Issuu on Google+

AVDR Webinar

Actualiteiten Familievermogensrecht Spreker mr. T.J. Mellema-Kranenburg, notaris Van Heeswijk Notarissen N.V. 29 november 2012 15:00-17:15 uur

Tel.: 030 - 2201070

AVDRWEBINARS.NL Webinar 0086


No Fear. No Limits. No equal. Ayrton Senna

Overzicht AvdR Webinar Abonnement 2013 Indrukwekkende lijst van sprekers 216 webinars Live en On demand Één DUIDELIJKE Klik hier voor de digitale brochure LAGE prijs W W W . A V D R W E B I N A R S . N L


Inhoudsopgave Mr. T.J. Mellema-Kranenburg

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 28-2-2012, LJN BV7624

p.

4

M.L.C.C. de Bruijn-Lückers en A.N. Lahbohm, ‘Alimentatie in tijden van crisis en maatschappelijke veranderingen’, in: WPNR 20 oktober 2012/6947

p.

9

M.J. Hamer, ‘De hoofdelijke aansprakelijkheid van de executeur voor erfbelasting’, in: WPNR 8-15 september 2012/6942

p.

16

‘De invloed van de recessie op de legitieme portie’

p.

24

D. van Elzakker, ‘Het beoordelen van wilsonbekwaamheid: een vakbekwaamheid op zich’, in: Tijdschrift Relatierecht en praktijk, nummer 7, november 2012 p.

29

3


LJN: BV7624, Gerechtshof 's-Hertogenbosch , HD 200.085.753 Datum uitspraak: 28-02-2012 Datum publicatie: 02-03-2012 Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Huwelijksvermogensrecht. Vorderingen tot vernietiging van een overeenkomst inzake de werking van oorspronkelijke huwelijkse voorwaarden en tot vernietiging van nieuwe huwelijkse voorwaarden toegewezen. Vindplaats(en): Rechtspraak.nl RN 2012, 46

Uitspraak GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer HD 200.085.753 arrest van de zevende kamer van 28 februari 2012 in de zaak van [X.], wonende te [woonplaats], appellant, advocaat: mr. A.R. van Wieren, tegen: [Y.], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. K.T.J.M. Pijls-olde Scheper, op het bij exploot van dagvaarding van 8 april 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 9 februari 2011 tussen appellant - de man - als gedaagde en geïntimeerde - de vrouw - als eiseres. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer 213482/HA ZA 10-29) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 3 maart 2010. 2. Het geding in hoger beroep 2.1 De man is tijdig van het eindvonnis van 9 februari 2011 in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft de man onder overlegging van vier producties vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog afwijzing van de vorderingen van de vrouw. 2.2 Bij memorie van antwoord heeft de vrouw onder overlegging van twee producties de grieven bestreden.

4


2.3 Partijen hebben op 25 januari 2012 hun standpunten door hun advocaten aan de hand van pleitnota’s doen bepleiten. Daarna hebben partijen uitspraak gevraagd op het vooraf toegezonden procesdossier. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. 4. De beoordeling 4.1 De vaststelling van de feiten in het vonnis van 9 februari 2011 onder 3.1 is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. 4.2 Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. a) Partijen zijn op 20 juni 1985 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 15 december 2009 is in hun huwelijk de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. b) De akte huwelijkse voorwaarden van 18 juni 1985 bevat een uitsluiting van elke gemeenschap van goederen met een periodiek verrekenbeding, waaraan tijdens het huwelijk geen uitvoering is gegeven. Het begrip inkomen in het verrekenbeding is in de huwelijkse voorwaarden verder niet omschreven. Bij het verrekenbeding is een vervaltermijn van twee jaar opgenomen. Partijen beschikten ten tijde van het aangaan van hun huwelijk niet over relevant vermogen. c) Op 10 oktober 2006 hebben partijen met notaris [notaris] gesproken over, onder meer, wijziging van de huwelijkse voorwaarden. Bij brief van 15 maart 2007 heeft notaris [notaris] partijen een conceptakte huwelijkse voorwaarden toegestuurd met als toelichting onder meer dat hierin een finaal verrekenbeding is opgenomen dat meebrengt dat bij einde van het huwelijk door overlijden en/of echtscheiding tussen hen wordt afgerekend als waren zij in gemeenschap van goederen gehuwd geweest. d) In totaal zijn er vijf concepten opgesteld. Het laatste concept is na verkregen toestemming van de rechtbank door partijen op 7 juni 2007 ten overstaan van notaris [notaris] ondertekend. Deze huwelijkse voorwaarden bevatten een periodiek verrekenbeding waarin het begrip inkomen nader is omschreven in die zin dat het niet de werkelijke inkomsten uit vermogen, de winst van een rechtspersoon, optierechten, uitkeringen die niet jaarlijks terugkeren en vergoedingen aan het einde van een dienstbetrekking omvat. Deze beperkte uitleg ziet op de in de huwelijkse voorwaarden omschreven bedoeling van partijen om alleen te verrekenen hetgeen zij jaarlijks daadwerkelijk van hun inkomen besparen en hetgeen jaarlijks daadwerkelijk verdeeld kan worden. In artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden is in deze zin het begrip inkomen nader gedefinieerd; vermogensaanwas binnen een besloten vennootschap waarvan een echtgenoot in overwegende mate bij machte is de winstuitkering te bepalen, wordt niet tot het begrip inkomsten uit arbeid gerekend. De huwelijkse voorwaarden bevatten verder een finaal verrekenbeding bij ontbinding van het huwelijk door overlijden, niet door echtscheiding. e) Eveneens op 7 juni 2007 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin onder meer is bepaald dat het recht tot het vorderen van verrekening als bedoeld in de huwelijkse voorwaarden van 18 juni 1985 over de periode van 20 juni 1985 tot 31 december 2004 is vervallen en dat voor de periode van 1 januari 2005 tot 7 juni 2007 het verrekenbeding als uitgevoerd wordt beschouwd, zodat geen van partijen zich nog kan beroepen op enige verrekening over die periode. f) De man is op 1 december 1989 een eenmanszaak begonnen. Sinds 23 december 1999 is hij directeur/groot aandeelhouder van een besloten vennootschap waarin de eenmanszaak is ondergebracht en neemt hij via deze vennootschap deel in een aantal andere vennootschappen. 4.3 In deze procedure stelt de vrouw dat zij ervan uitging dat het contact met de notaris in oktober 2006 verband hield met een wijziging van de testamenten van partijen en een

