Minerva tekstboek preview

Page 1

Minerva Latijnse taal en cultuur

eisma edumedia bv , leeuwarden

tekstboek i

!7IJ0I7-hbh g !

Minerva Latijnse taal en cultuur tekstboek i


4

MINERVA INHOUDSOPGAVE Hoofdstuk

Thema

Taal

Cultuur

Bronteksten

Introductie op de taal en cultuur van de Romeinen

Pag.

1. Het Latijn en de Romeinen

(Introductie)

2. Midas: van koning tot ezel

mythologie

naamwoord zelfstandig naamwoord en bijvoeglijk naamwoord: groep 1 en 2 nominativus en accusativus

De wens van Midas Midas en Apollo

2C Rex Midas Hyginus, Fabulae 191

15

3. Latona: een wrekende godin

mythologie

werkwoord praesens van a-stam, ¯ e-stam, i-stam, mk-stam, gemengde groep, esse en posse imperativus

Latona en de Lycische boeren Niobe en haar kinderen worden gestraft

3C Niobe Hyginus, Fabulae 9

25

4. Jupiter en Io: een goddelijke affaire

mythologie

naamwoord genitivus en dativus van zelfstandig naamwoord: groep 1 en 2

Jupiter verleidt Io Mercurius en Argus

4C Io Hyginus, Fabulae 145

37

5. Phaëthon: een menselijke ruiter

mythologie

werkwoord perfectum en imperfectum

Phaëthon en zijn vader de zon Phaëthon bestuurt de zonnewagen Hybris

5C Phaëthon Hyginus, Fabulae 152A

51

6. De Familia

dagelijks leven

naamwoord ablativus van zelfstandig naamwoord: groep 1 en 2 zinsbouw hoofd- en bijzin

Samenstelling Romeins gezin: pater familias, matrona De oorlog met de Galliërs Titus Manlius Coriolanus

6C Soror ad Fratrem Phaedrus, Fabels III, 8

63

7. Slavernij

dagelijks leven

naamwoord zelfstandig naamwoord: groep 3 bijvoeglijk naamwoord: groep 1, 2 en 3 congruentie

Omgang met slaven Herkomst en positie van slaven Gladiatoren Spartacus

7C Lupus ad Canem (Een wolf ontmoet een hond) Phaedrus, Fabels III, 7.

79

8. Onderwijs

dagelijks leven

naamwoord is, ea, id en hic, haec, hoc persoonlijk voornaamwoord

Het onderwijs in de Oudheid: magister, grammaticus, retorenschool

8C Een advies aan leerlingen Quintilianus, Institutio Oratoria, II, 9, 1-3

93

7


5

Hoofdstuk

Thema

Taal

Cultuur

Bronteksten

Pag.

9. Het ontstaan van de mens

historie & mythologie

werkwoord plusquamperfectum conjunctivus in de bijzin: imperfectum en plusquamperfectum

Het ontstaan van aarde en leven De vier tijdperken Saturnus Het zondige leven van de mens Deucalion en Pyrrha

9A De godin van de zorgen maakt de eerste mens Hyginus, Fabulae 220 9B Deucalion en Pyrrha Hyginus, Fabulae 153 9C De wrede Lycaon Ovidius, Metamorfosen, I.211-239

103

10. Aeneas

historie & mythologie

zinsbouw Accusativus cum Infinitivo

De Trojaanse oorlog De tocht van Aeneas De vergoddelijking van Aeneas

10A Het houten paard Hyginus, Fabulae 108 10B De vergoddelijking van Aeneas Ovidius, Metamorfosen, XIV. 581-608

119

11. Het begin van Rome

historie & mythologie

werkwoord passief van praesens, imperfectum, perfectum en plusquamperfectum participium perfectum passief (ppp)

Hercules, Evander en Cacus 11A Evander en Cacus De stichting van Rome Mythographus II, 154 Romulus en Remus 11B Romus en Remus Mythographus I, 30 11C Hercules en Cacus Livius, Ab urbe condita I, 7, 4-7

135

12. Tirannen en vrienden

historie & mythologie

naamwoord betrekkelijk voornaamwoord relatieve aansluiting werkwoord conjunctivus imperfectum en plusquamperfectum passief

