Page 1

de puur muziek

de

08.03.13 | 20:00 | CONCERTZAAL

Amsterdam Baroque Orchestra & choir Muziekcentrum Gent

Die Donnerode


Programma

Uitvoerders

Georg Philipp Telemann (1681 –1767) Selig sind die Toten TWV 4:1 Das Leben ist ein Rauch, ein Schaum TWV 4:3

Ton Koopman | artistieke leiding Lenneke Ruiten | sopraan Maarten Engeltjes | altus Timan Lichdi | tenor Klaus Mertens | bas Jasper Schweppe | bas

Pauze Georg Philipp Telemann (1681 –1767) Die Donnerode TWV 6:3

Amsterdam Baroque Choir Gela Birckenstaedt, Heike Heilmann, Susan Jonkers, Monica Monteiro, Christina Stegmaier | sopraan Annemieke Cantor, Peter de Groot, Kaspar Kröner, Daniel Elgersma | alt Florian Feth, Guido Groenland, Jörg Krause, Joost van der Linden | tenor Ralf Ernst, Michiel Meijer, Sebastian Myrus, Jasper Schweppe, Hans Wijers | bas Frank Markowitsch | koorleider Amsterdam Baroque Orchestra Catherine Manson | concertmeester Joseph Tan, John W. Meyer, Anna Eunjung Ryu, Maite Larburu, David Rabinovich, Marc Cooper, Ann Roux, Liesbeth Nijs | viool Emilia Benjamin, John Crockatt | altviool Werner Matzke, Esme de Vries | cello Michele Zeoli | contrabas Kathryn Cok | orgel Wilbert Hazelzet, Marion Moonen | fluit Antoine Torunczyk, Michel Henry | hobo Wouter Verschuren | fagot Dave Hendry, Jonathan Impett, Robert Vanryne | trompet Thomas Müller | hoorn Luuk Nagtegaal | pauken

Dit concert wordt opgenomen door Klara en uitgezonden op woensdag 20 maart 2013 in het programma ‘In de loge’ (19-22 uur).

2


Amsterdam Baroque Orchestra & Choir Die Donnerode Catastrofe! Drie bladzijden uit Telemanns muzikale kroniek van de stad Hamburg Het openbare leven in de hanzestad Hamburg was net van de turbulenties van de late 17de en vroege 18de eeuw enigszins bijgekomen toen Georg Philipp Telemann er in 1721 aankwam, om aan zijn functie als Director Musices aan de vijf hoofdkerken van de stad te beginnen. Al te veel reden voor gerustheid was er destijds nou ook weer niet: de decennia durende en verlammende ruzies tussen de stadsraad en de burgerij, die in 1708 zelfs tot het ingrijpen van rijkstroepen leidden, lagen nog vers in het geheugen. De dreigementen van Denen en Zweden in het noorden hielden aan, de Noordelijke Oorlog, waarin de Zweden Altona in puin legden, werd in 1719 beëindigd, terwijl de voortdurende strijd met de Denen pas in 1768 met het verdrag van Gottorp ten einde kwam, één jaar na Telemann’s dood. En of dat nog niet genoeg was hing ook nog de angst voor de Zwarte Dood, de pest, in de lucht, die Hamburg vanuit het noordoosten had bereikt. Pas in februari 1714 was de stad eindelijk vrij van deze ziekte, nadat ongeveer een zevende deel van de bevolking eraan was bezweken.

verjaardagen, inleidingen voor een preek, politieke feesten, muziek ter ere van de stadsmilitie of van scholen) als treurige muziek, zoals de drie werken van het huidige programma. Het waren gelegenheidscomposities die onder andere tot doel hadden om de nerveus geworden burgers de angst voor de actuele rampen weg te nemen. De dood van een burgemeester was bijvoorbeeld zo’n ‘ramp’, hoewel niet zo groot als oorlog of de pest. De burgemeesters in Telemann’s tijd waren uitzonderlijke figuren in het stedelijke landschap. Ze werden in het algemeen zeer gerespecteerd, maar om hun machtsvertoon en door hun politieke tegenstanders ook gevreesd. Ze waren vaak een belangrijke schakel tussen de zakenwereld van de Pfeffersäcke (een spotnaam voor de handelslieden van een hanzestad), waar ze zonder uitzondering zelf vandaan kwamen en de wereld van de cultuur, van de wetenschap, van de schrijvers en andere kunstenaars. Vertegenwoordigers uit beide werelden wisten heel precies het belang in te schatten van het onderhouden van contacten met zo iemand, hetgeen met name in de zakenwereld niet zelden tot geruchten over omkoping leidde. In de wereld van de kunsten ging het er beslist wat milder aan toe, maar ook zij kenden de noodzaak tot een goede band met de hoge heren in het stadhuis. Vooral bij het overlijden van een belang-

Telemann vond snel zijn draai in het stedelijke leven en werd daarvan al spoedig, ook door zijn muziek, de kroniekschrijver. Zijn ‘muzikale kroniek’ bevat zowel vrolijke (gouden en andere bruiloften,

3


rijke persoon was het vanzelfsprekend dat die een waardig afscheid kreeg, met alle mogelijke middelen die de kunst ter beschikking stonden.

kring behoorden echter ook vrije schrijvers en dichters, zoals de latere raadsheer Barthold Heinrich Brockes (1680-1747) en de journalist Christian Friedrich Weichmann (1698-1770), redacteur van onder andere de Gelehrten Nachrichten, van het tijdschrift Der Patriot (in 1724 opgericht door de Patriottische Gesellschaft) en vanaf 1721 van de belangrijke dichtbundel Poesie der Nieder-Sachsen. Uit deze lijkredes komen we het volgende te weten over de twee gestorven burgemeesters van het huidige programma:

Zo’n gedenkdienst had altijd dezelfde vorm: eerst een door de rector van het Johanneum vervaardigde lijkrede, in het Latijn, vervolgens een wat langere treurmuziek, op de tekst van een schrijver uit de wereld van de wetenschap en op muziek van Telemann. Als laatste volgden dan meestal nog enkele treurgedichten, hoofdzakelijk in het Duits.

Ludwig Becceler werd op 12 november 1644 geboren in een familie die sinds het begin van de 17e eeuw in Hamburg woonde. Hij volgde een opleiding aan zowel het Johanneum als aan het Gymnasium. In 1660 ging hij naar Rouen, om van daar naar Parijs, Londen, Nederland, Italië en Duitsland te reizen. Teruggekeerd in Hamburg trouwde hij met de dochter van een senator en werd al snel in meerdere onbezoldigde functies gekozen, in 1694 tot senator en op 7 juli 1717 zelfs tot burgemeester. Hij stierf op 30 juni 1722 en werd op 7 juli begraven op het St. Petri kerkhof.

