Page 1

2016 JAARMAGAZINE OVER BELEID EN TENDENSEN IN HET SOCIAAL-CULTUREEL WERK

SOCIAAL-CULTUREEL WERK

Sven Gatz • Theo Francken • Bart Caron • Yamila Idrissi • Marius Meremans • Caroline Bastiaens • Stephanie D’Hose • Luc Delrue • Iris Van Riet • Tine Hens • ...


COLOFON EEN UITGAVE VAN:

FOV vzw federatie sociaal-cultureel werk Gallaitstraat 86 bus 12 1030 Brussel tel. 02 244 93 39 info@fov.be www.fov.be Brussel, augustus 2016 BIJDRAGEN:

Karine Cleynhens, Liesbeth De Winter, Mathijs Post, Hannes Renglé, Joris Smeets, Dirk Verbist en Kristien Vermeersch TEKSTBEWERKING EN REDACTIE:

Isa Van Dorsselaer FOTOGRAFIE:

Alle foto’s door Sophie Nuytten (www.sophienuytten.allyou.net), behalve: pgs. 30, 31 en 35: Maarten Mellemans voor Refugee Assist / pg. 36: Adam Nowek, Creative Commons, flickr.com / pg. 37: © recup’kitchen - fabonthemoon EINDREDACTIE:

Joris Smeets VORMGEVING:

Media Luna - Marc Provoost DRUK:

Drukkerij Bulckens, Herenthout

MET DANK AAN: Bart Caron, Yamila Idrissi, Marius Meremans, Caroline Bastiaens, Luc Delrue, Iris Van Riet, Martin Ruebens, Bart Verhaeghe, Stephanie D’Hose, Sven Gatz, Theo Francken, Charlotte Vandycke, Wim Verlinde, Frederik Serroen,Tine Hens, Lucas De Man, Toon Vandevelde en Noir Koffiebar (Leuven). Een bijzonder woord van dank aan Marc Provoost en Isa Van Dorsselaer voor hun constructieve inbreng.

Met medewerking van de FOV-lidorganisaties

federatie sociaal-cultureel werk


I

k weet het, ik trap een open deur in: we globaliseren steeds verder. De Googles van deze wereld spelen Big Brother, the Pokemons veroveren in een vingerknip duizenden en duizenden vierkante kilometers, we surfen van de ene hype naar de andere brandhaard. Jonge Britten houden wel van de open grenzen, terwijl hun oudere landgenoten een muur “Brexiten”. Vluchtelingenroutes gedragen zich zoals het water in de Ourthe in mijn kindertijd, toen ik uren aan een stuk de natuur bemeesterde door de aanleg van een dam. Om vervolgens te zien dat de stroom zich weer een andere weg had gebaand. De drang om te beheersen wordt uitgedaagd door wat ongrijpbaar is, dat wat hoe dan ook wil en moet verderstromen. ‘Grenzen’: een woord van zeven letters dat voor mij goed samenvat waar het dezer dagen zo fel over gaat. Grenzen tussen staten en deelstaten, grenzen tussen gebruiken en culturen, open grenzen om bedrijven en Erasmusstudenten hun ding te laten doen, open grenzen om innovatie, verandering en verbetering te vinden,… Open grenzen geven zoveel kansen tot meer en beter, dragen de kiemen in zich van wat ooit anders zal zijn, moet zijn. Maar ze dagen uit, ze dwingen om stappen te doen in de richting van wat vandaag onbekend is. Ze maken onzeker. Daar is niets mis mee, zolang er maar voldoende kapstokken zijn, hulpmiddelen om constructief (en niet doelloos) met die onzekerheid om te gaan.

INTRO

GRENZELOOS de verandering die bezig is. En nog eens op ­hetzelfde moment werpt een andere organisatie een dam op tegen wat volgens haar zeker niet dé toekomst is. Allemaal sociaal-cultureel werk, allemaal gedreven door een missie: voor sommige organisaties is deze kakelvers, voor andere een decennialange rode draad, maar ze vormen alle samen het noodzakelijke ecosysteem van onze sector. Voor geen van deze organisaties is het vandaag ‘business as usual’. Anders zouden ze geen sociaal-cultureel werk zijn. Telkens opnieuw gaat het om zoeken, vinden en terugvinden. Dat ervaren we elke dag, in die meerstemmigheid en veelvuldigheid van sociaal-cultureel initiatief. Dat maakt deze sector ook zo fantastisch.

Minister Gatz beitelt aan een nieuw decreet voor het sociaal-cultureel volwassenenwerk. We staan aan de vooravond van de gesprekken daarover. We proberen er mee voor te zorgen dat het over ‘iets’ zal gaan, we zullen luisteren en luisterbereidheid zoeken. En tegelijk zal ik voor ogen houden wat mijn kindertijd aan de Ourthe mij ook leerde: een goed decreet dat een behoorlijk lang leven beschoren wil zijn, ambieert vooral het faciliteren van een grondstroom die elke beleidsperiode opnieuw voor elke organi­satie onomstotelijk is. Zo’n decreet, dat is een grenzeloze kunst.

Dirk Verbist, directeur FOV

In een tijdsgewricht dat inbeukt op en/of flirt met grenzen gedijt het sociaal-cultureel werk. De ene organisatie duwt en trekt om remmen en afbakeningen sluipend te veranderen in wat volgens haar dé toekomst is. Op datzelfde moment werkt een andere organisatie geduldig en creatief aan het ‘meenemen’ van grote groepen mensen in

I

2016 1


4

MEERDERHEID VERSUS OPPOSITIE

Over het (Brexit)referendum en andere vormen van inspraak

Wie maakt welk verschil?

WIE VAN DE VIER?

IN OF UIT?

10

17

Luc Delrue, meer dan enkel overheidsmanager

22

WAT NU GEDAAN MET DE PROVINCIES? Stephanie D’Hose heeft een plan

2

I

2016


VLUCHTELINGEN IN VLAANDEREN

28

36

FREDERIK SERROEN

Samen sleutelen aan de publieke ruimte

Wat doet het sociaal-cultureel werk?

IN EUROPA

42

Hens en De Man op zoek naar vernieuwing in ons oude continent

48

PAST DE MARKT WEL IN ONS KRAAM? Toon Vandevelde: econoom én filosoof

I

2016 3


COMMISSIE CULTUUR: STILTE VOOR DE STORM 4

I

2016


Wat waren de uitschuivers en toppers in dit bepalende en spannende jaar voor de sector?

YAMILA IDRISSI (SP.A)

Uitschuiver 1: We zijn niet in staat om de etnisch-culturele verenigingen een financieel rugzakje te geven, ook al erkent iedereen hun belang als bruggenbouwers. Uitschuiver 2: de newspeak. Zeg niet besparing, zeg solidariteitsbijdrage. Het cynisme van die framing is tergend. Topper: De aanslagen hebben een diepe krater in mijn stad geslagen, maar de veerkracht van mensen en verenigingen was er meteen. Die kracht van mensen die zich verenigen en samen voor iets gaan, dat is voor mij heel troostend.

BART CARON (GROEN)

H

et was een jaar van nagelbijten voor het sociaal-cultureel werk, dat in een blijvend nijpende budgettaire context wacht op het nieuwe decreet. De leden van de commissie Cultuur zijn al even ongeduldig. Wij vroegen aan Bart Caron (Groen), tevens voorzitter van de commissie en Yamila Idrissi (sp.a), beiden van de oppositie, en Caroline Bastiaens (CD&V) en Marius Meremans (N-VA) van de meerder­heid welke voor hen de uitschuivers en toppers waren het voorbije jaar. Was het business as usual in afwachting van het decreet, of hebben ze voor de sector dit jaar toch een verschil gemaakt?

Uitschuiver: Het lokaal cultuurbeleid, dat Vlaanderen schaamteloos loslaat onder het mom van lokale autonomie. We konden zeker ballast schrappen, maar we hadden nog gericht kunnen werken om de participatiegraad van moeilijk bereikbare doelgroepen te verhogen. Nu laten we alles los. Een drama. Topper: De bewegingen krijgen waar ze recht op hebben. Alleen jammer dat het op zo’n manier gefinancierd wordt.

CAROLINE BASTIAENS (CD&V)

Het was een jaar zonder echte uitschuivers of toppers. Het is vooral afwachten wat het nieuwe decreet zal brengen. Ik ben blij dat de teksten er liggen dit najaar, zodat er zekerheid komt voor de sector. Er is te veel onduidelijkheid. Sommige kwesties, zoals de GESCO’s, slepen te lang aan. Als er iets is wat we minder goed hebben gedaan, is het dat. We moeten de sector toekomst­ perspectief bieden.

MARIUS MEREMANS (N-VA)

De minister is vrij zakelijk in zijn aanpak. Ik waardeer dat, want hij gunt de parlementsleden veel ruimte. Maar een Cultuurminister mag flamboyanter zijn. Hij moet er meer schwung en vuur in steken. Het is normaal dat je in het begin van de legislatuur moet voorbereiden, maar al die conceptnota’s mogen nu beginnen te resulteren in beleidsmaatregelen. We moeten een aantal maatregelen nemen waardoor we een cultuur­landschap krijgen om in de toekomst op te bouwen.

I

2016 5


Hoe kijkt u terug op het traject van het decreet? Wat is er u uit de hoorzittingen bijgebleven? YAMILA IDRISSI

YAMILA IDRISSI

Ik onthoud vooral dat er keihard wordt gewerkt in het sociaal-cultureel werk. Maar ook in de commissie hebben we niet stilgezeten. Alle partijen, behalve CD&V, hebben conceptnota’s uit­gebracht met hun ideeën over waar het heen moet met de sector. Er is veel geschreven en uitvoerig van gedachten gewisseld. Maar nu wordt het tijd voor resultaten. Welke kant gaat de minister uit? Dat blijft koffiedik kijken. Ik zal zijn wet­gevend werk voor de sector met meer dan gewone belangstelling volgen. Eerlijk gezegd: ik houd mijn hart vast.

BART CARON

De ongerustheid. De sector wil vernieuwen, maar hij wil – terecht – de verworvenheden niet kwijt. De meerderheid heeft hier geen garanties voor. Evenmin voor de uitkomst van de beoordeling en visitatie. Als je de uitkomst ziet van de meerjarige ronde in het Kunstendecreet, dan begrijp ik het sociaal-cultureel werk des te beter: organisaties die een positief advies kregen, en toch erkenning noch subsidies krijgen... Ik ben een voorstander van kwalitatieve beoordeling maar als dat tot een gelijkaardig resultaat leidt in het sociaal-cultureel werk, dan pas ik.

CAROLINE BASTIAENS

Er is lang en veel gepraat met de sector, met de administratie, met de minister. Het was goed van de minister om er geen kunst- en vliegwerk van te maken maar om de tijd te nemen. Je ziet dat er daardoor een evolutie geweest is in het denken over het decreet. De sector heeft daar ondanks haar grote bezorgdheid over de afschaffing van de werksoorten constructief mee over willen nadenken.

MARIUS MEREMANS

Hoorzittingen zijn belangrijk, omdat je daar de essentiële lijnen scherper geformuleerd hoort. Maar ik heb toch vaak het gevoel gehad dat ik op voorhand wist wat er zou gezegd worden. Ik heb meer gehad aan de terreinbezoeken aan organisaties, zoals dat aan de raad van bestuur van de FOV, om daar face to face te luisteren, te discus­ siëren en te nuanceren.

6

I

2016

Op welk punt verschilden de meerderheid en de oppositie het sterkst van mening?

De in mijn ogen desastreuze beslissingen over de cultuursubsidies van minister Gatz. De minister moet de behoeder van ons sterk kunsten­ landschap zijn en vechten in de Vlaamse regering om de nodige financiële middelen te krijgen. In geen van beide is hij geslaagd. Deze beslissing betekent een verschraling van het landschap. De kunstensector wordt herleid tot een strikt rekenkundige oefening, waarin vernieuwing, maatschappelijk belang, diversiteit en evenwicht van geen tel meer zijn. De minister had nochtans voor 2017 een inhaaloperatie beloofd. Het werd een effectieve achteruitgang ten opzichte van 2010.

BART CARON

Op het vlak van overtuiging en voluntarisme. De meerderheid gaat voor ‘keuzes maken’. Begrijp: beheersing of beperking van subsidies en van het aantal ontvangende organisaties. Onuitgesproken, maar niet minder aanwezig in de mindset is het beperken van de invloed van verzuilde organisaties, vooral de christelijke, want die zijn historisch de grootste. De oppositie wil in deze tijden van onzekerheid, verwarring en eroderende sociale cohesie, net inzetten op het sociaal-cultureel werk en pleit voor een sterke sector, waar ook groei mogelijk moet zijn, voor vernieuwing en voor het erkennen van nieuwe initiatieven zonder de bestaande te treffen.

CAROLINE BASTIAENS

Er zitten verschillen in de manier waarop we naar de samenleving kijken. Het punt is dat we niet op zoek gaan naar het conflict.

MARIUS MEREMANS

Meningsverschillen gaan meestal over budgetten. Over het sociaal-cultureel werk zijn de verschillen tussen mezelf en Groen ook niet compleet onoverbrugbaar. Echte grote inhoudelijke breuklijnen zie ik niet.


Waren er ook binnen de meerderheid/oppositie meningsverschillen?

YAMILA IDRISSI

Niet echt. Ik zie in ieder geval geen grote inhoude­lijke verschillen. Wel hebben we natuurlijk elke onze eigen persoonlijkheid en achtergrond. Dat maakt dat Bart Caron er soms een andere benadering op nahoudt. Hij heeft bergen ervaring en kent de sector al jaren, ook vanuit de beleidshoek. Ik daarentegen kan de dossiers ­onbevangener benaderen. Beide posities hebben voor- en nadelen.

BART CARON

Tussen sp.a en Groen zijn er licht andere gevoeligheden. Wij hebben een makkelijkere band met traditionele organisaties, ongeacht of daar een C, K, L of S voor staat. Maar je moet dat verschil niet op de spits drijven. Vlaams Belang maakt geen deel uit van de commissie Cultuur. Het zou een aantal discussies misschien op scherp stellen, zoals die over de rol van de etnisch-culturele ­verenigingen. Maar je kan van mij niet verlangen dat ik zeg dat ik ze mis.

CAROLINE BASTIAENS

De plaats die wij geven aan het sociaal-cultu­ reel volwassenenwerk en de manier waarop we ernaar kijken als CD&V is toch anders dan N-VA of Open Vld. Ik vind dat we heel terug­ houdend moeten zijn in hoe we als overheid naar het verenigings­leven kijken. Er zijn subsidies en daar hangen verwachtingen aan vast, maar we mogen dat niet instrumentaliseren. Wij moeten niet bepalen met welke thema’s organisaties zich bezighouden. Dat is een andere manier van kijken dan die van N-VA.

MARIUS MEREMANS

Het grote verschil met een partij als CD&V is dat wij ongebonden zijn. Dat heeft voor mij ook te maken met de band met de christelijke zuil. Ik pleit voor een wit blad. Als bepaalde organisaties hun tijd hebben gehad en hun rol in de samenleving is uitgespeeld, is het tijd voor iets anders. Dan kunnen ze een deel van die erfenis desnoods meenemen in een andere organisatie, onder een andere vlag, in een andere vorm. Dat laat ik over aan elke vereniging op zich.

I

2016 7


Als oppositielid: wat vond u de sterkste bijdrage van de meerderheid? Als lid van de meerderheid: wat vond u de sterkste bijdrage van de oppositie? YAMILA IDRISSI

YAMILA IDRISSI

De oprecht kritische houding van Caroline (Bastiaens, red.) vind ik verfrissend en waardevol. Het is niet evident omdat ze een lid is van een meerderheidspartij. Ik zat in een gelijkaardige positie in de vorige legislatuur, ik heb er toen voor gekozen om de controlerende functie van parlementslid op te nemen. Je kunt daarvoor serieus op je kop krijgen. Het siert Caroline dat ze dat toch doet. Dat is een andere rol dan een collega van haar uit de meerderheid die onderminister van Cultuur speelt.

BART CARON

CD&V had een grote rol in het voorbereidende werk voor het nieuwe decreet. Ze hadden wel wat harder op tafel mogen kloppen. Voor Media kon ik de conceptnota van Karin Brouwers van CD&V over de frequenties in het radiolandschap smaken. Liever dat dan de negatieve voorin­ genomenheid van Lionel Bajart van Open Vld over de reserves van de sociaal-culturele organisaties. Bij CD&V merk je betrokkenheid bij het middenveld, N-VA vertrekt vanuit het idee van beheersing en ook bij de minister vermoed ik dat hij de historische voorsprong van de grote, traditio­nele verenigingen wil afbouwen.

CAROLINE BASTIAENS

De kennis van Bart (Caron, red.) in de commissie Cultuur heeft een grote meerwaarde. Ik heb liever die onderbouwde en gefundeerde kritiek van Bart dan parlementsleden die in het wilde weg schieten. Maar misschien is dat ook omdat ik een grote beleidsreflex heb.

MARIUS MEREMANS

Ik ben jaloers op Bart Caron. Hij draait al zo lang mee, hij was kabinetschef in een vorig leven, dan parlementslid. Hij kent de hele evolutie en heeft een groot netwerk. Hij kan perspectief brengen. Yamila (Idrissi, red.) is scherper dan Bart, en het is wel goed dat er soms wat meer leven in de brouwerij is. Bart denkt door zijn verleden meer mee vanuit een beleidsreflex.

8

I

2016

Welke actie/campagne/activiteit uit onze sector van het afgelopen jaar zal u bijblijven?

De verenigingen die zich blijven organiseren in Hart Boven Hard, niet voor hun eigenbelang, maar voor een warmere samenleving. Je voelt dat dit een enorme kracht is. En dat zou niet zo massaal gebeuren als de verenigingen er niet waren. Aan de aanwezigheid van al die mensen is een proces voorafgegaan. Dat kwam er door het DNA van verenigingen en hun rol in de samenleving.

BART CARON

Hart Boven Hard, met haar pleidooi voor een warme maatschappij. Dit is veel meer dan de sector, de sector schrijft zich in een brede beweging in. In het begin zat de schrik bij de politiek erin, maar dat is minder nu. Al merk je dat Open Vld en N-VA allergisch zijn aan Hart Boven Hard. CD&V moet zich dringend positioneren tegenover de doelen van deze beweging. Hart Boven Hard is een breed front. Het zou spijtig zijn als de politieke vertaling ervan verengd wordt tot een kleinlinks verhaal.

CAROLINE BASTIAENS

SCWITCH (nieuwe dienstverlener voor zakelijk organisatiemanagement voor het sociaal-cultureel werk, red.). De FOV en Sociare hebben in de sector een behoefte gezien en hebben daarop ingespeeld, en dit op een leuke en creatieve manier, om zo een meerwaarde te geven.

MARIUS MEREMANS

Met SCWITCH hebben jullie in de sector het meeste effect gehad. Het is zeker het meest opvallende en verfrissende initiatief van het voorbije jaar.


Op welk maatschappelijk vlak kunnen we echt niet verder met ‘business as usual’?

YAMILA IDRISSI

Welke gebeurtenis markeerde een grote omslag in je leven waardoor het niet meer ‘business as usual’ was? YAMILA IDRISSI

Eén: dat de zwaarste lasten steeds meer op de zwakkere schouders terechtkomen. Twee: dat we een van de meest beschaafde samenlevingen zijn en baby’s laten verdrinken om ons eigen financieel-economische plaatje veilig te stellen. Deze uitholling van onze morele waarden kan er bij mij niet in.

