds meer mensen verlaten in deze periode het eiland op zoek naar andere middelen van bestaan. Met haar drie overgebleven kinderen Theunis, Jacobje en Willem vertrekt zij in december 1857 naar het eiland waar zij vandaan is gekomen: Urk. Daar bouwt zij haar leven weer op. In 1866 trouwt zij metJacob Pasterkamp, een weduwnaar, visser van beroep. En met haar verhuizing naar Urk, raakt deze tak van de Ruitens opgenomen in de Urker samenleving.

Vergroeid met de Urker samenleving Natuurlijk is Urk niet onbekend voor Jannetje en haar kinderen. Zij hebben er familie, de kinderen hebben vast verhalen gehoord van moeder.

Toch moet het wennen zijn geweest. Want hoewel ook Urk een eiland is dat leeft van de Zuiderzee en ook daar het leven is omgeven door zorgen om het dagelijks bestaan, het is toch anders. Maar de kinderen passen zich aan. Zij verwisselen hun Schokkerkleding voor de Urkerdracht. Een groot verschil is dat nu ook weer niet. Theunis is dan bijna twaalf, Jacobje al veertien en Willem is ruim acht jaar oud. Andere Schokkers zijn er nog niet. Ook niet van de andere Ruiten familieleden. Degenen die daarvan vertrokken zijn, zijn naar Kampen gegaan zoals veel Schokkers. Soms naar het Oosten van het land waar in de textielindustrie werk is te vinden. Nee, de kinderen van Jacob Ruiten en Jannetje de Boer zijn de enige Ruitens die op Urk terecht zijn gekomen. Zij vinden hun draai. Hoewel de kinderen op Schokland rooms katholiek gedoopt zijn, vallen op Urk die invloeden weg.

15

Theunis en Willem worden visser. Voor het eerst sinds 1745 is er geen timmerman in de familielijn die naar de dichtende Ruitens leidt. Jacobje trouwt later met Theunis van Eerde. Zij wonen op Schokland bij Theunis’ ouders in. Theunis vader is lichtwachter op Schokland. Later krijgt Theunis deze betrekking. En zo wordt Jacobje na het overlijden van haar man, de enige op Schokland geborene die na de ontruiming van 1859, nog op het eiland woont.

Theunis (Antonius) Ruiten trouwt op 7 januari 1870 metJapke Hoekstra. Zij is de dochter van Rinze Hoekstra, schipper en winkelier, en Antje Zondervan. Zij krijgen twaalfkinderen, waarvan er vier nog heel jong sterven. Theunis en Japke hebben vijfverschillende woningen in wijk 4 bewoond. Hun zevende kind, Tjalling Ruiten, wordt later de vader van de dichtende Ruitens. Theunis, hun grootvader, overlijdt op 14 mei 1905 op negenenvijftig jarige leeftijd. Zijn vrouwJapke, hun grootmoeder, overlijdt op 17 juni 1914 te Velzen, vierenzestig jaar oud.

De Ruitens die tegenwoordig nog op Urk wonen of in Den Helder, IJmuiden, Velzen, de Zaan, zijn alien nakomelingen van Theunis en Japke ofvan zijn broer Willem die trouwt met Dirkje de Boer.

Voltooid tegenwoordige tijd Tjalling Ruiten wordt geboren op 1 december 1882. Hij behoort tot de eerste generatie Ruitens die op Urk geboren is.

In het gezin waarin hij opgroeit, zingt het verhaal van Schokland ongetwijfeld nog rond. Hij wordt net als zijn vader visser. Later is hij ook nog afslager op de visafslag. Als kind valt hij van een kar, waardoor hij zijn verdere leven enigszins mank loopt.

Tjalling trekt veel met zijn twee jaar oudere broer Willem op. Samen hebben zij een Staverse jol, de U.K. 13, waarmee zij op de Zuiderzee vissen.

Bovendien trouwen zij allebei met een dochter van Tiemen Bakker en Jannetje van Urk.

Willem trouwt in 1903 metJacobje (Bape) Bakker en Tjalling in 1907

16

met Geertje Bakker. Zij is dienstbode in Amsterdam, komt daardoor niet zoveel op Urk. Het wordt een lange verkering. Bape en Geertje kunnen goed met elkaar overweg, hoewel ze een totaal verschillend karakter hebben. Geertje is meer beschouwend en ingetogen, Bape is uitbundig, treedt graag naar buiten en heeft vaak de lachers op de hand.

Tjalling en Geertje gaan wonen in Wijk 4. Zij wonen er achtereenvolgens in verschillende huizen, o.a.“De oude pastorie”. Het laatst in Wijk 4-21 het huis naast makelaardij Hoekstra, waar hun zoon Willem, de dichter, tot zijn dood heeft gewoond.

Tjalling en Geertje krijgen acht kinderen. Japke, die drie maanden na haar geboorte overlijdt, Teunis, Jannetje, Japke, Tiemen, Jacobje, Willem en Jacob.

Tjalling is een sociaal bewogen mens. Naast zijn werk als afslager en visser, is hij betrokken bij de protesten tegen de afsluiting van de Zuiderzee. De belangen van de vissers gaan hem ter harte. Hij maakt deel uit van een delegatie die naar Den Haag gaat om de problematiek van de visserij onder de aandacht van de regering te brengen. Vanuit zijn sterke persoonlijkheid, neemt hij geen blad voor de mond en zegt waar het op staat, wat hem niet altijd in dank wordt afgenomen.

Hij houdt niet van halve maatregelen. Als moeder Geertje maar niet kan beslissen ofBab het nieuwe zomerjurkje met deze temperatuur wel ofniet aankan en hem hier een paar keer advies over vraagt, neemt hij het jurkje scheurt het in tweeen en zegt: “Zo Geertje, nu weet je in elk geval dat ze het niet aan kan.”

Moeder Geertje is de stille kracht in het gezin. Zij treedt niet op de voorgrond en weet een sfeer van geborgenheid te scheppen. Toch kan zij als dat nodig is koraaat optreden. De kinderen hebben een hechte band met haar. Tjalling en Geertje leven vanuit hun geloofen dragen dat over op de kinderen. Het bepaalt de context waarbinnen zij opgroeien.

17
<De oucferCijke waning in %Vij^4-21 18

In de gedichten van Willem en Bab vinden we deze context regelmatig terug.

Tjalling wordt in 1928 ziek. Hij leidt aan astmatische bronchitis. Zijn gezondheid gaat steeds verder achteruit. De laatste jaren van zijn leven is hij bedlegerig. Deze periode legt een grote druk op het gezin. Hij overlijdt op 30 augustus 1933 op vijftig jarige leeftijd. Teunis en Jannetje zijn dan al getrouwd, Japke is in Den Helder. Geertje blijft achter met Tiemen die 18 jaar is en als timmerman werkt.

Bab is dan bijna zestien en gaat dienen in Den Helder. Willem is elfjaar oud en Jacob een jongetje van acht. Geertje gaat een moeilijke periode tegemoet. DoordatTiemen nog thuis woont, krijgt zij de extra ondersteuning die broodnodig is. Tiemen en Jacob trouwen later. Willem blijft bij haar wonen. Geertje overlijdt in 1971. Zij wordt begraven bij haar man op het oude kerkhof.

De tekst op de grafsteen, die daar destijds op verzoek van Tjalling in is gegraveerd, is tekenend voor het geloofsvertrouwen waaruit zij hebben geleefd: Veilig in Jezus armen.

19

Schokland

Een vreemde terp in’t polderland: De Middelbuurt hield moedig stand. Een mijm ‘ rend kerkje met wat bomen waar s zomers de toeristen komen; vandaar dat men bij’t verder gaan ginds ook al een kiosk ziet staan. Want’t Godshuis waar in’t grijs verleden het Woord bediend werd en gebeden om kracht, bemoediging en licht werd tot museum ingericht. Men komt er voor een kwartje binnen om zich op vroeger te bezinnen, en men tracteert zichzelfdaarna op limonade ofchocola.

Naar deze plek heb ik staan turen -wij waren immers altijd burenals kind, over de wijde plas die random Urk en Schokland was.

Die plas, waarin ik pootje baadde tussen de kleine palissaden, ofkurken scheepjes varen liet naar een gedroomd en ver gebied. Waar golven witte pruiken droegen als t stormde en over’t paalscherm sloegen. Soms dook daar met zijn stompe kop van onder’t schuim een zeehond op. Waar meeuwen over t water scheerden, en botters in de wind laveerden, op jacht naar zilverwitte buit.

Waar vissers zwoegden op hun schuit, ofpsalmen zongen onder’t varen -Gij zijt van de allervroegste jaren voor ons geweest een toevlucht, Heerals’t zomer was en windstil weer.

Ik lig weemoedig wat te dromen languit in’t gras onder de bomen die rondom’t kerkje staan geschaard, en waardoor’t zomerwindje vaart.

Die bomen stonden hier sinds tijden het golfgezang te begeleiden met hun geruis, ofstaarden stom naar t spieg’lend watervlak rondom. Nu staan zij daarvan stil te zingen, en delen hun herinneringen aan’t luist’rend polderlandschap mee... Vertelsels van de Zuiderzee.

Willem

Scfiof{(ancf, 0WicfdeC6uurt

22

2. Teun Ruiten (1908-1995)

Teun Ruiten

Zijn leven

Teun werd geboren op 25 december 1908. Hij was de oudste zoon in het gezin van Tjalling Ruiten en Geertje Bakker. Teun kon goed leren. Hij kreeg van zijn ouders de gelegenheid om daarin verder te gaan. In die tijd beslist geen vanzelfsprekendheid. Het werd mogelijk gemaakt door een bijdrage in het kader van de Zuiderzeesteunwet die ook voorzag in een studiebeurs voor veelbelovende leerlingen. Door zijn ouders alleen zou het niet op te brengen zijn geweest.

Hij koos ervoor om onderwijzer te worden. Om dat te bereiken moest hij Urk verlaten. Samen met nog enkele andere Urker jongens ging hij naar Haarlem naar de Da Costa kweekschool. Zij woonden daar in hetzelfde kosthuis. Nadat hij zijn opleiding had voltooid, ging hij als “kwekeling met akte” terug naar Urk en werd daar na enige tijd onderwijzer. Vanafdie tijd werd hij “meester Ruiten” en zou dat verder blijven.

Hij trouwde in 1934 met Marretje Hakvoort, een dochtervan Hendrik Hakvoort en Roelofje van Veen. Het echtpaar gingwonen in deTorenstraat. Meester Ruiten haalde nog zijn akte l.o. Duits, want hij wilde op den duur les geven aan de MULO.

Teun had van nature een brede belangstelling. Deze spitste zich steeds meer toe op theologische en kerkelijke vraagstukken.

De jaren 1943/1944 waren voor de Gereformeerde Kerk bewogen tijden. De geschillen binnen deze kerk leidden tot de Vrijmaking. Ook op Urkging dit niet ongemerkt voorbij. Een deel van de Gereformeerde Kerk splitste zich afin 1947 en ging als zelfstandige gemeente verder. Teun en Marretje kozen voor de Vrijmaking. In een gemeenschap als Urk hebben kerkelijke scheuringen vaak verregaande consequenties voor het sociaal maatschappelijke leven.

Ook bij het echtpaar Ruiten was dit het geval. Van de familieleden bijvoorbeeld gingen alleen broer Willem en Klaas en Marij Hakvoort, broer en schoonzus mee. Deze gingen echter al weer snel terug naar de Gereformeerde Kerk.

Teun besloot Urk te verlaten en solliciteerde in 1948 naar Enschede.

25

Deze stad hoorde inmiddels tot een van de bolwerken van de Vrijma¬ king. Hij werd aangenomen en bleefer ruim tien jaar werkzaam. Door de komst van hun zoon Tonny konden zij daar ook een gezinsleven opbouwen.

In deze periode verdiepte hij zich steeds verder in de theologie, met name die welke voortkwam uit de vrijgemaakte dogmatiek. Hij volgde die kritisch.

Ouder wordende ouders, Hendrik Hakvoort was inmiddels overleden en de gezondheid van Roelofje ging achteruit evenals die van Geertje Ruiten, maakten datTeun en Marretje besloten terug te gaan naar Urk. Bovendien hadden goede Enschedese vrienden emigratieplannen. Ook het verlangen naar de hechte band van de Urker samenleving, speelde daarin een rol.

Meester Ruiten was zeker bij leeftijdsgenoten nog steeds een begrip. Hij kon dan ook meteen komen toen er een vacature was.

De overgang van Enschede naar Urk verliep niet zonder slag ofstoot. Veranderingen gingen snel in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw. Ook op Urk was dit het geval.

Teun en Mar vonden aanvankelijk niet terugwat zij hadden achtergelaten. Het leven in de stad had hen ook be'invloed. Het was zoeken naar een nieuwe balans.

Teun had daar meer last van dan Mar. Maar zij vonden voldoende aanknopingspunten om het nieuwe oude leven weer op te vatten. Mar bewoog zich alweer snel in de wereld van kerk, krans en bazaars.

De gezondheid van Teun ging, mede door de werkdruk in het onderwijs, achteruit. Uiteindelijk werd hij afgekeurd en kreeg daardoor de ruimte om zich bezig te houden met het kerkelijk leven, schrijven van studies en inleidingen bij bijbelse onderwerpen, gedichten en dergelijke zaken.

In de verschillen van inzicht binnen de Vrijgemaakte Kerk die tot de vorming van de Nederlands Gereformeerde Kerk leidden, koos hij voor de laatst genoemde. Hij zette zijn kennis en vaardigheden vol overtuiging in voor de opbouw van deze gemeente.

26

Zoon Tonny was inmiddels getrouwd, er kwamen kleinkinderen. Dat gafnieuwe invullingen aan het leven van Teun en Mar. In de jaren 80 ging het met de gezondheid van Mar achteruit. Zij overleed in 1988. Teun bleefeerst op zichzelfwonen. Later trok hij bij Tony en zijn vrouw Sjanie in. Naarmate hij ouder werd, trok hij zich steeds meer terug op zijn kamertje met de boeken en inleidingen die hem dierbaar waren. Hij overleed op 2 augustus 1995, 87 jaar oud.

Hoe hij was Teun Ruiten had veel aspecten aan zijn persoonlijkheid. Hij kon gangmaker zijn in een gezelschap, maar ook teruggetrokken luisteren. Hij kon opgewekt en vrolijk zijn, maar ook somber en neerslachtig.

In een vrienden- en familiekring waarin hij zich thuis voelde, plaatste hij vaak de ene snedige opmerking na de andere. Was dat niet het geval, dan deed hij er liefst het zwijgen toe. Via non verbaal gedrag liet hij duidelijk merken dat hij zich niet op zijn plaats voelde. Dat was ook het geval als een predikant een preek hield die hem niet aan stond. Gesprekken moesten ergens over gaan. Hij had niet veel met gekeuvel over koetjes en kalfjes. Verjaardagsbijeenkomsten hoorden bij hem dan ook eerder tot de verplichte nummers waaraan hij zich het liefst onttrok. Dit tot verdriet van zijn vrouw die daar juist behoefte aan had. Taal hanteerde hij als gereedschap. In een gedachtewisseling ofeen uiteenzetting over een bepaald onderwerp, formuleerde hij zorgvuldig en nadrukkelijk. Nooit raakte hij de draad kwijt in een betoog. Hij beitelde net zo lang nauwgezet aan een onderwerp tot er een heldere voorstelling ontstond. Zijn verhalen waren boeiend en goed gedocumenteerd. Als hij vertelde, kwam er iets tot leven. Hij stond open voor zowel het heden als het verleden, zag van beiden zowel de voor- als de nadelen. Haarscherp kon hij misstanden uit het verleden en ook het heden aan de kaak stellen. Zijn sociale betrokkenheid kwam dan duidelijk naar voren. Ironie, die soms overging in cynisme, was hem daarin niet vreemd. Hij had een kritische instelling tegenover de maatschappelijke en kerkelijke

27

ontwikkelingen, uitte dat bij voorkeur bij diegenen die daar ontvankelijk voor waren en plaatste die kritiek dan weer in een perspectiefvan ontwikkelingen zoals ze wel moesten zijn. In alles bleefhij een leraar.

In de vrijere gesprekken was hij vaak geestig en gebruikte veelvuldig opmerkingen met een dubbele bodem. Hij won dan ook regelmatig prijzen met de slagzinnen die hij instuurde. Geloof en kerk behoorden tot de hoofdthema’s van zijn denken. Hij schreef goed doordachte inleidingen over de onderwerpen die hem bezighielden, was een meelevend kerklid en in bepaalde perioden soms toonaangevend. Hij bekleedde meerdere malen het ambt van ouderling, gafcatechisaties en hield inleidingen voor de mannenvereniging. Hij was het niet altijd eens met het kerkelijk dogma, ontwikkelde op die onderdelen waar hij niet achter kon staan een eigen visie. De grote lijn van dat dogma binnen de door hem gekozen richting, bleef hij echter altijd trouw. Het levende geloof ging bij hem voor het dogma. Hij wist zijn leven afhankelijk van God en vond daar rust in. Sport was aan Teun Ruiten nauwelijks besteed. De glanzend gepoetste koperen vazen op de schoorsteenmantel, werden door zijn nichtje mild spottend “oom Teuns kampioensbekers” genoemd. Toch schiep hij er genoegen in om van voor de klas de 40 a 45 gecorrigeerde schriften trefzeker op de plaats van de betreffende leerling te deponeren. Hij miste nooit. Voor de directe omgeving was de omgang met Teun niet altijd even makkelijk. Door zijn sterk verantwoordelijkheidsgevoel zag hij van veel zaken aan het dagelijks leven vooral de dingen die fout konden gaan. De bezorgdheid die daar uit voortkwam, sloeg snel om in betutteling. Ook zijn neerslachtige buien waren voor zijn huisgenoten niet altijd even makkelijk te hanteren.

Zijn werk

Het werk van Teun Ruiten bestaat uit: Inleidingen over kerkelijk dogmatische en Bijbelse onderwerpen: Gedichten over met name Urk en gedichten die hij schreefvoor reciteervereniging “Dindua” (zie hoofdstuk 5 “Gelegenheidsgedichten”).

28

Inleidingen en Bijbelstudies

Zijn inleidingen getuigen van een sterk analytisch denkvermogen. Ook spreekt er een consequente en consistente redeneertrant uit. Waar bijbelteksten daar aanleiding toegeven, durft hij af te wijken van destijds gangbare opvattingen en een eigen, goed onderbouwde, mening daar tegenover te stellen. Vooral in zijn Enschedese periode heeft hij er velen geschreven. Er zijn er niet veel van overgebleven. Dat komt vooral doordat hij, oud geworden, aan bezoekers met wie hij een goed gesprek had gehad over kerkelijke en geloofszaken, er een meegaf.

