Page 1

Actualiteiten Personenen Familierecht

Cursus op locatie

Datum 2 december 2013

Spreker  prof. mr. A.J.M. Nuytinck


SERIE WERKCOLLEGES BURGERLIJK PROCESRECHT START 6 DECEMBER 2013 De sprekers:

prof. mr. W.D.H. Asser

mr. drs. P.J.J. Vonk

(raadsheer Hoge Raad)

(senior raadsheer Hof Den Haag, rechterplaatsvervanger Rechtbank Noord-Holland)

prof. mr. M.J.A.M. Ashmann

(senior rechter A Rechtbank Den Haag, bijzonder hoogleraar Rechtspleging Universiteit Leiden)

48 PO

mr. E. Loesberg

(senior rechter Rechtbank Oost-Brabant)

mr. dr. G. van Rijssen

(raadsheer Hof Arnhem-Leeuwarden)

mr. J.F.M. Strijbos

(rechter-plaatsvervanger Rechtbank Oost-Brabant, raadsheer-plaatsvervanger Hof Amsterdam)

Een persoonlijk abonnement kost € 1000,Een kantoor abonnement kost € 1200,U kunt de colleges verdelen tussen de collegae.

mr. F.J.P. Lock

(raadsheer Hof Arnhem-Leeuwarden)

Kijk op www.avdr.nl voor meer informatie


Inhoudsopgave Prof. Mr. A.J.M. Nuytinck Huwelijksvermogensrecht Doorlopende tekst vernieuwd huwelijksvermogensrecht per 1 september 2013 A.J.M. Nuytinck, ‘Moet art. 1:99 BW op de schop?’, WPNR 2013/6975, p. 383-388 A.J.M. Nuytinck, ‘Datum en tijdstip indiening echtscheidingsverzoek’, WPNR 2013/6984, p. 589-590

p. 5 p. 17 p. 25

Huwelijk en geregistreerd partnerschap Voorstel van wet van 28 januari 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mede in verband met de evaluatie van de Wet openstelling huwelijk en de Wet geregistreerd partnerschap, Kamerstukken II 2012/13, 33 526, nr. 2 p. 27 Voorstel van wet van 26 november 2012 tot wijziging van Boek 1 en Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek betreffende de huwelijksleeftijd, de huwelijksbeletselen, de nietigverklaring van een huwelijk en de erkenning van in het buitenland gesloten huwelijken (Wet tegengaan huwelijksdwang), Kamerstukken II 2012/13, 33 488, nr. 2 p. 40 Burgerlijke stand Gewijzigd voorstel van wet van 21 juni 2011 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging van en de invoering van een elektronische dienstverlening bij de burgerlijke stand (Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand), Kamerstukken I 2010/11, 32 444, A p. 48 Gewijzigd voorstel van wet van 9 april 2013 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens in verband met het wijzigen van de voorwaarden voor en de bevoegdheid ter zake van wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte, Kamerstukken I 2012/13, 33 351, A

p. 57

Echtscheidingsrecht Gewijzigd voorstel van wet van 15 januari 2013 van het lid Bontes (PVV) tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het beperken van de duur van partneralimentatie en tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het desverzocht verstrekken van berekeningen van draagkracht en behoefte in zaken betreffende partneralimentatie, Kamerstukken II 2012/13, 33 311, nr. 5 p. 61 Initiatiefnota van 20 juni 2012 van de leden Van der Steur (VVD), Recourt (PvdA) en Berndsen (D66) over partneralimentatie, Kamerstukken II 2011/12, 33 312, nr. 2

3

p. 64


Afstammings- en adoptierecht Gewijzigd voorstel van wet van 30 oktober 2012 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie, Kamerstukken I 2012/13, 33 032, A p. 69 Voorstel van rijkswet van 14 januari 2013 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met wijziging van Boek 1 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek betreffende het ontstaan van het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie, Kamerstukken II 2012/13, 33 514 (R1998), nr. 2 p. 79 Gezagsrecht Wet van 6 december 2012, Stb. 2013, 72, gedeeltelijk in werking getreden op 1 juli 2013, tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg en Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, de Algemene Kinderbijslagwet en de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen alsmede enige andere wetten in verband met de verbetering van de positie van pleegouders (verbetering positie pleegouders) p. 81 Curatele, meerderjarigenbewind en mentorschap Wet van 16 oktober 2013, Stb. 2013, 414, tot wijziging van enige bepalingen van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek inzake curatele, onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen en mentorschap ten behoeve van meerderjarigen en enige andere bepalingen (Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap), datum van inwerkingtreding: 1 januari 2014 (met uitzondering van beloningsregels en kwaliteitseisen professionele curatoren, bewindvoerders en mentoren) p. 95

4


Doorlopende tekst van de gewijzigde artikelen van de titels 1.6, 1.7 en 1.8 Burgerlijk Wetboek, van het gewijzigde artikel 61 Faillissementswet en van de overgangsbepaling (artikel V), zoals deze luidt volgens de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen (Wet van 18 april 2011, Stb. 2011, 205, datum van inwerkingtreding: 1 januari 2012 krachtens Besluit van 20 juni 2011, Stb. 2011, 335). De tekst van de reparatiewet (Wet van 27 oktober 2011, Stb. 2011, 505, datum van inwerkingtreding: 1 januari 2012 krachtens Besluit van 14 november 2011, Stb. 2011, 532) is hierin verwerkt. Artikelen 81 en 82 Ongewijzigd. Artikel 83 Echtgenoten verschaffen elkaar desgevraagd inlichtingen over het door hen gevoerde bestuur alsmede over de stand van hun goederen en schulden. Artikelen 84 tot en met 86 Ongewijzigd. Artikel 87 1. Indien een echtgenoot ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een goed dat tot zijn eigen vermogen zal behoren, verkrijgt of indien ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een schuld ter zake van een tot zijn eigen vermogen behorend goed wordt voldaan of afgelost, ontstaat voor de eerstgenoemde echtgenoot een plicht tot vergoeding. 2. De vergoeding beloopt een gedeelte van de waarde van het goed op het tijdstip waarop de vergoeding wordt voldaan. Dit gedeelte: a. is in het geval van een verkrijging ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot evenredig aan het uit diens vermogen afkomstige aandeel in de tegenprestatie voor het goed; b. komt in het geval van een voldoening of aflossing ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot overeen met de verhouding tussen het uit diens vermogen voldane of afgeloste bedrag ten opzichte van de waarde van het goed op het tijdstip van die voldoening of aflossing. 3. Ten aanzien van de vergoeding gelden voorts de volgende regels: a. tenzij de echtgenoot het vermogen van de andere echtgenoot met diens toestemming heeft aangewend op de wijze als bedoeld in het eerste lid, beloopt de vergoeding ten minste het nominale bedrag dat ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot is gekomen; b. ter zake van goederen die naar hun aard bestemd zijn om te worden verbruikt, beloopt de vergoeding steeds het nominale bedrag dat ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot is gekomen; c. ter zake van goederen die inmiddels zijn vervreemd zonder dat daarvoor andere goederen in de plaats zijn gekomen, wordt in plaats van de waarde, bedoeld in de aanhef van het tweede lid, uitgegaan van de waarde ten tijde van de vervreemding. Met een vervreemding wordt gelijkgesteld het onherroepelijk worden van een begunstiging bij een sommenverzekering of een andere begunstiging bij een beding ten behoeve van een derde. 4. Echtgenoten kunnen bij overeenkomst afwijken van het eerste tot en met het derde lid. Geen vergoeding is verschuldigd voorzover door de verkrijging, voldoening of aflossing ten

5


laste van het vermogen van de andere echtgenoot wordt voldaan aan een op die echtgenoot rustende verbintenis. 5. Kan de vergoeding overeenkomstig het eerste tot en met het vierde lid niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat. Artikelen 88 en 89 Ongewijzigd. Artikel 90 1. Een echtgenoot is bevoegd tot het bestuur van zijn eigen goederen en, volgens de regels van artikel 97, tot het bestuur van goederen van een gemeenschap. 2. Het bestuur van een echtgenoot over een goed omvat de uitoefening van de daaraan verbonden bevoegdheden, daaronder begrepen de bevoegdheid tot beschikking en tot beheer en de bevoegdheid om ten aanzien van dat goed feitelijke handelingen te verrichten en toe te laten, onverminderd de bevoegdheden tot genot en gebruik die de andere echtgenoot overeenkomstig de huwelijksverhouding toekomen. 3. Tussen de echtgenoot die het hem toekomend bestuur overlaat aan de andere echtgenoot, en deze laatste zijn de bepalingen omtrent opdracht van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van de aard van de huwelijksverhouding en de aard der goederen. 4. De echtgenoot die een goed bestuurt, kan als partij naast de andere echtgenoot toetreden tot een rechtshandeling die deze laatste met betrekking tot dat goed heeft verricht. De verklaring van toetreding wordt gericht tot hen die partij bij de rechtshandeling zijn; artikel 56 van Boek 3 is van overeenkomstige toepassing. Is voor het verrichten van de rechtshandeling een bepaalde vorm voorgeschreven, dan geldt voor de toetreding hetzelfde vereiste. De echtgenoot kan toetreding tot bijkomstige en tot reeds opeisbare rechten en verplichtingen uitsluiten; hij wordt geacht zich slechts te hebben verbonden onder eerbiediging van tevoren aan derden verleende rechten. Artikelen 91 tot en met 92a Ongewijzigd. Artikel 93 Bij huwelijkse voorwaarden kan uitdrukkelijk of door de aard der bedingen worden afgeweken van bepalingen van deze titel, behalve voorzover bepalingen zich uitdrukkelijk of naar hun aard tegen afwijking verzetten. Artikel 94 1. Van het ogenblik der voltrekking van het huwelijk bestaat tussen de echtgenoten van rechtswege een gemeenschap van goederen. 2. De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, alle goederen der echtgenoten, bij aanvang van de gemeenschap aanwezig of nadien, zolang de gemeenschap niet is ontbonden, verkregen, met uitzondering van: a. goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen;

6


b. pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen; c. rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 29 en 30 van Boek 4, vruchtgebruik dat op grond van die bepalingen is gevestigd, alsmede hetgeen wordt verkregen ingevolge artikel 34 van Boek 4. 3. Goederen en schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, vallen slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet. 4. Vruchten van goederen die niet in de gemeenschap vallen, vallen evenmin in de gemeenschap. Buiten de gemeenschap valt hetgeen wordt ge誰nd op een vordering die buiten de gemeenschap valt, alsmede een vordering tot vergoeding die in de plaats van een eigen goed van een echtgenoot treedt, waaronder begrepen een vordering ter zake van waardevermindering van zulk een goed. 5. De gemeenschap omvat, wat haar lasten betreft, alle schulden van ieder der echtgenoten, met uitzondering van schulden: a. betreffende van de gemeenschap uitgezonderde goederen; b. uit door een der echtgenoten gedane giften, gemaakte bedingen en aangegane omzettingen als bedoeld in artikel 126, eerste lid, en tweede lid, onder a en c, van Boek 4. 6. Bestaat tussen echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt dat goed als gemeenschapsgoed aangemerkt. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers der echtgenoten. Artikel 95 1. Een goed dat een echtgenoot anders dan om niet verkrijgt, blijft buiten de gemeenschap indien de tegenprestatie bij de verkrijging van dit goed voor meer dan de helft ten laste komt van zijn eigen vermogen. Voor zover de tegenprestatie ten laste van de gemeenschap komt, is de echtgenoot gehouden tot een vergoeding aan de gemeenschap. Het beloop van de vergoeding wordt bepaald overeenkomstig artikel 87, tweede en derde lid. 2. Indien een goed tot de gemeenschap gaat behoren en een echtgenoot bij de verkrijging uit zijn eigen vermogen aan de tegenprestatie heeft bijgedragen, komt deze echtgenoot een vergoedingsvordering toe, waarvan het beloop overeenkomstig artikel 87, tweede en derde lid, wordt bepaald. Artikel 96 1. Voor een schuld van een echtgenoot kunnen, ongeacht of deze in de gemeenschap is gevallen, zowel de goederen der gemeenschap als zijn eigen goederen worden uitgewonnen. 2. Voor een niet in de gemeenschap gevallen schuld van een echtgenoot kunnen de goederen van de gemeenschap niet worden uitgewonnen, indien de andere echtgenoot eigen goederen van eerstgenoemde aanwijst, die voldoende verhaal bieden. 3. De echtgenoot uit wiens eigen goederen een schuld der gemeenschap is voldaan, heeft deswege recht op vergoeding uit de goederen der gemeenschap. Betreft het een schuld ter zake van een tot de gemeenschap behorend goed, dan wordt het beloop van de vergoeding bepaald overeenkomstig artikel 87, tweede en derde lid. 4. De echtgenoot wiens niet in de gemeenschap gevallen schuld uit goederen der gemeenschap is voldaan, is deswege gehouden tot vergoeding aan de gemeenschap. Betreft het een schuld ter zake van een tot zijn eigen vermogen behorend goed, dan wordt het beloop van de vergoeding bepaald overeenkomstig artikel 87, tweede en derde lid.

7


5. De echtgenoot die een schuldeiser tegenwerpt dat een goed waarop deze verhaal zoekt niet behoort tot de gemeenschap, draagt daarvan de bewijslast. Artikel 96a Indien een echtgenoot door een begunstiging bij een door zijn overlijden tot uitkering komende sommenverzekering een gift aan een derde heeft gedaan en ten laste van de gemeenschap premies voor die verzekering zijn gekomen, is de echtgenoot deswege gehouden tot vergoeding aan de gemeenschap. De vergoeding beloopt een gedeelte van de waarde van de uitkering, evenredig aan het uit de gemeenschap afkomstige aandeel in de premies. Artikel 96b Echtgenoten kunnen bij overeenkomst het beloop van vergoedingen ingevolge de artikelen 95, 96 en 96a anders bepalen. Artikel 87, vierde lid, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing. Kan de vergoeding niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat. Artikel 97 1. Een goed dat op naam van een echtgenoot staat of dat hij krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift heeft verkregen, staat onder diens bestuur. Voor het overige is ieder der echtgenoten bevoegd tot het bestuur over de goederen van de gemeenschap. Artikel 170, eerste lid, van Boek 3 is van overeenkomstige toepassing. 2. Is een goed der gemeenschap met toestemming, verleend door de echtgenoot onder wiens bestuur dat goed alleen of mede stond, dienstbaar aan een beroep of bedrijf van de andere echtgenoot, dan berust het bestuur van dat goed, voor zover het handelingen betreft die als normale uitoefening van dat beroep of bedrijf zijn te beschouwen, uitsluitend bij laatstbedoelde echtgenoot en voor het overige bij de echtgenoten gezamenlijk. Een verleende toestemming geldt voor de gehele duur van het beroep of bedrijf, tenzij de echtgenoten anders overeenkomen, doch de rechtbank kan de dienstbaarheid op verzoek van een echtgenoot te allen tijde wegens gegronde redenen beĂŤindigen. 3. Geschillen tussen de echtgenoten over het bestuur ten aanzien van tot de gemeenschap behorende goederen, kunnen op verzoek van de echtgenoten of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Artikel 98 Vervallen. Artikel 99 1. De gemeenschap wordt van rechtswege ontbonden: a. in geval van het eindigen van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap door overlijden: op het tijdstip van overlijden; b. in geval van beĂŤindiging van het huwelijk door echtscheiding of ontbinding van het geregistreerd partnerschap door de rechter: op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding onderscheidenlijk indiening van het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap;

8


c. in geval van scheiding van tafel en bed: op het tijdstip van indiening van het verzoek tot scheiding van tafel en bed; d. in geval van opheffing van de gemeenschap door een beschikking: op het tijdstip van indiening van het verzoek tot opheffing van de gemeenschap; e. in geval van beĂŤindiging van het geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden: op het tijdstip waarop de overeenkomst tot beĂŤindiging wordt gesloten; f. in geval van vermissing en een daarop gevolgd huwelijk of geregistreerd partnerschap: op het tijdstip waarop de beschikking, bedoeld in artikel 417, eerste lid, in kracht van gewijsde is gegaan; g. in geval van opheffing bij latere huwelijkse voorwaarden: op het tijdstip, bedoeld in artikel 120, eerste lid. 2. De ontbinding van de gemeenschap door indiening van een verzoek als bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d, alsmede door sluiting van een overeenkomst als bedoeld onder e, kan aan derden die daarvan onkundig waren slechts worden tegengeworpen, indien het desbetreffende verzoek dan wel de overeenkomst ingeschreven was in het huwelijksgoederenregister, bedoeld in artikel 116. 3. Indien vast komt te staan dat een verzoek als bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d, dan wel een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, onder e, niet meer kan leiden tot echtscheiding, ontbinding van het geregistreerd partnerschap, scheiding van tafel en bed, opheffing van de gemeenschap door een beschikking, onderscheidenlijk beĂŤindiging van het geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden, herleven van rechtswege alle gevolgen van de gemeenschap, alsof er geen verzoek was ingediend of overeenkomst was gesloten, tenzij zich inmiddels een andere grond voor ontbinding heeft voorgedaan. Nochtans wordt de geldigheid van rechtshandelingen die zijn verricht tussen het tijdstip van indiening van het verzoek of sluiting van de overeenkomst en het tijdstip waarop komt vast te staan dat het verzoek of de overeenkomst niet meer tot het in de eerste zin bedoelde gevolg kan leiden, beoordeeld naar het tijdstip van de handeling. 4. Tezamen met een verzoek als bedoeld in het eerste lid, onder b, c of d kan reeds overeenkomstig titel 7 van Boek 3 een vordering worden ingesteld tot verdeling van de gemeenschap, tot gelasten van de wijze van verdeling en tot vaststelling van de verdeling. Artikelen 100 en 101 Ongewijzigd. Artikel 102 Na ontbinding van de gemeenschap blijft ieder der echtgenoten voor het geheel aansprakelijk voor de gemeenschapsschulden waarvoor hij voordien aansprakelijk was. Voor andere gemeenschapsschulden is hij hoofdelijk met de andere echtgenoot verbonden, met dien verstande evenwel dat daarvoor slechts kan worden uitgewonnen hetgeen hij uit hoofde van verdeling van de gemeenschap heeft verkregen, onverminderd de artikelen 190, eerste lid, en 191, eerste lid, van Boek 3. De rechtsvordering tot voldoening van de in de tweede volzin bedoelde schuld verjaart tegelijkertijd met de rechtsvordering tegen de echtgenoot, in wiens persoon de in die volzin bedoelde gemeenschapsschuld is ontstaan. Artikel 103 Ongewijzigd.

9


Artikel 104 1. De echtgenoot die van het bij het vorige artikel omschreven voorrecht wil gebruik maken, is verplicht binnen drie maanden na de ontbinding der gemeenschap een akte van afstand te doen inschrijven in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116 van dit boek, op verbeurte van dit voorrecht. 2. Indien de gemeenschap door de dood van de andere echtgenoot wordt ontbonden, begint de termijn van drie maanden te lopen op de dag waarop de echtgenoot die van het voorrecht wil gebruik maken, van dat overlijden kennis heeft genomen. Indien de gemeenschap is ontbonden op de wijze als bedoeld in artikel 99, eerste lid, onder c en d, eindigt de termijn drie maanden nadat het verzoek tot opheffing van de gemeenschap of tot scheiding van tafel en bed bij de rechtbank is ingediend. Artikelen 105 tot en met 109 Ongewijzigd. Artikel 110 De echtgenoot die de opheffing van de gemeenschap verzoekt, kan tot behoud van zijn recht de maatregelen nemen, die in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering nader zijn aangegeven. Artikel 111 1. Indien de echtgenoot tegen wie het verzoek is toegewezen, de gemeenschap heeft benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of een rechtshandeling als bedoeld in artikel 88 van dit boek zonder de vereiste toestemming of beslissing van de rechtbank heeft verricht, is hij gehouden de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden. 2. Een op het vorige lid gegronde vordering kan niet later worden ingesteld dan drie jaren nadat het verzoek tot opheffing van de gemeenschap bij de rechtbank is ingediend. Artikel 112 Vervallen. Artikelen 113 tot en met 115 Ongewijzigd. Artikel 116 1. Bepalingen in huwelijkse voorwaarden kunnen aan derden die daarvan onkundig waren, slechts worden tegengeworpen, indien die bepalingen ingeschreven waren in het openbaar huwelijksgoederenregister, gehouden ter griffie der rechtbank binnen welker rechtsgebied het huwelijk is voltrokken, of, indien het huwelijk buiten Nederland is aangegaan, ter griffie van de rechtbank te ’s-Gravenhage.

10


2. De wijze van inrichting en raadpleging van het register wordt nader bij algemene maatregel van bestuur geregeld. 3. In afwijking van het eerste lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het register elders dan ter griffie der rechtbank wordt gehouden. Bij algemene maatregel van bestuur kan eveneens worden bepaald dat de verstrekking van gegevens ter inschrijving in het register uitsluitend op een in die maatregel aan te geven wijze plaats vindt. Artikelen 117 en 118 Ongewijzigd. Artikel 119 Vervallen. Artikelen 120 en 121 Ongewijzigd. Artikelen 122 tot en met 128 Vervallen. Artikel 130 Ongewijzigd. Artikel 131 1. Bestaat tussen niet in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een recht aan toonder of een zaak die geen registergoed is, toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt het goed geacht aan ieder der echtgenoten voor de helft toe te behoren. 2. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers der echtgenoten. Artikel 132 Ongewijzigd. Artikel 133 1. De verplichting tot verrekening van inkomsten of van vermogen is wederkerig. 2. De verplichting tot verrekening heeft uitsluitend betrekking op inkomsten die of op vermogen dat de echtgenoten tijdens het bestaan van deze verplichting hebben verkregen. De verplichting tot verrekening heeft geen betrekking op vermogen dat krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift wordt verkregen en ook niet op de vruchten daaruit of de voor dat vermogen of voor die vruchten in de plaats getreden goederen. Evenmin heeft de verplichting tot verrekening betrekking op vermogen dat bestaat uit rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 29 en 30 van Boek 4, vruchtgebruik dat op grond van die bepalingen is gevestigd, alsmede hetgeen wordt verkregen ingevolge de

11


artikelen 34, 35, 36, 38 en 126, tweede lid, onder a en c, van Boek 4, en afdeling 3 van titel 4 van Boek 4. Artikel 134 Bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift kan worden bepaald dat geen verrekening van krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen vermogen en van de vruchten daarvan plaatsvindt, indien verrekening daarvan ingevolge huwelijkse voorwaarden zou behoren plaats te vinden. Artikelen 135 tot en met 141 Ongewijzigd. Artikel 142 1. Als tijdstip waarop de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen worden bepaald, geldt: a. in geval van het eindigen van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap door overlijden: het tijdstip van overlijden; b. in geval van beĂŤindiging van het huwelijk door echtscheiding: het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding; c. in geval van scheiding van tafel en bed: het tijdstip van indiening van het verzoek tot scheiding van tafel en bed; d. in geval van opheffing van de wederzijdse verplichting tot verrekening als bedoeld in artikel 139: het tijdstip van indiening van het verzoek tot opheffing van die verplichting; e. in geval van beĂŤindiging van het geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden: het tijdstip waarop de overeenkomst tot beĂŤindiging wordt gesloten; f. in geval van ontbinding van het geregistreerd partnerschap op verzoek: het tijdstip van indiening van het verzoek; g. in geval van vermissing en een daarop gevolgd huwelijk of geregistreerd partnerschap: het tijdstip waarop de beschikking, bedoeld in artikel 417, eerste lid, in kracht van gewijsde is gegaan; h. in geval van opheffing van de wederzijdse verplichting tot verrekening bij huwelijkse voorwaarden: het tijdstip, bedoeld in artikel 120, eerste lid. 2. Van het eerste lid, aanhef en onder b tot en met f, kan bij op schrift gestelde overeenkomst worden afgeweken. Artikel 143 Ongewijzigd. Wijziging van artikel 61 Faillissementswet Artikel 61 Faillissementswet luidt vanaf de datum van inwerkingtreding van de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen als volgt. 1. De echtgenoot of geregistreerde partner van de gefailleerde neemt alle goederen die hem toebehoren en niet in de huwelijksgemeenschap onderscheidenlijk de gemeenschap van het geregistreerd partnerschap vallen, terug.

12


2. De aanbrengst van de bij huwelijkse voorwaarden of bij voorwaarden van geregistreerd partnerschap buiten de gemeenschap gehouden rechten aan toonder en zaken die geen registergoederen zijn, kan slechts worden bewezen zoals bij artikel 130 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek ten opzichte van derden is voorgeschreven. 3. Van de aan de echtgenoot of geregistreerde partner van de gefailleerde opgekomen rechten aan toonder en zaken die geen registergoederen zijn, welke ingevolge artikel 94, tweede lid, onder a en c, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek dan wel de huwelijkse voorwaarden onderscheidenlijk de voorwaarden van geregistreerd partnerschap buiten de gemeenschap vallen, moet, in geval van geschil, door beschrijving of bescheiden blijken. 4. De goederen, voortgesproten uit de belegging of wederbelegging van gelden aan de echtgenoot of geregistreerde partner van de gefailleerde buiten de gemeenschap toebehorende, worden insgelijks door die echtgenoot onderscheidenlijk geregistreerde partner teruggenomen, mits de belegging of wederbelegging, in geval van geschil, door voldoende bescheiden, ten genoegen van de rechter, zij bewezen. Op de belegging of wederbelegging is artikel 95, eerste lid, eerste volzin, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing. 5. Indien de goederen aan de echtgenoot of geregistreerde partner van de gefailleerde toebehorende, door de gefailleerde zijn vervreemd, doch de koopprijs nog niet is betaald, of wel de kooppenningen nog onvermengd met de failliete boedel aanwezig zijn, kan de echtgenoot onderscheidenlijk geregistreerde partner zijn recht van terugneming op die koopprijs of op de voorhanden kooppenningen uitoefenen. 6. Voor zijn persoonlijke schuldvorderingen treedt de echtgenoot of geregistreerde partner van de gefailleerde als schuldeiser op. Overgangsbepaling (artikel V) 1. Artikel 87 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is slechts van toepassing op vergoedingsvorderingen die ontstaan op grond van verkrijgingen, voldoeningen of aflossingen die na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet plaatsvinden. Op de vergoedingsvorderingen die zijn ontstaan op grond van verkrijgingen, voldoeningen of aflossingen die vóór dat tijdstip hebben plaatsgevonden, blijft het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. 2. Op een gemeenschap van goederen, ontstaan vóór de inwerkingtreding van deze wet, is artikel 94, tweede lid, onder c, en vijfde lid, onder b, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing. 3. Artikel 95, eerste lid, tweede en derde zin, en tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is slechts van toepassing op vergoedingsvorderingen die ontstaan op grond van verkrijgingen, voldoeningen of aflossingen die na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet plaatsvinden. Op de vergoedingsvorderingen die zijn ontstaan op grond van verkrijgingen, voldoeningen of aflossingen die vóór dat tijdstip hebben plaatsgevonden, blijft het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. 4. Artikel 96, derde lid, tweede zin, en vierde lid, tweede zin, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is slechts van toepassing op vergoedingsvorderingen die ontstaan op grond van voldoening van schulden die na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet plaatsvindt. Op de vergoedingsvorderingen die zijn ontstaan op grond van voldoening van schulden die vóór dat tijdstip heeft plaatsgevonden, blijft het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. 5. Artikel 96a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing indien de begunstiging op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet reeds onherroepelijk was.

