Issuu on Google+

Voorlopige hechtenis

Salduz-special

Datum 28 november 2013

Spreker  Mr. G.P.C. Janssen


AVDR: LOCATIE:

STRAFRECHT KASTEEL WAARDENBURG

Effectief verdedigen: wat werkt in de rechtszaal en waarom? Waar zitten rechters op te wachten, en hoe pakt U het aan om uw cliënt met zo min mogelijk kleerscheuren door zijn strafproces te loodsen? Daarover gaat deze nieuwe ééndaagse basiscursus in analyse, strategie en overtuigingskracht.

DATUM:

19 DECEMBER 2013

PROGRAMMA:

10.00 UUR TOT 17.15 UUR

KOSTEN:

6 PO € 495,00 EXCL. BTW INCL. STUDIEMATERIAAL

De sprekers: mr. P.R. Wery

raadsheer Hof Arnhem-Leeuwarden

mr. dr. M.G. IJzermans

universitair docent Universiteit van Tilburg, Department for Public Law, Jurisprudence and Legal History Zie www.avdr.nl

06 PO


Inhoudsopgave Mr. G.P.C. Janssen Stukken Hoge Raad, 10 januari 2012, LJN BT7095

p. 4

Salduz-richtlijn in Publicatieblad Europese Unie: korte samenvatting

p. 7

Richtlijn 2013/48/EU

p. 8

Wet toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis: korte samenvatting

p. 20

Casuspositie inzake salduz

p. 21

Casuspositie inzake overtreding schorsingsvoorwaarde + NBS 2013, 253

p. 22

Casus inzake borg

p. 23

Casus inzake niet opgeheven geschorste voorlopige hechtenis

p. 24

Verschillende casusposities voorlopige hechtenis

p. 25

Aanbevolen jurisprudentie en wetgeving Hoge Raad, 30 juni 2009, LJN B3079 Hoge Raad, 13 september 2011, LJN BO8907 Hoge Raad, 7 juni 2011, LJN BP2740 Hof Arnhem, 6 april 2012, LJN BW1079 Wetsvoorstel recht op rechtsbijstand tijdens politieverhoor Wet vertolking en vertaling in strafprocedures

3


58

RECHTSPRAAK

de maatregel als een ‘penalty” heeft te gelen. Met de Ïijfsdwang heeft de wetgever immers ttilen voorzien in een pressïemiddel voor de nak iiing van de in de ontnemingsprocedure opge! gde betalingsverplichting. De maatregel is dus iiet, althans niet primair als afschrikwekkend bedoeld. Voorts maakt het verlof tot het venco n van liifdwang geen deel uit van de in die oi nemingsprocedure gegeven beslissing, maar is et eerst aan de orde in de executiefase. Ten slot is de lijfsdwang in art. 36e Sr uitdruk-

kelijk als maatregel, en dus niet als straf, henoemd. 5.4. Alles a wegende is de Hoge Raad van oordeel dat de n de eerste klacht van het middel aan de orde oestelde vraag bevestigend moet worden beant ‘oord. De in art. 577c Sv voorzieiie maatregel v ii liifsdwang heeft als “penalty” te gelden in de in van art. 7 lid 1 EVRM. De hiervoor geschet. te inkadering in liet Wetboek van Strafrecht en iet Wetboek van Straft’ordering met als vert ekpunt een veroordeling ter zake van een straffia r feit — gevoegd bij de langdurige periode waart mr lijfsdwang kan worden opgelegd, geeft die m atregel een zodanig puni-

ê

tief karakter dat zij al “penalty’’ moet wordei

aangemerkt. Daaraan

oct niet af dat de lij

-

dwang volgens de wet al. maatregel heeft te cl-

den. Het begrip “penalt)” moet immers utonoom worden uitgelegd. 5.5. Het vorenstaande bre t mee da iet in de eerste klacht van het middel angev en oordeel van het Hof juist is, zodat die lac faalt,

j

5.6. De tweede klacht van het iiddel keert zich tegen het oordeel van het H d t, gelet op art. 1 lid 2 Sr de duur van de vrij eidsh neming van de lijfsdwang in deze zaak iet lang kan zijn dan zes niaanden. 5.7. In de onderhavi zaak is, naar et Hofbeeft vastgesteld, de uit raak van 30 mei p002 tvaar bij de ontnem gsmaatregel is op elegd, op 2 september 2 3, dus na de inwerki gtredtng van genoern Wet op 1 september 200 onher roepelijk g vorden. Ingevol het in art. V Wet aanpassing ntnemingsi etget’ing voorziene overgangsrech is in deze aak art. 577e St’ van toepassing en ka dus ver f tot lijfsdwang worden verleend, 5 In zijn arrest van 12juli 2011, UN BP6 ‘8, bSr 2011, 285 heeft de Hoge Raad onder rn r

NbSr

naar aanleiding van het arrest van het EHR inzake Scoppola tegen Italië en de daarin aa art. 7 lid 2 EVRM gegeven uitleg zijn rechtspr k over art. 1 lid 2 Sr aangescherpt wat betre verande ringen in regels van sanctierecht. D oge Raad overwoog: “Voor die regels, die z vel het speci fieke strafmaximum als meer gemene regels met betrekking tot de sanctie legging kunnen betreffen, heeft voortaan te den dat een sedert liet plegen van het delict pgetreden verande ring door de rechter me onmiddellijk ingang —

en dus zonder toetsin aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht t’a de strafteetgever omtrent de straftvaardighe van de vôôr de wetswijzi ging begane stra are feiten moet worden toegepast, indien n voor zover die verandering in de voorligge de zaak ten gunste van de verdachte teer Daarbij i llen, naar de Hoge Raad in dat arrest oordee e, eventueel door de wetgever geformu leerd overgangsbepalingen moeten passen bin ne de in dat arrest genoemde internationale o twikkelingen, waaronder de genoemde uit praak van liet EHRM. —

“.

5.9. De omstandigheid dat de tijfsdwang heeft te gelden als een “penalty” gevoegd bij hetgeen

hiervoor onder 5.8 is overwogen brengt voor liet onderhavige geval mee dat het toepasselijke overgangsrecht in die zin moet worden uitge legd dat de duur van de lijfsdwang waarvoor verlof wordt verleend niet meer daii zes maanden kon bedragen. Het dienovereenkomstige oordeel van liet Hof is dus juist, zodat ook de tweede klacht faalt.

