faro | tijdschrift over cultureel erfgoed, 14(2021)4

Page 1

Jaargang 14, nr 4, december 2021

Driemaandelijks tijdschrift. Afgiftekantoor Antwerpen. Erkenning: P808155

faro

tijdschrift over cultureel erfgoed

Dossier spoorwegerfgoed Op vleugelen van stoom

Missionarissen onder de loep Heksen: handlangers van Satan Facebook en artistiek naakt


IN DIT NUMMER

06

FACEBOOK EN ‘ARTISTIEK NAAKT’ Mu.ZEE deelt ervaringen

12

MISSIONARISSEN MAKEN GEEN DEEL UIT VAN HET VERHAAL Interview met Idesbald Goddeeris

18

THEATERPOPPEN VINDEN NIEUWE THUIS BIJ MUSEA (Eindelijk) een structurele oplossing

24

34

MAAK VAN TENTOONSTELLEN EEN ECHT SAMENWERKINGSPROCES Interview met Pat Villeneuve

ERFGOEDBELEID IN EUROPA Slovenië

40

HOE EXPERTISEVERLIES BEPERKEN? Tips & tricks

28

BLOCKBUSTERS NIET KLEIN TE KRIJGEN O’Keeffe in Parijs

DOSSIER SPOORWEGERFGOED

46

HET GROEIENDE ERFGOEDBEWUSTZIJN VAN DE NMBS |

Blik op verleden en toekomst

52

TOERISME OP HET SPOOR

58

OP VLEUGELEN VAN STOOM | De trein in de literatuur

64

HET STATIONSBUFFET IN DE BELGISCHE SPOORWEGGESCHIEDENIS | “Voor uw natje en droogje”

70

DE KONINKLIJKE RIJTUIGEN TERUG OP HET JUISTE SPOOR | Een paradigmashift naar preventieve conservering

74

DE LIJNFILM | Een vergeten ‘filmgenre’

Detail uit Paul DELVAUX, Avondtrein, 1957 © KMSKB, Brussel / Foundation Paul Delvaux, Sint-Idesbald - SABAM Belgium | foto: J. Geleyns - Art Photography. In het kader van Europalia Arts Festival, Trains & Tracks

EN OOK

03

EDITO

04

TELEX

22

SPREKEND ERFGOED Handlangers van de duivel

62

HET ATELIER De medewerkers van het Centrum Agrarische Geschiedenis (CAG)

78

MIJN ERFGOEDPLEK Danny Ronaldo


EDITO

COLOFON faro | tijdschrift over cultureel erfgoed 14 (2021) 4 | ISSN 2030-3777 REDACTIERAAD Roel Daenen, Katrijn D’hamers, Jelena Dobbels, Elien Doesselaere, Julie Lambrechts, Anne-Cathérine Olbrechts, Alexander Vander Stichele, Hildegarde Van Genechten, Jacqueline van Leeuwen, Olga Van Oost, Gregory Vercauteren en Jeroen Walterus | redactie@faro.be HOOFDREDACTEUR Roel Daenen roel.daenen@faro.be BEELDREDACTIE Katrijn D’hamers EINDREDACTIE Birgit Geudens en Annemie Vanthienen VORMGEVING Silke Theuwissen DRUK Drukkerij Albe De Coker ADVERTEREN Roel Daenen ABONNEMENTEN België € 25 | buitenland € 30 | los nummer € 8 | www.faro.be/tijdschrift VERANTWOORDELIJKE UITGEVER

Olga Van Oost, p.a. Priemstraat 51, 1000 Brussel COVERBEELD Foto: Leo MARFURT (1894-1977), Flying Scotsman, 1928 © SABAM, Belgium/ KMSKB, Brussel | foto: J. Geleyns Art Photography. In het kader van Europalia Arts Festival, Trains & Tracks De redactie is steeds op zoek naar interessante bijdragen. Zin om mee te werken? redactie@faro.be © FARO. Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed vzw. De redactie heeft ernaar gestreefd de wettelijke bepalingen in verband met de intellectuele eigendom

’t Is goed in ’t eigen hert te kijken … Beste lezer, Eind november kwam er groot nieuws over de betrekkingen tussen België en de Democratische Republiek Congo. Staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid Thomas Dermine, op bezoek in Kinshasa, pleitte er bij verschillende politieke leiders en andere gezagsdragers voor het herstel van de culturele identiteit van het Congolese volk. Zo zei hij: “De voorwerpen die door onze voorouders op illegitieme wijze zijn verworven, horen ons niet toe. Ze zijn van het Congolese volk. Punt aan de lijn.” Belangrijk is ook dat België probeert om het Congolese perspectief te zien. Mogelijks meent u nu dat dit pleidooi niet tot Vlaanderen is gericht en eerder bestemd is voor de federale instellingen, zoals met name het AfricaMuseum. Of nog, dat het koloniale perspectief allerminst op uw collectie of werking betrekking heeft. Toch is het antwoord complexer dan op het eerste gezicht lijkt: ook collecties in Vlaanderen zijn betrokken partij. Leest u even verder. Enerzijds getuigen tal van collecties in Vlaanderen van de ongelijke machtsverhoudingen tijdens de koloniale periode, en specifiek van de manier waarop voorwerpen werden verworven. In Vlaanderen moet verder nagedacht worden over teruggave, aldus Vlaams minister van Cultuur Jan Jambon in zijn Strategische visienota cultureel erfgoed van 31 maart 2021. Anderzijds is het voorbeeld van de teruggave van cultuurgoederen exemplarisch voor de manier waarop erfgoedinstellingen vandaag in hoofdzaak omgaan met dominante referentiekaders.

van de beelden na te streven. Indien u meent dat voor een bepaald beeld het auteursrecht van de maker of zijn/haar erfgenamen werd geschonden, neem dan contact op met de redactie. De inhoud van de teksten en artikels vertolken enkel de visie van de auteurs en niet noodzakelijk die van het bestuur van FARO.

U vindt naast sommige artikels logo’s die verwijzen naar de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen van de VN. Voor meer uitleg, zie www.sdgs.be.

In zijn vaak geciteerde boek Vistas of modernity stelt socioloog Rolando Vazquez (Universiteit Utrecht) dat culturele en academische instellingen in het centrum van de macht van representatie staan en ook bepalen wie de wereld vertegenwoordigt. Het is de taak van deze instellingen om te dekoloniseren, stelt hij. Dat betekent: overgaan van de machtspositie om anderen te representeren naar een “logica van ontvangst”. Instellingen worden dan plekken waar geluisterd wordt, waar pluraliteit heerst en waar dominante verschillen ongedaan worden gemaakt. En ja, dat vraagt (ook) om het westerse monopolie op kennis los te laten, en zowel het publiek als het personeel daarin mee te nemen en samen naar oplossingen te zoeken. Binnenkort is de hele cultureel-erfgoedsector toe aan een nieuwe beleidsplanningsperiode. Maakt ook u goede voornemens om eens diep in ’t eigen hert te kijken? De redactie redactie@faro.be

3


TELEX

Bronnengids Podium Wie onderzoek wil doen naar het verleden van de podiumkunsten in Vlaanderen, kan sinds kort terecht op de Bronnengids Podium. Deze online wegwijzer naar bronnen van dans en theater is een initiatief van CEMPER en Kunstenpunt en komt tegemoet aan een vaak gehoorde verzuchting van onderzoekers. Bronnenmateriaal van dans, theater of aanverwante disciplines zoals circus en scenografie wordt immers bewaard en ontsloten in een brede waaier van instellingen, websites, databanken en online platformen, die bovendien elk vanuit een eigen logica werken.

Een collectieplan schrijven?

De Bronnengids Podium brengt al die informatie samen en wijst de weg naar bewaarinstellingen, overkoepelende online catalogi en relevante digitale platformen. Een adviespagina geeft praktische tips om uw zoektocht aan te vangen en wordt aangevuld met inspirerende cases van reeds uitgevoerd onderzoek. Verder bevat de gids een overzicht van online naslagwerken, fotocollecties, databanken, enz. https://bronnengids.be

NIEUW BELGIË. EEN MIGRATIEGESCHIEDENIS

In 2014 was het exact vijftig jaar geleden dat België akkoorden sloot met Marokko en Turkije over de zogenaamde ‘arbeidsmigratie’. De economie in ons land draaide op volle toeren, en had nood aan sterke handen. Véél handen. In Nieuw België vertelt auteur en columnist Tom Naegels het verhaal van de Italiaanse, Griekse, Marokkaanse en Turkse arbeiders die sinds de jaren 1950 in een klein land aan de Noordzee een betere toekomst kwamen zoeken. De herdenkingen in 2014 vormden een rechtstreekse stimulans voor het schrijven van het boek, waarin Naegels veelvuldig gebruikmaakt van archiefmateriaal.

… Dat doe je zo! Via een collectieplan geeft een museum, bibliotheek of archief inzicht in de samenstelling van de verzameling. Deze publicatie biedt aanknopingspunten bij het schrijven van zo’n plan. Ook de nieuwste inzichten op het gebied van publieksparticipatie, digitalisering, restitutie, inclusiviteit en risicobeheer zijn in deze Nederlands-Vlaamse uitgave verwerkt. T. Luger, S. Maes e.a., Een collectieplan schrijven? Dat doe je zo! Brussel – Amsterdam – Amersfoort, 2021. ISBN 978-90-5799-343-5

https://faro.be/publicaties/een-collectieplan-schrijven-dat-doe-je-zo

T. Naegels, Nieuw België. Een migratiegeschiedenis 1944-1978. Lannoo, 2021. ISBN 9789401434508

TOPSTUK SCHITTERT IN MUSEUM PLANTIN-MORETUS

Foto: Victoriano Moreno

Het oudste stadsplan van Antwerpen, het Vlaams Topstuk van Virgilius Bononiensis, is nog tot zondag 6 maart in al zijn glorie te bekijken op de tentoonstelling 'Komt een Italiaan naar de Nederlanden' in Museum Plantin-Moretus. De met de hand ingekleurde houtsnede geeft een uniek zicht op de stad Antwerpen op het hoogtepunt van haar economische macht in 1565. Het plan is 120 cm hoog en 265 cm breed, en gedrukt op 20 bladen handgeschept papier. Daarmee is het de grootste en meest gedetailleerde plattegrond die we uit de 16e eeuw kennen.

4

Tussen maart en november 2021 kreeg de kaart een conservatiebehandeling, uitgevoerd door het restauratieteam van de dienst Behoud & Beheer van de stad Antwerpen. De focus lag op het reinigen van de voor- en achterzijde, het vastmaken van de verzwakte delen en het vervangen van de lijst. Nadat de staat van de kaart uitvoerig gedocumenteerd was, is er een droge reiniging gebeurd. Met een minimale vochtbehandeling werden ook de glanzende witte vlekken, veroorzaakt door oude lijmresten, verminderd. www.museumplantinmoretus.be


Het nieuwe netwerk ‘Belgium, Battlefield of Europe’ brengt musea, sites en organisaties samen die werken rond militair erfgoed en herinnering. Doel is om 2.000 jaar aan oorlogen, veldslagen en belegeringen op Belgische bodem in de kijker te plaatsen. Meer dan 50 partners zijn aangesloten bij het netwerk, dat gecoördineerd wordt door het War Heritage Institute. Op belgiumbattlefield.be vindt u het aanbod van alle partners terug, samen met de evenementen die ze organiseren. Op termijn zal het historisch onderzoek naar 2.000 jaar conflictgeschiedenis zorgen voor een oplijsting en beschrijving van zoveel mogelijk oorlogen, veldslagen, belegeringen en andere conflicten op ons grondgebied. De website is ook gekoppeld aan wardeadregister.be (Belgian War Dead Register), dat inmiddels de gegevens bevat van meer dan 61.000 Belgische soldaten die sinds 1830 sneuvelden. www.belgiumbattlefield.be

Geschiedenis is een werkwoord Wat doen historici nu eigenlijk, hoe doen ze dat, en waarom? In dit boek leidt historica Violet Soen u rond achter de schermen van het historisch onderzoek. Naast een inleiding op de historische kritiek en methode, reflecteert dit boek op de rol van geschiedenis als wetenschap: wat zijn de trends en debatten in de geschiedschrijving? In hoeverre kunnen historici kennis over het verleden bereiken? En welke rol hebben historici in de maatschappij? V. Soen, Geschiedenis is een werkwoord. Een inleiding tot historisch onderzoek. 2e ed. Universitaire Pers Leuven, 2021. ISBN 9789462702806

REYNAERTGENOOTSCHAP ONTVANGT VISSER-NEERLANDIAPRIJS 2020

Op zaterdag 30 oktober 2021 mocht het Reynaertgenootschap uit Sint-Niklaas in internationaal muziekcentrum AMUZ in Antwerpen de VisserNeerlandiaprijs 2020 in ontvangst nemen. Het Reynaertgenootschap kreeg de prijs toegekend uit waardering voor zijn onvermoeibare inzet om de Reynaert te laten leven in het Waasland en daarFoto: Jo De Rammelaere buiten en de wijze waarop het jaarboek Tiecelijn openstaat naar en voor Noord en Zuid. Aan de prijs is een oorkonde en een geldbedrag van 10.000 euro verbonden. Meer informatie vindt u op de volledig vernieuwde website www.reynaertgenootschap.be en op www.anv.nl.

Stadsverhalen in het MAS

Expo Luister. Foto: Ans Brys

Belgium, Battlefield of Europe

Het MAS viert in 2021 zijn tiende verjaardag. Speciaal voor die gelegenheid voert het museum samen met schrijver en theatermaker Dimitri Leue zijn collectiestukken op in een fantasierijke expo en een meeslepend luisterspel. Hebzuchtige reuzen, woelige liefdesavonturen, demonen en helden leiden de bezoeker in Luister langs de rijke collectie van het MAS. De verhalen komen uit Antwerpen en de rest van de wereld. Iconische personages zoals Brabo, Hodja, Lange Wapper, de zwanenridder of Chamunda spelen de hoofdrol in de ontroerende en grappige teksten van Dimitri Leue. De vertellingen nemen je mee langs een fantasierijk en theatraal decor. Het luisterspel vertelt twaalf verhalen, maar er zijn er natuurlijk veel meer te vinden in de stad en de districten. Daarmee ging illustratrice Shamisa Debroey aan de slag. Grote figuren sieren de muren van het MAS als sterrenbeelden en verwijzen naar extra vertellingen die in de stad te vinden zijn. Nieuwsgierigen kunnen die verhalen digitaal ontdekken. In het kader van de expo is er bovendien een uitgebreid aanbod aan randactiviteiten met ateliers , prikkelarme avonden, live tekensessies en workshops creatief schrijven. www.mas.be

5


COMMUNICATIE

DE KEERZIJDE VAN DE SOCIALE MEDIA

FACEBOOK EN ‘ARTISTIEK NAAKT’ Bij het begin van de zomervakantie kwam Mu.ZEE ongewild in turbulente communicatiewateren terecht: de Facebookpagina van het Oostendse museum werd opeens door Facebook geblokkeerd. Ook het persoonlijke Facebookprofiel van de Mu.ZEE-webmaster ging op slot. Een verhaal dat tot nadenken stemt. Colette Castermans

“Geen probleem”, “Was reeds voorgevallen”, “Zou wel vlug opgelost geraken”… dachten we. ’s Anderendaags zouden de pagina’s wel weer operationeel zijn. Een dag verstreek, een week, twee weken, drie weken. Ondanks meerdere pogingen om met het socialemediabedrijf in contact te komen – via een feedbackplatform en mails – bleef het stil aan de overkant. 16.000 Mu.ZEE-vrienden zaten plots zonder nieuws. De reden? “Naaktcensuur – pornografie”. De schuldige? Een zwart-witfoto waarop Constant Permeke aan het werk is in zijn beeldhouwatelier in Jabbeke. Hij staat tussen twee monumentale, naakte vrouwenfiguren. Het lijdt geen twijfel dat het hier om sculpturen gaat, wars van enige seksuele handeling. De foto is bovendien van onschatbare archivalische waarde gezien Permeke, ontevreden met het resultaat, beide sculpturen in 1938 vernietigde.1

6

DAN MAAR NAAR ONLYFANS?

Facebook heeft een kwalijke reputatie als het gaat om het blokkeren van beelden met (artistiek) naakt. Denk maar aan het Napalm-meisje, een wereldberoemde foto van Nick Ut voor het Amerikaanse persbureau AP; de Venus van Willendorf, die in het Weens Natuurhistorisch Museum wordt bewaard; en L’Origine du monde van Gustave Courbet, bewaard in het Musée d’Orsay in Parijs.2 De toeristische dienst van Wenen klaagde recent aan dat het bijna onmogelijk is geworden om kunstwerken met naakt te publiceren op de sociale media: het oeuvre van Egon Schiele kan er dus nauwelijks getoond worden. Zij zochten hun heil op het in 2016 opgerichte betalende platform OnlyFans, dat vooral (kunstig en ander) naakt publiceert. Aanvankelijk werd het vooral gebruikt door sekswerkers. Via het OnlyFans-account van de Weense toeristische dienst kan de geïnteresseerde ‘provocerende’ werken van Schiele, Modigliani en andere kunstenaars ontdekken.3 Is dit een oplossing? Ons erfgoed verdient beter,


Constant Permeke aan het werk bij twee monumentale naakte vrouwenfiguren in zijn beeldhouwatelier. Collectie: Mu.ZEE, 001-C.Permeke 1938 (300)

7


veel beter. Door beeldmateriaal op sociale media te posten komen onze (top)werken in een grijze zone terecht en kunnen ze als een ‘abnormaliteit’ beschouwd worden, wat op zijn zachtst uitgedrukt een opmerkelijke evolutie is. Mu.ZEE ging te rade bij Toerisme Vlaanderen, dat in 2018 naar aanleiding van het Rubensjaar met een netwerk van musea en culturele instanties een open brief had geschreven aan Facebookbaas Mark Zuckerberg. Daarin werd de artistieke naaktcensuur aangeklaagd. Facebook stemde pas in met een gesprek nadat Toerisme Vlaanderen een ludiek filmpje de wereld had ingestuurd.4 Met positief gevolg: ‘ongepaste content’ werd ‘goedgekeurde content’ en de regels werden versoepeld, toch voor artistiek naakt.

MET DANK AAN DE MEDIA

Terug naar de zomer van 2021: naar aanleiding van deze blokkade maakte het museum weliswaar geen ludiek filmpje, maar wel een persbericht. Dat werd in binnen- en buitenland opgepikt (o.a. door Le Figaro), met als opmerkelijk resultaat

De Venus van Willendorf in de collectie van het Naturhistorisches Museum Wien. Foto: Thirunavukkarasye-Raveendran, via Wikimedia, CC0

8

De Vlaming spendeert gemiddeld 2 uur en 29 minuten per dag op social media.

dat Facebook plots wel op de Mu.ZEE-mails antwoordde. We kregen antwoord van zowel de openbare beleidsmanager voor de regio België en Luxemburg als van de Facebook Communications Manager voor de Benelux, met excuses. Facebook was bereid om in gesprek te gaan en de Mu.ZEE-pagina werd na drie volle weken opnieuw vrijgegeven, weliswaar nog steeds met beperkingen op de pagina. Een post boosten stond nog steeds niet actief, maar kreeg het label “wordt gecontroleerd”. Bovendien bleek het bereik van de posts minimaal in vergelijking met de situatie voor de blokkade van de Mu.ZEE-pagina.

Een campagne van het Weense Leopold Museum over Egon Schiele kreeg te maken met censuur. Egon Schiele, Staand naakt meisje met oranjekleurige kousen, 1914 © WienTourismus / Wien Nord


Het gevolg: minder likes, minder aandacht. Ook crossposten5 verliep niet meer gesmeerd. Einde september vond dan een vergadering plaats met vertegenwoordigers van Facebook. Daarvoor nodigden we ook het Museumoverleg, FARO, ICOM Vlaanderen, Toerisme Vlaanderen en het Departement Cultuur, Jeugd en Media mee uit. Met een korte powerpointpresentatie stelde Facebook zijn beoordelingsmechanisme voor. Konden we achteraf deze presentatie toegestuurd krijgen? Neen, dat kon niet.

2 UUR EN 29 MINUTEN PER DAG

Facebook (opgericht in 2004), Instagram en WhatsApp zijn niet meer weg te denken uit onze leefwereld. Laten we eerlijk zijn: hoeveel keren per dag nemen we onze smartphone niet vast, scrollend en zoekend om toch maar niets te hebben gemist van wat er zich veraf of dichtbij in de wereld afspeelt? Het is ontstellend te zien hoeveel tijd we dagelijks doorbrengen op deze sociale media: de Vlaming spendeert gemiddeld 2 uur en 29 minuten per dag op social media.

Velen onder ons hebben een Facebookaccount aangemaakt om contact te houden met vrienden. Met een kinderlijke onbezonnenheid delen we al ons lief en leed. De ene meer dan de andere: hoe leuk is het niet om te chatten, ideeën te delen, te laten zien waar en met wie we op vakantie gaan, de eerste stapjes van je kinderen de wijde wereld in te sturen … Facebook is in tussentijd uitgegroeid tot een zeer krachtig communicatieforum en, vooral, een uitermate geolied beursgenoteerd bedrijf, gericht op groei en winst waarvan soms wordt beweerd dat het een businessmodel hanteert dat is gebaseerd op het misbruik van vertrouwen van mensen.6 We zijn ons daar nog niet genoeg van bewust. Door een Facebookaccount aan te maken hebben we als het ware onze ziel aan de duivel verkocht: ons online gedrag levert namelijk heel wat data op die Facebook gebruikt.

INGEWIKKELDE ALGORITMES

Content moderation is een complex verhaal:7 voice, privacy, safety, authenticity en dignity zijn waarden die Facebook hoog in het vaandel draagt. Het bedrijf ziet toe op violence, integrity and content.

Om de campagne over Egon Schiele te kunnen lanceren in onder andere het Verenigd Koninkrijk, moesten de naakte lichaamsdelen bedekt worden. © WienTourismus / Oliver Pelzer

9


“Zoek de controverse op!” Rob Heyman is coördinator van het Kenniscentrum Data & Maatschappij van imec-SMITVUB.1 We legden hem naar aanleiding van dit artikel een paar vragen voor. Olga Van Oost

Hoe kijkt u als expert naar dit verhaal? “Facebook is de grootste online krant van het internet en leeft voornamelijk van reclame-inkomsten. Het probleem is dat de redactie voor een groter deel uit algoritmes bestaat dan uit mensen. Dus wie al zijn geld op Facebook zet om een doelgroep aan te spreken moet weten hoe dit netwerk werkt, of begrijpen wat de nadelen zijn. Musea hebben de missie om erfgoed en cultuur op een andere ma-

Het schilderij van Helena Fourment (‘Het pelsken’) van Rubens kan worden bekeken op OnlyFans nadat Facebook en Instagram de Weense musea verboden om naakten te delen. Peter Paul Rubens, Helena Fourment, ca 1636/1638 Collectie: Kunsthistorisches Museum Wien

We beseffen misschien nog niet helemaal dat Facebook een forum is geworden waarin vaak extreme stemmen weerklinken. Via ingewikkelde algoritmes wordt elke communicatie al dan niet goedgekeurd. Deze vorm van artificiële intelligentie is beperkt: beoordelingen zijn zwart-wit, zonder context, zonder nuances, zonder emotie of gevoelens … Pas wanneer er op geblokkeerde inhoud wordt gereageerd is er een menselijke interventie, the human review, door Facebook. Wekelijks worden tien miljoen (!) berichten gerapporteerd die uiteindelijk een eindbeoordeling door een mens moeten krijgen.8 20.000 medewerkers van Facebook dragen deze (eind) verantwoordelijkheid. Elk van hen heeft een

10

geheimhoudingsovereenkomst ondertekend. Deze mensen zijn afkomstig van over de hele wereld en hebben zeer verschillende achtergronden, opvattingen en ideeën. Dat vergemakkelijkt een uniforme beoordeling zeker niet, al werken ze met lijsten met criteria. Maar wat voor de ene aanvaardbaar is, kan voor de andere problematisch zijn. Zelfs met een menselijke interventie blijft de uitdaging dus groot.

OP DE WHITELIST

Facebook maakt zich sterk dat het met GPN, Government Politics Nonprofit, een gepersonaliseerde menselijke helpdesk gevestigd in Portugal, de oplossing heeft.9 Deze persoonlijke, ‘menselijke aanpak’ moet ervoor zorgen dat het bedrijf snel en efficiënt problemen kan oplossen. Facebook reageerde tijdens de meeting ook op het feit dat het artistiek naakt systematisch blokkeert: “artistic nudity is

nier voor te stellen dan kranten. Dat doen ze met beelden en thema’s die te complex of te gewaagd zijn voor de voorkeuren van de algoritmische redactie. Naakt en controverse passen bijvoorbeeld niet op Facebook. Op ideologisch niveau zou je dus kunnen zeggen dat Facebook geen goede plaats is voor musea. Zij willen mensen doen nadenken? Musea die door Facebook worden gecensureerd krijgen wel een publiciteitsopportuniteit. Ik denk dat Mu.ZEE zich geen betere, gratis publiciteit in de (niet-sociale) media kon bedenken dan deze. De afbeelding en instelling worden met naam genoemd. Meer mensen lazen dit dan dat ze het op Facebook zouden hebben gezien.”

Maar misschien moet Facebook zijn personeel een cursus kunstgeschiedenis laten volgen?


