Page 1

2015 JAARMAGAZINE OVER BELEID EN TENDENSEN IN HET SOCIAAL-CULTUREEL WERK

Minister Gatz zet zich schrap ‘IK HECHT VEEL BELANG AAN DRAAGVLAK’

FOV vs. VBO VERBIST EN TIMMERMANS ZETTEN DE PUNTJES OP DE I

Kraters dichten RADICALISERING: WELKE ROL VOOR HET MIDDENVELD?

EEN HART VOOR HET SOCIAAL-CULTUREEL WERK

‘WIJ KLEUREN BUITEN DE LIJNEN ’


Colofon Een uitgave van: FOV vzw federatie sociaal-cultureel werk Gallaitstraat 86 bus 12 1030 Brussel tel. 02/244.93.39 info@fov.be www.fov.be Brussel, augustus 2015

Bijdragen: Karine Cleynhens, Nele Cornelis, Liesbeth De Winter, Mathijs Post, Joris Smeets, Dirk Verbist

Tekstbewerking en redactie: Isa Van Dorsselaer

Fotografie: Sophie Nuytten (www.sophienuytten.allyou.net): pg. 1, 14-17, 20, 22, 30-35 / Ben Jansen: pg. 5-7, 9 / Alexander Meeus: pg. 8 / vlaamsparlement.be: pg.10 / Reporters: pg. 10 (foto Yamila Idrissi) / Chris Marchant: pg. 38 (hand) / Strevo: pg. 38 (masker) / Sem Vandekerckhove: pg. 39 / Max: pg. 40 (smartphone) / Teunie van Hernen: pg. 40 (hand) / Annette Bernhardt: pg 40 (megafoon) Overige foto’s uit de collectie van FOV of aangeleverd door betrokken organisaties/personen.

Eindredactie: Joris Smeets

Vormgeving: Media Luna - Marc Provoost

Druk: Drukkerij Bulckens, Herenthout

Met dank aan: Sven Gatz, Marius Meremans, Yamilla Idrissi, Caroline Bastiaens, Bart Caron, Jean-Jacques De Gucht, Frie De Greef, Tom Lemahieu, Hugo De Vos, Igor Geubbelmans, Lien Verwaeren, Carmen Mathijssen, Patrick De Smedt, Pieter Timmermans, Geert Roelandts, Ruud Wouters, Jessika Soors, Elke Vandeperre, Rachida Riahi, Herman Lauwers. Een bijzonder woord van dank aan Marc Provoost en Isa Van Dorsselaer voor hun constructieve inbreng.

Met medewerking van de FOV-lidorganisaties

federatie sociaal-cultureel werk


Het was een dag in augustus 2014. Sven Gatz beklom het podium na afloop van de lancering van de vorige Wascabi. Het was zijn eerste (grotere) publieke optreden als minister van Cultuur. We bevonden ons in een interbellum: net daarvoor waren er reuzegrote besparingen ‘gelekt’, die werden bevestigd noch ontkend. De minister kon op het spreekgestoelte ook nog niet veel zeggen. En een maand later zou hij ervoor kiezen om – met transparante informatie over de ingrepen – als eerste Vlaams minister spitsroeden te lopen. Deze communicatie­ aanpak sierde hem. Het verdict was niet onverwacht, maar kwam toch zeer hard aan: een zesde besparingsjaar op rij was een feit. Tussen 12 en 40% hebben sociaal-culturele organisaties intussen zien verdampen. Ik herbeleef nog ­geregeld de eerste emoties van het moment waarop wij het nieuws aan onze leden vertelden. Het was erger dan cynisme of woede. Het was verdriet. Opnieuw moesten mensen naar hun organisatie om ‘maatregelen’ te nemen. Voor het zoveelste jaar op rij. Besparingen kunnen onprettig zijn, ze kunnen ongemakkelijk zijn, ze kunnen soms zelfs uitdagingen zijn. Maar al deze adjectieven waren de revue al gepasseerd. Deze ingrepen kwamen aan als onherstelbaar vilein, niet meer snijdend in het vlees maar in het bot. Maar de boer, hij ploegde voort.

2016 is een scharnierjaar voor het sociaal-cultureel volwassenenwerk, en dit op twee fronten. We gaan volop ruimte geven aan gedachten en ideeën over meer toekomst voor het sociaal-cultureel beleid. Want de Vlaamse regering en onze minister kondigden een evaluatie van het decreet op het sociaal-cultureel

INTRO

MAAR DE BOER, HIJ PLOEGDE VOORT volwassenenwerk aan. Ze deden dit in algemene bewoordingen, maar lieten er toch wat ambitie in sluipen. In juli stelden we aan minister Gatz richtingaanwijzers voor de verdere gesprekken voor. De sector gaat hiermee in zijn kracht en ambitie staan, maar toont zich tegelijk kwetsbaar. Bewust. Hij toont hiermee moed, creativi­ teit en openheid. We doen voorstellen die misschien niet voor elke organisatie even goed zijn, maar wel voor het sociaal-cultureel werk. Hopelijk leidt dit tot een correct en transparant gesprek met – en niet alleen over – de sector. 2016 is ook het jaar waarin een nieuwe subsidieperiode start: het moment waarop de enveloppes voor de volgende vijf jaar worden vastgeklikt. Het sociaal-cultureel volwassenen­ werk heeft de twijfelachtige eer om elke beleidsperiode te hebben zien starten in een besparings­jaar. Daardoor werden wij de culturele deelsector die al de meeste besparingen moest ondergaan. Je zult het maar treffen, met deze grillige en zelfs toevallige loop van de recente geschiedenis. Zal deze minister het tij kunnen keren? In oktober weten we het. En wij? Telkens opnieuw tonen we ambitie, we zoeken oplossingen, we kijken graag wat verder vooruit, we houden er niet van om bij de pakken te blijven zitten, we ploegen voort. Dat doen we met onze beleidsvoorstellen, dat doen we ook via deze Wascabi. Niet toevallig is het overkoepelende thema van ons beleids­ magazine dit jaar ‘connecting the dots’. We gaan op zoek naar verbindingen en kruisbestuivingen voor de toekomst van het sociaal-cultureel werk en het lokaal cultuurbeleid. We zetten de ‘dots’ op de i en stippelen de weg uit naar een sterk beleid. Voor de 200.000 vrijwilligers en 10.000.000 deelnemers. Voor de beroepskrachten die zich smijten, voor de beleids­ makers die mee aan de kar trekken. Voor u. Dirk Verbist, directeur FOV

I

2015 1


Gatz zet zich schrap

4

‘IK HECHT VEEL BELANG AAN DRAAGVLAK’

14

Een hart voor het sociaal-cultureel werk TWEE DOCENTEN SCW LEREN ONS EEN LESJE

20

Ons SWOT-team analyseert

DE DECENTRALISATIE VAN HET LOKAAL CULTUURBELEID

10 DE CULTUURCOMMISSIE

WORDT VERTROUWELIJK Over trends, keukentafels en Bach…

2

I

2015

De cirkel is rond

24

TERUGKIJKEN OP 40 JAAR SOCIAAL-CULTUREEL WERK

EN PRIJZEN 18 CIJFERS Goede wijn mag wel een krans

36 STEMMINGMAKERIJ Wie heeft wat gezegd?


INHOUD

De meningen verdeeld

27

GEMEENSCHAPSDIENST: TEN DIENSTE VAN WIE?

Op straat

38

ZIN EN ONZIN VAN BETOGEN

HIER 42 PAPIER Administratieve overlast: mag het wat minder?

FOV vs. VBO

30

Kraters dichten

44

VERBIST EN TIMMERMANS ZETTEN DE PUNTJES OP DE I

RADICALISERING: WELKE ROL VOOR HET MIDDENVELD?

LOONT 50 SAMENWERKEN Herman Lauwers komt thuis bij de FOV

I

2015 3


MINISTER VAN CULTUUR SVEN GATZ OVERZIET DE WERF VAN HET SOCIAAL-CULTUREEL WERK

BEZINT EER GE BEGINT BIJ ONZE EERSTE KENNISMAKING VORIG JAAR PROBEERDEN WE SVEN GATZ ALS KERSVERS MINISTER VAN CULTUUR METEEN OP HET SOCIAAL-CULTURELE SPOOR TE ZETTEN. DEZE LIBERAAL BLIJKT ONS ECHTER NIET NODIG TE HEBBEN OM TE BESEFFEN HOE BELANGRIJK SOCIAAL-CULTUREEL WERK IS VOOR SAMENLEVING EN DEMOCRATIE. MISSCHIEN KLINKT HIJ DAAROM ZO BEDACHTZAAM IN DE AANLOOP NAAR EEN NIEUW DECREET. “ALS WE HET SOCIAAL-CULTUREEL WERK IN EEN NIEUWE PLOOI KUNNEN LEGGEN, DAN HEBBEN WE EEN STERK VERHAAL OM WAT MEER MIDDELEN AF TE DWINGEN VAN EEN REGERING VOOR WIE VERBINDEN TOCH EEN HOOFDWERKWOORD IS.”

4

I

2015


I

2015 5


“IK HEB NIET DE WAARHEID IN PACHT, IK HECHT VEEL BELANG AAN DRAAGVLAK”

O

ok na een jaar als minister van Cultuur navigeert Sven Gatz nog niet blindelings doorheen het sociaal-culturele landschap. “Ik probeer het nog altijd in de diepte te peilen. Ik kende de sector wel, maar ik wist niet dat hij zo divers is. Ik zoek nu uit hoe we daar vanuit het beleid een modern antwoord op kunnen geven.” Over hoe dat antwoord luidt, liet en laat Gatz nog niet het achterste van zijn tong zien, maar de hervorming van het decreet SociaalCultureel Volwassenenwerk en het Participatiedecreet is wel een van de drie grote werven voor zijn ministerschap. “We hebben de voorbije maanden op het kabinet een aantal inhoudelijke uitgangspunten op een rijtje gezet die we nu in ons onderbewuste laten voortsudderen tijdens de zomer. In het najaar kom ik met een conceptnota naar buiten met de richting die we voor ogen hebben. Maar dat is nog maar het begin van het debat dat we met jullie, de Commissie Cultuur en vele anderen zullen voeren. Ik ben, zoals ieder politicus, wel een beetje eigenwijs, maar niet in die mate dat ik vind dat ik alleen de waarheid in pacht heb. Ik hecht veel belang aan draagvlak.” Toch, hoe ziet Sven Gatz zijn taak als werfleider voor de werf sociaal-cultureel werk? Om een idee te krijgen van de richting die deze minister uit wil en vooral niet uit wil, schotelden we hem vijf stellingen voor.

WIE IS SVEN GATZ? • Geboren in 1967 in Sint-Agatha-Berchem, woont in Jette, vader van drie • Jurist • Begint zijn carrière op het kabinet van Vic Anciaux (VU) • Stapt in 2002 over naar VLD, waar hij bekend staat als links-liberaal • 1995-2004: lid van het Brussels Parlement • 1999-2011: lid van het Vlaams Parlement, de laatste vier jaar als fractieleider Open VLD • 2011: zegt de politiek vaarwel om directeur te worden bij de Unie van de Belgische Brouwers • 2014: wordt minister voor Cultuur, Jeugd, Media en Brussel in de Vlaamse regering

6

I

2015

STELLING 1 Het gros van de bewegingen is in 2011 onder de minimale subsidiedrempel gedoken. Dit is niet werkbaar. is beslist om in het decreet minimale en maximale subsi“diesEr vast te leggen. Als dat er in staat, dan is het niet houdbaar om daar te vaak onder te blijven. Ik ga ervan uit dat we dit deze regeerperiode principieel en liefst ook financieel oplossen. Wat goed is, moet je niet veranderen en er is heel veel in het sociaal-cultureel werk dat goed functioneert. Alleen voelt iedereen aan dat we het in een nieuwe plooi moeten leggen om de vele nieuwe initiatieven in te bedden. Er is nu een spanning tussen het oude en het nieuwe sociaal-cultureel werk. Ik weet dat je dat onderscheid niet zwart-wit kunt maken. Er is veel ‘oud’ sociaal-cultureel werk dat al decennia bestaat en dat zich helemaal heeft vernieuwd, en niet alle ‘nieuwe’ sociaal-cultureel werk is even nieuw als het lijkt. Het is de spanning tussen degene die ingeburgerd zijn in het decreet en degene die aan de deur kloppen. Hoe kunnen we voortzetten wat al ingebed is, en toch ook nieuwe initiatieven structureel ondersteunen? Daar hebben we nog geen helder zicht op. Het is ook een budgettaire kwestie, maar niet alleen een budgettaire kwestie. Tijdens het begrotingsdebat suggereerde een parlementslid om ook het Participatiedecreet erbij te betrekken. Een goede suggestie die het debat verbreedt. Kunnen we het decreet Sociaal-cultureel Volwassenenwerk en het Participatiedecreet meer op elkaar laten aansluiten? Dat geeft ons inhoudelijk meer speling. De inhoudelijke vernieuwing van het decreet zal uiteraard financiële consequenties hebben. Net zoals bij de kunsten zal samenwerking ook voor het sociaal-cultureel werk een van de debatten worden. Ja, de schaarse middelen moeten we zo goed mogelijk verdelen, maar het debat over samenwerking gaat niet alleen over efficiëntie. Het gaat ook over inhoudelijke samenwerking, het moet daar ook over gaan, want anders ben je mensen in een artificiële context bij elkaar aan het wringen en dat lukt nooit. Als we het sociaal-cultureel werk in een nieuwe plooi kunnen leggen, dan hebben we een sterker verhaal, ten opzichte van mij en van de rest van de regering, en kan een groter draagvlak gevonden worden om toch wat meer middelen vrij te maken. Verbinding is nog altijd een van de hoofdwerkwoorden van deze regering. Daar mag je deze regering ook wel op aanspreken. Als je ziet hoe groot de kracht van het sociaal-cultureel werk is, dan moeten we dat zo sterk mogelijk maken, zodat evolutie mogelijk blijft. Ook het Burgerkabinet zal zich daar over buigen. Het kan werken aan het draagvlak om dat nieuwe en dat oude sociaal-cultureel werk met elkaar te verzoenen, want nu dreigen ze door de budgettaire toestand tegenstanders te worden en dat wil ik vermijden.


“ER IS NU EEN SPANNING TUSSEN DEGENE DIE INGEBURGERD ZIJN IN HET DECREET EN DEGENE DIE AAN DE DEUR KLOPPEN. HOE KUNNEN WE VOORTZETTEN WAT AL INGEBED IS, EN TOCH OOK NIEUWE INITIATIEVEN STRUCTUREEL ONDERSTEUNEN?”

STELLING 2 Straks kan Vlaanderen op geen enkele manier nog vorm geven aan een lokaal cultuurbeleid. zullen zeggen: alles zit nu in het Gemeentefonds, “je Pessimisten kunt er niet meer bij en het is je eigen fout (lacht). Maar ook de provinciale persoonsgebonden bevoegdheden vallen weg. Ik ben er echter van overtuigd dat we snel een debat zullen voeren over de uitdagingen en kansen die intergemeentelijke samenwerking biedt in dit veranderende landschap. Welke sturende rol moet Vlaanderen dan spelen? Vlaanderen heeft er eerst voor gezorgd dat er bijna in elke gemeente een bibliotheek en een cultureel centrum zijn. In een tweede fase hebben we de driehoek gemeente-bibliotheek-cultureel centrum laten samenwerken. Het verenigingsleven zit daar uiteraard mee in. Nu die driehoek goed werkt in de meeste gemeenten, komen er bovengemeentelijke uitdagingen. De vraag is waar je bovenlokaal bepaalde dingen kunt versterken zonder in de plaats te treden van de gemeenten en de mensen. De eerste verantwoordelijkheid van een gemeente op sociaal-cultureel vlak is toch hoe ze zich verhoudt tot het lokale verenigingsleven? Misschien moeten we de toekomst heruitvinden. Vele cultuurcentra zijn eigenlijk als ontmoetingscentra ontstaan op initiatief van het verenigingsleven. Misschien zijn sommige cultuurcentra te veel kunstencentra geworden en hebben ze de band met het sociaal-cultureel werk verloren. Daar ligt een kans waar het sociaal-cultureel werk zelf ook zijn rol dient te spelen.

STELLING 3 40 % van de organisaties in het sociaalcultureel volwassenenwerk werkt vooral met kansengroepen: personen met een beperking, mensen in armoede, mensen met een migratieachtergrond. Zij maken een verschil door ervoor te zorgen dat ‘iedereen mee is’. een samenleving moet iedereen mee zijn of mee kunnen “zijn.In Maar misschien zijn we er in het verleden iets te veel vanuit gegaan dat organisaties hun ding deden in het sociaal-cultureel werk, en dat er daarnaast een aparte plek moest zijn voor extra ondersteuning voor kansengroepen. Misschien hebben we te weinig gezien dat verenigingen daar een kerntaak hebben en dat we daar mee moeten werken. Misschien hebben we met het Participatiedecreet te veel een apart perceel voor kansengroepen gecreëerd, ook al was dat misschien niet de bedoeling. We moeten die aansluiting weer maken. Het klassieke sociaal-cultureel werk is een zaak van de middenklasse geworden. Onder andere vanuit de verkleuring van de samenleving zijn nieuwe initiatieven ontstaan die dan toch weer tegen een financieel glazen plafond botsen. Die vraagstukken moeten we oplossen.

I

2015 7


“TREK GERUST AAN DE NOODREM ALS JE IN DE HERVORMING DINGEN ZIET SLUIPEN DIE HET MOGELIJK MAKEN OM HET SOCIAAL-CULTUREEL VOLWASSENEN­WERK TE INSTRUMENTALISEREN VOOR HET BELEID.”

STELLING 4 Uit het onderzoek ‘Vrijwilligers in beweging’ van Sociale School Heverlee voor Civitaz (Centrum voor Burgerschap en Participatie) blijkt dat een ruime meerderheid van de lokale verenigingsmensen hoopt op meer bovenlokale ondersteuning voor de papierwinkel en de programmatie. We zullen daar een werf van moeten maken. Dit hangt ook “samen met het gecoördineerd vrijwilligersbeleid. Vrijwilligers worden vandaag al ondersteund, maar er zijn twee punten waar we op moeten werken: de papierwinkel beperken en de ondersteuning nog uitbreiden. Die ligt voor mij niet in de richting van meer statuten en een hogere bezoldiging. Dat is een valkuil waar we niet mogen in trappen. Hoe meer we dat doen, hoe verder we van de oorspronkelijke bedoeling van het vrijwilligerswerk weg gaan. Ik ben daar erg old school in. In bepaalde gevallen komen bij vrijwilligerswerk zulke verregaande engagementen kijken dat daar een bepaalde vergoeding kan tegenover staan. Maar ik ga ervan uit dat vrijwilligers niet in beweging worden gebracht door geld. Ze willen iets doen, voor zichzelf en de anderen en de samenleving. Daarvoor moet ook maatschappelijke waardering zijn. Dat kan zich op heel veel manieren uiten, en de vraag is of we daar vanuit het beleid een antwoord op kunnen geven. Kun je dat, een decreet maken dat warmte uitstraalt? Hoe kunnen we maatschappelijke waardering inhoud en vorm geven? Daar moeten we over overleggen.