Voordat we ons verder gaan verdiepen in de treurmuziek mag enige informatie over hun aanleiding, namelijk de burgemeesters, niet ontbreken. De belangrijkste informatie over deze mannen zijn de zojuist genoemde graf- of lijkredes, vervaardigd door leden van een relatief kleine kring van hoogopgeleide Hamburgse burgers uit de zogenaamde kring der wetenschappers rond Johann Albert Fabricius (1668-1736), die sinds 1699 professor voor spreekvaardigheid en moraal was aan het Akademische Gymnasium. Die Fabricius had in 1715 met gelijkgestemden de Teutsch-übende Gesellschaft opgericht, een vereniging, die “deels door vertalingen uit vreemde talen, deels door eigen werk, waaronder ook poëzie, de Duitse taal in ere wilde herstellen en zelfs wilde veredelen”. De leden van die vereniging waren voor een deel, zoals Fabricius, professor aan het Gymnasium of aan het Johanneum, zoals Johann Hübner (1668-1751) en Michael Richey (1668-1761). Tot de

De familie van Henrich Dieterich Wiese gaat terug tot het begin van de 15e eeuw in Hamburg. Hij werd geboren op 2 september 1676 en bezocht eveneens het Johanneum en het Gymnasium, waarna hij naar Rostock en Halle vertrok om in 1701 in Orléans te promoveren. Hij werd op 10 november gekozen tot secretaris van de ouderlingenraad en op 6 augustus 1720 tot burgemeester. Zijn dochter Cornelia

4


was in haar eerste huwelijk getrouwd met burgemeester Rutger Ruland en in haar tweede met burgemeester Conrad Widow. Een tweede dochter was met een senator getrouwd. De kroniekschrijver Stelzner schrijft over de op 1 februari 1728 op 52-jarige leeftijd overledene, dat “hij een rechtschapen en groot jurist [was], die geen geschenken of giften aannam. Als hij iemand iets te zeggen had, deed hij dit recht voor zijn raap. Verbeterde deze dan zijn gedrag, was daarmee de kous ook af. Hij hield niet van gevlei en was er een groot vijand van.” De kroniekschrijver Günther meldt, dat hij een “redelijk, krachtig en gelukkige eendrachtsstichter- en behouder was tussen raad en burgerij”. Burgemeester Wiese werd op 10 februari 1728 begraven, eveneens op het St. Petri kerkhof.

geloof in de christelijke leer; 3. het afscheid van familie, naasten en bekenden en vooral van de stad Hamburg; 4. enkele ‘situaties’, hetzij in de vorm van een gelijkenis (bijvoorbeeld de burgemeester als een sterke ceder) of als zinswending, vooral “de laatste goede nacht!”. Telemann’s treurmuziek voor de burgemeesters Becceler en Wiese waren ‘private’ werken, door de rouwende familie aan de componist in opdracht gegeven en niet een officiële stedelijke aangelegenheid, betaald door de stad. Dat ‘private’ merken we duidelijk in de teksten, die veel minder theologisch-onderrichtend zijn dan bijvoorbeeld Telemann’s kerkelijke cantate voor de 16e zondag na Trinitatis, die ook over de dood en de sterfelijkheid gaat. Ze bevatten veel persoonlijke details en emoties, zoals in de passage uit de treurmuziek voor burgemeester Becceler, waarin de overledene afscheid neemt van de familie:

De teksten van zo’n treurmuziek hielden zich aan de regels van de traditionele indeling in drie delen van de treurrede, die haar wortels had in de retoriek van de klassieke oudheid. Een dergelijke rede moest loven (laudatio), leren (admonitio) en tenslotte troosten (consolatio). Concreet betekende dat, dat de dichters veel moeite deden om een beperkt aantal elementen in hun teksten te verwerken, waarbij het hen meer ging om de spraakkunst en dichterlijke fantasie om die elementen te verwerken en minder om het invoegen van nieuwe gedachten. Die elementen zijn:

Goede nacht, mijn meest nabijen! Ieder die mij dierbaar was: nu de dood niet te vermijen, wens en zegen ik U ras. God zal steeds over U waken, heel Uw leven in zijn macht. Tot ook U de reis zult maken wens ik, laatstmaal: goede nacht!

1. de menselijke lofrede op de gestorvene, zijn karakter en zijn prestaties;

Ook enkele aspecten uit de muziek wijzen op een voor die tijd zeer ongebruikelijke nadruk op het ‘huidige’ leven van de overledene, het wereldlijke en privéleven, in

2. de zekerheid van een onverwoestbaar

5


tegenstelling tot het leven in het hiernamaals. Enkele opera-achtige aria’s kunnen bijvoorbeeld verwijzen naar de belangrijke rol die de opera aan de Gänsemarkt heeft gespeeld in het leven van de gestorven burgemeester. Naast het stadhuis was ook de opera bij uitstek een geschikt trefpunt voor de Hamburgse elite. Afgezien van het normale operabedrijf werden veel nieuwe producties in extra voorstellingen voor het stadsbestuur uitgevoerd. Ook lieten diplomaten uit het buitenland vaak feestelijke uitvoeringen verzorgen voor politieke gebeurtenissen uit hun eigen land, bijvoorbeeld een kroning, een huwelijk of een verjaardag van hun heerser.

(waarvan beweerd wordt, dat ze de menselijke stem het meest benadert) een tweegesprek te zien tussen de ziel en het lichaam van de overledene, of, passender nog, een laatste, milde pas de deux van de ziel met de dood. Uit deze dialoog komt dan, quasi als oplossing, het tweede deel van de Sinfonia tevoorschijn, een ongewoon lange, ambachtelijk polyfone Fantasie in de stile antico over het kerklied Herzlich tut mich verlangen nach einem sel[i]gen End, waarin de verschillende lieddelen als een rode draad door alle stemmen van dit deel heen lopen.

Uit de opvallend hoge kwaliteit van de muziek tenslotte en vooral door het ingewikkelde contrapunt kunnen we ook concluderen dat het een privékarakter had. Het lijkt erop, alsof Telemann met het componeren van deze kleinoden in de eerbiedwaardige stile antico (die tevens prachtige voorbeelden van zijn talent zijn) een heel bijzonder geschenk wilde geven aan de opdrachtgevende familie.