Zijn er alternatieven voor Facebook? “Voor het medium Facebook zijn er geen goede alternatieven. Er zijn weliswaar opstartende platformen, maar die hebben Facebook nog nooit van de troon gestoten. Voor wie op zoek is naar een doelgroep die aanwezig is op dit medium is er vandaag geen andere mogelijkheid.” Waarom is de werkwijze van Facebook minder onschuldig dan wordt aangenomen? “The medium is the message: het discours dat door Facebook en zijn gebruikers die wel worden getoond wordt gemaakt, is aan de ene kant plat en eenheidsworst. Aan de andere kant zijn er heel veel bedenkelijke groepen actief die toch door de censuur van Facebook raken, ondanks hun negatieve impact op de maatschappij. Denk aan echo-

allowed”, artistiek naakt wordt dus aanvaard. Maar het is een grijze zone: artistiek naakt van vóór 1900 zou geen probleem vormen. De bewering gaat niet op, te beoordelen aan alle geblokkeerde voorbeelden. Wat het artistieke naakt na 1900 aangaat: daarover zijn de criteria nog veel onduidelijker. Voor de contentbeoordeling gaf Facebook mee dat het werkt met een lijst van gesubsidieerde musea die als ‘betrouwbaar’ staan gelabeld; voor de (menselijke) beoordelaar een beslissingscriterium. Het blijkt allerminst waterdicht, aangezien Mu.ZEE op die lijst staat en toch werd geblokkeerd. En wat met alle andere, niet door de overheid gesubsidieerde musea, privé-instellingen, stichtingen, enzovoort? Facebook kon daar niet onmiddellijk op antwoorden. ICOM Vlaanderen en FARO zullen dit verder opnemen.

kamers voor rechts, haatspraak, antivaxers, complottheorieën …” Wat zijn de voor- en nadelen van Facebook en andere sociale media? “Het voordeel is dat als je weet hoe het werkt, en ervoor betaalt, het je heel goed kan helpen om een band op te bouwen met een bepaalde doelgroep. Het nadeel is dat gezien worden op Facebook (of een ander sociaal medium) steeds blijft veranderen. Daardoor vergt het blijvende inspanningen op het vlak van inhoud en leren. En een groter nadeel: iedereen die Facebook blijft gebruiken voor zijn promotie steunt mee het monopolie dat er nu is.” Tot slot: is het ethisch verantwoord dat publieke instellingen in zee blijven gaan met deze bedrijven?

probleem10 zolang een deel van de promotie langs sociale media verloopt. Maar moeten we als musea – en bij uitbreiding als erfgoedinstellingen – niet eens nadenken of we wel zo afhankelijk willen zijn van deze vorm van digitale communicatie? De vraag is alleen of er alternatieven zijn. Zo niet, zullen we steeds opnieuw in gesprek moeten gaan. Op langere termijn kan dit hopelijk leiden tot een vast, aanvaardbaar kader met duidelijke beoordelingscriteria. Maar misschien moet Facebook zijn personeel een cursus kunstgeschiedenis laten volgen? Artistiek naakt is immers maar een deeltje van een veel groter artistiek verhaal vol schoonheid, over de eeuwen heen. ■

“Ik denk het wel, maar dan alleen als een publieke instelling, zoals een museum, doet wat past in haar opdracht: de blik verbreden en moeilijke of controversiële thema’s aanbieden die anders niet aan bod komen. Ik zou de hele sector oproepen om nog meer controverse op te zoeken op Facebook. Precies omdat dit socialemediagebruikers sensibiliseert over de totalitaire aanpak van socialemediaplatformen en hun algoritmische redacties.” ■

1. Zie: https://data-en-maatschappij.ai/over-ons.

Colette Castermans is kunsthistorica. Ze was als communicatieverantwoordelijke verbonden aan verschillende kunstinstellingen, waaronder het kunstpatrimonium van de Paribas Bank, het PMMK, Mercatorfonds en de Beaufort-projecten. Sinds 2009 is zij hoofd communicatie van Mu.ZEE en het Permekemuseum. Bronnen en literatuur 1. W. Van den Bussche, Permeke, 1886-1952, biografie jaar 1938, Brugge, 1993. 2. Zie: https://www.standaard.be/cnt/ dmf20150310_01573216. 3. Zie: https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2021/10/16/ wenen-onlyfans, 16 oktober 2021. 4. Zie: https://www.youtube.com/watch?v=UZq3cVgU5AI&t=62s. 5. Via de Business Suite, de achterliggende pagina op Facebook waarmee advertenties en posts worden opgemaakt (zowel voor Facebook zelf als voor Instagram en WhatsApp). 6. VRT, T. Verheyden, Facebook en ik, aflevering 2 & 3: ‘Hoe u een digi-junk bent geworden’ en ‘Nog nooit zo verbonden, nog nooit zo alleen’, januari-februari 2019, zie: https://www.vrt.be/vrtnu/a-z/facebook-en-ik/ 7. A. Keen, How to fix the future staying human in the digital age, 2018; S. Roberts, Behind the screen, 2019. 8. VRT, T. Verheyden, Facebook en ik, aflevering 3, ‘Nog nooit zo verbonden, nog nooit zo alleen’, januari-februari 2019. 9. Zie facebook.com/GPA (of GPN) 10. Net toen deze tekst klaar was, werd Mu.ZEE gecontacteerd door het Museum van Elsene: hun Facebookpagina werd geblokkeerd. Een foto van Sammy Baloji met halfnaakte vrouwen bleek de schuldige.

Het is duidelijk: de beoordeling van artistiek naakt blijft een

11


MEERSTEMMIGHEID

PLEIDOOI VOOR DEKOLONISATIE

“We zijn bezig mentaal te dekoloniseren, maar missionarissen maken geen deel uit van het verhaal” Waarom worden missionarissen in Vlaanderen op handen gedragen? Hoe verhoudt missionering zich tot kolonisatie? Passen we onze kijk op het missieverleden best aan? Deze vragen onderzocht Idesbald Goddeeris1 in zijn boek Missionarissen. Geschiedenis, herinnering, dekolonisering2, dat in september verscheen. Al snel na de publicatie dook de figuur van Damiaan in de media op. Er is meer nuancering nodig, in plaats van een zwart-witverhaal, reageert Goddeeris. Een gesprek. Katrijn D’hamers

U opent de inleiding van het boek met de zin: “Zowel missionarissen als de manieren waarop we hen herinneren, zitten vol paradoxen”. Een binnenkomer voor meer nuancering in het debat. Welke paradoxen ziet u? “Ten eerste: iedereen weet wel wat een missionaris is, maar bijna niemand kent nog voorbeelden. Waar vroeger individuele missionarissen in het collectieve geheugen zaten, lijken deze figuren nu vergeten. Een tweede paradox is dat we missionarissen vooral met Congo associëren, maar andere delen van de wereld uit het oog verliezen:

12

China, India, Latijns-Amerika, Canada … of Hawaï, zoals bij Pater Damiaan. Dat missionarissen alom gevierd zijn, vormt een derde paradox. Verschillende bekende – en vrijzinnige – figuren in Vlaanderen associëren zich nog graag met een missionaris. En dat is opvallend, omdat we in een geseculariseerde samenleving leven. De Kerk krijgt kritiek, maar missionarissen niet. Meer nog, we zijn bezig mentaal te dekoloniseren, maar missionarissen maken geen deel uit van het verhaal.” U spreekt van “een eenstemmige eerbied voor missionarissen”. Blijkt dat ook uit hun aanwezigheid in de publieke ruimte? U vond 323 markers voor missionarissen in Congo, tegenover 118 voor seculiere kolonialen. “Missie heeft geleefd én leeft in Vlaanderen. In Wallonië en Brussel zijn er niet zoveel markers.


© I. Goddeeris

De kolonisatie van Congo was eerder een Franstalig project, terwijl missionarissen vooral uit Vlaanderen kwamen. Er waren periodes waarin zelfs meer dan 80 % van de missionarissen in Congo Vlamingen waren. Onder hen was er veel heterogeniteit: sommigen gingen om te bekeren of waren een onderdeel van de koloniale machine, anderen gingen uit avontuurszin of persoonlijk engagement. Missie evolueerde ook in de tijd en in de jaren 1950 hielpen verschillende missionarissen Congolezen met hun emancipatie, terwijl anderen bleven steken in een racistisch discours. Bovendien waren missionarissen ook actief buiten deze koloniale periode én in andere landen zoals China of India. Ferdinand Verbiest bijvoorbeeld, die mandarijn werd en astronoom

De missionarissen waren belangrijke actoren in het opleggen van een andere cultuur, religie en ideeën over Europese superioriteit.

aan het hof van de Chinese keizer in de 17e eeuw. Ook Damiaan moet je situeren voorafgaand aan de Congolese kolonisatie. Hij was al op missie vertrokken naar Hawaï in 1864 en overleed in 1889, toen de missie naar Congo zich nog op gang trok.” Is missie dan nog wel koloniaal? “Doorgaans wordt kolonialisme geassocieerd met politieke, militaire of economische dominantie. Maar het gaat verder dan dat, en de missionarissen waren belangrijke actoren in het opleggen van een andere cultuur, religie en ideeën over Europese superioriteit. Daar stonden ze zelf ook vaak ambigu tegenover. Ze verzachtten misschien sommige zaken, maar waren nog wel steeds een onderdeel van dit machtsonevenwicht. Missie was bovendien een belangrijk onderdeel van de koloniale propaganda, een manier om goed te praten wat er gebeurde.” U vraagt zich ook af wat we moeten doen met de markers in de publieke ruimte. De meeste blijven onveranderd, en worden hoogstens vergezeld van een infobordje. “Op zich is het niet slecht om standbeelden te contextualiseren. Maar het is tegelijk ook een

13


gemakkelijke manier om afstand te nemen van de geschiedenis. Vele teksten durven de vinger niet op de zere wonde te leggen. Ze vermelden enkel de figuur, de beeldhouwer en de datum. Gelukkig zijn er de laatste tijd ook voorbeelden van tekstborden die verder gaan. Maar daarmee is de kous niet af. Een bordje kan geen eindoplossing zijn. Al is het maar omdat mensen die bordjes niet lezen. Op het infobord op het Lumumbaplein in Elsene staat bijvoorbeeld nu al drie jaar dat Patrice Lumumba de eerste minister was van Congo-Vrijstaat, dus onder Leopold II. Dat is een grote kemel, en niemand heeft die opgemerkt.” (Lumumba was de eerste premier van het onafhankelijke Congo, red.) Het boek reikt de hand naar gemeenten en steden met een uitgebreide inventaris. Op de website van KADOC3 wordt deze lijst ook gedeeld en verder aangevuld. Maar wat is nu de grootste urgentie? U pleit alvast niet voor een beeldenstorm. “Een urgent probleem is nog steeds het eenzijdige witte karakter van de publieke ruimte. In tegenstelling tot de buurlanden vind je hier amper markers voor bijvoorbeeld antikoloniale figuren en Congolezen. Waarom zou er geen monument kunnen komen voor de Congolese slachtoffers of voor helden van het antikoloniaal verzet? De kwestie reikt overigens verder dan de koloniale geschiedenis. Het gaat bijvoorbeeld ook over migratie.

We schijnen deze geschiedenis uit ons collectief geheugen te gommen. De enige monumenten voor buitenlanders zijn eigenlijk geschenken van ambassades. In 2017 kwamen er alleen in Vlaanderen al honderden nieuwe straatnamen bij, maar niemand die toen aan diversiteit dacht. Je moet al die gecontesteerde straatnamen of monumenten dus niet verwijderen, maar we mogen wel meerstemmigheid brengen in de publieke ruimte.” De viering van de missionarissen kende een hoogtepunt in de jaren 1950. Die monumenten getuigden van een triomfalistische mentaliteit. Maar ook veel recenter werden nog eerbetuigingen opgetrokken in de publieke ruimte. Welke verklaring moeten we hierachter zoeken? “Nog in de jaren 1990 en 2000 werden standbeelden voor missionarissen opgericht. In 2000 nog onthulde men in Hechtel-Eksel een borstbeeld van missionaris Jan Mallet. Die liet tijdens de Bokseropstand in China in 1900 het leven. Vaak worden die nieuwe beelden opgericht door groepen, zoals kerkelijke organisaties en soms ook heemkundige kringen. Die standbeelden brengen het vertrouwde verleden in herinnering in een periode van grote maatschappelijke veranderingen. Zowat alle gemeenten kenden dorpsfiguren die in andere delen van de wereld actief waren. Opvallend is echter dat in die herdenkingen het kolonialisme amper aan bod komt. Wederom, die

MEERSTEMMIGE BLIK OP DAMIAAN

© Luc Gordts

Ruben Boon

Het verhaal van Damiaan is wereldwijd bekend. Lange tijd overheerste het beeld van de held en de heilige de beeldvorming en geschiedschrijving

14

rond Damiaan. Velen beschouwen dit verhaal ook als compleet en definitief geschreven. Wat valt er nog te ontdekken over deze priester-missionaris uit de 19e eeuw, die zijn leven gaf voor mensen met lepra en na zijn dood als held en heilige vereerd werd en wordt? Nieuw onderzoek over de sociale geschiedenis van lepra op de Hawaï-eilanden en over de geschiedenis van de leprakolonie op Molokai, waar Damiaan werkzaam was, verruimt de blik op Damiaan. Hij leefde en werkte in wisselende omgevingen, en stond in contact met tal van mensen. Die omgevingen en

mensen hebben Damiaan diepgaand beïnvloed en spelen dus een hoofdrol in zijn verhaal. Wie Damiaans biografie schrijft, kan niet anders dan aandacht hebben voor Hawaïaanse perspectieven, bronnen en getuigenissen die het verhaal kaderen in een grotere context. Het eenzijdige perspectief op de witte missionaris-held evolueert zo naar een veelomvattendere meerstemmige blik op Damiaan. Het Damiaanmuseum in Tremelo verruimt de blik op verschillende manieren. Zo geeft de vernieuwde permanente museumexpo de Hawaïaanse perspectieven en getuigenissen


Vieringen maakten ook deel uit van mobilisatie- en propagandacampagnes om steun te verwerven voor de missies. © KADOC-KU Leuven, verzameling affiches, KCB4371

Bezoek van Native Americans aan het standbeeld van Pieter-Jan De Smet in Dendermonde in 1932. Ze maakten deel uit van een Duits circus. De gemediatiseerde gebeurtenis was opgezet door het circus, de stad en enkele kerkelijke en missie-instellingen. © KADOC-KU Leuven

Damiaan en weesjongens in de leprakolonie van Molokai, 1889. © Archiefcollectie Damiaan, Paters van de HH. Harten, Leuven.

in al zijn veelzijdigheid bereiden we een internationaal waarderingstraject voor dat niet kan slagen zonder de betrokkenheid van verschillende collectiebeherende instellingen, experts en een breed publiek van geïnteresseerden. Damiaan is gedeeld erfgoed. Zulk erfgoed verdient een genuanceerde en kritisch-constructieve omgang, met aandacht voor de diverse feiten en voor verschillende perspectieven en stemmen. ■

een prominente plaats. Onze partners op Hawaï deelden gretig hun advies, kennis, historische beelden en getuigenissen. Een nieuwe Nederlandstalige Damiaanbiografie,

gebaseerd op eigen en op internationaal onderzoek, verschijnt eind 2021 en werpt een diepgaande meerstemmige blik op Damiaan. Voor de collectie Damiaanerfgoed

damiaanmuseum.be damiaanvandaag.be Ruben Boon is historicus. Hij werkt in het Damiaanmuseum in Tremelo en bij het graf van Damiaan in Leuven.

15


Missionarissen zijn heterogeen: ze trokken naar verschillende gebieden, en in verschillende periodes, zoals Pedro de Gante (ca. 1480, Gent - 1572, Mexico). Hij kreeg zowel in Idegem (foto), in Gent als in Mexico-Stad een marker. In oktober 2020 verwijderden de Mexicaanse autoriteiten onder het mom van restauratie enkele standbeelden van figuren die een rol speelden in de Spaanse verovering en bezetting. Ook dat van Pedro de Gante werd weggehaald. © I. Goddeeris

Indiase jezuïeten maakten zelf nieuwe standbeelden voor missionaris Constant Lievens. In Bendora (India) inspireerden ze zich door het ruiterstandbeeld in Moorslede, maar lieten ze de knielende Indiër weg. © I. Goddeeris

herinnering aan de missionarissen gebeurt met de beste bedoelingen. Maar gemeentebesturen zouden allicht mee kritisch kunnen nadenken hoe ze de publieke ruimte meer divers kunnen maken.” Dat geldt misschien ook wel voor de diversiteit in gender. Het valt bijvoorbeeld op dat er in verhouding tot mannelijke markers beduidend minder beelden en straatnamen van vrouwen zijn, ondanks het feit dat er toch vele vrouwelijke missionarissen waren. Hoe komt dat? “Ongeveer de helft van de missionarissen waren vrouwen. Van de ruim driehonderd markers in Vlaanderen zijn er slechts zestien voor missiezusters. Dat is een wanverhouding die voortkomt uit de koloniale tijd, waarin de mannelijke missionaris dominanter was. Zustercongregaties hadden een dienende rol, zij moesten de priesters helpen met specifieke taken zoals kraamzorg, verpleging, meisjesonderwijs, enz. Zij hadden geen leidinggevende functies binnen de missie en hebben daardoor minder ‘gezicht’ gekregen. Maar het is zeker belangrijk te beseffen dat er ook vele ondernemende vrouwen waren in de koloniale periode.”

16

U wijst ook op het bestaan én de verwijdering van beelden van missionarissen in het buitenland. U schrijft dat we ook moeten luisteren naar de verhalen en ervaringen van de gemeenschappen daar. Wat kunnen die ervaringen betekenen? “Ook in het buitenland zijn er verschillen. In de VS en in Mexico worden beelden verwijderd. Maar in landen als India en Congo worden nu nog steeds beelden van missionarissen opgericht. In die gebieden staat men soms veel opener tegenover die geschiedenis. Naast de beelden voor missionarissen maken ze in die landen ook ruimte voor eigen figuren. Missie en kolonialisme worden zo deel van de publieke ruimte. Net in het luisteren naar die ervaringen zit ook meerstemmigheid. We zullen hoe dan ook die richting moeten uitgaan in Vlaanderen. De vraag rest: waarom nu al niet proactief werken aan het dekoloniseren van de publieke ruimte in plaats van te wachten op een volgende polarisatie?" ■

Katrijn D’hamers is adviseur participatie | diversiteit bij FARO. Bronnen en literatuur 1. Idesbald Goddeeris is hoogleraar geschiedenis en doceert vakken over koloniale geschiedenis, migratiegeschiedenis en de geschiedenis van India en Polen aan de KU Leuven. 2. I. Goddeeris, Missionarissen. Geschiedenis, herinnering, dekolonisering. Uitgeverij LannooCampus, 2021. ISBN: 9789401476621. 3. Zie: https://kadoc.kuleuven.be/missionarissen-straatbeeld.


op zoek naar een cadeau om mee uit te pakken? Schenk een abonnement op de lage landen

Een digitaal jaarabonnement voor slechts

€40

of Een papieren + digitaal jaarabonnement voor amper

€85

de-lage-landen.com/abonnementen 17


HERBESTEMMING

HONDERDEN THEATERPOPPEN VINDEN NIEUWE THUIS BIJ MUSEA

“Een figurentheatercollectie die zo divers en omvangrijk is, verdient een goed onderkomen” Tot voor kort bewaarde CEMPER, het Centrum voor muziek- en podiumerfgoed, honderden theaterpoppen, afkomstig van twee belangrijke collecties uit Mechelen en Gent. Het plan was om voor deze collectie een nieuwe en duurzame bewaarplaats te vinden. Geen sinecure, want hoewel ze tot ieders verbeelding spreken, moesten Tijl, Faust, Reinaert en de andere poppen geduldig wachten op een veilig onderkomen. Veerle Wallebroek

E

ind 2019 schakelde CEMPER de zoektocht naar een nieuwe thuis voor zijn collectie van honderden historische theaterpoppen een versnelling hoger. Musea en archieven uit binnen- en buitenland werden bevraagd naar hun interesse om de theaterpoppen over te nemen. Met onverhoopt succes: AmsabISG, het Huis van Alijn, de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, het Museum Hof van Busleyden en het Spaanse Centro Internacional del Títere de Tolosa zijn voortaan de trotse eigenaars. Een groot deel van de poppen werd in Mechelen verzameld, gemaakt of gebruikt door drie gene-

18

raties van de familie Contryn, door medewerkers van de School voor Poppenspel (1970-2002) en door de figurentheaters Spelleke van Ulenspiegel (1942-1943) en Hopla (1948-1964). Paul Contryn is vandaag nog steeds als figurenmaker en scenograaf verbonden aan het theatergezelschap DE MAAN. Daarnaast maakten ook poppen van het Gentse Theater Taptoe, gesticht door Luk De Bruyker, deel uit van de collectie (1968-2010). Dat CEMPER deze verzameling beheerde komt door zijn lange voorgeschiedenis. Die begon bij de oprichting van De Centrale voor Poppenspel en de School voor Poppenspel in de jaren 1960,


Een selectie theaterpoppen uit de collectie. © Rudy Gadeyne

Het Huis van Alijn verwelkomt onder meer poppen van Theater Taptoe. © Rudy Gadeyne

19


Het Museum Hof van Busleyden is voortaan de trotse eigenaar van de Mechelse superheld Tijl uit Tijl Uilenspiegel van Hopla (eind jaren 1950). © Rudy Gadeyne

Linda Wullus van het Museum Kunst & Geschiedenis met de recent verworven Koningin, ontworpen door Harro Siegel, Reichsinstitut für Puppenspiel (1942-44). © Sophie Nuytten

die de fundamenten bepaalden voor het expertisecentrum voor figurentheatererfgoed in 2009 (het voormalige Het Firmament). Dat evolueerde tot het expertisecentrum voor het cultureel erfgoed van (alle) podiumkunsten in 2012. In 2019 fuseerde Het Firmament met Resonant (het expertisecentrum voor muziekerfgoed) tot CEMPER.1 CEMPER neemt een dienstverlenende rol op voor het cultureel erfgoed van podiumkunsten en muziek. Het is echter niet de taak (of ‘rol’) van CEMPER om collecties te beheren. Om deze theaterpoppen op lange termijn te bewaren voor toekomstige generaties gaf de Vlaamse overheid de opdracht om een nieuwe en betere bestemming te zoeken. Karel Van Ransbeeck, artistiek leider van Theater De Spiegel en voormalig bestuurder van Het Firmament: “Een figurentheatercollectie die zo divers en omvangrijk is, verdient een goed onderkomen. Niet enkel omdat het belangrijk is dat ze goed bewaard wordt voor volgende generaties, maar ook omdat ze op deze manier opnieuw haar weg kan vinden naar het publiek én naar kunstenaars van vandaag en morgen. Als inspira-

20

tie voor nieuw werk of om kennis te maken met figurentheater als kunstvorm. Het is dan ook heel goed nieuws dat er zoveel musea zich hebben geëngageerd om delen ervan op te nemen.”

WAT VOORAFGING: INVENTARISEREN EN WAARDEREN

De voorbereidingen voor de zoektocht naar een nieuwe eigenaar startten meer dan vijf jaar geleden met een traject van inventariseren, documenteren en waarderen.2 Vrijwilligers van het Museum Hof van Busleyden nummerden, fotografeerden en beschreven alle poppen. Experten namen de collectie onder de loep en maakten een lijst op van de poppen die we als waardevol cultureel erfgoed kunnen beschouwen; zij selecteerden 400 poppen die we willen bewaren voor de volgende generaties. Dit ​waarderingsonderzoek gebeurde dankzij de steun van de Vlaamse overheid.3 Het is voor deze poppen dat CEMPER op zoek ging naar een museaal onderkomen. Na de grondige voorbereiding lanceerde de organisatie eind 2019 een oproep over deze theaterpoppen die een nieuwe thuis zochten. Een


communicatiecampagne ondersteunde de oproep en legde ook het potentieel van de collectie bloot. Want theaterpoppen als deze vertellen ons duizend-en-een verhalen: over historische evoluties binnen het figurentheater, over pioniers in maak- en speeltechnieken, over de passie van de Mechelse familie Contryn en nog zoveel meer. Die verhalen ontsloten we op onze website met tal van illustraties en sprekende foto’s.4 De lokale en nationale pers pikte de oproep op. Dit vormde het startpunt voor een ronde langs verschillende musea uit binnen- en buitenland om de collectie voor te stellen. We waren niet noodzakelijk op zoek naar één plek voor al onze poppen. Elke instelling heeft haar specifieke collectieprofiel. De collectie is bovendien erg divers en omvangrijk. Een selectie van 22 potentieel geïnteresseerde instellingen uit binnen- en buitenland werd in het najaar van 2019 gericht aangeschreven: erkende regionale en landelijke collectiebeherende instellingen in Vlaanderen, net als figurentheatermusea in Wallonië en in het buitenland die overheidssteun genieten. Op basis van hun collectieprofielen werkten CEMPER-medewerkers per instelling concrete voorstellen uit van bepaalde poppenreeksen die zo goed mogelijk aansloten bij hun werking. Het werd een onverhoopt succes: meer dan de helft van de tweeëntwintig aangeschreven instellingen, waarvan drie uit het buitenland, stelde zich kandidaat om delen van de collectie op te nemen. Er was ook grote interesse bij privéverzamelaars. Hier werd niet op ingegaan omwille van het gebrek aan garanties voor bewaring op lange termijn. Een adviescommissie evalueerde alle voorstellen. De commissie bestond uit vroegere eigenaars van de poppencollectie, mensen die eerder al betrokken waren bij het waarderingstraject van de collectie en CEMPER-medewerkers. Met elk hun eigen expertise en perspectief kwamen de commissieleden tot een weloverwogen voorstel. De vijf geselecteerde kandidaat-instellingen gingen akkoord met de voorstellen: Amsab-ISG, het Huis van Alijn, de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, het Museum Hof van Busleyden en het Centro Internacional del Títere de Tolosa mogen zich voortaan de (trotse) eigenaars van diverse onderdelen van de poppencollectie noemen.5 Deze instellingen zagen meteen het potentieel van deze collectie voor hun werking en publiek. Voor elk van hen betekenen de objecten een waardevolle aanwinst. Het Huis van Alijn en het Museum Hof van Busleyden nemen het grootste aantal poppen op. Omwille van de vele positieve reacties moesten we bijgevolg kandidaturen – ook uit het buitenland – weigeren. “Het figurentheatererfgoed is iets heel bijzonders: het heeft jaren toeschouwers van alle leeftijden in vervoering gebracht, en bezit tot op de dag van vandaag het vermogen om te betoveren. In de handen van kundige spelers gebeurt dat in een handomdraai, voor je er erg in hebt. De historische collecties die CEMPER nu heeft ondergebracht bij andere erfgoedinstellingen zijn van onschatbare

cultuurhistorische waarde. Door deze operatie is het voortbestaan van deze schat verzekerd,” aldus Roel Daenen, coördinator communicatie bij FARO en coauteur van De Boom op het Dak. Verdiepingen in het figurentheatererfgoed.6

WAT MET DE ANDERE POPPEN?