BART CARON

“De steeds sterkere tweedeling in de samenleving tussen wie het goed heeft en wie het niet goed heeft. Het overbruggen van die kloof wordt steeds moeilijker. Deze maatschappelijke tendens wordt ook politiek vertaald. Die politieke negatie van een deel van de bevolking, van mensen in armoede, mensen met een migratieachtergrond, lager opgeleide mensen, is onaanvaardbaar. Net als het idee dat emancipatie, je uit een situatie vechten, iets is wat iedereen zomaar op eigen houtje kan.

CAROLINE BASTIAENS

De angst. Mensen zijn bang om hun baan te verliezen, bang voor vluchtelingen. Waardoor we niet meer de vrijheid hebben om dingen te doen en de samenleving beperkt wordt. We reageren krampachtig. Als je alleen wil houden wat je hebt, ga je niet vooruit. Ik wil van die angst af, ik wil positief naar de dingen kijken. Ik wil zoeken naar oplossingen. Je moet proberen. En als het niet lukt, opnieuw proberen.

MARIUS MEREMANS

Mensen hebben het gevoel dat alles wat ze altijd gekend hebben op de helling staat. We moeten mensen houvast geven. We moeten zoeken naar wat ons bindt. Zolang iedereen het gevoel heeft vooruitgang te maken, zal het wel gaan. Als we weer terechtkomen in een economisch moeras, worden tegenstellingen scherper en gaan mensen op een minder menswaardige manier met elkaar omgaan. Het is aan de overheid om houvast te bieden en het moreel kompas hoog te houden.

De dag dat ons huis afbrandde. De brandweer was al aan het nablussen toen we er uit kwamen. Dat iedereen daar levend uit is gekomen, welis­ waar met brandwonden, was voor mij een keerpunt. Je bent familie, je zit elkaar vaak op de lip. Maar het had zo anders kunnen aflopen. We hebben elkaar. We hebben nadien zoveel solidariteit ervaren, in de familie maar ook van vrienden en buren.

BART CARON

Ik heb in mijn leven alles twee keer gedaan. Twee keer gestudeerd. Twee keer getrouwd. Twee keer kinderen gehad. Ik heb ook twee totaal uiteenlopende dingen gedaan, in de culturele wereld en in de politiek. Toen ik in de politiek ben gestapt, zijn er veel fijne dingen samengekomen. De politiek was ook een totaal andere wereld om in te werken. Dat was geen ‘business as usual’.

CAROLINE BASTIAENS

Het overlijden van mijn papa. Hij was lang ziek, maar op het einde was het toch plots, op de dag dat ik verkozen ben voor de gemeenteraad. Hij heeft het nooit geweten. Wij hebben iets met overlijdens en verkiezingen. De mama van mijn man is twee jaar geleden overleden. We hebben veel tijd vrijgemaakt voor haar. Als er dingen niet ‘business as usual’ zijn in het leven, moet je tijd kunnen maken om voor elkaar te zorgen. Als politica is het aan mij om met die wetenschap iets te doen.

MARIUS MEREMANS

Als mensen wegvallen, stopt de waan van de dag even. Zoals onlangs bij de plotse dood van Erik Reynaerts, de voorzitter van de supportersclub van de Rode Duivels, die ik persoonlijk kende. Geconfronteerd met een ernstige ziekte of met een overlijden, komt de vraag ook boven bij mij wat ik nu met mijn leven heb gedaan. Dat is toch elke keer een wake up call. Dat duurt dan een dag of drie en dan ga je gewoon verder. Dat is de aard van het beestje.

→→vragen of reacties? liesbeth@fov.be of joris@fov.be

I

2016 9


INSPRAAK ZONDER INZICHT GEEFT UITSPRAAK ZONDER UITZICHT 10

I

2016


Burgerkabinetten, ouderpanels, focusgroepen, internetconsultaties: er is de afgelopen jaren een wildgroei aan initiatieven om burgers te laten participeren aan het beleid. Maar deelnemers bekruipt vaak het ongemakkelijke gevoel dat er niet echt geluisterd wordt. Zijn al die nieuwe formules, naast de klassieke adviesraden, echt vooruitgang of zijn het zoethoudertjes? En blijft de politiek, in dit post-Brexittijdperk, nog lang de lof zingen van de burgerparticipatie? Iris Van Riet, voormalig algemeen secretaris Strategische Adviesraad Cultuur

“KENNIS, BEREIDHEID, BETROKKENHEID” Als algemeen secretaris van de Strategische Adviesraad Cultuur stond Iris Van Riet tussen middenveld en beleid. Alternatieve inspraak­formules, laat maar komen, zegt ze, maar niet ten koste van de adviesraden. “Want dan loert het gevaar dat een politicus participatie naar zijn hand zet.”

“O

m tot participatie te komen zijn drie dingen nodig: kennis, bereidheid en betrokkenheid. Dat is zo voor politici, maar ook voor burgers. Als bijvoorbeeld in een referendum naar jouw mening wordt gevraagd, heb je de verantwoordelijkheid om je te informeren. Je moet tijd maken om dat ernstig te doen. Je moet ook onthecht zijn. Je kunt mensen niet kwalijk nemen dat ze opkomen voor hun eigen belang, maar participatie betekent dat je ook denkt aan het algemeen belang. Inspraak en participatie zitten in het DNA van Cultuur. Het Cultuurpact verplicht beleidsmakers om de organen voor formele inspraak, de adviesraden, te organiseren. Lange tijd hebben we gezien dat het advies van de adviesraad ergens achteraan kwam, nadat de politieke consensus

al was bereikt. Nu groeit het inzicht dat het belangrijk is om strategische adviesraden vroeger in het beleidsproces te betrekken en niet te wachten tot na de eerste principiële goedkeuring van een decreet. Beleidsmensen sakkeren wel eens op advies­raden, maar ze hebben ze zelf samengesteld. Als er goed nagedacht is over een diverse en pluri­forme samenstelling, dan heb je per definitie mensen in de adviesraad van wie je weet dat ze kennis van zaken hebben. Je hebt er iedereen die er toe doet en die belangrijk is voor het beleid. Zo creëer je een ideaal instrument. Een adviesraad moet onafhankelijk kunnen werken, zonder al te veel inmenging. Het gebeurt niet vaak, maar soms komt er een telefoontje van het kabinet om te vragen wat we gedaan hebben of te polsen wat

we gaan doen. Dat betekent dat ze belang hechten aan ons advies. Maar ze hebben niet in de hand wat er zal uitkomen. De onafhankelijkheid waarborgt dat politici geen adviezen kunnen vragen à la tête du client. De moeilijkste adviezen zijn degene waarvan je op voorhand weet dat ze geen impact zullen hebben. Als je weet dat alles al in kannen en kruiken is en wat je doet tijdverlies is. Je zit in een adviesraad omdat je wil dat je adviezen iets teweegbrengen. De moeilijkste adviezen zijn dus niet degene waar je een consensus moet bereiken, dat is net positief want dan is het inspraak­proces bezig. Je zoekt tot je het advies op papier hebt. Als er geen consensus is, krijg je adviezen waar alles in staat maar die eigenlijk niets zeggen. Of je krijgt adviezen waarin de verschillende categorieën hun mening neerschrijven met als boodschap aan de regering: trek uw plan. Dat hangt vaak af van de samenstelling en van de instelling van de leden. Als iedereen bij het eigen standpunt blijft, kom je

I

2016 11


er niet. Dan weeg je als adviesraad niet op het beleid. Voor Cultuur was er vorig jaar ook een burgerkabinet. Als je die resultaten naast onze adviezen legt, komt dat op hetzelfde neer. Voor mij mogen ze best, die consultaties naast de gestructureerde adviesraden. Maar ook hier hangt het resultaat af van de vraag of de mensen die meedoen de kennis hebben en de bereidheid om de eigen belangen opzij te zetten.

Dit soort burgerinspraak kan het gestructureerde adviesproces aanvullen, niet vervangen. Als je dit laatste niet meer organiseert, heb je alleen nog ad-hocadviezen. Dat kan goed aflopen als dat goed gebeurt, maar dan loert altijd het gevaar dat een politicus alleen mensen uitnodigt voor de consultatie die in zijn of haar richting denken. Zo zet je participatie naar je hand. Dat kan niet met een adviesraad.”

iedereen “ Als bij het eigen standpunt blijft, kom je er niet

BEZINT EER GE BEGINT Experimenteren met inspraakformules heeft maar zin als je weet wat de doelstelling is, welke betrokkenheid van burgers je wilt en wat je met de resultaten wilt doen. Pas dan kan je het juiste instrument voor burgerparticipatie kiezen, waarschuwen Martin Ruebens, secretaris-generaal van het departement Kanselarij en Bestuur, en Bart Verhaeghe van ‘de Verenigde Verenigingen’. Over het Kanaal wordt op dit moment puin geruimd na het Brexit­ referendum. Heeft dit resultaat de volksraadpleging als instrument voor burgerparticipatie onderuitgehaald ?

“Ik hoorde deze week iemand zeggen: inspraak MARTIN RUEBENS: 

zonder inzicht geeft uitspraak zonder uitzicht. En zo is het. Het Brexitreferendum is gebruikt in een vraagstuk waarbij de consequenties van één bepaalde richting zo kolossaal zijn, dat je dat niet mag overlaten aan een simpele vraag waarover burgers met hun buikgevoel kunnen beslissen. Er moet dus een bezinning zijn over het soort vragen dat je stelt in een referendum of een burgerkabinet, niet over het instrument als dusdanig. Je moet altijd duidelijk voor ogen houden met 12

I

2016

welke doelstelling je een consultatie- en participatietraject opzet en het instrument moet navenant zijn. Je kunt dus het referendum niet voor alles gebruiken.

” “Je moet je vooral ook afvragen welk traject BART VERHAEGHE: 

moet vooraf­gaan aan een volks­ raadpleging.

MARTIN RUEBENS:  Het volstaat niet om innovatief te willen zijn met een burgerkabinet of hip te doen met een internetconsultatie. Welke verwachtingen wil je managen, wat wil je weten, welke betrokkenheid wil je hebben? Op basis van het antwoord op die vragen kies je het juiste instrument voor burgerparticipatie. Elk probleem is anders.

BART VERHAEGHE:  Als ze in het Verenigd Koninkrijk beter de vinger aan de pols gehouden hadden – bijvoorbeeld via een sterker uitgebouwd verenigingsleven –, dan hadden ze geweten wat te verwachten. Bij internetconsultaties of burgerkabinetten heb je altijd een bepaalde selectie van geïnteresseerden. Maar wat mensen willen, zit soms onder de radar of wordt weggezet door de politiek. Dat zag je in dit referendum: iedereen kon daar een bolletje kleuren. Dat is ook inspraak, niet in de vorm van een netjes opgesteld advies, maar in een rauwere vorm.

Wat vinden jullie een goed initiatief inzake participatie?

MARTIN RUEBENS:  In WestVlaanderen wordt de A11 aangelegd, de snelweg die de zeehaven van Zeebrugge zal ontsluiten. De weg doorkruist veel landbouwgebied, er wordt geraakt aan privétuinen. Toch is er geen enkele klacht geweest bij de Raad van State. Dat


is de verdienste van de Vlaamse Landmaatschappij, die zeer zorgvuldig is omgesprongen met het participatieve luik, en de vele lokale organisaties die hieraan hebben meegewerkt. De VLM heeft van bij het begin overlegd met landbouwers, milieuorganisaties, de lokale economie, individuele burgers. Er is gepraat met vele georganiseerde en niet-georganiseerde actoren, en de participatie is stap na stap opgebouwd. De VLM gaf transparant inzage in het tracé en in de enveloppe om aan de verzuchtingen tegemoet te komen. Mensen hadden het gevoel dat ze er vat op hadden en dat ze wisten wanneer en hoe ze zouden betrokken worden. Andere projecten kunnen hiervan leren hoe je van bij het begin de betrokkenheid en transparantie zo organiseert dat je een procedureslag vermijdt.

BART VERHAEGHE:  Dit voorbeeld staat haaks op de perceptie, met al die not in my backyard-verhalen die je altijd leest in de krant. Door het NIMBY-syndroom gaan er steeds meer stemmen op om participatie te verminderen.

MARTIN RUEBENS:  Een belangrijk keerpunt bij participatie is het management van verwachtingen. Als mensen meestappen in participatie, moeten ze duidelijk weten wat ze eruit halen, wat ermee gaat gebeuren. Het moet concreet zijn.

“Goede praktijkvoorbeelden zijn vooral te vinden op BART VERHAEGHE: 

het lokale niveau, en in grootsteden en centrumsteden. Dat heeft volgens mij te maken met nabijheid, herkenbaarheid en betrokkenheid.

En Hart Boven Hard? Dat is toch een beweging waarbij de burger via parti­ cipatie wil wegen op het beleid?

“Vanuit het middenveld is Hart Boven Hard BART VERHAEGHE: 

vooral een beweging om burgers bewust te maken van het heersende maatschappelijke en politieke model, hen te informeren en daar politiek lawaai rond te maken. Niet via de geijkte formele participatieve kanalen, maar via een parade, wat iets anders is dan een betoging. We hadden het net over wat er vooraf moet gaan aan een referendum. Wel, als het gaat om informeren, sensibiliseren en politiseren van burgers, is Hart Boven Hard een schitterend voorbeeld, ook omwille van nieuwe verbindingen tussen middenveldorganisaties en kritische burgers.

Zien jullie voorbeelden van inspraak waarbij het fout ging? Welke lessen vallen daar uit te leren?

Ik begeef me misschien op glad ijs, maar ik denk aan de G1000. Qua concept en intentie zat dat goed en ze zijn erin geslaagd om dat traject tot een einde te brengen. Maar de werkvorm was niet in overeenstemming met de doelstelling. Er was een aanvoelen dat zij iets moesten doen omdat de politiek er niet uit geraakte. Maar in de conclusies lees je veel middelmatigheid. Ze missen scherpte. De intentie zat juist, maar ze hadden zich moeten afvragen wat ze wilden bereiken voor ze deze vorm kozen. MARTIN RUEBENS: 

BART VERHAEGHE:  Dat klopt, maar de waarde van de G1000 zit ’m toch vooral in het feit dat het gebeurd is en dat andere organisaties hebben kunnen leren uit dit proces.

IRIS VAN RIET • voormalig senatrice (Open Vld) en voormalig nationaal voorzitter van VLD-vrouwen • voormalig directrice van het Vlaams Centrum voor Volksontwikkeling • tot 1 mei 2016 algemeen secretaris van de Strategische Adviesraad Cultuur, Jeugd, Sport, Media

MARTIN RUEBENS • secretaris-generaal van het departement Kanselarij en Bestuur (Vlaamse overheid) • bijzonder gastprofessor aan het Instituut voor de Overheid, KU Leuven • actief in het coachingnetwerk voor leidinggevenden bij de Vlaamse overheid

BART VERHAEGHE • beleidscoördinator bij ‘de Verenigde Verenigingen’, het netwerk en de spreekbuis van middenveldorganisaties in Vlaanderen. • valorisatiecoördinator van “CSI Flanders”, een langlopend ­onderzoek naar strategische uitdagingen voor het Vlaamse middenveld en naar vernieuwen­de praktijken van dienst­ver­ lening en politiek werk in het middenveld

I

2016 13


De G1000 was zeker nuttig als expe­ riment, maar deze formule is nadien veel gekopieerd, op een platte manier. In bijna elke gemeente was er in de aanloop naar de verkiezingen een eigen G100, eerder als promotie voor lokale politici dan als een vorm van beleidsparticipatie.

BART VERHAEGHE:  Het is het zichtbaarste startpunt van de zoektocht naar andere methodieken voor burgerparticipatie, en dat is met vallen en opstaan. Natuurlijk is daar ook misbruik van gemaakt: we zetten 100 burgers samen, de participatie is afgevinkt en de adviesraden en het middenveld zijn buitenspel gezet. Dat ligt niet aan de methodiek, wel aan hoe ermee omgegaan wordt. Alles staat of valt met politiek engagement. Als de overheid niet vertrekt vanuit het idee dat mensen echt mogen bijdragen en de verwachting mogen hebben dat er met die input iets gebeurt, dan doet ze het beter niet.

Hoe creëer je een cultuur van inspraak bij de overheid? vraagt Iris Van Riet (zie hiernaast) aan u, Martin Ruebens. Volgens haar zijn er genoeg instrumenten, maar kan participatie niet slagen zonder een mentaliteits­ wijziging van de ambtenaren.

MARTIN RUEBENS:  Iris maakt een goede analyse. Een paar jaar geleden is inderdaad die consultatiecode ontwikkeld als een checklist. Maar dat is een tekst, hé. Het moet ingebed zitten in de politieke cultuur. De administratie moet het gevoel hebben dat er ruimte is, dat de politiek haar daarvoor vrije baan geeft. Een ambtenaar zal de stap naar participatie in de besluitvorming maar doen als hij het gevoel heeft dat de politiek hem steunt.

BART VERHAEGHE:  Een vijftal jaar geleden al bundelden we interviews over ‘beleidscultuur’ in het boek “It’s the culture, stupid!”. Daarin staan heel wat concrete voorstellen voor een andere beleidscultuur, wat ruimer is dan enkel een mentaliteitswijziging bij ambtenaren. Het is veeleer een politieke ‘klik’ die er moet komen, zoals Martin aangeeft. Daarom zijn we blij dat enkele van die voorstellen nu hun weg vinden naar de Vlaamse regering.

Zijn er al signalen van verandering?

MARTIN RUEBENS:  Ik zie evolutie. Er zijn al stappen gedaan om transparanter te zijn over het besluitvormingsproces. Zo zullen vanaf september op de dag zelf van de ministerraad alle goedgekeurde regeringsdocumenten te vinden zijn op de website, al zullen er uitzonderingen zijn voor bedrijfsgevoelige of privé-informatie. Dat was niet voor alle ministers evident. Het geeft hun het gevoel dat ze zo de communicatie over maatregelen uit handen geven, dat ze de tijd niet meer hebben om zelf de mediaboodschap voor te bereiden. Dat klopt, maar daar kan je afspraken over maken.

14

I

2016

IRIS VAN RIET DAAGT MARTIN RUEBENS UIT

?

“Hoe wakker je de bereidheid van de overheid om participatie te verhogen aan? Hoe creëer je een cultuur van inspraak bij de overheid? Bij uitbreiding geldt dat ook voor de politiek. Dat wil ik vragen aan Martin Ruebens. Hij trekt bij de overheid het project om de participatie te vergroten, maar volgens mij moet daar maar één ding veranderen: de mentaliteit. Je ziet dat de overheid alles nog te veel zelf in de hand wil houden. Ze heeft al een consultatiecode, met een hele reeks instrumenten voor inspraak en participatie voor ambtenaren naargelang de situatie. Ze moet ze alleen gebruiken. Je mag dat ambtenaren eigenlijk niet eens verwijten. Het begint en eindigt met de politiek, want ambtenaren werken ten dienste van de politiek. Als politici bereid zijn om naar adviezen te luisteren en echte participatie toe te laten, volgen de ambtenaren wel.”


IRIS VAN RIET DAAGT BART VERHAEGHE UIT

“ Participatie moet het métier worden van de ambtenaar

MARTIN RUEBENS

BART VERHAEGHE:  Maar wanneer de documenten daar liggen is het al een beslissing van de regering. Daar is een lange weg aan voorafgegaan. Transparantie is een stap vooruit, maar participatie is nog een ander proces.

MARTIN RUEBENS:  Het illustreert wel dat de cultuur op het politieke niveau aan het evolueren is. Wat natuurlijk belangrijker is, is dat het voor middenveldorganisaties vanaf het begin van het beleidsproces duidelijk is wanneer en hoe participatie mogelijk is. Als de politiek dat wil onderschrijven, hebben we een bijkomend element om ambtenaren hierin aan te moedigen.