5


daardoor wenselijke aanpassing van de huwelijkse voorwaarden, een en ander in verband met successierechten. De enige inhoudelijke toelichting op de consequenties van de wijziging van de huwelijkse voorwaarden van de kant van de notaris is volgens haar gegeven in diens brief van 15 maart 2007, waaruit zij afleidde dat de nieuwe huwelijkse voorwaarden in geval van echtscheiding voor haar geen negatieve consequenties zouden hebben. Volgens de vrouw zijn de huwelijkse voorwaarden van 7 juni 2007 tot stand zijn gekomen onder invloed van (wederzijdse) dwaling, bedrog dan wel misbruik van omstandigheden. Verder is de vrouw van mening dat zij door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst is benadeeld voor meer dan een kwart, aangezien zij daardoor niet langer kon meedelen in de waarde van de onderneming die tot stand was gekomen uit overgespaard inkomen dat voor verrekening in aanmerking kwam. Op grond hiervan vordert de vrouw vernietiging van zowel de vaststellingsovereenkomst als de huwelijkse voorwaarden van 7 juni 2007. De man heeft de vorderingen van de vrouw gemotiveerd bestreden. Volgens hem is de vrouw in het gehele traject van de eerste bespreking bij de notaris op 10 oktober 2006 tot en met de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst en de nieuwe huwelijkse voorwaarden op 7 juni 2007 steeds op de hoogte geweest van de verschillende concepten, is zij bij alle besprekingen met de notaris aanwezig geweest en is zij door de notaris toereikend voorgelicht over de consequenties van een en ander. 4.4 Bij tussenvonnis van 3 maart 2010 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft op 7 juni 2010 plaatsgevonden. Bij eindvonnis van 9 februari 2011 heeft de rechtbank de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst van 7 juni 2007 en de notariĂŤle akte tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden van 7 juni 2007 vernietigd, met compensatie van de proceskosten en afwijzing van het meer of anders gevorderde. Met zijn grieven komt de man op tegen deze beslissingen. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling; het hof zal eerst de vordering met betrekking tot de vaststellingsovereenkomst bespreken en daarna de vordering met betrekking tot de gewijzigde huwelijkse voorwaarden. 4.5 Op het moment dat partijen huwden, beschikten zij geen van beiden over vermogen. Tijdens het huwelijk heeft de man niet de beschikking gekregen over vermogen in de vorm van erfenissen e.d. Partijen hebben voornamelijk geleefd van de werkzaamheden van de man, eerst in zijn eenmanszaak en naderhand in zijn vennootschap(pen). Dat betekent dat het vermogen dat in zijn onderneming is opgebouwd, is terug te voeren op overgespaard inkomen dat op grond van de huwelijkse voorwaarden van 18 juni 1985 in beginsel voor verrekening tussen partijen in aanmerking kwam. Het inkomensbegrip in deze huwelijkse voorwaarden is niet beperkt tot bepaalde inkomsten, zodat het er geen grond is om aan te nemen dat de inkomsten die in de onderneming zijn gerealiseerd buiten de verrekening zouden moeten blijven. Er is niets gesteld of gebleken waaruit kan worden afgeleid dat partijen in 1985 bij het opstellen van de oorspronkelijke huwelijkse voorwaarden hebben beoogd het inkomensbegrip op welke wijze dan ook te clausuleren of in te perken. Daarvoor bestond, gezien hun omstandigheden van dat moment, op zich ook niet veel aanleiding. Partijen hadden op grond van het periodiek verrekenbeding in hun huwelijkse voorwaarden jaarlijks moeten verrekenen, maar hebben dat nagelaten. Voor het beroep op nog niet uitgevoerde verrekening was een vervaltermijn opgenomen, maar op een dergelijke vervaltermijn zal op grond van de redelijkheid en billijkheid die (voormalige) echtgenoten jegens elkaar in acht hebben te nemen in de regel niet met succes een beroep kunnen worden gedaan. Dit betekent dat in het onderhavige geval zonder nadere overeenkomsten bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding alle vermogen van beide partijen als overgespaard inkomen aangemerkt zou moeten worden dat voor verrekening in aanmerking zou komen in die zin dat beide partijen recht zouden hebben op de helft ervan. 4.6 Op het moment dat de vaststellingsovereenkomst werd gesloten was er sprake van vermogen aan de zijde van de man, dat wel zeggen de waarde van zijn onderneming. Wanneer het huwelijk van partijen op dat moment zou zijn ontbonden, zou de vrouw op