Op 1 november 1755 wordt de stad Lissabon getroffen door een vreselijke aardbeving met een kracht van 8,5 tot 9 op de schaal van Richter, die samen met de daaropvolgende tsunami de stad vrijwel volledig verwoest en naar schatting 30.000 tot 100.000 slachtoffers vergt. Het nieuws over deze catastrofe, dat zich door de zeer nauwe economische banden van Europa met deze stad als een lopend vuurtje verbreidt was onmiddellijke aanleiding tot heftige discussies in alle lagen van de bevolking. Men vroeg zich af hoe het mogelijk was, dat een goede en liefhebbende God zo iets vreselijks kon toelaten. Telemann’s antwoord was Die Donnerode, die in de St. Jakobikirche op 11 maart 1756, ruim vier maanden na de ramp in première ging. Het was er de componist vooral om te doen om zich (en met hem de burgers van de stad) op poëtischmuzikaal-theologische wijze te verzoenen

***

De treurmuziek voor Becceler wordt bijvoorbeeld met een tweedelige Sinfonia ingeleid, waarvan het eerste deel de vorm en het gebaar van een zwaarmoedige sarabande neemt als basis voor een emotioneel duet voor hobo en fagot. Het is misschien niet eens zo vergezocht (en absoluut in lijn met de symboliek-zwangere denkwijze van de vroege 18e eeuw) om in deze dialoog tussen een hoge en een lage vertegenwoordiger van een instrumentegroep

6


met de afschuwelijkheden in Lissabon, of deze op zijn minst te begrijpen en in het juiste perspectief te zien. Simpel gezegd betekende dat: “God is groot en sterk. We kunnen weliswaar niet altijd zijn wegen doorgronden, maar onze liefde en lof voor hem zijn onverwoestbaar.”

de trompetten en de pauken, die naar de traditie bestemd waren voor vorsten en koningen. Telkens weer is het de toonschildering van Telemann, die de muziek en de tekst laat samensmelten, van de afwaartse drieklank bij de tekst “Fallt vor ihm hin” (Nr. 3) tot de suikerzoete tonen bij de tekst “Dein Nam’ ist so zuckersüss” en vooral de stotterende voordracht van de twee, door paukenslagen begeleidde bassen bij de tekst “Er donnert, dass er verherrlicht werde” (Nr. 7), die de toeschouwers van toen en nu op dramatische wijze de verwoestingen van de aardbeving in Lissabon aanschouwelijk weet te maken.

Door de tekst, een berijming van de 8ste en 29ste psalm door de toenmalige hofpredikant uit Kopenhagen Andreas Cramer (1725-1788) wordt het publiek door sterk wisselende emoties en gevoelens gevoerd. Het is bewonderenswaardig hoe het Telemann gelukt is het karakter en de inhoud van de tekst in muziek te vangen. Bij de lovende teksten klinken natuurlijk Tekst: Eric F. Fiedler Vertaling: Evianne De Kup

7


Bio Ton Koopman Ton Koopman studeerde orgel, klavecimbel en muziekwetenschap in Amsterdam. Al voor de afronding van zijn studies legde Ton Koopman de basis voor een loopbaan als dirigent, in het bijzonder voor het zeventiende en achttiende-eeuws ensemblerepertoire. In 1979 richtte hij het Amsterdam Baroque Orchestra op, waaraan in 1992 het Amsterdam Baroque Choir werd toegevoegd. Als organist heeft Ton Koopman op de belangrijkste historische instrumenten van Europa gespeeld en als klavecinist en dirigent is hij te gast geweest in nagenoeg alle belangrijke concertzalen en muziekfestivals ter wereld, zoals het Concertgebouw in Amsterdam, het Théatre des Champs-Elysées in Parijs, de Philharmonie in München, de Oper in Frankfurt, het Lincoln Center en Carnegie Hall in New York, en vele andere concertzalen in Wenen, Londen, Berlijn, Brussel, Madrid, Rome, Salzburg, Tokyo en Osaka. Ton Koopman is een veelgevraagde gastdirigent en heeft samengewerkt met vele vooraanstaande orkesten in Europa, de Verenigde Staten en Japan. Vanaf 2011 is hij voor drie jaar als artist in residence verbonden zijn aan het Cleveland Orchestra.

sche Schallplattenpreis Echo Klassik, de BBC Award 2008 en de Prix Hector Berlioz. In het Bach-herdenkingsjaar 2000 werd hem een eredoctoraat van de Universiteit Utrecht verleend, vanwege zijn uitnemende bijdragen aan het onderzoek naar en de vertolking van het religieuze oeuvre van J.S.Bach. In 2004 werd aan Ton Koopman, als eerste, de VSCD Klassieke Muziekprijs toegekend. In 2006 ontving hij ook de Bach-medaille van de stad Leipzig.Onlangs begon Ton Koopman aan zijn volgende grote project: het uitvoeren en opnemen van het gehele overgeleverde oeuvre van Dieterich Buxtehude, één van de grote voorbeelden van de jonge Johann Sebastian Bach. Naast dit alles is Ton Koopman ook een gedreven lesgever. Hij is hoofdvakdocent klavecimbel aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, professor muziekwetenschap aan de Universiteit Leiden en erelid van de Royal Academy of Music in Londen. Ton Koopman is ten slotte ook artistiek leider van het Franse festival Itinéraire Baroque.

Amsterdam Baroque Orchestra & Choir Deze groep van internationaal vermaarde barok specialisten komt enkele malen per jaar samen om te werken aan nieuwe programma’s. Het repertoire van het orkest bestaat uit instrumentaal en vocaal-instrumentaal werk, gecomponeerd tussen 1600 en 1791. “Mijn grens ligt bij de dood van

Van 1994 tot 2004 werkte Ton Koopman aan zijn ‘mammoetproject’: het uitvoeren en opnemen van alle overgeleverde cantates van J.S. Bach. Voor dit bijzondere Bachproject werden hem verschillende prijzen toegekend, onder andere de Deut-

8


man’s reconstructie van de Markus Passion en reeds 16 delen van de serie: Buxtehude’s Opera Omnia. de laatste opnames daarvoor vinden plaats in november 2012 en verschijnen in 2013.

Mozart”, zegt Ton Koopman hierover. Het Amsterdam Baroque Choir werd in 1992 opgericht. Vanwege de zeldzame combinatie van tekstuele helderheid en interpretatieve flexibiliteit, wordt het Amsterdam Baroque Choir als één der beste koren van deze tijd beschouwd.

Ton Koopman en het Amsterdam Baroque Orchestra & Choir zijn regelmatig te gast in de grote concertzalen van Europa, de Verenigde Staten en het Verre Oosten. Ton Koopman en Amsterdam Baroque Orchestra bereiden zich voor op het jubileumjaar 2014 waarin het orkest 35 jaar bestaat en Ton Koopman bovendien 70 wordt.

Het orkest ontving voor zijn vele opnames onder andere The Gramophone Award, Diapason d’Or, 10-Repertoir, Stern des Monats-Fono Forum, de Prix Hector Berlioz en twee Edisons. Ton Koopman richtte in maart 2003 zijn eigen label Antoine Marchand op, een nieuw sublabel van Challenge Classics, waarop alle nieuwe opnames worden uitgebracht. Inmiddels zijn alle 22 delen van de Bachcantates op Antoine Marchand verkrijgbaar. Daarnaast verschenen een DVD en CD van de Matthäus Passion, een DVD met Ton Koop-

Marco van de Klundert | general manager Geeske Coebergh | assistant general manager Alex Kirsch | producent Eline Holl | bibliothecaris Tim Lubbers | sociale media

9


Liedteksten Selig sing die toten twv 4:1 1. Sinfonia

Sinfonia

2. Coro (Apoc. XIV. 13.) Seelig sind die Toten, die in dem Herrn sterben, von nun an. Ja, der Geist spricht, daß sie ruhen von ihre Arbeit. Denn ihre Werke folgen ihnen nach.