De koningstijd van Rome Vriendschap op SiciliĂŤ Castor en Pollux Nisus en Euryalus Orestes en Pylades

12A Echte vrienden helpen elkaar Hyginus, Fabulae 257.1 12B De vriendschap heeft hen gered Hyginus, Fabulae 257.2 12C Orestes en Pylades: twee onafscheidelijke vrienden Hyginus, Fabulae 119-20

153

13. Waarheid en wijsheid

(Uitleidend hoofdstuk)

zinsbouw vertaalstrategieĂŤn (herhaling)

De waarde van waarheid De waarde van wijsheid

13A Een trotse apenkoning Phaedrus, Fabels IV, 13.1 13B De waarheid overwint niet Phaedrus, Fabels IV, 13.2 13C De vruchtbare boom van Minerva Phaedrus, Fabels III, 17

171

Grammaticaoverzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 176 Alfabetische woordenlijst . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 186 Verantwoording illustraties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 193


MINERVA HOOFDSTUK

2

Midas:

van koning tot ezel


16

H2

Midas: van koning tot ezel

2.1. Het oordeel van Midas. Apollo krijgt de overwinningskrans, maar Midas met zijn ezelsoren is het er niet mee eens. Een schilderij van Jacob Jordaens uit 1637.


H2 • Midas: van koning tot ezel 17

SILENUS Op een dag strompelde Silenus door de bossen. Silenus was een sater, een wezen dat gedeeltelijk het uiterlijk had van een mens, en gedeeltelijk van een bok. Zijn hoofd was zwaar en zijn benen kwamen maar moeizaam vooruit: Silenus had te veel gedronken. Dat was ook niet gek, want Silenus was een volgeling van Bacchus, de god van de wijn en in het gezelschap van Bacchus werd er wel vaker te veel gedronken. Helaas was hij nu ook nog zijn groep kwijtgeraakt en dwaalde hij eenzaam door de bossen, op zoek naar zijn god. Toen zag plotseling een aantal boeren Silenus kreunend langsstrompelen. De boeren keken elkaar verbaasd aan. “Wat ziet die er raar uit!” zei de een. “Wat loopt hij gek”, zei de ander. De boeren vonden Silenus een rare snuiter en moesten heel hard lachen om zijn gekke uiterlijk: “Zo’n rare verschijning, dat moet onze koning zien”, lachte een van de boeren. Ze keken elkaar aan en besloten Silenus gevangen te nemen en hem naar hun koning Midas te brengen. KONING MIDAS Toen Silenus voor Midas werd geleid, herkende de koning hem meteen. “Dit is een vriend van Bacchus”, riep hij uit en hij beval dat Silenus meteen werd vrijgelaten. Midas en Silenus konden het goed met elkaar vinden. Midas hield namelijk ook wel van lekker eten en drinken. De twee vierden nog dagenlang feest met elkaar en lieten elke dag de heerlijkste maaltijden aanslepen. Na tien dagen was het wel genoeg geweest en bracht Midas Silenus terug naar Bacchus. De god was toen al dagen ongerust en hij was daarom heel blij dat hij zijn goede vriend Silenus weer terugzag. Als dank voor zijn goede daad mocht Midas van de god een wens doen. Midas kon zijn oren niet geloven. “Mag ik zo maar een wens doen? Dan zouden nu eindelijk mijn dromen werkelijkheid worden: nu kan ik eindelijk de rijkste koning van de wereld worden. Ik zal net zo rijk zijn als de goden!” bedacht hij. Midas aarzelde dan ook geen moment en zei: “Ik wens dat alles wat ik aanraak in goud verandert.” Bacchus aarzelde even: “Is dit nou wel een slimme wens?” De god zag de gevolgen al voor zich, maar toen hij Midas’ begerige blik zag, gaf hij toe. “Goed dan, je krijgt wat je wenst.” Meteen daarop rende Midas naar huis om zijn nieuwe gave uit te proberen.