13


6. Artikel 99 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing in de gevallen waarin op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een verzoek als bedoeld in artikel 99, eerste lid, onder b, c of d, van dat boek reeds is ingediend of een overeenkomst als bedoeld in artikel 99, eerste lid, onder e, van dat boek reeds is gesloten, maar nog geen inschrijving in de registers van de burgerlijke stand heeft plaatsgevonden. 7. Op de hoofdelijke aansprakelijkheid die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ter zake van gemeenschapsschulden door ontbinding van een gemeenschap is ontstaan, blijft artikel 102 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing. 8. De artikelen 119 en 166, derde zin, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, zoals deze luidden vóór de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op vóór dat tijdstip gemaakte of gewijzigde huwelijkse voorwaarden. 9. De artikelen 122 tot en met 128 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, zoals die artikelen luidden onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op gemeenschappen van winst en verlies en van vruchten en inkomsten, overeengekomen vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Besluit van 26 november 1969, Stb. 1969, 525, houdende regelen betreffende de wijze van inrichting en raadpleging van het huwelijksgoederenregister, bedoeld in artikel 116 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dit besluit laatstelijk is gewijzigd bij het Besluit van 7 juni 2013, Stb. 2013, 270 (Besluit Huwelijksgoederenregister 1969, zoals dit luidt vanaf 1 september 2013) Artikel 1 1. Wanneer een inschrijving wordt verlangd in het huwelijksgoederenregister, moeten de volgende stukken aan de griffier worden overgelegd: a. ter inschrijving van bepalingen in huwelijkse voorwaarden of in voorwaarden van een geregistreerd partnerschap: een authentiek afschrift of uittreksel van de akte waarbij die bepalingen zijn vastgesteld; b. ter inschrijving van een rechterlijke uitspraak als bedoeld in de artikelen 86 en 91 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: een authentiek afschrift van de uitspraak; c. ter inschrijving van verzoeken tot echtscheiding, ontbinding van het geregistreerd partnerschap, scheiding van tafel en bed of opheffing van de gemeenschap als bedoeld in artikel 99, eerste lid, onder b, c en d, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: een afschrift van het verzoekschrift, gewaarmerkt en voorzien van de datum en het tijdstip van indiening door de griffier van de rechtbank waar het is ingediend; d. ter inschrijving van een overeenkomst als bedoeld in artikel 99, eerste lid, onder e, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: een verklaring als bedoeld in artikel 80c, eerste lid, onder c, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; e. ter inschrijving van een rechterlijke uitspraak als bedoeld in artikel 173 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: een authentiek afschrift van de uitspraak; f. ter inschrijving van een rechterlijke uitspraak, houdende vernietiging, ontbinding of wijziging van huwelijkse voorwaarden of voorwaarden van een geregistreerd partnerschap, dan wel een verklaring voor recht dat zodanige voorwaarden nietig zijn dan wel buitengerechtelijk zijn vernietigd of ontbonden, of een beslissing op een daartegen ingesteld rechtsmiddel: een authentiek afschrift van de uitspraak. 2. Van een verklaring houdende afstand van een huwelijksgemeenschap of een gemeenschap van een geregistreerd partnerschap, bedoeld in de artikelen 104 en 105 van Boek 1 van het

14


Burgerlijk Wetboek, maakt de griffier een akte op, die degene die afstand doet in persoon of bij gevolmachtigde ondertekent. 3. Van een verklaring van de echtgenoten dat de scheiding van tafel en bed heeft opgehouden te bestaan, als bedoeld in artikel 176 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, maakt de griffier een akte op, die de echtgenoten in persoon of bij gevolmachtigde ondertekenen. 4. Indien de in de leden 2 en 3 genoemde gevolmachtigde niet advocaat of notaris is, moet een authentieke of onderhandse volmacht worden overgelegd. Een onderhandse volmacht wordt aan de akte gehecht. Artikel 1a Op verzoek van ĂŠĂŠn of beide echtgenoten of (geregistreerde) partners wordt door de griffier in het register aangetekend dat het verzoek of de overeenkomst, bedoeld in artikel 99, derde lid, eerste zin, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, niet meer tot het daar bedoelde gevolg kan leiden. Het verzoek, voorzien van datum en tijdstip, is behalve door de echtgenoot of echtgenoten dan wel (geregistreerde) partner of partners ondertekend door een advocaat of notaris. Artikel 2 Een verlenging overeenkomstig artikel 106 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van de termijn voor het doen van afstand wordt door de griffier ambtshalve in het register aangetekend. Artikel 3 1. Voor elk echtpaar of elk geregistreerd paar te wiens aanzien een inschrijving geschiedt, wordt een kaart en zo nodig een omslag aangehouden, vermeldende de naam en voornamen van de beide personen, alsmede plaats en datum van de huwelijksvoltrekking of het geregistreerd partnerschap dat is aangegaan. 2. Op de kaart worden de inschrijvingen, met vermelding van hun dagtekening, aangebracht en door de griffier ondertekend. Bij inschrijvingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, wordt mede het tijdstip van inschrijving vermeld. 3. In het omslag worden de stukken, bedoeld in artikel 1, eerste lid onder a, b, e en f, tweede en derde lid, bewaard. 4. De kaarten dragen een nummer en worden zodanig gerangschikt dat zij eenvoudig kunnen worden teruggevonden. Het nummer van de kaart wordt op het omslag aangebracht. 5. Het register kan geheel of ten dele in elektronische vorm worden gehouden. In dat geval kan van het eerste tot en met vierde lid worden afgeweken, voor zover een doelmatige inrichting en raadpleging van het register daaraan niet in de weg staan. Artikel 3a De in artikel 1 genoemde stukken die voor een inschrijving in het huwelijksgoederenregister dienen te worden overgelegd, maken geen deel uit van het huwelijksgoederenregister. Zij worden ter griffie van de rechtbank op zodanige wijze bewaard, dat het verband met de op grond daarvan ingeschreven feiten kan worden gelegd.

15


Artikel 4 De griffier is verplicht aan ieder kosteloos inzage van het register te verstrekken. Hij is voorts verplicht om – met inachtneming van het bij of krachtens de Wet griffierechten burgerlijke zaken bepaalde – aan ieder een uittreksel uit het register te verstrekken. Artikel 4a Dit besluit berust op de artikelen 80b, 86, 91, 99, 104, 105, 106, 116, 173 en 176 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 5 Ons besluit van 15 september 1956, Stb. 480, wordt ingetrokken. Artikel 6 1. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1970. 2. Het kan worden aangehaald als Besluit Huwelijksgoederenregister 1969.

16


Moet art. 1:99 BW op de schop? Prof. mr. A.J.M. Nuytinck, hoogleraar privaatrecht, in het bijzonder personen-, familie- en erfrecht, Erasmus Universiteit Rotterdam en hoogleraar burgerlijk recht, in het bijzonder personen- en familierecht, Centrum voor Notarieel Recht, Radboud Universiteit Nijmegen (nuytinck@kabelfoon.nl) Tekst voor omslag van WPNR De auteur gaat in op de vraag of het wenselijk is om art. 1:99 lid 1, onder b, c, d en e, alsmede leden 2 en 3 BW in die zin te wijzigen, dat de inschrijving in het huwelijksgoederenregister constitutief wordt in plaats van facultatief. 1. Inleiding Sinds de invoering van de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen en de bijbehorende reparatiewet op 1 januari 2012 1 heb ik mij regelmatig afgevraagd of de nieuwe regeling van art. 1:99 BW betreffende het tijdstip van ontbinding van de huwelijksgemeenschap wel zo gelukkig is, in het bijzonder in geval van echtscheiding. De huwelijksgemeenschap is in dat geval ontbonden op het tijdstip van indiening van het echtscheidingsverzoek ter griffie van de rechtbank. Is het niet verstandiger de inschrijving in het huwelijksgoederenregister van dit rechtsfeit constitutief in plaats van slechts facultatief te laten zijn voor de ontbinding van de huwelijksgemeenschap? Deze vraag probeer ik hieronder te beantwoorden. 2. Art. 1:99 BW nader beschouwd en geanalyseerd In geval van echtscheiding wordt de huwelijksgemeenschap van rechtswege ontbonden op het tijdstip van indiening van het echtscheidingsverzoek ter griffie van de rechtbank (art. 1:99 lid 1, onder b, BW). Uiteraard geldt hetzelfde voor de ontbinding van het geregistreerd partnerschap door de rechter, maar ik beperk mij nu even tot de echtscheiding. Anders dan de aanhef van onderdeel b van art. 1:99 lid 1 BW (‘in geval van beëindiging van het huwelijk door echtscheiding’; cursivering van auteur) doet vermoeden, is niet vereist dat de echtscheiding eerst een feit moet zijn voordat achteraf kan worden geconstateerd dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden op het tijdstip van indiening van het echtscheidingsverzoek ter griffie van de rechtbank. Anders gezegd: er behoeft helemaal geen echtscheiding te zijn gevolgd om de conclusie te kunnen trekken dat de huwelijksgemeenschap desalniettemin is ontbonden op laatstgenoemd tijdstip. Overlijdt immers een van de echtgenoten tijdens de echtscheidingsprocedure, dan is het huwelijk ontbonden door diens dood (echtscheiding zal namelijk nooit meer kunnen volgen), maar de 1

Wet van 18 april 2011, Stb. 2011, 205, in werking getreden op 1 januari 2012 krachtens Besluit van 20 juni 2011, Stb. 2011, 335 (Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen), alsmede Wet van 27 oktober 2011, Stb. 2011, 505, eveneens in werking getreden op 1 januari 2012 krachtens Besluit van 14 november 2011, Stb. 2011, 532 (reparatiewet).

17


huwelijksgemeenschap was, is en blijft ontbonden door de indiening van het echtscheidingsverzoek ter griffie van de rechtbank. 2 Men zie ook de slotpassage van art. 1:99 lid 3, eerste volzin, BW: ‘tenzij zich inmiddels een andere grond voor ontbinding heeft voorgedaan’. Het vervelende is nu dat de tekst van het Besluit Huwelijksgoederenregister 1969 3 niet aansluit op de heldere tekst van art. 1:99 lid 1, onder b, BW, waarin over ‘tijdstip’ en dus niet over ‘dag’ of ‘datum’ wordt gesproken. Art. 1 lid 1, aanhef en onder c, Besluit Huwelijksgoederenregister 1969 bepaalt immers dat, wanneer een inschrijving wordt verlangd in het huwelijksgoederenregister, ter inschrijving van een echtscheidingsverzoek aan de griffier moet worden overgelegd: ‘een afschrift van het verzoekschrift, gewaarmerkt en voorzien van de datum van indiening door de griffier van de rechtbank waar het is ingediend’ (cursivering van auteur). Het door mij gecursiveerde woord is uiteraard onjuist, immers in strijd met art. 1:99 lid 1, onder b, BW. Het gaat niet om de datum of de dag, maar om het exacte tijdstip (dus dag, uur en minuut) van de indiening van het echtscheidingsverzoek ter griffie van de rechtbank. Nu dient zich uiteraard een groot praktisch probleem aan, gelet op het grote aantal echtscheidingen per jaar. In 2011 werden ruim 32.000 huwelijken ontbonden door echtscheiding (en dan heb ik het nog niet eens over gerechtelijke ontbinding en beëindiging met wederzijds goedvinden van geregistreerde partnerschappen). 4 Men kan zich dus enigszins voorstellen hoeveel echtscheidingsverzoeken dagelijks bij de griffie van de verschillende rechtbanken binnenkomen. Praktisch is het ondoenlijk dat de griffier bij ieder echtscheidingsverzoek het exacte tijdstip van indiening op het afschrift van het verzoekschrift vermeldt. Het was dan ook te verwachten dat het Landelijk Overleg van Voorzitters Familieen Jeugdrecht (LOVF) van de rechtbanken hierop zou reageren en bij brief van 14 mei 2012, 5 gericht aan de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA), de Vereniging van Familierecht Advocaten en Scheidingsmediators (vFAS) en de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB), de volgende praktische werkwijze heeft voorgesteld: ‘Het tijdstip van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding wordt uitsluitend geregistreerd indien het verzoekschrift wordt ingediend bij de Centrale Balie. Indien het verzoekschrift op een andere wijze wordt ingediend, wordt uitsluitend de datum van binnenkomst geregistreerd’ (beide onderstrepingen van LOVF). Hoewel ik op zichzelf begrip heb voor de praktische problemen waarvoor de griffiers van de rechtbanken zich gesteld zien, ben ik toch van mening dat deze zienswijze van het LOVF niet door de beugel kan. Deze handelwijze is hoe dan ook in strijd met de wet, die nu eenmaal over ‘tijdstip’ spreekt. Aldus worden advocaten simpelweg met koerierstaken belast, nu zij de gang naar de Centrale Balie moeten maken, willen zij het exacte tijdstip van indiening van het echtscheidingsverzoek vermeld zien op het afschrift van het verzoekschrift. 2

Aldus ook uitdrukkelijk de minister in zijn toelichting op de tweede nota van wijziging ter zake van wetsvoorstel 28 867 (de latere Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen) van 25 oktober 2005, Kamerstukken II 2005/06, 28 867, nr. 9, p. 24-25. 3 Besluit van 26 november 1969, Stb. 1969, 525, houdende regelen betreffende de wijze van inrichting en raadpleging van het huwelijksgoederenregister, bedoeld in artikel 116 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dit besluit laatstelijk is gewijzigd bij het Besluit van 20 juni 2011, Stb. 2011, 335 (Besluit Huwelijksgoederenregister 1969, zoals dit luidt vanaf 1 januari 2012). 4 Om precies te zijn ging het in 2011 om 32.510 echtscheidingen en bedroeg het echtscheidingspercentage in datzelfde jaar 36,5 (bron: Centraal Bureau voor de Statistiek; zie www.statline.cbs.nl). 5 Kenmerk: UIT LSB 5197 / MHH, ook te raadplegen via www.rechtspraak.nl (zoeken op LOVF).

18


Naar mijn oordeel zijn de griffiers onder alle omstandigheden verplicht het exacte tijdstip van de indiening van het echtscheidingsverzoek te registreren en aan de advocaat mede te delen, dus ook als deze niet bij de Centrale Balie verschijnt ter overlegging van dit verzoek. Het praktische belang van mijn opvatting blijkt heel duidelijk uit het volgende voorbeeld. De in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten A en B gaan scheiden en de advocaat dient op 1 maart 2013 ’s middags om 14.00 uur het echtscheidingsverzoek ter griffie van de rechtbank in. Op diezelfde dag is ’s morgens om 10.00 uur de vader van A overleden zonder een uiterste wilsbeschikking – dus ook zonder een uitsluitingsclausule in de zin van art. 1:94 lid 2, aanhef en onder a, BW – te hebben gemaakt. Dit betekent dat op grond van art. 1:94 lid 1 BW boedelmenging heeft plaatsgevonden, zodat ook B tot A’s erfdeel is gerechtigd, weliswaar niet krachtens erfrecht, maar wél krachtens huwelijksvermogensrecht. Zouden de beide gebeurtenissen in omgekeerde volgorde hebben plaatsgevonden, dan zou boedelmenging achterwege zijn gebleven op grond van art. 1:94 lid 2, aanhef, BW (in het bijzonder de passage ‘zolang de gemeenschap niet is ontbonden’). 6 Had de wetgever nu maar elektronische indiening van het echtscheidingsverzoek verplicht voorgeschreven, dan zouden deze problemen zich niet hebben voorgedaan. Art. 33 lid 3, eerste volzin, Rv luidt immers sinds 1 september 2008 7 als volgt: ‘Als tijdstip waarop een verzoek, mededeling of processtuk door een gerecht elektronisch is ontvangen, geldt het tijdstip waarop het verzoek, mededeling en (lees: of) processtuk een systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt waarvoor het gerecht verantwoordelijkheid draagt’ (beide cursiveringen van auteur). Mijn bezwaar tegen de huidige regeling is voorts dat art. 1:99 lid 3 BW weliswaar is ontleend aan de regeling van de verzoening na scheiding van tafel en bed als bedoeld in art. 1:176 lid 2 BW, maar dat de inschrijving in het huwelijksgoederenregister in art. 1:99 BW een andere betekenis heeft dan in art. 1:176 BW. Voor het ontstaan van de scheiding van tafel en bed en voor het ontstaan van de verzoening na scheiding van tafel en bed, zowel tussen de echtgenoten onderling als tegenover derden, is de inschrijving in het huwelijksgoederenregister sinds 1 juni 2001 8 een constitutief vereiste op grond van de art. 1:173 lid 1 en 176 lid 1 BW. Vóór laatstgenoemde datum was de inschrijving in het huwelijksgoederenregister van de scheiding van tafel en bed en van de verzoening slechts facultatief, van belang voor derdenbescherming, en moest bovendien een onderscheid worden gemaakt tussen de interne en de externe situatie met alle vervelende gevolgen voor de rechtspraktijk van dien. Het bleek voor menig advocaat, notaris en rechter bijzonder lastig te zijn om te bepalen wanneer nu precies de scheiding van tafel en bed of de verzoening een feit was. Blijkens art. 1:99 lid 2 BW is de inschrijving in het huwelijksgoederenregister van het ter griffie van de rechtbank ingediende echtscheidingsverzoek niet constitutief voor het ontstaan 6

Zie ook het euthanasievoorbeeld van M.J.A. van Mourik, ‘Vernieuwd huwelijksvermogensrecht’, WPNR 20126913, p. 1-9, in het bijzonder punt 3.6, Ontbinding van de gemeenschap, p. 7-8. 7 Wet van 20 maart 2008, Stb. 2008, 100, tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Advocatenwet en andere wetten in verband met het afschaffen van het procuraat in burgerlijke zaken en de invoering van elektronisch berichtenverkeer (Wet afschaffing procuraat en invoering elektronisch berichtenverkeer), in werking getreden op 1 september 2008 krachtens Besluit van 3 juli 2008, Stb. 2008, 274. 8 Wet van 13 december 2000, Stb. 2001, 11, tot wijziging van de regeling in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het naamrecht, de voorkoming van schijnhuwelijken en het tijdstip van de totstandkoming van de scheiding van tafel en bed alsmede van enige andere wetten, in werking getreden op 1 juni 2001 krachtens Besluit van 23 april 2001, Stb. 2001, 197.

19


van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, maar slechts facultatief. De advocaat hoeft geen zorg te dragen voor deze inschrijving, maar in de praktijk zal hij dit toch altijd doen om te voorkomen dat derden zich met succes op hun goede trouw beroepen. Na deze inschrijving kan de ontbinding van de huwelijksgemeenschap immers worden tegengeworpen aan deze derden. Ik vind dat de wetgever consequent had moeten zijn en art. 1:99 BW volledig in overeenstemming met de art. 1:173 en 176 BW had moeten brengen. 9 Dat dit helaas niet is gebeurd, verwijt ik echter ook mijzelf enigszins, want ik had hierop kunnen en moeten wijzen in het advies dat Neleman en ik in 2011 aan de regering hebben uitgebracht over wetsvoorstel 28 867, de latere Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen, en dat uiteindelijk tot de reparatiewet heeft geleid. 10 Maar er is meer. Onlangs ontdekte ik in art. 1:99 lid 3, eerste volzin, BW een storende taalfout, die ook tot een inhoudelijke onjuistheid leidt en eveneens voorkomt in de art. 1:80f, eerste volzin, 166, eerste volzin, en 176 lid 2, eerste volzin, BW. Ik concentreer mij nu even op art. 1:99 lid 3 BW, maar voor de andere genoemde bepalingen geldt mutatis mutandis hetzelfde. Het gaat om het werkwoord ‘herleven’, dat volgens Van Dale 11 ‘opnieuw gaan leven’ betekent, in combinatie met de daarop volgende passage ‘alsof er geen verzoek was ingediend’ en het eerste woord van de tweede volzin ‘Nochtans’. Ik maak de fout duidelijk aan de hand van een voorbeeld. A en B zijn gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen. Het echtscheidingsverzoek is ingediend ter griffie van de rechtbank. A en B verdelen de hierdoor ontbonden huwelijksgemeenschap niet, maar A draagt wél zijn aandeel in de gehele ontbonden huwelijksgemeenschap – in beginsel de helft op grond van art. 3:189 lid 2 jo. art. 3:166 lid 2 BW – over aan een derde X, hetgeen in beginsel mogelijk is op grond van art. 3:189 lid 2 jo. art. 3:191 lid 1 BW. Vervolgens verzoenen A en B zich en wordt het echtscheidingsverzoek ingetrokken. Het kan ook gaan om een niet-ontvankelijkverklaring door de rechter, bijvoorbeeld omdat geen ouderschapsplan is overgelegd (art. 815 Rv). We doen nu blijkens art. 1:99 lid 3, eerste volzin, BW net alsof er nooit een echtscheidingsverzoek was ingediend, met andere woorden: de huwelijksgemeenschap wordt geacht nooit te zijn ontbonden, dus altijd te hebben bestaan. Er is dan ook sprake van terugwerkende kracht. Toepassing hiervan betekent dat A zijn aandeel in de gehele ontbonden huwelijksgemeenschap niet aan X heeft kunnen overdragen, zodat deze overdracht in beginsel nietig is, maar art. 1:99 lid 3, tweede volzin, BW biedt uitkomst voor X en beschermt hem tegen de terugwerkende kracht van de vorige volzin. Het woord ‘Nochtans’ laat de wending ten opzichte van de vorige volzin zien en zorgt met de rest van de tweede volzin voor een regel van derdenbescherming: de 9

Aldus ook F.R. Salomons, ‘Insolventie en huwelijksvermogensrecht’, in: G.H. Lankhorst, F.R. Salomons, M.A. Broeders en S. Perrick, met een inleiding door B.E. Reinhartz, Insolventierecht in de notariële praktijk (preadvies KNB 2011), Den Haag: Sdu Uitgevers 2011, p. 89-182, in het bijzonder punt 5.4, De gewijzigde ontbindingsregeling van de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen, p. 120-125, meer in het bijzonder p. 123, waar Salomons opmerkt: ‘Men kan zich echter afvragen of de wetgever er niet beter aan zou hebben gedaan om, net als in 2001 is gebeurd bij de scheiding van tafel en bed, inschrijving in het huwelijksgoederenregister als voorwaarde te stellen niet slechts voor derdenbescherming, maar voor ontbinding als zodanig’. 10 Zie voetnoot 1, alsmede P. Neleman en A.J.M. Nuytinck, ‘Advies aan de regering over wetsvoorstel 28 867’, bijlage, p. 1-10, bij Kamerstukken I 2010/11, 28 867, H, Den Haag: Sdu Uitgevers 2011. 11 Van Dale, ‘Groot woordenboek van de Nederlandse taal’, door C.A. den Boon en D. Geeraerts (hoofdred.), Utrecht / Antwerpen: Van Dale Lexicografie 2005, veertiende, herziene uitgave, p. 1369, rechterkolom.

20


overdracht door A aan X, die heeft plaatsgevonden tussen de indiening van het echtscheidingsverzoek en de verzoening of de niet-ontvankelijkverklaring, wordt beoordeeld naar het tijdstip van de handeling en is dus ten opzichte van X als geldig te beschouwen. Bij dit alles past uiteraard in het geheel niet het woord ‘herleven’: alle gevolgen van de gemeenschap gaan niet opnieuw leven, maar worden juist geacht steeds te hebben bestaan. Anders gezegd: het woord ‘herleven’ is onverenigbaar zowel met de passage ‘alsof er geen verzoek was ingediend’ als met het woord ‘Nochtans’. Een situatie waarin het gebruik van het woord ‘herleven’ wél op zijn plaats is, betreft bijvoorbeeld de in 1992 afgeschafte fiduciaire eigendomsoverdracht tot zekerheid van roerende zaken die geen registergoederen zijn. De debiteur die geld van de bank had geleend en tot zekerheid van terugbetaling daarvan zijn bedrijfsvoorraden aan de bank had overgedragen door middel van een levering constituto possessorio, werd opnieuw eigenaar nadat hij zijn schuld aan de bank had afgelost. De eigendom van de debiteur herleefde. In de tussentijd waarin de geldlening liep en nog niet was afgelost, was de bank eigenaar onder ontbindende voorwaarde van algehele aflossing door de debiteur. Als laatstgenoemde zijn schuld betaalde, ging deze voorwaarde in vervulling. Deze vervulling had geen terugwerkende kracht, maar alleen zakelijke werking (thans goederenrechtelijk effect geheten): de debiteur werd van rechtswege, dus automatisch (zonder retro-overdracht), weer eigenaar, net zoals naar geldend recht het geval is onder vigeur van de art. 3:84 lid 4 en 7:39 lid 1 BW (voorwaardelijke overdracht en recht van reclame; zie ook art. 3:38 lid 2 BW voor het ontbreken van terugwerkende kracht). 12 ‘Herleven’ en terugwerkende kracht sluiten elkaar dus per definitie uit. De tekst van art. 1:99 lid 3 BW moet alleen al om deze reden worden gewijzigd, evenals die van de art. 1:80f, 166 en 176 lid 2 BW. Mocht de wetgever overstag gaan en alsnog kiezen voor een constitutieve inschrijving in het huwelijksgoederenregister van het echtscheidingsverzoek voor het ontstaan van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, dan transformeert het probleem van het exacte tijdstip van indiening van het echtscheidingsverzoek ter griffie van de rechtbank zich gewoon in een ander probleem. Men kan zich dan immers de vraag stellen wat het exacte tijdstip van inschrijving in het huwelijksgoederenregister van het ingediende echtscheidingsverzoek is. Als de wet dan toch moet worden gewijzigd, moet de wetgever ook maar meteen dit probleem oplossen. Het hierboven als voorbeeld genoemde overlijden van een van de ouders van de aanstaande ex-echtgenoten, gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen, zonder dat deze ouder een uitsluitingsclausule heeft gemaakt, kan namelijk vlak vóór dan wel vlak na deze inschrijving in het huwelijksgoederenregister hebben plaatsgevonden, zodat ook dan het exacte tijdstip hiervan van belang is voor het antwoord op de vraag of al dan niet boedelmenging heeft plaatsgevonden. Soms denkt de wetgever wel degelijk na over het exacte tijdstip van inschrijving in een openbaar register. Het bekendste voorbeeld is natuurlijk de inschrijving in de openbare registers als het gaat om registergoederen (art. 3:10 jis. art. 3:16 e.v. BW). Art. 3:19 lid 2 BW bepaalt immers dat als tijdstip van inschrijving geldt het tijdstip van aanbieding van de voor de inschrijving vereiste stukken, waarbij de aanbieding tot op de minuut nauwkeurig wordt 12

Aldus ook HR 3 oktober 1980, LJN: AB8508, NJ 1981, 60, m.nt. W.M. Kleijn, AA 1981, p. 83-86, m.nt. W.C.L. van der Grinten (Ontvanger/Schriks q.q.).

21


geregistreerd op grond van art. 3:18 BW. Ook een faillietverklaring wordt ingeschreven in een openbaar register, het faillissementsregister (art. 19 Fw; zie ook het centraal register van art. 19a Fw), maar zij heeft haar werking al vanaf 0.00 uur van de dag waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken (art. 23 Fw, in het bijzonder de slotpassage ‘die dag daaronder begrepen’). Dit laatste – terugwerkende kracht, in dit geval van de rechterlijke uitspraak van faillietverklaring tot de aanvang van de dag van deze uitspraak – zou ook in het huwelijksvermogensrecht niet misstaan. Deze terugwerkende kracht kwam namelijk ook voor in de voorloper van art. 1:142 lid 1, aanhef en onder b, BW betreffende het peiltijdstip voor de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen in geval van een finaal verrekenbeding, te weten het tijdstip van indiening van het echtscheidingsverzoek, dat dus geheel parallel loopt aan art. 1:99 lid 1, aanhef en onder b, BW betreffende het tijdstip van ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Deze voorloper was art. 1:136 lid 2, tweede volzin, BW (oud) betreffende het wettelijk deelgenootschap, 13 welke bepaling het peiltijdstip voor de samenstelling en de omvang van het eindvermogen in geval van o.a. echtscheiding op eenzijdig verzoek fixeerde op de aanvang van de dag waarop het echtscheidingsverzoek werd ingediend, dus niet op het exacte tijdstip van indiening van dit verzoek, laat staan op het tijdstip van het einde van het deelgenootschap in de zin van art. 1:134 BW (oud). Ik wijs er nog even op dat het exacte tijdstip van inschrijving in een openbaar register ook van belang is voor andere registers in het personen- en familierecht, zoals de registers van de burgerlijke stand (art. 1:17-17c BW), het gezagsregister (art. 1:244 BW) en het curateleregister (art. 1:391 BW). Laatstgenoemd register wordt overigens binnenkort omgedoopt tot het curatele- en bewindregister. 14 Art. 1:116 lid 3 BW biedt sinds 2012 de mogelijkheid van een landelijk centraal en elektronisch huwelijksgoederenregister (deze bepaling is te vergelijken met het erfrechtelijk boedelregister blijkens art. 4:186 lid 4 BW). Elektronisch in die zin, dat het huwelijksgoederenregister niet alleen elektronisch raadpleegbaar is, maar ook dat stukken of gegevens ter inschrijving hierin elektronisch kunnen worden ingediend. 15 Als de wetgever elektronische indiening van stukken of gegevens verplicht zou hebben voorgeschreven, zou het exacte tijdstip van inschrijving in het huwelijksgoederenregister hebben vastgestaan op 13

Het wettelijk deelgenootschap is vervallen en vervangen door een nieuwe regeling voor verrekenbedingen bij de Wet van 14 maart 2002, Stb. 2002, 152, tot wijziging van titel 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (regels verrekenbedingen), in werking getreden op 1 september 2002 krachtens Besluit van 3 juli 2002, Stb. 2002, 370. 14 Kamerstukken II 2011/12, 33 054, nr. 2 en 7, alsmede Kamerstukken II 2012/13, 33 054, nr. 8 en 9 (voorstel van wet van 24 oktober 2011, alsmede eerste, tweede en derde nota van wijziging van 21 juni 2012, 31 oktober 2012 en 20 februari 2013), tot wijziging van enige bepalingen van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek inzake curatele, onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen en mentorschap ten behoeve van meerderjarigen en enige andere bepalingen (Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap). 15 Zie ook – wat het gezagsregister betreft – de nieuwe tekst van art. 1:244 BW, zoals voorgesteld in wetsvoorstel 33 526 van 28 januari 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mede in verband met de evaluatie van de Wet openstelling huwelijk en de Wet geregistreerd partnerschap, Kamerstukken II 2012/13, 33 526, nr. 2, p. 4, onderdeel Q, alsmede de memorie van toelichting hierop, Kamerstukken II 2012/13, 33 526, nr. 3, p. 10-11, waaruit blijkt dat vanaf 1 september 2012 alle rechtbanken zijn aangesloten op het nieuwe centraal gezagsregister. Er is ook ruimte voor verdere digitalisering en elektronische raadpleegbaarheid van het gezagsregister, alsmede voor de mogelijkheid elektronisch stukken of gegevens in te dienen ter aantekening van de desbetreffende rechtsfeiten in het gezagsregister, hetgeen blijkt uit de verwijzing door de staatssecretaris naar de art. 1:116 lid 3 en 4:186 lid 4 BW.

