Page 1

wetenschap@gelre magazine

Voedingsverpleegkundige Mariël Klos

met de Ranjatest naar ESPEN congres Lissabon

In dit nummer: 7 Wetenschap als R & D motor 9 “Waarom is bloed niet groen?” 13 Afscheid van wetenschap

NAJAAR 2015 / NR 11


colofon Wetenschap@gelre is een uitgave van de Wetenschapscommissie van Gelre ziekenhuizen. Wetenschap@gelre heeft tot doel om wetenschappelijk onderzoek in Gelre ziekenhuizen te stimuleren, alsmede om belangstellenden over de resultaten van wetenschappelijk onderzoek te informeren. Uitgave: nummer 11, najaar 2015 Redactie: Dr. P.E. (Peter) Spronk, intensivist, voorzitter wetenschapscommissie Dr. R.L. (Richard) Braam, cardioloog Dr. J.G.M. (José) Hofhuis, verpleegkundige / zorgonderzoeker Intensive Care Dr. H.J. (Hester) van der Zaag, artsepidemioloog M. Wouters, wetenschapsscoördinator S. van der Waarde, secretaresse Aan dit nummer werkten mee: Babette van Esch, arts-onderzoeker KNO Heelkunde I Maarten Rook, voorzitter Raad van Toezicht Gelre Mariël Klos, voedingsverpleegkundige afdeling Diëtetiek I Emma Bruns, arts onderzoeker afdeling Chirurgie Hans Hase, ambtelijk secretaris Lokale Toetsingscommissie Daphne Smit, informatiespecialist Redactieadres: Gelre ziekenhuizen Apeldoorn Leerhuis Albert Schweitzerlaan 31 Postbus 9014, 7300 DS Apeldoorn E wetenschap@gelre.nl I www.gelreziekenhuizen.nl Eindredactie: Afdeling Marketing & Communicatie Fotografie: Maarten Haazebroek Uitgever BC Uitgevers BV, Postbus 416, 8600 AK Sneek www.bcuitgevers.nl Bladmanager en advertentieverkoop Digna Schoonen, tel. 06 - 44 20 99 10 Basis ontwerp VA communication by design Opmaak BC Uitgevers BV, Hannique de Jong Druk Scholma Druk B.V., Bedum Oplage in gedrukte vorm: 750 exemplaren De productie van wetenschap@gelre wordt mede mogelijk gemaakt door de Stichting Vrienden van Gelre ziekenhuizen Apeldoorn. © Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een automatisch gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgever en auteurs verklaren dat deze uitgave op zorgvuldige wijze en naar beste weten is samengesteld. Evenwel kunnen uitgever en auteurs op geen enkele wijze instaan voor de juistheid of volledigheid van de informatie. Uitgever en auteurs aanvaarden geen enkele aansprakelijkheid voor schade, van welke aard dan ook, die het gevolg is van handelingen en of beslissingen die gebaseerd zijn op bedoelde informatie.

Cursus

Good Clinical Practice

In samenwerking met de TAPAS Trainings Groep organiseert het Leerhuis jaarlijks de cursus Good Clinical Practice. De eerstvolgende cursus inclusief examen staat gepland op: Cursus: maandag 14 maart 2016, van 13.00 tot 19.00 uur. Examen: maandag 21 maart 2016, van 15.00 tot 17.00 uur. Doelgroep Professionals die klinisch mensgebonden onderzoek (willen gaan) doen. Doel Verwerven van kennis en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor het toepassen van Good Clinical Practice (GCP). Kosten Het Leerhuis neemt de kosten van één keer training en één keer examen per deelnemer voor haar rekening. Meer informatie? Stuur een e-mail naar s.van.der.waarde@gelre.nl

Opleiding en Onderzoek Gelre ziekenhuizen maakt deel uit van de vereniging Samenwerkende Topklinische opleidingsZiekenhuizen (STZ). Wij streven voortdurend naar verbetering en innovatie, onder meer door opleiding en onderzoek een prominente plaats te geven. Wij willen dat bovendien doen op een manier waarbij mensen zodanig tegemoet worden getreden, dat zij ook anderen zullen aanbevelen om van onze zorg gebruik te maken. Daarmee zijn wij in de regio Apeldoorn-Zutphen voor patiënten die niet in de positie verkeren om te kunnen kiezen, niet het onontkóómbare ziekenhuis, maar voor hen en alle overige patiënten het gewénste ziekenhuis. Kernwaarden waarmee onze medewerkers zich identificeren zijn zorgzaamheid, vernieuwing en teamwork. Onze ambities vertalen zich op het gebied van deskundigheid, betrokkenheid, behulpzaamheid en bereikbaarheid.


Inhouds-

Inhoud

opgave 07

05 | Column Peter Spronk, voorzitter WAR

06 | E-learning cursus “Practical Biostatistics” Cursus “Scientific Writing in English for Publication in Biomedical Journals”

07 | Wetenschap is de R & D motor van een topklinisch opleidingsziekenhuis

08 | Met de ranjatest naar Lissabon

09 | “Waarom is bloed niet groen?”

10 | Gelre ziekenhuizen gaat onderzoeksarrangement met Saxion aan

09

12 | Lokale toetsingscommissie (LTC)

13 | Afscheid van wetenschap?

15 | Abstracts

13

40 | Gelre publicaties 3


Column

Colomn

Toch wel met enige trots las ik dat de STZ visitatiecommissie de wetenschap nadrukkelijk heeft benoemd als “pareltjes” binnen ons ziekenhuis. Met name de zogenaamde “wall of science” tegenover het personeelsrestaurant vond de commissie een fantastisch initiatief dat navolging verdient in andere ziekenhuizen. Het verder ontluikende wetenschappelijk klimaat is natuurlijk niet alleen tot stand gekomen door de facilitering van het leerhuis door de ziekenhuisorganisatie en de inspanningen van het wetenschapsbureau, maar is primair te danken aan het enthousiasme en de gedrevenheid van jullie allemaal. Samen maken wij dit mogelijk. Het is prachtig om te zien dat het enthousiasme van enkelen blijkbaar besmettelijk is. Infecties met een dergelijk virus juichen wij als wetenschapsbureau natuurlijk van harte toe. Ik verwacht niet dat er in de komende jaren een behandeling van dat virus wordt gevonden en dat is een goede zaak. Ik had het al over samenwerking binnen de wetenschap. Dat aspect zien we dit jaar duidelijk terug in de abstracts die zijn ingestuurd voor presentatie op het Gelre wetenschap symposium. Dan denk ik bijvoorbeeld aan de samenwerking geriatrie/chirurgie/radiologie waarin de vraag werd geanalyseerd of een lage spiermassa vóór colorectale chirurgie voorspellend is voor een uiteindelijke uitkomst. Meer dan in voorgaande jaren wordt onderzoek gepresenteerd dat door de samenwerking van meerdere vakgroepen tot stand is gekomen. Dat illustreert dat onderzoekers elkaar vinden. Het netwerk van verpleegkundigen in ons ziekenhuis, maar ook de cursussen die worden georganiseerd in samenwerking met het leerhuis en de epidemiologen heeft hier zeker aan bijgedragen. Zo werden er ook meer abstracts ingestuurd voor het wetenschapssymposium naar aanleiding van een uitgevoerde CAT. De wetenschappelijke adviesraad (WAR) heeft een beleidsplan wetenschap vastgesteld en zal daar ook in 2016 actief mee aan de slag gaan. Onder andere de stroomlijning van research beoordeling, maar ook de verbetering van het bekend maken van de resultaten van Gelre-onderzoek staat nadrukkelijk op de agenda. Kortom: Gelre-wetenschap begint steeds meer te bruisen, gelukkig een onomkeerbare ontwikkeling die hoort bij de ambitie van onze organisatie.

Peter Spronk, voorzitter WAR

5


E-learning cursus “Practical Biostatistics”

Kennis verbreden

Kennis van statistische analyses is noodzakelijk bij het opzetten, uitvoeren en rapporteren van medisch wetenschappelijk onderzoek. Vanuit de AMC Clinical Research Unit (CRU) wordt de e-learning cursus “Practical Biostatistics” aangeboden, waarin de basisprincipes van biostatistiek worden uitgelegd en aangeleerd. De cursus richt zich op medisch specialisten, onderzoeksverpleegkundigen, PhD-studenten als ook studenten geneeskunde. De cursus is Engelstalig, gaat uit van basis wiskundige kennis (VWO/HBO), is web-based (Firefox of Google Chrome) en is gedurende drie maanden toegankelijk. In tien modules worden onder andere de principes van statistische testen, correlaties, lineaire en multipele lineaire regressies, logistische regressie en survival analysis uitgelegd waarbij het aantal uren studielast ongeveer 40 uur bedraagt. Er kan voor gekozen worden om enkel de eerste vijf modules te bestuderen, waar ongeveer 20 studielasturen voor staan.

Geïnteresseerd? Neem contact op met het wetenschapsbureau via wetenschap@gelre.nl

In de cursus zijn theorie, quizvragen en computeropdrachten met SPSS geïntegreerd. Alle gepresenteerde theorie wordt ook in een hand-out toegezonden waardoor simultaan de presentatie bekeken en de tekst gelezen kan worden. Aan het einde van iedere paragraaf volgt een kleine quiz (meerkeuze), een rekenoefening (handmatig) gecombineerd met het doen van computeropdrachten in SPSS Door zelf de rekenstappen handmatig te oefenen alvorens SPSS te gebruiken, zorgt dit voor begrip van de analyses die SPSS anders altijd ‘met een druk op de knop’ uitvoert. De gevonden resultaten controleer je waarbij de syntax onderdeel is van het antwoord. Indien onduidelijk blijft hoe je de syntax moet maken, bieden korte video’s uitkomst waarin de handelingen in SPSS worden getoond. Handzaam zijn ook de ‘Test finder’ en ‘Analysis finder’. Dit zijn schematische overzichten om de juiste toets of analyse te kiezen op basis van de type data van de uitkomst. Omdat in deze cursus enkel de basisprincipes worden belicht, kan ondersteuning van een statisticus alsnog nodig zijn bij het uitvoeren van complexere analyses. De cursus zal dus veel toegevoegde waarde hebben indien er relatief weinig ervaring is op het gebied van statische analyse. Al met al een leerzame en vooral praktische cursus, waarin een goede basis wordt gelegd voor een ieder die kennis nodig heeft over statistiek!

Cursus “Scientific Writing in English for Publication in Biomedical Journals” Het gebruik van correct en helder taalgebruik in het Engels is essentieel voor het succesvol kunnen publiceren van een artikel of onderzoek. Kennis op het gebied van wetenschappelijk schrijven in het Engels bespoedigt niet alleen het schrijfproces bij de vorming van een artikel, het maakt ook dat de schrijver doeltreffend en passend is in zijn taalgebruik. In de cursus ‘Scientific Writing in English for Publication in Biomedical Journals’ geeft Lisette van Hulst weer hoe structuur aan te brengen in een artikel, hoe paragrafen en zinnen correct op te bouwen, hoe om te gaan met spelling, interpunctie, bijwoorden, lidwoorden, grammatica maar ook het schrijven van een aanbevelingsbrief voor het aanbieden van een artikel bij een tijdschrift passeert de revue. De totale cursus bestaat uit een 6-tal lessen, elk van 2,5 uur. De cursus is bedoeld voor zowel mensen met weinig ervaring met wetenschappelijk schrijven in het Engels, maar ook voor medisch specialisten die reeds gepromoveerd zijn. In de cursus is de voertaal uiteraard Engels waarbij de lesstof in een syllabus is samengevat. Nadat een deel van stof is gepresenteerd, volgen plenair oefeningen om theorie direct in praktijk te brengen. Na afloop van iedere les zijn er huiswerkopdrachten om de ervaring met het toepassen van de theorie verder uit te bouwen. De huiswerkopdrachten kunnen per email opgestuurd worden welke de daaropvolgende les eerst plenair zullen worden besproken. Vanwege het feit dat het een praktijk gerichte cursus is, is het aan te bevelen om al bezig te zijn met het schrijven van een artikel. Hierdoor wordt het verschil ervaren na het verbeteren van de tekst, wat zijn voordeel kan hebben bij het schrijven van een volgend artikel. De cursus zal veel toevoegen indien er weinig maar wel al enige ervaring is op dit gebied. De cursus ‘Scientific Writing in English’ is een handzame cursus waarbij wordt geleerd hoe een wetenschappelijke boodschap helder over te brengen op een Engelstalige lezer. Babette van Esch, arts-onderzoeker KNO Heelkunde 6 wetenschap@gelre | 11 • 2015


Research and Development als motor voor kwaliteit patiëntenzorg

Wetenschap is de R & D motor van een topklinisch opleidingsziekenhuis Sinds de toetreding tot de STZ in april 2010 heeft de wetenschapsfunctie in Gelre ziekenhuizen zich zeer goed ontwikkeld, zowel organisatorisch als inhoudelijk. De kwaliteit en de kwantiteit zijn sindsdien duidelijk toegenomen, zoals de recente visitatie van de STZ uitwees. Dat is van groot belang voor het ziekenhuis zelf, en danvooral voor de patiëntenzorg. Het meeste onderzoek is immers toegepast klinisch onderzoek, dat doorgaans meteen bruikbaar is in de directe zorg aan de patiënten. Dat kan zijn een betere kwaliteit, een betere patiëntgerichtheid, en het leidt regelmatig ook tot lagere kosten, omdat onnodige of weinig effectieve verrichtingen achterwege kunnen blijven. Dat is precies waar het in topklinische opleidingsziekenhuizen om gaat: wetenschap, deels ook samen met de verschillende opleidingen, als een soort R & D (Research and Development) motor voor de kwaliteit van de patiëntenzorg, onze belangrijkste maatschappelijke taak. In die zin heeft het ongeveer dezelfde functie als de R & D functie in een bedrijf of soortgelijke organisatie. Helaas is het budget voor deze taak nog klein. Innovatieve bedrijven spenderen doorgaans meer aan de R & D motor. We zullen moeten kijken of we dat budget de komende jaren verder kunnen laten toenemen, hopelijk samen met de coöperatie van medisch specialisten. Daarbij is het tevens van belang om daarnaast of mede daardoor ook meer fondsen van buiten te verwerven, al of niet samen met een partner.

subsidie van onderzoekfondsen als ZonMw, maar ook van goede doelen stichtingen en vermogensfondsen. Daarnaast weet ik uit ervaring dat fondsenwerving voor onderzoek bij de eigen patiënten en hun begeleiders, en bij bedrijven (al of niet in de regio) aanslaat, mits de uitkomsten ook regelmatig met hen gedeeld worden en de R & D functie, net als de opleidingsfunctie, duidelijk wordt geëtaleerd. Patiënten waarderen en onderkennen dat: “Als iemand onderzoek doet, zal hij ook wel goede patiëntenzorg bieden”, zei ooit eens iemand tegen mij. Waarschijnlijk mede reden waarom UMC’s veel aanzien genieten. Uiteraard wil de ervaring met fondsenwerving (in een ander topklinisch opleidingsziekenhuis) desgewenst graag delen met de direct betrokkenen in Gelre ziekenhuizen. Maarten Rook, Voorzitter Raad van Toezicht Gelre ziekenhuizen (voorheen voorzitter STZ en oud-bestuursvoorzitter St. Antonius Ziekenhuis)