6


grond van de oorspronkelijke huwelijkse voorwaarden recht hebben gehad op de helft van die waarde. De consequentie van de vaststellingsovereenkomst is dat de vrouw nergens recht op heeft, niet voor de periode tot 31 december 2004 en niet voor de periode vanaf 1 januari 2005. Deze periodes zijn in die overeenkomst onderscheiden, maar dit onderscheid is voor de verdere beoordeling niet relevant. Met de vaststellingsovereenkomst hebben partijen nader beslist over de uitvoering van het verrekenbeding tot op dat moment. Deze overeenkomst is door hen aangemerkt als vaststellingsovereenkomst maar die kwalificatie is naar het oordeel van het hof niet juist, dit gelet op het bepaalde in artikel 7:900 lid 1 BW. Blijkens dit artikel is van een vaststellingsovereenkomst sprake indien partijen ter beĂŤindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan binden. De overeenkomst die partijen op 7 juni 2007 hebben gesloten houdt echter geen vaststelling in van hetgeen tussen partijen rechtens geldt; de strekking van deze overeenkomst is onmiskenbaar om een wijziging aan te brengen in de tussen partijen bestaande rechten en plichten. Immers de vrouw gaf door deze overeenkomst haar rechten op verrekening prijs, hetgeen iets anders dan de vaststelling dat zij die rechten niet zou hebben (gehad). 4.7 Op de verrekening is van toepassing het bepaalde in, onder meer, artikel 1:135 BW en ingevolge het tweede lid van deze bepaling eveneens het bepaalde in artikel 3:196 BW. Deze laatste bepaling brengt mee dat een verdeling (en op grond van artikel 1:135 BW ook een verrekening als waarvan in dit geval sprake is) vernietigbaar is in geval van dwaling over de waarde en daardoor voor meer dan een vierde is benadeeld. Ingevolge artikel 3:196 lid 2 BW wordt de dwaling vermoed als de benadeling voor meer dan een vierde vast staat. In dit geval is de benadeling van de vrouw evident: zij gaf immers alle rechten prijs zonder dat daar iets tegenover stond. Doordat zij niets ontving en over de periode tot aan de overeenkomst ook later niets meer zou kunnen ontvangen, is de benadeling altijd groter dan een vierde zodat de precieze omvang van die waarde in deze procedure, gelet op de vorderingen zoals deze zijn ingesteld, niet vastgesteld behoeft te worden. Uit niets is gebleken dat aan de vrouw op enig moment de consequentie van de overeenkomst is voorgehouden, dat deze haar duidelijk had moeten zijn of dat er sprake was van andere omstandigheden die zouden meebrengen dat de vrouw thans geen beroep kan doen op het bepaalde in artikel 3:196 BW in samenhang met artikel 1:135 BW. Dat beroep doet zij in deze procedure en met de rechtbank is het hof van oordeel dat dit beroep gerechtvaardigd is. Dit betekent dat de vordering van de vrouw tot vernietiging van de overeenkomst van 7 juni 2007 toewijsbaar is en het vonnis van de rechtbank op dit onderdeel bekrachtigd dient te worden. De grieven die hierop zien, worden verworpen. 4.8 Bij de beoordeling van de vordering met betrekking tot de akte tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden gaat het nu om een vergelijking tussen die huwelijkse voorwaarden en de oorspronkelijke huwelijkse voorwaarden. Hierbij speelt de overeenkomst van 7 juni 2007 geen rol meer nu die, zoals hiervoor uiteengezet, terecht is vernietigd. Naar het oordeel van het hof betekent de wijziging zonder meer een verslechtering van de positie van de vrouw. Het inkomensbegrip voor de verrekening is aanzienlijk ingeperkt; de man spreekt van het actualiseren van het inkomensbegrip, maar het hof beschouwt dat als een eufemisme voor inperking. In 1985 vielen immers alle inkomsten eronder en in 2007 niet meer. In alle redelijkheid kan dit niet anders dan als een inperking worden aangemerkt. Door (in ieder geval) deze omstandigheid was de wijziging van de huwelijkse voorwaarden in geval van echtscheiding zeer nadelig voor de vrouw. Zij ging daar evenwel niet van uit bij het verlenen van haar medewerking aan het tot stand komen van de nieuwe huwelijkse voorwaarden. De man ging daar naar eigen zeggen evenmin van uit. Volgens de man was de positie van de vrouw zelfs verbeterd (pleitnota hoger beroep punt 4.6). Hij verwijst hierbij naar de opvatting van de notaris daarover maar de voordelen die deze in de nieuwe huwelijkse voorwaarden meent waar te nemen, wegen naar het oordeel van het hof op geen enkele wijze op tegen het hiervoor geschetste nadeel voor de vrouw. Dit betekent dat met betrekking tot de

7


wijziging van de huwelijkse voorwaarden niet alleen de vrouw heeft gedwaald, maar ook de man, zodat er sprake is wederzijdse dwaling en op die grond de vordering tot vernietiging van de akte tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden van 7 juni 2007 voor toewijzing in aanmerking komt. Het vonnis van de rechtbank dient ook op dit onderdeel bekrachtigd te worden. De grieven die hierop zien, worden verworpen. 4.9 Een en ander leidt ertoe dat het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd. Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan zal het de proceskosten tussen hen compenseren. 5. De uitspraak Het hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen in die zin dat iedere partij daarvan de eigen kosten draagt. Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, B.A. Meulenbroek en A.R. Autar en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 februari 2012.

8


LJN: BV7624, Gerechtshof 's-Hertogenbosch , HD 200.085.753 Datum uitspraak: 28-02-2012 Datum publicatie: 02-03-2012 Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Huwelijksvermogensrecht. Vorderingen tot vernietiging van een overeenkomst inzake de werking van oorspronkelijke huwelijkse voorwaarden en tot vernietiging van nieuwe huwelijkse voorwaarden toegewezen. Vindplaats(en): Rechtspraak.nl RN 2012, 46

Uitspraak GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer HD 200.085.753 arrest van de zevende kamer van 28 februari 2012 in de zaak van [X.], wonende te [woonplaats], appellant, advocaat: mr. A.R. van Wieren, tegen: [Y.], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. K.T.J.M. Pijls-olde Scheper, op het bij exploot van dagvaarding van 8 april 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 9 februari 2011 tussen appellant - de man - als gedaagde en geïntimeerde - de vrouw - als eiseres. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer 213482/HA ZA 10-29) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 3 maart 2010. 2. Het geding in hoger beroep 2.1 De man is tijdig van het eindvonnis van 9 februari 2011 in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft de man onder overlegging van vier producties vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog afwijzing van de vorderingen van de vrouw. 2.2 Bij memorie van antwoord heeft de vrouw onder overlegging van twee producties de grieven bestreden.

