Daar werd een dijk gelegd

Page 1

Daar werd een dijk gelegd

c, ** **
Samengesteld door Albert van Urk

Daar werd een dijk gelegd.

Samengesteld door Albert van Urk

Urker Uitgavcn 1989

Bij de omslag:

Voorkant: J.H. van Mastenbroek: „De machtige grijper overwinnaar in de strijd tegen de zee.” 1932 (collectie Zuiderzeemuseum)

Achterkant: J.H. van Mastenbroek: „Het laatste schepje.” 3 oktober 1939 (collectie Zuiderzeemuseum)

Met dank aan:

Rijksmuseum Zuiderzeemuseum Enkhuizen. Informatiecentrum „Het Nieuwe Land” Lelystad. Fotoarchief Waterschap Noordoostpolder. K.L.M. Aerocarto Amsterdam.

Dit boekje kwam tot stand op initiatief van de Gemeente Urk, Willem Baarsen en Adri Noorloos en werd verder uitgewerkt door Albert van Urk en de Stichting Urker Uitgaven.

Deze uitgave werd mogelijk gemaakt door de financiele ondersteuning van: Gemeente Urk. Waterschap Noordoostpolder. Energiebedrijf IJsselmij N.V. te Zwolle. Het Urker bedrijfsleven. Een lijst met de sponsors uit het Urker bedrijfsleven vindt u op pagina 83.

Copyright van de gereproduceerde foto’s en kunstwerken berust bij de eigenaren. Ook overigens mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotocopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Vormgeving: Drukkerij „Het Urkerland”

Druk: Drukkerij „Het Urkerland”

ISBN: 90-71521-05-2

Publicatie: Stichting Urker Uitgaven 1989

De Stichting Urker Uitgaven heeft tot doel de uitgave van min of meer belangrijke bijdragen in enigerlei vorm over of in verband met het volksleven, de taal, cultuur en geschiedenis van Urk mogelijk te maken.

Voorwoord

Dit herinneringsalbum is tot stand gekomen dankzij de inspanningen van het Comite 19391989, bestaande uit Adri Noorloos, Willem Baarsen en Albert van Urk.

Veel dank is ook verschuldigd aan Tiemen ten Napel, die, samen met Willem Baarsen, anderen enthousiast wist te maken en de benodigde sponsors vond om het idee fmancieel te onderbouwen.

Het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen en het Informatiecentrum „Nieuw Land” te Lelystad waren direct bereid kunstwerken uit hun collectie afte staan voor zowel reproduktie in dit boek als voor het houden van een tentoonstelling in het gemeentehuis van Urk.

De foto’s in dit album zijn, voorzover niet anders vermeld, afkomstig uit het archief van het Waterschap Noordoostpolder, voorheen archief Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, met dank aan de heer R. Dubois, voor zijn grote inzet.

Het Waterschap Noordoostpolder verzorgdeeen bijdrage aan dit boek en werd door deze herdenking, alsmede door het comite, gei'nspireerd tot het plaatsen van een gedenkteken op de dijk van Lemmer naar Urk op de plaats van het laatste sluitgat.

Willem Baarsen interviewde mensen van het eerste uur. Deze op deband opgenomengesprekken werden door Albert van Urk overgezet en verwerkt.

Een lijst van instellingen en bedrijven, die de uitgave van dit herinneringswerk mogelijk maakten, is achterin dit boek vermeld.

Een sympathiek gebaar achten wij de medewerking van het EnergiebedrijfIJsselmij N.V. „opde valreep” bereid tot een „energieke” bijdrage in kleur.

Dank, tenslotte, aan al die mensen, genoemd of ongenoemd, die het redigeren van dit album tot zo’n plezierige bezigheid maakten.

De grafische verzorging door „Het Urkerland” en de inzet van het personeel van ditbedrijf, vaak in de avonduren, verdient aparte vermelding.

Stickling „Urker Uitgaven”

Luchtfoto van het eiland Urk 8-5-1934. Foto: KLM Aerocarto 14042.

En de zee was niet meer

Op 3 oktober 1939 werd met enkele grote happen keileem het laatste gat in de dijk tussen Friesland en Urk gesloten. Burgemeester Keijzer van Urk en zijn collega Krijger van Lemsterland namen de hoed af en schudden elkaar op een wankele loopplank hartelijk de hand. Urk was in principe geen eiland meer. Aan het wetenschappelijk onderzoek van de eilandbevolking, op meer dan een gebied, was kort daarvoor reeds een einde gekomen. P.J. Meertens en L. Kaiser konden hun inleiding schrijven voor „Het eiland Urk”, een bundeling van onderzoeksresultaten, met name van H.J. Piebenga, A.C. de Vooys, J.C. Daan en nog enige anderen. Chr. Plomp was bezig zijn bevindingen in een proefschrift te verwerken. Maar intussen was de tweede wereldoorlog begonnen, al was Nederland er nog niet direct in betrokken, en de toekomst scheen onzeker. Hoewel, de heer Plompkon in 1940 promoveren en „Het eiland Urk” nogin 1942 verschijnen, het jaar waarin ook „het Urkerland”, alias de Noordoostpolder, droog viel. Helaas zou het nog tot 1948 duren voor en aleer er een wegverbinding tussen Urk en het achterland tot stand kwam, en „de bult” eindelijk echt eiland-afwas. In de barre sneeuwwinter van 1947 was de bevolking nog ouderwets ge'isoleerd geweest. Als eerste oorzaak van de late ontsluiting van

Urk moeten wel de oorlogsomstandigheden genoemd worden, maardaar kwamonzesinziens bij, dat de officiele instances niet stonden te springen om het eilandje, dat toch slachtoffer was van de inpolderingsplannen, snelle en doeltreffende hulp te verlenen.

Zeker, dr. Lely had gezegd dat aan dit nationale werk geen smet mocht kleven en dat de vissers derhalve volledig schadeloos zouden worden gesteld en er was dan ook een Rijksdienst ter Uitvoering van de Zuiderzeesteunwet in het leven geroepen. Die heeft ook wel goed werk gedaan door het geven van kredieten en steun aan oude vissers, en dat in een tijd dat er bezuinigd moest worden, maar zag toch die hulpverlening waarschijnlijk te veel in het perspectief van de gepleegde onderzoekingen en de daaruit getrokken conclusies. Daarin werd grote armoede geconstateerd, „inteelt”, en gebrek aan grote plichtmatigheid en doelbewusteactiviteit: Deeilandersmistendoorzettingsvermogen, waren weinig zelfstandig en men kon niet op hen bouwen. „Noch op het terrein van het economische leven, noch op dat van het maatschappelijke ofgeestelijke, geven de Urkers blijk van een krachtig en doelbewust streven, hoewel op deze algemene uitspraak natuurlijk individuele uitzonderingen bestaan. Dit alles

schept op verschillend gebied moeilijkheden van niet geringe omvang.”

(Chr. Plomp, Sociografie van een eilandbevolking. Bladzijde 118).

De beoordeling was op zichzelf niet zo verwonderlijk. Urk was al jaren in maatschappelijke ontwikkeling achter gebleven, doordat er gewoon geen mogelijkheden voor waren, en bovendien was het overbevolkt. Vissers werden in de crisistijd wel in de werkverschaffingsprojecten buiten Urk aan grondwerk gezet en presteerden daar begrijpelijkerwijs niet naar verhouding. Er was onvrede en onzekerheid. Wat kon van de plannenmakers die bouwgrond van viswater wilden maken, verwacht worden? Hadden zij het eiland niet liever ontvolktgezien?

Veel energie werd in het nieuwe land gestoken, maar Urk werd pas geholpen als men er niet meer buitenom kon. Een negatief beeld van de bewoners werkte denkelijk sterk in hun nadeel en bepaalde deels de prognoses. Wel wees A.C. de Vooys op de snelle motorisering van de Urker bottervloot tussen 1915 en 1930 en de ommekeer die dat bracht in het vissersbedrijf (terwijl andere vissersplaatsen van de Zuiderzee dat voorbeeld niet volgden) en op de vrij gunstigegeboorte-en sterftecijfers (vergeleken met andere Noordhollandse gemeenten), en was hij verder ook positief: „Gelegen met zijn haven aan het Ijsselmeer, met toegang naar Amsterdam en de Noordzee, met een groot achterland dat zijn produkten hier ter markt zal brengen, zal Urk zeker niet in welvaart achteruitgaan. De Noordzeevloot kan op Urk blijven; zal dit echter zo zijn? Op Urk twijfelt men juist hieraan. Het oude Urk verdwijnt toch, waarom zullen de vissers dan daar blijven en niet naar een gunstig gelegen Noordzeeplaats gaan? We con-

stateren het zeerlage welvaartspeil op Urken een grote waarschijnlijkheid van opbloei na de drooglegging. Waarom is men op Urk dan toch bijna unaniem tegen de drooglegging gekant?” „Mijn inziens staan de economische factoren op de achtergrond en is het tegen devernietigingvan de eigen groep dat men zich teweer stelt.” (Het eiland Urk, bladzijde 255 en 256).

Wat de opbloei betreft heeft De Vooys gelijk gekregen. Al werd Urk geen stapelplaats voor landbouwprodukten, er kwamen visverwerkende industrieen. Inderdaad waren velen ook tegen de droogmakinggekant, maar we betwijfelen of wel van unanimitiet kon gesproken worden. Eenheid in motivatie was er zeker niet.

Er waren mensen die dachten dat ze door de omstandigheden gedwongen zouden worden het eiland, dat hen lief was, te verlaten. Zuiderzeevissers zagen de toekomst weer donkerder in dan de vissers die bijna uitsluitend op de Noordzee hun brood verdienden.

Den Herder in Harderwijk voorspelde grote calamiteiten als de Afsluitdijk er zou komen en hij had medestanders. Er waren vissers die meenden dat de techniek de kracht van vloed en golven niet zou kunnen bedwingen, maar die mening kreeg al een geduchte knauw toen op 28 mei 1932 de Afsluitdijk gesloten werd na een spannende strijd tegen het water.

Bij vele ouderen was er ook vrees voor de tijd dat er auto’s door het dorp zouden rijden, de bioscoop zijn intredezou doen en de zondagsheiliging met voeten getreden zou worden. Door aansluiting aan „de vaste wal” werd verlies van zedelijke en geestelijke waarden gevreesd. Maar jongeren hadden meer moed en vertrouwen. Rond 1930 waren de mogelijkheden op het

eiland haast volledig uitgeput. Er was, bij de crisisbezwaren, ruimtegebrek en woningnood. En de Zuiderzeewerken brachten werkgelegenheid. Daarbij kwam dat ervaring en geloof toch ook heel wat mensen deed zeggen: „Als er een deur dicht gaat, dan gaat er wel weer een venster open.”

Op Urk is ook niet zo unaniem de vlag halfstok gehesen als de pers wel wilde doen geloven. Er was wel verbittering, zoals blijkt uit het A.B.C. van een Urker visser die de toekomst donker en droef inzag en die de steunwet en „het Rokin” laakte en kraakte. De zee werd genomen, een meer gegeven: „men ontnam ons de rogge en liet ons het stro.”

Er was echter ook hoop, al werd die door de malaise en deoorlogwel zeer op deproefgesteld, en al had Urk de instanties niet zo mee als wel verwacht had mogen worden. De ongunstige geluiden vonden weerklank bij de overheid en zelfs het eigen gemeentebestuur had geen optimistische kijk op de toekomstvan Urk. Maar wie kon in die moeilijke tijd wel duidelijk aangeven wat er gebeuren moest en wat de toekomst zou brengen?

Hetjaar 1932, midden in de crisistijd, bracht een dode Zuiderzee met een nasleep aan gevolgen voor het milieu, toen wel vergeleken met de plagen van Egypte. Toen het Ijsselmeer vis ging opleveren kwam de oorlog en werd de Urker vloot „gevorderd”. De ondergang leek niet meer te ontgaan. Urk zat „lik op de dik”.

Doch toen bleken ook de conclusies, in trieste omstandigheden getrokken, niet zo waar te zijn als ze leken. Nauwelijks was de oorlog voorbij of erontstond op Urk een ongekende activiteit. Vissers zwierven langs de kusten op zoek naar hun

verloren vloot. Alle mogelijke scheepstypen werden opgekalefaterd om aan de voedselvoorziening deel te nemen. Nieuwbouw werd spoedig gerealiseerd. Helaas werd er door de inpolderaars nog geen vaart achter gezet om Urk echt uit zijn isolement te halen. We zeiden het al: eerst in 1948! was er werkelijk een wegverbinding. Maar toen ging het verder tamelijk vlot. Urk, dat een eigen en niet zo beste waterleiding en elektriciteitscentrale had, kreeg deel aan de betere voorzieningen van „het vaste land”. De huizenbouw kon zich nu ook over het eiland uitbreiden en schoof al gauw de polder in. De vloot maakte op de Noordzee heel goede jaren en het duurde nietlang ofer werd in de pers geschreven over „het wonder van Urk”. Het leek ook een wonder, hoe Urk in korte tijd niet alleen eengrote achterstand in ontwikkeling inhaalde, door gebrek aan levensruimte en mogelijkheden opgelopen, maar ook de andere vissersplaatsen voorbij streefde met vloot en vangsten, met afslag en visverwerkende industrie en met een forse groei van de bevolking. Die ontwikkeling en groei was deels te danken aan de gunstige conjuncturele ontwikkelingen in Nederland en Europa, maar had zonder de inzet en werkkracht van de bevolking niet zo kunnen verlopen. Waar andere havenplaatsen moed en vloot verloren, werden ze op Urk opnieuw geboren. Onderzoekers hadden geen hoge dunk gehad van de in het volk sluimerende krachten, al zagen ze toch wel in dat de dynamiek van het maatschappelijk en economische leven mede bepaald wordt door de zich wijzigende omstan¬ digheden. En toen die inderdaad veranderden werd ertegen de verwachting in heel wat wakker op Urk.

In ditboekje valt de nadruk op het feit dat Urk in 1939 eiland-afwerd en in verband daarmee richt

Het uitzetten van de dijk. Foto: K. van Buiten.

de aandacht zich bijzonder op dat jaar en de jaren er omheen. Eigenlijk zou de halve eeuw die sindsdien verstreek breder belicht moeten worden dan in dit bestek mogelijk is. Het zou interessant zijn als er een wetenschappelijk onderbouwde vergelijking kon wordengemaakt, tussen wat in dejaren dertig werd gepubliceerd en wat nu uit nieuw onderzoek zou kunnen worden geconcludeerd.

Net als in de vooroorlogse jaren is ook nu de tijd vol spanning en onzekerheid en zijn er klemmende vragen naar wat de naaste toekomst zal brengen. Het bestaan en de welvaart, maar ook de naam van Urk zijn opnieuw in hetgeding

en weer klinken er sombere geluiden. Urk heeft te maken met grote en destijds nog niet zozeer spelende problemen als milieuvervuiling en waterverontreiniging en daarmee in verband, en met de intensieve bevissing, hetgevaar lopen van paai- en broedplaatsen van de vis. De Europese regelgeving voor vangstbeperking, quotering en sanering van de (te) grote vloot wordt door de zich van ouds zo vrij voelende vissers als knellend en belemmerend ervaren.

De moeiten zijn groot en vele en toch zullen deze zaken serieus onder ogen gezien moeten worden en verder ook aangepakt.

De bewoners van Urk zijn, net alseen halve eeuw

8
L

geleden, kerkelijk georienteerd. Ze worden van week op week geconfronteerd met God en gebod. Hun zaken kunnen niet buiten hun geloof omgaan, al staan ze daarmee in deze gecompliceerde tijd meer dan eens op gespannen voet. Die spanning kan zowel een negatieve als positieve uitwerking hebben. Wij mogen hopen dat dit laatste op den duur het geval zal blijken te zijn.

Tenslotte willen we nog wijzen op een positieve ontwikkeling.

Kwamen in dejaren dertig de kritische geluiden meest van de onderzoekers, nu is ook in de visserijwereld zelf het besef ontwaakt dat er veranderingen moeten komen en zijn er vissers over de toekomst in zorg. Daarmee groeit hun bereidheid mee te werken aan maatregelen die tot sanering kunnen leiden.

Kon destijds gezegd worden: „en de (Zuider)zee was niet meer,” de vrees bestaat, dat als ongelimiteerd wordt doorgegaan op de oude voet, de tijd naderbij komt, dat gezegd zal moeten wor¬ den: „en de (Noord)zee is niet meer ”

Zeker, de toekomst ligt in Gods hand, maar wat heeft Hij, getuige Psalm 8, veel in de handen van mensengelegd, die daarin hungrote verantwoordelijkheid dienen te verstaan.

dV

Boorders aan het werk. Boveru van links naar rechts: Maarten Bakker, Dirk Ras, Klaas Ras. Onder: Hessel Hakvoort, dhr. Wit

9

Werkhaven en bouwput gemaal ‘Vissering’.

A *

Ondergelopen bouwput bij gemaal ‘Vissering’.

r
10
u

Urk en de polder

Het vroegere eiland Urk is nauw verbonden met de Noordoostpolder en daarmee ook met het ‘oude Land’: Friesland en Overijssel. De wijze waarop deze verbinding tot stand kwam wordt hierna in grote lijnen beschreven. We zullen daarvoor teruggaan naar het jaar 1936 toen de eerste voorbereidingenvoor dedrooglegging van de Noordoostpolder plaatsvonden.

De voorbereidingen

De eerste voorbereidende werken voor het weer terugwinnen van het eens verzwolgen ‘Urkerland’ werden ondernomen in 1936. Daarvoor waren reeds vele nota’s en beleidsstukken geschreven over het hoe en waarom van wat toen de ’Noordoostelijke Polder’ werd genoemd. De uitvoeringsplannen waren in 1936 zover ‘gerijpt’ dat bestekken en tekeningen van de ringdijk van de Noordoostpolder grotendeels gereed waren en dat totaanbestedingkon worden overgegaan. Het allereerste werk dat voor de drooglegging van de Noordoostpolder aanbesteed werd, was het aanleggen van een werkhaven te Urk tegelijkertijd met de funderingsput (bouwput) voor het daar te bouwen gemaal met schutsluis. De bouw van ditgemaal (Vissering) bleek later een van de werken te zijn, die de meeste tegenslagen ondervond. De werkhaven bij Urk was noodzake-

lijk om het drijvend materiaal, dat nodig zou zijn om de dijk te bouwen, een veilige ligplaats te bieden (zie foto). Dit werk werd op 29 april 1936 aanbesteed en is voor een bedrag van f.659.768,- gegund aan de Aannemings Maatschappij voorheen firmaE.J. Bakkeren Co. N.V. te Gorinchem. Het werk is direct begonnen. Volgens het bestek moest663.200 m3 weggebaggerd worden. Er werden ingezet: driebaggermolens, een profielzuiger, een bakkenzuiger, twee grote en een kleine grijperkraan. Deze grote grijperkranen waren afkomstig uit de haven van Amsterdam; dit soort kranen heeft veel werk verzet voor de polderdijken. Deze werktuigen hebben de tot dan toe op Urk heersende rust danig verstoord. Het werk werd voltooid op 7 april 1937. Voor de uitvoering van de dijkwerken vond men het noodzakelijk dat een kantine en directiekeet bij de werkhaven zouden worden gebouwd. De kantine was bedoeld voor de ’geestelijke en culturele verzorging der arbeiders en het scheppen van enige ontspanningsgelegenheid’ zoals de Dienst der Zuiderzeewerken dit omschreef. Dit gebouw werd voltooid op 11 maart 1937.

Inmiddels was op 24 februari 1937 de openbare aanbesteding gehouden van bestek nummer 268

Het sluitgat in het dijkgedeelte tussen Urk en Lemmer. 2-10-1939.

Aansluitingpolderdijk aan de Noordkust van Urk.

12

ZW. Dit bestek en voorwaarden bevatte de beschrijving van een viertal dijkvakken (in het bestek percelen genoemd) tussen Lemmer en het eiland Schokland. Perceel I (lengte circa tien kilometer) werd uitgebouwd vanuit Lemmer. Perceel II (lengte circa 9.300 meter) zou uitge¬ bouwd worden vanuit de noordkust van het eiland Urk. Een tussenliggend perceel, circa vier kilometer lang, gelegen nabij de toekomstige Rotterdamsche Hoek, zou apart worden aanbesteed. De inschrijvingen voor bestek nummer 268 ZW waren zodanig dat de Minister van Waterstaat slechts overging tot gunning van perceel I aan de combinatie van Wijngaarden V.d. Hoeven en Van Haaften, latergenoemd ‘Het Syndicaat Noordoostpolder’, voor een bedrag van f.3.350.000,-. Aan de overige inschrijvers werd bericht dat van hun prijsaanbiedingen geen gebruik zou worden gemaakt. De reden waarom deze prijsaanbiedingen niet werden geaccepteerd was waarschijnlijk dat deze te hoog werden bevonden; latere onderhandse aanbiedingen bleken steeds lager te zijn dan bij de aanbesteding. Daarna vonden veelvuldig onderhandelingen plaats om te proberen tot overeenstemming over de prijs te komen. Vermeldenswaard is dat in het voorjaar van 1938 het werk van perceel II van bestek nummer 268 ZW werd opgedragen aan het Hollandsch Aannemersbedrijf Zanen Verstoep N.V. te ’s-Gravenhage voor een bedrag van f.3.148.000,-. Het werk moest in 1940 worden voltooid. In het voorjaar van 1939 werd aan ‘Het Syndicaat Noordoostpolder’ het maken van het tussen perceel I en II gelegen dijkvak (een vier kilome¬ ter lang dijkvak nabij Rotterdamsche Hoek) opgedragen voor een bedrag van f.1.486.860,-.

Hiermee was het maken van de polderdijk tussen

Urk en Lemmer, een lengte van 24 kilometer, geheel uitgegeven en waren de eerste stappen ondernomen om de Noordoostpolder van tekentafel tot werkelijkheid te brengen.

De dijkbouw

Hetboeiende spel vangrote kranen, zandzuigers, baggermolens, sleepboten, bakken, persbuizen, vletten, draglines, begon. Veel mensen hebben gewerkt aan het boven water brengen van het dijklichaam. Dit gebeurde door het aanleggen van twee keileem dammen, waartussen zand werd gespoten. De keileem werd gewonnen in de omgeving van de Friese kust, ondermeer bij het ‘Oude Mirdumerklif en in de nabijheid van Urk. Voor het maken van de gehele ringdijk van de Noordoostpolder is circa 30 miljoen m3 grond verwerkt, waarvan circazes miljoen m3 keileem. Daarmee was het werk nog lang niet klaar. Waarschijnlijk hebben naar verhouding meer mensen zich bezig gehouden met de werkzaamheden die volgden op het ruwe grondwerk aan het dijklichaam. Zinkstukken en steenglooiingen moesten het dijklichaam beschermen tegen het geweld van de golven. Deze werkzaamheden moesten vrijwel volledig met de hand worden uitgevoerd. In het kielzog van de grote drijvende kranen, baggermolens en zuigers kwamen de woonscheepjes, keten, barakken en andere verblijven voor de mensen die aan de dijk werkten. Gelukkig konden ook veel mensen uit Urk en andere plaatsen langs de voormalige Zuiderzee werk vinden bij de drooglegging van de Noordoostpolder. Doorde Dienst der Zuiderzeewerken werd veel aandacht besteed aan het verschaffen van werk aan mensen die gedupeerd waren door het afsluiten van de Zuiderzee en de inpolderingswerken. Zo werden in de bestekken bepalingen opgenomen die

regelden dat de aannemers ‘belanghebbenden of zoons van belanghebbenden in de zin van de Zuiderzeesteunwet’ in voldoende mate werk boden.

