Page 1

Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad?

Hoe werkt het wad?

Dit is een uitgave van:

Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie Ministerie van Infrastructuur en Milieu

Deltaprogramma | Waddengebied

November 2012


Hoe werkt het wad? Boekje open over de veranderingen in het waddengebied en hun mogelijke effecten op de veiligheid van de eilanden en de noordelijke vastelandskust


Hoe werkt het wad? Boekje open over de veranderingen in het waddengebied en hun mogelijke effecten op de veiligheid van de eilanden en de noordelijke vastelandskust


Inhoud

Hoe werkt het Wad? is een gezamenlijke uitgave van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, in opdracht van het Deltaprogramma Waddengebied. Overname van (delen van) de inhoud is toegestaan, mits met bronvermelding. Uitvoering Deltaprogramma | Waddengebied Tekst en eindredactie Rob Bijnsdorp BCP | de Lynx Wetenschappelijke adviezen en tekst Albert Oost Deltares Zheng Bing Wang Deltares TU Delft

Het wad begrijpen

9

1. Het wad werkt Waarnemingen van wadbewoners.

11

2. Een solide schild We kennen het wad als rijk natuurgebied, maar het speelt ook een belangrijke rol in de veiligheid voor overstromingen.

15

3. Het wad danst een tango 23 Het spel van stromend water, zand en slib. Schommelingen en soms abrupte bewegingen rond evenwichten die ook zelf voortdurend veranderen. Goed begrip van deze processen is nodig om te kunnen nadenken over mogelijke maatregelen tegen negatieve trends. 4. Het wad onderweg Veranderingen en langlopende processen door de eeuwen heen. Natuurlijke oorzaken en gevolgen van menselijke ingrepen.

33

5. Wat brengt de toekomst? 39 De kernvraag: in welke mate beĂŻnvloeden gevolgen van de klimaatverandering de beschermende functie van het waddengebied?

Bert van der Valk Deltares Illustraties Dik Klut Klutworks Opmaak en drukwerk Monique Dubbelman Boe!media Foto’s Albert Oost Deltares (p12-13, 20-21, 36) Rob Bijnsdorp BCP | de Lynx (p31, 32-33) Egbertha Schuiling Watermediair (p22-23, 28, 34) Beeldbank Rijkswaterstaat (omslag, p14-15) Beeldbank Deltaprogramma (p10-11, 42-43) Deltaprogramma Kust (p38-39)

6 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 7


Inhoud

Hoe werkt het Wad? is een gezamenlijke uitgave van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, in opdracht van het Deltaprogramma Waddengebied. Overname van (delen van) de inhoud is toegestaan, mits met bronvermelding. Uitvoering Deltaprogramma | Waddengebied Tekst en eindredactie Rob Bijnsdorp BCP | de Lynx Wetenschappelijke adviezen en tekst Albert Oost Deltares Zheng Bing Wang Deltares TU Delft

Het wad begrijpen

9

1. Het wad werkt Waarnemingen van wadbewoners.

11

2. Een solide schild We kennen het wad als rijk natuurgebied, maar het speelt ook een belangrijke rol in de veiligheid voor overstromingen.

15

3. Het wad danst een tango 23 Het spel van stromend water, zand en slib. Schommelingen en soms abrupte bewegingen rond evenwichten die ook zelf voortdurend veranderen. Goed begrip van deze processen is nodig om te kunnen nadenken over mogelijke maatregelen tegen negatieve trends. 4. Het wad onderweg Veranderingen en langlopende processen door de eeuwen heen. Natuurlijke oorzaken en gevolgen van menselijke ingrepen.

33

5. Wat brengt de toekomst? 39 De kernvraag: in welke mate beĂŻnvloeden gevolgen van de klimaatverandering de beschermende functie van het waddengebied?

Bert van der Valk Deltares Illustraties Dik Klut Klutworks Opmaak en drukwerk Monique Dubbelman Boe!media Foto’s Albert Oost Deltares (p12-13, 20-21, 36) Rob Bijnsdorp BCP | de Lynx (p31, 32-33) Egbertha Schuiling Watermediair (p22-23, 28, 34) Beeldbank Rijkswaterstaat (omslag, p14-15) Beeldbank Deltaprogramma (p10-11, 42-43) Deltaprogramma Kust (p38-39)

6 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 7


Het wad begrijpen Een zware noordwesterstorm zweept het water van de Noordzee op tot huizenhoge golven. Als een leger met ontelbare aanvalslinies komen ze aanrollen naar de kust van ons lage land. Maar voordat de dreigende golven de dijken en duinen bereiken, breekt hun woedend geweld. Ze struikelen over de zandbanken voor de eilanden en de zeegaten. Met slechts een restant van hun oorspronkelijke kracht bereiken ze de stranden van de eilanden. In de Waddenzee zelf dempen zandplaten en slibvelden de golfslag die nog door de zeegaten dringt. De kwelders langs de Groningse en Friese kust temperen de golfslag die op de Waddenzee zelf ontstaat. Zandbanken, eilanden, wadplaten en kwelders beschermen als een schild onze kust. Deze verdienste van het waddengebied is veel minder bekend dan de natuur en het bijzondere landschap waar bewoners en recreanten zo van genieten. Juist daarom biedt het Deltaprogramma Waddenzee dit boekje aan. Want het staat niet vast dat de wadden uit zichzelf altijd zo’n effectief schild zullen blijven. Als gevolg van de afsluiting van de Zuiderzee en de Lauwerszee zijn de zandplaten voor de zeegaten de afgelopen decennia al een stuk teruggetrokken. En wat gebeurt er als de zeespiegel sneller gaat stijgen? Kunnen de eilanden en de platen dan voldoende meegroeien? Waar komt dan al dat zand vandaan? Met welke maatregelen kan de overheid doen wat ze heeft besloten: de eilanden behoeden voor teruggang? De antwoorden op dit soort vragen beginnen met begrijpen hoe het wad werkt. Dat is een verhaal over het spel van water, zand, slib, golven en wind. Over de veranderingen in stroomgeulen, wadplaten, banken voor de kust en eilandstranden. Een verhaal over de samenhang tussen de verschillende delen van het waddengebied die rond de zeegaten samen ÊÊn systeem vormen. Die samenhang is het uitgangspunt voor het denken over de toekomst van het gebied. Dit boekje neemt u mee in dit verhaal.

8 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 9


Het wad begrijpen Een zware noordwesterstorm zweept het water van de Noordzee op tot huizenhoge golven. Als een leger met ontelbare aanvalslinies komen ze aanrollen naar de kust van ons lage land. Maar voordat de dreigende golven de dijken en duinen bereiken, breekt hun woedend geweld. Ze struikelen over de zandbanken voor de eilanden en de zeegaten. Met slechts een restant van hun oorspronkelijke kracht bereiken ze de stranden van de eilanden. In de Waddenzee zelf dempen zandplaten en slibvelden de golfslag die nog door de zeegaten dringt. De kwelders langs de Groningse en Friese kust temperen de golfslag die op de Waddenzee zelf ontstaat. Zandbanken, eilanden, wadplaten en kwelders beschermen als een schild onze kust. Deze verdienste van het waddengebied is veel minder bekend dan de natuur en het bijzondere landschap waar bewoners en recreanten zo van genieten. Juist daarom biedt het Deltaprogramma Waddenzee dit boekje aan. Want het staat niet vast dat de wadden uit zichzelf altijd zo’n effectief schild zullen blijven. Als gevolg van de afsluiting van de Zuiderzee en de Lauwerszee zijn de zandplaten voor de zeegaten de afgelopen decennia al een stuk teruggetrokken. En wat gebeurt er als de zeespiegel sneller gaat stijgen? Kunnen de eilanden en de platen dan voldoende meegroeien? Waar komt dan al dat zand vandaan? Met welke maatregelen kan de overheid doen wat ze heeft besloten: de eilanden behoeden voor teruggang? De antwoorden op dit soort vragen beginnen met begrijpen hoe het wad werkt. Dat is een verhaal over het spel van water, zand, slib, golven en wind. Over de veranderingen in stroomgeulen, wadplaten, banken voor de kust en eilandstranden. Een verhaal over de samenhang tussen de verschillende delen van het waddengebied die rond de zeegaten samen ÊÊn systeem vormen. Die samenhang is het uitgangspunt voor het denken over de toekomst van het gebied. Dit boekje neemt u mee in dit verhaal.

8 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 9


1. Het wad werkt

10 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 11


1. Het wad werkt

10 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 11


Wadloopgids Mark de Waard: ‘Veranderingen in de natuur moet je accepteren’ ‘Ik heb het landschap van de Waddenzee door de jaren heen zien veranderen. De afsluiting van de Lauwerszee in 1969 heeft nog steeds gevolgen voor de loop van de verschillende geulen. In 1976 konden we op een bepaald moment niet meer naar Schiermonnikoog lopen, want de ondiepste plek was te diep geworden. De keren daarvoor liepen de mensen al tot hun oksels in het snelstromende water. Die laatste keer ben ik bijna verdronken. We hebben het gered, maar vraag niet hoe. “Zai hebben lutje dood in de ogen zain”, zeiden de Groningers die op de uitkijk stonden. Vooral in de oostelijke Waddenzee trekken de geulen verder oostwaarts. Aan het begin van ieder nieuw seizoen lopen we met onze GPS de wadlooproutes af en waar nodig veranderen we ze. Soms is een geul opeens 100 meter verschoven, vooral als het ’s winters veel heeft gestormd of er ijsgang is geweest. Dit jaar kunnen we voor het eerst niet meer naar Simonszand lopen. Dat is jammer, maar je moet het accepteren. Het is mooi dat de natuur haar gang gaat en zich niet alles door mensen laat opleggen.’

Albert de Hoop, burgemeester van Ameland: ‘Het wad verzandt’ ‘Het mooist vind ik altijd weer de kentering van het tij. Bij dood tij is het net of de natuur even haar adem inhoudt. Ik vaar al dertig jaar met mijn boot op het wad. In die tijd is het waddenlandschap er niet gevarieerder op geworden. Onder Ameland en Schiermonnikoog had de bodem veel reliëf. Vandaag de dag is het net één vlakke woestijn. Ik denk dat het komt door de mossel- en kokkelvisserij. Een andere verandering is dat er meer zand in de Waddenzee komt. We hebben op sommige plaatsen meer te maken met waddenbodemstijging dan met zeespiegelstijging. Door sedimentatie verdwijnen ook de geulen. Je kunt bijvoorbeeld niet meer naar de Engelsmanplaat zeilen en daar voor anker gaan. Zo gaat het ook met de geul voor de veerboot die Ameland verbindt met de vaste wal. Dat is onze A1. Hij moet nu 24 uur per dag worden gebaggerd en gecontroleerd, anders lopen de veerboten vast. De vaargeul is van groot belang voor de toegankelijkheid van het eiland. Die verzanding van de Waddenzee vind ik wel verrassend. Ik vermoed een verband met de verdediging van de Noordzeekust met zandsuppleties.’

Veerbootkapitein Pieter Schroo: ‘Door verzanding bij Terschelling is de vaarroute veel langer geworden ‘Ik vaar al 23 jaar op het wad en ken het gebied op mijn duimpje. Veranderingen? Ja, die zie ik permanent. Het wandelt en verschuift allemaal. Daar geniet ik van. Het vogeleiland Griend sloeg jaren achtereen alleen maar af. Nadat ze daar een stuifdijk omheen hebben gelegd, is het een grote plaat geworden. Ook de zandplaat De Richel groeit weer wat aan en de Engelse Hoek boven Terschelling is erg groot geworden. Er liggen veel zeehonden op de platen. Dat zijn er een tijdlang veel minder geweest. En met mooi weer zie ik weer regelmatig bruinvissen. Ik vind dat het eigenlijk wel goed gaat in de Waddenzee. Met zeespiegelstijging en bodemdaling hou ik me niet zo bezig. Veranderingen horen bij het wad en dat zal altijd zo blijven. Daar kunnen we alleen maar op reageren. Zo is door de groei van Griend ook de natuurlijke vaargeul naar Terschelling veranderd. We moeten nu wel een half uur langer varen dan vroeger. De mannen van de Markeringsdienst van Rijkswaterstaat moeten maandelijks de geul peilen en als het nodig is de tonnen weer verleggen of drempels laten wegbaggeren. Dat hoort er gewoon bij.’