58 H O4. R aa d 10januari 2012, nr. 1802.10, L!ix BTi09 (Mrs. \ an Dorst, Splinter-Van Kan, Loth) [Cassatie van Hof Amsterdam (te Arnhem)[ -

-

,

.

ivii’i*’.niciiivsbricfsirafrecht. ni

Sdu Uitgci’’rs

4

Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegen heid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv. Een dergelijk verzuim dient — behoudens een tweetal uit-

Nieiiii’sbrwf Sirafrecht 9-02-2012, f1. 2

191


NbSr

58

zonderingen zonder meer tot bewijsuitslui ting te leiden (zie ook NbSr 2012, 56). —

[EVRIvI art. 6; Sv art.

359a1

2. Beoordeling van het middel 2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met een gevoerd verweer de verklaring die

de verdachte bij de politie heeft afgelegd zonder dat hij voorafgaand aan het verhoor in de gele genheid was gesteld een advocaat te raadplegen, hij de bewijsvoering heeft betrokken. 2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenver klaard dat: “hij op 30 november 2008 te Oud-Zuilen, ge meente Maarssen, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer catego rieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een mo torrijtuig van de betrokken categorie was afgege ven, op de openbare weg, de Dorpsstraat, als be stuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd.” 2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op een proces-verbaal van politie van 30 november 2008, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte: “Het klopt dat ik vandaag, zondag 30 november 2008, ben opgetreden als bestuurder van een personenauto van het merk Ford, type Fiësta, kleur rood, kenteken AA-00-BB, op de openbare weg de Dorpsstraat te Oud Zuilen, gemeente Nl aarssen. Ik wist dat mijn rijbewijs op 28 augustus 2006 ongeldig is verklaard, Ik weet dat het rijden met een ongeldig rijbewijs een misdrijf is.” 2.2.3. Het Hof heeft omtrent het in het middel bedoelde verweer het volgende overwogen en beslist: “De raadsman heeft aangevoerd dat de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaring uit gesloten zou moeten worden voor het bewijs ge let op de uitspraak van het EHRM van 27 no vember 2008, nr 3639/02, Nl 2009, 214 (Salduz versus Turkije) en de uitspraken van de Hoge Raad van 30juni 2009, NJ 2009/349/350/351. Het hof ovenveegt hieromtrent als volgt. De Hoge Raad heeft uit de rechtspraak van het EHRM afgeleid dat een verdachte die door de politie is actngehouden aan artikel 6 EVRM een

9-02-2012, fL 2

11E CH T$ P R .\ A K

aanspraak op rechtshijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Dit brengt vol gens de Hoge Raad mee dat de aangehouden verdachte voor de aanvang van liet eerste ver hoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Behoudens het geval dat hij uitdrukkelijk danwel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van bepaalde dwingende redenen, zal hem bin nen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezen lijken. Indien een aangehouden verdachte niet danwel niet binnen redelijke grenzen de gelegen heid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een ‘ormverzuim op als bedoeld in artikel 359a van liet Wetboek van Straft’orde ring. Die situatie doet zich hier voor. In het onderha vige geval behoeft dat echter niet te leiden tot be wijsuitsluiring zoals door de raadsman bepleit. Indien sprake is van een vormverzuim als be doeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dient bij de beantwoording van de vraag of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en zo ja welk rechtsgevolg in aanmerking komt, rekening te worden gehouden niet de in het tweede lid van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering ge noemde factoren. Het belang dat liet geschonden voorschrift dient is in liet onderhavige geval in belangrijke mate, maar niet uitsluitend, de betrouwbaarheid van een door de verdachte afgelegde verklaring. Het belang dient tevens een meer formeel recht van de verdachte om zijn procespositie in vrijheid te kunnen bepalen. De schending van eerstge noemd belang zou mogelijkerwijs een bewijsuit sluiting kunnen rechtvaardigen. Er bevinden zich echter in het dossier geen aanwijzingen dat de afgelegde verklaring, hoewel zonder vooraf gaande raadpleging van een advocaat afgelegd, niet betrouwbaar zou zijn. Ook de gemachtigde raadsman in hoger beroep heeft op dit punt geen verweer gevoerd. Het tweede genoemde belang wordt in het Nederlandse strafprocesrecht pri mair beschermd door het bepaalde in artikel 29

Sdi, Uitgevers

vi,’;,’.

5

;;;eu;vs brief tr;f’re,ht. ii

6

(

t’*

t.


van het Wetboek van Strafvordering: een als ver dachte gehoord persoon heeft het recht om te zwijgen en hij moet nadrukkelijk op dat recht worden gewezen. Dit voorschrift is in deze zaak nageleefd. De derde factor die het hof heeft te beoordelen is het nadeel dat door het vormverzuim is veroor zaakt. Bij de beoordeling daarvan is onder meer

van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. In dit kader is van belang dat ver dachte er voor gekozen heeft om in eerste aanleg en in hoger beroep niet te verschijnen en der halve zelf niet heeft aangegeven dat hij anders of niet had willen verklaren. Ter zitting in hoger beroep is door zijn gemachtigd raadsman even min naar voren gebracht dat verdachte, nadat hij alsnog zijn raadsman had geraadpleegd, an ders of niet had willen verklaren dan wel op an dere wijze door het verzuim in zijn verdediging is geschaad. Het vorenstaande brengt, naar het oordeel van het hof mee dat in het onderhavige geval kan worden volstaan met de constatering dat er sprake is van een vormverzuim.” 2.3. Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste ver hoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv, dat,na een daartoe strekkend verweer, in de regel behoudens in het geval dat de verdachte uitdrukkelijk dan wel

stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de ver dachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen (HR 30juni 2009, UN BH3079, NJ 2009, 349, NbSr 2009, 249). 2.4. Uit genoemd arrest van de Hoge Raad volgt dat een dergelijk verzuim behoudens de twee zonder hiervoor genoemde uitzonderingen meer tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Doen die uitzonderingen zich niet voor dan zal de des betreffende verklaring van de verdachte dus niet voor het bewijs mogen worden gebruikt en is er geen plaats meer voor een nadere afweging in het licht van de beoordelingsfactoren van het —

1

NbSr

59

RECHTSPRAAK

www.nkt.wsbriefttrafrecht.nl

Sdu Uitgevers

tweede lid van art. 359a Sv. 2.5. Het Hof heeft vastgesteld dat in deze zaak sprake is van een vormverzuim als hiervoor on der 2.3 is bedoeld. Wat betreft het daaraan te

verbinden gevolg heeft het Hof echter het hier voor onder 2.4 ovenvogene miskend. 2.6. Het middel is terecht voorgesteld.