22


grond van de eerder genoemde bepaling van art. 33 lid 3, eerste volzin, Rv. Nu dit laatste niet is geschied, moet er een andere oplossing voor dit probleem komen. Om problemen te voorkomen met betrekking tot de vaststelling van het exacte tijdstip overdag van inschrijving in het huwelijksgoederenregister, lijkt mij de beste oplossing dat de wetgever kiest voor het tijdstip 0.00 uur, hetzij van de dag waarop de stukken aan de griffier worden overgelegd ter inschrijving in het huwelijksgoederenregister, dus met terugwerkende kracht zoals in art. 23 Fw en art. 1:136 lid 2, tweede volzin, BW (oud), hetzij van de dag die daarop volgt. Dit laatste is een politieke keuze van de wetgever. Zelf zou ik, gelet op het bovenstaande, wel kunnen leven met terugwerkende kracht. 3. Conclusie en voorstel voor een nieuw art. 1:99 BW Mijn conclusie uit het bovenstaande zal niemand verbazen: art. 1:99 BW moet inderdaad op de schop en dient zoveel mogelijk in overeenstemming met de art. 1:173 en 176 BW te worden gebracht. De inschrijving in het huwelijksgoederenregister van het ter griffie van de rechtbank ingediende echtscheidingsverzoek moet constitutief worden voor het ontstaan van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. De facultatieve inschrijving moet verdwijnen. Omdat het niet alleen om echtscheiding gaat, maar ook om scheiding van tafel en bed, gerechtelijke ontbinding van het geregistreerd partnerschap, beëindiging van het geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden en gerechtelijke opheffing van de huwelijksgemeenschap, moeten ook enkele andere onderdelen dan alleen onderdeel b van art. 1:99 lid 1 BW worden gewijzigd, te weten de onderdelen c, d en e. De inhoud van art. 1:99 lid 2 BW betreffende de facultatieve inschrijving moet verdwijnen, zodat dit lid vrijkomt voor een bepaling betreffende het exacte tijdstip van inschrijving. Art. 1:99 lid 3 BW moet worden ontdaan van het foute ‘herleven’ en in plaats daarvan moet nog duidelijker worden gemaakt (dan reeds is geschied in de passage ‘alsof er geen verzoek was ingediend of overeenkomst was gesloten’) dat hier terugwerkende kracht aan de orde is. Uiteraard moet ook het Besluit Huwelijksgoederenregister 1969 dienovereenkomstig worden aangepast. Ik zal nu proberen mijn ideeën om te zetten in een proeve van wettekst voor een nieuw art. 1:99 BW. De aanpassing van het Besluit Huwelijksgoederenregister 1969 laat ik in dit verband even rusten, maar ik verwacht niet dat deze aanpassing nog problemen zal opleveren zodra de nieuwe wettekst van art. 1:99 BW zelf klaarligt. Art. 1:99 BW (nieuw) 1. a. b.

c. d.

De gemeenschap wordt van rechtswege ontbonden: (Ongewijzigd.) in geval van beëindiging van het huwelijk door echtscheiding of ontbinding van het geregistreerd partnerschap door de rechter: op het tijdstip van inschrijving in het huwelijksgoederenregister, bedoeld in artikel 116, van het verzoek tot echtscheiding onderscheidenlijk van het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap; in geval van scheiding van tafel en bed: op het tijdstip van inschrijving in het huwelijksgoederenregister, bedoeld in artikel 116, van het verzoek tot scheiding van tafel en bed; in geval van opheffing van de gemeenschap door een beschikking: op het tijdstip van inschrijving in het huwelijksgoederenregister, bedoeld in artikel 116, van het verzoek tot opheffing van de gemeenschap;

23


e.

f. g. 2.

3.

4.

in geval van beëindiging van het geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden: op het tijdstip van inschrijving in het huwelijksgoederenregister, bedoeld in artikel 116, van de overeenkomst tot beëindiging; (Ongewijzigd.) (Ongewijzigd.) Als tijdstip van inschrijving in het huwelijksgoederenregister, bedoeld in artikel 116, geldt voor de toepassing van het eerste lid, onder b tot en met e, de aanvang van de dag waarop de desbetreffende stukken aan de griffier van de rechtbank zijn overgelegd. Indien komt vast te staan dat een verzoek als bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d, dan wel een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, onder e, niet meer kan leiden tot echtscheiding, ontbinding van het geregistreerd partnerschap, scheiding van tafel en bed, opheffing van de gemeenschap door een beschikking, onderscheidenlijk beëindiging van het geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden, welk vaststaan blijkt uit inschrijving daarvan in het huwelijksgoederenregister, bedoeld in artikel 116, worden alle gevolgen van de gemeenschap geacht steeds te hebben bestaan alsof er geen verzoek was ingediend of overeenkomst was gesloten, tenzij zich inmiddels een andere grond voor ontbinding heeft voorgedaan. Nochtans wordt de geldigheid van rechtshandelingen die zijn verricht tussen het tijdstip van inschrijving in het huwelijksgoederenregister, bedoeld in artikel 116, van het verzoek of van de overeenkomst en het tijdstip waarop komt vast te staan dat het verzoek of de overeenkomst niet meer tot het in de eerste volzin bedoelde gevolg kan leiden, beoordeeld naar het tijdstip van de handeling. (Ongewijzigd.)

Hierboven heb ik mijn voorstel al toegelicht. Ik vraag nu alleen nog even aandacht voor de passage ‘welk vaststaan blijkt uit inschrijving daarvan in het huwelijksgoederenregister’ in art. 1:99 lid 3, eerste volzin, BW (nieuw). Deze passage kan worden gezien als de tegenhanger van de verzoening na scheiding van tafel en bed in de zin van art. 1:176 lid 1 BW. Zoals deze verzoening moet blijken uit een constitutieve inschrijving daarvan in het huwelijksgoederenregister, zo moet ook bijvoorbeeld intrekking van het echtscheidingsverzoek ten gevolge van een verzoening of een niet-ontvankelijkverklaring door de rechter blijken uit een constitutieve inschrijving daarvan in het huwelijksgoederenregister. Art. 1a Besluit Huwelijksgoederenregister 1969 voorziet hierin naar geldend recht uiteraard nog niet, omdat dit artikel slechts spreekt van een verzoek – dus geen verplichting – van één van beide of beide echtgenoten of geregistreerde partners om de griffier in het huwelijksgoederenregister te laten aantekenen – dus niet inschrijven – dat het verzoek of de overeenkomst, bedoeld in art. 1:99 lid 3, eerste volzin, BW niet meer tot het daar bedoelde gevolg kan leiden, welk verzoek is gedateerd en behalve door de echtgenoot of echtgenoten dan wel geregistreerde partner of partners is ondertekend door een advocaat of notaris. Vanzelfsprekend zal ook art. 1a Besluit Huwelijksgoederenregister 1969 moeten worden aangepast aan het in art. 1:99 BW op te nemen constitutieve karakter van de inschrijving in het huwelijksgoederenregister, welke inschrijving in geval van echtscheiding niet alleen betrekking heeft op het echtscheidingsverzoek zelf, maar ook op de intrekking daarvan ten gevolge van een verzoening dan wel een niet-ontvankelijkverklaring door de rechter. Dit constitutieve karakter betreft zowel de interne verhouding tussen de echtgenoten onderling als de externe verhouding tegenover derden. Ik spreek de hoop uit dat de staatssecretaris bereid is nog eens goed na te denken over deze materie en mijn voorstel voor een nieuw art. 1:99 BW als wetsvoorstel bij de Tweede Kamer in te dienen.

24


Privaatrecht Actueel Datum en tijdstip indiening echtscheidingsverzoek Prof. mr. A.J.M. Nuytinck, hoogleraar privaatrecht, in het bijzonder personen-, familie- en erfrecht, Erasmus Universiteit Rotterdam en hoogleraar burgerlijk recht, in het bijzonder personen- en familierecht, Centrum voor Notarieel Recht, Radboud Universiteit Nijmegen (nuytinck@kabelfoon.nl) Tekst voor omslag van WPNR De auteur gaat in op de wijziging van het Besluit Huwelijksgoederenregister 1969, die in werking treedt op 1 september 2013, waardoor er geen strijd meer is met art. 1:99 lid 1, onder b, BW. 1. Inleiding Zoals bekend, is vanaf 1 januari 2012 sprake van een discrepantie tussen de tekst van art. 1:99 lid 1, onder b, BW en die van art. 1 lid 1, onder c, Besluit Huwelijksgoederenregister 1969, waarbij ik mij nu even beperk tot echtgenoten die een echtscheidingsverzoek indienen. 1 Volgens eerstgenoemde bepaling wordt de huwelijksgemeenschap ontbonden op het tijdstip van indiening van het echtscheidingsverzoek, terwijl volgens laatstgenoemde bepaling ter inschrijving van het echtscheidingsverzoek in het huwelijksgoederenregister aan de griffier moet worden overgelegd een afschrift van het verzoekschrift, gewaarmerkt en voorzien van de datum van indiening door de griffier van de rechtbank waar het is ingediend. Vanaf 1 september 2013 behoort deze discrepantie tot het verleden. 2. De tekst van het Besluit Huwelijksgoederenregister 1969 vanaf 1 september 2013 Vanaf 1 september 2013 luidt het slot van art. 1 lid 1, onder c, Besluit Huwelijksgoederenregister 1969 aldus, dat het afschrift van het verzoekschrift is gewaarmerkt en voorzien van de datum en het tijdstip van indiening door de griffier van de rechtbank waar het is ingediend. 2 De staatssecretaris merkt hierover in de nota van toelichting op het besluit het volgende op. 3 ‘Het besluit 4 lijkt hierdoor ruimer te zijn dan de wet. Dit is onwenselijk. Dit besluit verduidelijkt dat op de verzoekschriften ook het tijdstip van indiening – oftewel het tijdstip van ontvangst door de griffie – wordt aangetekend, zodat daarmee het exacte moment van ontbinding van de gemeenschap komt vast te staan.’

1

Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, scheiding van tafel en bed of opheffing van de gemeenschap als bedoeld in art. 1:99 lid 1, onder b, c en d, BW. 2 Besluit van 7 juni 2013, Stb. 2013, 270. 3 Stb. 2013, 270, p. 3. 4 Bedoeld is uiteraard het besluit zoals dit gold in de periode vanaf 1 januari 2012 tot 1 september 2013.

25


Hier blijft het echter niet bij. Ook twee andere bepalingen, te weten art. 1a, tweede volzin, en art. 3 lid 2 Besluit Huwelijksgoederenregister 1969, worden gewijzigd. De nieuwe teksten luiden als volgt, waarbij ik de vernieuwingen cursiveer. Art. 1a ‘Op verzoek van één of beide echtgenoten (…) wordt door de griffier in het register aangetekend dat het verzoek of de overeenkomst, bedoeld in artikel 99, derde lid, eerste zin, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, niet meer tot het daar bedoelde gevolg kan leiden. Het verzoek, voorzien van datum en tijdstip, 5 is behalve door de echtgenoot of echtgenoten (…) ondertekend door een advocaat of notaris.’ Art. 3 lid 2 ‘Op de kaart 6 worden de inschrijvingen, met vermelding van hun dagtekening, aangebracht en door de griffier ondertekend. Bij inschrijvingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, wordt mede het tijdstip van inschrijving vermeld.’

De staatssecretaris licht beide wijzigingen als volgt toe. 7 ‘Ook voor het moment van inwerkingtreding van de derdenwerking is niet alleen de datum maar ook het tijdstip van inschrijving in het huwelijksgoederenregister van belang, zodat artikel 1a en artikel 3, tweede lid, van het besluit eveneens op dit punt zijn aangepast. Hierdoor kan de ontbinding van de gemeenschap slechts aan derden, die daarvan onkundig waren, worden tegengeworpen vanaf het tijdstip van inschrijving van het verzoek of de overeenkomst in het huwelijksgoederenregister (artikel 1:99, derde lid, BW).’

3. Conclusie Bovenstaande wijzigingen van het Besluit Huwelijksgoederenregister 1969 zijn zonder meer verbeteringen te noemen. Het is goed dat de inconsistentie tussen art. 1:99 lid 1, onder b, BW en art. 1 lid 1, onder c, Besluit Huwelijksgoederenregister 1969 is opgeheven. Ik ben hiermee echter nog niet tevreden. Ik beschouw deze wijzigingen als een tijdelijke oplossing van een groter probleem waarover ik onlangs schreef. 8 Zo heeft de staatssecretaris niets gedaan met het foute ‘herleven’ in art. 1:99 lid 3, eerste volzin, BW en is hij evenmin ingegaan op mijn kritiek dat de wetgever de tekst van art. 1:99 lid 3 BW sinds 2012 heeft ontleend aan die van art. 1:176 lid 2 BW betreffende verzoening na scheiding van tafel en bed, maar dat hij hierbij over het hoofd ziet dat de inschrijving in het huwelijksgoederenregister bij scheiding van tafel en bed en bij verzoening na scheiding van tafel en bed constitutief is (zie immers de art. 1:173 lid 1 en 176 lid 1 BW), terwijl de inschrijving in het huwelijksgoederenregister bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap slechts facultatief is (zie immers art. 1:99 lid 2 BW). Zo blijft er dus nog echt iets te wensen over. 5

Met dit verzoek wordt niet het echtscheidingsverzoek bedoeld, maar het verzoek dat is genoemd in art. 1a, eerste volzin, aanhef, Besluit Huwelijksgoederenregister 1969. Het gaat bijvoorbeeld om echtgenoten die willen dat de griffier hun verzoening in het huwelijksgoederenregister aantekent. 6 Dit is de in art. 3 lid 1 Besluit Huwelijksgoederenregister 1969 genoemde kaart die voor elk echtpaar te wiens aanzien een inschrijving geschiedt, wordt aangehouden en die de naam en voornamen van de beide personen, alsmede plaats en datum van de huwelijksvoltrekking vermeldt. 7 Stb. 2013, 270, p. 3. 8 Zie A.J.M. Nuytinck, ‘Moet art. 1:99 BW op de schop?’, WPNR 2013-6975, p. 383-388.

26


Tweede Kamer der Staten-Generaal

2

Vergaderjaar 2012–2013

33 526

Wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mede in verband met de evaluatie van de Wet openstelling huwelijk en de Wet geregistreerd partnerschap

Nr. 2

VOORSTEL VAN WET Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enige bepalingen met betrekking tot het geregistreerd partnerschap in overeenstemming te brengen met die omtrent het huwelijk alsmede enige andere aanpassingen in het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 3, derde lid, komt te luiden: 3. Door het eindigen van het huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt de aanverwantschap niet opgeheven. B In artikel 5, zesde lid, komt de eerste volzin te luiden: Indien de moeder na de geboorte van het kind op grond van artikel 199, onderdeel b, het vaderschap van de overleden echtgenoot of geregistreerde partner ontkent en zij ten tijde van de geboorte en van de ontkenning is hertrouwd of een nieuw partnerschap heeft laten registreren, kunnen de moeder en haar echtgenoot of geregistreerde partner gezamenlijk ter gelegenheid van de ontkenning verklaren welke van hun beider geslachtsnamen het kind zal hebben.

kst-33526-2 ISSN 0921 - 7371 ’s-Gravenhage 2013

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 526, nr. 2 27

1


C In artikel 23b, eerste lid, tweede volzin, wordt «personen waarop» vervangen door: personen op wie. D In artikel 58, eerste en tweede lid, wordt «over te gaan» telkens vervangen door: wordt overgegaan. E In artikel 69, eerste lid, onder a, wordt «bloedverwanten» in de opgaande lijn» vervangen door: bloedverwanten in de rechte lijn. F Artikel 98 vervalt. G In artikel 141, zesde lid, eerste volzin, wordt het woord «vordering» vervangen door «rechtsvordering» en wordt de zinsnede «het onherroepelijk worden van de beschikking tot scheiding van tafel en bed» vervangen door: na de inschrijving van de beschikking tot scheiding van tafel en bed in het register, bedoeld in artikel 116. H Artikel 199 wordt als volgt gewijzigd: 1. In onderdeel a wordt «is gehuwd» vervangen door: is gehuwd of door een geregistreerd partnerschap is verbonden. 2. Onderdeel b komt te luiden: b. wiens huwelijk of geregistreerd partnerschap met de vrouw uit wie het kind is geboren, binnen 306 dagen voor de geboorte van het kind door zijn dood is ontbonden, zelfs indien de moeder was hertrouwd of een nieuw partnerschap had laten registreren; indien echter de vrouw sedert de 306de dag voor de geboorte van het kind was gescheiden van tafel en bed of zij en haar echtgenoot of geregistreerde partner sedert dat tijdstip gescheiden hebben geleefd, kan de vrouw binnen een jaar na de geboorte van het kind ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand verklaren dat haar overleden echtgenoot of geregistreerde partner niet de vader is van het kind, van welke verklaring een akte wordt opgemaakt; was de moeder op het tijdstip van de geboorte hertrouwd of had zij een nieuw partnerschap laten registreren dan is de huidige echtgenoot of geregistreerde partner de vader van het kind;. I Het opschrift van afdeling 2 van titel 11 komt te luiden: AFDELING 2 ONTKENNING VAN HET DOOR HUWELIJK OF GEREGISTREERD PARTNERSCHAP ONTSTANE VADERSCHAP J In artikel 200, tweede lid, wordt na «het huwelijk» ingevoegd: of geregistreerd partnerschap.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 526, nr. 2 28

2


K In artikel 201, eerste lid, wordt na «deze echtgenoot» telkens ingevoegd: of geregistreerde partner. L In artikel 202, eerste lid, wordt telkens na «door huwelijk» ingevoegd: of geregistreerd partnerschap. M Artikel 204 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het eerste lid, onder a, komt te luiden: a. door een man die krachtens artikel 41 geen huwelijk met de moeder mag sluiten of krachtens artikel 80a, zesde lid, geen geregistreerd partnerschap met de moeder mag aangaan;. 2. Het eerste lid, onder e, vervalt. 3. Het eerste lid, onder f, wordt verletterd tot e. N Artikel 207, tweede lid, onder b, komt te luiden: b. tussen de man en de moeder van het kind krachtens artikel 41 geen huwelijk zou mogen worden gesloten of krachtens artikel 80a, zesde lid, geen geregistreerd partnerschap zou mogen aangaan; O Artikel 227 wordt als volgt gewijzigd: 1. In artikel 227, eerste lid, wordt de zinsnede «krachtens artikel 41 geen huwelijk met elkaar zouden mogen aangaan» vervangen door: krachtens artikel 41 geen huwelijk zouden mogen aangaan of krachtens artikel 80a, zesde lid, geen partnerschap zouden mogen aangaan; 2. Artikel 227, vierde lid, komt te luiden: 4. Indien het kind is of wordt geboren binnen de relatie van de adoptant en de ouder, en het kind door en tengevolge van kunstmatige donorbevruchting als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting is verwekt en een door de stichting, bedoeld in die wet, ter bevestiging hiervan afgegeven verklaring wordt overgelegd waaruit blijkt dat de identiteit van de donor aan de vrouw bij wie de kunstmatige donorbevruchting heeft plaatsgevonden onbekend is, wordt het verzoek toegewezen, tenzij de adoptie kennelijk niet in het belang van het kind is of niet is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in artikel 228. P In artikel 229 wordt, onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid, een lid ingevoegd, luidende: 4. De adoptiefouders die niet met elkaar zijn gehuwd of door een geregistreerd partnerschap zijn verbonden oefenen door adoptie het gezag over de geadopteerde gezamenlijk uit.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 526, nr. 2 29

3


Q Artikel 244 komt te luiden: Bij de rechtbanken, dan wel op een andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen plaats of plaatsen, berusten openbare registers, waarin aantekening gehouden wordt van rechtsfeiten die op het over minderjarigen uitgeoefende gezag betrekking hebben. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke rechtsfeiten aangetekend worden, op welke wijze deze aantekening geschiedt en op welke wijze verstrekking van aangetekende gegevens plaatsvindt. R Artikel 247 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het vierde lid wordt «het beëindigen van het geregistreerd partnerschap» vervangen door: de ontbinding van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood. 2. In het vijfde lid wordt «het beëindigen van het geregistreerd partnerschap» vervangen door: de ontbinding van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood. S In artikel 247a wordt «artikel 815, tweede lid» vervangen door: artikel 815, tweede en derde lid. T Artikel 253a wordt als volgt gewijzigd: 1. Het tweede lid, onder a, komt te luiden: a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben. 2. In het vierde lid vervalt «377a, vierde lid,». U In artikel 253h, tweede lid, wordt «Zij» vervangen door: Hij. V In artikel 253n, eerste lid, wordt «251a, eerste lid» vervangen door: 251, tweede lid. W Artikel 292 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het eerste lid komt te luiden: 1. Een ouder kan bij uiterste wilsbeschikking of door hiervan aantekening te laten opnemen in het register, bedoeld in artikel 244, bepalen welke persoon dan wel welke twee personen na zijn dood voortaan als voogd onderscheidenlijk als gezamenlijke voogden het gezag over zijn kinderen zullen uitoefenen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 526, nr. 2 30

4


2. In het derde lid wordt «beschikking» vervangen door: beschikking of aantekening. 3. Een vierde lid wordt toegevoegd, luidende: 4. Heeft een ouder bij beschikking en bij aantekening verschillende voogden aangewezen, dan heeft de laatst gedane aanwijzing gevolg.

ARTIKEL II (BOEK 6 BW) In artikel 216 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek wordt «drie» vervangen door: vier.

ARTIKEL III (BOEK 10 BW) Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 92 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt na «en de met haar gehuwde of gehuwd geweest zijnde man» ingevoegd: of de man met wie zij door een geregistreerd partnerschap is verbonden of verbonden is geweest. 2. In het tweede lid wordt in de tweede zin na «echtgenoten» ingevoegd: of geregistreerde partners. 3. In het derde lid wordt na «huwelijk» ingevoegd: of geregistreerd partnerschap. B In artikel 93 wordt in het vierde lid in de eerste volzin na «de met zijn moeder gehuwd of gehuwd geweest zijnde man» ingevoegd «of de man met wie zijn moeder door een geregistreerd partnerschap is verbonden of verbonden is geweest» en wordt in de tweede volzin na «de met de moeder gehuwde of gehuwd geweest zijnde nog levende man» ingevoegd: respectievelijk de man met wie de moeder door een geregistreerd partnerschap is verbonden of de nog in levende zijnde man met wie zij door een partnerschap verbonden is geweest. C In artikel 94, eerste lid, wordt na «huwelijk» ingevoegd: of geregistreerd partnerschap. D Artikel 95 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het tweede lid vervalt. 2. Het derde tot en met vijfde lid worden vernummerd tot tweede tot en met vierde lid. 3. In het tweede lid vervalt «of lid 2».

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 526, nr. 2 31

5


E In artikel 96 wordt de zinsnede «artikel 95 leden 1 en 2» vervangen door «artikel 95 lid 1» en wordt «artikel 95 lid 4» vervangen door: artikel 95 lid 3. F In artikel 101 lid 2, onder b, wordt «artikel 95 lid 4» vervangen door: artikel 95 lid 3.

ARTIKEL IV (WETBOEK VAN BURGERLIJKE RECHTSVORDERING) In de aanhef van het tweede lid van artikel 815 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt tussen «een» en «ouderschapsplan» ingevoegd: door beide echtgenoten ondertekend.

ARTIKEL V (OVERGANGSRECHT) Artikel 199, onderdeel a en b, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van de inwerkingtreding van de wijziging van dit artikel, blijft van toepassing op kinderen die reeds geboren zijn voor dit tijdstip.

ARTIKEL VI (SAMENLOOP MET HET WETSVOORSTEL TOT WIJZIGING VAN BOEK 1 VAN HET BURGERLIJK WETBOEK IN VERBAND MET HET JURIDISCH OUDERSCHAP VAN DE VROUWELIJKE PARTNER VAN DE MOEDER ANDERS DAN DOOR ADOPTIE) 1. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 oktober 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Kamerstukken 33 032) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onder B, van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan artikel I, onderdeel B, van deze wet, komt artikel I, onderdeel B, van deze wet te luiden: B Artikel 5, zesde lid, komt te luiden: 6. Indien de moeder na de geboorte van het kind op grond van artikel 199, onderdeel b, het vaderschap van de overleden echtgenoot of geregistreerde partner ontkent of op grond van artikel 198, tweede lid, het moederschap van de overleden echtgenote of geregistreerde parnter ontkent en zij ten tijde van de geboorte en van de ontkenning is hertrouwd of een nieuw partnerschap heeft laten registreren, kunnen de moeder en haar echtgenoot of geregistreerde partner gezamenlijk ter gelegenheid van de ontkenning verklaren welke van hun beider geslachtsnamen het kind zal hebben. Van de verklaring van de ouders wordt een akte van naamskeuze opgemaakt. Bij gebreke van een verklaring heeft het kind de geslachtsnaam van de echtgenoot of geregistreerde partner. 2. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 oktober 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Kamerstukken 33 032) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel B, van die wet later in werking

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 526, nr. 2 32

6


treedt dan artikel I, onderdeel B, van deze wet, komt artikel I, onderdeel B, onder 1, van die wet te luiden: 1. Het zesde lid komt te luiden: 6. Indien de moeder na de geboorte van het kind op grond van artikel 199, onderdeel b, het vaderschap van de overleden echtgenoot of geregistreerde partner ontkent of op grond van artikel 198, tweede lid, het moederschap van de overleden echtgenote of geregistreerde partner ontkent en zij ten tijde van de geboorte en van de ontkenning is hertrouwd of een nieuw partnerschap heeft laten registreren, kunnen de moeder en haar echtgenoot of geregistreerde partner gezamenlijk ter gelegenheid van de ontkenning verklaren welke van hun beider geslachtsnamen het kind zal hebben. Van de verklaring van de ouders wordt een akte van naamskeuze opgemaakt. Bij gebreke van een verklaring heeft het kind de geslachtsnaam van de echtgenoot of geregistreerde partner. 3. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 oktober 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Kamerstukken 33 032) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel G, van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan artikel I, onderdeel H, van deze wet, wordt in deze wet, na onderdeel G, een onderdeel toegevoegd, luidende: Ga Artikel 198 komt als volgt te luiden Artikel 198 1. Moeder van een kind is de vrouw: a. uit wie het kind is geboren; b. die op het tijdstip van de geboorte van het kind is gehuwd of door een geregistreerd partnerschap is verbonden met de vrouw uit wie het kind is geboren, indien dit kind is verwekt door kunstmatige donorbevruchting als bedoeld in artikel 1, onder c, sub 1, van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting en een door de stichting, bedoeld in die wet, ter bevestiging hiervan afgegeven verklaring is overgelegd, waaruit blijkt dat de identiteit van de donor aan de vrouw bij wie de kunstmatige donorbevruchting heeft plaatsgevonden onbekend is, tenzij de laatste zin van dit onderdeel of de eerste zin van artikel 199, onder b, geldt. De verklaring dient bij de aangifte van de geboorte te worden overgelegd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand en werkt terug tot aan de geboorte van het kind. Indien het huwelijk of geregistreerd partnerschap na de kunstmatige donorbevruchting en voor de geboorte van het kind is ontbonden door de dood van de echtgenote of geregistreerde partner van de vrouw uit wie het kind is geboren, is de overleden echtgenote of geregistreerde partner eveneens moeder van het kind als de voornoemde verklaring wordt overgelegd bij de aangifte van de geboorte van het kind, zelfs indien de vrouw uit wie het kind is geboren was hertrouwd of een nieuw partnerschap had laten registreren; c. die het kind heeft erkend; d. wier ouderschap gerechtelijk is vastgesteld; of e. die het kind heeft geadopteerd. 2. De vrouw uit wie het kind is geboren kan, indien zij op het tijdstip van de kunstmatige donorbevruchting was gescheiden van tafel en bed of zij en haar echtgenote of geregistreerde partner sedert dat tijdstip gescheiden hebben geleefd, binnen een jaar na de geboorte van het kind ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand verklaren dat haar overleden echtgenote of geregistreerde partner niet de moeder is

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 526, nr. 2 33

7


van het kind, bedoeld in het eerste lid, onder b, van welke verklaring een akte wordt opgemaakt; was de vrouw uit wie het kind is geboren op het tijdstip van de geboorte hertrouwd of had zij een nieuw partnerschap laten registreren dan is in dat geval de huidige echtgenoot of geregistreerd partner de ouder van het kind. 4. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 oktober 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Kamerstukken 33 032) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel G, van die wet later in werking treedt dan artikel I, onderdeel H, van deze wet, komt artikel I, onderdeel G, van die wet te luiden: G Artikel 198 komt te luiden: Artikel 198 1. Moeder van een kind is de vrouw: a. uit wie het kind is geboren; b. die op het tijdstip van de geboorte van het kind is gehuwd of door een geregistreerd partnerschap is verbonden met de vrouw uit wie het kind is geboren, indien dit kind is verwekt door kunstmatige donorbevruchting als bedoeld in artikel 1, onder c, sub 1, van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting en een door de stichting, bedoeld in die wet, ter bevestiging hiervan afgegeven verklaring is overgelegd, waaruit blijkt dat de identiteit van de donor aan de vrouw bij wie de kunstmatige donorbevruchting heeft plaatsgevonden onbekend is, tenzij de laatste zin van dit onderdeel of de eerste zin van artikel 199, onder b, geldt. De verklaring dient bij de aangifte van de geboorte te worden overgelegd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand en werkt terug tot aan de geboorte van het kind. Indien het huwelijk of geregistreerd partnerschap na de kunstmatige donorbevruchting en voor de geboorte van het kind is ontbonden door de dood van de echtgenote of geregistreerde partner van de vrouw uit wie het kind is geboren, is de overleden echtgenote of geregistreerde partner eveneens moeder van het kind als de voornoemde verklaring wordt overgelegd bij de aangifte van de geboorte van het kind, zelfs indien de vrouw uit wie het kind is geboren was hertrouwd of een nieuw partnerschap had laten registreren; c. die het kind heeft erkend; d. wier ouderschap gerechtelijk is vastgesteld; of e. die het kind heeft geadopteerd. 2. De vrouw uit wie het kind is geboren kan, indien zij op het tijdstip van de kunstmatige donorbevruchting was gescheiden van tafel en bed of zij en haar echtgenote of geregistreerde partner sedert dat tijdstip gescheiden hebben geleefd, binnen een jaar na de geboorte van het kind ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand verklaren dat haar overleden echtgenote of geregistreerde partner niet de moeder is van het kind, bedoeld in het eerste lid, onder b, van welke verklaring een akte wordt opgemaakt; was de vrouw uit wie het kind is geboren op het tijdstip van de geboorte hertrouwd of had zij een nieuw partnerschap laten registreren dan is in dat geval de huidige echtgenoot of geregistreerd partner de ouder van het kind. 5. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 oktober 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Kamerstukken 33 032) tot wet is of