De uitvoering van de grootse dijkwerken verliep niet zonder tegenslagen. De Zuiderzee was weliswaar getemd door het dichten van de Afsluitdijk, maar op het Ijsselmeer kon het ook spoken. Meerdere malen is er vertraging ontstaan doorstorm, maarook doorstrenge vorst en ijsgang. Zo is op 3 en 4 oktober 1938 door een zware storm uit zuidelijke richting grote schade ontstaan aan de steenglooiing op het binnenbeloop van een inmiddels gereedgekomen gedeelte van de Polderdijk bij Lemmer. Deze steen¬ glooiing was zo licht mogelijk geconstrueerd, omdat deze glooiing alleen nodig was zolang er water in de polder aanwezig was. In de toen optredende buitengewone weersomstandigheden, waarbij het Ijsselmeer tot 1.20 meterboven het normale peil werd opgestuwd, zonken een bakkenzuiger, een kraan, motorvletten en enige roeiboten. Verschillende bakken sloegen los en raakten op drift. Gelukkig zijn er geen mensen verdronken.

Op ons verzoek vertelt de heer D.J. Koets te Emmeloord, die toen als opzichter bij de Dienst der Zuiderzeewerken verantwoordelijk was voor de uitvoering van dat gedeelte van de dijkwerken, hierover het volgende:

„In de nacht van 2 op 3 oktober 1938 stak er een zware storm op uit het Zuidoosten. Dit was een hoek waaruit men het niet had verwacht. ’s Morgens om vijf uur gingen de hoofdopzichter en de opzichter met de directieboot naar de dijk om te zien wat daar gebeurd was. Op de dijk troffen ze de hoofduitvoerder aan (je moet maar aannemen, iemand die makkelijker kan vloeken

dan bidden). Nu zat de man echt met tranen in de ogen naar zijn werk te zien. Hij zat achter een zuigerschot, want het woei nog stevig. Niet alleen was de dijk over enkele honderden meters weggeslagen en waren er meerdere gaten tot op het keileem in de rest van de dijk, maar er was ook veel materieel gezonken; zoals een zandzuiger, de ‘Casper Robles’, een Thomson-kraan was gezonken op de Friese Zeedijk bij het stoomgemaal ‘Wouda’; een kleine Karma-kraan was omgeslagen; een keileembak lag tegen de dijk bij Lemmer. Vijftien mensen waren spoorloos verdwenen. Wij zijn naar Lemmer gevaren in een uiterst droeve stemming. Maar wie schetste onze verbazing, maar ook vreugde toen wij in het schipperscafe van Piet Plooy daar al deze vermiste mannen aantroffen, prinsheerlijk achter een borrel of pilsje. Leen van de stoomsleepboot s.s. ‘Sliedrecht’ was met zijn stoker’s nachts om circa een uur uit de Lemmer vertrokken want ‘ze verzuipen’. Hij is eerst aan de lijzijde langs elk van de in gevaar verkerende schepen gevaren en heeft zegezegd „Houje gereed om te springen, ik kom zo terug” en zo heeft hij alle vijftien mannen behouden in Lemmer gebracht. Maar Leen had het niet eens de moeite waard geacht zijn baas te waarschuwen: „Je doet toch, wat je denkt dat moet”.”

In het reeds eerder genoemde bestek nummer 268 ZW was ook een bepaling opgenomen die het vervoer regelde van de dijkbouwers naar en van de kerk op het vaste land. De dijkbouwers waren meestal eenmaal in de vier weken ’s zondags thuis; de andere zondagen brachten zij in de barakken door die dicht bij het werk stonden. De betreffende bestekbepaling luidde: „Voorts draagt de aannemer zorg, dat debij hem in dienst zijnde arbeiders in de gelegenheid

worden gesteld, hun godsdienstplichten te vervullen. Hij zorgt daarbij volgens nadere aanwijzing van de directie voor het vervoer der arbeiders van en naar de plaatsen waar zij gehuisvest zijn.”

Desgevraagd vertelt D.J. Koets hierover: „In het bestek stond dat de aannemer gehouden was, iedere zondag eenmaal een boot te laten varen om de op de dijk verblijvende arbeiders gelegenheid te geven de kerk in Lemmer te bezoeken. Hiervan werd dankbaar gebruik gemaakt. Vrij dikwijls gebeurde het dat een van de gebroeders Van Oordt, die als onderaannemers rijswerk en steenzetwerk hadden aangenomen, een weekend op de dijk in een aparte kamer in de keet overbleef. Zondagmorgens zag men dat eerst deze Van Oordt (getooid met een slappe hoed enjas over de arm) de keet uitkwam en zich op de steiger naar de boot begaf, keurig gevolgd door veel van zijn personeel. Wanneer de aannemer niet op de dijk was, gingen er wel minder mensen naar de kerk.”

14.44 uur gedicht. Urk was op dat moment een schiereiland geworden. Een ooggetuigeverslag is voortreffelijk weergegeven in het Nieuwsblad van Friesland van 4 oktober 1939. Daar lezen we het volgende:

Wanneer wordt de dijk gesloten?

Deze vraag hield de werkers bezig, die wel voorzagen, dat er met deze gunstige weersomstandigheden een goede kans was, om het gat spoediger te dichten, dan oorspronkelijk was aangenomen.

Het Zaterdagavondrapport luidde: nog 140 Me¬ ter open water. Dat wilde zeggen, dat in een dag of twee de verbinding kon worden gelegd. Wanneer er althans geen storm komt, zeide onze ir. Klazema.

Er kwam geen storm, het weer hield zich zelfs uitzonderlijkgoed, en wat op vandaag zou plaats hebben, kon gisteren gebeuren.

De dijkvakken groeiden vanuit Urk en Lemmer, ondanks de tegenslagen, gestaag naar elkaar toe. De oorlogsomstandigheden, die zich vanaf 1939 voordeden, veroorzaakten geen noemenswaardige vertraging. De aanvoer van materialen, zoals de benodigde stortsteen en zetsteen, werd wel vertraagd, maar de gevormde voorraden en de mogelijkheid om steen aan de waterkering van Schokland te ontlenen, zorgden ervoor dat er geen tekorten aan materialen waren.

De sluiting

Het sluitgat in de dijk die Urk met de Friese kust zou verbinden lag op circa 9.300 meter ten noorden van Urk. Dit sluitgat werd onder grote belangstelling op dinsdag 3 oktober 1939 om

Een historisch oogenblik. 9.300 M. ten Noorden van Urk, waar nog een gat van zeven meter open is gebleven. Daarheen varen nu de booten van Urk en de reddingboot van Lemmer, daar hebben de sleepboten en de kranen met de bakken keileem ligplaats gekozen. Wanneer we van uit de verte het tooneel bezien, een fleurig beweeg van vlaggen, waarmede de schepen kwistig zijn getooid. Zij liggen daar gegroepeerd voor het laatste sluitgat, waardoor de Oostenwind het water uit den toekomstigen polder in kolkendegolven heenperst. Het IJsselmeerwater voert een laatsten strijd tegen de overmacht van kranen en keileem. Hoog ligt de zware grijper boven het water, de klappen wijd gespreid in rust boven de opgetaste keileemkluiten.

15

De ensceneering was, zoals men zich die maar wenschen kon. Vlak voor het sluitgat komt de kraan te liggen en daar verdringen zich de kijklustigen, ora van dit gebeuren maar niets te missen.

Van den dienst der Zuiderzeewerken waren aanwezig ir. Geers, ir. Klazema en ir. Meyer en van de N.V. Zanen en Verstoep de heeren D. Verstoep, directeur, ir. J.A. Hijner, hoofdingenieur, en C. Verstoep, hoofduitvoerder. Burgemeester G. Keyzer van Urk was er, vergezeld van wethouder De Wit en eenige raadsleden, terwijl ook een aantal notabelen van Urk den tocht medemaakten. Het voUedige gemeentebestuur van Lemsterland, mr. Krijger, de wethouders De Vries en Pen, gemeente-secretaris De Boer, de havenmeester en enkele andere belangstellenden waren met de „Hilda” van Lemmer gekomen.

Van hun belangstelling gaven voorts blijk oudminister dr. J.J.C. van Dijk en het Tweede Kamerlid J.M. Krijger,lid van den Zuiderzeeraad en commissaris der N.V. Zanen en Ver¬ stoep.

Twaalfeeuwen is Urk eiland geweest, nu scheiden het eiland nog slechts zeven meter van den vasten wal van Friesland.

laten plonsen, dat hoog opspat, terwijl de keileemklonten ineenzakken in het drabbige wa¬ ter.

De eerste, de tweede, de derde... De kijklustigen gaan nu turven, het hoort er bij, want het nageslacht moet weten: zooveel keileem was nodigom Urk op 3 October 1939 met den vasten wal in verbinding te brengen.

Aan de overzijde doet een kleine grijper aanvullend werk en ondertusschen houden fotografen zich onledig met griezelige tochten over de versche hoopen.

Een plank wordt van boord gehaald, om straks de verbinding wat meer begaanbaar te maken.

Daar plenst weer zoo’n leemklomp in het water, dat in vuile spatten over onze boot heenstuift en ons zoo deel doet hebbenaan het dempingswerk.

Het geheel wordt in de locale kleur gezet van grijze modder.

Nu wordt het raden naar den laatsten bak. De grijper heeft een last voorzichtig gedeponeerd, de keileem staat als een rots een oogenblik maar. dan maakt de massa slagzij en zuigt zich in het water vast.

We zijn bij 25 vijf turven het is 14.35 uur.

Een signaal: het is twintig minuten over twee en daar valt de grijper in de keileemspecie. De klappen vreten zich in de kleffe massa vast, groeien steunend naar elkaar... Dan heft zich de volgeperste bak, drie kubieke meter keileem torsend, zwaait over hetgroezelige water, dat in felle branding door de opening wordt gestuwd, de zon trekt de schaduw over de versche dijkstukken. Dan staat het gevaarte stil, een oogenblik boven de waterkolking.

Een handle wordt omgehaald en weer wijken de grijperklauwen, die hun grijzen last in het water

Ja, nu gaat het spannen, het water wijkt, maakt zware golven in den polder en de filmoperateur, die zich daar in een bootje waagt, krijgt’t te kwaad. En dan dertig neen, nog is er een opening, een-en-dertig, twee-en-dertig... Eindelijk: drie-en-dertig! Negen-en-negentig kubieke meter keileem in zeven meter waterbreedte hebben Urk als eiland uitgeluid.

Het is 14.44 uur. Ergaat gejuich op, er roept een stem: Fryslan boppe! maarallesgaat verloren in den krijschenden en rillenden jubel van de

stoomboot-sirenes. Een geluidsorkaan, ten teeken, dat Urk een schiereiland is en dat een belangrijk stuk werk in het proces Noordoostpolder is beeindigd: 24 kilometer dijk gesloten. Dit moet gevierd worden. Natuurlijk. En hoe!

De plank wordt over de versche dijkkluiten uitgelegd, terwijl de grijper boven den nu leegen bak in rust is gekomen.

De burgemeesters van Urk en Lemsterland hebben baggerlaarzen aangetrokken en balanceeren nu onder de aanmoedigende kreten der toeschouwers over de kleffe dijkklomp, de plank op en geven elkander een wiegelenden handdruk. Nog eens en nog eens, want de fotografen krijgen er niet genoeg van.

Dan plant een Urker schoone de Urker vlag naast de vaderlandsche driekleur. De Urker vlag: blauw wit. „De Zwolsche kleuren” mompelt die hardnekkige Overijsselaar. Het is wel mogelijk, maar ondertusschen zit Urk aan Friesland vast.

Voor het verblijf van den kraandrijver staande op een verhevenheid, wisselen de burgemeesters van Urk en Lemsterland toespraken. Het zou nog meer dan een jaar duren voordat Urk met het vasteland van Overijssel zou wor¬ den verbonden.

De drooglegging

Nadat het laatste sluitgat in de ringdijk van de Noordoostpolder (terhoogte van de sluitgatweg) op 13 december 1940 werd gedicht kon begonnen worden met het droogmaken van de polder. Omdat de sluiting plaatsvond bij een hogere waterstand dan ‘normaal’ is dit ‘teveel’ aan water (een waterschijf van circa 30 centimeter) eerst door middel van spuien via de inmiddelsgereed-

gekomen Friese Sluis bij Lemmer geloosd. Het spuien kon plaatsvinden zolang het waterpeil binnen de polder hoger was dan het IJsselmeerpeil. Op 3 februari 1941 werd het spuien beeindigd. Het elektrisch gemaal Buma bij Lemmer kwam op 7januari 1941 in bedrijf; dit gemaal was het enige van de drie hoofdgemalen dat op dat moment bedrijfsklaar was. Op 22 april 1941 kwam het electrisch gemaal Smeenge bij de Voorst in bedrijf en kon bijdragen aan het droogmalen van de Noordoostpolder. De bouw van hetdieselgemaal Vissering isgepaardgegaan met veel tegenslagen. Hoewel met de bouwput, zoals hiervoor beschreven, als een van de eerste werken al in 1936 was begonnen, was het gemaal pas bedrijfsklaar in 1943. Het gemaal Vissering heeft dus niet meegeholpen om de Noordoostpolder droog te malen. Het verloop van de bouw van dit gemaal wordt hierna apart beschreven.

Het droogmalen van de Noordoostpolder ging ook niet zonder tegenslagen. In de zomermaanden van 1941 vertraagden zware regens de bemaling. Ditbemalen gebeurde ook slechts met ruim 60 procent van de geplande bemalingscapaciteit. Aanslibbingen in de reeds eerdergebaggerde vaarten vertraagden de toestroming van het water steeds meer.

Toen de strenge winter 1941-1942 begon was de waterstand 3.40 meter onder N.A.P. en stond op een oppervlakte van circa 14.000 ha. nog enige decimeters water. Dit water bevroor nagenoeg geheel en er begonnen zich ook ijsdammen te vormen. Hierdoor vorderde het droogmalen in de eerste drie maanden van 1942 nauwelijks. Op 13 april 1942 werd het peil van 4.00 meter onder N.A.P. bereikt. Toen werd van verdere verlaging

Stoomketel gemaal ‘Vissering’.

van het peil afgezien, omdat de toestand van de vaarten dit niet toe liet. De polder was toen vrijwel geheel droog. De waterstand kon verder worden verlaagd toen de verondiepingen in de vaarten waren opgeruimd. Op 9 September 1942 werd het peil van 4.40 meter onder N.A.P.

bereikt. Toen was de bodem van de gehele polder droog. Bijna 1.500 miljoen m3 water is uit de polder gekomen, waarvan circa 40 miljoen m3 water door spuien en het overige door pompen.

18

De bouwgeschiedenis van gemaal Vissering

Het gemaal Vissering is genoemd naar mr. G. Vissering; hij was president-directeur van de Nederlandse Bank, voorzitter van de invloedrijke Zuiderzeevereniging en van 1919 tot 1937 lid en ondervoorzitter van de Zuiderzeeraad. De bouw van dit gemaal is gestart in 1936 met het maken van de bouwput. Het maken van de bouwput bleek nog de minste problemen op te leveren. Het droogmaken van de bouwput bleek met de aangebrachte pompen niet mogelijk. Tot tweemaal toe moest het aantal pompen uitgebreid worden om de bouwput droog te krijgen. Nadat de palen voor de fundering waren geheid, brak op 18 december 1939 brand uit in de bemalingsinstallatie. Als gevolg daarvan liep de bouwput natuurlijk vol.

verde voor de fundering. De schade bleefgelukkig beperkt. Pas in de zomer van 1942 kwam het gemaal klaar.

Nu kondigde zich een ander probleem aan. Gasolie voor de dieselmotoren bleek niet be¬ schikbaar en twee van de drie dieselmotoren werden daarom tijdelijk vervangen door stoommachines. Een apart ketelhuis werd gebouwd.

Pas op 2 november 1942 kon met een stoommachine gepompt worden. De tweede stoommachine kwam in 1943 in bedrijf. Na de oorlog, in 1946, zijn de stoommachines vervangen door de reeds aanwezige dieselmotoren. Het heeft vanaf het maken van de bouwput in 1936 tien jaar geduurd voordat gemaal Vissering volwaardig kon meedoen aan de bemaling van de Noordoostpolder.

Urk in de Waterkering

Kort voordat de oorlog in mei 1940 uitbrak draaiden de pompen weer, maar toen de bouw¬ put bijna weer droog was, maakten de oorlogsomstandigheden de bemaling onmogelijk. De bouwput liep toen weer onder water. Na 14 mei 1940 vond men het niet verantwoord de bema¬ ling met dieselmotoren weer te hervatten omdat door het grote waterbezwaar veel gasolie nodig zou zijn. Er werd verwacht dat de benodigde hoeveelheidgasolie, vanwege de oorlogsomstandigheden niet beschikbaar zou komen. Om deze reden werd een stoombemaling aangebracht. De bouwput werd opnieuw drooggelegd. In april 1941 was de bouw van het gemaal zover gevorderd, dat men de helft van de bouwput aan de IJsselmeerzijde vol met water meende te kunnen zetten, terwijl hetgedeelte aan de polderzijde op een laag peil bleef. Hierdoor ontstond een sterke grondwaterstroming die gevaar ople-

Urk blijft belangrijk voor de Noordoostpolder, alleen al door het feit dat het voormalig eiland deel uitmaakt van de waterkering van de polder. Dit feit schept echter ook verplichtingen voor Urk. Op een bepaalde strook op heteiland ligtde bestemming waterkering. Daaruit vloeien eisen voort voor debouw van woningen engebouwen. Zo is in het bankgebouw van de Rabobank aan de Klifweg een waterkerende muur opgenomen. Stille getuigen zijn verder het (nog) aanwezige muurtje, met schotbalkbespanningen aan de Klifweg en de kade bij scheepswerf Metz. Toen Urk nog een eiland was en midden in de Zuiderzee lag moest het beschermd worden tegen het geweld van het water. Nu beschermt het voormalige eiland zelf mede de Noordoost¬ polder. Het kan verkeren.

Aanleg polderdijk Urk-Lemmer nabij Urk. Tussen de keileemdammen wordt zand opgespoten. 2 8 1939

Een boorder aan het woord

Interview met Klaas Ras

Klaas Ras zag het levenslicht op 4 oktober 1907 als zoon van Albert Ras (van Derk van Na) en Jannetje Kramer (van Klaos van Knieles). Vader Ras had een klein bottertje, de UK 6, waarop hij als visserman de kost moest verdienen voor een gezin van elf kinderen. Het is dan ook geen wonder dat de jonge Klaas al gauw mee moest helpen de lasten van het gezin te verlichten. In zijn woning in de Boterbloemstraat vertelt de nu 81-jarige over zijn jeugd, zijn diensttijd en de lange tijd dat hij als boorder in dienst was bij Zuiderzeewerken.

In 1913 ging ik naar school waaraan toen onder anderen de onderwijzersNieuwhuis, Bakker, Verstelle en Van Doom verbonden waren. Toen ik als bijna 12-jarige de school verliet, was er in de visserij geen cent te verdienen en zodoende ging vader zijn geluk in de Zaan beproeven. Hij kwam bij „de Toekomst” (een oliefabriek) te werken, waar toen meerdere Urkers hun brood verdienden. In 1919, ik was nog geen 12 jaar, ging ik hem achterna. Ik weet nog goed hoe ik daar gekomen ben, met het bolletje van Albert en Klaas van Veen. We lagen aan de overkant van de Zaan en om bij het bottertje van vader te komen moest ik de brugover naar Wormerveer. Dat was toen een tolbrug. Die ene cent om de

brug te passeren kreeg ik van Albert van Veen, want zelfs die had ik niet. Ik vond een baantjebij Dirk Krijt, de groenteboer aan het Sluispad. Twee winters heb ik in de Zaan gewerkt. Er waren toen wel honderd Urkers daar. Na twee jaar kon ik bij Albert Kramer aan boord komen, die voer met zijn „bolle” voor de VisserijInspectie. Met onderbreking van mijn diensttijd bij de marine heb ik dat werk tot 1932 gedaan. Het jaar daarop kwam de heer Vrij met zijn woonark naar Urk om de boorwerkzaamheden voor de Noordoostpolderwerken voor te bereiden. Er waren gegadigden te over en zo werden de eerste arbeidsplaatsen bij loting vergeven. De gelukkigen waren Jannes van den Berg en Tromp Hakvoort (van Zwaantje). Dat waren dus de eerste Urker boorders. Later was het een komen en gaan van diverse mensen, wantje had er nogal wat die een seizoen in los verband bij het boren betrokken waren. Zo herinner ik mij Freek Brouwer (UK 150), Klaas Keuter (ik meen de UK 20), Frans Kramer (UK 57), Dirk Ras, mijn neef, op de schuit van Klaas Kaptein (UK 110), Riekelt Visser (UK 232), Maarten de Boer, Teun Vrolijk en natuurlijk Hendrik Buter, Jan v.d. Berg en WillemSchenk. Zelfvoer ik met mijn broer Dirk op het bolletje van Albert Kramer, dat inmiddels ons eigendom was ge-

Riekelt

worden. In 1933 verrichtten wij onze eerste boring op het Ijsselmeer, dat was een zogenaamde kruisboring, vanafde Zuid over Schokland naar Lemmer. Er ishaast geen plekje op het Ijsselmeer waar wij niet hebben geboord. Dat boren moest degrondlagen aan het licht brengen door middel van zogenaamde boormonsters. De boringen werden verricht vanaf een platform tussen twee schepen. Later vanaf een schip met een vooruitgeschoven stelling. Er moest net zo lang gepulst worden tot de diluviale laag bereikt werd. De heren van Zuiderzeewerken spraken over Pleistoceen, maar wij zeiden gewoon: het goeie zand.

In die beginjaren was het weekloon f.26,- per week. Als de herfststormen begonnen hadje het werk af en kreeg je geen loon meer uitbetaald. We verdienden in het seizoen echter te veel om voor een uitkering in aanmerking te komen.

In 1934 ben ik getrouwd met de vrouw die nu nog naast mij zit. In dat jaar was ik weer visserman, evenals het jaar daarop, want er zat toen veel paling in het Usselmeer.In 1936 kwam ik weer bij de Zuiderzeewerken in dienst en nu voorgoed, dat wil zeggen tot mijn afscheid in 1972. Er moest nu geboord worden op het dijktrace van de sluisput bij Urk tot Kadoelen. De heer Vrij zette de sparren uit en dan konden we verder zelf onze gang gaan. Vrij was een kundig man. Als in het afgelopen winterseizoen de sparren verdwenen waren loodste hij ons met behulp van een sextant feilloos naar de boorplek. „Een beetje bakboord nog, nog een beetje... we zijn er!” Hij zat altijd goed met zijn berekeningen. D'r zaten trouwens heel wat bollebozen bij Zuiderzeewerken. Ken je Schermerhorn? Nou die is wel bij ons aan boord geweest, zat later in het eerste na-oorlogse Kabinet. Klaas Romkes, de latere wethouder, voer met de baas, eerst met

22
Pasterkamp als bakschipper.

een bottertje, de UK 73, later met een sleepboot, de „Marretje”. Er werd ook gebruik gemaakt van een ponton. Daarmee werden sonderingen verricht door mensen uit Delft. Die ponton werd gesleept door de stoomsleepboot „Lauwerszee” van de gebroeders Bosveld, Piet en Hein. Hein, de machinist, is later nog op Urk getrouwd met een onderwijzeres, juffrouw Marinus.