Ho eRaad lOja uari 2012, nr. 2470.09E, LJNBP7858 (Mrs. Van Dorst, De Savornin Lohman, Ster [Cassa e van Hof ‘s-Gravenhage] De veran ering van de regelgeving ten nzien van het verbrengen van afval va kabels vloeit niet oort uit een veranderin van in zicht bij de egelgever omtrent de trafwaar digheid van et véér die wijzi ng begane strafbare feit. e regels van het sanctierecht ten aanzien van et overbrenge van afval van kabels ten gunst van de verd hte zijn even wel veranderd. H t Hof had aarom het mil dere sanctieregime ehoren e te passen. [Sr art. 1 lid 2; Veror nin EEG) nr. 259/3 van de Raad van de Europ se emeenschappen be treffende toezicht en c trole op de overbren ging van afvalstoffen bi en, naar en uit de Eu ropese Gemeenschap b G L 30) art. 26 lid 1; Verordening (EG) nr 101 2006 van het Euro pese Parlement en d Raad n 14juni 2006 be treffende de ove renging van afvalstoffen IPbEG 1. 190) art 18 lid 1; We op de economi sche delicten art la lid aanhefe onder 1 (oud), la aanhef en o der 2, 2 lid 1, 6 id 1 aanhef en 6 lid 1 aanhef en nder 4; Wet onder 3 (ou milieubehee art. 10.60 lid 1 (oud) n lid 5] ,

3. Beoorde tng van het derde middel 3.1. Het iddel klaagt dat het Hof ten nrechte, althans nvoldoende gemotiveerd het verweer heeft v rworpen dat als gevolg van vera dering van w Egeving geen sprake meer is van ee straf baar feit. 3.2.1. Ten laste van de verdachte s be we enverklaard dat: op of omstreeks 18 maart 2005 te Rot r am, een handeling heeft verricht als bedoeld ‘n

Nieuwsbrief Strafrecht 9-02-2012. afi. 2

6

193

1


“Salduz-richtlijn” in Publicatieblad Europese Unie

pagina 1 van 1

Landelijk > Oectaren > Strafrecht > Nieawn

“Salduz-richtlijn” in Publicatieblad Europese Unie 11-11-2013 7:01t

1 Lijn

Op 6 november 2013 is de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht op toegang van een advocaat in strafprocedures gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie. De EU-lidstaten hebben tot en met 27 november 2016 de tijd om de richtlijn te implementeren in hun nationale wetgeving. In apri 2011 heeft de minister van Veiligheid en Justitie al een wetnnnnrnnel recht np r r::sL:r]i. tijdens het politieverhoor naar diverse adviesinstanties gestuurd. Het wetsvoorstel is in afwachting van de Europese richtlijn echter nog niet ingediend bij de Tweede Kamer en zal als gevolg van de richtlijn bijstelling behoeven. In dc MeT bij de vaststelling van de begrotingsstaten van VEt] voor 2014 wordt vermeld dat een wetsvoorstel raadsman en politieverhoor ter advisering is voorgelegd aan de Raad van State. -

-

Uitgangspunt Europese richtlijn

Alle verdachten hebben recht op toegang tot een raadsman vanaf het moment waarop zij ervan in kennis worden gesteld dat zij worden verdacht van een strafbaar feit, ongeacht of zij van hun vrijheid zijn beroofd. Dit geldt dus niet alleen voor aangehouden verdachten maar ook voor verdachten die worden uitgenodigd om vrijwillig voor verhoor op het politiebureau te verschijnen of op straat door de politie worden aangesproken op een strafbaar feit (hieronder niet begrepen een ondervraging ter identificatie, controle op wapenbezit of steekproefsgewijze controles). Uitzondering: lichte strafbare feiten

In de richtlijn wordt een uitzondering gemaakt voor de zogenaamde “lichte feiten” (art. 2 lid 4). Bij deze categorie feiten vindt de richtlijn pas toepassing als de zaak voor de strafrechter wordt gebracht, tenzij de verdachte zijn vrijheid is ontnomen. In dat geval geldt de richtlijn onverkort. Wat valt er nu onder het begrip licht strafbaar feit? De minister van VEt] heeft de Tweede Kamer op 10 jarlaari 2013 laten weten in een reactie op een brief van de Commissie- Meijers dat alleen strafbare feiten die als overtredingen zijn geclassificeerd als zodanig worden aangemerkt. Ook recht op bijstand tijdens het verhoor

Het recht op toegang tot een advocaat geldt niet alleen voorafgaand maar ook tijdens het verhoor van de verdachte. Dit geldt in beginsel ook voor bepaalde onderzoekshandelingen zoals confrontaties en reconstructies mits de aanwezigheid van de verdachte io vereist of hem dat is toegestaan. Daadwerkelijk deelnemen aan het verhoor Wat mag de advocaat tijdens het verhoor? In de richtlijn is op dit punt opgenomen dat de advocaat daadwerkelijk aan het verhoor moet kunnen deelnemen (“participate effectively”), overeenkomstig de procedures in het nationale recht, dat wel. Volgens de Preambule kan gedacht worden aan het stellen van vragen, het vragen om verduidelijking en het afleggen van verklaringen (onder 25) Tijdelijke beperking

Onder omstandigheden kan het recht op toegang tot een advocaat tijdelijk worden beperkt (art 3 lid 6). Dit om ernstige gevolgen voor het leven of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen of onmiddellijk optreden door de onderzoeksautoriteiten noodzakelijk is ter voorkoming van substantiële schade voor de strafprocedure. Aan een dergelijke inperking van rechten zijn voorwaarden verbonden (art. S). Verdere toepassing

De richtlijn is ook van toepassing in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel (artt 2 en. 10). Daarnaast voorziet de richtlijn in een recht op communicatie met derden zoals familie of werkgever alsmede met consulaire autoriteiten indien de verdachte van zijn vrijheid is beroofd (artt. 5 t/m 7). Zie verder: tichtlrjn 2013148/Oh van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht op een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming. -

<

Zie nek: Oren: Autear:

Ternq naar nienwnanetzich

RtcHTOPRAAK\faatnchn

7

http://intro2 .rechtspraak.minjus.nl/SectorenlStraf/Nieuws/Pages/”Salduz-richtlj n”inP...