4


2.3 Partijen hebben op 25 januari 2012 hun standpunten door hun advocaten aan de hand van pleitnota’s doen bepleiten. Daarna hebben partijen uitspraak gevraagd op het vooraf toegezonden procesdossier. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. 4. De beoordeling 4.1 De vaststelling van de feiten in het vonnis van 9 februari 2011 onder 3.1 is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. 4.2 Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. a) Partijen zijn op 20 juni 1985 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 15 december 2009 is in hun huwelijk de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. b) De akte huwelijkse voorwaarden van 18 juni 1985 bevat een uitsluiting van elke gemeenschap van goederen met een periodiek verrekenbeding, waaraan tijdens het huwelijk geen uitvoering is gegeven. Het begrip inkomen in het verrekenbeding is in de huwelijkse voorwaarden verder niet omschreven. Bij het verrekenbeding is een vervaltermijn van twee jaar opgenomen. Partijen beschikten ten tijde van het aangaan van hun huwelijk niet over relevant vermogen. c) Op 10 oktober 2006 hebben partijen met notaris [notaris] gesproken over, onder meer, wijziging van de huwelijkse voorwaarden. Bij brief van 15 maart 2007 heeft notaris [notaris] partijen een conceptakte huwelijkse voorwaarden toegestuurd met als toelichting onder meer dat hierin een finaal verrekenbeding is opgenomen dat meebrengt dat bij einde van het huwelijk door overlijden en/of echtscheiding tussen hen wordt afgerekend als waren zij in gemeenschap van goederen gehuwd geweest. d) In totaal zijn er vijf concepten opgesteld. Het laatste concept is na verkregen toestemming van de rechtbank door partijen op 7 juni 2007 ten overstaan van notaris [notaris] ondertekend. Deze huwelijkse voorwaarden bevatten een periodiek verrekenbeding waarin het begrip inkomen nader is omschreven in die zin dat het niet de werkelijke inkomsten uit vermogen, de winst van een rechtspersoon, optierechten, uitkeringen die niet jaarlijks terugkeren en vergoedingen aan het einde van een dienstbetrekking omvat. Deze beperkte uitleg ziet op de in de huwelijkse voorwaarden omschreven bedoeling van partijen om alleen te verrekenen hetgeen zij jaarlijks daadwerkelijk van hun inkomen besparen en hetgeen jaarlijks daadwerkelijk verdeeld kan worden. In artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden is in deze zin het begrip inkomen nader gedefinieerd; vermogensaanwas binnen een besloten vennootschap waarvan een echtgenoot in overwegende mate bij machte is de winstuitkering te bepalen, wordt niet tot het begrip inkomsten uit arbeid gerekend. De huwelijkse voorwaarden bevatten verder een finaal verrekenbeding bij ontbinding van het huwelijk door overlijden, niet door echtscheiding. e) Eveneens op 7 juni 2007 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin onder meer is bepaald dat het recht tot het vorderen van verrekening als bedoeld in de huwelijkse voorwaarden van 18 juni 1985 over de periode van 20 juni 1985 tot 31 december 2004 is vervallen en dat voor de periode van 1 januari 2005 tot 7 juni 2007 het verrekenbeding als uitgevoerd wordt beschouwd, zodat geen van partijen zich nog kan beroepen op enige verrekening over die periode. f) De man is op 1 december 1989 een eenmanszaak begonnen. Sinds 23 december 1999 is hij directeur/groot aandeelhouder van een besloten vennootschap waarin de eenmanszaak is ondergebracht en neemt hij via deze vennootschap deel in een aantal andere vennootschappen. 4.3 In deze procedure stelt de vrouw dat zij ervan uitging dat het contact met de notaris in oktober 2006 verband hield met een wijziging van de testamenten van partijen en een