De museumcampagne was bedoeld voor de poppen die destijds in het waarderingstraject het label kregen van theaterpoppen ‘met erfgoedwaarde’. De andere poppen werden geschonken aan de Academie en het Stedelijk Conservatorium van Mechelen. De poppen worden er voortaan ingezet in de figurentheateropleidingen. Op deze manier kunnen de spel- en maaktechnieken aangeleerd worden aan volgende generaties. Willem Verheyden, (figurentheater)docent, regisseur, performer-woordkunstenaar: “Alleen met verse en degelijke ingrediënten kan je een heerlijke maaltijd bereiden. Dat is niet anders voor figurentheater. Je hebt degelijke theaterpoppen nodig om de elementaire basistechnieken te verwerven. De figuren die het conservatorium van CEMPER geërfd heeft, zijn kwalitatief van een hoog niveau en prima inzetbaar om de knepen van het vak onder de knie te krijgen.”

NAAR EEN STRUCTURELE OPLOSSING

Dit traject kende ook op een ander vlak een groot succes. Tot voor kort bestond er in Vlaanderen geen collectiebeherende instelling die zich voluit engageerde om poppencollecties van landelijk belang te verwerven. Het Huis van Alijn werpt zich nu op om deze lacune op te vullen. Na jarenlange inspanningen door CEMPER en zijn voorlopers om het museaal potentieel van dergelijke collecties bloot te leggen, is er eindelijk een structurele oplossing voor de bewaring van figurentheatercollecties met een landelijke uitstraling. Daarover zegt Ann Van Nieuwenhuyse, directeur van het Huis van Alijn: “Poppenspel ligt ons nauw aan het hart. Het is al lange tijd, ook vandaag, populair bij alle leeftijden. Dit erfgoed spreekt echt tot de verbeelding en heeft een bijzondere waarde. Het Huis van Alijn wil een rol opnemen om dit cultureel erfgoed duurzaam te bewaren, (publiek) te ontsluiten en te onderzoeken. In 2022 plannen we een expo rond poppenspel en zal de collectie ook online ontsloten worden via de website van het Huis van Alijn.” ■

Veerle Wallebroek is directeur van CEMPER en was als coördinator bij Het Firmament van bij aanvang betrokken bij het traject dat naar de finale herbestemming van de theaterpoppen heeft geleid. Bronnen en literatuur 1. Zie: https://www.cemper.be/over-cemper. 2. E. De Lepeleire en A.-C. Olbrechts, ‘Waarderen doe je niet alleen. Tussen podiumkunsten, immaterieel en roerend erfgoed’, in: faro | tijdschrift over cultureel erfgoed, 12 (2019) 1, pp. 40-43. 3. Voor het onderzoeksrapport Mechelse theaterpoppen naar waarde geschat, zie: www.cemper.be/assets/documents/Rapport_MechelseTheaterpoppen.pdf. 4. Zie: www.cemper.be/poppencollectie. 5. Voor een overzicht van welke poppen naar welke instelling herbestemd werden, zie: www.cemper.be/poppencollectie. 6. Zie: https://faro.be/nieuws/de-boom-op-het-dak-verdiepingen-in-het-figurentheatererfgoed.

21


SPREKEND ERFGOED

HANDLANGERS VAN DE DUIVEL Wat als … erfgoed zou kunnen spreken? Een hypothetische, maar interessante vraag. Want welke verhalen zouden we dan kunnen ontdekken? Zeg ‘heks’ en uw geestesoog roept ongetwijfeld een parade van beelden op: een oud vrouwtje, met een kromneus en een paar eenzame lange haren op de kin. Zit er een inktzwarte raaf op haar schouder? Haar voornaamste vervoersmiddel, de bezem, mag zeker ook niet ontbreken. Verwonderlijk zijn die beelden niet, want heksen spelen al eeuwenlang een rol in onze collectieve verbeelding; denk maar aan de manier waarop ze worden beschreven en voorgesteld in onder meer strips, schilderijen, (volks)verhalen, sprookjes en films. Een Brusselse dubbeltentoonstelling in resp. het Vanderborghtgebouw en het KBR Museum presenteert meer dan 400 werken en etnografische voorwerpen uit diverse museale collecties. Die schatkamer is aangevuld met een selectie handschriften uit de prestigieuze Librije van de Bourgondische hertogen. Miniaturen, verhalen en getuigenissen belichten tal van verrassende facetten van het vrouw-zijn op het einde van de middeleeuwen. Het was precies tijdens de middeleeuwen dat er veel vrouwonvriendelijke teksten werden geschreven, veelal door

22

geestelijken. De teneur van die teksten bleek unisono negatief: vrouwen waren zwakker dan mannen, bijgevolg meer vatbaar voor alle zonden Israëls en dus makkelijkere slachtoffers voor de duivel. Die kon hen met een vingerknip verleiden en voor zijn verderfelijk karretje spannen. Van de duizenden slachtoffers van de heksenprocessen in de 16e en de 17e eeuw was zo’n 80 % vrouw. Gaandeweg kregen heksen een positieve lading: zo zagen feministen in de jaren 1960 de heks als symbool van vrouwelijke (veer)kracht en protest. En tijdens een betoging voor vrouwenrechten in 2017 in Parijs doken eveneens heksen op. Transformeren van handlanger van Satan tot rolmodel: heksen kunnen dat. ■ https://witches-expo.ulb.be

» Door: Roel Daenen » Foto: Jean Tinctor, Invectives contre la secte de vauderie (Gescheld op de sekte der Waldenzen). Zuidelijke Nederlanden (Brugge), tussen 1460 en 467. ms 11209, fol. 3r. Hekserijtafereel: Waldenzen aanbidden een bok, belichaming van de duivel. Aan het firmament twee demonen die als aanbidders en aanbidsters van Satan getuige zijn van de hekserijen. © KBR


23


PARTICIPATIE

NAAR EEN INCLUSIEVE TENTOONSTELLINGSPRAKTIJK

“Maak van tentoonstellen een echt samenwerkingsproces” Hoe maakt uw museum of erfgoedorganisatie tentoonstellingen? Zijn die voornamelijk het resultaat van het denkwerk van de wetenschappelijke expert of curator? Of is het een proces waarin ook educatie een stem en hand heeft? In dat tweede geval spreekt Pat Villeneuve, professor aan de Florida State University, over ‘edu-curation’. Zij ziet tentoonstellen als een samenwerkingsproces tussen curatoren en educatoren. Dé manier om tot een meer publieksgerichte tentoonstellingspraktijk te komen. Hildegarde Van Genechten

U

iteraard is er een heel spectrum aan manieren om het tentoonstellingsproces aan te pakken. Het Dimensions of Curation-model ontwikkelde Pat Villeneuve samen met haar collega-professor Ann Rowson Love. Villeneuve verblijft dit najaar enkele maanden in België als Fullbright Scholar. Ze trad op als keynotespreker tijdens de ICOM CECA conferentie in Leuven.1 Maar ze neemt de gelegenheid vooral te baat om hier haar nieuwe publicatie voor te bereiden, die in 2023 wordt uitgegeven door The American Alliance of Museums. Daarin neemt het genoemde model een centrale plaats in. Eind 2021 onderzoekt Villeneuve casestudies en voorbeelden van tentoonstellingspraktijken, onder andere in

24

museum M Leuven, S.M.A.K. en MAS, die het vanuit de praktijk kunnen illustreren. Waarom werkte u dit model uit? “Zowel Ann Rowson Love als ik gingen aan het begin van onze carrière aan de slag als educatief medewerker in een kunstmuseum. We merkten echter al vrij vlug dat educatie niet altijd even erg gewaardeerd werd in de museumhiërarchie. Als educatoren kregen we niet altijd gerealiseerd wat we wilden doen. Tegelijk zagen we dat curatoren zich wel in een bepaalde machtspositie bevonden, maar hun macht liever niet wilden delen. Dat voelde oneerlijk. Bovendien merkte ik dat de meeste curato-


'De Kleine Catalogus van de Collectie van S.M.A.K.' © Eva Vlonk

ren in kunstmusea enorm veel expertise hebben in kunstgeschiedenis, dankzij hun opleiding. En dat bereidt hen zeker voor om te werken met objecten. Maar vanuit mijn perspectief was dat niet genoeg. Educatie betekent zoveel meer dan ‘het licht aandoen en de deur openzetten’, zoals een museumdirecteur het ooit stelde.” “We wilden dit veranderen en een manier bedenken om zowel curatoren als educatoren op een gelijkwaardige manier rond te tafel te krijgen om tentoonstellingen op te zetten. Daarom hebben we onze educatieve praktijk verlaten, om aan de universiteit academisch werk te verrichten. En zo is de opleiding Museum Education and Visitor-Centred Curation en het concept educuration tot stand gekomen.2 Die term sugge-

Als educatoren kregen we niet altijd gerealiseerd wat we wilden doen. Tegelijk zagen we dat curatoren zich wel in een bepaalde machtspositie bevonden, maar hun macht liever niet wilden delen. Dat voelde oneerlijk.

25


Competing values 3D. © Loubaina

reert het samengaan van de praktijk van het cureren en educatie, en maakt van tentoonstellen een echt samenwerkingsproces. Het is een van de benaderingen om met tentoonstellen in musea om te gaan. In het model dat we uitwerken – met in de eerste plaats kunstmusea voor ogen – schetsen we acht mogelijke benaderingen om tentoonstellingen aan te pakken. Het model biedt taal en een kader om samen te kunnen spreken over tentoonstellen. Zo kan men er veel bewuster mee omgaan en intentioneler handelen. Want tentoonstellen is een proces dat vaak impliciet gebeurt. We doen de dingen vaak gewoon zo omdat het altijd zo was.” Hoe zit het in elkaar? “Het model kreeg vorm op basis van concurrerende waarden die tegenover elkaar op een as worden gezet. De ene positie is niet beter of slechter dan de andere. Elke optie heeft namelijk zowel voor- als nadelen. En natuurlijk liggen er ook veel posities tussenin de uitersten. De concurrerende of tegenovergestelde waarden die je in ons model kunt herkennen zijn:

» ‘Object’ versus ‘publiek’ (interpretative priority): neemt de tentoonstelling het object als uitgangspunt en alles wat het museum daarover wil en kan vertellen, of vertrekt de tentoonstelling in de eerste plaats vanuit het publiek en wat het publiek wil weten of relevant vindt?

» ‘Autoriteit van de expert’ versus ‘gedeelde autoriteit’

(curatorial power): wie neemt het voortouw in het tentoonstellingsproces? Gaat de curator op een traditionele manier –voornamelijk alleen – aan de slag? Of wordt het een samenwerkingsproces met educatieve medewerkers en mogelijk andere stemmen?

» ‘Democratisering van cultuur’ versus ‘culturele

democratie’ (curatorial intent): vanuit welke visie zet

26

Tentoonstellen is een proces dat vaak impliciet gebeurt. We doen de dingen vaak gewoon zo omdat het altijd zo was.

het museum tentoonstellingen op? Vanuit een visie van democratisering van cultuur die verwijst naar een traditionele opvatting, waarbij het gaat om het overbrengen van (een dominante kijk op) cultuur en kennis naar zoveel mogelijk mensen ‘voor hun eigen goed’? Of vanuit een visie van culturele democratie die een benadering van onderuit voorstelt, die mensen zelf mobiliseert in hun omgang met cultuur en in tegenstelling tot de vorige visie niet één dominant discours maar meerdere perspectieven verwelkomt? Door deze contrasterende waarden op assen te plaatsen en met elkaar te kruisen, krijg je dus acht mogelijke benaderingen. Wanneer de focus bijvoorbeeld bij het publiek ligt, en wanneer de tentoonstelling wordt opgevat als een samenwerking tussen curatoren en educatoren én wanneer men vertrekt vanuit een opvatting op ‘cultuurspreiding’ van onderuit, dan kom je sneller uit bij tentoonstellingen die vele perspectieven bij elkaar brengen. Kortom, je komt dan vanzelf uit bij meer inclusieve tentoonstellingspraktijken. Wij zijn daar uiteraard voorstander van. Maar we moeten erkennen dat er ook tijd en ruimte moet kunnen zijn voor alle mogelijke variaties en aanpakken in tentoonstellen.”


Tree, competing values model. © Loubaina

“Een van de benaderingen waarbij de verspreiding van kennis vooropstaat (dissemination) bijvoorbeeld, is vooral populair bij een ‘traditioneel publiek’ dat gewend is om naar tentoonstellingen te gaan. Maar als de focus in het tentoonstellingsproces bij het publiek ligt, en de kans geeft aan andere mensen om ook hun perspectief of hun kennis ter tafel te brengen, dan zal dat een ander publiek aanspreken dan zij die traditioneel naar het museum komen. We reiken met dit model een repertoire van mogelijkheden aan. En waar we in werkelijkheid voor pleiten is dat musea vooral op een bewuste manier aan de slag gaan.” Wat is de meerwaarde om met dit model te werken? “We hopen dat dit model op verschillende manieren wordt gebruikt: eerst om terug te blikken op tentoonstellingen. Welke benadering hebben we bij de voorbije tentoonstellingen gebruikt? Want er wordt al te vaak nooit expliciet over gesproken. En dit model kan daarbij echt helpen. De volgende stap voor een museum kan zijn om heel bewust na te denken en constructief het gesprek intern te voeren over tentoonstellen en dit model: hoe willen we tentoonstellingen eigenlijk aanpakken in de toekomst? Vanuit welke visie? Wie betrekken we daarbij? Misschien wil het museum het

echt wel anders aanpakken dan in het verleden? Dan kun je dit model gebruiken als een routeplanner om te geraken waar je wil geraken.” “Want hoe je het draait of keert: elke beslissing die in het tentoonstellingsproces impliciet of expliciet wordt genomen, heeft uiteindelijk een invloed op wie het museum bezoekt én welk effect je bij hen zal bereiken. En de visie die je hebt op tentoonstellen en de manier waarop je dat als museum aanpakt, vertelt evengoed heel veel over hoe je je rol als museum in de samenleving ziet. Vaak krijg ik de reactie van musea als ik pleit voor samenwerking in het tentoonstellingsproces: ‘Maar dit gaat ons veel tijd kosten!’ Dat is natuurlijk omdat men het nog nooit eerder op die manier deed. Op termijn zal het veel vlotter gaan. Het model kan ook zijn nut bewijzen bij het uitwerken van educatieve programma’s. Of wanneer men digitale publiekswerking uitwerkt, iets wat tijdens de pandemie overal gebeurt.” “We ontwikkelden dit model met kunstmusea voor ogen, maar we moedigen uiteraard ook musea met andere collecties aan om naar het model te kijken en na te gaan wat voor hen kan werken.”

Hildegarde Van Genechten is adviseur participatie | educatie bij FARO.

Meer lezen? Kunt u niet wachten tot 2023 om meer te lezen, en wil u zich graag nu al verder verdiepen in dit model? Lees dan deze artikels: » P. Villeneuve, ‘Considering Competing Values in Art Museum Exhibition Curation’, in: Stedelijk Sudies, 8 (2019). (gratis online te raadplegen via https:// stedelijkstudies.com/journal/considering-competing-values-in-art-museum-exhibition-curation). » J. Burns, X. Jiang, A. Rowson Love, P. Villeneuve, B. Wessel, ‘Dimensions of Curation Competing Values Model : Tool for Shifting Exhibition Priorities in Art Museums’, in: Curator. The Museum Journal, September (2021). (betalend online te raadplegen via https:// onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/ cura.12442). Bronnen en literatuur 1. De ICOM CECA conferentie vond plaats van 25 tot 30 oktober 2021 en was een organisatie van museum M Leuven en ICOM België in samenwerking met FARO, Bamm! en KU Leuven. 2. Florida State University, Department of Art Education, https://arted.fsu.edu/programs/ec/.

U bent bij deze uitgenodigd! ■

27


BELEID

O’KEEFFE IN PARIJS

ZELFS EEN PANDEMIE KRIJGT DE BLOCKBUSTER NIET KLEIN Dit najaar liep in het Centre Pompidou in Parijs een overzichtstentoonstelling met werk van Georgia O’Keeffe, een van de iconen van de Amerikaanse moderne kunst.1 Een must-see, zeker voor iemand die haar werk bewondert. Maar de teleurstelling kon niet groter zijn: lange rijen bezoekers dromden samen voor de ingang, en in de zalen was het over de koppen lopen — opmerkelijk in deze risicovolle tijden. In de White Cube waren de werken kriskras opgehangen, in een benepen, labyrintische opstelling. Is dit wat een kunsthal of museum vandaag hoort te doen? Olga Van Oost

O

’Keeffe (1887-1986) is lange tijd onder de radar gebleven in Europa. Recent kwam daar verandering in: zo was er in 2016 een overzichtstentoonstelling in Tate Modern, en vijf jaar later “la première rétrospective en France”. Reden dus om naar Parijs af te zakken. Dat ik niet de enige was, maakte de mensenzee aan de ingang die zaterdag in november meteen duidelijk. Het vooruitzicht van het weerzien met haar werk was opwindend. Niet veel later sloeg die opwinding om in teleurstelling. Hutjemutje schoven we aan door de zaal, pierend naar tekstjes met de basics over O’Keeffe, in colonne van het ene werk naar het andere.

28

Al deze mieren samen vormden een bont gezelschap: jong en oud, alle huidskleuren en ongetwijfeld ook gender, en van zakelijk tot uitbundig uitgedost. Maar … we waren met zovelen! Hoe moesten we nu comfortabel kijken en ervaren? Ongetwijfeld was dit voor velen de kennismaking met O’Keeffe en haar werk. Hoe fout kan een first date verlopen? Afspraakjes vereisen een intense aandacht. Hoe kan je iemands werk leren kennen te midden van een mierenhoop, hoe sympathiek en bont ook? Hoe vreselijk en onverantwoord is het om zowel ‘beginners’ als meer ervaren bezoekers een ervaring als deze voor te


Centre Pompidou in 1978, een jaar na de opening. Foto: Osbornb via Flickr, CC BY 2.0

schotelen? En vooral: weten we als sector niet beter? Staan we nog altijd niet verder? Heeft de pandemie ons niets geleerd? Waarom blijven we herhalen en reproduceren wat we eigenlijk niet willen? Kritiek op tentoonstellingsformules als deze is verre van nieuw. Denk bijvoorbeeld maar aan de bekende Franse filosoof Jean Baudrillard.

IMPLOSIE VAN KENNIS

Waarom blijven we herhalen en reproduceren wat we eigenlijk niet willen?

Toen het Centre Pompidou - Beaubourg in 1977 de deuren opende was dat groot nieuws. Een spectaculaire cultuurtempel, zowel innovatief als conceptueel en architecturaal. Het centrum lijkt op een fabriekshal waar altijd beweging en

29


activiteit is, met de roltrappen als bewegende elementen, reusachtige ventilatiepijpen en allerhande buizen prominent zichtbaar. De architectuur van Renzo Piano was ontworpen met een massa mensen voor ogen; de idee was dat deze cultuurtempel zou bruisen van mensen en activiteit, zoals een moderne, hippe fabriek. De grote ruimtes waren multi-inzetbaar opgevat: flexibel en breed bruikbaar. Bovendien ging Beaubourg er prat op om een plek te zijn met informatie en kennis als spil. Niet iedereen was zo enthousiast. Onder hen Jean Baudrillard; hij schreef zijn bezorgdheid over de desastreuze effecten die deze nieuwe cultuursite zou hebben neer in het essay L’effet Beaubourg (1977).2 Vanuit hedendaags perspectief kunnen we stellen dat Beaubourg de obsessie van de ‘moderne mens’ symboliseerde om, in het licht van het vooruitgangsideaal, steeds opnieuw te streven naar ‘meer’ en ‘groter’. Baudrillard maakte brandhout van deze belofte en voorspelde het tegenovergestelde. Dit model zou net voor een totale implosie van kennis en informatie zorgen. Het was volgens hem ook een illustratie van de tijdsgeest, die focuste op snelle consumptie, op de creatie van vluchtige en dus ook oppervlakkige ervaringen.

De architectuur van Renzo Piano was ontworpen met een massa mensen voor ogen.

SPRINGLEVENDE BLOCKBUSTER

De tijd heeft intussen laten zien dat de kritiek van Baudrillard (te) scherp was. Het Centre Pompidou heeft met andere tentoonstellingen en activiteiten meermaals getoond dat het wel degelijk betekenisvolle en diepgaande ervaringen kan creëren. En de cultuurtempel heeft een prominente plek gekregen in de 20e-eeuwse architectuur- en cultuurgeschiedenis. Spijtig genoeg zijn het vaak de minder goede ervaringen die indruk nalaten. En dan lijkt Baudrillards kritiek zo gek nog niet. Vooral ook omdat de O’Keeffe-tentoonstelling was opgevat als een typische blockbuster, een format dat de laatste jaren steeds meer kritiek oogstte.3 Musea en steden beklagen zich al langer over het massatoerisme dat een (te) hoge en uitputtende druk legt op mensen, kunstwerken en gebouwen, en dat volledig haaks staat op het duurzaamheidsdenken.4 De burgemeesters van Amsterdam, Rome, Brugge en andere Europese steden (voor wie het toerisme van groot economisch belang is) getuigden over de nefaste effecten van deze vorm van toerisme. Ook al dwong de pandemie musea en tentoonstellingsruimtes om de deuren te sluiten en/of bezoekersaantallen sterk te verminderen, de blockbuster lijkt verre van dood en begraven. Grote tentoonstellingen zijn trouwens niet nieuw: al in de 19e eeuw vierden ze hoogtij. En vanaf de jaren 1970 is er een parallel tussen blockbusterfilms en -tentoonstellingen. Kenmerkend voor kaskrakers als Jaws en Star Wars was de uitgekiende mediacampagne die de films al voor de release over de tongen deed gaan. De marketingbudgetten die hieraan werden besteed

Centre Pompidou lijkt op een fabriekshal met prominent zichtbare ventilatiepijpen en buizen. Foto: August Fischer, via Flickr, CC BY-ND 2.0

30


De afkorting ‘FOMO’ (Fear Of Missing Out) moest nog bedacht worden, maar de hype rond deze tentoonstelling zorgde wel voor precies dat gevoel bij veel mensen.

waren ongezien. Films als deze werden in de VS op hetzelfde ogenblik gelanceerd in zoveel mogelijk zalen – een noviteit. Tegelijk werd een merchandisingoffensief ingezet. Het doel van al die inspanningen? Een massa publiek op de been brengen, wat uiteindelijk ook lukte.5 Datzelfde recept werd ook toegepast voor tentoonstellingen.

CULTURELE DIPLOMATIE SMEERT

Zoals bij de Tutankhamun-tentoonstelling in 1972 in het British Museum.6 Vijftig jaar na de vondst van het graf van deze farao werden vijftig stukken voor de eerste keer aan het buitenland uitgeleend voor een tentoonstelling. Het was de Egyptische overheid die het initiatief nam voor deze expositie: een manier om de diplomatieke relaties met het Verenigd Koninkrijk te verbeteren. De tentoonstelling had met andere woorden een politiek belang, en kreeg dan ook steun van beide overheden. Het Verenigd Koninkrijk stond bovendien borg voor de kunstwerken, via de indemniteitsregeling die er al in voege was. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt was dit een unicum: het zou de eerste keer zijn dat het publiek met eigen ogen de beroemde grafvondsten kon bewonderen. De media-aandacht was enorm, met dank aan het partnerschap met The Times en The Sunday Times. De afkorting ‘FOMO’ (Fear Of Missing Out) moest nog bedacht worden, maar de hype rond deze tentoonstelling zorgde wel voor precies dat gevoel bij veel mensen. Zo’n 1,6 miljoen bezoekers werden geteld tijdens de looptijd van negen maanden – de expo verpulverde alle records. Foto’s uit die tijd met lange rijen illustreren de

Affiche voor de Georgia O'Keeffeexpo in Centre Pompidou. Affiche van de tentoonstelling ‘Treasures of Tutankhamun’ in het British Museum in 1972.