Samenwerking is vaak essentieel en inmiddels zijn er mooie vormen van gezamenlijk onderzoek binnen diverse wetenschappelijke verenigingen, waar het vroege voorbeeld van het verloskunde consortium inmiddels navolging heeft gekregen. Gelre speelde in dit verband onder andere een grote rol in de KNO, maar wellicht doe ik anderen in het ziekenhuis daarmee tekort. In een artikel in het NTVG hebben Marcel Levi en enkele anderen, waaronder ikzelf, twee jaar geleden laten zien dat ook bij samenwerking tussen een UMC en een STZ ziekenhuis het onderzoek aan kwaliteit wint. En dus ook sneller in aanmerking komt voor 7


Presentatie ranjatest-poster op internationaal congres

Met de ranjatest naar Lissabon Begin september had ik het geluk om met twee posters naar een internationaal congres over klinische voeding en metabolisme te mogen gaan: “ESPEN congress on clinical nutrition and metabolism 2015” in Lissabon. Wat was begonnen als een kleinschalig, praktisch onderzoek in Gelre Apeldoorn, leidde tot twee wetenschappelijke posters waarover ik met collega’s uit de hele wereld van gedachten kon wisselen. Een geweldige ervaring. In 2014 hadden we een jaar lang gedocumenteerd hoe het inbrengen en controleren van neusmaagsondes in Gelre Apeldoorn verliep. Twee bevindingen sprongen eruit. Het leek er sterk op dat neusmaagsondes die volgens de Nederlandse richtlijn werden ingebracht te ondiep werden ingebracht. Het risico dat sondes onderin de slokdarm eindigden in plaats van in de maag was aanzienlijk. Daarnaast zagen we dat de ranjatest een nuttige toepassing was. Hij werd vaak gebruikt en was dan vrijwel altijd succesvol. Zonder de ranjatest zouden veel meer röntgenfoto’s nodig zijn geweest om een juiste positie van de maagsonde te controleren. Na de presentatie van de resultaten op het wetenschapssymposium in Gelre Apeldoorn in 2014 heb ik met hulp van Hester van der Zaag (arts epidemioloog) en Marlies Zwerink (epidemioloog) bij de formulering in het Engels twee abstracts ingestuurd voor ESPEN. Beide werden geaccepteerd als posterpresentatie: “Blackcurrant test is a practical method to confirm position of nasogastric tube” en “Dutch national guideline underestimates length of nasogastric tube”. De ranjatest-poster kreeg zelfs het predicaat Outstanding Poster en werd uitverkozen voor een postertour waarin bij zes posters onder leiding van een moderator werd gediscussieerd over de inhoud. In Lissabon aangekomen bereidde ik me voor op de postertour. In een Portugese supermarkt kocht ik locale ranjavarianten en koos er twee met een mooie kleur en een lage pH. Ik was voorbereid op kritische vragen, maar kreeg vooral instemmende en enthousiaste reacties. Er werden heel veel foto’s gemaakt van mijn poster en ik hoorde regelmatig iemand zeggen dat het ‘brilliant!’ was en dat ze dit in hun ziekenhuis ook moeten gaan doen. 8 wetenschap@gelre | 11 • 2015

Ik sprak mensen uit de hele wereld. De meesten waren arts of diëtist, maar er waren ook (voedings)verpleegkundigen, bijvoorbeeld een collega uit Engeland die het probleem van te korte sondes direct herkende. In haar ziekenhuis kwam het heel vaak voor dat sondes te ondiep lagen als de richtlijn werd gevolgd. Daarom hebben ze de richtlijn aangepast en worden sondes sindsdien zo’n 10 cm dieper ingebracht. Vooral door deze ontmoetingen met collega’s was het congres voor mij een geweldige ervaring. Ik heb mijn ervaringen met neusmaagsondes kunnen delen, mijn gedachten erover getoetst en aangescherpt en nieuwe ideeën opgedaan voor verdere verbeteringen in de toepassing van neusmaagsondes. Mariël Klos, voedingsverpleegkundige, afdeling Diëtetiek


Het belang van wetenschappelijk onderzoek

“Waarom is bloed niet groen?” Wat ziet u voor zich als u aan een wetenschapper denkt? Een warrige man met een gouden brilletje in een stoffig kantoor vol met proefbuizen en dikke boeken? Onleesbare artikelen en dolgedraaide muizen? Onbegrijpelijke experimenten en geheimzinnige brouwsels? Een wereld ver weg van de billen die u elke dag schoonmaakt, de sondes die u inbrengt en de bedden die u verschoont. Maar heeft u zich wel eens afgevraagd waarom u die billen schoonmaakt. Waarom het bed dat u verschoont niet plots opstijgt? Hoe het eigenlijk kan dat een ontstoken blindedarm iemand ziek maakt? Waarom bloed niet stolt in het zakje van de bloedtransfusie? En hoe een bacterie eigenlijk wandelt?

Daar hebben we toch helemaal geen tijd voor? Het moet toch allemaal juist efficiënter en sneller? Als we in de vensterbank gaan zitten mijmeren, worden we wegbezuinigd. Dat doen ze maar in een academisch ziekenhuis. Ons ziekenhuis heeft geen tijd voor kinderachtige vragen, daar hebben we protocollen voor. Een zorgverlener stroopt zijn mouwen op en gaat wat doen. Wij stellen geen vragen, wij geven antwoorden. U zou het misschien niet denken, toch bent u als werknemer of bezoeker in Gelre een wetenschapper. Uw kennis is essentieel voor de vooruitgang van de zorg. Het was Florence Nightingale, een Engelse verpleegkundige, die in de loopgraven tijdens de Eerste Wereldoorlog met statistiek aantoonde dat er meer mensen doodgingen in het hospitaal dan op het slagveld. Het was dokter Alexander Fleming die per

ongeluk een schaaltje te lang buiten de ijskast liet staan en zo het antibioticum penicilline ontdekte. Goede zorg wordt beter van vragen, vooral de meest voor de hand liggende. Gelre ziekenhuizen is een topklinisch centrum. Samen streven we ernaar om de beste zorg te leveren. Maar wat is goede zorg? Dat moeten we onderzoeken. Dus ziet u een patiënt op zaal die meedoet aan een studie? Of wordt u gebeld door een onderzoeker? Denk dan terug aan de laatste keer dat u zich ongelooflijk verbaasde. Of dat uw kind achterop de fiets ineens een vraag stelde waar u toch even over na moest denken. Voor u het weet bent u een wetenschapper, en niet eens een stoffige. Emma Bruns, arts-onderzoeker, afdeling Chirurgie 9


Start onderzoek naar Palliatieve Signaleringsscore

Gelre ziekenhuizen gaat onderzoeksarrangement met Saxion aan Per 1 september zijn vier HBO-V studenten (regulier of vakbekwaam) van Saxion Deventer van start gegaan met hun onderzoeksstage. Gelre ziekenhuizen en Saxion zijn hiervoor een onderzoeksarrangement met elkaar aangegaan voor de komende 2 jaar. De doelstelling van het onderzoeksarrangement is meer focus en massa te creëren op een specifiek probleem uit de beroepspraktijk. Vaak zijn meerdere deelonderzoeken nodig om het probleem grondig aan te pakken.

Begeleiders onderzoeksarrangement (van links naar rechts): Margit Wouters: wetenschapscoördinator (Leerhuis, Gelre ziekenhuizen) Tatia Diekman: docent HBO-V, Academie Gezondheidszorg (Saxion) Wilma te Water: geriater & consulent palliatieve zorg (Gelre ziekenhuizen) Madeleen Uitdehaag: associate lector verpleegkunde: Geriatrische en palliatieve zorg, (Saxion) Annelies Epping: verpleegkundige specialist oncologie & palliatieve zorg (Palliatief adviesteam, Gelre ziekenhuizen) Inzet (van boven naar beneden): Marijke van de Ruitenbeek: verpleegkundige specialist oncologie en palliatieve zorg (Palliatief adviesteam, Gelre ziekenhuizen) Ans Juffer: docent verpleegkundigen/coach (Leerhuis, Gelre ziekenhuizen) 10 wetenschap@gelre | 11 • 2015


Start onderzoek naar Palliatieve Signaleringsscore

Gedurende de komende 2 jaar voert een nieuwe groep studenten iedere 20 weken een deelonderzoek uit om uiteindelijk het gesignaleerde praktijkprobleem op te lossen. In het arrangement met Saxion wordt aan strategische doelstellingen gewerkt van de samenwerkende organisaties: Gelre ziekenhuizen, de Saxion academie gezondheidszorg (AGZ) en het Saxion lectoraat Verpleegkunde. Uitgangspunt is de ontwikkeling van een intensieve samenwerking in een duurzame relatie die is gebaseerd op gelijkwaardigheid, loyaliteit en vertrouwen. Het thema van het huidige onderzoeksarrangement is het ontwikkelen van een multidisciplinair meetinstrument voor het signaleren van de palliatieve fase en zorgbehoefte in algemene ziekenhuizen, de Palliatieve Signalerings Score (PSS). Wanneer een patiënt niet meer te cureren is spreken wij van de palliatieve behandelfase. In deze fase staat de kwaliteit van leven voorop, terwijl in de curatieve fase genezing voorop staat. Echter, de markering van de palliatieve fase is soms moeilijk. Vanuit de beroepspraktijk zien we een discrepantie tussen de patiënt, arts en verpleegkundige wanneer het gaat over de start van de palliatieve fase. Deze discrepantie kan leiden tot

over- of onderbehandeling, maar leidt waarschijnlijk zelden tot passende zorg. Recent is aangetoond dat het voorspellen van het overlijden van een patiënt binnen 12 maanden middels de zogenaamde “surprise question” (“Hoe verbaasd zou u zijn wanneer deze patiënt binnen één jaar overlijdt?”) zeer wisselende waarden had binnen en tussen beroepsgroepen. In de beroepspraktijk is er daarom behoefte aan een kwaliteitsinstrument, bestaande uit een set variabelen, dat het moment dat een patiënt de palliatieve fase in gaat, signaleert. Goed signaleren draagt in belangrijke mate bij aan goede palliatieve zorg en aan kwaliteit van leven voor de patiënt en zijn naasten. Binnen Gelre ziekenhuizen zijn de volgende afdelingen betrokken: Geriatrie, team Palliatieve zorg en het Leerhuis. Samen met Saxion ondersteunen zij de studenten bij hun onderzoek. Het onderzoek behelst een prospectief, observationeel onderzoek bestaande uit de volgende fasen: een exploratieve en ontwikkelfase, een validatiefase, instructiefase en een theoretisch onderzoek naar implementatiestrategieën. Margit Wouters, wetenschapscoördinator

11


Toetsing medisch-wetenschappelijk onderzoek

Lokale toetsingscommissie (LTC) Medisch-wetenschappelijk onderzoek is aan strenge regels gebonden. Toetsing gebeurt door een externe medisch-ethische toetsingscommissie en in Gelre ziekenhuizen door de Lokale toetsingscommissie (LTC). Medisch-wetenschappelijk onderzoek is aan strenge regels gebonden. Toetsing gebeurt door een externe medisch-ethische toetsingscommissie en in Gelre ziekenhuizen door de Lokale toetsingscommissie (LTC). Per 1 maart 2012 is de CCMO Richtlijn Externe Toetsing (RET) van kracht voor multicenter wmo-plichtig onderzoek. Voor dit type onderzoek vindt er geen uitgebreide lokale toetsing meer plaats. Voor niet-WMOplichtig onderzoek hebben wij een lokale commissie die oordeelt of dit onderzoek uitgevoerd mag worden. Binnen Gelre mag niet gestart worden met onderzoek zonder een toestemmingsverklaring van het LTC. De lokale toetsingscommissie bestaat uit een drietal mensen die standaard naar alle aanvragen kijken (Ingrid van den Berg is secretaris, Margit Wouters is ambtelijk secretaris en Hester van der Zaag methodoloog), en uit een aantal leden die zo nodig geraadpleegd kunnen worden. De commissie is te benaderen via het e-mailadres: ltc@gelre.nl In principe vindt goedkeuring plaats binnen 10 werkdagen na indiening.

1

Benodigde stukken voor indienen aanvraag bij LTC: Niet-WMO onderzoek • Onderzoeksprotocol • Proefpersoneninformatie • Toestemmingsverklaring • Getekende onderzoeksverklaring • Vragenlijst(en) • Proefpersonenverzekering 1 • Afgifte niet-WMO plichtig onderzoek van erkende METC • Eventuele amendementen WMO-plichtig onderzoek wordt door de lokale toetsingscommissie alleen beoordeeld op lokale uitvoerbaarheid binnen Gelre ziekenhuizen. Bij het indienen van de aanvraag van WMO-plichtig onderzoek bij het LTC wordt daarom verzocht alle stukken behorende bij een METC aanvraag plus het door een erkende METC positief beoordeelde onderzoeksprotocol (centrale akkoord) bij te voegen. Margit Wouters, ambtelijk secretaris Lokale Toetsingscommissie & wetenschapscoördinator

Alleen nodig als proefpersonen aan handelingen onderworpen en/of een bepaalde gedragswijze opgelegd krijgen

12 wetenschap@gelre | 11 • 2015


Afscheid Hans Hase als voorzitter LTC

Afscheid van wetenschap? Na de afronding van mijn studie pedagogiek werd ik, als verpleegkundige, gevraagd in de toenmalige toetsingscommissie plaats te nemen. Het toenmalige Ziekenhuiscentrum Apeldoorn had een eigen commissie die onderzoeken beoordeelde, een uitgebreide commissie die onder voorzitterschap stond van één van de leden van het stichtingsbestuur. Het was een aimabele voorzitter die werkte bij een elektronicabedrijf en een natuurkundige achtergrond had. Voor de statistische beoordeling werd extern deskundigheid ingehuurd. Een begin van polderen en gewoon beginnen. Nu, zo’n 20 jaar later, heeft Gelre geen eigen (erkende) medisch ethische toetsingscommissie (METC) zoals vereist in de wet. De regels in onderzoeksland zijn aangescherpt en verbeterd. Er vindt lokaal toetsing plaats waarbij de uitvoerbaarheid leidend is. De wetenschappelijke beoordeling heeft elders plaatsgevonden. Er wordt terecht meer gevraagd van de lokale onderzoeker. Niet WMO plichtig onderzoek wordt nog getoetst, onderzoek dat vaak lokaal zijn initiatief heeft en uitmondt in een publicatie.