5


daardoor wenselijke aanpassing van de huwelijkse voorwaarden, een en ander in verband met successierechten. De enige inhoudelijke toelichting op de consequenties van de wijziging van de huwelijkse voorwaarden van de kant van de notaris is volgens haar gegeven in diens brief van 15 maart 2007, waaruit zij afleidde dat de nieuwe huwelijkse voorwaarden in geval van echtscheiding voor haar geen negatieve consequenties zouden hebben. Volgens de vrouw zijn de huwelijkse voorwaarden van 7 juni 2007 tot stand zijn gekomen onder invloed van (wederzijdse) dwaling, bedrog dan wel misbruik van omstandigheden. Verder is de vrouw van mening dat zij door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst is benadeeld voor meer dan een kwart, aangezien zij daardoor niet langer kon meedelen in de waarde van de onderneming die tot stand was gekomen uit overgespaard inkomen dat voor verrekening in aanmerking kwam. Op grond hiervan vordert de vrouw vernietiging van zowel de vaststellingsovereenkomst als de huwelijkse voorwaarden van 7 juni 2007. De man heeft de vorderingen van de vrouw gemotiveerd bestreden. Volgens hem is de vrouw in het gehele traject van de eerste bespreking bij de notaris op 10 oktober 2006 tot en met de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst en de nieuwe huwelijkse voorwaarden op 7 juni 2007 steeds op de hoogte geweest van de verschillende concepten, is zij bij alle besprekingen met de notaris aanwezig geweest en is zij door de notaris toereikend voorgelicht over de consequenties van een en ander. 4.4 Bij tussenvonnis van 3 maart 2010 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft op 7 juni 2010 plaatsgevonden. Bij eindvonnis van 9 februari 2011 heeft de rechtbank de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst van 7 juni 2007 en de notariĂŤle akte tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden van 7 juni 2007 vernietigd, met compensatie van de proceskosten en afwijzing van het meer of anders gevorderde. Met zijn grieven komt de man op tegen deze beslissingen. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling; het hof zal eerst de vordering met betrekking tot de vaststellingsovereenkomst bespreken en daarna de vordering met betrekking tot de gewijzigde huwelijkse voorwaarden. 4.5 Op het moment dat partijen huwden, beschikten zij geen van beiden over vermogen. Tijdens het huwelijk heeft de man niet de beschikking gekregen over vermogen in de vorm van erfenissen e.d. Partijen hebben voornamelijk geleefd van de werkzaamheden van de man, eerst in zijn eenmanszaak en naderhand in zijn vennootschap(pen). Dat betekent dat het vermogen dat in zijn onderneming is opgebouwd, is terug te voeren op overgespaard inkomen dat op grond van de huwelijkse voorwaarden van 18 juni 1985 in beginsel voor verrekening tussen partijen in aanmerking kwam. Het inkomensbegrip in deze huwelijkse voorwaarden is niet beperkt tot bepaalde inkomsten, zodat het er geen grond is om aan te nemen dat de inkomsten die in de onderneming zijn gerealiseerd buiten de verrekening zouden moeten blijven. Er is niets gesteld of gebleken waaruit kan worden afgeleid dat partijen in 1985 bij het opstellen van de oorspronkelijke huwelijkse voorwaarden hebben beoogd het inkomensbegrip op welke wijze dan ook te clausuleren of in te perken. Daarvoor bestond, gezien hun omstandigheden van dat moment, op zich ook niet veel aanleiding. Partijen hadden op grond van het periodiek verrekenbeding in hun huwelijkse voorwaarden jaarlijks moeten verrekenen, maar hebben dat nagelaten. Voor het beroep op nog niet uitgevoerde verrekening was een vervaltermijn opgenomen, maar op een dergelijke vervaltermijn zal op grond van de redelijkheid en billijkheid die (voormalige) echtgenoten jegens elkaar in acht hebben te nemen in de regel niet met succes een beroep kunnen worden gedaan. Dit betekent dat in het onderhavige geval zonder nadere overeenkomsten bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding alle vermogen van beide partijen als overgespaard inkomen aangemerkt zou moeten worden dat voor verrekening in aanmerking zou komen in die zin dat beide partijen recht zouden hebben op de helft ervan. 4.6 Op het moment dat de vaststellingsovereenkomst werd gesloten was er sprake van vermogen aan de zijde van de man, dat wel zeggen de waarde van zijn onderneming. Wanneer het huwelijk van partijen op dat moment zou zijn ontbonden, zou de vrouw op

6


grond van de oorspronkelijke huwelijkse voorwaarden recht hebben gehad op de helft van die waarde. De consequentie van de vaststellingsovereenkomst is dat de vrouw nergens recht op heeft, niet voor de periode tot 31 december 2004 en niet voor de periode vanaf 1 januari 2005. Deze periodes zijn in die overeenkomst onderscheiden, maar dit onderscheid is voor de verdere beoordeling niet relevant. Met de vaststellingsovereenkomst hebben partijen nader beslist over de uitvoering van het verrekenbeding tot op dat moment. Deze overeenkomst is door hen aangemerkt als vaststellingsovereenkomst maar die kwalificatie is naar het oordeel van het hof niet juist, dit gelet op het bepaalde in artikel 7:900 lid 1 BW. Blijkens dit artikel is van een vaststellingsovereenkomst sprake indien partijen ter beĂŤindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan binden. De overeenkomst die partijen op 7 juni 2007 hebben gesloten houdt echter geen vaststelling in van hetgeen tussen partijen rechtens geldt; de strekking van deze overeenkomst is onmiskenbaar om een wijziging aan te brengen in de tussen partijen bestaande rechten en plichten. Immers de vrouw gaf door deze overeenkomst haar rechten op verrekening prijs, hetgeen iets anders dan de vaststelling dat zij die rechten niet zou hebben (gehad). 4.7 Op de verrekening is van toepassing het bepaalde in, onder meer, artikel 1:135 BW en ingevolge het tweede lid van deze bepaling eveneens het bepaalde in artikel 3:196 BW. Deze laatste bepaling brengt mee dat een verdeling (en op grond van artikel 1:135 BW ook een verrekening als waarvan in dit geval sprake is) vernietigbaar is in geval van dwaling over de waarde en daardoor voor meer dan een vierde is benadeeld. Ingevolge artikel 3:196 lid 2 BW wordt de dwaling vermoed als de benadeling voor meer dan een vierde vast staat. In dit geval is de benadeling van de vrouw evident: zij gaf immers alle rechten prijs zonder dat daar iets tegenover stond. Doordat zij niets ontving en over de periode tot aan de overeenkomst ook later niets meer zou kunnen ontvangen, is de benadeling altijd groter dan een vierde zodat de precieze omvang van die waarde in deze procedure, gelet op de vorderingen zoals deze zijn ingesteld, niet vastgesteld behoeft te worden. Uit niets is gebleken dat aan de vrouw op enig moment de consequentie van de overeenkomst is voorgehouden, dat deze haar duidelijk had moeten zijn of dat er sprake was van andere omstandigheden die zouden meebrengen dat de vrouw thans geen beroep kan doen op het bepaalde in artikel 3:196 BW in samenhang met artikel 1:135 BW. Dat beroep doet zij in deze procedure en met de rechtbank is het hof van oordeel dat dit beroep gerechtvaardigd is. Dit betekent dat de vordering van de vrouw tot vernietiging van de overeenkomst van 7 juni 2007 toewijsbaar is en het vonnis van de rechtbank op dit onderdeel bekrachtigd dient te worden. De grieven die hierop zien, worden verworpen. 4.8 Bij de beoordeling van de vordering met betrekking tot de akte tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden gaat het nu om een vergelijking tussen die huwelijkse voorwaarden en de oorspronkelijke huwelijkse voorwaarden. Hierbij speelt de overeenkomst van 7 juni 2007 geen rol meer nu die, zoals hiervoor uiteengezet, terecht is vernietigd. Naar het oordeel van het hof betekent de wijziging zonder meer een verslechtering van de positie van de vrouw. Het inkomensbegrip voor de verrekening is aanzienlijk ingeperkt; de man spreekt van het actualiseren van het inkomensbegrip, maar het hof beschouwt dat als een eufemisme voor inperking. In 1985 vielen immers alle inkomsten eronder en in 2007 niet meer. In alle redelijkheid kan dit niet anders dan als een inperking worden aangemerkt. Door (in ieder geval) deze omstandigheid was de wijziging van de huwelijkse voorwaarden in geval van echtscheiding zeer nadelig voor de vrouw. Zij ging daar evenwel niet van uit bij het verlenen van haar medewerking aan het tot stand komen van de nieuwe huwelijkse voorwaarden. De man ging daar naar eigen zeggen evenmin van uit. Volgens de man was de positie van de vrouw zelfs verbeterd (pleitnota hoger beroep punt 4.6). Hij verwijst hierbij naar de opvatting van de notaris daarover maar de voordelen die deze in de nieuwe huwelijkse voorwaarden meent waar te nemen, wegen naar het oordeel van het hof op geen enkele wijze op tegen het hiervoor geschetste nadeel voor de vrouw. Dit betekent dat met betrekking tot de