Welke knoppen moet de administratie omdraaien om participatie conse­ quent door te voeren en sneller in het beleidsproces te brengen?

MARTIN RUEBENS:  We gaan er in de administratie prat op dat wij de informatie hebben en dat we die bij ons moeten houden. We moeten leren dat als je een beleidsmaatregel ontwerpt je niet ver hoeft te zoeken om die kennis te verwerven. Die zit ook in de samenleving zelf. We moeten

dat niet allemaal zelf bedenken, we moeten vaardig worden om die informatie te halen en bijeen te brengen, of dat nu via kennisinstellingen, middenveldorganisaties of andere belangengroepen is. Die cultuuromslag moet er komen. Ambtenaren willen de objectiviteit waarborgen. Ze hebben houvast nodig. Ze willen bij het begin van een initiatief weten op welke momenten ze de consultatie moeten inlassen, welke doelstelling die heeft en welke weg ze moeten volgen. Gewoon de link naar de consultatiecode geven is te vrijblijvend, ze hebben behoefte aan een stappenplan. Zo kan je medewerkers beter coachen in de competenties die ze nodig hebben en gerichter de cultuur veranderen. Participatie moet het métier worden van de ambtenaar. En net zoals een vakman zijn instrumenten heeft, hebben wij de onze nodig.

BART VERHAEGHE:  Maar hoe spoort dit met het ideaal van de slanke overheid? Ambtenaren moeten een soort netwerkfiguren worden die consultatieprocessen opzetten die tijd vragen. Tijd die niet alle ambtenaren zullen hebben.

MARTIN RUEBENS:  Daar zit zeker spanning op. Die ruimte zullen we als leidend ambtenaar moeten creëren en dat wordt gemakkelijker als we het gevoel hebben dat de politiek deze beleidslijn onderschrijft. Dan is het aan ons om ons daarnaar te organiseren met de middelen die we hebben.

?

“Hoe kan je het gestructu­ reerde middenveld motive­ ren om open te staan voor vernieuwing? Dat wil ik weten van Bart Verhaeghe. Er is veel vernieuwing in het middenveld vanuit allerlei burgerinitiatieven, maar het georganiseerde, gestructureerde middenveld is daar niet altijd de voortrekker van. Ze lijken erg behoudsgezind te zijn. Ze zijn geneigd hun eigen organisatie, hun eigen structuren te laten primeren boven nieuw beleid. Hoe krijg je beweging in die gevestigde organisaties? Ze zijn zeer belangrijk en ze moeten zeker betrokken en gehoord worden. Maar ik heb de indruk dat ze te veel bezig zijn met zelfbehoud en het louter verdedigen van de eigen belangen.”

Iris Van Riet had ook voor u, Bart Verhaeghe, een pittige vraag (zie hierboven). Ze wil weten hoe de gevestigde waarden in het midden­ veld kunnen gestimuleerd worden om voorbij het verdedigen van de eigen verworvenheden te geraken, om met een bredere blik te kijken en het nieuwe toe te laten.

BART VERHAEGHE:  Het middenveld is zich daar bewust van, zeker ook wat Iris het gestructureerde middenveld noemt. Sommige gevestigde waarden draaien natuurlijk al lang mee in de circuits. Ze zitten daar allicht ook een zeker organisatiebelang te vertegenwoordigen en dat kan een enkele keer wel eens negatief uitdraaien. Maar die organisaties zitten daar wel degelijk vooral omdat ze een werking hebben die relevant is in de samenleving en waaraan heel veel vrijwilligers meewerken. Ze hebben een expertise die ze over al die jaren heen hebben opgebouwd. Die organisaties moeten bij de les blijven en evolueren, anders

I

2016 15


‘klassieke’ “ Vele organisaties vragen zich af hoe ze de verzuchtingen van het nieuwe fluïde middenveld kunnen meenemen BART VERHAEGHE

verdwij­nen de vrijwilligers aan de basis. Velen zijn daarom bezig met de vraag hoe ze aansluiting kunnen vinden bij het nieuwsoortige, fluïde verenigingsleven. Ze vragen zich af hoe ze kunnen aanhaken en hoe ze de bezorgdheid van dat nieuwe middenveld bijvoorbeeld in de Strategische Adviesraad Cultuur een plek kunnen geven. Hoe ze die verzuchtingen kunnen meenemen zonder dat dit nieuwsoortige middenveld meteen gekneed moet worden om ook in de adviesraad te passen, want dat lijkt me geen garantie op succes.

MARTIN RUEBENS:  Een idee is om van de adviesraad een knooppunt te maken voor de sector. Om dat minder georganiseerde middenveld uit te nodigen en zelf te fungeren als een soort draaischijf voor consultaties. Zo kunnen de gevestigde waarden aan de minder gestructureerde burgerinitiatieven tonen dat ze voor hen openstaan.

BART VERHAEGHE:  Dat is een suggestie die we met ‘de Verenigde Verenigingen’ ook nog gedaan hebben, de Strategische Adviesraad

16

I

2016

de rol van makelaar geven om die participatie te organiseren. Uit bezorgdheid voor dat nieuwe middenveld, maar ook uit vrees dat deze taak door een slanke overheid zal worden uitbesteed aan consultants. Die kunnen dat goed doen, maar is het niet logischer en relevanter – en allicht efficiënter en goedkoper – om dat over te laten aan de middenveldorganisaties of aan de strategische adviesraden?

MARTIN RUEBENS:  Maar is dat niet een vraag voor jullie? Kunnen middenveldorganisaties niet zelf verantwoordelijkheid nemen, met eigen middelen, om dat knooppunt te worden en zo zelf een burger­kabinet te organiseren in plaats van de bal terug te spelen naar de overheid? De politiek en de ambtenarij kunnen adviesraden de ruimte geven om dat te doen, maar ze kunnen dat toch zelf doen?

Waarom kan je als adviesraad niet zelf losse initiatieven voor burger­ participatie zoals burgerkabinetten betrekken? Zo kan je die initiatieven versterken en duurzamer maken, en meer gewicht geven aan je adviezen door samen te werken.

BART VERHAEGHE:  Elke vereniging die zichzelf ernstig neemt doet niks anders dan ‘burgerpanels’ organiseren, al heet dat niet zo en is is dat voornamelijk met de eigen achterban. Maar het blijft zeker een opdracht voor middenveld­ organisaties om naar buiten te kijken. Heel wat middenveldorganisaties zijn daarmee bezig. Ze stellen tegelijk hun missie scherp en verbreden hun werking naar alle geïnteresseerden. Dat beïnvloedt wat ze bij de overheid aan expertise en inspraak binnenbrengen. Het is altijd een samenspel tussen middenveld en overheid.

BART VERHAEGHE:  We zijn zeker te vinden voor burgerkabinetten en allerlei experimenten. Het is het politieke niveau dat de tweedeling maakt door met burgerkabinetten en expertenpanels te werken, naast de strategische adviesraden, vanuit het idee dat die niet langer representatief zijn. Zo hebben ze die tweedeling geïnstitutionaliseerd. Onze vrees is dat ze zo kiezen welk advies ze volgen.

→→Vragen of reacties? liesbeth@fov.be


“JE MAG NIET VERDRINKEN IN HET NU” I

2016 17


Luc Delrue, gepokt en gemazeld in de culturele wereld, staat sinds dit voorjaar aan het roer van het Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media. Na jaren wroeten op het terrein vindt hij het, op een moment dat de sector die hij hartstochtelijk liefheeft onder druk staat, tijd om op het hoogste niveau mee de bakens voor de toekomst uit te zetten. Hoe hoog is het sociaal-culturele gehalte van deze overheidsmanager die nog moet wennen aan dat nieuwe jasje?

1

LUC DELRUE,

DE MENS U hebt net een heel andere wending aan uw loop­ baan gegeven. Wie of wat inspireert u wanneer u carrièrekeuzes maakt?

“D

eze keuze heb ik gemaakt uit ambitie. Omdat ik geloof dat de culturele sector in de brede zin – media, kunsten, sociaal-cultureel werk, jeugd – heel belangrijk is in de samenleving. Ik heb heel mijn leven in deze sector gewerkt, op enkele zijsprongetjes na. Je ziet opportuniteiten, je ontwikkelt daar ideeën over. En op een bepaald moment denk je: ik wil mee nadenken over wat cultuurbeleid kan zijn. In Museum M in Leuven keken we sterk over de muurtjes heen. Hoe verhoudt cultuur zich tot welzijn, wat is de rol van het museum, van het sociaal-cultureel werk? We hadden een samenwerking met de gevangenis van Leuven, we stimuleerden de wisselwerking tussen oude en nieuwe kunsten, we mikten op de jeugd. Je ziet die kruisbestuiving in de praktijk en je vraagt je af of daar beleidsmatig niet sterker rond gewerkt kan worden. Daar vond ik mijn motivatie om dit te doen.”

U was en bent een drukbezet persoon en hebt ongetwijfeld behoefte aan een goede nachtrust. Maar is er toch iets waarvoor iedereen u altijd mag wakker bellen?

Het is niet evident om het evenwicht tussen ‘werk’ en ‘vrije tijd’ te vinden. Mijn kinderen zijn volwassen, maar kinderen zijn soms bepalender in je leven wanneer ze ouder zijn dan wanneer ze nog klein zijn. Ik heb een partner en met die relatie gaan engagementen gepaard. Ik

18

I

2016

ben een fervent sporter, ik zit in een sportclub en heb ook daar verplichtingen. Ik word dan liever ’s nachts niet opgebeld (lacht). Mijn werk is nu wel veel meer continu aanwezig dan toen ik in het museum werkte. Daar kon ik gemakkelijker een lijn trekken. Als je op een plek zeven jaar werkt, weet je alles veel beter te doseren. Hier ben ik nog maar vier maanden bezig, ik moet nog zoeken. Wat is belangrijk, waar moet ik bij wijze van spreken ’s nachts van wakker liggen? Ik wil wel dat mijn medewerkers mijn engagement voelen.”

2

LUC DELRUE,

DE SOCIAALCULTURELE SUPPORTER U was tot voor kort directeur van een museum met een eclectische collectie. Associatief denken is u dus niet vreemd. Welk museumstuk uit M doet u het meest denken aan het sociaal-cultureel werk?

Mijn absolute lievelingswerk uit de collec­ tie is ‘De Verloren Zoon’ van Constantin Meunier, een werk van het einde van de 19de eeuw over een vader die zijn zoon verliest. Sociaal-cultureel werk gaat ook over hoe je mensen met onze samenleving verbindt. Via kunst en cultuur kan je de burger motiveren om na te denken over onze samenleving, om die samenleving actief te beleven in organisaties of in zijn eentje. Je ziet dat bepaalde sociaal geëngageerde kunstwerken mobiliseren, dat je er zo door gegrepen kunt worden dat ze je aanzetten om zelf actief in de samenleving aanwezig te


zijn. Dat zie ik heel sterk in dit werk, de betrokkenheid van de kunstenaar bij de samenleving. Vanuit sociaal-cultureel werk kun je mensen motiveren, activeren en helpen te reflecteren. Er is de afgelopen veertig jaar enorm veel veranderd in de maatschappij. Sociaal-cultureel werk leert ons om daarmee om te gaan.” Wanneer werd u voor het laatst ontroerd of geïn­ spireerd door een sociaal-culturele organisatie of een sociaal-cultureel initiatief?

Het museum heeft veel activiteiten georganiseerd samen met het sociaal-cultureel werk. Een van de ontroerendste dingen die we hebben gedaan was een project met De Rode Antraciet (dat culturele en sportieve participatie van gedetineerden bevordert, red.). Toen ik daarvoor in de gevangenis was, riep iemand plots mijn naam. Het was een gedetineerde. We bleken een gemeenschappelijke kennis te hebben. Dat greep me enorm aan. Ik probeerde met die man een gesprek aan te knopen maar de sociale controle is er enorm, iedereen kijkt en luistert mee. Je ziet dan hoe die optredens en activiteiten bevrijdend werken. Door die activiteiten kunnen ze misschien eventjes zichzelf zijn in de gevangenis, hebben ze eventjes de kans om te dromen. Dat is de rol van sociaal-cultureel werk. Ik vond het alleszins een zeer confronterende ervaring die me weemoedig en triest stemde. Je leeft als blanke middenklasseman met een goed inkomen en een gezin redelijk ver van een aantal maatschappelijke realiteiten. Je denkt dat je belangrijke dingen aan het doen bent in het leven, maar op zulke momenten besef je dat je toch niet altijd goed weet hoe complex onze samenleving is.”

3

LUC DELRUE,

HET GROENTJE IN DE ADMINISTRATIE U bent sinds kort een ‘top’-overheidsmanager. Hoe zou u zichzelf als manager omschrijven?

Wat ik zelf belangrijk vind, in elke baan, is vooruitkijken. Hoe gaat de samenleving er uitzien en hoe moet je als organisatie rekening

moet de meerwaarde van “ JeCultuur voor andere domeinen tonen, waardoor je vanuit die meerwaarde de positie van Cultuur kunt versterken

houden met die toekomst? Een toekomstgerichte organisatie creëren, dat doe ik graag en dat zal ik hier ook doen. Hoe moet dit departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media functioneren in een moderne administratie over vijftien jaar? Welk type medewerkers hebben we nodig, hoe moeten die zich ontwikkelen? Hoe kan onze organisatie voor het cultureel-maatschappelijk domein relevant zijn? Daarnaast vind ik ondernemerschap belangrijk. Hoe creëer je je eigen middelen? Dat wordt op het eerste gezicht minder verwacht, en toch wil ik nadenken over hoe je in een overheidsinstelling dat ondernemerschap kunt vertalen, bijvoorbeeld door te vernieuwen. Hoe kan je voor een domein als Cultuur, dat de laatste twintig jaar in de verdrukking zit, zorgen dat de middelen weer stijgen? Dan moet je cross-overs maken, de meerwaarde van Cultuur voor andere domeinen tonen, waardoor je vanuit die meerwaarde de positie van Cultuur kunt versterken en middelen kunt genereren.”

I

2016 19


Welke valkuilen probeert u als manager uit de weg te gaan?

Je moet de noodzaak van de korte termijn, de middellange termijn en de lange termijn met elkaar kunnen combineren. Zonder die combinatie kan je nooit succesvol zijn. Je moet dingen realiseren, je moet performant zijn, maar je mag nooit de toekomst uit het oog verliezen. Dat vind ik heel dikwijls een tekort bij veel verantwoordelijken. Ze verdrinken in het nu en kunnen dat nu niet plaatsen in de toekomst. Soms moet je in het nu een deficit nemen en uitleggen aan je mensen dat dit je niet zal verhinderen om toch vooruit te gaan.” Aan een nieuwe baan begin je met een boel verwachtingen over de opdracht zelf en over de werkplek. Welke zijn, na die eerste maanden, de meevallers en de tegenvallers?

In een administratie vrees je een soort logheid. Maar ik ben onwaarschijnlijk blij verrast door de manier waarop er gewerkt wordt. Mijn medewerkers zijn bekwaam en gemotiveerd. Als je vanuit een goede drive deze administratie kunt sturen, zijn mensen volgens mij zeker bereid om ervoor te gaan, en dat is een grote meevaller. Wat ik lastig vind, is het

wordt nog te “ Er weinig gedacht vanuit het idee van netwerken waarin mensen samenwerken over sectoren en subdisciplines heen

20

I

2016

papierwerk. Dit is een breed domein met veel invalshoeken en dat vertaalt zich in veel schrijfwerk. Bovendien doen we het ons zelf, heel dikwijls, aan. Er wordt bijvoorbeeld eindeloos gemaild. Weet je dat het een maand geduurd heeft voor ik mijn eerste interne telefoontje kreeg? Ik vind het belangrijk dat mensen met elkaar spreken. Als je belt, kan je het probleem in een ander perspectief zien door het contact met de ander, of het probleem verschrompelt gewoon. In mijn vorige banen heb ik ook altijd gewerkt aan een sterke huiscultuur. In een grote organisatie als deze is dat minder evident, maar ik wil sterke teams die een goede band hebben met elkaar. Die zijn er al op bepaalde plaatsen, maar aan die collegialiteit kan nog wel gewerkt worden.” Als over enkele jaren uw mandaat hier afloopt, wat moet er dan zeker in uw afscheidsrede staan?

Ik hoop dat we tegen dan voor het brede domein van Cultuur een verschil hebben kunnen maken en hebben kunnen zorgen dat die verschillende culturele sectoren zoals sociaal-cultureel werk, kunsten, erfgoed, media en film en jeugd sterker naar elkaar toegegroeid zijn. Dat ze meer vervlochten zijn. Want ze kunnen elkaar alleen maar versterken. We komen uit een periode dat er heel versnipperd werd gewerkt. Alles werd in stukjes gehakt en uit elkaar gerafeld, naast elkaar gezet en daar werden allemaal aparte organisaties voor gecreëerd. Er wordt te weinig holistisch gedacht, vanuit het idee van netwerken waarin mensen samenwerken over sectoren en subdisciplines heen en elkaar beïnvloeden. Ik hoop dat ik dit idee kan vertalen in het departement, zodat dit zijn weg vindt naar de hele sector. Cultuurhuizen kunnen bijvoorbeeld hun deuren meer openstellen voor het sociaal-cultureel werk. Nu doen ze er soms wat meewarig over. Dat is jammer en dat is niet slim. Onderwijs is nog zo een sector waarmee er wederzijdse bevruchting kan zijn. De sterkte van onze westerse samenleving is juist die rijkdom die maakt dat je heel breed geïnspireerde jonge mensen ontwikkelt die ver over hun grenzen heen kunnen kijken. Dat is een van de belangrijkste concurrentievoordelen die wij hebben hier in Europa.”


4

LUC DELRUE,

DE TOEKOMST­ WATCHER Middenveld, politiek en administratie: tussen die drie is er steeds een uitdagende dynamiek. Welke toekomsttrends ziet u, voor de domeinen apart of in relatie tot elkaar?

Na een sterke versnippering slaat de slinger nu weer terug naar hybridisering en ontkokering. Maar daarvoor is een zekere schaal nodig. In Vlaanderen wordt gewerkt op een te kleine schaal. In alle domeinen, niet alleen in het sociaal-cultureel werk, moeten we naar een grotere schaal van organisaties gaan. Een grotere schaal moet leiden tot een complexiteit die een organisatie en een sector op een hoger niveau kan tillen. Veel organisaties brengen hun falen terug tot de vaststelling dat ze een bepaald type mensen niet hebben, bepaalde mogelijkheden niet hebben, de infrastructuur niet hebben. Er is een soort kritische massa nodig om een zekere kwaliteit te ­ontwikkelen. Dat kan zeker ook door samen te werken. Iedereen heeft de mond vol van de netwerk­ samenleving, maar dat blijkt in de praktijk niet zo evident te zijn. In Vlaanderen is het geloof diepgeworteld dat wat we zelf doen, we beter doen. Eigen structuren hebben voordelen, maar ze kunnen ook een belemmering zijn. Voor mij hangt de slagkracht van een organisatie af van de kracht van de partners. De decretale context hinkt echter achterop, hij is nog altijd gericht op organisaties en hun uniciteit. Terwijl het niet de uniciteit is die belangrijk is, wel de positionering: hoe je je verhoudt tot het landschap en hoe je je daarin beweegt. Maar in de beoordeling van organisaties blijft die uniciteit een dominante factor. Dat is ook een generatiekwestie. De generatie die nu aan de knoppen zit, is degene die professioneel volwassen werd toen Vlaanderen haar structuren uitbouwde. Die structuren met elk een unieke werking waren nodig om de groei van de culturele sector mogelijk te maken. Nu komen we in een andere periode met een ander maatschappelijk functio­ neren, maar de mentaliteit en ingesteldheid volgen nog niet. Er komt wel een nieuwe, jonge

grotere schaal kan een sector “ Een op een hoger niveau tillen ” generatie mannen en vrouwen aan die dit meer in de genen hebben.” Het thema van Wascabi is dit jaar ‘business as usual’. Gaat alles voor middenveld, politiek en administratie zijn gewone gangetje of staan we voor een grote omkeer?