12 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 13


Wadloopgids Mark de Waard: ‘Veranderingen in de natuur moet je accepteren’ ‘Ik heb het landschap van de Waddenzee door de jaren heen zien veranderen. De afsluiting van de Lauwerszee in 1969 heeft nog steeds gevolgen voor de loop van de verschillende geulen. In 1976 konden we op een bepaald moment niet meer naar Schiermonnikoog lopen, want de ondiepste plek was te diep geworden. De keren daarvoor liepen de mensen al tot hun oksels in het snelstromende water. Die laatste keer ben ik bijna verdronken. We hebben het gered, maar vraag niet hoe. “Zai hebben lutje dood in de ogen zain”, zeiden de Groningers die op de uitkijk stonden. Vooral in de oostelijke Waddenzee trekken de geulen verder oostwaarts. Aan het begin van ieder nieuw seizoen lopen we met onze GPS de wadlooproutes af en waar nodig veranderen we ze. Soms is een geul opeens 100 meter verschoven, vooral als het ’s winters veel heeft gestormd of er ijsgang is geweest. Dit jaar kunnen we voor het eerst niet meer naar Simonszand lopen. Dat is jammer, maar je moet het accepteren. Het is mooi dat de natuur haar gang gaat en zich niet alles door mensen laat opleggen.’

Albert de Hoop, burgemeester van Ameland: ‘Het wad verzandt’ ‘Het mooist vind ik altijd weer de kentering van het tij. Bij dood tij is het net of de natuur even haar adem inhoudt. Ik vaar al dertig jaar met mijn boot op het wad. In die tijd is het waddenlandschap er niet gevarieerder op geworden. Onder Ameland en Schiermonnikoog had de bodem veel reliëf. Vandaag de dag is het net één vlakke woestijn. Ik denk dat het komt door de mossel- en kokkelvisserij. Een andere verandering is dat er meer zand in de Waddenzee komt. We hebben op sommige plaatsen meer te maken met waddenbodemstijging dan met zeespiegelstijging. Door sedimentatie verdwijnen ook de geulen. Je kunt bijvoorbeeld niet meer naar de Engelsmanplaat zeilen en daar voor anker gaan. Zo gaat het ook met de geul voor de veerboot die Ameland verbindt met de vaste wal. Dat is onze A1. Hij moet nu 24 uur per dag worden gebaggerd en gecontroleerd, anders lopen de veerboten vast. De vaargeul is van groot belang voor de toegankelijkheid van het eiland. Die verzanding van de Waddenzee vind ik wel verrassend. Ik vermoed een verband met de verdediging van de Noordzeekust met zandsuppleties.’

Veerbootkapitein Pieter Schroo: ‘Door verzanding bij Terschelling is de vaarroute veel langer geworden ‘Ik vaar al 23 jaar op het wad en ken het gebied op mijn duimpje. Veranderingen? Ja, die zie ik permanent. Het wandelt en verschuift allemaal. Daar geniet ik van. Het vogeleiland Griend sloeg jaren achtereen alleen maar af. Nadat ze daar een stuifdijk omheen hebben gelegd, is het een grote plaat geworden. Ook de zandplaat De Richel groeit weer wat aan en de Engelse Hoek boven Terschelling is erg groot geworden. Er liggen veel zeehonden op de platen. Dat zijn er een tijdlang veel minder geweest. En met mooi weer zie ik weer regelmatig bruinvissen. Ik vind dat het eigenlijk wel goed gaat in de Waddenzee. Met zeespiegelstijging en bodemdaling hou ik me niet zo bezig. Veranderingen horen bij het wad en dat zal altijd zo blijven. Daar kunnen we alleen maar op reageren. Zo is door de groei van Griend ook de natuurlijke vaargeul naar Terschelling veranderd. We moeten nu wel een half uur langer varen dan vroeger. De mannen van de Markeringsdienst van Rijkswaterstaat moeten maandelijks de geul peilen en als het nodig is de tonnen weer verleggen of drempels laten wegbaggeren. Dat hoort er gewoon bij.’

12 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 13


2. Een solide schild We kennen het wad als rijk natuurgebied, maar het speelt ook een belangrijke rol in de veiligheid voor overstromingen.

14 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 15


2. Een solide schild We kennen het wad als rijk natuurgebied, maar het speelt ook een belangrijke rol in de veiligheid voor overstromingen.

14 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 15


Zeegatsysteem met bewegingen van water en sediment. Overal een wisselwerking tussen opbouw en afbraak, behalve bij de kwelders, die vangen vooral sediment in.

Wantij. De platen en slibvelden liggen hier het hoogst. Twee zeegatsystemen ontmoeten elkaar in dit grensgebied.

Klim naar het bovenste dek van de veerboot of naar de top van een hoog duin op een van de eilanden en kijk. Vanuit alle richtingen straalt de schoonheid van het gebied je tegemoet, zelfs als lage wolkenluchten en regensluiers een deel van het zicht ontnemen. Elk moment ander licht, voortdurend wisselende reflecties in de aldoor veranderende patronen van windgolven en stroomrafelingen. Als je langer kijkt zie je meer. Richting zee blinken de witte schuimkragen van de branding. Ze verraden de zone waar de geleidelijk oplopende zeebodem zandbanken vormt en aanrollende golven honderden meters voor de eilandkust laat struikelen. In het zeegat tussen twee eilanden zou je ruim baan verwachten voor de golven van de Noordzee. Maar nee, juist daar liggen uitgestrekte zandplaten, tot ver in zee. Dit is de zogenaamde buitendelta. Hoge golven lopen erop stuk. De grote stroomgeulen tussen Noordzee en Waddenzee moeten zich erlangs wringen. Als je dit ziet, besef je dat deze buitendelta’s én de eilanden als een schild het geweld van de Noordzee weren. De tweede barrière Die buitenste verdedigingslinie is niet het enige onderdeel van het ‘waddenschild’. Dat is goed te zien als je vanaf de hoge uitkijkpost tijdens laagwater richting vasteland kijkt. Het grootste deel van de Waddenzee ligt dan droog. De geulen slingeren zich in alle richtingen tussen de platen door. Slechts op enkele plaatsen bereikt een geul de kust van het vasteland, de meeste lopen dood. En waar boven de

16 Deltaprogramma | Waddengebied

platen nog water blijft staan, is dat maar een dunne laag. Hoewel het bij zwaar weer in de geulen nog behoorlijk tekeer kan gaan, heeft dat weinig invloed. Het stelsel van wadplaten werkt als een permanente rem op het ontstaan van golfslag. De buitendijkse kweldergronden ten slotte binden over het grootste deel van de Friese en Groninger kust het laatste restje watergeweld in. Alles overziend zou je kunnen zeggen dat de zeedijk van onze noordelijke kust bijna altijd in ruste is. En als een springvloed én noordwesterstorm het zeewater in de Waddenzee extreem hoog opstuwen, heeft de dijk het – dankzij het waddenschild van eilanden, buitendelta en ondiepe Waddenzee – veel minder zwaar te verduren. Van Den Helder tot Skallingen Een goed beeld van de platen en geulen heb je vanuit een vogelvlucht. Dan zie je hoe vanuit de zeegaten de grote stroomgeulen achter de eilanden uitwaaieren. Ze vertakken zich en worden smaller en ondieper. In de luwte achter de eilanden reiken de geulenstelsels van twee naast elkaar liggende zeegaten naar elkaar toe. In de zone waar twee van die stelsels elkaar ontmoeten, zijn de platen het hoogst. Dat zijn de wantijen, een soort natuurlijke grenszone waar het water van twee zeegaten elkaar ontmoet. Voor het beste beeld van de opbouw en uitgestrektheid van het gehele waddengebied moet je de ruimte in. André Kuipers heeft het menigmaal mogen aanschouwen. Voor de kust van

Noord-Nederland, Duitsland en Denemarken – van Den Helder tot aan Skallingen – zag hij een kralensnoer van eilanden, 43 in totaal. Markant in dat beeld vanuit de ruimte is de opbouw van het gebied. De kralen in de ketting zijn onderling verbonden door steeds eenzelfde soort zeegatsysteem: vóór het gat platen in zee, tussen de eilanden door diepe en brede geulen, en vanaf de eilanden tot het vasteland een soort kom begrensd door wantijen. Drie hoofdrolspelers Het gehele internationale waddengebied is dus te beschouwen als een lange reeks van aaneengeschakelde zeegatsystemen. Ze zijn allemaal verschillend, maar het spel van water en sediment kent overal dezelfde regels. Het is een spel tussen drie hoofdrolspelers: de buitendelta, de eilanden en de kom in de Waddenzee achter de eilanden. Van buiten dit speelveld heeft ook de kustzee een rol, want vanaf een diepte van ongeveer 15 meter tot de kust doet het zand van de zeebodem mee met de bewegingen van water en zand in het zeegatsysteem. Bewegingen, daar gaat het om in het spel. De zee stroomt met de getijden de zeegaten in en uit en voert in beide richtingen zand met zich mee. Tijdens de vloed schuurt zand vanaf de eilanden en de buitendelta mee het zeegat in. De ebstroom legt vanuit de Waddenzee weer zand terug op de banken van de buitendelta. Golven en stroom vegen zand vanaf de buitendelta naar de kust van de eilanden. Elk zeegatsysteem zoekt daarbij naar evenwicht. Het volume van de komberging, de Hoe werkt het wad? 17


Zeegatsysteem met bewegingen van water en sediment. Overal een wisselwerking tussen opbouw en afbraak, behalve bij de kwelders, die vangen vooral sediment in.

Wantij. De platen en slibvelden liggen hier het hoogst. Twee zeegatsystemen ontmoeten elkaar in dit grensgebied.