13-11-2013


1

6.11.2013

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 294/1

(Wetgevingshandetingen)

RICHTLIJNEN RICHTLIJN 2013/48/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 22 oktober 2013 betreffende liet recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrjheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming

HET EUROPEËS PARLËMENT

EN

DE RAAD

VAN

DE EUROPESE UNIE,

wetgevingen de samenwerking tussen bevoegde autoritei ten en de rechtshcschcrming van het individci ten goede zouden komen.

Gezien het Verdrag betreffende de werking van dc Europese Unie, en met name artikel 82, lid 2, onder b), Gezien het voorstel van dc Europese Commissie,

(3)

Krachtens artikel 82, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van dc Europese Unie (VWEU), berust de justitiële samenwerking in strafzaken in dc Unie op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen

(4)

De toepassing van het beginsel van wederzijdse erken ning van strafrechtelijke beslissingen vcrotidersteÎt weder zijds vertrouwen van de lidstaten in elkaars strafreclits telsels. Dc omvang van die wederzijdse erkenning hangt nauw samen met het bestaan en de inhoud van bepaalde parameters, waaronder regelingen voor de bescherming van de rechten van verdachten of beklaagden en gemeen schappelijke minimumnormen, die noodzakelijk zijn om de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning te vergemakkelijken.

(5)

Hoewel de lidstaten partij zijn bij het EVRM en bij het

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan dc nationale parlementen, Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1), Na raadpleging van het Comité van dc Regio’s, Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedurc (2), Overwegende hetgeen volgt:

(1)

(2)

(1) (2)

In artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van dc Europese Unie (het Handvest), artikel 6 van het Euro pees Verdrag tot bescherming van dc rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) en arti kel 1 4 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrech ten en politieke rechten (het IVBPR) is het recht op een eerlijk proces vastgelegd. Artikel 48, lid 2, van het Handvest garandeert de eerbiediging van de rechten van de verdediging.

IVBPR, heeft de ervaring geleerd dat dit gegeven alleen niet altijd zorgt voor een voldoende mate van vertrou wen in de strafrechtstelsels van andere lidstaten. (6)

De Unie stelt zich ten doel een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven en te ontwikkelen. Vol gens dc conclusies van het voorzitterschap van de Euro pese Raad van lampere van 15 en 16 oktober 1999, en met name punt 33, moet het beginsel van wederzijdse erkenning van vonnissen en andere beslissingen van rechterlijke instanties de hoeksteen van de justitiële sa menwerking in burgerlijke en in strafzaken binnen de Unie worden, omdat een versterkte wederzijdse erken ning en de noodzakelijke onderlinge aanpassing van de PB C 43 van 15.2.2012, blz. 51. Standpunt van het Europees Parlement van 10 september 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 7 oktober 2013.

8

Wederzijdse erkenning van beslissingen in strafzaken kan alleen effectief functioneren in een geest van vertrouwen, waarbij niet alleen de gerechtelijke autoriteiten, maar alle bij de strafprocedure betrokken actoren beslissingen van de gerechtelijke autoriteiten van de andere lidstaten als gelijkwaardig aan hun eigen beslissingen beschouwen; daarbij gaat het niet alleen om het vertrouwen dat de regels van de andere lidstaten adequaat zijn, maar ook om het vertrouwen dat die regels correct worden toege past. Versterking van wederzijds vertrouwen vereist ge detailleerde regels inzake dc bescherming van de pro cedurele rechten en waarborgen die voortvloeien uit het Handvest, het EVRM en het IVBPR. Versterking van we derzijds vertrouwen vereist evenzeer, middels deze richt lijn en andere maatregelen, een verdere ontwikkeling bin nen de Unie van dc in het Handvest en in het EVRM vastgelegde minimurunormen.


L294/2

NL

1

Publicaticblad van de Europese Unie

Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 be treffende het recht op informatie in strafprocedures (4).

Artikel $2, lid 2, VWEU voorziet in de vaststelling van minimumvoorschriften die in de lidstaten van toepassing zijn, ter bevordering van wederzijdse erkenning van von nissen en rechterlijke beslissingen en van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensover schrijdende dimensie. Dat artikel verwijst naar ,,de rech ten van personen in de strafvordering” als een van de gebieden waarop minimumvoorschriften kunnen worden vastgesteld.

(7)

(8)

Gemeenschappelijke minimumvoorschriften moeten lei den tot meer vertrouwen in de strafrechtste]sels van alle lidstaten, hetgeen op zijn beurt moet leiden tot effi ciëntere justitiële samenwerking in een klimaat van we derzijds vertrouwen, en tot bevordering van een cultuur van grondrechten in de Unie. Dergelijke gemeenschappe lijke minimumvoorschriften moeten ook belemmeringen voor het vrije verkeer van burgers wegnemen op het gehele grondgebied van de lidstaten. Dergelijke gemeen schappelijke minimumvoorschriften dienen te worden vastgelegd op het gebied van het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures, het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbene ming en het recht om met derden en consulaire autori teiten te commciniceren tijdens die vrijheidsbeneming.