Er is een nieuw decreet over het sociaal-­ cultureel werk in de maak dus het is zeker niet ‘business as usual’. Maar je mag nog zoveel lobbyen als je wilt: ik denk dat het niet makkelijk zal zijn om bijkomende middelen te vinden. De sector wordt dus uitgedaagd om met even veel middelen veel beter te doen. Dit is een open debat waar ik met veel plezier zal induiken.”

LUC DELRUE • deed zijn eerste stappen in de culturele wereld als stafmedewerker van De Andere Film en in het Cultureel Centrum van Leuven • 1990-1999: directeur van de Stichting voor Kunstpromotie • coördinator van Anno ’02 in Zuid-West-Vlaanderen • 2003-2009: zakelijk directeur in het Museum voor Hedendaagse Kunst in Antwerpen (MHKA) • 2009-2016: algemeen directeur van Museum M in Leuven • 2016: secretaris-generaal van het Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media van de Vlaamse Overheid • talrijke beheers- en adviesfuncties in culturele instellingen, adviesraden, werkgroepen en het Steunpunt Cultuur

→→Vragen of reacties? liesbeth@fov.be of dirk@fov.be

I

2016 21


De provincie wordt uit de ketting geknipt. Is er reden tot feesten nu deze schoonmoeder niet meer is uitgenodigd? Zijn steden en gemeenten klaar om dit verlies op te vangen? Wordt de regio misschien de nieuwe schakel in het verhaal? Stephanie D’Hose, adjunct-kabinetschef van minister van Cultuur Sven Gatz, deelt haar droom voor Cultuur in dit nieuwe Vlaanderen. “Ik wil die afslanking van de provincies voor Cultuur tot een goed einde brengen, opdat de sector daar versterkt uit komt.”

I

n haar ontmanteling van het provinciale niveau heeft de Vlaamse regering persoonsgebonden domeinen, waaronder Cultuur, weggehaald bij de provincies. Niet alle sociaal-culturele organisaties staan te juichen. De meesten onder hen waren dankbaar voor de provinciale ondersteuning. Met deze ‘afslanking’ verliest het sociaal-cultureel werk een van haar schoonmoeders. Ook de provincie spuwde een stroom aan reglementen en subsidieregels, die nog eens verschilden van provincie tot provincie. Maar wat komt er nu in de plaats? Stephanie D’Hose is naast gemeenteraadslid van Open Vld in Gent ook adjunct-kabinets­chef bij minister van Cultuur Sven Gatz. Zij houdt zich daar onder andere bezig met de afslanking van de provincies.

Denkt u dat de provincies over twintig jaar nog bestaan? En wat moeten ze volgens u dan nog doen?

“Ik heb geen glazen bol. Maar ik denk dat de provincies niet meer zullen bestaan. Pas op, de provin­cies doen mooi en valabel werk. Maar heb je daar een apart v­ erkozen orgaan voor nodig? Ik denk van niet. We zouden Vlaanderen eigenlijk vanaf een wit blad moeten o ­ pbouwen. Starten met sterke steden en gemeenten. Dan komt onmiddellijk het spook van de fusies naar boven, maar je moet daarover durven te praten. 1976 is een trauma omdat het een politieke 22

I

2016

fusie was. Er waren alleen verliezers. Nochtans moet je erkennen dat Vlaanderen een schaalprobleem heeft. In Denemarken telt een gemiddelde stad 46.000 inwoners, in Vlaanderen 20.000. Je moet durven te fusioneren zodat je sterkere steden en gemeenten hebt. Niet door dat op te leggen, maar door als Vlaamse overheid de ondergrens te bepalen van hoeveel inwoners steden en gemeenten moeten tellen, en ze dan onderling zelf te laten bepalen met wie ze willen samengaan. Daarboven komt dan het Vlaamse niveau dat het kader stelt dat de steden en gemeenten invullen. Maar wat heb je nu? Zwakke steden en gemeenten en afgeslankte provincies. Het sterke, bovenlokale tussenniveau is weg. Daardoor ga je denken dat je de provincies nodig hebt, terwijl dat niet zo is. Je hebt een bovenlokaal, inter­ gemeentelijk niveau nodig.” Als je de provincie er tussenuit knipt, verdwijnt dan niet de democratische controle op dat tussenniveau?

“Dat hangt af van wat je doet met je gemeenteraadsleden. Een deel van de gemeenteraad zou dan worden afgevaardigd naar dat bovenlokale niveau. Dat zijn geen mensen die apart verkozen worden, zoals bij de provincies, dat zijn dezelfde mensen. Dat zie je nu bij de intercommunales, waar ook gemeenteraadsleden zitting in hebben. Je hebt de intercommunale voor afval, die

voor water, en daar zitten allemaal andere raadsleden in. Dat leidt tot bestuurlijke verrommeling. Je kunt dat samenbrengen op één regionaal niveau en gemeenteraadsleden afvaardigen. Maar dan moet je wel het ambt van gemeenteraadslid versterken, en het gemeenteraadslid vergoeden om dat goed te doen.” U wilt dat steden en gemeenten elkaar vinden op regionaal niveau. Maar hoe definieer je een regio? Er zijn zoveel verschillende manieren om die in te delen.

“Er is het bestuurlijke verhaal van de regio, maar je moet dat matchen met de regionale culturele tussenruimte, en die groeit van onderuit. De uitdaging zal zijn om die culturele humuslaag te koppelen aan de bestuurlijke laag. Je laat steden en gemeenten eerst samen zoeken, dan zet je daar een regioscreening bovenop om te kijken waar ze al samenwerken en hoe we dat kunnen matchen.” Zijn die regiogrenzen dezelfde voor elk beleidsdomein?

“Dat moet flexibel zijn. Water of afval, dat is hetzelfde in West-Vlaanderen of in Limburg. Maar Cultuur komt van onderuit, dat is iets heel anders. Dat zie je met de erfgoedconvenanten, die vertrekken van wat er in een regio gebeurt. Je organi­ seert de regionale focus dan in functie van de bevolking en van wat je hebt.”


“DIT IS MIJN KINDJE, IK WIL DIT GOED DOEN” I

2016 23


In dat verhaal over intergemeentelijke of regionale samenwerking worden andere partners die in die gemeente of regio actief zijn wat vergeten. Er is weinig betrokkenheid van het midden­ veld en burgers. Terwijl professionals net op dat regioniveau lokale afdelin­ gen ondersteunen. Dat zijn interes­ sante professionals om mee samen te werken.

“ELKE ZATERDAG HUISBEZOEKEN”

Toen ik opkwam voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2012 in Gent, maakte ik een aantal opmerkelijke campagne­filmpjes. Ik heb die gemaakt tijdens mijn eerste campagne voor een verkiesbare plaats. Maar ik zou dat nu niet meer doen. Ik kom uit West-Vlaanderen, ik ben in Gent blijven hangen, maar mijn ouders wonen daar niet, ik heb daar niet op school gezeten, ik heb daar niet in de scouts gezeten. Je komt daar als een onbekende. Hoe bouw je daar een kiespubliek op? In een grotere stad als Gent is dat minder evident dan in een kleine gemeente. Je moet er uitspringen, en dat doe je met iets opvallends en creatiefs. Maar nu kan ik over twee jaar naar de kiezer stappen en die vragen om me te beoordelen op wat ik gedaan heb als gemeenteraadslid. Ik doe elke zaterdagvoormiddag huisbezoeken in Gent. Je moet weten waar mensen van wakker liggen. Als er uit die bezoeken een concrete vraag komt, dan stel ik een schriftelijke vraag aan de schepen of dan pak ik dat bilate­raal op. Je kunt mensen dan zeggen waar ze voor informatie terechtkunnen, je kunt iets meer betekenen.”

24

I

2016

Het is dus niet omdat je goed samen­ werkt met bepaalde gemeenten voor afval, dat je ook voor je cultuurcen­ tra naar dezelfde gemeenten trekt. Dreigt het dan niet onoverzichtelijk te worden?

“Onoverzichtelijker kan het volgens mij niet meer worden. Nu heb je plattelandsgemeenten, kleine steden, centrumsteden, grote steden, met dan ook nog eens de bestuurlijke verrommeling van alle intercommunales die daarrond hangen. Ik heb dat eens opgezocht. Er zweven minstens 550 organisaties rond die 308 steden en gemeenten, en je hebt dan ook nog provincies, Vlaanderen en België. Allemaal met apart verkozen organen. Ik wil de volledige verantwoordelijkheid geven aan die steden en gemeenten en aan de gemeenteraadsleden.”

verbindende “Het werk dat de provincies doen, en dat middenveld dat daar rond hangt, dat moet je meepakken

“Dat wordt inderdaad vergeten omdat iedereen kijkt vanuit zijn eigen kleine, lokale focus. Er is zeker behoefte aan dat regionale niveau, want de afstand, ook tussen de grotere steden en Vlaanderen, zal te groot zijn. Ik wil die interessante humus niet te veel gaan institutionaliseren, maar je moet die een belangrijkere rol geven.” Wat is in dit licht de meerwaarde van een apart decreet? Waarom geen regi­ onaal luik in elk decreet?

“Sectorale decreten zijn er om je sectoren te ondersteunen. Je kunt de regionale focus erin laten evolueren, maar dan heb je de kracht van de verbinding niet.” Vanwaar dan de beslissing om een regiodecreet te maken voor Cultuur, een regiodecreet voor Jeugd enzoverder?

“Daar hebben we lang over gepraat op het kabinet. Misschien evolueren we nog naar één decreet. Je ziet hoe steden en gemeenten sinds de beheers- en beleidscycli veel meer evolueren naar een geïntegreerd beleid. Het is niet meer Sport, Jeugd en Cultuur, maar vrije tijd. Vlaanderen moet ook geïntegreerder gaan werken. Maar wat we in het regiodecreet Jeugd willen doen staat niet haaks op wat we met Cultuur zullen doen. Ook als er geen afslanking van de provincies was geweest, dan nog hadden we een regiodecreet


Jeugd gemaakt omdat we in die sector voor een aantal aspecten zoals de bovenlokale jeugdhuizen, al een regionale uitweg aan het zoeken waren. Je kunt dat complementaire niveau van de provincie echt niet alleen opvangen in de sectordecreten. Het verbindende werk dat de provincies doen, en dat middenveld dat daar rond hangt, dat moet je meepakken. Je bent dat onherroepelijk kwijt als je dat in een sectordecreet steekt.” Het onderhandelingsproces over de interne staatshervorming is al bezig sinds 2014. Wat waren de moeilijkste momenten voor u?

“Toen mijn kabinetschef mij dit dossier toevertrouwde, kwam voor mij een aantal zaken samen. Ik had daarover een conceptnota geschreven voor Open Vld tijdens de vorige regeerperiode, ik zie de praktijk als gemeenteraadslid van een grote stad. Deze hervorming is mijn kindje, ik wil dat goed doen. Een kind geeft veel mooie momenten maar ook veel slapeloze nachten. Het moeilijkste moment in het hele proces was voor mij het eerste gesprek met de gedeputeerden. Ik voelde me bijna een psycholoog. De vorige interne staatshervorming is voor sommigen traumatiserend geweest. Ze zagen in mij aanvankelijk het stoute Vlaanderen dat weer iets komt afpakken. Je moet met hen samen kijken hoe we dat anders kunnen doen, op een transparante manier. Hun duidelijk maken dat we een euro voor een euro overnemen, niet anderhalve maar ook niet een halve euro. We hebben ondertussen zo vaak samengezeten, het vertrouwen is er. Het gaat niet alleen over structuren, het gaat ook over het samenwerken van mensen.”

Had u die architectuur voor de nieuwe organisatie meegenomen naar de gesprekstafel of is die gaandeweg ontstaan?

“Die architectuur is een bestuurlijk maar ook een persoonlijk verhaal, iets wat ik in de loop der jaren heb opgebouwd. Daar moeten we volgens mij over twintig jaar staan. Zal dat zo zijn? Dat weet ik niet. Ga ik iets kunnen inbrengen? Dat weet ik nog minder. Maar dit is mijn visie. Wat ik nu doe, is die afslanking van de provincies voor Cultuur goed doen opdat de sector daar versterkt uit komt en het geen nieuw bestuurlijk trauma wordt. Dat is mijn grote betrachting. We zitten nog maar in het begin. Maar er is al een wederzijds vertrouwen en ook de administratie denkt mee. Ik noem dit decreet het science-fiction­ decreet. We bouwen dat op, in alle openheid, met de sectoren en de provincies. Dit wordt geen decreet zoals andere, voorbereid door de administratie met af en toe wat terugkoppelen naar het veld, om dan naar het kabinet te gaan. Nee, ik wil hier samen een mooi verhaal van maken.” Wat is voor u een regionaal/provinci­ aal initiatief dat zeker moet behouden blijven?

“Mag ik er drie noemen? De koren en fanfares eerst en vooral! Het is ongelofelijk hoeveel mensen die bereiken en de provincies tilden dat echt naar een ander niveau. Dat directe contact, dat verbondene, dat mensen in een traject zetten en empoweren. Ik vind dat fantastisch! Boekbaby’s met de Stichting Lezen is het tweede project. Mijn droom is om dat in heel Vlaanderen aangeboden te krijgen. En dan het hele verhaal van het streekgericht bibliotheekbeleid dat moet gemoderniseerd worden, met onder andere de oprichting van regio­nale bibliotheken.”

“ALLES KOMT SAMEN IN DEZE BAAN”

Het is een stevige combina­ tie, gemeenteraadslid en adjunct-kabinetschef. Ik heb het geluk dat Sven Gatz ons daarin steunt en ons soms ook raad geeft of vertelt hoe hij dat ooit zelf heeft aangepakt. Hij heeft het ook allemaal meegemaakt. Het is stevig, maar ik heb geen kinderen. Dat is een keuze, ik kan dat niet erbij nemen. Mijn vriend werkt ook in de politiek, bij Gwendolyn (Rutten, partijvoorzitter, red.). Hij begrijpt dat ik nooit thuis ben. Ik heb het hele spectrum van de politiek gezien. Alles komt nu samen. Ik heb voldoende ervaring om nuttig te zijn maar te weinig om vooringenomen te zijn. Mijn eerste baan was het op kabinet van Fientje Moerman, als viceminister-president, waar ik Cultuur opvolgde. Ik was kabinetschef bij Sas van Rouveroij toen hij schepen was in Gent, ik ben met hem meegegaan als medewerkster naar het Vlaams Parlement en werkte daar rond de interne staats­ hervorming. Vandaar mijn grote respect voor het parlement.”

De provincie heeft veel gedaan rond innovatie. Het was een interessant niveau om te experimenteren.

“Ik noem dat nieuwe decreet soms ook een experimenteel decreet, een decreet waar ruimte is voor experimenteren, voor die humus. In de sectordecreten is er vooral oog voor de big ones, maar dit decreet moet de humus en de empowerment van mensen vatten.”

I

2016 25


U leert veel voor uw baan op het kabinet uit uw werk als gemeente­ raadslid in Gent. Als u burgemeester was daar, wat zou dan het speerpunt van uw beleid zijn?

“De kans is klein, maar ach, een mens mag dromen. Het ligt voor de hand: Cultuur. Niet alleen Cultuur an sich, maar creativiteit als vliegwiel en accelerator. Dat zit in Gent in het DNA. Gent is de grootste studentenstad van Vlaanderen, met het hoogste aantal studenten. Ze blijven na hun studies hangen, richten start-ups op. Er is daar een creatieve sector die groeit en bloeit. Als ik burgemeester was, dan zou ik die veel meer stimuleren en dat culturele gegeven ermee verbinden.

“SOCIAAL-CULTUREEL WERK EEN OPENBARING”

Het sociaal-cultureel werk is in het geheel van Cultuur de minst zichtbare sector. Maar als je je daarin verdiept en je ziet hoe breed en divers die sector is! En in welke mate die verweven is met het dagelijks leven van de burger. Dat was een openbaring. Ik bewonder dat werk, de empower­ment die het sociaal-cultureel werk burgers geeft. We moeten dat zuurstof geven. Dit gezegd, het socioculturele taaltje vind ik fascinerend. Onze raadgever komt uit het sociaal-cultureel werk. Als zij begint te goochelen met termen als sociaal-culturele methodiek en om-denken, ga ik toch even zitten. Dat is goed, om met de bril van een buitenstaander op te zeggen: wat betekent dit nu eigenlijk?”

26

I

2016

Cultuur niet alleen als hefboom voor waarden, voor emoties, maar ook als economische hefboom. Silicon Valley aan de Leie! Cultuur en ondernemer­schap versterken elkaar. In Gent zit zoveel kennis en creativi­ teit. Als het daar niet lukt, lukt het nergens.” Het Vlaamse niveau werd heel lang betutteling verweten tegenover steden en gemeenten. Hoe kijk je daar naar als gemeenteraadslid?

“Ik ben het daar helemaal mee eens. Ik ben een communalist, ik sta voor steden en gemeenten. De Vlaamse overheid moet zich veel meer opstellen als een coach. Er is zo weinig vertrouwen in de lokale besturen. Lokale besturen zijn op dit moment niet sterk genoeg, je moet gemeenten krachtiger maken door fusies, gemeenteraadsleden door hun ambt te versterken. Maar dat is slechts één kant van het verhaal. De andere kant is vertrouwen. Vertrouwen dat als er geld voor Cultuur in het Gemeentefonds wordt gestort, gemeenten dat heus niet zullen gebruiken om nieuwe straten te leggen.” Bent u daar zeker van? Kijkt u niet te veel met de bril van een stad als Gent of Antwerpen, waar middelen voor Cultuur een evidentie zijn?

“Nee, ik ben daarvan overtuigd. Je hebt de push vanuit de gemeenteraad, vanuit de lokale jeugdraad. Gaan gemeenten dan de bibliotheek, het ontmoetingscentrum voor mensen, sluiten? Ik zie dat niet gebeuren.”

Vlaamse “Deoverheid moet zich veel meer opstellen als een coach. Er is zo weinig vertrouwen in de lokale besturen

Die push om te investeren in Cultuur komt toch vaak vanuit Vlaanderen? Als die wegvalt en lokale besturen autonomer beslissen over deze mid­ delen, maar die regionale bovenbouw er nog niet is, hoe ga je dat garan­ deren? We zien nu al hoe bepaalde gemeenten met een zwembad of cul­ tureel centrum de prijzen optrekken voor niet-inwoners.

“Je zult dat voor een stuk opvangen met dat regionale verhaal. In Gent zijn de musea op zondagvoormiddag gratis voor Gentenaars, en alleen voor Gentenaars. Dat was al zo voor de inkanteling van de sectordecreten. Dat is de keuze van een stad of gemeente. Er is ook de lokale monitor voor de vrije tijd om dat te bewaken. Dat instrument moet voor ons opgebouwd zijn vanuit de gemeenten, want je hebt hun goodwill nodig. Zij moeten het invullen en je hebt de hefboom van de centen niet meer. Wat je kunt bieden, is een instrument waarmee ze zich kunnen vergelijken met andere gemeenten. De Vlaamse overheid kan eruit leren over eventuele verschuivingen. Als er voldoende gemeenten meedoen. Het zal mijn opdracht zijn om van die monitor een evenwichtig instrument te maken en dan de gemeenten te overtuigen het te gebruiken.” →→Vragen of reacties? liesbeth@fov.be


WAT IS EEN BELEIDSMAGAZINE OVER HET SOCIAAL-CULTUREEL WERK ZONDER ÉÉN WOORD VAN BELEIDS­M AKER NUMMER 1, DE MINISTER? WIJ VROEGEN HEM IN ZIJN PEN TE KRUIPEN VOOR DEZE WASCABI.