Koor Zalig zijn de doden, die in de Heer sterven, van nu af aan. Ja, de geest spreekt, dat ze rusten van hun arbeid. Want hun werken volgen hen allen na.

3. Recitativo (Basso) Das ist es, Theurer Mann und Vater dieser Stadt, Was auch an Dir Dein Gott erfüllet hat. Die Arbeit ist vorbei, Der Du mit aller Treu Im Leben obgelegen. Die Last ist abgelegt. Nun ist die Ruh Dein Segen, Zu der man Deinen Leib in seine Kammer trägt. Die Werke folgen nach, die Dein Gedächtnis preisen, Und solchen Preiß zum Beispiel andern weisen. Kreuz, Ungemach, und alles Leiden, Und was Dich sonst betrübt, Ist gar nicht wert der Herrlichkeit und Freuden, die Jesus Deiner Seele gibt. Die lebet in der Engel Orden, und ist von nun an selig worden.

Recitatief Getrouwe man en vader van de stad, aldus, Heeft ook in jou je God zoiets vervuld. De arbeid is voorbij, Waaraan je je met trouw In ‘t leven hebt gewijd. De last is afgelegd. Nu is de rust je zegen, Waartoe je lichaam naar zijn kamer wordt gedragen. De werken volgen na, Die je herdenking prijzen, Zo’n prijs als voorbeeld aan de anderen wijzen. Kruis, ongerief en al het lijden, En wat jou meer doet treuren, Is niet waard de heerlijkheid en vreugde, Die Jezus aan je ziel zal geven. Die leeft binnen de engelenorde, En zalig voortaan is geworden.

4. Aria (Basso) Wünsch ein jeder doch zu sterben,

Aria Wens eenieder toch te sterven

10


Wie so ein Gerechter stirbt! Ach es geben Gottes Hände Mir und dir ein solches Ende, Das sich ehrenvoll beschließt, Und der Himmel offen ist, Da die Seligkeit zu erben.

Zoals sterft een billijk juiste! Moge, ach, Gods handen geven Mij en jou eenzelfde einde, Dat zich eervol zal besluiten; Dat geopend is de hemel, Om er zaligheid te erven.

5. Recitativo (Tenore) Wir trauren zwar um Dich; Doch Deine Seele freuet sich. Man hörte Dich zu allen Tagen Diß Lied zu Deinem Troste sagen:

Recitatief Om jou is ons verdriet, Maar vreugde is wat voelt jouw ziel. Men hoorde je op alle dagen Ter jouwer troost dit lied voordragen:

6. Choral Wie bin ich doch so herzlich froh, Daß mein Schatz ist das A und O, Der Anfang und das Ende. Er wird mich doch zu seinem Preis Aufnehmen in das Paradeis. Deß klopf ich in die Hände.

Koraal Wat ben ik heerlijk opgewekt, Dat mijn schat is het A en Z, De aanvang en het slot. Hij zal me tot zijn prijs en lof Toch in het paradijs opvangen, Dus klap ik in de handen.

7. Solo (Soprano) Ach daß nicht die letzte Stunde Meines Lebens heute schlägt! Mich verlangt von Herzens Grunde, Daß man mich zu Grabe trägt. Denn ich darf den Tod nicht scheuen. Ich bin längst mit ihm bekannt. Führt er doch aus Wüsteneien Mich in das gelobte Land.

Solo Dat het laatste uur nog niet Van mijn leven vandaag slaat! Mij verlangt uit hartsmotief, Dat men mij het graf in draagt. Ach, ik mag de dood niet mijden, Want allang met hem bekend, Leidt hij toch uit woestenijen Mij in het beloofde land

8. Choral Amen! Amen! Komm, du schöne Freudenkrone, Bleib nicht lange! Deiner wart ich mit Verlangen.

Koraal Amen, amen! Kom, jij mooie vreugdekroon, Blijf niet lang! Op jou wacht ik met verlangen.

9. Recitativo (Tenore) Solch Stöhnen ist gestillt.

Recitatief Zo’n steunen is gestild,

11


Solch Sehnen ist erfüllt. Da nun die Stunde kam, gen Himmel aufzubrechen, So kontest du voll Freuden sprechen:

Zo’n smachten is vervuld, Omdat nu kwam het uur ten hemel te vertrekken, Zo kun je vreugdevol wel zeggen:

10. Aria (Tenore) Jesus hat mir nun gewähret, Was mein Hertz gewünschet hat. Nichts ist, was es mehr begehret. Ich bin alt und Lebens satt. Wer den Tod nur lernet kennen, Dem kömmt er nicht schrecklich für. Laß ihn Leib und Seele trennen; Jesum trennt er nicht von mir.

Aria Jezus heeft me nu gegeven, Wat mijn hart nog wensen zou. Niets is wat het kan begeren, Vol mijn leven, ik ben oud. Wie leert kennen ooit de dood, Hem komt hij niet vreselijk voor. Laat hem scheiden ziel en lijf, Jezus scheidt hij niet van mij.

11. Choral Jesum hatte hier mein Glaube. Nun wird er im Schauen mein. Wird auch gleich der Leib zu Staube; Nichts wird drum verloren seyn. Wenn der jüngste Tag wird kommen, Soll er wieder auferstehn. Und alsdenn mit allen Frommen Neu verklärt in Himmel gehn.

Koraal Jezus had hier mijn geloof, Nu dan wordt hij mij getoond; En tot stof weerkeert het lijf, Niets zal dus verloren zijn. Als de jongste dag gaat komen, Zal hij wederom op staan, En daarop met alle vromen Stralend nieuw ten hemel gaan

12. Aria (Basso) Ach ich weiß nichts mehr zu sagen. Süsser Himmel, schleuß dich auf. Hier steht schon der Engelwagen. Meine Seele fährt hinauf. Iszt empfähet sie die Krone, Die ihr Jezus beigelegt; Die sie nun vor seinem Throne Seelig und auch ewig trägt.

Aria Ach, zou ik nog langer praten, Open je, o hemel zoet, Reeds staat klaar de engelenwagen, Vaart mijn ziel naar boven toe. Ze ontvangt heden de kroon, Die verleende Jezus haar, Die ze doorgaans voor zijn troon Zalig en ook eeuwig draagt.

13. Choral Gute Nacht, ihr Werthgeschätzte! Wem ich lieb gewesen bin, Nehme noch zu guter Letzte

Koraal Goedenacht, gij achtenswaardigen! Die ik dierbaar ben geweest, Dat mijn wensen u ten laatste,

12


Meinen Wunsch und Segen hin. GOTT wird das Gedeien geben. GOTT hält euch in Hut und Acht, Bis wir einst beisammen leben. Nun, noch einmal: Gute Nacht!

En mijn zegen accepteert! God zal het gedijen geven, God houdt u in hoede en acht, Tot we eens te samen leven. Nu, nog eenmaal, goedenacht!