31


Wachtrijen voor de expo ‘Treasures of Tutankhamun’ in het British Museum in 1972. © The Trustees of the British Museum

wachttijden. Ook de kracht van merchandising werd ingezet: posters, postzegels en replica’s van de stukken gingen als zoete broodjes over de toonbank. Alles was in een mum van tijd uitverkocht. Kenmerkend aan het blockbustermodel is dat tentoonstellingen worden overgenomen door andere musea. Dat gebeurde ook met Tutankhamun: die expo reisde tussen 1976 en 1979 in de Verenigde Staten, onder impuls van Thomas Hoving, de directeur van het Metropolitan Museum of Art in New York. Ook hier bleek de culturele diplomatie tussen Egypte en de VS een belangrijke factor. Hoewel Hoving de tentoonstelling faciliteerde bleek hij kritisch over de sterke inmenging van de overheid, waardoor de inhoudelijke en wetenschappelijke autonomie onder druk kwam.7

PROBLEMATISCH?

De blockbuster (of megatentoonstelling) was geboren en slaagde in zijn opzet: een massa bezoekers op de been brengen en hoge inkomsten genereren. Boeiend is om te merken dat het profiel van de bezoekers van blockbusters vaak (veel) diverser is. De drempel om de expositie te bezoeken wordt laag, met dank aan de campagnes en de FOMO die daaruit voortvloeit. FOMO zorgt ervoor dat vele niet-participanten tóch de stap zetten. Maar ook hier een kanttekening: het

32

lijkt er immers op dat de stap naar herhalingsbezoek en/of naar een grotere, duurzame betrokkenheid niet lukt. Deze indruk leeft, al is er nood aan nieuw onderzoek om dit hard te maken. Tickets voor deze tentoonstellingen zijn bovendien relatief duur, en dus moeilijker betaalbaar voor minder kapitaalkrachtige mensen. Critici stellen dan ook dat, in tegenstelling tot wat wordt beweerd, blockbusters niet bijdragen tot democratisering en tot een gelijke(re) toegang tot cultuur. Bestaande ongelijkheden worden er veeleer door versterkt. Bovendien is de blockbuster te veel opgevat als een ‘product’ dat vooral makkelijk en snel kan geconsumeerd worden.8 Dat is misschien meteen ook de kernvraag: wat is de bedoeling van een tentoonstelling, en van een blockbuster in het bijzonder? Die vragen kwamen bij me op tijdens de O’Keeffe-tentoonstelling. Als het de bedoeling was om zoveel mogelijk mensen naar de expositie te krijgen, is dat alvast gelukt. Al kan je je de vraag stellen of het überhaupt nog verantwoord is om dit na streven, zeker in de context van de pandemie die we vandaag meemaken.


is groot; daardoor is het vaak moeilijk tot onmogelijk om niet mee te doen.

Dat is misschien meteen ook de kernvraag: wat is de bedoeling van een tentoonstelling, en van een blockbuster in het bijzonder?

TROP IS TEVEEL EN TEVEEL IS TROP

En wat dan, als de bezoekerscijfers pieken? Krijgt het museum dan een pluim en kan de expo een succes genoemd worden? Daar lijkt het wel op. De obsessie met bezoekerscijfers is onmiskenbaar: subsidieverstrekkers, private investeerders, politici en ook media zijn er alvast zeer gevoelig voor. Bezoekerscijfers zijn een voor de hand liggend en ‘makkelijk’ criterium. En laat ons eerlijk zijn: ze zijn ook belangrijk. Als er amper iemand over de vloer komt, stelt zich een probleem. Maar ... wanneer is het genoeg? En andersom, wanneer is teveel gewoonweg trop en trop teveel, zoals een bekende Brusselse politicus het ooit stelde? Dit vraagstuk leeft in Vlaanderen. Nochtans: veel museum- en erfgoedmedewerkers engageren zich om het écht goed te doen en om betekenisvolle ervaringen te creëren. Ze doen dit steeds vaker op een participatieve manier, door bezoekers als makers te betrekken in hun projecten. De aversie tegen het platte commerciële verhaal waarbij het vooral gaat om ‘koppen tellen’ is groot; het groeimodel van ‘meer is altijd beter, best’, blijkt afgedaan. Maar toch is en blijft het ontzettend moeilijk om een ander model te verzinnen dan dat van de mierenhoop. Toch worden tentoonstellingsmakers nog te vaak in het beperkte model van de bezoekerscijfers geduwd. En waarschijnlijk duwen ze elkaar ook: de onderlinge concurrentie tussen cultuurhuizen en programmatoren

Met als gevolg dat het oude, veelal elitaire model wordt gereproduceerd: musea blijven weggelegd voor een clubje geprivilegieerden.9 Beleidsmakers vragen al jaren dat de gesubsidieerde publieke erfgoedorganisaties in Vlaanderen inclusief werken en dat ze “moeilijker bereikbare doelgroepen” betrekken. Terecht: gemeenschapsmiddelen moeten goed worden besteed. Maar tegelijkertijd wordt er hardnekkig vastgehouden aan de cijfers.

ANDERE MANIEREN VAN METEN

Waarom kan ‘succes’ ook niet gemeten worden aan de hand van de relaties die de erfgoedsector heeft met maatschappelijke actoren (zoals zorgorganisaties, verenigingen waar armen het woord nemen en andere kwetsbare groepen), de mate waarin ze echt betekenis en draagvlak hebben bij een lokale gemeenschap? Of wanneer ze duidelijk aantonen dat ze intensief en op structurele wijze banden met het onderwijs of met andere deeltjesversnellers aantrekken? O’Keeffe was een gemiste kans om bezoekers een andere wereld in te trekken, hen te laten kennismaken met het leven en werk van deze uitzonderlijke kunstenares. Al was het maar om te laten zien hoeveel invloed een kunstenaar op een samenleving kan hebben. Een gemiste kans ook om bezoekers schoonheid te laten ervaren, hen te laten leren en te leren zien. Het is de plicht van musea om bezoekers niet louter als domme consumenten te behandelen – die toch maar alles vreten wat hen kant en klaar wordt geserveerd. Het zijn hooggeëerde gasten die gekoesterd moeten worden. Laat de onderliggende concurrentie tussen tentoonstellingsmakers er ondergeschikt aan zijn. En het is de plicht van politici en bijgevolg ook subsidiënten en investeerders om hun rol op te nemen, en ervoor te zorgen dat musea en andere erfgoedorganisaties een kader krijgen om hun maatschappelijke rol te kunnen opnemen. ■

Olga Van Oost is algemeen directeur van FARO. Bronnen en literatuur 1. Zie: www.centrepompidou.fr/en/program/ calendar/event/60bdJRm. Zie voor een ‘exclusieve rondleiding’: www.youtube.com/ watch?v=DE-O3IDekVo. 2. J. Baudrillard, L’effet Beaubourg. Implosion et Dissuasion. Éditions Galilée, 1977. Zie ook F. Konijn, ‘Centre Beaubourg in de geografie van de museumgeschiedenis’, in: De Witte Raaf, editie 142, nov-dec 2009. https://www. dewitteraaf.be/artikel/detail/nl/3473. 3. M. Knol, ‘Stop de blockbusterverslaving’, in: NRC Handelsblad, 21 februari 2020, https://www.nrc.nl/nieuws/2020/02/21/ stop-de-blockbusterverslaving-a3991318. 4. B. Ruf & J. Slyce (eds), Size Matters! (De) growth of the 21st Century Art Museum. Verbier Art Summit, Stedelijk Museum Amsterdam & Koenig Books London, 2017. 5. D. Hesmondhalgh, The Cultural Industries. Sage, 2019. 6. A.A. Zaki (2017), ‘Tutankhamun Exhibition at the British Museum in 1972: A historical perspective’, in: Journal of Tourism Theory and Research, 3(2), 79-88. DOI: 10.24288/ jttr.312180 7. T. Hoving (2002), Tutankhamun: The Untold Story. Rowman & Littlefield, 2002. 8. E. Barker (ed.) (1999) ‘Exhibiting the canon: the blockbuster show’, in: Contemporary Cultures of Display. New Haven & London: Yale University Press in association with Open University, pp. 127-146. 9. Zie ook R. van der Lint, ‘Een museum is een zwaar lichaam’, in: De Groene Amsterdammer, 24 juni 2020, n° 26. https://www. groene.nl/artikel/een-museum-is-een-zwaarlichaam.

33


SLOVENIË

ERFGOEDBELEID IN EUROPA

BRON VAN DUURZAME ONTWIKKELING

Het eiland Bled met zicht op het kerkje en de witte gerestaureerde trappen. Foto: Alex Azabache via Pexels

34


Slovenië bulkt van het cultureel erfgoed: of het nu gaat om schone kunsten, architectuur, literatuur of muziek, gemaakt in verschillende periodes door kunstenaars of doodeenvoudige mensen: u vindt het hier allemaal. Naar aanleiding van het Sloveense voorzitterschap van de Raad van de EU — nog tot eind december dit jaar — zoomt faro in op dit land.1

procedures voor de instandhouding van erfgoed met het bepalen van de concrete beschermingsvoorwaarden, adviezen en begeleiding. Ook voert het ZVKDS (archeologische) (voor)onderzoeken uit. Daaruit sproten de voorbije jaren een aantal nieuwe vondsten voort, maar ook bouwelementen, muurschilderingen en fresco’s. De ZVKDSdeskundigen delen hun kennis en ervaring via publicaties, tentoonstellingen, lezingen en rondleidingen in en langs musea, archieven maar ook monumenten en sites. Bijzondere projecten worden gepromoot tijdens de Europese Open Monumentendagen en de Week van het Cultureel Erfgoed.

Barbka Gosar Hirci | Vertaling: Oneliner

Dit erfgoed is natuurlijk niet alleen gemaakt of verzameld in wat vandaag Slovenië is. Het bevindt zich voornamelijk daar omdat eigenaars, restauratoren, conservatoren, archeologen, architecten en tal van andere betrokkenen het op de een of andere manier koesterden en er zorg voor droegen, met het oog op de lange termijn en de toekomst. Uiteraard speelde ook toeval een rol. Hoe dan ook; dit erfgoed heeft tal van historische gebeurtenissen zoals oorlogen en revoluties overleefd. Het bleek ook een belangrijk fundament voor veel generaties, om recht te krabbelen na conflicten, om eraan vast te houden en de toekomst tegemoet te stappen.

Het ZVKDS bevordert ook het borgen van (verdwijnende) ambachtelijke vaardigheden en daarmee ook de competenties van het conserverings- en restauratievak. Een goed praktijkvoorbeeld is het project ‘Onderwijs in renovatie’, dat in 2000 van start ging op initiatief van de Vereniging van Historische Steden van Slovenië.3 Aanleiding was de eerste expertconferentie over de bewustmaking van kwalitatieve renovatie van onroerend erfgoed, georganiseerd in Škofja Loka. In samenwerking met de initiatiefnemer, de Faculteit Architectuur van de universiteit van Škofja Loka, het ZVKDS, de middelbare scholen voor bouwtechnieken (in Ljubljana) en voor houtbewerking (in Škofja Loka) wordt sindsdien jaar-

MEE VERANKERD IN DE GRONDWET

Het Instituut voor de Bescherming van Cultureel Erfgoed in Slovenië (Zavod za varstvo kulturne dediščine Slovenije, verder ZVKDS) is een overheidsinstelling, opgericht in overeenstemming met de wet ter bescherming van het erfgoed.2 Al meer dan een eeuw wijdt het zich aan de zorg voor erfgoed in al zijn vormen, in het bijzonder roerend en onroerend en ook levend erfgoed. Zijn taken, bepaald door de Sloveense grondwet en de wet op de bescherming van het cultureel erfgoed, zijn in drie hoofdonderdelen te vatten: rechtsbescherming, behoud en beheer en kennisoverdracht. Rechtsbescherming omvat het vastleggen, documenteren en ook het waarderen van erfgoed. Het tweede onderdeel, de zorg voor erfgoed, gaat over alles wat samengaat met het onderhoud, waaronder meestal concrete fysieke ingrepen en preventieve conservatie. Het ZVKDS leidt ook

Het ZVKDS bevordert ook het borgen van (verdwijnende) ambachtelijke vaardigheden en daarmee ook de competenties van het conserveringsen restauratievak.

35


lijks een theoretische en vooral praktische opleiding gegeven voor een breed scala van gespecialiseerde ambachtelijke profielen, en dit aan de hand van verschillende thema’s. Waarom dit georganiseerd wordt, volgt in de eerste plaats uit de moeilijkheden waarmee eigenaars, lokale gemeenschappen en gemeenten werden en worden geconfronteerd bij de renovatie van zowel het onroerend als roerend erfgoed. Net zoals elders in Europa zijn er altijd relatief veel middelen nodig om renovatie- en verbouwingswerken uit te voeren. Daarbij is het ook telkens de vraag of die met kwalitatieve en geschoolde vakmensen worden uitgevoerd. Het afgelopen jaar hebben het ZVKDS en de Vereniging van Restauratoren van Slovenië een lijst opgesteld met aannemers, ambachtslieden en meesters die hun bekwaamheid hebben bewezen en over de nodige kennis en vaardigheden beschikken die nodig zijn bij renovatie- en restauratieprojecten. Een dergelijke lijst van (bekwame) vakmensen is een grote hulp, in de eerste plaats voor eigenaars en lokale gemeenschappen, maar ook voor restauratoren, conservators-restoratoren, architecten en aannemers zelf. Het project ‘Onderwijs in renovatie’ verhoogt bovendien het bewust-

De kurenti vormen een populair onderdeel van de carnavalsviering. Op vastenavond lopen ze van huis tot huis en springen er om de eigenaars heen met luidruchtig klokkengelui om zo het kwaad te verjagen. © Andrej Brence, 2010. De carnavalsronde van maaiers en ploegers in Loče. © A. Pukl, 2019

36


Interdisciplinariteit en het vermogen om een communicatieve, publieksgerichte vertaalslag te maken zijn de grote uitdagingen voor de toekomst.

zijn en brengt beroepsgericht onderwijs tot stand, een cruciaal element voor het behoud van (on)roerend cultureel erfgoed. Het ZVKDS is zich ervan bewust dat het behoud van kennis van en over de verwerving, verwerking, installatie en bescherming van lokale traditionele materialen essentieel is voor het behoud van bestaande gebouwen. Ook zo van het belang van het gebruik van lokale grondstoffen, en de ecologische impact ervan.

SYSTEEMFOUT

Op de vraag of de bescherming van cultureel erfgoed in Slovenië goed is geregeld, antwoorden experts van het instituut dat het nodig is om voorwaarden op te stellen die eigenaars en erfgoedbeheerders meer zouden motiveren om hun gebouw of collectie te onderhouden. Een passend fiscaal beleid ontbreekt momenteel; dit is een van de belangrijkste ‘systeemfouten’ in Slovenië wanneer het over erfgoedbeleid gaat. Uiteraard bestaan er elders in Europa goede praktijkvoorbeelden op dit vlak. Daarnaast is het ook mogelijk om naar een specifiek model te zoeken, rekening houdend met de overheidsbegroting en andere elementen. Verheugend is dat de regering en de administratie recent meer belang zijn gaan hechten aan de rol en betekenis van het erfgoed. Het valt te hopen dat die evolutie zich ook doorzet op lokaal niveau. Ook is het nodig om de systemische onderfinanciering van het onderhoud en de restauratie van rijksmonumenten weg te werken. De recent aangenomen wet op de zogenaamde ‘culturele euro’ kanaliseert veel meer middelen naar de restauratie van cultureel erfgoed – een stap in de goede richting. Promotionele initiatieven, zoals het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed in 2018, mikken op dynamiek bij de overheid en iedereen die bij cultuur betrokken is. Ook het Ministerie van Economische Zaken, het Sloveense Bureau voor Toerisme en het Ministerie van Cultuur zullen nauwer en gerichter moeten samenwerken. Dit werpt ook de vraag op van geplande en continue opleiding van het personeel; er is behoefte aan hooggeschoolde en veelzijdige medewerkers. Interdisciplinariteit en het vermogen om een communicatieve, publieksgerichte vertaalslag te maken zijn de grote uitdagingen voor de

Installatie van het gerestaureerde werk van Vittore Carpaccio in de kathedraal van Koper. © ZVKDS archive

37


38


Vier items werden ook ingeschreven op de Representatieve Lijst van Immaterieel Cultureel Erfgoed van de Mensheid van Unesco: het Passiespel van Škofja Loka, de ronde van de Kurenti, kloskant in Slovenië en de kunst van gipsplaatconstructie, kennis en technieken.

toekomst. Daar wil het ZVKDS zich op richten en passende permanente programma’s voor opzetten.

ONBEKEND MAAKT ONBEMIND

De voorbije jaren heeft het ZVKDS veel middelen geïnvesteerd om de bekendheid van het erfgoed in Slovenië te verhogen. Zo heeft het publiek vandaag de keuze uit een ruim aanbod van activiteiten. Van klassieke formules en vaste waarden, zoals de Europese Open Monumentendagen, tot gerichte, gespecialiseerde professionele evenementen voor doelgroepen die betrokken zijn bij (bepaalde aspecten van) erfgoedwerking. Cultureel erfgoed wordt gezien als een van de belangrijkste aspecten en dragers van de identiteit in Slovenië, van zowel de ruimte als de samenleving. Met het project ‘Spoznaj? Varuj! Ohrani.’ (letterlijk: Ontmoet? Bewaak! Bewaar.) wordt (levenslang) leren als een speerpunt uitgespeeld. Het richt zich tot alle doelgroepen, van de jongste kinderen tot en met senioren. Het behandelt en presenteert het brede terrein van cultureel erfgoed, van onroerend tot

Een rietdekker aan het werk. © K. Kofol, 2006 Herstellen van de beschadigde muren van het kartuizerklooster van Žiče. © ZVKDS archive. Versierde koeken met houten koekmodellen. © K. Sekirnik, 2018 Versierde paaseieren uit Prekmurje. © Mateja Huber, 2014. Conservatie en restauratie van schilderijen van Vittore Carpaccio. © ZVKDS archief

roerend cultureel erfgoed, evenals het zeer rijke immateriële erfgoed.4 Sinds 2008 is er een Sloveens register van immaterieel erfgoed en zijn er 67 items geregistreerd. Vier items werden ook ingeschreven op de Representatieve Lijst van Immaterieel Cultureel Erfgoed van de Mensheid van Unesco: het Passiespel van Škofja Loka, de ronde van de Kurenti, kloskant in Slovenië en de kunst van gipsplaatconstructie, kennis en technieken. Het behoud van kwetsbare erfgoedpraktijken ligt net als elders bij individuen en gemeenschappen. Daarbij vormt de ongeremde groei van het toerisme een reëel risico. In 2021 merkte de staat ook het belang van immaterieel erfgoed op en stelde een financiële regeling op om de bewaring, documentatie en educatie te bevorderen. Erfgoed biedt kansen voor elk land, en dus ook voor Slovenië. De mogelijkheden die het biedt zijn legio. De ontwikkelingskansen zitten ongetwijfeld in het verhogen van de leefbaarheid en het welzijn van gemeenschappen. Daarbij gaat het uiteraard niet alleen om gebouwen maar ook om de omgeving waarin ze staan, en over de objecten die we gebruiken, bekijken en bestuderen, om onze gewoonten, onze kennis, ons probleemoplossend vermogen en over de toekomst. Vandaag de dag kan moeilijk gesproken worden over duurzaamheid zonder daarbij erfgoed aan te halen. Erfgoed vormt het hart van elke duurzame samenleving.

Duurzame ontwikkeling raakt ten minste aan drie gebieden: economie, het sociale en ecologie. Erfgoed maakt deel uit van alle drie. Het is een hefboom voor economische groei en draagt sterk bij aan de vorming van lokale en individuele identiteiten, precies omdat het een weerspiegeling is van onze waarden, ons geloof, onze overtuigingen, kennis en tradities. Onderhoud, kwaliteitsrenovatie en zorg voor heropleving betekent: zorg voor een kwalitatieve leefomgeving. Dat is het fundament van de duurzame ontwikkeling van de samenleving. Ook het toerisme heeft deze blik (h)erkend en maakt er ook gebruik van. Erfgoed kan een prima toeristisch product zijn, en de groeipercentages van toeristen die, ondanks de huidige covidpandemie, culturele locaties bezoeken in Ljubljana, Postojna, Bled, Lipica aan de kust en op vele andere plaatsen, illustreren dat er een markt voor is. Bovendien heeft men zich in Slovenië gerealiseerd dat toerisme van verschillende ‘soorten’ kan zijn en dat de focus op duurzaam toerisme, met erfgoed in een glansrol, de juiste keuze is voor Slovenië. Tot slot: cultureel erfgoed is een oneindig grote bron van ideeën, een concentraat van kennis, ervaring en voorbeelden van goede praktijken die naar het heden kunnen worden overgedragen. En dat is niets nieuws. ■

Barbka Gosar Hirci is conservator-restaurator bij het ZVKDS.5 Bronnen en literatuur 1. https://www.consilium.europa.eu/nl/council-eu/presidencycouncil-eu/ en https://slovenian-presidency.consilium.europa. eu/en/ 2. https://www.zvkds.si/en 3. https://slovenia-historic-towns.com/ 4. http://www.nesnovnadediscina.si/en/register 5. Deze tekst is gebaseerd op artikels van Jernej Hudolin, Damjane Slabe en Mateje Kavčič, resp. directeur-generaal, PR-medewerker en restaurator-architect bij ZVKDS.

39


ORGANISATIE

HOE DRAAG JE KENNIS EN KUNDE OVER AAN EEN NIEUWE GENERATIE?

HOE EXPERTISEVERLIES BEPERKEN? Na een carrière van meer dan 40 jaar ging Michelle De Brueker met pensioen. Zij was een gerenommeerde textielrestaurator aan het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK). Hoe kon het KIK haar doorheen de jaren opgebouwde kennis en kunde borgen en overdragen aan een volgende generatie? En hoe kon dat zo georganiseerd worden dat het voor Michelle een fijn afscheid werd? Agnes Vugts, Michelle van der Sluis en Jacqueline van Leeuwen

Z

oals Michelle zijn er velen, want de vergrijzingsgolf in de cultureel-erfgoedsector slaat toe. Met het vertrek van oudere werknemers kan heel wat kennis en kunde verloren gaan. Daarom is het belangrijk dat organisaties een strategie uitwerken om het expertiseverlies zo klein mogelijk te houden. Dat kan door voor het pensioen na te gaan welke competenties cruciaal zijn voor de toekomst. En natuurlijk door gericht te investeren in de vorming van de nieuwe generatie.

Kennis en kunde overdragen is echter niet eenvoudig. Soms verloopt het niet zo soepel, omdat de oude garde niet alle expertise wil delen: kennis kan immers ook macht zijn. Maar ook als er een wil is, dan is niet altijd duidelijk hoe men die overdracht concreet in de praktijk kan brengen. Daarom lanceerde FARO een handleiding met invulbladen en praktische werkvormen.1 In Nederland kwam er onderzoek dat aantoonde

40

waar er kansen zijn om de kennisoverdracht te ondersteunen via een kennisborgingstraject.2 Ook kwamen er zowel in Vlaanderen als in Nederland pilootprojecten om de vorming van een nieuwe generatie te stimuleren, zoals de Vlaamse beurzen voor vakmanschap3 en het Nederlandse initiatief ‘Erfgoedtalent’.4 Beide initiatieven kozen voor ‘dakpanconstructies’, die de ervaren expert en de nieuwkomer intensief deden samenwerken. Dat zorgde echter niet automatisch voor een soepele overdracht. Projecten die expliciet inzetten op innovatie hadden vaak het meeste succes. Als experten en beginners worden uitgedaagd om hun expertise te combineren en samen iets nieuws te ontwikkelen, dan geeft dat de samenwerking duidelijk richting en energie.5 Maar hoe kunnen organisaties dergelijke leerprocessen stimuleren? Welke randvoorwaarden moeten er dan vervuld zijn?


Naar aanleiding van Michelles pensioen zocht het KIK verschillende textielrestauratoren die, zij aan zij met Michelle, gedurende een jaar een wandtapijt zouden conserveren. © KIK-IRPA

We legden deze vragen voor aan verschillende ervaringsdeskundigen in Nederland, Vlaanderen en Brussel. Zij brachten ervaren rotten en beginners samen met een concrete opdracht. Door samen te werken aan hetzelfde project leerden ze gaandeweg van elkaar en konden ze het beste van zowel ‘het nieuwe’ als ‘het oude’ combineren. Uit hun ervaringen putten we graag vijf aanbevelingen.