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 526, nr. 2 34

8


wordt verheven en artikel I, onder H, van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan artikel I, onderdeel H, van deze wet, komt artikel I, onderdeel H, van deze wet als volgt te luiden H Artikel 199 wordt als volgt gewijzigd: 1. Onderdeel a komt te luiden: a. die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren, is gehuwd of een geregistreerd partnerschap is aangegaan, tenzij onderdeel b of de slotzin van artikel 198, eerste lid, onder b, geldt. 2. Onderdeel b komt te luiden: b. wiens huwelijk of geregistreerd partnerschap met de vrouw uit wie het kind is geboren, binnen 306 dagen voor de geboorte van het kind door zijn dood is ontbonden, zelfs indien de moeder was hertrouwd of een nieuw partnerschap had laten registreren; indien echter de vrouw sedert de 306de dag voor de geboorte van het kind was gescheiden van tafel en bed of zij en haar echtgenoot of geregistreerde partner sedert dat tijdstip gescheiden hebben geleefd, kan de vrouw binnen een jaar na de geboorte van het kind ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand verklaren dat haar overleden echtgenoot of geregistreerde partner niet de vader is van het kind, van welke verklaring een akte wordt opgemaakt; was de moeder op het tijdstip van de geboorte hertrouwd of had zij een nieuw partnerschap laten registreren dan is in dat geval de huidige echtgenoot of geregistreerde partner de vader of, in het geval, genoemd in artikel 198, eerste lid, onder b, de huidige echtgenote of geregistreerde partner de moeder van het kind; 6. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 oktober 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Kamerstukken 33 032) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel H, van die wet later in werking treedt dan artikel I, onderdeel H, van deze wet, komt artikel I, onderdeel H, van die wet te luiden: H Artikel 199 wordt als volgt gewijzigd: 1. Onderdeel a komt te luiden: a. die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren, is gehuwd of een geregistreerd partnerschap is aangegaan, tenzij onderdeel b of de slotzin van artikel 198, eerste lid, onder b, geldt. 2. Onderdeel b komt te luiden: b. wiens huwelijk of geregistreerd partnerschap met de vrouw uit wie het kind is geboren, binnen 306 dagen voor de geboorte van het kind door zijn dood is ontbonden, zelfs indien de moeder was hertrouwd of een nieuw partnerschap had laten registreren; indien echter de vrouw sedert de 306de dag voor de geboorte van het kind was gescheiden van tafel en bed of zij en haar echtgenoot of geregistreerde partner sedert dat tijdstip gescheiden hebben geleefd, kan de vrouw binnen een jaar na de geboorte van het kind ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand verklaren dat haar overleden echtgenoot of geregistreerde partner niet de vader is van het kind, van welke verklaring een akte wordt opgemaakt;

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 526, nr. 2 35

9


was de moeder op het tijdstip van de geboorte hertrouwd of had zij een nieuw partnerschap laten registreren dan is in dat geval de huidige echtgenoot of geregistreerde partner de vader of, in het geval, genoemd in artikel 198, eerste lid, onder b, de huidige echtgenote of geregistreerde partner de moeder van het kind; 7. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 oktober 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Kamerstukken 33 032) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel I, die wet eerder in werking is getreden of treedt dan artikel H van deze wet, worden in deze wet in artikel I, na onderdeel K, twee onderdelen ingevoegd, luidende: Ka In het opschrift van afdeling 2a wordt na «huwelijk» ingevoegd: of geregistreerd partnerschap. Kb In artikel 202a, tweede lid, wordt na «het huwelijk» ingevoegd: of geregistreerd partnerschap. 8. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 oktober 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Kamerstukken 33 032) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel I, van die wet later in werking treedt dan artikel I, onderdeel H van deze wet, wordt in artikel I, onderdeel I, van die wet in het opschrift van afdeling 2a na «huwelijk» ingevoegd «of geregistreerd partnerschap» en wordt in artikel 202a, tweede lid, na «het huwelijk» ingevoegd: of geregistreerd partnerschap. 9. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 oktober 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Kamerstukken 33 032) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel J, van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan artikel I, onderdeel M, van deze wet, komt artikel I, onderdeel M, onder 1, van deze wet als volgt te luiden: 1. Het eerste lid, onder a, komt te luiden: a. door een persoon die krachtens artikel 41 geen huwelijk met de moeder mag sluiten of krachtens artikel 80a, zesde lid, geen geregistreerd partnerschap met de moeder mag aangaan;. 10. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 oktober 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Kamerstukken 33 032) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel J, van die wet later in werking treedt dan artikel I, onderdeel M, van deze wet, komt artikel I, onderdeel J, van die wet te luiden: J Artikel 204 wordt als volt gewijzigd: 1. Het eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 526, nr. 2 36

10


a. door een persoon die krachtens artikel 41 geen huwelijk met de moeder mag sluiten of krachtens artikel 80a, zesde lid, geen geregistreerd partnerschap met de moeder mag aangaan;. 2. In het eerste lid, onderdeel c, wordt na «de moeder» ingevoegd: of de vader. 3. Het derde lid komt te luiden: 3. De toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, kan op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon: a. de verwekker van het kind is; of b. de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind. 4. Het vierde lid komt te luiden: De toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, kan op verzoek van de persoon die als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen als dit in het belang is van het kind. 5. In het vijfde lid wordt «een man» vervangen door: een persoon. 11. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 oktober 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Kamerstukken 33 032) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel M, van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan artikel I, onderdeel N, van deze wet, komt artikel I, onderdeel N van deze wet als volgt te luiden N Artikel 207, tweede lid, onder b, komt te luiden: b. tussen de in de aanhef van het eerste lid bedoelde persoon en de moeder van het kind krachtens artikel 41 geen huwelijk zou mogen worden gesloten of krachtens artikel 80a, zesde lid, geen partnerschap zou mogen worden geregistreerd;. 12. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 oktober 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Kamerstukken 33 032) tot wet is of wordt verheven en artikel IV, onderdeel B, van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan artikel III, onderdeel A, van deze wet, komt artikel III, onderdeel A, onder 1, van deze wet als volgt te luiden: 1. In het eerste lid wordt «en de met haar gehuwde persoon of gehuwd geweest zijnde persoon» vervangen door: en de met haar gehuwde of gehuwd geweest zijnde persoon of de persoon met wie zij door een geregistreerd partnerschap is verbonden of verbonden is geweest.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 526, nr. 2 37

11


13. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 oktober 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Kamerstukken 33 032) tot wet is of wordt verheven en artikel IV, onderdeel B, van die wet later in werking treedt dan artikel III, onderdeel A, van deze wet, komt artikel IV, onderdeel B, onder 1, van die wet te luiden: 1. In het eerste lid wordt «en de met haar gehuwde man of gehuwd geweest zijnde man of de man met wie zij door een geregistreerd partnerschap is verbonden of verbonden is geweest» vervangen door: en de met haar gehuwde of gehuwd geweest zijnde persoon of de persoon met wie zij door een geregistreerd partnerschap is verbonden of verbonden is geweest. 14. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 oktober 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Kamerstukken 33 032) tot wet is of wordt verheven en artikel IV, onderdeel C, van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan artikel III, onderdeel B, van deze wet, komt artikel III, onderdeel B, van deze wet als volgt te luiden: B In artikel 93, vierde lid, wordt in de eerste zin de zinsnede «de met zijn moeder gehuwd of gehuwd geweest zijnde persoon» vervangen door «de met zijn moeder gehuwd of gehuwd geweest zijnde persoon of de persoon met wie zijn moeder door een geregistreerd partnerschap is verbonden of verbonden is geweest» en wordt in de tweede zin na « de met de moeder gehuwde of gehuwd geweest zijnde nog levende persoon» ingevoegd: respectievelijk de persoon met wie de moeder door een geregistreerd partnerschap is verbonden of de nog in levende zijn persoon met wie zij door een partnerschap verbonden is geweest. 15. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 oktober 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Kamerstukken 33 032) tot wet is of wordt verheven en artikel IV, onderdeel C, van die wet later in werking treedt dan artikel III, onderdeel B, deze wet, komt artikel IV, onderdeel C, onder 1, van die wet te luiden: 1. De zinsnede «de met zijn moeder gehuwd of gehuwd geweest zijnde man of de man met wie zij door een geregistreerd partnerschap is verbonden of verbonden is geweest» wordt vervangen door: de met zijn moeder gehuwd of gehuwd geweest zijnde persoon of de persoon met wie zijn moeder door een geregistreerd partnerschap is verbonden of verbonden is geweest. 16. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 oktober 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Kamerstukken 33 032) tot wet is of wordt verheven en artikel IV, onderdeel D, van die wet later in werking treedt dan artikel III, onderdeel D, van deze wet, vervalt artikel IV, onderdeel D, onder 2, van die wet en vervalt in onderdeel D, onder 1, de aanduiding «1.»

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 526, nr. 2 38

12


ARTIKEL VII De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 526, nr. 2 39

13


Tweede Kamer der Staten-Generaal

2

Vergaderjaar 2012–2013

33 488

Wijziging van Boek 1 en Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek betreffende de huwelijksleeftijd, de huwelijksbeletselen, de nietigverklaring van een huwelijk en de erkenning van in het buitenland gesloten huwelijken (Wet tegengaan huwelijksdwang)

Nr. 2

VOORSTEL VAN WET Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is huwelijksdwang tegen te gaan, en voorts te verduidelijken wanneer de erkenning van rechtsgeldig in het buitenland gesloten huwelijken in strijd is met fundamentele beginselen van de Nederlandse rechtsorde, en dat daartoe Boek 1 en Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek dienen te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid vervalt de aanduiding 1. 2. Het tweede en het derde lid vervallen. B Artikel 35 en 36 vervallen. C Na artikel 41 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

kst-33488-2 ISSN 0921 - 7371 ’s-Gravenhage 2012

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 488, nr. 2 40

1


Artikel 41a Een huwelijk mag niet worden gesloten tussen hen die elkander, hetzij van nature hetzij familierechtelijk, als bloedverwanten bestaan in de derde of vierde graad in de zijlinie, tenzij de aanstaande echtgenoten bij de ambtenaar van de burgerlijke stand ieder een beëdigde verklaring hebben afgelegd, inhoudende dat zij hun vrije toestemming tot het huwelijk geven. D Artikel 43 wordt als volgt gewijzigd: Onder vernummering van het tweede, derde en vierde lid tot derde, vierde en vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende: 2. Bij de aangifte verklaren de aanstaande echtgenoten dat zij elkander niet als bloedverwanten bestaan in de derde of vierde graad in de zijlinie of leggen zij een verklaring af als bedoeld in artikel 41a. E In artikel 44 vervalt in het eerste lid onderdeel i, onder verlettering van de onderdelen j en k tot i en j. F Artikel 47 vervalt. G In artikel 50 wordt tussen «gaan,» en «dan wel» een zinsnede ingevoegd, luidende: of wanneer partijen niet beiden hun vrije toestemming tot het huwelijk zullen geven. H Artikel 53 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het tweede lid vervalt. 2. In het derde lid vervalt «voorts». 3. Onder vernummering van het derde lid tot het tweede lid, worden twee nieuwe leden ingevoegd, luidende: 3. Het openbaar ministerie is voorts bevoegd het huwelijk te stuiten indien genoegzaam is gebleken dat de aanstaande echtgenoten, of één hunner, het huwelijk onder invloed van dwang zullen aangaan. 4. Voor de uitoefening van de in de leden 2 en 3 bedoelde bevoegdheid door het openbaar ministerie is voorafgaande machtiging van de rechtbank vereist. I In artikel 57 wordt na «41» onder vermelding van een komma een artikelnummer ingevoegd: , 41a. J Artikel 71 komt te luiden:

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 488, nr. 2 41

2


1. Een echtgenoot kan de nietigverklaring van zijn huwelijk verzoeken, wanneer hij dit onder invloed van dwang heeft gesloten. Tevens is het openbaar ministerie, na de echtgenoten in de gelegenheid te hebben gesteld hun mening omtrent de wenselijkheid van het indienen van het verzoek tot nietigverklaring kenbaar te maken, althans na deze daartoe behoorlijk te hebben opgeroepen, bevoegd tot het doen van het verzoek. 2. Voorts kan de echtgenoot, die bij de huwelijksvoltrekking gedwaald heeft hetzij in de persoon van de andere echtgenoot, hetzij omtrent de betekenis van de door hem afgelegde verklaring de nietigverklaring van zijn huwelijk verzoeken. 3. De bevoegdheid de nietigverklaring wegens dwaling te verzoeken vervalt, wanneer de echtgenoten zes maanden hebben samengewoond sedert de ontdekking van de dwaling zonder dat het verzoek is gedaan. De bevoegdheid de nietigverklaring wegens dwang te verzoeken vervalt, wanneer de echtgenoten drie jaar hebben samengewoond zonder dwang gericht op instandhouding van het huwelijk, zonder dat het verzoek is gedaan. K In artikel 74 vervalt de zinsnede «, noch wanneer de vrouw vóór de dag van het verzoek zwanger is geworden». L Artikel 80a wordt als volgt gewijzigd: 1. In het vierde lid komt de laatste volzin te luiden: De artikelen 43, tweede tot en met vijfde lid, en 46 zijn van overeenkomstige toepassing. 2. In het vijfde lid wordt in de eerste volzin tussen «gaan,» en «dan wel» een zinsnede ingevoegd, luidende: of wanneer partijen niet beiden hun toestemming tot het geregistreerd partnerschap vrijelijk zullen geven,. 3. In het vijfde lid wordt in de tweede volzin «53, tweede en derde lid» vervangen door: 53, tweede tot en met vierde lid. 4. In het vijfde lid wordt in de vierde volzin tussen «is,» en « mag» een zinsnede ingevoegd, luidende: of wanneer partijen niet beiden hun toestemming tot het geregistreerd partnerschap vrijelijk zullen geven 5. Het zesde lid komt te luiden: Ter zake van de partnerschapsregistratie zijn de artikelen 31, 32, 37 tot en met 39, 41, 41a, 44 tot en met 49, 58, en 62 tot en met 66 van overeenkomstige toepassing. M Artikel 233 komt te luiden: Minderjarigen zijn zij die de leeftijd van achttien jaren niet hebben bereikt en evenmin met toepassing van artikel 253ha meerderjarig zijn verklaard.

ARTIKEL II Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 28 komt te luiden:

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 488, nr. 2 42

3


Artikel 28 Het huwelijk wordt voltrokken indien ieder der aanstaande echtgenoten voldoet aan de vereisten tot het aangaan van een huwelijk van het Nederlandse recht. B Artikel 29 vervalt. C Artikel 32 komt te luiden: Artikel 32 Ongeacht artikel 31 van dit Boek wordt aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde en in ieder geval indien een der echtgenoten op het tijdstip van de sluiting van dat huwelijk: a. reeds gehuwd was of een geregistreerd partnerschap had gesloten met een persoon die de Nederlandse nationaliteit bezat of zelf de Nederlandse nationaliteit bezat of in Nederland zijn gewone verblijfplaats had, tenzij het eerder gesloten huwelijk of geregistreerd partnerschap is ontbonden of nietig verklaard; b. aan de andere echtgenoot in rechte lijn verwant was of de broer of zuster van die echtgenoot was, hetzij door bloedverwantschap, hetzij door adoptie, tenzij deze familierechtelijke betrekking later is verbroken vanwege het ontbreken van biologische verwantschap of herroeping van de adoptie; c. niet de leeftijd van achttien jaar had bereikt, tenzij de echtgenoten op het moment dat erkenning van het huwelijk gevraagd wordt beiden de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt; d. geestelijk niet in staat was zijn toestemming te geven, tenzij deze daartoe wel in staat is op het moment dat de erkenning van het huwelijk gevraagd wordt en uitdrukkelijk met de erkenning van het huwelijk instemt; of e. niet vrijelijk zijn toestemming tot het huwelijk had gegeven, tenzij deze uitdrukkelijk met de erkenning van het huwelijk instemt.

ARTIKEL III A Artikel 31 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek zoals het gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, is ook na dit tijdstip van toepassing indien de aangifte of aankondiging van het huwelijksvoornemen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand voor dit tijdstip heeft plaatsgehad. B Artikel 233 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op hen die voor de inwerkingtreding van deze wet als gevolg van het sluiten van een huwelijk of geregistreerd partnerschap meerderjarig zijn geworden. Voor deze personen blijft het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 488, nr. 2 43

4


ARTIKEL IV 1. Indien het bij Koninklijke boodschap van 13 juli 2010 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging van en de invoering van een elektronische dienstverlening bij de burgerlijke stand (Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand, 32 444), tot wet is of wordt verheven, en artikel I onderdeel M van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan artikel I onderdelen D en E van deze wet, komt in artikel I onderdeel D te vervallen en komt onderdeel E van deze wet als volgt te luiden: E Artikel 44 komt te luiden: 1. Ten behoeve van het kenbaar maken van hun voornemen om in het huwelijk te treden verstrekken de aanstaande echtgenoten van wie ten minste één uitsluitend of mede de Nederlandse nationaliteit bezit of in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft aan de ambtenaar van de burgerlijke stand: a. hun geslachtsnaam, voornamen, woonplaats en geboortegegevens, alsmede een verklaring dat zij elkaar niet als bloedverwanten bestaan in de derde of vierde graad in de zijlinie, dan wel een beëdigde verklaring als bedoeld in artikel 41a; b. indien toestemming tot het aangaan van een huwelijk is vereist, de gegevens van degenen wier toestemming noodzakelijk is, dan wel het bewijs dat deze hun toestemming hebben verleend. De toestemming kan ook ter gelegenheid van de huwelijksvoltrekking worden gegeven. Is de toestemming door de rechter verleend, dan verifieert de ambtenaar het bestaan daarvan bij de betrokken griffie; c. de overlijdensgegevens van allen wier toestemming voor het huwelijk was vereist, als zij in leven waren geweest; d. de gegevens inzake ontbinding van eventuele eerdere huwelijken of geregistreerde partnerschappen; e. in geval van stuiting, de gegevens inzake de opheffing daarvan; f. de ontheffing of de vergunning van Onze Minister van Justitie, ingeval deze is vereist; g. een vrijstelling krachtens artikel 62, indien deze is verkregen; h. de namen en adressen van de personen die als getuigen bij de voltrekking van het huwelijk aanwezig zullen zijn; i. ingeval een aanstaande echtgenoot niet de Nederlandse nationaliteit bezit of rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder b, d of e, van de Vreemdelingenwet 2000, een verklaring dat het voornemen om in het huwelijk te treden niet wordt aangegaan met het oogmerk om verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen, alsmede een verklaring omtrent het verblijfsrecht van de aanstaande echtgenoot die niet de Nederlandse nationaliteit bezit; j. de naam van de gemeente in Nederland waar het huwelijk zal worden voltrokken. 2. Wanneer de aanstaande echtgenoten, van wie ten minste één de Nederlandse nationaliteit bezit, buiten Nederland hun woonplaats hebben, kunnen zij zich ten behoeve van hun voornemen om in het huwelijk te treden uitsluitend tot de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage wenden. 2. Indien het bij Koninklijke boodschap van 13 juli 2010 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging van en de invoering van een elektronische dienstverlening bij de burgerlijke stand (Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand, 32 444), tot wet is of

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 488, nr. 2 44

5


wordt verheven, en artikel I onderdeel Z van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan artikel I onderdeel L van deze wet, komt artikel I onderdeel L van deze wet als volgt te luiden: L Artikel 80a komt te luiden: 1. Een persoon kan tegelijkertijd slechts met één andere persoon van hetzelfde of andere geslacht een geregistreerd partnerschap aangaan. 2. Zij die een geregistreerd partnerschap aangaan, mogen niet tegelijkertijd gehuwd zijn. 3. Registratie van partnerschap geschiedt bij een akte van registratie van partnerschap opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand. 4. Een partnerschapsregistratie kan worden gestuit, indien partijen niet de vereisten in zich verenigen om de registratie aan te gaan, of wanneer partijen niet beiden hun toestemming tot het geregistreerd partnerschap vrijelijk zullen geven, dan wel wanneer het oogmerk van de aanstaande geregistreerde partners, of één hunner, niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de partnerschapsregistratie verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating tot Nederland. Op een stuiting zijn de artikelen 51, 52, 53, tweede tot en met vierde lid, en 54 tot en met 56 van overeenkomstige toepassing. Het openbaar ministerie is verplicht een partnerschapsregistratie te stuiten, indien het met een van de in de artikelen 31, 32, 41 en in het eerste en tweede lid van dit artikel omschreven beletselen bekend is. Indien aan de ambtenaar van de burgerlijke stand een van de in de vorige zin genoemde beletselen bekend is, of wanneer partijen niet beiden hun toestemming tot het geregistreerd partnerschap vrijelijk zullen geven, mag hij niet meewerken aan een registratie of daaraan voorafgaande formaliteiten verrichten, ook al zou geen stuiting hebben plaatsgehad. 5. Ter zake van de partnerschapsregistratie zijn de artikelen 31, 32, 37 tot en met 39, 41, 41a, 44 tot en met 49, 58, en 62 tot en met 66 van overeenkomstige toepassing. 6. Op de nietigverklaring van een partnerschapsregistratie zijn van overeenkomstige toepassing de artikelen 69 tot en met 73, 74, 75 tot en met 77, eerste lid en tweede lid. 7. Op het bewijs van het bestaan van de partnerschapsregistratie zijn de artikelen 78 en 79 van overeenkomstige toepassing. 3. Indien het bij Koninklijke boodschap van 13 juli 2010 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging van en de invoering van een elektronische dienstverlening bij de burgerlijke stand (Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand, 32 444), tot wet is of wordt verheven, en artikel I onderdeel M van die wet later in werking treedt dan artikel I onderdeel E van deze wet, komt artikel I onderdeel M van die wet als volgt te luiden: M Artikel 44 komt te luiden: 1. Ten behoeve van het kenbaar maken van hun voornemen om in het huwelijk te treden verstrekken de aanstaande echtgenoten van wie ten minste één uitsluitend of mede de Nederlandse nationaliteit bezit of in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft aan de ambtenaar van de burgerlijke stand: a. hun geslachtsnaam, voornamen, woonplaats en geboortegegevens, alsmede een verklaring dat zij elkaar niet als bloedverwanten bestaan in de derde of vierde graad in de zijlinie, dan wel een beëdigde verklaring als

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 488, nr. 2 45

6


bedoeld in artikel 41a; b. indien toestemming tot het aangaan van een huwelijk is vereist, de gegevens van degenen wier toestemming noodzakelijk is, dan wel het bewijs dat deze hun toestemming hebben verleend. De toestemming kan ook ter gelegenheid van de huwelijksvoltrekking worden gegeven. Is de toestemming door de rechter verleend, dan verifieert de ambtenaar het bestaan daarvan bij de betrokken griffie; c. de overlijdensgegevens van allen wier toestemming voor het huwelijk was vereist, als zij in leven waren geweest; d. de gegevens inzake ontbinding van eventuele eerdere huwelijken of geregistreerde partnerschappen; e. in geval van stuiting, de gegevens inzake de opheffing daarvan; f. de ontheffing of de vergunning van Onze Minister van Justitie, ingeval deze is vereist; g. een vrijstelling krachtens artikel 62, indien deze is verkregen; h. de namen en adressen van de personen die als getuigen bij de voltrekking van het huwelijk aanwezig zullen zijn; i. ingeval een aanstaande echtgenoot niet de Nederlandse nationaliteit bezit of rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder b, d of e, van de Vreemdelingenwet 2000, een verklaring dat het voornemen om in het huwelijk te treden niet wordt aangegaan met het oogmerk om verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen, alsmede een verklaring omtrent het verblijfsrecht van de aanstaande echtgenoot die niet de Nederlandse nationaliteit bezit; j. de naam van de gemeente in Nederland waar het huwelijk zal worden voltrokken. 2. Wanneer de aanstaande echtgenoten, van wie ten minste één de Nederlandse nationaliteit bezit, buiten Nederland hun woonplaats hebben, kunnen zij zich ten behoeve van hun voornemen om in het huwelijk te treden uitsluitend tot de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage wenden. 4. Indien het bij Koninklijke boodschap van 13 juli 2010 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging van en de invoering van een elektronische dienstverlening bij de burgerlijke stand (Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand, 32 444), tot wet is of wordt verheven, en artikel I onderdeel Z van die wet later in werking treedt dan artikel I onderdeel L van deze wet, komt artikel I onderdeel Z van die wet als volgt te luiden: Z Artikel 80a komt te luiden: 1. Een persoon kan tegelijkertijd slechts met één andere persoon van hetzelfde of andere geslacht een geregistreerd partnerschap aangaan. 2. Zij die een geregistreerd partnerschap aangaan, mogen niet tegelijkertijd gehuwd zijn. 3. Registratie van partnerschap geschiedt bij een akte van registratie van partnerschap opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand. 4. Een partnerschapsregistratie kan worden gestuit, indien partijen niet de vereisten in zich verenigen om de registratie aan te gaan, of wanneer partijen niet beiden hun toestemming tot het geregistreerd partnerschap vrijelijk zullen geven, dan wel wanneer het oogmerk van de aanstaande geregistreerde partners, of één hunner, niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de partnerschapsregistratie verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating tot Nederland. Op een stuiting zijn de artikelen 51, 52, 53, tweede tot en met vierde lid, en 54 tot en met 56 van overeenkomstige toepassing. Het openbaar ministerie is verplicht een

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 488, nr. 2 46

7


partnerschapsregistratie te stuiten, indien het met een van de in de artikelen 31, 32, 41 en in het eerste en tweede lid van dit artikel omschreven beletselen bekend is. Indien aan de ambtenaar van de burgerlijke stand een van de in de vorige zin genoemde beletselen bekend is, of wanneer partijen niet beiden hun toestemming tot het geregistreerd partnerschap vrijelijk zullen geven, mag hij niet meewerken aan een registratie of daaraan voorafgaande formaliteiten verrichten, ook al zou geen stuiting hebben plaatsgehad. 5. Ter zake van de partnerschapsregistratie zijn de artikelen 31, 32, 37 tot en met 39, 41, 41a, 44 tot en met 49, 58, en 62 tot en met 66 van overeenkomstige toepassing. 6. Op de nietigverklaring van een partnerschapsregistratie zijn van overeenkomstige toepassing de artikelen 69 tot en met 73, 74, 75 tot en met 77, eerste lid en tweede lid. 7. Op het bewijs van het bestaan van de partnerschapsregistratie zijn de artikelen 78 en 79 van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

ARTIKEL VI Deze wet wordt aangehaald als de Wet tegengaan huwelijksdwang.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 488, nr. 2 47

8


Eerste Kamer der Staten-Generaal

1

Vergaderjaar 2010–2011

32 444

Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging van en de invoering van een elektronische dienstverlening bij de burgerlijke stand (Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand)

A

GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET 21 juni 2011 Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het in het kader van de lastenverlichting wenselijk is voor de burger een aantal procedures op het terrein van de burgerlijke stand te vereenvoudigen en in verband daarmee te voorzien in de mogelijkheid van elektronische dienstverlening, in het bijzonder bij geboorte, overlijden, voornemen om in het huwelijk te treden en voorgenomen registratie van een partnerschap; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd: A In artikel 16a, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt na «45a,» ingevoegd: 58,. Aa Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het tweede lid komt te luiden: 2. Alvorens tot het opmaken van een akte over te gaan, verifieert de ambtenaar van de burgerlijke stand de door partijen bij de akte verstrekte gegevens door raadpleging van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en, zonodig, andere daartoe bestemde registers of bevoegde autoriteiten, zonder daarvoor leges verschuldigd te zijn.

kst-32444-A ISSN 0921 - 7371 ’s-Gravenhage 2011

Eerste Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 444, A 48

1


2. Onder vernummering van het derde lid tot het vijfde lid, worden een nieuw derde en vierde lid ingevoegd, luidende: 3. De ambtenaar van de burgerlijke stand is voorts bevoegd zich, al dan niet in persoon, alle bescheiden te doen vertonen die hij voor het opmaken van de akte of voor de vaststelling van de in de akte op te nemen gegevens noodzakelijk acht. 4. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan de akten van geboorte, van overlijden, van huwelijk en van registratie van een partnerschap in elektronische vorm opmaken. B Onder vernummering van de artikelen 18b en 18c tot de artikelen 18c en 18d, wordt een nieuw artikel 18b ingevoegd, luidende: Artikel 18b 1. Voor de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van de elektronische aangifte alsmede het opmaken en de opslag van een akte in elektronische vorm wordt een systeem van gegevensverwerking gebruikt dat: a. de ambtenaar van de burgerlijke stand in staat stelt de juistheid van de identiteit van de aangever vast te stellen; b. de vertrouwelijkheid van de door de aangever verstrekte gegevens waarborgt; c. waarborgt dat elektronische akten als bedoeld in artikel 18, vierde lid, zodanig blijven opgeslagen dat de inhoud toegankelijk is voor toekomstig gebruik en een ongewijzigde reproductie van de inhoud van de akten gewaarborgd is; d. waarborgt dat een bericht, elektronisch afschrift of uittreksel volledig is en niet onbevoegdelijk is of kan worden gewijzigd. 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen over het in het eerste lid bepaalde nadere regels worden gesteld. C In artikel 18c, eerste lid, wordt «artikel 18, tweede lid» vervangen door «artikel 18, derde lid» en in artikel 18c, derde lid, wordt «de korpschef» vervangen door: de Immigratie- en Naturalisatiedienst. D Artikel 19e wordt als volgt gewijzigd: Onder vernummering van het eerste tot en met het zevende lid tot het tweede tot en met het achtste lid, wordt een nieuw eerste lid ingevoegd, luidende: 1. De aangifte van een geboorte kan in persoon of, als deze weg is geopend, elektronisch worden gedaan. Tot elektronische aangifte zijn uitsluitend bevoegd de moeder en de vader van het kind. 3. In het tweede en derde lid wordt na «aangifte» ingevoegd «in persoon» en in het vijfde lid wordt «derde» vervangen door: vierde. 4. Het achtste lid komt te luiden: 8. De ambtenaar van de burgerlijke stand stelt de identiteit van de aangever vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, dan wel op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen andere wijze.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 444, A 49