Gedichten over Urk

Toen Teun Ruiten niet meer werkte, ging hij zijn aandacht steeds meer richten op het leven op Urk zoals hij dat vroeger gekend had. De leeftijdsfase waarin hij verkeerde, zal daar zeker een rol in hebben gespeeld. Hij verzamelde foto’s, boeken en wat hem ook maar waardevol voorkwam en schreef er gedichten over. Als hij publiceerde, deed hij dat in het Urkerland. Niet alles wat hij gepubliceerd heeft, is herkenbaar gebleven als gedichten van Teun Ruiten. Uit bescheidenheid, hij trad niet graag op de voorgrond, zette hij soms zijn naam er niet onder. Het niet gepubliceerde is niet teruggevonden. Van de in deze bundel opgenomen gedichten, weten we zeker dat ze van hem afkomstig zijn. Op enkele daarvan willen we nader ingaan.

Het gedicht “Herinneringen aan het Top” behoort tot de mooisten die over dit onderwerp geschreven zijn. Zonder enige rijmdwang en in een schijnbaar losse vorm, wordt het beeld geschilderd van dit deel van Urk en het leven dat daar plaats vond. Trefzeker, niets verhullend. De posi¬ tive werkelijkheid zowel als de keerzijde daarvan beschrijvend. Negen strofen zijn er nodig om te komen tot de aanleiding voor deze bespiegeling: de bebouwing van wat eens het Top was. Een definitiefafscheid. In het museum “Het Oude Raadhuis” is in de bovenzaal een muurschildering aangebracht van het Top en de Staart.

29

Deze is gemaakt door zijn neefTjalling Ruiten. Beeldend vermogen met verschillende gereedschappen over hetzelfde onderwerp. Generaties vallen samen.

In het gedicht: “De Urker haven (omstreeks 1920)”, wordt beeldend beschreven hoe het in die tijd rond de haven toeging. Heel consequent wordt het paarrijm gehanteerd. Dat gaat hier en daar ten koste van het ritme en doet soms gekunsteld aan. Toch boeit het door de tekening van de sfeer. Bovendien blijkt dat meester Ruiten zijn zaakjes kende. Want hoewel hij zelf nooit met botters gevaren heeft, kent hij de termen die bij het vissen met zeilvaartuigen horen. En wat meer is: hij weet ze goed te gebruiken.

Bij het vissersmonument schreefTeun Ruiten het gedicht: “Het Vissersmonument op de Berg”.

In de eerste strofen komt duidelijk de betrokkenheid van Teun Ruiten naar voren. Een betrokkenheid vanuit het gevoel. Bijna dwingend nemen ze je mee naar de wereld achter het monument. Dan maakt het gedicht een wending. Het wordt meer beschrijvend van karakter. Er komt een toelichting op de gevoelens uit de eerste drie strofen. Om vervolgens een brug te slaan naar het heden. Ondanks alle vooruitgang, blijft de visser afhankelijk van de natuur. En daarmee van God die de winden bestuurt en van wiens bescherming zij afhankelijk blijven.

30

Mijn land

Hoe sterk en stoer rijst Urk uit zee gelijk een steile rots. Haar drong geen stormvlaag van haar stee, noch woedend golfgeklots. Hoe ligt mijn vriend’ lijk dorpje daar in zomerzonnegloed en’t blanke water, rimploos, klaar, te dromen aan haar voet.

De toren - rood gekoepeld tuurt als wachter over t meer; waarnaar mijn boot de steven stuurt, naar eigen haven weer. Mijn dorp schijnt mij een droompaleis aan verre horizon, alsofeen wond’re sprookjesreis zich aan mijn geest ontspon.

Twee lange dijken strekken zich aan beide kanten uit. Daarachter rijpt het nieuwe land en klinkt een nieuw geluid. Daar gloort een nieuwe dageraad van ongekende pracht. Daar wordt nieuw leven, nieuwe bloei en nieuwe oogst verwacht.

En in de haven’t mastenbos van onze vissersvloot. Nog zwoegt ons volk bij roer en tros, nog is haar zee niet dood. O land, mijn liefgeboorteland, omgord u tot de strijd. Verwin uw recht, uw deel, uw stand en kus de nieuwe tijd.

31

Herinneringen aan Het Top

Waar voor vijftig jaar op het schelpenzand langs de zeewering blauwe zeedistels groeiden, en op het slib verderop de bloemen van 't Top bij duizenden bloeiden en de Noord lila kleurden, waar op zomerse dagen boven het hooiland, van weidebloemen geel, de warme lucht trilde in de grote stilte, slechts verstoord door de schreeuw van een meeuw...

Waar voor vijftig jaar bij storm uit't Noordwesten de opgezweepte golven braken op 't paalscherm en hoog uitwaaierden in sluiers van water, met regenboogkleuren als de zon zich liet zien, waar bij springvloed en storm de zee vrij spel had, het land overspoelde, het eiland halveerde...

Waar voor vijftig jaar zwetende mannen in blauwe boezeroenen met bruinverbrande gezichten onder brede strohoeden in lange, hete dagen de zeewering herstelden, met eeltige handen de heitouwen trokken, de zware palen torsten, voor een schamel stuk brood... Waar voor vijftig jaar tussen de hoofdjes de roeibootjes dobberden van de walvissertjes,

ouden van dagen, de armsten der armen, hun bestaan rekkend met de kleine baten van een paar perkjes netjes en een paar spleten want... Waar voor vijftig jaar de haring aan wal kwam, verwacht door de zegenaars met zegen en kubboot, met blijde gezichten als de zak aan de kant lag vol spartelende vissen, dit brood uit het water: geld voor de bakker...

Waar voor vijftig jaar achter het paalscherm de kinderen speelden in’t schoonste zand, in’t heldersre water; waar vissers in spe, in rode hemdjes en blauwe broekjes, met zelfgemaakt vistuig de vis leerden vangen...

Waar voor vijftig jaar zeehonden zich zonden op het zand van de Staart en in de bocht aan’t begin naakte jongens zich baadden in glashelder water door niemand gestoord...

Waar voor vijftig jaar’s zondags na kerktijd de mensen wandelden, ouders en kinderen, in lange rijen; waar jongens en meisjes elkaar vonden voor’t leven vrijend langs’t dijkje, in alle eer en deugd...

33

Waar voor vijftig jaar het hooiland gemaaid werd door maaiers van elders: evenement in het stille bestaan van het dorpje van toen als een oogstfeest in Israel; werk aan de winkel voor de “landers” van’t eiland, maar ieder hielp ieder om de hooioogst te bergen van Heerenkamp, Akkers en Geer; waar knerpende wagens, hoog beladen, over’t gele stoppelland reden naar’t veilige dorp, waar de jeugd het feest besloot op t geurige “hooibalkien”...

Daar bonkten de heikarren de palen de grond in voor’t nieuwe Urk dat daar wordt gebouwd: met herenhuizen aan brede straten: de welvaart deed wonderen, hier nooit eerder aanschouwd. Als bleke herinnering aan het “laand” van voorheen zijn de namen gebleven, maar Het Top is verleden. Wie het nog kent als in deze herinnering beschreven, die wordt zelfook al oud...

HetVissersmonument op de Berg

Namen... namen... Rijen van namen in steen geschreven van mannen en vaders van zonen, zelfs kind’ren, in hun prille jeugd op zee gebleven.

Tranen... tranen... Van beken van tranen spreken de stenen. Tranen van moeders van vrouwen en kind’ren die achterbleven. Wie zou niet wenen?

Doden...doden... Dierbare doden.

In zee begraven en nooit gevonden, gij zult herleven. Want ook de zee zal op Gods bevel haar doden geven.

Hier zijn zij geboren, hier zijn zij getogen, hier werden zij vissers het werk was hun lief. Hier hadden ze hun vreugd, hun verdriet en hun zorgen in een keihard bestaan met maar weinig gerief.

35

Brood moest uit water worden gewonnen brood voor de kinderen, de vissen der zee. Dus voeren zij uit met gevaar voor hun leven, met de bede in’t hart: “Heer, ga Gij met ons mee”.

Dan stak de storm op en kokende golven bedolven hun scheepjes in donkere nacht en angstige vrouwen en biddende moeders, zij hebben vergeefs op hun thuiskomst gewacht.

En zoals het was in het verre verleden zo is het nog in het heden: de visser vaart uit, niet meer met een schuit, maar met een machtige kotter, met echolood, radar, met decca en plotter, maar de zee blijft de zee, even wreed als voorheen.

Daarvan spreken de stenen van het jongste verleden. Het blijv’ onze bede: ga Gij met hen Heer. Hun schepen zijn klein als Uw stormwinden gieren, als brekers aanrollen als brullende dieren... Want de zee blijft de zee, even wreed als voorheen.

Ik dacht zo...

Een Urker visserskind van vroeger, was kind tot aan z’n twaalfde jaar.

Daarna kwam’t harde leven, het kon niet anders, dat is waar.

Het: “Wie niet werkt zal ook niet eten”, was toen nog harde werkelijkheid. Wie handen had moest meeverdienen.

Zo was die goeie ouwe tijd.

Een jongen ging met twaalfjaar varen. Een meisje ging naar Amsterdam. Ze trofhet niet eens ongelukkig als ze bij Joden dienen kwam.

Die gaven haar goed van eten, en betaalden’t hoogste loon. Dus hidden kwieke Urker meiden bij’t oude volk de huizen schoon.

Die meisjes hadden geen vakantie. Pinkster en Kerst kregen ze vrij om ’n paar dagen op Urk te wezen. Wat waren dan die kinderen blij.

En dan kon het ook nog gebeuren, dat’t feest met Kerst niet door kon gaan. Omdat de zee was dichtgevroren. En z’ in Enkhuizen bleven staan.

37

Met Kerst en Pinkster moest t gebeuren, dat een derdeman een meisje zocht.

Kort was de vreugd, want na een paar dagen maakte zij weer de overtocht.

Die derdemannen en dienstmeisjes beminden schriftelijk, per brief.

Ze spaarden zuinig voor de trouwdag die komen zou na’t ongerief.

Na zes ofzeven jaar verkering, kwam t meisje dan voorgoed naar huis om hier’t nestje klaar te maken voor hem en haar, hun eigen thuis.

Het achterkamertje van Bessien was al beloofd aan’t jonge paar. Bessien had voor nog een bedstee over. Dus het woonprobleem, was zomaar klaar.

Een behangetje van Klaas de schilder, een kacheltje van Klaas de smid, wat meubeltjes van Piet en Geertje, ’t was al met al een rijk bezit.

Daar leefden ze volmaakt gelukkig zo blij en dankbaar met elkaar. Met weinig waren ze tevreden, die jongelui voor tachtig jaar.

waren ze...

‘k Zie nog dat oude mensje naar de kerk toe strompelen, ze liep erg slecht, moest op een stokje hompelen.

Maar een kerkgang overslaan, dat vond ze toch geen werk. Op zondag dan was’t oudje tweemaal in de kerk. Daar zat ze s winters in een vrijwel onverwarmd gebouw, het kerkboek op de schoot, de handen blauw van kou. Het ergste was: haar voeten op die vloer van koude stenen. Gelukkig wou haar buurvrouw haar de stoofwel even lenen.

Als d’ oude Anna in de tempel zat het “bessien” daar. Voor haar gevoel was hier dicht bij “Oenze Lievenaar”.

Zij wist zich zondares, maar door Zijn bloed gekocht en daardoor was‘t, dat zij zo trouw de kerkdiensten bezocht. Ze was als velen toen straatarm, dat lieve “ouwe bessien’. Het spreekwoord zegt: de muizen lagen dood voor ‘t “kessien”. Haar kinderen, arm als zij, konden haar ook niet geven. En daarom zong zij vaak van: “Zalig hij die in dit leven...

Dit arme oude vrouwtje was n rijk kind van God. Rijk in haar Heiland en tevreden met haar lot. Geen bitt’re armoe roofde haar die innerlijke vrede: God was haar Vader en hoorde altijd haar bede.

In’t kinderlijk geloofliet zij haar Vader zorgen voor’t roggebrood van heden en de turfvan morgen. Hij stelde haar nooit teleur, hielp haar steeds uit de nood. De God die raven zond, Hij gafhaar “brand” en brood.

En zoals zij leefden hier voorheen veel mensen. Zij vreesden God en hadden weinig aardse wensen. Arm naar de wereld, maar rijk in hun God en Heer, leefden zij uit Gods Hand, begeerden ook niet meer.

Zo
39

De Urker haven... (ca. 1920)

Grote botters, kleine botters, (wat wisten we toen van kotters?) kleine schuiten, grote schuiten, met die rechte, lange snuiten. Grote bollen, kleine bolien, schouwen, vletten en veel jollen waren het, die d’ Urker haven z’n vertrouwde aanblik gaven.

In het voorjaar, ’t kon niet missen, begon hier het haringvissen.

Na Biddag, bij een open zee, maakten zij alien zich zeilree. ’t Netwerk werd aan boord gebracht want de haring werd verwacht.

Bij onze eigen vele schepen, kwamen hier nog “vreemden” repen. Vissers rond de Zuiderzee, namen vletten netten mee. Kwamen naar ons eiland varen. Lemsters, Vollenhovenaren, Harderwijkers, Spakenburgers, Gooiers, Markers, en Elburgers, vissers uit het klein Stavoren, Hindeloopen en zelfs Hoorn, hadden tijdens het seizoen Urk als aanvoerhaven toen. Alle havens liepen vol met zuidwalder, aak en jol. Wat een drukte en vertier, brachten al die vissers hier.

Volendam deed niet aan repen. Met hun botters, snelle schepen, trokken ze altijd naar de kuil al was het weer ook nog zo vuil. Vikings van de Zuiderzee zochten zelden veilige ree. Hoog getuigd met rode zeilen, kliefden ze de zee als pijlen. Buizend ging het opperdan en daar gingen ze ‘r weer an.

Maar t kon weleens gebeuren dat de boel dreigde te scheuren. En als’t weerglas maar bleefzakken, dan pas kwamen al die kwakken slingerend naar d’ Urker haven waar het scheepsvolk zich ging laven aan de koffie en het bier in de “Willem Barends” hier. Daar waren ze kind aan huis, voelde Volendam zich thuis.

De Zuidwalder nettenslepers, in het voorjaar alien repers, werden soms door storm verrast. Leiden was dan zeer in last. Sleepnetten vlug ingehaald, rifin’t zeil, fok neergehaald. Storm stak op uit het Zuidwest, voor de wind uit was nog ‘t best. Twintig, dertig tegelijk, namen naar ons Urk de wijk. Voortgesmeten op de golven, t achterschip bijna bedolven, een lapje zeil, een stukje fok,

het luitouw om de helmstok.

Zo kwamen ze aangevaren: Spakenburgers, Huizenaren, schipper, doornat aan het roer als een standbeeld, sterk en stoer. Koelewijn en Ruizendaal kwamen hier weer op verhaal.

Tjalken voeren jaar na jaar langs ons eiland traag en zwaar. Van Lemmer naar Amsterdam, als de wind uit t noorden kwam. Fok te loevert, zeil aan lij, trokken ze dan Urk voorbij. Tussen Vormt en Punt van t Zand, door het Val en ver van’t land.

Als de wind dan kromp naar west, en de zee liep dwars in t lest en het glas dat snel ging zakken, moesten ze een haven pakken. Een zucht ging op als z’ ongedeerd in Urk lagen afgemeerd. t Vrachtschip van de Zuiderzee vond hier ook een veil’ge ree.

Gebondenen

Gij weet hoe sterk wij zijn gebonden, Gij kent het net dat ons benart. Wij zijn, gekortwiekt en geschonden, te zeer in Satan’s strik verward.

Gij kent de tranen in ons zuchten die naar verlossing zijn geschreid. t Vergeefse pogen te ontvluchten tot waar Uw hemel wenkte... wijd...

En nu, wij durven niets meer hopen tenzij ons Uw genade vindt, die ons de strikken zal ontknopen en zegt: “Gij zijt mijn dierbaar kind”.

Tenzij wij vleugelen verkrijgen door U genezen en ontsmet, en juichend tot U opwaarts stijgen, bevrijd... ontkomen uit het net!

3.Bab Ruiten (1917-1997)

<Ba6
46
Ruiten

Haar leven

Bab werd geboren op 23 September 1917. Zij was het zesde kind in het gezin van Tjalling Ruiten en Geertje Bakker. Zij kon goed leren. De hoofdonderwijzer heeft nog gestimuleerd dat zij door zou leren. Haar ouders hadden daar geen bezwaar tegen, maar Bab wilde niet.

Toen zij ongeveer tien jaar oud was, werd vader ziek. Hij overleed aan astmatische bronchitis na een ziekbed van vijfjaar. Deze periode is haar altijd bijgebleven. Als vijftienjarig meisje vertrok zij naar Den Helder om te dienen. Haar zus Japke was daar toen al. Bab diende bij verschillende families, waarvan de periode bij de onderwijzer meester Schoorl nog de meeste indruk op haar maakte. Vlak voor de tweede wereldoorlog werd zij teruggeroepen naar Urk. Zij moest helpen in het gezin van zuster Jannetje, die ziek was en twee kinderen had. Jannetje was getrouwd met aannemer Willem de Boer. Op de zolder boven diens timmerschuur waren enkele steenzetters uit Sliedrecht gehuisvest. Zij werkten aan de Lemsterdijk. Dit ging natuurlijk niet ongemerkt aan Bab voorbij. Nieuwsgierig als zij was, wilde zij weten wat dit voor mensen waren. Tijdens een van deze contacten, bood Piet de Jager haar een boterham met kaas aan. Dit was het begin van een hechtere relatie. Eind 1940 trouwden zij. De huisvestingwas een probleem. Zij trokken bij moeder Geertje in, waar hun dochter Rina werd geboren. Daarna woonden zij nog enige tijd op de bovenverdieping van Wijk 7-82. Toen dat niet meer ging, wist Willem de Boer een oud arkje op de kop te tikken. Dat zonk enkele weken nadat hun tweede kind Tjalling was geboren. Het was inmiddels 1943. In datzelfde jaar bleek Bab longtuberculose te hebben in een vergevorderd stadium. Zij werd opgenomen in sanatorium Sonnevanck te Harderwijk. Teun en Mar ontfermden zich over de kinderen. In het najaar van 1944 werd dit sanatorium wegens een nijpend voedseltekort, de Hongerwinter stond voor de deur, ontruimd. Bab vertrok naar Urk.

47

Daar kuurde zij bij haar moeder verder aftot halverwege 1946. Daarna verhuisden Bab en Piet naar Den Helder. Op Urk was de huisvesting nog steeds een probleem, in Den Helder was leegstand. De kinderen kwamen terug. Het gezin was weer compleet, maar de rust wilde niet komen. Bab en Piet verhuisden vijfkeer in acht jaar tijd. Vooral door het toedoen van Bab.