OVER SOCIAAL-CULTUREEL WERK HEB IK VEEL TE ZEGGEN

E

r is de voorbije maanden al flink gepraat en gebrainstormd over een nieuw beleidskader voor het sociaal-cultureel volwassenenwerk en het participatiedecreet. Van 25 november tot 14 december van vorig jaar zaten vijf focusgroepen over vijf verschillende thema’s samen, telkens verdeeld over twee sessies. Per thema inventariseerden ze ideeën en standpunten over deelonderwerpen. Niet om het eens te zijn, wel om per onderdeel na te gaan welk palet van meningen er leeft. De volgende stap was de experten­ tafel van 11 december. Wetenschappers en onderzoekers formuleerden er op basis van hun onderzoekswerk aanbevelingen voor het sociaal-cultureel volwassenenwerk en het participatie­decreet van de toekomst. Al het materiaal is verschillende keren gelezen en zo volledig mogelijk gesynthetiseerd. De verslagen van deze bijeenkomsten en de daarbij horende (landschaps-)teksten vormen de basis van de goedgekeurde conceptnota. In deze oefening kwam een spanningsveld naar boven tussen een ‘civiel perspectief’ en een ‘voorzieningenperspectief’ op de verdere ontwikkeling van het beleidskader voor het sociaal-cultureel werk met volwassenen en het participatiedecreet. Wat weegt door: het gezichtspunt van de organisatie of het gezichtspunt van de gebruiker? In de focusgroepen en in de expertengroep maakten ook enkele mensen de kanttekening of de tijd wel rijp is voor de hervorming: moet het? Moet het nu? Moet het zo snel? Kan het niet diepgaander? En waarom moet er meteen een heel nieuw decreet komen? Waarom kiezen we er niet voor, vanuit een zachtere overgang, om de opgedoken en erkende problemen en beperkingen binnen het bestaande decreet op te lossen? Aan dit pleidooi wordt een ander pleidooi verbonden om dit bijgestuurde decreet een soort van interim­status te geven. Die status zou dan de gelegenheid bieden om nu al te beginnen werken aan iets dat meer schoonheid in zich draagt, via een beleidskader dat overgedragen zou kunnen worden naar een volgende beleidsperiode.

Ook de expertentafel pleit in die zin. De deskundigen geven aan dat de lopende oefening te weinig omvattend is en te weinig diepgang bevat. Ze geven aan dat er behoefte is aan een omvattende en ook door onderzoek verantwoorde brede sokkel, die kan dienen voor alle sociaal-culturele praktijken. Te denken valt minimaal aan jeugd, kunsten, erfgoed – waar ook civiele praktijken aan de orde zijn. Pas als deze brede sokkel uitgewerkt is, zou moeten nagedacht worden over waar er nog een specifieker kader nodig is, gericht op een bepaalde sector. Ook de experten schatten in dat dit werk een langere termijn nodig heeft. Een stuurgroep én een projectgroep bogen zich over de inhoudelijke procesmatige uitwerking, onder een wetend administratief toeziend oog en met een groeiende korf aan rijpende pennenvruchten. Presentaties voor de sector, voor de SARC, voor de FOV, voor de advieswerkgroep met de VGC, een online vraagen antwoordplatform, overleg met Vormingpluscentra, etnisch-culturele federaties en bewegingen. Dit alles heeft geleid tot warme, interessante peer-to-peer moments. “Meerstemmigheid organiseren betekent nieuwe vormen van samenwerking ontwikkelen waarin we het verschil de motor van de dialoog laten zijn,” schreven Maddy Janssens en Chris Steyaert in hun boek ‘Meerstemmigheid: organiseren met verschil’. Het basisprincipe van meerstemmigheid is bovendien dat alle stemmen gelijkwaardig zijn, of althans een volwaardige rol hebben. In een polyfone partituur ontstaat er een rijke muzikale tonaliteit waarbij meerdere melodische lijnen simultaan worden uitgevoerd. Elke lijn is betekenisvol op zich maar betekenisverwervend in relatie met de andere. Een rijke tonaliteit organiseren, heb ik dankzij jullie niet veel te zeggen? Sven Gatz

I

2016 27


APPÈL AAN DE SOLIDARITEIT 28

I

2016


De vluchtelingencrisis vorig jaar was een appèl aan het sociaal-cultureel werk dat er prat op gaat de samenleving mee vorm te geven. Welke rol moet het spelen? Zijn het alleen de meer voor de hand liggende verenigingen die in de bres springen of spoelt er een brede golf van solidariteit over het Vlaamse middenveld? We vroegen het aan drie bevoorrechte getuigen: Theo Francken, federaal staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Charlotte Vandycke, directeur van Vluchtelingenwerk Vlaanderen, en Wim Verlinde, algemeen voorzitter van de kwb.

“ENTHOUSIASME IS ONTROEREND MAAR NIET ALTIJD REALISTISCH” Als Theo Francken vorige zomer zeventien was geweest, had hij ook in het Maximiliaanpark gestaan. Maar als federaal staatssecretaris voor Asiel en Migratie pleit hij voorzichtigheid. “Heel het middenveld loslaten op de vluchtelingen van bij het begin van de procedure, ik ben daar geen voorstander van.” Een jaar geleden, in volle vluchtelin­ gencrisis, hebben heel wat burgers, alleen of via sociaal-culturele orga­ nisaties, initiatieven genomen om vluchtelingen te helpen en mensen te betrekken en voor te bereiden op de nieuwkomers. Vindt u die rol van het sociaal-cultureel werk nuttig?

“V

oor elk nieuw asielcentrum starten we tegelijkertijd een vrijwilligerswerking op. We hebben in enkele maanden tijd tientallen asielcentra geopend en overal zie je dat er, naast tegenstanders, altijd ook mensen zijn die, als het centrum er dan toch komt, er het beste van willen maken en zich willen inzetten opdat het lukt. Het is aan Fedasil, dat de opvang coördineert, en aan de organisaties die het opvangnetwerk creëren zoals Rode Kruis en OCMW’s, om die partners voor het vrijwilligerswerk te kiezen, dus ook organisaties in het middenveld. Maar

je moet oppassen. In 2015 kreeg meer dan de helft van de asielaanvragers een ‘nee’, en dus een bevel om het grondgebied te verlaten. Een deftig asielbeleid vereist volgens mij dat je ‘nee’ zegt tegen degenen die geen asiel verdienen, want anders is je draagvlak bij de publieke opinie weg, en het is al moeilijk genoeg. De asielprocedure is dus een soort wachtkamer. Heel je middenveld daar op loslaten, van in het begin van de procedure? Ik ben daar geen voorstander van. Het enthousiasme tijdens deze asielcrisis van een deel van het sociaal-culturele veld is ontroerend, maar niet realistisch.” Wat bedoelt u met niet realistisch? Niet efficiënt? Niet nuttig?

“UNIZO is geen sociaal-culturele vereniging, maar als ik zie hoe ze in het Maximiliaanpark opdoken met een standje ‘hoe word ik ondernemer?’, dan denk ik dat het toch vooral leuk was voor de camera’s en

voor het eigen humanitaire imago. Hoeveel zelfstandigen zouden daar uit voort gekomen zijn? Even ernstig blijven. Ik denk dat heel wat organisaties uit het middenveld soms heel goedbedoelde initiatieven hebben genomen. Het Maximiliaanpark is ook van onderuit gegroeid. Ik was geen voorstander van dat chaotische kamp in de hoofdstad van Europa, want wij hadden een veiliger en comfortabeler alternatief. We mogen fier zijn op de opvang die we hebben georganiseerd in België, we zijn een voorbeeld voor de rest van Europa. Maar het is ook wel een teken van kracht dat mensen zelf dingen op poten zetten. Als ik zeventien was geweest vorige zomer, was ik waarschijnlijk zelf mee gaan helpen in dat kamp.” Veel sociaal-culturele organisaties en hun vrijwilligers zien voor zichzelf vooral een rol in de tweede fase, op het moment dat vluchtelingen gehuis­ vest worden in een gemeente.

“Als de kwb in Lubbeek een cursus bloemschikken wil geven voor de vrouwen in het asielcentrum, be my guest. Des te beter als sociaal-culturele verenigingen vrijetijdsactiviteiten

I

2016 29


willen organiseren. Alleen is het wel belangrijk om te weten dat deze mensen nog niet definitief binnen zijn. Het is pas als ze erkend zijn als vluchteling en verblijfsrecht krijgen, dat ze een duurzaam verblijf krijgen. Pas dan kom je in de fase van de inburgering en de integratie, en dan hebben we maar één opdracht, als overheid en als samenleving: die mensen zo snel mogelijk het gevoel geven dat ze erbij horen en de samenleving het gevoel geven dat het allemaal in orde komt. En daarvoor is het sociaal-cultureel werk wel erg belangrijk.” Veel organisaties proberen de eigen vereniging en de medeburgers ervan bewust te maken dat dit op ons afkomt, dat we daar moeten mee leren omgaan en constructief naar kijken. Het blijkt niet evident te zijn om mensen mee te trekken in dat verhaal. U gaat in het hele land spreken over de asielcrisis. Hebt u tips voor hoe verenigingen dat best aanpakken?

“Je mag vooral niet te naïef overkomen. Je moet tonen dat je mee bent in de bezorgdheid van veel mensen. You’re one of the guys. Neem nu de infoavond in mijn eigen Lubbeek. Zevenhonderd mensen kwamen 30

I

2016

daar opdagen, ik denk dat er in Lubbeek nog nooit zoveel volk op een en hetzelfde moment bij elkaar heeft gezeten. In de zaal hing de nodige scepsis. Mensen hadden veel vragen. Waar zijn de vrouwen van al die mannen die vluchten? Zijn de mensen die uit IS-gebied komen geen fanatici die ons zullen opblazen? Wat doe je met asielzoekers die zich misdragen? Kunnen we dat wel aan? Wanneer zal het minderen? Dat zijn vragen die leven bij een heel groot deel van de publieke opinie. Als je deze mensen meteen verslijt voor bekrompen en onverdraagzame Vlamingen, sluiten ze zich voor je af, omdat ze voelen dat voor hen iemand staat die niet wil luisteren. Ze hebben vragen en ze willen antwoorden en ze zullen dan wel hun eigen mening vormen. Ik toon dat ik hun bezorgdheid deel, dat ik ook met vragen zit. Ik zeg aan het begin van mijn lezing dat hun zorgen mijn zorgen zijn. Dan heb je ze mee. Als je de media moet geloven, gaat het uitsluitend om hoogopgeleide Syrische ouders met kleine kinderen. Dat is pure emo. De realiteit is dat het vooral alleenstaande mannen zijn, dat er vorig jaar minder dan 1 op de 5 en nu minder dan 1 op de 10 Syriërs bij zijn, en dat het opleidingsniveau erg

laag is. Je moet dat gewoon zeggen.” Hoe kunnen verenigingen vluchte­ lingen helpen te integreren zonder betuttelend te zijn?

“Moet je iets speciaals doen? Je moet gewoon respecteren wie ze zijn. Ik denk dat ze het liefst hebben dat je ze gewoon behandelt. Kijk hoe dat in het onderwijs gaat. Ik kreeg dit weekend enkele mails van ouders van De Linde, waar Adam, een Syrische vluchteling, in het eerste leerjaar zit. Zijn ouders hadden eerst een asielaanvraag in Duitsland ingediend en moeten daarom terug naar daar. De timing is vervelend, zo vlak voor het einde van het schooljaar, maar de wet is de wet. Adam is enorm populair op school. Dus kwamen ouders me vragen of dat niet anders kan, of dat wel rechtvaardig is, of ze geen fiets kunnen laten bezorgen voor Adam in Duitsland, want hij heeft er één nodig. Sommige van die ouders hielden er een enigszins andere mening op na voor het centrum er kwam. Onderwijs is dus belangrijk in dit verhaal. Via de kinderen zijn er veel sociale contacten. Verenigingen kunnen zeker iets doen voor en met de ouders, maar je weet nooit of die er voor openstaan. Je werkt best


het “ Vluchtelingen gevoel geven dat ze erbij horen en de samenleving het gevoel geven dat het allemaal in orde komt: daarvoor is het sociaal-cultureel werk belangrijk THEO FRANCKEN

via de jeugd, via school, en sport en spel. Wij doen in Lubbeek, zoals in veel gemeenten, een welkom aan de nieuwe inwoners. Maar we hebben daarnaast ook een nieuwkomersdag. Iedereen die een inburgeringsattest behaalt, zetten we in de bloemetjes. Ik denk dat het voor hen belangrijk is dat ze na de inspanningen die ze hebben gedaan, maatschappelijke erkentelijkheid krijgen.” Het middenveld speelt ook een kritische rol. Naast het klassieke verenigingsleven in Vlaanderen heb je organisaties die ook actie­voeren en betogen, die kritisch naar uw beleid kijken en hun mening ventileren. Hoe kijkt u daar zelf naar?

“Dat is goed voor het beleid. Een democratie is alleen maar sterker met een goed middenveld, maar het moet op een correcte manier gebeuren. Wij hebben constant overleg met organisaties die voor ons opvang organiseren. Met Vluchtelingenwerk Vlaanderen heb ik de laatste maanden een getroebleerde relatie omdat het vorig jaar, toen de vluchtelingen toestroomden, een klacht heeft ingediend bij de Europese Commissie over mijn opvangbeleid. Ondertussen creëerden ze – in volle asielcrisis – zelf nul extra bedden

(zie verder, red.). Ik zou denken dat je op zo een moment misschien beter mee voor opvang zorgt, zodat die mensen niet op een koude bank in Brussel-Noord of in een park moeten slapen. Maar iedereen doet wat hij denkt te moeten doen. Ik wil met iedereen in discussie gaan. Ik was de eerste staatssecretaris sinds lang die bij elke vereniging of organisatie die dat vroeg zijn beleid is gaan toelichten. Een deel van het middenveld dat activistisch en militant is, vindt dat elk individu het recht heeft om zich eender waar op de aardbol te bewegen, dat mobiliteit zonder grenzen moet zijn. Dat is mijn standpunt niet, want als er geen grenzen zijn, hebben we geen sociaal model meer en geen sociale zekerheid zoals we die nu hebben. Ik word niet kwaad wanneer ze dat zeggen, ik ga in debat. Maar als je dat tien keer tegen elkaar hebt gezegd, sta je voor een muur, want je zult elkaar niet overtuigen. Na zestien jaar in de Wetstraat ken ik de meeste stellingen over dit thema wel. De confrontatie van meningen is verrijkend als de ideeën voldoende blijven evolueren, ook die van mij. Al blijven de basisprincipes wel dezelfde.”

Hebt u een initiatief gezien van onder­ uit waar u een meerwaarde in ziet, dat u dat graag vermenig­vuldigd zou zien?

“De vrijwilligersteams doen heel veel goede dingen. Er is een immens sociaal kapitaal, er is veel expertise die kan worden ingezet om vluchtelingen te helpen. Een goede vrijwilligersstructuur organiseren rond een centrum en in een gemeente is een grote uitdaging. Mij valt daarbij op dat in Nederland de asielcentra een veel kleiner team professionals hebben en grotendeels draaien op vrijwilligers. Bij ons zijn de vrijwilligers een belangrijke extra, maar het centrum zelf wordt toch beheerd door professionals.” Het voordeel van de Nederlandse aanpak is dat deze vrijwilligers die ervaringen meenemen naar hun eigen leven, dat versterkt de samenleving.

“Het nadeel is dat er twee keer protest is: voor het centrum opengaat, en wanneer het dichtgaat.”

I

2016 31


Charlotte Vandycke, directeur Vluchtelingenwerk Vlaanderen

“DEZE GOLF VAN SOLIDARITEIT GAAT NIET MEER WEG” Die poot hebben we sinds de vluchtelingen­ crisis versterkt, omdat we een enorme toename zagen in het aantal vragen van burgers, van bedrijven die zich, geconfronteerd met de beelden op tv en de aankomst van vluchtelingen in ons land, afvroegen wat ze konden doen. We krijgen enorm veel vragen van mensen die daarbij willen helpen. Wij zetten hen op weg.

Sinds de vluchtelingencrisis is het voor Vluchtelingenwerk Vlaanderen – hoe kan het ook anders? – alle hens aan dek. Het zorgde tussen augustus 2015 en februari 2016 voor 550 extra plaatsen in het eigen opvangnetwerk in samenwerking met de overheid. Daarbovenop zochten en vonden ze, op eigen initiatief, 300 extra slaapplaatsen bij vrijwilligers in dezelfde periode, voor mensen die in de kou bleven staan. Hun mensen stonden bij de ingang van de Dienst Vreemdelingenzaken en in het Maximiliaanpark voor socio-juridisch advies en gaven naast brood en soep ook informatie aan duizenden vluchtelingen in hun Startpunt. “Ons pleidooi is al dertig jaar hetzelfde, maar dankzij de massale aandacht zien we nu in het middenveld veel bewegen en gebeuren.”

“H

et zijn niet de grote beroemde verhalen van vluchtelingen die me het meest inspireren, wel die van gewone vluchtelingen, degenen die ik ontmoet in mijn werk. Ik zie mezelf in hen terug, ik zie mijn familieleden in hen terug. Hoe zij bergen verzetten om tot hier te geraken, hier bescherming krijgen en hun leven opnieuw opbouwen, dat ontroert me. Bij Vluchtelingenwerk komen we op voor mensen op de vlucht. We ondersteunen vrijwilligers en professionals die met vluchtelingen werken. Vaak zijn dat lokale vrijwilligers­ groepen, maar ook vakbonden of brede sociale diensten zoals Caritas. We bieden ondersteuning via een helpdesk en vormingen.

32

I

2016

In het begin van de asielcrisis boden mensen vooral materiële hulp. Dat is waardevol, maar naarmate mensen zich langer engageren, zie je dat een aantal onder hen hun engagement inzet voor de integratie van deze vluchtelingen, zoals begeleiding bij de zoektocht naar een huis. We zien zelfs vrijwilligersgroepen die zich professioneel organiseren en een feitelijke vereniging of vzw worden. Met Vluchtelingenwerk verdedigen wij de stem van onze lidorganisaties maar ook die van de vluchtelingen zelf. We willen verduidelijken en nuanceren en daarbij steeds het perspectief van de universele mensenrechten behouden, want zowel bij de politiek als bij de burger leven angst en onduidelijkheid. Op die functie hebben we het afgelopen jaar veel meer moeten inzetten. Tot slot communiceren we direct met beleids­ makers op alle niveaus. Soms gebeurt dat op vraag van de overheid zelf, die een beroep doet op de expertise en de ervaring van het middenveld. Zo heeft het departement Welzijn ons in september 2015 al gevraagd om te kijken wat zij konden doen en hoe ze de middelen het best konden inzetten. Ons pleidooi voor de belangen van vluchte­ lingen is al dertig jaar hetzelfde, maar dankzij de massale aandacht zien we nu in het middenveld veel bewegen en gebeuren. Bewegingen zoals de kwb sensibiliseren en zetten mensen aan tot handelen; wij zouden in ons eentje nooit dezelfde impact kunnen realiseren. Het is een uitdaging voor het sociaal-culturele veld om rond deze solidariteit af te stemmen.