Eind augustus 1939 werdde algehele mobilisatie afgekondigd. Wij lagen te boren in de omgeving van Kuinre en vernamen het bericht via de radio, je had toen regeringsberichten om kwart over een. We gingen direct naar Urk en vandaar vertrok ik naar Dordrecht, mijn mobilisatiebestemming. We werden daar in een school gehuisvest. Hoewel ik bij de marine had gediend, kwam ik nu bij de pontonniers terecht. Later in het jaar kregen we een nieuwe bestemming, Hilversum, weer in een schoolgebouw. De winter van 1940 was streng, er lag zwaar ijs in het Ijsselmeer en de bootdiensten waren gestaakt. Maar wij probeerden toch op Urk te komen vanzelf. We zouden over de nieuwe dijk gaan, want dat was de enige verbinding toen. We waren met z’n vieren: Jelle Bakker, Jan van Laar, Reinier Kramer en ik. Jelle en ik huurden een fiets in Lemmer, Jan en Reinier bonden de schaatsen onder omlangs dedijk over het ijs naar Urk te gaan. Nou, en daar gingen we. Man, wat lag er een ijs. We hadden een poos gefietst, toen we een eenzame schaatser achterop kwamen. Plotseling was hij verdwenen. Ik schreeuwde tegen Jelle: „die is in een wak gereden!” We gingen er direct op af en met behulp van onze dienstjassen gelukte het om de man uit het wak te halen, het was Jan van Laar. Later hoorden we dat in hetzelfde wak twee Urker jongens waren ver-

dronken. Dat wekte grote verslagenheid op Urk.

Natuurlijk gingen we niet direct terug, we waren immers ingevroren? Wei belden we regelmatig met onze luitenant. Die nam ons „gedwongen” verblijfop het eiland nogal lakoniek op. „Als het vaderland in nood is roep ikjullie wel,” zei hij na ieder gesprek. Op een dag in januari (de 19e, red.) landden er twee vliegtuigen met militaire politie. Ons goede leventje was uit. Met zo’n vijftig man moesten wij over de dijk naar Lemmer afmarcheren. Daar aangekomen gingen we met de tram naar Heerenveen en verder met de trein naar Hilversum. Met het uitbreken van de oorlog werden we naar de Lek gedirigeerd waar we bij Wijk bij Duurstede een pont moesten leggen. Op dinsdag na Pinksteren zaten wij bij Schoonhoven op de rivierdijk wat uit te rusten. Het was prachtig weer. Plotseling zei Jelle: „De wereld vergaat, moet je die zon eens zien, die is helemaal verduisterd.” We wisten toen nog niet dat Rotterdam was gebombardeerd en in brand stond.

Na de capitulatie gingen we naar Enkhuizen, maar de Urker boot lag er niet. Die was, naar laterbleek, gevorderd. Gelukkig lag daar Riekelt Bakker met zijn hotter, de UK 47, die nam ons mee naar Urk.

Alsofergeen oorlog wasgeweestgingen we weer aan het boren bij Kadoelen. Die oorlog, wat zal ik daarvan vertellen. Na de meidagen van ’40 werd het puin van Rotterdam op de Kamperdijk gestort over een lengte van wel drie kilometer vanaf Urk. Iedere keer als wij er langs kwamen moest ik terugdenken aan die bange meidagen. Het was een triest gezicht. We leerden wennen aan het ongemak en

de schaarste die de oorlog met zich meebracht. Och, er was lang een zootje snoekbaars ofpaling.

Op de kadebij de vlettenhaven, waar ook de ark van Vrij lag, was een schuilkelder gebouwd van afbraakmateriaal van Schokland. Die schuilkel¬ der deed zijn naam eer aan, want bij dreigende controle doken we met ons zootje paling de kelder in. We hebben in die tijd ook geboord op de Lemmerdijk, bij de Rotterdamse hoek. Dat betekende kilometers lopen. Op een dag gingen we met zijn drieen over de dijk naar huis. We hadden zo’n vijf kilometer afgelegd toen we plotseling bemerkten dat we nog met z’n tweeen waren. Toen we omkeken zagen we onze al wat oudere maat op de dijk zitten. We keerden op onze schreden terug en vroegen hem wat hem mankeerde. „Niks” zei hij „maar ik begreep nou waoromme Job z’n gebeurtedag verwinste, lot mij hier maar achter, want ik eaw dat al drie keer edoon vandage.” Later hebben we daar natuurlijk vaak om gelachen, maar op dat moment was het voor die man niet zo leuk, hij was werkelijk doodop.

Een dagelijks terugkerend probleem in de winter was om aan brandstof te komen. Je scharrelde maar wat bij elkaar, met wisselend succes. Op een dag had Nijhuis van de sluisput bezoek gehad van de pastoor. Nijhuis vroeg ofde laatste met ons kon meevaren door het kanaal naar Emmeloord, want hij wist dat wij daar naar toe moesten. Nu, dat wilden wij wel, „maar,” zeiden wij tegen Nijhuis, „dan moet Zijn Eerwaarde wel in een koud vooronder zitten, want we hebben geen kolen voorde kachel.” Nu, dat was te regelen. „Haal maar een zakje bij het gemaal en zeg tegen Albert Ras datje mijn toestemming hebt.” Dat lieten we ons geen twee keer zeggen. We zochten de grootste zak op die we konden vinden en lieten die met kolen vullen. Bij dat

vullen kwam een enorm brok vlamkool naar beneden en rolde voor onze voeten. „Wiljij die zak tillen Klaas?” vroegmijn maat. „Dat is goed” zei ik, en voegde daar, eigenlijk voor degrap aan toe: „alsjij dat brok kool opje nek neemt.” Tot mijn verbazing deed hij dat ook nog en, gebukt onder onze zware last, begonnen we de terugtocht naar „de Eersteling”, onze „bolle”. Bijna waren we op onze bestemming aangekomen toen plotseling Nijhuis weer op het toneel verscheen. „0, dat was dus dat zakje” zei hij tegen ons. Gelukkig deed hij verder niet moeilijk hoor. Hij zag kennelijk de humor van het geval in.

In 1942 gingen wij op contract boren en van toen aan verbeterde onze situatie aanmerkelijk. We kregen een vast loon, een vaste vergoeding voor ons schip en we kwamen in aanmerking voor kinderbijslag. We zijn de oorlog heelhuids en zonder honger doorgekomen.

Op het laatst van de oorlog deden we een reisje voor de Voedselvoorziening. We hadden een lading knollen ingeladen in Dronrijp, maar die bleken bedorven, dus gingen ze in het Tjeukemeer overboord. In Sloten kregen we een nieuwe lading, aardappelen, bestemd voor Huizen. We mochten echter nog niet het Ijsselmeer over, want Noord-Hollandwas nog bezet. In Friesland maakten we de bevrijding mee. Op een gegeven moment zagen we bij een boerderij onze driekleur wapperen onder die wijde Friese hemel. Nu deed mij dat vroeger niet zo veel, nouja een vlag is een lap stof dacht ik dan. Maar toen, op dat moment! We konden onze ogen niet van die vlag afhouden. Op dat moment beseften we: VRIJ, EINDELIJK VRIJ! We hadden als grote mannen een brok in onze keel. Ja, dat mag je gerust opschrijven. Die vlag vertolkte water toen

in ons omging, want datwas in woorden gewoon niet te zeggen.

In Huizen losten we de aardappelen en kregen we een passagier mee voorde terugreis naar Urk. Het was burgemeester Keijzer, die in kamp Amersfoort had gezeten. Hij was erg vermagerd en kon nauwelijks lopen. Op de haven van Urk stond het zwart van de mensen. De Urkers namen hem tussen zich in, de hoogte van Teunis Snijder op, naar zijn woning naast het raadhuis. Zoiets vergeet je je leven lang niet meer.

Na de oorlog gingen we weer boren op het Ijsselmeer en dat heb ik, met een onderbreking

na de ramp in Zeeland toen we op SchouwenDuiveland werden ingezet, gedaan tot mijn afscheid van de Dienst in 1972. Ik wastoen bijna 65 jaar. Zesendertig jaar in dienst van de Zuiderzeewerken, een lange tijdja, maarook een mooie tijd. Soms, als ikdoordepolder kom, over een weg, een brug, dan denk ik: oja, hier hebben we toen geboord. Nu weet ik waarom we dat deden. Dan heb ik het gevoel: ik heb daaraan mogen meewerken en’t was een mooie tijd, net zo ik zeg.

vU

Urkers in dienst van de Zuiderzeewerken. De voorste man is Reinier Bakker.

25

Hetpunten van paaltjes voor zink- of kraagstukken, augustus 1939

26

Het verhaal van een rijswerker

Ik ben geboren in Werkendam, waar ik later ook op school ging. Toen ik van school kwam wilde de hoofdonderwijzer datik door zou leren, maar dat kon helaas niet. We hadden thuis een groot gezin en er was gewoon geen geld voor, we hadden’t zo arm. Ik was toen nog geen twaalf jaar. Op 19 april 1927 ging ik mee naar de Afsluitdijk. Die datum heb ik goed onthouden, want op 17 april was het Pasen en toen is er een zusje van mij geboren. Mijn vader wist nog van niets, want die zat op de Afsluitdijk. De dinsdag na Pasen ben ik vertrokken uit Werkendam op een oude vrachtwagen met een zeil erover, het was vroeg in de morgen, ’s Middags om een uur of vier, vijf kwamen we in Harlingen. Toen ik mijn vader zag, vertelde ik hem dat we d’r een zusje bijgekregen hadden. Dat wist hij nog niet eens. Zo was de tijd toen. Dat zusje was het achtste kind in ons gezin. Ik had zes zusters en een broer. Later is er nog een zuster bijgekomen. Ik was het tweede kind in ons gezin.

Op de Afsluitdijk moest ik kok worden in een keet voor zo’n 25 mensen. Ik was twaalfjaar en zo dun en mager. ’t Is misschien niet te geloven, maar’s zaterdags hielp ik bij een groenteboer en vlak voor ik naar de dijk ging heeft die man mij gewogen op de bascuul en toen was ik 30 kilo.

Of ik wel voor 25 man kon koken? Och, daar werd toen niet naargevraagd,je moest. Gelukkig hielp mijn vader me, ’s ochtends voor zijn werk en’s avonds erna, dat was een hele steun voor me.

Het was een ruw leven, dat kunje wel begrijpen. Met 25 man in een keet en dan vier weken van huis. Er was in die keet een woongedeelte en een slaapgedeelte. Je sliep met z’n alien in een groot vertrek. We hadden tweepersoons kooien met een schot ertussen. Onze spullen bewaarden we in een kist, een kooikist noemden ze die. Maar dat was niet zo veel hoor, een paar stel ondergoed, wat broeken en zo. Erging iedere week zes man naar huis, dus een keer in de vier weken was je zelf aan de beurt. Je gaf elkaar’t vuile goed mee en dat kreeg je dan schoon terug. Op ’t rijshout werkten allemaal Werkendammers. Er was weinig vertier. ’s Avonds zat je gewoon in de keet. ’s Morgens moest je om zes uur beginnen, dus je moest om kwart over vijf op. Je moest hard en lang werken, tien uur per dag, 55 uur in de week als er geen overuren bij waren. Je was’s avonds zo moe, alsjeging liggen dan sliepje meteen totdatje weergeroepen werd. Twee jaar heb ik als kok gewerkt, toen ben ik gewoon mee gaan werken in het rijshout. Ik was toen 14, maar moest meesjouwen als een grote.

Het met de hand inheien van een houten damwand, augustus 1939.

Het vlechten leerde je automatisch. Voor die zinkstukken gebruikten ze veel touw en zo, en dan moest je ogen in het touw maken om de wiepen doorheen te doen, dat was eerst ’t jongenswerk. Als de zinkstukken op de bodem lagen werden ze verzwaard met stenen.

Het leven op het werk was hard, maar er waren weinig ruzie’s, dat viel best mee. Er was niks, geen radio, geen krant. De meesten gingen kaarten’s avonds. Om zes uur werd er gestopt

met’t werk. Dan werd ergegeten en afgewassen.

De aardappelen schilden we samen, voorde man een kilo, met 25 man betekende dat 25 kilo. Als je om een uur ofhalfacht klaar was werd er nog even gekaart of je praatte nog wat met elkaar.

Om negen uur moest het stil zijn, dat was een onderlinge afspraak.

Ik verdiende direct’t halve loon van een grote. Toen die tijd was dat f.25,- voor een grote en ik kreeg dus f.12,50. Het was voor ons gezin een

28

grote uitkomst dat ik ging verdienen. Er was nog geen kinderbijslag. Toen vaderalleen nog werkte moest ons gezin, vader, moeder, acht kinderen leven van die f.25,-. Vijf jaar heb ik op de Afsluitdijk gezeten, van 1927 tot de dijk klaar was in 1932. Ik was er dus bij van’t begin tot’t end kun je wel zeggen.

Toen de dijk klaar was, gingen we naar de rivieren om zinkstukken te maken. Eerst heb ik nog een tijdje in Algiers gewerkt, in NoordAfrika, dat was in 1934. ’s Winters gingen we rijshout kappen in de Biesbosch. ’s Maandagsmorgens met hoog water gingen we er met een roeiboot heen. Vrijdags gingen we met vloed en voor de stroom naar huis, we moesten altijd rekening houden met eb en vloed. We huisden daar in een keet. Er moest gestookt worden om het’s avonds wat warm te hebben en om te koken. Onder het werk sprokkelden we daarom dood hout, dat nam je dan’s avonds mee.

Die keten waren vreselijk, ’t waren enkelwandige bouwsels waar nooit wat aan gedaan werd, vies en smerig. De varkens hebben’t tegenwoordig beter dan wij in die keten toen. We sliepen op kribben, vier man links, vier man rechts. Een petroleumlamp zorgde voor licht. De nachten waren ’t ergst, de ratten liepen soms over je gezicht heen. Het werk was zwaar en bestond uit het kappen van twijgen die naar de verzamelplaats werden gesjouwd. Daar werden ze op lengte gesorteerd en vervolgens opgebost. Die bossen waren bestemd voor de kuiperijen. Het afval werd gebruikt voor zinkstukken. Het hout voor de zinkstukken van de Afsluitdijk en later de Noordoostpolderdijken was afkomstig uit de Biesbosch. ’s Winters werd het opgeschelfd en in de zomer werd het met

schepen naar de dijken vervoerd. Als de Bies¬ bosch onder water stond, bijvoorbeeld bij Noordwestenwind, kon je soms dagen niet werken. Dan verdiendeje niets, want we werkten op tarief. We verdienden zo’n tiengulden per week, maar dat haalden we niet altijd. Mijn vader kwam wel eens met een rijksdaalder thuis.

In 1936 kwam ik naar Urk. We werden ingeschakeld bij de bouw van de sluisput en het gemaal, of liever gezegd bij de voorbereiding daarvan. Om de put moest een ringdijk worden aangelegd. We werktenvoor defa. Bakker en De Groot. Er moest een werkhaven komen en daarvoor moest een nieuwe dam gelegd en een bestaande, de Westhavendam, verlengd. Ik weet noggoed dat we op Urk kwamen, dat was op een zondag. Dat was niet de bedoeling, maar dat kwam door het weer. We gingen vrijdags van Gorcum af met drie bakken. ’s Zaterdagsmiddags kwamen we buiten de Oranjesluizen. Vanwege het ruwe weer durfde de sleepbootbemanning niet verder en toen hebben ze die bakken achter Marken in veiligheid gebracht. ’s Zondagsmorgens, de wind was gaan liggen, voeren we verder. Plusminus halfeen kwamen we in de Urker haven aan. Heel Urk was uitgelopen. We werden gehuisvest in een keet achter de machinewerkplaats van Hoekman. „We”, dat waren voornamelijk Werkendammers en Sliedrechters, steenzetters en rijswerkers. We werden vrij goed ontvangen. Ach, je werd wel eens nageroepen, maar verder viel het wel mee. ’s Avonds gingen we naar de Torenstraat, net als de Urkers deden. Hier ontmoetten we wel plaatsgenoten ofbekenden die op de dijk werkten. In 1937 was het werk hier klaar, ons werk dan. In de zomer van ’37 kwam ik op een kraan terecht. Voorjaar 1938 kwam ik weer naar Urk,

Zinkstuk bij Urk ten behoeve van de dijk naar Lemmer.

Foto: T. de Vries.

waar ik in de zomer van datjaar verkering kreeg (lacht: „met Betje van Keetje”). Toen zijn we begonnen aan de dijk naar Kadoelen bij de fa. Blankevoort. Aan de Lemmerdijk werkte Zanen en Verstoep vanafUrk en Van der Hoeven vanaf Lemmer.

Hoe zo’n dijk tot stand komt? Nou, er wordt eerst geboord of er veen zit en als dat er zit dan wordt dat ter breedte van de dijk weggebaggerd. Dan wordt er zand gestort en daarop weer twee keileemdammen, een aan de buitenkant en een aan de binnenkant van het dijklichaam. Dat laatste gebeurt met de kraan. Vervolgens wordt er tussen de keileemdammen zand opgespoten.

Dan worden de zinkstukken gelegd aan beide kanten van de dijk. Die worden met puin verzwaard. Die zinkstukken, zo’n 12 a 13 meter lang, moeten voorkomen dat de dijk wegspoelt. De volgende fase bestaat uit het maken van steenglooiingen en daarna kan de dijk worden opgehoogd en voltooid.

In 1939 werd ik, als zoveel anderen, gemobiliseerd, maar ik kwam na de oorlogsdagen eind mei 1940 weer naar de dijk terug. We werkten toen aan’t laatste dijkvak bij’t Zwarte Water. In datjaar viel ook onze trouwdag. Van de Urkers die aan de dijk werkten herinner ik mij Meeuwis Otter, Sjoerd Groothuisen Jan Nentjes, die later waker geworden is. Er waren er wel meer hoor,

losse arbeiders die hielpen met sjouwen en zo. Mijn schoolkameraad, Driek van der Heuvel, werkte aan de andere kant van Urk op de dijk naar Lemmer. In de oorlog werkte ik aan het onderhoud van de dijken bij de fa. Daalder. ’s Winters was het houthakken bij Ramspol. Toen de polder droogviel was ’t eerst een prutzootje. Toen werden de kanalen weer uitgebaggerd en begon er riet te groeien en zo zagen we de Noordoostpolder langzamerhand tot stand komen. Om bij ons werk te komen moesten we over de glooiing van de dijk fietsen. In de oorlog moesten we vaaklopen, soms negen kilometer ver en terug, op je blote voeten in je laarzen, want kousen had je niet. Onderweg zochtje wat hout op endat sjouwdeje mee opje rug, brandstof voor de kachel. Van de Duitsers hadden we weinig last, want we hadden een Ausweis. We hadden te eten, al was’t niet zoals nu natuurlijk. Uit de polder namen we soms wat aardappelen of tarwe mee. Al met al zijn we d’r behoorlijk doorheen gekomen.

Of Werkendam nog trekt? Och, wat zal ik zeggen. Alsjongen van nog geen twaalfjaar ben ik daar weggegaan, eenkind nog. Ik heb eigenlijk geen banden meer met die plaats, behalve natuurlijk dat je familie er woont. En hier hebben we’t toch goed?

W.B./A.v.U. 30

Een visser vertelt

In gesprek met Frans de Jong

Vijf en negentigjaar is hij nu en zijn leven lang heeft hij gevist. Zijn vader stierftoen hijzelfacht maanden oud was. Na vierjaar hertrouwde zijn moeder met Fokke Post,die zelfdriejongens had uit zijn eerste huwelijk. Van hem leerde Frans het visserijbedrijf. „Die man was een echte vader voor mij,” aldus Frans, „en hij heeft een visserman van me gemaakt.” Dat wilde hijzelf eerst niet. Meester Jansma wilde dat hij verder zou studeren. Vader Post vond, dat hij dat ten opzichte van zijn anderejongens niet kon doen en zo werd Frans visserman.

„En dat is maar goed ook,” zegt hij er zelf van. „Als onderwijzer zou ik misschien niet zo goed zijn geweest en in ieder geval zou ik de ruimte hebben gemist van het vrije leven op zee...” Wij spraken met hem over de visserij en de drooglegging. Hoe was de situatie na het leggen van de Afsluitdijk, die gereed kwam in 1932? Frans de Jong, eens IJsselmeervisser, vertelt.

Bijna mijn hele leven heb ik op het Ijsselmeer gevist en ik heb vijftig jaar lang gevaren, eerst met de zeilen op de Noordzee. Wij hadden twee botters, de UK 147 en UK 148. Op de Zuiderzee visten we veel op binnenscholletjes. Die verkochten we hier op Urk aan de afslag, maar we gingen er ook wel eens mee naar Kampen toe. Ik

was jong. Het was een mooie tijd, vooral als er haring en ansjovis was, want die was er niet altijd hoor. Maar je had jaren dat het in de Zuiderzee in’t voorjaar van haring en ansjovis wemelde. We hadden honderd haringnetten en honderd ansjovisnetten en we visten altijdals een van de besten. Ik heb altijd goed mijn brood kunnen verdienen, ook later op het Ijsselmeer. De Noordzeevissers waren wel eens jaloers op ons in die tijd. Die waren meer afhankelijk van de weersomstandigheden en lagen soms hele weken verwaaid. Toen de Afsluitdijk in 1932 werd gesloten was het verboden om met zware motoren op het Ijsselmeer te vissen. Nuhad ik een 30 PK motor in de hotter en die liet ik afstellen op 20 PK. Zodoende kreeg ik een vergunning voor het Ijsselmeer. Een groot voordeel was dat we iedere dag konden vissen want in het begin waren er noggeen beperkingen en verboden, die kwamen later pas. We visten toen met borden, die trokken de kuil zo wijd mogelijk uit elkaar. Daar kwam het eerst een verbod op, het vissen met borden mocht niet meer. Maar een Urker zoekt gauw wat uit. We kwamen er achter dat het ook met een paalging, een lange stok en daar hadden we de kuil toen achteraan. Later kwa¬ men er meer verboden. Er werden grenzen

Urker vissers kregen toestemming in de droogvallende polder te vissen.

gesteld waarbinnen niet gevist mocht worden. Zo was de latere Noordoostpoldereen grens, van Andijk op Medemblik aan en tegen de Zuidwal, dat was allemaal verboden gebied om te vissen. Urker botters werden gebruikt om te controleren of er niet binnen de lijn gevist werd, wat wel voorkwam. Ondermaatse paling mocht je vanzelf ook niet aanvoeren.