In 1953 werd hun derde kind, Kees, geboren. Hij bleek een ongeneeslijke bloedziekte te hebben. In die tijd waren daar nauwelijks behandelmethoden voor. Het werd jarenlang ziekenhuis in en ziekenhuis uit.

Den Helder was voor het beroep van Piet geen gunstige woonplaats. Sliedrecht was het centrum van de steenzetterswereld. Daar woonden de aannemers. Dus verhuisden zij voorjaar 1955 naar Sliedrecht. De ziekte van Kees trok in die tijd een zware wissel op het gezin. Bij Bab werd in 1956 opnieuw longtuberculose geconstateerd. Zij werd weer opgenomen in Sonnevanck. Het gezin viel opnieuw uiteen. Rina bleef aanvankelijk in Sliedrecht, ging later naar Urk, weer naar Slied¬ recht, Enschede en weer terug naar Sliedrecht.

Tjalling ging meteen naar Enschede, waar Teun en Mar inmiddels woonden. Kees lag in het ziekenhuis en bleefdaar voorlopig. Hij werd na enige tijd in huis genomen door zuster Jannetje en zwager Willem. Na een longoperatie kwam Bab in 1957 weer thuis en kwamen de kinderen terug.

Bab zag dat Rina niet kon aarden in Sliedrecht en liet haar weer naar Den Helder gaan.

Zoon Tjalling ging in 1966 als onderwijzer ook weer terug naar die plaats. Nu twee van haar kinderen daar woonden, plus haar zuster Japke en nog kennissen van vroeger, wilde Bab ook terug. En hoewel het nog steeds ongunstig was voor het werk van Piet, verhuisden zij in 1967 naar Den Helder. Het bracht hen niet wat ze er van hadden verwacht. Zij waren zelf veranderd, familie en vrienden hadden hun eigen leven opgebouwd.

En of het nu lag aan Bab, aan Den Helder of aan de combinatie van

48

beiden, ook het verhuizen begon weer. Zo’n keer of zes in twaalfjaar tijd.

Van beiden ging de gezondheid achteruit, Piet overleed op 3 april 1989. Bab op 10 februari 1997.

Hoe zij was Bab had een creatieve en avontuurlijke geest. Zij zocht graag de grenzen op van wat in een bepaalde samenleving als gangbaar werd verondersteld.

Vooral in het Urk van haar jeugd, leidde dat soms tot onbegrip, zelfs botsingen. Zij hield van het avontuur, zag niet gauw het gevaar en was niet bang uitgevallen.

Van nature had zij een vrije en onafhankelijke geest, stond kritisch tegenover de ontwikkelingen die zich aan haar voor deden, maar nam nieuwe dingen makkelijk in haar leven op als zij daar voordeel in zag. Daarnaast hield zij onvoorwaardelijk vast aan de essentie van de waarden en normen die haar in haar jeugd waren bijgebracht. Voor zover het paste binnen dat normbesef, schuwde zij het buitensporige niet. Zij had iets flamboyants over zich. Mocht graag naar buiten treden en in gezelschap applaus ontvangen voor haar optreden. Zij voelde zich aangetrokken tot de wereld van film en toneel en had het in zich om actrice te worden.

Bab zat vol humor, had veel fantasie en kon geestig en vol onverwachte wendingen haar verhalen vertellen. Als zij aan het woord was moest je opletten. Daarbij had zij soms de neiging de waarheid naar het effect toe te manipuleren. In gesprekken nam zij graag de leiding. Zij hield van rolwisselingen. Vaak werd iemand die hulp kwam bieden in de loop van zo’n gesprek degene die zelfhulp kreeg.

Bab was een belezen vrouw. Van veel bekende schrijvers uit de literatuur had zij werken gelezen. Zij onthield wat zij gelezen had, citeerde vaak hele stukken. Het maakte niet uit of het gedichten, romans of de Bijbel betrof. Als de situatie daarom vroeg, wist zij die altijd wel te verlevendigen met een toepasselijke tekst die daarmee verbonden kon worden. Zij had een scherpe opmerkingsgave en doorzag de mensen en

49

hun beweegredenen snel. Kon kordaat optreden, maar ook afwachtend zijn. Hulp bieden, maar ook hulp vragen. Zij had het vermogen om de spot met mensen en situaties te drijven op een manier die niet als kwetsend werd ervaren, al bewogen die acties zich vaak op het scherpst van de snede. Daarnaast had zij er ook geen moeite mee om zelf het mikpunt te zijn.

Hoewel zij vaak vol begrip naar andere zienswijzen kon luisteren, was er weinig ruimte voor andere standpunten dan de hare. Bab was van nature strijdbaar. Zij legde zich niet gauw neer bij situaties die haar niet zinden en waarin zij door menselijk handelen terecht was gekomen. De objectieve waarheid was daarbij vaak ondergeschikt aan haar beleving.

Tegen wat zij als onrecht zag, fulmineerde zij fel. Zij kon dan brieven schrijven die doortrokken waren van in keurige bewoordingen verpakt venijn. Maatschappelijke posities speelden daarbij geen rol. Bab was niet onder de indruk van status ofopleiding.

Bab had een sterk persoonlijk geloof dat zij vol overtuiging doorgaf aan haar kinderen. Vol verve kon zij vertellen over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Zij kende haar Bijbel. Het kerkelijk dogma sprak haar minder aan, evenals de wekelijkse kerkgang. Geloofsbeleving was voor haar van groter belang. Zij voelde zich dan ook aangetrokken tot de evangelische stromingen. Tot zij ontdekte dat de leden daarvan ook gewoon mensen waren waarbij de kloof tussen belijden en daad soms pijnlijk zichtbaar werd.

Omstandigheden in haar leven die haar niet door mensen waren overkomen, kon zij op grond van haar geloofberustend aanvaarden. Daar ging wel innerlijke strijd aan vooraf. Maar uiteindelijk vond zij altijd houvast in haar bijbelteksten, de psalmen die zij kende en in de verhouding tot met name haar moeder die haar daarin was voorgegaan.

50

Haar werk

Van het werk van Bab Ruiten is veel bewaard gebleven. Deels omdat zij regelmatig in het Urkerland publiceerde, deels omdat haar dochter vroeger alles wat zij van haar vond, in een schrift overschreef. Het bestaat uitsluitend uit gedichten. Velen daarvan zijn een spiegel van de perioden in haar leven. Een ander gedeelte spiegelt het leven en de gebeurtenissen die zich aan haar voordeden. Gebeurtenissen die haar raakten ofpersonen die haaropvielen, verwerkte zij al gauw tot een vers. Daar begon zij reeds als jonge vrouw mee. Vaak hebben deze gedichten een lichte, humoristische toon, hoewel er meestal ook een ernstiger onderlaag is te onderkennen. Humor is noch bij Teun, noch bij Bab, noch bij Willem een “leve de lol” verhaal. Het is meer het naar voren halen van tegenstellingen binnen eenzelfde gegeven, een spel met disharmonie.

Toen haar leven tot in de kern veranderde door haar opname in het sanatorium “Sonnevanck”, veranderden ook haar gedichten. Gescheiden van haar gezin, zonder bezoek wegens besmettingsgevaar, gedwongen tot bedrust die toentertijd de enige remedie tegen TBC was, werd zij volledig op zichzelfteruggeworpen.

Vanafdie tijd is er meer diepgang in haar gedichten gekomen. De gedichten van Bab Ruiten zijn moeilijk in te delen. We zien er een golfbeweging in die wordt gevoed door de emotionele betrokkenheid bij gebeurtenissen in haar leven.

Als zij tussen de dieptepunten zichzelfhervindt, heeft zij weer oog voor personen en gebeurtenissen om haar heen en maakt daar verzen over. Die dan toch weer net iets anders zijn van toon dan voorheen.

Als men tot een indeling wil komen, is een tijdsindeling nog het meest voor de hand liggend. Daarbinnen bevinden zich zowel gedichten die zij schreefnaar aanleiding van gebeurtenissen die haar zelfraakten, als die welke zij schreefter gelegenheid van situaties en personen. Evenals haar broer Teun, schreefook Bab gedichten over het Urk van vroeger. Was Teun in zulke gedichten vooral vertellend bezig, bij Bab

51

vinden we daarin steeds een relatie met haar belevingvan die werkelijkheid terug. Daardoor krijgen deze gedichten een andere lading dan die van Teun Ruiten.

Bab schreef haar gedichten altijd met eindrijm. Vrije vormen komen wij niet tegen. Meestal zijn zij gevat in een strak ritme dat slechts nu en dan wordt doorbroken als de woorden voor de inhoud die ze wil overbrengen niet passen binnen het metrum. Opeens loopt het vers dan niet meer en komt er iets gekunstelds in. Doordat zij schrijft over ervaringen in haar persoonlijk leven, krijgen veel gedichten een intiem karakter. Maar de gevoelens die er uit spreken zijn te herkennen buiten de gebeurtenissen om. Ook in gedichten over ons onbekende personen, vinden wij altijd wel iets herkenbaars doordat zij de werkelijkheid laat glijden door de trechter van haar gevoel.

52

De Vader

Waar liefde voor de ongeboren mens reeds ongeweten leeft in t moederhart, kent hij slechts trotse vreugde zonder smart om de vervulling van zijn liefste wens.

Maar als hij voor het eerst zijn eigen kind gevangen houdt in zijn onwennige armen, ontwaakt bij hem met vaderlijk erbarmen de grote liefde voor zijn eersteling.

De Moeder

Mijn kind, jij klopte aan de gouden poort van mijn verlangen in die zoele nacht. Toen heb ik stil gebeden en gewacht tot God mijn stille bede heeft verhoord.

Maar toen je kwam voorbij de donk’re stroom in’t schijnsel van een eenzaam sterrelichtje, was’t lijden slechts een korte boze droom, en ik lachte naar je klein en rood gezichtje.

Rineke

Je armpjes om mijn hals geslagen, je stemmetje in schreiend vragen, je oogjes twink’lend in een lach, spelend en dart’lend heel de dag.

Je voetjes nimmer moe ofmat, je vaders vreugd’, je moeders schat, zo blijft in mijn herinnering mijn blijde, blonde beveling.

Jij warmde als een blijde zon de kilste harten die je won.

Want waar je kwam ofwaar je ging, daar bleefeen lieve herinnering.

Hoe is dit liefen licht verleden een tegenstelling met het heden.

Want trofje moeder eerst die kwaal, die soms vermoordt als grievend staal,

diezelfde kwaal sloeg als een vlam mijn kleine vlinder vleugellam.

Nu ligt in’t witte ledikantje mijn eens zo vrolijk bijdehandje.

Eenzamen

Sanatorium “Sonnevanck”

De maatschappij, ze heeft ons uitgestoten. Ons’t leven in haar schoot niet langer toegestaan. Toen zijn wij als een kudde uitgestoot’nen, naar’t eenzaam stille huis der rust gegaan.

De winterkou dringt door de open ramen en sleept ons wrakgeslagen leven voort. Maar hoe wij, lijdend, hunk’ren naar genezing, geen luide klacht hierover wordt gehoord.

Wei schreit ons hart wanhopig in verlangen naar alles wat ons vroeger heeft verheugd. En zingt de wind ons stille weemoeds zangen van liefde en te vroeg verloren jeugd.

Wei klaagt’t opstandig hart in lange nachten: waarom voor ons, o Heer, dit groot gemis. Totdat de nacht in’t grauwe morgengloren, en bitterheid in rust vergleden is.

En kwelt in somb’re dagen het verlangen naar alien die ons liefzijn meer dan ooit, teruggaan, weer vermeden door bekenden in huiv’rende afkeer voor ons...? Nooit!

Wij blijven in het stille huis der ruste en wachten hopend de genezing af, ofdat wat nooit door ons wordt uitgesproken: de stille gang naar’t eenzaam, donker grafl

Zwerfster

Alles wat Gij mij gaf, Heer, neemt Gij mij weer af. Krank en met hoongefluit, wierp mij de wereld uit.

Van rustens recht beroofd, geen dak meer boven’t hoofd, ben ik een zwerfster, Heer. Zie uit Uw hemel neer hoe ik als zieke hond nergens een schuilplaats vond. En’t arme hart, geplaagd, slechts schreien kan: “verjaagd”.

‘k Zou willen slapen gaan om nooit meer op te staan.

Tot ik in milde rust ontwaak aan bet’re kust.

Waar in Uw hemelwei engelen in blijde rij, voor immer rein en vrij, zingen een lied voor mij.

Vlijen mij zachtjes neer, helend, eindeloos teer, ’t arme gewonde hart dat schreit om aardse smart.

Oogst

november 1944 Jeremia 8:20

De oogst, zij is voorbij gegaan en heeft ons niet gebracht de wereldvrede, die door ons zo hoopvol werd verwacht.

De zomer is ten eind en heeft slechts offers ons gekost; een zee van bloed en tranenvloed, nog zijn wij niet verlost.

Nog zijn wij niet verlost, o Heer. Maar leer Gijzelfons stil te dragen in’t opstandig hart, de “Oogst” van Uwen wil!

57

Zomer 1954

Een stem zegt kort: “t Is niet de eerste keer, en zeker zal het niet de laatste zijn.”

En in mijn armen is mijn bloedend kind, en in mijn hart ondragelijke pijn.

Dan wikkel ik een deken om mijn kind. Een auto stopt, zacht zoemend, voor mijn huis. Ik stap er in en neem mijn zoontje mee.

Dan rijden wij weer naar het ziekenhuis.

Daar is bedrijvig heen en weer geloop. Een jonge zuster neemt mijn kindje aan. Het huilt, ik krijg zijn kleertjes mee en daarmee kan ik dan weer huiswaarts gaan.

Dan kom ik in mijn vreemd verstilde huis. Daar ligt een speelgoedpopje, daar een bal.

Zijn ledikantje staat leeg in de hoek. Herinneringen zwerven overal.

Gelaten berg ik al die dingen op. Dan volgt een lange, vaak doorwaakte, nacht. Ik schrik, en krimp bij elk geluid ineen, omdat ik steeds het allerergste wacht.

Het is voorbij, mijn kindje komt weer thuis. Hij bleefvoor ons gespaard, ook deze keer. Totdat een nieuwe val ofstoot... En de geschiedenis herhaalt zich weer.

58

Moeder

Ik hang in een stoel en rook sigaretten. Er waren er vijftien, nu zijn er nog acht. Maar walgend verrook ik mijn angst voor het leven en al wat ik denk in de donkere nacht.

Voor mij aan de wand, hangt de foto van moeder. Haar ogen bekijken mij, ernstig, bezeerd. Haar mond schijnt te zeggen: ik leerde je bidden, maar roken, dat heb ik je nimmer geleerd!

Ik kijk naar de foto en fluister vertwijfeld: “Ik kan niet meer bidden en roken verdooft.” De stem zegt: “Je moet als een kind willen worden. Geloven zoals je als kind hebt geloofd...”

Zij vecht voor mijn ziel met haar enige wapen. Want als ik verbitterd, wanhopig, hier zit, dan zie ik haar handen, haar bevende handen, eerbiedig zich vouwen als zij voor mij bidt.

Invalide jongen

Zijn dunne beentjes hangen slap omlaag. Toch droomt ook hij zijn wilde jongensdromen van avonturen in een heel ver land en sterke cowboys die met lasso’s komen.

Maar hij is al die sterke lui de baas. Niet een kan, zoals hij, een paard berijden. Hij ziet zich galopperen op zijn paard en later soepel uit het zadel gijden.

Zo droomt hij verder tot een grijze vrouw, haar armen om zijn tenger lijfgeslagen, hem wegdraagt voor zijn volgend avontuur: zijn rijtoer in een invalidenwagen.

Operatiekamer

Straks ga ik naar de operatiekamer. Daar loert de dood, langs de doktoren heen. Maar ofhij daar vandaag een prooi zal vinden, dat weet geen mens, want dat weet God alleen.

Ik heb mijn lot gelegd in Zijne handen, vertrouwend als een kind en onbevreesd geefik me over straks aan de doktoren. Vader, aan U beveel ik mijne geest.

61

Zangkoor uit Urk

Je ligt en ligt maar in je bed. De dagen en de weken die je graag wilt overdoen, zijn langzaamaan verstreken. Je weet wel dat je rusten moet en steeds maar kuren, kuren! Je voelt wel dat je beter wordt, maar’t kan soms zo lang duren.

Dan wil je dat er iets gebeurt dat afleiding kan geven. Een briefofkort bezoek van een uit t voile, rijke leven.

En als je dan van iemand hoort “Er komen Urkers zingen”

Dan kun je een gevoel van hoop en vreugde niet bedwingen. En als je dan op zeek’re dag de bussen langs ziet komen en als je ze dan zingen hoort, maar niets ziet dan de bomen.

En als je dan na korte tijd de bussen weg ziet rijden en niemand met een klein bezoek je even kwam verblijden, dan gaat er in je arme hart wel eventjes iets beven.

Omdat je, ver van’t vaderland toch Urker bent gebleven.

Het portret

’t Portret heeft jaren aan de wand gehangen en in gedachten zie ik moeder staan.

Ze keek en zei dan met een stil verlangen: “Hoe zou het met mijn kleine Rachel gaan?”

Ik was een kind, hoe kon ik dan vermoeden hoe t vroeger met mijn moeder was gegaan?

Dat zij te jong, een meisje zonder moeder, als ‘dienstbare’ naar Amsterdam moest gaan.

Gelukkig kwam zij daar bij goede joden. Kind met hun kind’ren moet zij zijn geweest. Als Christenmeisje werd haar niets verboden en zij beleefde blij hun joodse feest.

En toen zij later weg ging om te trouwen, is hun portret met moeder meegegaan.

Er was een band van wederzijds vertrouwen. Wij groeiden op, bekend met hun bestaan.

Het is meer dan een halve eeuw geleden en alien zijn tot stofen as vergaan.

Toch hoor ik moeders stem weer uit t verleden: “Hoe zou het met mijn kleine Rachel gaan...”

Kindergebed

De nacht is stil en toch kan ik niet slapen. Mijn denken dwaalt ver van’t doorwoelde bed en blijft vertoeven bij een tere herinnering: de woorden van een oud kindergebed.

“Ik ga slapen, ik ben moe...” en mijn gedachten zwerven vol weemoed met die woorden mee naar een oud woonhuis op een lief, stil eiland, met vlak bij t huis het ruisen van de zee.

Ik zie mijn ouders, vaders grijze haren en moeder die een sfeer van goedheid schiep.

Ik zie mijzelf een kind vol vreemde dromen naar boven gaan, waar ik op zolder sliep.

Er hingen vissersnetten op die zolder. Een kleine olielamp gafgrillig licht en maakte van die netten oude mannen, waar ik naar keek met een bevreemd gezicht.