Klim naar het bovenste dek van de veerboot of naar de top van een hoog duin op een van de eilanden en kijk. Vanuit alle richtingen straalt de schoonheid van het gebied je tegemoet, zelfs als lage wolkenluchten en regensluiers een deel van het zicht ontnemen. Elk moment ander licht, voortdurend wisselende reflecties in de aldoor veranderende patronen van windgolven en stroomrafelingen. Als je langer kijkt zie je meer. Richting zee blinken de witte schuimkragen van de branding. Ze verraden de zone waar de geleidelijk oplopende zeebodem zandbanken vormt en aanrollende golven honderden meters voor de eilandkust laat struikelen. In het zeegat tussen twee eilanden zou je ruim baan verwachten voor de golven van de Noordzee. Maar nee, juist daar liggen uitgestrekte zandplaten, tot ver in zee. Dit is de zogenaamde buitendelta. Hoge golven lopen erop stuk. De grote stroomgeulen tussen Noordzee en Waddenzee moeten zich erlangs wringen. Als je dit ziet, besef je dat deze buitendelta’s én de eilanden als een schild het geweld van de Noordzee weren. De tweede barrière Die buitenste verdedigingslinie is niet het enige onderdeel van het ‘waddenschild’. Dat is goed te zien als je vanaf de hoge uitkijkpost tijdens laagwater richting vasteland kijkt. Het grootste deel van de Waddenzee ligt dan droog. De geulen slingeren zich in alle richtingen tussen de platen door. Slechts op enkele plaatsen bereikt een geul de kust van het vasteland, de meeste lopen dood. En waar boven de

16 Deltaprogramma | Waddengebied

platen nog water blijft staan, is dat maar een dunne laag. Hoewel het bij zwaar weer in de geulen nog behoorlijk tekeer kan gaan, heeft dat weinig invloed. Het stelsel van wadplaten werkt als een permanente rem op het ontstaan van golfslag. De buitendijkse kweldergronden ten slotte binden over het grootste deel van de Friese en Groninger kust het laatste restje watergeweld in. Alles overziend zou je kunnen zeggen dat de zeedijk van onze noordelijke kust bijna altijd in ruste is. En als een springvloed én noordwesterstorm het zeewater in de Waddenzee extreem hoog opstuwen, heeft de dijk het – dankzij het waddenschild van eilanden, buitendelta en ondiepe Waddenzee – veel minder zwaar te verduren. Van Den Helder tot Skallingen Een goed beeld van de platen en geulen heb je vanuit een vogelvlucht. Dan zie je hoe vanuit de zeegaten de grote stroomgeulen achter de eilanden uitwaaieren. Ze vertakken zich en worden smaller en ondieper. In de luwte achter de eilanden reiken de geulenstelsels van twee naast elkaar liggende zeegaten naar elkaar toe. In de zone waar twee van die stelsels elkaar ontmoeten, zijn de platen het hoogst. Dat zijn de wantijen, een soort natuurlijke grenszone waar het water van twee zeegaten elkaar ontmoet. Voor het beste beeld van de opbouw en uitgestrektheid van het gehele waddengebied moet je de ruimte in. André Kuipers heeft het menigmaal mogen aanschouwen. Voor de kust van

Noord-Nederland, Duitsland en Denemarken – van Den Helder tot aan Skallingen – zag hij een kralensnoer van eilanden, 43 in totaal. Markant in dat beeld vanuit de ruimte is de opbouw van het gebied. De kralen in de ketting zijn onderling verbonden door steeds eenzelfde soort zeegatsysteem: vóór het gat platen in zee, tussen de eilanden door diepe en brede geulen, en vanaf de eilanden tot het vasteland een soort kom begrensd door wantijen. Drie hoofdrolspelers Het gehele internationale waddengebied is dus te beschouwen als een lange reeks van aaneengeschakelde zeegatsystemen. Ze zijn allemaal verschillend, maar het spel van water en sediment kent overal dezelfde regels. Het is een spel tussen drie hoofdrolspelers: de buitendelta, de eilanden en de kom in de Waddenzee achter de eilanden. Van buiten dit speelveld heeft ook de kustzee een rol, want vanaf een diepte van ongeveer 15 meter tot de kust doet het zand van de zeebodem mee met de bewegingen van water en zand in het zeegatsysteem. Bewegingen, daar gaat het om in het spel. De zee stroomt met de getijden de zeegaten in en uit en voert in beide richtingen zand met zich mee. Tijdens de vloed schuurt zand vanaf de eilanden en de buitendelta mee het zeegat in. De ebstroom legt vanuit de Waddenzee weer zand terug op de banken van de buitendelta. Golven en stroom vegen zand vanaf de buitendelta naar de kust van de eilanden. Elk zeegatsysteem zoekt daarbij naar evenwicht. Het volume van de komberging, de Hoe werkt het wad? 17


stroomsnelheid, de omvang van de buitendelta en de breedte van de eilandstranden zijn op elkaar afgestemd. Je zou kunnen zeggen dat een zeegatsysteem zelf permanent werkt aan een optimale verdeling van de beschikbare hoeveelheid zand. Het laat de banken, platen en stroomgeulen net zo lang veranderen tot alles past. Een zeegatsysteem is dan ook gevoelig voor elke wijziging in het bestaande evenwicht. Dan gaat alles weer aan het schuiven en vervormen tot een nieuw evenwicht ontstaat. De afsluitingen van de Zuiderzee en de Lauwerszee bijvoorbeeld brachten enorme zandtransporten op gang die tot op de dag van vandaag voortduren en waarvan het einde nog niet in zicht is. Zand, een eindige voorraad Tijdens de vorming van onze kust hebben stromend water en golfslag gigantische hoeveelheden materiaal aangevoerd: zand uit de Noordzee en slib uit de grote rivieren. Tijdens die wordingsgeschiedenis vormden de getijstromen in samenspel met golven en wind het stelsel van geulen en platen van het waddengebied, met aan de buitenzijde de Waddeneilanden en nog verder zeewaarts de geleidelijk dieper wordende zeebodem. Vanaf de dieptelijn van 20 meter richting wordt de zeebodem beschouwd als onderdeel van de kust, het zogenaamde kustfundament. De toevoer van zand uit de Noordzee naar ons kustfundament is vrijwel gestopt. Dat komt doordat vanaf de bodem verder uit de kust vrijwel geen 18 Deltaprogramma | Waddengebied

zand meer van nature naar de kust beweegt. Bij alle veranderingen die zich in onze kustzone voltrekken, zullen we het dus moeten doen met het zand dat nu in het kustfundament aanwezig is. Dat betekent dat de natuurlijke krachten van stroming en golfslag geneigd zijn om het ene gat te vullen met het andere, wanneer ze een verstoord evenwicht proberen te herstellen. Zo kunnen zwakke plekken ontstaan. Tot 1990 trok onze Noordzeekust zich gestaag terug, plaatselijk wel met een snelheid van 1 tot 2 meter per jaar. In dat jaar heeft de regering besloten dat de kustlijn zou moeten blijven liggen waar hij op dat moment lag. Dat werd de basiskustlijn (BKL). Om de BKL te handhaven, spelen we het spel van water en zand mee en brengen kunstmatig zand uit diepere delen van de Noordzee naar onze kustzone. Deze zandsuppletie heeft voor de gehele Nederlandse kust een omvang van ongeveer 12 miljoen kubieke meter per jaar.

kustzone naar de platen. Naarmate de wadplaten sterker moeten groeien als de zeespiegel sneller gaat stijgen, zal meer zand nodig zijn. Hoe, op welke plekken en in welke hoeveelheden is nog niet bekend. Een nog niet in de praktijk beproefde gedachte is dat het suppletiezand het best op de buitendelta’s zou kunnen worden aangebracht. Deze zouden in theorie dan gaan werken als ‘zandmotoren’, die alle delen van hun eigen zeegat kunnen onderhouden.

De basiskustlijn (BKL).

Ook op de Waddeneilanden is de afgelopen jaren zand gesuppleerd. In het waddengebied is echter méér nodig dan alleen het handhaven van de kustlijn. Een deel van het suppletiezand stroomt naar de Waddenzee en laat daar de wadplaten groeien of bezinkt in diepe geulen. Dit compenseert van het langzaam stijgen van de zeespiegel ten opzichte van de bodem. Het is een proces dat al duizenden jaren gaande is, de laatste jaren ook onder invloed van menselijke ingrepen zoals het afsluiten van binnenzeeën. De zeegatsystemen transporteren dit zand zelf vanuit de Hoe werkt het wad? 19


stroomsnelheid, de omvang van de buitendelta en de breedte van de eilandstranden zijn op elkaar afgestemd. Je zou kunnen zeggen dat een zeegatsysteem zelf permanent werkt aan een optimale verdeling van de beschikbare hoeveelheid zand. Het laat de banken, platen en stroomgeulen net zo lang veranderen tot alles past. Een zeegatsysteem is dan ook gevoelig voor elke wijziging in het bestaande evenwicht. Dan gaat alles weer aan het schuiven en vervormen tot een nieuw evenwicht ontstaat. De afsluitingen van de Zuiderzee en de Lauwerszee bijvoorbeeld brachten enorme zandtransporten op gang die tot op de dag van vandaag voortduren en waarvan het einde nog niet in zicht is. Zand, een eindige voorraad Tijdens de vorming van onze kust hebben stromend water en golfslag gigantische hoeveelheden materiaal aangevoerd: zand uit de Noordzee en slib uit de grote rivieren. Tijdens die wordingsgeschiedenis vormden de getijstromen in samenspel met golven en wind het stelsel van geulen en platen van het waddengebied, met aan de buitenzijde de Waddeneilanden en nog verder zeewaarts de geleidelijk dieper wordende zeebodem. Vanaf de dieptelijn van 20 meter richting wordt de zeebodem beschouwd als onderdeel van de kust, het zogenaamde kustfundament. De toevoer van zand uit de Noordzee naar ons kustfundament is vrijwel gestopt. Dat komt doordat vanaf de bodem verder uit de kust vrijwel geen 18 Deltaprogramma | Waddengebied

zand meer van nature naar de kust beweegt. Bij alle veranderingen die zich in onze kustzone voltrekken, zullen we het dus moeten doen met het zand dat nu in het kustfundament aanwezig is. Dat betekent dat de natuurlijke krachten van stroming en golfslag geneigd zijn om het ene gat te vullen met het andere, wanneer ze een verstoord evenwicht proberen te herstellen. Zo kunnen zwakke plekken ontstaan. Tot 1990 trok onze Noordzeekust zich gestaag terug, plaatselijk wel met een snelheid van 1 tot 2 meter per jaar. In dat jaar heeft de regering besloten dat de kustlijn zou moeten blijven liggen waar hij op dat moment lag. Dat werd de basiskustlijn (BKL). Om de BKL te handhaven, spelen we het spel van water en zand mee en brengen kunstmatig zand uit diepere delen van de Noordzee naar onze kustzone. Deze zandsuppletie heeft voor de gehele Nederlandse kust een omvang van ongeveer 12 miljoen kubieke meter per jaar.

kustzone naar de platen. Naarmate de wadplaten sterker moeten groeien als de zeespiegel sneller gaat stijgen, zal meer zand nodig zijn. Hoe, op welke plekken en in welke hoeveelheden is nog niet bekend. Een nog niet in de praktijk beproefde gedachte is dat het suppletiezand het best op de buitendelta’s zou kunnen worden aangebracht. Deze zouden in theorie dan gaan werken als ‘zandmotoren’, die alle delen van hun eigen zeegat kunnen onderhouden.

De basiskustlijn (BKL).

Ook op de Waddeneilanden is de afgelopen jaren zand gesuppleerd. In het waddengebied is echter méér nodig dan alleen het handhaven van de kustlijn. Een deel van het suppletiezand stroomt naar de Waddenzee en laat daar de wadplaten groeien of bezinkt in diepe geulen. Dit compenseert van het langzaam stijgen van de zeespiegel ten opzichte van de bodem. Het is een proces dat al duizenden jaren gaande is, de laatste jaren ook onder invloed van menselijke ingrepen zoals het afsluiten van binnenzeeën. De zeegatsystemen transporteren dit zand zelf vanuit de Hoe werkt het wad? 19


20 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 21


20 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 21


3. Het wad danst een tango Het spel van stromend water, zand en slib. Schommelingen en soms abrupte bewegingen rond evenwichten die ook zelf voortdurend veranderen. Goed begrip van deze processen is nodig om te kunnen nadenken over mogelijke maatregelen tegen negatieve trends.

22 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 23


3. Het wad danst een tango Het spel van stromend water, zand en slib. Schommelingen en soms abrupte bewegingen rond evenwichten die ook zelf voortdurend veranderen. Goed begrip van deze processen is nodig om te kunnen nadenken over mogelijke maatregelen tegen negatieve trends.