2


5. Onder vernummering van het achtste en negende lid tot het elfde en twaalfde lid, worden een nieuw negende en tiende lid ingevoegd, luidende: 9. De aangever verstrekt in ieder geval de volgende gegevens: a. de dag, de plaats en het tijdstip van de geboorte; b. het geslacht van het kind; c. de voornamen van het kind; d. de geslachtsnaam, de voornamen, de dag van geboorte, de woonplaats, het woonadres en e. zo mogelijk, het burgerservicenummer van de moeder. 10. Bij elektronische aangifte dient de moeder haar burgerservicenummer op te geven en dient de vader zowel zijn burgerservicenummer als dat van de moeder op te geven. Tevens dient de moeder of de vader de juistheid van de in het negende lid, onder a, b en d genoemde gegevens te laten bevestigen door de betrokken arts of verloskundige. 6. In het twaalfde lid wordt «achtste» vervangen door: elfde. E Artikel 19h wordt als volgt gewijzigd: 1. Het tweede lid komt te luiden: 2. Binnen de in artikel 16 van de Wet op de lijkbezorging gestelde termijn voor de begraving of crematie, kan de persoon die in de lijkbezorging voorziet, door een in het eerste lid bedoelde persoon worden gemachtigd tot het doen van de aangifte. In dit geval kan de aangifte door de gemachtigde ook elektronisch worden gedaan, als deze weg is geopend. 2. Onder vernummering van het derde en vierde lid tot het vijfde en zesde lid, worden een nieuw derde en vierde lid ingevoegd, luidende: 3. De identiteit van de aangever wordt vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, dan wel op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen andere wijze. 4. De aangever verstrekt ten minste de volgende gegevens van de overledene: a. geslachtsnaam, voornamen en geslacht van de overledene; b. voor zover bekend, plaats en dag van geboorte; c. plaats, dag en, zo mogelijk, het tijdstip van overlijden en d. diens burgerlijke staat en e. diens laatst bekende woonadres of woonplaats. 3. In het vijfde lid wordt «verbranding» vervangen door: crematie. 4. In het zesde lid vervalt het woord «schriftelijk». F In artikel 20a komt het vierde lid te vervallen. G In artikel 20c wordt «18b» vervangen door: 18c. H In artikel 23b worden, onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot het zesde en zevende lid, een nieuw vierde en vijfde lid ingevoegd, luidende:

Eerste Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 444, A 50

3


4. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan een uittreksel of afschrift van de akten van geboorte, van huwelijk, van registratie van een partnerschap, van de omzetting van een registratie van een partnerschap in een huwelijk, van de omzetting van een huwelijk in een registratie van een partnerschap of van overlijden verstrekken in elektronische vorm, die een ongewijzigde reproductie van de inhoud van de akte mogelijk maakt. 5. Het uittreksel of het afschrift wordt gewaarmerkt door een elektronische handtekening van de ambtenaar van de burgerlijke stand, overeenkomstig artikel 15a, tweede lid, van Boek 3. I Artikel 24a komt te luiden: Kennelijke schrijf- of spelfouten en kennelijke misslagen kunnen ambtshalve door de ambtenaar van de burgerlijke stand worden verbeterd. Indien in een andere gemeente een akte betreffende dezelfde persoon of diens afstammelingen wordt gehouden, die eveneens verbetering behoeft, stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand die de verbetering in de akte heeft aangebracht de ambtenaar van de burgerlijke stand in de andere gemeente daarvan op de hoogte. J Artikel 25, vierde lid, komt te luiden: 4. Indien de inschrijving van een huwelijksakte of van een akte van registratie van een partnerschap op grond van het eerste lid wordt verzocht door een belanghebbende en betrekking heeft op een huwelijk of een geregistreerd partnerschap tussen personen van wie er een niet de Nederlandse nationaliteit bezit of rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder b, d of e, van de Vreemdelingenwet 2000, dienen de echtgenoten of geregistreerde partners ten behoeve van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage een verklaring af te leggen inzake het verblijfsrecht van de echtgenoot of geregistreerde partner die niet de Nederlandse nationaliteit bezit alsmede inhoudende dat hun huwelijk of geregistreerd partnerschap niet is aangegaan met het oogmerk om verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen. De verklaring is niet vereist indien: a. sinds de voltrekking van het huwelijk of de registratie van het partnerschap ten minste tien jaren zijn verstreken, of b. het huwelijk of geregistreerd partnerschap inmiddels is geëindigd. K In artikel 25a, eerste lid, komt de zinsnede «, nadat hij daartoe toestemming van de officier van justitie heeft verkregen» te vervallen. Ka In artikel 27 wordt «18b» vervangen door: 18c. L Artikel 43 vervalt. M Artikel 44 komt te luiden:

Eerste Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 444, A 51

4


Artikel 44 1. Ten behoeve van het kenbaar maken van hun voornemen om in het huwelijk te treden verstrekken de aanstaande echtgenoten aan de ambtenaar van de burgerlijke stand: a. hun geslachtsnaam, voornamen, woonplaats en geboortegegevens; b. indien toestemming tot het aangaan van een huwelijk is vereist, de gegevens van degenen wier toestemming noodzakelijk is, dan wel het bewijs dat deze hun toestemming hebben verleend. De toestemming kan ook ter gelegenheid van de huwelijksvoltrekking worden gegeven. Is de toestemming door de rechter verleend, dan verifieert de ambtenaar het bestaan daarvan bij de betrokken griffie; c. de overlijdensgegevens van allen wier toestemming voor het huwelijk was vereist, als zij in leven waren geweest; d. de gegevens inzake ontbinding van eventuele eerdere huwelijken of geregistreerde partnerschappen; e. in geval van stuiting, de gegevens inzake de opheffing daarvan; f. de ontheffing of de vergunning van Onze Minister van Justitie, ingeval deze is vereist; g. een vrijstelling krachtens artikel 62, indien deze is verkregen; h. de verklaring, bedoeld in artikel 31, tweede lid, ingeval deze vereist is; i. de namen en adressen van de personen die als getuigen bij de voltrekking van het huwelijk aanwezig zullen zijn; j. ingeval een aanstaande echtgenoot niet de Nederlandse nationaliteit bezit of rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder b, d of e, van de Vreemdelingenwet 2000, een verklaring dat het voornemen om in het huwelijk te treden niet wordt aangegaan met het oogmerk om verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen, alsmede een verklaring omtrent het verblijfsrecht van de aanstaande echtgenoot die niet de Nederlandse nationaliteit bezit; k. de naam van de gemeente in Nederland waar het huwelijk zal worden voltrokken. 2. Wanneer de aanstaande echtgenoten, van wie ten minste één de Nederlandse nationaliteit bezit, buiten Nederland hun woonplaats hebben, kunnen zij zich ten behoeve van hun voornemen om in het huwelijk te treden uitsluitend tot de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage wenden. N Artikel 45 komt te luiden: Artikel 45 1. Indien de geboortegegevens van een aanstaande echtgenoot niet kunnen worden geverifieerd en deze niet in staat is om een geboorteakte over te leggen, kan de betrokkene jegens de ambtenaar van de burgerlijke stand ten overstaan van wie het huwelijk zal worden voltrokken een beëdigde verklaring afleggen inhoudende: het geslacht, de plaats, het land en, zo nauwkeurig mogelijk, de datum van geboorte alsmede de persoonsgegevens van de ouders. 2. In de huwelijksakte wordt van de afgelegde verklaring melding gemaakt. O Artikel 45a komt te luiden:

Eerste Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 444, A 52

5


Artikel 45a Indien de gegevens betreffende overlijden als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder c, niet kunnen worden geverifieerd en de aanstaande echtgenoten niet in staat zijn om de akte of akten van overlijden over te leggen, kunnen zij terzake een beëdigde verklaring afleggen jegens de ambtenaar van de burgerlijke stand ten overstaan van wie het huwelijk zal worden voltrokken. Deze maakt daarvan melding in de huwelijksakte. P Artikel 46 komt te luiden: Artikel 46 Wanneer het huwelijk binnen een jaar, te rekenen vanaf de datum waarop het voornemen daartoe is kenbaar gemaakt, niet is voltrokken, mag het niet worden voltrokken dan nadat het voornemen daartoe opnieuw kenbaar is gemaakt. Q In artikel 48 worden de woorden «de gedane aangifte» vervangen door: dit voornemen. R Artikel 49, tweede lid, komt te luiden: 2. Indien het voornemen tot het aangaan van een huwelijk aan een ambtenaar van de burgerlijke stand kenbaar is gemaakt, kan dit grond opleveren tot een vordering tot vergoeding der werkelijke vermogensverliezen, zonder dat daarbij enige winstderving in aanmerking komt. De vordering vervalt door verloop van achttien maanden, te rekenen vanaf de datum waarop het voornemen kenbaar is gemaakt. S In artikel 49a, derde lid, wordt de zinsnede «door kennisneming van de bescheiden» vervangen door «door verificatie van de gegevens» en wordt «g» vervangen door: f. T Artikel 54 wordt als volgt gewijzigd: In het eerste lid wordt de zinsnede «van een der gemeenten waar het huwelijk kan worden voltrokken» vervangen door: van de gemeente waar het huwelijk zal worden voltrokken. Onder vernummering van het vierde tot het derde lid, komt het derde lid te vervallen. U In artikel 55 wordt de zinsnede «een der ambtenaren» vervangen door: de ambtenaar.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 444, A 53

6


V In artikel 57 wordt de zinsnede «mag niet tot een huwelijksaangifte of een huwelijksvoltrekking meewerken» vervangen door: mag geen medewerking verlenen aan een huwelijksvoltrekking of aan de vervulling van daaraan voorafgaande formaliteiten. W Artikel 58 komt te luiden: 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand verifieert, alvorens tot de voltrekking van het huwelijk over te gaan, opnieuw de rechtmatigheid van het verblijf in Nederland van de aanstaande echtgenoot die niet de Nederlandse nationaliteit bezit. 2. Is de ambtenaar van de burgerlijke stand, in het geval geen rechtmatig verblijf bestaat op grond van artikel 8, onder b, d of e van de Vreemdelingenwet 2000, van oordeel dat het oogmerk van de aanstaande echtgenoten, of één hunner, niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, maar op het verkrijgen van toelating tot Nederland, dan weigert hij de huwelijksakte op te maken overeenkomstig artikel 18c, tweede lid. X Artikel 62 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt de zinsnede «van de akte van huwelijksaangifte» vervangen door: waarop het voornemen om in het huwelijk te treden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand kenbaar is gemaakt. 2. In het tweede lid wordt de zinsnede «huwelijksaangifte is geschied» vervangen door: het voornemen om in het huwelijk te treden kenbaar is gemaakt. Y Artikel 63 komt te luiden: Artikel 63 1. Een huwelijk wordt in het openbaar in het gemeentehuis voltrokken ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de door de aanstaande echtgenoten aangewezen gemeente in tegenwoordigheid van ten minste twee en ten hoogste vier meerderjarige getuigen. 2. In het geval dat de melding van een voornemen om in het huwelijk te treden op elektronische wijze heeft plaatsgevonden, dienen de aanstaande echtgenoten uiterlijk ter gelegenheid van de huwelijksvoltrekking hun identiteit aan te tonen door overlegging van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Z Artikel 80a wordt als volgt gewijzigd: 1. Het vierde lid komt te vervallen. 2. Onder vernummering van het vijfde tot het vierde lid wordt in de laatste volzin de zinsnede «tot een aangifte of registratie meewerken» vervangen door: meewerken aan een registratie of daaraan voorafgaande formaliteiten verrichten.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 444, A 54

7


3. Het zesde, zevende en achtste lid worden vernummerd tot het vijfde, zesde onderscheidenlijk zevende lid. AA In artikel 80g, eerste lid, komen in de eerste volzin de woorden «van de woonplaats van één der partijen» te vervallen.

ARTIKEL II In artikel 12 van de Wet op de lijkbezorging wordt de zinsnede «Verlof tot begraving of tot crematie wordt niet verleend, zolang niet is overgelegd een verklaring van overlijden» vervangen door: De ambtenaar van de burgerlijke stand verleent geen verlof tot begraving of crematie indien hij niet beschikt over een verklaring van overlijden.

ARTIKEL III De Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt als volgt gewijzigd: A In artikel 36, tweede lid, onderdeel c, komen de woorden «akte van bekendheid of» te vervallen. B Artikel 36a komt te luiden: Artikel 36a 1. Aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, d of e, dan wel artikel 36, derde lid, worden geen gegevens ontleend over het huwelijk dat is gesloten tussen echtgenoten van wie er ten minste één vreemdeling is, dan nadat de echtgenoten een verklaring hebben afgelegd dat hun huwelijk niet is aangegaan met het oogmerk om verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen. 2. De verklaring is niet vereist indien: a. sedert de voltrekking van het huwelijk ten minste tien jaren zijn verstreken of het huwelijk inmiddels is geëindigd, b. de gegevens ambtshalve worden opgenomen, of c. de vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder b, d of e, van de Vreemdelingenwet 2000. 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een geregistreerd partnerschap. C In artikel 37a wordt «artikel 85» vervangen door: artikel 83. D Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het tweede lid komt te vervallen. 2. Het derde lid wordt vernummerd tot tweede lid.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 444, A 55

8


ARTIKEL IIIA In artikel VI, onderdeel C, van de Wet van 14 oktober 1993 tot herziening van Titel 4 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en wijziging van enige andere bepalingen van Boek 1 van dat wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek van Strafvordering worden het achtste en negende lid van artikel 19e vernummerd tot het elfde en twaalfde lid en worden «achtste» en «negende» vervangen door, respectievelijk, «elfde» en «twaalfde».

ARTIKEL IV 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. Bij koninklijk besluit kan voor iedere gemeente worden bepaald dat de aangifte van geboorte of overlijden of de melding van een voorgenomen huwelijk of de voorgenomen registratie van een partnerschap in elektronische vorm kan worden gedaan, alsmede dat akten van de burgerlijke stand elektronisch kunnen worden opgemaakt en uittreksels of afschriften daarvan elektronisch kunnen worden verstrekt.

ARTIKEL V Deze wet wordt aangehaald als: Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Eerste Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 444, A 56

9


Eerste Kamer der Staten-Generaal

1

Vergaderjaar 2012–2013

33 351

Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens in verband met het wijzigen van de voorwaarden voor en de bevoegdheid ter zake van wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte

A

GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET 9 april 2013 Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de voorwaarden voor wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte die bestaan uit fysieke aanpassing aan het gewenste geslacht en absolute onvruchtbaarheid, te doen vervallen, en voorts de bevoegdheid om tot bedoelde wijziging over te gaan een bevoegdheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand te doen zijn, en dat daartoe met name afdeling 13 van titel 4 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek dient te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid, aanhef, wordt tussen «van akten van omzetting van een geregistreerd partnerschap,» en «alsmede van rechterlijke uitspraken» ingevoegd: wijziging van de vermelding van het geslacht na een aangifte als bedoeld in artikel 28,. 2. In het eerste lid, onder a, vervalt de zinsnede «een last tot wijziging van de vermelding van het geslacht,».

kst-33351-A ISSN 0921 - 7371 ’s-Gravenhage 2013

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 351, A 57

1


B Afdeling 13 van titel 4 komt als volgt te luiden: AFDELING 13 WIJZIGING VAN DE VERMELDING VAN HET GESLACHT IN DE AKTE VAN GEBOORTE Artikel 28 1. Iedere Nederlander van zestien jaar of ouder die de overtuiging heeft tot het andere geslacht te behoren dan is vermeld in de akte van geboorte, kan van die overtuiging aangifte doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand onder wie de desbetreffende akte berust. Indien de akte van geboorte niet hier te lande in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven, geschiedt de aangifte bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage. 2. Voor de toepassing van het eerste lid en het derde lid alsmede de artikelen 28a en 28b wordt onder akte van geboorte mede verstaan een akte van inschrijving van een buiten Nederland opgemaakte akte van geboorte of van een beschikking als bedoeld in artikel 25c. 3. Degene die de Nederlandse nationaliteit niet bezit kan een aangifte als bedoeld in het eerste lid doen, indien hij gedurende een tijdvak van ten minste één jaar, onmiddellijk voorafgaande aan de aangifte, woonplaats in Nederland heeft en een rechtsgeldige verblijfstitel heeft. In dat geval wordt tevens een afschrift van de akte van geboorte overgelegd. 4. De minderjarige van zestien jaar of ouder is bekwaam tot het doen van de in het eerste lid bedoelde aangifte ten behoeve van zichzelf, alsmede om ter zake in en buiten rechte op te treden. Artikel 28a 1. Bij de aangifte wordt overgelegd een verklaring van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen deskundige, afgegeven ten hoogste zes maanden voor de datum van de aangifte. 2. De deskundigenverklaring vermeldt dat degene op wie de aangifte betrekking heeft jegens de deskundige heeft verklaard de overtuiging te hebben tot het andere geslacht te behoren dan is vermeld in zijn akte van geboorte en jegens de deskundige er blijk van heeft gegeven diens voorlichting omtrent de reikwijdte en de betekenis van deze staat te hebben begrepen en de wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte weloverwogen te blijven wensen. De deskundige geeft de verklaring niet af indien hij gegronde reden heeft om aan de gegrondheid van bedoelde overtuiging te twijfelen. Artikel 28b 1. Indien aan artikel 28a is voldaan voegt de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de akte van geboorte een latere vermelding toe van wijziging van het geslacht. Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing. 2. In het in de eerste zin van het eerste lid bedoelde geval kan de ambtenaar van de burgerlijke stand desverzocht tevens overgaan tot wijziging van de voornamen van degene op wie de aangifte betrekking heeft. 3. In het geval bedoeld in artikel 28, eerste lid, tweede zin, schrijft de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage de akte van geboorte tevens in het register van geboorten van die gemeente in.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 351, A 58

2


Artikel 28c 1. De wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte heeft haar gevolgen, die uit dit boek voortvloeien, vanaf de dag waarop de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de akte van geboorte een latere vermelding van wijziging van het geslacht toevoegt. Dit tijdstip geldt eveneens voor de wijziging van de voornamen, bedoeld in artikel 28b, tweede lid. 2. De wijziging van de vermelding van het geslacht laat de op het in het eerste lid genoemde tijdstip bestaande familierechtelijke betrekkingen en de daaruit voortvloeiende op dit boek gegronde rechten, bevoegdheden en verplichtingen onverlet. 3. Indien de betrokkene na de wijziging van de vermelding van het geslacht een kind baart, wordt voor de toepassing van titel 11 en hetgeen daaruit voortvloeit uitgegaan van het geslacht dat deze voor de wijziging had. In geval van adoptie van een kind op verzoek van degene die dit na de wijziging van de vermelding van het geslacht heeft verwekt of heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind met eigen zaad tot gevolg heeft gehad, en het kind is of wordt geboren binnen de relatie van de adoptant en de ouder, is de maatstaf van het vierde lid van artikel 227 van toepassing.

ARTIKEL II De Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt als volgt gewijzigd: 1. In artikel 37, vierde lid, komt «in verband met een rechterlijke last tot wijziging van de vermelding van het geslacht in de geboorteakte» te luiden: in verband met een wijziging van de vermelding van het geslacht in de geboorteakte. 2. In artikel 81, derde lid, komt «in verband met een rechterlijke last tot wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte» te luiden: in verband met een wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte.

ARTIKEL III 1. Gerechtelijke procedures als bedoeld in afdeling 13 van titel 4 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, zoals deze afdeling tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet luidde en waarin op dat tijdstip nog niet onherroepelijk is beslist, kunnen ook na dat tijdstip geheel worden afgedaan op de voet van bedoelde afdeling. 2. Het voorschrift inzake de last tot wijziging van de vermelding van het geslacht, vermeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, zoals deze bepaling luidde tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft van kracht met betrekking tot rechterlijke uitspraken waarvan om reden van het nog niet verstreken zijn van de daar bedoelde termijn van drie maanden de last tot wijziging van de vermelding van het geslacht nog niet kon worden uitgevoerd, alsmede ten aanzien van gerechtelijke procedures die met toepassing van het eerste lid zijn voortgezet. 3. Het voorschrift inzake de last tot wijziging van de vermelding van het geslacht, vermeld in artikel 37, vierde lid, en artikel 81, derde lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, zoals deze bepalingen luidden tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft van kracht met betrekking tot de last tot wijziging die is gegeven voor

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 351, A 59

3


dat tijdstip, alsmede in geval de gerechtelijke procedure met toepassing van het eerste lid is voortgezet.

ARTIKEL IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren, die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 351, A 60

4


Tweede Kamer der Staten-Generaal

2

Vergaderjaar 2012–2013

33 311

Voorstel van wet van het Lid Bontes tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het beperken van de duur van partneralimentatie en tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het desverzocht verstrekken van berekeningen van draagkracht en behoefte in zaken betreffende partneralimentatie

Nr. 5

VOORSTEL VAN WET ZOALS GEWIJZIGD NAAR AANLEIDING VAN HET ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek te wijzigen in verband met het beperken van de duur van partneralimentatie en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te wijzigen in verband met het desverzocht verstrekken van berekeningen van draagkracht en behoefte in zaken betreffende partneralimentatie; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd: In artikel 157, derde en vierde lid, wordt «twaalf» vervangen door: vijf.

ARTIKEL II Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt als volgt gewijzigd: A Aan artikel 805 wordt een lid toegevoegd, luidende: 3. Bij een afschrift van een beschikking betreffende een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij, verstrekt de griffier desverzocht aan de verzoeker en aan de verschenen belanghebbenden de

kst-33311-5 ISSN 0921 - 7371 ’s-Gravenhage 2013

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 311, nr. 5 61

1


berekeningen van de draagkracht en de behoefte die mede aan de beschikking ten grondslag liggen. B In artikel 822 wordt, onder vernummering van het tweede lid tot het derde lid, na het eerste lid een lid ingevoegd, luidende: 2. Ten aanzien van het bedrag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, is artikel 805, derde lid, van overeenkomstige toepassing. C In artikel 827 wordt, onder vernummering van het tweede en derde lid tot het derde en vierde lid, na het eerste lid een lid ingevoegd, luidende: 2. Ten aanzien van een nevenvoorziening als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is artikel 805, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL III 1. Artikel I is alleen van toepassing op de uitkeringen tot levensonderhoud die na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet door de rechter zijn toegekend of tussen partijen zijn overeengekomen. 2. Uitkeringen tot levensonderhoud die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet door de rechter zijn toegekend of door partijen zijn overeengekomen, eindigen van rechtswege vijf jaren na dat tijdstip, tenzij de door de rechter vastgestelde of de door partijen overeengekomen termijn eerder eindigt. 3. Indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn van vijf jaren van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot de uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, kan de rechter op diens verzoek alsnog een termijn vaststellen. Het verzoek daartoe dient te worden ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken. De rechter bepaalt bij de uitspraak of de verlenging van de termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is. 4. De termijn die de rechter heeft vastgesteld op grond van het derde lid, kan op verzoek van een van de gewezen echtgenoten worden gewijzigd in geval van zodanig ingrijpende wijziging van omstandigheden dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de verzoeker kan worden gevergd. 5. Op uitkeringen tot levensonderhoud die vóór 1 juli 1994 door de rechter zijn vastgesteld of door partijen zijn overeengekomen, zijn het tweede tot en met vierde lid niet van toepassing.

ARTIKEL IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 311, nr. 5 62

2


Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 311, nr. 5 63

3


Tweede Kamer der Staten-Generaal

2

Vergaderjaar 2011–2012

33 312

Initiatiefnota van de leden Van der Steur, Recourt en Berndsen over partneralimentatie

Nr. 2

INITIATIEFNOTA 1. Het plan in het kort Indieners willen dat partneralimentatie eerlijker, simpeler en korter wordt. Zij veranderen de grondslag, de berekeningsmethode en de duur. Tegelijkertijd wordt rekening gehouden met de zorgverdeling voor kinderen, de langdurige afwezigheid van de arbeidsmarkt en een prikkel om weer zelfstandig op eigen benen te gaan staan. In huwelijkse voorwaarden of bij een geregistreerd partnerschapovereenkomst kunnen partijen afwijken van de wettelijke regeling. Contractsvrijheid is het uitgangspunt. Partneralimentatie is verschuldigd in 20% van de gevallen. Partneralimentatie is aanvullend op kinderalimentatie. Geen kinderen 0–3 jaar: geen recht op partneralimentatie 3-verder: de helft van het huwelijk met een maximum van 5 jaar Wel kinderen Partneralimentatie totdat het jongste kind 12 jaar is en de zorg onevenredig is verdeeld of de helft van het huwelijk met een maximum van 5 jaar Huwelijken langer dan 15 jaar: De helft van het huwelijk met een maximum van 10 jaar als de ontvangende partner gedurende het huwelijk niet aan het arbeidsproces heeft deelgenomen 2. De nieuwe grondslag De grondslag voor de betaling van partneralimentatie wordt wettelijk vastgelegd en is: compensatie voor de gedurende het huwelijk ontstane verlies aan verdiencapaciteit. De alimentatie is dus een compensatie voor de tijd dat een van de partners niet of minder aan de carrière heeft besteed. Indieners accepteren dat het einde van een huwelijk of een

kst-33312-2 ISSN 0921 - 7371 ’s-Gravenhage 2012

Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 312, nr. 2 64

1


geregistreerd partnerschap kan leiden tot verlies van welstand na afloop van het huwelijk of geregistreerd partnerschap. Deze partijen achten dat redelijk omdat hierbij wordt aangesloten bij de werkelijk voor het huwelijk bestaande verschillen tussen de partners. Het huwelijk op zich rechtvaardigt niet een overdracht van inkomen na het huwelijk. Het recht op partneralimentatie ontstaat pas als gedurende het huwelijk bijvoorbeeld geen betaald werk is verricht of als er na het huwelijk zorgverplichtingen resteren die niet evenredig verdeeld zijn. Samenwonenden ongeacht of er kinderen zijn hebben geen wettelijk recht op partneralimentatie. Zij kunnen vrijwillig aansluiten bij de wettelijke regeling. De wettelijke regeling is van toepassing op gehuwden en geregistreerde partners. Bij huwelijkse voorwaarden en in de overeenkomst van geregistreerd partnerschap kunnen partijen andersluidende afspraken maken. De wettelijke regeling staat afwijkingen ten positieve en ten negatieve toe. Contractsvrijheid is uitgangspunt. 3. Het probleem Partneralimentatie is wettelijk geregeld maar net als bij de kinderalimentatie is ook de berekening van partneralimentatie onoverzichtelijk. Daarnaast wordt de duur van de alimentatie als onredelijk lang ervaren (in geval van scheiding zonder kinderen en de duur van het huwelijk langer dan 5 jaar, is de duur in veel gevallen 12 jaar). De betalende partner draagt vervolgens gedurende langere tijd een substantieel deel van zijn inkomen over. Voor de ontvangende partner bestaat geen prikkel om door middel van eigen inkomsten en/of opleiding op enige termijn in het eigen onderhoud te voorzien. Tenslotte is in het huidige systeem de hoogte van de partneralimentatie zeer lastig te wijzigen. Omdat de berekeningsmethodiek niet eenvoudig is, komt in veel gevallen de rechter eraan te pas en indieners vinden dat de huidige systematiek daarmee onduidelijk is, teveel negatieve gevolgen heeft voor de betalende partner en te moeilijk te wijzigen is. Het huidige systeem gaat ervan uit dat het welstandsniveau tijdens het huwelijk ook recht geeft op datzelfde welstandsniveau daarna. Indieners achten dat niet redelijk. Daarom wordt in hun voorstel aangesloten bij de werkelijk voor het huwelijk bestaande inkomensverschillen tussen de partners. Het huwelijk op zich rechtvaardigt niet een overdracht van inkomen na het huwelijk. Uit onderzoek blijkt overigens dat maar in 20% van de gevallen een verplichting tot betaling van partneralimentatie ontstaat. Indieners achten desalniettemin een wijziging van het bestaande stelsel noodzakelijk. 4. Emancipatie De partner (vaak de vrouw) die tijdens het huwelijk het merendeel van de zorgtaken had en minder betaald werk verrichtte, komt op het moment van scheiding wat dat betreft niet meteen in een andere situatie terecht. Deze relatieve achterstandspositie van de vrouw moet kunnen worden verdisconteerd in de alimentatieplicht van de man. Daarin wil deze initiatiefnota geen verandering brengen. Waar deze initiatiefnota wel aandacht voor vraagt is het feit dat de economisch onzelfstandige startpositie van de vrouw na de scheiding niet mag betekenen dat zij in die afhankelijke positie moet blijven. 5. Duur van de partneralimentatie De duur van de partneralimentatie wordt wettelijk beperkt.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 312, nr. 2 65