En daar stond moeder stil naar mij te luist’ren wanneer ik bad: “’k Ga slapen, ik ben moe. Nog eer zij met haar lampje was verdwenen, sloot reeds de slaap mijn kinderogen toe.

Dit alles lijkt mij nu zo lang geleden, dat ik mij afvraag ofhet heeft bestaan. Was ik dat kind en kon ik zo tevreden na mijn gebedje rustig slapen gaan?

In diepe droefheid om verloren vrede, vouw ik mijn handen, sluit mijn ogen toe. En bid nog eens, als in mijn kinderjaren, “Ik ga te rusten Heer, ik ben zo moe.”

O, plek waar ik eens kind was...

Bij’t witgekopte palenscherm stond ik als kind soms urenlang en keek op’t donker water uit, stil luist’rend naar haar zachte zang.

De zeewind spelend door mijn haar, de zilte zeelucht in mijn mond, dacht ik naief dat buiten Urk en deze zee, niets meer bestond.

Vaak speelde ik onder de dam met schelpen, wier en stukjes riet. Een aangespoelde kurk dat was mijn scheepje, dat ik zeilen bet.

Ik speelde “huisje” op een steen. En nu - na jaren - weet ik pas: het is het enig huis geweest waar ik volmaakt gelukkig was.

Want met wat water in mijn klomp, maakte ik mijn hele huisje schoon. Dan zat ik als een koningin, tevreden op mijn stenen troon.

De golfjes spelend om mijn steen en in de lucht wat meeuwgekrijs: o, plek waar ik een kind eens was. O, mijn verloren paradijs.

65

Altaar

Hij was met mij waar ik me mocht bevinden. Ik zag Zijn altaar in een drukke straat. En vaak heb ik Hem huiverend gevonden daar waar de wilde wind de golven slaat.

In de serene stilheid van de bossen, klonk mij Zijn stem in’t zachte boomgeruis. Maar t schoonste altaar dat ik heb gevonden, was bij mijn ouders in hun kleine huis.

Zij zongen’s zondagsmiddags Davids psalmen. Wij zongen mee, misschien uit kinderplicht. Zo hebben zij voor ons die zij beminden, het schoonste altaar voor Hem opgericht.

En wat er verder met ons mocht gebeuren, hoe’s levens branding aan ons rukte en wrong, al zinkende was er dat kleine altaar: het ouderhuis waarin men psalmen zong.

Wie God kan danken voor zijn vrome ouders, op hem ofhaar rust deze ereplicht: te leven, ondanks fouten en gebreken, naar’t altaar dat zij hebben opgericht.

Herinnering aan een goed mens

Ik zag je met je vrouw daar in die winkel. Je leek een toegewijde echtgenoot. Maar mij ging je voorbij zoals een vreemde, terwijl je mij eens in je armen sloot.

Ben jij die mooie avond dan vergeten? Je rookte, brandde mij een kleine wond. Je schrok, en vroeg verlegen ofhet pijn deed. En kuste mij onhandig op mijn mond.

Ik zag de goedheid in je blauwe ogen. Ik lachte en streelde even slechts je hand. Ik was het wel gewend met vuur te spelen en vaker hadden vonken mij gebrand.

Het werd een onvergetelijke avond omdat je zachtjes om mijn liefde vroeg.

Ik hield van jou, maar toch liet ik je vallen. Gewoon omdat je zeemanskleren droeg.

Je weet, ik was wat vreemd en avontuurlijk. Ik wou een man die vlot was en charmant. Maar in mijn jacht naar klatergoud verloor ik een ongeslepen zuiv’re diamant.

Eenzaamheid

Zij was geboren voor een glimlach, voor liefde en gezelligheid.

Maar al haar graag gesproken woorden, ze raakte ze aan niemand kwijt.

Ze leefde niet met vrienden offamilie, had weinig vreugde ofvertier. Zo leefde zij haar eenzaam leven in t stille dorp aan de rivier.

En langzaam is haar lied verstorven, haar blijde lach voorgoed verstomd.

Zoals er na veel zware stormen, toch eens een grote stilte komt.

Ontmoeting

Mijn hart was triest, ik dwaalde doelloos rond. De lucht was grauw, en langzaam viel de regen. Stil, als de tranen van een eenzaam mens. Toen, in een smalle straat, kwam ik jou tegen.

Je keek me aan, en lachte tegen mij, de gave glimlach van een jong gezicht. En plotseling drong door de donkerheid die mij gevangen hield, een straal van licht. Kleine jongen, ik weet niet wie je bent en’t deert me niet dat ik het nooit zal weten.

Wij waren slechts als schepen in de nacht. Alleen je glimlach zal ik niet vergeten.

April

April jaagt grauwe wolken langs de hemel; de Noordenwind is guur en ruw van toon. Maar voor mijn huis zie ik, als een belofte, ’t ontluikend groen van een kastanjeboom.

April is als zo menig mensenleven, een wolk die donker is van leed en pijn. Maar in die wolk zal, steeds opnieuw ontluikend, het tere weefsel van Gods liefde zijn.

Meisje

Een hand die zorgzaam door mijn leven streek, twee meisjesogen, klaar en onbevangen. En in mijn hart de hunkering en pijn om een te laat en tevergeefs verlangen.

Nu rest me niets dan deze kleine droom. Behoedzaam wil ik deze droom bewaren: een mannenstem die zacht weemoedig zong en een gebogen hoofd met blonde haren.

69

Een man met principes

Verzekeringen waren uit den boze en zeer in strijd met zijn geloofin God.

Want alles wat een mens moest overkomen, was immers zo beschikt naar Zijn gebod?

Hij wilde graag de consequenties dragen. Maar toen een ongeval, door schuld, die bracht, heeft hij zijn Heer tot driemaal toe verraden en zijn geweten en geloofverkracht.

Ik kon zijn houding eerst niet goed begrijpen totdat ik dit probleem heb opgelost. De man heeft WEL geloofen WEL principes, maar schort ze op zodra het “centjes” kost!

Mijn biecht

’t Is iets van vroeger en dus lang geleden. Maar toen ik in die krant keek en jouw naam daar tegenkwam, zag ik’t opeens weer voor me: jij als klein joch, die schaatspret en dat raam.

’t Was volop winter, het had flink gevroren en er was al een druk bereden baan. ‘k Zat s middags in mijn schoolbank haast te springen van ongeduld om daar ook heen te gaan.

Maar moeders plan kwam dat van mij doorkruisen doordat ze mij uit school de opdracht gaf om jou eens bij die baan te laten kijken. Voor mij was toen de aardigheid er af.

Je blauwe ogen straalden van verwachting, maar ik had gauw het zaakje voor elkaar. Dicht bij die baan had ik een tante wonen, ik ging het ijs op en jou liet ik daar.

Ik paaide jou bij tante met de woorden dat je de ijsbaan zien zou door het raam, hoewel de ruiten dichtgevroren waren. “t Is om die leugen dat ‘k me nu nog schaam.

Maar ook ik heb die middag niet genoten, want zie je, mijn geweten was niet vrij. Ik zag maar steeds die dichtgevroren ruiten en jouw twee ogen achtervolgden mij.

‘k Was nog een kind en dus wat onbezonnen. En fbuten maak je nooit meer ongedaan. Maar o, als ik de tijd terug kon draaien, wat zou ‘k dan graag met jou het ijs op gaan.

71

4. Willem Ruiten (1922-2002)

'WiCCem
74
<Ruiten

Zijn leven

Willem werd geboren op 6 juni 1922. Hij was het zevende kind in het gezin van Tjalling Ruiten en Geertje Bakker. Zijn geboortehuis stond in Wijk 4-80, de oude pastorie genaamd, vlakbij de Zuiderzee. Hij heeft altijd met vreugde en weemoed aan deze plaats teruggedacht. Toen hij zeven jaar oud was, verhuisde het gezin mede als gevolg van de ziekte van vaderTjalling, naar Wijk 4-21. Willem was elfjaar toen zijn vader overleed. Op school was hij een goede leerling. Hij kon goed tekenen en won als kind eens een landelijk uitgeschreven prijsvraag.

Na de lagere school stond moeder Geertje voor de keus wat Willem moest worden. Zij stuurde hem naar de ambachtsschool in Den Helder om de opleiding voor timmerman te volgen. Hij kwam in een kosthuis waar al een groepje andere Urker jongens was. Dit was mogelijk door de Zuiderzeesteunwet waar ook broer Teun gebruik van had gemaakt. Het werd geen succes. Deels omdat een dergelijke praktische opleiding hem niet zo lag, meer omdat hij last had van heimwee.

Toen het hem te veel werd, stapte hij op de fiets, reed naar Enkhuizen en nam de boot naar Urk. Hij was niet van plan nog terug te gaan. Maar moeder Geertje zag het belang van een opleiding wel degelijk in.

Zij regelde een woning in Den Helder en vertrok met Willem en Jaap naar Nieuwediep.

Het was inmiddels 1937. Twee jaar hebben zij daar gewoond. Toen met de mobilisatie de oorlogsdreiging, vooral in de marinestad Den Helder, dichterbij kwam, vertrok Geertje weer naar Urk. De opleiding op de ambachtschool werd niet afgemaakt. De daar opgedane vaardigheden heeft Willem ook nooit in praktijk gebracht. Op Urk vond hij werk als opperman bij zijn zwager, de aannemer Willem de Boer. Het was van korte duur.

In zijn vrije tijd las hij veel, vooral gedichten van in die tijd gerenommeerde dichters. Zo ontwikkelde hij zijn talent. Maar er moest ook brood op de plank komen.

75

Willem kon werk krijgen bij de Dienst Zuiderzeewerken. Gedurende de oorlogsjaren werkte hij mee aan de voltooiing van de Lemsterdijk. Door deze baan ontkwam hij aan de razzia van 1944. Hij droeg er echter ook toe bij dat zijn leven in 1946 een andere wending kreeg.

Samen met zijn collega Krijn Post was hij werkzaam in de polder. Bij hun terugkeer naar de bak bij de dijk was het donker. Er viel een druilerige regen. Krijn maakte een misstap en viel overboord. Hij verdween in het donkere water en verdronk.

Vanafdat moment verkoos Willem de beslotenheid van het leven dicht bij huis. Na nog op het distributiekantoor werkzaam te zijn geweest, voorzaghij zichzelfvan inkomsten doorhet agentschap van het dagblad Trouw op zich te nemen. Daarnaast verzorgde hij de incasso’s voor de spaarbank en haalde de bijdragen van de spaarders op. Hoewel geen vetpot, verschafte het hem in ieder geval voldoende middelen om in zijn onderhoud te voorzien. Willem stelde weinig materiele eisen.

Door deze werkzaamheden bleefhij nauw betrokken bij het wel en wee van de Urker samenleving. Ook gaven ze hem ruimschoots de gelegenheid om zich verder bezig te houden met poezie.

Eind jaren 50 kreeg Willem longtuberculose. Deze ziekte hield hem een tijdje aan bed gekluisterd.

De gezondheid van moeder Geertje ging vanafeind jaren 60 dusdanig achteruit dat de verzorging problemen opleverde. Zij kwam in huis bij haar dochter Jannetje. Willem pendelde trouw heen en weer tussen Singel 80 en Wijk 4-21.

Hoewel hij de stilte thuis probeerde op te vullen met het luisteren naar de klassieke muziek waar hij van hield, viel de afwezigheid van moeder hem zwaar.

De schaarse nauwere contacten die hij met vrouwen had, hebben nooit geleid tot een duurzame relatie. Hij bleefzijn leven lang vrijgezel. Langzaam begon een proces van vereenzaming. Na de dood van zijn moeder in 1971, sloot hij zich steeds verder af van de wereld om hem heen. Uit zichzelf zocht hij geen toenadering tot andere mensen. Als die daar wel het initiatief toe namen, werden

76

ze vaak afgewezen. Zo raakte hij steeds meer in een zelfgekozen isolement. Zelfs voor familie en huishoudelijke hulpverleners was het moeilijk de noodzakelijke ondersteunende activiteiten in zijn territorium te verrichten.

Hij kreeg ook steeds meer last van astmatische bronchitis. Hierdoor werd zijn bewegingsvrijheid beperkt.

In September 2002 werd hij wegens een gebroken heup opgenomen in het ziekenhuis. Aansluitend volgde een opname in het verpleeghuis. Daar overleed hij op 21 november van dat jaar.

Hoe hij was Willem had een scherp ontwikkeld waarnemingsvermogen en oog voor details. Daarnaast kon hij de werkelijkheid vanuit zijn eigen beleving tegemoet treden en zo een nieuwe dimensie aan bestaande beelden geven. Hij benaderde de dingen vanuit zijn gevoel, droomde graag weg in een weemoed om wat verloren ging, maar kon ook heel nauwgezet een situatie analyseren. Vooral waar het emoties betrof. Het nader beschouwenvan zijn eigen drijfveren en handelen was hem nietvreemd. Verbaal geuit resulteerde dat in een milde spot, op schrift gesteld tot een soms grondige zelfanalyse.

Hij hield van de stilte, het ontluiken van de natuur en koesterde zijn dierbare herinneringen uit het verleden. Liefde, harmonie, geborgenheid, de warmte in de alledaagse dingen, waren waarden waar hij naar zocht en die hem motiveerden.

Zijn taalgevoel viel als kind reeds op. Hij schreef op school boeiende verhalen. Taal werd het instrument waarmee hij zijn leven en emoties vorm trachtte te geven. Hij dacht in rijmwoorden en poezie.

Door zijn gevoel voor humor wierp hij vaak een onverwacht licht op een situatie. Naar aanleiding van de meest uiteenlopende gebeurtenissen rolde er een spitsvondig rijm van zijn lippen. Vaakwas dat een parafrase van een bestaand lied ofgedicht, maar even vaak bedacht hij ter plekke een nieuwvers. Hierbij schuwde hij dubbelzinnigheden niet. Deze waren echter zo origineel verpakt dat het zelden storend was.

77

Hij had een sterke band met zijn moeder. Zij was het ijkpunt in zijn leven. Haar wijze van zijn, gafhem de ruimte om zichzelfte ontplooien in de richting die hij wilde.

Zijn speelse invalshoeken en opmerkingen doorbraken bij haar weer de zekere strengheid die zij zich had opgelegd en de ingetogenheid die zij van nature had. Beiden konden echter ook onverwacht fel uithalen als personen ofgebeurtenissen hen niet zinden. Zo ontstond er een twee eenheid waar een ander nauwelijks tussen kwam.

Willem was een bescheiden mens. Geld en goed zeiden hem hoegenaamd niets. Als hij voldoende middelen had om zich in leven te houden, was het goed.

Hij trad niet vaak op de voorgrond. Het verkeren in gezelschap werd zoveel mogelijk gemeden. Met andere mensen sprak hij het liefst over alledaagse dingen, zeker als hij niet vertrouwd met ze was.

Dit had niet alleen te maken met zijn karakter. Hij was geen vlotte spreker. Vreemd genoeg moest hij tijdens het spreken vaak zoeken naar woorden en stokten zijn zinnen. Dit hinderde hem en maakte hem onzeker.

Te meer daar hij wel degelijk wist wat hij wilde zeggen en hoe hij het moest formuleren. Het maakte hem kwetsbaar en bang om kritiek verbaal te moeten weerleggen.

Wat hij te zeggen had deed hij het liefst schriftelijk. In gedichten en verzen, in brieven aan mensen waar hij contact mee had. Daar kon hij zijn gevoelens en gedachten in kwijt, daarin kon hij zijn rijke woordenschat de vrije loop laten. Zij vormden de uitlaatklep voor wat hij verbaal niet met anderen deelde.

Zijn prestaties als dichter relativeerde hij echter voortdurend. Alsofhij zich van tevoren al indekte tegen kritiek. Toch meed hij de publiciteit niet, zocht die vaak zelfs op.

Ondanks zijn bescheidenheid, hadWillem een trotse en onafhankelijke geest. Hij liet zich geen dingen opleggen, koos zijn eigen weg en wees inmenging in zijn leven en adviezen die hem niet zinden, resoluut van de hand.

78

Hoewel hij anderen meestal vriendelijk en voorkomend tegemoet trad, hing er een zekere ongenaakbaarheid om hem heen, die hem moeilijk toegankelijk maakte, terwijl hij hunkerde naar echt contact.

Een recensent van het Reformatorisch Dagblad die graag een vraaggesprek met hem wilde naar aanleiding van zijn bundel “Kruishoutsplinters”, werd vakkundig buiten de deur gehouden. Wei schreef hij enige weken later een uitgebreide briefwaarin hij alles vertelde wat de recensent moest weten.

Over de grotere levensvragen was hij mild in zijn oordeel. Maar hij kon fel uithalen naar misstanden in het dagelijks leven en het hanteren van een dubbele moraal. En natuurlijk deed hij dat in versvorm. De vorm van zorgzaamheid die ook bij hem hoorde, richtte zich vooral op dieren.

Hij bleefvogels voeren ook als dat allang niet meer nodig was en verzamelde gedurende een periode een leger katten om zich heen dat welgemoed bezit nam van zijn huis.

Willem was een gelovig mens. Zijn geloof richtte zich meer op de persoonlijke verhouding tot God en de praktische vormgeving daarvan, dan op kerkelijke leerstellingen. Het was ook gericht op de toekomstverwachting van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Hoewel altijd lid gebleven van de Yrijgemaakte en later van de Nederlands Gereformeerde Kerk, zag hij over kerkmuren heen. De eenheid van het verbonden zijn in het geloof, sprak hem meer aan dan het gescheiden optrekken in de verscheidenheid aan kerkgenootschappen.

79

Zijn werk

De ontwikkeling

Van de drie dichtende Ruitens, was Willem de meest productieve. Na de Tweede Wereldoorlog begon hij regelmatig zijn gedachten in dichtvorm aan het papier toe te vertrouwen.

Hij zette gebeurtenissen uit het leven van alledag op rijm, gaf in versvorm commentaar op voorvallen en ontwikkelingen die hem al dan niet aanstonden.

Hij publiceerde dit werk regelmatig in het Urkerland. Op deze manier werd zijn naam als dichter in ieder geval op Urk bekend. Hij kreeg dan ookverzoeken van de christelijke reciteervereniging Dindua (zie hoofdstuk 6) om gedichten te schrijven voor hun optredens.

Ondertussen las hij veel van en over dichters als Willem de Merode, Martinus Nijhoff, Jan Slauerhoff, Hendrik Marsman en andere dich¬ ters uit die tijd. Op deze wijze ontwikkelde hij zijn talent en leerde hij keuzes te maken voor vorm en woordgebruik die pasten bij wat hij inhoudelijk wilde zeggen. Willem maakte zelf ook onderscheid tussen dit werk en de versjes die hij publiceerde in het Urkerland. De eersten waren zijn gedichten, zijn serieuze werk zowel naar inhoud als naar vorm. De anderen waren rijmen; soms geslaagd, soms minder. Vanafde vijftiger jaren bood hij deze gedichten regelmatig ter publicatie aan aan het christelijk cultured tijdschrift “Op den Uitkijk”.