(9)

Op 30 november 2009 keurde de Raad een resolutie goed betreffende een routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten of beklaagden in strafprocedures (de routekaart”) (1). In de routekaart, waarin een stapsgewijze benadering wordt voorgestaan, wordt opgeroepen tot de vaststelling van maatregelen met betrekking tot het recht op vertaling en vertolking (maatregel A), het recht op informatie over de rechten en informatie over de beschuldiging (maatregel B), het recht op juridisch advies en rechtsbijstand (maatregel C), het recht te communiceren met familie, werkgever en con sulaire autoriteiten (maatregel D), en bijzondere waarbor gen voor kwetsbare verdachten of beklaagden (maatregel E). In de routekaart wordt benadrukt dat de volgorde van de rechten slechts indicatief is en dat deze overeenkom stig de prioriteiten dus kan worden verlegd. De routekaart is bedoeld als een totaalpakket: pas wanneer alle onderdelen ten uitvoer zijn gelegd, zal het effect optimaal zijn.

(10)

6.11.2013

Op 11 december 2009 verklaarde de Europese Raad zich ingenomen met de routekaart en maakte hij deze tot onderdeel van het Programma van Stockholm Een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger (2) (punt 2.4). De Europese Raad onder streepte het feit dat de routekaart niet uitputtend is, door de Commissie uit te nodigen te onderzoeken welke mini male procedurele rechten verdachten en beklaagden ver der kunnen worden toegekend, en te beoordelen of an dere vraagstukken, bijvoorbeeld het vermoeden van on schtild, dienen te worden aangepakt om op dit gebied tot een betere samenwerking te komen.

(1 2)

Deze richtlijn bevat minimumvoorschriften betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures betreffende de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel krachtens Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten () (procedures ter uit voering van een Europees aanhoudingsbevel”) en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en het recht om met derden en met consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrij heidsbeneming. Op die manier bevordert de richtlijn de toepassing van het Handvest, met name de artikelen 4, 6, 7, 47 en 4$, door voort te bouwen op de artikelen 3, 5, 6 en 8 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor dc Rechten van de Mens, dat in zijn jurisprudentie, geregeld normen vaststelt betreffende het recht op toe gang tot een advocaat. In die jurispnidentie is onder meer geoordeeld dat het eerlijke karakter van het proces vereist dat een verdachte of beklaagde gebruik kan maken van alle specifiek aan rechtsbijstand verbonden diensten. In dat verband moeten de advocaten van verdachten of beklaagden de fundamentele aspecten van de verdediging onverkort kunnen waarborgen.

(13)

Onverminderd de krachtens het EVRM op de lidstaten rustende verplichting om het recht op een eerlijk proces te waarborgen, dienen procedures met betrekking tot lichte strafbare feiten die in de gevangenis zijn gepleegd, of tot in militair verband gepleegde strafbare feiten die door een bevelvoerencle officier worden behandeld, in deze richtlijn niet als strafprocedures te worden aange merkt.

(14)

Bij de uitvoering van deze richtlijn moet rekening gehou den worden met de bepalingen van Richtlijn 201 2/1 3/EU, die voorschrijven dat verdachten of be klaagden onverwijid informatie krijgen over het recht op toegang tot een advocaat en dat verdachten of be klaagden die zijn aangehouden of gedetineerd onverwijld in het bezit worden gesteld van een schriftelijke verkla ring van rechten, met informatie over het recht 01) toe gang tot een advocaat.

(15)

In deze richtlijn wordt verstaan onder advocaat’, een ieder die overeenkomstig het nationale recht, daaronder begrepen op grond van een door een bevoegde instantie verleende machtiging, gekwalificeerd en bevoegd is om verdachten of beklaagden juridisch advies en juridische bijstand te verlenen.

(16)

In sommige lidstaten is een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde rechtbank bevoegd tot het opleggen van sancties, andere dan vrijheidsbeneming, met betrek king tot relatief lichte strafbare feiten. Dit kan bijvoor beeld het geval zijn met betrekking tot verkeersovertre dingen die op grote schaal worden begaan en die kunnen worden vastgesteld naar aanleiding van een verkeerscon trole. In dergelijke situaties zou het onredelijk zijn de

(II)

(1) (1)

(3)

Tot dusver zijn er twee maatregelen voortvloeiend uit de routekaart vastgesteld, met name: Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (3), en Richtlijn 2012/13/EU van het

PB C 295 van 4.12.2009, blz. 1. PB C 115 van 4.5.2010, hlz. 1. PB L 280 van 26.10.2010, blz. 1.

(4)

(5)

9

Pil L 142 P0 L 190

van van

1.6.201 2, biz. 1. 18.7.2002, blz. 1.


6.11.2013

NL

1

Publicatieblad van de Europese Unie

worden voortgezet indien dc persoon op de hoogte is gesteld van het feit dat hij verdachte of beklaagde is en hij de in deze richtlijn vastgestelde rechten ten volle kan tutoefenen.

bevoegde autoriteit te verplichten alle rechten te waar borgen waarin deze richtlijn voorziet. Indien het recht van een lidstaat erin voorziet dat voor lichte strafbare feiten een sanctie tvordt opgelegd door een dergelijke autoriteit, en daartegen ofwel beroep kan worden in gesteld ofwel dat de zaak anderszins kan worden door verwezen naar een in strafzaken bcvocgde rechtbank, dient deze richtlijn derhalve alleen van toepassing te zijn op dc procedure die bij die rechtbank wordt gevoerd naar aanleiding van dat beroep of die verwijzing. (17)

In sommige lidstaten zijn bepaalde lichte feiten strafbaar gesteld; het betreft met name lichte verkeersovertredin gen, lichte overtredingen van algemene gemeentelijke ver ordeningen en lichte overtredingen tegen de openbare orde. In dergelijke situaties zou het onredelijk zijn de bevoegde autoriteit te verplichten alle rechten te waar borgen waarin deze richtlijn voorziet. Indien het recht van een lidstaat erin voorziet dat voor lichte strafbare feiten geen vrijheidsstraf kan worden opgelegd, dient deze richtlijn derhalve alleen van toepassing te zijn op procedures voor een in strafzaken bevoegde rechtbank.

(1$)

Het toepassingsgebied van deze richtlijn ten aanzien van bepaalde lichte strafbare feiten laat de EVRM-vcrplichting van dc lidstaten om het recht op een eerlijk proces te tvaarborgen, daaronder begrepen het recht op rechtsbij stand van een advocaat, onverlet.