2


Huwelijken zonder kinderen Bij huwelijken die korter duren dan drie jaar is geen verplichting tot partneralimentatie. Bij huwelijken die langer hebben geduurd dan drie jaar geldt dat partneralimentatie verschuldigd kan zijn voor de duur van de helft van het huwelijk met een maximum van 5 jaar. Huwelijken met kinderen Bij huwelijken met kinderen geldt dat als de zorgverdeling tussen beide ex-partners tot gevolg heeft dat een van beide partners beperkt kan deelnemen aan het arbeidsproces, dat de partneralimentatie wordt verlengd totdat het jongste kind de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt en in ieder geval de helft van het huwelijk met een maximum van 5 jaar. Indien de zorgverplichting gelijk is (co-ouderschap) en beide ouders werken, dan is partneralimentatie niet verschuldigd. Uitzondering Op de bovenstaande maximumduur is volgens indieners nog een uitzondering wenselijk. Er zijn nog steeds huwelijken waarbij de ene partner jarenlang de zorg- en verzorgingstaak op zich heeft genomen, om de andere partner in staat te stellen in het inkomen te voorzien. In deze huwelijken is een maximumduur van 5 jaar onredelijk als het huwelijk langer heeft geduurd van 15 jaar. Na zo’n lange periode van inactiviteit is terugkeer in het arbeidsproces binnen 5 jaar naar verwachting zeer moeilijk en hierbij begint ook de leeftijd mee te tellen. Indieners stellen voor een uitzonderingscategorie op te nemen voor deze gevallen. Hiervoor geldt: Bij een huwelijk langer dan 15 jaar waarbij de ontvangende partner niet heeft gewerkt, is partneralimentatie verplicht voor de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van 10 jaar. 6. Berekeningsmethodiek Indieners stellen een sterk vereenvoudigde berekeningsmethodiek voor waarbij de ex-partners zelf via een eenvoudige internettool de verschuldigde partneralimentatie kunnen berekenen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van forfaitaire schalen. Deze internettool is in ontwikkeling en wordt nader gepresenteerd. 7. Afbouw en geen indexatie Om te voorkomen dat bij het einde van de betaling van partneralimentatie opeens een nieuwe situatie ontstaat, voorziet de wettelijke regeling in een afbouw van de hoogte van de partneralimentatie en wordt geen indexatie toegepast. Dit voorziet in een prikkel om gaandeweg aan het arbeidsproces deel te nemen en/of het aantal gewerkte uren langzamerhand op te voeren. Aangezien ook bij de zorg voor kinderen de zwaarte van de zorgtaak afneemt als de kinderen ouder worden, leidt dit uitgangspunt niet tot problemen. 8. Hardheidsclausule Omdat een wettelijke regeling niet in alle uitzonderingen kan voorzien, is er een wettelijke hardheidsclausule die door de rechter of door andere deskundigen kan worden toegepast om onredelijke situaties te repareren.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 312, nr. 2 66

3


9. Overige aspecten van de wettelijke regeling 1. Wijziging van de alimentatie De internetrekentool, die voor iedereen vrij beschikbaar is, maakt het voor partijen mogelijk om zelf vast te stellen wat de gewijzigde alimentatie moet worden. Ook deskundigen maken van deze rekenmethode gebruik. Het LBIO krijgt een adviserende functie als mensen er niet zelf uitkomen. Eventueel komt er een alimentatieraad die in uitzonderingsgevallen kan adviseren over de berekeningsmethode. Uiteraard staat het partijen die er niet gezamenlijk uitkomen zich te wenden tot mediation of de rechter. 2. Overgangsregeling Er al een overgangsregeling in de wet worden opgenomen die verschillen tussen de oude en de nieuwe situatie verzacht. Het staat partijen ondertussen vrij om met wederzijdse instemming op de nieuwe wettelijke regeling te anticiperen. Indieners overwegen om de voordelen van de nieuwe regeling bijvoorbeeld bij wijziging van omstandigheden (deels) ten goede te laten komen aan de betalende partner. Totdat de nieuwe wettelijke regeling is ingegaan zal de rechter gebonden zijn aan de oude afspraken tenzij de rechterlijke macht, bijvoorbeeld in de Trema-werkgroep op de nieuwe berekeningsmethodiek anticipeert. 3. Preferentie en incasso Indieners kiezen ervoor partneralimentatie niet preferent te bestempelen. Incasso kan plaatsvinden via het LBIO zoals ook nu al is voorzien. 4. Defiscalisering Indieners onderzoeken de mogelijkheid van defiscalisering van de partneralimentatie. Zodra zij de voor- en nadelen in kaart hebben gebracht, zullen zij hierover hun standpunt bekend maken. 5. Nieuwe partners Indieners stellen voor de invloed van nieuwe partners uit de wet te schrappen (afschaffing artikel 1:160 BW). De rechtvaardiging hiervoor is dat de partneralimentatie ziet op compensatie voor verlies van verdiencapaciteit tijdens het huwelijk. De komst van een nieuwe partner, ook als daardoor het welstandsniveau van de ontvangende partner stijgt, doet niet af aan de betalingsverplichting. Hiermee wordt misbruik en fraude voorkomen. 6. Afkoop Indieners zullen afkoop ineens van de partneralimentatie wettelijk mogelijk maken. Hiermee wordt de ontvangende partner verantwoordelijk voor het beheer van de afkoopsom en kan daar naar eigen inzicht mee om gaan. Fiscaal dient dit neutraal te zijn ten opzichte van een maandelijkse betaling. 7. Ondernemers Indieners hebben de toepassing van de vereenvoudigde berekeningssystematiek op ondernemers en ZZP-ers in onderzoek. Hierover zullen zij nader berichten.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 312, nr. 2 67

4


8. Verlenging Het bestaande stelsel voorziet in een verlengingsmogelijkheid na 5 of 12 jaar. Indieners achten dat niet wenselijk. In schrijnende gevallen kan de hardheidsclausule uitkomst bieden. 9. Zachte landing Indieners realiseren zich dat hun voorstel tot gevolg kan hebben dat het inkomsensniveau van een van de partners plotseling fors daalt. Zij overwegen hiervoor te voorzien in een zachte landing voor een korte periode. Zij vernemen graag hoe hiertegen aan gekeken wordt. 12. Financiële paragraaf Dit voorstel zal op veel terreinen kosten besparen. Doordat er minder over partneralimentatie zal worden geprocedeerd, zullen de kosten van de rechtspraak, het LBIO, de Raad voor Rechtsbijstand afnemen. Het hanteren van de internettool voor de berekening van partneralimentatie brengt geen meerkosten met zich mee. Op termijn zullen ook de kosten van de bijstand en werkloosheidsuitkeringen afnemen omdat na invoering van het nieuwe systeem de arbeidsparticipatie van met name vrouwen zal toenemen. Er bestaat een risico dat kort na de invoering het beroep op de bijstand zou kunnen toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Mocht defiscalisering van de partneralimentatie mogelijk zijn, dan zal mogelijk ook nog bespaard worden op de uitvoeringskosten van de Belastingdienst. 11. De verdere procedure Tegelijkertijd met het indienen van deze initiatiefnota zullen de indieners deze in informele consultatie geven tot 12 september 2012. Daarna zullen zij bekijken of een wetsvoorstel waarin één en ander wordt geregeld, gewenst is. Van der Steur Recourt Berndsen

Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 312, nr. 2 68

5


Eerste Kamer der Staten-Generaal

1

Vergaderjaar 2012–2013

33 032

Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie

A

GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET 30 oktober 2012 Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder zonder rechterlijke tussenkomst kan ontstaan; Zo is het, dat Wij, de afdeling Advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd: A In artikel 3, eerste lid, wordt «een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap» vervangen door: een gerechtelijke vaststelling van het ouderschap. B Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het zesde lid wordt na «overleden echtgenoot ontkent» ingevoegd «of op grond van artikel 198, tweede lid, het moederschap van de overleden echtgenote ontkent» en wordt «van de vader» vervangen door: van de echtgenoot. 2. Na het twaalfde lid wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

kst-33032-A ISSN 0921 - 7371 ’s-Gravenhage 2012

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 032, A 69

1


13. In het tweede, vijfde en zesde lid wordt onder «moeder» verstaan de vrouw uit wie het kind is geboren. In deze leden wordt met «de vader» van het kind en zijn «vaderschap» gelijkgesteld de moeder die niet de vrouw is uit wie het kind is geboren onderscheidenlijk haar moederschap. C In artikel 7, vierde lid, wordt «een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap» vervangen door: een gerechtelijke vaststelling van het ouderschap. Ca In artikel 19b wordt na «de moeder» ingevoegd: uit wie het kind is geboren. D Artikel 19e wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt «van het kind» vervangen door: uit wie het kind is geboren. 2. In het tweede lid wordt na «de vader» ingevoegd: of de moeder uit wie het kind niet is geboren. 3. In het derde lid wordt «de vader» vervangen door: de persoon genoemd in het tweede lid. 4. In het negende lid wordt na «de moeder» ingevoegd: uit wie het kind is geboren. E Artikel 20, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd: 1. Na «ontkenning van het vaderschap» wordt ingevoegd: of moederschap. 2. In onderdeel a wordt «een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap» vervangen door: een gerechtelijke vaststelling van het ouderschap. F In artikel 23b, tweede lid, wordt na «ontkenning van het vaderschap» ingevoegd: of moederschap. G Artikel 198 komt te luiden: Artikel 198 1. Moeder van een kind is de vrouw: a. uit wie het kind is geboren; b. die op het tijdstip van de geboorte van het kind is gehuwd met de vrouw uit wie het kind is geboren, indien dit kind is verwekt door kunstmatige donorbevruchting als bedoeld in artikel 1, onder c, sub 1, van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting en een door de stichting,

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 032, A 70

2


bedoeld in die wet, ter bevestiging hiervan afgegeven verklaring is overgelegd, waaruit blijkt dat de identiteit van de donor aan de vrouw bij wie de kunstmatige donorbevruchting heeft plaatsgevonden onbekend is, tenzij de laatste zin van dit onderdeel of de eerste zin van artikel 199, onder b, geldt. De verklaring dient bij de aangifte van de geboorte te worden overgelegd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand en werkt terug tot aan de geboorte van het kind. Indien het huwelijk na de kunstmatige donorbevruchting en voor de geboorte van het kind is ontbonden door de dood van de echtgenote van de vrouw uit wie het kind is geboren, is de overleden echtgenote eveneens moeder van het kind als de voornoemde verklaring wordt overgelegd bij de aangifte van de geboorte van het kind, zelfs indien de vrouw uit wie het kind is geboren was hertrouwd; c. die het kind heeft erkend; d. wier ouderschap gerechtelijk is vastgesteld; of e. die het kind heeft geadopteerd. 2. De vrouw uit wie het kind is geboren kan, indien zij op het tijdstip van de kunstmatige donorbevruchting was gescheiden van tafel en bed of zij en haar echtgenote sedert dat tijdstip gescheiden hebben geleefd, binnen een jaar na de geboorte van het kind ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand verklaren dat haar overleden echtgenote niet de moeder is van het kind, bedoeld in het eerste lid, onder b, van welke verklaring een akte wordt opgemaakt; was de vrouw uit wie het kind is geboren op het tijdstip van de geboorte hertrouwd dan is in dat geval de huidige echtgenoot de ouder van het kind. H Artikel 199 wordt als volgt gewijzigd: 1. In onderdeel a wordt na «tenzij onderdeel b» ingevoegd: of de slotzin van artikel 198, eerste lid, onder b,. 2. In onderdeel b wordt na «de huidige echtgenoot de vader» ingevoegd: of, in het geval, genoemd in artikel 198, eerste lid, onder b, de huidige echtgenote de moeder. I Na titel 11, afdeling 2, wordt een afdeling ingevoegd, luidende: Afdeling 2a Ontkenning van het door huwelijk ontstane moederschap Artikel 202a 1. Het in artikel 198, eerste lid, onder b, bedoelde moederschap kan, op de grond dat de moeder niet de biologische moeder van het kind is, worden ontkend: a. door de moeder, bedoeld in artikel 198, eerste lid, onder a; b. door de moeder, bedoeld in artikel 198, eerste lid, onder b; c. door het kind zelf. 2. De moeder, bedoeld in artikel 198, eerste lid, onder a of onder b, kan het in artikel 198, eerste lid, onder b, bedoelde moederschap niet ontkennen, indien de moeder, bedoeld in het eerste lid, onder b, vóór het huwelijk heeft kennis gedragen van de zwangerschap of heeft ingestemd met de kunstmatige donorbevruchting, bedoeld in artikel 198, eerste lid, onder b.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 032, A 71

3


3. Het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning wordt door de moeder, bedoeld in artikel 198, eerste lid, onder a of onder b, bij de rechtbank ingediend binnen een jaar na de geboorte van het kind. 4. Het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning wordt door het kind bij de rechtbank ingediend uiterlijk binnen drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden. Artikel 202b 1. Overlijdt de moeder, bedoeld in artikel 198, eerste lid, onder a of onder b, voor de afloop van de in artikel 202a, derde lid, gestelde termijn, dan kan een afstammeling van deze moeder in de eerste graad of, bij gebreke van zodanige afstammeling, een ouder van deze moeder, de rechtbank verzoeken de ontkenning van het moederschap gegrond te verklaren. Het verzoek wordt gedaan binnen een jaar na de dag van overlijden of nadat het overlijden ter kennis van verzoeker is gekomen. 2. Op de ontkenning van het moederschap zijn de artikelen 201, tweede lid, en 202 van overeenkomstige toepassing. J Artikel 204 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid, onderdeel a, en in het vierde lid wordt «een man» vervangen door: een persoon. 2. In het eerste lid, onderdeel c, wordt na «de moeder» ingevoegd: of de vader. 3. Het eerste lid, onderdeel e, komt te luiden: e. door een persoon die op het tijdstip van de erkenning is gehuwd met een andere vrouw dan de moeder van het kind, tenzij de rechtbank heeft vastgesteld dat aannemelijk is dat tussen deze persoon en de moeder een band bestaat of heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op één lijn valt te stellen of dat tussen deze persoon en het kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat; 4. Het derde lid komt te luiden: 3. De toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, kan op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon: a. de verwekker van het kind is; of b. de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind. 5. Onder vernummering van het vierde lid tot het vijfde lid, wordt na het derde lid een lid ingevoegd, luidende: 4. De toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, kan op verzoek van de persoon die als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen als dit in het belang is van het kind.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 032, A 72

4


K Na artikel 205 wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 205a 1. Een verzoek tot vernietiging van de door de moeder gedane erkenning kan, op de grond dat de moeder niet de biologische moeder van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend: a. door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden; b. door de erkenner, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen; c. door de andere moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden bewogen is toestemming tot de erkenning te geven. 2. Op de vernietiging van de erkenning is artikel 205, tweede tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing. L In het opschrift van titel 11, afdeling 4, wordt «vaderschap» vervangen door: ouderschap M Artikel 207 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste, tweede, vierde en vijfde lid wordt «vaderschap» telkens vervangen door: ouderschap. 2. In het eerste lid wordt «van een man kan» vervangen door «van een persoon kan» en «de man als levensgezel» door: deze als levensgezel. 3. In het tweede lid, onder b, wordt «de man» vervangen door: de in de aanhef van het eerste lid bedoelde persoon. 4. In het tweede lid, onder c, wordt «de in de aanhef van het eerste lid bedoelde man» vervangen door: de in de aanhef van het eerste lid bedoelde persoon. 5. In het vierde lid wordt «de man bedoeld in het eerste lid» vervangen door: de in de aanhef van het eerste lid bedoelde persoon. N In artikel 208 wordt «vaderschap» vervangen door: ouderschap. O In artikel 253b, eerste lid, wordt na «vaststaat» ingevoegd «van de vrouw uit wie het kind is geboren» en wordt na «de moeder» ingevoegd: uit wie het kind is geboren. P Artikel 253c wordt als volgt gewijzigd:

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 032, A 73

5


1. In het eerste lid wordt «De tot het gezag bevoegde vader» vervangen door: De tot het gezag bevoegde ouder. 2. In het eerste lid en vijfde lid wordt na «moeder» ingevoegd: uit wie het kind is geboren. 3. In het derde lid en vierde lid wordt «de vader» vervangen door: de tot het gezag bevoegde ouder, bedoeld in het eerste lid,. Q Artikel 253d, eerste lid, komt te luiden: 1. Indien de voorziening in het gezag over een kind, bedoeld in artikel 253b, eerste lid, komt te ontbreken, kunnen beide ouders voor zover zij tot het gezag bevoegd zijn – de rechtbank verzoeken met het gezag onderscheidenlijk gezamenlijk gezag te worden belast. R Artikel 301, eerste lid, onder b, wordt als volgt gewijzigd: 1. Het woord «waarover» wordt vervangen door: over wie. 2. Na «de moeder» wordt ingevoegd: «uit wie het kind is geboren». S In artikel 394 wordt «man» vervangen door: persoon. T In artikel 395b wordt «man» vervangen door: persoon.

ARTIKEL II [vervallen]

ARTIKEL III [vervallen]

ARTIKEL IV Indien de Wet van 19 mei 2011 tot vaststelling en invoering van Boek 10 (Internationaal privaatrecht) van het Burgerlijk Wetboek (Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 Burgerlijk Wetboek, Stb. 2011, 272) in werking treedt, wordt die wet als volgt gewijzigd: A Artikel 25, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd: 1. In onderdeel a wordt «tot de vader» vervangen door «tot de erkenner» en «of het de geslachtsnaam van de vader of de moeder zal hebben» door: van wie van beide ouders het de geslachtsnaam zal hebben.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 032, A 74

6


2. Onderdeel f komt als volgt te luiden: f. Indien het ouderschap van een kind buiten Nederland rechtsgeldig is vastgesteld en dat kind daardoor het Nederlanderschap heeft verkregen of behouden, en indien de geslachtsnaam van dat kind na de vaststelling van het ouderschap niet is bepaald met inachtneming van een naamskeuze in de zin van artikel 5, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, kunnen de moeder en de persoon wiens ouderschap gerechtelijk is vastgesteld alsnog, tot twee jaar na het tijdstip waarop de gerechtelijke beslissing houdende vaststelling van het ouderschap in kracht van gewijsde gaat, gezamenlijk verklaren welke van hun beider geslachtsnamen het kind zal hebben. Heeft het kind op het tijdstip waarop de beslissing houdende vaststelling van het ouderschap in kracht van gewijsde gaat, de leeftijd van zestien jaar bereikt, dan kan het, tot twee jaar na dat tijdstip, zelf alsnog verklaren van wie van beide ouders het de geslachtsnaam zal hebben. B Artikel 92 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt «en de met haar gehuwde man of gehuwd geweest zijnde man» vervangen door « en de met haar gehuwde persoon of gehuwd geweest zijnde persoon» en wordt «de man» telkens vervangen door: die persoon. 2. In het tweede lid wordt «de man» vervangen door: de persoon, genoemd in lid 1,. C Artikel 93, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd: 1. De zinsnede «en de met zijn moeder gehuwde of gehuwd geweest zijnde man» wordt vervangen door: en de met zijn moeder gehuwde of gehuwd geweest zijnde persoon. 2. In de tweede volzin wordt «man» telkens vervangen door: persoon. D Artikel 95 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het eerste lid komt te luiden: 1. Of erkenning door een persoon familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen hem en een kind, wordt, wat betreft de bevoegdheid van die persoon en de voorwaarden voor erkenning, bepaald door het recht van de staat waarvan die persoon de nationaliteit bezit. Bezit de persoon, genoemd in de eerste volzin, de nationaliteit van meer dan een staat, dan is bepalend het nationale recht volgens hetwelk de erkenning mogelijk is. Indien volgens het nationale recht van die persoon erkenning niet of niet meer mogelijk is, is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Is zij ook volgens dat recht niet of niet meer mogelijk, dan is bepalend het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit bezit. Bezit het kind de nationaliteit van meer dan een staat, dan is bepalend het nationale recht volgens hetwelk de erkenning mogelijk is. Is zij ook volgens dat recht niet of niet meer mogelijk, dan is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de persoon, genoemd in de eerste volzin. 2. Het tweede lid komt als volgt te luiden:

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 032, A 75

7


2. Ongeacht het ingevolge lid 1 toepasselijke recht, bepaalt het Nederlandse recht of een Nederlandse gehuwde persoon bevoegd is een kind van een vrouw te erkennen die niet zijn echtgenote is, zulks ongeacht of die persoon naast de Nederlandse nationaliteit nog een andere nationaliteit bezit. E In artikel 96 wordt «de man» vervangen door: de persoon die het kind heeft erkend. F Artikel 97 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt «het vaderschap van een man» vervangen door «ouderschap van een persoon» en «de man» telkens door: die persoon. 2. In het tweede lid komt als volgt te luiden: 2. Wanneer de persoon, genoemd in lid 1, en de moeder een nationaliteit gemeenschappelijk hebben, geldt voor de toepassing van lid 1 als hun gemeenschappelijke nationale recht het recht van die nationaliteit, ongeacht of zij beiden of een hunner nog een andere nationaliteit bezitten. Bezitten zij meer dan een gemeenschappelijke nationaliteit, dan worden zij geacht geen gemeenschappelijke nationaliteit te bezitten. 3. In het derde lid wordt «de man of de moeder» vervangen door «de persoon, genoemd in lid 1, of de moeder» en «de man en de moeder» door: die persoon en de moeder.

ARTIKEL IVa De Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt als volgt gewijzigd: A De laatste zin van artikel 25 komt te luiden: De inschrijving geschiedt in de basisadministratie waar de moeder uit wie het kind is geboren als ingezetene is ingeschreven, dan wel in de basisadministratie waar de andere ouder als ingezetene is ingeschreven, indien de moeder uit wie het kind is geboren niet als ingezetene is ingeschreven. B Artikel 45 komt te luiden: Artikel 45 Bij de inschrijving op grond van artikel 25 worden de gegevens omtrent het adres ontleend aan de persoonslijst van de moeder uit wie het kind is geboren, dan wel, indien deze niet als ingezetene is ingeschreven, aan de persoonslijst van de andere ouder.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 032, A 76

8


ARTIKEL V De Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting wordt als volgt gewijzigd: A Aan het slot van artikel 2, tweede lid, wordt de volgende zin toegevoegd: Hij registreert voorts of de identiteit van de donor genoemd in artikel 1, onder c, sub 1, bekend is aan de vrouw, genoemd in de eerste zin, en deelt dit aan de Stichting mede. B Artikel 3a komt te luiden: Op verzoek van de ouder van het kind dat door kunstmatige donorbevruchting is verwekt, verstrekt de Stichting een verklaring als bedoeld in artikelen 198, eerste lid, onder b, of 227, vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarin de persoonsidentificerende gegevens van de donor niet worden opgenomen.

ARTIKEL Va 1. Indien het bij koninklijke boodschap van 13 juli 2010 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging van en de invoering van een elektronische dienstverlening bij de burgerlijke stand (32 444) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel D, van die wet, eerder in werking is getreden of treedt dan artikel I, onderdeel D of onderdelen daarvan, van deze wet, komt artikel I, onderdeel D, van deze wet te luiden: D Artikel 19e wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste, negende, tiende en twaalfde lid wordt na «de moeder» telkens ingevoegd: uit wie het kind is geboren, 2. In het tweede lid wordt «van het kind» vervangen door: uit wie het kind is geboren. 3. Na het twaalfde lid worden twee nieuwe leden ingevoegd, luidende: 13. In het derde en vierde lid wordt met «de vader» gelijkgesteld de moeder die niet de vrouw is uit wie het kind is geboren. 14. Voor de elektronische aangifte, geregeld in het eerste en tiende lid, wordt met «de vader» gelijkgesteld de moeder die niet de vrouw is uit wie het kind is geboren. 2. Indien het bij koninklijke boodschap van 13 juli 2010 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging van en de invoering van een elektronische dienstverlening bij de burgerlijke stand (32 444) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel D, van die wet, later in werking is getreden of treedt dan artikel I, onderdeel D of onderdelen daarvan, van deze wet, wordt artikel I, onderdeel D, van die wet als volgt gewijzigd:

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 032, A 77

9


1. In het eerste en vijfde lid wordt na «de moeder» telkens ingevoegd: uit wie het kind is geboren. 2. Het derde lid komt te luiden: In het tweede lid wordt «van het kind» vervangen door «uit wie het kind is geboren», in het tweede en derde lid wordt na «aangifte» ingevoegd «in persoon» en in het vijfde lid wordt «derde» vervangen door: vierde. 3. Het zesde lid komt te luiden: 6. In het twaalfde lid wordt «achtste» vervangen door «elfde» en wordt na «de moeder» ingevoegd: uit wie het kind is geboren. 4. Na het zesde lid wordt een nieuw lid ingevoegd luidend: 7. Na het twaalfde lid worden twee nieuwe leden ingevoegd, luidende: 13. In het derde en vierde lid wordt met «de vader» gelijkgesteld de moeder die niet de vrouw is uit wie het kind is geboren. 14. Voor de elektronische aangifte, geregeld in het eerste en tiende lid, wordt met «de vader» gelijkgesteld de moeder die niet de vrouw is uit wie het kind is geboren.

ARTIKEL VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 032, A 78

10


Tweede Kamer der Staten-Generaal

2

Vergaderjaar 2012–2013

33 514 (R1998)

Wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met de wijziging van Boek 1 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek betreffende het ontstaan van het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie

Nr. 2

VOORSTEL VAN RIJKSWET Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enige bepalingen van de Rijkswet op het Nederlanderschap te wijzigen in verband met de voorgestelde wijzigingen van de in het bij koninklijk boodschap van 4 oktober 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek in verband met het juridische ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Kamerstukken 33 032); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I De Rijkswet op het Nederlanderschap wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 1, eerste lid onder c, komt te luiden: c. moeder: de vrouw tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat. B Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt «wiens vaderschap» vervangen door «van wie het ouderschap» en «vader» vervangen door: ouder.

kst-33514-2 ISSN 0921 - 7371 ’s-Gravenhage 2013

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 514 (R1998), nr. 2 79

1


2. In het vierde lid wordt «zijn biologische vaderschap» vervangen door: zijn biologische ouderschap. C In artikel 6, eerste lid, onder n, wordt «van het vaderschap» vervangen door: van het ouderschap. D In artikel 16, eerste lid, onder a, wordt «gerechtelijke vaststelling van het vaderschap» vervangen door: gerechtelijke vaststelling van het ouderschap.

ARTIKEL II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 514 (R1998), nr. 2 80

2


Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2013

0

72 Wet van 6 december 2012 tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg en Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, de Algemene Kinderbijslagwet en de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen alsmede enige andere wetten in verband met de verbetering van de positie van pleegouders (verbetering positie pleegouders)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de positie van pleegouders te verbeteren en dat daartoe de Wet op de jeugdzorg, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, de Algemene Kinderbijslagwet, de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen en enige andere wetten dienen te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I De Wet op de jeugdzorg wordt als volgt gewijzigd: A1 In de artikelen 1, eerste lid, 2e, eerste en tweede lid, 2g, derde en vierde lid, en 47, eerste lid, wordt «Onze Minister voor Jeugd en Gezin» steeds vervangen door: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. A Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd: a. Het onderdeel «aanbieder van zorg» komt te luiden: aanbieder van andere zorg: natuurlijke persoon of rechtspersoon, die zorg verleent als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b of c;

Staatsblad 2013 8172

1


b. Het onderdeel «cliënt» komt te luiden: cliënt: jeugdige, zijn ouders of stiefouders of anderen die een jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, met uitzondering van pleegouders; c. Het onderdeel «jeugdzorg» komt te luiden: jeugdzorg: ondersteuning van en hulp aan jeugdigen, hun ouders, stiefouders of anderen die een jeugdige als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, met uitzondering van pleegouders, bij opgroei- of opvoedingsproblemen of dreigende zodanige problemen; d. Het onderdeel «Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen» vervalt. e. Het onderdeel «pleegouder» komt te luiden: pleegouder: degene die een pleegcontract als bedoeld in artikel 28b, eerste lid, met een zorgaanbieder heeft gesloten; f. Het onderdeel «vertrouwenspersoon» komt te luiden: vertrouwenspersoon: persoon werkzaam bij een rechtspersoon als bedoeld in artikel 41, vierde lid, die cliënten of pleegouders onafhankelijk van het bestuur en van personen in dienst van de stichting of de zorgaanbieder, ondersteunt in aangelegenheden samenhangend met de door de stichting uitgeoefende taken onderscheidenlijk aangelegenheden samenhangend met de geboden jeugdzorg; 2. In het tweede lid wordt de zinsnede «de hoofdstukken IA en IVA» vervangen door: de hoofdstukken IA en IVB. B Artikel 12 komt te luiden: Artikel 12 1. Indien de jeugdige voor ten minste vijf aaneengesloten etmalen per week, uitgezonderd vakanties, bij een pleegouder dan wel in een accommodatie of instelling van een zorgaanbieder verblijft, doet de stichting onverwijld schriftelijk of elektronisch mededeling aan de Sociale verzekeringsbank van: a. de vaststelling door haar dat een jeugdige aangewezen is op zorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, en b. de datum van aanvang en beëindiging van jeugdzorg waarvoor de jeugdige is aangewezen op verblijf bij een pleegouder of in een accommodatie of instelling van een zorgaanbieder. 2. Deze mededeling bevat de gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van het recht op kinderbijslag. C Artikel 13, derde lid, komt te luiden: 3. Tot een verantwoorde uitvoering van de taken, genoemd in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, behoort in ieder geval dat de taken worden uitgevoerd op basis van een voogdijplan, gezinsvoogdijplan of jeugdreclasseringsplan dat is afgestemd op de behoeften van de cliënt. Het plan wordt niet vastgesteld dan na overleg met de cliënt en, indien er sprake is van pleegzorg, de pleegouders.