Ik draag mijn functie over aan Margit Wouters, en hoop dat zij met even veel plezier deze taak uitoefent als dat ik dat heb gedaan. Hans Hase, ambtelijk secretaris Lokale Toetsingscommissie

Voor de toekomst zie ik de rol van wetenschap toenemen, de inbedding van STZ lijkt daar voor gemaakt. Ook andere beroepsgroepen dan medisch specialisten, traditiegetrouw de wetenschappers in ziekenhuizen, binnen Gelre zullen, naar ik hoop, meer en meer onderzoek gaan doen. Ik denk dan aan verpleegkundigen en fysiotherapeuten. Maar ook aan onderzoek naar de echte tevredenheid van onze patiënten die we als cliënt willen verwelkomen. Afscheid van wetenschap? Nee. Wetenschap zal altijd een prikkel zijn om mensen te stimuleren op zoek te gaan naar verandering, liefst verbetering. Gewoon nieuwsgierig blijven, vragen blijven stellen. Hoe zit het, waarom is dat zo?

13


Villa “De Bouwkamp”, een unieke manier van verzorgd wonen In het natuurrijke Warnsveld ligt het indrukwekkende landhuis Villa “De Bouwkamp”, waar eigenaar Alfred Zwolle met zijn team al ruim 20 jaar vol passie ouderen verzorgt. Alfred Zwolle streeft ernaar om de levensstijl en zelfstandigheid van de cliënt zoveel mogelijk te behouden. “Het is voor ons belangrijk dat de cliënt zoveel mogelijk zelf de regie voert. Wij kunnen natuurlijk niet zijn oorspronkelijke thuis vervangen, maar wel de warmte en geborgenheid van een thuis geven”. De villa omvat zeven appartementen waar de bewoners in alle rust en veiligheid kunnen leven. De sfeer in de villa is warm en huiselijk. “Onze gediplomeerde medewerkers zijn, naast hun vakbekwaamheid, met name verkozen om hun motivatie. Medewerkers die dit vak niet alleen met hun hoofd, maar ook met hun hart uitoefenen. Zodat de cliënt zich hier écht thuis kan voelen.”De zorg die de villa aanbiedt is individueel afgestemd.

Het kleinschalige karakter van Villa “De Bouwkamp” biedt de medewerkers de mogelijkheid tot een persoonlijke benadering van de cliënt. “Iemand die bijvoorbeeld graag in de tuin meehelpt, laten we lekker zijn gang gaan. Natuurlijk hebben wij regels, maar het moet niet ten koste gaan van de cliënt. We proberen zoveel mogelijk te stimuleren om zelfstandig te blijven en tegelijkertijd bieden wij de zorg die hij nodig heeft.” Op de vraag welk gevoel de bewoners hebben bij Villa “De Bouwkamp” reageren ze steevast met: ‘We voelen ons thuis hier’. “Het mooiste compliment dat ze ons kunnen geven!”, aldus Alfred

Villa “De Bouwkamp” is uitstekend geschikt voor ouderen die moeite hebben om de regie over hun dagelijkse leven te handhaven. De kleinschaligheid van de villa geeft kans om zo veel mogelijk de levensstijl en zelfstandigheid te behouden,

door middel van een goede woonomgeving, dienstverlening en kwaliteitszorg. Dit alles in een ongedwongen en huiselijke sfeer, waarbij privacy, geborgenheid en kleinschaligheid de kernwoorden zijn.

Boslaan 14 | 7231 DH | Warnsveld | tel: 0575-521267 | 06 83609063 | info@villadebouwkamp.nl | www.villadebouwkamp.nl


Abstracts

Lower muscle mass is associated with major postoperative complications after colorectal cancer surgery in older adults Voordrager E.R.J. Bruns, arts-onderzoeker afdeling chirurgie

Mede-auteurs • C.C. Margadant, Master thesis • A.F. van Raamt, radioloog • H.J. van der Zaag, arts-epidemioloog • E.S. van der Zaag, chirurg (colorectale chirurgie) • B.C. van Munster, geriater • D.A.M. Sloothaak, arts-assistent chirurgie • C.J. Buskens, chirurg (colorectale chirurgie)

Background Older patients have a substantial higher risk of postoperative complications after surgery for colorectal cancer than younger patients. Facing the increasing number of older patients with colorectal cancer, it is of utmost importance to identify patients at higher risk of postoperative complications for the prevention of postoperative complications. Methods Patients in whom preoperatively a CT-scan of the abdomen had been performed and those who were 70 years and older were included. The Hounsfield Unit Average Calculation was used for measuring and calculating muscle mass from preoperative CT-scans. Major postoperative complications within 30 days after surgery were identified from medical files and categorised according to the Clavien-Dindo classification, defined as complications requiring surgical or radiological interventions, ICU admission or death. Risk factors for major postoperative complications were identified by multivariable logistic regression analyses.

Results A total of 373 patients with a median age of 78 years (range 70-100 years) were included. After adjustment for ASA classification and gender it appeared that muscle mass as a continuous variable was related to major postoperative complications (OR=1.07 (95% C.I.1.0-1.1), p=0.01). Conclusion The results of this study support the hypothesis that there is an association between lower muscle mass and major postoperative complications in older patients who received colorectal cancer surgery. The lower mass could reflect underlying sarcopenia or frailty. The study sheds light on potential options for preoperative improvement: it will be interesting to see if improvement of muscle mass by preoperative rehabilitation reduces postoperative complications.

15


Abstracts

Preoperatieve training bij ouderen voorafgaand aan colorectale chirugie: een systematisce literatuurstudie Voordrager E.R.J. Bruns, arts-onderzoeker afdeling chirurgie

Mede-auteurs • B.A. van Munster, geriater-internist Gelre/UMCG • E.S. van der Zaag, chirurg • P van Duijvendijk, chirurg • C.J. Buskens, chirurg AMC • W.A. Bemelman, chirurg AMC

Achtergrond Preoperatieve training wordt gezien als een mogelijke strategie om de resultaten van de operatie te verbeteren. Verminderde spierkracht en slechte fysieke conditie, vaak voorkomend bij ouderen, zijn immers risicofactoren voor het ontwikkelen van postoperatieve complicaties. 85% van de patiënten gediagnosticeerd met colorectaal carcinoom is ouder dan zestig en dit aantal is groeiende. Chirurgie is vooralsnog het belangrijkste onderdeel in de behandeling. Deze literatuurstudie evalueerde systematisch de bestaande bewijslast ten aanzien van de effecten van preoperatieve training bij ouderen die colorectale chirurgie ondergaan. Methode Alle studies die het effect van preoperatieve training bij ouderen (>60 jaar) die colorectale chirurgie zouden ondergaan, werden systematisch verzameld vanuit PubMed, EMBASE, CINAHL en Cochrane. Patiënteigenschappen, type van de interventie en uitkomstmaten werden vastgelegd. Het risico op bias en de heterogeniteit werden tevens beoordeeld.

16 wetenschap@gelre | 11 • 2015

Resultaten In totaal werden er vijf studies (353 patiënten) geïncludeerd. De studies waren klein (mediaan = 77 patiënten) en van gemiddelde methodologische kwaliteit. De therapietrouwheid varieerde van 16-97%. Geen van de studies toonde een significante reductie van het aantal postoperatieve complicaties noch verblijfsduur in het ziekenhuis aan. Vier studies toonden fysieke verbetering (loopafstand, longcapaciteit) in de trainingsgroep. Als gevolg van klinische heterogeniteit was een meta-analyse niet mogelijk. Conclusie Preoperatieve training is een mogelijke strategie om de preoperatieve conditie te verbeteren. De kwaliteit en het aantal studies ten aanzien van ouderen en colorectale chirurgie is matig en gering, in tegenstelling tot de maatschappelijke relevantie. De selectie van een gerichte patiëntengroep en het vaststellen van gestandaardiseerde uitkomstmaten zijn cruciaal voor het bereiken van een implementeerbaar resultaat.


Abstracts

Physiotherapy for Dizziness is Often Unnecessary

Voordrager R.B. van Leeuwen, neuroloog

Mede-auteurs • H.J. van der Zaag, arts-epidemioloog

Background Patients with dizziness often present with concurrent neck complaints. Although there is no evidence that physiotherapy treatment of the neck reduces the dizziness, many patients have been treated by physiotherapists before they visit our tertiary dizziness centre. Aim of the Study: 1. how often do dizziness and neck complaints co-occur? and 2. how many patients have been treated by a physiotherapist for their neck complaints with a view to reduce the dizziness complaints? Methods In a prospective observational study the following data were collected: age, gender, neck complaints, and whether or not the dizziness had been treated by physiotherapy.

Results From 455 non-consecutive patients with dizziness 192 (42%) patients had concurrent neck complaints in addition to the dizziness. Within this group 87 (45%) had been treated with physiotherapy to reduce the dizziness. In 81 patients (94%) who had been treated by physiotherapy, the doctors of the dizziness centre discovered a cause of the dizziness that could be treated medically. Conclusion Neck complaints and dizziness often coincide. Treatment of the neck complaints by physiotherapy is frequently used. However, the causes of the dizziness are often vestibular (non-cervical) for which medical treatment is available.

17


Abstracts

Casuistische mededeling: Intoxicatie met groene knolamaniet (Amanita phalloides) Voordrager J.J.W. Ros, ziekenhuisapotheker

Mede-auteurs • G. Semplonius, internist • H.N. Mulder-Spijkerboer, RIVM • H.J.M. van Kan, ziekenhuisapotheker

Achtergrond In de herfstperiode presenteren zich meerdere patiënten op de Spoedeisende Hulp met een intoxicatie na het eten van paddenstoelen. Deze casus beschrijft een ernstig beloop van een intoxicatie. Beschrijving casus Een 55-jarige dame meldde zich in de middag op de Spoedeisende Hulp. Ze had de vorige avond een wilde paddenstoel gegeten. Ze was in de nacht begonnen met frequent te braken en ontwikkelde aanhoudende waterdunne diarree. Met veel moeite kon worden vastgesteld dat de groene knolamaniet was genuttigd. Deze soort geeft aanvankelijk hevige gastro-intestinale klachten, daarna kunnen de waarden van aminotransferasen sterk stijgen. Als geen behandeling wordt ingezet ontstaat klinisch manifeste levertoxiciteit. Deze patiënte ontwikkelde sterk verhoogde ASAT- (maximaal 5039 IU/L) en ALATwaarden (maximaal 8987 IU/L).

18 wetenschap@gelre | 11 • 2015

Behandeling Om leverfalen te voorkómen is het middel silibinine ingezet. De toepassing van dit middel is wetenschappelijke maar beperkt onderbouwd en de beschikbaarheid ervan is in Nederland beperkt. Silibinine is bij deze patiënte ingezet op dag 2 gedurende 4 dagen. Herstel van de leverfunctie trad in op dag 3 van de behandeling. Uiteindelijk werd de patiënt op dag 9 in goede conditie ontslagen. Tien dagen na ontslag bleek de leverfunctie nagenoeg weer genormaliseerd te zijn. Conclusie Bij intoxicatie met paddenstoelen is snelle vaststelling van de identiteit van groot belang voor adequate behandeling. Dit vraagt om gedegen kennis bij patiënt en arts. Silibinine kan bij een intoxicatie met de groene knolamaniet leverfalen voorkómen, maar is wetenschappelijk beperkt onderbouwd. Het vrij plukken van paddenstoelen is niet zonder gevaar. Hiervoor moet gewaarschuwd worden. Deze casus is een voorbeeld van wat er mis kan gaan.


Abstracts

The Paper Grip Test in current physical examination of the feet in diabetic patients Voordrager R. Mahieu en M. Coenen, onderzoekers

Mede-auteurs • T. van Bemmel, internist • H.J. van der Zaag, arts-epidemioloog • W.J. Theuvenet, plastisch, reconstructief en hand-chirurg

Background Present-day screening of the diabetic foot involves the Semmes Weinstein Monofilament Test for testing loss of sensibility, while testing for intrinsic muscle weakness is not implied in current physical examination of the feet. Just as with the early detection of sensibility loss, the early detection of intrinsic muscle weakness might have important implications for the prevention of both ulceration and deformity. Purpose The purpose of this study is to relate the Paper Grip Test to the Semmes Weinstein Monofilament Test in diabetic patients. The primary goal of this study is to investigate the prevalence of intrinsic muscle weakness of the hallux in relation to normal sensibility as measured with the Semmes Weinstein Monofilament Test 5.07/10-g.

Methods A cross-sectional study design was applied. In a period of three months a total of 266 diabetics met the inclusion criteria and were examined for both intrinsic muscle weakness of the hallux and sensibility of the feet’s sole. Results The results did not only show that 24% of patients with a normal sensibility had an impaired intrinsic muscle function, but also showed that impaired muscle function is significantly more often present in patients with type 2 DM, corrected for duration of DM and gender (p=0.003). Conclusion The PGT could be a valuable addition to the current physical examination of the feet in diabetics. Early stage screening by means of the PGT for intrinsic muscle weakness could prevent ulceration and amputation of the feet in diabetics.

19


Abstracts

Hip resurfacing implant orientation analysis: a comparison of a computer added design (CAD) technique and computed tomography (CT) Voordrager S.G.M. Weenders, department of orthopaedics

Mede-auteurs • R.J.L.L. van de Kimmenade, department of orthopaedics • J.W.C. Gratama, department of radiology • H.J. van der Zaag-Loonen, department of epidemiology • P.H.J. Bullens, department of orthopaedics • Drs. E. Breemans, orthopedic surgeon Orthopedium Delft

Background Accurate acetabular component orientation in hip resurfacing is mandatory. The aim of this study is to analyze if interpretation of pelvic radiographs with computer added design (CAD) software is comparable to computed tomography (CT) in measurement of acetabular anteversion and inclination of a Birmingham Hip Resurfacing (BHR) hip. Methods A consecutive series of 49 patients (50 hips) who underwent hip resurfacing arthroplasty between 2005 and 2007 with the BHR system were retrospectively included. The surgical procedure was performed by one orthopaedic surgeon in the beginning of his learning curve. CAD software was used to measure acetabular component orientation on an anteroposterior pelvic radiograph. These measurements were compared with CT measurements. We calculated the correlation

20 wetenschap@gelre | 11 • 2015

between the CAD software and CT analysis. The degree of under- or overestimation was determined and a Bland-Altman plot was created to visualize the agreement between CAD software and CT results. Results We analyzed fifty BHR hips with mean inclination of 54.6° and 55.6°, and mean 16 anteversion of 24.8° and 13.3° measured by CT and CAD respectively. Pearson’s correlation coefficient for inclination was 0.69 (p < 0.001) and for anteversion 0.81 (p < 0.001). CAD showed a mean underestimated anteversion of 11.6° (p < 0.001). There was no significant under- or overestimation of inclination with CAD analysis compared to CT measurements. Conclusion The CAD software is useful to assess acetabular inclination in hip resurfacing, but underestimates anteversion.