8

I

2015

STELLING 5 Zuurstof voor ondernemingen bekt in de politieke wereld gemakkelijker dan zuurstof voor ondernemende organisaties. ik het niet mee eens. Ook als de regering dingen “doetDaarombenondernemen gemakkelijker te maken, dan nog is het wel de bedoeling dat ondernemingen hun eerste maatschappelijk functie, het creëren van banen en welvaart, ernstig nemen, en over het algemeen doen ze dat ook. Maar ondernemende organisaties, dat omvat ook bijna alle sociaal-culturele werkingen. Als er één sector is die optimaal mag ondersteund worden via subsidies, dan is het wel het sociaal-cultureel werk. Bovendien vind je de eerste vormen van crowdfunding bij het verenigingsleven, met lidgelden en eetfestijnen. Vaak is dat goed voor 40 % of meer van de middelen. Voor mij staat het sociaal-cultureel werk daarom wat buiten het verhaal van de aanvullende financiering die we nu onderzoeken. Een sociaal-culturele organisatie heeft vooral een maatschappelijk rendement, terwijl andere culturele sectoren, bijvoorbeeld muziek en film, meer raakpunten hebben met de markt.


Tot slot, mijnheer de minister. Elke start van een beleidsperiode sinds het nieuwe decreet op het sociaal-cultureel volwassenenwerk blijkt in een besparingsjaar te vallen. Onze sector is al die jaren meer blijven doen met minder middelen, maar nu blijkt dat de impact op de werking te groot wordt. Welke perspectieven kunt en wilt u geven?

Hoe beter we erin slagen om de evidente relevantie van het “verenigingsleven en het sociaal-cultureel werk heruit te vinden, hoe groter de kans dat we een en ander financieel kunnen rechttrekken. Ik wil daarmee niet zeggen dat het sociaal-cultureel werk vandaag zijn relevantie niet bewijst. Alleen is het, door de manier waarop het decreet is opgevat, te veel verbrokkeld en, zoals ik al eerder zei, dreigt er spanning opgebouwd te worden tussen oud en nieuw sociaal-cultureel werk. Met het Kunstendecreet zijn systemen herdacht: in plaats van vanuit disciplines vertrekken we nu vanuit een aantal functies. Misschien is dat een interessante invalshoek voor het nieuwe decreet Sociaal-cultureel Volwassenenwerk. Dat zou perspectief kunnen geven, inhoudelijk maar ook financieel, en dat heeft het sociaal-cultureel werk nodig. Het kan niet groeien onder een stop & go-beleid.

‘De relevantie heruitvinden’ is een interessante uitspraak voor een minister. Je hoort politici wel eens mopperen dat het sociaal-cultureel werk te weinig een beleidsinstrument is om hun beleid te ondersteunen. Is het dat wat u bedoelt?

Ik ben daarin een liberale legalist. In de grondwet staat dat er vrijheid van vereniging is. Veel moet je daar niet aan sturen. Het beleid moet dan maar uitmaken hoeveel van die organisaties en op basis van welke inhoudelijke werking het meer of minder wil subsidiëren. Alleen al de gedachte dat je sociaal-cultureel werk als een beleidsinstrument zou inzetten, geeft me een onaangenaam gevoel. Trek gerust aan de noodrem als je in de hervorming dingen ziet sluipen die dit mogelijk maken. Sterk sociaal-cultureel werk is essentieel voor een samenleving en een democratie. Elke vereniging slaagt er bijvoorbeeld in om, in haar eigen omgeving, dat verenigingsleven relevant te maken. Maar we moeten het relevant maken voor andere sociale en etnische groepen. Als er één sector is waar dat van onderuit kan groeien, dan is dat het sociaal-cultureel werk. Als minister wil ik een kader scheppen dat dit mogelijk maakt zonder te zeggen hoe de organisaties dat moeten doen of welke output ze moeten hebben. Dat staat haaks op het idee van vrijheid van vereniging.

Vragen of reacties? dirk@fov.be of liesbeth@fov.be

MINISTER ZIJN: ROMANTIEK EN REALITEIT Dit is uw eerste passage als minister. Hoe steekt de romantiek van het idee van minister te zijn af tegen de realiteit? Toen ik gevraagd werd om minister te worden, dacht “ik meteen: ‘Nu ga ik vijf jaar leven als een gek!’ Overvolle agenda’s, hollen van de ene verplichting naar de andere, mensen die – terecht – iets van je willen maar ook veel mogelijk­heden. En zo is het ook. Gelukkig had ik dat goed ingeschat, want als dat je overvalt, dan kan je er aan onderdoor gaan. Je moet dat zelf beheren en beheersen, voldoende contacten blijven hebben, veel zien en horen, zodat je door de bomen het bos blijft zien.

Zijn er aspecten aan uw ministerschap waar u op kickt? Een eigen chauffeur? Deuren die overal voor u opengaan? ‘Heb je al gedacht aan een chauffeur?’ vragen ze je “meteen. Nee, dat is niet het eerste waar een normaal mens aan denkt. Ik heb nu een chauffeur, die dat zeer goed doet. En het bespaart me veel tijd. Ik kan lezen in de wagen, soms ook slapen. Zonder chauffeur zou ik waarschijnlijk een kwart minder kunnen doen. Je zou daar snel kunnen aan wennen. Het blijft ook onwerkelijk hoe vriendelijk iedereen altijd ‘mijnheer de minister’ zegt. Ik ben dat ook, maar soms zijn mensen ook, euh, te beleefd. Je moet daar doorheen blijven zien, of het wordt gevaarlijk. Maar echt kicken doe ik inhoudelijk. Een fijne bijkomstigheid van het minister van Cultuur zijn is dat, waar ik ook kom, er altijd iets te zien, te beleven of te doen is. Intens, maar fijn.

De mayonaise pakt alleen met de juiste ingrediënten. Welk ingrediënt voegt u toe aan deze Vlaamse regering? Het is belangrijk dat er voldoende ministers in deze “regering zijn die rekening houden met de realiteit van het sociaal-cultureel werk op het terrein, en met de kracht van het zich organiseren in het algemeen. In het bijzonder voor de grote groep mensen die wat kwetsbaarder zijn en die soms een helpende hand nodig hebben. Dat ligt niet alleen aan wie ik ben en wie ik zou willen zijn, maar ook aan de portefeuille van Cultuur, die heel breed is, gaande van de kunsten in de strikte zin over verenigingen en participatie tot samenleving en identiteit. Voor mij is het belangrijk om in die drie lagen rekening te houden met het geheel.

I

2015 9


DE COMMISSIE CULTUUR MAAKT ZICH OP VOOR HET NAJAAR De commissie Cultuur wacht een spannend en inspannend jaar, nu de vernieuwing van het decreet Sociaal-Cultureel Volwassenenwerk zich aankondigt. We laten de leden hier nog even freewheelen voor ze aan het zware werk beginnen.

Bart Caron • • • •

PARTIJ: GROEN IN HET VLAAMS PARLEMENT SINDS: 2004 VOLGT COMMISSIE CULTUUR SINDS: 2004 POLITIEKE INTERESSES: C ULTUUR-, MEDIA- EN SPORTBELEID, LOKAAL BESTUUR EN DEMOCRATIE, STEDELIJK EN PLATTELANDSBELEID, ONROEREND ERFGOED, WAPENHANDEL

Marius Meremans • • • •

PARTIJ: N-VA IN HET VLAAMS PARLEMENT SINDS: 2013 VOLGT COMMISSIE CULTUUR SINDS: 2013 POLITIEKE INTERESSES: C ULTUUR, ERFGOED, RUIMTELIJKE ORDENING, BINNENLANDS BESTUUR, TOERISME, ONDERWIJS

Yamila Idrissi • • • •

PARTIJ: SP.A IN HET VLAAMS PARLEMENT SINDS: 2009 VOLGT COMMISSIE CULTUUR SINDS: 2014 POLITIEKE INTERESSES: KUNST EN CULTUUR, BRUSSEL, SAMENLEVING EN STEDELIJKHEID

Caroline Bastiaens • • • •

PARTIJ: CD&V IN HET VLAAMS PARLEMENT SINDS: 2012 VOLGT COMMISSIE CULTUUR SINDS: 2014 POLITIEKE INTERESSES: C ULTUUR, WOONBELEID, STEDELIJK BELEID EN ENERGIE, MOBILITEIT EN OPENBARE WERKEN, WELZIJN, VOLKSGEZONDHEID, GEZIN EN ARMOEDE

Jean-Jacques De Gucht • • • •

10

I

2015

PARTIJ: OPEN VLD IN HET VLAAMS PARLEMENT SINDS: 2009 VOLGT COMMISSIE CULTUUR SINDS: 2009 POLITIEKE INTERESSES: AALST, CULTUUR, ETHISCHE KWESTIES


1

WAT VINDT U DE BELANGRIJKSTE EVOLUTIE OF TREND IN HET CULTUURLANDSCHAP HET AFGELOPEN JAAR?

BART CARON 

“Het gemeengoed worden van de gedachte dat de cultuursector het ook en zelfs beter kan met minder subsidies. Maar ook de onwaarschijnlijke stroom aan foute argumenten die gebezigd worden om twee wangedrochten te verantwoorden: de inkanteling van het lokaal cultuurbeleid in het Gemeentefonds en de afbouw van de provinciale taakstelling inzake Cultuur.” MARIUS MEREMANS 

“De decentralisatie van het cultuurbeleid: (1) De inkanteling van de sectorale subsidiestromen naar het Gemeentefonds geeft de lokale besturen hun noodzakelijke autonomie. (2) De afslanking van de provincies voor wat betreft ‘persoonsgebonden bevoegdheden’ zal het aantal beleidsniveaus beperken tot twee. Beide evoluties zorgen ervoor dat de Vlaamse overheid meer kaderstellend en coachend wordt, dat de lokale planlast vermindert en er daardoor meer ruimte vrijkomt voor (geïntegreerd) terreinwerk.” YAMILA IDRISSI 

“Dat passie, ondanks alle veerkracht, kwetsbaar blijkt. De sluipmoordenaar burn-out slaat ook toe in de cultuursector.” CAROLINE BASTIAENS 

“De grote en kleine, tijdelijke of meer permanente samenwerkingsverbanden, zelfs over werksoorten en cultuursectoren heen.” JEAN-JACQUES DE GUCHT 

“De keuze voor een meer doorgedreven bottom-up benadering, waarbij enerzijds een luisterend oor wordt geboden aan het culturele veld en anderzijds meer ruimte gecreëerd wordt en verantwoordelijkheid gevraagd wordt.”

2

TOEN U HET LAATST AAN DE KEUKENTAFEL OF IN HET CAFÉ VERTELDE OVER HET SOCIAAL-CULTUREEL VOLWASSENENWERK, WAAROVER HAD U HET TOEN?

BART CARON 

“Over Femma. Dat ze, in tegenstelling tot wat velen denken, springlevend zijn. Over hun lovenswaardige pogingen om inhoudelijk en methodisch te vernieuwen en nieuwe mensen aan te trekken.” MARIUS MEREMANS 

“Het gesprek startte met een persoonlijk verhaal over een van onze KWB-leden die recent een nieuwe heup had gekregen. Nadien werd tussen pot en pint het evenement ‘Koekenaap’ van jong KWB geëvalueerd als zeer geslaagd. Op het einde werd het iets serieuzer en vroegen we ons af hoe beleidsmakers kunnen inspelen op nieuwe, lossere, kortere organisatievormen die duidelijk anders zijn dan klassieke verenigingen. De conclusie was dat deze innovatieve vormen zeker een volwaardige ondersteuning verdienen. Het wijzigende landschap zet beleidsmakers voor een mooie uitdaging.” YAMILA IDRISSI 

“Delen is het nieuwe geven. En dus heb ik het op café over de materiaalbib Tournevie, een project dat via deeleconomie zorgt voor een positieve omslag in de samenleving. Het is dan ook nog eens door growfunding gefinancierd! Alleen jammer van mijn twee linkerhanden.” (www.tournevie.be) CAROLINE BASTIAENS 

“De hippe en vernieuwende initiatieven die groeien en bloeien in de SCW-sector en waarvan haast niemand weet dat het SCW-initiatieven zijn vb. Repaircafés, Voedselteams, Sharefairs, Donderdag Veggiedag.” JEAN-JACQUES DE GUCHT 

“De belangrijke nieuwe maatschappelijke realiteiten waarin het sociaal-cultureel werk zich beweegt. De veerkracht die de sector heeft om op deze nieuwe vragen antwoorden te bieden.”

I

2015 11


3

WAT MAAKT VOLGENS U DE SOCIAAL-­CULTURELE SECTOR UNIEK?

BART CARON 

MARIUS MEREMANS 

“Gemeenschapsvorming! Gemeenschapsvorming ontstaat daar waar mensen samenkomen en elkaar ontmoeten. Intense ontmoetingen gaan verder dan een eenvoudige goeiedag zeggen. Je wisselt verhalen uit over de gezondheid, de kinderen, vakanties, uitstappen en zo veel andere dagelijkse dingen. Het zijn zulke ontmoetingen waarmee mensen ongeacht afkomst, opleiding, status, … kunnen ‘medeleven’ met elkaar. De som van deze ontmoetingen creëert een essentiële samenhorigheid in buurten.” YAMILA IDRISSI 

“Dat het elke dag bijdraagt aan een warm sociaal weefsel. Het behoort tot het dna van onze samenleving.” CAROLINE BASTIAENS 

“Enerzijds is er de immense diversiteit, anderzijds die grote gemeenschappelijke deler namelijk mensen samen brengen. Maar vooral de grote goesting en het engagement om van elke actie of activiteit een succes te maken en een nieuw antwoord te vinden op een nieuwe vraag of uitdaging.” JEAN-JACQUES DE GUCHT 

“Zijn flexibiliteit en de unieke aanpak om participatie en burgerschap te bekomen. Dit in verschillende, veranderende contexten.”

I

WELKE TITEL VAN EEN BOEK, FILM OF PLAAT PAST VOLGENS U HET BEST BIJ - EEN BEWEGING - EEN VERENIGING - EEN VORMINGSINSTELLING - VORMINGPLUS

BART CARON 

“De bijzondere mix van maatschappelijk engagement, persoonsvorming, versterking van de sociale cohesie en groepsvorming.”

12

4

2015

“Beweging: de film ‘Novecento’ van Bernardo Bertolucci. Vereniging: de song ‘You’ve got a Friend’ van Carole King. Vormingsinstelling: Cello Suites van Bach. Vormingplus: ‘Bange Blanke Man’ van Willem Vermandere” MARIUS MEREMANS 

“Beweging: de film ‘Daens’. Vereniging: de film ‘Brabançonne’. Vormingsinstelling: de documentaire ‘An inconvenient truth’. Vormingplus: de film ‘Educating Rita’ YAMILA IDRISSI 

“‘Push the sky away’ van Nick Cave: door samen te werken en vol te houden, worden grenzen verlegd!” CAROLINE BASTIAENS 

“‘Niets of niemand (houdt ons tegen)’ van Bart Peeters.” JEAN-JACQUES DE GUCHT 

“‘Image’ van Adil El Arbi past volgens mij perfect bij een vereniging. ‘Een geschiedenis van de wereld door moslimse ogen’ van Tamim Ansary is een boek dat volgens mij past bij een vormingsinstelling.”


5

HOE ZOU U HET SOCIAAL-CULTUREEL VOLWASSENENWERK IN ÉÉN SLAGZIN SAMENVATTEN?

BART CARON 

“You’ll never walk alone” MARIUS MEREMANS 

“Samen, Samer, Saamst”, analoog aan de kracht van het sociaal-cultureel werk. Ontmoeten (Samenkomen) zorgt dat mensen kunnen medeleven (Samer). Het geheel van medeleven zorgt voor gemeenschapsvorming (Saamst).” YAMILA IDRISSI 

“Het zichtbare cement dat mensen verbindt en samenbrengt” CAROLINE BASTIAENS 

“Moving on, we make the world a more beautiful and better place” JEAN-JACQUES DE GUCHT 

“Veerkrachtig faciliteren van participatie en burgerschap door verbondenheid en ontmoeting”

6

WAT WENST U HET SOCIAAL-CULTUREEL WERK TOE VOOR HET KOMENDE JAAR?

BART CARON 

“Een open geest en veel inspiratie om mee te denken over een nieuwe regelgeving voor het komende decennium, de moed om een goede zelf­ evaluatie te maken, de minister en het parlement te bestoken met originele voorstellen zodat de sector er stevig versterkt en klaar voor de 21ste eeuw uit komt.” MARIUS MEREMANS 

“Ik wens het sociaal-cultureel werk een nieuw beleidskader dat: - rekening houdt met de veranderende samenleving, - vertrouwen uitstraalt, - ruimte creëert voor nieuwe organisatievormen, - deregulering, samenwerking, innovatie en duurzaamheid centraal stelt, - en dit alles met de nodige zin voor realisme.” YAMILA IDRISSI 

“Veel goesting, maar ook de financiële ruimte om goed werk te blijven doen en zo de samenleving warmer te maken.” CAROLINE BASTIAENS 

“Een stevig, toekomstgericht, flexibel nieuw decreet.” JEAN-JACQUES DE GUCHT 

“Een portie lef om met nieuwe realiteiten om te gaan en om het digitale pad te verkennen.”

Vragen of reacties? joris@fov.be

I

2015 13


“We moeten nog veel meer out of the box denken” MET HET NIEUWE DECREET SOCIAAL-CULTUREEL VOLWAS­ SENEN­WERK IN ZICHT VOELT DE SECTOR HET WEER AANKOMEN: VOOR DE ZOVEELSTE KEER MOETEN ORGANISATIES DUIDELIJK MAKEN WAAROM ZE BELANGRIJK ZIJN. ZAL DIT NIEUWE DECREET DE DISCUSSIE VOOR EENS EN VOOR ALTIJD BESLECHTEN? TWEE DOCENTEN SOCIAAL-CULTUREEL WERK, ZELF SOCIAAL-CULTUREEL WERKERS IN HART EN NIEREN, HEBBEN 5 LESSEN VOOR WIE HET GOED MEENT MET DIT MIDDENVELD.