18

*

Tekst 2A Een geschenk voor Midas . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1

Midas mirum donum accipit. Donum valde amat.

valde zeer

Rex igitur laetus est et per regiam currit.

igitur dus

Nunc mensam tangit. 5

Mensa aurea est!

aureus gouden, van goud

Nunc lectum tangit.

lectus bed

Lectus quoque aureus est! Midas arma, columnas, muros tangit.

arma wapens | columna zuil | murus muur

Omnia in aurum mutat!

omnia (nom./acc. mv.) alle dingen, alles

10 Tunc rex fessus est et cenare vult.

tunc dan | fessus moe | cenare eten | vult wil

Servi cibum et vinum ferunt.

ferunt brengen

Midas edere incipit.

ede˘re eten

Cibus statim in aurum mutatur!

mutatur verandert

Midas bibere vult.

bibe˘ ere drinken

15 Vinum in aurum fusile mutat!

fusile (acc. ev.) vloeibaar

Midas iratus est et servos tangit.

iratus boos

Servos in aureas statuas mutat!

statua standbeeld

Midas esurit et sitit.

esurit heeft honger | sitit heeft dorst

Nunc mirum donum odit.

odit haat

MIDAS BEVRIJD Midas was ten einde raad: Hij kon niets meer eten of drinken, of het veranderde in goud. Het werd hem nu wel duidelijk dat hij een hele domme wens had gedaan. Wanhopig bad hij tot Bacchus: “Bevrijd mij van deze last! Ik kom om van de honger en dorst!” Bacchus keek hoe Midas huilend op de gouden vloer van zijn paleis lag. “Midas heeft misschien het meeste goud van iedereen, maar toch is hij het ongelukkigst van iedereen”, sprak de god in zichzelf. Bacchus kreeg medelijden met Midas en vertelde hem op welke manier hij verlost kon worden van zijn wens: Midas moest zich wassen in een rivier in de buurt, de Pactolus. De koning twijfelde geen moment: Hij haastte zich naar de rivier. Hij boende zich helemaal schoon en pas na uren schrobben stapte hij de rivier uit. “Zou het echt geholpen hebben?”, vroeg hij zich bezorgd af. Hij nam de proef op de som en liep naar een boom. Heel voorzichtig raakte hij de boom aan. Er gebeurde niets! De boom was nog steeds een boom. Midas haalde opgelucht adem. Na zijn wasbeurt veranderde 2.2. Midas (de man links) wast zich in de rivier de niets van wat hij aanraakte meer in goud. Deze mythe verklaart waarom mensen in de Oudheid zoveel goud vonden in de rivier de Pactolus. De riviergod is op de voorgrond afgePactolus: dat was afkomstig van Midas! beeld. Een schilderij van Nicolas Poussin 1594-1665.


H2 • Midas: van koning tot ezel 19

MIDAS VERHUIST Na al deze gebeurtenissen kreeg Midas schoon genoeg van al het goud in zijn paleis. Hij liet het allemaal achter zich en trok zich terug in de bossen. Daar wijdde hij zich volledig aan de god Pan, de god van bossen en grotten. Zijn woonplaats had hij dan wel veranderd, Midas bleef dezelfde dommerik.

Tekst 2B Midas en Pan . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

1

5

Quodam die Midas per silvas errat.

quodam die op een zekere dag

Subito Pana et nymphas videt.

subito plotseling | Pana (acc.) Pan | nympha nimf

Deus fistula canit.

fistula canit speelt fluit

Apollo quoque adest et fidibus canit.

adest is aanwezig | fidibus canit speelt lier

Dei certant inter se!

inter se met elkaar

Arbiter est mons Tmolus.

arbiter scheidsrechter

Dei canunt et Tmolus audit. Mons victoriam Apollini dat.

Apollini aan Apollo

Apollo igitur valde laetus est.

igitur dus | valde zeer

10 Midas autem cum Tmolo dissentit et clamat:

dissentit cum + ablativus is het oneens met

“Pan victor est!� Apollo nunc iratus est.

iratus boos

Regem stultum punit:

punit straft

Aures eius in spatium trahit.