Abstracts

Analysis of high staff radiation dose during X-ray guided pain therapy

Voordrager W. A. Mahn, Medical Physics Trainee

Mede-auteurs â&#x20AC;˘ A.A. Becht, Medical Physics Expert â&#x20AC;˘ Drs. E.J. Buijs, Anaesthesiologist Pain Management â&#x20AC;˘ Drs. J.G.F. Scholten, Anaesthesiologist Pain Management

Background Patients with chronic pain can be treated with minimal invasive X-ray guided procedures in which medication is administered or neuro ablative techniques are used. During these procedures the staff and the comforters can incur a significant radiation dose due to scattered radiation which is originated from the patient. The incurred dose (Hp(10)) is routinely measured with a thermoluminescence dosimeter (TLD). Since January 2013 relative high dose readings have been found with the pain therapy team. The root cause of these high dose readings cannot be determined with the TLDs since they only show the monthly accumulated dose. In contrast to interventional radiology and cardiology there is little literature about radiation dose in pain therapy. Methods The objective is to find the root cause of the high radiation dose. The relative high dose can be caused by performing many procedures, procedures with a high dose or procedures not performed according the guidelines concerning radiation hygiene. During a three months period over 400 procedures were analysed by measuring the radiation dose per procedure of seven pain specialists using a digital dosimeter (Thermoscientific EPD-G). Furthermore the exposure time per procedure and DAP values have been measured. These radiation doses have been processed, analyzed and compared to known literature studies and to three mirror hospitals in

the Netherlands. Also QA and phantom dose measurements were performed to rule out any abnormalities in the used X-ray C-arm modality. Results The annual dose of pain specialists in the mirror hospitals is four times lower varying from 2 to 4 mSv/y versus 7 to 16 mSv/y. In the team itself a difference of a factor 5 between the lowest and highest individual dose has been found for the lumbar selective nerve root blocks. Lumbar facet joint denervation procedures have the highest radiation dose, compared to ten most executed procedures, although it is not the procedure with the longest exposure time. No abnormalities in the used X-ray C-arm modality have been found. Conclusion To reduce the annual radiation dose of the team additional lead shielding and training can be introduced. Furthermore visits to the mirror hospitals are planned to compare procedures and radiation hygiene precautions. The individual team members with a higher dose can be trained by direct colleagues with a lower dose. Certain procedures have a significantly higher dose than other procedures even though the exposure time is shorter. A recommendation is to divide these procedures evenly over the team members if possible. Furthermore this study can be used to set-up a local baseline for a diagnostic reference level in X-ray guided pain therapy.

21


Abstracts

Impact of respiratory motion and acquisition settings on SPECT liver dosimetry Voordrager W.A. Mahn, Klinisch fysicus in opleiding Medische Technologie

Mede-auteurs • R. Wientjes, klinisch fysicus MTKF UMCU • A.A. Becht, klinisch fysicus Medische Technologie • H.W.A.M. de Jong, klinisch fysicus Nucleaire Geneeskunde UMCU

Background In liver radio embolization quantitative SPECT images of Tc99m-MAA are used to predict the dose on the healthy liver tissue, tumours and the lungs. We studied the influence of respiratory motion artefacts on dosimetry outcome as well as different collimators and acquisition times using a digital phantom. This could indicate which acquisition improvements could substantially advance liver dosimetry.

Using Monte Carlo based reconstruction (OSEM (5x8), matrix 128x128x128, pixel size 0.468cm), that included all physics, quantitative SPECT images were obtained. Tumour, healthy liver and lung doses were calculated using pre-defined ROIs and cumulative dose volume histograms and compared to results from a reference ideal SPECT image (no motion, noise-free, collimator with exceptionally high resolution) to yield under or overestimations.

Methods The digital 4DXCAT anthropomorphic phantom with and without respiratory motion was used to simulate non-gated Tc99m-MAA SPECT studies. A total of 150MBq of Tc99m-MAA was administered to the tumours, liver and lungs with activity concentration ratios 100:10:1 respectively. Tumours were represented by five spheres with diameters of 40, 32, 24, 16 and 8mm. An abdominal respiration cycle of five seconds with a maximum diaphragm displacement of 3cm and a maximum thorax AP expansion of 1.2cm was used to simulate respiratory motion. SPECT projection data was simulated using 3D Monte Carlo simulations (Utrecht Monte Carlo System, UMCS) including the collimator-detector-response, 10 orders of scatter and attenuation. The projections (acquisition time per position 30, 20, 15, 10s, 120 positions, matrix 128x128, pixel size 0.468cm) were simulated for three different parallel-hole collimators (high resolution, high sensitivity and ultra-high resolution (Siemens Symbia SPECT/CT)).

Results When no respiratory motion was present in the phantom maximum underestimation of 5% (ultra-high resolution) up to 10% (high sensitivity) of dose was found for large tumours while liver and lung dose were not different. With respiratory motion, the underestimation in large tumours found was up to 55%. For smaller tumours larger underestimations were found. Acquisition time had only a small influence on dose estimation. Dose distributions revealed respiratory motion has little effect on healthy liver and lung dose.

22 wetenschap@gelre | 11 • 2015

Conclusion Respiratory motion has the most deteriorating effect on liver-tumour dosimetry in comparison to image resolution and noise. When the sole purpose of the SPECT acquisition is dosimetry, high resolution is more important than high sensitivity. Acquisition improvements in liver-tumour dosimetry should focus on motion correction and collimator resolution enhancements.


Abstracts

The effects of structural Crew Resource Management (CRM)/ Medical Team work (MTW) training in the ICU, the MTW impact and evaluation study Voordrager P.A. Katinakis, internist-intensivist, MTW trainer

Mede-auteurs • M. Stijf, verpleegkundige IC • M. ten Kleij, verpleegkundige IC • M. Jansen-Frederiks, reanimatiecoördinator • R. Broek, verpleegkundige IC • P.E. Spronk, intensivist

Introduction The most common sources of clinical errors are not from failure of clinical knowledge or skill, but rather failure of team performance with deficiencies in communication, coordination and teamwork. Growing evidence suggests that CRM/MTW training may improve teamwork, patient safety, and optimization of patient care. We evaluated the impact of CRM/MTW during acute ICU admissions and determined whether implementation of CRM improved the confidence of the ICU staff and the quality of teamwork. Methods The project comprised 2 parts. In the first part, all participants received a 2-hour theoretical video training covering the basics of CRM prior the beginning of the study. Subsequently, during a period of 3 months, the admitting physician and coordinating nurse were asked to fill in a survey covering the 4 domains of CRM/MTW (Leadership, communication, stress and situational awareness) on all acute admissions in the ICU. Items were scored on a scale of 0 (not important or worst level) to 10 (very important or highest level). The second part of the study consisted of structural trainings of all physician- and nursing staff in the ICU

divided in groups of 3 nurses and 1 physician, using high fidelity CRM/MTW based simulation with a prefixed scenario. The groups had each to fill in surveys before and after training, and were debriefed by an experienced instructor using video analysis. Scenario trainings were scheduled to be repeated after 6 months. Results During 133 acute ICU admissions physicians and nurses agreed that handing over information and communication is above average, however summaries were used poorly (median scores 4 and 6 for physicians and nurses). After 2 structural trainings, physician and nurses felt they were more competent leaders (P=0.001). Especially nurses became more confident in a leadership role (P=0.001). Feedback loops, briefings and summaries were used systematically (p=<0.001) and everyone was accustomed to standard terminology. Furthermore, nurses dared to speak up more (P<0.001) and the situation awareness was markedly improved. Overall, stress levels reduced (P=0.015). Conclusion Training in CRM improves confidence and performance of the entire team in the ICU.

23


Abstracts

Sleep disturbances, sedation practices, and related responsibilities in the intensive care unit: an international comparative study Voordrager J.G.M. Hofhuis, Intensive Care

Mede-auteurs • Eva Akerman12 • Bronagh Blackwood4 • Jennifer McCaughey4 • Ingrid Egerod5 • Mariann Fossum6, Helene Foss6 • Evanthia Georgiou13 • Heidi Jeannet Graff 5 • Maria Kalafati10 • Louise Rose 7 • Riccardo Sperlinga8 • Andreas Schäfer9 • Aleksandra Gutysz Wojnicka12 • Peter E Spronk1 1

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

The Netherlands, United Kingdom, Denmark, Norway, Canada, Italy, Germany, Greece, Poland, Sweden, Cyprus

Background Sleep disturbances are common in critically ill patients treated in the intensive care unit (ICU) with the potential for serious consequences and long term effects on health outcomes and patient’s morbidity. The aim of this study was to describe the international organization of sedation and sleeping practices in adult ICUs in ten countries and evaluate roles and responsibilities of the ICU staff in relation to key sleep and sedation decisions. Method We conducted a multicenter, self administered survey sent to nurse managers of all adult ICUs across 10 countries. The questionnaire comprised four domains i.e. 1. characteristics of sleep, 2. sleep and sedation practices, 3. non-pharmacological and pharmacological interventions to improve sleep, and 4. autonomy and influence of nurses on sleeping practices in the ICU. Results Response rates ranged from 34% (Germany) to 100% (Cyprus), providing surveys from 520 ICUs reflecting in total 24.954 ICU nurses. Overall, the choice of sleep medication was made by physicians and nurses together (50.8%) or made by physicians alone (30.8%). Similarly, the effects of the sleep medication were mostly assessed by physicians and nurses together (50.8%), or physicians alone (30.8 %) (p < 0.001). The most commonly used non-pharmacological interventions to improve the sleep

24 wetenschap@gelre | 11 • 2015

quality were: a. room lights off, median (IQR) overall score was 3.44 (2.0-5.2) ranging from 4.41 (2.0-6.7; Canada) to 2.17 (1.1-4.0; Germany), b. reducing ICU staff noise: 3.15 (2.0-4.9) ranging from 3.81 (2.5-4.7; Sweden) to 2.15; (1.3-3.3; Netherlands). Sedatives or sleep medication were frequently used and comprised mostly: a. Propofol, median (IQR) score 2.51 (1.2-4.1) ranging from 4.24 (2.7-5.6 Sweden); to 1.04 (0.0-2.8; Canada), b. Midazolam, 2.35 (1.1-3.8) ranging from 3.77 (2.5-4.7, Poland) to 1.12 (0.72-2.1, UK). Participants perceived nursing autonomy regarding sleep and sedation practices as poor, i.e. median (IQR) overall score 4.05 (2.2-6.6) ranging from 5.38 (1.6-9.7, Canada), to 2.52 (1.8-5.5, Poland). How often nursing observations influence the decisions related to sleeping practices in the ICU was perceived as moderate 5.52 (3.6-9.1) ranging from 7.11 (4.5-10.3, Italy) to 3.99 (2.5-5.0, Poland). The differences across countries were all significant (p<0.001). Conclusion The choice of sleep medication and the assessment of the effects of sleep medication were in most countries performed by nurses and physicians in collaboration. Participants perceived nursing autonomy regarding sleep and sedation practices as poor and, how often nursing observations influence the decisions related to sleeping practices in the ICU as moderate. Differences across countries were statistically significant.


Abstracts

Measuring adaptive coping of hospitalized patients with a severe medical condition: The Sickness Insight in Coping Questionnaire (SICQ) Voordrager J.G.M. Hofhuis, Intensive Care

Mede-auteurs • E. Boezeman, Clinical Psychologist, Department of Social and Organizational Psychology, Leiden University • A. Hovingh, Intensive Care Nurse • R.E de Vries, Clinical Psychologist, Department of Social and Organizational Psychology, VU University Amsterdam • P.E. Spronk, intensivist

Background The literature lacks a brief, specific, and validated instrument for measuring and monitoring adaptive coping of hospitalized patients with a severEe medical condition. Hence, we introduce the Sickness Insight in Coping Questionnaire (SICQ) and examined its validity and patient-proxy agreement. Methods Study 1 (n = 103 hospitalized patients) addressed the internal consistency, initial factor structure, and construct validity, of the SICQ. Coping subscales of the BRIEF COPE, Illness Cognition Questionnaire, and Utrecht Coping List, were used as comparator measures in testing the construct validity of the SICQ-subscales (fighting spirit, toughness, redefinition, positivism, non-acceptance). Study 2 (n = 100 ICU-patients and close family members of ICU-patients as proxies) addressed the structural validity of the SICQ with

confirmatory factor analyses, and examined patientclose proxy agreement with correlation and BlandAltman Plot analyses Results Study 1 showed that the SICQ has adequate internal consistency (0.64 ≤ α ≤ 0.79), a clear initial factor structure, and adequate convergent (0.24 ≤ r ≤ 0.50) and divergent (r ≤ 0.12) construct validity. Study 2 showed that the SICQ has good structural validity, and moderate (r = 0.37; non-acceptance) to strong (r > 0.50; fighting spirit, toughness, redefinition, and positivism) patient-close proxy agreement. Conclusion Overall, the SICQ has good psychometric properties. ICUs can use the SICQ to gain insight in adaptive coping style of patients through ratings of close family members.

25


Abstracts

De diagnostische waarde van de video-head impluse test in vergelijking met calorisatie bij patiënten met duizeligheid Voordrager B.F. van Esch, arts-onderzoeker Apeldoorns Duizeligheidcentrum

Mede-auteurs • G.E.A.J. Hoff-Nobel, arts-assistent KNO-heelkunde, Universitair Medisch Centrum Maastricht • P.P.G. van Benthem, KNO-arts • H.J. van der Zaag, arts-epidemioloog • Tj. D. Bruintjes, KNO-arts

Achtergrond Uitval van het evenwichtsorgaan wordt traditioneel vastgesteld middels calorisatie. Bij calorisatie wordt de vestibulaire functie getest met een onaangename, niet-fysiologische stimulus (warm & koud water) in de gehoorgang. De test is bovendien tijdrovend. Recentelijk is de video-head impulse test (vHIT) ontwikkeld die de vestibulaire functie snel test met een fysiologische stimulus die de patiënt veel minder belast. Het is nog onduidelijk hoe de vHIT zich diagnostisch verhoudt tot de calorisatie. Wij onderzochten de diagnostische waarde van de vHIT in vergelijking met de calorisatie. Methode Cross-sectionele evaluatie van patiënten die het Apeldoorns Duizeligheidscentrum bezochten tussen mei 2012 en mei 2013 waarbij de vHIT en de calorisatie was uitgevoerd. Een vHIT uitslag (gain) <0.8 met correctiesaccaden werd als abnormaal

beschouwd. De sensitiviteit, specificiteit, positief voorspellende waarde (PVW) en negatief voorspellende waarde (NVP) met corresponderende 95% betrouwbaarheidsintervallen werden uitgerekend voor de vHIT. Resultaten Onder 325 patiënten (195 vrouwen (60%); leeftijd 53±17 jaar), hadden 113 (35%) patiënten uitval van het evenwichtsorgaan op basis van de calorisatie. De vHIT was abnormaal in 40 (12%) patiënten. De sensitiviteit was 31% (23%-40%),de specificiteit 98% (95%-99%), de PVW 88% (74%-95%) en de NVW 73% (67%-77%). Conclusie De vHIT heeft t.o.v. de calorisatie een matige sensitiviteit, maar hoge specificiteit. Ons inziens ligt het voor de hand om bij verdenking op vestibulaire uitval eerst de vHIT uit te voeren. Is deze afwijkend, dan is calorisatie niet meer nodig. Is deze normaal, dan dient alsnog calorisatie te volgen.