14. Recitativo (Basso) Wer ist, der hier nicht sagen soll: Wer so stirbt, der stirbt wohl!

Recitatief Wie is er nu, die hier niet zegt : Hij sterft goed die zo sterft.

15. Aria (Tenore, Basso) Die Gerechten werden weggerafft für dem Unglück, und die richtig für sich gewandelt haben, kommen zum Friede, und ruhen ich ihren Kammern. (Jesaja LVII. 1-2) Und ihr Lob wird nicht untergehen. Sie sind im Frieden begraben, aber ihr Name lebet ewiglich.

Aria De rechtvaardigen worden weggerukt voor ongeluk, En die correct voor zich gewandeld hebben, komen tot vrede, en rusten in kun kamers.

16. Coro Die Leute reden von ihrer Weisheit, und die Gemeine verkündiget ihr Lob. (Sirach XLIV. 12-15)

Koor De mensen spreken van hun wijsheid, en de gemeente verkondigt hun lof.

En hun lof zal niet ondergaan. Ze zijn in vrede begraven, maar hun namen zullen leven eeuwig.

Das Leben ist ein Rauch und Schaum TWV 4:3 1. Sinfonia

Sinfonia

2. Corale (No. 570.v.7) Das Leben ist ein Rauch und Schaum, Ein Wachs, ein Schnee, ein Schatten, Ein Tau, ein Laub, ein leerer Traum, Ein Gras auf dürren Matten. Wenn mans am wenigsten gedacht,

Koraal Het leven is een schuim en rook, Een schim, een sneeuw, een was, Een dauw, een loof, een lege droom, Op dorre wei een gras. Als men het het minst had gedacht,

13


So heißt es wohl zu guter Nacht, Ich bin nun hier gewesen.

Zo is ’t wel bij ’t goedenacht, Ik ben nu hier geweest.

3. Coro (I.Petr. I, v.24) Alles Fleisch ist wie Gras, Und alle Herrlichkeit der Menschen Wie des Grases Blumen. Das Gras ist verdorret, Und die Blume abgefallen.

Koor Alle vlees is als gras, En alle heerlijkheid der mensen Als in ’t gras de bloemen. Het gras is verdord, En de bloem is afgevallen.

4. Recitativo Betrübtes Wort! Wie? Wird der Rosen Pracht, Der Lilien Schmuck, die selbst ihr Schöpfer kleidet, Vertret’nen Kräutern gleich gemacht? Wie? steht die Wiese denn, da Milch und Honig floß, Da grosse Heerden sonst geweidet, Den dürren Wüsten gleich, vertrocknet, öd’ und bloß? Und liegt der Preiß der Stadt, des Vaterlandes Ruhm, Der Weisheit Sitz, der Großmut Eigentum, Den jung und alt, den arm und reich, Mit Ehrfurcht und mit Lieb umfasset, Umwehrten Menschen gleich, Erblasset?

Recitatief Verdrietig woord! Hoe? Wordt de rozenluister, Het leliesieraad die zelf haar schepper kleedt, Gelijk gemaakt aan platte kruiden? Hoe? Staat de weide dan, waar melk en honing vloeit, Waar kuddes geweid werden eens, Aan dorre woestijn gelijk, naakt, eenzaam en verschroeid? Ligt de lof van de stad, van vaderlandse faam, Grootmoedigheids bezit, wijsheids plaats, Die jong en oud, die arm en rijk, Met achting en met liefde omvatten, De onwaardige mens gelijk, Bleek neergevallen?

5. Aria Ach! mögten doch die Häupter vor Dir leben, Gerechter Gott, wenn gleich ein Glied vergeht! Willst Du der Axt Erlaubnis geben, So laß den Hieb, was niedrig ist, erreichen. Wenn nur vor ihren Streichen Die hohe Zeder sicher steht.

Aria Ach! mochten toch de leiders voor je leven, Rechtvaardige God, ook als een gelid vergaat! Wil je de akst permissie geven, Dan laat de houw, wat nederig is, bereiken. Als maar voor haar strijken De hoge ceder zeker staat.

14


6. Recitativo Jedoch umsonst, umsonst ist unser Flehen! Zu spät der Wunsch, der unerhört verfliegt. Der harte Streich ist schon geschehen, Und unsre Zeder liegt. Du stirbst, Vortrefflichster. Wie? Oder stirbst Du nicht? Es scheint, Daß, obgleich unser Angesicht Sich schon im Flor versteckt, Obgleich das Auge weint, Und unser Haupt mit Asche sich bedeckt; Dennoch das Hertz, von Schrecken fast verblendet, Vor Liebe kaum sich überreden kann, Daß Dir, o lebensvoller Mann, Ein früher Fall das Leben schon entwendet.

Recitatief Echter vergeefs, vergeefs toont zich ons bidden! Te laat de wens, die onverhoord vervliegt. De harde streek is al geschied, Zie onze ceder liggen. Je sterft, voortreffelijkste. Hoe zo? Of sterf je niet? Het schijnt, Dat, hoewel al ons aangezicht Zich in velours verbergt, Hoewel het oog al schreit, In rouw ons hoofd met as zich heeft bedekt; Nochtans het hart, van schrik bijna verblind, Van liefde zich niet overreden kan, Dat jou, o levendige man, ’t Leven door vroege val ontnomen is.

7. Aria (Amos IX.1) Was Wunder, dass die Pfosten beben, Wenn an den Knauf das Wetter schlägt? Ja bebet nur, erschrockne Glieder, Erschüttert, stürtzet, sinket nieder, Da solche Wetter sich erheben, Wovon sich euer Haupt gerührt danieder legt.

Aria Geen wonder, dat de posten trillen, Als in de knop het onweer treft? Ja trilt u maar, verschrikte leden, Dooreengeschud, stort, zink maar neder, Als zich verheffen donder, bliksem, Waarvan uw hoofd zich aangeslagen nederlegt.

8. Recitativo O ja, du Krone dieser Stadt, Wer siehet Deinen Glanz vergehen, Und muß nicht fast erstarret stehen? Dein Wesen, das was ungemeines hat, Ist dergestalt in unser Herz gedrücket, Daß Dein Verlust, Aus unsrer hart verletzten Brust, Mit Dir das Herze selbst entrücket.

Recitatief O jij, van deze stad de kroon, Wie ziet jouw glans vergaan, En moet niet haast vertard dan staan? Je wezen, dat wat is buitengewoon, Is op zo’n wijze in ons hart gedrukt, Dat jouw verlies, Uit onze borst, hevig verwond, Met jou ons hart ook zelf ontrukt.

15


Dein Hamburg äussert sich an allen Orten Mit bittern Klageworten.

Jouw Hamburg uit zich over alle oorden Met bitter klagende woorden.