aures (nom./acc. mv.) oren | eius van hem, zijn |

15 Midas nunc aures asini habet!

2.3. De wedstrijd tussen Apollo (hier met citer) en Pan (met panfluit). Midas luistert toe. Een prent uit de 17de eeuw.

in spatium trahit rekt uit || asini van een ezel

*


20

2.4. De wedstrijd tussen Apollo en Pan. Een schilderij van Jacob Jordaens (1593-1678). HET GEHEIM VAN MIDAS De domme Midas had nu ezelsoren! Hij schaamde zich dood. Hij deed er alles aan om ze te verbergen: de koning droeg de hele dag een tulband en liet zijn haren tot ver over zijn oren groeien. Niemand mocht zijn oren zien. Maar net als ieders haren groeiden ook die van Midas stevig door. Hij moest zich dus af en toe laten knippen door een van zijn slaven. “Oké dan, mijn slaaf is de enige die mijn oren mag zien”, zei Midas in zichzelf. “Maar eerst laat ik hem beloven dat hij aan niemand over mijn oren vertelt.” Een beetje verbaasd beloofde de slaaf dit voor hij begon te knippen. Maar de eerste keer dat hij de oren zag, kon hij zijn lachen bijna niet inhouden: “Wat een malle oren! Die Midas moet wel heel dom zijn”, dacht hij, maar hij zei het tegen niemand. DE SLAAF KAN ZICH NIET INHOUDEN Na verloop van tijd kon de slaaf zijn geheim niet meer voor zich houden. Hij moest het vertellen! Het waren zulke rare oren. Hij had alleen wel beloofd dat hij met niemand over de oren zou praten. Dus hij mocht tegen niemand iets zeggen. Maar de slaaf was slim en had een oplossing bedacht. Hij rende naar buiten, naar een veldje in de buurt, hij groef een gat en fluisterde daarin: “Koning Midas heeft ezelsoren, koning Midas heeft ezelsoren.” Zo had de slaaf Midas’ geheim wel verteld, maar had hij zijn eed niet gebroken. De slaaf gooide het gat dicht en ging weer naar het paleis. Wat de slaaf alleen niet wist, was dat het veldje erg vruchtbare grond had en dat in korte tijd mooie lange riethalmen op die plek groeiden.


H2 • Midas: van koning tot ezel 21

Toen de halmen eenmaal lang genoeg waren, fluisterden ze, wanneer ze door de wind werden bewogen: “Koning Midas heeft ezelsoren, koning Midas heeft ezelsoren.” Sindsdien kunnen mensen, als ze goed luisteren, door het ruisen van het riet het geheim van Midas horen.

Tekst 2C Rex Midas . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . In Minerva bestudeer je ook originele Latijnse teksten van Romeinse schrijvers. Voorlopig doe je dit met behulp van een vertaling. Onderstaande tekst is van de schrijver Hyginus uit de 2de eeuw n.Chr. Hij heeft een boek geschreven met wel 220 korte mythologische verhalen. Vaak vertelt hij de verhalen op een andere manier dan ze in het boek worden beschreven. Bestudeer de tekst en beantwoord daarna de vragen in het opdrachtenboek. 1

5

Midas rex, filius Matris deae, a Timolo arbiter

Koning Midas, een zoon van de moedergodin, werd door Timolus

sumptus eo tempore, quo Apollo cum Marsya

aangesteld als scheidsrechter in die tijd waarin Apollo met Marsyas

vel Pane fistula certavit. Quod cum Timolus

of met Pan een fluitwedstrijd hield. Toen Timolus de overwinning

victoriam Apollini daret, Midas dixit Marsyae

aan Apollo gaf, zei Midas dat deze liever aan Marsyas gegeven

potius dandam. Tunc Apollo indignatus

moest worden. Toen zei Apollo verontwaardigd tegen Midas:

Midae dixit: “Quale cor in iudicando habuisti,

“Zoals jij jouw hart had bij het vormen van je oordeel, zulke oren

tales et auriculas habebis.” Quibus auditis

zul jij dan ook hebben.” Toen Midas deze woorden had gehoord,

effecit, ut asininas haberet aures.

zorgde Apollo ervoor, dat hij ezelsoren kreeg.

Eo tempore, Liber pater cum exercitum in

In die tijd, toen vader Liber (= Bacchus) zijn leger naar India

10 Indiam duceret, Silenus aberravit; quem

leidde, verdwaalde Silenus; hem nam Midas in gastvrijheid

Midas hospitio liberaliter accepit atque

vriendelijk op en gaf hem een gids, die hem naar het gezelschap

ducem dedit, qui eum in comitatum Liberi

van Liber moest brengen. Maar aan Midas gaf vader Liber

deduceret. At Midae Liber pater ob

wegens zijn goede daad het vermogen te wensen, zodat hij van

beneficium deoptandi dedit potestatem, ut,

hem mocht vragen wat hij maar wilde. Midas vroeg van hem, dat

15 quicquid vellet, peteret a se. A quo Midas

alles wat hij zou aanraken, goud zou worden. Toen hij dit gedaan

petiit, ut, quicquid tetigisset, aurum fieret.