Abstracts

2D-Ultrasound-guided versus landmark-based approach for internal jugular vein cannulation Voordrager W.J. Mulder, chef de Clinique anesthesiologie

Mede-auteurs â&#x20AC;˘ J. Scholten, anesthesioloog

Background In daily anesthetic practice central venous catheters (CVC) are regularly placed in the internal jugular vein (IJV) for hemodynamic monitoring, administration of vasoactive agents or total parenteral nutrition. Traditionally a landmark-based (LB) technique is used to gain access to the vein. The introduction of the 2Dultrasound provides a way to visualize the IJV, resulting in an ultrasound-guided (USG) technique for CVC placement. Our aim is to compare the 2D-ultrasound guided technique with the landmark-based technique for cannulation of the internal jugular vein. Methods PubMed, Embase and the Cochrane Library were searched for studies published from August 2006 till August 2015 using a search strategy derived from the PICO formulation (adult patients requiring CVCplacement in the IJV). Studies were eligible if they reported overall successful placement, number of attempts, successful first attempt, IJV access time, accidental arterial puncture, other complications or total complication rate.

26 wetenschap@gelre | 11 â&#x20AC;˘ 2015

Results We identified 5 studies (3 prospective studies, 1 retrospective study, 1 Cochrane review; in total 6289 patients) reporting on the two different techniques for cannulation of the IJV (Table 1). The USG approach showed statistically significant shorter access times, lower numbers of attempts and greater first attempt success rates. Significantly less accidental arterial punctures were found using the USG technique. Complications like hematoma formation were also less likely to appear. All studies reported an overall lower complication rates and higher success rates in favor of the USG technique (Table 2). Conclusions The 2D-ultrasound guided technique appears to be a superior approach for IJV cannulation when compared to the anatomical landmark technique. These results give the anesthesiologist insight in the optimal approach of cannulation of the internal jugular vein.


Abstracts

Behandeling van chyluslekkage na slokdarm- of maagresectie met aangepaste voeding Voordrager T. Havekes, diëtist, afdeling dietetiek

Mede-auteurs • P. van Duijvendijk, chirurg • E. Wassenaar, chirurg • E.S. der Zaag, chirurg

Achtergrond Chyluslekkage is een ernstige complicatie die kan optreden na onder andere een slokdarm- of maag resectie. Deze lekkage ontstaat door beschadiging van de ductus thoracicus. Transport van long chain triglyceriden (LCT) vindt plaats via de chylusvaten, terwijl medium chain triglyceriden (MCT) via het portale systeem worden getransporteerd. Door postoperatief LCT-arme sondevoeding te geven, wordt chylusproductie beperkt waardoor het lek in de ductus thoracicus de kans krijgt spontaan te sluiten. Methode Van 1 januari 2014 tot 20 augustus 2015 werden alle patiënten die een slokdarm- of maagresectie hadden ondergaan geïncludeerd. Patiënten die vanaf februari 2015 werden geopereerd kregen de eerste vijf dagen na de operatie LCT-arme sondevoeding (Peptisorb-groep); zij werden vergeleken met patiënten uit de eerste periode die eiwitrijke sondevoeding hadden gekregen (controlegroep).

Resultaten In totaal werden 57 patiënten geanalyseerd, waarvan 1 patiënt werd geëxcludeerd omdat preoperatief al een chyluslekkage zichtbaar was. Van de overige 56 patiënten zaten er 37 in de controlegroep en 19 in de Peptisorb-groep. In totaal was bij 6 patiënten sprake van een chyluslekkage (10.7% (4.7-21.8%)). Vijf van hen zaten in de controlegroep (13,5%, (5.4-28.5)); een zat in de Peptisorbgroep (5.3% (0-26)). Dit is een absolute risicoreductie van 8%. Het geven van eiwitrijke sondevoeding geeft een odds ratio van 2.8 (0.3-26.0) op het voorkomen van chyluslekkage. Conclusie Het aantal patiënten met een chyluslekkage na slokdarm- of maagresectie vermindert mogelijk als postoperatief LCT-arme sondevoeding wordt gegeven. Omdat de onderzoekspopulatie klein is, is het betrouwbaarheidsinterval nog groot en kunnen er nog geen harde conclusies getrokken worden.

27


Abstracts

Implementatie van de landelijke Nederlandse delier richtlijn

Voordrager Z.H.A. Kentin, Msc, specialist ouderengeneeskunde in opleiding, geriatrie

Mede-auteurs • D.M. Boelens, geriater • B.C. van Munster, geriater

Achtergrond Naar aanleiding van nieuwe inzichten is in 2014 een nieuwe landelijke richtlijn delier verschenen. Het doel van dit onderzoek is tweeledig: 1) Inzichtelijk maken in welke mate Nederlandse ziekenhuizen de nieuwe richtlijn gebruiken. 2) Een overzicht geven van de vertaling van de richtlijn naar de lokale delier protocollen. Methode Delier protocollen van alle Nederlandse algemene ziekenhuizen werden verzameld in de periode augustus tot december 2012 en in de periode april tot juni 2015. De protocollen werden vergeleken met de adviezen van de richtlijn en getoetst op de volgende punten: VMS screeningsvragen als risico screeningsinstrument, de DOSS als screening op aanwezigheid delier, de CAM of DSM criteria voor de diagnose delier en het medicamenteuze therapie beleid.

28 wetenschap@gelre | 11 • 2015

Resultaten In 2012 werden 35 protocollen en in 2015 werden 57 van de 80 ziekenhuizen protocollen verkregen. 26% van de geïncludeerde ziekenhuizen heeft het protocol aangepast aan de nieuwe richtlijn. In 51% bevatten de protocollen VMS screeningsvragen. De DOSS wordt in 91% protocollen als screeningsinstrument genoemd. De CAM of de DSMIVcriteria zijn in 74% van de protocollen beschreven. In 26% (13/50) van de protocollen wordt een terughoudend beleid met haloperidol als medicamenteuze behandeling geadviseerd. De dag dosering haldol loopt uiteen van 0,5mg tot meer dan 60mg. Conclusie Een jaar na verschijning zijn de adviezen van de richtlijn nog onvoldoende verwerkt in lokale protocollen. Om een verbetering te bereiken is meer aandacht in het landelijk richtlijnproces nodig voor de implementatie. Toekomstig onderzoek moet daarnaast uitwijzen wat de “werkelijke” implementatie van de richtlijn op de werkvloer is.


Abstracts

Behandeling van Stafylococcus aureus Bacteriemie moet beter!

Voordrager S. Selles, AIOS ziekenhuisfarmacie

Mede-auteurs • A.M. Stemerding, arts microbioloog • G.W.D. Landman, internist-infectioloog • H.J.M. van Kan, ziekenhuisapotheker-klinisch farmacoloog

Achtergrond Staphylococcus aureus bacteriëmie (SaB) is geassocieerd met een hoge mortaliteit, ernstige morbiditeit en frequent voorkomen van recidief infecties. Mogelijke oorzaken zijn onjuiste en/of vertraagd ingezette therapie en/of onvoldoende naleving van het behandelbeleid, zowel diagnostisch als antimicrobieel. Volgens het nationale SWAB beleid wordt SaB behandeld met flucloxacilline. De dosering, duur van de therapie en de noodzaak voor eventuele antimicrobiële combinatie therapie is afhankelijk van de oorzakelijke diagnose, complicaties en/of metastatische infecties. Ondanks dat het nationale antibiotica beleid een intermitterend doseerregime adviseert, geven steeds meer ziekenhuizen flucloxacilline als continue infusie conform de aanbeveling in de richtlijn Sepsis. Zodoende wordt het effect van flucloxacilline beter geborgd en wordt concentratie afhankelijke toxiciteit vermeden. Het meten van flucloxacilline concentraties om de behandeling te vervolgen wordt in Nederland nog niet standaard uitgevoerd. Methode Om de behandeling van SaB binnen Gelre ziekenhuizen te verbeteren, worden de volgende stappen gezet: • Een retrospectieve observationele studie naar de naleving van het huidige SaB antibiotica beleid gedurende de jaren 2013 en 2014.

• • •

In 2016 vindt implementatie van een lokaal SaB-protocol plaats, inclusief een strengere surveillance en meting van flucloxacilline plasmaconcentraties. Een prospectieve observationele studie naar de naleving van het lokale protocol. Een prospectieve observationele studie waarin wordt onderzocht of voldoende hoge flucloxacilline concentraties worden gehaald en bij welke (sub)groepen een relevant risico op over- of onderbehandeling bestaat.

Resultaten De retrospectieve studie naar de naleving van het huidige SaB antibiotica beleid is gestart. Uit de voorlopige resultaten blijkt dat de mortaliteit in 2013 binnen de SaB populatie circa 40% is en dat ongeveer 50% niet minimaal twee weken met intraveneuze antibiotica werd behandeld. Conclusie Betere behandeling van patiënten met SaB is nodig. Een combinatie van actieve surveillance (A-team) en wetenschappelijk onderzoek wordt ingezet om dit doel te bereiken.

29


Abstracts

Diagnostiek en behandeling van eosinofiele oesofagitis bij kinderen in Nederland van 2000 t/m 2013 Voordrager J.H. Oudshoorn, kinderarts MDL

Mede-auteurs • D.M. Hendriks, kinderarts-MDL, Juliana Kinderziekenhuis, Den Haag • A. van den Berg, kinderarts-MDL, Juliana Kinderziekenhuis, Den Haag

Achtergrond Eosinofiele oesofagitis (EoE) is een chronische, immuunen antigeengemedieerde aandoening van de oesofagus, welke klinisch gekenmerkt wordt door slokdarmdisfunctie en histologisch door inflammatie met grotendeels eosinofiele granulocyten (>15 eo’s per gezichtsveld, vergroting 400x). De laatste jaren wordt het ziektebeeld steeds meer herkend en neemt de prevalentie toe. Klachten variëren van frequent braken tot voedselweigering op jonge leeftijd tot therapieresistente gastro-oesofageale reflux tot voedselimpactie op tienerleeftijd. In 2007 zijn internationaal aanbevelingen gedaan t.a.v. diagnostiek en behandeling van EoE. Het doel van deze studie is het inventariseren van de diagnostiek en behandeling van EoE bij kinderen in Nederland. Methode Van de kinderen (0 - 18 jaar), die in 2000 t/m 2013 gediagnosticeerd zijn met EoE en hiervoor behandeld zijn door een kinderarts-MDL, zijn retrospectief de gegevens uit patiëntendossiers geanalyseerd met behulp van SPSS.

30 wetenschap@gelre | 11 • 2015

Resultaten Er konden 154 patiënten geïncludeerd worden; 69% waren jongens en de gemiddelde leeftijd bij diagnose was 9,3 jaar (range 3 mnd - 18 jr). De indicatie voor de eerste duodenoscopie was bij 67,5% het klachtenpatroon (zoals persisterende GE reflux- en slik/passageklachten) en bij 19% zelfs voedselimpactie. Bij 74% waren er macroscopische afwijkingen zichtbaar. De initiële behandeling voor EoE, al dan niet voorafgegaan of gelijktijdig met protonpompremmers, bestond uit lokale (42%) of systemische (6%) corticosteroïden, elementair of eliminatie dieet (31%), een combinatie van dieet en corticosteroïden (15%) en in 6% geen behandeling. Conclusie Eosinofiele oesofagitis bij kinderen komt in toenemende mate voor in Nederland. Een betere herkenning en meer uniformiteit t.a.v. diagnostiek en behandeling zijn noodzakelijk.


Abstracts

The predictive value of contrast reflux on mortality in patients with acute pulmonary embolism Voordrager W. Kroon, AIOS Radiologie

Mede-auteurs • P.E. Spronk, intensivist • J.W.C. Gratama, radioloog • F. van Raamt, radioloog • A. Braber, intensivist • H.J. van der Zaag, arts-epidemioloog

Bachground Pulmonary embolism is a major cause of death, morbidity and hospitalization. Individual clinical outcome of pulmonary embolism depends on several partially clarified risk factors. Reflux of contrast into the inferior vena cava might also be one of the signs indicating adverse patient outcome.

Results Patients with substantial reflux have substantial higher mortality rate in the first 30 days after diagnosis (3 vs 13.9% p = 0.02). This group of patients also had a substantial higher amount of thrombolysis, thrombosuction, invasive ventilation and ICU admission.

Methods Medical charts of 202 included patients were reviewed for age, sex, co morbidities, received therapy, ICU admission, resuscitation and the overall in-hospital, 30-day mortality. Contrast of reflux into the inferior vena cava was divided into substantial and nonsubstantial.

Conclusion The severity of contrast reflux indicates an adverse patient outcome, with a higher mortality rate, more thrombolysis and more ICU admissions, even despite more aggressive treatment.

31


Abstracts

Patients referred to Lyme Centre Apeldoorn between 2008 and 2014, preliminary data of the LCA-cohort Voordrager M. Zwerink, Lyme Centre Apeldoorn

Mede-auteurs • B. van Kooten, Lyme Centre Apeldoorn and Departments of Neurology • T. van Bemmel, Internal Medicine • G. Blaauw, Lyme Centre Apeldoorn and Departments of Medical Microbiology and Infection Prevention • G. Landman, Lyme Centre Apeldoorn and Departments of Internal Medicine • Y. Vermeeren, Lyme Centre Apeldoorn and Departments of Internal Medicine

Background The Lyme Centre Apeldoorn (LCA) was founded in 2007 and serves as a tertiary outpatient clinic in an endemic area. Several medical disciplines cooperate with the aim to provide an optimal diagnostic work-up and treatment for subjects suspected of Lyme disease. Besides improving care, a cohort study was started and data were collected from all patients who visited the LCA. Demographics, self-reported characteristics and serology of the included patients are presented in this abstract. Methods All patients completed a digital questionnaire on tick exposure and self-reported symptoms prior to their first visit to the LCA. The presence of B. burgdorferi sensu lato (s.l.) antibodies in serum was assessed with an Enzyme Immunoassay (EIA) and an immunoblot (Recomline blot). The tests and their cut-off values were based on the manufacturer’s definitions.