(1 9)

De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat verdachten of beklaagden overeenkomstig deze richtlijn, het recht heb ben zonder onnodig uitstel toegang te krijgen tot een advocaat. Indien zij geen afstand hebben gedaan van het desbetreffende recht, dienen verdachten of beklaag den in ieder geval toegang tot een advocaat te hebben tijdens de strafprocedure voor een rechtbank.

(20)

Voor dc toepassing van deze richtlijn geldt niet als ver hoor de eerste ondervraging, door dc politie of ecn an dere rechtshandhavingsautoriteit, waarvan het doel be staat uit het identificeren van de betrokkenen, het con troleren op wapenbezit of andere gelijkaardige veilig heidskwesties, dan wel het nagaan of een onderzoek moet worden ingesteld, bijvoorbeeld tijdens controles langs de weg, of tijdens regelmatige steekproefsgewijze controles wanneer de identiteit van een verdachte of be klaagde nog niet is vastgesteld.

(21)

L 294/3

In dc jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rech ten van de Mens is bevestigd, dat indien een persoon die geen verdachte of beklaagde is, zoals een getuige, ver dachte of beklaagde wordt, die persoon tegen zelfincri minatic beschermd dient te worden en zwijgrecht heeft. Daarom verwijst deze richtlijn uitdrukkelijk naar de prak tische situatie waarin een dergelijke persoon tijdens een verhoor door de politie of een andere rechtshandhavings autoriteit in het kader van een strafprocedure, verdachte of beklaagde wordt. Indien tijdens een dergelijk verhoor waarin een persoon die geen verdachte of beklaagde is, verdachte of beklaagde wordt, dient het verhoor onmid dellijk te worden stopgezet. Het verhoor kan evenwel

10

(22)

Verdachten of beklaagden dienen het recht te hebben dc advocaat die hen vertegenwoordigt onder vier ogen te ontmoeten. De lidstaten kunnen praktische regelingen treffen betreffende de duur en de frequentie van derge lijke ontmoetingen, naargelang van de omstandigheden van de procedures, in het bijzonder de complexiteit van de zaak en de toepasselijke procedurele stappen. De lid staten kunnen eveneens praktische regelingen treffen om de veiligheid en de zekerheid te waarborgen, in het bij zonder van de advocaat en de verdachte of beklaagde, op de plaats waar dergelijke ontmoeting plaatsvindt. Derge lijke praktische regelingen dienen de daadwerkelijke uit oefening of de essentie van het recht van de verdachten of beklaagden om hun advocaat te ontmoeten, onverlet te laten.

(23)

Verdachten of beklaagden dienen het recht te hebben om te communiceren met de advocaat die hen vertegenwoor digt. Dergelijke communicatie kan in elke fase plaatsvin den, inclusief voorafgaand aan de uitoefening van het recht die advocaat te ontmoeten. De lidstaten kunnen praktische regelingen treffen betreffende de duur en de frequentie van dergelijke communicatie en de daarbij ge bruikte middelen, met inbegrip van het gebruik van vi deoconferenties en andere communicatietechnologie om dergelijke communicatie te doen plaatsvinden. Dergelijke praktische regelingen dienen de daadwerkelijke uitoefe ning of de essentie van het recht van de verdachten of beklaagden om te communiceren met hun advocaat on verlet te laten.

(24)

Deze richtlijn mag de lidstaten niet beletten voor be paalde lichte strafbare feiten het recht van dc verdachte of beklaagde op toegang tot een advocaat per telefoon te organiseren. Het aldus inperken van dit recht dient even wel beperkt te blijven tot gevallen waarin een verdachte of beklaagde niet door de politie of een andere rechts handhavingsautoriteit wordt verhoord.

(25)

Dc lidstaten dienen ervoor te zorgen dat verdachten of beklaagden het recht hebben dat hun advocaat aanwezig is en daadwerkelijk kan deelnemen aan het verhoor door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie, inclusief tijdens de hoorzittingen voor de rechtbank. Die deelname dient te worden uitge oefend overeenkomstig de procedures in het nationale recht die mogelijk de deelname van een advocaat regelen tijdens het verhoor van de verdachte of de beklaagde door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie, alsmede tijdens de hoorzittingen voor de rechtbank, mits die procedures de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van het desbetreffende recht onverlet laten. De advocaat kan tijdens een verhoor van de verdachte of de beklaagde door de politie of een


L294/4

Publîcatieblad van de Europese Unie

NL

kunnen bijvoorbeeld inhouden dat de bevoegde autoritei ten in de bijstand van een advocaat voorzien aan de hand van een lijst van beschikbare advocaten waaruit de ver dachte of beklaagde zou kunnen kiezen. Dergelijke rege lingen kunnen, in voorkomend geval, de regels betref fende rechtsbijstand omvatten.

andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instan tie, alsmede tijdens een hoorzitting voor de rechtbank, overeenkomstig die procedures onder meer vragen stel len, verduidelijking vragen en verklaringen afleggen, die dienen te worden geregistreerd overeenkomstig het na tionale recht.

(26)

(27)

6.1 1.2013

Verdachten of beklaagden hebben het recht op de aan wezigheid van hun advocaat bij onderzoekshandelingen of procedures voor het vergaren van bewijsmateriaal, in zoverre deze voorzien zijn in het toepasselijke nationale recht en in zoverre de verdachten of beklaagden verplicht zijn te verschijnen of hen dat is toegestaan. Dergelijke handelingen moeten op zijn minst meervoudige confron taties, tijdens welke de verdachte of beklaagde naast an dere personen staat om door het slachtoffer of een ge tuige te worden geïdentificeerd; confrontaties, tijdens welke een verdachte of beklaagde met een of meer ge tuigen wordt samengebracht wanneer onder deze getui gen onenigheid bestaat over belangrijke feiten of aange legenheden, en reconstructies van de plaats van een delict in aanwezigheid van de verdachte of beklaagde, teneinde beter te begrijpen hoe en in welke omstandigheden het misdrijf is gepleegd en om de verdachte of beklaagde specifieke vragen te kunnen stellen, omvatten. De lidsta ten kunnen praktische regelingen treffen betreffende de aanwezigheid van een advocaat tijdens onderzoekshan delingen of procedures voor het vergaren van bewijs materiaal. Dergelijke praktische regelingen moeten de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van de des betreffende rechten onverlet laten. tndien de advocaat tijdens onderzoekshandelingen of procedures voor het vergaren van bewijsmateriaal aanwezig is, dient dit ge registreerd te worden door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de be trokken lidstaat.