We willen als bovenlokale organisatie ook de bredere samenleving activeren. Dat doen we met campagnes als Gastvrije Gemeente, waarmee we initiatieven in kaart brengen en met elkaar in contact brengen. Dit jaar hebben 350 initiatieven zich bij ons geregistreerd. We zijn nu verder aan het experimenteren om nog meer mensen te betrekken. We brengen telkens de boodschap en geven meteen ook een aanbod zodat mensen zich kunnen inzetten. Zo hadden we recent Iftar for Refugees. Mensen konden een vastenmaaltijd koken en aanbieden, en aan het eind van de ramadan was er een groot evenement waar iedereen aan kon meewerken. Zo bereik je veel mensen die niet per se betrokken zijn bij vluchtelingen of bij het verenigingsleven maar die zich wel willen engageren. In het najaar willen we een nog breder publiek bereiken van mensen die hun sympathie willen betuigen zonder zelf de handen uit de mouwen te steken, met een gesponsorde Refugee Walk. De opbrengst gaat naar organisaties die werken met vluchtelingen. Deze golf gaat niet meer weg. Er was voordien ook al veel solidariteit in de luwte. Dat wordt nu zichtbaar. Maar er engageren zich ook veel nieuwe burgers. Ze zijn gebeten om zich in te zetten, ze zijn tevreden met de impact die ze hebben. Volgens mij is de groep mensen die hier een mening over heeft, die er aandacht voor heeft en de handen uit de mouwen wil steken echt uitgebreid. Onze beweging komt hier versterkt uit, ook al omdat dit thema voorlopig niet meer weggaat. Het middenveld is ook de plek waar burgers zich verenigen om te spreken over het soort samenleving dat we willen zijn. Helaas merken we dat politici geen echte dialoog met het middenveld meer willen voeren. De overheid vindt zich nog wel in de dienstverlenende rol van het middenveld, maar werkingen die het beleid mee kritisch vorm willen geven, krijgen steeds meer het deksel op de neus. Dat is een historische vergissing.

Vluchtelingen is een thema dat fel beroert. We hebben een protocol voor haatmail moeten opzetten omdat we ‘boeiende’ berichten kregen, tot via onze persoonlijke kanalen toe. Deze reacties hebben vaak te maken met angst, gebrek aan informatie, onwetendheid. Wij blijven in de mate van het mogelijke de dialoog aangaan, ook met mensen die met ons van mening verschillen, want we willen niet alleen preken voor het eigen koor. We trainen en ondersteunen onze mensen daarin.

overheid vindt zich nog “ De wel in de dienstverlenende rol van het middenveld, maar wie het beleid mee kritisch vorm wil geven, krijgt het deksel op de neus CHARLOTTE VANDYCKE

Tegelijkertijd vinden we dat beleidsmakers en politici daar een zware verantwoordelijkheid dragen. We zien politici op bepaalde momenten communiceren op manieren die wij niet constructief vinden. Een overheid moet verbindend communiceren, maar de inhoud van de boodschap is vaak tendentieus en suggestief, waarbij bewust spanningen worden gezocht en gecreëerd. Dan reageren we. Politici hebben de verantwoordelijkheid om correct te communiceren. We kiezen zelf voor een communicatiestrategie die verbindend en ontmijnend werkt. En niets werkt zo goed als vluchtelingen een gezicht geven. In dit debat zijn er weinig rationeel gefundeerde argumenten. Mensen worden enorm gedreven door hun buikgevoel. Als je vluchtelingen een gezicht geeft, via een videogetuigenis of door een ontmoeting met een vluchteling te regelen, dan speel je ook in op dat buikgevoel. Op dat gevoel dat het gaat om mensen zoals u en ik.”

I

2016 33


Wim Verlinde, voorzitter van kwb

“HET IS ONZE VERDOMDE PLICHT OM DIT BESPREEKBAAR TE MAKEN” Migratie en asiel bespreekbaar maken, het heeft wat weg van een wandeling doorheen een mijnenveld. Toch zet de kwb een heuse campagne op rond vluchtelingen voor haar meer dan 600 lokale afdelingen.

“D

e kwb wil een brede sociale beweging zijn in een steeds kleiner wordende wereld. Ons lot is verbonden met die vluchtelingen, maar het is een uitdaging om met dat thema aan de slag te gaan. We zijn een grote machine, met meer dan 600 lokale afdelingen en 71.000 leden. Die machine konden we niet op de korte termijn in gang zetten toen de asielcrisis losbarstte vorig jaar. Maar het is niet zo dat we er niet mee bezig waren. Zo zat er vorig jaar in ons programma al een bezoek aan een asielcentrum van het Rode Kruis. In Laken is er bijvoorbeeld ook een afdeling die vluchtelingen leert fietsen. Wij proberen nu deze vluchtelingencrisis concreet te maken voor en met onze groepen. We beginnen in september met een grote campagne volgens de oude slagzin ‘zien, oordelen, handelen’. We organiseren dit najaar gesprekken met onze bestuursleden onder de deskundige begeleiding van mensen van Vluchtelingenwerk, Orbit en zo. We willen correcte informatie geven, duiden, nuanceren. We mikken op 120 lokale afdelingen, maar ik geloof in een multiplicatoreffect. Daarnaast kunnen lokale afdelingen in het deel ‘Onbegrensd’ van ons nieuwe jaarprogramma twee activiteiten aanbieden over vluchtelingen. Er is ‘Van Brussel tot Bagdad’, een infoavond over de islam omdat die religie in de beeldvorming erg samenhangt met deze asielcrisis, met Jonas Slaats (schrijver en sociaal activist, red.). Een tweede activiteit is een inleefwandeling in Brussel, ‘In het Spoor van een Asielzoeker’ van Tochten van Hoop.

34

I

2016

We organiseren ook een stellingen­gesprek na een conférence van Margriet Hermans. Tijdens haar deelname aan Terug naar Eigen Land (programma op Vier, red.) heeft ze heel wat stomme uitspraken gedaan, maar ze is bijgedraaid. Ze trekt rond met haar verhaal. Dit was niet zo vanzelfsprekend bij ons omwille van haar politieke verleden. Maar ze trekt volk, en niet alleen de overtuigden. Ze is een herkenbare stem uit de Vlaamse onderbuik. In maart sluiten we dan de campagne af met een campagnemaand, waarin we de afdelingen uitdagen om iets te doen om nieuwkomers welkom te heten in hun gemeente. Op deze manier hopen we te informeren en te sensibiliseren op een laagdrempelige manier. We zullen zien hoe succesvol die campagne wordt. In ons beleidsplan voor de komende jaren hebben we ook blijvend aandacht voor alle zwakkeren in de samenleving. We trekken vluchtelingen onder die bredere koepel van solidariteit met wie het moeilijker heeft en doen zo kleine stappen om het bespreekbaar te maken. Ik hoop dat onze mensen vragen dat we er volgend jaar opnieuw rond werken. Want niet alle mensen staan daar voor open. De ideeën en meningen verschillen van afdeling tot afdeling. Er is de vrees dat er ruzie zal komen in het bestuur omdat het een delicaat thema is. We hebben daarom voor de bestuursgesprekken ook gekozen voor die externe begeleiders om de eigen medewerkers niet in een lastig parket te brengen, want de volgende dag moeten ze wel voortwerken met die vrijwilligers. Toch mogen we dat niet uit de weg gaan. Als kwb is het onze verdomde plicht om dat bespreekbaar te maken. We moeten durven dat verhaal te brengen. We hebben zeker


medestanders die hier ook in geloven. Het enthousiasme van onze bestuursvrijwilligers was zo groot dat we het hebben moeten temperen om het realistisch en haalbaar te houden. In elke afdeling vind je wel enkele mensen die mee willen, al is het niet altijd makkelijk om zich te outen en dat moeten we respecteren. Het is belangrijk voor de kwb om ervoor te zorgen dat mensen hierover samen kunnen discussiëren. Als iedereen alleen om zeven uur naar het nieuws kijkt, dan is er daarna geen gesprek. We willen dingen bespreekbaar en aanvaardbaar maken in de samenleving. Er mogen verschillende meningen zijn, maar je kunt met elkaar praten. Zo worden mensen sterker, door naar elkaar te luisteren, door de dialoog ook te voeren met vluchtelingen, dat wordt de volgende stap. De toekomst zal meer en meer lokaal zijn, en ook de toekomst van het middenveld ligt lokaal. We moeten mee vorm geven aan de samenleving en draagvlak creëren voor minder vanzelfsprekende zaken zoals migratie. Als ‘klassieke’ beweging uit het middenveld hebben wij altijd bruggen gebouwd, over rangen en standen heen. We moeten er over waken dat de nieuwe verenigingen en bewegingen die nu ontstaan de onderlaag van de samenleving niet vergeten. Het is gemakkelijker om ‘iets voor de vluchtelingen te doen’ als je in een groot herenhuis woont, met twee auto’s voor de deur.

moeten er over waken “ We dat we de onderlaag van de samenleving niet uit het oog verliezen WIM VERLINDE

Het sociaal-cultureel werk mag niet te elitair worden en die onderstroom die het niet breed heeft, niet uit het oog verliezen. Daarom moeten we een herkenbaar verhaal brengen. Iedere vluchteling heeft talenten. Net als iedereen willen ze de kans om een droom waar te maken. Het is onze opdracht om dat verhaal te vertellen aan mensen.”

→→Vragen of reacties? hannes@fov.be of liesbeth@fov.be

I

2016 35


RUN OP DE RUIMTE 36

I

2016


Organisaties willen kunnen vergaderen, feestvieren en activiteiten organiseren, maar in de stad is ruimte schaars en duur of ingepalmd door private ontwikkelaars. Als gevolg maakt het tijdelijk gebruik van publieke ruimte en leegstaande gebouwen voor sociaal-culturele praktijken opgang. In sommige steden zijn interessante experimenten aan de gang. Frederik Serroen, stafmedewerker bij het Kenniscentrum Vlaamse Steden, geeft overheden en verenigingen zeven sleutels om dit te doen lukken.

I

n tegenstelling tot vele Vlamingen die een haat-liefdeverhouding hebben met de stad, is de liefde van Frederik Serroen onvoorwaardelijk. Serroen was eerder aan de slag bij City Mine(d) in Brussel en zette voor de stad Antwerpen Zaalzoeker mee in de steigers, een manier om leegstaande publieke en private gebouwen intensiever te gebruiken (zie verder). Op dit moment werkt hij voor het Kenniscentrum Vlaamse Steden, een samen­werkingsverband van de dertien grootste Vlaamse steden en de Vlaamse Gemeenschapscommissie in Brussel.

“There is nothing more permanent than the temporary”, gaat het citaat. Ik denk dat we een kantelpunt meemaken. Het klassieke discours van stadsontwikkeling – een stuk grond kopen, snel bouwen en dan op de markt zetten – loopt mank. Het geld valt niet meer uit de lucht, er zijn procedureslagen voor complexe projecten, het gaat allemaal niet zo snel. Veel grote stukken grond zijn er ook niet meer, wat moet ontwikkeld worden is fijnmaziger. Dat laat allemaal kansen om in die tussentijd dingen te doen.”

Zijn opdracht in het Kenniscentrum is onder andere om steden meer ‘Europaproof’ te maken, ze te wijzen op het belang van Europese regelgeving en op kansen op projectfinanciering. Daarnaast helpt hij steden zich voor te bereiden op een koolstofarmere toekomst. “We maken een soort portret van hoe het er in de steden vandaag aan toegaat om pijnpunten en opportu­ niteiten bloot te leggen, bestellen onderzoek, bieden vormingstrajecten aan, of kaarten kwesties aan bij beleidsmakers.” Daarbij laat Serroen zich ook inspireren door het buitenland. In de miljoenensteden daar veranderen de dingen met een veel hogere snelheid dan in Brussel of Antwerpen. “In Athene bijvoorbeeld zijn er door de crisis heel veel terreinen in de stad die braak liggen of gebouwen die leegstaan, en daar proberen mensen vanalles. In Brussel zie je dat ook, maar door de macht van het getal heeft dat in een stad als Athene een heel andere impact.”

Hij ziet dergelijke initiatieven dan ook overal ontstaan. “Commons Josaphat in Schaarbeek is momenteel een van de interessantste ­projecten in Brussel, op terreinen van de NMBS. Het gaat lang duren voor daar de eerste spade in de grond gaat, en ondertussen beginnen burgers en verenigingen dingen te organiseren, zoals een Récup’kitchen en een kleine moestuin.”

I

2016 37


“Er zijn zoveel soorten eigenaars als er projecten voor tijdelijke ruimtes zijn. Het hangt ook af van stad tot stad. Sommige plekken hebben al een voorgeschiedenis, in andere begint het nu pas te bewegen. In Brussel bijvoorbeeld zitten er, door de versnippering van de bevoegdheden, nogal wat gaten in het systeem. Verschillende burgerinitiatieven zijn er eigen plekken gaan uitzoeken. In andere steden is er meer beleid: er is een braakliggend terrein en ze zoeken actief naar burgers of verenigingen die daar iets mee willen doen.”

Op basis van zijn ervaringen met de tijdelijke herbestemming van leegstaande gebouwen voor City Mine(d) in Brussel, Zaalzoeker in Antwerpen en wat hij ontdekt aan praktijken in het buitenland en in Vlaanderen komt Serroen tot deze zeven sleutels om van tijdelijk gebruik van publieke ruimte en leeg­ staande gebouwen een succes te maken.

38

I

1 DELEN

2 VERTROUWEN WINNEN

“Tijdelijk gebruik is zeker een van de oplossingen voor de vraag naar bijkomende ruimte voor verenigingen, voor niet-georganiseerde burgers, voor allerhande initiatieven. Er is wel een mindshift nodig: mensen moeten die ruimte meteen ook willen delen. De tijd van één lokaal per vereniging is voorbij. Door ruimtes te delen wordt kruisbestuiving vanzelfsprekend. Bij de projecten die ik hier in Brussel begeleid heb, heb ik gezien hoe ze, doordat ze een eigen plek hebben en ook contacten hebben met andere organisaties, een sprong konden maken in hun ontwikkeling. Bovendien is er geen betere manier om het DNA van je stad in de vingers te krijgen dan op plekken gehuisvest te worden die minder voor de hand liggen.”

“We hebben dikwijls vastgesteld dat er drempels zijn voor eigenaars om mee te werken. In Antwerpen wilden we parochiezalen of kleine feestzalen, bijvoorbeeld van een socialistisch café, op momenten dat die niet gebruikt werden ter beschikking stellen van verenigingen. Die beheerders kregen dan plots te maken met een Marokkaanse dansvereniging. Een aha-erlebnis voor beide partijen, maar het was vaak ook een kwestie van vertrouwen winnen. Om te smeren hebben we sleuteldragers ingeschakeld, mensen uit de sociale economie die verantwoordelijk zijn voor het openen, klaarzetten, aanwezig zijn – als de zaaleigenaar dat wenst –, het netjes achterlaten en het sluiten van de locatie. Dat was ook gewonnen voor de mensen uit de sociale economie, die zo met veel mensen in contact kwamen en daardoor toch wel wat sociale vaardigheden opdeden.”

2016


stad “ Een die vooruit wil is er bij gebaat om mensen met goesting en vaardigheden te faciliteren

Inspireren en ervaringen delen Het Kenniscentrum Vlaamse Steden bestudeerde in 2015 aan de hand van binnen- en buitenlandse voorbeelden de voorwaarden waaronder tijdelijke invulling in Vlaanderen een volwaardig instrument kan worden. Met deze kennisbank biedt het Kenniscentrum steden en gemeenten de mogelijkheid om zich te verdiepen in de kansrijke opties voor tijdelijk gebruik van gronden en panden. Het Kenniscentrum wil zo:

3 FACILITEREN Het tijdelijk gebruik moet praktisch goed in elkaar zitten – inclusief verzekering en aansprakelijkheid, bijvoorbeeld met typecontracten – want anders komt het niet van de grond. “Als het moeilijker is om in de nieuwe ruimte aan de slag te gaan dan thuis aan de keukentafel, dan gebeurt het niet. Als stad kun je er bijvoorbeeld voor zorgen dat de administratieve doorlooptijd tot een minimum beperkt is of burgerinitiatieven duidelijk tonen waar ze moeten zijn voor het papierwerk.” Er zijn steden die ondersteuning bieden. In Antwerpen is er Zaalzoeker, in Gent is er een fonds om initiatieven voor tijdelijk gebruik te faciliteren. Opstartende collectieven, vzw’s of feitelijke verenigingen met een project voor ogen kunnen daar aankloppen. Gent doet ook inspiratie op in een samenwerkingsverband met een tiental andere Europese steden die tijdelijk gebruik faciliteren, bijvoorbeeld door kaarten te maken die het potentieel van leegstaande plekken visueel maken. “Je voelt dat het stilaan in het DNA van de stadsorganisatie zit. In Antwerpen heb je Park Spoor Oost, in Brugge heb je de Toekomst van Brugge. Daar is ruimte een van de kapstokken om de burgersamen­ leving te dynamiseren.”

Inspireren: Door te grasduinen in uitgevoerde projecten kunnen initiatiefnemers potentiële functies op het spoor komen, die ze aanvankelijk niet hadden gezien. Inspirerende suggesties kunnen leiden tot gerichte contacten met actoren en investeerders en uiteindelijk omgezet worden in kansen. Ervaringen delen: Initiatiefnemers kunnen sporen voor tijdelijk gebruik die ze overwegen meteen toetsten aan de praktijk. Ze kunnen niet alleen het resultaat daarvan bekijken (bouwtechnisch, functioneel, financieel …), maar ook en vooral valkuilen in hun eigen traject vermijden. Draagvlak voor tijdelijk gebruik verhogen: Door ruim 100 voorbeelden in één databank samen te brengen, maakt het Kenniscentrum de dynamiek rond tijdelijk gebruik erg zichtbaar en documenteert het tijdelijk gebruik als een zinvolle en duurzame te overwegen beleidsoptie. Het draagvlak voor een dergelijke beleidsrichting kan hierdoor toenemen. → www.tijdelijkgebruiken.be

4 ONDERNEMEN Verenigingen die een terrein of een ruimte tijdelijk willen gebruiken, moeten ook zelf een tandje bijsteken. “Ze moeten beseffen dat de middelen van publieke overheden beperkt zijn. Als ze de tuin van de leegstaande pastorie willen gebruiken voor een zomerbar, kunnen ze niet meer verwachten dat de gemeente de hele infrastructuur levert. Hun plan voor tijdelijk gebruik moet doordacht zijn, er komt een vorm van sociaal ondernemerschap bij kijken, waarbij ze een soort businessplan moeten kunnen voorleggen

I

2016 39


Allée du Kaai: ontmoetingsplek langs het Kanaal Toestand is een Brusselse vzw die verlaten gebouwen en terreinen nieuw leven inblaast. Hun grootste project is Allée du Kaai, een reeks loodsen en open terreinen aan het Kanaal in het veelgeplaagde Molenbeek die ze hebben omgevormd tot een ontmoetingsplek voor de Molenbeeckois en de rest van de Brusselaars. Tot in de Engelse krant The Guardian verschenen artikels over dit unieke project, waar sinds 2014 30 verenigingen activiteiten opzetten. Het gaat bijvoorbeeld om een fietsatelier waar fietsen gerepareerd worden, kookworkshops, een skateparcours of een workshop om t-shirts te leren bedrukken. Er is ruimte voor muziekgroepjes om te repeteren, om tafeltennis te spelen of capoeira te oefenen, graffiti te spuiten. Toestand wordt betaald door het Brusselse Gewest om deze locatie te beheren tot het gewest zelf de middelen vindt om er een nieuw park aan te leggen. → www.toestand.be

Zaalzoeker: wijk per wijk analyse Zaalzoeker, een project van de stad Antwerpen, is nu zeven jaar oud. De stad zag hoe er bij de administratie allerhande vragen binnenkwamen voor plekken voor ontmoeting, sport, feesten. Hoe kon ze op een goede manier de keten tussen vraag en aanbod organiseren? “Antwerpen heeft ingezien dat ze een stuk stedelijk patrimonium hebben om in de etalage te zetten maar ook een leegstaande petanqueclub of synagoge kunnen laten gebruiken. Wijk per wijk is er geanalyseerd welke plekken ze kunnen proberen. Veel eigenaars waren tevreden omdat er bijkomende klandizie werd gerekruteerd.” Zaalzoeker is nu ook in Genk ingevoerd en ook in Gent zijn stappen in die richting gedaan.

en duidelijkheid verschaffen over fondsenwerving.” Voor organisaties kan dat verfrissend zijn omdat leden zo andere rollen en vaardigheden moeten leren, of de organisatie zo andere mensen kan aantrekken die deze vaardig­ heden hebben. “Dat maakt het project rijker en gevarieerder.”