9. Aria Der Tempel klagt; Es heult das Thor. Man lässt von lauter Trauerchören Bald hie bald da den Wechsel hören: Denn dieser Schmerz, Der Hamburgs Herz So heftig nagt, Geht andern Schmerzen weit zuvor.

Aria De tempel klaagt, Luid huilt de poort. Men laat in rouw door droeve koren Nu hier dan daar de wisseling horen: Want deze smart Die Hamburgs hart Zo fel doorknaagt, Gaat andere smart in felheid voor.

10. Recitativo Der Tempel, Wo Deine Seele sich, mit heiligem Ergötzen, An Zeugnis und Gesetzen Recht inniglich zu laben wuste, Erschrack, als er zugleich Dein rühmliches Exempel, Und seinen Vorstand missen mußte. Das Thor, Das Rathaus unsrer Stadt, Wo Licht und Recht die Wohnung hat, Muß Deinen Sitz erledigt stehen, Und Deinen klugen Mund geschlossen sehen. Die Weisheit war Dein Ehrenkleid, Dein Helm das Recht, Dein Schild die Redlichkeit. So kannst Du auch, da Dir die Augen brechen, Dasselbe Wort zu uns mit Freuden sprechen, Was Samuel, eh’ er entschlief, Dem ganzen Volk getrost entgegen rief: ‘Hie bin ich, Israel, antworte wider mich,

Recitatief De tempel, Waarin je ziel zich, met heilig genoegen, Aan wet, getuigenis, Te laven wist, oprecht en innig, Verschrok toen hij inenen je lofwaardig vorrbeeld, En zijn bestuurder moest gaan missen. De poort, Ons raadhuis in de stad, Waar licht en recht tesamen wonen, Ervaren jouw stoel onbezet, Zien je verstandige mond op slot gezet. De wijsheid was je eerkledij, Je helm het recht, Je schild de redelijkheid. Dus kan je ook, daar jou de ogen breken, Hetzelfde woord naar ons met vrede spreken, Wat Samuel, voor hij ontsliep, Het ganse volk getroost toeriep: ‘Hier ben ik, Israel, antwoord me nou,

16


(I Sam. XII,4) Ob jemand ich Gewalt und Unrecht angethan; Ob mir von jemands Hand Geschenke zugekommen?’ Die Antwort geht, wie dort, Hochseliger, an Dich: ‘Du tatest niemand je Gewalt und Unrecht an, Und hast nie kein Geschenk von jemands Hand genommen.’ Drum gönne, dass wir Dich, gleich Samuel, beklagen, Und mit den Zähren mehr, als mit den Lippen sagen.

Of iemand ik onrecht, geweld heb aangedaan; Of mij van iemands hand ’n geschenk is toegekomen?’ Het antwoord gaat, als daar, verstorvene, aan jou: ‘Nee, niemand deed je ooit geweld en onrecht aan, je hebt nooit een geschenk van iemands hand genomen.’ Gun daarom dat we jou, als Samuel , beklagen, En met de tranen meer, dan met de lippen praten.

11. Aria Die Armut trägt um ihren Vater Leide; Die Unschuld seufzt dem treuen Retter nach. Allein ihr Dank verstummt für Sehnen; Ihr Wort erstickt in heißen Tränen, Und beide Erzwingen kaum ein mattes Ach!

Aria De armoede, zeer om haar vader lijdend, De onschuld om de trouwe redder zuchtend, Alleen hun dank verstomt in hunkeren; Hun woord verstikt in tranen heet, En beide Bedwingen amper een mat ‘O wee!’

12. Recitativo Jedoch nicht nur Dein gottgefälligs Leben, Dein Abschied selbst kann uns ein herrlich Beispiel geben. Nach überwund’ner Welt, nach wohlgeführtem Streit, Trat Dein Erlöser Dir, und Du dem Himmel nahe, Als Dein gebrochnes Aug’ ihn schon eröffnet sahe. Mit welcher Zuversicht, mit welcher Freudigkeit Befahlst Du Deinen Geist in Gottes Hände!

Recitatief Maar niet alleen je godgevallig leven, Je afscheid zelf kan ons een heerlijk voorbeeld geven. Na overwonnen aarde na welgevoerde strijd, Trad jouw verlosser jou, en de hemel nader, Toen jouw gebroken oog hem al open ontwaarde. Met welke vertrouwen en met welke vrolijkheid Vertrouwde je je geest aan Gods hand toe!

17


O seliges, o schönes Ende!

O eind zo zalig en zo zoet!

13. Dictum (Jef. LVII. v.2) Die richtig vor sich gewandelt haben, kommen zum Frieden, und ruhen in ihren Kammern.

Dictum Die correct voor zich gewandeld hebben, komen tot vrede, en rusten in hun kamers.

14. Choral (No. 429.v.5) Ach wie freudig kann ich nun Aus dem Elend scheiden, Und fein sanft und selig ruhn, Bis zu jeden Freuden, Die mir dort Gott mein Hort, Da die Engel schweben, Ewiglich wird geben.

Koraal Ach hoezeer kan ik nu lustig Uit de kommer scheiden, En mooi zacht en zalig rusten, Tot aan zulke blijheid Die daar God, mijn toeverlaat, Waar de engelen zweven, Eeuwig mij zal geven.

15. Recitativo Und so muß selbst Dein Tod uns stärken. Dein Ende stelle was recht gewünschtes vor: Genug: es war nach Deinen Werken. Und diese folgen Dir ins Reich der Ehre nach, Dies richtet uns empor; Dies tröstet tausendfach.

Recitatief En zo moet zelfs je dood ons sterken. Je einde stelle iets wat echt is voor: Genoeg: het was volgens je werken. En deze volgen jou in ’t rijk der achting na, Dit richt ons naar omhoog, Dit troost ons duizendmaal.

16. Aria (Matth. XXV, 21) Du frommer und getreuer Knecht, Geh ein zu Deines Herren Freude! Das Lamm, das dorten herrlich thronet, Wo ewig Glanz und Wonne wohnet, Erklärt Dich durch sein Blut gerecht, Und ruft Dir zu von Salems Weide: Du frommer und getreuer Knecht, Geh ein zu Deines Herren Freude!

Aria Jij vrome en getrouwe knecht, Ga binnen tot je Heers verblijden! Het lam dat daarginds heerlijk woont, Waar eeuwig glans en verrukking woont, Verklaart je door zijn bloed terecht, En roept je toe van Salems weide: Jij vrome en getrouwe knecht, Ga binnen tot je Heers verblijden!

17. Recitativo Ihr aber, fasset euch, Erschrocknes Haus, beraubte Stadt!

Recitatief Maar u, kom tot bedaren, Beangstigd huis, beroofde stad!

18


Will dieser Riß uns gleich In Marck und Beinen kränken: Geduld! Der Herr, der jetzt gezürnet hat, Wird Morgen wiederum an Lieb und Huld, Und, nach der Züchtigung, an reiche Gnade denken.