Aanvankelijk wilde dit zijn werk niet opnemen. Na een publicatie in een blad voorjong talent, kwam hierin een ommekeer en nam “Op den Uitkijk” wel regelmatig werk van hem op.

In 1963 gafde reciteervereniging Dindua, mede als dank voor het werk voor hen verricht, de bundel “Gewoon maar Schelpen” uit, een bloemlezing van zijn beste gedichten tot dan toe.

De bundel werd mooi gei'llustreerd door zijn neven Kees en Tjalling Ruiten.

Gedurende een periode omstreeks 1960 kwam landelijk het humo-

80

ristische gedicht doorspekt van woordspelingen, onder de aandacht. Namen als Cees Buddingh, Daan Zonderland, Kees Stip, waren algemeen bekend. Dit werk sloot aan bij het gevoel voor humor en het vermogen om met taal te spelen dat Willem eigen was. Dus probeerde hij deze vorm ook uit. Het leverde een aantal geestige gedichten op die niet onderdeden voor die van gerenommeerde dichters van dit genre. Zij werden later gebundeld in de uitgave “Van Dieren, Mensen en Dingen” Hoewel hij ze zelf met genoegen heeft geschreven, zag hij ze niet als serieus dichtwerk. Het waren in zijn ogen tussendoortjes, een aangename vorm van tijdsbesteding. Dan valt er een stilte rond Willem Ruiten. Hij dichtte niet meer, had geen inspiratie en kwam er niet toe om zijn talent verder uit te bouwen. Tot de dichteres Frouwienvan derVooren Kuyper in hetZuiderzeemuseum zijn bundel “Gewoon maar Schelpen” tegenkwam. Zij herinnerde zich zijn naam uit het blad “Op den Uitkijk” en nam contact met hem op. Zo ontstond er een jarenlange briefwisseling tussen hen. Het werk van Willem sprak Frouwien aan en zij benadrukte herhaaldelijk hoe jammer het was dat hij niet meer dichtte. Zij stimuleerde hem om de pen weer ter hand te nemen. Willem gaf gehoor aan haar oproepen en ging weer gedichten schrijven. Het resulteerde in de bundel “Kruishoutsplinters” die in 1977 werd geproduceerd en uitgegeven door zijn neefKees de Jager. Hetwerden zijn meest persoonlijke gedichten, vaak’s nachts geschreven als hij, gekweld door bronchitis, de slaap niet kon vatten. De thema’s die zich in zijn eerdere werk al aankondigden, komen in deze bundel nog indringender naar voren.

De vorm

De gedichten van Willem Ruiten kenmerken zich door een strak en consequent gehanteerd rijmschema en metrum. Soms lijden hetwoordgebruik en de zinsbouw onder deze opgelegde vorm en doen dergelijke passages wat gekunsteld aan. Het gedicht “Lente” is, voor zover bekend, het enige dat hij in een vrije

81

vorm en zonder rijm heeft: geschreven. Het is beslist niet zijn minste gedicht.

De sonnetvorm wordt door hem veel gebruikt en vaak zuiver gehanteerd. Twee vierregelige strofen, gevolgd door twee van drie.

In de vier regelige coupletten wordt een situatie beschreven en in de daarop volgende drieregelige wordt ingegaan op wat dit voor de dichter betekent. Ook de bijbehorende rijmschema’s kloppen. De juist gehanteerde vorm draagt er toe bij dat zij de lezer meenemen naar de inhoud en blijven boeien ook als die inhoud op de grond van het tijdsbeeld niet meer direct herkenbaar is.

De inhoud

A1 vroeg tekenen zich de thema’s afdie hem in al zijn werk zullen begeleiden. Zijn gedichten bewegen zich vrijwel altijd in het spanningsveld tussen geloof en twijfel, tussen de behoefte om zichzelf te geven en de angst om daardoor gekwetst te worden. Tussen de werkelijkheid van nu en de herinneringen van toen, tussen het verlangen door zichzelfen anderen geaccepteerd te worden zoals hij is en de angst als mens te falen.

Zij maken zijn gedichten tot een zoektocht naar zichzelf, naar God, naar de medemens, naar liefde en begrip. Op deze ontdekkingsreis spaart hij zichzelf niet. Hij analyseert zijn gedrag en beweegredenen en zet daar meestal vraagtekens bij. Wij komen bij Willem geen mooi praterij tegen. Hij geeft eerlijk en oprecht aan waar de knelpunten in zijn beleving liggen.

Door steeds vanuit deze thematiek tewerken, hangt er over zijn gedich¬ ten vaak een sfeer van weemoed die makkelijk uitgroeit tot melancholie en nu en dan aanleunt tegen bitterheid.

De zwaarmoedige ondertoon die dit te weeg brengt, bestrijdt hij met het wapen dat hij van nature heeft: gevoel voor humor. Door zijn woordkeus werpt hij opeens een ander licht op de zaak of schept een beeld dat je in de context van het gedicht niet verwacht. Het doorbreekt de spanning. Maar de glimlach die het om de lippen tovert, blijft vaak bitterzoet.

82

In zijn vroegere werk kan hij zich, vooral in gedichten over de jaargetijden, nog onbekommerd blij tonen. Ook komen we dan poezie tegen waarin hij treffend de sfeer van een stad oflandschap beschrijft.

In zijn latere gedichten treffen we dit nauwelijks meer aan. Zij geven het beeld van een moegestreden man, die echter blijft zoeken naar vervulling van zijn mens zijn. Met op de achtergrond de berusting dat hij daar niet in zal slagen. Als een rode draad loopt door zijn werk het zoeken van contact met de mensen om hem heen, maar bovenal met God. Op een heel directe wijze spreekt hij Hem aan, legt zijn gevoelens, twijfels en tekortkomingen aan Hem voor. Maar spreekt ook zijn vertrouwen in Hem uit en zijn verlangen naar het toekomstige leven. De spanningsvelden en bijbehorende thema’s waaruit Willem Ruiten zijn gedichten schrijft, horen bij het mens-zijn zelf. Hij schrijft er eerlijk en onverbloemd over. Dat maakt zijn gedichten puur. Het zorgt er ook voor dat ze herkenbaar zijn, al zal niet iedereen elk gevoel herkennen. En hoewel de beelden die hij gebruikt wellicht verouderen, zijn poezie zelfgaat over de grenzen van de tijd heen. Omdat die de essenries van het bestaan zelfraakt.

83

Lenteverwachting

Ik proefiets in de lucht van lente al is de hemel grauw en grijs, al heerst de winter nog zeer machtig, al blaast de wind, nog fel en krachtig, de plassen nu en dan tot ijs.

Ik proefiets in de lucht van lente al viel er gister sneeuw, en zat de vogel, triest ineengedoken, van’t bleke zonlicht gans verstoken, te huiv’ren onder zoveel nat.

Ik proefiets in de lucht van lente al staan nog alle bomen dor; maar haast zal t wolkendek zich scheuren, zullen de bomen bloesem beuren en tjuikt de vogel zich weer schor.

Ik proefiets in de lucht van lente, de dolheid van een Maartse nuk. En’t hart, gekwetst door najaarsvlagen, verlangt opnieuw om vrucht te dragen en droomt weer van een pril geluk.

Uit “Gewoon maar Schelpen”
84

Lente

De weldadige helderheid van een lentemorgen z6 proper alsofalle mensen samen de wereld hebben geschrobd. Als de winter is weggeruimd met het eerste kwartaalblad van mijn kalender en naar de papiermand verwezen, onverbiddelijk streng. Als de sneeuw ligt opgeborgen in Gods diepvrieskluis dicht bij de sterren, nu daarvoor in ruil overal millioenen madelieven en helgele paardebloemen uit de grond zijn tevoorschijn getoverd als een kleurrijk mozaiek.

Als het de hoogste tijd wordt om weer iets geks te gaan doen. Om bijvoorbeeld een merel na te bootsen zomaar op straat midden onder de mensen. Ofonder de blinkend gepoetste zon met een blij denken rond te springen in een versierde wei. Ontegenzeggelijk dwaas, maar alleszins vergefelijk.

Gij weet hoe heel de zonnedag

Gij weet hoe heel de zonnedag ik tevergeefs U tracht te zingen; een vogel, die met trage slag boven Uw velden rond mag kringen.

Wat rest mij van de oude droom? Een stem, die zelfzich aan moet klagen, bevende handen, die, vol schroom, zich aan sonnetten schrijven wagen.

Dit is mijn nood: dat ik niet weet mijn diepste snaren te doen trillen in zang, die zich met d’eng’len meet. O, stom te zijn en juichen willen.

Dat niet mijn mond de woorden vindt om U te zingen als een blijde klimmende leeuw’rik; dat het kind geen stem heeft voor Die’t vreugd bereidde.

Maar zo ik eenmaal tot Uw licht en Uw volmaaktheid op mag stijgen, o blinddoek, God, dan mijn gezicht en snoer mijn keel... ik zal niet zwijgen.

Ik zou een lente...

Ik zou een lente een vogel willen zijn; desnoods een mus ik vraag geen grote dingen met slechts een goot ofboompje als domein om daar te tjilpen als ik niet mag zingen.

Ik wens geen vlucht die duiz’lend hoog moet zijn zoals veel vogels ongevraagd ontvingen, maar voor een lente ontheffing van mijn pijn en verder niets dan zorg’loos rond te kringen.

Want met twee vleugels en de azuren lucht zou wel mijn hart dat nu eens schertst dan zucht veel van zijn dwaze bitterheid verleren.

Misschien riep God mij heel dicht aan Zijn oor, en mocht ik als de minste van Zijn koor bij broeder leeuw’rik psalmen gaan studeren.

Salomes dans

Zoals een vlinder op de landen dartelr in zomerzonneschijn, zo Salome... Haar tere handen hidden haar kleed van wit satijn breed uit. Haar ranke voeten gleden al sneller en sneller over de grond; bevallig wiegden zich haar leden en verrukking speelde om haar mond. Haar waren de gulzige blikken geen hinder die ze brandend op zich voelde gericht; ze was slechts een dartele, witte vlinder, ze zweefde geluidloos in t zonnelicht.

Een dwingende stem siste aan haar oren toen ze hijgend in moeders armen zeeg, en willoos, nog in extase verloren, vroeg zij haar loon... En een mens bloedde leeg.

Ik ben een schip...

Ik ben een schip, dat aan Uw kusten gedachteloos voorbijgezeild, nier weet van ankeren en rusten, doch over oceanen ijlt.

Op wit-gekuifde golven steigert en’t angstig bonzen van het hart hoort boven wind, en vrucht’loos weigert de blik te slaan naar’t wolkenzwart.

Wei zie ik ginds Uw hemelbaken welks lichtoog land en uitkomst meldt, doch ik moet voort, mijn boorden kraken onder der golven woest geweld.

Ik ben een schip dat over zeeen vergeefs het doel te vinden tracht van kinderangst en wereldweeen, vertwijfeld zwalkend door de nacht.

Tot eens de storm mij doet bezwijken; dan zal ik zingend ondergaan, want alle neev’len zullen wijken en, stervend, zal ik dit verstaan: - Terwijl, door zoveel licht verbijsterd, mijn hart reeds deels verzadigd is Geen blijder Thuiskomst dan geteisterd door storm, na angst en duisternis.

89

Herkenning

VoorJ.Slauerhojf.

Mijn dode broeder, die u niet kon wennen aan dit bestel waarin de dood slechts duurt, ik lees uw verzen in een droefherkennen, alsofmijn aandacht in een spiegel tuurt.

En zo zichzelfziet, in die niet te stillen dorst naar geluk dat geen recht proeven mag: er schreit een weemoed in de oogpupillen en om de mond plooit zich een trieste lach.

Wat vergt het dichten niet een schaamteloosheid: men kleedt zich naakt voor’t oog van ieder uit, men stelt zich bloot in al zijn hulpeloosheid, en als de kind’ren snikt men overluid.

En gij, die lang voor mij uw hart reeds luchtte, die lang voor mij uw heim’lijkst zelfreeds zei, gij kunt niet weten hoe ik met u zucht en met u in verzen samen eenzaam schrei.

Gij zwierft op zee, waart nooit en nergens thuis en ik die hier mijn dagen als een landrot slijt, weet m’ ook een zwerver onder’t sterrenkruis en snak naar een haven die mijn hart bevrijdt.

Maar doe mij niet wanhopen aan het leven, de strijd die ‘k voer is toch al naamloos zwaar. Er is een Naam die elk nog vreugd kan geven en onze namen vreemd houdt voor elkaar.

Neem mij Die niet hoe zou ik verder reizen?

Scheep mij niet, broeder, met het doodgaan af, als viel aan ons geen ander thuis te wijzen dan binnen’t durend donker van een graf.

Laat mij’t kompas dat heenwijst naar die streken waar’t zalig is hoe heftig trilt de naald.

Ik wou wel met u van de hemel spreken maar g’ hebt uw zeilen lang reeds neergehaald.

Herfstavond aan zee

Niets stemt zo triest dan om aan zee te staan als’t herfst en avond is, en er een bitse regen de illusies neerstriemt van een schijfje maan dat aan de lucht zich voort tracht te bewegen.

Ik hoor de branding droefen rustloos slaan, en voel hoe zwaar een rustloos hart kan wegen. Maar ik geloof: ook dit wordt weggedaan, eens, als mijn stem zijn jubel heeft herkregen.

De zielen aan Gods eeuwig hart bewaard wachten hun lichaam en de nieuwe aard, op het bevrijdend klinken der bazuinen.

En wij beneden popelen met hen mee, ziek van onszelfen van de grauwe zee die dofzijn nood klaagt aan de grijze duinen.

De botters

Veel vreugden die mij eens begaven vind ik al mijm’rend dikwijls weer, zoals mijn spel aan d’ Urker haven waar’t steeds zo geurig rook naar teer.

Ik kon als kind er uren dromen met d’oude grijze vissers mee, en heb ze daar zien binnenkomen, de botters van de Zuiderzee.

Die naar hun ligplaats manoeuvreerden, en schurend langs’t vertrouwd plankier hun bolle, houten lijven meerden. Maar ook veel and’ren kwamen hier...

Daar lagen er van Vollenhove, van Bunschoten en Harderwijk, soms voor de wind hierheen gestoven bij tien en twintig tegelijk.

Elburgers, Genemuidenaren en Volendammers op een rij.

Uit alle verten aangevaren zag ik ze liggen zij aan zij.

Weer sta ik daar. Een joch op klompen, dat met een vreemd verlangen staart naar al die zwartgeteerde rompen en al die masten hier vergaard.

En dat opnieuw, bij t rust’loos kringen van meeuwen boven’t havenvuur, de golven langs’t basalt hoort zingen van lokkend vissersavontuur.

Heilsoldaten

De grijze mist hing doodstil in de straat, waarin het leek ofalle huizen sliepen.

Tot daar ineens, een glimlach op’t gelaat en vol elan, wat heilsoldaten liepen.

Die droegen elk een koop’ren instrument, behalve een die vast geen noot kon spelen, en die misschien, als straks de kleine band zijn lied’ren blies, zich dood stond te vervelen.

De fijne regen die de lucht verliet deed al dat koper glimmen van genoegen, omdat elk raam iets vriendelijks verried, oflachende ogen die om lied’ren vroegen.

Toen brachten zij de horens aan hun mond en bliezen blij, als in een soort vervoering, hun beide wangen onnatuurlijk rond, en ieders hart vol heimwee en ontroering.

En toen er plots een heuse psalm aanzwol leek zelfs de misthoorn even te gaan zwijgen, opdat dit lied, van heimwee boordevol, door niets gestoord recht naar Gods oor zou stijgen.

Dan werd weer alles stilte en schemering; het koper zong al zachter en al zachter. De grijze straat bleefmet de herinnering aan zuiv’re dingen leeg en droomziek achter.

Sneeuwmorgen

De ruiten zijn verhinderd te gaan bloeien maar’t lege glas toont een wit paradijs. Ik zie de vlokken uitgelaten stoeien en maak mijn hart de mooiste dromen wijs: Ik ben een prins, breng nu de slee naar buiten en span de paarden in het rink’lend tuig, ga dan het tuinhek vliegensvlug ontsluiten en ik rijd uit, bij vlaggen en gejuich.

Daar stuift mijn ar reeds vrolijk bellend voort door’t wonderrijk, dat elk die droomt behoort als de eng’len speels millioenen vlokken strooien... Plots dreunt mijn ruit... Als ik mijzelfhervind sta ik mijn vuist te schudden naar een kind dat driest een sneeuwbal naar mijn raam durft gooien.

95

Zonnige februaridag

Vandaag hangt de kalender zich te schamen omdat het lente is en nog lang geen Mei. De zon schijnt haast uitbundig door mijn ramen, en elke mus tjilpt opgeruimd en blij.

En aan de lucht, die nog zo grijs kon wezen dat men zou zeggen: er is sneeuw op til, staat onverbloemd psalm negentien te lezen voor elke dromer die maar lezen wil.

De bomen staan zich doodstil te verblijden, die dromen vast al van het feestelijkste groen. En nu mijn mond een lied niet kan vermijden krijg ik veel zin om vrolijk te gaan doen.

Ik loop naar buiten, waar wat kind’ren spelen, die ik opeens versteld wil laten staan door onder hen wat snoepgoed rond te delen, en mee te hinken in hun hinkelbaan.

Maar dan bedaart mijn roekeloze blijheid en ik sla kalm de weg in naar het strand; daar vieren meeuwen zorgeloos hun vrijheid en raakt de zee volkomen stil het land.

Ik voel mijn hart iets vriend’lijks overkomen omdat ik stil in t water turen mag... En ik zou zelfs gelukkig daar staan dromen als ik mijn eigen spiegelbeeld niet zag.

De Streek

In de trein tussen Enkhuizen en Hoorn

Dit is de Streek waar ik, als ‘k daar moest leven zelfs met een boek mij doodvervelen zou: wat stroken land, meest door een sloot omgeven, en ploeterende tuinders op de bouw.

Hun kromme ruggen rechten zich heel even; een steekt een werkhand uit een blauwe mouw die tot een groet verveeld wordt opgeheven. Dan gilt de fluit... aan d’ overweg een vrouw.

In de coupe houdt iedereen zijn mond. De tijd kruipt als een tuinder op zijn grond, want sinds Hoogkarspel duurt de reis al eeuwen.

t Eentonig landschap, niets dan groen en grijs, de saaie mensen, de nog saaier reis, er valt alleen hartgrondig van te geeuwen.