WIE IS FRIE DE GREEF? • coördinator en praktijklector sociaal-cultureel werk, Sociale School Heverlee (UCLL) • voorzitter van de Sectorraad voor SociaalCultureel Werk van de Strategische Adviesraad voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media (SARC)

14

I

2015

WIE IS TOM LEMAHIEU? • praktijklector sociaal-cultureel werk, Hogeschool West-Vlaanderen • voorzitter Centrum voor Basiseducatie Zuid- en Midden-West-Vlaanderen • lid SARC • lid van raad van bestuur en algemene vergadering van Socius en Vormingplus Zuid- en Midden-West-Vlaanderen


LES 1 communiceer

TOM LEMAHIEU:  Iedereen erkent dat er goede dingen

voortkomen uit het sociaal-cultureel werk. En toch moeten we dat elke keer weer uitleggen aan beleids­ makers. Waar we sterk in zijn, hoe we ingrijpen op de samenleving en of ze ons alsjeblieft de vrijruimte willen geven om dat te doen. We hebben de tijd mee. Thema’s waar het sociaal-cultureel werk mee bezig is worden opgepikt en halen de media. Maar ze dragen vaak niet het etiket sociaal-cultureel volwassenenwerk, ook al zijn ze dat. Erger nog, we horen steeds de frustrerende vergelijking tussen het traditionele sociaal-cultureel werk en al die opwindende nieuwe initiatieven die vaak ook gewoon sociaal-cultureel werk zijn. Dat leidt er telkens toe dat de sector een beetje in de val loopt en zich elke keer weer gaat legitimeren. We hebben ook zo weinig profileringsdrang. We zijn blij dat er vanalles beweegt en dat dit effect heeft in de samenleving, zonder dat we het nodig vinden om daar het label van sociaal-cultureel volwassenenwerk op te plakken. Maar bij elke nieuwe beleidscyclus moet je dat expliciteren. Want telkens weer zijn er mensen die zich afvragen waarom dat überhaupt een sector moet zijn. Iedereen kan dat toch, verenigen, verbinden en versterken?

FRIE DE GREEF:  We zijn doeners. Communiceren,

managen, dat laten we vaker achterwege, terwijl we dat soms wel nodig hebben. In het sociaal-cultureel volwassenenwerk zijn veel mensen bezig met ondernemen, dingen op poten zetten en in plannen gieten en daar financiering voor vinden, maar het lijkt wel of we een sector zijn die volledig leeft van overheidsfinanciering. Dat is jammer, organisaties zouden daar meer taal aan kunnen geven. Ze expliciteren te weinig welke vernieuwende dingen er broeden en er wordt te weinig verbinding gemaakt met andere terreinen en sectoren. En als het gebeurt, wordt er weinig over gecommuniceerd. We werken veel met vrijwilligers en de professionele medewerkers hebben steeds minder tijd en ruimte, waardoor organisaties zich gaan terugplooien op hun corebusiness en op de vele voorwaarden en randvoorwaarden waaraan ze moeten voldoen.

I

2015 15


LES 2

LES 3

experimenteer

verbind

TOM LEMAHIEU:  De labofunctie, sinds jaar en dag een

FRIE DE GREEF:  In plaats van het sociaal-cultureel werk

van de sterktes van het sociaal-cultureel volwassenenwerk, moet expliciet in het nieuwe decreet staan. Zodat organisaties zich erop kunnen beroepen, zich ertegenover moeten verhouden. Misschien moet de labofunctie zelfs heel expliciet gepositioneerd worden in de tussenruimte tussen overheid en middenveld. Organisaties mogen zich niet terugplooien op hun eigen werking, ze moeten een plek zoeken in die tussenruimte en daar op inspelen. Het nieuwe decreet moet die vrijplaats geven.

te culpabiliseren, moet de overheid zorgen dat er rond maatschappelijke uitdagingen verbindingen ontstaan tussen onze en andere sectoren. De overheid kan de cruciale rol die het sociaal-cultureel werk heeft in het aanbrengen van die thema’s erkennen door ons als echte partners rond de tafel te zetten met welzijn, met onderwijs, met het bedrijfsleven. Een overheid moet erkennen dat de kennis en vooral de aparte kijk van het sociaal-cultureel werk een belangrijke waarde hebben in de samenleving. De wijze waarop sociaal-cultureel werk participatie stimuleert is daar een goed voorbeeld van. Bottom-up, procesmatig en op de lange termijn mensen betrekken bij maatschappelijke thema’s en bij het beleid: wie doet ons dat na?

FRIE DE GREEF:  Het sociaal-cultureel werk fungeert

daarbij als een megafoon voor de samenleving, met een opdracht om initiatieven, processen en antwoorden op maatschappelijke vraagstukken structureel in te bedden. Dat aspect ontbreekt veeleer in het verhaal over de nieuwe initiatieven van onderuit. Ze komen en verdwijnen weer. Ik zeg dit met heel veel sympathie voor heel veel mensen die plaatselijk vanalles aan het doen zijn. Voor mij is sociaal-cultureel werk pas geslaagd als daar een proces in zit. Als je ook gaat kijken hoe je dat kunt verbinden met structuren. Zodat je de bestaande structuren, het beleid, uitdaagt om iets te doen met de thema’s waar je rond aan het broeden bent geweest. Zodat je ook effectief die verandering in de samenleving kunt teweegbrengen. Die maatschappelijke vertaling vind ik een essentieel kenmerk. Dus ja, het decreet moet ruimte maken opdat initiatieven van onderuit kunnen ontstaan, maar of je die direct in een decreet kunt vatten is maar de vraag. Want ze ontstaan vaak uit een kleine, lokale vraag. Je vermoordt ze als je ze op Vlaams niveau tilt. Daar kan de New Deal (nieuw partnerschap tussen lokale besturen en middenveld, die veel meer vertrekt vanuit burgerengagement, red.) een antwoord bieden: lokale overheden die lokale initiatieven faciliteren en eventueel financieren en ondersteunen.

van de sector wel, maar ze herkennen het niet altijd wanneer het er op aankomt. Er worden dan wel individuele organisaties betrokken bij een maatschappelijk debat, maar niet vanuit de reflex dat het sociaal-cultureel werk hier aan zet is. Het lijkt alsof de sector in zijn geheel niet gezien wordt. Misschien is dat door de veelheid en de verscheidenheid aan organisaties en werkingen, misschien is de breedte van het aanbod nefast voor de herkenbaarheid van het grote geheel. Dus misschien ben ik hier toch wel aan het pleiten voor een label ‘dit is sociaal-cultureel werk’.

HET MOTTO VAN TOM LEMAHIEU VOOR ONZE SECTOR: “WIJ LIJKEN TE WERKEN OP DETAILS, MAAR WIJ VERANDEREN GROTE LIJNEN”.

16

I

2015

TOM LEMAHIEU:  Beleidsmakers erkennen het belang


LES 4

LES 5

spring uit de band

overleg

FRIE DE GREEF:  Hoe willen we die educatieve, gemeen-

FRIE DE GREEF:  Wanneer zal de minister van Cultuur

schapsvormende, beleidsbeïnvloedende en verbindende rol vorm geven vandaag? Daar kunnen we nog meer out of the box denken in plaats van meteen terug te grijpen naar de werksoorten van verenigingen, bewegingen en vormingsinstellingen. Er kondigt zich een denkoefening aan voor het nieuwe decreet. Die denkoefening kan tot verschillende resultaten leiden: een herschikking van de werksoorten, een werksoort schrappen, de kernfuncties van een werksoort benoemen. Maar als we verder denken, over de rol en de evolutie van het sociaal-cultureel werk vandaag, kunnen er misschien nieuwe werksoorten komen? Of misschien ontstaat een mix van een aantal kenmerken van een vereniging en van een bepaald type beweging? Misschien moeten we nog meer kijken hoe we de functies en rollen van het sociaal-cultureel volwassenenwerk vandaag inzetten, waar we verbindingen kunnen maken of hoe we dingen op een andere manier kunnen benaderen – eventueel met partners uit andere sectoren?

goed werk hebben geleverd? Als hij er in slaagt om dat traject naar het decreet samen met de sector af te leggen en de tijd en de ruimte neemt om telkens terug te koppelen en verder te bouwen. Maar dat hangt samen met de ambitie. Als de ambitie is om gewoon een aantal dingen te schrappen om budgettaire redenen, dan is dat hele proces niet nodig. Als het de ambitie is om de sector in zijn kracht te zetten en mee te ondersteunen, dan doet de minister dat door hem vanaf het begin mee te nemen. Dat is niet zo’n eenvoudig traject, hij zal zweetbandjes nodig hebben (lacht). Het is ook interessant om met de overheid te bekijken hoe wij en zij een aantal fundamentele begrippen voor de sector invullen. Er kunnen grote verschillen in benadering zijn. Begrippen als educatie, activering, vrijwillig engagement bijvoorbeeld vult de overheid vaak op een heel andere manier in dan hoe wij dat in het sociaal-cultureel werk doen.

TOM LEMAHIEU:  De sterkte van het huidige decreet voor

de sector is wel dat organisaties verplicht zijn om te vertrekken vanuit een mens- en maatschappijvisie en daar de kernfuncties van het sociaal-cultureel volwassenenwerk moeten aan koppelen. Er staat in het huidige decreet heel duidelijk wat de sociaal-culturele methodiek is, zodat organisaties kunnen expliciteren waar ze voor staan en waar ze voor gaan. In de vooruitgangsrapporten en beleidsplannen die het decreet vraagt moet je dat ook aantonen. In de feiten is het echter allemaal meer flou. We zitten daar wat gevangen tussen het laten vervagen van de grenzen tussen de werksoorten, en het feit dat die grenzen ook wel handig zijn. Zelf worstel ik met het feit dat de werksoort bepaalt op welke kernfunctie je moet inzetten, dat is volgens mij achterhaald.

TOM LEMAHIEU:  Dit decreet moet er komen samen met

de sector, uiteraard. En als het even kan, door niet meteen de focus te leggen op de uitdagingen waarvoor het sociaal-cultureel volwassenenwerk hier en nu ingezet kan worden. Er moet gekeken worden van waar het sociaal-cultureel volwassenenwerk komt, en van daar uit naar waar het nu staat, waar het nu op inspeelt. Dit is een sector die zich niet laat vangen in een momentopname. Het sociaal-cultureel werk van vandaag zou er anders uitzien zonder het sociaal-cultureel werk van gisteren en dus moet je vandaag en gisteren bekijken om te bepalen wat je morgen gaat erkennen, ondersteunen, subsidiëren. Het nieuwe decreet moet vertrekken vanuit erkenning, zodat we niet nog eens tien jaar bezig zijn met te legitimeren wat we doen.

Vragen of reacties? dirk@fov.be of liesbeth@fov.be

DE SLAGZIN VAN FRIE DE GREEF VOOR HET SOCIAAL-CULTUREEL WERK: “WIJ KLEUREN BUITEN DE LIJNEN”.

I

2015 17


DE SECTOR IN DE PRIJZEN HET SOCIAAL-CULTUREEL VOLWASSENENWERK BOOMT EN BLOEIT. NIET TOEVALLIG KRIJGEN ORGANISATIES IN ONZE SECTOR DAN OOK REGELMATIG ERKENNING VOOR HUN WERK. NIET ENKEL IN VLAANDEREN, OOK INTERNATIONAAL GOOIEN VLAAMSE ORGANISATIES HOGE OGEN MET HUN INNOVATIEVE EN ACTIVERENDE PROJECTEN. EEN KORT OVERZICHT VAN DE LAUREATEN.

FMDO – Vlaamse Cultuurprijs De Federatie van Marokkaanse en Mondiale Democratische Organisaties (FMDO) ontving in 2014 de Vlaamse Cultuurprijs voor het Sociaal-Cultureel Volwassenenwerk uit handen van minister Sven Gatz. Met dit kwaliteitslabel wil de overheid een blijk van erkenning geven voor hun werk. “Met aanstekelijk enthousiasme en grote gedrevenheid zorgen de bezielers en vrijwilligers van FMDO voor een sterke participatie en betrokkenheid van etnisch-culturele minderheden. Ze brengen daarbij respect op voor elkaars eigenheid en identiteit,” aldus de jury.

Tievo maakt droom waar met ‘Knijp eens in mijn arm’! Tievo (een vormingsorganisatie voor volwassenen met een verstandelijke beperking) is een van de vier genomineerden voor ‘Knijp eens in mijn arm’, een droomwedstrijd van de provincie Vlaams-Brabant voor sociaal-culturele organisaties. Tievo diende het project in voor een volkstuin met inclusief karakter.

Onafhankelijk leven – Zero Project Onafhankelijk Leven vzw was te gast op de Zero Project Conferentie in de gebouwen van de Verenigde Naties in Wenen. Het Zero Project is een partnerschap tussen het World Future Council en het European Foundation Centre. Dit project werkt aan een wereld zonder barrières voor personen met een beperking. Uit honderden inzendingen selecteerden internationale experts 11 vooraanstaande beleidsinitiatieven. Zij beloonden zowel het Persoonlijk Assistentie Budget als een voorbeeld van goed beleid, als de ‘Freedom School,’ een meerdaagse training voor mensen met een beperking, en dit voor haar innoverende karakter.

KVLV – Persprijs voor duurzame ontwikkeling Het artikel ‘Voedsel is om op te eten! Waarom gooien we het dan weg?’ van Lieve Herremans uit het KVLV-magazine Vrouwen met vaart (maart 2014) heeft de persprijs voor duurzame ontwikkeling gewonnen in de categorie ‘tijdschriften’. De Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling (FRDO) reikte zijn jaarlijkse persprijzen uit op 1 april 2015. De jury is van mening “dat het dossier het onderwerp op een goede manier aanpakt, met een duiding van de problematiek en een aanzet tot gedragsverandering via tips om geen voedsel te verspillen”. Minister Marie-Christine Marghem, die de prijs overhandigde, schat de rol van middenveldorganisaties hoog in. Ook de jury hoopt dat deze prijs een stimulans vormt voor organisaties die naar het voorbeeld van KVLV duurzaamheid in hun werking en publicaties integreren.

18

I

2015


90% ingezet voor SCVW 71% vrouw 69% inhoudelijke opdracht

200.000 vrijwilligers

43 gemiddelde leeftijd

5400

freelancers

2150

werknemers

9,5 miljoen

48%

195 miljoen

deelnames

eigen inkomsten

omzet

14.000 lokale verenigingen

56

81% levert input voor media en onderzoekers

verenigingen

31

270.840 publieksgerichte activiteiten

bewegingen 88% is actief over de landsgrenzen heen

135

organisaties ruim 100.000 uur eigen vorming

35

13

Vormingpluscentra

113.500 deelnames

een stijging van 43% in 5 jaar tijd!

landelijke vormingsinstellingen 245.500 deelnemers

I

2015 19


S W O T ONS SWOT-TEAM ANALYSEERT DE DECENTRALISATIE VAN HET LOKAAL CULTUURBELEID

HUGO DE VOS voormalige directeur van de FOV

LIEN VERWAEREN CD&V-schepen Jeugd, Cultuur, Cultureel Erfgoed, Kunstonderwijs, Ontwikkelingssamenwerking, Dendermonde

IGOR GEUBBELMANS cultuurbeleidscoördinator en afdelingshoofd Vrije Tijd van de gemeente Balen

HET DECREET LOKAAL CULTUURBELEID HEEFT LOKALE BESTUREN DECENNIALANG GESTIMULEERD OM HUN CULTUUR­ INFRASTRUCTUUR OP TE BOUWEN EN EEN GEÏNTEGREERD CULTUUR­BELEID TE VOEREN. MET SUCCES. MAAR BLIJFT DAT ZO, NU VOLGEND JAAR DE MIDDELEN EN DE VERANTWOORDELIJKHEID VOOR HET LOKAAL CULTUURBELEID VOLLEDIG BIJ DE GEMEENTEBESTUREN BELANDEN? WE LATEN EEN SWOTANALYSE OP U LOS VAN DE RELATIE TUSSEN LOKAAL BESTUUR EN MIDDENVELD EN DE IMPACT VAN DEZE VERANDERINGEN: STERKTES (STRENGTHS), ZWAKTES (WEAKNESSES), KANSEN (OPPORTUNITIES) EN BEDREIGINGEN (THREATS).

20

I

2015


D

oor de stimulans van het decreet Lokaal Cultuur­ beleid hebben de Vlaamse gemeenten veel meer in hun cultuur­beleid geïnvesteerd dan wat Vlaanderen aanreikte, en omgekeerd heeft ook Vlaanderen meer in lokaal cultuurbeleid gepompt. Deze wederzijdse hefboom valt weg. Vlaams minister van Cultuur Sven Gatz wil de middelen en de verantwoordelijkheid voor het voeren van een lokaal cultuurbeleid volledig bij de gemeentebesturen leggen. Dat zaait onrust langs Vlaanderens wegen. Uit een bevraging van lokale spelers door de FOV en het Forum voor Amateur­ kunsten blijkt dat 58% vindt dat zijn gemeente behoefte heeft

S

aan externe stimulansen om cultuur de plaats te geven die ze verdient. 42% vreest dat het lokale bestuur minder zal investeren in cultuur. Hoe terecht is die angst? Wat zullen de aangekondigde veranderingen in de praktijk betekenen? Welke zijn de sterktes van lokale besturen nu, in relatie tot het middenveld, en vice versa? Waar zit de achilleshiel bij beide? Waar liggen de kansen in die gewijzigde relatie tussen lokale besturen en sociaal-cultureel werk, en welke zijn de bedreigingen waarmee ze in de toekomst best rekening houden?

Sterktes Waar zijn lokale besturen goed in, in relatie tot het middenveld, tot lokale verenigingen?

“ dicht bij de mensen en dicht bij de verenigingen. Veel

LIEN VERWAEREN:  Nabijheid. Lokale besturen staan

mensen die werken in de gemeente of in de politiek kennen dat verenigingsleven door en door en dat leidt automatisch tot samenwerking. Je kunt daardoor maatwerk bieden.

” “Door die nabijheid, maar ook door je daar voor open te stellen als lokale administratie, IGOR GEUBBELMANS: 

voel je waar er kansen zijn voor samenwerking. Dat creëert een dynamiek die uitdeint en anderen inspireert. We waken er wel best over ook aandacht te hebben voor niet-klassieke verenigingen en kansen te geven aan spontane initiatieven. Het decreet Lokaal Cultuurbeleid stimuleerde dat. In Balen is de subsidie­ regeling daardoor opengesteld voor elk waardevol initiatief.

” “Vroeger werd het lokaal beleid toch meer aangestuurd door mensen die met hun twee voeten in HUGO DE VOS: 

dat middenveld stonden. De laatste jaren, ook onder druk van de ontzuiling, heb ik de indruk dat bepaalde partijen minder expliciet met dat middenveld geassocieerd zijn. Het wordt voor de lokale politiek ook moeilijker om nieuwsoortige initiatieven en praktijken te grijpen.