7


wijziging van de huwelijkse voorwaarden niet alleen de vrouw heeft gedwaald, maar ook de man, zodat er sprake is wederzijdse dwaling en op die grond de vordering tot vernietiging van de akte tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden van 7 juni 2007 voor toewijzing in aanmerking komt. Het vonnis van de rechtbank dient ook op dit onderdeel bekrachtigd te worden. De grieven die hierop zien, worden verworpen. 4.9 Een en ander leidt ertoe dat het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd. Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan zal het de proceskosten tussen hen compenseren. 5. De uitspraak Het hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen in die zin dat iedere partij daarvan de eigen kosten draagt. Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, B.A. Meulenbroek en A.R. Autar en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 februari 2012.

8


De invloed van de recessie op de legitieme portie Inleiding In art. 4:65 BW wordt bepaald dat de legitieme porties worden berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap, vermeerderd met de in aanmerking te nemen giften en verminderd met bepaalde schulden der nalatenschap. Onder waarde van de goederen der nalatenschap wordt verstaan de waarde van de goederen onmiddellijk na het overlijden van de erflater (art. 4:6 BW). De legitimaris is zonder andersluidende testamentaire bepaling geen erfgenaam. Hij heeft slechts een vordering op de nalatenschap en uiteraard dient er voor de vaststelling van die vordering een peildatum te worden bepaald. Die peildatum wordt in de wet gesteld per datum overlijden. 1 Op zich is dat niet onredelijk. De legitimaris is - in het geval hij geen erfgenaam is - ook helemaal niet betrokken bij de te gelde making van de bestanddelen van de nalatenschap en daarbij past dat hij ook niet in het lief en leed van deze vermogensbestanddelen deelt. Dat is begrijpelijk bij een nalatenschap die voor verdeling gereed is en zelfs ook bij een nalatenschap waar de vermogensbestanddelen zonder veel moeite liquide te maken zijn. Het wordt echter onbegrijpelijk als een nalatenschap voor het merendeel uit onroerend goed bestaat dat, zoals thans het geval is, onverkoopbaar is én sinds het openvallen van de nalatenschap sterk in waarde daalt. Behalve de daling van de waarde en onverkoopbaarheid speelt daarbij nog als extra complicerende factor het feit dat het aanhouden van vermogensbestanddelen kosten met zich meebrengt. Dat alles bij elkaar genomen kan ertoe leiden dat wanneer art. 4:65 jo. 6 BW strikt toegepast wordt, de legitimaris uiteindelijk meer verkrijgt dan de erfgenaam en dat zal toch niet de bedoeling van erflater geweest zijn. Een voorbeeld ter illustratie: Vader, alleenstaand, overlijdt eind 2009 met achterlating van twee zonen A en B. Een van de zonen (A) heeft hij onterfd. Zijn nalatenschap bestaat uitsluitend uit een jaren-tachtig eengezinswoning, op datum overlijden waard € 250.000,-. Op de woning rust een hypothecaire geldlening van € 100.000,-. De woning lijkt onverkoopbaar. In oktober 2012 wordt hij echter voor € 175.000,- verkocht. In de periode die verstreken is sedert het overlijden van vader heeft zoon B € 20.000,- aan kosten aan de woning gemaakt (hypotheekrente, energie, onderhoud). Een en ander resulteert erin dat na verkoop van de woning zoon A zijn legitieme portie van € 37.500,(een/vierde van € 150.000,-) incasseert en erfgenaam B tevreden moet zijn met € 17.500,-. Dat kan toch niet de bedoeling zijn! In het onderstaande zal de achtergrond van het opnemen van de peildatum nader bezien worden en gezocht worden naar een oplossing om in de in het bovenstaande geschetste gevallen tot een redelijke oplossing te komen. Achtergrond peildatum waardering; vergelijking met oud BW Onder het oude erfrecht van vóór 2003 had de legitimaris een aanspraak op goederen. Deze aanspraak op goederen kon alleen doorbroken worden door de ouderlijke boedelverdeling, maar 1

Zie Handboek Erfrecht (2011) Van Mourik, p. 32 die constateert dat met deze bepaling enigerlei maatstaf niet is aangereikt.