had gekregen en naar zijn paleis was gegaan, werd alles wat hij

Quod cum impetrasset et in regiam venisset,

had aangeraakt, goud.

quicquid tetigerat, aurum fiebat. Cum iam fame cruciaretur, petit a Libero, ut 20 sibi speciosum donum eriperet; quem Liber

Toen hij dan door honger werd gekweld, vroeg hij aan Liber, om hem het glanzende geschenk af te nemen; Liber droeg

iussit in flumine Pactolo se abluere; cuius

hem op zich in de rivier de Pactolus te wassen; toen

corpus aquam cum tetigisset, facta est colore

het lichaam van hem het water had aangeraakt, heeft het

aureo; quod flumen nunc Chrysorrhoas

een gouden kleur gekregen; deze rivier wordt nu in

appellatur in Lydia.

Lydië Goudstroom genoemd. (Hyginus, Fabulae 191)

*


22

Grammatica Hoofdstuk 2 (I) Naamval, stam, uitgang . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . In het Nederlands helpt de woordvolgorde je vaak om het onderwerp en lijdend voorwerp te bepalen. Kijk naar de volgende twee zinnen: 1. Midas ziet Pan. 2. Pan ziet Midas. In zin (1) is Midas het onderwerp (Midas is degene die ziet), en Pan het lijdend voorwerp (Pan is degene die gezien wordt). In zin (2) is Pan het onderwerp, en Midas het lijdend voorwerp. Onderwerp en lijdend voorwerp zijn functies van een woord of woordgroep in een zin. In het Latijn bepaalt niet de plaats van het woord (woordvolgorde), maar de vorm van het woord de functie van het woord in de zin. Bekijk zin (3) en (4): 3. Marcus Corneliam videt. 4. Corneliam Marcus videt.

Marcus ziet Cornelia. Marcus ziet Cornelia.

Als je zin 3 en zin 4 met elkaar vergelijkt, dan zie je dat de woordvolgorde verschilt. De betekenis van beide zinnen is hetzelfde. De vorm op –us geeft aan dat Marcus het onderwerp is van de zin, terwijl de vorm –am in Corneliam aangeeft dat Cornelia het lijdend voorwerp is. Een ander woord voor vorm is naamval. Het deel van het woord dat niet verandert (Marc-; Corneli-) noemen we de stam, het deel van het woord dat wel verandert de uitgang.

!

NOTA BENE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1. In het Latijn geeft de vorm van een woord de functie van het woord in de zin aan. Een ander woord voor vorm is naamval. 2. Het deel van het woord dat niet verandert, heet de stam. 3. Het deel van het woord dat wel verandert, heet de uitgang.

(II) Naamvallen: groep 1 (mensa), 2 (servus en donum) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Elk zelfstandig naamwoord in een zin staat in een naamval. Het Latijn kent verschillende naamvallen. Elke naamval heeft een andere functie in de zin. De zelfstandige naamwoorden worden ingedeeld in verschillende groepen. In dit hoofdstuk maak je kennis met twee van deze groepen. Hiernaast zie je de rijtjes van groep 1 (zelfstandige naamwoorden met een nominativus op –a) en groep 2 (met een nominativus op –us of –um).


H2 • Midas: van koning tot ezel 23

In deze les bespreken we twee naamvallen, de nominativus en de accusativus. Groep 1

Groep 2: -us

Groep 2: -um

Nominativus

mens-a (tafel)

serv-us (slaaf)

don-um (geschenk)