22 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 23


Spelregels Het spel van de drie hoofdrolspelers: buitendelta, eilanden en kom in de Waddenzee, kunnen we begrijpen door te kijken naar wat er gebeurt met de afzonderlijke delen waaruit ze zijn opgebouwd. In de buitendelta zijn dat platen en geulen; bij de eilanden de ondiepe kustzone, stranden, duinen en kwelders; in de kom tussen de wantijen platen, geulen en kwelders. Elk van deze delen staat voortdurend onder invloed van stromend water, wisselende waterhoogten en golfslag. Het getij en golfslag, de drijvende krachten Het water in de Waddenzee is nooit in rust. Tweemaal per etmaal stroomt het in iets meer dan zes uur door de zeegaten naar binnen en ruim zes uur lang weer naar buiten. Stromend water laat de zeebodem niet onberoerd. Al bij geringe snelheid neemt het fijne slibdeeltjes mee, bij hogere snelheid ook de kleinste zandkorrels en bij nog hogere snelheid grover zand. Water stroomt niet alleen, het golft ook bijna altijd onder de invloed van wind en deining uit zee. De golven aan het wateroppervlak werken onder water tot op een zekere diepte door. In ondiep water kan die golfbeweging tot op de bodem reiken en zand en slibdeeltjes loswoelen. Stroom en golfslag spannen dus samen en zijn de drijvende krachten voor het zandtransport. Vertraagt de stroomsnelheid, dan zakt eerst het grovere zand naar de bodem. Bij nog lagere snelheden komen ook de lichtere en fijnere deeltjes tot rust. De 24 Deltaprogramma | Waddengebied

allerfijnste slibdeeltjes blijven het langst in de waterkolom zweven en zakken pas naar de bodem op plaatsen waar het water zeer traag stroomt en langere tijd stilstaat. Het geulenstelsel Water dat bij opkomend tij door de zeegaten naar binnen dringt, verspreidt zich in alle richtingen. Dat kan doordat de hoofdgeul zich vertakt wanneer het water een route zoekt via de laagst liggende delen van de bodem. Geulen zijn daardoor zelden recht. En waar eenmaal bochten zijn, speelt het water een mooi spel met zijn stroombed. Het schuurt de buitenbochten uit en legt zand en slib weer neer in de binnenbochten. Deze worden minder diep en dat dwingt het water nog sneller langs de buitenbochten te stromen. Zo kunnen geulen zich geleidelijk verleggen en kortsluitingen vormen met andere geulen. Neemt de hoeveelheid water die door een geul stroomt toe, dan gaat het sneller stromen. Daardoor schuurt meer zand uit en wordt de geul wijder en dieper. De stroomsnelheid daalt vervolgens weer. Zo ontstaat een nieuw evenwicht. In omgekeerde richting zal een geul waarin de stroomsnelheid afneemt, méér zand ontvangen als gevolg van erosie van platen dan door het stromend water van bodem en wanden wordt opgenomen. De geul verondiept en de wanden krijgen een flauwere helling. De capaciteit van het stroombed neemt af, het water gaat weer sneller stromen. Ook nu ontstaat een nieuw evenwicht. Water en geul zijn in

hun bewegingen dus innig met elkaar verbonden, als in een dans. Platen Het waddensysteem kent ruwweg twee soorten platen: de platen in de Waddenzee en de platen in en voor de zeegaten. De wadplaten tussen de eilanden en het vasteland worden weliswaar doorsneden door tal van geulen en geultjes, maar zijn verder relatief vlak. Ze zijn gevormd uit zand dat is bezonken op plekken waar het binnenkomend zeewater minder snel ging stromen. Telkens wanneer de platen overstromen en het water een deel van zijn snelheid verliest, blijven zandkorrels en slibdeeltjes achter (het slib alleen in de gebieden met de minste stroom). Naarmate de platen hoger worden, komen ze sterker onder de invloed van golfslag, die een deel van het zand en slib loswoelt en bij afgaand tij weer meevoert naar de geul. Zo schommelen opbouwende en afbrekende krachten ook hier rond een zeker evenwicht en vlakken de platen af, behalve waar grillig gevormde geultjes zich erdoorheen slingeren. Buitendelta’s De platen en geulen in en voor de zeegaten, samen de buitendelta’s, zijn gevormd door krachtig in- en uitstromend water. Golfslag heeft een sterke invloed op de patronen in het zand. Dit zand is er voornamelijk neergelegd door water dat bij eb vanuit de Waddenzee naar buiten stroomt. In het zeegat krijgt de ebstroom meer ruimte en verliest snelheid. Daarmee raakt hij ook zijn grip op het zand kwijt, dat zich zeewaarts van het zeegat afzet. Een of

Stromend water en golfslag nemen sediment op. Stroom voert het mee.

Buitendelta’s zijn vitale schakels in de sedimentverdeling binnen de zeegatsystemen. Hoe werkt het wad? 25


Spelregels Het spel van de drie hoofdrolspelers: buitendelta, eilanden en kom in de Waddenzee, kunnen we begrijpen door te kijken naar wat er gebeurt met de afzonderlijke delen waaruit ze zijn opgebouwd. In de buitendelta zijn dat platen en geulen; bij de eilanden de ondiepe kustzone, stranden, duinen en kwelders; in de kom tussen de wantijen platen, geulen en kwelders. Elk van deze delen staat voortdurend onder invloed van stromend water, wisselende waterhoogten en golfslag. Het getij en golfslag, de drijvende krachten Het water in de Waddenzee is nooit in rust. Tweemaal per etmaal stroomt het in iets meer dan zes uur door de zeegaten naar binnen en ruim zes uur lang weer naar buiten. Stromend water laat de zeebodem niet onberoerd. Al bij geringe snelheid neemt het fijne slibdeeltjes mee, bij hogere snelheid ook de kleinste zandkorrels en bij nog hogere snelheid grover zand. Water stroomt niet alleen, het golft ook bijna altijd onder de invloed van wind en deining uit zee. De golven aan het wateroppervlak werken onder water tot op een zekere diepte door. In ondiep water kan die golfbeweging tot op de bodem reiken en zand en slibdeeltjes loswoelen. Stroom en golfslag spannen dus samen en zijn de drijvende krachten voor het zandtransport. Vertraagt de stroomsnelheid, dan zakt eerst het grovere zand naar de bodem. Bij nog lagere snelheden komen ook de lichtere en fijnere deeltjes tot rust. De 24 Deltaprogramma | Waddengebied

allerfijnste slibdeeltjes blijven het langst in de waterkolom zweven en zakken pas naar de bodem op plaatsen waar het water zeer traag stroomt en langere tijd stilstaat. Het geulenstelsel Water dat bij opkomend tij door de zeegaten naar binnen dringt, verspreidt zich in alle richtingen. Dat kan doordat de hoofdgeul zich vertakt wanneer het water een route zoekt via de laagst liggende delen van de bodem. Geulen zijn daardoor zelden recht. En waar eenmaal bochten zijn, speelt het water een mooi spel met zijn stroombed. Het schuurt de buitenbochten uit en legt zand en slib weer neer in de binnenbochten. Deze worden minder diep en dat dwingt het water nog sneller langs de buitenbochten te stromen. Zo kunnen geulen zich geleidelijk verleggen en kortsluitingen vormen met andere geulen. Neemt de hoeveelheid water die door een geul stroomt toe, dan gaat het sneller stromen. Daardoor schuurt meer zand uit en wordt de geul wijder en dieper. De stroomsnelheid daalt vervolgens weer. Zo ontstaat een nieuw evenwicht. In omgekeerde richting zal een geul waarin de stroomsnelheid afneemt, méér zand ontvangen als gevolg van erosie van platen dan door het stromend water van bodem en wanden wordt opgenomen. De geul verondiept en de wanden krijgen een flauwere helling. De capaciteit van het stroombed neemt af, het water gaat weer sneller stromen. Ook nu ontstaat een nieuw evenwicht. Water en geul zijn in

hun bewegingen dus innig met elkaar verbonden, als in een dans. Platen Het waddensysteem kent ruwweg twee soorten platen: de platen in de Waddenzee en de platen in en voor de zeegaten. De wadplaten tussen de eilanden en het vasteland worden weliswaar doorsneden door tal van geulen en geultjes, maar zijn verder relatief vlak. Ze zijn gevormd uit zand dat is bezonken op plekken waar het binnenkomend zeewater minder snel ging stromen. Telkens wanneer de platen overstromen en het water een deel van zijn snelheid verliest, blijven zandkorrels en slibdeeltjes achter (het slib alleen in de gebieden met de minste stroom). Naarmate de platen hoger worden, komen ze sterker onder de invloed van golfslag, die een deel van het zand en slib loswoelt en bij afgaand tij weer meevoert naar de geul. Zo schommelen opbouwende en afbrekende krachten ook hier rond een zeker evenwicht en vlakken de platen af, behalve waar grillig gevormde geultjes zich erdoorheen slingeren. Buitendelta’s De platen en geulen in en voor de zeegaten, samen de buitendelta’s, zijn gevormd door krachtig in- en uitstromend water. Golfslag heeft een sterke invloed op de patronen in het zand. Dit zand is er voornamelijk neergelegd door water dat bij eb vanuit de Waddenzee naar buiten stroomt. In het zeegat krijgt de ebstroom meer ruimte en verliest snelheid. Daarmee raakt hij ook zijn grip op het zand kwijt, dat zich zeewaarts van het zeegat afzet. Een of

Stromend water en golfslag nemen sediment op. Stroom voert het mee.

Buitendelta’s zijn vitale schakels in de sedimentverdeling binnen de zeegatsystemen. Hoe werkt het wad? 25


meerdere van deze platen vormen de buitendelta. Slibdeeltjes bezinken hier niet. Daarvoor is het water veel te woelig. De vloedstroom pakt een deel van het zand van de buitendelta weer op en voert het mee naar binnen. Ook Noordzeegolven hebben het op het zand van de buitendelta voorzien. Ze ‘bezemen’ het zand het zeegat in, maar ook naar de stranden van de eilanden. Daar is het meer dan welkom, want de vloedstroom neemt ook vanaf de eilandkoppen zand mee de Waddenzee in. Het zand afkomstig van de buitendelta compenseert dit verlies. Het bezemeffect is zo krachtig, dat van tijd tot tijd grote zandplaten in hun geheel naar de kust kunnen verschuiven. Bij kleinere zeegaten kan zo’n proces enkele decennia duren. Bij grotere zeegaten, zoals het Marsdiep bij Texel, duurt het langer, tot wel anderhalve eeuw. De eilanden In het gecompliceerde spel van de verdeling van water en sediment zijn de eilanden voor hun (voort)bestaan deels afhankelijk van de buitendelta’s. Deze zich ver in zee uitstrekkende zandlobben weren het grootste geweld van stormgolven en voeden de eilanden met sediment. De eilanden ontvangen niet alleen zand vanuit de buitendelta’s, maar – onder invloed van golven en een stroming naar het noorden – ook vanuit de ondiepe kustzone van Noord-Holland en langs de eilanden. Voor de aanwas 26 Deltaprogramma | Waddengebied

van de eilanden is wind van zee een belangrijke bondgenoot. Hij blaast opgedroogd zand vanaf de stranden landinwaarts en bouwt zo mee aan de duinen. De koppen (west) en staarten (oost) van de meeste eilanden kunnen periodiek fors aangroeien wanneer zandplaten van de buitendelta naar de kust verschuiven en uiteindelijk aanlanden. Ook kan het zijn dat een geul rond de eilandkop naar buiten toe ‘wegloopt’ en het uitgeschuurde sediment in de binnenbocht afzet. De grote sedimenttransporten rondom de eilanden behoren tot het grovere werk van het wad. Eilanden zijn in staat om in hun geheel mee te ‘wandelen’ met forse geulverplaatsingen. Dat kan zowel richting vasteland als zeewaarts. Aan de waddenkant groeien de kwelders van de eilanden aan door afzetting van slib en fijn zand. Evenals de platen kunnen ook de eilanden in een bepaalde mate verticaal meegroeien met het stijgen van de zeespiegel. Kwelders De kwelders zijn op het eerste gezicht vooral waardevol natuurgebied, maar ook deze delen van het waddengebied doen mee met de sedimentbewegingen in de zeegatsystemen en dragen bij aan de bescherming van de kust. Ze dempen – als ze voldoende hoog en breed zijn – de werking van golfslag en dat komt de veiligheid van de dijken ten goede. Typisch voor de kwelders is het samengaan van sedimentaanwas en biologische ontwikkelingen. Voor het invangen en vooral vasthouden van slib is plantengroei op de kwelders noodza-

Verschillende stadia van kweldergroei. GHw is het gemiddelde van de waterstanden bij hoogwater.

kelijk. Zodra de opslibbing van de ondiepe zeebodem buitendijks is gevorderd tot enkele decimeters onder gemiddeld hoogwater, kunnen de eerste pionierplanten, zoals Engels slijkgras en zeekraal, zich vestigen. Planten vormen pollen. Komend en gaand water stromen daartussendoor. Geleidelijk vormt zich een kwelderbodem met een steeds dichter wordend plantendek, doorsneden door een vast krekenpatroon.