Wat is de kracht van het sociaal-­ cultureel volwassenenwerk in zijn relatie met het lokale bestuur?

LIEN VERWAEREN:  Vanuit politiek oogpunt is een ver-

eniging of een groep interessant omdat die mensen

samenbrengt. Het geeft je als politicus een aanspreekpunt. Wanneer we samenwerken met een vereniging of organisatie, bereiken we een ander publiek dan wij kunnen bereiken vanuit de stad, het cultuurcentrum of de bib, een diverser publiek. We merken wel dat degene die het goed doen degene zijn die zichzelf blijven vernieuwen.

” “Het is een uitdaging voor lokale besturen om interessante nieuwe initiatieven te IGOR GEUBBELMANS: 

spotten en daar iets mee doen. Om ons, ook als cultuurbeleidscoördinatoren, niet louter te blijven richten op de klassieke verenigingen, maar ook op al die pop-ups die vaak, ook voor korte duur, heel waardevolle dingen doen voor een gemeenschap. Die pop-ups werken vrijer. Klassieke verenigingen voelen zich soms gebonden aan hun koepel, en aan wat de koepel aan initiatieven lanceert.

HUGO DE VOS:  Oud sociaal-cultureel werk zoekt nieuwe

uitdagingen, nieuwe initiatieven spelen in op nieuwe uitdagingen. We zoeken hoe dat ingrijpt op elkaar en wat het betekent voor het beleid. De ontmoetingsfunctie van het verenigingsleven is erg belangrijk. Maar de roots van het sociaal-cultureel volwassenenwerk liggen in de sfeer van de volkontwikkeling en volksverheffing. Dat blijft voor mij overeind. We moeten mensen die in het verenigingsleven actief zijn toerusten om na te denken, te discussiëren en geïnformeerd te worden. Ik merk dat lokale verenigingen dat steeds vaker links laten liggen, met het argument dat mensen daar geen belangstelling meer voor hebben en dat ze meer leren van tv. Dat zijn dooddoeners. Leer mensen opnieuw discussiëren, leer hen kritisch zijn, dan kunnen ze in hun relatie met het lokale bestuur op een gemotiveerde manier argumenteren. Dus: welk gezicht heeft dat sociaal-cultureel werk, ook voor lokale besturen? Op grond waarvan gaat een bestuur initiatieven steunen? Sociale ontmoeting en sociale cohesie zijn voor mij dan te beperkt.

I

2015 21


W

Zwaktes Wat is de achilleshiel van lokale besturen in hun relatie met het middenveld en omgekeerd?

HUGO DE VOS:  Vroeger werd het beleid gemaakt vanuit

IGOR GEUBBELMANS:  Open communicatie vind ik een

de politiek. Inspraak- en adviesorganen moeten de burger er nu bij betrekken, maar dat blijkt een lege doos te zijn op vele plaatsen. Een gemis overal is toch wel dat inspraak en participatie niet aan het begin van een beleidsproces zitten. Vaak wordt de burger er pas bij betrokken als de beslissing al genomen is. De politiek moet voor mij het recht hebben om te beslissen, maar het zou comfortabeler zijn voor de beleidsontwikkeling op lokaal niveau als de inspraak zo vroeg mogelijk komt, en dit zowel van individuen als van het middenveld – al dan niet georganiseerd.

achilleshiel in de relatie tussen lokaal bestuur en verenigings­leven. Informatie is nog geen participatie. En moeten we tevreden zijn met inspraak of evolueren we beter in de richting van cocreatie? Er is een grote professionalisering geweest in de ambtenarij en deels in het verenigingsleven, ook wat betreft participatie en zelfs cocreatie. Ik ben er niet van overtuigd dat het politieke niveau overal dezelfde evolutie heeft doorgemaakt.

” is een deel van die ver” enigingen of hun “Omgekeerd vertegenwoordiger in die advies­ LIEN VERWAEREN: 

raden niet altijd mee. Het lijkt wel alsof ze daar louter zitten voor de belangen van hun eigen vereniging. Ik merk bij ons dat wanneer de verhoudingen tussen lokaal bestuur en middenveld goed zitten, er op een natuurlijke manier inspraak en participatie zijn.

22

I

2015


O

Kansen Waar liggen de kansen in een gewijzigde relatie tussen lokale besturen en sociaal-cultureel volwassenenwerk?

LIEN VERWAEREN:  Iedereen is bang voor die inkanteling,

maar je mag lokale besturen niet onderschatten. Ik verwacht niet dat er plots grote wijzigingen zullen zijn. Of dat decreet Lokaal Cultuurbeleid er nu is of niet, je moet lokaal je verantwoordelijkheid nemen als ambtenaar en als schepen, en voor je zaak blijven opkomen. Nu er besparingen zijn, krijg je wel signalen van bepaalde gemeenten: willen ze dat nog blijven doen, hebben ze daar nog wat aan?

IGOR GEUBBELMANS:  Een aantal gemeenten is zo klein

dat je je moet afvragen of bepaalde culturele initiatieven niet beter intergemeentelijk of regionaal worden aangepakt. Ik zie meer en meer samenwerking over de gemeentelijke grenzen heen. Maar als we het menen met regionale samenwerking, dan komt er best op een bepaald moment iemand die de boel coördineert, zodat de samenwerking niet afhankelijk is van de onderlinge verhoudingen tussen de verschillende ambtenaren.

Ook voor verenigingen liggen er volgens mij kansen op regionaal niveau. Het middenveld kan van elkaar leren, over de gemeentegrenzen heen. We zijn bijvoorbeeld in onze regio een traject begonnen met zeven verenigingen uit de k.ERF-regio die, naar het voorbeeld van de Kartrekkers van Vormingsplus, met een consultant een uitdaging in hun organisatie aanpakken, bijvoorbeeld ledenwerving of de wissel van de wacht in hun bestuur. In het traject delen ze hun ervaring met elkaar. De voorwaarde is dat ze aan het einde van de rit de kennis die ze hebben opgedaan delen met andere verenigingen, bijvoorbeeld in de Cultuurraad. Ik ben erg benieuwd naar het resultaat.

HUGO DE VOS:  Je moet de andere kant van de medaille

ook bekijken. In welke mate voelt het middenveld met zijn grote variëteit zich aangesproken om welbepaalde thema’s op bovenlokaal niveau aan te pakken, want ook het middenveld moet zich daar dan op organiseren.

T

Bedreigingen Welke zijn toekomstige bedreigingen waarmee we rekening moeten houden?

IGOR GEUBBELMANS:  Weet je wat de strategische meerja-

renplanning bij ons redelijk vlot heeft doen verlopen, naast het feit dat het managementteam er samen met de medewerkers aan heeft gewerkt? Het feit dat er vanuit Vlaanderen nog een kapstok was, die het beleid mee richting gaf. Als je daar echter op lokaal niveau een inhoudelijke, diepgaande discussie over moet gaan voeren, zonder een gedegen en onderbouwde Vlaamse visie, dan vraag ik me af waar we over vijftien jaar zullen staan. Ik ken gemeenten waar er niet de veerkracht is om kritisch mee te denken met het beleid, of waar er zelfs niet de mogelijkheid toe gegeven wordt. Als je als deskundige op een dergelijk politiek apparaat botst, dan wordt het niets zonder een kapstok van bovenaf.

LIEN VERWAEREN:  Omgekeerd heb ik ook veel lokale

besturen gezien die, ondanks het vorige decreet Lokaal Cultuurbeleid, op papier een cultuurbeleidscoördinator hadden die in de praktijk grafconcessies deed. Een zwakte van een lokaal bestuur is dat één of

twee personen de boel kunnen stimuleren of ophouden. Anderzijds vraag ik me wel af of die stimulus echt van bovenaf moet komen, het kan ook van onderuit komen.

” “Stel dat de budgettaire toestand niet aantrekt, wat dan? Dat op termijn echte keuzes HUGO DE VOS: 

moeten worden gemaakt op budgettair vlak? Hoe zorgen we dan voor garanties voor Cultuur? De Vlaamse overheid heeft elke vorm van sturing losgelaten. Ze laat alles over aan het inzicht van de verantwoordelijke medewerker voor Cultuur van een gemeente. Dat kan een ambtenaar zijn die vecht voor zijn domein, maar het kan ook iemand zijn die redelijk onverschillig is. Daar mag het niet van afhangen. Misschien moet toch nagedacht worden of de Vlaamse overheid op dit vlak geen impulsen moet geven. Of ze niet op zijn minst het lokaal cultuurbeleid moet monitoren aan de hand van criteria voor heel Vlaanderen. Dan blijkt uit de cijfers wel wie er de kantjes van af loopt.

Vragen of reacties? liesbeth@fov.be

I

2015 23


VERBOUWEN ZONDER AAN DE FUNDAMENTEN TE RAKEN

‘WIJ’, ZEGT HIJ, ALS HIJ HET OVER HET SOCIAAL-CULTUREEL VOLWASSENENWERK HEEFT. TERWIJL GEERT ROELANDTS DE SECTOR 40 JAAR LANG VOLGDE ALS AMBTENAAR BIJ DE VLAAMSE ADMINISTRATIE. HET DOET HEM DAAROM WEL WAT DAT HIJ NIET MEE DE PEN VAN HET NIEUWE DECREET ZAL VASTHOUDEN NU HIJ MET PENSIOEN GAAT. DUS BEPERKT HIJ ZICH TOT WELGEMEEND ADVIES VOOR DE PARTNERS IN HET MIDDENVELD. “HET GROTE PROBLEEM VAN HET SOCIAAL-CULTUREEL VOLWASSENENWERK IS LEGITIMERING.”

24

I

2015


iet zo heel lang geleden “ Nwas er ruimte om te

experimenteren in de rand van het wettelijke kader, nu zit alles muurvast

G

eert Roelandts begon zijn parcours bij de administratie lang voor er sprake was van een Vlaamse regering en een Vlaamse ambtenarij. In 1976 dook hij in het sociaal-cultureel volwassenenwerk, toen nog volksontwikkeling, op het Ministerie voor Nationale Opvoeding en Nederlandse Cultuur. Bijna veertig jaar later blijkt dat er uit die beginjaren interessante lessen te trekken zijn voor de makeover die het decreet Sociaal-cultureel Volwassenenwerk te wachten staat. Toen ik begon, was het sociaal-cultureel volwas“senenwerk volop aan het opbouwen. De overheid had de sector strakke kwantitieve normen opgelegd om die groei in goede banen te leiden en de administratie stuurde inspecteurs op pad om te controleren of deze normen werden gehaald. Het probleem is dat normen na verloop van tijd doelstellingen op zich dreigen te worden. Ze worden een keurslijf. Geleidelijk werd dan ook kwalitatiever gedacht. Niet: hoeveel mensen komen naar een activiteit. Wel: welke richting wil een organisatie uitgaan. Sociaal-culturele organisaties moesten aan de slag met beleidsplannen. Als administratie kregen we daardoor een andere opdracht. We moesten ons kwetsbaarder opstellen en uitzoeken wat kwalitatieve invulling betekent.

Wat betekende dat voor u als ambtenaar?

Het decreet Sociaal-cultureel Volwassenenwerk van “2003 was een politieke beslissing, maar ze was wel mee gevoed door de administratie. Omdat wij het gevoel hadden dat het aanvinken van kwantitatieve normen niets zei over de kwaliteit van een werking. Maar voor de ambtenaren betekende dit wel een omslag. Voordien had je als ambtenaar zekerheid: er was een kader en je keek of dat werd toegepast en als dat zo was, dan waren er subsidies. Die zekerheid werd onzekerheid. We moesten samen met het sociaal-cultureel volwassenenwerk zoeken naar wat dat betekent, goed bezig zijn, en welke beoordelingscriteria je daar aan koppelt. Wij gaven er onze invulling aan, de sector de zijne, en die twee moesten elkaar vinden. Het werd een samenspel. Als ambtenaren kregen we meer het gevoel begaan te zijn met de sector. We wilden er mee vorm aan proberen te geven, vanuit een andere invalshoek weliswaar, maar in samenspraak met de sector, als een partnerschap. Dat is moeilijker, want de sector ziet ons soms nog als degenen die hem op de vingers kijken. Maar hij moet ons beschouwen als partners. We zijn overtuigd van het belang van sociaal-cultureel werk.

Is dat zo voor iedereen bij het beleid?

Het grote probleem van het sociaal-cultureel “volwassenenwerk is legitimering, net omdat de kwantitatieve normen zijn verruild voor kwalitatieve normen. Dat kan zich keren tegen de sector. Hij moet zich meer maatschappelijk bewijzen. Dat merk je in politieke discussies. ‘Waar staat dat sociaal-cultureel werk eigenlijk voor?’ hoor je dan. ‘Wat doen die eigenlijk?’ ‘Waarom moet de Vlaamse overheid dat blijven ondersteunen?’ Bij sommigen leeft het gevoel dat het sociaal-cultureel volwassenenwerk achterhaald is. Maar het heeft een belangrijke functie. We moeten de sector beter in kaart brengen om aan te tonen waar hij voor staat. We moeten daarom misschien toch iets meer terug naar hardere afspraken, ook in de wetgeving, zonder te vervallen in dat keurslijf van de kwantitatieve normen.

Hoe kijk je terug op vier decennia cultuurbeleid? Wat zie je als belangrijke keerpunten? Welke ministers hebben hun stempel gedrukt?

Ik ga geen rapporten uitdelen aan de opeenvol“gende ministers van Cultuur. Maar ik zie wel een aantal belangrijke evoluties. In de jaren zestig was er het begin van een eigen Vlaams cultuurbeleid en een pleidooi voor cultuurspreiding. In de jaren zeventig kreeg het sociaal-cultureel volwassenenwerk voor het eerst vorm in de wetgeving en werd een begin gemaakt met het lokaal cultuurbeleid via bibliotheken en culturele centra. Dan kwam de groeiende aandacht voor kansengroepen, de inspanningen om iedereen de kans te geven om te participeren. En als rode draad doorheen al deze evoluties was er de professionalisering van de cultuursector.

Je bent je carrière begonnen bij volksontwikkeling en maakt de cirkel nu rond, al spreken we tegenwoordig van sociaal-cultureel werk. Wat is het grote verschil tussen toen en nu?

me vooral is bijgebleven uit de beginperiode is “datWater, naast het strakke normerende kader, ook ruimte was om in te pikken op experimentele initiatieven van maatschappelijk belang en op maatschappelijke ontwikkelingen die niet meteen een plaats vonden in het uitgetekende cultuurbeleid, maar die toch ondersteuning verdienden. Er bestond toen zoiets als de experimentele toelage die wij konden voorstellen aan de minister. Geen voorwaarden, geen honderd-en-één regels. Dat bood mogelijkheden voor wie niet paste

I

2015 25


in de wetgeving om te proberen, maximaal drie jaar lang. Daarna werd gekeken of het initiatief werd ingekapseld in de wet of niet. Vandaag ligt alles muurvast in decreten omwille van de budgettaire beperkingen, er is geen ruimte meer voor vernieuwing. Dat is goed voor de sector zoals die nu is, maar het is dodelijk voor de dynamiek.

Als je nu nog eens 40 jaar zou hebben om vanuit de overheid de sociaal-culturele sector mee aan te sturen, waar zou je dan vooral op inzetten?

Het fundament van het sociaal-cultureel volwas“senenwerk – en dat is ook mijn persoonlijke overtuiging – is volksontwikkeling. Dat lijkt een oubollig begrip, maar het drukt volgens mij nog altijd de essentie van het sociaal-cultureel volwassenenwerk uit. Mensen samen brengen en samen laten komen om te reflecteren, elkaar te ondersteunen en problemen te bespreken. Die kern van het sociaal-cultureel werk geldt nog onverminderd. Mensen worden overspoeld door een veelheid aan informatie, ze vinden er alleen hun weg niet in en meer en meer mensen hebben de neiging om af te haken. Het sociaal-cultureel volwassenenwerk heeft daar een fundamentele rol te spelen. Het zou jammer zijn als dat zou verdwijnen, dat zou in het nadeel van de samenleving zijn. Hoe dat vorm moet krijgen, dat hangt dan weer af van het moment en van de evolutie van de samenleving. Het sociaal-cultureel volwassenenwerk van nu is niet dat van twintig jaar geleden. Is daar een taak weggelegd voor de overheid? Je zou kunnen zeggen dat mensen elkaar altijd zullen vinden en zullen samenkomen. Maar ik vind dat de overheid daar een rol heeft. Niet om in de plaats te treden, maar om te ondersteunen en te stimuleren. Ik hoop dat we komen tot een aangepast decreet, omdat het huidige op een aantal knelpunten botst, maar dat de discussie vertrekt vanuit de kern van wat het sociaal-cultureel volwassenenwerk is en wat het doet. Zo kan het een vorm krijgen die aangepast is aan deze veranderende samenleving. Zonder de fundamenten ervan weg te slaan.

WIE IS GEERT ROELANDTS? • Tot eind juni afdelingshoofd Volksontwikkeling en Lokaal Cultuurbeleid van het Agentschap Sociaal-Cultureel Werk van de Vlaamse overheid (sinds 1 april 2015 is dat de afdeling Sociaal-Cultureel Werk van het Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media) • Voor hij naar de administratie kwam, stond hij even in het onderwijs en was hij onderzoeker aan het Sociologisch Onderzoeksinstituut van de KU Leuven • 1976: begin op het ministerie voor Nationale Opvoeding en Nederlandse Cultuur, verantwoordelijk voor sociaal-cultureel volwassenenwerk • Daarna verantwoordelijk voor openbare bibliotheken en lokaal cultuurbeleid om dan af te sluiten bij de afdeling Volksontwikkeling en Lokaal Cultuurbeleid

26

I

2015

Vragen of reacties? joris@fov.be

ullie zien ons soms “ Jnog als degenen

die jullie op de vingers kijken, terwijl jullie ons moeten beschouwen als partners


PRO/CONTRA

GEMEENSCHAPS­DIENST IN ANDERE EUROPESE LANDEN BESTAAT HET AL LANGER, IN BELGIË PRIJKT HET SINDS VORIG JAAR IN HET VLAAMSE EN HET FEDERALE REGEERAKKOORD: DE GEMEENSCHAPSDIENST. WIE LANGER DAN TWEE JAAR WERK ZOEKT OF EEN LEEFLOON HEEFT, MOET ONBETAALD AAN DE SLAG VOOR DE GEMEENSCHAP. MAAR WAARVOOR DIENT DIE GEMEENSCHAPSDIENST EIGENLIJK? OM MENSEN AAN HET WERK TE ZETTEN? WERKONWILLIGHEID AF TE STRAFFEN? MENSEN MAATSCHAPPELIJK TE INTEGREREN EN EMPOWEREN? OF DOMWEG OM TE BESPAREN DOOR GOEDKOPE ARBEIDS­ KRACHTEN AAN HET WERK TE ZETTEN? OF DIT ALLES? EN BESMET DEZE GEMEENSCHAPSDIENST HET ECHTE VRIJWILLIGERSWERK NIET?

