Page 1

Magna Charta Digital Law Review Burgerlijk Procesrecht B.F.L.M. Schim Het beginsel van hoor en wederhoor en de gang van zaken ter comparitie.

W W W. M A G N A C H A RTA . N L

Postbus 13346 | 3507 LH Utrecht Tel.: 030 - 220 10 70 | Fax: 030 - 220 53 27 | info@avdr.nl


Het beginsel van hoor en wederhoor en de gang van zaken ter comparitie De heer mr. B.F.L.M. Schim, advocaat bij NautaDutilh N.V. Een van de fundamentele beginselen van het Nederlands procesrecht is het beginsel van hoor en wederhoor. Dit beginsel betekent dat de rechter beide partijen in een geschil moet horen. Het beginsel is neergelegd in art. 19 Rv en wordt als een aspect van het fundamenteel recht op een "fair trial" gewaarborgd door art. 6 EVRM. In deze paper ga ik in op de vraag in welke opzichten het beginsel van hoor en wederhoor invloed heeft op de behandeling van een zaak door de rechter tijdens een comparitie. Het beginsel van hoor en wederhoor is een open norm. Hoe de comparitierechter in een concreet geval moet handelen, hangt af van de omstandigheden van het concrete geval. Gelet op het beperkte bestek van deze paper kunnen dus niet alle aspecten van het beginsel van hoor en wederhoor worden behandeld. Hieronder beperk ik mij tot enkele sprekende voorbeelden. Uiteraard kunnen vragen over hoor en wederhoor spelen bij andere zittingen dan een comparitie, zoals een pleidooi. In zo'n geval zou het hiernavolgende mutatis mutandis kunnen gelden. Deugdelijk kunnen reageren op vragen en antwoorden ter comparitie De comparitierechter stelt tijdens de comparitie vragen aan partijen.1 Daarnaast kan de comparitierechter op grond van art. 22 Rv partijen bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. De rechter mag deze bevoegdheden aanwenden met betrekking tot alle relevante aspecten van de zaak.2 Let wel, het gaat om de aspecten van de zaak die de rechter relevant acht. Dit betekent dat hij in principe ook vragen mag stellen over aspecten van de zaak die partijen niet, of slechts zijdelings, aan de orde hebben gesteld.3 De mate waarin een rechter gebruik maakt van deze bevoegdheden, hangt sterk af van de rechter en de zaak. Indien partijen de zaak reeds volledig en duidelijk aan de rechter hebben voorgelegd, zal er weinig aanleiding zijn om veel vragen te stellen. Maar het kan ook zijn dat tijdens de comparitie nog aardig wat werk moet worden verricht.4 Dit kan betekenen dat één of meer aspecten van het partijdebat nog niet geheel voldragen zijn wanneer de comparitie wordt bevolen en dat deze aspecten tijdens die comparitie alsnog behandeling zullen (moeten) vinden. Stel bijvoorbeeld dat in de conclusie van antwoord bepaalde stellingen worden ingenomen waarop in de dagvaarding niet is geanticipeerd, dan zal het beginsel van hoor en wederhoor met zich brengen dat de eiser alsnog gelegenheid krijgt daarop te reageren. Het beginsel van hoor en wederhoor brengt met zich dat de comparitierechter partijen afdoende gelegenheid moet bieden om te reageren op wat ter comparitie wordt besproken. Hoe de rechter dat doet, kan verschillen en is afhankelijk van de zaak. Wel is van belang dat de andere partij deugdelijk moet kunnen reageren. Dit laatste kan in sommige situaties trouwens nog wel eens lastig zijn. Zo is bijvoorbeeld niet ondenkbaar dat een partij vanwege de aard daarvan simpelweg niet kan reageren op bepaalde informatie die tijdens een comparitie naar voren komt. Te denken valt aan specialistische of technische informatie.5 In zo'n situatie is zeker niet uitgesloten dat de comparitie niet voldoende 1

Art. 88 lid 2 Rv. Vgl. T&C Rv art. 88, aant. 2 (Ynzonides & Van de Hel-Koedoot). Dit kan vragen doen rijzen over de grenzen van de rechtsstrijd. Ik kom hieronder terug op dit aspect. 4 Een comparitie vindt immers in de regel plaats terwijl er nog maar één schriftelijke ronde heeft plaatsgevonden. Vgl. art. 131 Rv. Wordt bij de conclusie van antwoord een eis in reconventie ingesteld, dan zal de comparitie worden bevolen nadat voor antwoord in reconventie is geconcludeerd. Maar ook in dit laatstbedoelde geval zal zowel in conventie als in reconventie slechts één schriftelijke ronde hebben plaatsgevonden. 5 Vgl. bijv. Rechtbank Utrecht 29 april 2009, LJN: BI2808, waarin trouwens werd geoordeeld dat het beginsel van hoor en wederhoor niet was geschonden. 2 3