32 wetenschap@gelre | 11 • 2015

Results Between January 2008 and November 2014, 1577 patients who visited the LCA were included. The mean age was 48.8 (SD 16.6) years and 47.0% was male. There were 80 (5.1%) children included. Of all patients, 88.6% reported a tick bite. The most frequently reported symptoms were fatigue (74.4%), sleep difficulties (71.8%) and pain/ swelling of joints (65.7%). Serology was positive for IgM and IgG antibodies against B. burgdorferi s.l. in 235 (14.9%) and 517 (32.8%) patients, respectively. Conclusion Although almost 90% of the patients reported a tick bite, antibodies against B. burgdorferi were detected in a considerably smaller number of patients. Self-reported symptoms were mainly nonspecific for Lyme disease. Collection and analysis of additional clinical data is necessary to describe the LCA-cohort in more detail.


Abstracts

Accuracy of two Enzyme Immunoassays in detecting IgG antibodies against B. Burgdorferi sensu lato in patients referred to Lyme Centre Apeldoorn Voordrager M. Zwerink, Lyme Centre Apeldoorn

Mede-auteurs • Y. Vermeeren, Lyme Centre Apeldoorn and Departments of Internal Medicine • B. van Kooten, Lyme Centre Apeldoorn and Departments of Neurology • G. Blaauw, Lyme Centre Apeldoorn and Departments of Medical Microbiology and Infection Prevention • T. van Bemmel, Internal Medicine • G. Landman, Lyme Centre Apeldoorn and Departments of Internal Medicine

Background A two-step method is recommended to detect IgG antibodies against B. burgdorferi sensu lato (s.l.) in serum; i.e. an Enzyme ImmunoAssay (EIA) followed by confirmation of positive and equivocal results with an immunoblot. A wide range of EIAs are available and used in the Netherlands. We compared the accuracy of two EIA’s in detecting B. burgdorferi s.l. antibodies in serum of subjects referred to the tertiary Lyme Centre Apeldoorn (LCA). Methods Serum samples were taken from all consecutive adults referred to the LCA between January 2008 and May 2010. IgG antibodies against B. burgdorferi s.l. were assessed with the Enzygnost (DadeBehring) EIA and Virotech (Genzyme) EIA. The immunoblot Recomline Blot (Mikrogen) was used as the reference standard. The tests and their cut-off values were based on the manufacturer’s definitions. Positive and equivocal results were both regarded as positive.

Results Of the 446 consecutively included subjects, 45% were male, and the mean age was 51.3 (SD 13.9) years. A positive immunoblot was found in 214 (48%) patients. In this group, 51 patients had a negative Virotech EIA and 15 patients had a negative Enzygnost EIA. Of the 232 (52%) patients with a negative immunoblot, 17 patients had a positive Virotech EIA and 72 patients had a positive Enzygnost EIA. Measures of accuracy were presented in Table 1. Conclusion Assessment of the presence of B. burgdorferi IgG antibodies led to different outcomes depending on the used EIA. In usual care, the presence of IgG antibodies is assessed using a two-step method, therefore implementation of the Enzygnost was recommended since this EIA yielded the lowest number of falsenegative results.

Table 1:

Measures of accuracy of the Virotech and Enzygnost EIA with Mikrogen immunoblot as the reference standard

Virotech EIA

Positive predictive value 90.6% (85.4%-94.0%) Negative predictive value 80.8% (75.7%-85.1%) Sensitivity 76.2% (70.0%-81.4%) Specificity 92.7% (88.6%-95.4%)

Enzygnost EIA 73.4% (67.9%-78.3%) 91.4% (86.3%-94.7%) 93.0% (88.8%-95.7%) 69.0% (62.7%-74.6%)

Data are presented as: estimate (95% Confidence Interval) 33


Abstracts

Begeleiding van mantelzorgers door verpleegkundigen op de klinische afdeling B8 oncologie Voordrager Trudy Averesch-Jansen Eupe, Oncologieverpleegkundige, Klinische afdeling B8 (Interne Oncologie)

Achtergrond Uit het beroepsprofiel van HBO en MBO verpleegkundigen wordt duidelijk dat ondersteunen en doorverwijzen van mantelzorgers een taak is van de verpleegkundige. Ook wordt beschreven dat de verpleegkundige zich richt op het ondersteunen van het sociale netwerk van de patiënt en diens kwaliteit van leven behoudt en verbetert (Schuurmans e.a.,2012). Uit onderzoek blijkt dat mantelzorgers in eerdere fasen van het ziekteverloop voornamelijk één soort zorgtaak verlenen, namelijk huishoudelijke zorg (Penrod e.a, 1995; Duijnstee e.a 1994). Maar in de palliatieve fase verlenen mantelzorgers niet alleen veel huishoudelijke zorg, maar meerdere zorgtaken tegelijk: zowel huishoudelijke, persoonlijke als managementzorg (Timmermans 2003; Visser e.a. 2004; Emanuel & Emanuel 1998). Overbelaste mantelzorgers ervaren dat hun zelfstandigheid door de mantelzorg in de knel raakt, dat het verlenen van mantelzorg ten koste gaat van hun gezondheid en dat er conflicten ontstaan op het werk of thuis (De Boer, Oudijk, Timmerman & Pot, 2012).

34 wetenschap@gelre | 11 • 2015

Methode • Literatuurstudie (Evidence Based Practice) • Enquête onder 16 verpleegkundigen. • Interview 5 mantelzorgers. Resultaten Verpleegkundigen hebben behoefte aan meer kennis betreft de rollen die mantelzorgers kunnen vervullen in de palliatieve fase met chemobehandeling. Het lijkt een meerwaarde te hebben om als verpleegkundige gescheiden van de patiënt met de mantelzorger in gesprek te gaan. Er is veel behoefte aan kennis over doorverwijzen naar instanties voor mantelzorgondersteuning. Kennis, houding, vaardigen zijn onmisbare competenties in de mantelzorgondersteuning. Signaleren van knelpunten en bieden van ondersteuning zijn belangrijke elementen in de mantelzorgbegeleiding. Conclusie Middels deze studie hebben wij meer kennis en inzicht gekregen in de rollen die mantelzorgers kunnen vervullen.


Abstracts

Voorspellende waarde VMS risico screening voor een delirium bij heupfractuur Voordrager E.C.M. Ploeg-Schreur, verpleegkundig specialist intensieve zorg, klinische geriatrie

Mede-auteurs • B.C. van Munster, internist-ouderengeneeskunde en klinisch geriater • J.W.B. Peters, Program Director Master Advanced Nursing Practice Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

Achtergrond Delirium is een veelvoorkomende complicatie bij ouderen die worden opgenomen met een heupfractuur. Preventie zou de kans hierop kunnen verlagen. In Nederland wordt voor het bepalen van het risico op een delirium veelal het VMS (veiligheidsmanagementsysteem)-screeningsinstrument gebruikt. Onduidelijk is echter wat de voorspellende waarde van dit VMS-screeningsinstrument binnen deze patiëntenpopulatie is. Methode In deze prospectieve, observationele studie werden patiënten van ≥ 70 jaar geïncludeerd na opname vanwege een heupfractuur (periode 1 januari tot 15 april 2015) in Gelre ziekenhuizen. Exclusiecriteria waren onvoldoende beheersing Nederlandse taal en heropname recidief heupfractuur. Tijdens opname werden de aanwezigheid van delirium, predisponerende en precipiterende factoren gedocumenteerd. Afdelingsverpleegkundigen beoordeelden patiënten met behulp van de DeliriumObservatie-Screenings schaal (DOS). Delirium werd aan de hand van DSM IV criteria voor delirium gediagnosticeerd door een geriater. Multivariate

regressie analyse werd gebruikt om na te gaan welke VMS-screeningsvragen en predisponerende factoren een delirium voorspellen. Resultaten Honderd patiënten werden geïncludeerd (69% vrouw, gemiddelde leeftijd 84 jaar). Incidentie delirium was 35%. Sensitiviteit en specificiteit van het VMSscreeningsinstrument delirium waren 80% en 35%. Positief en negatief voorspellende waarde waren respectievelijk 40% en 77%. Een delirium in de voorgeschiedenis was een predisponerende factor voor het ontwikkelen van opnieuw een delirium en ≥ 1 postoperatieve complicatie was een precipiterende factor. Conclusie Het VMS-screeningsinstrument heeft een matig voorspelbare waarde voor het identificeren van een risico op delirium bij patiënten met een heupfractuur. Vervolgonderzoek is nodig en tot die tijd is het wenselijk om deze kwetsbare patiënten met een heupfractuur standaard preventieve maatregelen aan te bieden.

35


Abstracts

Proprioceptietraining bij functionele enkelinstabiliteit

Voordrager D. Berenschot, fysiotherapeut i.o., Hogeschool Thim van der Laan

Inleiding Per jaar krijgen ongeveer zeshonderdduizend Nederlanders een traumatisch letsel aan de enkel. De meest voorkomende complicatie na enkelverstuiking is functionele enkelinstabiliteit, deze aandoening wordt gekenmerkt door recidiverend zwikken. Waarschijnlijk is met name de combinatie van mechanische instabiliteit en verminderde neuromusculaire controle ten gevolge van tekortkomingen in de proprioceptie verantwoordelijk voor het tekortschieten van de dynamische stabiliteit. Binnen de fysiotherapeutische zorgverlening volgens de KNGF- richtlijn Enkelletsel wordt een keur aan verschillende interventies toegepast om het herstel van enkelletsel te bevorderen, waaronder proprioceptietraining. De KNGF-richtlijn Enkelletsel is echter verouderd en daarom is met deze literatuurstudie gekeken naar recentere ontwikkelingen op het gebied van proprioceptietraining en het effect hiervan op de incidentie van recidief enkelletsel. Vraagstelling Wat is het effect van proprioceptietraining op de incidentie van recidief enkelletsel bij sporters met functionele enkelinstabiliteit?

36 wetenschap@gelre | 11 • 2015

Methode Voor deze literatuurstudie is gezocht naar artikelen in de PubMed database. De zoektermen ankle instability, balance training en recurrences ankle sprain en bijbehorende synoniemen zijn hierbij gebruikt en met elkaar gecombineerd. Na het toepassen van in- en exclusiecriteria bleven vier bruikbare artikelen over. De methodologische kwaliteit hiervan is vastgesteld middels de PEDro score. Resultaten Van de vier artikelen hadden twee artikelen een goede PEDro score, één artikel scoorde redelijk en één artikel scoorde slecht. In drie studies is een significante afname van recidief enkelletsel gevonden bij de interventiegroepen ten opzichte van de controlegroepen (geen interventie). Conclusie De conclusie uit dit onderzoek is dat het aannemelijk is dat proprioceptietraining een gunstig effect heeft op de incidentie van recidief enkelletsel.


Abstracts

Vertrouwen, samenwerken en leren in een ziekenhuis Het effect van een leerinterventie om het gevoel van vertrouwen tijdens de samenwerking in een verpleegkundig team te vergroten. Voordrager J. Tolman - Jochems, Opleidingsadviseur, Leerhuis

Mede-auteurs • S. Werdmuller von Elgg - Hoebert, Onderwijskundige, Leerhuis

Om kwalitatief hoogwaardige patientenzorg te kunnen verlenen, is effectieve samenwerking in een team onmisbaar (Stock, Mahoney, & Carney, 2013). Vertrouwen en interactie (door communicatie) zijn de meest relevante factoren van effectieve samenwerking (Six, 2004). Vertrouwen binnen de samenwerking is ook de basis om van elkaar te kunnen leren in het dagelijkse werk (Torunn Bjørk, Tøien, & Lene Sørensen, 2013). Deze studie richt zich op de effectiviteit van een leerinterventie (complimenten geven) om het gevoel van vertrouwen binnen de samenwerking van een verpleegkundig team te verhogen. Hiervoor is inzicht nodig in de beleving van de teamleden met betrekking tot vertrouwen en interactie. Een quasi-experimenteel onderzoek met de Team Ontwikkeling Vragenlijst (Stock et al., 2013) en aanvullende open vragen is gebruikt als pre- en post test, waarbij T-testen en berekeningen van correlaties zijn uitgevoerd. De leerinterventie is vastgesteld met een relationele en systematische benadering (Kessels & Plomp, 1999).

Een open, respectvolle interactie met eerlijke feedback is de belangrijkste voorwaarde voor vertrouwen binnen de samenwerking. Hiervoor is een (goede) kwaliteit van de relatie tussen teamleden nodig. De mate waarin de teamleden gezamenlijk bijdragen aan het functioneren van het team hangt samen met deze open interactie. Feedback geven wordt moeilijk gevonden wanneer de boodschap negatief is of men een negatieve reactie van de feedbackontvanger verwacht. Na 10 weken werd in de experimentgroep significant vaker complimenten gegeven dan in de controlegroep. De tevredenheid over de interactie nam toe. Het gevoel van vertrouwen werd negatief beinvloed door andere factoren dan de leerinterventie. De resultaten tonen het belang van respect voor elkaar als uniek individu en benadrukken de relevantie van een open interactie om een effectieve samenwerking te bewerkstelligen. Daarnaast is aandacht voor geven en ontvangen van feedback onmisbaar.