Die eerste tijd visten weop plekken waar we nog nooitgevist hadden, bijvoorbeeld bij de Gelderse Hoek. We hebben daar een geweldige hoeveelheid mosselen weggehaald, toen werd het daar zoglad als wat. Degrond was daarerg slap, maar er zat veel paling. Die mosselen gooiden we ergens anders overboord, want daar hadden we niets aan, we konden ze niet verkopen. Wij visten toen ook bij het Vrouwenzand in het begin. We vingen daar veel stenen, van die grote basaltstenen. Na een jaar ongeveer was de bodem vrij van rommel en stenen, die hadden de

vissers zelfverwijderd. Toen was het IJsselmeer mooi schoon om te vissen. Wij leerden elke diepte kennen. Met de peilstok waren we geregeld aan het peilen. Dan wist je precies: daar is het droog of daar moet je even aan de kant wezen, de paling lag meestal tegen de kant aan. In de winter visten we op snoekbaars, dat moest je met twee schepen doen. Zo hebben we samen met Pieter de Vries op snoekbaars gesleepten we verdienden daar een goedstukbrood mee, ik met de UK 147, hij met de UK 143.

Bang voor de drooglegging waren we niet. Toen de polder droog begon te vallen mochten wij daar met kleine bootjes scharrelen. Er was daar nog wat te verdienen met snoekbaars. Het is niet zo gegaan dat we dachten: tjonge wat een ellende, nee hoor, beslist niet. Mariap, de dorpsdichteres, was in haargedichten benauwder voor de drooglegging dan wij, voor mijn gevoel tenminste. Wij verdienden altijd onze boterham

32

en wij waren er tevreden mee. De een natuurlijk meer dan de ander, dat spreekt vanzelf. En dan waren er grote voordelen als gevolg van de drooglegging. In mijn jeugd kon het land barstensvol water staan, tot de huizen aan toe, dat was dus voorbij. Natuurlijk waren er demonstraties genoeg in die tijd, maar dat gebeurde in orde, niet in wanorde, in een rustige sfeer. Ekzelf ben verscheidene malenbij de ministergeweest en hebgepraatmet leden van de Tweede Kamer. Wij hadden toen een vereniging, de Zuiderzeebond, met mannen als Jelle Bakker, Jacob van den Berg, Jacob Korf, Jacob van Slooten en ikzelf. Er waren namelijk mensen die, hoezal ikhet zeggen, nuja, wat werden achteruitgedrukt, achtergesteld, bij de uitvoering van de Zuiderzeesteunwet. We hebben niet alles bereikt, maar wel dat de weduwen van belanghebbenden ook ondersteuning kregen. Daar hebben we hard voorgewerkt en dat is gelukt. Maar zehidden wel erg vastaan de datum die als limiet was gesteld, daar weken ze nooit van af. Het is uiteindelijk gelukt om een uitkering te krijgen voor mensen die niet meer konden vissen. Nog steeds ontvang ik een uitkering van het Rijk krachtens de Zuiderzeesteunwet. Ik geloof dat er nog twee mensen op Urk zijn die zo’n uitkering ontvangen. Een daarvan ben ik dus. In het begin was dat f.8,- in de maand, later is dat bedrag wat verhoogd. Dat wasgeen vetpot, maarja, toen wasje met acht gulden blij. Dat is vandaag de dag niet meer zo, we zijn niet meer gauw blij en tevreden. Dat is gekomen door de hoge verdiensten, denk ik.

Ik had het daarnet over de voordelen van de drooglegging. Nou ik wil er nog wel een paar noemen. We hadden vroeger geen licht en waterleiding. Op Urk heersten besmettelijke

ziekten als typhus, t.b.c. en mazelen. Dat is gelukkig voorbij. Financieel is het Urk goed gegaan, al hadden velen dat niet verwacht. Ofik daar blij mee ben? Natuurlijk ben ik daar blij mee, al heb ik aan de andere kant mijn twijfels. Ikzelf heb alle reden om dankbaar te zijn. Ik ben 95jaargeworden. Ik kan niet anders dan de Here danken voor zoveel weldaden aan Frans de Jong bewezen, onverdiend. Dat ik met jullie praten kan, ook daarover, daar heb ik geen woorden voor.

Natuurlijk is er veel veranderd. Ik zeg wel eens tegen mijn kinderen: ikwou, dat die vroegere tijd er nog maar was. Het oude Urk gaat weg, het gemoedelijke verdwijnt Wij waren vroeger intiemer met elkaar. Alsje vroeger iemand tegenkwam, dan was het: „wat zulj’eten” of: „eije de kost al op?” Dat was heel gewoon. Nu merk je dat de mensen toch meer afstandelijk tegenover elkaar staan. Vorig jaar heb ik met mijn zoon Klaas een ritje gedaan over de haven enzo. Dat wilde ik graag. Het was een mooie dag en een mooie rit met de auto. Toen we een tijdje gereden hadden zei ik: zitten we nog niet in de Lemmer? „Welnee” zei Klaas, „we zitten nog steeds op Urk, zo groot is het nu geworden.” Kijk, dat is mijn Urk niet meer. Toen we bij het Kerkje aan de Zee kwamen en bij de zee naar beneden gingen, zei ik: blijf hier even staan, want dit is mijn Urk, Enkhuizen kon ik zien, de hommelebommelesteen, dat was mijn Urk nog van vroeger. Maar het andere? De haven lag vol met jachten waar vroeger de botters en de jollen lagen. ’t Was mijn Urk niet meer. We raken alles kwijt. Ik zag er nog maar een in Urker dracht lopen. Een! En zo gaat het, kinderen, als je oud wordt...

Ik was er bij

Van Zuiderzee tot Ijsselmeer door Jan ten Napel

Nu ik bijna 70 jaar ben, realiseer ik me dat ik getuige ben geweest van grote veranderingen rond een plaatsje midden in de Zuiderzee, Urk. De twee eilanden die door de Noordoostpolder zijn opgeslokt, Schokland en Urk, leverden beide een aandeel in mijn bestaan. Als kleinzoon van Neeltje Kale, de vrouw van Philippus ten Napel, ben ik door bloedbanden verbonden met het eiland Schokland. Grootmoeder Neeltje was namelijk de laatste daar officieel geboren baby voordat dit eiland in 1859 werd ontruimd en dus ontvolkt.

Nauw verbonden met wat de Zuiderzee ons bood, beleefden we de afsluiting van die zee. Mijn vader, Jan van Flip, was scheepstimmerman, maar in het voorjaar was hij tevens visser op haring en ansjovis. Grootvader was „reder” van het scheepje UK 133 en was „haringzegenaar”, daarenboven nettentaander en garnalendroger, terwijl zijn hoofdberoep bestond uit het aannemen van rijkswerken. Die werken bestonden meestal uit het herstellen van stormschade random het eiland en daarbuiten, want ook op Schokland en rond Enkhuizen moesten soms herstelwerkzaamheden worden verricht.

Zuiderzee in 1932, geen haring, geen ansjovis en geen garnalen meer in het langzaam zoet wordende water. Onze zee was dood, de crisis greep om zich heen, vissers werden omgeschoold tot grondwerker en de bakschippers van de M.U.Z. (Maatschappij tot Uitvoering van de Zuiderzeewerken) kregen ontslag.

De vooruitzichten op de toekomst waren verre van rooskleurig. Als werknemer van Klaas van Leendert, de beurtschipper, ben ik wel meegevaren op diens hotter om de Urkers, die in Rollekate werkten, na veertien dagen weer naar hun eiland te brengen voor een paar dagen verlof. ’s Maandagsmorgens om vijfuur werd de tocht in omgekeerde richting herhaald, ze moes¬ ten op tijd weer op de werkplek zijn.

Het was een trieste tijd na de afsluiting van de

Hoop begon te gloren toen bekend werd dat de Noordoostpolderwerken zouden beginnen. Urk zou een van de beginpunten worden van waaruit de „aanval” zou starten. De eerste woonark arriveerde in de haven en de eerste Urker boorploeg, onder leiding van de heer Vrij, werd gevormd om de samenstelling van de grand te bepalen. In 1936 had de eerste aanbesteding plaats. Die had betrekking op de werkhaven en de sluisput. Niet alleen zou Urk er een haven bij krijgen, weliswaar niet voor eigen gebruik, er zou

ook wat verdwijnen, de beroemde „vuurtjes” op de havenhoofden, eerste slachtoffers van de vooruitgang.

Door mijn vader was ik als zestienjarigejongen verhuurd bij Hein van Woudenberg. Deze Van Woudenberg had hoge verwachtingen van de te beginnen Noordoostpolderwerken. Zo kwam ik terecht in zijn hotel, dat al gauw een rol ging spelen in het droogleggingsgebeuren. Het was toen een komen en gaan van aannemers om te gaan kijken waar en hoe de werken moesten komen en tot stand worden gebracht. Op een dag kregen wij zeer deftig gezelschap op bezoek. Het bestond uit directeuren van de M.U.Z. met hun vrouwen. Zij bleven twee nachten logeren. Ik had de stellige indruk dat ze het eten in het hotel wel konden waarderen: Hein van Woudenberg was een „piekeneur” in het bakken van „visch”. Twee namen van directeuren zijn me altijd bijgebleven: Jhr. Van derMark en Ir. van Lith de Jeude. De laatste was een zoon van de toenmalige minister van Waterstaat.

Om enige indruk te geven van het levenspeil in die dagen volgen hier wat prijzen. Een diner, vier gangen, logies en ontbijt, kostte f.4,50 per persoon. Jacob Nentjes (Jaawk van Pieter) leverde ons de lekkere warme puntbroodjes voor twee cent per stuk. Slager Bos leverde het vlees, je kreeg altijd anderhalf ons van de malste biefstuk op je bord. Ik verdiende niets, had de guile kost en moest verder van de fooi leven. De totale rekening van de M.U.Z. directeuren met hun dames, drie stel, voor twee dagen vol pension inclusief drankjes, koffie enzovoort bedroeg f.167,50. Ze betaalden met f.200,- en de rest mocht ik houden. Dat was bijna tweemaal het weeksalaris van mijn vaderin dietijd! Helaas werd de M.U.Z. niet de aannemer, het werk

werdgegund aan de firma Gebroeders Bakker en De Groot. De jongste Bakker werd ook de uitvoerder, een markantefiguur met een donkere stem en een kromme neus. De jonge De Groot was een studentikoos type. De voormalige vlettenhaven werd al voller, er kwamen meer woonarken. In een van die arken woonde Ir. M. Klazema, een sportief figuur, die nog voor Nederland had deelgenomen aan de Olympische Spelen als hardloper op de viermaal honderd meter (Berlijn, 1936). Een bekende figuur was ook opzichter Van der Veen. Na zijn werk liep hij met zijn Engelse plusfour en wandelstok over Urk te flaneren. Hij vond het blijkbaar prachtig dat die oude Urkers met een krom vingertje aan hun karpoets hem plechtig groetten. Zo werden dus de eerste pogingen in het werk gesteld om Urk volgens plan eiland afte maken. Natuurlijk kwam er grote belangstelling van de zijde van de pers. Op Urk werden De Amster¬ dammer, De Standaard en Het Nieuws van de Dag gelezen. Van de laatste krant was Johannes Nentjes (de Ober) de agent en Joh. Gerssen heeft hem jarenlang bezorgd. De agent-bezorger van De Amsterdammer was Lukas Visser, de groenteboer. Klaas Baarssen bezorgde De Standaard. De beide laatsten moesten na de avondboot van half negen de krant nog bezorgen in weer en wind. De P.T.T. bezorgde het Algemeen Handelsblad, dat door enigegegoede burgersgelezen werd. Dit blad kon ook’s avonds om negen uur nog van het postkantoor worden gehaald via een postbox. Klaas Koffeman de schilder was corres¬ pondent van de Telegraafen het Nieuws van de Dag. Hij kon daar een leuk sigarencentje aan verdienen. Als ergeen nieuws was, maakte Klaas zelfnieuws, tenslotte waren ze bezig ons eiland te ontmantelen ofuit zijn isolement te verlossen en daar kon van alles bij gebeuren. Door hetbezoek

Wateraanvoer in oorlogstijd ten behoeve van Limonadefabriek Brouwer. Egbert Korfen de gebroeders Brouwer rollen de watervaten van de ‘Geusau’. De Urker waterputten waren drooggevallen door de bemaling bij de sluisput. Foto: K.L. Koffeman

van een van de binnenland-redacteuren van het Algemeen Handelsblad aan ons hotel, werd ik plaatselijk correspondent van dat blad. Klaas Koffeman bezorgde mij het nieuws voor geld en goede woorden en ik inde de postwissels als het geplaatst werd.

Een vijftig meter achter de toenmalige mestvaalt werd tussen het paalscherm en het dijkje van het Top door de Zuiderzeewerken een kantine, recreatiezaal en directiekantoor neergezet. Dit alles was in een gebouw ondergebracht. Later kwam daar nog, even verderop, een zeer mooi gebouw te staan genaamd ‘de Oase’. Dit was een gebouw van Zanen en Verstoep. Daarachter kwam weer een grote barak, groen geschilderd. Daarin waren directie en uitvoerderspersoneel

van de firma D. Blankevoort en Zn. uit Bloemendaal gehuisvest. Bovenstaande aannemers kwamen in 1938 in aktie.

De eerste werken die werden uitgevoerd hadden betrekking op het verlagen van het peil van het Ijsselmeer. Zo moesten de havens van Urk uitgebaggerd worden.

Direct bij het begin der werken, het verlengen van het westelijk havenhoofd, trok de baggermolen een stalen staaf door de bun onder water en zonk.

Een grote baggermolen werd aan de rand van de Vormt gelegd en begon de keileem te baggeren voor de dijken van de werkhaven en de bouwput voor sluis en gemaal. De kranen van het Amsterdams havenbedrijf gooiden met hun grote grij-

36

pers de eerste happen keileem neer. De nieuw gemaakte vletten- of opleghaven achter het toenmalige olie-opslagterrein verdween onder het zand. Ook het eerste dammetje achter de fabriek van de gebroeders Van Veen was verleden tijd. Met weemoed in het hart bekijk ik steeds de ansichtkaart, waarop mijn familiebezig is haring te lossen net ten Noorden van het eerste dammetje. Dat dammetje en die betonbeschoeiing waren nog gemaakt door mijn opa, onder leiding van eenjonge ingenieur, de Block van Kuffeler. Diezelfde man was toen directeur generaal van de Zuiderzeewerken en werd later ook mijn hoogste chef. Toen hij een keer bij ons op werkbezoek kwam, stelde chef Dalebout ons aan hem voor. Toen hij mij voorstelde, ,,dit is Ten Napel,” vroeg de Block aan mij: „he, hebjij Flip en Neel ten Napel gekend?” „Of ik die gekend heb, meneer” antwoordde ik, „dat waren mijn grootouders.” „Wonderlijk toch, dat de kleinzoon van de oude Flip meehelpt om nieuw land te scheppen” vervolgde hij. „Weet je ook dat ik met de oude Flip de eerste betonbeschoeiingen gemaakt heb? Betonmolens hadden we niet, alles moest met de hand en samen stonden we in de speciebak de cementkluiten met de voeten fijn te stampen.” Ik keek eens naar zijn voeten en zag een grote maat schoenen. In gedachten zag ik die twee samen in de speciebak stampen, terwijl de horlogeketting op respectievelijke buiken danste.

Urkers waren er natuurlijk direct al bij betrokken om Urk met de vastewal te verbinden, denk maar aan de boorploegen. Bakker en De Groot hadden zelf aardig wat personeel, maar bakschippers uit Urk waren weer in trek. Ook de directie had personeel nodig. Ik noem ereen paar van het eerste uur: Jurie van Eerde, Jan van

Jannes Koffeman, Jan Nentjes (van Jaawk van Pieter), Willem Kramer, Jacob Schenk, Albert Romkes en laat ik grote en kleine Jan Korf niet vergeten.

Het was begonnen, grote dingen vingen aan en het werk vlotte. Maar ook gebeurden erongelukken. Op een brancard werd een oude uitvoerder, Reeman, naar de dokter gebracht. Hij had een zwaar ijzeren luik op zijn hoofd gehad. Na een paar dagen was hij weer op het werk, met verband, het leek wel een tulband, om zijn hoofd. Vreemden, zo noemden wij ze, gingen ons leven beheersen. Maar de Urkers hadden zich aangepast aan de omstandigheden. Voor ons was de crisis voorbij. De middenstand floreerde en er kon weer eens een rijksdaalder in de ‘kesse’ gelegd worden voor een mooie kraplap, er was weer geld. 2

Urk veranderde met de dag. Gerrit Snoek wilde met zijn stoombootmaatschappij ook mee in de vaart der volken, hij wilde modemiseren. De ‘Idonea’ werd in Zwartsluis verbouwd en begon in de zomer een dienst op Elburg. In het begin van 1938 kwam ik in dienst van de E.U.S.M. Mede door de inpoldering werd dus mijn beroep bepaald. Later kocht Snoek een grote boot, de ‘Toerist’, waarop ik hofmeester werd om de toeristen die de dijkaanleg wilden bekijken, tijdens de reis van een natje en een droogje te voorzien. Met de komstvan deze boot werd ook de aankomstplaats veranderd, dat werd vanwege zijn grote lengte de kop van de Dormakade.

Door de vereniging ‘Patrimonium’ was op de werkhaven een mooi nieuw houten gebouw

geplaatst alsontspanningsruimte voor de Zuider¬ zeewerkers. Werkendammers, die ik later in mijn provincietijd heb ontmoet, spraken altijd met veel waardering over de toenmalige beheerder Harmen Gnodde. Zijn behulpzaamheid en vriendelijkheid hadden op die mannen een grote indruk gemaakt. Aangezien de werkers in het begin slechts om de vierweken naar huis gingen, werden in ‘Patrimonium’ ook kerkdiensten belegd. De kosten werden door Zuiderzeewerken gesubsidieerd. Er verrezen keten op de werkhaven en op de noordelijke oever werd een „zate” aangelegd voor het maken van zink- en kraagstukken. De oostelijke oever werd grotendeels gebruikt voorhet opslaan van de basaltstenen die tot een enorme hoogte werden opgeslagen.

Op de boot ontmoette ik de topmensen van de aannemingsbedrijven. Veel Urkers gingen als dijkwerkeraan de slag. Zanen en Verstoepbegon aan de andere kant van Urk aan de dijk naar Lemmer. De boot kreeg het steeds drukker. Louw Groen was een kleine melkboer. Alert reageerde hij op de veranderde omstandigheden. Omdat van Kamperzijde alleen maar’s morgens melk met de boot meekwam, zocht Louw naar andere mogelijkheden. De melkfabriek ‘Homa’ uit Hoorn werd toen zijn leverancier. Met de boot moesten we’s avonds vaak wachten tot de auto’s met van die grote kisten met flessen melk, die volgens de methode van Pasteur behandeld waren, op de Harlinger Steiger arriveerden. De groenten- en fruithoeveelheden waren’s avonds ook groter omdat veel monden gevoed moesten worden. Als’s avonds de boot aankwam was er niet alleen veel publiek op de haven, maar ook de paardeboeren waren paraat. Alles moest nog diezelfde avond bezorgd worden. Klaas van Hessel (van Urk) was er soms met twee paarden

om alle vracht te bezorgen. Jannes van Slooten had zich niet alleen een vrachtauto, maar ook een paard aangeschaft. Om halfnegen’s avonds kwam de boot aan, dan moest alles nog opgeladen, vervoerd en gelost worden. Het liep soms wel tegen elven eer de zaak geklaard was.

Toen de dijk naar Lemmer in oktober 1939 gedicht werd, was Urk een schiereiland geworden. Aan de Kamperdijk werd gestaag doorgewerkt. Ondertussen was de bouw van een schutsluis en het naastgelegen gemaal aanbesteed. Het voorbereidende werk was de put droog te maken. Dit werk was uitbesteed aan de firma Tjaaden uit Alkmaar, specialist op het gebied van bronbemaling. Rondom de put wer¬ den kleinecentrales van dieselmotoren opgesteld om de pompen aan te drijven. Lub Hoekman was daar de machinist. Urk was, wat de watervoorziening betreft, aangewezen op de regenwaterbak. Vanuit het pompgebouwtje bij de vuurtoren werd grondwater opgepompt en gedistribueerd. Dit water was erg hard en werd alleen gebruikt voor spoelen en schrobben. Verder waren er de vroeger gegraven putten, waaruit betrekkelijk goed water per puts naar boven kon worden gehaald. Op oude ansichtkaarten staan ze nog wel afgebeeld. Sommige waren heel diep en gaven bij lage waterstand een echo, heel oude waren opgebouwd uitzwerfkeien. Ook waren er plaatsen waar het water zomaar opwelde. Verschillende kelders waren altijd lek en moeilijk te dichten. Jan van Pieter Keuter had zo’n kelder ( waar later Griet van Marij haar winkel had). Met een brede stenen trap kon je van buiten er in komen om water te scheppen. In zeer droge tijden, wanneer in de zomer de regen uitbleef, was de kelder van Jan Keuter een uitkomst,

vooral als de kerkbakken leger en leger raakten en het beetje water dat nog in de eigen regenwaterbak was, werd bewaard voor het eten, de kotfie en de thee.

In schaarse watertijden werd water aangevoerd per boot en dat kostte dan een cent per emmer. Alleen de ‘Geusau’ had ballasttanks en die werden in Kampen volgepompt. Als het te druk was bij de waterverkoper in Kampen, werd de tank volgepompt in de monding van de Ketel. De bemanning zei dan later dat het niet ongekookt gedronken mocht worden. De Zuiderzeewerkers werden met water bevoorraad door een waterboot, speciaal voor dit werk in dienst. De broer van Lammert Smit van Schokland had zo’n boot aangeschaft. Zo was de toestand rond de watervoorziening, toen Lub Hoekman de motoren liet draaien om de sluisput leeg te pompen en later nog zo’n tien tot twaalf meter onder N.A.P. om de bouw van de funderingen voor put en gemaal mogelijk te maken. Het bleefniet zondergevolgen: de wel in de kelder van Jan Keuter droogde op en ook in de schaarse putten was geen water meer. Onze vroede vaderen hebben nooit op het scherp van de snede met Zuiderzeewerkengevochten omdat wij in ons leefmilieu werden aangetast. Mensen die thuis een pomp hadden kwamen zonder water te zitten en in hetpomphuisje moesten nog diepere bronnen aangeboord worden. Op wasdag lieten zelfs de standpijpen het afweten. De vrouwen en meisjes moesten noodgedwongen IJsselmeerwater gebruiken om de was te doen. De bouw van de sluisput ging door.

De winter van 1939-1940 was streng. De dijkbouw lag stop en de ‘Geusau’ kon nog een enkele zware tocht naarUrk maken, later slechts tot aan het sluitgat in de Kamperdijk. Als ergeen

volk genoeg was om de grote sleden te trekken, moest ik ook mee, barre tochten in het zeel om post en de broodnodige levensmiddelen te halen langs de binnen- ofpolderzijde van de dijk naar het sluitgat, waardeboot aan een Steigerlag. Het was die winter druk met vliegtuigen. Beroemde vliegers als Parmentier, Both en Viruly zetten de tweemotorige Fokkers aan de grond op het weiland aan weerszijden van de landweg die dwars over het Top liep. Een dodelijk ongeluk gaf grote consternatie, het slachtoffer was een zoon van Pieter Snoek.

Maar ook aan deze winter kwam een eind, hoewel 1940 al een eind gevorderd was. We visten, werkten aan de dijk en baggerden al kanalen onder water voor als de polder droog zou vallen. En toen was daarde laffe overval. Op vrijdag 10 mei begon het en de dinsdag daarop, na het bombardement van Rotterdam, was het afgelopen. De wind voerde roetresten van de vuurzee over het eiland. Gekke dagen. De pompen van de sluisput werden stopgezet en de zaak ging weer onder water. In de havenmond werd een tjalk tot zinken gebracht. Alle staal werd in het water gegooid, zelfs het wapeningsstaal voor de sluiswerken.