I

2015 27


IEDEREEN WINT BIJ GEMEENSCHAPSDIENST PATRICK DE SMEDT voorzitter OCMW Opwijk (N-VA)

O

pwijk is in april 2015 officieel gestart met gemeenschapswerk op vrijwillige basis. Waarom? Een van de belangrijkste doelstellingen van het OCMW is ervoor zorgen dat mensen zonder baan, mensen met een sociale uitkering, (opnieuw) werk vinden op de reguliere arbeidsmarkt. Met het OCMW van Opwijk hebben we hiervoor al veel inspanningen gedaan. We hebben op dit moment twee opleidingsprogramma’s: het leerwerkproject ’t Kapstoksken – een tweedehands-kledingwinkel – en een tewerkstellingscel waar mensen, onder begeleiding van een werkleider, (technische) vaardigheden leren, van verbouwing en onderhoud van gebouwen tot tuinonderhoud. Op die manier zetten we continu 12 tot 14 mensen ‘voltijds’ aan het werk. De bedoeling is deze mensen na (of tijdens) hun opleiding, die gemiddeld 1 jaar duurt, aan een baan op de reguliere arbeidsmarkt te helpen. Iets wat aardig gelukt is de voorbije jaren. Ruim een derde van hen vond na die opleiding werk. Het aantal leefloners in onze gemeente is onder andere door deze maatregel spectaculair gedaald, van 72 naar 36, terwijl de nationale trend stijgende is. Naast deze groep met een uitkering die een opleiding volgt, zijn er nog twee groepen. Er is een kleinere groep mensen die wellicht nooit zal werken om psychische en/of fysieke redenen. Een derde groep mensen heeft het potentieel om op termijn voltijds aan de slag te gaan, maar is er nu niet klaar voor. Voor deze laatste groep hebben we het gemeenschapswerk ingevoerd. Dit gemeenschapswerk kan een noodzakelijke tussenstap/opstap zijn naar een baan. Daarom wordt het ook niet voltijds, maar op 4 halve of 2 volle dagen per week uitgevoerd.

28

I

2015

De bedoeling is om deze mensen opnieuw structuur en werkhouding bij te brengen. Bovenop hun maandelijkse sociale uitkering krijgen ze een kleine dagvergoeding. Ze gaan aan de slag in bepaalde diensten, steeds onder begeleiding en toezicht, en in dezelfde werkkleding als de andere personeelsleden. Sinds april voeren in Opwijk 7 mensen gemeenschapswerk uit, van wie 3 in de tewerkstellingscel, 2 in het woonzorgcentrum, meer bepaald in de keuken en op de strijkafdeling, 1 in de groendienst van de gemeente en 1 in de buitenschoolse kinderopvang. Potentiële gemeenschapswerkers werden vooraf gepolst naar hun bereidheid om dit gemeenschapswerk te doen. Enkel wie interesse toonde, is begonnen op 24 april. Wie niet wilde, behield gewoon zijn sociale uitkering. Na twee maanden hebben we de 7 gemeenschapswerkers uitgenodigd voor een evaluatiegesprek. Het resultaat was verbluffend! In die twee maanden hadden ze een ware gedaanteverandering ondergaan. Waren ze in april nog schuchter en onzeker, dan blaken ze nu van (zelf )vertrouwen. Ze voelen zich opnieuw ‘iemand’ die iets betekent voor de maatschappij. Ze hebben opnieuw toekomstperspectieven. Dit stemt ons hoopvol. De kans is reëel dat meerderen van hen op termijn opnieuw voltijds aan de slag kunnen gaan, hetzij in een leerwerkproject hetzij op de reguliere arbeidsmarkt. Op basis van deze eerste positieve ervaringen willen we dit initiatief uitbreiden. Dit is geen manier om goedkope arbeidskrachten te ronselen, zoals tegenstanders van dit initiatief beweren. Integendeel, de ganse organisatie moet er veel tijd en energie in investeren. Toch vinden we het de moeite waard om hier mee door te gaan, want iedereen wint erbij.


‘VERPLICHT VRIJWILLIGERS­WERK’ IS EEN CONTRADICTIO IN TERMINIS CARMEN MATHIJSSEN LES Laboratorium voor Educatie en Samenleving KU Leuven

W

at is het verschil tussen verplicht vrijwilligerswerk en een alternatieve straf? Voor bijvoorbeeld snelheidsovertredingen of vandalisme kan een rechter een werkstraf van 20 tot 300 uren voorstellen. De veroordeelden moeten aan de slag in openbare diensten, vzw’s of stichtingen, voor onderhoud, milieubeheer, administratief werk, hulp aan personen met een handicap of ouderen, onthaal… Dezelfde taken die vallen onder verplicht vrijwilligerswerk. Is dit verplicht vrijwilligerswerk dan als een taakstraf voor het ‘misdrijf’ van werkloosheid, een straf, bovendien, van onbepaalde duur? Kijken we zo negatief naar werklozen? Dat is toch een brug te ver? Er wordt zo gesuggereerd dat leefloners willen profiteren. Nochtans zijn er onder hen heel wat mensen die ziek zijn, een handicap hebben, dakloos zijn, analfabeet zijn. Het is geen kwestie van ‘niet willen’, maar van ‘niet kunnen’. Ik het eens met het Netwerk Tegen Armoede dat onbetaalde arbeid voor leefloners kortzichtig en onrechtvaardig is. Het is bovendien verleidelijk om vrijwilligerswerk te zien als een goedkoper alternatief voor betaalde arbeid. Uiteraard is vrijwilligerswerk op zich positief, zinvol en waardevol voor mensen in armoede en andere kwetsbare groepen. Indien het echt vrijwillig is. Kwetsbare mensen kunnen via vrijwilligerswerk volwaardig bijdragen aan de samenleving. Ze kunnen hun competenties ontdekken en versterken. Het kan hun zelfvertrouwen een boost geven. Deze effecten van vrijwilligerswerk kunnen soms de drempel tot de arbeidsmarkt verlagen. Dat is echter een ‘neveneffect’. Het doel van vrijwilligerswerk is participatie aan de samenleving. Het mag niet versmald worden tot een instrument in dienst van de arbeidsmarkt.

Begrijp me niet verkeerd. Ik ben niet anti-activering. Mensen die willen werken, hebben recht op activering en opleiding. Maar ‘recht op werk’ is niet hetzelfde als verplicht een baan moeten uitoefenen die iemand anders voor jou gekozen heeft. Het moet gaan om haalbare banen met voldoende aandacht voor de kwaliteit van de arbeid. Waarom wordt zo weinig naar de ervaringen van kwetsbare mensen geluisterd in deze vraagstukken? Er is dringend meer vorming nodig over de leefwereld van mensen in armoede. Kwetsbare groepen zijn overigens niet alleen op de arbeidsmarkt maar ook in het vrijwilligerswerk ondervertegenwoordigd. Stimuleren is dus zeker nodig. Maar er is een groot verschil tussen ‘aanklampend werken’ en ‘verplichten’. Sociale werkers leggen zich vaak niet neer bij de eerste ‘neen’ van de cliënt. Ze proberen uit te dagen en samen op zoek te gaan naar een gepaste en gewenste activiteit. Bij verplichte trajecten ontbreekt dat ‘samen zoeken’ en hangt de dreiging van sancties in de lucht. Er is een tegengewicht nodig voor het eenzijdige activeringsbeleid waaraan ook het vrijwilligerswerk onderhevig is. Wat is dan wel een veelbelovende manier om (samen!) aan de slag te gaan? Weil, Wildemeersch & Jansen (2005) beschrijven ‘connective inquiry’, waar sociaal werkers en cliënten samen zoeken bij de definitie van het probleem, formulering van doelstellingen en het uitwerken van trajecten, dit alles in dialoog. We blijven hoopvol, en met ons het Vlaams Steunpunt Vrijwilligerswerk dat met de recente brochure ‘Respectvol vrijwilligen: Positief omgaan met kwetsbare mensen’ inspirerend leesvoer aflevert.

Vragen of reacties? joris@fov.be

I

2015 29


MIDDENVELD VS. MARKT: DIRK VERBIST (FOV) ONTMOET PIETER TIMMERMANS (VBO)

“We mogen ons niet tegen elkaar laten uitspelen” DE PROFIT-MARKT EN HET SOCIAAL-CULTUREEL WERK WORDEN NOG VAAK GEZIEN ALS ELKAARS TEGENPOLEN. BLOEIT DE EEN, DAN BLOEDT DE ANDER. MAAR BRENG PIETER TIMMERMANS, TOPMAN VAN HET VERBOND VAN BELGISCHE ONDERNEMINGEN (VBO), SAMEN MET DIRK VERBIST, DIRECTEUR VAN DE FOV, EN ER BLIJKEN MEER GEMEENSCHAPPELIJKE BELANGEN TE ZIJN DAN HET CLICHÉ WIL.

30

I

2015


I

2015 31


HET IS MET EEN MENGELING VAN MISPRIJZEN EN BEWONDERING DAT VELEN IN DE NON-PROFITSECTOR KIJKEN NAAR HET BEDRIJFSLEVEN. DE DYNAMIEK VAN HET ONDERNEMERS­ MODEL PRIKKELT IN TIJDEN WAARIN OVERHEDEN STEEDS HARD­NEKKIGER DE KNIP OP DE BEURS HOUDEN. IS HET MARKT­MODEL ER ÉÉN WAAR HET SOCIAAL-CULTUREEL WERK ZICH VER VAN MOET HOUDEN? OF MOETEN WE HET NET OMARMEN? ZIJN WE GEDOEMD OM HET BEDRIJFSLEVEN TE ZIEN ALS AARTSVIJAND? OF ZIJN WE IN DEZE BRAVE NEW WORLD P ­ ARTNERS, TUSSEN WIE ER OOK VERBINDINGEN ZIJN?

WIE IS PIETER TIMMERMANS? • Geboren in Ninove (1964), vader van twee • Handelsingenieur, specialisatie Financiewezen; Master of Public Administration • 1986-1987: assistent aan het Departement Toegepaste Economische Wetenschappen, KU Leuven • 1989-1990: lid van de studiedienst van het ministerie van Economische Zaken • 1990-1992: adviseur van Financiën bij de Studiedienst van het ministerie van Financiën • 1993-1998: sociaal-economisch adviseur van Federaal Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting • 1998-2012: directeur-generaal Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) • Huidig: gedelegeerd bestuurder Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO)

32

I

2015

PIETER TIMMERMANS:  Ik zie ook wel dat er maatschappelijke behoeften zijn, behoeften die iedereen evident vindt. Maar hoe realiseer je die? Je kunt geen sociaal paradijs bouwen op een economisch kerkhof. In de 20ste eeuw was er het gevoel dat economisch draagvlak en sociale inspanningen samengingen, maar in de 21ste eeuw geldt dat niet meer. Dat lijkt niet overal doorgedrongen. Soms heb ik het gevoel dat verwacht wordt, bijvoorbeeld in het sociaal overleg, dat als er maatregelen komen om ondernemers te ondersteunen, er ook iets moet gebeuren voor de sociale uitkeringen. Terwijl je eerst het economisch draagvlak moet versterken, dan kan vervolgens het sociaal model geschraagd worden. Maar het engagement voor dit laatste moet er wel zijn. En dat is de vrees: dat we het eerste doen, maar dat het tweede niet volgt.

DIRK VERBIST:  Ik geloof niet in dat wafelijzerdenken dat u aan-

haalt, ik geloof wel dat een samenleving maar vooruit kan als beide benaderingen samenlopen. De wereld verandert snel. Ik zie hoe mensen elkaar nodig hebben om mee te zijn, en hoe je vanuit die verbindingen creativiteit en maatschappelijke innovatie kunt uitlokken. Zorgen voor sociale cohesie in een stad bijvoorbeeld, door te investeren in stadsontwikkeling, zwengelt de economische activiteit aan en vice versa. Waarom worden die twee benaderingen tegenover elkaar gezet, terwijl dat in de realiteit niet zo is?

” “Bij ondernemers leeft toch het gevoel dat er veel aandacht is voor de non-profitsector en nog altijd te PIETER TIMMERMANS: 

weinig voor de motor die alles doet draaien. Het geld, ook voor het non-profitantwoord op maatschappelijke behoeften, moet van ergens komen. Wij hebben geen gigantische oliereserve


PIETER TIMMERMANS: “BIJ ONDERNEMERS LEEFT HET GEVOEL DAT ER VEEL AANDACHT IS VOOR NON-PROFIT EN TE WEINIG VOOR DE MOTOR DIE ALLES DOET DRAAIEN. HET GELD, OOK VOOR HET NON-PROFITANTWOORD OP MAATSCHAPPELIJKE BEHOEFTEN, MOET VAN ERGENS KOMEN.”

voor onze kust, waarmee we de demografische schok van de vergrijzing kunnen opvangen, zoals Noorwegen dat doet. Als de economische basis niet sterk genoeg is, dan komt dat waardevol maatschappelijk werk onder druk te staan.

“ dat er meer aandacht is voor de ander. Maar herkent u dat DIRK VERBIST: Dat hebben we dan gemeenschappelijk, het idee

gevoel, dat ondernemerszin in de brede zin wordt uitgelokt door een bepaald klimaat van engagement?

PIETER TIMMERMANS:  Veel ondernemers willen sociale onder-

nemers zijn. Ze staan zeker open voor de ondersteuning van sociale projecten. Ze zien ook iets in dat deel van de economie en willen daarin ook ondernemen, maar het is jammer dat ze daarmee al snel in het hokje van de privatisering geduwd worden. Er moet meer openheid komen zodat die twee werelden elkaar meer vinden. Nu worden we tegen elkaar uitgespeeld.

DIRK VERBIST: Ik zie in de praktijk steeds meer wisselwerking.

Over de manier waarop die vorm moet krijgen – privaat, publiek of een tussenvorm – leven heel verscheiden meningen in het sociaal-cultureel werk. Betekent winst voor ondernemers iets anders dan voor sociaal-cultureel werkers?

PIETER TIMMERMANS:  Winst in de zin van de bottom line, van

de harde euro’s en alleen de euro’s, dat is een model van de vorige eeuw. Winst maken is uiteraard belangrijk, want de winst van vandaag zijn de investeringen van morgen en de banen van overmorgen en de koopkracht van de dag nadien. Maar je merkt dat winst vandaag niet meer alles is voor ondernemers. Je ziet dat bedrijven die ook andere factoren, zoals milieu,

mee in rekening brengen duurzamer en stabieler zijn op de middellange en de lange termijn en gemakkelijker overleven. Je merkt dat ook in de figuur van de CEO. De PDG, de président-directeur géneral, heeft afgedaan. Het gaat om teamspirit en samenwerking.

DIRK VERBIST: We hebben managers in de profitsector gevraagd

naar wat hen het meest geholpen heeft om te leren leiding te geven, de neuzen in dezelfde richting te krijgen, bepaalde waarden uit te stralen, en de meerderheid zei: in een jeugdvereniging of een sociaal-culturele organisatie. (H)Erkent u de waarde van het sociaal-cultureel werk als kweekschool voor goede managers?

” “Absoluut. Je kunt dat leren. Maar het zit toch ook in de genen. Je hebt altijd mensen die de kar willen PIETER TIMMERMANS: 

trekken, en mensen die op de kar willen zitten. Er zijn veel managers die zich naast hun werk nog inzetten voor sociaal-­ culturele goede doelen. In de Verenigde Staten pakken ze daarmee uit, hier blijft dat vaak onder de waterlijn.

DIRK VERBIST: Subsidies heten weggegooid geld te zijn. Geld

voor infrastructuurwerken, ondernemingssteun of intrestaftrek heet investeringssteun. Ook in de politieke retoriek wordt investeren vaak gezien als zuurstof geven aan ondernemingen, terwijl rond subsidies een waas van dankbaarheid hangt. In beide gevallen gaat het toch om belastinggeld? Het gaat om manieren waarop een overheid belastinggeld inzet om dingen mogelijk te maken die ze belangrijk vindt. Waarom spreekt de overheid niet over zuurstof voor ondernemingen én ondernemende organisaties?

I

2015 33


DIRK VERBIST: “WE ZOUDEN ELKAAR KUNNEN INSPIREREN. JE ZIET HOE NU AL ROND BEPAALDE THEMA’S GEMAKKELIJKER VERBINDING TOT STAND KOMT TUSSEN DE EXPERTISE UIT ONZE SECTOR EN HET BEDRIJFSLEVEN, HOE ZE PROBEREN OPLOSSINGSGERICHT SAMEN TE WERKEN.”

PIETER TIMMERMANS:  Vanuit dat oogpunt wel. Subsidie, dat roept

bij mij het idee op van ondersteunen en vergemakkelijken. Bij investering denk ik aan groei, vooruitgang. Investeren is dingen doen om vooruit te gaan met het oog op de toekomst. Een subsidie geef je aan iets wat bestaat, iets wat we waardevol vinden, zeker, maar het blijft wat het is. En dat kan je maar geven met een economisch draagvlak dat sterk genoeg is.

DIRK VERBIST: Geen enkele organisatie krijgt subsidies om te

blijven doen wat ze doet. Bij de grote verenigingen uit het sociaal-cultureel werk komt bovendien slechts 36% van de middelen uit subsidies, de rest genereren ze op eigen kracht. Per voltijdse werknemer in het sociaal-cultureel werk zijn er 150 vrijwilligers die gratis hun tijd inzetten. OKRA alleen al laat elke dag 7 bussen met senioren rondrijden. Beeldt u zich even in wat dat genereert aan omzet door toerisme, door horecabezoek?

PIETER TIMMERMANS:  En wie betaalt dat? Wie betaalt de

pensioenen waarmee de senioren dat bekostigen? De economie maakt dat mogelijk. De vereniging is de tussenschakel die het ver­zamelt.

DIRK VERBIST: OKRA kan zeven bussen per dag laten rondrijden

omdat daar een hoop vrijwilligers rondomheen draaien, die dat soort activiteiten mogelijk maken. En dat met een beperkte ondersteuning. Per uur inzet van sociaal-cultureel werk betaalt de overheid 1,4 euro. Een pint dus. Professionele structuren zijn de dragers van die 200.000 vrijwilligers, zodat ook mensen met een klein pensioen een betaalbare uitstap kunnen doen. Die twee zijn onlosmakelijk verbonden: zonder de professionals 34

I

2015

die hen ondersteunen, is het vrijwilligersfalen erg hoog. Kijk, we weten dat de middelen beperkt zijn. De FOV vindt dat de overheid meer moet investeren in sociaal-cultureel werk, het VBO is van mening dat de schaarse middelen naar onder­nemers moeten gaan.