1. NEEM URGENTIE ALS HEFBOOM De Nederlandse Stichting Behoud Moderne Kunst (SBMK) focust op het beheer en behoud van hedendaagse beeldende kunst. Het feit dat de enige twee kunststofexperts in Nederland met pensioen gingen, hield op termijn een risico in voor de identificatie van kunststoffen. Daarom startte de SBMK in 2017 met ‘Project Plastics’. Dat werd uitgevoerd door twee senior experts en twee junior onderzoekers die gaandeweg werden opgeleid. Samen ontwikkelden ze een digitale beslisboom en een fysieke Do It Yourself Kit met referentiematerialen en testjes. Hiermee kunnen museummedewerkers en andere betrokkenen zelf de kunststoffen in collecties identificeren en passende conserveringsmaatregelen nemen. De twee junior onderzoekers maakten zich de kennis van de seniors eigen en zetten deze om in nieuwe (digitale) methoden die voor iedereen beschikbaar zijn.6

Als experten en beginners worden uitgedaagd om hun expertise te combineren en samen iets nieuws te ontwikkelen, dan geeft dat de samenwerking duidelijk richting en energie.

41


2. KIES VOOR DE BLIK VAN EEN BUITENSTAANDER Eind 2019 nam Museum Plantin-Moretus afscheid van een meester-drukker. Hij kende de drukpersen als geen ander, want hij had zelf nog meegeholpen aan de bouw van een replica. Om zijn vakkennis over te dragen, stelde het museum twee groepen van ‘ontvangers’ samen die vanuit verschillende perspectieven naar het drukprocédé konden kijken. Er waren bijvoorbeeld docenten van de kunstacademie bij betrokken, jonge grafische kunstenaars, een videoreportagemaker en ook een fotograaf – die laatste twee documenteerden het geheel. Het museum hield twee workshops, waarbij de drukpers gebruikt werd en de deelnemers vragen konden stellen. Zo stimuleerden ze de expert om wat hij deed te expliciteren, want heel wat handelingen zijn door een jarenlange praktijk eerder onbewust geworden. Het is de bedoeling dat beide partijen de video van commentaar voorzien om een ‘externe blik’ te capteren. Zo versterken beide partijen elkaar.

3. ZET IN OP REFLECTIE EN DIALOOG LIMA is een platform voor mediakunst uit Amsterdam; het bestaat uit een kleine, vaste kern van experts en heeft een groot netwerk. De organisatie is gespecialiseerd in de conservering van mediakunst en heel wat nationale en internationale musea, kunstenaars, verzamelaars en erfgoedinstellingen vertrouwen op haar expertise. De grote vertegenwoordiging van digitale kunstwerken houdt een risico in, gelet op de technische ontwikkelingen en de pensioengerechtigde leeftijd van de huidige deskundigen. Dat maakt dat onderzoek, kennisvergaring en kennisdeling steeds belangrijker worden. De directrice heeft veel kennis, o.a. over de institutionele geschiedenis en de collectie, fondsenwerving en conservering. Zij startte haar kennisoverdracht met het ordenen van haar archief. Dit zette haar ertoe aan om de institutionele geschiedenis en het verhaal te schrijven van de ontwikkeling van de conservering van mediakunst in Nederland sinds 1990. Daarnaast nam LIMA een junior conservator en jonge onderzoekers aan, met het oog op kennisoverdracht en -ontwikkeling. In een aantal sessies kwamen vragen aan de orde over grote projecten, kantelmomenten in de organisatie en digitale technieken in de mediakunst. Belangrijk hierbij was de dialoog tussen de jonge onderzoekers en de seniors. Door vrijheid te geven aan de kennisoverdracht aan de juniors was er ruimte voor reflectie, kennisontwikkeling en innovatie.

42

4. STIMULEER NIEUW ONTWERP Het Nederlandse AmbachtenLab ontstond op verzoek van ambachtslui. Bij navraag bleek dat zij doorgaans zo druk bezet zijn, dat er maar weinig tijd en mogelijkheden overschieten om kennis en vaardigheden over te dragen. Het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN) brengt met deze Labs ambachtslieden, studenten uit het vakonderwijs, ontwerpers en platforms met elkaar in contact en probeert zo een kruisbestuiving te maken. Er zijn al zes Labs uitgevoerd, waarvan vier in het Nederlands Openluchtmuseum, een in Enschede over klompen maken, en een in samenwerking met het Fries Museum en het BorduurLab. De focus lag op het behoud en de overdracht van de technische vaardigheden en de materiaalkennis. Door kennis uit te wisselen konden innovatieve ideeën ontwikkeld worden. De methodiek van deze Labs bestaat uit twee stappen: in de eerste stap bevragen de deelnemers en de vakmensen de verschillende mogelijkheden en in de tweede stap wordt naar een (nieuw ambachtelijk) product toegewerkt. De eerste vier pilots van het AmbachtenLab zijn digitaal toegankelijk gemaakt via de website. KIEN heeft ook een handboek geschreven voor musea die met het AmbachtenLab willen werken.7

5. MAAK TUSSENLANDINGEN Bijna tien jaar geleden ging de laatste kuiper (tonnenmaker) van het Openluchtmuseum Bokrijk met pensioen. De schrijnwerkers merkten al vlug dat het voor hen niet zo makkelijk was om dit specifieke ambacht te bedrijven. En ook elders in Vlaanderen bleken kuipers dun gezaaid. Dankzij een samenwerking met de oprichter van Brouwerij Boon en Marleen Bonami van het Kuipersmuseum Nevele konden de schrijnwerkers van Bokrijk zes dagen meehelpen bij het herstel van een groot vat. Om hun leerervaringen te vatten maakten ze – op eigen initiatief – een logboek met foto’s. Dit ‘stappenplan’ werd dus niet door een meester opgelegd, maar kwam tijdens de samenwerking dankzij onderling overleg tot stand. Leren is tweerichtingsverkeer, zo blijkt eens te meer.8

EN MICHELLE?

De textielstudio van het KIK heeft een lange traditie in de conservatie en restauratie van wandtapijten. Naar aanleiding van Michelles pensioen lanceerde het KIK een (inter)nationale oproep: men zocht verschillende textielrestauratoren die, zij aan zij met Michelle, gedurende een jaar een wandtapijt zouden conserveren. De behandeling werd toegepast op een wandtapijt uit de collectie van het Museum Kunst & Geschiedenis in Brussel. Dankzij de steun van de Fondation


Om de vakkennis van een meester-drukker over te dragen, stelde Museum Plantin-Moretus groepen van ‘ontvangers’ samen die vanuit verschillende perspectieven naar het drukprocédé konden kijken. © An Eisendrath, in opdracht van Museum Plantin-Moretus

Dankzij een samenwerking konden de schrijnwerkers van Openluchtmuseum Bokrijk zes dagen meehelpen bij de herstelling van een groot vat. © Luc Daelemans

43


Met ‘Project Plastics’ van de Nederlandse Stichting Behoud Moderne Kunst brachten twee senior kunststofexperts hun kennis over op twee junior onderzoekers. © SBMK De focus van het AmbachtenLab lag op het behoud en de overdracht van de technische vaardigheden en de materiaalkennis. Door kennis uit te wisselen konden innovatieve ideeën ontwikkeld worden © Marco Gerritsen (Beeldblik Fotografie)

Périer-D’Ieteren kon elke buitenlandse deelnemer vier weken in Brussel verblijven. Daardoor hadden ze de kans om fysiek met Michelle te werken en bij elke stap te overleggen met haar en andere collega’s van het atelier. Maar ook om systematisch de onmisbare hands-onervaring op te doen en zo de specifieke behandelingsnoden, -stappen en -methoden voor de conservatie van wandtapijten te ervaren. Bijzonder aan dit traject was dat het van meet af aan inzette op kenniscreatie. Elke deelnemer bracht immers eigen visies en methodieken mee. Tijdens het behandelingsproces werden de verschillen in benadering met elkaar vergeleken en ontstonden er voor alle partijen zeer verrijkende discussies, en daarmee ook ruimte voor verandering. Op basis daarvan paste de organisatie elementen in het eigen werkproces aan.9

TWEERICHTINGSVERKEER

Door de kennisoverdracht op te vatten als een leerproces, waarbij men samen iets nieuws creëert, wordt het leren tweerichtingsverkeer. Centraal staat een concrete opdracht waaraan de oudere en de jongere garde samenwerken. De beginner biedt de frisse blik die de ervaren werknemer aanspoort om voorbij de eigen routine te kijken en om het waarom van de dingen uit te leggen. Bovendien zet de jongere daar eigen inzichten naast. Door samen aan een project te werken en op ontdekkingstocht te gaan, leren beide partijen bij en ontstaan er nieuwe producten en werkwijzen. Dit doet de grenzen tussen de ervaren rot en de frisse jonge blik vervagen. Zo kunnen ze samen echte partners in crime worden! ■

Agnes Vugts en Michelle van der Sluis van RaadSaam Erfgoedprojecten zijn vanaf 2017 bezig met specialistische kennisborging in de museale sector. Ze hebben een kennistraject ontwikkeld en bieden trainingen en begeleidingstrajecten aan. Jacqueline van Leeuwen is coördinator vorming en advies bij FARO, en maakte een toolbox voor kennisborging. Bronnen en literatuur

METHODIEKEN VOOR KENNISBORGING

FARO’s toolbox voor kennisborging10 bevat een stappenplan om een kennisborgingstraject in uw organisatie op te zetten. U vindt er ook een overzicht van werkvormen, gebundeld in deze categorieën: » Taken en acties documenteren » Een netwerk documenteren » Een globaal beeld van de vertrekkende collega maken » De geschiedenis van een project of organisatie overlopen » Gouden (lees)tips verzamelen » Samen met de nieuwe collega’s leren

44

1. https://faro.be/kennis/organisatieontwikkeling/hoe-borgt-u-de-kennis-uw-organisatie 2. https://raadsaam-erfgoedprojecten.nl/projecten/specialistische-kennisborging-in-de-museale-sector-in-samenwerking-met-vriens-archeo-flex/ 3. https://departement-cjm.foleon.com/cultuur/borgen-voor-morgen-vakmanschap-doorgeven-in-meester-leerlingtrajecten/cover/ 4. http://www.erfgoedtalent.nl/ 5. https://www.vlaanderen.be/cjm/sites/default/files/2021-03/CE-evaluatie-beurzen-vakmanschap.pdf 6. Project Plastics SBMK. Versie 30.06.2021 www.sbmk.nl/nl/projecten/plastics_projects; Het Project Plastics van het Design Museum Gent werkte nauw samen met het Nederlandse project en maakte de toolbox ook verder bekend in Vlaanderen en Brussel (zie: https://www.designmuseumgent.be/collectie/project/plastics). 7. Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland. Versie 24.06.2021, zie: www.immaterieelerfgoed.nl/nl/ambachtenlab; Handboek AmbachtenLab. Versie 24.06.2021, zie: www.immaterieelerfgoed.nl/image/2019/8/27/handboek_ambachtenlab_online.pdf 8. Een fotoreportage van deze kennisoverdracht leest u in het Bokrijk Magazine Vakmanschap. 9. Voor een uitvoeriger beschrijving van dit project: Griet Kockelkoren, Michelle De Brueker, Emma Damen and Wies Stortelder, ‘Looking Back, Looking Forward, Looking in from the Outside. Opening Up Doors to Outsider and Insider Views on Tapestry Conservation at the KIK-IRPA’, in: Preprints from the Spring Forum of the ICON Textile Group 15th-16th/19th-20th April 2021, 2021, pp.111-112. 10. https://faro.be/sites/default/files/bijlagen/e-documenten/Help%20mijn%20collega%20 vertrekt_def-2.pdf


DOSSIER SPOORWEGERFGOED

Aubrey Bodine (1906-1970), Spoorwegemplacement, 1945 © Musée de la Photographie à Charleroi. In het kader van Europalia Arts Festival, Trains & Tracks

45


SPOREN NAAR HET VERLEDEN

DOSSIER SPOORWEGERFGOED

HET GROEIENDE ERFGOEDBEWUSTZIJN VAN DE NMBS

46

V

Op 5 mei 1835 opende de ‘ijzeren weg’ tussen Brussel-Groendreef en Mechelen, de allereerste spoorlijn op het Europese vasteland voor reizigers. In recordtijd groeide het Belgische spoorwegnet uit tot een fijnmazig web. Sporen van die rijke geschiedenis worden vandaag door de NMBS, de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, op een professionele manier beheerd en ontsloten. Maar hoe groeide de ‘erfgoedreflex’ bij de NMBS?

eel ondernemingen herdenken de mijlpalen uit hun geschiedenis en vieren verjaardagen. Een tien-, vijfentwintig-, vijftig- of honderdjarig bestaan is aanleiding voor een feest en niet zelden groeit dan ook het idee om op een of andere manier het verleden van de onderneming te belichten. Voor de Belgische spoorwegen gebeurt dit een eerste keer in 1885. Naar aanleiding van de 50e verjaardag van de inhuldiging van de spoorlijn Brussel-Mechelen wordt een historische optocht georganiseerd. De in Antwerpen residerende Nederlandse kunstenaar Jan Antoon Neuhuys maakt voor de gelegenheid een machtig schilderij van de inhuldigingsrit van 5 mei 1835.

Bregt Brosens

Naast verjaardagen vormen ook wereldtentoonstellingen een gelegenheid om terug te grijpen naar het verleden van de spoorwegen. Zo wordt, op de wereldtentoonstelling van 1913 in Gent, naast moderne locomotieven ook de Pays de Waes getoond, gebouwd in 1844 en de oudst bewaarde locomotief van België, en is er een maquette van Le Belge, de eerste in België gebouwde locomotief. De Pays de Waes wordt ook in 1925


Schilderij van Jan Antoon Neuhuys (1832-1891), Inhuldiging van de eerste spoorlijn in België (vermoedelijk 1885) Collectie NMBS – Train World Heritage

in Londen tentoongesteld ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de spoorwegen in het Verenigd Koninkrijk. De maquette wordt opnieuw gepresenteerd, naast modern binnen- en buitenlands rollend materieel, in paleis 5 op de Heizel tijdens de wereldtentoonstelling van 1935 met als thema ‘Transport’.

HET EERSTE SPOORWEGMUSEUM

Een permanente tentoonstelling van spoorwegerfgoed komt er pas in 1951. Naar aanleiding van haar 25e verjaardag besluit de NMBS, opgericht in 1926, om een spoorwegmuseum te openen aan het Rogierplein, in de wachtzalen van het voormalige station Brussel-Noord. Het initiatief is echter een kort leven beschoren. Wanneer een jaar later het huidige station Brussel-Noord wordt geopend, wordt de collectie naar het station Brussel-Congres overgebracht. Van een nieuw museum is dan nog geen sprake. Wanneer in het nieuwe stationsgebouw twee ruimten, aanvankelijk voorzien als restaurant, vrijkomen, wordt beslist ze in te richten als museum. En zo opent de NMBS en stoemelings in 1958

haar eerste museum, bestaande uit twee zalen. Gezien de beperkte ruimte wordt er maar één stoomlocomotief tentoongesteld, de Pays de Waes. Voor het overige bestaat de permanente opstelling voornamelijk uit prenten en schaalmodellen. Vrijwel tegelijkertijd en gesterkt door de oprichting van dat museum ontfermt een aantal spoorwegmensen zich (weliswaar discreet en op eigen initiatief ) over het erfgoed van hun onderneming. In de schuilplaatsen voor tractiematerieel in Doornik en Leuven, waar rollend materieel ((stoom)locomotieven, rijtuigen, draaistellen …) voor verschroting wordt verzameld, redden zij enkele voertuigen van de sloop. Sommige worden zelfs gerestaureerd en vervolgens eind 1966 tentoongesteld in Brussel-Noord, naar aanleiding van de laatste rit met een stoomtrein in commerciële dienst.

GROEIEND ERFGOEDBEWUSTZIJN

Terwijl de museumcollectie geleidelijk wordt uitgebreid, ontstaat er in de jaren 1970 bij verschillende treinliefhebbers, binnen en buiten de NMBS, de wens om de oude stoommachines terug

47


aan het werk te zien. Terzelfdertijd groeit ook in ons land belangstelling voor industriële archeologie, zij het met enige vertraging ten opzichte van andere landen. Beide elementen luiden een nieuwe fase in voor het erfgoed van de NMBS. Voortaan is de bewaring ervan niet langer een discrete aangelegenheid van enkele cheminots met een hart voor erfgoed; vanaf nu wordt de zorg voor het eigen erfgoed ook daadwerkelijk ondersteund door de directie. Zo wordt in 1974 in Leuven met de steun van enkele universiteitsprofessoren de werkgroep ‘Spoorwegmuseum’ opgericht. Het doel? Druk uitoefenen om de overgebleven stoomlocomotieven een eigen museum te geven. Concrete resultaten blijven echter uit.

DOSSIER SPOORWEGERFGOED

Voor de organisatie van de 150e verjaardag van de spoorwegen in 1985 wordt een speciale dienst opgericht binnen de NMBS. De klemtoon van de viering wordt niet op de toekomst, dan wel op het rijke verleden van de Belgische spoorwegen gelegd. Speciaal voor deze gelegenheid worden enkele stoomlocomotieven en een van de eerste elektrische motorstellen gerestaureerd en opnieuw rijvaardig gemaakt. Bovendien wordt een tentoonstelling georganiseerd. Het verjaardagsfeest is een succes en blijkt veel interesse op te wekken bij het grote publiek. Daarom wordt beslist om de museumbewaarplaats te Leuven voortaan enkele dagen per jaar open te stellen voor het publiek, een evenement dat altijd op veel belangstelling kan rekenen.

48

Die interesse draagt ook bij tot het groeiende ‘erfgoedbewustzijn’ binnen de NMBS-directie. Op 19 oktober 1989 wordt de ‘Commissie Historisch Patrimonium’ opgericht met vier subcommissies: ‘Onroerende goederen’, ‘Roerende goederen’ (behalve rollend materieel), ‘Rollend materieel’ en ‘Archieven en documentatie’. De commissie krijgt drie doelstellingen: het definiëren van het begrip historisch/industrieel spoorwegerfgoed, het opstellen van criteria voor selectie, behoud en beheer en het beschikbaar maken van middelen. Bovendien wordt beslist om in Brussel een nationaal spoorwegmuseum op te richten, al betreft het nog slechts een principebeslissing. Overigens wordt datzelfde jaar beslist om de personeelsbibliotheek, opgericht in augustus 1937, om te vormen tot een professionele documentatie- en archiefdienst. Enkele jaren later, in 1993, wordt tevens een nieuwe museumbewaarplaats geopend in La Louvière-Sud.

ERFGOEDZORG: EEN (ECHTE) OPDRACHT

De opsplitsing van de NMBS in 2005 in drie bedrijven – de overkoepelende NMBS-Holding, spooroperator NMBS en infrastructuurbeheerder Infrabel – brengt ook voor haar historisch

Voor de organisatie van de 150e verjaardag van de spoorwegen in 1985 wordt een speciale dienst opgericht binnen de NMBS. De klemtoon van de viering wordt niet op de toekomst, dan wel op het rijke verleden van de Belgische spoorwegen gelegd. erfgoed ingrijpende gevolgen met zich mee. Volgens het nieuwe beheerscontract behoort het behoud van het spoorwegerfgoed en de realisatie van een nationaal spoorwegmuseum voortaan tot de taken van openbare dienst van de NMBS-Holding. Om deze dubbele doelstelling te realiseren ziet een stuurgroep het levenslicht. In het kader daarvan wordt in 2009, in samenwerking met de Vrije Universiteit Brussel, een project opgestart om de (intussen zeer uitgebreide) collecties te inventariseren. Tegelijkertijd wordt ook gewerkt aan de bewaring en waardering van die collecties. Zo wordt in 2006 beslist om het museum in Brussel-Noord te sluiten; de museumbewaarplaats te Leuven sluit in 2013. De collecties worden overgebracht naar een nieuwe bewaarplaats in Brugge, waar door plaatsgebrek echter een deel van het rollend materieel op dat moment dient afgestoten te worden. In 2011 wordt ook het Spoorwegmuseum De Mijlpaal in Mechelen gesloten. Ook die collectie, die eigendom is van de NMBS, wordt overgebracht naar de eigen museumbewaarplaatsen. In 2015 koopt de NMBS een deel van de collectie van het private Musée ferroviaire in Kinkempois. In 2014 volgt een nieuwe herstructurering en worden NMBS en Infrabel twee onafhankelijke bedrijven. De NMBS-Holding wordt opgeheven. Voortaan zal de NMBS zich ontfermen over de

Linksboven: affiche NMBS ‘150 jaar spoorwegen in België. De stoomtrein komt even terug!’ Collectie NMBS – Train World Heritage Rechtsboven: affiche NMBS 'Het spoorwegmuseum te Brussel-Noord. Een verrassende ontdekking!' Collectie NMBS – Train World Heritage Linksonder: affiche Belgische Staatsspoorwegen ‘Les Plages Belges'. Collectie NMBS – Train World Heritage Rechtsonder: affiche pakjesdienst NMBS. Collectie NMBS – Train World Heritage


49


wettelijke opdracht om het historisch erfgoed van de Belgische Spoorwegen te conserveren en te presenteren. Het professioneel beheer, de valorisatie en ontsluiting van de collecties met betrekking tot de rijke geschiedenis van de Belgische spoorwegen en de NMBS worden voortaan verzorgd door de dienst Train World Heritage. Die professionele valorisatie van het eigen verleden, dat teruggaat tot het begin van de 19e eeuw, moet tevens bijdragen aan de bekendheid en de versterking van het positieve imago van de NMBS.

RIJTUIGEN, AFFICHES EN NOG VEEL MEER

Het steeds grotere belang dat de NMBS zelf toekent aan haar erfgoed heeft ervoor gezorgd dat de onderneming vandaag een zeer omvangrijke maar vooral ook gevarieerde erfgoedcollectie bezit. De collecties spitsen zich toe op de geschiedenis van de Belgische spoorwegen in al haar facetten. Het gaat hierbij om erfgoed van de Belgische Staatsspoorwegen, NMBS (oud en nieuw), Infrabel, de voormalige holdingmaatschappij en alle dochtermaatschappijen. Ook het erfgoed van private spoorwegmaatschappijen die actief waren in België in de loop van de 19e en het begin van de 20e eeuw valt onder deze focus. De collecties bestrijken de periode van ca. 1835 tot de dag van vandaag.

DOSSIER SPOORWEGERFGOED

De spoorwegen hebben een grote impact gehad op de maatschappij; zowel economisch, sociaal als technologisch brachten zij vooruitgang en vernieuwing. Bij de collectievorming wordt met al deze aspecten rekening gehouden. De focus ligt dus niet enkel op rollend materieel en spoorweginfrastructuur, maar ook op personeel en reizigers, op de socio-economische impact van de spoorwegen, op de spoorwegen als inspira-

50

De focus ligt niet enkel op rollend materieel en spoorweginfrastructuur, maar ook op personeel en reizigers, op de socio-economische impact van de spoorwegen, op de spoorwegen als inspiratiebron in de beeldende kunsten, op tradities en evenementen, op communicatie en publiciteit, enzovoort.

Foto lampenist. Collectie NMBS – Train World Heritage

tiebron in de beeldende kunsten, op tradities en evenementen, op communicatie en publiciteit, enzovoort. De collectie bestaat vandaag dan ook uit bijna 3.000 originele affiches, reclameborden en reproducties, meer dan 600 tekeningen, prenten en schilderijen, zo’n 100.000 foto’s op diverse dragers, ongeveer 150 uren aan historische films (16 mm), 300 uren aan lijnfilms en ruim 1.000 uren aan filmmateriaal uit de voorbije drie decennia, bijna één strekkende kilometer historisch archief dat centraal wordt bewaard (berichten en omzendbrieven, reglementen en cursussen, dienstorders, plannen van gebouwen en rollend materieel, dossiers van industriële spooraansluitingen, etc.), een documentair fonds dat bestaat uit ruim 14.000 boeken en meer dan 60.000 artikels, spoorwegzegels (1879-1987), spoorwegvignetten en postkaarten en duizenden objecten, gaande van aandenkens tot schaalmodellen.

ONDERWEG NAAR BETER

Om de rijke erfgoedcollectie in de toekomst nog beter te kunnen bewaren, presenteren en ontsluiten zet de NMBS een aantal projecten voor de toekomst op de rails. Zo zal de dienst Train World Heritage vanaf 2023 zijn intrek nemen


Binnenzicht Train World. Collectie: NMBS / Affiche expo Orient-Express. Collectie: NMBS

op de Train World site in Schaarbeek. Ook het documentatiecentrum waar onderzoekers en anderen terechtkunnen met al hun vragen over het verleden van de Belgische spoorwegen zal er een plaats krijgen. Bovendien is er in 2019 een project uitgerold om het papieren archief bij de diverse directies en corporate diensten in kaart te brengen, bewaartermijnen vast te leggen en een definitieve bestemming te bepalen. Op die manier wordt de overdracht van het permanent te bewaren archief naar het centrale historische archief gegarandeerd. Via informatiebeheersplannen zal de koppeling worden gemaakt met de huidige digitale processen en zal ook daar gezorgd worden voor een adequate archivering. Daarnaast wensen Train World Heritage en Train World vanaf 2022 opnieuw historische treinritten te organiseren op het nationale spoorwegnet. Ook deze doelstelling werd reeds in 2008 verankerd in het beheerscontract tussen de federale overheid en de NMBS. Een in 2020 opgerichte werkgroep met leden van de NMBS, Dienst Veiligheid en Interoperabiliteit van de Spoorwegen en de FOD Mobiliteit bestudeert momenteel alle praktische en wettelijke veiligheidsaspecten om dit mogelijk te maken vanuit het station van Schaarbeek.