5 LANGERE DUURTIJD “Een kritische succesfactor voor tijdelijk gebruik, zeker voor grotere projecten, is een gegarandeerde duurtijd. Als je voor een groot project bijvoorbeeld een verwarmingsinstallatie moet activeren of elektrische leidingen veilig moet maken, wil je die kosten over twee of drie jaar kunnen spreiden. In België kunnen projecten vaak slechts een aantal jaren lopen terwijl in Nederland projecten al tien jaar en langer duren. Daardoor kunnen die plekken meer dan hier instrumenten van stadsontwikkeling worden waarbij heel wat nieuwe woon-werkvormen worden geïnitieerd. Een van de tofste plekken in Amsterdam is De Ceuvel, een oud brownfield langs een kanaal. In principe mocht er niet gebouwd worden, maar de initiatiefnemers hebben er een soort gras gezaaid dat de grond na verloop van tijd gezond moet maken, en dan hebben ze boten op het land ­getrokken, waardoor die niet als echte gebouwen worden beschouwd. Zo hebben ze er een nieuw stadsdeel gemaakt volgens de principes van de circulaire economie. Het initiatief kwam van een feitelijke vereniging die ondertussen rechts­ persoonlijkheid heeft, maar de stad heeft, naast administratieve vergunningen, het project ook symbolisch kapitaal gegeven. Zo wordt een plek echt een labo voor de toekomst.”

→ zaalzoeker.antwerpen.be

je als creatieveling voor elk “ Als idee op de stedelijke bureaucratie stuit, ga je op zoek naar een stad waar het wel kan

40

I

2016


6 SLIM BOUWEN “Het zal nog wel even duren voor er op Batibouw veel standjes zijn met modulaire bouwelementen, maar dit is een beginnende trend in de steden. In Mechelen bijvoorbeeld wordt nu een chirolokaal gebouwd dat voor het grootste deel moduleerbaar zal zijn. De steden zijn vragende partij om dit verder te documenteren. Ze kunnen overwegen om modulair bouwen de regel te maken voor nieuwbouwprojecten. Naast modulair bouwen is er ook multifunctioneel gebruik. Er zijn mooie voorbeelden uit het buitenland, zoals een ziekenhuis waar ook een sociaal restaurant is, waardoor plekken op een heel andere manier worden gebruikt en mensen er op een heel andere manier samenkomen. In België moeten beleidsmakers daarvoor wel sleutelen aan wetgeving, bijvoorbeeld over hygiëne. Van scholen wordt al langer gezegd dat ze multifunctioneel gebruikt moeten worden. Het is nu zomervakantie, veel speelplaatsen liggen er twee maanden ongebruikt bij terwijl kinderen in vele wijken in steden te weinig ruimte hebben om te spelen. Een sleuteldrager zou daar opnieuw een goede oplossing kunnen zijn.”

uitdagingen in zijn eentje kan aanpakken. We zien hoe de grenzen tussen politiek, burger en privaat vervagen. In de voorhoede van die initiatieven voor tijdelijk gebruik zie je hoe burgers in een probleemwijk bijvoorbeeld een groot gebouw heractiveren, daar een moestuin maken, een tijdelijke crèche aanbieden. Dat is een politiek project door private ontwikkelaars, waar dan bijvoorbeeld ook horeca komt waar mensen een hapje kunnen eten tegen democratische prijzen en die break-even draait en niet van subsidies afhankelijk is. Steden winnen daarmee aan sociale cohesie, ze boren het creatief potentieel in hun burgersamenleving aan. Een stad die vooruit wil is er bij gebaat om mensen met goesting en vaardigheden te faciliteren.”

een eigen plek waar ze “ Met ook contacten hebben met andere organisaties, kunnen verenigingen een sprong maken in hun ontwikkeling

7 YES, WE CAN! “De belangrijkste voorwaarde is een ‘can do’-­ mentaliteit. Het is belangrijk dat een stad die boodschap uitdraagt: dat het goed is om de ondernemingszin van burgers aan te scherpen, dat het goed is voor de wijken omdat er een hernieuwde sociale controle is, dat deze plekken labo’s voor het samenleven van de toekomst zijn. Die eerste succesvolle plekken moeten helpen het vertrouwen te wekken voor deze nieuwe aanpak. Steden onderling volgen ook wat andere steden doen, dat is een externe driver. En het is simpel: als je als creatieveling voor elk idee op de stedelijke bureaucratie stuit, ga je op zoek naar een stad waar het wel kan. Als die ‘can do’-mentaliteit doorsijpelt in de stedelijke cultuur, dan kunnen de dingen wel snel veranderen. De tijd is nu eenmaal voorbij dat de private sector, de publieke sector of de burger moeilijke

→→Vragen of reacties? hannes@fov.be

I

2016 41


“WE KUNNEN NIET MEER COPY-PASTEN” 42

I

2016


Er zijn van die momenten dat de geschiedenis een versnelling hoger lijkt te schakelen. Dit is er zo één. Oude systemen en verhoudingen brokkelen af en alles is in beweging. Creatieve denkers en makers springen in dit onzekere gat om Europa anders vorm te geven. Zowel journaliste Tine Hens als theatermaker Lucas De Man reisde doorheen het continent om dit transformerende Europa te onderzoeken.

T

ine Hens vroeg zich af hoe de wereld er zou uitzien na het kapitalisme en zocht nieuwe economische modellen. Haar relaas is te lezen in Het Klein Verzet. Lucas De Man ontmoette in zijn multidisciplinaire project ‘In Search of Europe’ in 17 steden in 8 landen creatieve denkers en makers. Van deze reis maakte hij een documentaire en een theatershow en in het najaar volgt een installatie in ’s Hertogenbosch, waar hij stadskunstenaar is. Welke toekomst zijn de burgerinitiatieven die zij onderzochten, beschoren? Welke rol hebben ze in een samenleving die in ijltempo aan het transformeren is? Vallen er ook in deze nieuwe wereld nog mensen uit de boot? En wat betekent dit alles voor het middenveld en het sociaal-cultureel volwassenenwerk? We brachten dit duo samen in de eerste koffiebar in België met een biogasinstallatie die werkt op koffiedroesem.

Waarom zijn jullie aan jullie reis door­ heen Europa begonnen?

Ik merkte in mijn omgeving kleine dingen op, zoals mensen die weer zelf eigen voedsel begonnen te telen. Het waren kleine gebaren, maar je voelde dat er iets aan het gebeuren was. Niet met dat prekerige toontje van de milieubeweging in mijn tienerjaren, wel mensen die met kleine stappen, van onderuit, het systeem veranderen, zonder één oplossing naar voor te schuiven. Ik heb geschiedenis gestudeerd en het

TINE HENS: 

begin van de industriële revolutie heeft me altijd gefascineerd. Ik wilde daarom reizen naar plekken waar die kantelpunten hadden plaatsgevonden. Crystal Palace in Londen bijvoorbeeld, de plaats van de eerste wereldtentoonstelling waar nu van onderuit een ongelofelijke beweging aan het groeien is.

Ik wilde doorheen Europa reizen om mensen te ontmoeten die een visie hebben van hoe ze in de wereld staan en die daar naar handelen. De generatie die ik aan het woord laat in de voorstelling is niet bezig met de wereld beter te maken vanuit één grote waarheid. Ze denken gewoon: we moeten iets anders bedenken, want we maken het kapot. Zoals de jongen die ik ontmoette in Turkije die bakken geld verdient, maar dat investeert in maatschappelijke projecten. Dat zie je steeds vaker, mensen voor wie inhoud status geeft, die iets willen veroorzaken.

LUCAS DE MAN: 

Is dit echt een kanteling in de tijd of is die transitie waar iedereen de mond van vol heeft een hype?

“Het is geen trend die

TINE HENS: 

overwaait. We bevinden ons op een keerpunt. Neem nu energieproductie. Die bepaalt ook hoe de samenleving zich gaat organiseren. Duurzame energie heeft de potentie om superdemocratisch te zijn omdat ze decentraal is. We gaan naar netwerken die door het internet wereldwijd makkelijk met elkaar verbonden zijn, maar de productie van spullen zal meer lokaal zijn. Er gebeuren revolutionaire dingen, ook op maatschappelijk vlak. De ongelijkheid is hallucinant. De 20ste eeuw, met de jaren zeventig als meest gelijke jaren, is uitgewist. Die gelijkheid moet hersteld worden. Die kanteling is voor mij in de eerste plaats sociaal.

Een cynicus zal zeggen: elke tijd is een tijd van verandering. En dat is waar. Maar ik leef nu. We zijn aan het einde van een systeem gekomen. Het gaat plots heel snel. Het wordt een uitdaging om die menselijke maat erin te houden en te zorgen dat het sociaal is. Want het risico op uitsluiting dreigt voor wie niet behoort tot de nieuwe, hoog­opgeleide elite met een goed netwerk. Gentrification gebeurt

LUCAS DE MAN: 

is geen hype, het is een “ Het kantelpunt in de tijd. Mensen veranderen met kleine stappen het systeem, van onderuit TINE HENS

I

2016 43


grote gevaar “ Het is dat deze niet alleen in de wijken, maar ook in de economie. Je ziet nu in de steden veel jonge creatievelingen die goedkoop de innovatie leveren die bedrijven zoeken en kopen zodra ze schaalbaar is. Het grote gevaar is dat deze geëngageerde creatievelingen over twintig jaar de rijke netwerkgeneratie zijn die voor zichzelf alles goed geregeld heeft terwijl er nog altijd evenveel ongelijkheid is. Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid om mee te doen met innovatie, maar ook om te blijven waken over dat menselijke aspect.

De revolutie die bezig is, is dus nog lang niet voor iedereen.

In Griekenland, in Spanje, in Portugal zag ik gemengde en diverse sociale initiatieven in armere wijken. En niet als antwoord op de crisis, ze bestonden voordien al, de crisis heeft ze alleen versterkt. Ik zag daar generaties en inkomensgroepen samenkomen. Het is gemakkelijk voor de hoogopgeleide middenklasse om daar in mee te gaan. Die heeft de energie om na te denken over hoe we de samenleving op een meer logische manier kunnen organiseren. Van iemand die nauwelijks rondkomt kan je niet verwachten dat die nadenkt over zijn ecologische voetafdruk. Het is normaal dat het vanuit de middenklasse komt. Het is onze verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat iedereen mee kan.

TINE HENS: 

Verantwoordelijkheid nemen voor anderen is belangrijk, maar hoe houd je de gelijkwaardigheid er in?

creatievelingen over twintig jaar alles goed voor zichzelf geregeld hebben, terwijl er nog altijd evenveel ongelijkheid is LUCAS DE MAN

Europa niet snel gebeuren – alhoewel, er komt nog een grote economische crisis aan. En samenwerken, door verschillende disciplines en leeftijdsgroepen, zeker op lokaal niveau. Maar het is niet gemakkelijk. Zelfs in Spanje, in die nieuwe vorm van democratie waarbij burgers mee de agenda bepalen van de stad, zie je dat wie niet tot de nieuwe netwerken behoort, eruit valt.

In Barcelona hebben ze daar nochtans op ingezet. Drie groepen kwamen er samen: de middenklasse die haar huis verloor tijdens de crisis en die voordien niet bezig was met veranderen; de indignados op de pleinen en de klassieke armen. Die zag ik allemaal samen in volksvergaderingen waar iedereen een stem had. Dat zijn laboratoriumpraktijken die we in de gaten moeten houden. Want iedereen mee krijgen is een sleutelkwestie. Loopt dat goed? Niet altijd. Maar dat wil niet zeggen dat heel het ding dan om zeep is, zoals de klassieke media al snel roepen.

TINE HENS: 

” “Terwijl het erom gaat om iedere keer opnieuw te

“Het is niet verantwoordelijkheid nemen voor hen, dat

LUCAS DE MAN: 

is paternalisme. De grote ongelijkheid van nu is onhoudbaar. Er zijn twee mogelijkheden: een revolutie met de wapens en dat zie ik in

kijken hoe we met elkaar omgaan, hoe we dat gaan doen. Die onzeker­heid proberen in stand te

LUCAS DE MAN: 

44

I

2016

houden, dat zie ik als mijn taak als creatieveling.

Je zegt dat we de onzekerheid moeten vasthouden, maar hoe houd je die dynamiek gaande die nodig is om dingen te veranderen? Wij zien op lokaal niveau vaak hoe een paar sterke schouders een heel netwerk in beweging kan zetten, maar dat het niet evident is om de continuïteit daar in te houden.

De golf is vertrokken. Het zal de komende jaren heel snel gaan. Die sterke schouders die het jaren alleen gedragen hebben, krijgen straks de wind mee. Het grote nadeel is dat het gekaapt wordt door de grote bedrijven. Ken je Peerby, de website waar je spullen kan delen? Om dat te kunnen doen is een website nodig, er is dus geld nodig. Ik ken die jongen. We hebben voorgesteld om zelf allemaal bij te dragen, maar dat wilde hij niet. Hij vond investeerders, maar die willen nu dat hij geld verdient. Dus plots moet iedereen betalen voor die diensten en is er een verzekering. De deeleconomie wordt dus gebruikt als businessmodel, de filosofie is geld waard. Dat zie je ook in de landbouw. Dat zijn ook bedrijven. De gemiddelde boer die uit passie zijn bedrijf houdt, is dood.

LUCAS DE MAN: 


dit kan toch niet de bedoeling zijn. De overheid moet absoluut durven overheid te zijn en organiseren hoe overheid, bedrijven en civiele samenleving elkaar vinden.

Hoe zien jullie de rol van het midden­ veld in dit alles, de verenigingen, de non-profitorganisaties?

Ze hebben een megarol. Verenigingen zijn ontstaan omdat mensen zich rond een thema wilden verbinden, en dat zal alleen maar meer gebeuren. Het middenveld en de overheid zullen veel meer een constante dialoog voeren. We kunnen niet copy-pasten. Politici kunnen niet doen zoals vroeger: iets werkt op één plaats, dus we doen dat overal. Het wordt veel meer maatwerk en dat vraagt een ander type denken en ook een ander type mens op bepaalde posities. Politici moeten meer luisteren en stimuleren, niet iets proberen er door te rammen. LUCAS DE MAN: 

Er zijn andere mogelijkheden. Het CSA-netwerk (Community Supported Agriculture, red.) is interessant. Zij zijn beginnen te ondernemen vanuit het coöperatieve gedachtegoed, hun aandeelhouders zijn hun klanten en eigenlijk hebben ze een open zakenmodel dat leefbaar is. Je wordt er niet gigantisch rijk van, maar je bedt het wel in de gemeenschap in, betrekt mensen dichter bij hun voedsel en laat de boeren samenwerken. Dat zijn voor mij weerbare modellen die ingaan tegen het klassieke businessmodel met aandeelhouders die tevreden moeten worden gehouden.

TINE HENS: 

De coöperatieve bestaat al sinds mensenheugenis. Dat model is niet plots nu uitgevonden. Ik ben daar een enorme voorstander van. Maar alles zal naast elkaar bestaan, oude en nieuwe systemen.

LUCAS DE MAN: 

” “Het zal inderdaad heel divers zijn. Je hebt daarbij een over-

TINE HENS: 

heid nodig die haar rol als overheid speelt. We gaan terug naar de middeleeuwen, naar de netwerken van steden. In steden zie je dat overheden bereid zijn om mee te denken over hoe we dat kunnen versterken, niet om het over te nemen maar

om tijd en ruimte te creëren voor experimenten.

” “We keren volgens mij niet terug naar de middeleeu-

LUCAS DE MAN: 

wen, we evolueren ergens naartoe. Lokaal ga je wijken zien die floreren, met coöperaties en een goed draaiende economie. In andere wijken zal er niets gebeuren. Burgemeesters zullen aan de ene kant burgerinitiatieven hebben die voortdurend aan hun deur kloppen en aan de andere kant groepen die zich niet goed organiseren en die er buiten vallen.

In Nederland heb je nu burgerinitiatieven die er prat op gaan dat ze het redden zonder de overheid. Ze houden zwembaden en bibliotheken open. Maar ze ondersteunen een neoliberaal systeem door het allemaal zelf te doen. Als ik dan toch één waarheid mag poneren:

TINE HENS: 

” “Dat is politiek een mogelijk zinvolle evolutie: in plaats

TINE HENS: 

van jezelf socialist of ecologist of liberaal te noemen, smeed je coalities rond thema’s. Dan krijg je niet die patstelling waar wij nu voortdurend in zitten. Maar dat maakt het ook moeilijker. Er zal een nieuw soort middenveld groeien. Zoals je interessante coalities ziet ontstaan tussen een organisatie als Femma

overheid moet absoluut durven “ De overheid te zijn en organiseren hoe overheid, bedrijven en civiele samenleving elkaar vinden TINE HENS

I

2016 45


en Netwerk Bewust Verbruiken rond bepaalde thema’s.

Die interdisciplinariteit vind ik het allerleukste van die transitie. Hoe rond thema’s heel veel verschillende soorten mensen samenkomen. In plaats van elk in zijn hokje te blijven, komen die verhalen samen.

LUCAS DE MAN: 

Veel van die initiatieven beginnen op de grens van de extralegaliteit en de illegaliteit. Spontaan, zonder toestemming te vragen. Geeft dat een bepaalde spanning?

Neem Metropoliz, een verlaten salamifabriek in Rome. Rechtenorganisaties zoeken in de stad woningen voor mensen die geen betaalbare plek vinden omdat Rome opgekocht wordt door investeringsmaatschappijen. Heel veel mensen – en niet alleen vluchtelingen – zwerven rond in een schemergebied van legaliteit en illegaliteit. Tweehonderd van hen wonen nu al bijna zeven jaar samen in die salamifabriek, onder wie 70 kinderen. Kunstenaar Giorgio De Finis heeft

LUCAS DE MAN: 

46

I

2016

daar een project gemaakt: MAAM, het Museo dell’Altro en dell’Altrove, het museum voor de ander en het ergens andere. Hij heeft in dat gebouw, met toestemming van de bewoners, een museum van topkunstenaars gemaakt. Het is elke zaterdag open en de bewoners gidsen er. Dat verblijf in de fabriek zit in de illegaliteit, ze worden gedoogd maar die grond wordt natuurlijk steeds meer waard. Het museum beschermt op dit moment de vluchtelingen, want 400 kunstwerken kapot maken is nog illegaler en het museum heeft, met duizend bezoekers per week, ondertussen een grote achterban. Het is de hemel niet, die mensen moeten nog steeds vechten om te overleven. Maar wat ze doen is ruimte creëren om samen te werken, en dat is het enige wat je kunt doen tegen het systeem, ruimte creëren, in je hoofd of letterlijk.