PIETER TIMMERMANS:  De tax shift is voor mij een verhaal van hoe

we er voor kunnen zorgen dat meer outsiders insiders worden. Hoe kunnen we er voor zorgen dat meer mensen een baan vinden zodat ze niet alleen zelf een inkomen verwerven maar ook weer in een kader werken en sociale contacten hebben met collega’s? In de huidige omstandigheden lukt dat volgens ons het best door de kosten te verminderen en pas in tweede instantie aan koopkracht te werken en niet omgekeerd.

DIRK VERBIST: Er is nu een hype rond alles wat te maken heeft

met de deeleconomie. Wist u dat die trend vijftien jaar geleden begonnen is in onze sector? Hoeveel initiatieven die rond dit thema of andere thema’s ontstaan zijn in onze sector, zijn nadien niet overgenomen door de markt? De betrokkenheid van burgers en de vernieuwende antwoorden die ze via sociaal-culturele organisaties geformuleerd hebben op nieuwe vraagstukken, hebben ook het maatschappelijk verantwoord ondernemen beïnvloed. Mensen gingen zich uiten als consumenten en hebben zo de keuze van bedrijven voor duurzaam ondernemen gestimuleerd. Het sociaal-cultureel werk heeft dat overheidsgeld nodig om die hefboomfunctie te kunnen vervullen en te kunnen experimenteren.


IN HET DIEPST VAN HUN GEDACHTEN… ASTROFYSICUS EN BAAS VAN DE WERELD Wat wilde u worden toen u klein was?

PIETER TIMMERMANS:  Astrofysicus. Ik heb een diepe interesse

voor alles wat te maken heeft met wetenschap. Zwarte gaten, het ontstaan van het heelal, ik snap dat nog altijd niet, maar als ik er ergens een bericht over zie, moet ik het gelezen hebben. DIRK VERBIST:  ’Baas van de wereld’ was het eerst. Toen ik wat realiteitszin kreeg, trok het onderwijs me aan, maar ik was toch ook een van de weinige twaalfjarigen die naar Confrontatie (verre voorganger van De Zevende Dag, red.) op tv keek en spreekbeurten hield over politiek. Dus de vraag wie op welke manier invloed heeft op de samenleving, heeft me altijd wel geïntrigeerd.

Wat zou u doen als u de Lotto wint?

PIETER TIMMERMANS:  Hetzelfde als vandaag. Ik ben een han-

PIETER TIMMERMANS:  Het VBO is vooral gekend als sociale part­

ner en dat zijn we ook. Dat zit in ons dna. Maar we zijn nu al enkele jaren een pijler aan het ontwikkelen die te maken heeft met de maatschappelijke ontwikkelingen waar ondernemers moeten op inspelen de komende tien tot vijftien jaar, bijvoorbeeld energie-efficiëntie en de circulaire economie. We willen die vraagstukken in kaart brengen en ondernemers helpen daar mee om te gaan en sensibiliseren.

DIRK VERBIST: De experts rond die materies zitten bij ons.

We zouden elkaar kunnen inspireren. Je ziet hoe nu al rond bepaalde thema’s gemakkelijker verbinding tot stand komt tussen de expertise uit onze sector en het bedrijfsleven, hoe ze proberen oplossingsgericht samen te werken. Dit leidt ook tot spin-offs van onze sector die helemaal niet gesubsidieerd worden. Dit model, waarbij burgers via sociaal-culturele organisaties – ook met overheidsmiddelen – en ondernemers samenwerken en elkaar ondersteunen is voor de samenleving interessanter dan het mecenaatsmodel.

“ tussen onze sectoren. Onze bottom line blijft echter wel: vanuit PIETER TIMMERMANS:  Op dat punt zijn er zeker raakvlakken

profit middelen vrijmaken om andere maatschappelijk nood­ zakelijke ontwikkelingen, bijvoorbeeld op het vlak van duurzame ontwikkeling, te faciliteren.

Vragen of reacties? dirk@fov.be of liesbeth@fov.be

delsingenieur, specialisatie beurs en financiewezen. Als je op de beurs actief bent, dan doe je dat als gewone belegger alleen met geld dat je kunt verliezen zonder er onder te lijden. Dus, als ik de Lotto win, dan zet ik dat gewoon opzij en doe ik alsof het niet bestaat. Dan integreert dat geld zich na verloop van tijd in je leven. DIRK VERBIST:  Tijd voor mezelf kopen. Het gevoel hebben toch net iets meer te kunnen beslissen over mijn eigen tijd. Maar in de praktijk zal het waarschijnlijk toch neerkomen op min of meer hetzelfde doen (lacht).

Welk bedrijf of welke vereniging zou nog moeten uitgevonden worden?

PIETER TIMMERMANS:  Elk bedrijf of elke organisatie heeft

vandaag een officieel, fysiek adres, waar je documenten heen kunt sturen en waarvan je zeker bent dat die papieren daar ook aankomen. Wil je je ergens vestigen, dan bestaat daar een procedure voor. In de digitale economie heeft iedereen ook een elektronisch adres nodig. Maar ook voor die elektronische adressen hebben we een vorm van authenticatie nodig. Een garantie dat wanneer je iets naar dat emailadres stuurt, het er ook is aangekomen. Zo een instantie die het emailadres van een bedrijf kan certificeren, ontbreekt nog. DIRK VERBIST:  Een collateral damage sweeper. Bijna de helft van alle vragen waar vrijwillige lokale bestuursleden van verenigingen mee zitten heeft te maken met goedbedoelde regelgeving met perverse effecten. Je kunt er de regelgever moeilijk van overtuigen dat zijn goede maatregel onbedoeld collateral damage, zoals een gigantische papierwinkel, veroorzaakt. Maar er kan daar, onder andere via digitalisering, op een veel innovatievere en verstandigere manier mee omgegaan worden dan vandaag het geval is.

I

2015 35


Hét toekomstige model om als overheid maatschappelijke inspraak te organiseren tekent zich op dit moment nog niet duidelijk af. De nieuwe vormen van burgerparticipatie zijn veelbelovend maar nog in de experimentele fase. En de oude vormen van georganiseerd overleg via vertegenwoordiging vanuit het middenveld lijden aan een aantal kwaaltjes. We moeten echter niet kiezen tussen modellen, zoals sommigen ons voorhouden dat het ene model het andere kan vervangen. De manier waarop we in de toekomst onze democratie zullen organiseren zal inderdaad anders zijn, maar verwacht geen revoluties. Het model van de toekomst zal zich geleidelijk en continu ontwikkelen op de potgrond van bestaande systemen en modellen (georganiseerd overleg), aangevuld met nieuwere inzichten rond burgerbetrokkenheid (inspraak van individuele burgers). En dat is goed, omdat beide modellen hun merites hebben.

BRAM VERSCHUERE (UGENT), DOCENT OVERHEIDSMANAGEMENT, 6 MAART 2015, KNACK.BE

Een belangrijke vaststelling uit ons onderzoek is dat [sociaal-culturele] groepen vooral bezig willen zijn met hun kerntaak, met name zinvol verenigen. Van ondersteuning verwachten ze in de eerste plaats om gevrijwaard te worden van de toenemende druk van randvoorwaarden. Vooral de groeiende administratieve, procedurele, juridische rompslomp leidt tot ergernis.

ELKE PLOVIE EN JORIS PIOT, ONDERZOEKERS BIJ CIVITAZ EN DOCENTEN AAN DE UCLL, IN DE GIDS, MEI 2015.

Bij de meeste kabinetsformaties is er wel een passage over milieu, zorg en andere welvaartsbegrippen. Alleen verdwijnen die als het weer gaat over de harde cijfers over economische groei, koopkracht en werkgelegenheid. Terwijl het juist zou moeten gaan over bijvoorbeeld duurzaamheid, sociale cohesie, zorg en onderwijs. Dat is onze toekomst. Niet die ene tiende procentpunt economische groei. Veel gaat nogal altijd op dezelfde manier, zoals het maken van economische groeiramingen. Denk aan ‘economisme’, de neiging om alles te reduceren tot economische groeicijfers. Toch is er ook een onderstroom van mensen die het anders willen.

HANS STEGEMAN, HOOFD SPECIALE PROJECTEN BIJ RABOBANK, IN DE NEDERLANDSE KRANT TROUW, 12 JUNI 2015

36

I

2015


We tellen in ons land meer dan 100 000 vzw’s en niet minder dan 1 miljoen vrijwilligers. Die vrijwilligers houden dat allemaal draaiende met veel energie en toewijding, gemiddeld 4 uur per week. Het sociale weefsel dat al die verenigingen vormen, is van bijzonder groot belang voor onze maatschappij, ook voor onze economie. Maar naast economische steunmaatregelen en economische innovatie, zijn ook specifieke maatregelen en stimulansen nodig voor de vzw’s, sociale ondernemers en verenigingen. Willen we in ons land ten volle inzetten op maatschappelijke innovatie, willen we onze sterke vrijwilligers-en verenigingencultuur koesteren, willen we de vzw’s niet nog meer onder druk zetten, dan hebben de socio-culturele organisaties, de sportclubs, de jeugdverenigingen, toneel­ verenigingen, de sociale ondernemers en dies meer, dringend nood aan een ­coördinerende minister van vzw’s.

PATRICK DEVELTERE, VOORZITTER ACW, PERSBERICHT BEWEGING.NET, 13 MEI 2015

Ook vandaag worden we ontmoedigd om te dromen en te geloven dat het beter of anders kan. ‘Er is geen alternatief’, klinkt het. Ik wil mensen net het gevoel geven van: ‘We kunnen het allemaal!’ Misschien ga je het resultaat van datgene waar je mee bezig bent niet merken, maar je moet het ook niet onmiddellijk groots zien. Als je alleen naar het grote doel in de verte kijkt, dan kan je niet anders dan ontgoocheld afhaken. Iets doen is belangrijker dan niets proberen. Hoe klein die daden ook zijn.

TINE HENS, AUTEUR VAN HET KLEIN VERZET, IN DE WERELD MORGEN, 20 MEI 2015

Representativiteit blijft belangrijk. Alleen zal het parlement dat nooit meer kunnen bieden: het wordt nooit meer een afspiegeling van de samenleving. Daarvoor is de maatschappij te divers geworden en evolueert ze te snel. Ik broed zelf op het idee van een netwerk van representatieve organen, van knooppunten die zo representatief mogelijk zijn, van buurtcomités tot vakbonden. Zo ontstaat er behoefte aan een nieuw politiek ‘beroep’: een soort netwerkbeheerder die het verkeer tussen al die netwerken en de gezamenlijke zoektocht naar het algemeen belang faciliteert.

POLITICOLOGE CHANTAL MOUFFE IN TERTIO, 10 DECEMBER 2014

I

2015 37


Democratie is het spel van het getal BETOGEN IS EEN MENSENRECHT DAT HET MIDDENVELD MET VERVE UITOEFENT WANNEER HET BELEIDSMAKERS BIJ DE LES WIL HOUDEN. MAAR HOE EFFICIテ起T IS HET ALS MIDDEL OM EISEN AF TE DWINGEN VANDAAG DE DAG? EN IS DE PUBLIEKE RUIMTE NOG TOEGANKELIJK GENOEG VOOR AL DAT DEMOCRATISCHE GEWELD?

38

I

2015


IN BRUSSEL GAAT ER GEEN DAG VOORBIJ ZONDER BETOGING, SOMS MASSAMANIFESTATIES LANGS DE TRADITIONELE NOORDZUID-AS, VAKER KLEINE SAMENSCHOLINGEN AAN AMBASSADES OF PARTIJHOOFDKWARTIEREN. RUUD WOUTERS VAN DE ONDERZOEKSGROEP MEDIA, MIDDENVELD & POLITIEK VAN DE UNIVERSITEIT ANTWERPEN DOET ONDERZOEK NAAR PROTESTPARTICIPATIE EN MEDIABERICHTGEVING OVER SOCIALE BEWEGINGEN. HIJ ONDERZOCHT BETOGINGEN IN BRUSSEL TUSSEN 2001 EN 2010.

D

at onze (politieke) hoofdstad jaarlijks niet minder dan 800 manifestaties door haar straten ziet trekken, is dat een teken dat onze democratie springlevend is? “Toch wel,” zegt Wouters. “Betogen is een van de mogelijkheden voor burgers om hun stem te laten horen.” In het stemhokje geven ze ook een signaal, maar politici moeten het zelf interpreteren. “Betogen is een aanvullend democratisch signaal.” Het is informatierijker, “omdat het een aantal kenmerken communiceert”: hoe belangrijk mensen iets vinden, hoe sterk een thema leeft, welke slagzinnen ze meedragen. Heeft alleen de mobilisatiemachine van de vakbonden gewerkt of is er een diverse opkomst? 20.000 mensen uit alle geledingen van de samenleving die op een stormachtige zondag een zondvloed trotseren of 20.000 vakbondsleden op een zonnige lentedag?

SPANKRACHT VERGROTEN Goed, maar als er elke dag betogingen door de straten hossen, hoe efficiënt is dat signaal dan nog? “Als er heel vaak betoogd wordt, dan kan dat vooral voor individuele betogingen nefast zijn,” zegt Wouters. “Er dreigt een stortvloed aan informatie die een beweging vleugellam kan maken.” Er is nog een nadeel aan te veel betogingen op eenzelfde moment. Bewegingen hebben betogingen nodig om de spankracht en de reikwijdte van een conflict te verbreden. “Maar dit lukt niet als ze geen media-aandacht genereren. In Brussel zijn er dagelijks zo’n 30 betogingen. Andere manifestaties zijn dus directe concurrenten voor de aandacht van de media.” Heeft betogen buiten de schijnwerpers van de nieuws­ ploegen eigenlijk zin? “Dat hangt ervan af,” meent Wouters. Met een betoging kan een beweging in eerste instantie de gezamenlijke identiteit van de achterban willen cementeren. “De indignados-beweging in Spanje hanteerde de strategie van de many mini’s. Ze hielden heel veel kleine betogingen om op die manier van onderuit de beweging vorm te geven, mensen te scholen in de leer van de indignados en de toewijding aan hun zaak te versterken. Maar als het de bedoeling is om beleidsmakers en de bredere publieke opinie te beïnvloeden en het protest aan te zwengelen, dan zijn de media onmisbaar.”

I

2015 39


APPLAUS VOOR CAÏRO Belgische media berichten – kreten van verontwaardiging van manifestanten ten spijt – relatief sober en correct over betogingen, stelde Wouters in zijn onderzoek vast. “Zeker in vergelijking met andere landen. Er is een focus op inhoud. Zodra er rellen aan te pas komen, groeit het aandeel in de berichtgeving van de incidenten, maar ook dan is er nog aandacht voor de inhoudelijke eisen.” De publieke omroep besteedt meer aandacht aan betogingen dan de commerciële. Bij de commerciële omroep valt ook gemakkelijker te voorspellen welke betoging aandacht zal krijgen: hoe hoger de ‘spektakelwaarde’ hoe groter de kans. De tolerantiedrempel van de samenleving voor betogingen is hoog, stelt Ruud Wouters vast. Al is de voorwaarde wel dat het protest vreedzaam verloopt en dat de manifestanten niet de gevestigde orde willen omverwerpen. Hoe meer rellen en hoe groter schade, hoe sneller die tolerantie een duik neemt. Bovendien blijkt het enthousiasme voor betogingen toch nog altijd groter te zijn als die in een ver buitenland plaatsvinden: we juichen sneller voor de manifestaties op Maidan in Kiev of Tahrir in Caïro, dan voor die van de boeren in Brussel – ook al omdat we daar, als pendelaars of inwoners, misschien meer hinder van kunnen ondervinden.

40

I

2015

TUSSENTIJDSE SIGNALEN Zijn de machthebbers even tolerant voor betogingen als de samenleving dat is? Naar aanleiding van de betogingen en stakingen vorig najaar en dit voorjaar tegen het aangekondigde beleid van de Vlaamse en federale overheid, trok een aantal politici de legitimiteit van deze vormen van collectieve actie in twijfel. De burger had toch in het stemhokje laten weten welk beleid hij wilde, wat viel daar nog tegenin te brengen? “Politici in de meerderheid hebben altijd minder geduld met betogingen, omdat die vaak het concrete beleid aanvallen,” zegt Wouters. “Ze zijn daarom niet geneigd om snel toe te geven. Er zijn bovendien politici die democratie eng interpreteren, als één keer om de vier jaar een bolletje kleuren. Maar je hebt daarnaast ook politici die dat breder opvatten en die ook tussentijds signalen willen opvangen van wat er goed en slecht gaat in de samenleving.”

PUBLIEKE RUIMTE BEPERKT? Zijn diezelfde politici geneigd, meer dan vroeger, om de toegang tot de publieke ruimte voor betogingen te beperken? Om te zwaaien met GAS-boetes? Bij een betoging dit voorjaar verbood de Antwerpse burgemeester Bart De Wever “provocerende slagzinnen” in de manifestatie – een verbod dat hij overigens nadien weer liet intrekken.


“Stadsbesturen kunnen voorwaarden opleggen,” zegt Wouters. “Betogers moeten bijvoorbeeld ook toestemming vragen om een megafoon te gebruiken. Maar wat ze door die megafoon roepen lijkt me toch vooral te behoren tot de vrijheid van meningsuiting.” Nog in Antwerpen greep de politie meteen kordaat in bij een sit-in, onder leiding van Dyab Abou JahJah, tegen uitspraken van diezelfde burgemeester De Wever over Berbers. Is er een trend om de toegang tot de publieke ruimte te beperken voor geplande of spontane protesten? “Daar is geen systematisch onderzoek naar verricht,” zegt Wouters. “Of dat structureel is, zou moeten worden nagegaan.” “We zagen in het onderzoek voor Brussel wel dat daar zo goed als nooit een betoging geweigerd wordt. In tegenstelling tot de algemeen heersende indruk zijn betogingen een soort van coproducties, waarbij politie en organisatie afspraken maken over het parcours, over de eigen beveiliging door de organisatoren en zo meer.” Hoe dan ook, de betoging is als democratisch actiemiddel verre van achterhaald. “Democratie is a numbers game.” Wie de meeste stemmen haalt, heeft de meeste zitjes. Wie veel mensen op de been kan brengen, telt mee. Betogen blijft een instrument om gehoord te worden.