TRAIN WORLD

Een kleine maar imposante selectie uit de rijke erfgoedcollectie van de NMBS is sinds 2015 te bewonderen in Train World. Dit museum van de NMBS bevindt zich in en aan het gerestaureerde station van Schaarbeek, het enige nog volledig bewaard gebleven station in Brussel, en dompelt de bezoeker onder in alle facetten van de ‘ijzeren weg’ van het prille begin tot vandaag. Het interactieve museum vormt een universum dat een beroep doet op alle zintuigen, om de vele verschillende dimensies van de spoorwegen te kunnen bevatten. Behalve het technische verhaal over hoe een trein is samengesteld, wordt in de vaste opstelling eveneens het politieke verhaal en het ‘menselijke verhaal’ van de spoorwegen verteld. Op die manier vormt Train World niet enkel de vitrine van de spoorwegen van gisteren, vandaag en morgen; het biedt de bezoeker als het ware ook een spiegel op onze bredere samenleving. Tweemaal per jaar wordt de vaste collectie in Train World aangepast voor een tijdelijke tentoonstelling. ■

Bregt Brosens is historicus en antropoloog. Hij werkt als teamcoördinator Railway History & Research bij de NMBS.

51


TOERISME OP HET SPOOR

LE TRAIN DE PLAISIR ‘Nachttreinen zijn terug van weggeweest’, blokletterden tal van kranten begin 2021. Dankzij een monsterovereenkomst tussen de Duitse, Zwitserse, Franse en Oostenrijkse spoorwegen denderen er in de nabije toekomst terug slaaptreinen over het Europese net. Diverse kranten verwezen ook naar de historische voorgangers, zoals de legendarische treinen van Compagnie Internationale des Wagons-Lits (CIWL), die in de late 19e en vroege 20e eeuw over het Europese spoorwegnet reden. Gerrit Verhoeven

DOSSIER SPOORWEGERFGOED

M

et haar luxueuze treinstellen werd de CIWL algauw het favoriete vervoermiddel van een steenrijke bovenklasse. Venetië of Constantinopel, Nice of Chamonix, Wenen of Londen: de trein bracht hen in alle comfort naar elke uithoek van het continent. Maar de relatie tussen toerisme en de trein is natuurlijk nog een stuk ouder. Toeristen ontwikkelden al kort na 1835, toen de eerste trein tussen Brussel en Mechelen tufte, een bijzondere band met het nieuwe vervoermiddel. Tegelijk drukten de spoorwegen hun stempel op dat ontluikende toerisme.

BURGERLIJK TOERISME (1835-1905)

Victor Hugo was tuk op België. Tijdens zijn leven maakte de beroemde Franse romanschrijver – auteur van Les Misérables en Notre-Dame de Paris – een veertigtal reizen door ons land, waarbij de trein een belangrijke bondgenoot was. Zo schreef hij vol bewondering aan zijn vrouw Adèle over het staaltje spitstechnologie dat tussen Antwerpen en Brussel reed:

“C’est un mouvement magnifique qu’il faut avoir senti pour s’en rendre compte. La rapidité est inouïe. Les fleurs du bord du chemin ne sont plus des fleurs, ce sont des taches ou plutôt des raies rouges ou blanches ; plus de points, tout devient raie ; les blés sont de grandes chevelures jaunes, les luzernes sont de longes tresses vertes ; les villes, les clochers et les arbres dansent et se mêlent follement à l’horizon.”1 Franse, Britse, Duitse en Nederlandse reizigers die de jonge natie bezochten, maakten, net zoals Hugo, dankbaar gebruik van dat nieuwe vervoermiddel, waarvan de snelheid, de regelmaat, het comfort en de veiligheid een stuk hoger lagen dan de traditionele postkoetsen en trekschuiten. Dankzij het snel uitdijende netwerk werden Belgische steden vlot bereikbaar voor binnen- en buitenlandse toeristen. In 1852 publiceerde Hauman in Brussel de zoveelste heruitgave van de populaire spoor/reisgids van Alexandre Ferrier de Tourettes. Lezers van het Handbook for travellers

Affiche 'Auto-Nachtexpres Avignon-Brig-Milaan-Munchen. Aansluitingen: Milaan, Brindisi-Griekenland, Rome, zomer 1962' (NMBS) © Capouillard (ontwerper), Lith. P. Jacquet (Brussel) (drukker). Collectie NMBS – Train World Heritage

52


53


on the Belgian Rail-Road vonden er praktische informatie over de duur van de treinreis en de vertrekplaatsen van andere vervoermiddelen. Tussen Gent en Oostende voer bijvoorbeeld nog de nachtbargie: “It is a delightful journey. There are nice cabins with good beds.”2 Daarnaast schetste Ferrier ook een beeld van de belangrijkste bezienswaardigheden in Brussel, Antwerpen, Brugge en de andere ‘kunststeden’ in België. Tegen het midden van de 19e eeuw werden immers niet alleen de grotere, maar ook een rist middelgrote en kleinere steden bediend door de spoorwegen. Duizenden buiten- en binnenlandse reizigers maakten er dankbaar gebruik van om van de middeleeuwse pracht van Brugge of de barokke praal van Antwerpen te proeven, de romantische ruïnes van de abdij van Villers-la-Ville te bewonderen – letterlijk vanuit de treincoupé, want de spoorweg Brussel-Luxemburg doorsneed de site – of naar het mondaine kuuroord Spa te sporen. De komst van de trein maakte of kraakte bestemmingen.

DOSSIER SPOORWEGERFGOED

Zo groeiden de Grotten van Han uit tot een toeristische aantrekkingspool van internationale renommee. Dat de site vlot bereikbaar was via de lijn naar Luxemburg en een smalspoor dat reizigers van het station van Jemelle tot aan de ingang van de grot bracht, werkte daarbij als katalysator. Omdat het netwerk van spoorwegen er lange tijd veel minder fijnmazig was dan in het noorden van het land, kwam de toeristische ontwikkeling van de Ardennen een stuk later op gang. Dan waren de badplaatsen aan de kust zoals Oostende, Heist en Blankenberge veel beter ontsloten. Belgische – maar ook Britse, Franse, Duitse en Nederlandse

Groepsportret van de fietsclub ‘Pédale Club de Malines’ en plaatselijke bewoners aan een herberg op de Baraque Michel. Collectie: Stadsarchief Mechelen, inventarisnummer 9263 Affiche ‘Vos vacances à demi-tarif avec la: carte à réduction de 50% ordinaire ou familiale' (NMBS), 1962 © J. De Grève & Co (Brussel) (drukker), Cussac (Brussel) (fotograaf). Collectie NMBS – Train World Heritage Affiche 'Spa' (NMBS), 1946-1947 © Mathieu, Pol-François (ontwerper), Imp. Bénard (Luik) (drukker). Collectie NMBS – Train World Heritage

54

De komst van de trein maakte of kraakte bestemmingen.

– toeristen vonden zo massaal de weg naar onze stranden. Oostende was dan ook een halte voor de luxetreinen van de CIWL. Met buurtspoorlijntjes zakten die toeristen ook af naar De Haan, Knokke en andere ontluikende badsteden.

PROMOTIE EN CLUBS (1870-1930)

Spoorwegmaatschappijen – meervoud, want in het 19e- en vroeg-20e-eeuwse België waren naast de nationale maatschappij nog tal van commerciële actoren actief – beseften al vroeg dat die toeristen een gouden kans boden om treinen te vullen die tijdens het weekend zo goed als leeg waren. Diverse vormen van promotie werden ingezet om potentiële reizigers over de streep te


trekken. Een beproefd middel waren de kleurrijke affiches die alle verlokkingen van Tongeren, Doornik, Blankenberge, Rochefort, Spa en tal van andere bestemmingen in beeld brachten. Vaak werkten de spoorwegmaatschappijen in tandem met lokale syndicats d’initiatives – de voorlopers van onze huidige diensten voor toerisme – om die posters te ontwerpen en te verspreiden. Op een nog grotere schaal braakten spoorwegmaatschappijen toeristische brochures uit. Een vel dichtbedrukt papier, gevouwen en rijk geïllustreerd, was vaak voldoende om de charmes van ‘onontdekte’ steden, streken en andere toeristische parels te selecteren. In 1907 kwamen de Chemins de fer de l’État belge bijvoorbeeld op de proppen met Bords de la Meuse, of een brochure die de vele verlokkingen van Dinant, Bouillon en de abdij van Orval breed uitmat.3 Om reizigers te informeren, hielden spoorwegmaatschappijen ook toeristische informatiekantoortjes open in de grote stations waar reizigers inlichtingen konden sprokkelen over vervoer, logies en bezienswaardigheden. Dezelfde kantoren waren ook te vinden in Londen, Parijs, Wenen en andere Europese metropolen,

waar buitenlandse toeristen zich op een reis naar België konden voorbereiden. Naast de welgestelde heren en dames die de treincoupés bevolkten, kwam in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog en tijdens het interbellum ook een nieuw type reiziger op. Toeristische verenigingen – enerzijds de in 1895 opgerichte Franstalige Touring Club de Belgique (TCB) en anderzijds de in 1921 gestichte flamingante tegenhanger Vlaamse Toeristenbond (VTB) – wilden vooral de (bredere) middengroepen aan het reizen krijgen. Hoewel beide clubs ook naar de fiets en de auto lonkten, bleef de trein een belangrijk vervoermiddel. Met de trein spoorden leden in clubverband het hele – of in het geval van de VTB het Vlaamse – land af. Een zondag naar de Kempen, een blitzbezoek aan het middeleeuwse Gent, een tripje naar Ieper en de slagvelden van WO I, een zwoele zomeravond met beiaardconcert in Mechelen: de lokale afdelingen van VTB (en TCB) zorgden voor een gevarieerd programma, waarvan de praktische details via het bondsblad gecommuniceerd werden. Door die erfgoedsites

55


en lieux de mémoire aan elkaar te knopen, voedden die reisverenigingen het Belgische/Vlaamse nationalisme. Dat was ook het geval met de kleinere clubs zoals de Pédale Club de Malines. Hoewel de vereniging in de late 19e eeuw was opgericht om geestdriftige fietsfanaten samen te brengen, organiseerde ze ook tal van toeristische uitstapjes voor haar leden. Foto’s tonen de goedgeklede leden op hun vele uitstapjes: het stille Minnewater in Brugge, de machtige stuwdammen van de Gileppe, de Zeeuwse meisjes in Terneuzen of de outback van de Baraque Michel. Treinen – betrouwbaar, veilig, comfortabel en naar buitenlandse normen spotgoedkoop – maakten dat soort regelmatige dag- en weekenduitstapjes mogelijk.

DEMOCRATISERING (1905-1970)

DOSSIER SPOORWEGERFGOED

Op het einde van de 19e eeuw liep het elitaire, burgerlijke toerisme op zijn laatste benen. Een batterij legislatieve maatregelen zou ervoor zorgen dat toerisme in de volgende decennia met een sneltreinvaart democratiseerde. Na de invoering van de verplichte zondagsrust in 1905 drukten de vakbonden in 1936 de congé payé door in het parlement, waardoor arbeiders recht kregen op vijf dagen betaalde vakantie. Intussen waren de spoorwegmaatschappijen echter ook niet bij de pakken blijven zitten. Trains de plaisir – zondagstreinen – werden sinds de eeuwwisseling ingezet om arbeiders, die ook wel eens de zilte zeelucht wilden opsnuiven, tegen bodemtarief naar de kust te voeren. Dat was niet altijd naar de zin van het traditionele elitepubliek. Korzelig merkte Baedeker, de kwaliteitsvolle Duitse uitgever van de beroemde roodgekleurde reisgidsen, in 1900 op dat er weinig meer restte van het mondaine elan van Oostende dat nu elke zondag belegerd werd door het janhagel uit de fabrieken die met de trains de plaisir toestroomden en het strand onveilig maakten. Welgestelde gasten namen de wijk naar ’t Zoute, Westende en andere badplaatsen die moeilijker met het openbaar vervoer bereikbaar waren en daardoor langer exclusief bleven.

56

Intussen trok de Belgische overheid verder de kaart van democratisering, door in 1937 met de Volksvakantiekaart op de proppen te komen. Daarmee konden arbeiders voor een prikje naar de kust, de Ardennen of een andere bestemming in België reizen en mochten ze tegen reductietarief ook allerlei attracties bezoeken. Treinen waren ook het ideale transportmiddel om de duizenden arbeiderskinderen te vervoeren, die door de liberale, socialistische of katholieke zuil naar zee werden gestuurd om daar aan te sterken in een van de vele vakantiekolonies. Dat sociale beleid, hoe vooruitstrevend ook, zette trouwens niet altijd zoden aan de dijk. In 1947 becijferde de

Brusselse hoogleraar Jacquemeyns dat hooguit de helft van de Belgische arbeiders ooit al eens een reisje had gemaakt in zijn/haar leven.4 Eigenlijk kreeg de democratisering van het toerisme pas echt vleugels in de jaren ’50 en ’60, toen de welvaart met zevenmijlslaarzen steeg. Die stijgende levensstandaard zorgde er ook voor dat steeds meer gezinnen zich een eigen wagen konden veroorloven, waardoor de trein langzaam maar zeker aan belang inboette. Koning auto werd het onbetwiste middel voor vakanties, weekend- en daguitstapjes naar zee, naar de Ardennen of de kunststeden.

SPOORERFGOED (1970-2020)

Doordat de trein in het naoorlogse België steeds vaker ingewisseld werd voor andere vervoersmodi voor vakantie en werkverkeer, kromp ook het netwerk zienderogen. Letterlijk honderden kilometers spoor werden buiten dienst gesteld, stations massaal gesloten, rangeerstations, depots en tunnels opgedoekt. Omdat de NMBS omwille van de krimpende markt wel andere brandjes te blussen had, kreeg het spoorwegerfgoed niet altijd – of eerder vaak niet – de aandacht die het


Affiche '937B.F. Brussel - Bazel in 6 uren, Edelweiss Trans Europ Express' (NMBS / TEE), 1962 © Funken, Paul (ontwerper), Marci (Brussel) (drukker). Collectie NMBS – Train World Heritage Affiche 'Air Pur chemins de fer européens’, 1975 © Foré (ontwerper), SNCF (Société nationale des chemins de fer français) (drukker). Collectie NMBS – Train World Heritage

Gerrit Verhoeven is deeltijds professor erfgoedstudies aan de Universiteit Antwerpen en archivaris/wetenschappelijk onderzoeker aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. Meer lezen? » P. Neirinckx, Affiches op het spoor. Spoorwegaffiches in België 1833-1985. Tielt, Lannoo, 2006. » B. Stroobants & G. Verhoeven, Met de trein: 175 jaar spoorwegen. Mechelen, Musea Mechelen, 2010. » B. Van der Herten (ed.), België onder stoom. Transport en communicatie tijdens de 19de eeuw. Leuven, Universitaire Pers, 2004.

Bronnen en literatuur 1. Geciteerd in: Y. Vander Cruysen, Les belles traces de Victor Hugo en Belgique. Parijs, La Boîte à Pandore, 2016, p. 18. 2. Ferrier de Tourettes, Handbook for travellers on the Belgian rail-road. Brussel, Hauman, 1854, p. 113. 3. Bords de la Meuse, de la Lesse, de la Semois. Brussel, Chemins de fer de l'État belge, 1907. 4. Jaarverslag over de werking van de directie voor arbeidersvacantie. Brussel, Commissariaat-Generaal voor Toerisme, 1950.

Met Train World heeft de NMBS een belangrijke wissel genomen om haar onschatbaar spoorerfgoed voor de toekomst te bewaren en te ontsluiten.

verdiende. Lokale verenigingen van treinliefhebbers en cheminots sprongen in de bres om een erfgoedwerking uit te bouwen. Zo stampten in Maldegem vrijwilligers het Stoomcentrum uit de grond, waar sinds de late jaren ’80 op zon- en feestdagen een stoomtreintje over de sporen

tuft, terwijl Spoorwegmuseum De Mijlpaal in Mechelen de herinneringen aan de eerste trein in 1835 levend hield.

eindelijk aan bij een aantal baanbrekende voorbeelden in Frankrijk, Nederland en – spoorland par excellence – Groot-Brittannië.

Pas in 2015 nam de NMBS de fakkel weer over en opende Train World de deuren in het station van Schaarbeek, waar een deel van de collectie uit de intussen opgedoekte De Mijlpaal en het museumpje in het Noordstation een onderkomen vond. Het gros van de verzameling kwam echter uit een reusachtig depot op de stelplaats in Leuven, waar de stoomlocomotieven en wagons, ticketmachines en stationsklokken, uniformen en tal van andere spoorwegparafernalia decennialang stof hadden vergaard. Met Train World heeft de NMBS een belangrijke wissel genomen om haar onschatbaar spoorerfgoed voor de toekomst te bewaren en te ontsluiten en haakt ons land, na decennialang oeverloos ter plaatse warmdraaien,

Ondanks die inhaalslag kan er nog wel een tandje bij. In York verzamelt het National Railway Museum niet alleen allerlei objecten, maar ontsluit het via een slimme, multimediale aanpak ook de onvermoede weelde van toeristische affiches, brochures, spoorweggidsjes en ander documentair erfgoed. Daarnaast zijn er de talloze interviews met gewezen machinisten, kaartjesknippers, hotelmanagers en – niet te vergeten – de reizigers zelf. Train World heeft ook zo’n systeem in de steigers, maar het is toch nog even koffiedik kijken voor die erfgoeddatabank echt onder stoom komt. En voyage! ■

57


OVER HET KRIMPEN VAN TIJD EN RUIMTE IN DE LITERATUUR

OP VLEUGELEN VAN STOOM 1831. Terwijl het stof van de Belgische onafhankelijkheid langzaam gaat liggen, broedt de Belgische politieke elite op een manier om de echtscheiding met Nederland ook economisch te boven te komen. Met de Scheldeblokkade en het wegvallen van de Rijnverbinding met Duitsland staat het jonge België voor grote uitdagingen. En de enige weg is: vooruit! De stoomtrein wordt het sleutelwoord in een bijzonder proces van nation building. Toon Caers

DOSSIER SPOORWEGERFGOED

D

58

e rest is geschiedenis. In 1835 werd de eerste spoorlijn op het Europese vasteland ingewijd tussen Brussel en Mechelen. In 1843 volgde de verbinding met Duitsland. Bij de aankomst van de inhuldigingsrit in Mechelen op 5 mei 1835 hield de minister van Binnenlandse Zaken een korte toespraak, die letterlijk geciteerd werd in de kranten: “Ik zal niet onderneemen hier af te maelen alle de voerdeelen der yzere wegen, zy bepaelen zich tot twee hoofdpunten: bezuyniging van tyd, en bezuyniging van geld.” Met deze leus van time is money stond het jonge België een mooie toekomst te wachten. Het kleine land zette zich in de Europese markt als een vrijhaven voor ondernemers en opende hiermee de deur voor een industriële ontwikkeling zonder weerga. De trein deed iets met mensen: voor sommigen was de stoomtrein een baken van vooruitgang, en een vervoermiddel dat het land een nieuwe tijd in zou stomen. Anderen zagen het rokende zwarte beest als een bedreiging voor de rust en eenvoud van het plattelandsleven, en voor de post- en vervoerdiensten die al bestonden. Kort na de verbin-

ding met Duitsland was er ruim 500 km spoor in België, in 1912 was dit vertienvoudigd tot ruim 5.000 km. Na een wilde, broeierige start met veel privéinitiatief had de overheid aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog het grootste deel van het spoorwegnet in handen. Met het succes en de snelle uitbreiding van de spoorwegen klonken de positieve stemmen uiteindelijk een stuk luider dan de negatieve. Ter ere van het vijfentwintigjarig bestaan van de spoorwegen in België schreef men in 1859 een poëziewedstrijd uit, gewonnen door de Antwerpse dichter Jan Van Beers: “En daer weêrklinkt het eensklaps: ‘’t Is gevonden! Ge zijt verwezentlykt, myn schoonste droom! De laetste kluister, die mij hield aen ’ t stof gebonden, Valt af! - de ruimte is voor myn wil verzwonden: Ik vlieg - op vleugelen van stoom!’”

Hij verwelkomde de trein als “zoon der vryheid” en “jonger broeder der Drukpers”, en plaatste zich zo duidelijk in het positivistische kamp.


Claude Monet, Aankomst van een trein in Gare Saint-Lazare, 1877. Collectie: Harvard Art Museums/Fogg Museum

Hiermee sloot Van Beers aan bij een traditie van beeldvorming en discussie die de maatschappij sinds de introductie van de trein tekende.

af in de buurt van deze winkelstraten: Grand Bazars, modehuizen, opera of theater, flaneren of een drankje nuttigen op de nieuwe boulevards …

Door de ontwikkeling van het spoorwegnet gebeurden verplaatsingen niet alleen sneller. Vaak werden naast spoorweglijnen meteen telegraaflijnen aangelegd, en de post verplaatste zich van de koets naar de treinwagon. Stations herbergden dus ook post- en telegraafkantoren en groeiden uit tot brandpunten van communicatie, modernisme en kosmopolitisme. Ook de spoorhallen waren kinderen van hun tijd: met een combinatie van glas en staal waren de stationsoverkappingen een indrukwekkend symbool van de modernisering. In veel steden ontwikkelde de chique winkelstraat zich tussen het station en het oude stadscentrum. En de activiteiten die de 19e-eeuwse samenleving tekenden spelen zich

De Antwerpse taalkundige Arthur Heyligers stelde het in 1886 in het openingsnummer van Het Belfort als volgt: “IJzeren wegen, stoombootvaart, wereldpost en telegraaf hebben in de 19e eeuw een nieuwen toestand in het leven geroepen, zij zijn de machtige hefboom geworden van de nieuwere tijden, en zullen nog gedurende vele eeuwen hunnen invloed doen gelden.” Dat er in een literair tijdschrift als Het Belfort plaats was voor zulke beschouwingen, lijkt te verwonderen. Toch toonden de auteurs en redacteurs zich relatief vaak als pleitbezorgers van deze moderne samenleving. Hiermee waren ze meer dan de vertalers van een maatschappelijke verandering: ze droegen er actief toe bij.

59


We namen twee tijdschriften onder de loep voor de ruime periode van de vorige eeuwwisseling. Het Belfort liep van 1886 tot 1899, Dietsche Warande ontstond midden 19e eeuw en fusioneerde in 1900 met Het Belfort tot Dietsche warande en Belfort (DW B). Het wordt vandaag nog steeds uitgegeven. Wat deze tijdschriften interessant maakt is dat ze literatuur, geschiedschrijving en actualiteit verenigden. Ze hadden wel een beperkt publiek, en boden daardoor vooral een blik op de culturele wereld van de 19e-eeuwse burgerij. Werd de trein positief of negatief benaderd? Benadrukte men snelheid of traagheid? En welke thema’s kwamen aan bod? Sprak er vooruitgang uit, of eerder nostalgie? Was het politiek geladen? Of had de trein slechts een literaire bijrol?

DOSSIER SPOORWEGERFGOED

GROTERE LEEFWERELD

Onderzoek lijkt uit te wijzen dat de burgerlijke elites de trein en de industriële ontwikkeling aan het einde van de 19e eeuw hadden omarmd. Van alle fragmenten die een waardeoordeel uitspraken over de trein, zijn er 60 positief en 23 negatief. Het is duidelijk dat modernisering een totaal andere notie van tijd binnenbracht in onze samenleving. Van alle fragmenten die de snelheid van de trein bewust bespraken, vonden slechts zeven de trein traag, en 45 snel. Om alle uurschema’s, spoorwissels en overstappen onder controle te houden, deden de stationsklok en de standaardtijd hun intrede. Het zakhorloge ging tot de vaste uitrusting van de moderne mens behoren. Het gezapige leventje van de postkoets of de trekschuit was voorbij. Gedaan met rustig koffie drinken in de herberg tot er voldoende volk was om te vertrekken. De Oost-Vlaamse dichter en schrijver Hendrik De Marez ondervond dit in 1892 aan den lijve: “‘Meneer, moet ge naar Brugge vertrekken?’, komt me de waardin vragen. ‘Wel zeker, om half zes.’ ‘Wel, Meneer, de trein vertrekt daar juist.’ En de waardin schijnt mij een gezicht te zetten alsof ze me wilde zeggen: ‘Het is hoogst tijd dat ge u haast!’” In de literatuur spreekt men van het krimpen van tijd en ruimte. De leefwereld werd groter, alles was bereikbaar op korte tijd. En de trekschuit? Die werd voer voor grapjes als men kon vitten op de Nederlandse Spoorwegen. De Leuvense hoogleraar Jozef De Cock stelde het in 1913 als volgt: “Er is inderdaad niets zoozeer hollandsch als een hollandsche trein. De hollandsche wij-hebben-àl-den-tijd-geest, die vroeger belichaamd was in de trekschuit, is thans in de spoor getogen. Doodeenvoudig een geval van zielsverhuizing. Een hollandsche trein is noch min noch meer dan een stoomtrekschuit op wielen. Ge moet u nooit in ’t zweet loopen, als ge hier met een trein mee wilt.”