Het werk aan de sluisput kwam slechts moeilijk weer op gang. Dieselolie was goud voor de Duitsers. De pompen moesten daarom met andere energie aan de gang gehouden worden. De hoofddirektie van Zuiderzeewerken kreeg medewerking van de Duitsers om door te gaan omdat de polderdijken al zo goed als dicht waren. Er kwamen loodsen waarin stoommachines werden opgesteld, wantde voorraad olie was in beslag genomen en er werd personeel aangenomen om alle staal weer schoon te maken met water en staalborstels. In alle stilte werd het

Opslag van Rotterdams puin bij Urk, augustus 1940. Op 14 mei 1940 werd het hart van Rotterdam gebombardeerd Tachtigduizend inwoners verloren hun behuizing, tweehonderdvijftig ha. puin moest worden geruimd

laatste gat in de dijk naar Kampen gedicht. De Duitsers waren razend, want ze hadden hier een reclamestunt van willen maken. Na de dichting konden de gemalen van Lemmer en de Voorst aan het werk gaan met pompen, ze maakten gebruik van electrische energie. Urk kon zijn grote Werkspoordiesels wel op de buik schrijven. Na het gereedkomen van sluis en gemaal werd in mei 1941 begonnen methet bouwen van stoomkarren. Een goede vriend van mij, Henk Knobbe (later getrouwd met Dirkje van E.P. Kramer) begon met voile moed aan het karwei en gaf er zijn beste krachten aan. Door de ombouw op stoom moesten er natuurlijk ook stoomketels komen. Achterhetgemaal werd een groot ketelhuis gebouwd en hierin werden drie stoomketels geplaatst van elk 56.000 kilo. Het

vervoer van de ketels was spectaculair. Vanafde Dormakade werden ze, glijdende over ingevette balken, naar de sluisput vervoerd. In de werkhaven, langs de zuidelijke dam, werd een grote Steiger gebouwd om de kolenschepen te ontvangen. Polen zou de leverancier worden en we kregen de beste Poolse nootjes aangevoerd. Weer achter het ketelhuis werd een groot kolenpark gebouwd met verschillende spoorlijnen op hoge paaljukken. De stoommachines kwamen gereed en een motor van 1.200 PK werd ook alvast ingebouwd. Het vuur onder de ketels ging branden en het gemaal op Urk begon te helpen de laatste loodjes uit de polder te krijgen. Het hoge gedeelte van de polder was al droog, maar bij Schokland ploeterden ze nog in het water om sloten tegraven. Ook Urkers hielpen mee om de

40

eerste weg van Rampspol naar Ens gereed te maken. Mannen die echte visserlieden waren, werden volslagen grondwerker in herfst en winter. Per fiets kon je naar Kampen en naar Lemmer.

Het gemaal heeft ons veel cokes opgeleverd dat je uit de sintels mocht zoeken. Heel veel lieden kwamen metzeefen zakken om op de afvalhoop te zoeken naar cokesdeeltjes. We verbouwden onze eigen tabak (die vader stiekem ruilde voor paling en snoekbaars). Het laatste oorlogsjaar kregen we tarwe uit de polder. Honger kenden we niet en dat konden we gelukkig van heel Urk zeggen.

Na de oorlog werdbegonnen met het verwerken van het Rotterdamse puin bij de aanleg van de Domineesweg. Dat puin was met grote aken naar Urk vervoerd na hetbombardement van die stad en lag opgeslagen op de Kamperdijk. Ook het puin van de Lemmerdijk (Rotterdamsehoek) is allemaal onder mijn toezicht verwerkt in de wegen nabij de opslag.

we weer onder elkaar. Het Top wasje speelterrein,jeging opdegeepvangst ofbaarsjes vangen.

Je ging, alsje dat durfde, de Staart op om naarde jonge zeehonden te kijken ofer misschien een te pakken. Als ik dat zo bedenk, heb ik in twee werelden geleefd, de zoute en de zoete. Met weemoed denk ik nog aan de zoute, maar stil blijven staan kun je niet. Een klein beetje trots ben ik dat ik mijn bijdrage mocht leveren aan de verbinding van Urk met de vaste wal. En, ondanks de oorlog was het een goede tijd bij de Zuiderzeewerken.

Ik ben de weg van mijn grootvader Flip opgegaan en werd water- en wegenbouwer. Hierdoor kon ik als Urker de Zeeuwen helpen om Schouwen-Duiveland weer boven water te krijgen. Het vreemde daarbij was, dat ik bij al mijn werkzaamheden zowel in Friesland, Zeeland als Zuid-Holland, alles in gedachten in het Urks overlegde, al is het geen eiland meer. „Eens een Urker, altijd een Urker.” Waarvan akte.

Gouda, augustus 1989

Ondanks de oorlog is de polder er gekomen. Ik was erbij en mocht eraan meewerken. Soms denk ik wel eens: stel nu dat die Ir. Lely niet zo’n doorzettergeweest was en er geen Afsluitdijk was gemaakt en geen polders waren gekomen... Met zoveel mensen als er nu wonen hadden we nooit op dat kleine plekje grond kunnen blijven. Misschien was er dan wel een grote trek naar het westen geweest, zoals in de jaren dertig. Tuindorp had nooit zonder speciale voorzieningen gebouwd kunnen worden. Ik vertel wel eens aan mijn kleinkinderen dat zij nooit zo’n fijne jeugd hebben gehad als ik vroeger op Urk. Rondom water en’s avonds na halfnegen waren

De veerman vertelt

Interview met Albert Hakvoort

Op 6 januari 1919 werd ik op Urk geboren. Ik kan zeggen dat ik op het eiland een mooiejeugd heb gehad. Helaas overleed mijn jongere zusje Tjerkje op tweejarige leeftijd. Mijn vader had als middenstander goed zijn brood en dat droeg natuurlijk bij tot een vrij onbezorgde jeugd. Op school kon ik goed meekomen en vader had dan ook graag gezien dat ik door zou leren. Het is anders gelopen, want een bestaan tussen vier muren, nee, dat was niets voor mij. Ruim dertien jaar was ik toen voor mij de schooltijd voorbij was. Ik kwam als knecht bij bakker Bode in dienst, maar dat heeft niet lang geduurd, het vrije leven trok me. Op mijn veertiende, de Zuiderzeewerken rond Urk namen een aanvang, kreeg ik m’n kans. Dat zat zo: mijn oom Geert met zijn zoon Albert, mijn neefdus, kwam met zijn vlet naar Urk. Samen gingen we toen parlevinken naar de baggermolens enzuigers die voor en aan de polder werkten. Ik heb nog, als eerste, op de dijk bij Schokland gestaan toen die net boven water kwam. Op die vlet hebben we nog een angstig avontuur beleefd. Met een defekte motor gingen we in een vliegende storm voor anker. Die nacht zal ik nooit vergeten. Het was zo koud dat ik mijn klompen verstookte om m’n voeten een beetje te warmen. Oom Geert lag achterin ondereen oude deken tekleumen. Vader, dieeen

bottertje had, ging ons zoeken maar moest die nacht in deluwte van Schokland voor anker. Pas de volgende morgen om negen uur werden we gevonden. Blij dat ik was! We zijn toen met parlevinken maar opgehouden. Ik kwam daarna als dekknecht op de ‘Idonea’ te varen, die in die tijd op Elburg voer. Het loon bedroeg vier gulden in de week. Nu had m’n moeder kostgangers van de Zuiderzeewerken en die hielpen mij aan een baantje op de dijk, motordrijver bij een waterpomp. Ik moest zorgen dat de steenzetters niet in het water kwamen te staan. De beloning was f.14,- per week. Nu was ik daar de enige die kon varen en dat bezorgde mij een extraatje. Met een bak werden dagelijks de werkers naar Urk gebracht en daar werd ik mee belast. Die bak werd afgemeerd achter de vuurtoren. Voor dat heen en weer varen kreeg ik f. 1,50, zodat mijn totale verdienste op f.15,50 kwam. Dat was meer dan de kapitein van de boot verdiende!

Een jaar later werd ik vletschipper bij de Zuiderzeewerken en voer ik met de stortbazen naar de bakken. Tussentijds was ik soms even kapitein op de ‘Zeemeeuw’ ofde ‘Esperanza’ om de bazen naar de Urkerboot te brengen voor het weekendverlof. ’s Maandags haalde ik ze dan

weer op. Als de kapitein terugkwam was ik weer gewoon vletschipper. Dat ben ik gebleven tot de dijk naar Lemmer in oktober ’39 gereedkwam.

In 1940 kocht m’n vader de vlet van oom Geert. We lieten er een nieuwe dieselmotor inzetten door Hoekman. Ik ging toen varen voor de Directie Zuiderzeewerken en voor Daalder, een aannemer. Dat duurde tot midden in de oorlog, dat wil zeggen tot het moment dat er geen olie meer was. De Duitsers namen de vlet in beslag, als zoveel andere schepen toen.

Hoewel ik nooit visserman had willen worden, werd ik nu door de omstandigheden gedwongen tegaan vissen: metJurie van Veen ging ik paling kuilen op het Ijsselmeer. Vlak voor de bevrijding kreeg ik de vlet terug. Een Duitser, Ernst heette hij, zei tegen me: „Albert, haal de motor emit en verstop’m, want alles gaat naar Duitsland.” Ik nam die raad ter harte en mijn zwager Lub ging dat karwei opknappen. De vlet werd zwart geteerd en voorzien van mast en roer. Mijn neef Albert

Woord probeerde ermee te dwarskuilen, maar dat ging niet, het was nu eenmaal geen vissersschip. De naderende bevrijding gaf echter hoop op betere tijden. Het zou anders lopen dan we hadden verwacht.

Na de bevrijding kwam de B.S. (Binnenlandse Strijdkrachten, red.) vragen ofik de vlet beschikbaar wilde stellen voor patrouillediensten op de Friese meren. Ik voelde daar echter weinig voor. Op mijn vraag wat ik daarmee zou verdienen kreeg ik te horen: „Dat moetje overhebben voor je vaderland.” Die B.S.-commandant toonde weinig begrip voor mijn situatie en was vrij bot in zijn optreden. Even na dit incident, ik was op weg naar huis, werd ik staande gehouden door Greve, de politie-agent. Die vroeg of ik voor de P.O.D. wilde varen, de Politieke Opsporingsdienst. Na wat heen en weer te hebben gepraat, kwamen we het volgende overeen: Honderd gulden per week en olievrij varen. Dat was meer dan ik ooit had verdiend.Alleen deburgemeester moest zijn toestemming nog geven. Nu, dat was

8
43
Werkzaamheden aan de polderdijk Lemmer-Urk,
2
1939

direkt oke en ik kon meteen aan de slag. Zo ging ik varen voor de P.O.D. op het traject UrkEmmeloord. Ik moest politieke delinquenten vervoeren naar kamp Espelerbocht aan de westzijde van Emmeloord, toen nog „Dorp A” genoemd. Die delinquenten kwamen vooral uit de provincie Noord-Holland. De commandant van het kamp heette Dokter, ene Locatelli was ondercommandant. Na verloop van tijd mochten de kampbewoners familieleden ontvangen en zo groeide die P.O.D.-lijn uit tot een passagiersdienst Urk-Emmeloord v.v., waarvan meer en meer ook Urkers gebruik gingen maken. Dat noodzaakte mij om te zien naar een andere boot. Het werd de ‘Nelfra’, die ik voor f.1.500,op de kop tikte. Het waseen mooie boot met een keukentje, w.c. en een kleine salon met pluche. Nog weer later kocht ik de ‘Watertourist’ voor f.4,600,-. Er konden zo’n 70 personen in plus nog een aantal fietsen bovenop.

Samen met mijn zwager, die compagnon was in het bedrijf, heb ik een aantal jaren die dienst gerund totdat de wegverbinding met Emmel¬ oord gereed kwam in 1948, iedere werkdag zo’n vijfkeer heen en weer. Soms voeren we een extra dienst voor de burgemeester, het gemeentebestuur of dokter Vonk. We hebben zelfs post vervoerd en, natuurlijk, gerookte paling voor de Urker vishandelaren. Mensen die vroeg in Kampen wilden zijn maakten van onze diensten gebruik. We hadden weken van 14-1500 passagiers. We hadden aansluiting op de laatste bus die uit Kampen in Emmeloord arriveerde.

mensen op de walkant: „Nou jongens, tot over drie maanden!” Het wasde duur van de vorstperiode die door de oude baas was voorspeld. Prompt na drie maanden kwamen we voor het eerst weer in Emmeloord. De mensen daar stomverbaasd natuurlijk. „Hoe wistjij dat het zo lang zou duren?” Ik vertelde het verhaal van de oude weerprofeet.

In 1948 zag ik het nietmeer zitten met de dienst. De weg naar Urk kwam in mei van dat jaar gereed en we hadden nogal pech met een motor gehad. Mijn zwager wilde ook niet meer trouwens. Omdat ik nogalveel voordegemeentehad gevaren, kreeg ik van die kant medewerking voor het stichten van een taxi-bedrijf. Toen ik m’n eerste taxi kreeg, was ir. Klazema mijn beste klant. Hij reed in eenjaar zo’n 20.000 kilometer en dat was eigenlijk meer dan z’n begroting toeliet. Geen nood, hij „leende” dan wel kilome¬ ters van z’n opzichters. Ik kon heel goed met Klazema overweg. Hij was op en top een heer en was bij de Urkers zeer geliefd. Ik vond het dan ook een verdrietige zaak van hem te moeten vernemen dat de dijken voor het publiek zouden worden afgesloten. Er was voor duizenden guldens aan dijkmateriaal doorde Urkerjeugd in zee gegooid.

De strenge winter van 1947 was mij door een oude, ervaren visserman voorspeld. Die laatste maandag dat ik gevaren heb vroor ’t dat ’t kraakte. Toen de touwen in Emmeloord werden losgegooid bij de laatsteterugreis, riep ik naar de

Hoe ik nu tegen de drooglegging aankijk? Achteraf bezien heeft Urk veel voordeel gehad bij de afsluiting van de Zuiderzee. Toen Urk nog een eiland was, waren de meeste mensen doodarm, en kijk nu eens omje heen. Door de polder kon de Urker, die ondernemer is in hart en nieren, z’n vleugels uitslaan. En neem nou mezelf: d’r is geen polderdijk of ik heb er aan meegewerkt.

W.B./A.v.U.

De polder in oorlogstijd

Toen de dijk naar Lemmer dichtging was ik twintig jaar. In September 1939 ben ik bij Zuiderzeewerken gekomen, maar voor die tijd hadik al diversebaantjesgehad. Als twaalfjarige werkte ik in de bakkerij van Bode als knechtje, loopjongen. Later ben ik bij de Ober gekomen, kapper Nentjes, eerst als inzeper, later kon ik scheren en knippen. Bij Zuiderzeewerken werd ik waker op het werkterrein, dat is nu de Klifkade. Het was een opslagterrein waarover een walkraan liep en er werd gelost vanuit grote schepen, waarvan de lading overgeladen werd op kleinere bakken die naar de dijken in aanleg voeren. Die wakers waren eigenlijk de voorlopers van de opzichters. Het rijshout dat werd aangevoerd en waar zinkstukken van werden gemaakt, moest worden geteld. De betonzuiltjes die op de dijk van Urk naar Lemmer liggen, die zeskantige zuiltjes, die heb ik praktisch allemaal moeten tellen. De hoeveelheden werden door mij genoteerd.

Mijn broerJaap, vierjaarjongerdan ik, ging met oom Jaap Gerssen de dijk op als loopjongen om mee te helpen bij het uitzetten en waterpassen. De dijken werden op voile zee uitgezet, maar eerst kwamen daar nogpeil- en boorploegen aan te pas. De boorploegenmoesten de grondsoorten

vaststellen. Er werden bodemmonstersgenomen en dan werd bekeken waar grondverbetering moest worden toegepast en hoeveel veenlagen eruit moesten voordat men op het zand was. Broer Jaap, begonnen als uitzetter, klom op tot opzichter.

In mei 1940, toen de oorlog uitbrak, was ik waker op een baggermolen onder Kuinre. In 1939 waren de Duitsers Polen binnengevallen, maar dat was ver van huis, ver van mijn bed zeggen ze tegenwoordig. De werklieden gingen om de vier weken met verlof toen, „met de beurt” noemden ze dat. Er zou net een ploeg naar Kuinregaan om vandaar naar hun woonplaatsen af te reizen. Ze kwamen voomamelijk uit Werkendam en Sliedrecht. Deploeg werd echterniet meer doorgelaten, maar teruggestuurd naar de baggermolen omdat de oorlog was uitgebroken. Het was vrijdag, 10 mei 1940. ’s Nachts hadden we (ik sliep ook op de baggermolen) wel het geronk van vliegtuigen gehoord, nu hadden we zekerheid dat het zo ver was, helaas. Een opzichter, ik meen dat het Zandbergen was, maakte bekend dat we direct moesten opbreken. Alle ankers moesten binnenboord, sleepboten ervoor, de bakken er achteraan en zo werden we naar de Urker haven gesleept. De schipper, een

Hetpolderriet bood in geval van nood bescherming tegen razzia’s.

NO.Polder: „Nederlands Onderduik Paradijs. ”

zuinige man die nooit iets weggaf, nog geen sjekkie, liep sigaren uit te delen in de vaste veronderstelling dat als de Duitsers zouden komen, ze alles meteen zouden inpikken. De polder was nog open water want de dijk richting Ramspol was nog niet gedicht. Via een opening in de dijk kwamen we in de werkhaven.

Veel mensen weten dat niet, maar de hoofdkanalen en tochten zijn uitgegraven, gebaggerd, voordat de polder droogviel. De sloten zijn pas gegraven nadat de polder drooggevallen was. Bij het uitzetten van de kanalen speelden de boorploegen een belangrijke rol. Die bestonden voornamelijk uit Urkers. Ik herinner mij de gebroeders Dirk en Klaas Ras, Hendrik Buter, Willem Schenk, Jan van den Berg en meerdere Urkers. Nadat er was geboord en uitgezet, konden de baggermolens aan het werk gaan. Toen de dijken waren gedicht, eind 1940, kon met het leegpompen van de polder worden begonnen. Het water zakte langzaam maarzeker en dat heeft al met al wel een jaar geduurd.

Op een zaterdag moesten we naar Lemmer toe om een bak op te halen met een sleepboot. ’s Avonds vertrokken we vanuit Lemmer. Plotseling werd het roetmistig. Nu was het waterpeil in de polderal zovergedaald, dat we koers moesten bepale" over de gebaggerde kanalen die we niet konden zien. Wel was het kanaal aangegeven door latten of twijgen om de zoveel meter, maar door de mist konden we die ook niet zien. We moesten noodgedwongen naar Lemmer terug, waar wij overnachtten. ’s Zondagsmorgens gingen we weerop weg, maar toen liepen wevastop het zand van Emmeloord. Het was namelijk zo dat het opgebaggerde zand van de kanalen werd gestort op de plaats van de toekomstige polder-

46

dorpen, A, B, C, D, enzovoort. Het zand van Emmeloord, toen nog „Dorp A”, kwam net boven water.

Toen de polder droogviel, konden we opnieuw gaan baggeren, want de vaarten bleken dichtgeslibd. Je kon wel zien waar ze lagen, want daar was een dal, maar ze waren onbevaarbaar geworden. De profielen waren destijds gebaggerd, maar door het zakken van het waterpeil en het trekken door de bemaling stroomde alles naar de lagere gedeelten, in dit geval de diepere vaarten. Hetslib moest dus weer worden weggebaggerd en afgevoerd, nu niet in bakken, maar door lange vloeigoten naar de kant van het kanaal, er werden kaaien van gezet. Willem de Graaf was een van de mannen die daaraan werkte. Die man stak zulke lappen grond in een keer, niet te geloven. De bagger die overbleef vloeide achter die kaden of dijken weg. Zo werden de kanalen weer op diepte gebracht.

begon de situatie te veranderen en was werken in de N.O.P. niet langer zonder risico en gevaar.

Wij hadden een Ausweis omdat ons werk van belang werd geacht voor de voedselvoorziening.

Dat beschermde je wel tegen tewerkstelling in Duitsland, maar niet tegen gevaren vanuit de lucht, zoals dadelijk zal blijken.

Met het eten in die tijd hadden we geen problemen. We kregen brood van de directie, graan en aardappelen. Datkwam van Vollenhove af, waar al een gedeelte van de polder in cultuur was gebracht. Omdat mijn broer Jaap ook zijn part kreeg, hadden we thuis dubbel. We hadden het dus goed. Moeder maakte het eten voor ons klaar en dat namen we mee in een pannetje. Dat eten werd gewarmd op drie stenen met wat riet eronder, water (dat hadden we in de vlet) diende alsjus. Lagen we met de vlet vlak bij een zuiger, dan maakten wegebruik van het kolenfornuis in de kombuis of aan dek.

De polder was natuurlijk niet meteen begaanbaar. Als we aan het uitzetten gingen, moesten we door de blubber waden met de instrumenten op een slee achter ons aan. Toen de bodem echt droog werd, het eerst bij Vollenhove, werd van daaruit met grote rupstrekkers riet ingezaaid. Dat groeide snel en hield de grond vast. Toen de polder helemaal droog was, was het een grote rietmassa. Het riet werd wel twee meter hoog. Daar hebben in de oorlog veel onderduikers van geprofiteerd.