Wil deze knauw gelijk In merg en been ons krenken: Geduld! De Heer, die boos zoëven was, Zal morgen wederom aan lief en gunst, en, na kastijding, aan rijke genade denken

18. Aria Betrübt uns nur, ihr wunderbaren Wege, Die Liebe bleibt dem Eifer doch verwandt. Scheint über uns ein hartes Wetter rege, Fühlt schon das Fleisch sehr tief gedrungne Schläge, So küssen wir dennoch die Vaterhand.

Aria Bedroeven ons haar wegen wonderbaarlijk, De liefde blijft de ijver toch verwand. Schijnt over ons een noodweer onbedaarlijk, Voelt wel het vlees zeer diep gedrongen slagen, Dan kussen wij nochtans de vaderhand.

19. Recitativo Wohlan, hochseel’ger Geist, Geselle Dich zum Chor der Seraphinen. Und Du, erblasster Leib, geneuß der stillen Ruh. Wir überlassen Dich der sanften Erden, Und siegeln nun Dein Grab mit treuen Tränen zu. Allein, weil Hamburg Hamburg heißt, Soll Dein Gebeine grünen, Und Wiesens Ehre nie vergessen werden.

Recitatief Welaan, gestorven geest, Voeg je nu bij het koor der serafijnen. Jij, bleek geworden lijf, geniet de stille rust, We laten je over aan de zachte aarde, Bezegelen je graf met onze trouwe tranen. Alleen, daar Hamburg Hamburg heet, Zal je gebeente uitbotten, Je weids aanzien nooit vergeten worden.

20. Aria Schließet denn, ihr kühlen Höhlen, Die entkernte Schalen ein. Aber Ruhm und Angedenken In ein würdigs Grab zu senken, Müssen dankgeflissne Seelen Selbst die schönsten Grüfte seyn.

Aria Sluit daarom, gij koele holen, De ontpitte schillen in. Maar om roem, herinneringen, In een waardig graf te zinken, Moet de ziel vol dankbaarheid Zelf de mooiste crypte zijn.

19


21. Corale Ei, so mag der blasse Tod Mich nur immer strecken, Er und alle Teufelsrott, Sollen mich nicht schrecken. Laß es sein, ich sterb dahin, Doch merk dies daneben: Sterben ist ja mein Gewinn, Christus ist mein Leben.

Koraal Ei, zo mag de dood, die fletse, Mij best immer vellen, Hij, de hele duivelsbende, Zal me niet ontstellen. Sterf ik zover, laat het zijn, Doch merk dit daarnevens: Sterven is wel mijn profijt, Christus is mijn leven.

Die Donnerode TWV 6:3 Teil I

Deel I

1. Coro Wie ist dein Name so groß, Mit welchem Ruhme geschmücket, Herr, unser Herrscher, voll Weisheit und Macht! Der Erdkreis sieht’s und erstaunt; Von deinem Namen entzücket, Frohlockt er über seine Pracht. Die Himmel, über die er geht, Und aller deiner Himmel Heere Sind voll von deiner Majestät, Sind voll von deines Namens Ehre. Der Mond, ich seh’ ihn, dessen Licht Des Nachts von deiner Größe spricht, Und deine Welten in der Ferne, Herr, deine Herolde, die Sterne.

Koor Wat is je naam zo groot, Met welke roem opgesmukt, Heer, onze heerser, vol wijsheid en macht! De aardbol ziet ‘t, is verbaasd, En van je naam verrukt, Jubelt hij hij over haar pracht. De hemel, waarover hij glijdt, En de legers van heel je hemel Zijn vol van je majesteit, Zijn vol van je naam en eer. ’t Licht van de maan, ik kijk naar hem, Dat van je grootheid ’s nachts vertelt, En je werelden in de verte, Heer, je hearauten, de sterren.

2. Aria (Soprano) Bringt her, ihr Helden aus göttlichem Samen, Bringt her dem Herrscher Ehr und Ruhm. Fei’rt seinen Namen, den herrlichen Namen, Fei’rt ihn in seinem Heiligtum.

Aria Breng naar hier, gij helden uit goddelijk zaad, Breng hier, eer en roem aan de vorst. Huldig zijn naam, de wondermooie naam, Huldig hem in zijn heiligdom.

20


3. Aria (Alto) Fallt vor ihm hin, mit dem heiligen Kleide Der frommen Unschuld angetan, Und betet Gott in bewundernder Freude Mit hingeworfnen Leibern an.

Aria Val voor hem neer, met de heilige kleding Van de vrome onschuld aangetrokken, Aanbidt God in bewonderende vreugde Met uw lichaam neergworpen.

4. Aria (Tenore) Die Stimme Gottes erschüttert die Meere, Gewitter wandeln vor ihm her, Der Höchste donnert, gekleidet in Ehre, Auf großen Wassern donnert er.

Aria De stem van God doet schudden de zee, Het onweer wandelt hem voorbij, De hoogste dondert gekleed in eer, Boven grote wateren dondert hij.

5. Aria (Basso I) Die Stimme Gottes zerschmettert die Zedern, Den Ruhm, den er den Bergen gab, Die Stimme Gottes zerschmettert die Zedern Vom hohen Libanon herab.

Aria De stem van God verbrijzelt de ceders, De roem die hij de bergen gaf, De stem van God verbrijzelt de ceders, Van het hoge Libanon af.

6. Aria (Basso II) Sie stürzt die stolzen Gebirge zusammen, Der Erdkreis wankt, wenn er sie hört, Er hört des Donners Stimme, die Flammen Rund um sich sprüht, zerschlägt, zerstört.

Aria Ze doet het trotse gebergte in elkaar zakken, De aardbol wankelt, als hij haar hoort. Hij hoort de donderstem die vlammen Rondspat, die stukslaat, in de grond boort.

7. Duetto (Basso I & II) Er donnert, daß er verherrlichet werde. Sagt ihm in seinem Tempel Dank! Vom Tempel schalle zum Ende der Erde Der lange laute Lobgesang.

Duet Hij dondert, dat men hem verheerlijken zal. Zegt u hem in zijn tempel dank! Dat tot ’t eind der aarde uit tempels galmt De lange luide lovende zang.

Teil II

Deel II

8. Coro Mein Herz ist voll, vom Geiste Gottes erhoben,

Koor Mijn hart is vol, door Gods geest verhoffen in de hoogte,

21


Und strömt in Psalmen voll Wahrheit und Lust. Ein hoher Entschluß, der Könige besten zu loben, Bewegt die liederquellende Brust; Und meine Zunge, sie preist, sie macht ihn bekannt, Ein Griffel in einer fertigen Hand.

En stroomt in psalmen van lust en het ware. Een hoog besluit, de beste der koningen te loven, Spoort de borst, liederborrelend aan. En mijn tong, ze prijst, ze maakt hem bekend, Een griffel in een vaardige hand.

9. Aria Soprano Schönster von allen Geschlechten, O daß dich alle preisen möchten! Du Heil der Menschen, das Gott gab, Friede strömt von deinen Lippen, Barmherzigkeit von deinen Lippen, Auf Gnadendürftige herab. Denn so gebot Gott Zebaoth, Gesegnet sollst du ewig sein.