Als de kwelder het niveau van gemiddeld hoogwater bereikt, kan meerjarig kweldergras voor voldoende bedekking zorgen om de opslibbing tot de hoogste waarden van de kweldervorming op te voeren, het krekenstelsel verder te ontwikkelen en de erosie van de jonge kwelder tegen te gaan. Naast kweldergras verschijnen andere meerjarige planten. Zij maken de kwelder bestendiger voor erosie en helpen bij hoogwater mee de golven te dempen. Hoe werkt het wad? 27


meerdere van deze platen vormen de buitendelta. Slibdeeltjes bezinken hier niet. Daarvoor is het water veel te woelig. De vloedstroom pakt een deel van het zand van de buitendelta weer op en voert het mee naar binnen. Ook Noordzeegolven hebben het op het zand van de buitendelta voorzien. Ze ‘bezemen’ het zand het zeegat in, maar ook naar de stranden van de eilanden. Daar is het meer dan welkom, want de vloedstroom neemt ook vanaf de eilandkoppen zand mee de Waddenzee in. Het zand afkomstig van de buitendelta compenseert dit verlies. Het bezemeffect is zo krachtig, dat van tijd tot tijd grote zandplaten in hun geheel naar de kust kunnen verschuiven. Bij kleinere zeegaten kan zo’n proces enkele decennia duren. Bij grotere zeegaten, zoals het Marsdiep bij Texel, duurt het langer, tot wel anderhalve eeuw. De eilanden In het gecompliceerde spel van de verdeling van water en sediment zijn de eilanden voor hun (voort)bestaan deels afhankelijk van de buitendelta’s. Deze zich ver in zee uitstrekkende zandlobben weren het grootste geweld van stormgolven en voeden de eilanden met sediment. De eilanden ontvangen niet alleen zand vanuit de buitendelta’s, maar – onder invloed van golven en een stroming naar het noorden – ook vanuit de ondiepe kustzone van Noord-Holland en langs de eilanden. Voor de aanwas 26 Deltaprogramma | Waddengebied

van de eilanden is wind van zee een belangrijke bondgenoot. Hij blaast opgedroogd zand vanaf de stranden landinwaarts en bouwt zo mee aan de duinen. De koppen (west) en staarten (oost) van de meeste eilanden kunnen periodiek fors aangroeien wanneer zandplaten van de buitendelta naar de kust verschuiven en uiteindelijk aanlanden. Ook kan het zijn dat een geul rond de eilandkop naar buiten toe ‘wegloopt’ en het uitgeschuurde sediment in de binnenbocht afzet. De grote sedimenttransporten rondom de eilanden behoren tot het grovere werk van het wad. Eilanden zijn in staat om in hun geheel mee te ‘wandelen’ met forse geulverplaatsingen. Dat kan zowel richting vasteland als zeewaarts. Aan de waddenkant groeien de kwelders van de eilanden aan door afzetting van slib en fijn zand. Evenals de platen kunnen ook de eilanden in een bepaalde mate verticaal meegroeien met het stijgen van de zeespiegel. Kwelders De kwelders zijn op het eerste gezicht vooral waardevol natuurgebied, maar ook deze delen van het waddengebied doen mee met de sedimentbewegingen in de zeegatsystemen en dragen bij aan de bescherming van de kust. Ze dempen – als ze voldoende hoog en breed zijn – de werking van golfslag en dat komt de veiligheid van de dijken ten goede. Typisch voor de kwelders is het samengaan van sedimentaanwas en biologische ontwikkelingen. Voor het invangen en vooral vasthouden van slib is plantengroei op de kwelders noodza-

Verschillende stadia van kweldergroei. GHw is het gemiddelde van de waterstanden bij hoogwater.

kelijk. Zodra de opslibbing van de ondiepe zeebodem buitendijks is gevorderd tot enkele decimeters onder gemiddeld hoogwater, kunnen de eerste pionierplanten, zoals Engels slijkgras en zeekraal, zich vestigen. Planten vormen pollen. Komend en gaand water stromen daartussendoor. Geleidelijk vormt zich een kwelderbodem met een steeds dichter wordend plantendek, doorsneden door een vast krekenpatroon.

Als de kwelder het niveau van gemiddeld hoogwater bereikt, kan meerjarig kweldergras voor voldoende bedekking zorgen om de opslibbing tot de hoogste waarden van de kweldervorming op te voeren, het krekenstelsel verder te ontwikkelen en de erosie van de jonge kwelder tegen te gaan. Naast kweldergras verschijnen andere meerjarige planten. Zij maken de kwelder bestendiger voor erosie en helpen bij hoogwater mee de golven te dempen. Hoe werkt het wad? 27


Hoe hoger de kwelder opslibt, des te minder vaak komt hij onder water te staan. Het proces van opslibbing vertraagt. Alleen bij extreem hoogwater komt er af en toe een dun laagje fijn zand en slib bij. Extreem hoogwater gaat meestal gepaard met storm. Dan vangen goed ontwikkelde kwelders de eerste klappen op van de golven voordat deze de dijk bereiken. Dat blijft niet zonder gevolgen voor de kwelder zelf. Sediment kan uitspoelen en de golfslag kan steilranden in de kwelder slaan. Het weggespoeld sediment belandt weer in de Waddenzee. De komberging We gunnen ons weer even een blik op de eilanden vanuit de ruimte. Dan valt op dat de eilanden van west naar oost steeds kleiner worden. De zeegaten liggen in oostelijke richting dichter bij elkaar. De afstand tussen de zeegaten bepaalt ook de afstand tussen twee wantijen, dus de breedte van een kombergingsgebied.

zijn bij laag water alleen de geulen en de delen van de platen die onder water liggen. Bij stijgend water stromen de platen geleidelijk over en wordt het natte oppervlak steeds groter. Pas als bij extra hoog water ook de kwelders onder water komen, werkt het hele gebiedsoppervlak mee aan de komberging. Er blijkt dus een direct verband te zijn tussen de hoogte van platen en kwelders en het getijvolume. Hoe hoger de platen, des te langer blijven ze droog met als gevolg minder komberging. Dit verband werkt door in het getijvolume en het stroomprofiel van de geulen. Immers: hoe groter de hoeveelheid water die heen en weer beweegt, hoe meer water door de geulen wordt geperst en des te ruimer wordt het geulprofiel. Zand en slib uit de geulen Kombergingsgebied. De komberging is het product van oppervlakte en verschil tussen hoog- en laagwater. De oppervlakte neemt toe naarmate de wadplaten meer onder water komen te staan.

Die komberging is van groot belang voor de werking van een waddensysteem. Zij is immers bepalend voor de hoeveelheid water die bij eb naar buiten en bij vloed weer naar binnen kan stromen. Zou het wad achter een zeegat een bak zijn zonder droogvallende platen en kwelders, dan zou de komberging uitsluitend worden bepaald door de oppervlakte van het gebied. Water dat binnenstroomt zou zich dan gedurende de gehele tijslag over het hele gebied kunnen verspreiden. Voor het getijvolume telt echter alleen het oppervlak waar water kan staan. Dat 28 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 29


Hoe hoger de kwelder opslibt, des te minder vaak komt hij onder water te staan. Het proces van opslibbing vertraagt. Alleen bij extreem hoogwater komt er af en toe een dun laagje fijn zand en slib bij. Extreem hoogwater gaat meestal gepaard met storm. Dan vangen goed ontwikkelde kwelders de eerste klappen op van de golven voordat deze de dijk bereiken. Dat blijft niet zonder gevolgen voor de kwelder zelf. Sediment kan uitspoelen en de golfslag kan steilranden in de kwelder slaan. Het weggespoeld sediment belandt weer in de Waddenzee. De komberging We gunnen ons weer even een blik op de eilanden vanuit de ruimte. Dan valt op dat de eilanden van west naar oost steeds kleiner worden. De zeegaten liggen in oostelijke richting dichter bij elkaar. De afstand tussen de zeegaten bepaalt ook de afstand tussen twee wantijen, dus de breedte van een kombergingsgebied.

zijn bij laag water alleen de geulen en de delen van de platen die onder water liggen. Bij stijgend water stromen de platen geleidelijk over en wordt het natte oppervlak steeds groter. Pas als bij extra hoog water ook de kwelders onder water komen, werkt het hele gebiedsoppervlak mee aan de komberging. Er blijkt dus een direct verband te zijn tussen de hoogte van platen en kwelders en het getijvolume. Hoe hoger de platen, des te langer blijven ze droog met als gevolg minder komberging. Dit verband werkt door in het getijvolume en het stroomprofiel van de geulen. Immers: hoe groter de hoeveelheid water die heen en weer beweegt, hoe meer water door de geulen wordt geperst en des te ruimer wordt het geulprofiel. Zand en slib uit de geulen Kombergingsgebied. De komberging is het product van oppervlakte en verschil tussen hoog- en laagwater. De oppervlakte neemt toe naarmate de wadplaten meer onder water komen te staan.