Met het droogvallen van de polder vorderde de oorlog, al was daar in het begin weinig van te merken. De werkzaamheden werden door de oorlogshandelingen nauwelijks vertraagd. Zo rond het midden en tegen het eind van de oorlog

Op een dag lagen we met de vlet in de eerste zijtocht van het kanaal, zo’n paar kilometer van Urk verwijderd, naast een zandzuiger. Vanuit de vlet werden peilingen verricht en de opzichter en de uitzetmaterialen werden ermee vervoerd. Rense Ruiten was de schipper, Maarten Schraal, mijn broer Jaap en ik vormden de „bemanning”, de opzichter heette Stuifzand. Het Hep tegen etenstijd. We haalden onze pannetjes tevoorschijn om ons eten te warmen op het grote fornuis op het dek van de zuiger. Plotseling doken, als uit het niets, twee Engelsejagers naar beneden en begonnen, rrrrt..., te schieten. De hele bovenbouw van de zuiger schoten ze aan Harden. De man die voor het fornuis had gestaan lag hevig bloedend op het dek. Iedereen was in paniek weggerend om dekking te zoeken, ook de kapitein. Toen we van de eerste schrik bekomen waren gingen Jaap en ik aan boord van de

Op 10februari 1944 maakte een Amerikaanse bommenwerper een noodlanding in de Noordoostpolder ten N.O. van Urk. De bemanningsleden overleefden de landing.

zuiger. Onze eerste zorg gold natuurlijk het slachtoffer. We legden hem op een ladder en vervolgens op de sleepboot die naast de zuiger lag. We voeren af naar de Urkersluis, maar eer we de steiger hadden was de man al dood. Zelf hadden we geen schrammetje. De zuiger is toen opgebroken en we hebben daarna niet meer in de polder gewerkt.

en toen begonnen ze er op te schieten. De bedoeling was duidelijk: ze wilden de instrumenten vernietigen en het toestel in brand schieten voordat de Duitsers zouden arriveren. Het lukte niet en intussen zagen we vanaf de Staart gewapende soldaten naderen. De Amerikanen verdwenen de een na de ander in het riet en werden later, naar we hoorden, door ir. Klazema opgepikt en verborgen onder het rijshout en de rietbergen op de werkhaven. Twee gewonde bemanningsleden bleven bij het vliegtuig achter. Wij kregen opdracht van de inmiddels gearriveerde Duitsers om de gewonden naar de vlet te brengen. De naam van die ene officier weet ik nog: „Lieutenant Eemnert” stond er op zijn linker borstzak. De andere, een grote neger van wel twee meter, was de boordschutter. Die had een schotwond in zijn been. We kregen ze in de vlet en brachten ze naar Urk. Daar aangekomen werden ze op een platte wagen van Klaas van Urk naar Hotel ‘Het Wapen van Urk’ gebracht. De luitenant had een schotwond in de buurt van zijn hart. Van hem kreeg ik als dank zijn witzijden handschoenen, die ik bij de bevrijding als tamboer bij ‘Valerius’ heb gedragen. Van die

Een ander avontuur beleefden we in de Biddagweek, donderdag 10 februari 1944. Het was omtrent het middaguur dat we naar de lucht stonden te kijken naar de honderden vliegtuigen die overvlogen naar Duitsland. Soms telden we er meer dan duizend, het warenbommenwerpers die de Duitse steden bombardeerden. We zagen er een boven Urk cirkelen die al lager en lager vloog. Plotseling begrepen we dat het vliegtuig een landing ging maken in de polder. We gooiden de vletlos en staken hetkanaal over. We moesten nog een stuk lopen eer we bij het vliegtuig waren, een grote, viermotorige Ameri¬ kaanse bommenwerper. Wij waren de eersten die er bij waren. De bemanning, ik geloof wel een man oftien, sleepteapparatuur uit het toestel 48

gewonden heb ik nooit meer wat gehoord, ze werden diezelfde nacht nog naar Amsterdam gebracht met een sleepboot. Piet Brouwer (Piet van Cees van Piet) heeft wel vliegers verborgen en helpen ontsnappen, hij was meen ik ook betrokken bij de hulp aan de in het rietland ontsnapte bemanningsleden.

Dat vliegtuig was nog vrijwel helemaal intact, in de rekken stonden nog twaalf bommen. Lang heeft het toestel er trouwens niet gestaan, een poosje later is het opgeblazen metbehulp van een lont. Op Urk moesten alle deuren en ramen opengezet vanwege de luchtdruk. Piet Brouwer is later gepakt en overleden in een concentratiekamp. Hij gaf zijn leven voor de goede zaak.

Waar nu de brug over de Nagelervaart is, bij de Karel Doormanweg, is ook een vliegtuig neergestort. Hetgebeurde in de nacht. Wij moesten er ’s morgens met de Duitsers naar toe om de stoffelijke resten te bergen. Het was geen bommenwerper, maar een verkenner of zo. Er hadden vier of vijf bemanningsleden ingezeten. Er is toen een boot van de Wasserschiitzpolrzei uit Urk gekomen met twee kisten om de doden te bergen. Later, bij de aanleg van de Karel Doormanweg hebben ze nog resten en kleding gevonden.

Zelf hebben we het goed gehad. We hadden te eten, meer dan we zelf nodig hadden. We konden zelfs mededelen. Wij waren thuis met z’n zevenen: vader, moederen vijfkinderen. Voorde oorlog kwam vader thuis met negen gulden van de ruilverkaveling. Toen mijn broer Bertus met f.22,50 terugkwam van de dijk, wist moeder echt niet wat ze zag. Alsje toen f.15,- verdiende, was dat een vermogen. De inpoldering is voor Urk een weldaad geweest, want onze plaats ging opbloeien. Als lid van de Christelijke Reciteervereniging ‘Dindua’ heb ik eens, op een St. Nicolaasavond van die club, een gedichtje gemaakt op de drooglegging. ’t Lijkt me leuk om daarmee te besluiten:

Als de wimpers zich gaan sluiten en de dag ten einde spoedt, zien we zwarte silhouetten op de zilv’ren watervloed

Rimpelloos is haast het water, duizendkleurig’t spiegelend vlak; u begrijpt wel mijne heren, 't was die avond vrees’lijk blak.

Kranen, baggermolens, zuigers rusten van hun dagtaak uit. Ze hebben heel de dag gebaggerd, klei gebeten, zand gespuit.

Er zijn in de oorlog diverse piloten en beman¬ ningsleden die in de polder waren terechtgekomen, via Urk ontsnapt. Soms werden ze met een sleepboot van Hoekman weggebracht of ze gingen gewoon met hun begeleider met de Urkerboot naar Kampen of Enkhuizen. Harm Gerssen was bij die pilotenhulp actief, evenals Albert Ras van de Sluisput, die ook Joden verborgen hield. Harm Gerssen is later op de Weteringschans in Amsterdam gefusilleerd.

Langs het Top gaat ’n vrijendpaartje; drooglegging dat laat hen koud Zij zoeken slechts een „droge legging”, al is het maar een bosje hout.

Niemand rekent met de toekomst; we treuren om de Zuiderzee. Nu kan ik het slot niet vinden, dichten, heren, valt niet mee.

W.B./A.v.U.

De weerman verhaalt...

Interview met Jelle Pasterkamp

Jelle Pasterkamp, nu gepensioneerd ambtenaar Rijkswaterstaat, werd geboren op het eiland Urk als zoon van Pieter Pasterkamp en Aafje Kaptijn. Wij spraken met hem over zijn jeugd, de oorlogstijd en zijn langdurige diensttijd bij Rijks¬ waterstaat.

Als twaalf- ofdertien-jarigejongen kwam ik van school. Het was een moeilijke tijd, die nu nog bekend staat als de zogenaamde crisistijd. Ik had eigenlijk wel zin om naar zee te gaan, paling kuilen. De eerste keer, het was mooi weer, vond ik dat prachtig. Op mijn tweede reis stond er een harde bries en ik werd goed zeeziek. Dat werd dus niks. Om toch wat te verdienen, nam ik allerlei baantjes aan. Zowas ik knechtje bij K.M. Kramer, de bakker, T.C. van Eerde, oliehandel en Tijmen Buter, de kruidenier. De laatste deed goede zaken met Zuiderzeewerken, hij leverde aan de keten op de werkhaven en de baggermolens enzovoort. Slager Bos deed dat ook, want die zat op een mooi punt vlak bij de haven. Toen het puin van Rotterdam op de Kamperdijk werd opgeslagen, datwas in de zomer van 1940, ging ik daar puinkloppen. Je kon daar zo’n zes gulden per week mee verdienen. Als het regende zaten we onder een mastiekton. Later, ik was toen vijftien jaar, verhuurde ik mij bij Kapper

Nentjes of ‘de Ober’, zoals hij op Urk werd genoemd. Daar leerde ik het kappersvak. Zijn zaak in de Prins Hendrikstraat ging’s morgens om acht uur open. Het knippen en scheren ging de hele dag door met een korte onderbreking vooretenstijd. Daartussendoor moesten nog ‘Het Nieuws van de Dag’ (365 abonnees) en ‘De Telegraaf bezorgd worden. Dielaatste kranthad een avondeditie, zodat het’s avonds wel acht of negen uur werd, eer ik naar huis kon.

In de oorlog was ik vrijwilliger bij de plaatselijke brandweer. Je kreeg dan een zegeltje op je persoonsbewijs en zo werd ik gevrijwaard voor de arbeidsdienst. De commandant was Arie de Wit, maar het meest hadden we te maken met Klaas Koffeman, de brandmeester. De laatste had hart voor zijn korps en ik moet zeggen dat hij de Urker brandweer goed op poten heeft gezet. Omdat Urk een markeringspunt voorgeallieerde bommenwerpers was, hadje, vooral in het laaist van de oorlog, vrijwel dagelijks luchtalarm.

In november 1944, bij de grote razzia, werden wel tachtig Urker jongens opgepakt en naar Duitsland afgevoerd. Daarbij was ook Sjoerd Snoek. In de scheersalon van Jan van Fokke nam ik zijn plaats in en dat deed ik tot de bevrijding in 1945.

In September ’44 deelde havenmeester Zeeman mij mee, dat ik was ingedeeld bij de plaatselijke afdeling van de Binnenlandse Strijdkrachten, de B.S. Als zodanig raakte ik in 1945 betrokken bij de bewaking van politieke delinquenten, die waren vastgezet en tewerkgesteld in de kampen Espelerbocht en Marknesse. Daarna ben ik als oorlogsvrijwilliger in militaire dienst gegaan. Ik kwam in Steenwijk terecht en nam na mijn afzwaaien m’n oude stiel weer op, ik werd weer kapper, eerst bij Chiel de Wit en later weer bij Johannes Nentjes. Tot de klanten van de laatste behoorde opzichter Leijnse van Zuiderzeewerken. Die vroeg mij op een keer: „Benjij van plan om altijd kapper te blijven?” Mijn antwoord was dat ik graag zou willen veranderen, maar dat de mogelijkheden beperkt waren, of iets van die strekking in ieder geval. Het was waar, ik wilde niet mijn leven lang blijven knippen en scheren. Op een avond kreeg ik bericht of ik maar bij Leijnse in de ark wilde komen. Er was een plaats vrijgekomen als waker. Er waren vijf sollicitanten. De andere dag al kwamen een hoofdingenieur en een opzichter naar Urk en werd ik, na een sollicitatiegesprek, benoemd. Ik begon als waker III en na enkele jaren werd dat, via II, waker I. Mijn baas was hoofdingenieur Volker van de Waterloopkundige Dienst. Mijn werk bestond uit het doen van waarnemingen en metingen en dat heb ik bijna veertig jaar achtereen gedaan, onder andere op het weerstation (‘het weerhuisje’) op de Kamperdijk, in dienst van Rijkswaterstaat. In de eerste plaats moest de temperatuur van de lucht opgenomen worden, de maximum- en de minimum-temperatuur. Dan de vochtigheidsgraad van de lucht, en de verdamping van het water. Waarnemingen in de zin van: hoe ziet de lucht eruit, wat voor bewolking hebben we, is het mistig, regenachtig,

51
Jelle Pasterkamp bij het weerstation op de dijk.

zijn er onweerstoringen, etcetera. Er zijn wel zo’n twintig verschillende verschijnselen. Het begin en het eind van zo’n verschijnsel, dat moest je noteren. Drie keer per dag werden er metingen en waarnemingen verricht. Per keer dertig thermometerstanden betekende dus negentig standen per dag en wat betreft de verdamping zo’n stand ofnegen per etmaal. De berekeningen aan de hand van de gemaakteaantekeningen werden op het kantoor verwerkt in rapporten die aan het K.N.M.I. werden gestuurd. Ik was niet in dienst van het K.N.M.I., maar van Rijkswaterstaat. Maar omdat we de apparatuur van het K.N.M.I. gebruikten, werd dat niet in rekening gebracht. De Bilt doet voorspellingen en de waarnemingen op Urk vormen een soort controle daarop. Bij Zuiderzeewerken ging engaat het om hetbeheer van het Ijsselmeer. De meting van de verdam¬ ping is nodig om het antwoord te vinden op de vraag hoeveel water er bij de Afsluitdijk geloosd moet worden. We maakten ook wel zogenaamde zoutreizen, dat waren metingen van het zout- en chloorgehalte inhet IJsselmeerwater, die vanafeen bootwerden gedaan. Dan werden ook bodemmonsters genomen met behulp van een grijper. Zo’n tocht voerde 400 kilometer kris kras over het Ijsselmeer. De bodem- en watermonsters werden in een laboratorium nader uitgewerkt. Doorgaans verrichtte ik in mijn eentje de mij toevertrouwde taak en daarbij moet je dan wel een zekerestandvastigheidaan de dag leggen, want anders dreigt het gevaar van verslapping. Je moet je wel aan de vaste tijden houden om dit werk goed te kunnen doen. Gelukkig heb ik daar weinig moeite mee gehad. Natuurlijk was er ook een schaduwkant. De eerste vijf of zes jaar heb ik bijvoorbeeld geen vakantie gehad en bij ziekte moesthavenmeester Zeeman de metingen en waarnemingen verrich-

ten. Die moesten dan wel later door mij worden verwerkt naast mijn gewone werkzaamheden. Maar over het algemeen heb ik het goed naar mijn zin gehad en bovendien had ik de indruk dat mijn werk werd gewaardeerd. Bijna had ik de veertig jaar bij ‘het Rijk’ volgemaakt, als hartklachten dat niet hadden verhinderd. De laatste dienstperiode maakte ik noodgedwongen maar halve dagen.

Elfjaren lang woonde ik met mijn gezin in de houten kantine van Zuiderzeewerken, waar ik ook een eigen kamer had voor het uitwerken van de gegevens. Later verhuisde het kantoor naar het dijkmagazijn op de werkhaven. Ik ben nu 68 jaar en ik kijk met genoegen op mijn loopbaan terug. Eigenlijk heb ik geboft. Ik denk wel eens: hoe zou het gegaan zijn als ik op die bewuste dag niet mijn mening aan de heer Leijnse had kenbaar gemaakt. Och, misschien had ik een eigen kapperszaakje gehad. Het is dus anders gelopen en dat is maar goed ook. Er waren in mijn jeugd zo weinig mogelijkheden. Studeren was er niet bij, die mogelijkheden kwamen pas later. Je had als het ware, alsje van school kwam, het plakkaatje ‘visserman’ al opje voorhoofd. Ik ben een geboren Urker, gehecht aan mijn woonplaats. Toch ben ik blij dat ik die kans gekregen en benut heb. Die drooglegging, dat was absoluut een vooruitgang, Absoluut,ja. Voor de hele bevolking. W.B./A.v.U.

Aanlegpolderdijk Urk-Lemmer nabij Urk. Storten van het keileem, 2 8 1939

Memoires van een oud-dijkwerker

A1 vijftig jaar geen eiland meer, een dorp nu met een druk verkeer en heel veel nieuwbouwwijken. Of men’t nu fijn vindt of een straf, Urk werd voor altijd eiland af, door’t komen van twee dijken.

Die dijken? Praat me daar niet van; ook ik heb daar als jongeman vaak duchtig moeten zweten. Geploeterd heb ik en gesjouwd zowel met stenen als met hout, en graag zou ik’t vergeten.

’k Vond op zo’n dijk mijn eerstejob en kwam te werken op de kop, waar veel motoren draaiden. Daar waar ik draglines bezig zag, en grote kranen heel de dag hun lange armen zwaaiden.

De taak die daarna voor mij kwam betrof het puin van Rotterdam, dat men hier deponeerde. Nadat de vijand eens die stad en goeddeels ging daar alles plat uit woede bombardeerde.

De resten van wat huisraad was, een kinderschoen, een damestas, dit alles kwam ik tegen. ’t Werk was dichtbij, en’t viel te doen in’t kil voorwinterse seizoen, want dat kwam erg gelegen.

Voor’t laatste dijkwerk moest ik gaan tot zowat tegen Lemmer aan op hete zomerdagen.

De oorlog bleef, de tijd was boos en ieders fiets was bandeloos, ’t moest met de benenwagen.

En trouwens, 't fietsen ging daar slecht; een rijpad was niet aangelegd, tot ongerief van velen.

Die bazen hadden toen geen nood, gehaald en thuis gebracht per boot kon’t werkvolk hen niets schelen.

Wat brood met jam geen kaas of worst naast een kruik water voor de dorst, daar moest ik’t dan mee klaren. Maar’t water in die kruik werd lauw, en’t was de kruik niet van die vrouw uit heel, heel vroegerjaren.

Vaak knielde ik amechtig neer bij’t water van het Ijsselmeer als ’t ding was leeggedronken. Ach, ’t meegevoerde regennat was soms al na een uur of wat aanmerkelijk geslonken.

Al vijftig jaar geen eiland meer, een dorp nu met een druk verkeer waar veel bezoekers komen.

Maar’t dorp waar ik als kind bestond, met niets dan water in het rond, daar blijf ik steeds van dromen.

Al menig moeilijk oorlogsjaar W.R. lag ongerept die polder daar, als schuiloord voor piloten. Wie neerkwam in dit woest gebied en zich verborgen hield in’t riet kreeg hulp van dorpsgenoten.

’t Is lang geleden... En u merkt: ik heb er zelf aan meegewerkt dat oud-Urk ging verdwijnen. Dat hier een nieuwe wereld kwam, voor Mobil Oil, voor Shell en Pam een vreugdevol verschijnen.

En wandel ik nu langs De Noord, dan denk ik vaak aan’t vredig oord van voor men dijken bouwde. O, ’t oude Top, waar’t paalscherm was met daar omheen die wijde plas, dat vroeger zo vertrouwde.

Vissers moesten boer worden

Tiemen Roos

Urk heeft tijdens zijn eilandbestaan een heuse boerenstand gekend. Het laagliggende hooi- en weiland, dat’s winters vaak door de zee werd overspoeld, was het domein van de Urker veehouders. Meestal waren deze mensen ook nog winkelier, bakker ofvrachtrijder. De meeste koeien hadden de „landers”, een selecte groep boeren die aanspraak maakte op het hooiland. De eerste snee, het hooigewas, werd door hen volgens een ingewikkeld systeem onder elkaar verdeeld. Om hier een einde aan te maken vroegen de landers bij deoverheid een ruilverkaveling aan, die in 1934 zijn beslag kreeg. Toen al keken de Urkers voorzichtig vooruit naar de komende aanleg van de Noordoostpolder. De vissers waren sinds het begin van de Zuiderzeewerken gedoemd te verdwijnen, zo meende menig planoloog in die dagen. Vooral na de inpoldering van de Noordoostpolder was de toekomst aan de boeren. Ook op Urk vatte deze gedachte post. Er werd zelfs gewerkt aan het opstarten van een landbouwopleiding. Volgens de 63-jarige Tromp Hakvoort, die jarenlang op het Top een boerderij had en tegenwoordig in Harlingen woont, was de wens daartoe er al in 1927, bij de oprichting van de schoolvereniging ‘Rehoboth’. De crisistijdgooide echter roet in het eten. Aan het eind van dejaren dertig besloot het schoolbestuur uiteindelijk om een onderwijzer aan te trekken die ook over een landbouwacte beschikte. Deze onderwijzer zou overdag ge-

woon les geven aan de lagere school, ’s Avonds moest hij een landbouwcursus verzorgen. De cursus zou aanvankelijk in 1939 gestart worden, maar de mobilisatie zorgde er op het laatste moment voordat de zaak nietdoorging. Eenjaar later werd de „algemene landbouwcursus” alsnog opgestart.

Het initiatief werd gesteund door de Urker boeren, verenigd in een afdeling van de Christelijke Boeren- en Tuindersbond CBTB, het Urker gemeentebestuur en de Vereniging van Belanghebbenden in het kader van de Zuiderzeesteunwet. Deze „belanghebbenden” waren vroegere Zuiderzeevissers. De regering stimuleerde hen om zich te laten omscholen en stelde geld beschikbaar voor verschillende projecten.

Volgens Tromp Hakvoort ging de cursus op 1 oktober 1940 van start. De lessen werden drie avonden per week gegeven in het lokaal van meester Heetebrij, in de toenmalige Rehobothschool. De cursus duurde twee jaar. „De opleiding was in de eerste plaats bedoeld voor volwassenen. Je moest 15 jaar oud zijn. Lub Korf, Jaap Post en ik waren eigenlijk te jong, maar wij mochten alsgasten meedoen. Delessen werden verzorgd door meester Jan Meijer, die overdag gewoon les gaf in de vierde klas van de lagere school,” zegt Hakvoort. Hij herinnert zich nog goed welke vakken er gegeven werden: scheikunde, natuurkunde, dierkunde, plant-

kunde, kennis van de grond, bemestingsleer, veeteelt en zuivelbereiding. Na een jaar werd er met een tweede groep gestart, waar ookjongere leerlingen in mee konden draaien. Voor deze groep moest je dertien jaar zijn. Het was een soort voorbereiding op de echte cursus en er werden ook vakken als taal en rekenen gegeven. Deze vakken werden verzorgd door de Urker ‘meester’ Teunis Ruiten, thans 81 jaar oud. Die weet zich de gang van zaken nog goed te herinneren. „Ik wasgoedbevriend metMeijeren zo werd ik gevraagd om de algemene vakken te gaan verzorgen,” zegt hij.

De belangstelling voor de cursus was prima. Volgens Tromp Hakvoort deden er zo’n dertig jongens mee. Er waren vooral Urkers bij die zelf al vee hadden en jongens die bij hen werkten. Verder belanghebbenden in het kader van de Zuiderzeesteunwet en nog anderen. De meesten waren goed gemotiveerd. Meester Meijer pakte de landbouwopleiding zeer serieus aan. „Die man heeft pionierswerk verricht,” zegt Hakvoort Hij weet nog goed dat de boeren-in-de-dop in de zomer van 1941 zelfs een paar keer op excursie zijn geweest. „We zijn eens naar Oosterzee gereisd, waar we een melkfabriek en een grasdrogerij bezochten. Ook gingen we die dag naar twee veeteeltbedrijven. Later zijn we nog eens in de Wieringermeer geweest, waar we proefbedrijven van de Staat en een paar boerderijen hebben bekeken,” zegt hij.

In 1941 werd in het kader van de landbouwop¬ leiding ook een melkerscursusgegeven, door ene Jacob Ooms uit Venhuizen. Er deden acht Urkers aan mee, waarvan ervolgens Hakvoort in ieder geval vijf slaagden. Later, na de oorlog, is deze cursus nog een keer gegeven. Toen deed

Hakvoort zelf ook mee. Hij schat dat er heden ten dage nog zo’n twintig Urkers zijn die een melkersdiploma hebben. De man die het landbouwonderwijs op Urk op poten had gezet, meesterMeijer, vertrok in 1942 na uitreiking van de eerste diploma’s naar Koekange. Tweejaar had hij zich methart en ziel voor de cursus ingezet. In September werd hij opgevolgd door meester H. Jansens, die de cursus verder afwerkte tot hij in 1944 naar Zwolle vertrok. Dat betekende voorlopig het einde van de algemene landbouwcursus, want de oorlogsomstandigheden maakten het toen vrijwel onmogelijk de lessen voort te zetten.

Na de cursus volgden sommige geslaagden een stageperiode van een jaar bij veehouders op Kampereiland. Volgens Tromp Hakvoort stond het praktijkjaar los van de eigenlijke landbouw¬ cursus. In overleg met de rentmeester van de Kamper stadserven, de instantie die de boerde¬ rijen op Kampereiland in beheer heeft, had burgemeester Keijzer datgeregeld. Het praktijk¬ jaar was vooral bedoeld voorjongens die weinig ervaring met het boerenbestaan hadden. Voor Hakvoort ging de stage op het laatste moment niet door. Wie wel naar Kampereiland ging was Jaap Ruiten (64), telg uiteen oud vissersgeslacht. Hij was een vol jaar in de kost bij boer Roelof Steenbeek op erf 50 van de Kamper stadser¬ ven.