1


deze doorbreking van de aanspraak op goederen gold niet alleen voor de legitimarissen, maar voor alle (kinderen) erfgenamen. Wanneer de legitimaris een beroep deed op zijn legitieme portie (art. 4:960 jo. 967 (oud) BW) werd hij automatisch erfgenaam en nam hij derhalve deel aan de verdeling. Wanneer de goederen der nalatenschap in waarde daalden of juist in waarde toenamen werden de andere erfgenamen en de legitimarissen daar in gelijke mate door getroffen. Bovendien stonden de legitimarissen als deelgenoten tegenover elkaar bij de verdeling van de nalatenschap waardoor de redelijkheid en de billijkheid (art. 3:166 lid 3 BW) direct op hun verhouding van toepassing was.2 In het sinds 2003 geldende erfrecht is de positie van legitimaris zeer verzwakt. In plaats van erfgenaam en derhalve deelgenoot in de nalatenschap, krijgt hij slechts een vordering die bij aanwezigheid van een langstlevende partner zelfs veelal pas opeisbaar is bij overlijden van de langstlevende partner (art. 81 lid 2 en art. 4:82 BW). In die constructie is het mogelijk dat bij overlijden van de langstlevende de legitieme geheel verdampt is. Enige (goederenrechtelijke) zekerheid dat er nog iets voor hem overblijft heeft de legitimaris niet. Dat laatste komt echter heel anders te liggen wanneer de opeisbaarheid niet uitgesteld kan worden en de legitieme portie onmiddellijk, dat wil zeggen, zes maanden na overlijden van erflater, opeisbaar is (art. 4:81 BW). Dat is dus bijvoorbeeld het geval als er zoals in het voorbeeld, geen langstlevende is. De termijn van zes maanden is gekozen omdat de erfgenamen de mogelijkheid moeten hebben om de legitieme portie liquide te maken. In een niet door de recessie geteisterde economie een redelijke termijn. De legitimaris krijgt hiermee een vergelijkbare positie als de legataris aan wie een geldsom is gelegateerd, wiens legaat zonder nadere bepaling ook na zes maanden opeisbaar is (art. 4:125 BW). Bij een legaat is er echter het verschil dat in een testament een langere termijn bepaald kan worden of dat de uitkering van het legaat bijvoorbeeld gekoppeld wordt aan de verkoop en levering van de woning. Ten aanzien van de opeisbaarheid van de legitieme portie kan niet van de in de wet vermelde termijn afgeweken worden. Wanneer een legaat ten bedrage van de legitieme portie aan de legitimaris nagelaten wordt, dat later dan zes maanden na overlijden opeisbaar is, maakt dat het legaat of de erfstelling van de legitimaris inferieur (art. 4:73 BW). De legitimaris kan zijn legaat of erfdeel dan verwerpen en alsnog zijn vordering opeisen. Hoewel dat naar mijn mening nooit de bedoeling van de wetgever geweest kan zijn, is het dus zo dat daar waar er geen langstlevende in het spel is de legitimaris onder omstandigheden, zoals bij een neergaande economie, een sterkere positie heeft dan de erfgenamen en de legitimaris in het oude erfrecht, omdat hij een verbintenisrechtelijke aanspraak heeft en niet deelt in economische winst of verlies.

2

Zie W. Heuff, Afrekenen in het erfrecht vanuit een ander perspectief, Yin-Yang (Van Mourik bundel), Deventer: Kluwer 2004, p. 46, die in dat kader spreekt over 'verdelingswaarde'. Zie daarover ook W. Burgerhart, diss. Radboud Universiteit 2008, p. 170.

2


Vergelijking met het huwelijksvermogensrecht Wanneer we de positie van de legitimaris vergelijken met de echtgenoot in Boek 1 BW dan signaleren we daar juist een tegenovergestelde tendens. Daar zien we dat de wetgever in bijvoorbeeld art. 1:87, 1:95 en 1:141 BW uitgaat van economische gerechtigdheid. Zo deelt in art. 1:87 BW de vergoedingsgerechtigde mee in de winst, maar ook in het verlies (de beleggingsleer). Weliswaar wordt deze beleggingsleer met name verdedigd met de lotsverbondenheid die tussen de echtgenoten bestaat, maar ook in het erfrecht hebben we te maken met deze niet-zakelijke verhoudingen, zelfs al zijn de verhoudingen (tijdelijk) verstoord. Ook hier is sprake van een lotsverbondenheid met erflater. Ook al is de legitimaris concurrent schuldeiser, de grond van zijn vordering is toch een hele andere dan bijvoorbeeld een schuldeiser in een faillissement. Mogelijke oplossingen Vriend en vijand van het bestaan van de legitieme portie moeten het hierover toch eens zijn, het kan niet zo zijn dat een legitimaris bevoordeeld wordt ten opzichte van de erfgenaam. Om te voorkomen dat in het geschetste voorbeeld de legitimaris een hogere vordering krijgt dan de uiteindelijke waarde van zijn breukdeel in de nalatenschap op moment van verdeling, zou art. 4:6 BW aangepast kunnen worden door de waardering te bepalen op de datum van de verdeling van de nalatenschap. In dat geval wordt dus aangesloten bij de hoofdregel van art. 3:185 BW: datum verdeling. Over de peildatum bij de waardering is in de parlementaire geschiedenis overigens weinig te vinden.3 Alleen wordt opgemerkt dat de waarde door het overlijden kan zijn be誰nvloed.4 Omdat de waardering misschien een specifiek 'legitieme probleem' is zou een andere mogelijkheid zijn art. 4:65 BW aan te passen in die zin dat daaraan een tweede lid wordt toegevoegd waarin bepaald wordt dat de waarde van de legitieme wordt vastgesteld op datum verdeling. Uiteraard zou deze bepaling dan ook waarborgen moeten bieden dat de verdeling door de erfgenamen niet straffeloos wordt uitgesteld. Wat er voor het bovenstaande ook te zeggen is, een wetswijziging duurt (te) lang en het verdient de voorkeur een binnen de wet te vinden oplossing te zoeken. Ik denk hierbij aan de redelijkheid en billijkheid. Gezien het feit dat de legitimaris geen deelgenoot is (ook al voelt dat wel zo) kan geen directe aansluiting gezocht worden bij art. 3:166 lid 3 BW. Wellicht dat art. 3:166 lid 3 BW wel analoog kan worden toegepast. Is de positie van de legitimaris immers zo anders dan die van de deelgenoot-erfgenaam? Een andere optie zou zijn bij de algemene redelijkheid en billijkheidsbepalingen aansluiting te zoeken. De positie van de legitimaris is immers die van een schuldeiser, hij heeft slechts een