Voor die 200 vluchtelingen is dat een tijdelijke oplossing, maar je kan dat niet doen met elke salamifabriek.

Dat is opnieuw een vraag voor de overheid. Laat je

TINE HENS: 

als stedelijke overheid toe dat je stad opgekocht wordt door buitenlandse investeerders? Je kan als burger maar zoveel doen. Tenzij je zelf de politiek overneemt zoals in Barcelona waar een burgerbeweging nu de burgemeester levert.

Dus een burgerinitiatief kan in de ille­ galiteit een initiatief nemen maar dan is het wel aan de overheid om daar meer perspectief in te bieden?

Het is een constante dialoog. Niet wij die iets beginnen en dan de overheid die overneemt. Het moeilijkste wat er is, is de balans vinden tussen wat je opeist en wat je aan de overheid laat. De buurt waar ik woon in Amsterdam wordt gerund door drie gepensioneerde homo’s. Nederlandse lessen, duurzame energie, ze hebben dat allemaal in handen genomen. De overheid wil nu dat ze nog meer doen, maar ze hebben dat geweigerd. Ze wil dit model ook in andere wijken toepassen, maar je kunt die mannen niet repliceren. En als je iemand betaalt om te doen wat zij doen, gaan die te mak zijn.

LUCAS DE MAN: 


enige wat je “ Het kunt doen tegen het systeem, is ruimte creëren, in je hoofd of letterlijk LUCAS DE MAN

Een grotere rol lijkt weggelegd te zijn voor de nieuwe media, voor het internet.

Hoe zien jullie de maatschappij over twintig tot vijfentwintig jaar? Waar gaan we naartoe?

Daarom moet de overheid gaan nadenken over wat dat internet eigenlijk is. Is dat niet een nieuwe publieke plaats? Moeten we dat dan niet op die manier gaan organiseren, reguleren, beschermen? Het antwoord op die vragen zal mee bepalen hoe de toekomst zal zijn.

TINE HENS: 

TINE HENS: 

En dat kan België niet alleen doen, daarvoor is Europa nodig. Als overheid moet je bepalen wat er met de burgers gebeurt en dat niet overlaten aan bedrijven die puur op winst gericht zijn. Het internet is als de boekdrukkunst in de zestiende eeuw. Dat het toen zo snel ging, kwam door die uitvinding, en dat is nu ook het geval. Burgerbewegingen, coöperatieven, lokale munten, dat bestond allemaal al. Maar door het internet kan je nu supersnel ideeën uitwisselen.

LUCAS DE MAN: 

Burgerinitiatieven moeten dus heel kritisch blijven.

De kunst is ook eigenaarschap kunnen afstaan. Initiatieven opzetten en loslaten. Dat is moeilijk, omdat we in deze samenleving erg inzetten op succes­ verhalen. De vraag is altijd: hoe maak je het groter? Misschien klopt die vraag niet meer met wat er aan het gebeuren is, misschien staat die er haaks op.

TINE HENS: 

” “En dan zie je twee groepen politici ontstaan: een nieuw

LUCAS DE MAN: 

soort politicus die inziet dat hij of zij het anders moet gaan doen, en die met vallen en opstaan probeert, en een groep die enorm bang is en die de angst bezweert met weten en meten. Die groep wordt groter en maakt de angst tot beleid.

Spelen de media daar een rol?

Ze zijn onfunctioneel kritisch. Vanuit een ongeloof blijven ze het verzet klein benoemen. Een jongen in Barcelona verwoordde het heel mooi. ‘Laat ze maar denken dat we ongevaarlijk zijn,’ zei hij.

TINE HENS: 

Het tipping point, het moment waarop de verandering onomkeerbaar is, zijn we daar al voorbij?

Dat ligt op 20 procent. We zitten op 20 procent, maar the tipping point hasn’t happened yet.

TINE HENS: 

Het hangt ervan af op welk gebied. Op het vlak van duurzame energie zullen we er wel komen. Duitsland loopt daar voorop, de rest volgt wel. Dat sociale, de democratie dus, zal komen, maar er zal ook veel niet-democratie komen. Kijk naar Polen, naar Hongarije, naar Nederland. Het gaat er steeds agressiever aan toe, dat betekent dat er een grote beweging aan het groeien is, anders heb je geen felle tegenreactie. Wat het kan versnellen is de echte economische crisis die nog zal komen.

LUCAS DE MAN: 

Ik zie netwerken van steden zoals in het Europa van het humanisme, met een sterke lokale economie met lokale munten waar veel meer mensen hun plek vinden, en overkoepelende munten van de globale economie die natuurlijk ook blijft bestaan. Dat is ook diversifica­ tie: verschillende niveaus van handelen. En dan moet je voor jezelf uitmaken: waar vindt jouw handelen plaats? Ben je een globale mens, ben je een lokale mens? En dat gaat allemaal zonder dat het winner-loserprincipe geldt.

Je hebt lokale netwerken die zichzelf runnen – het ene beter dan het andere – met elementen die globaal in verschillende lokale netwerken voorkomen. Je hebt de glocals, die rondtrekken en overal opnieuw dat lokale aanpassen. En je hebt de locals die zich daar organiseren. Ik ben zo een glocal die probeert verschillende netwerken te mengen. Als stadskunstenaar heb ik een netwerk uitgebouwd, als een bredere vorm van politieke macht. In ons laatste project willen we organisaties die nooit gezien worden op de kaart zetten. Je krijgt dus een nieuw soort macht, een beïnvloeding die veel meer gediversifieerd is. Het goeie van het verhaal is dat veel meer mensen zullen mogen meedoen. Maar we moeten er alles aan doen opdat niet te veel mensen uit de boot vallen.

LUCAS DE MAN: 

→→Vragen of reacties? mathijs@fov.be

I

2016 47


EEN SCHEUTJE MARKT, IEMAND? 48

I

2016


De boodschap van de minister van Cultuur in zijn beleidsbrief is niet mis te verstaan: het is tijd om ook elders geld te zoeken. Sociaal-culturele organisaties moeten meer ondernemerschap aan de dag leggen. Moeten zij voortaan ook aan de slag met activa en aandeelhouders? Heeft het wel zin om ze tegen dezelfde lat te leggen als bedrijven? En wat betekent dat voor hun unieke rol in en voor de samenleving? Vragen die schreeuwen om een econoom én een filosoof: Toon Vandevelde.

I

n zijn beleidsbrief maakt minister van Cultuur Sven Gatz uitdrukkelijk de verbinding met het private ondernemerschap. Hij wil dat ondernemerschap in de culturele sector stimuleren, ondersteunen en stroomlijnen, zonder het (socio-)culturele veld plots te rebranden als een economische sector. Hij wil subsidies behouden, maar daarnaast de toegang tot alternatieve financiering vergemakkelijken. Gatz denkt daarbij vooral aan fiscale stimuli, crowdfunding en CultuurInvest, het investeringsfonds van PMV (ParticipatieMaatschappij Vlaanderen, red.) voor culturele projecten. Hij laat ook onderzoeken of alternatieve organisatievormen zoals een coöperatieve vennootschap met sociaal oogmerk voor de culturele sector mogelijkheden bieden. Meer ondernemen dus. Dreigen non-profitorganisaties niet te worden getoetst aan de managementmodellen en de bedrijfslogica die de markt domineren? Wordt efficiëntiewinst een ordewoord? Zal het product – concrete

zichtbare resultaten – belangrijker worden dan het proces dat voor het sociaal-cultureel werk centraal staat? De burger wordt consument, de deelnemer klant. Is dat een juist uitgangspunt?

KLANT VS BURGER “Er zijn twee modellen,” zegt Toon Vandevelde, hoogleraar aan het Centrum voor Economie en Ethiek en aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte aan de KU Leuven. “Het ene model is een soort bedrijfsmodel, waarbij je een dienstverlening biedt aan klanten en ervoor zorgt dat ze niet weglopen naar een concurrent. Daarnaast is er een burgerschapsmodel en dat heeft een andere logica: je verleent niet alleen een dienst, maar je vraagt ook inzet van degene voor wie je bezig bent.” Sociaal-culturele organisaties vragen een zeker engagement van de mensen voor wie ze organiseren. “Je kunt net zo goed op de bank voor televisie blijven zitten in plaats van naar een avond van Vormingplus te gaan. Dat vergt dus een

inspanning, maar het resultaat is dat je er als burger ook veel meer van opsteekt. In het klantmodel zit een passiviteit die je niet hebt bij sociaal-culturele organisaties.” “Het sociaal-cultureel werk wil mensen ook mondig maken. Het wil een publieke ruimte creëren, en maken dat mensen zich in die publieke ruimte kunnen verdedigen, dat ze ideeën kunnen uitwisselen. Het is belangrijk voor een samen­leving om een levendige publieke ruimte te hebben, om daar dingen uit te proberen die niet evident zijn en die je nooit gefinancierd zult krijgen door Fernand Huts en consoorten.”

USP VAN HET MIDDENVELD Door die rol, als facilitator van de publieke ruimte, kunnen mensen de stap doen van hun individueel naar het algemeen belang, en dat is wezenlijk voor een democratie. “Maar het is ook belangrijk voor het welbevinden van mensen zelf,” zegt Vandevelde. “Hoe langer hoe meer blijkt uit empirisch onderzoek in de sociale psychologie en de sociale filosofie

I

2016 49


dat een van de factoren in het welbevinden van mensen het gevoel is controle te hebben over hun situatie.” Zo deed de Britse specialist in epidemiologie en volksgezondheid Michael Marmot een onderzoek bij de ambtenaren van de stad Londen. Hij verbond de levensverwachting met de graad in de hiërarchie van de stedelijke administratie. Daaruit bleek dat de levensverwachting exact correleert met de hiërarchie en dat heeft te maken met de mate van controle die mensen hebben over hun situatie naargelang hun plek op de ladder. “Je kunt dat veralgemenen,” zegt Vandevelde. “De mate waarin mensen het gevoel hebben dat ze actief bijdragen, dat hun mening een zeker belang heeft en dat ze het verschil kunnen maken, is 50

I

2016

belangrijk, dat redt mensen van de verzuring. Ik denk dat het sociaal-cultureel werk daar een functie heeft, ook al omdat het werkt met kansengroepen, mensen die normaal de dingen ondergaan en die in het sociaal-cultureel werk een soort leerschool vinden om weerbaarheid op te bouwen.” “Het sociaal-cultureel werk geeft mensen de kans om hun mening te toetsen en uit te proberen, zich te laten interpelleren door dingen die niet evident zijn. Dat is de dienst die deze sector kan bieden aan de maatschappij. Een oefening in democratie, een manier waarop mensen kunnen winnen aan zelfbewustzijn.” Zijn Unique Selling Proposition (USP), als het ware.

WINST VOOR DE SAMENLEVING Terwijl in een bedrijf de winst dus geprivatiseerd wordt en terugkomt bij de investeerders, wordt in het sociaal-cultureel volwassenenwerk de winst gesocialiseerd, zo blijkt ook uit wat Vandevelde vaststelt over de dienst van deze sector aan de samenleving. De winst vloeit terug naar de gemeenschap. Is het dan ook niet logisch dat de overheid in deze sector investeert? “Voor mij mag de overheid zich zeker niet uit deze sector terugtrekken,” zegt Vandevelde. “Ze moet die financieren en inzetten op de vorming van creatieve, weerbare mensen. De overheid kan dat om verschillende redenen doen. Omdat de economie niet langer draait op autofabrieken en steenkoolmijnen, maar op


klantmodel “ Inzit het een passiviteit die je niet hebt bij sociaal-culturele organisaties

kennis en creativiteit. Omdat een levendige culturele ruimte ook economische winst uitmaakt, eerder indirect dan direct.” “Bovendien moet een maatschappij zichzelf een soort kritische spiegel durven voor te houden en om dat te financieren heb je eigenlijk alleen de overheid. De overheid moet voor mij aan die financiering wel een evaluatie verbinden, maar een evaluatie die verder gaat dan het aantal klanten tellen. Ik heb het over een evaluatie door experten die de sector kennen en die op kwaliteit selecteren.” Dreigt deze nadruk op resultaat, ook in die evaluatie, niet te veel voorbij te gaan aan het proces, dat wezenlijk is voor het sociaal-cultureel werk? Of EVA of FairFin erin geslaagd is om rond een thema

te sensibiliseren, is belangrijk, want dat is de reden van hun bestaan. Maar de manier waarop ze daaraan gewerkt hebben, waarop ze vrijwilligers hebben begeleid en lokale gemeenschappen betrokken, is even wezenlijk. Alleen kan je dat niet meten. “Het financieren van dergelijke organisaties en activiteiten staat in deze maatschappij onder druk omdat de sociaal-culturele sector niet een sector is van productiviteitswinsten of automatisering in productie. Het algemene economische plaatje is zero growth. De fondsen voor de (sociaal-)culturele sector gaan niet toenemen. Maar wat deze sector doet is een investering voor de toekomst. Dat financieren is een keuze die de overheid moet maken.”

DE MARKT HOUDT SCHERP Dat betekent niet dat een scheutje markt de sector geen deugd kan doen. “Marktwerking houdt organisaties alert,” meent Vandevelde. “Concurrentie en competitie houden mensen scherp. Het is echter geen zwartwitverhaal van óf markt, met crowdfunding of andere formules om alles te financieren, óf overheid. Publiek-private samenwerking is een mooie middenweg.” Een gecombineerde financiering is volgens Vandevelde bovendien in het belang van het sociaal-cultureel werk. “Je wil toch ook dat de overheid zich inhoudelijk niet te veel bemoeit met wat jullie doen. Als je volledig uit de hand van de overheid eet, dan weet je dat er betutteling komt. Heb je ook

I

2016 51


eigen middelen, dan geeft je dat een zekere autonomie.”

scherper marktprofiel deze Catch-22 niet nog versterken?

Een beetje marktlogica zorgt er volgens Vande­velde ook voor dat je organisatie geen doel op zich wordt. “Organisaties moeten zich blijven afvragen wat ze willen bereiken, wat ze echt realiseren, of ze hun doelstellingen nog dienen, en ervoor zorgen dat ze vernieuwing blijven accepteren.”

“Op medisch vlak heeft Europa aanvaard dat verzekeringsmaatschappijen niet zomaar een verzekering kunnen aanbieden in concurrentie met de ziekenfondsen. Dat er, met andere woorden, een aantal domeinen is waar de concurrentie niet ten volle mag spelen. De vraag is of het sociaal-cultureel werk daar niet onder moet vallen.”

beetje marktlogica “ Een zorgt ervoor dat je organisatie geen doel op zich wordt

Met dat opschuiven in de richting van de markt dreigen sociaal-culturele organisaties wel te botsen op de limieten van hun vorm en de vzw-status te moeten inruilen voor een coöperatieve of een andere vorm van vennootschap. “Je moet verschillende modellen blijven behouden,” meent Vandevelde. “Niet alle organisaties moeten op dezelfde manier werken.” Maar nu al dreigen sociaal-culturele organisaties die mosselsoupers of uitstappen organiseren op de vingers te worden getikt omdat ze oneerlijk zouden concurreren met private initiatieven. De subsidies van de overheid aan het sociaal-cultureel werk worden dan gezien als marktverstorende staatssteun. Zal een 52

I

2016

“Toch is het verstandig van Sven Gatz om te zeggen dat jullie organisaties moeten proberen op andere manieren middelen te krijgen. Want we zullen geen economische groei van 2 of 3 procent meer halen. In zo’n omgeving is het goed dat organisaties creatief op zoek gaan naar middelen. De overheid kan dat fiscaal stimuleren, bijvoorbeeld door mensen de gelegenheid te geven om aan organisaties een stukje van hun belastinggeld te geven. Dit kan de betrokkenheid van burgers verhogen.”

DE DEELNEMER VERLEIDEN Wie op de markt actief is, moet de consument verleiden. Een onderneming, ook als ze zich op het terrein van het sociaal-cultureel werk waagt, zal er alles aan doen om de klant een goed gevoel te geven en kiezen voor thema’s waar de meeste vraag naar is. De sociaal-culturele sector heeft ook zijn crowd-pleasers, maar

daarnaast is het een expliciete opdracht om groepen te bereiken die anderen niet bereiken, en om thema’s aan te kaarten die anderen negeren of doodzwijgen omdat ze niet populair zijn of ongemakkelijk tegen de waarheid aanschuren. Iedereen heeft de mond vol van start-ups, vaak gelinkt aan het thema duurzaamheid, die het imago van vernieuwer hebben en die goede ideeën voor de toekomst omzetten in marktproducten. Het sociaal-cultureel volwassenenwerk daarentegen wordt weggezet als oubollig. “Ik vind het belangrijk dat in de maatschappij niet de indruk wordt gewekt dat het leven één groot pretpark is, dat er nog iets anders geboden wordt. Dat doen jullie. Jullie organisaties moeten ervoor zorgen dat ze dingen organiseren samen met anderen, dat ze partners zoeken. Dat is ondernemerschap vanuit jullie sector.” “Ach, oubollig of niet, dat hangt zo vaak af van de waan van de dag. Ik zou me als organisatie niet te veel uit het lood laten slaan.” Wat het sociaal-cultureel werk doet, het onzichtbare werk aan de basis, timmeren aan sociale cohesie, mensen optillen en vleugels geven, “je weet dat de markt dit nooit genoeg zal financieren. Het is een duidelijk voorbeeld van een publiek goed waar de overheid moet aan bijdragen.”

→→vragen of reacties? kristien@fov.be


federatie sociaal-cultureel werk FOV | federatie sociaal-cultureel werk is de federatie van alle 130 door de Vlaamse overheid erkende organisaties voor sociaal-cultureel volwassenenwerk. Wij groeperen verenigingen als KVLV, de Turkse Unie, Oxfam-Wereldwinkels, curieus, Davidsfonds, çavaria; bewegingen als Vredesactie, EVA, Welzijnszorg, Mobiel 21; vormingsinstellingen als Kwadraet, Natuurpunt CVN, CCV, PRH; en de 13 regionale Vormingplus-centra. Sociaal...cultureel...wat?

130

organisaties

9,5 miljoen

deelnames per jaar

200.000 vrijwilligers

2.200

professionals

50%

eigen middelen

In Vlaanderen en Brussel zijn meer dan 2 miljoen mensen actief in het sociaal-cultureel volwassenenwerk. Als lid van een vereniging, als deelnemer bij een volks­hogeschool of vormingsinstelling, als actievoerder of sympathisant bij een beweging… Het erkende sociaal-cultureel volwassenenwerk telt 130 organisaties. Alleen al de 54 verenigingen zijn samen goed voor meer dan 14.000 lokale afdelingen. De sector kan rekenen op de inzet van zo’n 200.000 vrijwilligers. Da’s een vijfde van het totaal aantal Vlaamse vrijwilligers.

Meer info op www.fov.be. @FOVtweets en #sociaalcultureel facebook.com/sociaalcultureelwerkvlaanderen

Verantwoordelijke uitgever: Dirk Verbist, directeur FOV Overname van tekstmateriaal is toegelaten voor niet-commerciële doeleinden en mits bronvermelding.

Wascabi 2016  

Het pittige beleidsmagazine van het sociaal-cultureel werk. Met o.a. Sven Gatz, Theo Francken, Bart Caron, Yamila Idrissi, Marius Meremans,...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you