Vragen of reacties? joris@fov.be

WIE BETOOGT IN BRUSSEL? De betogingen met de grootste impact, al zijn ze niet het frequentst, zijn die van de oude sociale bewegingen, die de oude breuklijnen volgen. Hiervoor wordt gemobiliseerd via de vakbonden. Ze brengen meestal een grote massa op de been. Een op de vijf betogingen is van een nieuwe sociale beweging, zo bleek uit het onderzoek van Wouters. Dit gaat heel breed – van milieu en vrede tot antiracisme. Ze hebben andere mobilisatiekanalen en halen vaak het nieuws omdat ze kiezen voor spectaculaire acties (zie hiernaast). De meeste betogingen in Brussel zijn echter kleine betogingen van een paar honderd mensen van groepen zoals asielzoekers of mensen met een bepaalde nationaliteit die betogen voor de ambassade van hun thuisland. Ze halen amper het nieuws. Ze zijn met weinigen, ze zijn niet goed georganiseerd, hebben geen noemenswaardig netwerk en kaarten buitenlandse problemen aan.

EEN MUISKLIK IS GOEDKOOP De oude sociale beweging rolt met de spierballen met zeer klassieke betogingen van punt A naar punt B. Vakbonden leggen honderden bussen in voor hun leden, smeren duizenden boterhammen en voorzien zelfs in bier voor de dorstige manifestanten. “Nieuwe sociale bewegingen proberen heel innovatief te zijn, eerder via acties dan via betogingen, die ze schoeien op de principes van de media,” zegt Wouters. “Ze hebben namelijk veel checkbook members – leden die een maandelijkse bijdrage geven en vinden dat ze zo hun duit in het zakje doen. Ze springen niet snel op een bus naar Brussel om te betogen. Dus krijg je acties zoals de protesten tegen de behandeling van zogenaamde ‘vijandige strijders’ op de Amerikaanse basis van Guantanamo, met actievoerders in oranje pakken die waterboarding naspelen. “Ze kapen vaak veel media-aandacht weg met dergelijke spectaculaire acties.” Er duiken ook steeds meer spontane vormen van collectieve actie op, zoals Picknick the streets dat in Brussel een ander mobiliteitsbeleid wil afdwingen. Net als een betoging is het een bezetting van de publieke ruimte om een politieke of maatschappelijke boodschap te brengen die gedragen wordt door een groep. “In tegenstelling tot de oude en de nieuwe sociale bewegingen zijn acties als deze erg bottom-up,” zegt Wouters. “Het gaat om gewone mensen die met hun deelname hun mening kracht willen bijzetten. Met de nieuwe communicatietechnologie is het een stuk gemakkelijker om een actie op poten te zetten.” Met een paar klikken heb je een Facebookpagina, die je viraal kan doen gaan. Dat kan uitgroeien tot een grote betoging. Neem bijvoorbeeld, tijdens de lange regeringsvorming van 2010-2011, de SHAME-betoging in Brussel, op initiatief van enkele Gentse studenten. “Zonder middelen, zonder structuur kregen ze bijna 40.000 mensen bijeen in Brussel. Dat was vroeger moeilijker denkbaar.” Maar wat met de impact van dergelijke collectieve actie? “Een ‘like’ op Facebook is nog iets anders dan naar Brussel gaan om daar te tonen dat je het belangrijk vindt.” Of het opvolgen op de langere termijn. “Een muisklik is goedkoop.”

I

2015 41


JAARLIJKS ZETTEN HEEL WAT VRIJWILLIGERS ZICH BELANGELOOS IN VOOR HET SOCIAALCULTUREEL WERK. ZE DOEN DAT MET HEEL HUN HART. ZE BESTEDEN ER TALLOZE UREN AAN, VOOR ZICHZELF EN VOOR ANDEREN. MAAR WAT BLIJKT? JAARLIJKS GAAN HEEL WAT UREN VAN DIE BELANGELOZE INZET VERLOREN AAN PAPERASSEN, FORMULIEREN EN ANDERE ADMINISTRATIEVE OVERLAST. DIE TIJD ZOU JE OOK HEEL ANDERS KUNNEN BESTEDEN.

5,1 MILJOEN UUR... HET SCW TELT ZO’N

200.000 VRIJWILLIGERS

49%

WORDT GECONFRONTEERD MET PAPERASSEN 49%, DAT ZIJN 98.000 VRIJWILLIGERS STEL: EEN VRIJWILLIGER IS GEMIDDELD 1 UUR PER WEEK IN DE WEER MET PAPIERWERK

MET ZIJ ALLEN BESTEDEN ZE DAARAAN DUS MAAR LIEFST

5,1 MILJOEN UUR PER JAAR

EEN OVERHEID DIE GELOOFT IN BETROKKEN BURGERS, WERKT DREMPELS VOOR ORGANISATIES WEG EN MOTIVEERT MENSEN OM ZICH TE ENGAGEREN 42

I

2015


DAARMEE KAN JE…

55.680 VERGADERINGEN VAN

DE COMMISSIE CULTUUR SAMENROEPEN

159.375

SOCIAAL-CULTURELE ORGANISATIES VISITEREN

65 ADMINISTRATIES

SOCIAAL-CULTUREEL WERK EEN JAAR LANG BEMANNEN

127.500 REPAIR CAFÉS ORGANISEREN

M

aar liefst 200.000 vrijwilligers zijn dag in dag uit in de weer voor hun sociaal-culturele vereniging, beweging of instelling. De beslommeringen die er bij komen kijken, nemen ze voor lief. Maar er zijn grenzen, want deze beslommeringen blijven toenemen: formulieren invullen, vergunningen aanvragen om activiteiten te kunnen organiseren, stijgende kosten… Dit alles legt een zware hypotheek op het vrije initiatief. Bovendien gaan vrijwilligers gebukt onder de mogelijke aansprakelijkheid wanneer een initiatief foutloopt. Ook voor professionals is het niet gemakkelijk. De ingewikkelde regels rond cofinanciering en de oneigenlijke interpretatie van het begrip ‘dubbele subsidiëring’ zorgen voor heel wat overlast bij organisaties en voor een versnipperde beleidsvoering. Het decreet Sociaal-cultureel Volwas­ sen­en­werk gaat uit van een duurzame erkenning en subsidiëring van organisaties. Dat geeft meer zekerheid aan de beroepskrachten en vrijwilligers en stelt ze in staat om een duurzaam beleid te voeren. Maar deze ‘erkenning’ wordt niet consequent ingevuld. Zij heeft haast geen gevolgen voor andere erkenningen of vergunningen: telkens opnieuw moeten organisaties zichzelf van nul af aan verantwoorden als ze hiervoor een aanvraag doen. We vragen dat overheden op een doordachte manier snoeien in de wildgroei aan kleine en grote regels. Vereenvoudiging en rationalisering zijn meer dan ooit aan de orde. In onze ambitiebundel ‘Veerkracht’ verzamelden we heel wat ideeën om administratieve overlast aan te pakken. Laat je inspireren op veerkracht.fov.be

212.500 DAGEN ACTIE VOEREN

203.840

ARE VOLKSTUINTJES SAMEN BEWERKEN

I

2015 43


EEN KRATER DIE ALLEEN SAMEN TE DICHTEN VALT 44

I

2015


“WIJ-DENKEN VAN HET MIDDENVELD IS CRUCIAAL” JE KON HET AFGELOPEN JAAR GEEN KRANT OPENSLAAN OF DE PANIEK OM DE VELE MOSLIMJONGEREN DIE VANUIT BELGIË VERTREKKEN NAAR HET KALIFAAT VAN ISLAMITISCHE STAAT (IS) SLOEG JE IN HET GEZICHT. HET WAS ALLE HENS AAN DEK. MAAR HET SOCIAAL-CULTUREEL VOLWASSENENWERK WAS ALS SECTOR NIET UITGENODIGD OP HET DRUKKE OVERLEG. NOCHTANS IS DE EXPERTISE VAN DEZE SECTOR OP HET VLAK VAN EMANCIPATIE EN GEMEENSCHAPS­ VORMING ERG RELEVANT EN BRUIKBAAR VOOR DIT COMPLEXE PROBLEEM. LOKAAL ZIJN ER WEL BESTUREN DIE DE WAARDE VAN HET SOCIAAL-CULTUREEL WERK ERKENNEN EN ER DANKBAAR GEBRUIK VAN MAKEN.

AANTAL JONGEREN DAT NAAR SYRIË GING: 28. TERUGGEKEERD: 8. OVERLEDEN: 5. MAAR VOORAL, AANTAL DAT SINDS JUNI 2014 VERTROK: 0. VILVOORDE MAAKT MET HAAR DERADICALI­ SERINGSAANPAK TOT IN HET WITTE HUIS OPGANG. NAAST HANS BONTE IS JESSIKA SOORS EINDVERANTWOORDELIJKE VOOR HET BELEID VAN DE STAD.

Vilvoorde is een kleine stad. Op 42.000 inwoners hadden we 28 vertrekkers. Elk van die 28 heeft ouders, broers en zussen, vrienden en klasgenoten, leerkrachten. Dat slaat een krater die we weer moeten dichten. Maar door het trauma van die vertrekkende jongeren, de ene na de andere, waren mensen als verlamd. Ze gingen aan hun eigen expertise twijfelen. We willen voorkomen dat jongeren vertrekken door gemeenschappen te versterken. Niet alleen geloofsgemeenschappen, maar ook het middenveld. We spreken bestaande structuren aan vanuit hun expertise en helpen ze na te denken over hun rol. Elke speler heeft zijn eigen expertise en netwerk en draagt dat verder uit. Diezelfde mensen kunnen we dan ook betrekken wanneer er gerichte, individuele interventies nodig zijn. We werken met verschillende doelgroepen. Scholen, in eerste instantie. We doen informatiesessies voor directies van middelbare scholen om het probleem

I

2015 45


te schetsen, te tonen wat we voor hen kunnen doen en te luisteren naar vragen. Met een organisatie als Motief gaven we leerkrachten een aantal handvaten, zodat ze beter voorbereid zijn op bepaalde situaties in de klas en signalen kunnen herkennen. We hebben vormingen voor onze politie. We voeren de dialoog met de moskee. Doorheen al die contacten is er één rode draad: vertrouwen. Vertrouwen opbouwen in hun eigen kunnen, in de stad, in de politie, tussen de verschillende partners. We doen dat door duidelijk te communiceren over ons beleid, door duidelijk te zeggen waarvoor de partners op ons kunnen rekenen, hoe wij met hen kunnen samenwerken, hoe ze onderling kunnen samenwerken. Het is voortdurend zoeken naar een evenwicht, ook al omdat het veiligheidsaspect er als een wolk bovenhangt. Dat maakt bepaalde vormen van samenwerking erg broos. Maar vanuit al die contacten komt een dialoog op gang die ook op andere vlakken kan doorwerken. Zo is een vergadering met enkele jongeren van de moskee uitgegroeid tot overlegmomenten tussen jongeren en politie, onder andere over de frustraties van jongeren over identiteitscontroles. We hebben met de stad nadrukkelijk dit wij-verhaal willen creëren. Het beleidsplan voor deradicalisering heet ‘Integraal plan voor warmte en veiligheid’. Dat zijn voor ons de twee benen waarop ons beleid is gestoeld. We willen een beleid waarin iedereen een plaats kan krijgen en iedereen zich betrokken voelt. Daarin is het middenveld cruciaal, omdat wij-denken daar gebeurt. Radicalisering, op een individueel niveau, gaat bijna altijd gepaard met een vorm van isolement, een proces waarin mensen uitgesloten worden of zichzelf gaan uitsluiten en zo vervreemden van de rest van de samenleving. De enige manier om dat tegen te gaan is het omgekeerde te bewerkstelligen en daarvoor hebben we absoluut het middenveld nodig. Wij proberen dat te ondersteunen. De stad is als een regisseur. We proberen de juiste actoren te identificeren en te betrekken en met elkaar te verbinden. Als we een acuut signaal van radicalisering krijgen, dan brengen we de juiste partners samen rond de tafel, zodat zij met elkaar kunnen afstemmen 46

I

2015

en er een gedragen plan van aanpak komt. Dat zijn onze maandelijkse partnertafels, met relevante figuren uit de hulpverlening, het middenveld, de lokale politie en andere sleutelfiguren. Ook voor preventie hebben we een skelet van een structuur die we meer willen inbedden. Maar door de aard van deze problematiek moeten we toch vooral ook flexibel en vraaggestuurd zijn. De partners veranderen in functie van de behoeften. Het is maatwerk. Wij proberen het netwerk zo sluitend mogelijk te maken, zodat er zo weinig mogelijk jongeren tussenuit vallen. De laatste poging tot vertrekken dateert van juni vorig jaar. Maar er zijn nog altijd problemen en gebeurtenissen zoals de aanslagen op Charlie Hebdo of de arrestaties in Verviers. Ze zijn als steekvlammen en dan moeten we die capaciteit mobiliseren. Ik zou vanuit de stad de partners op zulke momenten nog sneller en gerichter willen kunnen ondersteunen. Maar we botsen daar op de grenzen van onze mogelijkheden, waardoor we bepaalde expertise onvoldoende kunnen benutten. Dat geldt ook voor de partners in het middenveld en in de hulpverlening. Ook zij zitten aan hun maximum. De bereidwilligheid is zeer groot, maar op dit moment wordt vaak gesnoeid net op die domeinen waar wij meer willen op inzetten. Wij krijgen dat lokaal niet uitgeklaard, daar moet een signaal van bovenaf komen.

is als een regisseur. “ DWee stad proberen de juiste actoren te identificeren en te betrekken en met elkaar te verbinden


“MET KENNIS OVER DE ISLAM KOM JE GEEN STAP VERDER” Deze vorming leverde interessante sleutels op voor Identiteit Gezocht. Rationele argumenten, goochelen met feiten en cijfers, het heeft allemaal geen zin. Mensen moeten eerst door een emotionele laag heen, voor ze nieuwe beelden kunnen opbouwen. En dat proces moeten ze zelf doormaken. In een geseculariseerde samenleving begrijpen veel mensen ook niet wat geloofsbeleving is, wat ze voor mensen betekent en hoe ze verschilt van mens tot mens. Er is bij eerstelijnswerkers meer bewustzijn nodig over hoe zij zich zelf verhouden tot levensbeschouwing. Ook wie niet gelovig is, heeft ‘heilige huisjes’. Door eerstelijnswerkers te laten onderzoeken welke hun normen en waarden zijn, wat hen raakt, welke doelen zij nastreven, wapenen we hen voor dat gesprek. VILVOORDE KWAM IN DE ZOEKTOCHT NAAR EEN AANPAK VOOR DE SYRIËGANGERS ONDER ANDERE UIT BIJ MOTIEF. ELKE VANDEPERRE GEEFT VOOR DEZE VORMINGSINSTELLING DE TRAINING ‘IDENTITEIT GEZOCHT’ OM LEERKRACHTEN, JEUGDWERKERS EN HULPVERLENERS TE VORMEN ROND IDENTITEITSONTWIKKELING BIJ MOSLIMJONGEREN.

De eerste vragen over radicalisering, een jaar of drie geleden, kwamen uit het jeugdwerk en de hulpverlening. Ze liepen vast in het werken met moslimjongeren. Sommigen durfden niets meer te doen, anderen gingen net te snel aan de alarmbel hangen, ook bij normale processen die bij de puberteit horen. Zij hadden het gevoel dat ze de kennis misten om deze jongeren op de juiste manier te benaderen. Ze gingen te snel culturaliseren en zagen nog slechts één deelidentiteit – die van moslim. Wij hadden de jaren daarvoor een aanpak uitgewerkt op basis van experimenteergroepen, waar we gewoon luisterden naar heel diverse groepjes mensen en hun associaties rond islam en moslims, zonder te sturen, te oordelen of veroordelen. We merkten hoe moslims een trigger bleken te zijn voor veel blanke middenklassers, voor hun angst, voor het gevoel niet te weten waar ze zelf voor staan. Maar we zagen ook hoe ze na een paar keren hun felle uitspraken zelf begonnen te corrigeren.

Het grootste verschil met andere aanbieders over radicalisering is dus dat wij niet de nadruk leggen op kennis, maar op bewustzijn en houding. Nochtans is bij cursisten een grote vraag naar kennis. ‘Geef ons achtergrond bij de islam, vertel ons welke profielen vertrekkers hebben en dan zullen we wel tijdig aan de alarmbel kunnen trekken.’ Terwijl je met alle mogelijke kennis over de islam geen stap verder zult zijn. Dan ga je vastlopen. Gevaarlijker nog, je gaat denken dat je weet wat het probleem is, terwijl dat niet zo is. Onze aanpak is confronterend en er komt soms veel weerstand naar boven waarmee je aan de slag moet. Het staat bovendien haaks op wat een werkgever wil: die wil zijn medewerkers bijscholen met een workshop van drie uur en opgelost. Maar als een organisatie één stap vooruit wil komen, dan zijn er minstens drie dagen nodig. Als ze daar niet aan wil beginnen, dan zijn wij niet de partner die ze nodig hebben. Ik ben zelf geschrokken van de impact die het vertrek van een jongere heeft op hulpverleners en leerkrachten. Neem nu Vilvoorde, waar hulpverleners, jeugdwerkers en leerkrachten het gevoel kregen dat ze iets verkeerds deden. Ze voelden zich schuldig. Ze hadden die jongere zien veranderen en wisten niet wat er aan de hand was. Of ze hadden niets zien veranderen. Dat creëert onzekerheid, een gevoel dat er op elk moment nog tien kunnen vertrekken zonder dat zij het gezien hebben.

I

2015 47


“BELEIDSMAKERS, LUISTER NAAR HET TERREIN!” Vilvoorde is bij Motief uitgekomen, daarna heeft Binnenlands Bestuur daar op ingespeeld. De behoefte is inderdaad zeer groot. Maar wij zijn maar met zijn drieën en we kunnen de expertise die we de voorbije tien jaar hebben opgebouwd niet klonen. Vilvoorde was de eerste in de reeks steden waar we de vorming gedaan hebben. Elke keer sturen we bij, want het is een vorming op maat, in functie van de vragen en ervaringen van deelnemers. Maar bij deze professionals komt de ontnuchtering altijd wanneer ze beseffen dat het niet opgelost zal zijn na die drie dagen, dat die complexiteit eigen is aan een diverse samenleving. Dat is overweldigend. Vergelijk het met de zelfdodingscijfers, die in Vlaanderen heel hoog liggen voor jongeren. Ook daar merk je niet altijd wat deze jongeren bezighoudt. Het heeft geen zin om je individueel schuldig te voelen. Je moet dat in een ruimer kader aanpakken. Dat is ook bij radicalisering de boodschap die we willen geven. Als je jongeren geen thuis biedt, als je ruimte laat voor pestgedrag of voor discriminatie, dan creëer je plekken waar jongeren uitvallen. Door uit het leven te stappen of door naar Syrië te trekken. Maar de rode draad is dat ze geen toekomst zien voor zichzelf. Daar ben je als samenleving verantwoordelijk voor. Schuldgevoel heeft geen zin, maar je moet wel een plan van aanpak uitwerken en dus jezelf kritisch onder de loep durven te nemen. Inzicht verwerven in maatschappelijke structuren is voor ons, naast psychologisch bewustzijn, dus een belangrijke sleutel. Zo benadruk je in plaats van individuele schuld een individuele en een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Zonder medestanders krijgen we dat niet opgelost. We worden allemaal met dezelfde vragen geconfronteerd, als we nu eens samenwerken en elkaar ondersteunen en ons er samen rond organiseren, dan kan het denken beginnen te veranderen, langzaam. Het middenveld heeft een cruciale rol om samen die strijd te voeren. Wie gaat het anders doen?