Genitivus

mens-ae

serv-i

don-i

Dativus

mens-ae

serv-o

don-o

Accusativus

mens-am

serv-um

don-um

Ablativus

mens-a

serv-o

don-o

Nominativus

mens-ae

serv-i

don-a

Genitivus

mens-arum

serv-orum

don-orum

Dativus

mens-is

serv-is

don-is

Accusativus

mens-as

serv-os

don-a

Ablativus

mens-is

serv-is

don-is

Enkelvoud

Meervoud

NOTA BENE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1. Bij woorden op –um zijn nominativus en accusativus zowel in enkelvoud als in meervoud in vorm hetzelfde. 2. Er bestaat nog een zesde naamval, de vocativus. De vocativus is zowel in het enkelvoud als in het meervoud meestal gelijk aan de nominativus; alleen bij de woorden op –us en –ius in groep 2 (servus) heeft de vocativus een aparte vorm (serv-e, fili). De vocativus wordt gebruikt als iemand wordt aangesproken. Voorbeeld: Serve, quid facis? = Slaaf, wat doe je? 3. Bij groep 2 horen ook enkele woorden die in de nominativus enkelvoud eindigen op –er, zoals puer (jongen) en ager (akker, land). Ze worden verbogen volgens het rijtje van servus: puer, pueri, puero etc.; ager, agri, agro etc.

(III) Getal en geslacht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Bij de naamvallen maken we onderscheid tussen enkelvoud (één tafel) en meervoud (twee of meer tafels). Je ziet dat de nominativus enkelvoud van mensa eindigt op –a, terwijl de nominativus meervoud eindigt op –ae. De uitgang van een woord geeft je, behalve informatie over de functie van het woord in de zin, ook informatie over het getal (enkelvoud of meervoud). Bovendien hebben zelfstandige naamwoorden een geslacht: ze zijn mannelijk, vrouwelijk, of onzijdig. De meeste woorden uit groep 1 (met een nominativus op –a) zijn vrouwelijk; de meeste woorden op –us uit groep 2 zijn mannelijk; de woorden op –um uit groep 2 zijn onzijdig.

!


24

(IV) Bijvoeglijke naamwoorden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord: het mooie huis, een groot geschenk. In het Latijn past het bijvoeglijk naamwoord zich aan het zelfstandig naamwoord aan in getal, geslacht en naamval. Dit noemen we congruentie. Veel bijvoeglijke naamwoorden eindigen op –us, –a en –um. Voorbeeld: bonus servus de goede slaaf (nominativus enkelvoud mannelijk) bonam puellam het goede meisje (accusativus enkelvoud vrouwelijk) bona dona

goede geschenken (nominativus of accusativus meervoud onzijdig)

(V) Gebruik van de nominativus . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . De nominativus heeft twee functies: 1. Het onderwerp van de zin staat in de nominativus. voorbeeld: Silenus clamat. Silenus roept. 2. Het naamwoordelijk deel van het gezegde staat in de nominativus. voorbeeld: Bacchus deus est. Bacchus is een god.

(VI) Gebruik van de accusativus . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . De accusativus heeft twee functies: 1. Het lijdend voorwerp staat in de accusativus. voorbeeld: Silenus deum clamat. Silenus roept de god. 2. Na een aantal voorzetsels (bijvoorbeeld na in of per) volgt de accusativus. voorbeeld: Midas per silvam errat. Midas dwaalt door het bos.

!

NOTA BENE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Het Latijn kent geen lidwoorden (de, het, een). Je moet bij het vertalen zelf bedenken of je een lidwoord moet gebruiken. Voorbeeld: Midas donum accipit. Midas ontvangt een geschenk. Donum amat. Hij houdt van het geschenk.

(VII) Het werkwoord . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . In het Nederlands zijn persoonsvormen te herkennen aan verschillende uitgangen (hij ziet, zij zien). In het Latijn is dat ook zo. De uitgang voor de 3e persoon enkelvoud (hij/zij/het) is een –t, voor de 3e persoon meervoud (zij) is de uitgang –nt. Voorbeeld: amare = houden van amat = hij houdt van amant = zij houden van vident = zij zien vide¯re = zien videt = hij ziet Het onderwerp hoeft niet apart in de zin vermeld te staan. In de meeste gevallen is het onderwerp van de vorige zin dan nog steeds de handelende persoon. In je Nederlandse vertaling moet je dan het woord hij, zij of het aanvullen. Voorbeeld: Midas donum accipit. Midas ontvangt een geschenk. Donum amat. Hij houdt van het geschenk.


Celciusweg 41 8912 AM Leeuwarden Postbus 459 8901 BG Leeuwarden T (088) 294 48 80



edumedia@eisma.nl

www.eisma.nl/edumedia

Beoordelingspakket aanvragen