De lidstaten dienen zich ertoe in te spannen om alge bijvoor mene informatie ter beschikking te stellen beeld op een website of door middel van een folder op het politiebureau om verdachten of beklaagden te helpen een advocaat te vinden. De lidstaten hoeven even wel geen actieve stappen te zetten om ervoor te zorgen dat verdachten of beklaagden waarvan de vrijheid niet is ontnomen, bijstand krijgen van een advocaat indien zij zelf niet liet nodige hebben gedaan om door een advo caat te worden bijgestaan. Het dient de verdachte of beklaagde vrij te Staan contact op te nemen met een advocaat, die te raadplegen en erdoor te worden bij gestaan.

(29)

De omstandigheden waaronder verdachten of beklaagden hun vrijheid wordt ontnomen, dienen volledig in over eenstemming te zijn met de voorschriften van het EVRM, het Handvest, en de jurisprudentie van het Hof van Jus titie van de Europese Unie (het Hof van Justitie”) en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Bij het overeenkomstig deze richtlijn verstrekken van bijstand aan een verdachte of beklaagde wie de vrijheid is ont nomen, dient de betrokken advocaat de mogelijkheid te hebben de bevoegde autoriteiten vragen te stellen over de omstandigheden waarin de betrokkene de vrijheid is ont nomen.

(30)

lngeval de verdachte of de beklaagde zich op grote geo grafische afstand bevindt, bijvoorbeeld in overzees gebied of tijdens een buitenlandse militaire operatie die door de lidstaat wordt ondernomen of waaraan deze deelneemt, mogen de lidstaten tijdelijk afwijken van het recht van de verdachte of de beklaagde op toegang tot een advocaat zonder onnodig uitstel na de vrijheidsbenemïng. Tijdens een dergelijke tijdelijke afwijking mogen de bevoegde autoriteiten de betrokkene niet verhoren of geen onder zoekshandelingen of procedures voor het vergaren van bewijsmateriaal krachtens deze richtlijn uitvoeren. Indien de grote geografische afstand van de verdachte of be klaagde de onmiddellijke toegang tot een advocaat on mogelijk maakt, dienen de lidstaten in communicatie via telefoon of videoconferentie te voorzien, tenzij dit onmo gelijk is.

(31)

De lidstaten dienen tijdelijk te kunnen afwijken van het recht op toegang tot een advocaat in de fase van het voorbereidende onderzoek om, in dringende gevallen, emstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen. Zolang een tijdelijke afwijking op die grond van kracht is, kunnen de bevoegde autoriteiteti verdachten of beklaag den verhoren zonder dat een advocaat aanwezig is, op voorwaarde dat de verdachten of beklaagden van hun zwijgrecht op de hoogte zijn gebracht en dat zij dat recht kunnen uitoefenen, en dat dergelijk verhoor de rechten van dc verdediging, inclusief het recht van de betrokkene om zichzelf niet te beschuldigen, niet schaadt. Het ver hoor dient te worden uitgevoerd met als enig doel en voor zover noodzakelijk om informatie te verkrijgen die essentieel is om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen. Elk misbruik van deze afwijking zorgt in beginsel voor een onherstelbare schending van de rechten van de verdediging.

(28)

De lidstaten dienen de noodzakelijke regelingen te treffen om ervoor te zorgen dat, wanneer verdachten of beklaag den hun vrijheid wordt ontnomen, zij hun recht op toe gang tot een advocaat daadwerkelijk kunnen uitoefenen, mede doordat in bijstand van een advocaat wordt voor zien als de betrokkene er geen heeft, tenzij zij afstand hebben gedaan van dat recht. Dergelijke regelingen

11


rNL

(32)

(33)

(34)

1

Publicatieblad van de Europese Unie

De lidstaten dienen tevens tijdelijk te kunnen afwijken van het recht op toegang tot een advocaat in de fase van het voorbereidende onderzoek, indien onmiddellijk optreden door de onderzoeksautoriteiten noodzakelijk is om te voorkomen dat strafprocedures substantiëlc schade wordt toegebracht, in het bijzonder om te voorkomen dat essentieel bewijs wordt vernietigd of veranderd, of dat getuigen worden beïnvloed, Zolang een tijdelijke afwij king op deze grond van kracht is, kunnen de bevoegde autoriteiten verdachten of beklaagden verhoren zonder dat een advocaat aanwezig is, op voorwaarde dat zij van hun zwijgrecht op de hoogte zijn gebracht en dat zij dat recht kunnen uitoefenen, en dat dergelijk verhoor dc rechten van de verdediging, inclusief het recht van de betrokkene om zichzelf niet te beschuldigen, niet schendt. Het verhoor dient te worden uitgevoerd met als enig doel en voor zover noodzakelijk om informatie te verkrijgen die van essentieel belang is om te voor komen dat strafprocedures substantiële schade wordt toe gebracht. Elk misbruik van deze afwijking zorgt in be ginsel voor een onherstelbare schending van de rechten van de verdediging.

L 294/5

door de bevoegde autoriteiten moet door deze richtlijn onverlet worden gelaten. Ook dient deze richtlijn de werkzaamheden onverlet te laten die, bijvoorbeeld, door de nationale inlichtingendiensten worden verricht met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid overeenkomstig artikel 4, lid 2, van het Verdrag betref fende de Europese Unie (VEU), of die onder het toepas singsgebied vallen van artikel 72 \ÏWEU, op grond waar van titel V betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht bepaalt dat de uitoefening van de verantwoor delijkheid van de lidstaten voor dc handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid onverlet moet worden gelaten.