W W W. M A G N A C H A RTA . N L


gelegenheid biedt om recht te doen aan het beginsel van hoor en wederhoor en de comparitierechter met het oog op dit beginsel een nadere akte- of conclusiewisseling moeten toestaan. Art. 4.1 Landelijk Procesreglement bepaalt dat het comparitievonnis de onderwerpen kan vermelden waarover van partijen in het bijzonder inlichtingen wordt verlangd. Door in het comparitievonnis duidelijk de verschillende punten te duiden waarover de rechter nog een toelichting wenst, kan de comparitierechter bewerkstelligen dat partijen zich beter kunnen voorbereiden en, daarmee, beter kunnen reageren op wat ter comparitie wordt besproken. Zeker indien er aanleiding is te veronderstellen dat het aansnijden van een bepaald onderwerp ter comparitie ertoe zou kunnen leiden dat partijen worden "overvallen", dient de comparitierechter mijns inziens in het comparitievonnis duidelijk uiteen te zetten welke vragen bij hem bestaan.6 Het afvangen van vragen Ter comparitie mogen partijen ook vragen aan elkaar stellen, behoudens de bevoegdheid van de rechter bepaalde vragen af te vangen.7 Het recht van partijen elkaar te bevragen vloeit voort uit het beginsel van hoor en wederhoor. Wat betreft de bevoegdheid van de comparitierechter om bepaalde vragen af te vangen, zou aansluiting kunnen worden gezocht bij wat geldt voor het getuigenverhoor.8 De rechter kan de beantwoording van vragen niet alleen verhinderen indien deze onbehoorlijk of suggestief zijn, maar ook indien er sprake is van een geheimhoudingsplicht of indien er een zwaarwegend belang is bij niet-beantwoording zoals het geval is bij geheime bedrijfsinformatie.9 Nieuwe producties Voorafgaand aan de comparitie mogen partijen nog nieuwe producties in het geding brengen. Mogelijk heeft de comparitierechter een bevel ex art. 22 Rv gegeven dat bepaalde bescheiden in het geding worden gebracht. Volgens art. 2.9 Landelijk Procesreglement dient de betreffende partij een afschrift van die producties uiterlijk twee weken voor de dag van de comparitie aan de rechtbank en aan de wederpartij toe te zenden. Niet-naleving van deze termijn kan ertoe leiden dat de betreffende producties worden geweigerd. Of dit het geval zal zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval, zoals de aard en inhoud van de betreffende producties.10 Van groot gewicht zal zijn of de wederpartij afdoende kan reageren. Let wel, het is niet uitgesloten dat bepaalde producties die wel binnen de termijn van twee weken zijn toegestuurd aan rechter en wederpartij, toch worden geweigerd indien gelet op de aard, inhoud en omvang van de betreffende producties redelijkerwijs valt te voorzien dat de wederpartij binnen twee weken niet afdoende kennis daarvan kan nemen en/of daarop afdoende een reactie kan voorbereiden.11 In zo'n geval is denkbaar dat de rechter een nadere schriftelijke reactie moet toestaan. Het niet verschijnen ter comparitie Een partij verschijnt in persoon ter terechtzitting.12 Praktijk is dat de rechter de verhinderdata van partijen opvraagt en bij het vaststellen van de zittingsdatum daarmee rekening houdt. Verschijnt een partij niet op de aangegeven rechtsdag, dan zal dit in principe voor zijn risico zijn.13 Echter, indien uitstel van de behandeling door een der partijen is verzocht op grond van plotseling en onverwacht opgekomen omstandigheden die niet in zijn risicosfeer of die van zijn advocaat liggen, terwijl - bijv. 6 Hier geldt dezelfde gedachte als die geldt voor de ontoelaatbare verrassingsbeslissing. Zie over dit laatste E. Tjong Tjin Tai, 'Verrassingsbeslissingen door de civiele rechter', NJB 2000, p. 262. 7 Art. 88 lid 2 Rv. 8 Art. 179 lid 2 Rv. 9 T&C Rv, art. 179, aant. 4 (Van Nispen), Van Mierlo/Bart, Parl. Gesch. Nieuw Bewijsrecht, p. 273. Zie bijv. ook HR 10 april 2009, JBPr 2009, 37 en twee beslissingen van de R-C Rechtbank Amsterdam van 16 juni 2010, te kennen uit Hof Amsterdam 10 april 2011, NJF 2011, 256 en Hof Amsterdam 12 april 2011, NJF 2011, 300. 10 T&C Rv, art. 89, aant. 1 (Ynzonides & Van de Hel-Koedoot) en HR 7 december 2007, NJ 2008, 554. 11 Vgl. o.a. HR 3 december 2010, NJ 2010, 650. 12 Art. 87 lid 2 Rv en art. 88 lid 1, tweede zin Rv. 13 Bijv. HR 16 maart 2007, NJ 2007, 637, Hof Arnhem 27 juli 2004, JBPr 2005, 56 en Hof Den Bosch 21 juni 2005, LJN: AU4078.