Referenties • • • •

Kessels, J., & Plomp, T. (1999). A systematic and relational approach to obtaining curriculum consistency in corporate education. Journal of Curriculum Studies, 31(6), 679-709. Six, F.E. (2004). Trust and trouble. Building interpersonal trust within organizations. Dissertation Erasmus University, Rotterdam. Stock, R., Mahoney, E., & Carney, P. (2013). Measuring team development in clinical care settings. Fam Med, 45(10), 691-700. Torunn Bjørk, I., Tøien, M., & Lene Sørensen, A. (2013). Exploring informal learning among hospital nurses. Journal of Workplace Learning, 25(7), 426-440. 37


Abstracts

Klinisch redeneren met methode Proactive Nursing

Voordrager A. Juffer - Louissen, docent verpleegkunde

Mede-auteurs • S. Werdmüller von Elgg, onderwijskundige

Klinisch redeneren door verpleegkundigen, oftewel ‘het nadenken over je professioneel handelen in de praktijk’ (Bakker & Heycop ten Ham, 2010), komt de kwaliteit van zorg ten goede. Het klinisch redeneren is denken in oorzaak en gevolg met gebruikmaking van verpleegkundige en biomedische kennis. Doordat verpleegkundigen op deze manier snel verbanden kunnen leggen tussen aandoening en de toestand van de patiënt kan snel ingegrepen worden (Levett-Jones et al, 2010). Verpleegkundigen en verpleegkundig studenten van Gelre ziekenhuizen zijn echter vrijwel onbekend met de methodisch klinisch redeneren. Om die reden is besloten het klinisch redeneren in het ziekenhuis te verbeteren. Om dit doel te bereiken is een interventie ontwikkeld om de methode ‘Proactive Nursing’, een methode voor klinisch redeneren, te implementeren op alle afdelingen in het ziekenhuis. Dit is in 2014 gedaan middels een interventie bestaande uit drie aspecten, namelijk: scholing van verpleegkundig opleiders, redeneerhulpen en een ‘klinisch redeneer app’. De scholing van verpleegkundig opleiders is uitgevoerd volgens een zogenaamd ‘teach the teacher’ model waarbij eerst de verpleegkundig opleiders zijn geschoold in het toepassen en lesgeven in deze methode om vervolgens studenten en verpleegkundigen hierin vaardig te maken. Deze docentscholing is ontworpen met behulp van het 4C/IDmodel van Van Merrienboer (Coppoolse, Vroegindewij, 2010). De opbouw van de lessen zijn gebaseerd op het ARCS-model (Coppoolse, Vroegindewij, 2010) en opdrachtgestuurde didactiek (Coppoolse,

Vroegindewij, 2010). De begeleiding van deze lessen gebeurde aan de hand van de scaffold-methode van Van de Pol (2012). De app (Juffer, Paauwe 2015) en redeneerhulpen zijn ontwikkeld om het opleiden door de verpleegkundig docenten te ondersteunen. Nadat de verpleegkundig docenten geschoold waren is de methode ‘Proactive Nursing’ door hen ingezet tijdens de Verpleegkundig Ontwikkeldagen, zijn app en redeneerhulpen uitgelegd en in gebruik genomen. Patiëntbesprekingen met studenten en verpleegkundigen worden sindsdien veelal uitgevoerd volgens deze methode. Het effect van de interventie is gemeten met een vooronderzoek en nameting (Juffer, 2014). Beiden bestaan uit een vragenlijst voor de verpleegkundig docenten waarin gevraagd wordt naar kennis en vaardigheden met klinisch redeneren. De voormeting is afgenomen voor de teach-the-teacher scholing en uitleg van de instrumenten. De nameting heeft na de scholing plaatsgevonden. De uitkomsten van voor- en nameting zijn op item niveau met elkaar vergeleken met behulp van kwalitatieve analyse. Er werd tijdens de nameting hoger gescoord wat betekent dat de docenten zich vaardiger voelen in het gebruiken van de methode Proactive Nursing. Er kan geconcludeerd worden dat door de scholing en gebruik van de instrumenten de docenten beter in staat zijn om de methode toe te passen en in te zetten bij het opleiden van studenten en begeleiden van de werkbegeleiders hierin.

39


Gelre publicaties

Gelre publicaties 2 april 2015 tot en met 29 september 2015

Overzicht samengesteld door Daphne Smit, informatiespecialist Vakbibliotheek (opgenomen zijn artikelen waarbij auteursvermelding Gelre ziekenhuizen vermeld staat, binnen genoemde tijdsperiode, en alleen opname bij eerste vermelding) Lodder-van der Vlies D, Droogh-de Greve K.E., de Win J.L., van der Zaag-Loonen H.J., van Bruggen J.A., Markestein H.P., Gratama J.W. Verwijzing voor mammogram vaak niet volgens richtlijn Referral for mammography often not according to guideline Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 2015 159: A8636 Nijenhuis-Rosien L., Kleefstra N., Wolfhagen M.J., Groenier K.H., Bilo H.J.G., Landman G.W.D. Laser therapy for onychomycosis in patients with diabetes at risk for foot complications: Study protocol for a randomized, doubleblind, controlled trial (LASER-1) Trials 2015 16 (1): 108 Alkhalaf A., Landman G.W.D., van Hateren K.J.J., Groenier K.H., Mooyaart A.L., De Heer E., Gans R.O.B., Navis G.J., Bakker S.J.L., Kleefstra N., Bilo H.J.G. Sex specific association between carnosinase gene CNDP1 and cardiovascular mortality in patients with type 2 diabetes (ZODIAC-22) Journal of Nephrology 2015 28 (2): 201-207 Mathus-Vliegen E.M.H., Alders P.R.H., Chuttani R., Scherpenisse J. Outcomes of intragastric balloon placements in a private practice setting Endoscopy 2015 47 (4): 302-307 Vellinga N.A.R., ……. Spronk P.E., …………….. Ayazoglu-Akarsu T., International study on microcirculatory shock occurrence in acutely Ill patients Critical Care Medicine 2015 43 (1): 48-56 Oud F.M.M., De Rooij S.E.J.A., Schuurman T., Duijvelaar K.M., Van Munster B.C. Predictive value of the VMS theme ‘Frail elderly’: Delirium, falling and mortality in elderly hospital patients Voorspellende waarde VMS-thema ‘Kwetsbare ouderen’: delirium, valincidenten en overlijden bij oudere ziekenhuispatienten [In Process] Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 2015 159: 14 Gerritsen A., de Rooij T., Dijkgraaf M.G., Busch O.R., Bergman J.J., Ubbink D.T., van Duijvendijk P., Erkelens G.W., Molenaar I.Q., Monkelbaan J.F., Rosman C., Tan A.C., Kruyt P.M., Bac D.J., Mathus-Vliegen E.M., Besselink M.G. Electromagnetic guided bedside or endoscopic placement of nasoenteral feeding tubes in surgical patients (CORE trial): Study protocol for a randomized controlled trial Trials 2015 16 (1): 119 van Vuren A.J., de Jong B., Bootsma H.P.R., van der Veen M.J., Feith G.W. Ticagrelor-induced renal failure leading to statin-induced rhabdomyolysis Netherlands Journal of Medicine 2015 73 (3): 136-138 40 wetenschap@gelre | 11 • 2015

Zwerink, M.; Kerstjens, H.; Van der Palen, J.; Van der Valk, P.; Brusse-Keizer, M.; Zielhuis, G.; Effing, T. The (cost-)effectiveness of self-treatment of exacerbations in copd patients: two-year follow-up Respirology 2015 20: 106 Broeders, Mireille J.M.; ten Voorde, Marloes; Veldkamp, Wouter J.H.; van Engen, Ruben E.; van Landsveld-Verhoeven, Cary; ‘t Jong-Gunneman; Machteld N.L.; de Win, Jos; Droogh-de Greve, Kitty; Paap, Ellen; den Heeten, Gerard J. Comparison of a flexible versus a rigid breast compression paddle: pain experience, projected breast area, radiation dose and technical image quality European Radiology 2015 25 (3): 821-829 Bakker N.E., …. Lunshof L., …… Hokken-Koelega A.C.S. Bone mineral density in children and adolescents with praderwilli syndrome: A Longitudinal study during puberty and 9 years of growth hormone treatment Journal of Clinical Endocrinology and Metabolism 2015 100 (4): 1609-1618 Schyns-van den Berg A.M., Huisjes A., Stolker R.J. Postcaesarean section analgesia: are opioids still required Current Opinion in Anaesthesiology 2015 28 (3): 267-274 Kaandorp J.J.,… Von Lindern, Anjoke J.M. Huisjes, Saskia C.M.J.E.R. Bakker, … Derks J.B. Maternal allopurinol administration during suspected fetal hypoxia: A novel neuroprotective intervention? A multicentre randomised placebo controlled trial Archives of Disease in Childhood: Fetal Neonatal Edition 2015 100 (3): F216-F223 Wevers M.R., Ausems M.G., Verhoef S., Bleiker E.M., Hahn D.E., Brouwer T, Hogervorst F.B., van der Luijt R.B., van Dalen T., Theunissen E.B., van Ooijen B., de Roos M.A., Borgstein P.J., Vrouenraets B.C., Vriens E., Bouma W.H., Rijna H., Vente J.P., Kieffer J.M., Valdimarsdottir H.B., Rutgers E.J., Witkamp A.J., Aaronson N.K. Does rapid genetic counseling and testing in newly diagnosed breast cancer patients cause additional psychosocial distress? results from a randomized clinical trial. Genetics in Medicine 2015 Apr van Kessel, Dionne J.W.; Jerzewski, Anastasia; Kardux, J. Joost; Habets, Jesse Loeffler’s endocarditis European Heart Journal-Cardiovascular Imaging 2015 16 (3): 343-343 Atema J.J., Gans S.L., van Randen A., Lameris W., van Es H.W., van Heesewijk J.P.M., van Ramshorst B., Bouma W.H., Ten Hove W., van Keulen E.M., Dijkgraaf M.G.W., Bossuyt P.M.M., Stoker J., Boermeester M.A. Comparison of Imaging Strategies with Conditional versus Immediate Contrast-Enhanced Computed Tomography in


Gelre publicaties Patients with Clinical Suspicion of Acute Appendicitis European Radiology 2015 25 (8): 2445-52 Van Den Wijngaard C.C., Harms M.G., Van Pelt W., Hovius J.W.R., Ursinus J., Van Weert H.C.P.M., Kullberg B.J., Vrijmoeth H.D., Joosten L.A.B., Knoop J.A., Assendelft W.J.J., Vermeeren Y.M., Van Kooten B., Zwerink M. Persistent symptoms after treatment of Lyme disease: The Lyme Prospect study Persisterende klachten na behandeling van Lyme-borreliose: De LymeProspect-studie [In Process] Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 2015 159 (16): e6436 Kornegoor R., van Diest P.J., Buerger H., Korsching E. Tracing differences between male and female breast cancer: both diseases own a different biology Histopathology 2015 May 1. [Epub ahead of print] van Hateren K.J., Hendriks S.H., Groenier K.H., Bakker S.J., Bilo H.J., Kleefstra N., Landman G.W. Frailty and the relationship between blood pressure and mortality in elderly patients with type 2 diabetes (Zwolle Outpatient Diabetes project Integrating Available Care-34) Journal of Hypertension 2015 33 (6): 1162-6 van Hooijdonk R.T.M., Steuten L.M.G., Kip M.M.A., Monteban H., Mulder M.R., van Braam Houckgeest F., van der Sluijs J.P., Abu-Hanna A., Spronk P.E., Schultz M.J. Health Economic Evaluation of a Strict Glucose Control Guideline Implemented Using Point-of-Care Testing in Three Intensive Care Units in The Netherlands Applied Health Economics Health Policy 2015 13 (4): 399-407 Pallesen L.-P., .., Bienfait P., … Grotta J., Diagnostic and Prognostic Impact of pc-ASPECTS Applied to Perfusion CT in the Basilar Artery International Cooperation Study Journal of Neuroimaging 2015 25 (3): 384-389 Simonis F.D., Binnekade J.M., Braber A., Gelissen H.P., Heidt J., Horn J., Innemee G., de Jonge E., Juffermans N.P., Spronk P.E., Steuten L.M., Tuinman P.R., Vriends M., de Vreede G., de Wilde R.B., Neto A.S., de Abreu M.G., Pelosi P., Schultz M.J. PReVENT - protective ventilation in patients without ARDS at start of ventilation: study protocol for a randomized controlled trial. Trials 2015 24 16 (1): 226 [Epub ahead of print] Dumoulin C., Hay-Smith J., Frawley H., McClurg D., Alewijnse D., Bo K., Burgio K., Chen S.Y., Chiarelli P., Dean S., Hagen S., Herbert J., Mahfooza A., Mair F., Stark D., Van Kampen M. 2014 consensus statement on improving pelvic floor muscle training adherence: International Continence Society 2011 State-of-the-Science Seminar Neurourology Urodynamics 2015 34 (7): 600-605 Dumoulin C., Alewijnse D., Bo K., Hagen S., Stark D., Van Kampen M., Herbert J., Hay-Smith J., Frawley H., McClurg D., Dean S. Pelvic-floor-muscle training adherence: Tools, measurements and strategies-2011 ICS State-of-the-Science Seminar research paper II Neurourology Urodynamics 2015 34 (7): 615-621 Dekker N.,… van Duijvendijk P., …..Groen J. Improving recognition and referral of patients with an increased familial risk of colorectal cancer: Results from a randomized controlled trial [In Process] Colorectal Disease 2015 17:6 (499-510)

Gurnani N., van Deurzen D.F., Flipsen M., Raven E.E., van den Bekerom M.P. Efficacy of different rotator cuff repair techniques Surgical Technology International 2015 26: 295-300 Witte M.E., Reijnen M.M., de Vries J.P., Zeebregts C.J. Mechanochemical Endovenous Occlusion of Varicose Veins Using the ClariVein® Device Surgical Technology International 2015 26: 219-25 Deetman P.E., Alkhalaf A., Landman G.W., Groenier K.H., Kootstra-Ros J.E., Navis G., Bilo H.J., Kleefstra N., Bakker S.J. Alanine aminotransferase and mortality in patients with type 2 diabetes (ZODIAC-38) European journal of clinical investigations 2015 45 (8): 807-814 Habets J., Zandvoort H.J., Moll F.L., Bartels L.W., Vonken E.P., van Herwaarden J.A., Leiner T. Magnetic Resonance Imaging with a Weak Albumin Binding Contrast Agent can Reveal Additional Endoleaks in Patients with an Enlarging Aneurysm after EVAR. European Journal of Vascular and Endovascular Surgery 2015 50 (3): 331-340 Hopmans T.E.J.P., Van Houten C.B., Kasius A., Kouznetsova O.I., Nguyen A.L., Rooijmans S.V., Voormolen D.N., Van Vliet O.G.E., Franx A., Koster M.P.H. Increased risk of type 2 diabetes mellitus and cardiovascular disease after diabetes gravidarum Verhoogd risico op diabetes mellitus type 2 en hart- en vaatziekten na diabetes gravidarum Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 2015 159:24 Borstlap, W.A.A.; Buskens, C.J.; Tytgat, K.M.A.J.; Tuynman, J.B.; Consten, E.C.J.; Tolboom, R.C.; Heuff, G.; van Geloven, N.; van Wagensveld, B.A.; Wientjes, C.A.C.A.; Gerhards, M.F.; de Castro, S.M.M.; Jansen, J.; van der Ven, A.W.H.; van der Zaag, E.; Omloo, J.M.; van Westreenen, H.L.; Winter, D.C.; Kennelly, R.P.; Dijkgraaf, M.G.W.; Tanis, P.J.; Bemelman, W.A. Multicentre randomized controlled trial comparing ferric(III) carboxymaltose infusion with oral iron supplementation in the treatment of preoperative anaemia in colorectal cancer patients BMC surgery 2015 15 (1): 78 H.J. van der Zaag-Loonen; R.B. van Leeuwen; Tj.D. Bruintjes; B.C. van Munster Prevalence of unrecognized benign paroxysmal positional vertigo in older patients European Archives of Oto-Rhino-Laryngology 2015 272 (6): 1521–1524 Ros J.J.W., Semplonius G., Mulder-Spijkerboer H.N., Van Kan H.J.M. Amanita phalloides (death cap) intoxication Intoxicatie met groene knolamaniet (Amanita phalloides) Pharmaceutisch Weekblad 2015 150 (22): 117-120 de Bruin R.J.M., Hage R., van der Zaag-Loonen H., van Benthem P.P.G. Rapid review: sinonasal surgery vs. medical therapy for asthma in patients with chronic rhinosinusitis with or without nasal polyps [Article in Press] European Archives of Oto-Rhino-Laryngology 2015 : Hofhuis J., Van Stel H.F., Schrijvers A.J., Rommes J.H., Spronk P.E. Recovery of health-related quality of life in ICU patients: A 5-year prospective cohort study Critical Care 2015 19: (S196-S197) 41