„Ik kwam er net na Pasen, toen de koeien juist van stal waren,” zegt Ruiten. Hij leerde onder andere melken en werken met paarden. „Ik ging ’s ochtends als eerste uit bed om het paard uit de wei te halen en voor de melkkar te spannen. Om vijf uur reden we naar het land om de koeien te melken. De boer had er 28, die we met zijn vieren molken: de boer zelf, de knecht, de meid

Binnendijks gedeelte van ‘de Vormt’ bij Urk met kwelplas. Op de achtergrond de dijk naar Lemmer.

Zwerfstenen op de drooggevallen polderbodem nabij Urk, het latere geologische reservaat ‘P. van der Lijn’. De Scandinavische oorsprong van dit reservaat leeft op Urk voort in de straatnamen ‘Bornholmlaan’ en ‘Osloloan’.

|
58

en ik. Ik maakte lange dagen, tot negen uur’s avonds,” aldus Ruiten.

De meeste Urkers hebben op Kampereiland veel opgestoken. Sommigen beleefden ronduit een goede periode. Een van hen leerde op Kamperei¬ land zelfs zijn vrouw kennen: Meindert van Jelle Hakvoort, die later trouwde met Berendje Stoel. Volgens Ruiten zijn er een stuk ofvijftien Urkers „op stage” geweest. Waaronder zijn broer Wil¬ lem, Jelle van Veen en Jan Hakvoort (broer van koster Albert Hakvoort van de Bethelkerk). Laatstgenoemde zat enkele boerderijen bij Jaap vandaan. Naar goede Urker gewoonte kwamen ze’s avonds regelmatig bij elkaar langs om even bij te praten. Het Rijk betaalde de veehoudereen vergoeding van zes gulden per week. Ruiten: „Ikzelf kreeg van het Rijk twee overalls, twee werkbroeken, een zondags pak, drie stel ondergoed, een paar klompen, een paar werkschoenen en een paar nette schoenen. Dit heb ik altijd opgevat als een teken dat de Staat zijn voile medewerking aan het project heeft gegeven en ik rekende er vast op dat wij later ook in aanmerking zouden komen om grond in de polder te pachten.”

Toen Ruiten na eenjaar weer op Urk kwam, was hij werkloos. De polder was in de buurt van Urk nog niet in cultuur gebracht en de nieuwbakken „landbouwers” moesten zich maar zien te red¬ den. Uiteindelijk belandde Ruiten bij een strovlechterij. Later werd hij timmerman. Hij heeft zijn vroegere boer nog eens geholpen, toen die de oude Urker watermolen, die vroeger het Top bemaalde, gekocht had. De „mollem” vond toen een nieuw plaatsje, ergens aan een sloot op Kampereiland.

In 1946 is de algemene landbouwcursus nog een korte tijd weer van start gegaan. Docent was

Johannes Malda, die afkomstig was uit Dedemsvaart. Erwerdomgeschakeldopvolledigdagonderwijs, zodat Urk een echte landbouwschool rijk was. De lessen werden gegeven in een zaaltje van het toenmalige jeugdgebouw, dat naast de Bethel¬ kerk stond. Een van de leerlingen uit de tweede groep was de thans 57-jarige Teunis Woord, die na het overlijden van zijn vader Auke hard meewerkte op het boerenbedoeninkje van zijn moeder. „We begonnen met zeventien man, onder anderen Tiemen Romkes en Sjoerd Pasterkamp. We hebben twee jaar les gehad. Toen werd de school opgeheven, terwijl de opleiding eigenlijk vier jaar lang had moeten duren. De eerste groep heeft de stofvan de laatste tweejaar nog in eenjaargeprobeerd te behandelen. Malda wilde dat wij naar Kampen zouden gaan om de opleiding afte maken, maarje moest met deboot en ik moest als oudste thuis werken voor de kost, dus ik heb het toen maar niet gedaan,” zegt hij. Bij het vertrek van Malda was het voor de tweede keer afgelopen met het landbouwonderwijs op Urk. De belangstelling was zo sterk teruggelopen dat verder gaan geen zin meer had.

Toch is er enkelejaren later weer een algemene landbouwcursus op Urk gegeven, nu voor het laatst. Net als in 1940 betrof dit een winteravondcursus. Ook Tromp Hakvoort draaide weer mee, „omdat ze volk te kort hadden.” Deze cursus heeft volgens Hakvoort maar een keer gedraaid, twee winters dus. De lessen werden verzorgd door meester Pluim uit Wilsum, achter Kampen, die drie avonden per week met de bus naar Urk kwam. Deze cursus werd gegeven onder verantwoordelijkheid van de Commissie voor Landbouwonderwijs in de Noordoostpolder van de CBTB en de NCLB (de christelijke landarbeidersbond). Voor deze cursus slaagde in

1955 onder andere Klaas Roos, die nu een veehouderijbedrijf heeft in Tollebeek. Mogelijk komt de grand waar hij met zijn zoon Freek op boert binnenkort door een grenswijziging bij de gemeente Urk.

Moeiteloos sommen Hakvoort, Ruiten en Woord de namen op van Urkers die de verschillende landbouwopleidingen gevolgd hebben.

Jaap Ruiten was een van degenen die gehoopt hadden dat ze in de polder een bedrijf zouden kunnen pachten, maar die daar niet voor in aanmerkingkwamen. Bij het begin van de cursus was dit volgens hem wel beloofd: „Ze zeiden: Als de polder droog is hebbenjonge Urkers de beste kans om een stukje grand te krijgen. Onze toekomst lag in de polder, niet op het water.”

Om leerlingen te krijgen werden zelfs advertenties in de Urker krantgeplaatst. Tramp Hakvoort meent dat de cursisten niet zwart op wit beloofd is dat ze een stukje grand in de polder zouden krijgen. Wel was bij hen de suggestie gewekt dat ze, wanneer ze goed hun best deden, een kans kregen om mee te dingen naar een pachtbedrijf. Voor de Urkers gold echter dezelfde procedure als voor andere Nederlanders die inschreven op de uitgifte van poldergronden. „Enje moest wel heel goed zijn om uitgekozen te worden,” zegt Hakvoort.

Overigens leefde op Urk de gedachte dat het eiland in de polder gebiedsuitbreiding zou krijgen. Dat gebeurde uiteindelijk ook, maar het was slechts een smalle strook grond rond het voormalige eiland. De grond werd door de gemeente in dejaren zestig verkocht aan belangstellende keuterboertjes, meest kippenhouders, die soms ook nog van buiten Urk afkomstig waren. Ruiten: „Je moest de grond kopen. Daar had ik geen geld voor. Samen met mijn broer, die ook de landbouwcursus had gevolgd, heb ik

toen nog geprobeerd als pachter in de polder te komen maar dat lukte niet. Op brieven, waarin we op degedane beloften wezen, kregen we geen antwoord. Uiteindelijk hebben we ons nog tot het Ministerie van Landbouw gewend. Toen kregen we een brief]e dat de zaak in onderzoek was en dat we tezijnertijd nader bericht zouden ontvangen. Dat moet nog gebeuren...” Ruiten meent, dat ook de houding van de Urkers die vanouds al boer waren, de anderen geen goed gedaan heeft: „Die mensen vonden dat zij de eerste rechten hadden.” De geschiedenis heeft echter uitgewezen dat ook de Urker veehouders niet voor domeingronden in aanmerking kwa¬ men. Ze maakten in de polder buiten de Urker gemeentegrenzen geen serieuze kans. Wel is aan de Urker veehouders gedurende een aantal jaren steeds los land verpacht, onder andere aan Tromp Hakvoort. Maar zodra er boerderijen op werden gebouwd, moesten zij het land weer inleveren. Alleen dicht tegen het oude eiland aan zijn later, toen de polder al helemaal in cultuur gebracht was, enkele kleine bedrijfjes aan Urkers verpacht. Deze grond werd tegen heteind van de jaren zestig alsnog bij de gmeeente Urk gevoegd.

De Urker boeren zijn nu, aan het eind van de jaren tachtig, bijna geschiedenis geworden. De een na de ander moest zijn bedrijf noodgedwongen staken toen de bebouwde kom van Urk over de oudegrenzen van het eiland heen groeide. Het Urkerhard neemt stukje bij beetje de nog resterende grond in beslag. Het is duidelijk dat de planologen van de jaren dertig de plank misgeslagen hadden. Jonge Urkers met een landbouwdiploma op zak werden weer visser. De polder bracht een nieuwe toekomst voor boeren uit het hele land, maar niet voor Urkers. Hun toekomst lag en ligt op zee.

Het opspuiten van zand tussen de keileemdammen, aanleg polderdijk Urk-Lemmer, nabij Urk.

61

De archeologische vondst

In een hoek van de schoorsteen van ons huis staat een kannetje. Het staat er al jaren achtereen op dezelfde plaats. Voordat het daar in zijn stille hoekje kwam te staan, had het al een heel lange geschiedenis achter de rug. Het was er al toen Michiel de Ruyter op de toren van Vlissingen klom en misschien zelfs lang daarvoor, want zulke kannetjes werden eeuwenlang met de hand vervaardigd. De buik van het kannetje is geringd en aan de smaller wordende hals zit een oor. Zijn voet is gekarteld bij wijze van versiering en de kleur is van een onbestemd soort bruin, overgaand in een klei-achtig grijs daar, waar het glazuur in de loop van de tijd is afgesleten. Het is een puntgaafexemplaar. Een kleine uitholling in de buik verraadt waar de maker het voor het laatst heeft aangepakt voor het te drogen werd gelegd of gezet, een duimafdruk die de eeuwen verduurde. In de tijd dat hetgemaakt werd moet Urk veel groter zijn geweest, maar dat is een ander verhaal.

Meijs, zo heette de oudeman, maar wij noemden hem wat oneerbiedig „Drommels”. Hij zei nooit veel, maar gaf wel commentaar op wat anderen zeiden. Datcommentaar vatte hij steevast samen in twee woorden: „Hee,drommels.” Eigenlijk zei hij iets anders, wat er veel op leek, maar, zo was ons geleerd, dat woord was onwelvoeglijk, bijna een vloek. Dus zeiden wij „drommels”. Op een

regenachtige avond in de herfst stond hij bij ons in de deuropening en knipperde met zijn ogen tegen het felle lamplicht in de kamer. „Hee drommels,” zei hij, „ik dacht dat hier een cafe was.” De gordijnen waren aan een schoonmaakbeurt toe en als vervanging hing een oud laken voor de ramen. Vandaar de vergissing. Maar moeder had intussen al een stoel aangeschoven.

„Een cafe hebben we niet, maar een kop koffie kun je hier altijd krijgen, kom er bij zitten.” Zo simpel ging dat toen. Later in de tijd kwamen er nog vele „Meijzen”. Ze werkten, evenals deze onverwachte bezoeker, in de Noordoostpolder, waar ze in kampen huisden. Bij voorkeur kwa¬ men ze op dinsdagavond, want dan konden ze voor de radio luisteren naar de bonte avondtrein van de Avro. Die polderwerkers waren over het algemeen wat ruw van aard, maar toch verschool zich onder de ruwe bolster vaak een blanke pit.

Ze waren voornamelijk afkomstig uit de Noordelijke provincies en, opeen enkele uitzondering na, taaie rooie rakkers. Dat gaf overigens nooit enige moeite, want bij ons thuis werd iedere overtuiging gerespecteerd. Soms gingen ze ’s zondags mee naar de kerk en bleven ze ’s middags eten. Ik herinner mij dat een van de mannen, hij was afkomstig uit Oost-Groningen, eens bloemen voor moeder meebracht omdat hij

tijdens verlof in zijn woonplaats na een paar borrels betrokken was geraakt bij een vechtpartij. Het was een reus van een kerel, voor geen kleintje vervaard, maar kennelijk doodeerlijk. Hij had best een redelijke smoes voor dat ene blauwe oog kunnen verzinnen. Dat de oude Meijs, de stugge zwijgzame Westfries, nog eens voor een bijzondere sensatie zou zorgen, had niemand van ons verwacht. Wie hem zo zag zitten in zijn hoekje met zijn pet op (die hij alleen afzette als hij zich bekruiste), zijn spaarzamenlijke „hee drommels” zorgvuldig over de avonduren doserend, kreeg de indruk van een eenvoudige in zichzelf gekeerde oude man, zonder enige belangstelling voor de dingen die de wereld toen beroerden, laat staan voor zaken als wetenschap encultuur. Zijn leven werd beheerst door het monotone spit- en graafwerk en het saaie kamerleven in het arbeiderskamp in de polder. Over zijn prive-leven, voorzover daarvan sprake kon zijn, praatte hij nooit. We wisten dat hij niet getrouwd was, en, vanwege dat zich bekruisen, dat hij Rooms-Katholiek was, althans naar alle waarschijnlijkheid. Wij moesten het doen met dat tweewoordelijks commentaar, om heteven ofheteen aardbeving in Turkije, een omwenteling in China of een plotseling sterfgeval in de buurt betrof. Op een zaterdag, voor hij met de middagboot naar Enkhuizen zou vertrekken, schuifelde hij weer in de richting van ons huis in de Prins Hendrikstraat. Met vermoeide gebaren plaatste hij zijn fiets tegen het hek en haalde voorzichtig iets, in krantenpapier gewikkeld, van de bagagedrager. Behoedzaam, alsofhij de Engelse kroonjuwelen vervoerde, droeg hij het pak met beide handen voor zich uit. Binnengekomen legde hij het pakket op het pluchen tafelkleed naast het blad met kopjes. Eerst kon hij geen woord

uitbrengen, nog nahijgend van kilometers harde tegenwind. Toen hoorden we hem zeggen: „...Heb iets voor je meegebracht, voorzichtig hoor, ’t is breekbaar...” De langste zin die we hem ooit hoorden zeggen. Behoedzaam begon moeder het voorwerp van zijn bedrukte wikkels te ontdoen. Er kwam iets bruins tevoorschijn, een stenen halsopening met een wat primitief gevormd oor. Toen de laatste wikkel opde grond was gevallen stond er op de tafel een puntgave kan van Siegburger steengoed, maar dat wisten we toen nog niet. De oude Meijs keek vergenoegd naar zijn schat en mompelde nog eens: „Voor jou...” Hij had het kannetje bij ontginningswerkzaamheden opgegraven in de aanvankelijke veronderstelling dat het een draineerbuis was. De oude Meijs, zilver ofgoud had hij niet, maar de schat die hij uitde zware polderklei had opgespit, daarvoor wist hij onmiddellijk een bestemming. Als een kostbaar relikwie kreeghet kannetje een ereplaats in de kleine woonkamer. Gaandeweg weefde moeder zo haar eigen verhalen rond het kannetje. Zo zou het door niemand minder dan Jacoba van Beieren zelf zijn gemaakt (we noemden het daarom „Jacobakannetje”). De ene keer was het afkomstig van het legendarische door de zee verzwolgen Nagele, ontsnapt aan de vloek van de stervende pastoor. Een andere keer fantaseerde ze over een middeleeuws vrachtschip, geladen met aardewerk, door storm overvallen en tegen de westkust van Schokland vergaan. Dan weer speelden woeste krijgslieden een rol, schuimend en plunderend langs de boorden van de oude Zuiderzee... Op het punt van het kannetje kende haar fantasie geen grenzen. Misschien begrijpt u nu waarom dit broze relikt nooit in een museum terechtgekomen is.

A.v.U.

„Er heerste daar voor zijn gevoel een volkomen rust, terwijl de rest van de wereld in brand stand. Polderlandschap tussen Ramspol en Urk, Henk Rotgans.

H. van Mastenbroek „Zandspuiten te Urk.” Foto Zuiderzeemuseum Enkhuizen

<r
64

Kunstwerken

Onder het woord kunstwerken wordt in de publicities diegewijd zijn aan de inpoldering, wel heel wat anders verstaan dan wat hier beschreven zal worden. Onder kunstwerken verstaat de ingenieur van Zuiderzeewerken de machtige sluiscomplexen zoals diebijvoorbeeld aangelegd werden in de Afsluitdijk ten behoeve van de afstromingvan het Ijsselmeeren van hetscheepvaartverkeer. Op deze bladzijden echter willen wede kunstwerkenzoals diegeschapen zijn door kunstenaars eens voor het voetlicht halen. De verbinding immers, van het stoere polderwerk naar het gevoelige penseel van de kunstschilder, wordt niet zo gemakkelijk gelegd!

A1 gingen dan op Urk bij de dichting van de Afsluitdijk in 1932 devlaggen op de vissersvloot halfstok: de Zuiderzee, de levensbron van honderden vissersgezinnen was dood, het merendeel van het Nederlandse volk beschouwde de afsluiting en gedeeltelijkedrooglegging van de Zuider¬ zee als „een grootsch nationaal werk waar eminente Nederlanders van eengrote bekwaamheid, gepaard aan stalen energie, werkzaam zijn om het cultuurgebied van Nederland door noesten arbeid met omstreeks 10 percent te vermeerderen.”

Aldus staat het omschreven in het album dat samengesteld werd van de talloze foto’s die alle

stadia van het wordingsproces van water totland tot in finesse laten zien „De afsluiting en gedeel¬ telijke droogmaking van de Zuiderzee over de jaren 1920 tot en met 1932”, een uitgave van de N.V. Handelsdrukkerij Holdert & Co. De samenstellers van het album, overtuigd van het unieke van het gebeuren, vatten het zeer goede idee op enkele kunstschilders opdracht te geven om op hun eigen wijze het „grootsche” dat hier verricht werd met tekenstift en penseel vast te leggen. Aan vijfkunstschilders viel deze eervolle opdracht ten deel: Herman Heuff, Roeland Koning, J.H. van Mastenbroek, C. Vreedenburgh en Ype Wenning. Twaalfvan hun werken werden uitgekozen enstaan in kleur afgebeeld in het album. Zij hebben allemaalbetrekking op de Afsluitdijk en de Wieringermeer. Een van deze schilders echter geraakte zo in de ban van de droogmaking dat hij niet van ophouden wist. Toen in 1939 het moment naderde waarop dedijk van de Noordoostpolder tussen Lemmer en Urk gesloten zou worden, trok hij er weer op uit om ook dit historisch gebeuren in schetsen vast te leggen welke later weer tot nieuwe schilderijen leidden. Deze man was Jan Hendrik van Mastenbroek (18751945). In zijn herinneringen schreef hij: „Ik zag dadelijk bij een inspectietocht langs den gedeel-

telijk gemaakten Afsluitdijk, dat daar voldoende werk voor me zou zijn. Ik werd door dit werk zeer gegrepen en het liet me niet meer los: ik moest het wel maken, zoo was ik onder den indruk van het geweldige werk, het was in een woord dan ook iets grootsch! De tochten overde klei en den dijk waren wel inspannend en vergden veel van mijn uithoudingsvermogen, maar ik zette door. Zonder op vermoeienis te letten, soms dagen zonder middagmaal, maar dat gaf niets wanneer ik mijn schetsen maar kon maken.”

Het was niet zo verwonderlijk dat hij door zijn nieuwe taak werd geobsedeerd. Als geboren en getogen Rotterdammer had hij als schilder van het Rotterdamse havenbeeld al een voorliefde voor het technisch spel van de machtige bokken en kranen. Hier bij de dijk zag hij eenzelfde soort giganten temidden van een wijdse natuur. In plaats van het vastleggen op zijn schetsen van het graven van steeds weer nieuwe havens, tekende hij nu het ontstaan van land uit water. Ook op 3 oktober 1939 was hij erbij. Uit detoen gemaakte schetsen ontstond het grote doek „Het laatste schepje”. Het kunstenaarsoog zag gebeuren hoe door een laatste schep klei Urk opeens geen eiland meer was: het laatstesluitgat in de dijk van Lemmer naar Urk was gedicht! Opvallend op dat schilderij is de Urker vrouw op haar rug gezien. Het is Mariap, de Urker volksdichteres, een vissersvrouw op de traditionele wijze gekleed. De schilder zal haar zekergekend hebben, betrokken als ze was bij het wel en wee van haar Zuiderzee.

Op het omslag van dit boekje prijkt ook een ander groots schilderij: De machtige grijper, overwinnaar in de strijd tegen de zee. Het werd gemaakt in 1932. Maar dezelfde grijpers vertoonden zich vaak angstaanjagend groot en

overweldigend toen de dijk Urk-Lemmer werd aangelegd. Voor veel Urkers waren ze meer de kwade genius die hun het eiland, hun eigen stukje grond, hun koninkrijkje ontnam, dan de heroi'sche werktuigen die iets groots aan het verrichten waren. Van Mastenbroek wist in zijn schilderij beide gedachten te vangen.

Een heel ander verhaal is dat van de tekenaar Henk Rotgans. In 1939 werden degeruchten van oorlog steeds sterker. Maar men werkte stug door aan de inpoldering. In 1942 viel de polder droog. Urk was nu wel heel duidelijk geen eiland meer al werd het droogvallende land nog voornamelijk bewoond door vele soorten watervogels. Pioniergewassen schoten op. Onafzienbare rietvelden ontstonden en de eerste pioniers arriveerden met schop en kruiwagen om de bodem van de zee in cultuur te brengen. Nederland was intussen al lang bezet gebied en voor veel mannen bleek het noodzakelijk om onder te duiken wilde men aan de razzia’s van de Duitsers ontsnappen. „Niemand weet meer wan¬ neer de eerste onderduikers kwamen, maar ze vonden de polder. Eerst druppelsgewijs, later bij honderden tegelijk en volgens de heer Knipmeyer (hoofd administratie en personeelszaken Directie Zuiderzeewerken): eerst schuchter en zonder vertrouwen, later in de vaste overtuiging dat hun daar niets zou overkomen. Knipmeyer verhief ze alien tot ‘landarbeider’ met een alom beschermende Ausweis.”(Jan Willem Stolk: De Noordoostpolder in bezettingstijd).

Een van deze onderduikers was de Amsterdam¬ mer Henk Rotgans die zich reeds enige bekendheid verworven had als illustrator met zijn omslagtekeningen voor „Panorama”, het in die jaren veel gelezen familieblad. Rotgans was in militaire dienstgeweest en moestzich derhalve

melden als krijgsgevangene. Dit leek hem geen aanlokkelijk idee en hijbesloot zichte melden bij Knipmeyer. Deze zette hem aan het „rogge schonen”, zwaar werk, waarbij hij uren achter elkaar zware zakken moest sjouwen. Gelukkig ontmoette hij ingenieur Van Eck van de Directie die hem als de illustrator van „Panorama” herkende. Deze stelde hem voor, de kampkantines maar eenstegaan opvrolijken met leuke wandschilderingen in plaats van het zware ploeteren met zakken rogge. „Maar,” zei Van Eck, „stap eerst eens op de fiets en ga die polder eensbekijken.” Dit wasaan geen dovemansoren gezegd. Rotgans pakte zijn rijwiel en verkendeen tekende de polder tot in alle uithoeken. Toen ontdekte hij welk een geweldige stilte en vredige

sfeer de polder uitstraalde: „Ik kan me nog goed herinneren,” zo vertelde Rotgans later, „die doodse stilte met alleen de merkwaardige geluiden van de waterbeesten.” Ver van de bewoonde wereld en helemaal alleen tekende hij vanaf de dijk tussen Ramspol en Urk het moeras waaruit de polder daar nog grotendeels bestond. Er heerste daar voor zijn gevoel een volkomen rust, terwijl de rest van de wereld in brand stond (ontleend aan: Jan Willem Stolk „De Noordoostpolder in bezettingstijd”). Wat Rotgans met het penseel schildert, is ook vele Urkers van die tijd bijgebleven: die onmetelijke stilte met de meest fantastische watervogels die voorheen op Urk geheel onbekendwaren! Velen hebben daar evenzeer van genoten als Henk Rotgans.