W W W. M A G N A C H A RTA . N L


vanwege de gecompliceerdheid van de zaak - ook niet mag worden verwacht dat de advocaat ervoor zorgdraagt dat een collega voor hem waarneemt, dan moet de rechter de zaak uitstellen met het oog op het beginsel van hoor en wederhoor.14 Een ander voorbeeld waarin het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden doordat een partij niet ter comparitie verscheen, is het geval waarin bij de kennisgeving van de comparitie een fout was gemaakt als gevolg waarvan die partij niet op de hoogte was van de comparitie.15 Het ambtshalve opwerpen van nieuwe stellingen, feiten en rechtsgronden Het komt voor dat de comparitierechter tijdens de zitting ambtshalve een nieuw element in het partijdebat introduceert, zoals een nieuwe stelling of een nieuw verweer. Daarnaast is mogelijk dat de comparitierechter meent dat gronden aanwezig zijn om overeenkomstig art. 25 Rv rechtsgronden van een vordering of een verweer aan te vullen. Ik plaats enkele algemene kanttekeningen. De comparitierechter moet op grond van art. 24 Rv bij het ambtshalve opwerpen van bepaalde punten rekening houden met de feitelijke grondslag van de vordering(en) en het verweer. Deze bepaling geeft het beginsel van de partij-autonomie weer. De rechter mag zijn beslissing niet baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd.16 Volgens de Hoge Raad wordt door overtreding van art. 24 Rv de wederpartij tekortgedaan in haar recht zich naar behoren te verdedigen. Let wel, art. 24 Rv betekent niet dat de comparitierechter nimmer ambtshalve bepaalde punten aan de orde mag stellen die buiten de grenzen van de rechtsstrijd liggen. Zie HR 26 september 2003, NJ 2004, 460.17 Echter, indien de comparitierechter dit doet, moet hij partijen in de gelegenheid stellen het processuele debat dienaangaande aan te gaan en moet hij zich van een beslissing op dit punt onthouden indien vervolgens blijkt dat partijen dat debat niet wensen te voeren. Daarnaast kan het zo zijn dat de rechter een bepaalde kwestie niet (meer) ambtshalve aan de orde kan stellen. Uit HR 26 september 2003, NJ 2004, 460 volgt dat de vraag wanneer dit het geval is, niet in haar algemeenheid kan worden beantwoord. Het zal sterk afhangen van de stand van de procedure en het verloop van het partijdebat.18 In beginsel is een rechter op voet van art. 25 Rv gehouden de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen. Echter, gelet op het beginsel van hoor en wederhoor kan het zo zijn dat de rechter dit niet mag doen dan na partijen de gelegenheid te hebben geboden zich daarover uit te laten. Doet hij dit niet, dan kan sprake zijn van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing.19 Afsluiting Het beginsel van hoor en wederhoor is een waarborg voor een eerlijke procesgang. In deze paper besprak ik enkele aspecten van het beginsel van hoor en wederhoor en besprak ik hoe de waarborgfunctie van dit beginsel tot uiting kan komen in de gang van zaken tijdens een comparitie. Vragen van hoor en wederhoor kunnen op verschillende manieren rijzen in verband met een comparitie. Dit mag ook niet verbazen omdat het beginsel van hoor en wederhoor een open norm is en de concrete uitwerking daarvan sterk afhangt van de omstandigheden van het concrete geval.

14

HR 23 april 2004, NJ 2004, 350 en HR 14 januari 2005, NJ 2005, 251. HR 21 januari 2011, LJN: BP1498. HR 17 oktober 2008, JIN 2008, 779, HR 1 oktober 2004, NJ 2005, 92 en HR 29 maart 1996, NJ 1996, 421. Zie ook T.F.E. Tjong Tjin Tai, 'De rechterlijke vrijheid en de feitelijke grondslag', TCR 2002, p. 29 t/m 37. 17 Vgl. HR 23 september 2011, LJN: BQ7064 Rupro. 18 Zie hierover nader Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-Van Gent 4 2009, nr. 263 en Concl. A-G Rank-Berenschot voor HR 23 september 2011, LJN: BQ7064 Rupro, nr. 2.13. 19 HR 15 februari 2008, NJ 2008, 450 Rockwool/Saint-Cobain Isover, HR 21 december 2001, NJ 2004, 34 Panama Carabic Overseas Savings/Town House Development en HR 17 oktober 2003, NJ 2003, 39 Lukan/Brokke. Zie ook E. Tjong Tjin Tai, 'Verrassingsbeslissingen door de civiele rechter', NJB 2000, p. 262. 15 16

W W W. M A G N A C H A RTA . N L


W W W. M A G N A C H A RTA . N L


AvdR Lawschool


“A pessimist sees the difficulty in every opportunity; an optimist sees the opportunity in every difficulty.” Sir Winston Churchill

Alle rechten voorbehouden. Behoudens de door de Auteurswet gestelde uitzonderingen, mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd (waaronder begrepen het opslaan in een geautomatiseerd gegevensbestand) en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. © Academie voor de Rechtspraktijk, Nieuwegein 2012

W W W. M A G N A C H A RTA . N L

Burgerlijk Procesrecht  

B.F.L.M. Schim: Het beginsel van hoor en wederhoor en de gangvan zaken ter comparitie.

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you