Die komberging is van groot belang voor de werking van een waddensysteem. Zij is immers bepalend voor de hoeveelheid water die bij eb naar buiten en bij vloed weer naar binnen kan stromen. Zou het wad achter een zeegat een bak zijn zonder droogvallende platen en kwelders, dan zou de komberging uitsluitend worden bepaald door de oppervlakte van het gebied. Water dat binnenstroomt zou zich dan gedurende de gehele tijslag over het hele gebied kunnen verspreiden. Voor het getijvolume telt echter alleen het oppervlak waar water kan staan. Dat 28 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 29


komen uiteindelijk op de platen terecht, waardoor de komberging afneemt en daarmee ook de hoeveelheid in- en uitstromend water. Ook de buitendelta staat onder invloed van het getijvolume. Hoe meer water uit de Waddenzee naar het zeegat stroomt, hoe meer zand in de buitendelta bezinkt. Het kombergingsgebied, de buitendelta en de eilanden aan weerszijden van het zeegat wisselen voortdurend water en sediment uit. Het is een permanente hoogdynamische afwisseling van actie en reactie. Ritmisch, soms met heftige impulsen in wisselende richtingen, soms verstild. Niet zomaar een dans van water en sediment, maar een tango! Afsluiting Lauwerszee en Zuiderzee De gevolgen van de afsluiting van de Lauwerszee in 1969 zijn een goed voorbeeld van de complexe samenhang die hierboven is beschreven. Het getijvolume van het zeegatsysteem onder Ameland en Schiermonnikoog nam door deze ingreep met meer dan 30 procent af, van 305 miljoen naar 200 miljoen kubieke meter. De hoofdgeul Zoutkamperlaag werd daardoor veel te diep en te wijd voor de hoeveelheid water die erdoor heen en weer stroomde. De stroomsnelheid daalde met meer dan 30 procent en daarmee ook het vermogen van de stroom om sediment te transporteren. Zand dat door het zeegat naar binnen kwam, bezonk al dicht bij het zeegat, waardoor het doorstroomprofiel van de geulen afnam. Verder van het zeegat af kreeg in het rustige zomerseizoen slib de gelegenheid om zich af te zetten, onder 30 Deltaprogramma | Waddengebied

meer langs de Lauwersmeerdijk. Getijden en stormvloeden slaagden erin om uit de Noordzeekustzone en vanaf de buitendelta zand aan te voeren dat in de geulen achterbleef. De stroomsnelheden gingen weer omhoog tot de geuldoorsnede weer in evenwicht was met de nieuwe getijvolumes. Maar intussen was de buitendelta deels verdwenen. De verminderde in- en uitgaande stroom was niet bij machte gebleken hem met zand te blijven voeden. De golven uit het noorden kregen bij de zeegaten de overhand en veegden het zand van de buitendelta deels naar binnen en deels naar de kust van Schiermonnikoog. Deze groeide sterk aan en kreeg stranden van wel een kilometer breed. Een soortgelijke ontwikkeling is nog steeds gaande in het zeegatsysteem van het Marsdiep tussen Den Helder en Texel. Daar heerst grote zandhonger sinds in 1938 de Zuiderzee werd afgesloten. Veel zand uit het kustsysteem komt daar terecht in de diepe en brede geulen en op de platen waarop na de afsluiting meer water is komen te staan. Deze ontwikkeling zal waarschijnlijk nog meerdere eeuwen doorgaan.

Afsluiting Zuiderzee Effecten van afsluiting Zuiderzee op sedimentdeling; een veranderingsproces van eeuwen.

Hoe werkt het wad? 31


komen uiteindelijk op de platen terecht, waardoor de komberging afneemt en daarmee ook de hoeveelheid in- en uitstromend water. Ook de buitendelta staat onder invloed van het getijvolume. Hoe meer water uit de Waddenzee naar het zeegat stroomt, hoe meer zand in de buitendelta bezinkt. Het kombergingsgebied, de buitendelta en de eilanden aan weerszijden van het zeegat wisselen voortdurend water en sediment uit. Het is een permanente hoogdynamische afwisseling van actie en reactie. Ritmisch, soms met heftige impulsen in wisselende richtingen, soms verstild. Niet zomaar een dans van water en sediment, maar een tango! Afsluiting Lauwerszee en Zuiderzee De gevolgen van de afsluiting van de Lauwerszee in 1969 zijn een goed voorbeeld van de complexe samenhang die hierboven is beschreven. Het getijvolume van het zeegatsysteem onder Ameland en Schiermonnikoog nam door deze ingreep met meer dan 30 procent af, van 305 miljoen naar 200 miljoen kubieke meter. De hoofdgeul Zoutkamperlaag werd daardoor veel te diep en te wijd voor de hoeveelheid water die erdoor heen en weer stroomde. De stroomsnelheid daalde met meer dan 30 procent en daarmee ook het vermogen van de stroom om sediment te transporteren. Zand dat door het zeegat naar binnen kwam, bezonk al dicht bij het zeegat, waardoor het doorstroomprofiel van de geulen afnam. Verder van het zeegat af kreeg in het rustige zomerseizoen slib de gelegenheid om zich af te zetten, onder 30 Deltaprogramma | Waddengebied

meer langs de Lauwersmeerdijk. Getijden en stormvloeden slaagden erin om uit de Noordzeekustzone en vanaf de buitendelta zand aan te voeren dat in de geulen achterbleef. De stroomsnelheden gingen weer omhoog tot de geuldoorsnede weer in evenwicht was met de nieuwe getijvolumes. Maar intussen was de buitendelta deels verdwenen. De verminderde in- en uitgaande stroom was niet bij machte gebleken hem met zand te blijven voeden. De golven uit het noorden kregen bij de zeegaten de overhand en veegden het zand van de buitendelta deels naar binnen en deels naar de kust van Schiermonnikoog. Deze groeide sterk aan en kreeg stranden van wel een kilometer breed. Een soortgelijke ontwikkeling is nog steeds gaande in het zeegatsysteem van het Marsdiep tussen Den Helder en Texel. Daar heerst grote zandhonger sinds in 1938 de Zuiderzee werd afgesloten. Veel zand uit het kustsysteem komt daar terecht in de diepe en brede geulen en op de platen waarop na de afsluiting meer water is komen te staan. Deze ontwikkeling zal waarschijnlijk nog meerdere eeuwen doorgaan.

Afsluiting Zuiderzee Effecten van afsluiting Zuiderzee op sedimentdeling; een veranderingsproces van eeuwen.

Hoe werkt het wad? 31


4. Het waddengebied onderweg Veranderingen en langlopende processen door de eeuwen heen. Natuurlijke oorzaken en gevolgen van menselijke ingrepen.

32 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 33


4. Het waddengebied onderweg Veranderingen en langlopende processen door de eeuwen heen. Natuurlijke oorzaken en gevolgen van menselijke ingrepen.

32 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 33


deels van de buiten-delta en deels van de eilandkusten.De landwaartse terugtrekking van de kustlijn is gestopt sinds in 1990 de basiskustlijn op zijn plaats wordt gehouden door middel van zandsuppletie aan de zeezijde van de eilanden.

Vanaf het moment waarop de Nederlandse kust ongeveer haar huidige vorm en ligging had gekregen, zien we de Waddeneilanden geleidelijk verschuiven. ‘Verschuiven’ is eigenlijk een verkeerd woord. De eilanden schuiven niet in hun geheel. De westelijke koppen worden simpelweg door de zee afgebroken, maar het zand blijft wel in het systeem en groeit aan de oostkant van de eilanden of in de Waddenzee weer aan. De neiging om dichter naar de kust van het vasteland te komen, hebben de Waddeneilanden al duizenden jaren. Dat komt doordat de geulen en platen van de Waddenzee ongeveer gelijke tred houden met de langzaam stijgende zeespiegel. De laatste eeuwen zijn daar nog de effecten bijgekomen van menselijke ingrepen zoals het afsluiten van binnenzeeën. Het benodigde zand voor het voeden van geulen en platen komt uit de kustzone van de eilanden: 34 Deltaprogramma | Waddengebied

Langzaam maar gestaag Het bewegen van de eilanden is het duidelijkst te zien op een tijdschaal van enkele eeuwen. Zo geeft de naam van het dorp Oost-Vlieland aan dat er ooit een West-Vlieland is geweest. Het lag op een plek waar nu ten noorden van de Vliehors de Noordzee golft. In 1729 is het dorp officieel opgeheven. Begin achttiende eeuw, na tientallen jaren van kustafslag, was het op het strand beland. In 1714 verdween de kerk in de branding. De rest volgde niet lang daarna. Een ander voorbeeld: Ameland wandelde de afgelopen driehonderd jaar ongeveer een kilometer per eeuw naar het oosten. En het eiland wandelt nog steeds rustig door, te langzaam om te kunnen waarnemen, maar af en toe zien we de tastbare bewijzen. Zo kwamen in 1943 op het strand westelijk van het dorp Hollum een groot aantal waterputten onder het zand vandaan; de stille getuigen van de vroegere buurtschap Sier die in de 15e eeuw door duinzand werd bedolven. Nu, zeventig jaar nadat de waterputten weer opdoken, liggen ze in zee. Wat als de zeespiegel sneller stijgt? Het wad is dus duidelijk onderweg. Is dat dan de natuur waarvan veerbootkapitein Pieter Schroo zegt: ‘Die veranderingen horen bij het wad. Dat

zal altijd zo blijven en daar kun je alleen maar op reageren’? Kun je erop rekenen dat zo’n natuurlijke ontwikkeling aldoor in dezelfde richting doorgaat? Of kan een eeuwendurend proces een onverwachte wending krijgen die al binnen deze eeuw dwingt tot beschermende maatregelen? De gevolgen van menselijke ingrepen zoals het afsluiten van binnenzeeën geven aan hoe gevoelig het wadsysteem reageert op veranderingen. Wat gebeurt er als de zeespiegel versneld stijgt? Niemand kan dat met zekerheid voorspellen. Uitgaande van wat we al wél weten is – met de nodige slagen om de arm – een beeld te schetsen van een mogelijke ontwikkeling. Komt de zeespiegel een beetje hoger, dan staan de wadplaten langer en dieper onder water. Ze ontvangen dan zand en slib, maar geven in verhouding weinig terug doordat ze minder onderhevig zijn aan de afbrekende werking van kleine golven. De platen gaan dus – met de nodige vertraging – meegroeien.

Mogelijke effecten van zeespiegelstijging op buitendelta’s en eilanden.

Het evenwichtzoekend systeem van sedimentdeling zal zand onttrekken aan het kustgebied en de buitendelta’s. Buitendelta’s en eilandkusten trekken zich terug. Dit verlies van zand komt voor de eilanden extra hard aan, omdat het bovenop de zeespiegelstijging komt waarmee de eilandkusten toch al te maken krijgen. Aan de groeicapaciteit van de wadplaten zit een maximum. Dat is gebleken uit het geologische verleden, toen de zeespiegelstijging veel sneller verliep

Meegroeien van platen bij zeespiegelstijging. Hoe werkt het wad? 35


deels van de buiten-delta en deels van de eilandkusten.De landwaartse terugtrekking van de kustlijn is gestopt sinds in 1990 de basiskustlijn op zijn plaats wordt gehouden door middel van zandsuppletie aan de zeezijde van de eilanden.

Vanaf het moment waarop de Nederlandse kust ongeveer haar huidige vorm en ligging had gekregen, zien we de Waddeneilanden geleidelijk verschuiven. ‘Verschuiven’ is eigenlijk een verkeerd woord. De eilanden schuiven niet in hun geheel. De westelijke koppen worden simpelweg door de zee afgebroken, maar het zand blijft wel in het systeem en groeit aan de oostkant van de eilanden of in de Waddenzee weer aan. De neiging om dichter naar de kust van het vasteland te komen, hebben de Waddeneilanden al duizenden jaren. Dat komt doordat de geulen en platen van de Waddenzee ongeveer gelijke tred houden met de langzaam stijgende zeespiegel. De laatste eeuwen zijn daar nog de effecten bijgekomen van menselijke ingrepen zoals het afsluiten van binnenzeeën. Het benodigde zand voor het voeden van geulen en platen komt uit de kustzone van de eilanden: 34 Deltaprogramma | Waddengebied

Langzaam maar gestaag Het bewegen van de eilanden is het duidelijkst te zien op een tijdschaal van enkele eeuwen. Zo geeft de naam van het dorp Oost-Vlieland aan dat er ooit een West-Vlieland is geweest. Het lag op een plek waar nu ten noorden van de Vliehors de Noordzee golft. In 1729 is het dorp officieel opgeheven. Begin achttiende eeuw, na tientallen jaren van kustafslag, was het op het strand beland. In 1714 verdween de kerk in de branding. De rest volgde niet lang daarna. Een ander voorbeeld: Ameland wandelde de afgelopen driehonderd jaar ongeveer een kilometer per eeuw naar het oosten. En het eiland wandelt nog steeds rustig door, te langzaam om te kunnen waarnemen, maar af en toe zien we de tastbare bewijzen. Zo kwamen in 1943 op het strand westelijk van het dorp Hollum een groot aantal waterputten onder het zand vandaan; de stille getuigen van de vroegere buurtschap Sier die in de 15e eeuw door duinzand werd bedolven. Nu, zeventig jaar nadat de waterputten weer opdoken, liggen ze in zee. Wat als de zeespiegel sneller stijgt? Het wad is dus duidelijk onderweg. Is dat dan de natuur waarvan veerbootkapitein Pieter Schroo zegt: ‘Die veranderingen horen bij het wad. Dat

zal altijd zo blijven en daar kun je alleen maar op reageren’? Kun je erop rekenen dat zo’n natuurlijke ontwikkeling aldoor in dezelfde richting doorgaat? Of kan een eeuwendurend proces een onverwachte wending krijgen die al binnen deze eeuw dwingt tot beschermende maatregelen? De gevolgen van menselijke ingrepen zoals het afsluiten van binnenzeeën geven aan hoe gevoelig het wadsysteem reageert op veranderingen. Wat gebeurt er als de zeespiegel versneld stijgt? Niemand kan dat met zekerheid voorspellen. Uitgaande van wat we al wél weten is – met de nodige slagen om de arm – een beeld te schetsen van een mogelijke ontwikkeling. Komt de zeespiegel een beetje hoger, dan staan de wadplaten langer en dieper onder water. Ze ontvangen dan zand en slib, maar geven in verhouding weinig terug doordat ze minder onderhevig zijn aan de afbrekende werking van kleine golven. De platen gaan dus – met de nodige vertraging – meegroeien.