Enkhuizen

Droomstil Enkhuizen, waar’t verleden waart, verweerde vesting, door de wind bestreden, waar statig eens de schepen binnengleden met rijke vracht, uit Oost en West vergaard.

Eens Compagniestad, bloeiend en vermaard, verstierfzij tot de stille plaats van heden, met t Peperhuis en al war van t verleden binnen haar oude wallen bleefbewaard.

IJ1 tinkelt t Drommedariscarillon, en klagend zwermen hier en daar wat meeuwen; van zee tuft traag een late hotter aan.

Het scheepje meert. Ik slenter naar’t station, en beeld mij in door sloppen van voor eeuwen de schimmen van sinjeuren te zien gaan.

Uit: “Van Dieren, Mensen en Dingen” Van twee insecten

Een dierkundige dichtoefening

’t Werd met een bezig zijnde bij eens bocht in een kampeerderswei, waar het insect de geest moest geven ondanks diens druk en doelvol leven. t Was heel de dag bloem uit bloem in tot heil van korfen koningin, zodat men het beest niet kon betichten van’t puur verzuim van puurdersplichten. En men kon ook niet zeggen dat die bij maar van de bijstand vrat. A1 t vlijtig, rap en onverdroten beweeg van vleugels en van poten kwam stil te liggen door een krant in een met kracht toeslaande hand. En -hoe misplaatst de mep te noemendie bij stierfonder kreunend zoemen. Een luie wesp, die nog geen steek had uitgevoerd de hele week, die om al’t sloven en al’t sjouwen totaal geen zin had om te trouwen, maar’t drama zag, zei doodbedaard: “’t Is tragisch... maar toch is t geen wonder: de wereld gaat aan vlijt ten onder.”

Van een kip

Een uiterst progressieve kip, nog tamelijk jong en dus wat hip, had zo haar denken en gedroom binnen het kader van de toom. Ze had haar kippenleven lief maar vond het weinig attractief. Zo wou ze na het daags getok wel eens wat anders dan op stok bij’t horen van het dorpsrumoer dichtbij en op de hippe toer, de klanken van de pop en beat vanuit transistors bij de vliet. Ook dacht ze aan een kippenstraat waarin t net als bij mensen gaat, wel niet precies zo uiteraard maar toch in’t klein geevenaard.

Zo zeer van haar ideeen weg raakte het ding schoon van de leg. Ze dacht: waarvoor maak ik me druk?

A1 pers ik mij een ongeluk, ’t is voor de baas zijn portemonnaie en ’k pik toch wel een graantje mee. En ried de haan, als vriend van moe: “Kind, leg je toch op’t leggen toe. dan lachte ze: “Och, vent, vlieg op. Je praat als iemand zonder kop, want ieder mens eet nu patat en is de eieren meer dan zat”. Zo ging het door, week in week uit, terwijl ze elk heeft opgeruid die’t eieren leggen zag als plicht; als wederdienst door haar verricht.

100

En elk mens voelt op zijn klompen aan dat’t zo niet eindeloos door kon gaan. Dus ging, ’t was ergens achter Creil, die kip tenslotte voor de bijl. Maar bij het wenken van de dood bewees het dier zich waarlijk groot, en toonde een koelbloedigheid die menigeen haar heeft benijd. Ze grapte: “Ik heb al kippenvel”, toen ze gehaald werd op bevel “en ik maak dus geen scene, o nee, doe weg die zak, ik loop wel mee”. Bij’t hakblok riep ze: “Maak het kort! Maar voor ik een kop kleiner word nog graag een laatste afscheidswoord tot mijn familie die mij hoort. Ik sterfhier als een martelares en dat zelfs zonder een proces, voor lotsverbetering voor de hen en vreugde en vrijheid in de ren. Maar als gij in saamhorigheid mijn voorbeeld volgt en verder strijdt tegen de mens die u verdrukt en naar’t hem belieft onthalst en plukt, is’t pleit gewonnen naar ik dacht, want eendracht maakt nog altijd macht.. Toen sloeg een forse mannenhand haar kakelende kop in’t zand en daarmee ook haar wijs betoog, terwijl haar lijfde laan uitvloog. ’t Laatste wat van haar werd gezien dreef’s zondags in een soepterrien.

Van een waterjuffer

’t Voer een zweeflustige libel in t leven lang niet meer zo wel.

t Was speciaal bij t stijgen dat zij veel last kreeg met haar borst, zodat ze nauwelijks starten dorst om’t hoesten en om t hijgen.

“Bronchitis”, zei de internist, een reuzenkever die veel wist, na t nauwgezet bekloppen. “Bronchitis in heel erge graad.

Ik zeg je eerlijk waar’t op staat, want ik wil niemand foppen.”

De waterjufkeek danig sip.

Ze trok gevaarlijk met haar lip, alsofhaar’t huilen schikte.

Ze was toch al niet bijster blij door’t doktersonderzoek, waarbij zijn voelspriet haar steeds prikte.

“Kom, kom... kop op, kind”, zei de pil, die ondanks’t wezenlijk verschil iets zag in deze juffer. “Je zult eens zien... ik knap jou op met een heel exclusiefsoort drop, en heus, ik ben geen bluffer.”

“O, heerlijk...” piepte’t ding voldaan. En dokter zei: “Je kunt nu gaan, maar graag eerst nog een plasje...”

Ze stak, allang niet meer zo bleek, het brieve voor de apotheek na afloop in haar tasje.

De kever bracht haar naar de deur, maar niet uit vormelijkheid ofsleur, en zij nam monter afscheid. ’t Was net of t nu al beter ging, en hij zei olijk: “Dag, liefding, ik help jou hier van af, meid.

What is in a name?

Dat Biervliet en dat Brouwershaven heel in’t begin verwarring gaven bij’t postverkeer, lijkt u wat raar. Maar... t is familie van elkaar. Van klankverwantschap wil ik zwijgen, want daarvan zou een mens wat krijgen; t is Broek met dit en Broek met dat en soms ook Broeken zonder wat.

Naast al de Dammen en de Dijken die bar veel op elkander lijken. En dat men iets voor Poortugaal naar Portugal stuurt, vind ik normaal. Maar bloedverwantschap kan bij tijden ook tot enorme blunders leiden. Zo stelde men eens Winterswijk ijskoud met Vriezenveen gelijk, bet men, onkies, aan Biggekerke de nauwe band aan Zwijndrecht merken en kwam men Zoutkamps eer te na met iets voor Oude Pekela. Zelfs wilde in Leningrad iets wezen waar Roode School op stond te lezen en kwam een stuk voor Papendrecht eens in het Vaticaan terecht. Maar mag men post voor Kloosterburen soms naar de Monnikzijlers sturen, zoals het ook eens is gegaan, hoe in de wereld kon t bestaan dat iets naar Ossendrecht verzonden in Kampen werd teruggevonden?

Door wat bleek deze stad verwant aan dat bepaalde drecht in’t land? Door’t vorsend in de Kamper boeken, in de een ofandere Ui te zoeken, kwam ik emit... ’t komt door die koe. Meer zeg ik niet en da’s de clou.

105

Van een ezel

Een ezel die iets zieligs had was eens het balken meer dan zat. Hij dacht, verzonken in zichzelf droefgeestig staande bij een schelf, Ik hou er radicaal mee op en dat is voor geen mens een strop. Dat mal gehinnik van een paard wordt overal in dank aanvaard, en t stomweg bulken van een koe vindt ieder nog tot daar aan toe. Een blerend schaap mag er ook zijn en zelfs een vadsig knorrig zwijn. Alleen mijn stem vindt geen onthaal; men zegt: “’t Is nutteloos kabaal wat ik zo muzikaal presteer”. Zelfs als ik iets vocaals probeer en noten balk, roept ieder’t uit: “Beest, hou je bek, ’t is geen geluid!” Met de benaming zit t ook fout want het woord “balken” snijdt geen hout. Dat als door mij iets wordt verklankt men nooit eens zegt: “Die ezel plankt.” Om kort te gaan, de ezel zweeg, en weet je wat hij daarna kreeg? Een gouden plaat, met voor en na in elke groefgeperst: “Iaaaaa!”

106

Uit: “Kruishoutsplinters”

Acteur

Dit stuk duurt lang. Ik voel me moegespeeld en denk zo vaak: het doek moest maar eens vallen. Nog doe ik mee, maar innerlijk verveeld; misschien de meest ontgoochelde van alien.

Op’t weids toneel, dat wisselt met de tijd, vervul ik stipt de taak mij toegewezen. Ik lach en scherts, ook als mijn hart slechts schreit, en loochen mijn mismoedigheid en vrezen.

Mijn dromen strandden sloegen hopeloos stuk; alleen wat drijfhout heb ik nog geborgen. Maar voor het voetlicht huichel ik geluk en rep niet van ontreddering en zorgen.

’t Publiek is niet in mij gei'nteresseerd als hunkerend mens, wiens teerheid werd geschonden. Schaars word ik met applaus gehonoreerd, maar t maakt niets uit bij zoveel dat mij wondde.

De povere rol waarmee ik werd bedacht raakt uitgespeeld - ik kan daarnaar verlangen. Ik heb zo weinig moed meer en geen kracht om altijd nieuwe slagen op te vangen.

Misschien roept God mij spoedig aan de kant en dan verdwijn ik doodmoe van de planken. Nog even komt mijn naam dan in de krant, voor men ook die voor altijd afzal danken.

107

“Mijn kreet moet ergens aan den hemelstuiten"

Willem de Merode

Weer bel ik op en draai Uw nummer, Heer, als altijd hopend iets van u te horen: Uw stem die mij bemoedigt en zo meer... A1 klonk’t maar eens waarom ik U kwam storen.

Maar zoals steeds houdt Gij U voor mij stil, Ge neemt niet op, hoe graag ik U wil spreken. Misschien dat ik de moeite slechts verspil en zijn er blijvend hier en daar gebreken.

Gij zit toch zoveel hoog op het Kantoor van waaruit Gij de zaak hier wilt beheren. Misschien zijn Uw relaties mij steeds voor, want Gij verstrekt ook’t voedsel en de kleren.

Gij zijt met zoveel mensen hier bevrind en hebt het druk met alles te besturen.

Gij die de richting regelt van de wind, zowel als’t kinderaantal van de buren.

Die zelfs het aantal haren van ons hoofd nauwkeurig bijhoudt en die steeds wilt tellen, zodat geen toeval ons er een ontrooft...

Ge zult bezet zijn als ik U ga bellen.

Misschien is ook mijn toestel niet intact, is er iets stuk ofmogelijk iets verschoven. Heb ik laatst niet de hoorn eens neergesmakt toen ik niet langer in U kon geloven?

Telefoonoproep
108

Maar staat er tussen ons niets in de weg, neem dan de tijd eens om met mij te praten, zodat ik, voor ik ophang, tot U zeg: “Heer, ’t komt toch goed..., Gij zult het zo niet laten.”

Herfst elegie

De herfst is grijs en gul voor hen die dromen met de muziek van regen en van wind, die in de nacht soms weeklaagt in de bomen als ’k denk aan haar, en’t heimwee herbegint.

Ach moedertje, sinds jij me werd ontnomen tast ik naar iets dat ik toch nooit meer vind, iets wonderteers, dat niet terug kan komen dan in mijn droom, die zich op jou bezint.

Opnieuw de herfst - de eerste sinds jouw dood. -

De regen tokkelt treurig in de goot een elegie van weemoed en ontberen.

Die stil in bed daarnaar te luisteren ligt herdenkt je stem, je handen, je gezicht en ligt in t donker Nijhoffte citeren.

109

Strofen op een sneeuwmorgen

De wonderen zijn de wereld uitgelopen. Maar soms strooit God s nachts heimelijk met sneeuw als klein geluk voor hen die niet meer hopen... Een stil, wit landschap. Soms een vogelschreeuw.

De sneeuw verwijt de mensen hun geruchten, hun leeg lawaai, dat elke vree verbiedt.

Ze daalt geluidloos uit de grijze luchten en maant tot stilte waar men die verstiet.

Dat ik bij sneeuw meest aan de dood moet denken... De doden zijn ook stil en koud, maar veilig en door niemand meer te krenken geborgen in hun kleine huis van hout.

De liefde smolt tot leegheid in mijn handen toen ik die vond, nam en bewaren wou, zoals met sneeuw. Dor liggen daar de landen als beeld van t hart, onbruikbaar en in kou.

Liefde bleek leugen. Vriendschap kan verdwijnen als t vluchtig spel der vlokken met elkaar. Het hart wordt moe na veel doorleden pijnen en zegt in t laatst tot elk: vergeet mij maar.

Sneeuw aan mijn hart en sneeuw onder mijn voeten, zo wil ik lopen door dit witte veld en schuwe meeuwen als mijn vrienden groeten, die ginder hongeren op de vuilnisbelt.

Westhavendam

De zee schuimt nog als destijds, en de stenen waar wij eens zaten liggen er nog trouw. Alleen wij saam zijn uit het beeld verdwenen, en jij bent nu een verre, vreemde vrouw.

Voorbije liefde laat zich nooit meer lenen voor een vervolg, ik treur niet meer om jou. Maar soms, als ik hier langsloop en die stenen stom tot mij spreken, voel ik iets van rouw. ’t Is alles nog net eender, ’t schelpenzand, ’t stuk breken van de golven op het strand en’t spel der meeuwen, die vlak bij ons vlogen.

De wind verwart mijn haren, net als toen. En plots hoor ik, na je spontane zoen, je stem weer prijzen: “Jij hebt mooie ogen...”

Onward Christiansoldiers

Heer, ’t bleefvoor niemand in de troep verholen, laat staan voor U die elk soldaat doorziet... ’k Verwissel soms de wapenrok verstolen voor’t vlot colbert, als t dienstdoen mij verdriet.

Soms lapte ik’t liefst Uw orders aan mijn zolen, maar met heel’t korps galm ik gedrild het lied der christenstrijders. Meedoen blijft bevolen, omdat de discipline dit gebiedt.

Marcheren gaat, maar o, dat vechten, Heer. ‘k Leg in de strijd zo vlug de wapens neer, al kan ’k met U door sterke benden dringen, zoals ik psalmzing, veilig achteraan, waar ik het - in mijn kerkbank - durfbestaan om met U over muren heen te springen.

-2

Heer, ik kan zo verlangen naar die morgen waarop de strijd voorgoed zal zijn beslecht, als alle duivels die ons last bezorgen hun operatiebasis wordt ontzegd.

Dan nooit meer angst, die ons soms dreigt te worgen, geen witte vlag meer na een slap gevecht; want elke vijand wordt dan opgeborgen en eigenhandig stelt Gij hem terecht.

Dan speelt een kleuter met een slang in’t gras; t moordwapen wordt een werktuig voor t gewas, daar niemand ooit de ander meer zal deren.

112

Dan wordt het waar wat ’k bevend hier belijd dat Gij eens alles en in alien zijt, en dat ook ik met U mag triomferen.

"3

Dit is de vraag, Heer, die in mij blijft branden bij t al zo lang onder Uw vaandel gaan: leg ik’t geweer niet al te grifuit handen als ik vlak voor de vijand kom te staan?

Sta ik wel steeds gewapend tot de tanden verbeten klaar om van mij afte slaan? Ofonderhoud ik illegale banden met’t vreemde kamp, hier niet zo ver vandaan?

Heer, het is waar, de overmacht is groot. Maar waarom vecht ik me niet liever dood dan telkens deze schande te verkiezen.

Gij zegt, dat wie zijn leven hier behoedt en houden wil ook door gebrek aan moed dit stellig eens voor eeuwig zal verliezen.

Onstabiliteit

Heb niets te lief, eens kun je het verliezen; houdt niets van waarde als duurzaam aan de hand. Blijfsteeds het weldoen en de vriendschap kiezen, maar vest er niets op, want je bouwt op zand.

Hecht dus niet sterk aan mensen noch aan dingen; beschouw bezit maar als voor kort te leen, en kweek geen weemoed met herinneringen aan een geluk dat kwam en weer verdween.

Alles staat wankel, alles gaat verloren en ook wijzelfzijn op een dag voorbij. Op losse schroeven alien eens geboren, werkt ons de dood soms moeiteloos weer vrij.

Laat in augustus

Laat in augustus, nog wat zomerzon, maar niet meer gul bij t korten van de dagen. ’t Wordt stilaan herfst waar’t eens zo bloeien kon en herfst ook daar waar zich geen bloei wou wagen.

O hart, dat hier zo bitter weinig won, dat werd geknot, verkwanseld en geslagen. Nog klop je warm zoals het eens begon, maar’t uurwerk slijt en gaat al wat vertragen.

Je vraagt niet meer waarom het zo moest gaan, maar ‘k hoor je nog slechts stil berustend slaan, tot eens ook dat zal minderen en stokken.

Misschien heel plots... Misschien dan als ‘k alleen met al mijn stukke dromen om mij heen mild glimlach bij’t sorteren van de brokken.

Oecumene

Als alle mensen die de Heer belijden eens zouden zeggen: “Zo doen wij’t niet goed.

Wij zijn zo beu van het elkaar bestrijden en’t soms elkaar voorbijgaan zonder groet.”

Geen valse eenheid zonder echte banden, want ook dat speelt de duivel in de kaart. Maar alien samen, met gevouwen handen, rondom die ene Bijbel ons geschaard.

We hebben doorgaans zulke lange tenen, wij zijn ook kerkelijk zo licht geraakt. En dat verhindert vaak de oecumene van hen die door de Zoon zijn vrijgemaakt.

’t Zijn dikwijls onbetekenende zaken waarom wij kiften. Er zijn dingen bij die niet de kern van’t Evangelie raken, en laat daarin de ander rustig vrij.

Och, broeder Zwamstra mag best eens wat kletsen bij een betoog, en zuster Zemelaar hoeft men niet op de dameskrans te kwetsen, al vindt men t mens wat zeurderig en naar.

Wij zijn toch schapen die de Herder kennen, waarom dan grazen wij hier vaak apart? O, laten wij ons aan geen breuk ooit wennen, maar hunkeren blijven naar elkanders hart.

Het ouderhuis

Voor mijn moeder

Kom ik van’t druk gedoe op straat in’t doodstil huis alleen sinds ook jouw naam gebeiteld staat op vaders’ sobere steen -

Dan droom ik op dat ogenblik dat ik je bezig vind. Want jij bleefmoeder hier en ik bleefhier t aanhankelijke kind.

Hoe voel ik jouw aanwezigheid in dit vertrouwde huis, waar je gezorgd hebt en geschreid om’t vaak zo drukkend kruis.

Ik ruik je in het linnengoed dat geurt in’t kabinet. En hoe je liefde mij steeds hoedt lees ik van jouw portret.

Je bent niet dood zoals ik dacht en zoals ieder meent. ’t Is hier dat jij steeds op me wacht: hier zijn wij steeds hereend.