TOEGANKELIJK VOOR DE KLEINE MAN

Inhoudelijk springt vooral de vooruitgang in het oog. Van de 279 relevante fragmenten hangt in

60

Snelheid en waardeoordeel Waardeoordeel

Snelheid Totaal

Neutraal

Positief

Negatief

Neutraal

163

45

19

227

Snel

27

15

3

45

Traag

6

0

1

7

196

60

23

279

90 een duidelijke sfeer van vooruitgangsoptimisme. De auteurs die bijdroegen aan Dietsche Warande en DW B worden vandaag snel gezien als reactionairen die, zich afzettend tegen de positivistische bourgeoisie, het Vlaamse boerenleven in beeld brachten. Het is daarom des te merkwaardiger dat de idylle van het platteland eigenlijk zelden naar boven komt in de fragmenten, terwijl de stoomtrams van de buurtspoorwegen volop de ‘achtergebleven’ gebieden veroverden. In de late 19e eeuw ontrolde zich vanuit de grote treinstations namelijk een uitgebreid en veel fijnmaziger netwerk van stoomtrams en paardentrams. Hiermee was de ontvoogding compleet: het moderne vervoer werd ook voor de kleine man toegankelijk. Veel seizoensarbeiders en dagloners maakten gebruik van tram en trein om hun kost te gaan verdienen. Met abonnementen voor arbeiders en groepskortingen zette de overheid hier ook actief op in. Dit had natuurlijk ook een keerzijde. Ernest Claes beschrijft het in het naturalistische Wroetersleven in 1907: “Door den muur hoorde hij in den stal de koeien zachte moemen naar hun eten en de lauw-brakke geur der koeisop drong hem prikkelend in den neus van uit het achterhuis. Eenige vliegen dreven gonzerig door z’n kamerken heen en weer, en in de verte hoorde hij het schrille fluiten van een trein die vertrok. Dat bracht hem opeens de heele, ruwe werkelijkheid van z’n leven duidelijk en scherp-afstekend in den geest, met den langen sleep der verdrietige dagen die voorbij waren en die nog komen moesten, dat vertrek ’s maandags ’s morgens naar Luik, het harde slaven der gansche eentonige week aan ’t leggen eener tramlijn, om dan ’s Zaterdags ’s avonds thuis te komen, afgemat en als gebroken onder ’t overdanige werk.” Dit laat vermoeden dat men ook de negatieve gevolgen van de trein en de industriële ontwikkeling erkende, maar niets is minder waar. Opnieuw komen de auteurs niet naar voren als de smachters naar het idyllische platteland. Integendeel: ze becommentariëren de politieke en maatschappelijke impact die de trein op de samenleving heeft, en het commentaar is overwegend positief. Zo worden rampen bijvoorbeeld niet

Totaal


Postkaart van station Brussel-Noord (toen nog aan het Rogierplein) rond 1910 met de aansluitende stadslijnen van koetsen en paardentrams. Publiek domein

Postkaart van de ravage na de nationale treinramp van 1908 in Kontich. Collectie: Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Marktgangers nemen de trein rond 1900. © KADOC-KU Leuven. Beeldcollectie.

Foto van het eerste type paardentram ‘Chevaline’ gebruikt in Brussel nabij de tramremise van Ter Kamerenbos, rond 1874. Publiek domein

aangegrepen om kritische vraagtekens te plaatsen bij de ongebreidelde economische en industriële ontwikkeling. Bij treinrampen tussen 1886 en 1913 vielen minstens 110 doden. De nationale spoorwegramp in Kontich in 1908 wordt nergens vermeld, en ook de Titanic blijft onbesproken. Voor de auteurs van de onderzochte tijdschriften hadden deze gebeurtenissen blijkbaar geen invloed op hun vooruitgangsoptimisme.

MINIATUURWEERGAVE VAN DE MAATSCHAPPIJ

De trein is meer dan een reeks cijfers en feitjes in de hall of fame van de Belgische industrialisering. Het is de belichaming van een tijdsgewricht, het symbool van een gouden eeuw met enkele donkere randjes. In de loop van de 19e eeuw ontpopte de trein zich tot een miniatuurweergave van de maatschappij. Bijna iedereen kon er gebruik van maken, op voorwaarde dat ze in de juiste klasse reisden. Alles ging sneller, de wereld kwam binnen handbereik. Stations waren de kathedralen van de vooruitgang, het landschap veranderde, en mensen evolueerden mee. Dit artikel maakt duidelijk dat deze ontwikkelingen ook de tijdgenoten allesbehalve onberoerd lieten. En hoewel de democratisering van de auto de 20e eeuw een totaal an-

dere richting zou uitstuwen, liggen de sporen van de trein er nog steeds. U mag kiezen of u Jan Van Beers in zijn slotwoord gelijk geeft:

“O! Vry moog blinde wrevel klagen: ‘Wat wrocht onze eeuw toch, dat het knagen Des tydstrooms zegeryk vercht? Gy, dwergenras uit onze dagen, Wat aenwinst hebt ge al bygedragen By ’t erfdeel van het forsche voorgeslacht?’ Wy, fier op twintig wondren ’t oog geslagen, Wy toonen enkel u, o wonderwagen; En durven dan der toekomst vragen: ’Wat eeuwe heeft u meer gebracht?’”

Toon Caers is historicus en studeerde af met de scriptie Op vleugelen van stoom. Literaire verbeelding van de trein in het fin-de-siècle. Hij geeft geschiedenis, Nederlands en cultuurwetenschappen op het SintJan Berchmanscollege in Malle.

61


HET

ATELIER

“Agrarisch erfgoed, dat is meer dan de boer uit West-Vlaanderen”

» Door: Elien Doesselaere | portret: © FARO, foto 1, 3, 4: © CAG, foto 2: © Heidi Loenders

De werkplek van: de medewerkers van het Centrum Agrarische Geschiedenis (CAG) in Leuven.

62


faro trekt eropuit naar inspirerende werkplekken. Deze keer kloppen we aan bij CAG, de cultureelerfgoedorganisatie met een dienstverlenende rol rond agrarisch erfgoed. De medewerkers gaan aan de slag met het erfgoed van landbouw, voeding en landelijk leven, van vroeger tot nu. Ze doen dat samen met iedereen met een hart voor dit erfgoed, van Anzegem tot Ganshoren, van Zoersel tot Lanaken. Wat betekent dit concreet?

1 “Tweejaarlijks werkt CAG rond een bepaald thema. Ditmaal

legt het project Koffiestories de focus op koffie, met medewerking van Plantentuin Meise, het Koninklijk Verbond van Koffiebranders en Cera. Het opzet? Collecties, kennis en rituelen rond koffie-erfgoed in Vlaanderen en Brussel in kaart brengen, onderzoeken en presenteren. Na een tentoonstelling in BELvue museum loopt er momenteel in het Snijders&Rockoxhuis een expo over het intrigerende verhaal van koffie.

2 In opdracht van de Vlaamse overheid beheert CAG de

Collectie Bulskampveld, een landbouw- en ambachtencollectie. Deze collectie, bewaard in een depot in Zwevezele, vormt het vertrekpunt voor toegepast erfgoedonderzoek. De wagenmakerij in Vlaanderen vormt een van de speerpunten. Collectiebeheerder Brecht interviewt Willy Loenders, zoon van een wagenmaker uit Hechtel-Eksel. In 2022 openen, verspreid over Vlaanderen, verschillende expo’s over de wagenmakerij. Daarbij wordt onder meer gebruikgemaakt van de inzichten uit deze interviews.

3

Cinema louter een stedelijk fenomeen? Absoluut niet! Landbouworganisaties zagen film als een krachtig communicatiemiddel. Onder de noemer Cinema Rural brengt CAG, samen met o.a. Boerenbond, CINEMATEK, meemoo en VRT, verschillende filmcollecties in kaart en voorziet ze van een uitvoerige beschrijving. Een digitale databank maakt de resultaten van dit internationale project kenbaar bij het brede publiek. Een selectie van de films is nu al ontsloten via het portaal van de European Rural History Film Association (ERHFA).

4 CAG is er ook voor erfgoedgemeenschappen die ondersteu-

ning willen bij hun immaterieel-erfgoedpraktijk. Zo bereidt het Europese netwerk rond traditionele weidebevloeiing het multinationale dossier Traditional Irrigation in Europe: technique, knowledge and organisation voor. Het doel? Een plek op de Representatieve lijst van het immaterieel cultureel erfgoed van de mensheid van Unesco. Om dit dossier vorm te geven, begeleidt CAG workshops met erfgoedgemeenschappen, waarbij dialoog en uitwisseling van ideeën centraal staan. Hier zien we Chantal in actie tijdens een bijeenkomst in Oostenrijk.” ■

63


ETEN EN DRINKEN IN HET STATION

WOK AROUND THE CLOCK De Belgische spoorweggeschiedenis is een huis met veel kamers. Een aantal daarvan zijn al diepgaand onderzocht, zoals de opbouw van het netwerk, de ontwikkeling van het rollend materieel of de stationsarchitectuur. Vergeten zijn veelal de ontwerpen van de binnenruimte van stations. Stationsgebouwen werden de eerste jaren maar met mondjesmaat opgetrokken en het duurde relatief lang vooraleer het net goed was uitgerust met onthaalinfrastructuur voor treinreizigers. Paul Van Heesvelde

DOSSIER SPOORWEGERFGOED

Stationsbuffet en wachtzaal Collectie NMBS – Train World Heritage

64


E

r zijn voldoende aanwijzingen dat er in de vroege periode van de spoorwegen weinig aandacht is besteed aan de noden van reizigers, net zomin als aan buffetten en buvettes waar de lange-afstandsreiziger zich van spijs en drank kon voorzien. Uiteenlopende hypotheses verklaren dit relatieve gebrek aan interesse. Vooreerst is er de keuze die in 1832 werd gemaakt om vooral de privésector via concessies een belangrijke rol te laten spelen. Die optie werd snel verlaten, maar de vraag wie voor reizigersvoorzieningen zou instaan, bleef onbeantwoord. Technische maatstaven bepaalden het ontwerp en de bouw van de stations en niet zozeer de noden van de gebruiker. Ruim vijfenvijftig jaar na de opening van de eerste spoorlijn, in 1891, nam Jules Vandenpeereboom, de minister van spoorwegen, een duidelijke positie in in het debat over buffetten in de stations. De meningen lagen ver uiteen: parlementslid Heynen pleitte ervoor het aantal buffetten vooral niet te laten stijgen, terwijl zijn collega Grosfils vond dat er niet genoeg eetgelegenheid was voor de reizigers. Vandenpeereboom kon niet anders dan besluiten dat de waarheid ergens in het midden moest liggen. In grote stations was een buffet-restaurant noodzakelijk, in de kleinere stations kon een buvette of drankenstalletje volstaan. De discussie werd na de Eerste Wereldoorlog niet als zodanig heropend. Pas in de jaren 1980 kre-

Stationsbuffet en wachtzaal Collectie NMBS – Train World Heritage

gen de buffetten een klap te verduren. Het IC-IRplan van 1984 maakte komaf met veel vroege en late treinen, waarmee een belangrijk deel van de buffetklanten reisden. Andere factoren speelden ook een grote rol. Het grote bouwprogramma van de NMBS heeft ertoe bijgedragen dat buffetten sinds het begin van deze eeuw tijdelijk dan wel definitief gesloten zijn. Dat is natuurlijk niet de enige verklarende factor. Vooral ons gewijzigd consumptiepatroon, waarbij meer fastfood wordt gegeten, is mee verantwoordelijk voor de krimpende vraag naar een rustplek. Voeg er ook aan toe dat elk uur van de dag goed is voor een hap. Er is nauwelijks onderzoek verricht naar de rol van stations in de catering voor reizigers in de vroege periode van de spoorwegen. Wie moest instaan voor het comfort van de reizigers? De privéondernemingen die een concessie kregen bij de spoorwegen of de staatsspoorwegen zelf? Waren de buffetten überhaupt nodig? En zijn ze nog van deze tijd?

ALLE BEGIN IS MOEILIJK

Van bij het begin van de spoorwegen werd een vrij volledig en gebiedsdekkend netwerk met internationale en nationale verkeersverbindingen voorzien. Daarin had Mechelen een centrale rol. De eerste spoorlijn was een ongezien succes; vele duizenden reizigers wilden tussen Brussel en Mechelen reizen, maar de omkadering voor reizigerstransport was ondermaats. De pers merkte dat

Collectie Paul Pastiels

65


al zeer vroeg op. Reizigers moesten de hele stad door om een restaurant of een hotel te vinden. Ook op het spoorwegdomein zelf waren de voorzieningen ontoereikend.

DOSSIER SPOORWEGERFGOED

Vier jaar na de opening van de eerste spoorlijn werd in een rapport aan de Kamer duidelijk gemaakt dat stations ruimer moesten bemeten worden dan oorspronkelijk was voorzien. In 1840 vroeg de regering een bijkomend krediet om de achterstand in de bouw van de stations te financieren en om de tekorten in de begroting weg te werken. Op dat ogenblik was geen van de stations afgewerkt, om van buffetten en buvettes nog te zwijgen. Dat hele veld werd eigenlijk aan de privésector overgelaten, zoals dat in de oorspronkelijke discussies ook was voorzien. Ingenieur Perrot maakte dat in zijn overzichtswerkje over de Belgische spoorwegen van 1844 duidelijk. Het station van Mechelen was eigenlijk te klein en men kon er de ingenieurs niet van verdenken bij de bouw ervan overdreven luxe te hebben nagestreefd. Twee elementen hadden hier een rol gespeeld. Enerzijds was er de visie dat allerhande kosten voor stations, wachtzalen, loketten, buffet, enz. zouden worden vergoed door de vervoerders. Anderzijds lieten steden niet na overeenkomsten af te sluiten voor de aanleg van ontsluitingswegen of de inname van grond, waarbij ze andere ambities koesterden dan de spoorwegingenieurs.

66

De budgettaire orthodoxie werd echter aangehouden en tegelijk kloegen parlementsleden over te kleine wachtzalen, waar nauwelijks meer dan vijf mensen tegelijk aanwezig konden zijn. Het leek er vooral op dat de overheid de mensen liever weghield van de spoorwegen dan dat ze de reizigersaantallen wilde verhogen. De privésector had intussen niet stilgezeten en in Mechelen werd in dezelfde periode een buvette geopend in Coloma, in de buurt van het station. Vanaf 1846 vaardigde de spoorwegdirectie een verbod uit op drankverkoop door het eigen spoorwegpersoneel in de stations. Het spreekwoordelijke gat in de markt was ongevraagd ingevuld door spoorwegmensen die voor de dienstverlening instonden.

ALLE BATEN HELPEN

De internationale verbindingen die het basisspoorwegnet vanaf 1843 mogelijk maakten, openden mogelijkheden voor het verbeteren van het reizigerscomfort. Op zowel de verbindingen met Duitsland als met Frankrijk nam het verkeer hand over hand toe. In 1852 werd in het parlement gepleit voor de inrichting van een wachtzaal en buffet voor de reizigers tussen Oostende en Engeland. De discussies in het parlementaire halfrond gingen in de vroege jaren vijftig echter niet zozeer over het comfort van de reizigers,

Het leek er vooral op dat de overheid de mensen liever weghield van de spoorwegen dan dat ze de reizigersaantallen wilde verhogen. Vanaf 1846 vaardigde de spoorwegdirectie een verbod uit op drankverkoop door het eigen spoorwegpersoneel in de stations.

maar vooral over de wijze waarop concessies werden verleend. Concessies werden gezien als een rijke bron van inkomsten voor de spoorwegen, maar dat kwam de restauranthouders en de hotels in de stationsbuurten niet ten goede. Wat echter meest tegen de borst stuitte was de gratis toewijzing van concessies, zoals klaarblijkelijk in het station van Namen was gebeurd tijdens het voorjaar van 1858, of stationspersoneel dat met een stroman het stationsbuffet liet uitbaten en de winsten van het buffet wist toe te voegen aan een loon dat door de overheid werd betaald. Meer zelfs, het stationsbuffet bleek tot op zekere hoogte te verworden tot een klassiek dorpscafé, ten nadele van de café-uitbaters rond het stationsgebouw. De toename van het internationale reizigersverkeer ondersteunde ook innovatieve vragen in het parlement. De graaf van Parijs, die uit Engeland was vertrokken, kwam met een aanzienlijke vertraging in België aan waardoor hij zijn maaltijd misliep. Aan dat gebrekkige comfort kon een einde worden gemaakt door best practices van buurnetten toe te passen. Een stationsbuffet zou bijvoorbeeld kleine picknickmandjes kunnen voorzien waarmee de reizigers onderweg zouden kunnen eten. De verpakkingen (bestek, borden, plateau, enz.) konden dan in een afwaarts station worden opgehaald en teruggezonden naar het station waar de bevoorrading had plaatsgevonden. Een andere mogelijkheid bestond in het invoegen van gespecialiseerde rijtuigen in de internationale treinen, waardoor voor langeafstandsritten restauratie mogelijk werd. Georges Nagelmackers zou die oplossing toepassen bij Wagons-Lits. Opnieuw kreeg de privésector vrije baan voor het leveren van diensten aan internationale reizigers.


Collectie NMBS – Train World Heritage

Collectie NMBS – Train World Heritage

Affiche uit 1979 met reclame voor de stationsrestaurants en buffetten Collectie NMBS – Train World Heritage

VERDERE EVOLUTIES IN DE STATIONSRESTAURATIE

De meningen over de investeringen in stationsbuffetten bleven in het parlement wel heel erg verdeeld. In 1891 bevestigde minister Vandenpeereboom dat de toestand op dat ogenblik bevredigend was. Er waren twintig stations die een buffet met restaurant hadden; achttien stations hadden een kleine drankenstand en over zeven jaar gespreid waren er maar twee bijgekomen. Vanaf de jaren 1890 werden de spoorwegen ingrijpend hervormd en dat gold ook voor de buffetten. De kwaliteit van sommige stationsbuffetten was nog steeds ondermaats: “Je moet echt uitgehongerd zijn om te gaan eten in een dergelijke achterbuurt waar je constant wordt aangestoten door mensen die komen en gaan”, werd tijdens het parlementaire debat aangehaald. Sinds 1895 voerde de overheid een meer

67


actieve politiek voor de stationsrestauratie. Buffetten werden gesloten of omgevormd tot buvettes. Vanaf 1896 gebruikte de directie van de staatsspoorwegen een standaardbestek voor het aanbesteden van de concessies. Het was de bedoeling tot meer uniformiteit te komen en vooral toe te zien op het alcoholverbruik in de stations. Er was een algeheel alcoholverbod gekomen in negen buffetten en buvettes. De maatregel tegen alcoholmisbruik miste zijn doel niet: de opbrengsten daalden significant. Die daling zette zich gradueel door naarmate het standaardlastenboek bredere toepassing kreeg. Elke nieuwe concessie of contracthernieuwing gaf aanleiding tot bredere verspreiding van het alcoholverbod. In 1900 was alcoholconsumptie al in veertien buffetten en buvettes verboden. De inkomsten uit de concessies bleven in de volgende jaren verder dalen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was er in de Belgische buffetten niet veel te beleven. De spoorwegen in bezet België waren voorbehouden voor de bezetter. Na de oorlog hernam het gewone leven; de stationsrestauratie en drankgelegenheden openden opnieuw de deuren. Tot de jaren 1980 veranderde er niet zoveel. Het bleef er vaak droevig drinken.

DOSSIER SPOORWEGERFGOED

WAT NU MET DE BUFFETTEN?

De herinrichting van stations en het bouwprogramma van de NMBS heeft een grote weerslag gehad op de buffetten. Ook een gewijzigd consumptiepatroon met meer fastfood was geen stevige basis om de stationsbuffetten open te houden. Meer zelfs: het profiel van de modale treinreiziger heeft zich doorheen de laatste decennia ook afgetekend in de daling van het aantal verkochte hectoliters bier in de stationsbuffetten. Sinds de spoorwegen in 1984 het IC-IR-plan invoerden, verdwenen veel erg vroege en erg late treinen. Voor arbeiders die in ploegendiensten werkten, was er geen openbaar vervoer meer. Steeds meer bedienden of middenkaders begonnen de trein te gebruiken, wat zich vertaalde in een lagere consumptie in de stationsrestauratie. Ook de gewijzigde visie van de toenmalige directeuren bij de spoorwegen heeft niet bijgedragen tot het in stand houden van dit patrimonium. In 2004 verklaarde Paul Martens, dan verantwoordelijk voor het patrimonium van de NMBS, dat

Stationsrestaurant en buffet van Brussel-Noord. Collectie NMBS – Train World Heritage Gezellige babbel in het stationsbuffet - plaats onbekend. Collectie NMBS – Train World Heritage Stationsbuffet van Verviers-Centraal. Collectie NMBS – Train World Heritage

68


de sfeer nu vooral proeven door u onder te dompelen in literatuur, muziek en film. Misschien zegt een beeld wel meer dan duizend woorden.

de klassieke stationsbuffetten vaak niet meer waren dan trieste getuigen van vergane glorie. De uitstraling en de sfeer waren er al te vaak muf en oubollig. Bovendien zorgden doorzakkende spoorlui en postbodes al eens voor een vrouwonvriendelijk imago, meende hij. Bij de spoorwegdirectie leefde het gevoel dat het anders, hipper, jonger en vooral gezonder moest. Het lag voor de hand dat er een breed aanbod aan voedsel moest komen, want de pendelaar eet op elk uur van de dag en bovendien leefde het vermoeden dat de brooddoos definitief naar het hoekje van het erfgoed was verdreven. In grote stations is het vandaag ‘Frituur en meer’, ‘Kebab en meer’, ‘Wafels en meer’, koffies met ronkende namen in slappe kartonnen bekertjes en ten slotte de obligate baguette, al dan niet getoast. We eten en drinken steeds meer al wandelend of staand op het perron. Wie de diepste lagen van een buffet wil doorgronden, moet er vele uren gesleten hebben. In tegenstelling tot cafés in de stationsbuurten zijn stationsbuffetten van een geheel ander slag. Omdat ze nagenoeg allemaal verdwenen zijn, kunt u

Er zijn films die het buffet als achtergrond hebben, zoals The Lunch Date, of Brief Encounter, een Engelse film uit 1945. Er is de muziek waarvan misschien meest tot de verbeelding sprekend de Super Rail Band of Bamako was, een legendarische band uit Mali die jarenlang elke zaterdag in het stationsbuffet van Bamako speelde wanneer de trein uit Dakar aankwam, met Mory Kanté als bekendste muzikant. Er is toneel, er is literatuur met het buffet als scène. Allemaal bevestigen ze die bijzondere sfeer van het stationsbuffet, veel meer dan parlementaire bronnen dat doen, maar dat zijn weer andere verhalen. ■

Paul J.G.M.J. Van Heesvelde studeerde geschiedenis aan de Vrije Universiteit Brussel. Hij is vooral actief in de spoorweggeschiedenis en heeft verschillende bijdragen gepubliceerd over spoorwegen en oorlogsvoering. Hij werkt als adviseur en mobiliteitsexpert bij de Vlaamse overheid, departement Mobiliteit en Openbare Werken.

Atlantis

Atlantis Crowdsourcing

Platform voor collectiebeheer en online presentatie

Atlantis Crowdsourcing

Online presentatie van collecties is naadloos onderdeel van de oplossing waarmee Atlantis volledig integreert binnen uw eigen website of websites van derden. Collecties uit systemen van derden worden met Atlantis samengesmeed tot één geïntegreerd geheel. Erfgoedwebsites van DEVENTit zijn toegankelijk en onderscheidend in vormgeving en werking. Door toepassing van de nieuwste technieken en standaarden wordt bezoekers een optimale erfgoedbeleving geboden. 033-2992277 office@deventit.nl www.deventit.nl

Archief- en inventaris Beeldbank Museum Bedrijfshistorie Bibliotheek Archeologie Bouwdossiers Kranten en tijdschriften

DEVENTit is ISO 270001 gecertificeerd.

Atlantis is NEN 2082 gecertificeerd.

Akten en registers

Belééf het Erfgoed

Atlantis is een volledig webbased oplossing voor collectiebeheer en het online publiceren van erfgoedcollecties. Kenmerken van Atlantis zijn: gebaseerd op internationale standaarden, géén gebruikerslicenties, onbeperkt support en krachtige publicatie-, zoek- en integratie- functies.

69


KONINKLIJKE RIJTUIGEN TERUG OP HET JUISTE SPOOR

VAN POETSEN NAAR PREVENTIEVE CONSERVERING Tijdens de voorbereidingen van de opening van Train World ontdekten de NMBS-medewerkers een ernstige schimmelaantasting in hun ‘koninklijke rijtuigen’. Snel werd duidelijk dat deze historische rijtuigen meer nodig hadden dan een gewone ‘kuisbeurt’. Deze calamiteit betekende niets meer of minder dan een paradigmashift naar preventieve conservering, onder de succesvolle en professionele begeleiding van de cel Preventieve Conservatie van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK).