Verstild leverv scheepswrak opgegravert in de NO.P.

67

Een ander van Rotgans (niet in dit boekje opgenomen) werkstuk zal bij vele Urkers herinneringen, maar dan van een heel wat minder vredige aard naar boven brengen: de razzia van november 1944! (Zie ook: „Nade razzia” dagboek van Sjoerd Snoek. Urker Uitgaven deel VII). Op 16 november 1944 werd al snel duidelijk dat uiteindelijk ook de polder niet gespaard zou worden voor de wanhopige pogingen van de bezetter om arbeidskrachten te verwerven. Ook kreeg men al snel door dat niet alleen de omliggende dorpen en Emmeloord deze ‘eer’ te beurt zou vallen. Alles wees erop (bijvoorbeeld het meevoeren van rubberboten) dat de gehele polder en de talloze barakkenkampen uitgekamd zouden worden. Vluchten leek nauwelijks mogelijk. Jan Willem Stolk schrijft hierover: de Duitsers waren het kamp nu genaderd en al gauw werd de deur van de kantine opengegooid, waarna hetbevel „heraus” volgde. Zonder mankeren werd dit bevel opgevolgd en een soldaat bracht Rotgans en zijn kameraad buiten het kamp, naar een kruispunt van een paar provisorisch aangelegde weggetjes. Daar stonden een stuk of wat arbeiders die al eerder gegrepen waren. Op een meter oftwintig afstand stond een mitrailleur opgesteld. Rotgans en de anderen moesten daar een paar uurblijven staan, maar dit betekende wel, dat ze de actie van zeer nabij konden volgen.

Ze zagen hoe grote groepen Duitsers het kamp van onder tot boven doorzochten. Vervolgens was degrote wildernisaan debeurt. Rotgans zag hoe bang de Duitsers waren die de rimboe ingestuurd werden. Zatdaar niet een partizanenleger? Kon er midden in het verraderlijke rietmoeras niet plotseling hard toegeslagen worden?

Rotgans was er getuige van, hoe slechts na de nodige vloek-en-scheldpartijen het de bevelvoe-

rende officieren geluktehun mannen het rietin te sturen. Later legde hij deze situatie met de tekenpen vast. Het waren uiteraard niet alleen onderduikers die gepakt werden. Ook de echte polderarbeiders waren de klos en onder hen waren ettelijke Urkers. De meeste Urkers echter werden op het dorp zelf gegrepen. Voor alien gezamenlijk begon de barre tocht naar Duitsland of... (heimelijk ontvlucht) ...terug naar huis!

Dit beeld van de polder zal de „eminente en uiterst bekwame” mensen die de polderplannen ontwierpen in hun stoutste dromen nog nietvoor ogen hebben gestaan!

69

De dichteres en de drooglegging

Op het schilderij van J.H. van Mastenbroek, „Het laatste schepje”, staat zij afgebeeld naast burgemeester Keyzer, een eenvoudige vissersvrouw tussen dijkwerkers en autoriteiten die haar even tevoren haar eiland hadden ontfutseld. De stralende oktoberhemel boven de grauwe bagger moet zij wel gezien hebben als een troostprijs van de Schepper bij zoveel menselijk vernuft. Dat was op de derde oktober van het jaar 1939. Haar lot was te leven op de grens van twee werelden, die van de romantiek van een verdwijnend visserseiland en die van de komende vooruitgang. Met die tegenstelling wist zij zelf ook niet altijd raad. In het ene gedicht „De baggermolen” heet het:

Men vroeg mij vele malen

Om in een dicht oflied

Den molen afte malen:

Helaas, ik kan het niet!

Dat nieren-doordringend staal-knarsgeluid, Met eindeloos-wentelend moddergespuit? Het lied van de zee was mij schooner muziek, Vermengd met het schuren vanfokmast en giek.

In tegenstelling daarmee klinken ons de regels tegemoet uit haar gedicht „Het laatste sluitgat”: Een drom van meters, ingenieurs en bazen, Zij werkten mede aan dit schoon geheel,

Dit waterwerk, dat ieder moet verbazen; En vraagt men ’thun? ’tBeteekent nietzoo veel! Zij spreken U niet van de tegenslagen, Noch van het risico, hun opgelegd

Door water, vuur en storm en gure vlagen: Zij deden’t werkl Daar werd een dijk gelegd. O, Hollandsch ras! Zoo taai en onbewogen, Zoo stoer in strijd met't natte element, O, ingenieurs, wij stellen U voor d’oogen Van gansch ons volk! Het worde wel bekend!

Die tegenstelling tussen verguizing en bewondering komt in haar gedichten meerdere malen tot uiting. Er is een gedicht van haar hand bewaard gebleven dat was opgedragen „Aan onzen lieven staatsman Hendrik Colijn”, maar heel wat min¬ der gezagsgetrouw klinken de bijtende woorden: Eerst de zee en nu de netten nam men aan de Urkers af en zo delft men, schop voor schopje langzaam aan des vissers graf Overmaat vanflinkepaling, en nujaagt men ons naar huis, goat de hele vloot naar huis toe, zwaarder wordt dan nog ons kruis. Was ik zelfeen Urker visser, ofik kwaad deed ofwelgoed, sterven zou ik op mijn netten, badend in mijn paupersbloed.

Jef Last, de felle socialist die het een paar jaar later tegen Franco zou opnemen, nam het op in zijn bekend geworden roman „Zuiderzee” (1934). De tegenstelling, zoeven genoemd, wordt enigszins begrijpelijk als men weet dat zij zelf met een visserman was getrouwd en alle sores van het wisselvallige vissersbestaan kende:

Men nam hem alles, alles af: hoop, toekomst en krediet. En wat komt daarvoor in de plek? Wei, armoe en verdriet.

Die regels schreef zij in ’33 of ’34, maar gaandeweg wordt haar verzet minder fel en haar oeuvre milder gestemd. „Het inzicht komt met dejaren” zei ze graag en veel. Dat inzicht kwam haar niet zo maar aanwaaien. Zij las veel, spelde de krant, ontving schrijvers en journalisten en correspondeerde met tientallen mensen van allerlei slag. Diejaren van de drooglegging waren ongetwijfeld de roerigste van haar leven, maar tevens de boeiendste. Tenslotte berusttezij en die berusting vinden we terug in het titelgedicht van haar eerste bundel „Vaarwel mijn Zuiderzee”:

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining vanje golven,

Die eeuwen lang ons in de sluimer sust’, Ligt roerloos thans: daar is een grafgedolven Voor uw bestaan en’s visschers levenslust.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; gedenken wij de dooden,

Die eenzaam rusten inje stille school, De visschers, die voor dagelijksche nooden Zich waagden opje wiegelende vlooL

Vaarwel, mijn Zuiderzee;de wielen dergemalen, Zij wenl’len dreunend’ aanstonds, dag en nacht

En rusten niet, aleer gij, droog gemalen, Al bloeiend’ in cultuurzult zijn gebracht.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; wij zullen niet versagen, Uw stervenswee een nieuwe toekomst baart, Waaraan wij bouwen: en waarop wij vragen Gods Zegen! die aan arbeid is gepaard

Als Marretje Koffeman werd zij op 9 augustus 1898 geboren. Als Mariap van Urk liet zij drie bundels na: „Vaarwel mijn Zuiderzee” (1949), „Urker ambachten en bedrijven” (1955) en „Urk is zo mooi” (posthuum, 1981). Men heeft haar wel de dichteres van de drooglegging genoemd, maar dat vond zij te veel eer. Een van haar gedichtjes begint zo: Ik ben een doodgewone vrouw, een vrouwtje op haar klompen. Een, dieje dagelijks zoo treft Aan Urker waterpompen.

Een doodgewone vrouw op klompen, dat was zij, dat is zij gebleven. Een vrouw met een groot hart. Dat ondervonden de polderjongens die, ver van huis, bij haar een thuis vonden. In 1966 overleed zij, 68 jaar oud, na een bewogen maar rijk leven.

A.v.U.

3 oktober 1939.

Werkzaamheden bij het laatste sluitgat in de dijk van Lemmer naar Urk. Om 14.44 uurploften de laatste kluiten in het gat en was de dijk gesloten. Urk was geen eiland meer.

3 oktober 1939. Staande op een wiebelendeplank reiken de burgemeesters van Urk (G. Keijzer) en Lemslerland (M. Krijger) elkaar de hand boven het laatste sluitgat in de Lemmerdijk.

72

Belangrijke data

Voor het Zuiderzeegebied en zijn vissersvolk zijn een aantal data van grote betekenis geweest.

We noemen hier hetjaar 1918 toen de wetop de afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee door de Volksvertegenwoordiging werd aangenomen en de vissers begrepen dat hen grote veranderingen te wachten stonden. Het heeft waarschijnlijk de pas begonnen motorisering van de Urker vissersvloot sterk bevorderd. Immers, botters met motorkracht waren minder afhankelijk van afstanden en weersomstandigheden en konden beter de visgronden langs de Noordzeekust bereiken. Zou de Zuider¬ zee verloren gaan, dan zou de Noordzee nog toekomst bieden.

Een dag van de grootste betekenis was vervolgens 28 mei 1932 toende dijk tussen Holland en Friesland gesloten werd en de Zuiderzee Ijssel¬ meer was geworden. Het had grote gevolgen voor het milieu en de visserij. Er kwamen zeer spannendejaren. De zee ging dood, maar leefde op andere wijze weer op. Er was teleurstelling, maar ook verwachting.

noemd. Bij Urk werd een werkhaven aangelegd en een bouwput voorsluis engemaal. Naar twee kanten vorderden weldra de dijken en de bevolking begreep dat het nu menens werd en Urk eiland-afzou raken. Enerzijds werd de werkgelegenheid bevorderd, maar anderzijds schrokken velen nog terug voor de consequenties die de drooglegging zou kunnen hebben.

En toen kwam de derde oktober van 1939. Het was in beginsel Urks ontzet. Het sluiten van de dijk tussen Urk en Lemmer betekende het einde van het eiland en was het begin van een nieuwe fase: Urk een stukje van het vasteland. In 1940 ging „in stilte” de dijk tussen Urk en Overijssel dicht en kon het droogmalen van de polder beginnen, al kon het Urker gemaal daar, door een ongelukkige brand in de bouwput, niet of nauwelijks aan deelhebben.

Dertien april 1942 geldt als de officiele datum dat het nieuwe land droogviel, maar het was hartje oorlog en Urk bleefvooralsnoggeisoleerd.

In 1936 werd begonnen met de inpoldering van „het Urkerland”, later de Noordoostpolder ge-

De winter van 1947, toen „het eiland” nog drie maanden in ijs en sneeuwgevangen zat, was nog een ware verschrikking. In november schreefde krant over een „wantoestand op Urk”. De gal begon over te lopen. Water- en lichtvoorziening

waren nog zeer primitief. De boot moest nog waswater aanvoeren! Woningen konden niet gebouwd worden. Wat werd er voor de 4.500 bewoners gedaan? Werden ze vergeten?

Op 19 mei 1948 werd eindelijk de nog zeer smalle weg (drie meter) tussen Urk en Emmeloord opengesteld. Een daglaterging eral een bus rijden en na een week werden de bootdiensten op Kampen gestaakt. Een V.V.V. werd opgericht en B. en W. besloten tot het invoeren van een zaterdagmarkt. Goed water, betrouwbare elektriciteit en aardgas lieten nog jaren op zich wachten en het dorp moest het autoverkeer nog buiten de dorpskom houden omdat de straatjes er niet opberekend waren. Erstond nog heel wat te gebeuren, maar er was hoop.

gesteld en dat was al een hele verbetering. Toen was Urk werkelijk eiland-af.

We kunnen ons de toestanden van toen nog nauwelijks voorstellen. Na dertigjaar van onzekerheiden moeilijkheden (tussen 1918 en 1948) kon Urk tenslotte zijn draai maken en het heeft daar ook op ongedachte wijze in de afgelopen decennia gebruik van gemaakt.

Kantine van de Zuiderzeewerken te Urk. Officieel heette het gebouw ‘Rijksontspanningslokaal’. Foto: Uitgeverij G.J. de Wit.

Zonder enig feestvertoon werd in September 1948 de Domineesweg voor het verkeer open¬

Het lage deel van Urk werd niet meer overstroomd, er kwam bouwgrond voor woningen en industrie, de vloot kon uitbreiden. Urk van toen zou het Urk van nunietgeworden zijn, als er geen afsluiting van de Zuiderzee, geen drooglegging van de Noordoostpolder en geen verkeersmogelijkheden over land gekomen waren. Urk maakte in en door genoemde data een spectaculaire ontwikkeling door. De toekomst is vooralsnog een gesloten boek.

dV
74

Mijn zee is dood

Mijn zee is dood, een dijk omsluit mijn water, mijn gebied, Straks is het met de visvangst uit, en dan? Ik weet het niet.

Het smalle water, dat nog blijft, biedt niet voor alien brood, Wat zal ons wachten na dien tijd? Gebrek misschien, en nood

Waar vind ik elders een beslaan, dan op het ruime sop?

’k Zou naar de polder kunnen gaan, en werken met een schop;

En dan mijnjongens, die ik ken als frank enfier en vrij.

Wat baart de naaste toekomst hen? Ook wroeten in de klei?

HWij leefden vrolijk en tevree in dagen van weleer, Toen was mijn zee nog Zuiderzee, en nog geen Ijsselmeer.

De tijden van ansjovisvangst, van haring, botenschol.

En nu, wordt spitten straks ons lot? Een Urker wordt geen moL

Een Urker is een waterrat, die mint het visserbuis,

Die weet zich rijk op i schuimend nat en voelt zich daar slechts thuis,

Die gruwt van wat naarpolders zweemt in afkeer en in schrik,

Die blijft van boerenarbeid vreemd totaan zijn laatstesnik.

75
W. Ruiten
{MHmfffftW i > , V,.M. , ' , K)),' "in ffls&B&lliMttu$($ l; ':! ftWHsaav .VjjyiV.'-'Mi ^'v'Alyv'.CUvA' \V 1 • V V' .v v.,'mV\V.\rV^\\v.\\U‘AWUVUVAA*v'lV>vVJ!!5\\V’\'V. 1 mmm

Urk: een ‘energiek’ eiland

De dijk, die sinds 3 oktober 1939 het voormalige eiland Urk met de Friese vaste wal verbindt, heeft een halve eeuw na de voltooiing een bestemming gekregen, die schitterend past in dit natuurrijke gebied. Even ten noorden van Urk staat een windmolenpark van drie kilometer lengte. Het park, gebouwd en beheerd door nv Energiebedrijf IJsselmij, telt 25 windmolens, die elk een vermogen van 300 kilowatt kunnen leveren. Wie had vijftig jaar geleden kunnen denken dat de dijk, die het leven op Urk destijds zo ingrijpend heeft beinvloed, nog eens gebruikt zou worden voor een zeer milieuvriendelijke vorm van elektriciteits-opwekking? Over elektriciteit gesproken, de elektriciteitsvoorziening op Urk geschiedde tot 1949 door een eigen, niet altijd even betrouwbare, gemeentelijke centrale, waar de energie onder een gelijkspanning van 220 Volt werd opgewekt. De distributie verliep over een bovengronds net, dat de toch al smalle straten bepaald niet verfraaide. En als op wasdag de Urker vrouwen hun waslijnen aanbrachten, dan was het helemaal een wirwar van palen en draden.

De Urker gemeenschap zag het nut van een betrouwbare elektriciteitsvoorziening in en ging in de ‘slag’ met het energiebedrijf. Men was eraan gewend geraakt andere wegen en wateren te

zoeken om in de levensbehoefte te voorzien als de omstandigheden daartoe dwongen. De inpoldering van de Zuiderzee dwong de Urkers immers ook al eens achter de vis aan te gaan... Zo ging het ook op hetgebied van energie. Vernieuwing betekende in dit geval vooruitgang. De kabel met Emmeloord werd met heel veel moeite gelegd en Urk was ook in dit opzicht niet langer een eiland. Stond men in het begin nog wat sceptisch tegenover die vreemde stroom, die helemaal uit Zwolle kwam, in de loop derjaren hebben de Urkers een prima relatie opgebouwd met ‘hun’ nv EnergiebedrijfIJsselmij. Die goede relatie vormde ook de grondslag voor de bouw van het Windpark IJsselmij, dat jaarlijks ongeveer tien miljoen kilowatturen kan opwekken. Zonder de medewerking van onder andere de Urkers had dit modeme windpark, dat binnen eenjaar dankzij de windelektriciteit kon leveren, nooit zo snel gebouwd kunnen worden. Op Urk ziet men deze schone vorm van energieopwekking wel zitten. Het is een bron van energie, die helemaal past bij dit vissersdorp, dat zelf immers ook al jaren bruist van energie.

ministers: van waterstaat.

N°. 268 Z.W.

Bestedtng op 24 Februari 1037.

ZU1DERZEF.WERKEN. iNoordoosteltjke pokier rio. 4.)

DEEIJEN VAN DUN MEERDIJK. Dienst 1937 1938—1939 1940.

Met 2 ieekerimgen en 2 modeMnschrijvingsbiljetten.

BESTEK EN VOORWAARDEN

voor het niaken van dealen van den maerdiffc van den Ntmrdoostelyken Polder met bijfcomende workon.

A V1 >EELING 1. BES( HR Id VINE

4 1. .Uf/t'Nwetit' oitisrhr/jmny. en pi’mifshepmiuy. Do werken waarop dii bastek hairekklug heeft, *y». de eyferperaeelen i tot en met TV en do letterpert'etden P- Q on R.

Poreeel 1. F.en gadeeita van den nieerdijk van dan Xoordoostelyken Polder, lang 10.000 m. aanshiitanda atm dan vulgaris beslek NX 259 Z.W, nitgevoerden fhmdeeri.ngspnt bij Larnmer, met een seheepvaartgenl naar do haven van Hammer en een hoof'd in da nabijhehi van die haven;

Pereve] P. Een gedeelte .van dien rneerdijk, fang 4.000 ra. aansluiteode ami den genoemden, volcrcns hestek NX 259 Z.W. uiigevoerden trmdeeringspoE met ean f»eheapvaart:gaui en een hoot’d als haven;

Pereaa l II. Een gedeelte van dien rneerdijk. fang 0.300 m, a-ansluitende ami de noordknst van hat eiland TTrk;

Pereael. Q. Een gedeelte van dien rneerdijk, king 2.000 m, aanslnitentde aim de noordkust van het eiland Erk;

Pereael HI. Ean gadaelte van dien rneerdijk. Jang 0.200 tn, aanslnitende aan bet. volgens bestek NX 255 Z.W. uitgevoerde dykvak by hei eiland Erk;

Pereael R. Een. gedeeite van dien rneerdijk, lang 1.900 m, mrnslnitenda aan hat genoernde, volgens bestak NX 255 Z.W. rdigevoerde dykvak;

Pereeel IV. Ean gedeelte van dien no-eixlijk, lang 0.000 m, waarvan het oostelijk nitainde figt in dan meridiaan op 2b.800 rn oost van Amersfoort, mat aau werkgen1.

De Jigging van de te maken werken is in het afgemeen aangegeven op de taekening triad no. 1 an -/.isI under door da dimdie. op kosten van dan aannemer, op het terrain worden uitgezet.

Het verk ?m\ met de hykornenda werken moeten warden uitgevoerd en onderiionden volgens de bepalingen van dit bestek en in overeensfemming mat de daarbij behooremh- teekeningen, alsmede volgens de nader door de directie te geven aanwijssmgeo.

k 2. A atfere. pinatsbepa/inn an kmfda.[matinyen. De Jigging van de be.itenkniinlijn van het op de taekening bind no. 1 aanga.gaven trace van den

i 3:1 If ii f 78

Urk na de drooglegging. Luchtfoto 11.7.1958

KLMAerocarlo 32206.

In 1948 kwam eindelijk! de wegverbinding Urk-Kampen via Emmeloord tot stand. De opening van de weg had eenfeestelijk karakter.

80

Inhoud

Voorwoord. 3

En de zee was niet meer T. de Vries. 5 Urk en de polder L.G. Voorberg.11 Een boorder aan het woord.21 Interview met Klaas Ras

Het verhaal van een rijswerker.26 Interview met A. Koman

Een visser vertelt.31 Interview met Frans de Jong

Ik was er bij.34 Van Zuiderzee tot Ijsselmeer Jan ten Napel

De veerman vertelt.42 Interview met Albert Hakvoort

De polder in oorlogstijd.45 Interview met Joh. Gerssen

De wecrman verhault.50 Interview met Jelle Pasterkamp

Urk, 1939-1989. 54 Memoires van een oud-dijkwerker - Willem Ruiten Vissers moesten boer worden Tiemen Roos.56

De archeologische vondst Albert van Urk.62 Kunstwerken Marian Cense-Pleyzier.64

De dichteres en de drooglegging Albert van Urk.70 Belangrijke data T. de Vries.72

Mijn zee is dood W. Ruiten.75 Urk, een „energiek” eiland D. Honnef 76

Hartelijk dank

Deze uitgave werd mogelijk gemaakt door medewerking van onderstaande instellingen en bedrijven:

Gemeente Urk en Gemeentelijke Visafslag Waterschap Noordoostpolder Energiebedrijf IJsselmij N.V. Amro Bank N.V.

Zeevisgroothandel P. Baarssen Radio L. Bakker Garage P. Bakker Nettenhandel W. Bakker Bertus van Flip Blom’s Slagerijen Oliehandel G. de Boer B.V. Loodgietersbedrijf Gebr. De Boer Oliehandel Klaas de Boer B.V. Partyservice De Boer Bondsspaarbank Bos Diepvries B.V. Bakkerij Brouwer Limonadefabriek Brouwer Mannenmode Brouwer Slagerij Brouwer Transportbedrijf Brouwer Supermarkt C1000 Slagerij Cretier Coop. Producenten Organisatie Eiland Urk B.V. Studio Ellenef Gebr. Hakvoort Zeevisgroothandel Textiel Gebr. Hoefnagel A. en L. Hoekman B.V. Bloemsierkunst ‘Jasmijn’

Kantorenassociatie van Accountants en Belastingconsulenten Juwelier A. Kaptijn Bloemenhandel’t Karrewiel

Fa. Rater en Weerstand Roldijk B.V. Optiek Dirk Korf Korf Vis B.V. Boekhandel Roster Bakkerij Lub Rramer Accountantskantoor V.d. Linde Drogisterij Mars Scheepswerf Metz B.V. Neerlandia Urk B.V. Northseafood B.V. Bouwbedrijf Gebr. Oost Fileerbedrijf Gebr. Post Mevr. Post-Taal/Eclusee Post Seafish Rabobank Radio H.R.W. Accountantskantoor Ras Makelaarskantoor J. Rooze Garage Van Slooten Technifoto R. Visser Visser Sport M. de Vries Transport Rado-shop Wakker Woninginrichting R. Wakker Het Urkerland B.V. Rapsalon L. Visser Aannemersbedrijf J. de Wit B.V. Touringcar. IJsseltours De Zeester B.V. Zephyr Roeling