Ach nee, niet lijfelijk zogezegd, maar’t komt er niet op aan. Wat ons eens bond bleek sterk en hecht en kon de dood weerstaan.

Isolement

Bij niemand horen onder al de mensen die ik zo dagelijks tegenkom op straat. Vreemd wezen aan hun vragen en hun wensen, ook als hun gang vlak naast de mijne gaat.

Vaak’t wisselen van een groet bij het passeren, een stomme knik soms ofeen handgebaar. Maar vaak ook een elkander bot negeren en doen alsofmen lucht is voor elkaar.

Waarom elkander van gezicht te kennen en dan zo stug doen, zo ontstellend koud? Men zou de ander aan zich moeten wennen door iets dat vriendelijk aandoet en vertrouwd.

Wij zijn toch door hetzelfde lot verbonden, al wanen wij ons van de naaste vrij.

Zo dikwijls gaan wij met gelijke wonden en eendere nood stuurs aan elkaar voorbij.

Als schepen door dezelfde wind gedreven en met gelijke diepgang door veel vracht, die soms op zee elkaar een vlaggroet geven, maar nooit elkander peilen in de nacht.

De gescheidenen

’t Was voor het eerst dat zij elkaar ontmoetten sinds hun uiteengaan, een gescheiden paar.

Ze keken even, strak en zonder groeten, elkander aan, als vreemden voor elkaar.

Ze moesten beiden voor hun dwaasheid boeten, zij voor’t gebeurde... O, hij nam het zwaar en vaak nog zat hij in de wond te wroeten, want dat zij hem bedrogen had bleek waar.

Maar na’t elkander woordeloos passeren, zij uitgedost in voor hem vreemde kleren, dacht hij opeens: “Deed zij meer kwaad dan ik toen ik haar uit mijn leven weg wou stoten? Misschien was ik daartoe te vlug besloten, want zij had toch iets treurigs in haar blik.”

De verzoening

Hij dacht wel, dat zij gauw terug zou keren. Maar toch was hij die avond wat verbaasd, toen ze weer thuiskwam, zogenaamd om kleren, en wachten bleef, tot hij was uitgeraasd.

Zij wist dat zij zijn boosheid moest trotseren, want ondanks alles bleefhij haar het naast.

Zo zat zij daar, als kon hij haar niet deren met zijn verwijten, want zij had geen haast.

De muur die hij, gegriefd, had opgetrokken random zijn hart, viel onverhoeds aan brokken, zoals eens die van Jericho bezweek.

Maar voor dit doel had geen bazuin te schallen, want dat zijn vesting zonder meer zou vallen kwam door die blik waarmee zij naar hem keek.

Kronkel

Zeg niet te gauw van mij dat ik het ben als u mij zich op straat ziet voortbewegen. Want met mij komt u ook een ander tegen die mij gelijk is en die ik goed ken.

’t Is iets absurds waar ik maar nooit aan wen; wij hebben beiden elkaar meegekregen en met dat vreemde ben ik doodverlegen.

Ben ik het ofde ander die ik ben?

Stil bezig thuis, waar ik mijzelfslechts spreek en dus die ander, kan de vraag mij kwellen wie van ons tweeen t woord voert als ik praat.

Soms ook op welke neus ik altijd keek wanneer men mij weer eens teleur kwam stellen en daarmee tobt dan ook mijn duplicaat.

Twee Kwatrijnen

Het bed dat ik mijzelfsteeds spreid weet alles van mijn eenzaamheid. Graag ruilde ik mijn zwakstroomdeken voor t hoofd dicht aan mijn borst gevleid.

De schuit wordt wrakker en gaat zinken terwijl de laatste glazen klinken. Wat zou dan’t schoonmaakwerk aan dek? De scheepsbel hoeft niet meer te blinken.

Drogbeeld

VoorX

Nooit bij mijn weten mocht ik jou ontmoeten, maar dat ik van je houd blijkt zonneklaar. Vaak seint mijn hart nooit opgevangen groeten naar t hart van jou, dat klopt ik weet niet waar.

Ik heb je liefvan’t hoofd tot aan de voeten, al kunnen wij niet leven als een paar. Maar dat wij steeds gescheiden wezen moeten was bij mijn keuze destijds geen bezwaar.

Zou andersom’t geluk niet kunnen breken? Men raakt soms op elkander uitgekeken, waardoor het met de liefde niet meer vlot.

Zoals een zeepbel, die men trots ziet zweven en die het na zo kort al moet begeven.

O, ’t kleurrijkst wonder spat vaak’t vlugst kapot.

Voorjaar

Belovend voorjaar dat mij komt vermoeien, je maakt mijn hart onrustig en zo zacht, alsofdaarin iets moois moet openbloeien. terwijl ik niets en niemand meer verwacht.

Wat is’t verlangen moeilijk uit te roeien, al zal de dag wel gauw zijn doorgebracht. ’t Is als de zon, die stervend staat te gloeien, vlak voor de onverbiddelijke nacht.

Die opgang door het lengen van de dagen, de merel, die ‘k van liefde hoor gewagen, het wekt opnieuw in mij een vreemde pijn.

Een weemoed die ik zelfniet kan verklaren, maar die verband houdt met het gaan der jaren en met het eigen onvervulde zijn.

123

Kruisdragen

Zondag

10 H.C.

Dat ik mijn kruis toch nooit eens blij kan dragen, hoewel ik soms wat vrolijkheid forceer. Maar meestal loop ik onderdrukt te klagen ofzit ik zuchtend bij de pakken neer.

Vaak voel ik mij vernederd en verslagen.

Ik zal het U maar zeggen, Heer: omtrent het doel tob ik met zoveel vragen, en ook mijn kruis werd drukkend en doet zeer.

Maar God, hoe zou ik U ooit kunnen missen?

A1 kan ‘k mij met het oog niet vergewissen van Uw nabijheid, ik voel steeds de band.

Laat dan in mij t vertrouwen niet verdwijnen, opdat ik, bij veel eenzaamheid en pijnen, altijd blijfgrijpen naar Uw Vaderhand.

124

Finale

Mattheus 20:8

Heer, als ook ik straks voor de dag moet komen ik denk aan’t hoe en niet aan het wanneer met mijn vol leven, meest besteed aan dromen, dan heb ik mogelijk een zwak verweer.

Nooit heb ik’t in Uw dienst zo nauw genomen, ik legde vaak het bijltje er bij neer. Dan keek ik naar het wuiven van de bomen meer dan naar t werk dat moest gebeuren, Heer.

In elk geval kijk ik niet kwaad ofzuur als Gij mijn buurman die van’t laatste uur dan’t zelfde loon als mij zult willen geven.

Maar daar ik niets presteerde hoegenaamd, zal ik op’t hoogst verrast zijn en beschaamd wanneer ik ook mag ingaan tot het Leven.

125

Gedichten over Urk

Geboorteplek (bij de Slikhoogte)

Steeds als ik door die straat moet gaan denk ik aan t eind, daar bovenaan: hier ben ik eens geboren. t Werd daar heel anders, maar de grond waar eens mijn schommelwieg op stond, die is nog als tevoren.

’t Is altijd nog dezelfde plek waar ‘k in een huis met een vertrek, als zesde kind moest komen. t Was hier dat ik eens ben gezoogd en als ik nat was werd verdroogd, zo loop ik dan te dromen.

Hier heb ik als klein joch gespeeld in’t huis waarin ik werd gereeld. Hier keek ik door de ruiten van’t enig ons beschikbaar raam, naar t spel van wind en golven saam wanneer het stormde buiren.

Maar’t is niet meer dezelfde buurt nu “ t Wakend Oog” er niet meer tuurt over het wijde water.

Die oude pastorie aan zee ging als behuizing heel lang mee, maar hij verdween toch later.

Die hoogte hier werd eens bestraat en weg is nu het prikkeldraad waaraan ’k als kind bleefhaken. A1 t oude ging hier voor de bijl ofwerd herbouwd in nieuwe stijl, omdat men’t mooi wou maken.

“Na Vijven” lees ik op het huis dat in de plaats kwam van ons thuis van zoveel tijd geleden.

Dat huis laat mij volkomen koud, maar niet de plek waar t werd gebouwd en dat heeft dus zijn reden.

En steeds als ik die plek passeer, dan zie daar die woning weer uit lang vervlogen jaren. Dat woonhuis uit mijn vroegste jeugd, waarvan het beeld mij steeds nog heugt en dat ik blijfbewaren.

Het dode huis

Het huis waarnaast ik woon is dood; ’t is oud, vervallen en vrij groot, misschien’t domein van muizen. De deur van t huis blijft altijd dicht en s avonds brandt er nergens licht, wat hoort bij dode huizen.

Geen sprankje licht, niet’t minst gedruis dringt tot mij door vanuit dat huis, ’t is gans en al gestorven. Die daar eens woonden met elkaar zijn alien, en voor mij was t raar, naar elders uitgezworven.

Wat was het daar in vroeger tijd niet altijd vol bedrijvigheid, dat huis was eens vol leven. ’t Was woonhuis, winkel, bakkerij, met zelfs een lunchroom daar nog bij, waar handel werd gedreven.

Daar in die winkel om de hoek verkocht men zelfgebakken koek, vers brood en lekkernijen. En kijk ik nu naar t lege pand waar ik al kwam als jonge klant, dan kon ik wel gaan schreien.

128

Geen buren die ik zie ofhoor, slechts die van’t makelaarskantoor, maar daar valt niets te zoeken. Die mensen zijn druk in de weer met hypotheken en zo meer, en met het winsten boeken.

Ook achter mij trofik het slecht; daar werd een rimboe aangelegd op last van de gemeente. En daar waar eens een woning was doen velen heimelijk hun plas tegen mijn muurgesteente.

Dat huis in de Prins Hendrikstraat leert iedereen die langs haar gaat: geen ding is hier bestendig. Maar als ’k in mijn herinnering weer alles zie wat hier verging, voel ik me steeds ellendig.

O, ’t ruisen... (vrij naar Guido Gezelle)

O, ’t ruisen van het lange riet dat ruisen kon en anders niet. Wanneer ik in de buurt verkeer van Akkers, Holkenkamp en Geer en hoe’t daar verder heten mag, dan denk ik op zo’n zomerdag aan jou en aan het lieve lied dat jij eens zong, o lange riet.

Jij zong in ons natuurgebied van vredigheid en stilte, o riet. Ja, ’t was daar alles rust en vree met slechts het loeien van het vee dat graasde in de zomerwei, en t ruisen van de zee daarbij. O nee, o nee toch, lange riet, het oude Top vergeet ik niet.

O, t ruisen van het lange riet. Hoe vaak zat ik als jongen niet daar aan het dijkje in het gras waar het zo heerlijk toeven was. Dan keek ik over’t water uit, ginds voer een tjalk en daar een schuit, met Schokland in het ver verschiet en jij dichtbij, o lange riet.

O, ’t ruisen van het lange riet weerklinke in mijn droevig lied, om al het moois wat daar verdween. Er staan nu enkel klompen steen, en auto’s rijden afen aan, want zonder slee kan men niet gaan. En men snapt niets van het verdriet om wat teloor ging met dat riet.

5. Gelegenheidsgedichten

Een spiegel van de tijd

Willem en Bab Ruiten schreven vaak gedichtjes naar aanleiding van specifieke gebeurtenissen. Dat konden zowel voorvallen uit het familieleven als zaken uit het dorpsleven zijn. Teun deed dat in mindere mate. Vooral van Bab zijn er veel bewaard waarin zij vertelt over voorvallen en personen uit haar Sonnevanckperiodes. Zij schrijft over doktoren, zusters, medepatienten. Uit dank voor wat ze aan hen gehad heeft, om ze een hart onder de riem te steken of om ze te confronteren met een handelwijze die ze afkeurde. Hetzelfde kan worden gezegd van de versjes die ze schreefover gebeur¬ tenissen in de familie ofde Urker samenleving. Een kenmerk van deze gedichten is dat zij duidelijk zijn toegeschreven naar gebeurtenissen en personen zelf. We vinden er, enkele uitgezonderd, geen onderliggend algemeen herkenbaar gevoel in. Ze passen dan ook alleen binnen de tijd en omstandigheden waarin ze geschreven zijn. Als men die niet kent, zeggen ze niet zoveel. Alleen mensen vanafongeveer tachtig jaar zullen daar nog herkenning in vinden.

Hoewel Willem minder scheutig was met het produceren van dit soort gelegenheidsgedichten, heeft hij ze wel gemaakt. Vaak gaan ze over het Urk van vroeger. Zijn weemoed over wat niet meer is, klinkt er duide¬ lijk in door.

Dat maakt ze dan toch net weer iets anders dan die van zijn zuster Bab. Ondanks hun tijdgebonden karakter, willen wij toch enkele van deze gedichten opnemen. Omdat zij tot het werk van de Ruitens horen.

132

Vuurwerk

De waanzin is weer over ons gekomen. Weer weten wij met al ons geld geen raad. Wat ik als Urker nooit had kunnen dromen: Urk smijt zijn geld met vuisten vol op straat.

Op biddag vroegen wij de Heer om Zijn zegen. Hij hoorde ons en gafzelfs overdaad.

Op dankdag is Urk met dat vele geld verlegen en smijt het onder hels kabaal op straat.

Wij geven onze kinderen blijkbaar kapitalen om vuurwerk voor te kopen bij de vleet; bij tientjes tegelijk komen ze t halen! Dat geld wordt dus wel heel erg slecht besteed!

‘k Denk niet, dat God’t ons daarvoor heeft gegeven. Rentmeester mogen wij alleen daarover zijn, om daarmee Hem te dienen in dit leven, en de nooddruftige tot hulp en steun te zijn.

133

Sprookje

(Tergelegenheid van het verschijnen van de bundel: “ Gewoon maar Schelpen” van Willem Ruiten)

t Was herfst en uit de zee verrees de nevel, die sagen en legendes deed ontstaan.

t Was ons niet vreemd toen uit die grijze nevel een ijle stem ons riep om stil te staan.

Een toverfee kwam naar ons toe getreden en bevend, maar toch hoopvol, bleefik staan. Maar naar mijn broeder richtte zij haar schreden en raakte met haar toverstafhem aan.

“Fee Poezie”, liet ik me klagend horen, “waarom hebt u zich niet tot mij gewend?” Zacht was haar stem, maar harder was haar vonnis: “Niet jij mijn kind, maar hij kreeg het talent.”

En zo werd ik een arme rijmelaarster zo als er hier op aarde velen zijn. Maar hij moest dichten, in bewogen woorden bezingen menselijke vreugd en pijn.

“Gewoon maar Schelpen” staat er op zijn bundel. Bescheidenheid van een eenvoudig man. Maar ik, die deze “schelpen” heb begrepen, weet, dat een “sprookje” waarheid worden kan!

134

OnzeVeldwachter

(Als eerbetoon aan Wouter Kok, gemeente veldwachter 1927-1955)

Trouw verricht hij zijn plicht en die plicht valt hem licht, zo te zien aan zijn vriend’lijk gelaat. Dat is veldwachter Kok, die de sabel nooit trok en door niemand op Urk wordt gehaat.

Als een keurig agent stond hij ginds reeds bekend, maar op Urk was hij weldra bemind. Als hij loopt over straat, naar het Raadhuis toe gaat, groet hem ieder, ’t zij man, vrouw ofkind.

’t Woord van Kok dat heeft kracht. En’t geheim van zijn macht is zijn vrolijke, vriend’lijke lach. Want de ergste bandiet die hem zo lachen ziet, krijgt berouw en verbetert op slag.

Hij gaat steeds recht door zee, licht de hand nergens mee, maar begrijpt de Urker mensen zo goed. Met een snauw en een grauw win je ’n Urker niet gauw. Dus werkt Kok op het Urker gemoed.

135

Het foutje

(Bij bet einde van een korte relatie van haar zoon)

Zij was een klein verpleegstertje in een groot ziekenhuis.

Zij had een klein salarisje en gafnog iets aan thuis.

Zij had sinds kort een grote vriend, een arme kwekeling, waar zij met heel haar kleine hart en kleine ziel aan hing.

Zijn trui was oud, hij had het koud, haar klein gemoed schoot vol. Dus kocht zij van haar laatste geld vier knotten blauwe wol.

Zij kocht nog pennen en patroon en zette zich toen neer.

Zij breide links, zij breide rechts, zij breide heen en weer.

Zij breide als een breimachien, met blosjes op haar toet.

Tot zij, helaas, niet verder kon: t patroontje was niet goed. Zij worstelde nog even voort, toen heeft zij het verbruid.

Zij schreefhem een klein regeltje: “’k Maak de verkering uit.”

De kwekeling las deze briefen sprak toen zeer ontdaan: “Mijn nieuwe vlam en nieuwe trui zijn beiden naar de maan.”

En de moraal van dit verhaal? Helaas, die is er niet. Het was een foutje in t patroon en anders was het niet.

136

Aan Sint Nicolaas

(Tergelegenheid van de eerste Sinterklaasviering na de Tweede Wereldoorlog)

Goede, grijze Spaanse bisschop in het land hier ver vandaan, ’t is alweer een tijd geleden dat ik u voor’t laatst zag gaan. Ach, zo vele bange jaren misten wij uw milde hand, Holland was u onbereikbaar in de felle oorlogsbrand.

’k Heb u in de oorlogsjaren dikwijls afgebeeld gezien met uw knechtje op een tandem, vaak ook in een vliegmachien. In een duikboot onder water voor het torpedeer gevaar. En zo kwaamt gij naar ons landje. ’t Leek ons alien even raar.

’k Zag u op zo’n koddig prentje, na de tocht door u volbracht, bij een wit geverfde schoorsteen in d’ Egyptisch donk’re nacht. Och, het was natuurlijk larie, t was bedrog in groot formaat, want het werd geen echt Sint Niklaas zonder zoete overdaad.

r Waren valse Sinterklazen.

Gij, de echte Sint, bleefthuis. Chocola noch boterletter bracht ons vrolijkheid in huis. Somber vierden w’ uw verjaardag peinzend over vroeger schat.

Ja, nu gold met recht het spreekwoord dat g’ uw been gebroken had.

Goede, grijze Spaanse bisschop met uw mijter en uw staf, met uw roodfluwelen mantel, zet uw schimmel weer in draf.

Ook al kunt g’ ons niet veel schenken, blij begroeten wij u weer. Want het wordt gedurig beter, ’t volgend jaar allicht wat meer.

138

Gedichten voor Dindua

Een genre apart binnen de gelegenheidsgedichten vormt het werk dat door Teun en Willem werd geschreven voor de christelijke reciteervereniging “Dindua”. Deze vereniging werd in 1906 door ds. Van der Vegte opgericht. Voluit was de naam “Door Inspanning Nuttig, Door Uitspanning Aangenaam”.