MET WAARDERING KIJKT RACHIDA RIAHI VAN INAYA, EEN VERENIGING VOOR VROUWEN EN JONGEREN IN SINT-GILLIS, NAAR DE AANPAK VAN HANS BONTE IN VILVOORDE. ZE VINDT ER VEEL VAN WAT ONTBREEKT IN DE FORSE VERKLARINGEN VAN FEDERALE MINISTERS: DIALOOG EN RESPECT VOOR DE EXPERTISE VAN TERREINWERKERS.

Inaya is aangesloten bij FMDO, de Federatie van Marokkaanse en Mondiale Democratische Organisa­ ties. We werken met vrouwen, adolescenten en kinderen rond emancipatie, rond het vinden van een plek in het gezin, in de samenleving en in een eigen netwerk. We organiseren workshops. We hebben vakantiekampen en sportieve activiteiten, we geven mensen de kans om kennis te maken met de instellingen van dit land. Met adolescenten doen we theaterworkshops, we werken rond intergenerationele ontmoetingen, coaching bij spijbelen of ondersteunen hen bij hun studie. Vier jaar geleden werden we ons ervan bewust dat er jongeren waren die vertrokken naar oorlogen die niet de hunne zijn. Hoe proberen we daar een antwoord op te bieden? In de eerste plaats door te informeren. We organiseren debatten en seminaries om jongeren uit te leggen wat de islam eigenlijk bedoelt met de jihad die zij gebruiken om een vertrek te rechtvaardigen.

48

I

2015


Jihad betekent niet ‘heilige oorlog’. Het is een woord dat strijd betekent, inspanning. De authentieke strijd, op individueel vlak en op het vlak van de samenleving. De sociale, economische, politieke en spirituele strijd tegen onrechtvaardigheid en onderdrukking. Jihad betekent dus niet oorlog, hoewel het soms die vorm kan aannemen. We praten daar met hen over, we informeren hen, we zetten hen op weg naar boeken die hen kunnen helpen. We nodigen moeders uit van jongeren uit Molenbeek of Schaarbeek die vertrokken zijn, en laten hen vertellen over hoe het die jongens en meisjes nu vergaat ginds, hoe schril de realiteit afsteekt tegen de propaganda die de rekruteerders gebruiken om jongeren te ronselen. Jongeren bieden we vooral ook een veilige plek waar ze zich vrij kunnen uiten, waar ze kunnen zeggen wat ze denken, en waar ze dat in vertrouwen kunnen doen. Jongeren lopen verloren, ze hebben er genoeg van, van de miskenning en de desinformatie en de negatieve beeldvorming over de islam. Verschillende jongeren hebben ons verteld hoe ze na de aanslag in Parijs door hun leerkracht gedwongen werden om zich Charlie te noemen. Uiteraard veroordelen ze de aanslag, maar moeten ze zich daarom vereenzelvigen met een blad dat in hun ogen de profeet beledigd? Ze mogen niet zeggen wat ze denken op school. Ze vrezen gestraft te worden als ze dat toch doen. Jongeren hebben het gevoel dat ze hier niets meer te zoeken hebben. Er is geen werk voor hen, ze zien hun ouders zich dubbel plooien om rond te komen. Er opent zich een bres in sommige jongeren, en de rekruteerders springen er in. Ze spiegelen deze jongeren een toekomst voor in het kalifaat, met een auto en een huis, en de jongeren tuinen er in. Leerkrachten weten niet waar ze het hebben. Ze hadden dit nooit zien aankomen. Ze hebben de middelen en de instrumenten niet om hier adequaat op in te spelen. Ze kunnen jongeren niet van antwoord dienen. Er moeten rond hen netwerken worden opgezet van organisaties en mensen die hen daarin kunnen ondersteunen.

De verenigingen staan dichtbij mensen. Met Inaya genieten wij het vertrouwen omdat mensen weten waar we voor staan en wat we voor hen doen. Ze hebben gezien hoe we ijveren voor sociale cohesie, voor samenleven, voor de banden tussen verschillende gemeenschappen. Wat wij doen, dat is ook de geest waarin Hans Bonte werkt, die van dialoog en van debat. Dat staat haaks op de federale aanpak om identiteitskaarten in te trekken en jongeren de nationaliteit te ontnemen zodat ze niet kunnen terugkeren. Bonte gaat naar de gezinnen en praat met hen. Jongeren zien dat Vilvoorde het anders doet. Het resultaat: er is al een jaar niemand meer vertrokken. Ondertussen nemen andere politici beslissingen zonder overleg met de mensen van het terrein, met de verenigingen. Ze geven ons niet de middelen en de instrumenten bijvoorbeeld voor vormingsprojecten of anti-spijbelinitiatieven, dingen die jongeren kunnen weglokken van die gevaarlijke plek waar rekruteerders hen vinden. De oplossingen liggen op het terrein. Parlementairen, ministers, luister naar wat wij te zeggen hebben!

ongeren bieden we vooral “ Jook een veilige plek waar

ze in vertrouwen kunnen zeggen wat ze denken. Op school vrezen ze gestraft te worden als ze dat doen

Vragen of reacties? joris@fov.be

I

2015 49


COLUMN HERMAN LAUWERS, VOORZITTER FOV

Ja, het gaat over geld! Het doet deugd, dat weerzien met de sociaal-culturele sector. Na 20 jaar Vlaams Parlement en Commissie Cultuur sta ik nu opnieuw aan de andere kant, de binnenkant zelfs: eerst mocht ik voorzitter worden van de Stichting Lodewijk De Raet en sinds een half jaar ook van de Federatie Sociaal-cultureel Werk (FOV). Het was thuiskomen. Hoewel er in die 23 jaar sinds mijn afscheid bij Scouting uiteraard veel veranderd is. Ten goede en ten kwade. Ik zie nu wat ik als parlementslid mee heb opgebouwd, maar ook wat ik soms mee heb aangericht. Zo is er het decreet Lokaal Jeugdwerk­ be­leid uit 1993. Een mijlpaal, die model stond voor andere decreten die via beleids­p lannen een nieuwe subsi­ diërings­methode invoerden. Dit decreet trok een indrukwekkend spoor van communicatieve planning – vandaag heet dat cocreatie – doorheen heel wat beleidsdomeinen en zowat elke gemeente. Dat leidde inderdaad tot plan(over)last voor lokale besturen en kleinere organisaties. En toch bedreigt de uitholling van die decreten de lokale jeugd- en cultuur­ sector, de culturele centra, de bibliotheken. De meeste burgemeesters en parlementsleden (onder wie ook veel burgemeesters) juichen die nieuw verworven lokale autonomie toe, maar de parlementsleden in de Commissie Cultuur beseffen wel dat dit tot verschraling en minder dynamiek kan leiden. Mooi zo: zij durven nog doorheen de waan van de dag te kijken naar waar het écht om 50

I

2015

gaat. Deze houding stemt me hoopvol voor wat de komende maanden volgt. Maar daarover dadelijk meer. Want ik kan het niet nalaten eerst nog even een wandeling doorheen mijn eigen herinneringen te maken, naar het FOV-decreet uit 2003. Dit decreet was in meerdere opzichten een buitenbeentje. Het werd niet door de regering ingediend via de minister van Cultuur, toen Bert Anciaux, maar door vier parlementsleden in overleg met het kabinet. Het organiseerde de belangenbehartiging van het sociaal-cultureel werk en verving de vijf ideologische koepels en de onafhankelijke Bond van Vormings- en Ontwikkelingsorganisaties (BVVO) door de FOV.

De totstandkoming van het decreet roept bij mij beelden op van onderhandelingen op het kabinet, heen- en weergeloop met amendementen die een handtekening nodig hadden, overleg met de sector en finaal een ware papierslag. Ik denk niet dat parlementsleden ooit zoveel amendementen – en amendementen op amendementen – hebben ingediend, tot in de plenaire vergadering toe. Twee thema’s beheersten het debat: het gewicht van de werksoorten na de afschaffing van de ‘kleur’-koepels en het principe dat organisaties hun belangenvertegenwoordiger moeten financieren – toen al (en nu opnieuw). Met tot op het laatst een zoveelste berekeningstabel van Hugo De Vos (toen nog BVVO, niet veel later de eerste directeur van de FOV), die er zowaar zijn levenswerk van maakte om tot een compromis te komen tussen de sector en de politiek. Het werd een technisch kluwen en uiteindelijk wist slechts een handvol mensen nog waar het exact over ging. Als decreten bekroond werden voor cocreatief werk, dan zou dit FOV-decreet op het palmares staan, mede dankzij een (onderhandelings)bekwame sector. Het is het beste bewijs dat de overheid zelf gediend is met een goedwerkende belangen­verdediger, die sterk genoeg is om te weten wanneer gas te geven en wanneer zich klaar te maken voor de landing. Reden genoeg dus voor de overheid om zo’n werking mee te financieren…


Als ik nu zie hoe professioneel de FOV werkt en hoezeer zij gewaardeerd wordt door alle 130 lidorganisaties, dan denk ik: “Dat hebben we toch goed gedaan samen, met de sector en een handvol parlements­leden”. En nu mag ik daar zelf voorzitter van zijn! Geloof me, dat was absoluut niet het plan in 2003! Ook in het decreet Sociaal-cultureel Volwassenenwerk (2003) was er veel inbreng van de parlementsleden. Dagenlang werd onderhandeld en we waren enthousiast over het resultaat. Grote delen van de sector kenden een forse herstructurering. Zo vond ik de oprichting van de 13 volkshogescholen een heuse revolutie, net zoals de invoering van de laagdrempelige werksoort bewegingen. Nu merk ik wel dat we de gespecialiseerde vormingsinstellingen in een te strak keurslijf hebben gestoken. En ja, de betonnering van de sector (forfaits voor verenigingen en een zeer gematigde sanctionering bij opeenvolgende onvoldoende evaluaties) bemoeilijkt de instroom van nieuwe initiatieven. Maar het was een compromis, met elkaar en met de sector. Is dat werk van 2003 voorbijgestreefd? Is het tijd voor een nieuw decreet? Er mag aan het huidige gesleuteld worden, ja. Het mag zelfs een volledig nieuw decreet worden, als dat de verdiensten van het huidige decreet overneemt en de deuren opengooit naar nog meer maatschappelijke innovatie door het sociaal-culturele middenveld. Het huidige decreet heeft de verdienste dat het het sociaal-cultureel werk een vrijplaats gegeven heeft. Wij zijn geen onderaannemer van de overheid. Vlaanderen is daarin uniek. In vele Europese landen is het middenveld – als het al bestaat – ofwel volledig privaat, ofwel een instrument van de regering. Daar benijden ze ons dit vrijgevochten middenveld. Dat moet zeker gevrijwaard blijven. Maar het lopende decreet heeft ook nogal wat bevroren op basis van de foto van 2003, met waterdichte schotten tussen de werksoorten, weinig kansen voor nieuwkomers, erkenningsen subsidiëringsnormen die soms niet meer beantwoorden aan de realiteit van het werk.

Als de gesprekken tussen de administratie, het kabinet, het parlement en de sector gevoerd kunnen worden op basis van de sterktes en de ambities die ik nu overal op het terrein tegenkom, dan kan een nieuw decreet bijkomende kansen geven. Dan kan het die gemeenschapsvormende rol, waar we in de regeringsverklaring zo om geroemd en geprezen worden, versterken.

Maar … Een nieuw decreet zou pas van kracht worden in 2021, na de periode van de beleidsplannen die nu in opmaak zijn. Dat geeft tijd voor overleggen, nadenken, aanpassen. Maar het mag geen alibi zijn om ondertussen de budgetten te bevriezen of geen keuzes te maken. Veel waardevolle organisaties halen 2021 niet met de huidige subsidies. De besparingen van de Vlaamse regering hebben niet wat vel of vet weggeschraapt, maar snijden in de spieren. Er vielen ontslagen en er dreigt een vlucht van de beste krachten naar andere sectoren.

“vanDehettotstandkoming oude decreet is

het beste bewijs dat de overheid zelf gediend is met een goedwerkende belangenverdediger

Dus ja, het gaat om geld. Zoals mijn voorganger, de betreurde Peter Warson, zei: “Wij worden wel gewaardeerd, maar niet gehonoreerd.” Een nieuw decreet met dezelfde middelen is geen optie. De grote hervormingen gingen trouwens altijd gepaard met budgetverhogingen. En daar zit het addertje onder het gras: de minister legt de financiering van een nieuw/hervormd decreet in de handen van de volgende minister/regering. Dat is gevaarlijk. En daar is maar één kruid tegen gewassen: een decreet dat ‘kamerbreed’ wordt goedgekeurd, met cijfers. Alle mogelijke regeringspartijen van na 2019 moeten zich engageren. Dus ook de huidige oppositie.

Ja, we willen praten, nadenken en onderhandelen over een hervorming. Maar neen, met dezelfde overheidsmiddelen als vandaag – na de opgelegde besparingen – lukt het niet! Misschien moeten we trachten om in het decreet zelf te laten opnemen dat het pas in werking kan treden bij een minimaal begrotingskrediet van “xxx” euro. Dat kan alleen via het parlement, want zo’n slotbepaling geraakt nooit door de mallemolen van de Raad van State en de Inspectie van Financiën, die de regering verplicht moet raadplegen. Maar het zou een legistieke revolutie zijn waarmee het sociaal-cultureel werk (en de Commissie Cultuur) weer eens een trend zet. Er is hoop, zo schreef ik hierboven. Want de Commissie Cultuur is niet de plek van parlementsleden met media­ honger of polarisatiedrang. Als cultuur een vrijplaats is in de samenleving, dan is de commissie dat in het parlement. De bezorgdheid voor het sociaal-culturele middenveld was er altijd al groter dan de politieke tegenstelling tussen meerder­ heid en oppositie. Er wordt nog echt gepraat met elkaar en met de minister. Met Hugo Weckx, Luc Martens en Bert Anciaux heeft Vlaanderen ministers van Cultuur gehad die het sociaal-culturele werk kenden en een grote ‘parlementaire reflex’ hadden. Er moeten altijd compromissen gemaakt worden, maar deze ministers luisterden ook naar de parlementsleden van meerderheid en oppositie en waren bereid om hun ontwerpen aan te passen of voorstellen te aanvaarden. Daarom waren ze voor onze sector goede ministers. De huidige minister is ook uit dat hout gesneden. Wie zijn en mijn voorgeschiedenis kent, weet dat ik hem een beetje ken. Sven Gatz weet waar het over gaat. En hij heeft een ‘parlementaire reflex’. Er is dus hoop op veel dialoog met het terrein en met de parlementsleden. Ja, er zullen eitjes moeten gepeld worden. En harde noten gekraakt. Maar met een goed streekbiertje erbij komt dat misschien wel goed met deze minister…

I

2015 51


CONNECT YOUR OWN DOTS!

3

49 50

2

7

4

8 6 10

48 1 5

9

11 47

12 46

45

43 39 38 36

42

26

41 44 37 40 30 27 34 31

13 16

35 33

32

29

28

15

25 24

p e o j

d n

k i

l

b

f m

g

N

III

II IX

VI

M

VII X

22

20

21 23

52

I

2015

H

17

K F

C

VIII

XII

XI

h

A

G

E

D

B

IV V

c

I

IVX

XIII

a

q

14

19

I L

J

18


SMAAKT 5-STAPPENPLAN NAAR ONS OM EXPERT TE WORDEN IN MEER? SOCIAAL-CULTUREEL BELEID

1

2

PAK ONZE AMBITIEBUNDEL ‘VEERKRACHT’ EENS VAST! De FOV schreef een krachtige bundel met concrete voorstellen voor een sterk sociaal-cultureel beleid. DOWNLOAD OF BESTEL OP WWW.WASCABI.BE

Deze digitale nieuwsbrief brengt je geregeld het latste beleidsnieuws uit de sociaal-culturtele sector. ABONNEER JE OP WWW.FOV.BE

4 3 DÉ CIJFERBIJBEL VAN DE SECTOR “HEEL VLAANDEREN SOCIAAL-CULTUREEL”

Al 7 jaar brengen we in Boekstaven de sector in beeld. De nieuwe editie verschijnt in oktober 2015!

De vertrouwde Boekstaven omgevormd tot een handzaam illustratief boekje.

BINNENKORT TE LEZEN OP WWW.BOEKSTAVEN.BE

De belangrijkste cijfers en actuele thema’s waar de sector zich sterk in maakt. Een aantrekkelijke formule om de sector (nog) beter te leren kennen! LEES HET OP WWW.FOV.BE

5

SURF OOK NAAR WWW.SOCIUS.BE WWW.LAATMENSENSCHITTEREN.BE WWW.PRETTIGGELEERD.BE

I

2015 53


federatie sociaal-cultureel werk FOV | federatie sociaal-cultureel werk, is de federatie van alle 135 door de Vlaamse overheid erkende organisaties voor sociaal-cultureel volwassenenwerk. Wij groeperen verenigingen als KVLV, de Turkse Unie, Oxfam-Wereldwinkels, curieus, Davidsfonds, çavaria; bewegingen als Vredesactie, EVA, Welzijnszorg, Mobiel 21; vormingsinstellingen als Kwadraet, Natuurpunt Educatie, CCV, PRH; en de 13 regionale Vormingplus-centra. Meer info op www.fov.be. @FOVtweets en #sociaalcultureel facebook.com/sociaalcultureelwerkvlaanderen

Verantwoordelijke uitgever: Dirk Verbist, directeur FOV Overname van tekstmateriaal is toegelaten voor niet-commerciĂŤle doeleinden en mits bronvermelding.

Wascabi 2015  

Wascabi is het jaarmagazine over beleid en tendensen in het sociaal-cultureel werk. Augustus 2015, Jaargang 3

Wascabi 2015  

Wascabi is het jaarmagazine over beleid en tendensen in het sociaal-cultureel werk. Augustus 2015, Jaargang 3

Advertisement