Mogelijke effecten van zeespiegelstijging op buitendelta’s en eilanden.

Het evenwichtzoekend systeem van sedimentdeling zal zand onttrekken aan het kustgebied en de buitendelta’s. Buitendelta’s en eilandkusten trekken zich terug. Dit verlies van zand komt voor de eilanden extra hard aan, omdat het bovenop de zeespiegelstijging komt waarmee de eilandkusten toch al te maken krijgen. Aan de groeicapaciteit van de wadplaten zit een maximum. Dat is gebleken uit het geologische verleden, toen de zeespiegelstijging veel sneller verliep

Meegroeien van platen bij zeespiegelstijging. Hoe werkt het wad? 35


duinen of hooggelegen land intertijdegebied of laaggelegen kwelder binnendijks gebied of hooggelegen kwelder veengronden zeer oude grond, pleistoceen of ouder water

dan nu. Bovendien wordt een deel van die groeicapaciteit al benut. Een groot deel van de wadplaten moet namelijk nu al aangroeien om de daling van de ondergrond bij te houden die het gevolg is van de winning van aardgas en steenzout. Dat deel van de groeicapaciteit is niet meer beschikbaar voor het compenseren van de zeespiegelstijging. Het belang van stuifzand Niet alleen het meegroeien van wadplaten verdient aandacht, maar ook het meegroeien van de eilanden. Ofwel, niet alleen de zandbewegingen onder water doen ertoe, maar ook de zandbewegingen over land. De duinen op de eilanden zijn ontstaan en gegroeid door opstuiving. Over de laaggelegen gebieden stoof zand naar de kust aan de waddenzijde. Tegenwoordig kan het zand niet meer zo goed stuiven als zou moeten, vanwege de begroeiing en het in cultuur brengen van de eilanden. Als met het stijgen van de zeespiegel ook

de eilandkwelders relatief dieper komen te liggen, gaan de binnendijkse gebieden dezelfde problematiek van overstromingsrisico en verzilting tegemoet als de Hollandse polders. Buitendijks gelegen natuurgebied kan dan verdrinken. Wat als de platen verdrinken? De wadplaten zullen verdrinken als de optelsom van zeespiegelstijging en daling van de ondergrond groter is dan de maximaal mogelijke groeisnelheid van de platen. De zandhonger van het gebied achter de zeegaten is dan maximaal. Met uitstromend water komt minder sediment naar buiten dan met de vloedstroom naar binnen trekt. Zo knaagt de zandhonger aan de buitendelta’s voor de eilandkusten. De kans bestaat dat ze geleidelijk zullen krimpen, waarmee de beschermende werking van het waddenschild in gevaar komt.

Veranderingen tussen 1500 (boven) en 2000 (onder). Het wad is onderweg. Waarheen? 36 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 37


duinen of hooggelegen land intertijdegebied of laaggelegen kwelder binnendijks gebied of hooggelegen kwelder veengronden zeer oude grond, pleistoceen of ouder water

dan nu. Bovendien wordt een deel van die groeicapaciteit al benut. Een groot deel van de wadplaten moet namelijk nu al aangroeien om de daling van de ondergrond bij te houden die het gevolg is van de winning van aardgas en steenzout. Dat deel van de groeicapaciteit is niet meer beschikbaar voor het compenseren van de zeespiegelstijging. Het belang van stuifzand Niet alleen het meegroeien van wadplaten verdient aandacht, maar ook het meegroeien van de eilanden. Ofwel, niet alleen de zandbewegingen onder water doen ertoe, maar ook de zandbewegingen over land. De duinen op de eilanden zijn ontstaan en gegroeid door opstuiving. Over de laaggelegen gebieden stoof zand naar de kust aan de waddenzijde. Tegenwoordig kan het zand niet meer zo goed stuiven als zou moeten, vanwege de begroeiing en het in cultuur brengen van de eilanden. Als met het stijgen van de zeespiegel ook

de eilandkwelders relatief dieper komen te liggen, gaan de binnendijkse gebieden dezelfde problematiek van overstromingsrisico en verzilting tegemoet als de Hollandse polders. Buitendijks gelegen natuurgebied kan dan verdrinken. Wat als de platen verdrinken? De wadplaten zullen verdrinken als de optelsom van zeespiegelstijging en daling van de ondergrond groter is dan de maximaal mogelijke groeisnelheid van de platen. De zandhonger van het gebied achter de zeegaten is dan maximaal. Met uitstromend water komt minder sediment naar buiten dan met de vloedstroom naar binnen trekt. Zo knaagt de zandhonger aan de buitendelta’s voor de eilandkusten. De kans bestaat dat ze geleidelijk zullen krimpen, waarmee de beschermende werking van het waddenschild in gevaar komt.

Veranderingen tussen 1500 (boven) en 2000 (onder). Het wad is onderweg. Waarheen? 36 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 37


5. Wat brengt de toekomst? De kernvraag: in welke mate be誰nvloeden gevolgen van de klimaatverandering de beschermende functie van het waddengebied?

38 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 39


5. Wat brengt de toekomst? De kernvraag: in welke mate be誰nvloeden gevolgen van de klimaatverandering de beschermende functie van het waddengebied?

38 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 39


Wat brengt de toekomst? Deze vraag is kenmerkend voor perioden van toenemende onzekerheid. Enkele jaren geleden is Nederland zich opnieuw bewust geworden van de kwetsbaarheid van een groot deel van het land voor hoogwater. Extreem hoge rivierafvoeren geven risico op overstroming vanuit bovenstrooms gebied; stormvloeden bedreigen vanuit zee in toenemende mate de kust en het achterland. Het zijn de mogelijke gevolgen van de verwachte klimaatverandering. De zeespiegelstijging, een onzekere tegenspeler Een van de vele gevolgen van de klimaatverandering is de verwachte versnelde zeespiegelstijging. Vooral dit effect roept vragen op over de toekomst van het waddengebied en de veiligheid van zijn bewoners. Het zeeniveau stijgt al eeuwen door het afsmelten van ijs op de polen, maar de snelheid waarmee dat gebeurt neemt de laatste decennia toe. ‘Zeespiegelstijging’ is een signaalwoord voor landen met een lage kust. De schattingen van de stijging in deze eeuw lopen uiteen. Niemand heeft de waarheid in pacht. Het Deltaprogramma gaat niet uit van de meest extreme klimaatscenario’s, maar van matige en snellere temperatuurstijging. In het gematigde scenario stijgt de zeespiegel met 35 cm tussen 2000 en 2100, in het scenario voor snelle verandering is dat 85 cm. Geen jaren maar generaties Wie het wad liefheeft, wie er woont en werkt, hoeft van dit verhaal over de 40 Deltaprogramma | Waddengebied

toekomst van het wad niet in paniek te raken. We hebben het niet over jaren, maar over vele generaties. Dat geeft tijd om vroeg genoeg in kaart te brengen wat de beste en meest doeltreffende maatregelen zijn. Die tijd moeten we dan ook gebruiken. Ofwel: onderzoek om aan de weet te komen waar we nu nog slechts naar kunnen gissen, kan maar beter niet worden uitgesteld. Op veel plaatsen in het waddengebied worden al stelselmatig allerlei metingen verricht: de conditie van de dijken, temperaturen, neerslag, wind, golven op de Noordzee en in zeegaten, waterstanden, de bodemligging, de sedimentsamenstelling, kwelderhoogten, eilandopbouw, flora, fauna en de belasting en het gebruik van het waddengebied door mensen. Je zou dus denken: dat moet alles bij elkaar toch meer dan genoeg zijn! Helaas is dat niet zo. De centrale vraag ‘wat…als?’ die in dit boekje aan de orde is, wordt er onvoldoende door beantwoord. Daar komt bij dat we steeds hogere eisen stellen aan wat we willen weten. We gaan immers niet meer zo gemakkelijk om met onzekerheden. De gedachte dat het wad nu eenmaal altijd zal veranderen en dat we ons daar maar bij hebben neer te leggen, is niet meer van deze tijd. Achter de duinen en dijken van de eilanden en op het vasteland van Noord-Nederland wonen meer mensen dan ooit en ligt te veel van waarde. Dat willen we zo houden, niet voor jaren, maar voor vele generaties na ons. En het gebied tussen eilanden en vasteland, één van de meest bijzondere natuurgebieden ter wereld, willen we eveneens houden.

Zheng Bing Wang, hoogleraar morfologie van estuaria en lagunes TU Delft: ‘We weten al veel, maar niet genoeg’ ‘De vraag wat de toekomst brengt, is niet aan ons om te beantwoorden. Hoe het waddengebied zich deze eeuw zal gedragen, hangt sterk af van de snelheid waarmee de zeespiegel stijgt en die kennen we niet. We moeten het doen met de verschillende scenario’s die daarvoor zijn opgesteld. Voor een uitspraak over de gevolgen van de zeespiegelstijging voor de Waddenzee kunnen wij ons als wetenschappelijk onderzoekers alleen baseren op wat we weten over zandtransporten in de afgelopen perioden van matige zeespiegelstijging. Met rekenmodellen voor de import en export van zand in zeegatsystemen zijn wel verkenningen te doen voor een snellere zeespiegelstijging, maar die zijn onvoldoende betrouwbaar om er voorspellingen mee te kunnen doen. Onze kennis van die systemen is niet precies genoeg. Daarom werken we hard aan de voorbereidingen van een pilot die ons veel meer inzicht moet geven in de zandtransporten tussen de kustzone (inclusief de buitendelta’s) en de Waddenzee. Zo’n pilot kun je niet zomaar beginnen. Tevoren moet je het goed met elkaar eens zijn over wat je wilt meten en wat daarvoor de beste methoden zijn. Voor het gehele onderzoek denken we ongeveer vijftien jaar nodig te hebben. En het liefst werken we daarbij intensief samen met onderzoekers in de andere Waddenzeestaten Denemarken en Duitsland. Daar hebben ze deels andere uitgangspunten om de gedragingen van het wad te verklaren. Zo kunnen we door bundeling van kennis onze inzichten verrijken.’