De bedoeling ervan was om liefde voor de letteren aan te kweken en spreken in het openbaar te bevorderen. Na de Tweede Wereldoorlog gaf “Dindua” een aantal succesvolle uitvoeringen van dorpsschetsen die het leven op Urk van vroeger tot onderwerp hadden. Zowel Teun als Willem Ruiten schreven teksten voor de openings- en slottableau’s.

Het zijn podiumgedichten die met het nodige pathos werden voorgedragen. Dit paste geheel binnen de doelstellingen van de vereniging en binnen de tijd waarin declameren gericht was op het bereiken van een emotioneel effect bij de toehoorders.

In deze bundel zijn enkele van deze gedichten opgenomen. Ze zijn anders dan de overige gedichten van de gebroeders Ruiten. De taal is gezwollen, de beelden rijk uitgesponnen. Teun en Willem waren zich terdege bewust wat de bedoeling ervan moest zijn. Zij schreven ze daarom duidelijk naar het effect toe. Maar ze hebben door het beeldend taalgebruik en de retorica die erin verpakt is, duidelijk hun charme. Zeker als men ze hardop leest, overeenkomstig hun bedoeling. Tussen de schuifdeuren bijvoorbeeld.

139

De wachter

De toren, rood gekoepeld, tuurt als wachter over’t meer, waarnaar mijn boot de steven stuurt, naar eigen haven weer. Hoe goed, wanneer na verre reis men t eigen dorp weer ziet, wanneer dit oud vertrouwde beeld weer opdoemt in’t verschiet.

De toren: hoeveel jaren staat hij reeds getrouw op wacht? Loeiend bij mist en regenweer en lichtend in de nacht? Hoe velen droomden aan zijn voet van liefdes liefen leed, wanneer zijn stralenbundel stil over het water gleed?

En hoeveel schepen voeren aan zijn eenzaamheid voorbij? En hoeveel meeuwen dansten rond zijn koepel, her en vrij?

Hij zag de dijken groeien in zijn eeuwenoud gebied en’t vuurtje, ’n verre bloedverwant, verdwijnen, vol verdriet.

En ginds het kerkje bij de zee de doden aan haar voet, haar kop’ren haan blinkt in de glans der gouden zonnegloed. Mijn dorp schijnt mij een droompaleis aan verre horizon. Als ofeen wond’re sprookjesreis zich aan mijn geest ontspon.

141

Mijn zee is dood

Mijn zee is dood... een dijk omsluit mijn water, mijn gebied.

Straks is het met de visvangst uit, en dan... ik weet het niet.

Het smalle water, dat nog blijft, biedt niet voor alien brood. Wat zal ons wachten na die tijd...? Gebrek misschien en nood.

Waar vind ik elders een bestaan, dan op het ruime sop?

’k Zou naar de polder kunnen gaan en werken met een schop. En dan mijn jongens, die ik ken als frank en fier en vrij. Wat baat de naaste toekomst hen? Ook wroeten in de klei?

Wij leefden vrolijk en tevree in dagen van weleer.

Toen was mijn zee nog Zuiderzee en nog geen Ijsselmeer.

De tijden van ansjovisvangst, van haring, bot en schol. En nu... wordt spitten straks ons lot? Een Urker wordt geen mol.

142

Een Urker is een waterrat, die mint het vissersbuis.

Die weet zich rijk op’t schuimend nat en voelt zich daar slechts thuis.

Die gruwt van wat naar polders zweemt in afkeer en in schrik.

Die blijft van boerenarbeid vreemd tot aan zijn laatste snik.

Willem Ruiten

Verwachting

Men zegt, dat Urk ten gronde gaat als het zijn zee straks mist.

Maar is een Urker dan geen vent, die om zijn toekomst twist? Zeg, is zijn vuist soms niet van staal, zijn hart niet luchtig, blij? Kent hij geen ander ideaal dan slechts de visserij?

Ik weet wel, t scheiden valt niet mee van een geliefd bestaan. Ook ik bemin mijn wijde zee en het ter visvangst gaan. Nog tuur ik vaak de botters na met heimwee in het hart. En sla het spel der golven ga met een gevoel van smart.

Maar toch, een nieuwe toekomst wenkt in’t vruchtbaar Urkerland. Dat eenmaal ruimschoots voedsel schenkt aan elke nijv’re hand, k Zal mij verwerven een bestaan op nieuwe Urker grond. ’k Mag nu reeds helpen bouwen gaan hoe vreemd ik’t eerst ook vond.

Reeds droom ikvan mijn boerderij mijn bouwland en mijn vee, van vrouw en kind’ren aan mij zij, gelukkig en tevree. Een Urker vrouw, van’t zelfde bloed, van’t zelfde stoer geslacht. Mijn Zuiderzee, wees nu gegroet, een blijde toekomst lacht.

145
Willem Ruiten

De branding bruit, de stormwind giert random mijn kleine schuit.

A1 meer dan vijftig jaren voer ’k de Urker haven uit.

Ik vocht al meer dan vijftig jaar met water, storm en wind en steeds, al dreigde het gevaar, heb ik mijn lot bemind.

Ik min mijn schip... mijn wijde zee die mij steeds voedsel schonk.

Ik min de zon, die mij zo vaak op t blanke water blonk. Mijn dorp, waar ik na elke tocht mijn lief, maar ook mijn leed, met vrouw en kind’ren delen mocht en waar mijn tijd vergleed.

Ik min mijn wisselend bestaan, van vreugd’ en smart doordrenkt, maar bovenal toch min ik Hem, Die mij zijn liefde schenkt. Al fluit de stormwind in mijn want, kloekmoedig vaar ik voort.

Ik vrees geen storm... mijn schip houdt stand, want: Vader is aan boord.

#
Vertrouwen
146

De branding bruit, de stormwind giert random mijn kleine schuit.

Ik weet dat God mijn gangen stiert naar’t eeuwig raadsbesluit.

Ik weet: mijn levensanker vindt zijn grand in Christus’ kruis. Hij zorgt voor zijn verkoren kind en brengt het veilig thuis!

Willem. Ruiten

147

Ter visvangst

Wij trekken ter visvangst met hotter en kotter de deinende Noordzee zij nu ons domein.

Wij minnen t eentonig motorgetjotter, de bruisende zeezang, met rustloos refrein.

Een zee werd ontnomen, een zee werd hergeven, welk zeeman verkiest voor het water de wal?

A1 staan ons ook duizend gevaren naar’t leven, t is God, die ons hoedt en weer thuis brengen zal.

Wie is als een Urker, zo dapper en moedig? Wie heeft van heel Holland de prachtigste vloot? Wie vocht zo verbeten, heldhaftig, soms bloedig, met stormen, gevaren, ja... zelfs met de dood?

Wij varen, trots mijnen die altijd nog loeren, en sleuren de vis uit de diepten der zee.

Maar wordt het weer sabbath, wij wenden de roeren en zoeken ons dorpje ter veilige stee.

Ons dorp, waar wij steeds in gedachten vertoeven, al trekken wij mijlenver gaans uit de kust. Wie zou nog een andere thuishaven hoeven? Slechts daar vindt ons hart, na zwerven, weer rust.

Daar kan het slechts vrede en blijdschap hervinden, en sterking tot nieuwe, licht zwaardere strijd. De strijd tegen water en woedende winden: vaart voort, Urker vissers, God zeeg’ne uw vlijt.

6. Lijnen naav het heden

De voorvaderen van Teun, Bab en Willem Ruiten hebben op Schokland steeds het beroep van timmerman uitgeoefend. Dat verandert als Jannetje de Boer met haar kinderen naar Urk vertrekt. Haar zoons Teunis en Willem worden visser en haar kleinzoon Tjalling Ruiten eveneens. De overgang naar Urk doorbreekt patronen. En dan zien we het beroep van timmerman weer opduiken bij de kinderen van Tjalling Ruiten en Geertje Bakker. Tiemen en Jacob oefenen beiden dit beroep uit. Hoe taai genen kunnen zijn. We weten niet ofer in het voorgeslacht van de Ruitens een bijzondere aanleg voor taal voorkwam. De leefomstandigheden op beide eilanden nodigen niet uit om weg te dromen in gedichten en andere mooie teksten. Zeker niet om deze toe te vertrouwen aan het papier. Maar bij de kinderen van Tjalling en Geertje zien we deze belangstelling voor taal wel degelijk. De tijd waarin ze leven, speelt daarbij zeker een rol. Hoe minimaal ook vergeleken met nu, de leefomstandigheden verbeterden. Bovendien krijgen zij structured onderwijs. Dat maakt mogelijkheden in mensen wakker. Welk kind van Tjalling en Geertje je ook nader beschouwt, ze zijn alien gevoelig voor taal en gaan er creatiefmee om.

Gedichten, uitspraken, teksten uit boeken citeren bij gebeurtenissen, horen tot familieactiviteiten waar iedereen genoegen in schept. Het is alsofzij het gebruiken om een situatie uit te diepen, een anderewending te geven, ofeen antwoord te vinden op iets wat moeilijk te hanteren is. Constructie met taal, constructie met hout, beiden activiteiten waarbij gebeiteld, geschaafd, gepast en gemeten wordt. Net zo lang tot er een bevredigend resultaat ontstaat.

En komen we deze creativiteit nog tegen bij de kinderen van hun kinderen? De generatie van nu die op Urk en in diverse andere plaatsen zijn leven leeft? Wij noemen een paar namen en bijzonderheden, dan kunt u zelfoordelen. Kees en Tjalling Ruiten, zonen van Tiemen en Anna, hebben aanleg om beeldend te scheppen. Beiden tekenen en schilderen. De omslag

150

van dit boek is naar een schilderij van Tjalling Ruiten. Kees heeft zich toegelegd op aquarelleren. Tjalling en ook zijn zus Trijntje de Jong, hebben trouwens een voorliefde voor gedichten. Moeiteloos citeren zij uit de genres die hen aanspreken.

Twee zonen van Bab Ruiten en Pieter de Jager, Tjalling en Kees de Jager, hebben het taalgevoel meegekregen. Tjalling schrijft teksten voor diverse gelegenheden en maakt gedichten. Kees heeft jarenlang een PR bureau gehad, teksten geschreven en de vormgeving verzorgd voor onder andere magazines van de Koninklijke Marine.

De liefde voor gedichten en het geschreven woord, vinden we bij vrijwel alle nakomelingen terug. Hoe lang dit zich zal voortzetten, we weten het niet. Natuurlijk worden er door huwelijken steeds andere eigenschappen ingebracht. Maar genen zijn taai. Een zoon van Kees de Jager is afgestudeerd aan de Kunstacademie, een andere zoon volgt een opleiding aan de School voor Journalistiek. Alleen dat timmermanschap komen we niet meer tegen. Maar genen zijn taai. Wie weet.

En vinden we nog wat terug van de Schokker wortels, zingen ergens nog fragmenten van het Schokker verhaal rond?

Op zekere dag bezoekt Tjalling de Jager het vroegere eiland. Hij is zich op dat moment niet bewust van zijn gedeeltelijk Schokkerwortels. Het maakt indruk op hem. Een onbespeelde snaar gaat trillen. Hij schrijft de volgende impressie van dit bezoek.

151

Schokland

Samengebalde kracht van eeuwen strijd, verlies en nieuwe schepping, ik zet op jou mijn voeten neer en voel dat hier het leven samen valt van zee en aarde tegelijk. Van lijden en redding gebundeld in een energie. Hier ligt verzonken in veen en water, drooggevallen, opgegeven en gerestaureerd, een oergeheim. Gevangen en nagesynchroniseerd.

Het wezen van een leven opnieuw gebouwd en schaamteloos verwrongen uitgestald. Scheiding tussen land en water, de derde scheppingsdag, te niet gedaan en door de toekomst omgekeerd tot een markeringspunt te midden van een land dat slechts aanwezig is bij gratie van de schijn van macht. Maar onomwonden steek jij de draak met menselijk vertoon: “Ik blijfde kracht van mijn begin, mijn leven trilt nog in mijn veen, ondeelbaar door de tijd. Voel hoe je knieen knikken nu jij bij mij naar binnen treedt.”

Enige tijd later zoeken Tjalling en zijn aanstaande vrouw Janny Bunschoten een trouwlocatie. Via Urk komen ze op Schokland terecht. Daar trouwen zij. Enkele jaren later ontdekken ze dat op Schokkerhaven huizen worden gebouwd. De beslissing is snel genomen. Zij gaan er wonen. Schokland ligt als het ware in hun achtertuin en Urk is in zicht. Na tien jaar verlaten zij Schokkerhaven en vestigen zich op Urk. Waar hebben we de hoofdlijn van dit verhaal eerder gelezen? Was het niet bij een betovergrootmoeder van Tjalling de Jager, Jannetje de Boer?

En zo vinden we in het geslacht Ruiten en soms in de nakomelingen, twee eilanden terug. Een eiland heeft na zijn verloren strijd, de erkenning gekregen van zijn bestaansrecht. Het sluimert voort en leeft in het museum van de herinnering, ontwaakt zo nu en dan. Het andere is klaarwakker gebleven en richt zich vol overtuiging op alle facetten van het leven die vooruitgang bieden.

Van beiden werd de geschiedenis bepaald door het lied van het water. Hun lotgevallen en die van hun bewoners zijn onderdeel van de “vertelsels van de Zuiderzee” zoals Willem Ruiten het uitdrukte in zijn gedicht “Schokland”. Noch Schokkers, noch Urkers willen afstand doen van die vertelsels. Laat staan van hun eiland, al is die benaming al lang niet meer van toepassing. Maar dat is slechts woordgebruik. De beleving is anders. Hoe komt dat toch? Wat maakt dat mensen die op grand van hun afstamming op enige wijze betrokken zijn bij deze eilanden er altijd weer naar toe worden getrokken. Tjalling de Jager vond een antwoord. Zij houden het eiland niet vast, het eiland houdt hen vast. Het heeft hen gevormd en laat hen niet meer gaan. Zij zijn de vertelsels van de Zuiderzee. Hij schreef enkele gedichten over Urk. Daarin laat hij het eiland spreken en nu eens niet zijn bewoners. Met een daarvan besluiten wij dit boekje.

153

Urk, gedachten van een eiland

Het ontwerp

Een puist in knobbelwater, brutaal verrezen uit het niets, ligt dominant de horizon te scheuren: ik ben hier nu, want verder is er niets. En achter mij drapeer ik enk’le weiden, dat kleurt mijn flanken ijdel groen. Mijn torenlicht zal wit verrijzen, mijn schepping is het woord van toen.

k Verzamei mensen langs mijn glooien, plaats ze behoedzaam op mijn bult, gerangschikt naar mijn welbehagen. Wie hier gaat wonen draagt de schuld van nimmer nog een oord te zoeken dat anders is geaard dan ik.

Ik breng ze voort en vul mijn hoeken totdat er nergens leegte is.

Ik laat hun schepen warm omarmen door dammen uit mijn lijfgerukt. Ik weefmijn web van water, wind en diep verlangen naar verre welvaart: hun drijfveer uit het niets geplukt. Ik span om hen een stalen net van eerbied voor mijn vrijheidsdenken. Zo is mijn toekomst uitgezet.

Ik zal mijn mensen laten leven geworteld in dit hier en nu. De voeten in mijn klei geweven, de hoofden naar een ander nu gericht, ver boven land en zee verheven. De hartslag in een eender kloppen, bewust van hun aflhank’lijkheid. Vervuld van steeds weer het verlangen naar andere volkomenheid.

Geen Urker kan aan mij ontsnappen: wie mij gekend heeft, houd ik vast. Ik zal ze naar hun toekomst leiden als mijn verleden in hen past.

Overzicht van de opgenomen gedichten

Teun Ruiten

Mijn land Herinneringen aan HetTop Het vissersmonument op de Berg Ik dacht zo... Zo waren ze... De Urker haven... Gebondenen Vuurwerk De wachter

Biz. 31 32 35 37 39 40 43 133 140

Bab Ruiten Biz.

De Vader 53 De Moeder 53 Rineke 54 Eenzamen 55 Zwerfster 56 Oogst 57 Zomer 1954 58 Moeder 59 Invalide jongen 60 Operatiekamer 61 Zangkoor uit Urk 62 Het portret 63 Kindergebed 64 O, plek waar ik eens kind was 65 Altaar 66 Herinneringen aan een goed mens 67 Eenzaamheid 68 Ontmoeting 68 April 69 Meisje 69 Een man met principes 70 Mijn biecht 71 Sprookje 134 Onze Veldwachter 135 Het foutje 136 156

Ovevzicht van de opgenomen gedichten

Willem Ruiten Biz.

Schokland 20 Lenteverwachting 84 Lente 85 Gij weet hoe heel de zonnedag 86 Ik zou een lente... 87 Salome’s dans 88 Ik ben een schip... 89 Herkenning 90 Herfstavond aan zee 92 De botters 93 Heilsoldaten 94 Sneeuwmorgen 95 Zonnige februaridag 96 De Streek 97 Enkhuizen 98

Van twee insecten 99

Van een kip 100 Van een waterjuffer 102 What is in a name 104 Van een ezel 106 Acteur 107 Telefoonoproep 108 Herfst elegie 109 Strofen op een sneeuwmorgen 110 Westhavendam 111 Onward Christiansoldiers 112

Onstabiliteit 114 Laat in augustus 115 Oecumene 116 Het ouderhuis 117 Isolement 118 De gescheidenen 119 De verzoening 120 Kronkel 121 Twee kwatrijnen 121 Drogbeeld 122 Voorjaar 123 Kruisdragen 124 Finale 125

Geboorteplek 126 Het dode huis 128 O,’t ruisen... 130 Aan Sint Nicolaas 137 Mijn zee is dood 142 Verwachting 144 Vertrouwen 146 Ter visvangst 148

Tjailing de Jager Biz•

Schokland 152 Urk, gedachten van een eiland 154

157

Willem Ruiten, Bab Ruiten en Teun Ruiten. Drie dichters uit een gezin. Vanafde Tweede Wereldoorlog tot circa 1980 publiceerden zij regelmatig hun gedichten in het Urkerland. Van Willem verschenen daarnaast nog drie gedichtenbundels. In deze uitgave staan deze drie dichtende Ruitens centraal. Via het verhaal van hun leven komen wij uit bij hun gedichten. In toegankelijke taal nemen zij ons daarin mee naar hun wereld van geloof, vertrouwen, hoop en twijfels. Naar het Urk van vroeger en hun beleving daarvan. Naar gebeurtenissen in hun leven. Zo ontstaat een boeiend palet aan beelden en gevoelens, vaak gekleurd door weemoed en humor waardoor soms onverwachte wendingen ontstaan. Juist door het persoonlijke, soms intieme, karakter van hun verzen en de thema’s die zij daarin aan de orde stellen, is wat zij te zeggen hehben nog steeds actueel.

STICHTING URKER UITGAVEN URK ISBN 978-90-71521-20-1 789071 521201