Staatsblad 2013 72 82

2


D In artikel 14, derde lid, wordt «alsmede aan de cliëntenorganisaties, bedoeld in artikel 30, derde lid» vervangen door: alsmede aan cliëntenorganisaties en pleegouderorganisaties. E Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd: 1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst en in de eerste volzin wordt de zinsnede «aanbieder van jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b en c,» vervangen door: aanbieder van andere zorg. 2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende: 2. In geval van verblijf bij een pleegouder, dan wel verblijf in een accommodatie of instelling van een zorgaanbieder, doet de zorgaanbieder tevens mededeling van het soort verblijf dat wordt geboden. F Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt na de zinsnede «een persoon die bij hem werkzaam is» ingevoegd: of dat een pleegouder. 2. In het tweede lid wordt na de zinsnede «een bij die zorgaanbieder werkzame andere persoon» ingevoegd: of een door die zorgaanbieder gecontracteerde pleegouder. G Hoofdstuk IV, paragraaf 2, vervalt. H Na artikel 21 wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 22 De artikelen 16 en 17 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen door een zorgaanbieder. I Hoofdstuk IV, paragraaf 3, wordt vernummerd tot paragraaf 2. J Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het derde lid wordt «aanbieder van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, c of d,» telkens vervangen door: aanbieder van andere zorg. 2. In het vijfde lid wordt na de derde volzin een zin ingevoegd: Het behoeft diens instemming, voor zover het betreft de omschrijving daarin van zijn rol in het hulpverleningsproces en van de wijze waarop de

Staatsblad 2013 72 83

3


begeleiding door de zorgaanbieder die pleegzorg biedt wordt vorm gegeven. K Aan artikel 26 wordt een lid toegevoegd, luidende: 3. Onder de kwaliteit van de zorg, bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan de begeleiding door de zorgaanbieder die pleegzorg biedt van een pleegouder tijdens de plaatsing van een jeugdige in diens gezin. L In artikel 27, derde lid, wordt «alsmede aan de cliëntenorganisaties, bedoeld in artikel 30, derde lid» vervangen door: alsmede aan cliëntenorganisaties en pleegouderorganisaties. M Na artikel 28 wordt, onder vernummering van hoofdstuk IVa tot IVB, een hoofdstuk IVA (nieuw) ingevoegd, luidende: HOOFDSTUK IVA. PLEEGZORG Artikel 28a 1. De pleegouder voldoet aan de volgende voorwaarden: a. de pleegouder heeft ten minste de leeftijd van eenentwintig jaren bereikt; b. de pleegouder is niet tevens degene, die door de desbetreffende zorgaanbieder die pleegzorg biedt, is belast met de begeleiding van een pleegouder; c. de pleegouder beschikt over een verklaring van geen bezwaar die voor de aanvang van de opvoeding en verzorging van een jeugdige is afgegeven door de raad voor de kinderbescherming, waaruit blijkt dat er geen sprake is van bezwarende feiten en omstandigheden voor het verzorgen en opvoeden van een pleegkind. De verklaring is vereist voorafgaand aan de plaatsing van een eerste jeugdige, bij de komst van nieuwe inwonenden en indien de pleegouder gedurende twee jaren geen pleegouder is geweest. Deze voorwaarde geldt tevens voor alle personen van 12 jaar en ouder die als inwonenden op het adres van de pleegouder staan ingeschreven; d. de pleegouder heeft met goed gevolg een door de zorgaanbieder die pleegzorg biedt aangeboden voorbereidings- en selectietraject afgerond. 2. De zorgaanbieder die pleegzorg biedt stelt vast of aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, is voldaan. 3. Voorafgaand aan de plaatsing van een jeugdige in het gezin van de pleegouder beoordeelt de zorgaanbieder die pleegzorg biedt of de jeugdige in het gezin van de pleegouder kan worden geplaatst, gelet op de leeftijd en de problemen van de jeugdige, de samenstelling van het gezin van de pleegouder en de verwachte duur van de plaatsing van de jeugdige in het gezin van de pleegouder. 4. Degene die een jeugdige reeds verzorgt en opvoedt op het moment dat bij een zorgaanbieder die pleegzorg biedt de aanspraak van die jeugdige op verblijf bij een pleegouder tot gelding wordt gebracht, kan in afwijking van het eerste lid, onder c, en het derde lid, aan de in die artikelonderdelen bedoelde voorwaarden voldoen binnen dertien weken nadat de aanspraak tot gelding wordt gebracht, mits de betrokken zorgaanbieder heeft vastgesteld dat de verzorging en opvoeding van de jeugdige door diegene niet schadelijk is voor de ontwikkeling van de jeugdige.

Staatsblad 2013 72 84

4


Artikel 28b 1. Een zorgaanbieder die pleegzorg biedt en een pleegouder sluiten een pleegcontract voor de verzorging en opvoeding van een jeugdige. 2. Het contract bevat in ieder geval afspraken omtrent de wijze waarop de verzorging en opvoeding van een jeugdige door de pleegouder wordt uitgevoerd en de begeleiding die de pleegouder daarbij van de zorgaanbieder die pleegzorg biedt ontvangt. 3. Bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen regels worden gesteld ten aanzien van het pleegcontract. Artikel 28c 1. Een zorgaanbieder die pleegzorg biedt, verstrekt aan een pleegouder waarmee hij een pleegcontract heeft gesloten een subsidie voor de verzorging en opvoeding van de in het gezin van de pleegouder geplaatste jeugdige, bestaande uit een door Onze Ministers vast te stellen basisbedrag, dat voor te onderscheiden leeftijdscategorieën van pleegkinderen verschillend kan zijn. 2. Onze Ministers stellen regels omtrent op het basisbedrag te verlenen toeslagen of op het basisbedrag toe te passen kortingen. 3. De regels, bedoeld in het tweede lid, hebben betrekking op: a. het basisbedrag en het bedrag van de toeslagen en kortingen en de omstandigheden waaronder deze worden verleend of toegepast; b. de dagen waarover het basisbedrag en de toeslagen worden verleend en de kortingen worden toegepast. Artikel 28d 1. De stichting en de zorgaanbieder die pleegzorg biedt, verstrekken aan de pleegouder in het belang van de verzorging en de opvoeding van de jeugdige, zo nodig zonder toestemming en zo mogelijk voorafgaand aan de plaatsing, inlichtingen inzake feiten en omstandigheden die de persoon van een jeugdige of diens verzorging of opvoeding betreffen en die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de taak van de pleegouder. Deze inlichtingen kunnen mede omvatten persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in artikel 21 van de Wet bescherming persoonsgegevens. 2. Bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid. N Artikel 29 vervalt. O In artikel 30, derde lid, wordt na «de betrokken cliëntenorganisaties» ingevoegd: en pleegouderorganisaties. P In artikel 35, tweede lid, wordt na «de betrokken cliëntenorganisaties» ingevoegd: en pleegouderorganisaties.

Staatsblad 2013 72 85

5


Q In artikel 43 en artikel 44, tweede lid, wordt de zinsnede «aanbieders van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, c en d,» telkens vervangen door: aanbieders van andere zorg. R In artikel 45, eerste lid, onder b, wordt «aanbieders van jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b en c,» vervangen door: aanbieders van andere zorg. S In artikel 57, eerste lid, wordt na «dragen er zorg voor dat» ingevoegd: pleegouders en. T Na het opschrift van hoofdstuk XI en voor artikel 58 wordt een opschrift voor een paragraaf ingevoegd, luidende: Paragraaf 1. Medezeggenschap van cliëntenraden U Artikel 65 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid, onderdeel d, wordt na «artikel 58, tweede lid» ingevoegd: en artikel 66a. 2. In het tweede en derde lid wordt na «cliënten» steeds ingevoegd: en pleegouders. V Na artikel 66 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende: Paragraaf 2. Medezeggenschap van pleegouderraden Artikel 66a 1. De zorgaanbieder die pleegzorg biedt, stelt een pleegouderraad in, die binnen het kader van zijn doelstelling de gemeenschappelijke belangen van de pleegouders behartigt. Een zorgaanbieder die pleegzorg biedt, kan deze verplichting ook nakomen door instelling van een pleegouderraad die voor meer dan een door hem in stand gehouden zorgeenheid werkzaam is. 2. De zorgaanbieders die pleegzorg bieden, regelen schriftelijk: a. het aantal leden van de pleegouderraad, de wijze van benoeming, welke personen tot lid kunnen worden benoemd en de zittingsduur van de leden; b. de materiële middelen waarover de pleegouderraad ten behoeve van zijn werkzaamheden kan beschikken. 3. De in het tweede lid bedoelde regeling is zodanig dat de pleegouderraad: a. redelijkerwijze representatief kan worden geacht voor de bij de zorgaanbieder die pleegzorg biedt betrokken pleegouders; en b. redelijkerwijze in staat kan worden geacht hun gemeenschappelijke belangen te behartigen.

Staatsblad 2013 72 86

6


4. De pleegouderraad regelt schriftelijk zijn werkwijze met inbegrip van zijn vertegenwoordiging in en buiten rechte. 5. Op door de pleegouderraad te voeren rechtsgedingen, is artikel 66, vierde lid van overeenkomstige toepassing. De kosten hiervan komen slechts ten laste van de zorgaanbieder die pleegzorg biedt, indien deze van de te maken kosten vooraf in kennis is gesteld. 6. Na vaststelling van de in het tweede lid bedoelde regeling treft de zorgaanbieder die pleegzorg biedt de voorzieningen die op grond van die regeling noodzakelijk zijn voor de benoeming van de leden van de pleegouderraad. Zij treffen de bedoelde voorzieningen opnieuw telkens wanneer de pleegouderraad gedurende twee jaar niet heeft gefunctioneerd wegens het ontbreken van het in de regeling vastgestelde aantal leden. Artikel 66b 1. De zorgaanbieders die pleegzorg bieden, stellen de pleegouderraad in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit dat een of meer van de door een zorgaanbieder in stand gehouden zorgeenheden betreft, voor zover van invloed op pleegzorg inzake: a. het overdragen van de zeggenschap of fusie of het aangaan of verbreken van de samenwerking met een andere zorgaanbieder; b. een belangrijke wijziging in de organisatie van de zorgaanbieder, voor zover met betrekking tot pleegzorg; c. een belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere wijziging van de werkzaamheden van de zorgaanbieder, voor zover met betrekking tot pleegzorg; d. de begroting en de jaarrekening van de zorgaanbieder; e. het beleid van de zorgaanbieder inzake de toelating van cliënten en de beëindiging van de hulpverlening aan cliënten, voor zover met betrekking tot pleegzorg; f. de systematische bewaking, beheersing of verbetering van de kwaliteit door de zorgaanbieder met betrekking tot de aspecten: te hanteren methodieken, organisatie, professionaliteit en materiële voorzieningen, voor zover met betrekking tot pleegzorg; g. wijziging van een werkplan van de zorgaanbieder voor zover met betrekking tot pleegzorg, voor zover het aangelegenheden betreft die niet reeds hierboven zijn genoemd. 2. Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat het wezenlijk van invloed kan zijn op het te nemen besluit. 3. De pleegouderraad is bevoegd de zorgaanbieder die pleegzorg biedt ook ongevraagd te adviseren inzake de in het eerste lid genoemde en andere onderwerpen, die voor de pleegouders van belang zijn. 4. Ingeval een zorgaanbieder die pleegzorg biedt meer dan één pleegouderraad heeft ingesteld en bovendien één pleegouderraad die alle door hem in stand gehouden zorgeenheden omvat, bevat de regeling, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, tevens een voorziening waardoor de in dit hoofdstuk bedoelde verplichtingen en bevoegdheden slechts behoeven te worden nagekomen jegens en kunnen worden uitgeoefend door één pleegouderraad. Artikel 66c De zorgaanbieders die pleegzorg bieden, vragen de voorafgaande instemming van de pleegouderraad voor elk door de zorgaanbieders die pleegzorg bieden te nemen besluit met betrekking tot in ieder geval de volgende aangelegenheden: a. de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van klachten van pleegouders en het aanwijzen van personen die belast worden met de behandeling van klachten;

Staatsblad 2013 72 87

7


b. de vaststelling of wijziging van voor pleegouders geldende reglementen; c. vaststelling of wijziging van een regeling over het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens van jeugdigen aan wie pleegouders pleegzorg bieden en pleegouders. Artikel 66d 1. De zorgaanbieders die pleegzorg bieden, stellen in overeenstemming met de pleegouderraad of pleegouderraden een uit drie leden bestaande commissie van vertrouwenslieden in, waarvan één lid door henzelf wordt aangewezen, één lid door de pleegouderraad of pleegouderraden kan worden aangewezen en één lid door beide gezamenlijk wordt aangewezen. 2. De vertrouwenscommissie, bedoeld in het eerste lid, heeft op verzoek van de zorgaanbieder die pleegzorg biedt tot taak te bemiddelen en zonodig een bindende uitspraak te doen, indien die zorgaanbieder ten aanzien van een te nemen, na overleg al dan niet gewijzigd, besluit dat ingevolge artikel 66c instemming behoeft, de vereiste instemming niet heeft verworven en die zorgaanbieder zijn voorstel wenst te handhaven. Artikel 66e 1. Indien aan een te nemen besluit van de zorgaanbieder die pleegzorg biedt de instemming, vereist ingevolge artikel 66c, is onthouden, deelt die zorgaanbieder binnen drie maanden na het onthouden van instemming aan de pleegouderraad mee, of het voorstel wordt ingetrokken dan wel wordt voorgelegd aan de vertrouwenscommissie, bedoeld in artikel 66d, eerste lid. Indien deze mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan of het voorstel niet binnen zes weken na de mededeling aan de pleegouderraad aan de vertrouwenscommissie wordt voorgelegd, vervalt het voorstel. 2. De zorgaanbieder die pleegzorg biedt, doet een verzoek als bedoeld in artikel 66d, tweede lid, onder overlegging van de door die zorgaanbieder gemaakte afweging van de belangen die daarbij voor die zorgaanbieder onderscheidenlijk de pleegouderraad aan de orde zijn. De vertrouwenscommissie stelt de pleegouderraad in de gelegenheid om zijn argumenten voor het onthouden van zijn instemming bij de vertrouwenscommissie naar voren te brengen. 3. De vertrouwenscommissie kan een bemiddelingsvoorstel voorleggen aan de zorgaanbieder die pleegzorg biedt en de pleegouderraad, tenzij die zorgaanbieder of de pleegouderraad te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de vertrouwenscommissie van deze bevoegdheid geen gebruik maakt of indien haar voorstel niet de instemming heeft van de zorgaanbieder die pleegzorg biedt of de pleegouderraad, beoordeelt de vertrouwenscommissie of de pleegouderraad in redelijkheid tot het onthouden van instemming heeft kunnen komen of dat sprake is van bepaalde zwaarwegende omstandigheden die het voorstel van de zorgaanbieder die pleegzorg biedt rechtvaardigen. Artikel 66f De artikelen 60 tot en met 64 en artikel 66, derde tot en met zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op zorgaanbieders die pleegzorg bieden ten aanzien van pleegouderraden, met dien verstande dat in artikel 66, vierde lid, in plaats van artikel 58 wordt gelezen: artikel 66a. W Na artikel 68 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Staatsblad 2013 72 88

8


Artikel 68a De artikelen 67 en 68 zijn van overeenkomstige toepassing op zorgaanbieders die pleegzorg bieden jegens pleegouders. X Hoofdstuk XIII vervalt.

ARTIKEL II Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd: A In het zesde lid van artikel 282 wordt na «van overeenkomstige toepassing» onder vervanging van de punt door een komma een zinsnede toegevoegd, luidende: tenzij het betreft pleegouders die zijn belast met de gezamenlijke voogdij en die met een zorgaanbieder een pleegcontract hebben gesloten als bedoeld in artikel 28b van de Wet op de jeugdzorg. B Artikel 395b, tweede lid, alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervallen.

ARTIKEL III In de Algemene Kinderbijslagwet wordt na artikel 7c een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 7d In afwijking van artikel 7, eerste lid, onderdeel b, heeft de verzekerde geen recht op kinderbijslag voor een kind, indien: a. de stichting, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg heeft vastgesteld dat dat kind aangewezen is op zorg waarop ingevolge de Wet op de jeugdzorg aanspraak bestaat; b. de stichting, bedoeld in onderdeel a, aan de Sociale verzekeringsbank heeft medegedeeld dat het kind als gevolg daarvan bij een pleegouder dan wel in een accommodatie of een instelling van een zorgaanbieder verblijft voor ten minste vijf aaneengesloten etmalen per week, uitgezonderd vakanties, en c. het kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal bij een pleegouder of in een accommodatie of een instelling van een zorgaanbieder verblijft als bedoeld in onderdeel b.

ARTIKEL IV De Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 2, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

Staatsblad 2013 72 89

9


1. Onder toevoeging van het woord «en» aan het slot van onderdeel a, vervalt onderdeel b. 2. Onderdeel c wordt geletterd b. B In artikel 4, vierde lid, vervalt: en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. C In Artikel 10, eerste en vijfde lid, vervalt: in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,. D In artikel 12 vervallen het tweede lid alsmede de aanduiding «1»voor het eerste lid. E Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het tweede lid vervalt. 2. Het derde tot en met zevende lid worden vernummerd tot tweede tot en met zesde lid. 3. Het vierde lid (nieuw) komt te luiden: 4. Onze minister geeft jaarlijks voor 1 september van enig kalenderjaar, doch niet dan nadat hij daarover met het Bureau heeft overlegd, het bedrag van de subsidie aan dat voor het daaropvolgende kalenderjaar aan het Bureau zal worden verstrekt en neemt dit bedrag op in het voorstel van wet tot vaststelling van de begroting van het Ministerie van Justitie. F In artikel 19, eerste lid, vervalt: en aan Onze Minster van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. G In artikel 20 vervalt: die deze niet verleent dan in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. H Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het tweede lid vervalt: en van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 2. In het vierde lid vervalt in de tweede volzin «en de Wet op de jeugdzorg» en vervalt in de derde volzin «of Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport». 3. In het zesde lid, eerste volzin, vervalt: en aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Staatsblad 2013 72 90

10


I Artikel 22, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd: 1. In de eerste volzin vervalt: en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en wordt «hun taak» vervangen door: zijn taak. 2. In tweede volzin wordt «en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen» vervangen door «kan» en wordt «hun taken» vervangen door: zijn taak. J In artikel 24 vervalt «en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport « en wordt «kunnen zij» vervangen door: kan hij. K De artikelen 33 en 34 vervallen. L In artikel 35, eerste lid, wordt «en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bepalen» vervangen door: bepaalt. M In artikel 36, eerste lid, vervalt: in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. N Artikel 38 vervalt.

ARTIKEL V In de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming wordt artikel 11 als volgt gewijzigd: In het derde lid wordt «De artikelen 69 tot en met 76 van de Wet op de jeugdzorg zijn van overeenkomstige toepassing.» vervangen door: Het verschuldigde bedrag wordt geïnd door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

ARTIKEL VI In de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie wordt artikel 10 als volgt gewijzigd: In het derde lid wordt «De artikelen 69 en 71 tot en met 76 van de Wet op de jeugdzorg zijn van overeenkomstige toepassing.» vervangen door: Het verschuldigde bedrag wordt geïnd door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

Staatsblad 2013 72 91

11


ARTIKEL VII Op een ouderbijdrage die door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen is vastgesteld op een tijdstip voor inwerkingtreding van deze wet blijft hoofdstuk XIII van de Wet op de jeugdzorg zoals dat tot de datum van inwerkingtreding van deze wet luidde van toepassing.

ARTIKEL VIII In de Wet arbeid en zorg wordt artikel 5:1 als volgt gewijzigd: In het tweede lid, onder d, wordt «artikel 22, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: artikel 28b, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg.

ARTIKEL IX In de Wet studiefinanciering 2000 wordt artikel 2:17 als volgt gewijzigd: In het eerste lid wordt «en de gevallen, bedoeld in hoofdstuk VIa, van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: en de gevallen, bedoeld in hoofdstuk IVB, van de Wet op de jeugdzorg.

ARTIKEL X In de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten wordt artikel 2.22a als volgt gewijzigd: «en de gevallen, bedoeld in hoofdstuk VIa, van de Wet op de jeugdzorg» wordt vervangen door: en de gevallen, bedoeld in hoofdstuk IVB, van de Wet op de jeugdzorg.

ARTIKEL XI In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt artikel 6.14 als volgt gewijzigd: In het eerste lid, onder b, wordt «volgens artikel 7b» vervangen door: volgens artikel 7b of artikel 7d.

ARTIKEL XII Indien het bij koninklijke boodschap van 19 juni 2009 ingediende voorstel tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg in verband met het opnemen van een gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de jeugdketen (31 977) tot wet wordt verheven en eerder in werking treedt dan het onderhavige voorstel van wet, wordt artikel I van het onderhavige voorstel als volgt gewijzigd: Onderdeel A komt te luiden:

Staatsblad 2013 72 92

12


A Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd: a. Het onderdeel «aanbieder van zorg» komt te luiden: aanbieder van andere zorg: natuurlijke persoon of rechtspersoon, die zorg verleent als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b of c; b. Het onderdeel «cliënt» komt te luiden: cliënt: jeugdige, zijn ouders of stiefouders of anderen die een jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, met uitzondering van pleegouders; c. Het onderdeel «jeugdzorg» komt te luiden: jeugdzorg: ondersteuning van en hulp aan jeugdigen, hun ouders, stiefouders of anderen, die een jeugdige als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, met uitzondering van pleegouders, bij opgroei- of opvoedingsproblemen of dreigende zodanige problemen; d. Het onderdeel «Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen» vervalt. e. Het onderdeel «pleegouder» komt te luiden: pleegouder: degene die een pleegcontract als bedoeld in artikel 28b, eerste lid, met een zorgaanbieder heeft gesloten; f. Het onderdeel «vertrouwenspersoon» komt te luiden: vertrouwenspersoon: persoon werkzaam bij een rechtspersoon als bedoeld in artikel 41, vierde lid, die cliënten of pleegouders onafhankelijk van het bestuur en van personen in dienst van de stichting of de zorgaanbieder, ondersteunt in aangelegenheden samenhangend met de door de stichting uitgeoefende taken onderscheidenlijk aangelegenheden samenhangend met de geboden jeugdzorg; 2. In het tweede lid wordt de zinsnede «de hoofdstukken IA, IB en IVA» vervangen door: de hoofdstukken IA, IB en IVB.

ARTIKEL XIII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Staatsblad 2013 72 93

13


Kamerstuk 32 529

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven te ’s-Gravenhage, 6 december 2012 Beatrix De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven Uitgegeven de achtentwintigste februari 2013 De Minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten

stb-2013-72 ISSN 0920 - 2064 ’s-Gravenhage 2013

Staatsblad 2013 72 94

14


Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2013

0

414 Wet van 16 oktober 2013 tot wijziging van enige bepalingen van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek inzake curatele, onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen en mentorschap ten behoeve van meerderjarigen en enige andere bepalingen (Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regelingen van de curatele, het beschermingsbewind en het mentorschap in overeenstemming te brengen met een aantal in de praktijk gebleken ontwikkelingen en dat daartoe Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede enige andere bepalingen, worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd: 0.A In artikel 5, negende lid, wordt «geestelijke stoornis» vervangen door: diens lichamelijke of geestelijke toestand. 0.B In artikel 37, eerste lid, wordt «verkwisting of drankmisbruik» vervangen door: gewoonte van drank- of drugsmisbruik. 0.C In artikel 38 wordt «geestelijke stoornis» vervangen door: zijn lichamelijke of geestelijke toestand.

Staatsblad 2013 95414

1


0.D In artikel 204, vierde lid, wordt «geestelijke stoornis» vervangen door: zijn lichamelijke of geestelijke toestand. A Artikel 378, eerste lid, komt te luiden: 1. Een meerderjarige kan door de kantonrechter onder curatele worden gesteld, wanneer hij tijdelijk of duurzaam zijn belangen niet behoorlijk waarneemt of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt, als gevolg van a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel b. gewoonte van drank- of drugsmisbruik, en een voldoende behartiging van die belangen niet met een meer passende en minder verstrekkende voorziening kan worden bewerkstelligd. B Artikel 379 komt te luiden: Artikel 379 1. De curatele kan worden verzocht door de betrokken persoon, zijn echtgenoot, zijn geregistreerde partner dan wel andere levensgezel, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en in de zijlijn tot en met de vierde graad, degene die ingevolge artikel 253sa of 253t het gezag over de betrokken persoon uitoefent, zijn voogd, zijn bewindvoerder als bedoeld in titel 19 en zijn mentor als bedoeld in titel 20. 2. De curatele kan voorts worden verzocht door het openbaar ministerie en door de instelling waar de betrokkene wordt verzorgd of die aan de betrokkene begeleiding biedt. In het laatste geval wordt in het verzoekschrift tevens vermeld waarom de in het eerste lid genoemde personen – bloedverwanten in de zijlijn in de derde en vierde graad daaronder niet begrepen – niet tot indiening van een verzoek zijn overgegaan. C Artikel 380 wordt als volgt gewijzigd: 1. Aan het tweede lid, vierde volzin, wordt, onder vervanging van de punt door een komma, toegevoegd: noch overeenkomsten aangaan strekkende tot beschikking over die goederen. 2. Het vijfde lid komt te luiden: 5. De bewindvoerder heeft aanspraak op beloning overeenkomstig de regels die daaromtrent bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld. D In artikel 382 wordt de zinsnede «verkwisting of gewoonte van drankmisbruik» vervangen door: gewoonte van drank- of drugsmisbruik. E Artikel 383 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het eerste lid komt te luiden:

Staatsblad 2013 414 96

2


1. De rechter die de curatele instelt, benoemt daarbij of zo spoedig mogelijk daarna een curator. Hij vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel omtrent de geschiktheid van de te benoemen persoon. 2. Na het derde lid worden, onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot elfde en twaalfde lid, zeven leden ingevoegd, luidende: 4. Rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid kunnen tot curator worden benoemd. 5. De volgende personen kunnen niet tot curator worden benoemd: a. handelingsonbekwamen; b. zij ten behoeve van wie een mentorschap is ingesteld; c. de bewindvoerder van de onder curatele gestelde in de zin artikel 287, derde lid, van de Faillissementswet; d. een direct betrokken of behandelend hulpverlener; e. personen behorende tot de leiding of tot het personeel van de instelling waar de onder curatele gestelde wordt verzorgd of die aan de onder curatele gestelde begeleiding biedt; f. personen verbonden met de instelling waar de onder curatele gestelde wordt verzorgd of die aan de onder curatele gestelde begeleiding biedt, doordat: 1° de instelling of personen behorende tot de leiding van de instelling, alleen of samen meer dan de helft van de stemrechten in de algemene vergadering van de rechtspersoon kunnen uitoefenen, dan wel meer dan de helft van de bestuurders of van de commissarissen van de rechtspersoon kunnen benoemen of ontslaan, 2° de persoon en de instelling deel uitmaken van een groep in de zin van artikel 24b van boek 2, of 3° de bestuurder van de rechtspersoon tevens behoort tot de leiding of het personeel van de instelling. 6. Zij van wie één of meer goederen onder een bewind als bedoeld in titel 19 staan, zij die in staat van faillissement verkeren en zij ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, kunnen niet tot curator worden benoemd, tenzij het gaat om een persoon als bedoeld in het derde lid en het bewind over het vermogen van de onder curatele gestelde door de medecurator wordt gevoerd. 7. Een andere persoon dan in het derde lid bedoeld, die ten behoeve van drie of meer personen curator, bewindvoerder of mentor is, komt alleen dan voor benoeming in aanmerking indien deze wat zijn bedrijfsvoering en scholing betreft, alsmede, voor zover van toepassing, de werving, de scholing en begeleiding van en het toezicht op de personen door wie hij de taken van een curator uitoefent, voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen kwaliteitseisen, alsmede aan de verplichtingen bedoeld in artikel 386, derde lid, en in artikel 15i van boek 3. 8. De persoon, bedoeld in het zevende lid, legt aan de rechter die hem benoemt, over: a. zijn verklaring dat hij aan de in het zevende lid bedoelde kwaliteitseisen en verplichtingen voldoet, b. een verslag van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van boek 2, van diens bevindingen over de wijze waarop aan de eisen en verplichtingen wordt voldaan, en c. een verklaring van de accountant omtrent de balans en staat van baten en lasten, bedoeld in artikel 10 van boek 2, dan wel, voor zover van toepassing, omtrent de jaarrekening overeenkomstig titel 9 van boek 2. Artikel 396, zevende lid, van boek 2 is ten aanzien van artikel 393 lid 1 niet van toepassing. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de vorm en de inhoud van de verklaringen en het verslag, alsmede de wijze van overlegging. Toont de persoon aan dat hij in de

Staatsblad 2013 414 97

3


twaalf maanden voorafgaande aan zijn benoeming de verklaringen en het verslag reeds aan de rechter heeft overgelegd, dan is hij van de overlegging vrijgesteld. 9. Van de overlegging van de in het achtste lid bedoelde verklaring van de accountant zijn vrijgesteld: a. zij die een financiële onderneming zijn die ingevolge de Wet op het financieel toezicht het bedrijf van bank mogen uitoefenen, b. notarissen, c. gerechtsdeurwaarders, d. accountants. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de in de vorige zin bedoelde ondernemingen en beroepsbeoefenaren geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld van de in het zevende lid bedoelde eisen inzake de werving, scholing en bedrijfsvoering. 10. De rechter kan twee curatoren benoemen, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Zijn er twee curatoren, dan kan ieder van hen de taken die aan een curator toekomen, alleen verrichten. De rechter kan zo nodig een taakverdeling tussen de curatoren vaststellen. Bij verschil van mening tussen de curatoren beslist op verzoek van een van hen of op verzoek van een instelling als bedoeld in artikel 379, tweede lid, de kantonrechter. Deze kan ook een verdeling van de beloning vaststellen. F Artikel 385 wordt als volgt gewijzigd: 01. In artikel 385, eerste lid, komt «297–299,» te vervallen en wordt «322, onder a en c» vervangen door: 322, eerste lid, onder a en c. 1. Onderdeel d van het eerste lid komt te luiden: d. de curator te allen tijde hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om curator te kunnen worden, door de kantonrechter kan worden ontslagen, zulks op verzoek van de medecurator of degene die gerechtigd is de curatele te verzoeken als bedoeld in artikel 379, dan wel ambtshalve. Artikel 448, tweede lid, derde lid en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. 2. Het tweede lid komt te luiden: 2. De curator doet telkens na verloop van vijf jaren, of zoveel eerder als de kantonrechter bepaalt, aan deze verslag van het verloop van de curatele. Hij laat zich daarbij met name uit over de vraag of de curatele dient voort te duren of door een minder ver strekkende voorziening kan worden vervangen. Feiten die voor de curatele en het voortduren daarvan van betekenis zijn deelt hij terstond aan de kantonrechter mede. G Artikel 386 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het eerste lid komt te luiden: 1. Op het bewind van de curator zijn de omtrent het bewind van de voogd gegeven voorschriften van overeenkomstige toepassing. De rekening en verantwoording van zijn bewind gedurende de curatele wordt evenwel door de curator jaarlijks ingediend, behoudens indien de kantonrechter heeft bepaald dat dit op een ander tijdstip kan geschieden. Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan een model vaststellen volgens hetwelk de rekening en verantwoording moet worden opgemaakt. De curator, bedoeld in artikel 383, zevende lid, legt jaarlijks de