Hoe werkt het wad? 41


Wat brengt de toekomst? Deze vraag is kenmerkend voor perioden van toenemende onzekerheid. Enkele jaren geleden is Nederland zich opnieuw bewust geworden van de kwetsbaarheid van een groot deel van het land voor hoogwater. Extreem hoge rivierafvoeren geven risico op overstroming vanuit bovenstrooms gebied; stormvloeden bedreigen vanuit zee in toenemende mate de kust en het achterland. Het zijn de mogelijke gevolgen van de verwachte klimaatverandering. De zeespiegelstijging, een onzekere tegenspeler Een van de vele gevolgen van de klimaatverandering is de verwachte versnelde zeespiegelstijging. Vooral dit effect roept vragen op over de toekomst van het waddengebied en de veiligheid van zijn bewoners. Het zeeniveau stijgt al eeuwen door het afsmelten van ijs op de polen, maar de snelheid waarmee dat gebeurt neemt de laatste decennia toe. ‘Zeespiegelstijging’ is een signaalwoord voor landen met een lage kust. De schattingen van de stijging in deze eeuw lopen uiteen. Niemand heeft de waarheid in pacht. Het Deltaprogramma gaat niet uit van de meest extreme klimaatscenario’s, maar van matige en snellere temperatuurstijging. In het gematigde scenario stijgt de zeespiegel met 35 cm tussen 2000 en 2100, in het scenario voor snelle verandering is dat 85 cm. Geen jaren maar generaties Wie het wad liefheeft, wie er woont en werkt, hoeft van dit verhaal over de 40 Deltaprogramma | Waddengebied

toekomst van het wad niet in paniek te raken. We hebben het niet over jaren, maar over vele generaties. Dat geeft tijd om vroeg genoeg in kaart te brengen wat de beste en meest doeltreffende maatregelen zijn. Die tijd moeten we dan ook gebruiken. Ofwel: onderzoek om aan de weet te komen waar we nu nog slechts naar kunnen gissen, kan maar beter niet worden uitgesteld. Op veel plaatsen in het waddengebied worden al stelselmatig allerlei metingen verricht: de conditie van de dijken, temperaturen, neerslag, wind, golven op de Noordzee en in zeegaten, waterstanden, de bodemligging, de sedimentsamenstelling, kwelderhoogten, eilandopbouw, flora, fauna en de belasting en het gebruik van het waddengebied door mensen. Je zou dus denken: dat moet alles bij elkaar toch meer dan genoeg zijn! Helaas is dat niet zo. De centrale vraag ‘wat…als?’ die in dit boekje aan de orde is, wordt er onvoldoende door beantwoord. Daar komt bij dat we steeds hogere eisen stellen aan wat we willen weten. We gaan immers niet meer zo gemakkelijk om met onzekerheden. De gedachte dat het wad nu eenmaal altijd zal veranderen en dat we ons daar maar bij hebben neer te leggen, is niet meer van deze tijd. Achter de duinen en dijken van de eilanden en op het vasteland van Noord-Nederland wonen meer mensen dan ooit en ligt te veel van waarde. Dat willen we zo houden, niet voor jaren, maar voor vele generaties na ons. En het gebied tussen eilanden en vasteland, één van de meest bijzondere natuurgebieden ter wereld, willen we eveneens houden.

Zheng Bing Wang, hoogleraar morfologie van estuaria en lagunes TU Delft: ‘We weten al veel, maar niet genoeg’ ‘De vraag wat de toekomst brengt, is niet aan ons om te beantwoorden. Hoe het waddengebied zich deze eeuw zal gedragen, hangt sterk af van de snelheid waarmee de zeespiegel stijgt en die kennen we niet. We moeten het doen met de verschillende scenario’s die daarvoor zijn opgesteld. Voor een uitspraak over de gevolgen van de zeespiegelstijging voor de Waddenzee kunnen wij ons als wetenschappelijk onderzoekers alleen baseren op wat we weten over zandtransporten in de afgelopen perioden van matige zeespiegelstijging. Met rekenmodellen voor de import en export van zand in zeegatsystemen zijn wel verkenningen te doen voor een snellere zeespiegelstijging, maar die zijn onvoldoende betrouwbaar om er voorspellingen mee te kunnen doen. Onze kennis van die systemen is niet precies genoeg. Daarom werken we hard aan de voorbereidingen van een pilot die ons veel meer inzicht moet geven in de zandtransporten tussen de kustzone (inclusief de buitendelta’s) en de Waddenzee. Zo’n pilot kun je niet zomaar beginnen. Tevoren moet je het goed met elkaar eens zijn over wat je wilt meten en wat daarvoor de beste methoden zijn. Voor het gehele onderzoek denken we ongeveer vijftien jaar nodig te hebben. En het liefst werken we daarbij intensief samen met onderzoekers in de andere Waddenzeestaten Denemarken en Duitsland. Daar hebben ze deels andere uitgangspunten om de gedragingen van het wad te verklaren. Zo kunnen we door bundeling van kennis onze inzichten verrijken.’

Hoe werkt het wad? 41


Kees van Es, programmadirecteur Deltaprogramma waddengebied: ‘Geen mega-ingrepen, maar ook maatregelen laten meegroeien’

‘Het boeiende en tegelijk lastige aan dit verhaal is dat het – zeker voor de bewoners van het waddengebied – emotioneel is geladen. Als een bewoner van Terschelling de Boschplaat ziet afkalven, ervaart hij dat de zee bezig is de grond onder zijn voeten weg te spoelen. Ik vind het daarom van groot belang dat we erin slagen om voor iedereen de complete samenhang duidelijk te maken van álle veranderingen die zich in het waddengebied en de Noordzeekustzone voltrekken. Want uiteindelijk gaat het erom of we het hele systeem intact kunnen houden. Het kan niet zo zijn dat de een tevreden achteroverleunt als blijkt dat de wadplaten voldoende meegroeien, terwijl de ander slapeloze nachten heeft omdat het zand uit de buitendelta verdwijnt. Het lastige is nu dat we van die samenhang wel de grote lijnen begrijpen, maar nog geen goede voorspellingen kunnen doen over de toekomstige ontwikkeling van de buitendelta’s en het zandtransport naar de Waddenzee. Daarom staat voor mij wel vast dat we goed moeten gaan monitoren hoe en in welke volumes de zandstromen tussen Noordzeekust, buitendelta’s, eilanden en wadplaten bewegen. Tegelijkertijd gaan we natuurlijk door met de zandsuppleties die nodig zijn om de basiskustlijn op zijn plek te houden. Maar we zoeken ook de ruimte om daar mee te experimenteren en dus te leren. Als we bijvoorbeeld het zand niet aanbrengen voor de kust van een eiland, maar op een buitendelta, valt er iets extra’s te meten. Voeren natuurlijke krachten dit zand alsnog naar de stranden en blijft intussen ook de buitendelta intact? Of gaat het anders? Zo maken we van het onderhoudswerk dat toch al gebeurt een pilot waarvan we kunnen leren, learning by doing. Voor zover ik nu kan zien, wordt dat de lijn in de te nemen maatregelen: tijd nemen om het systeem goed te kunnen volgen en intussen stappen zetten die de ontwikkelingen in het waddengebied zelf aangeven. Net als de platen moeten ook wij meegroeien met de veranderingen. Mega-maatregelen zijn niet aan de orde. Daarvoor ontbreekt de onderbouwing. Bovendien zouden ze nog niet te overziene gevolgen kunnen hebben die we niet willen.’

42 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 43


Kees van Es, programmadirecteur Deltaprogramma waddengebied: ‘Geen mega-ingrepen, maar ook maatregelen laten meegroeien’

‘Het boeiende en tegelijk lastige aan dit verhaal is dat het – zeker voor de bewoners van het waddengebied – emotioneel is geladen. Als een bewoner van Terschelling de Boschplaat ziet afkalven, ervaart hij dat de zee bezig is de grond onder zijn voeten weg te spoelen. Ik vind het daarom van groot belang dat we erin slagen om voor iedereen de complete samenhang duidelijk te maken van álle veranderingen die zich in het waddengebied en de Noordzeekustzone voltrekken. Want uiteindelijk gaat het erom of we het hele systeem intact kunnen houden. Het kan niet zo zijn dat de een tevreden achteroverleunt als blijkt dat de wadplaten voldoende meegroeien, terwijl de ander slapeloze nachten heeft omdat het zand uit de buitendelta verdwijnt. Het lastige is nu dat we van die samenhang wel de grote lijnen begrijpen, maar nog geen goede voorspellingen kunnen doen over de toekomstige ontwikkeling van de buitendelta’s en het zandtransport naar de Waddenzee. Daarom staat voor mij wel vast dat we goed moeten gaan monitoren hoe en in welke volumes de zandstromen tussen Noordzeekust, buitendelta’s, eilanden en wadplaten bewegen. Tegelijkertijd gaan we natuurlijk door met de zandsuppleties die nodig zijn om de basiskustlijn op zijn plek te houden. Maar we zoeken ook de ruimte om daar mee te experimenteren en dus te leren. Als we bijvoorbeeld het zand niet aanbrengen voor de kust van een eiland, maar op een buitendelta, valt er iets extra’s te meten. Voeren natuurlijke krachten dit zand alsnog naar de stranden en blijft intussen ook de buitendelta intact? Of gaat het anders? Zo maken we van het onderhoudswerk dat toch al gebeurt een pilot waarvan we kunnen leren, learning by doing. Voor zover ik nu kan zien, wordt dat de lijn in de te nemen maatregelen: tijd nemen om het systeem goed te kunnen volgen en intussen stappen zetten die de ontwikkelingen in het waddengebied zelf aangeven. Net als de platen moeten ook wij meegroeien met de veranderingen. Mega-maatregelen zijn niet aan de orde. Daarvoor ontbreekt de onderbouwing. Bovendien zouden ze nog niet te overziene gevolgen kunnen hebben die we niet willen.’

42 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 43


Deltaprogramma | Waddengebied Het Deltaprogramma is een nationaal programma. Rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen werken hierin samen met inbreng van de maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven. Het doel is om Nederland ook voor de volgende generaties te beschermen tegen hoogwater en te zorgen voor voldoende zoetwater. Het Deltaprogramma kent negen deelprogramma’s: • Veiligheid • Zoetwater • Nieuwbouw en herstructurering • Rijnmond-Drechtsteden • Zuidwestelijke Delta • IJsselmeergebied • Rivieren • Kust • Waddengebied Het Deltaprogramma staat onder regie van de deltacommissaris, regeringscommissaris voor het Deltaprogramma. www.rijksoverheid.nl/deltaprogramma

Dit is een uitgave van:

Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie Ministerie van Infrastructuur en Milieu

Deltaprogramma | Waddengebied

November 2012 44 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 45


Deltaprogramma | Waddengebied Het Deltaprogramma is een nationaal programma. Rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen werken hierin samen met inbreng van de maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven. Het doel is om Nederland ook voor de volgende generaties te beschermen tegen hoogwater en te zorgen voor voldoende zoetwater. Het Deltaprogramma kent negen deelprogramma’s: • Veiligheid • Zoetwater • Nieuwbouw en herstructurering • Rijnmond-Drechtsteden • Zuidwestelijke Delta • IJsselmeergebied • Rivieren • Kust • Waddengebied Het Deltaprogramma staat onder regie van de deltacommissaris, regeringscommissaris voor het Deltaprogramma. www.rijksoverheid.nl/deltaprogramma

Dit is een uitgave van:

Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie Ministerie van Infrastructuur en Milieu

Deltaprogramma | Waddengebied

November 2012 44 Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad? 45


Deltaprogramma | Waddengebied

Hoe werkt het wad?

Hoe werkt het wad?

Dit is een uitgave van:

Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie Ministerie van Infrastructuur en Milieu

Deltaprogramma | Waddengebied

November 2012

Hoe werkt het wad?  

Boekje open over de veranderingen in het waddengebied en hun mogelijke effecten op de veiligheid van de eilanden en de noordelijke vasteland...