3 4

Zie Van Mourik, t.a.p. die in dit verband wijst naar de rechtsfeer waarin partijen zich bevinden. Zie MvT, Parl. Gesch. InvW 4, p. 1185

3


vordering, een verbintenisrechtelijke aanspraak. Heuff 5 heeft in dit verband opgemerkt dat hoewel art. 3:166 lid 3 BW niet meer van toepassing is op de verhouding schuldeiser en schuldenaar, zij zich jegens elkaar verplicht zijn te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. Hij baseert dit op art. 6:2 BW waar art. 3:166 lid 3 BW ook naar verwijst.6 Hij voegt daaraan toe dat de onterfde erfgenaam weliswaar niet meer in natura participeert in de boedel, maar wel economisch. De eisen van de redelijkheid en billijkheid, die voor de verdeling gelden, waarbij de verdelingswaarde een rol speelt, en derhalve de omvang van een erfdeel bepalen, werken ook door naar de bepaling van de omvang van de legitieme portie, die van de boedelgemeenschap wordt afgeleid. Heuff stelt daarbij dat wanneer dit niet zo zou zijn, het een verstoring van de verhoudingen met zich mee zou brengen en tot moeilijk oplosbare problemen zou kunnen leiden (zie mijn casus!). De conclusie van Heuff is dan ook dat voor de berekening van de legitimaire massa er op dit punt geen verandering zal optreden. De verdelingswaarde voor het erfdeel van de erfgenaam en de waarde van de vordering van de legitimaris dienen derhalve hetzelfde economische lot beschoren te zijn. Ik kan dit standpunt geheel onderschrijven. Mijns inziens is het in strijd met de redelijkheid en de billijkheid (art. 6:2 BW) wanneer de legitimaris zich op de ten tijde van het overlijden geldende waarde beroept tegenover de erfgenaam wanneer het buiten de schuld van de erfgenaam ligt dat de goederen waaruit de vorderingen van de legitimaris voldaan dienen te worden sinds het overlijden van erflater (sterk) in waarde gedaald zijn en niet liquide te maken zijn. De legitieme portie is een regeling van dwingend recht. Men moet terughoudend zijn met inbreuk maken op deze dwingendrechtelijke regeling. Daarom moeten zware eisen aan het opzij zetten van regels die deel uitmaken van deze dwingendrechtelijke regeling (zie HR 20 januari 1989, NJ 1989, 322 (Wesselingh/Weisz)) worden gesteld. Om dit te beoordelen zullen alle relevante feiten in ogenschouw genomen worden, zoals: is er sprake van definitieve, althans langdurige waardedaling (in ieder geval langer dan de periode waarbinnen de legitieme opeisbaar wordt), zijn er geen liquiditeiten waaruit de legitieme portie voldaan kan worden, is het in de onderhavige verhouding tussen de legitimaris en erfgenaam onredelijk om van de waarde ten tijde van overlijden af te wijken? Dient het bovenstaande ook te gelden voor het geval de goederen der nalatenschap in waarde stijgen? Mijns inziens wel. Ook daar geldt de koppeling van erfgenaamschap en legitieme portie. Uiteraard blijft uitgangspunt de waarde op datum overlijden, maar een beroep op de redelijkheid en billijkheid kan tot een andere waarde leiden.

5

Heuff, t.a.p. Lid 3 luidt: Op de rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten is artikel 2 van Boek 6 van overeenkomstige toepassing.

6

4


Wat zou dat betekenen voor de in het bovenstaande aan de orde gestelde casus? De legitimaire massa zou als volgt berekend moeten worden: waarde woning € 175.000,- (verkoopprijs). Daarvan dienen de schulden afgetrokken te worden, te weten de hypothecaire geldlening (€ 100.000,-) en de sinds overlijden gemaakte kosten (€ 20.000,-). Blijft over: € 55.000,-. De legitieme portie voor zoon B bedraagt een/vierde, d.w.z. € 13.750,- en het erfdeel van zoon A drie/vierde of wel € 41.250,-.7 Mijns inziens doet deze uitkomst veel meer recht aan de ratio van de legitieme portie zoals deze thans in de wet is opgenomen: (enige) bescherming van de afstammeling tegen zijn onterving. Bevoordeling boven de erfgenaam mist echter elke redelijke grond.

7

Ik ben hierbij uitgegaan van bruto bedragen. In dit voorbeeld zal de legitimaris er nog relatief gunstig vanaf komen omdat zijn verkrijging binnen de vrijstelling blijft en die van de erfgenamen niet.

5



AvdR Webinars