Gelre publicaties Van Someren Greve F., Van Der Sluijs K.F., Molenkamp R., Spoelstra-De Man A.M., Cremer O.L., De Wilde R.B., Spronk P.E., De Jong M.D., Schultz M.J., Juffermans N.P. Prevalence of viral respiratory tract infections in acutely admitted and ventilated ICU patients: A prospective multicenter observational study Critical Care 2015 19: (S36)

Onstenk W., Sieuwerts A.M., Kraan J., Van M., Nieuweboer A.J., Mathijssen R.H., Hamberg P., Meulenbeld H.J., Laere B., Dirix L.Y., Soest R.J., Lolkema M.P., Martens J.W., Weerden W.M., Jenster G.W., Foekens J.A., Wit R., Sleijfer S. Efficacy of Cabazitaxel in Castration-resistant Prostate Cancer Is Independent of the Presence of AR-V7 in Circulating Tumor Cells. European Urology 2015 Jul 15

Van Hooijdonk R., Binnekade J.M., Abu-Hanna A., Van Braam Houckgeest F., Hofstra L.S., Horn J., Kuiper M.A., Juffermans N.P., Van Den Oever H.L., Van Der Sluijs J.P., Spronk P.E., Schultz M.J. Associations between the degree of correction of hypoglycemia and ICU mortality Critical Care 2015 19: (S129)

Vanderpol, Carmen C.; Lacle, Miangela M.; Witkamp, Arjen J.; Kornegoor, Robert; Hui, Miao; Bouchardy, Christine; vanderwall, Elsken; Verkooijen, Helena M.; vanDiest, Paul J. Prognostic models in male breast cancer Cancer Research, 75 (9):S MAY 1 2015

Sommers J., Engelbert R., Dettling D., Gosselink R., Spronk P., Horn J., Nollet F., Van Der Schaaf M. Physiotherapy in the ICU: An evidence-based, expert-driven, practical statement Critical Care 2015 19: (S194) Verberne C.J., Zhan Z., van den Heuvel E., Grossmann I., Doornbos P.M., Havenga K., Manusama E., Klaase J., van der Mijle H.C.J., Lamme B., Bosscha K., Baas P., van Ooijen B., Nieuwenhuijzen G., Marinelli A., van der Zaag E., Wasowicz D., de Bock G.H., Wiggers T. Intensified follow-up in colorectal cancer patients using frequent Carcino-Embryonic Antigen (CEA) measurements and CEAtriggered imaging: Results of the randomized “CEAwatch” trial European Journal of Surgical Oncology 2015 41 (9): 1188-1196 van den Berg R., Versluis D.J., Dawson L., Pretorius D., de Blok K., Spronk P.E. An update from the 35th Brussels ISICEM meeting Netherlands Journal of Critical Care 2015 21 (3): 31-35 Simonis F.D., Braber A., Gelissen H.P., Heidt J., Horn J., Innemee G., de Jonge E., Juffermans N.P., Spronk P.E., Tuinman P.R., Vriends M., de Wilde R.B., Serpa Neto A., de Abreu M.G., Pelosi P., Schultz M.J. How to ventilate patients without ARDS? Netherlands Journal of Critical Care 2015 21 (3): 14-18 Eising H., Roest M., De Groot P., Remijn J. Decreased platelet reactivity in women with heavy menstrual bleeding: A novel approach in the gynaecology clinic to diagnose thrombopathy using a novel platelet function test Journal of Thrombosis and Haemostasis 2015 13: 921 Eising H., Te Roller L., Visser-Koldenhof M., Wildeboer B., Remijn J. Evaluation of a new automated ristocetin cofactor assay on the STA-R evolution analyzer Journal of Thrombosis and Haemostasis 2015 13: 740 Huskens D., Roest M., Remijn J.A., Bloemen S., Konings J., Schurgers E., Kremers R., Kelchtermans H., Van Meel R., Urbanus Rolf T., Ninivaggi M., De Laat B. Strenuous exercise induces a prothrombotic state that is more pronounced in men than in women Journal of Thrombosis and Haemostasis. 2015 13: 534 Holleman F., Uijldert M., Donswijk L.F., Gale E.A. Productivity of authors in the field of diabetes: bibliographic analysis of trial publications BMJ. 2015 350 (351): h2368 de Visser K.L., Landman G.W., Meyboom-de Jong B., de Visser W., Te Meerman G.J., Bilo H.J. Familial Aggregation between the 14th and 21st Century and Type 2 Diabetes Risk in an Isolated Dutch Population PLoS One 2015 10 (7): e0132549 42 wetenschap@gelre | 11 • 2015

van Hateren K.J., Landman G.W., Arnold J.F., Joosten H., Groenier K.H., Navis G.J., Sparwasser A., Bakker S.J., Bilo H.J., Kleefstra N. Serum Proenkephalin A Levels and Mortality After Long-Term Follow-Up in Patients with Type 2 Diabetes Mellitus (ZODIAC-32) PLoS One 2015 10 (7): Riphagen I.J., Logtenberg S.J.J., Groenier K.H., van Hateren K.J.J., Landman G.W.D., Struck J., Navis G., Kootstra-Ros J.E., Kema I.P., Bilo H.J.G., Kleefstra N., Bakker S.J.L. Is the association of serum sodium with mortality in patients with type 2 diabetes explained by copeptin or NT-proBNP? (ZODIAC-46) [In Process] Atherosclerosis 2015 242 (1): 179-185 Bakker N.E., Kuppens R.J., Siemensma E.P., Tummers-de Lind van Wijngaarden R.F., Festen D.A., Bindels-de Heus G.C., Bocca G., Haring D.A., Hoorweg-Nijman J.J., Houdijk E.C., Jira P.E., Lunshof L, Odink R.J., Oostdijk W., Rotteveel J., Van Alfen A.A., Van Leeuwen M., Van Wieringen H., Wegdam-den Boer M.E., Zwaveling-Soonawala N., Hokken-Koelega A.C. Bone mineral density in children and adolescents with Prader-Willi syndrome: a longitudinal study during puberty and 9 years of growth hormone treatment Journal of clinical endocrinology and metabolism 2015 Aug 6 Zaman, Anne Claire; Frings-Dresen, Monique; Klinkenbijl, Jean; de Boer, Angela; Tytgat, Kristien A Tailored Work-related support intervention for Gastro-intestinal Cancer Patients: Intervention Protocol Psycho-Oncology 2015 24 (S2) : 293-293 van Hooijdonk R.T.M., Spronk P.E., Schultz M.J. Choosing the correct metrics for glucose control Critical Care 2014 18 (2) van den Bekerom M.P., van Kimmenade R., Sierevelt I.N., Eggink K., Kerkhoffs G.M., van Dijk C.N., Raven E.E. Randomized comparison of tape versus semi-rigid and versus lace-up ankle support in the treatment of acute lateral ankle ligament injury. Knee Surgery, Sports Traumatology, Arthroscopy 2015 Jun 5. [Epub ahead of print] Burgers P.T., ….. Raven E., Van Lieshout E.M.; HEALT.H. and FAITH Trial Investigators. Reliability, validity, and responsiveness of the Western Ontario and McMaster Universities Osteoarthritis Index for elderly patients with a femoral neck fracture. J Bone Joint Surg Am. 2015 May 6;97(9):751-7 Bhandari M., Devereaux P.J., Einhorn T.A., Thabane L., Schemitsch E.H., Koval K.J., Frihagen F., Poolman R.W., Tetsworth K., Guerra-Farfán E., Madden K., Sprague S., Guyatt G.; HEALTH Investigators. Raven (Health investigator) Hip fracture evaluation with alternatives of total hip arthroplasty versus hemiarthroplasty (HEALTH): protocol for a multicentre randomised trial. BMJ Open. 2015 Feb 13;5(2):e006263


Gelre publicaties Eric E.J. Raven, Michel P.J. van de Bekererom, Annechien Beumer and C. Niek van Dijk Radiocarpal and midcarpal instability in rheumatoid patients: a systematic review The Open Orthopaedics Journals 2015 9: 246-254 Timmers J., Voorde M.T., Engen R.E., Landsveld-Verhoeven C.V., Pijnappel R., Greve K.D., Heeten G.J., Broeders M.J. Mammography with and without radiolucent positioning sheets: Comparison of projected breast area, pain experience, radiation dose and technical image quality European Journal of Radiology 2015 Jul 10 Wim van Biesen, Moniek W.M. van de Luijtgaarden, Edwina A. Brown, Jean-Pierre Michel, Barbara C. van Munster, Kitty J. Jager and Sabine N. van der Veer Nephrologists’ perceptions regarding dialysis withdrawal and palliative care in Europe: lessons from a European Renal Best Practice survey Nephrology, dialysis, transplantation 2015 Aug 12 Beesems S.G., Blom M.T., van der Pas M.H.A., Hulleman M., van de Glind E.M.M., van Munster B.C., Tijssen J.G.P., Tan H.L., van Delden J.J.M., Koster R.W. Comorbidity and favorable neurologic outcome after out-of-hospital cardiac arrest in patients of 70 years and older Resuscitation 2015 94: (33-39) Cardinaels E.P.M., Daamen M.A.M.J., Bekers O., ten Kate J., Niens M., van Suijlen J.D.E., van Dieijen-Visser M.P., Brunner-La Rocca H.-P., Schols J.M.G.A., Mingels A.M.A. Clinical Interpretation of Elevated Concentrations of Cardiac Troponin T, but Not Troponin I, in Nursing Home Residents [Article in Press] Journal of the American Medical Directors Association 2015 : aug 6 Van Hateren K.J.J., Landman G.W.D., Kleefstra N. Re: “RESPeRATE: the role of paced breathing in hypertension treatment” Journal of the American Society of Hypertension : JASH 2015 9 (8): 656-657 Weenders S.G.M., Janssen N.E., Landman G.W.D., van den Berg F.P. Subperiosteal abscess in a child. Trueta’s osteomyelitis hypothesis undermined? [Article in Press] Orthopaedics & Traumatology, surgery & research: OTSR 2015 :

troponin I, is a common phenomenon in subjects with chronic troponin elevations Nederlands Tijdschrift voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde 2015 40 (2): 101 Van Der Linden N., Klinkenberg L.J.J., Leenders M., Tieland M., Verdijk L.B., Niens M., Van Suijlen J.D.E., De Groot L.C.P.G.M., Bekers O., Van Loon L.J.C., Van Dieijen-Visser M.P., Meex S.J.R. The effect of exercise training on the course of cardiac troponin T and I levels: Results from three independent training studies Nederlands Tijdschrift voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde 2015 40:2 (100) Kimenai D.M., Henry R.M., Van Der Kallen C.J., Dagnelie P.C., Schram M.T., Stehouwer C.D., Van Suijlen J.D., Niens M., Bekers O., Vandieijen-Visser M.P., Meex S.J. Determination of the 99th percentile value for high-sensitivity cardiac Troponin T and I Nederlands Tijdschrift voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde 2015 40:2 (100-101) Qaderdan K., Ishak M., Heestermans A.A.C.M., de Vrey E., Jukema J.W., Voskuil M., de Boer M.-J., van’t Hof A.W.J., Groenemeijer B.E., Vos G.J.A., Janssen P.W.A., Bergmeijer T.O., Kelder J.C., Deneer V.H.M., ten Berg J.M. Ticagrelor or prasugrel versus clopidogrel in elderly patients with an acute coronary syndrome: Optimization of antiplatelet treatment in patients 70years and older-rationale and design of the POPular AGE study [Article in Press] American Heart Journal 2015 : Meulendijks F.G., Hamaker M.E., Boereboom F.T., Kalf A., Vögtlander N.P., van Munster B.C. Groningen frailty indicator in older patients with end-stage renal disease Renal Failure 2015 Sep 3: 1-6 Jansen J., McKinn S., Bonner C., Irwig L., Doust J., Glasziou P., Nickel B., van Munster B., McCaffery K. Systematic review of clinical practice guidelines recommendations about primary cardiovascular disease prevention for older adults BMC Family Practice 2015 16 (1):104 Lindeboom R., de Rooij S.E., van Munster B.C. Manifestations of polymialgia rheumatica in elderly Tijdschrift Gerontologie en Geriatrie 2015 46 (4): 204-7

van Asch, C.J.J.; Velthuis, B.K.; Rinkel, G.J.E.; Algra, A.; Greving, J.P.; de Kort, G.A.P.; Witkamp, T.W.; de Ridder, J.C.M.; de Leeuw, F.E.; Schonewille, W.J.; de Kort, P.L.; Dippel, D.W.; Raaijmakers, T.W.M.; Hofmeijer, J.; Wermer, M.J.H.; Kerkhoff, H.; Jellema, K.; Bronner, I.M.; Remmers, M.J.M.; Bienfait, H.P.

Nelen W.L.D.M., Bastings L., Baysal O., Int Hout J., Traas M.A.F., Verhaak C.M., Beerendonk C.C.M., Braat D.D.M. How do female patients experience fertility preservation counseling and decision-making Human Reproduction 2014 29: (i244-i245)

Diagnostic yield and accuracy of CT angiography, MR angiography and digital subtraction angiography for detection of macrovascular causes of intracerebral haemorrhage a prospective, multicentre cohort study International Journal of Stroke 2015 10 299-299

Gerrits E.G., Landman G.W., Nijenhuis-Rosien L., Bilo H.J. Limited joint mobility syndrome in diabetes mellitus: A minireview [In Process] World Journal of Diabetes 2015 6 (9): 1108-1112

Versteeg, H.W.; van Velzen-Oorsprong, N.; Bienfait, H. Observation of cardiac rhythm in TIA patients: Evaluation of prolonged rhythm monitoring in TIA patients at a community based hospital International Journal of Stroke 2015 10 261-261

van der Zaag-Loonen, H. J.; van Leeuwen, R. B. Dizziness causes absence from work Acta Neurologica Belgica 2015 115 (3): 345-349

Klinkenberg L.J.J., Van Der Linden N., Van Dijk J.-W., Kouw I.W., Jellema L.-J.C., Niens M., Naaijkens B.A., Van Suijlen J.D.E., Ten Kate J., Van Loon L.J.C., Bekers O., Van Dieijenvisser M.P., Meex S.J.R. A diurnal rhythm of cardiac troponin T, but not cardiac 43


Gelre wetenschap magazine 2015