DOSSIER SPOORWEGERFGOED

Anne-Cathérine Olbrechts

70

D

e historische collectie van de Belgische spoorwegen omvat zes koninklijke rijtuigen met een grote artistieke waarde. Drie daarvan, gebouwd in het begin van de vorige eeuw, werden gebruikt door Leopold II en Albert I. De andere drie dateren van het einde van de jaren 1930 en deden dienst tijdens de regeerperiodes van Leopold III en Boudewijn.1

LEK DAK, VERWARMING NOCH VENTILATIE

Nadat eind 2012 de schimmelaantasting ontdekt was werd het KIK ingeschakeld. De aantasting was hevig en prominent aanwezig in de zes

historische interieurs. Door de omstandigheden waarin de rijtuigen werden bewaard kon het niet verbazen dat schimmels binnenin welig tierden: het gebouw waarin de rijtuigen stonden was in slechte staat door betonrot en lekken in het dak. Bovendien had de brandweer het gebouw onveilig verklaard, wat maakte dat het erfgoed dat erin werd bewaard om veiligheidsredenen moeilijk toegankelijk werd en dus aan zijn lot werd overgelaten. Het vochtige klimaat in de rijtuigen was niet alleen het gevolg van het lekkende dak, maar ook van het feit dat het gebouw niet meer werd verwarmd. Het werd niet langer bemand door medewerkers van de NMBS. Daarenboven waren de rijtuigen hermetisch afgesloten, wat een


Transport van het koninklijke rijtuig Leopold II-Albert I © Denis Moinil. Collectie NMBS – Train World Heritage Salon- en eetzaalrijtuig van de koninklijke trein 'Leopold II / Albert I' (Rijtuig B1). Compagnie Internationale des Wagons-Lits, 1912. Collectie NMBS – Train World Heritage Het interieur van een rijtuig uit 1901. Werkfoto © KIK-IRPA, Brussel

gebrek aan ventilatie veroorzaakte. Al deze factoren vormden – samen met een gebrek aan regelmatige inspecties – de ideale broeihaard voor schimmels. In dergelijke omstandigheden kon (het begin van) de schade onmogelijk worden opgemerkt. De NMBSmedewerkers waren zich wel degelijk bewust van de ongeschikte bewaaromstandigheden, maar hadden geen alternatieve ruimte ter beschikking. Bovendien was de verplaatsing van deze rijtuigen (die in 1976 voor het laatst waren gebruikt) omslachtig en risicovol. Bij de NMBS vroeg men zich af of ze de interieurs zelf zouden ‘kuisen’, of experten inschakelen. Gelukkig nam men contact op met het KIK, waar de cel Preventieve Conservatie het hele proces begeleidde, van het vooronderzoek, het plan van aanpak voor de bestrijding tot en met de nazorg. De medewerkers van de cel Preventieve Conservatie kregen de vraag om het decontaminatieproject te coördineren. Alvorens deze opdracht aanvaard werd, hamerden ze op het primordiale belang van zorg na de uitvoering van de werken. Het budget dat de uitvoering en de coördinatie vereiste was van die omvang dat het onverantwoord was om niet meteen verder te kijken. Het toekomstige behoud en beheer en een nieuwe bewaarplaats stelde het KIK als voorwaarden voor de samenwerking. Uiteindelijk werd een vijfdelig traject uitgestippeld:2

71


Schimmelgroei op een matras. Werkfoto © KIK-IRPA, Brussel

FASE 1: STABILISEREN

Begin 2013 startte de eerste noodinterventie: daarbij werd binnenin de treinen luchtcirculatie gecreëerd. De deuren van de compartimenten en kleine kipraampjes werden geopend. Daarnaast moest ook de relatieve vochtigheid (RV) in de rijtuigen dalen tot onder 60 % – de kritieke grens voor verdere schimmelgroei. Gezien de lange blootstelling aan een vochtig klimaat (gemiddeld 72 % RV) en de diversiteit aan materialen (met elk hun specifieke noden en gevoeligheden) moest de ontvochtiging voorzichtig worden uitgevoerd. De RV mocht maar met een maximum van 3 % per 24 uur dalen, en dit gradueel en verspreid over een tijdspanne van 30 dagen, opdat de klimaatgevoelige materialen en objecten in de rijtuigen de tijd kregen om zich aan te passen. Tijdens deze fase controleerde het KIK-team de activiteit van de schimmel doorheen de maanden door op verschillende momenten schimmelstalen te nemen. Het stelde vast dat de ontkieming van de schimmelsporen steeds trager verliep en concludeerde dat het (gecontroleerd) verlagen van de relatieve vochtigheid effect had op de schimmelactiviteit.

DOSSIER SPOORWEGERFGOED

FASE 2: GEDETAILLEERDE VOORSTUDIE

72

De schimmelaantasting bestrijden was uitdagend, op veel vlakken. Zoals: de omvang van de rijtuigen, de diversiteit aan materialen, de methode om de schimmels doeltreffend te bestrijden en mogelijke andere aftakeling die ook moest worden behandeld. Daarom werkte het team eerst zorgvuldig een reeks conditierapporten uit; daarbij werd de conditie per rijtuig in kaart gebracht. Bij de opstart monitorde het team het klimaat (temperatuur en relatieve vochtigheid) in het depot en in de rijtuigen en voerde het ook regelmatig analyses uit van de concentratie schimmelsporen in de lucht en van de schimmelactiviteit in de rijtuigen.

Schimmelgroei op een mastrasbeschermer. Werkfoto © KIK-IRPA, Brussel

Om de kans op uitvoering door niet-erkende of onervaren conservatorenrestaurateurs te verkleinen, hanteerde men strikte gunningscriteria bij het beschrijven van de openbare opdracht. Met een team van tien conservatoren-restaurateurs, elk gespecialiseerd in hun discipline (glas, textiel, hout, metaal, schilderkunst, moderne en keramische materialen) testten ze in situ reinigingsmiddelen en -methoden. De tests gaven aan hoe hardnekkig de schimmels waren en hoe ze verwijderd konden worden. In een volgende stap hielp het team de NMBS bij het opstellen van een lastenboek. Om de kans op uitvoering door niet-erkende of onervaren conservatoren-restaurateurs te verkleinen, hanteerde men strikte gunningscriteria bij het beschrijven van de openbare opdracht. In het lastenboek werd bijvoorbeeld het criterium ‘kwaliteit van het voorstel tot uitvoering’ gelijkgesteld aan het gunningscriterium ‘prijs’. Firma’s die ondermaats scoorden op het onderdeel kwaliteit werden hierdoor uitgesloten van verdere deelname. Verder formuleerde het team een aantal voorwaarden om te garanderen dat de schimmelbestrijding zou verlopen volgens de deontologie van conservatie-restauratie (onder andere uitvoering door verschillende restaurateurs gespecialiseerd in het desbetreffende materiaal, respect voor de gebruiksslijtage van het historisch interieur en zachte reinigingsmethodes).


Er werden niet alleen aanbevelingen geformuleerd voor een betere preventieve conservatie, er werd ook een onderhoudsen controleplan uitgewerkt.

FASE 3: (MECHANISCHE) VERWIJDERING

Uiteindelijk kreeg een in preventieve conservatie gespecialiseerd beredderingsbedrijf de volledige opdracht toegewezen. De samenwerking tussen deze externe uitvoerder en het KIK ging op 1 oktober 2014 van start. Tijdens de opstartvergadering werd de opdracht duidelijk afgebakend: het team, de planning en de behandeling werden besproken en het opleveringsprotocol werd vastgelegd om misverstanden te vermijden. Het praktische werk in de rijtuigen duurde zes maanden, waarvan één maand voorbereidend werk en één rijtuig per twee à drie weken.

FASE 4: OPVOLGING

De twee wagons die naar Train World gingen, moesten ook langs de buitenkant onder handen genomen worden. Daar zaten stof, schimmel, vuil en roest. De NMBS nam deze opdracht zelf voor haar rekening. Dankzij de communicatie met de NMBS-technici werkte het KIK-team opnieuw aan de mindshift: deze historische rijtuigen mochten immers niet dezelfde behandeling krijgen als een moderne wagon. Agressieve reinigingsmiddelen waren uit den boze.

FASE 5: TRAJECT NAAR PREVENTIEVE CONSERVERING

wagons hebben ruimte nodig, net als het onderhoud dat ze als historisch erfgoed verdienen. De NMBS kampte met plaatsgebrek en had geen geschikt depot met bijhorende werking en een professioneel team. Daarom werd een uitgebreid adviesrapport opgesteld, met een beschrijving van de collectienoden. Op deze manier kregen de NMBS-medewerkers een beeld van de criteria waaraan een geschikt depot moet voldoen om deze rijtuigen op een verantwoorde manier te beschermen tegen aftakeling. De collectienoden werden opgesteld aan de hand van de meest belangrijke risico’s en gevaren – de alom bekende tien schadefactoren.3 Belangrijkste schadefactoren in deze context zijn klimaat, ventilatie, verontreiniging, licht, onderhoud, controle en veiligheid. Alles werd gedefinieerd: op het niveau van de locatie, het gebouw, de bewaarruimte, de rijtuigen zelf en het behoudsbeleid. Er werden niet alleen aanbevelingen geformuleerd voor een betere preventieve conservatie, er werd ook een onderhoudsen controleplan uitgewerkt. De betere bewaring van de rijtuigen is nu in handen van de medewerkers van Train World die er zorg voor zullen dragen. Ramen, deuren, tafels en vloeren kunnen niet zomaar met standaard schoonmaakmiddelen gepoetst worden. Door regelmatige controle kunnen calamiteiten voorkomen worden en kan schade aan materialen beperkt worden. Het KIK stelde hiervoor een draaiboek op en gaf ook aanbevelingen voor een plan van geïntegreerde pestbestrijding (integrated pest management4). Als kers op de taart kwam de vraag om enkele personeelsleden van de NMBS en Train World op te leiden om die nazorg stilaan op zich te nemen. Qua sensibilisering kan dat tellen. ■

Anne-Cathérine Olbrechts is adviseur behoud & beheer bij FARO. Bronnen en literatuur 1. De berline (of het salon- en slaaprijtuig) werd in Frankrijk gebouwd en in 1901 in gebruik genomen. De gangen en de zit- en slaapvertrekken zijn opgeluisterd met versieringen en ornamenten in art nouveau. Het salon is dan weer ingericht in Lodewijk XVI-stijl. Het conferentie- en eetzaalrijtuig bestaat uit een eet- en conferentiezaal, een dienstlokaal, een kleine badkamer en een toilet. Een ander salon- en eetzaalrijtuig bestaat uit een luxueus salon en een kleine eetkamer die de volledige breedte van het rijtuig in beslag nemen. Dit rijtuig werd gebouwd in België en kwam in 1912 in dienst. Het interieur van dit salon is in art-decostijl; dat van de eetzaal in Lodewijk XV-stijl. De vierde koninklijke wagon werd in 1938-‘39 gebouwd door de Centrale Werkplaats van de NMBS in Mechelen. Verschillende privéfirma’s stonden in voor het interieur. 2. Dit is een samenvatting van de verschillende stappen. U leest er meer over in volgende uitgebreide artikels: K. Sneiders & M. Debulpaep, ‘Historical trains invaded by fluffy stuff. Mould issues in six historical train interiors: treatment and follow-up’, in: Big Stuff 2015, zie http://bigstuffheritage.org/historical-trains-invaded-by-fluffy-stuff-mould-issues-in-six-historical-train-interiors-treatment-and-follow-up/ en W. Roland-Gosselin, W. Anaf, L. Debry, E. Otten, E. De Bruyn, M. Debulpaep, H. Arijs & G. Madalijns, ‘Ten Agents of Deterioration as a framework for KIK-IRPA’s preventive conservation projects’, in: KIK Bulletin 36 (2019-2020): p. 12-15. https://www.kikirpa.be/nl/publicaties/bulletin-36-2019-2020?lang=nl 3. Zie: https://faro.be/kennis/de-tien-schadefactoren. 4. Zie: https://faro.be/kennis/de-tien-schadefactoren/ongedierte-en-schimmel.

Rollend erfgoed kan doorgaans niet zomaar in een verloren hoekje van een depot geplaatst worden. Mastodonten als deze

73


DE LIJNFILM: EEN VERGETEN ‘FILMGENRE’

“SPOREN VAN EEN VERANDERD BELGIË” Sinds 2010 werken NMBS – Train World Heritage en CINEMATEK samen om het waardevolle filmerfgoed van de Belgische treinmaatschappij te bewaren en te ontsluiten. Zo werd de historische collectie van 16- en 35mm-films (maar liefst 180 titels rijk) door NMBS – Train World Heritage in bewaring gegeven bij CINEMATEK. Dit analoge filmmateriaal werd gaandeweg gedigitaliseerd. Johan Vreys

E DOSSIER SPOORWEGERFGOED

en product is bijvoorbeeld de dvd Rail, met een begeleidend boekje waarin spoorwegjournalist Herman Welter de kijker met tekst en context gidst door twaalf archieffilms en evenveel verhalen uit de Belgische spoorweggeschiedenis tussen 1919 en 2010. Ook via de website van Train World kan de geïnteresseerde de erfgoeddatabank en de collectie ‘Films’ raadplegen. Bij elk gedigitaliseerd filmrecord horen ook enkele korte fragmenten.

74

Een bijzonder onderdeel van de filmcollectie zijn de zogenaamde lijnfilms. In 2018 werden 2.050 bobijnen van deze films bij CINEMATEK gedeponeerd. Deze films behandelen 64 verschillende Belgische spoorlijnen. Elke spoorlijn is, afhankelijk van de lengte en complexiteit van de lijn, onderverdeeld in baanvakken. Van elk baanvak bestaan er vier filmversies: heen, terug, Nederlands- en Franstalig. Elk van deze lijnfilms is tussen de 20 en 30 minuten lang.

LEERMIDDEL

Wat is er te zien? Dat is sterk afhankelijk van de lijn/het baanvak. De kijker ziet enkel wat zich voor de neus van de locomotief en een beetje links-rechts van de sporen afspeelt: seinen, bruggen, huizen langs de sporen, perrons van stations, maar ook kruisende treinen of vertakkingen van de sporen. Deze films werden gebruikt om treinbestuurders het parcours op een bepaalde spoorlijn aan te leren. In het algemeen geven deze lijnfilms een mooi tijdsbeeld van hoe België er in de jaren 1970 langs de sporen uitzag. Het blijkt een uitdaging om deze omvangrijke collectie films te bewaren en te beheren. De eerste stap is het opmaken van de inventaris. Alle bobijnen worden nagekeken op bewaringsstaat, beeldkwaliteit, geluidskwaliteit, fysieke kwaliteit, lengte … Dit werk gebeurt door vrijwilligers. Het is de bedoeling om per baanvak te bepalen welk element bewaard zal blijven bij CINEMATEK. Versies in slechte staat worden niet weerhouden en uiteindelijk afgestoten.


1

2

3

4

5

6

7

Beelden uit de dvd ‘Rail’: 1: Groote herstelling van een locomotief 2 en 3: 50 ans SNCB. © CINEMATEK

7

8

9

10

11

12

13

14

15

4 t.e.m. 7: Montage journaalfilms 8 en 9: Au temps de la vapeur 10: Electrification Charleroi

11 en 12: Chemins de fer et gare dans une colline 13 en 14: Voyage au pays du rail a, b 15: Montage pub 1959-2010

75


REIS IN DE TIJD

Een van die vrijwilligers is Patrick Callens. Hij las in het NMBS-magazine Het Spoor een oproep voor vrijwilligers om die lijnfilms te sorteren en controleren. Eind 2018 ging het project van start met drie vrijwilligers. Samen met Luc, een oud-technieker in de werkplaats voor ‘hersporingstreinen’, de dienst die ter plaatse gaat als een trein ontspoort, en met Michel, een 'treinenthousiasteling' die houdt van miniatuurtreinen en mechaniek in diverse toepassingen. Ze werken beurtelings. Patrick komt een dag per week naar het filmconservatiecentrum van het Koninklijk Belgisch Filmarchief – de volledige naam van CINEMATEK. Patrick: “Het is monnikenwerk. Ik haal de films uit hun oude dozen en kijk ze na. Indien nodig herstel ik ze met lastape. Vervolgens geef ik de nagekeken gegevens in in de computer. Daarbij maken we ook een onderscheid tussen originele films, duplicaten, beeldfilms en klankbanden. Het manuele en zittende werk is een interessante afwisseling in mijn wekelijkse routine. Maar ik zou het niet meer dan een dag in de week willen doen. Ik ben graag in beweging. Zo neem ik zoveel mogelijk de trap als ik naar deze werkplek kom, vierhoog in wat voorheen een parkeergarage was. Weet u dat ik geboren ben in Elsene en elke week langs deze straat naar het zwembad ging? Of dit gebouw er stond weet ik niet meer. Ik zou nooit geweten hebben wat hier bewaard en verzorgd wordt, als ik dit vrijwilligerswerk niet had gestart. Ik werk met toestellen uit een andere tijd. Het voelt bijna alsof je een tijdreis maakt als je pellicule in je handen houdt.”

DOSSIER SPOORWEGERFGOED

Patrick kwam in 1978 voor het eerst in contact met de lijnfilms op 16 mm, als NMBS-treinbestuurder voor zowel vracht- als reizigerstreinen. Deze films werden in de jaren 70 door een speciale daartoe uitgeruste ploeg gemaakt, met een locomotief waarop een camera werd geplaatst. ‘Gewoon’ filmen vanuit de bestuurderscabine was niet de beste keuze om het gewenste zicht op het traject kwalitatief te kunnen filmen.

76

Gedurende bijna tien jaar werden deze films, zoals gezegd, gebruikt om treinbestuurders het parcours op een bepaalde treinlijn aan te leren. De instructies werden ingesproken door BRT- en RTBF-stemmen in het Nederlands en het Frans. Patrick: “Er kwamen vragen aan bod als: ‘Waar staan de seinen?’, ‘Welke snelheidsbeperkingen gelden waar?’, en vooral: ‘Waar zijn de stopplaatsen aan de perrons?’ Weet u dat we een kilometer vooraf moeten beginnen remmen? Weliswaar altijd in functie van het remmingspercentage, iets wat enkel aan te leren was op de lijn zelf, in de trein dus.”

De lijnfims in een advertentie.

Patrick Callens © Mathias Bracke

“Op verschillende locaties in België werden de lijnfilms verzameld en individueel of in kleine groepjes bekeken door treinbestuurders. Daarbij namen we nota’s en pauzeerden de films om de lijnfiches aan te vullen. Soms bekeken we de films meerdere keren. Wat er bijvoorbeeld niet te zien is, is of er een helling of daling in het parcours zit. Uiteindelijk werd de methode opgegeven, omdat er te snel veranderingen kwamen op de lijnen: van verplaatste seinen tot en met compleet vernieuwde installaties. Tegenwoordig zijn lijnbeelden en schema’s te vinden op het NMBS-intra-


HET FILMCONSERVATIECENTRUM VAN CINEMATEK De unieke filmcollectie van CINEMATEK is een van de belangrijkste ter wereld. Ze telt vandaag 180.000 kopieën van zo’n 86.000 verschillende titels: fictiefilms, documentaires, langspeelfilms, newsreels, kortfilms ... in zowel analoge als digitale vorm. De collectie bestaat uit internationale en Belgische titels en groeit ieder jaar aan met gemiddeld 2.000 kopieën. Momenteel zijn slechts 6.160 van die titels digitale films. CINEMATEK conserveert en beheert de filmcollecties van overheidsdiensten, zoals het leger, de NMBS en Sabena. Deze collecties zijn zeer gevarieerd en hebben een grote historische waarde. Ze werden geproduceerd voor opleidingen, advertenties, interviews ... en zijn vaak belangrijke bronnen van allerlei aspecten van de Belgische geschiedenis. In samenwerking met meemoo, het Vlaams Instituut voor het archief, wordt ook het Vlaams filmerfgoed deskundig bewaard. Het Felixarchief (Antwerpen), ISGAmsab (Gent), Navigo (Koksijde) en talloze andere Vlaamse instellingen vertrouwen hun films toe aan CINEMATEK voor bewaring en ontsluiting. De digitalisatie van deze films wordt gecoördineerd door meemoo.

© Bea Borgers

Als pionier verbouwde het Filmarchief in 1950 een speciale opslagplaats op maat van nitraatfilms, de eerste in zijn soort in Europa. De films in de nitraatcollectie die in dit depot bewaard worden, zijn de oudste films en behoren tot een van de meest waardevolle types film. Films op nitraat zijn hoog ontvlambaar en moeten onder specifieke voorwaarden bewaard en gemanipuleerd worden. In 1980 verwierf het Filmarchief een eigen gebouw en richtte het in als filmdepot, aangepast aan de toen geldende normen op gebied van relatieve vochtigheid en temperatuur – om de collectie op lange termijn te bewaren. In dit gebouw worden de meer recente films op zogeheten ‘veiligheidsfilm’

net,” besluit Patrick. “Het blijft een uitdaging om de hele machinerie van het netwerk up-to-date te houden.” Wat motiveert Patrick om dit te doen? “Ik wil vooral zien hoe Brussel doorheen de jaren veranderd is: dat kun je op die films heel duidelijk merken. Dat geldt eveneens voor de rest van ons land. In die zin zijn de lijnfilms een interessant tijdsdocument.” Sinds maart 2020 staat het project op pauze; Patrick, Luc en Michel hebben nog ongeveer een jaar werk voor de boeg, berekende Patrick. “Normaal hadden we rond deze tijd (november, red.) de werkzaamheden afgerond. Pas als we klaar zijn kan bepaald worden hoe deze films bewaard en gedigitaliseerd kunnen worden, als er tenminste budget is voor dat extra werk.”

bewaard. Deze collectie is minder ontvlambaar, maar veel omvangrijker, omdat het gebruik van film in de maatschappij vanaf 1950 exponentieel groeide. Vandaag wordt de collectie bewaard in verschillende gebouwen, met een totale oppervlakte van circa 13.000 m2. Geen enkel gebouw werd daarvoor specifiek ontworpen. Bijna alle Europese filmarchieven realiseerden de voorbije jaren nieuwe en duurzame filmconserveringscentra. www.cinematek.be

De staat van de films is zeer verschillend: sommige moesten op twintig plaatsen worden hersteld. Patrick heeft tot dusver nog geen enkele film als ‘te beschadigd’ beoordeeld. Na het werk van de vrijwilligers gaan de professionals aan de slag. De verdere afhandeling, zoals het opslaan in het depot, het verwerken van de metadata van het computerbestand naar de collectiedatabase, of het afstoten van de onbruikbare en versleten kopijen wordt verzorgd door een archivaris – daarover kon u in het maartnummer 2021 van dit tijdschrift meer lezen, in de rubriek Het atelier. ■

Johan Vreys is verantwoordelijke communicatie en publieksontwikkeling bij CINEMATEK.

77


ERFGOED

PLEK

DE MAGIE VAN DE RING Erfgoed is voor letterlijk iedereen betekenisvol en relevant. Bekende personen wijzen u de weg naar hun erfgoedplek.

» Door: Roel Daenen | Foto erfgoedplek: © emmapatsie, via Flickr, CC BY-NC-ND 2.0 | Portretfoto: © Dirk Annemans, via Wikipedia, CC BY-SA 4.0

De plek van: Danny Ronaldo (°1969), circusartiest.

78

In 2018 kreeg Danny Ronaldo de Ultima voor Circus. Uit het juryverslag: “Wie Danny Ronaldo zegt, zegt ook Circus Ronaldo. […] Circus Ronaldo is een vlaggenschip, een ambassadeur. De succesvolle overgang van traditioneel circus naar circustheater is een opmerkelijk traject: Circus Ronaldo bracht circus en theater samen tot een harmonieus geheel, en maakt van elke plek waar de tent neerstrijkt een andere plek.” En die overgang is op het conto van Danny en zijn familie te schrijven; de jury koos “voor een circusartiest, een circuscarrière, een circusoeuvre en circusgenen.” Sommige elementen in het circus blijven onveranderlijk, zo blijkt. “Mijn erfgoedplek is de ring; de magische cirkel van het circus. Dit is echt mijn plek: hier speel ik al zolang ik me kan herinneren. Je moet weten dat ik al rondreizend ben geboren, in het circus. De ring is een constante in mijn leven. Ook al heb ik vroeger vaak straattheater gespeeld, en treed ik ook wel eens op in theatergebouwen: toch keer ik altijd als vanzelf terug naar de tent, naar de ring. Het is de plek waarin ik mijn metier heb geperfectioneerd, waar ik gezocht heb en nog steeds zoek. Het heeft een rituele en voor mij zelfs een spirituele lading. Want in de ring kijk je niet alleen als speler de toeschouwers in de ogen, de toeschouwers kijken ook naar elkaar. Daaruit volgt haast automatisch een directe connectie: tussen de spelers en het publiek, maar ook tussen het publiek onderling. Voor mij schuilt daar een enorme troost in: door het spel – ik speel iets dat jij kunt zien, samen met vele anderen – ontstaat er, onbewust, het gevoel dat je niet alleen bent. Ik ben ervan overtuigd dat circus, net als een goeie film, theatervoorstelling of boek, als toeschouwer je creativiteit aanscherpt. Circus doet iets met je: het eeuwenoude theaterritueel werkt op je in en maakt je los van het nu. Na afloop ben je een ander mens.” ■


Ivo Pannaggi, Treno in Corsa, 1922 © Archivio fotografico Fondazione Cassa di risparmio della provincia di Macerata

TRAINS & TRACKS

“De tentoonstelling brengt een prachtverzameling aan kunstwerken met de trein als middelpunt.” De Standaard:

Tracks to Modernity > 13 02 22


je gids voor diepgaander lezen

faro is je #1

maar de overige veertig cultuurmagazines dan?

Ontdek het beste uit de cultuurmagazines op foliomagazines.be

Met een selectie van de boeiendste artikels en genreoverschrijdende themadossiers. Gratis, uit ♥ voor tijdschriften.


Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.