Aria Schoonste van alle geslachten, O dat jou allen prijzen zouden! Jij heil der mensen, dat God schonk, Vrede stroomt neer van je lippen, Barhartigheid neer van je lippen, Op de genadeschamelen neer. Want zo gebood God Zebaoth, Dat eewig je gezegend weze.

10. Aria (Basso I) Gürt an dein Schwert, erschein in Hoheit gekleidet! In deiner Herrlichkeit eile herbei, Der Wahrheit zugut. Erscheine, der Niedrige leidet, Beschütz ihn, laß den Leidenden frei! Und deine Rechte, mit Kraft gerüstet durch dich, Tu Wunder, o Held, verherrliche sich!

Aria Gord aan het zwaard, in hoogheid gekleed, verschijn! In je heerlijkheid kom naar hier geijld, De waarheid ten goede. Verschijn, de nederige lijdt, Beschut hem, laat de lijdende vrij! En je rechterhand, door jou gewapend met sterkte, verheerlijke zich, jij wonder, jij held!

11. Aria (Basso II) Scharf sind deine Geschosse, sie fliegen Zum Streite, zum Triumph, und siegen, Du zwingst die Völker unter dich. Scharf sind deine Geschosse. Sie treffen, wenn sie widerstehen, Iins Herz der Feinde; sie vergehen! Umsonst empört die Rotte sich. Sie sind entflohn,

Aria Scherp zijn je projectielen, ze vliegen Ten strijde, ten triomf, zegevieren, Je dwingt onder jou de volken. Scherp zijn je projectielen, Ze treffen, zodra ze weerstaan, In ’t hart der vijanden, zij vergaan! Voor niets rebellert de horde. Ze zijn gevlogen,

22


Und Gott, dein Thron Steht ewig, ewig wird er stehn!

En God, je troon Staat eeuwig, eeuwig zal hij staan!

12. Coro Dein Zepter ist ein richtig Zepter und übet, So weit du herrschest, ein heilig Gericht. Gerechtigkeit, Gott, die liebst du, die hast du geliebet, Gottloses Wesen duldest du nicht. Gott, darum salbt dich dein Gott mit Freudenöl mehr, Als deiner Genossen jauchzendes Heer.

Koor Je scepter is een juiste scepter en betracht Een heilige rechtspraak, zover je gebiedt. Gerchtighied, God, die heb je lief, die heb je liefgehad, Goddeloos gedrag duld je niet. God, daarom zalft jou je God met vreugdeolie meer, Meer dan je juichend kameradenleger.

13. Aria (Tenore) Deines Namens, des herrlichen, wollen Wir nie vergessen. Enkel sollen, Nachwelten über dir sich freun. Ewig sei dein Lob gesungen! Voll himmlischer Begeisterungen Muß ihr Gesang und Jubel sein. Von Zeit auf Zeit, In Ewigkeit Erheben alle Völker dich!

Aria Je naam, de heerlijke, zullen We nooit vergeten. Kleinkinderen zullen, Nageslachten over jou zich verheugen. Gezongen zij je lof, eeuwig! Vol hemelse geestdrift Moet hun gezang en jubel zijn. Van tijd tot tijd In eeuwigheid Verheffen alle volken jou!

14. Coro Dein Nam’ ist zuckersüß, Honig im Munde, Holdselig, lieblich, wie ein kühler Tau Der Wies’ und Feld erquickt zur Morgenstunde. Also mein Jesus, wenn ich ihm vertrau. Es weicht vom Herzen Des Todes Schmerzen, Wenn ich im Glauben ihn anbet’ und schau.

Koor Je naam is suikerzoet, honing in de mond, Bekoorlijk, liefelijk, als een koele dauw Die wei en veld verkwikt tot de morgenstond. Zo ook mijn Jezus, als ik op hem vertrouw. Dodelijke angst, Verlaat het hart Als in geloof ik hem aanbid en schouw.

Vertaling: Evianne De Kup

23


binnenkort ZA | 09.03.13 | 15:00 | Kraakhuis WO | 13.03.13 | 15:00 | Kraakhuis Tangerijn Rudy - muziektheater voor kinderen (8+) ZA | 09.03.13 | 20:00 | UITVERKOCHT Symfonieorkest Vlaanderen, Seikyo Kim (dirigent), Keisuke Toyama (piano) Glinka, Rachmaninov, Brahms WO | 13.03.13 | 20:00 | Miryzaal (Hoogpoort 64) Edding Kwartet, Michel Renard (altviool) Jadin, Mozart DO | 14.03.13 | 20:00 | Kraakhuis Yodo Kurahashi Ensemble Japanse 17de-eeuwse kamermuziek ZO | 17.03.13 | 17:00 Docentenconcert: Big Band van het Conservatorium | School of Arts Gent Jazz DI | 19.03.13 | 20:00 | Miryzaal (Hoogpoort 64) Vilde Frang (viool), Michail Lifits (piano) Mendelssohn, Lutoslawski, Brahms, Van Beethoven

WO | 20.03.13 | 20:00 Hermesensemble, Veenfabriek & Transparant Vrouwenleed: Medea DO | 21.03.13 | 20:00 | Kraakhuis | UITVERKOCHT Sweet Honey in the Rock Vrouwenleed: Gospel met een scherp kantje VR | 22.03.13 | 20:00 Les Muffatti Vrouwenleed: Madalena à Piedi di Christo ZA & ZO | 23-24.03.13 | 15:00 | Bibliotheek Nic Balthazar Vrouwenleed: Muzikale vertelling voor kinderen ZA | 23.03.13 | 17:00 & 20:00 | Kraakhuis Joris Blanckaert Vrouwenleed: The Wandering Womb DI | 26.03.13 | 20:00 | UITVERKOCHT Koor en orkest Collegium Vocale Gent, Phillippe Herreweghe (artistieke leiding) Bach: Mattheuspassie DO | 28.03.13 | 20:15 | Handelsbeurs Belcea Quartet Haydn, Van Beethoven, Sjostakovitsj

Bespreekbureau Muziekcentrum De Bijloke Gent Colofon J. Kluyskensstraat 2, 9000 Gent Tekst programmaboekje | Evianne de Kup (vertaling) Di - vr 10:00 - 12:00 & 13:00 - 17:00 | Za 13:00 - 17:00 v.u. | Daan Bauwens 09 269 92 92 | tickets@debijloke.be | www.debijloke.be © Muziekcentrum De Bijloke Gent Muziekcentrum De Bijloke is mobiel dankzij het partnership met Gent Motors (www.gentmotors.be)

Amsterdam Baroque Orchestra  
Amsterdam Baroque Orchestra  

Op 1 november 1755 om 9u40 daverde Lissabon op zijn grondvesten. Het was een van de meest vernietigende en dodelijke aardbevingen ooit, met...

Advertisement