Staatsblad 2013 414 98

4


verklaringen en het verslag over, bedoeld in artikel 383, achtste lid. De curator doet desgevraagd van zijn werkzaamheden verslag aan de kantonrechter. De curator heeft aanspraak op beloning overeenkomstig de regels die daaromtrent bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld. 2. Het tweede lid komt te luiden: 2. De curator draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de onder curatele gestelde, voor zover dit niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van de onder curatele gestelde. 3. Onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende: 3. Tenzij de kantonrechter anders bepaalt, is de curator verplicht zo spoedig mogelijk een rekening te openen bij een financiĂŤle onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen; de curator is voorts verplicht om uitsluitend voor de betalingen die hij bij de vervulling van zijn taak verricht of ontvangt, zoveel mogelijk van deze rekening gebruik te maken. 4. Na het vijfde lid (nieuw) wordt een lid toegevoegd, luidende: 6. De kantonrechter kan van de curator verlangen dat hij inzage geeft van zijn boeken, bescheiden en andere gegevensdragers. Hij kan voorts een afschrift daarvan verlangen. H Artikel 389 komt te luiden: Artikel 389 1. De curatele eindigt: a. door het verstrijken van de tijdsduur waarvoor zij is ingesteld, b. door de dood van de betrokken persoon, of c. indien ten behoeve van hem bij in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak ter vervanging van curatele een bewind als bedoeld in titel 19 dan wel een mentorschap als bedoeld in titel 20 is ingesteld. 2. De kantonrechter kan, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van de curatele niet zinvol is gebleken, de curatele opheffen, zulks op verzoek van de curator of degene die gerechtigd is de curatele te verzoeken als bedoeld in artikel 379, alsmede ambtshalve. De beschikking treedt in werking zodra zij in kracht van gewijsde is gegaan, tenzij zij een eerder tijdstip van ingang aanwijst. 3. Degene die gerechtigd is de curatele te verzoeken als bedoeld in artikel 379, alsmede de curator, kan verzoeken om verlenging van een curatele die voor een bepaalde tijdsduur is ingesteld. De kantonrechter beslist binnen twee maanden na het indienen van het verzoekschrift. Artikel 384 is van overeenkomstige toepassing. Tegen de afwijzing van een verzoek tot verlenging staat geen hogere voorziening open. I Artikel 390 komt te luiden:

Staatsblad 2013 414 99

5


Artikel 390 Alle uitspraken waarbij een curatele wordt verleend of opgeheven of waarbij een uitspraak tot ondercuratelestelling wordt vernietigd, alsmede beschikkingen als in artikel 380 bedoeld, worden binnen tien dagen nadat zij kunnen worden ten uitvoer gelegd, vanwege de griffier in de Staatscourant bekendgemaakt. J Artikel 391 komt te luiden: Artikel 391 1. Door een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen orgaan wordt een openbaar register gehouden, waarin rechtsfeiten worden aangetekend die betrekking hebben op curatele en op bewind als bedoeld in titel 19. In het register worden, voor iedere curatele en ieder in te schrijven bewind afzonderlijk, met vermelding van de dagtekening, ingeschreven: 1° de naam en geboortedatum van de onder curatele gestelde en de rechthebbende; 2° een uittreksel van de rechterlijke beslissingen, waarbij de curatele of het bewind wegens verkwisting dan wel het hebben van problematische schulden wordt ingesteld, verlengd of opgeheven; 3° een uittreksel van de rechterlijke beslissingen, waarbij, voor zover de rechter zulks overeenkomstig artikel 436, derde lid, derde volzin, heeft bepaald, het bewind wegens een lichamelijke of geestelijke toestand wordt ingesteld, verlengd of opgeheven; 4° de grond waarop de curatele is ingesteld; 5° voor zover van toepassing, de datum waarop de curatele of het bewind eindigt; 6° een uittreksel van de rechterlijke beslissingen, waarbij een curator of bewindvoerder wordt benoemd, geschorst of ontslagen; 7° de naam en woonplaats van de curator of curatoren en de bewindvoerder of bewindvoerders en de taakverdeling, voor zover de rechter deze heeft vastgesteld. 2. Een ieder heeft kosteloze inzage in het register en kan tegen betaling een uittreksel daaruit verkrijgen, met inachtneming van het bij of krachtens de Wet griffierechten burgerlijke zaken bepaalde. 3. De griffier van de rechtbank geeft de in het eerste lid, onder 1° tot en met 7° genoemde gegevens, alsmede het bericht van het overlijden van de onder curatele gestelde dan wel rechthebbende, door aan het in het eerste lid bedoelde orgaan ten behoeve van het in het eerste lid genoemde register. 4. Het einde van de curatele en het bewind door het verstrijken van de tijdsduur waarvoor de maatregel is ingesteld, leidt tot doorhaling van de inschrijving in het openbaar register op de dag na het verstrijken van de tijdsduur. Een beschikking tot opheffing van de curatele of het bewind leidt tot doorhaling van de inschrijving in het openbaar register op het tijdstip waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Het overlijden van de onder curatele gestelde of de rechthebbende leidt tot doorhaling van de inschrijving in het openbaar register, nadat de griffie van de rechtbank het bericht van het overlijden heeft ontvangen. K Artikel 410, tweede lid, komt te luiden:

Staatsblad 2013 414 100

6


2. De bewindvoerder heeft aanspraak op beloning overeenkomstig de regels die daaromtrent bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld. L Artikel 420, derde lid, komt te luiden: 3. De bewindvoerder heeft aanspraak op beloning overeenkomstig de regels die daaromtrent bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld. M Artikel 431 wordt als volgt gewijzigd: 1. De eerste volzin van het eerste lid komt te luiden: Indien een meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel b. verkwisting of het hebben van problematische schulden, kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren. 2. Onder vernummering van het derde lid tot vierde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende: 3. Het bewind kan eveneens worden ingesteld indien te verwachten is dat de rechthebbende binnen afzienbare tijd in de in het eerste lid bedoelde toestand zal verkeren. N Artikel 432 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het eerste lid komt te luiden: 1. Instelling van het bewind kan worden verzocht door de rechthebbende, zijn echtgenoot, zijn geregistreerde partner dan wel andere levensgezel, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en in de zijlijn tot en met de vierde graad, degene die ingevolge artikel 253sa of 253t het gezag over de rechthebbende uitoefent, zijn voogd, zijn curator als bedoeld in titel 16 en zijn mentor als bedoeld in titel 20. In het in artikel 431, derde lid, bedoelde geval kan het bewind uitsluitend worden verzocht door de rechthebbende. 2. De leden 2 tot en met 4 worden vernummerd tot 3 tot en met 5. 3. Na het eerste lid wordt een lid ingevoegd, luidende: 2. Instelling van het bewind kan voorts worden verzocht door het openbaar ministerie en door de instelling waar de rechthebbende wordt verzorgd of die aan de rechthebbende begeleiding biedt. Instelling van een bewind wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden kan tevens worden verzocht door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de rechthebbende woonplaats heeft. In beide laatste gevallen vermeldt het verzoekschrift tevens waarom de in het eerste lid genoemde personen – bloedverwanten in de zijlijn in de derde en vierde graad daaronder niet begrepen – niet tot indiening van een verzoek zijn overgegaan. 4. In het derde lid (was tweede lid) wordt «een verzoek tot ondercuratelestelling aanhangig is» vervangen door: een verzoek tot ondercuratelestelling of tot opheffing van de curatele aanhangig is. De zinsnede «bij

Staatsblad 2013 414 101

7


afwijzing daarvanÂť komt te luiden: bij afwijzing onderscheidenlijk bij inwilliging daarvan. O Artikel 433, tweede lid, komt te luiden: 2. De kantonrechter kan, hetzij op verzoek van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 432, eerste en tweede lid, hetzij ambtshalve, het ingestelde bewind tot een of meer andere goederen van de rechthebbende uitbreiden of een of meer goederen uit het bewind ontslaan en ook alsnog bepalen dat de regel van het eerste lid voor een of meer goederen niet zal gelden, in welk geval artikel 434, eerste lid, van overeenkomstige toepassing is. De kantonrechter kan tevens handelingen als bedoeld in artikel 441, tweede lid, onder f aanwijzen en de aanwijzing van zulke handelingen intrekken. P Artikel 435 komt te luiden: Artikel 435 1. De rechter die het bewind instelt, benoemt daarbij of zo spoedig mogelijk daarna een bewindvoerder. Hij vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel over de geschiktheid van de te benoemen persoon. 2. Zo nodig kan een tijdelijke bewindvoerder worden benoemd. 3. De rechter volgt bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. 4. Tenzij het vorige lid is toegepast, wordt, indien de rechthebbende is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levensgezel heeft, bij voorkeur de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel andere levensgezel tot bewindvoerder benoemd. Is de vorige zin niet van toepassing dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot bewindvoerder benoemd. Huwt de rechthebbende, gaat hij een geregistreerd partnerschap aan of verkrijgt hij een andere levensgezel, dan kan ieder van hen verzoeken dat de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de andere levensgezel van de rechthebbende in de plaats van de tegenwoordige bewindvoerder wordt benoemd. 5. Rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid kunnen tot bewindvoerder worden benoemd. 6. De volgende personen kunnen niet tot bewindvoerder worden benoemd: a. handelingsonbekwamen; b. zij ten behoeve van wie een mentorschap is ingesteld; c. zij van wie ĂŠĂŠn of meer goederen onder een bewind als bedoeld in titel 19 staan; d. zij die in staat van faillissement verkeren; e. zij ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is; f. de bewindvoerder van de rechthebbende in de zin artikel 287, derde lid, van de Faillissementswet; g. een direct betrokken of behandelend hulpverlener; h. personen behorende tot de leiding of tot het personeel van de instelling waar de rechthebbende wordt verzorgd of die aan de rechthebbende begeleiding biedt; i. personen verbonden met de instelling waar de rechthebbende wordt verzorgd of die aan de rechthebbende begeleiding biedt, doordat:

Staatsblad 2013 414 102

8


1° de instelling of personen behorende tot de leiding van de instelling, alleen of samen meer dan de helft van de stemrechten in de algemene vergadering van de rechtspersoon kunnen uitoefenen, dan wel meer dan de helft van de bestuurders of van de commissarissen van de rechtspersoon kunnen benoemen of ontslaan, 2° de persoon en de instelling deel uitmaken van een groep in de zin van artikel 24b van boek 2, of 3° de bestuurder van de rechtspersoon tevens behoort tot de leiding of het personeel van de instelling. 7. Een andere persoon dan in het vierde lid bedoeld, die ten behoeve van drie of meer personen bewindvoerder, curator of mentor is, komt alleen dan voor benoeming in aanmerking indien deze wat zijn bedrijfsvoering en scholing betreft, alsmede, voor zover van toepassing, de werving, de scholing en begeleiding van en het toezicht op de personen door wie hij de taken van een bewindvoerder uitoefent, voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen kwaliteitseisen, alsmede aan de verplichtingen bedoeld in artikel 436, vierde lid, en artikel 15i van boek 3. 8. De persoon, bedoeld in het zevende lid, legt aan de rechter die hem benoemt, over: a. zijn verklaring dat hij aan de in het zevende lid bedoelde kwaliteitseisen en verplichtingen voldoet, b. een verslag van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van boek 2, van diens bevindingen over de wijze waarop aan de eisen en verplichtingen wordt voldaan, en c. een verklaring van de accountant omtrent de balans en staat van baten en lasten, bedoeld in artikel 10 van boek 2, dan wel, voor zover van toepassing, omtrent de jaarrekening overeenkomstig titel 9 van boek 2. Artikel 396, zevende lid, van boek 2 is ten aanzien van artikel 393 lid 1 niet van toepassing. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de vorm en de inhoud van de verklaringen en het verslag, alsmede de wijze van overlegging. Toont de persoon aan dat hij in de twaalf maanden voorafgaande aan zijn benoeming de verklaringen en het verslag reeds aan de rechter heeft overgelegd, dan is hij van de overlegging vrijgesteld. 9. Van de overlegging van de in het achtste lid bedoelde verklaring van de accountant zijn vrijgesteld: a. zij die een financiële onderneming zijn die ingevolge de Wet op het financieel toezicht het bedrijf van bank mogen uitoefenen, b. notarissen, c. gerechtsdeurwaarders, d. accountants. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de in de vorige zin bedoelde ondernemingen en beroepsbeoefenaren geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld van de in het zevende lid bedoelde eisen inzake de werving, scholing en bedrijfsvoering 10. De benoemde wordt bewindvoerder daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt. Q Artikel 436 wordt als volgt gewijzigd: 1. Aan het derde lid wordt een zin toegevoegd, luidende: De kantonrechter kan, hetzij op verzoek van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 432, eerste en tweede lid, of van de bewindvoerder, hetzij ambtshalve bepalen dat een beschikking tot onderbewindstelling wegens een lichamelijke of geestelijke toestand, voor zover het bewind alle goederen betreft, die de rechthebbende toebehoren

Staatsblad 2013 414 103

9


of zullen toebehoren, en een beschikking houdende benoeming, schorsing of ontslag van de bewindvoerder vanwege de griffier in het register, bedoeld in artikel 391, worden ingeschreven. 2. Na het vijfde lid wordt een lid toegevoegd, luidende: 6. De kantonrechter kan van de bewindvoerder verlangen dat hij inzage geeft van zijn boeken, bescheiden en andere gegevensdragers. Hij kan voorts een afschrift daarvan verlangen. R Artikel 437 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het eerste lid komt te luiden: 1. De rechter kan twee bewindvoerders benoemen, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. 2. In het tweede lid worden de woorden «of meer» geschrapt. 3. In het derde lid wordt de zinsnede «op verzoek van één van hen de kantonrechter» vervangen door: op verzoek van één van hen of van een instelling als bedoeld in artikel 432, tweede lid, de kantonrechter. S Artikel 440 komt te luiden: Artikel 440 1. Schulden die voortspruiten uit een handeling, tijdens het bewind met of jegens de rechthebbende, anders dan in overeenstemming met artikel 438, tweede lid, verricht door een schuldeiser die het bewind kende of had behoren te kennen, kunnen niet op de onder het bewind staande goederen worden verhaald. Het einde van het bewind brengt hierin geen wijziging. 2. Indien het bewind alle goederen betreft die daarvoor krachtens artikel 431, eerste lid, in aanmerking komen, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing ten aanzien van ten tijde van de handeling niet onder het bewind staande goederen waarop verhaal mogelijk zou zijn. T Aan artikel 441, eerste lid, wordt een zin toegevoegd, luidende: De bewindvoerder kan voorts voor de rechthebbende alle handelingen verrichten die aan een goed bewind bijdragen. U Artikel 445 wordt als volgt gewijzigd: 1. Aan het eerste lid wordt een zin toegevoegd, luidende: Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan een model vaststellen volgens hetwelk de rekening en verantwoording moet worden opgemaakt. 2. Onder vernummering van het vierde tot vijfde lid, wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende: 4. De bewindvoerder, bedoeld in artikel 435, zevende lid, legt jaarlijks de verklaringen en het verslag over, bedoeld in artikel 435, achtste lid.

Staatsblad 2013 414 104

10


V Na artikel 446 wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 446a De bewindvoerder doet telkens na verloop van vijf jaren, of zo veel eerder als de kantonrechter bepaalt, aan deze verslag van het verloop van het bewind. Hij laat zich daarbij met name uit over de vraag of het bewind dient voort te duren dan wel of een minder ver, of een verder strekkende voorziening aangewezen is. Feiten die voor het bewind en het voortduren daarvan van betekenis zijn, deelt hij terstond aan de kantonrechter mede. W Artikel 447, eerste lid, eerste volzin, komt te luiden: De bewindvoerder heeft aanspraak op beloning overeenkomstig de regels die daaromtrent bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld. X Artikel 448 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het tweede lid komt te luiden: 2. Het ontslag wordt hem verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van de medebewindvoerder of degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 432, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve. Hangende het onderzoek kan de kantonrechter voorlopige voorzieningen in het bewind treffen en de bewindvoerder schorsen. De kantonrechter kan hiertoe zo nodig ook zonder de bewindvoerder tevoren te hebben gehoord overgaan. In dat geval verliest de beschikking haar kracht na verloop van twee weken, tenzij de bewindvoerder binnen deze termijn in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. 2. Er worden een lid toegevoegd, luidende: 5. In geval van ontslag wegens gewichtige redenen of omdat de bewindvoerder niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, kan de kantonrechter bepalen dat geen verdere rekening en verantwoording behoeft te worden afgelegd. Tevens kan de kantonrechter de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de bewindvoerder, en alle aan de rechthebbende toekomende goederen in beslag nemen. Daartoe kan hij elke plaats betreden. Y Artikel 449 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het tweede lid komt te luiden: 2. De kantonrechter kan, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen, zulks op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 432, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve. De beschikking treedt in werking zodra zij in kracht van gewijsde is gegaan, tenzij zij een eerder tijdstip van ingang aanwijst. 2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

Staatsblad 2013 414 105

11


3. Degene die gerechtigd is de instelling van het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 432, eerste en tweede lid, alsmede de bewindvoerder, kan verzoeken om verlenging van het bewind dat voor een bepaalde tijdsduur is ingesteld. De kantonrechter beslist binnen twee maanden na het indienen van het verzoekschrift. Artikel 384 is van overeenkomstige toepassing. Tegen de afwijzing van een verzoek tot verlenging staat geen hogere voorziening open. Z Artikel 451 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid, wordt tussen «vierde graad,» en «zijn voogd,» ingevoegd: degene die ingevolge artikel 253sa of 253t het gezag over de betrokken persoon uitoefent,. 2. De eerste volzin van het tweede lid komt te luiden: Het mentorschap kan, behoudens in het in artikel 450, derde lid, bedoelde geval, voorts worden verzocht door het openbaar ministerie en door de instelling waar de betrokkene wordt verzorgd of die aan de betrokkene begeleiding biedt. 3. In het derde lid wordt «een verzoek tot ondercuratelestelling aanhangig is» vervangen door: een verzoek tot ondercuratelestelling of tot opheffing van de curatele aanhangig is. De zinsnede «bij afwijzing daarvan» komt te luiden: bij afwijzing onderscheidenlijk bij inwilliging daarvan. AA Artikel 452 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het vijfde lid komt te luiden: 5. Een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid komt voor benoeming tot mentor in aanmerking. 2. Het zesde lid komt te luiden: 6. De volgende personen kunnen niet tot mentor worden benoemd: a. handelingsonbekwamen; b. zij ten behoeve van wie een mentorschap is ingesteld; c. de direct betrokken of behandelend hulpverlener; d. personen behorende tot de leiding of tot het personeel van de instelling waar de betrokkene wordt verzorgd of die aan de betrokkene begeleiding biedt; e. personen verbonden met de instelling waar de betrokkene wordt verzorgd of die aan de betrokkene begeleiding biedt, doordat: 1° de instelling of personen behorende tot de leiding van de instelling, alleen of samen meer dan de helft van de stemrechten in de algemene vergadering van de rechtspersoon kunnen uitoefenen, dan wel meer dan de helft van de bestuurders of van de commissarissen van de rechtspersoon kunnen benoemen of ontslaan, 2° de persoon en de instelling deel uitmaken van een groep in de zin van artikel 24b van boek 2, of 3° de bestuurder van de rechtspersoon tevens behoort tot de leiding of het personeel van de instelling. 3. Na het zesde lid worden, onder vernummering van het zevende tot tiende lid, drie leden ingevoegd, luidende: 7. Een andere persoon dan in het vierde lid bedoeld, die ten behoeve van drie of meer personen mentor, curator of bewindvoerder is, komt alleen dan voor benoeming in aanmerking indien deze wat zijn bedrijfs-

Staatsblad 2013 414 106

12


voering en scholing betreft, alsmede, voor zover van toepassing, de werving, de scholing en begeleiding van en het toezicht op de personen door wie hij de taken van een mentor uitoefent, voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen kwaliteitseisen, alsmede aan de verplichtingen bedoeld in artikel 15i van boek 3. 8. De persoon, bedoeld in het zevende lid, legt aan de rechter die hem benoemt, over: a. zijn verklaring dat hij aan de in het zevende lid bedoelde kwaliteitseisen en verplichtingen voldoet, b. een verslag van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van boek 2, dan wel van een door de kantonrechter benoemde deskundige, van diens bevindingen over de wijze waarop aan de eisen wordt voldaan, en c. een verklaring van de accountant omtrent de balans en staat van baten en lasten, bedoeld in artikel 10 van boek 2, dan wel, voor zover van toepassing, omtrent de jaarrekening overeenkomstig titel 9 van boek 2. Artikel 396, zevende lid, van boek 2 is ten aanzien van artikel 393 lid 1 niet van toepassing. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de vorm en de inhoud van de verklaringen en het verslag, de benoeming van de deskundige, alsmede de wijze van overlegging. Toont de persoon aan dat hij in de twaalf maanden voorafgaande aan zijn benoeming de verklaring en het verslag, bedoeld in het zevende lid, onderdelen a en b, reeds aan de rechter heeft overgelegd, dan is hij van de overlegging van de verklaring en het verslag vrijgesteld. Toont de persoon aan dat hij in de 24 maanden voorafgaande aan zijn benoeming de verklaring, bedoeld in het zevende lid, onderdeel c, reeds aan de rechter heeft overgelegd, dan is hij van de overlegging van deze verklaring vrijgesteld. 9. De rechter kan twee mentoren benoemen, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Zijn er twee mentoren, dan kan ieder van hen de taken die aan een mentor toekomen, alleen verrichten. De rechter kan zo nodig een taakverdeling tussen de mentoren vaststellen. Bij verschil van mening tussen de mentoren beslist op verzoek van een van hen of op verzoek van een instelling als bedoeld in artikel 451, tweede lid, de kantonrechter. Deze kan ook een verdeling van de beloning vaststellen. BB In artikel 459 worden, onder vernummering van het tweede lid tot vierde lid, twee leden ingevoegd, luidende: 2. De mentor, bedoeld in artikel 452, zevende lid, legt jaarlijks de verklaring en het verslag over, bedoeld in artikel 452, achtste lid, onderdelen a en b. De mentor legt tweejaarlijks de verklaring over, bedoeld in artikel 452, achtste lid, onderdeel c. De kantonrechter kan ten aanzien van de verschillende onderdelen van het verslag een ander tijdstip van overlegging bepalen. 3. De mentor doet telkens na verloop van vijf jaren, of zo veel eerder als de kantonrechter bepaalt, aan deze verslag van het verloop van het mentorschap. Hij laat zich daarbij met name uit over de vraag of het mentorschap dient voort te duren dan wel of een minder ver, of een verder strekkende voorziening aangewezen is. Feiten die voor het mentorschap en het voortduren daarvan van betekenis zijn, deelt hij terstond aan de kantonrechter mede. CC Artikel 460, tweede lid, komt te luiden:

Staatsblad 2013 414 107

13


2. De mentor heeft aanspraak op beloning overeenkomstig de regels die daaromtrent bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld. DD Artikel 461, tweede lid, komt te luiden: 2. Het ontslag wordt hem verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om mentor te kunnen worden, zulks op verzoek van de medementor of degene die gerechtigd is mentorschap te verzoeken als bedoeld in artikel 451, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve. Hangende het onderzoek kan de kantonrechter voorlopige voorzieningen in het mentorschap treffen en de mentor schorsen. De kantonrechter kan hiertoe zo nodig ook zonder de mentor tevoren te hebben gehoord overgaan. In dat geval verliest de beschikking haar kracht na verloop van twee weken, tenzij de mentor binnen deze termijn in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. EE Artikel 462 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het tweede lid komt te luiden: 2. De kantonrechter kan, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het mentorschap niet zinvol is gebleken, het mentorschap opheffen, zulks op verzoek van de mentor of van degene die gerechtigd is mentorschap te verzoeken als bedoeld in artikel 451, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve. De beschikking treedt in werking zodra zij in kracht van gewijsde is gegaan, tenzij zij een eerder tijdstip van ingang aanwijst. 2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende: 3. Degene die gerechtigd is de instelling van het mentorschap te verzoeken als bedoeld in artikel 451, eerste en tweede lid, alsmede de mentor, kan verzoeken om verlenging van het mentorschap dat voor een bepaalde tijdsduur is ingesteld. De kantonrechter beslist binnen twee maanden na het indienen van het verzoekschrift. Artikel 384 is van overeenkomstige toepassing. Tegen de afwijzing van een verzoek tot verlenging staat geen hogere voorziening open.

ARTIKEL Ia Indien het bij koninklijke boodschap van 4 oktober 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Kamerstukken 33 032, nrs. 1–2) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel J, van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan artikel I, onderdeel A, van deze wet, dan komt onderdeel 0.D te luiden: In artikel 204, vijfde lid, wordt «geestelijke stoornis» vervangen door: zijn lichamelijke of geestelijke toestand.

ARTIKEL II Het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd: 1. In artikel 24, tweede lid, onder b, van boek 3 wordt «curateleregister» vervangen door: curatele- en bewindregister.

Staatsblad 2013 414 108

14


2. In artikel 55 van boek 4 wordt in het eerste lid «een geestelijke stoornis» vervangen door: hun lichamelijke of geestelijke toestand en in het tweede lid wordt «een geestelijke stoornis» vervangen door: zijn lichamelijke of geestelijke toestand.

ARTIKEL IIa In artikel 5, onder c, van de Wet beëdigde tolken en vertalers wordt «geestelijke stoornis» vervangen door: zijn lichamelijke of geestelijke toestand.

ARTIKEL IIb In artikel 6, onder b, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, wordt «geestelijke stoornis» vervangen door: lichamelijke of geestelijke toestand.

ARTIKEL III In artikel 48, eerste lid, onder c, van de Wet op het consumentenkrediet wordt de zinsnede «ingevolge de Faillissementswet aangesteld» vervangen door: ingevolge de Faillissementswet of ingevolge artikel 383, zevende lid, dan wel artikel 435, zevende lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

ARTIKEL IIIa De Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt als volgt gewijzigd: 1. In artikel 41, eerste lid, wordt «curateleregister» vervangen door: curatele- en bewindregister. 2. Artikel 56, eerste lid, komt te luiden: 1. De griffier van de rechtbank die in het curatele- en bewindregister melding heeft gemaakt van een rechterlijke uitspraak waarbij met betrekking tot een persoon een voorziening in de curatele is getroffen, doet daarvan mededeling aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van inschrijving, dan wel indien deze onbekend is, aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de rechtbank is gevestigd, onder vermelding welke persoon het betreft en de datum waarop de rechtsgeldigheid van de voorziening ingaat.

ARTIKEL IIIb Indien het bij koninklijke boodschap van 29 maart 2012 ingediende voorstel van wet nieuwe regels voor een basisregistratie personen (Kamerstukken 33 219, nrs. 1–2) tot wet is of wordt verheven en die wet eerder in werking is getreden of treedt dan artikel I, onderdeel J, van deze wet, komt artikel IIIa te vervallen en worden in die wet de volgende wijzigingen aangebracht: 1. In artikel 2.13, eerste lid, wordt «curateleregister» vervangen door: curatele- en bewindregister.

Staatsblad 2013 414 109

15


2. Artikel 2.28, eerste lid, komt te luiden: 1. De griffier van de rechtbank die in het curatele- en bewindregister melding heeft gemaakt van een rechterlijke uitspraak waarbij met betrekking tot een persoon een voorziening in de curatele is getroffen, doet daarvan mededeling aan het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente, onder vermelding van de persoon die het betreft en de datum waarop de rechtsgeldigheid van de voorziening ingaat.

ARTIKEL IV De curator van een persoon die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet onder curatele wegens verkwisting is gesteld doet binnen twee jaar na dat tijdstip verslag aan de kantonrechter over de vraag of de maatregel dient voort te duren of door een andere voorziening kan worden vervangen.

ARTIKEL V Curatoren als bedoeld in artikel 383, zevende lid, bewindvoerders als bedoeld in artikel 435, zevende lid, en mentoren als bedoeld in artikel 452, zevende lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen E, P en AA, zijn benoemd, hebben tot twee jaar na dat tijdstip de gelegenheid om aan de in genoemde bepaling bedoelde kwaliteitseisen te voldoen.

ARTIKEL VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Kamerstuk 33 054

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven te Wassenaar, 16 oktober 2013 Willem-Alexander De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven Uitgegeven de vijfentwintigste oktober 2013 De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

stb-2013-414 ISSN 0920 - 2064 ’s-Gravenhage 2013

Staatsblad 2013 414 110

16

Academie voor de Rechtspraktijk  

Actualiteiten Personen- en Familierecht

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you