Het vertrouwelijke karakter van de commclnicatic tussen verdachten of beklaagden en hun advocaat is van essen tieel belang voor de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging. De lidstaten dienen derhalve het vertrouwelijke karakter van de ontmoetingen en elke andere vorm van communicatie tussen de advocaat en de verdachte of beklaagde bij de uitoefening van het recht op toegang tot een advocaat op grond van deze richtlijn zonder uitzondering te eerbiedigen. Deze richtlijn laat de procedures met betrekking tot de situatie waarin objec tieve en feitelijke omstandigheden erop wijzen dat de advocaat ervan wordt verdacht samen met dc verdachte of beklaagde bij een strafbaar feit betrokken te zijn, on verlet. Elke criminele handeling van een advocaat mag niet worden beschouwd als rechtmatige bijstand aan ver dachten of beklaagden binnen het kader van deze richt lijn. De verplichting het vertrouwelijke karakter te eerbie digen betekent niet alleen dat de lidstaten die communi catie niet mogen belemmeren noch daar toegang tot mogen hebben, maar ook dat, indien de verdachten of beklaagden hun vrijheid is ontnomen of zich op andere wijze onder de controle van de staat bevinden, de lid staten ervoor dienen te zorgen dat regelingen voor com municatie de vertrouwelijkheid daarvan handhaven en beschermen. Dit laat in detentiecentra aanwezige mecha nismen om te voorkomen dat gedetineerden illegale zen dingen ontvangen, zoals bijvoorbeeld het screenen van briefwisseling, onverlet, mits dergelijke mechanismen de bevoegde autoriteiten niet toestaan de communicatie tus sen de verdachten of beklaagden en hun advocaat te lezen. Deze richtlijn laat tevens nationaalrechtelijke pro cedures onverlet op grond waarvan het doorsturen van briefwisscling kan worden geweigerd indien de vcrzendcr er niet mee instemt dat de briefwisscling eerst aan een bevoegde rechtbank wordt voorgelegd.

Een eventuele schending van het vertrouwelijke karakter als louter nevenverschijnsel van een wettige observatie

12

(35)

Verdachten of beklaagden wie de vrijheid is ontnomen, moet het recht worden verleend om ten minste één door hen aangeduide persoon, zoals een familielid of een werkgever, zonder onnodig uitstel op de hoogte te laten brengen van de vrijheidshcneming, op voorwaarde dat geen afbreuk wordt gedaan aan het correcte verloop van de strafproccdure tegen dc betrokkene, noch aan enige andere strafprocedures. De lidstaten kunnen prak tische regelingen treffen voor de toepassing van dat recht. Dergelijke praktische regelingen dienen de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van het recht onverlet te laten. In beperkte, uitzonderlijke gevallen moet echter tijdelijk van dat recht kunnen worden afgeweken wanneer zulks in het licht van bijzondere omstandigheden, op grond van een dwingende, in deze richtlijn bepaalde reden, ge rechtvaardigd is. Indien de bevoegde autoriteiten over wegen een dergelijke tijdelijke afwijking in te stellen ten aanzien van een specifieke derde, dienen zij eerst te over wegen of een andere, door de verdachte of beklaagde aangeduide derde van de vrijheidsbeneming op de hoogte kan worden gesteld.

(36)

Dc verdachten of beklaagden dienen gedurende hun vrij heidsbenerning het recht te hebben zonder onnodig uit stel met ten minste één door hun aangeduide derde, zoals een familielid, te communiceren. De lidstaten kunnen de uitoefening van dat recht beperken of uitstellen met het oog op dwingende of proportionclc operationele vereis ten. Dergelijke vereisten kunnen onder meer betrekking hebben op de noodzaak om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon af te wenden, de noodzaak om te voor komen dat de strafprocedure wordt geschaad of dat een strafbaar feit wordt gepleegd, de noodzaak om een hoor zitting voor de rechtbank af te wachten en de nood om slachtoffers van een misdrijf te beschermen. Indien de bevoegde autoriteiten overwegen de uitoefening van dit recht ten aanzien van een specifieke derde te beperken of uit te stellen, dienen zij eerst te overwegen of de ver dachten of beklaagden met een andere door hen aange duide derde kunnen communiceren. De lidstaten kunnen praktische regelingen treffen betreffende het tijdstip, de wijze, de duur en de frequentie van contacten met der den, met het oog op het bewaren van dc goede orde, veiligheid en zekerheid op de plaats waar de betrokkene wordt vastgehouden.


L 294/6

NL

1

Publicatieblad van de Europese Unie

(37)

Het recht op consulaire bijstand van verdachten en be klaagden wie hun vrijheid is ontnomen, is neergelegd in artikel 36 van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963, waarin het wordt omschreven als een recht van staten zich in verbinding te stellen met hun onderdanen. Deze richtlijn verleent, C) hun verzoek, ecn overeenkomstig recht aan verdachten of beklaagden wie hun vrijheid is ontnomen. De consulaire bescherming kan worden uitgeoefend door diplomatieke autoriteiten indien zij optreden als consulaire autoriteiten.

(38)

De lidstaten dienen de motieven en de criteria voor een tijdelijke afwijking van de bij deze richtlijn verleende rechten duidelijk in hun nationale recht vast te leggen, en zij mogen slechts beperkt gebruikmaken van die tij delijke afwijkingen. Dergelijke tijdelijke afwijkingen die nen proportioneel te zijn, dienen een strikte geldigheids duur te hebben, en niet uitsluitend gebaseerd te zijn op de categorie waartoe het ten laste gelegde strafbare feit behoort of de ernst ervan, en dienen het globale eerlijke verloop van de procedure niet te schcnden. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat, indien een tijdelijke afwij king krachtens deze richtlijn is toegestaan door een rech terlijke instantie die geen rechter of rechtbank is, het besluit tot toekenning van de tijdelijke afwijking in ieder geval tijdens de procesfase door een rechtbank moet kunnen worden beoordeeld.

(39)

De verdachten of beklaagden moeten de mogelijkheid hebben om afstand te doen van een uit hoofde van deze richtlijn verleend recht, op voorwaarde dat hun informatie is gegeven om met kennis van zaken te oor delen over de inhoud van liet betrokken recht en de mogelijke gevolgen van een afstand van dat recht. Bij liet verstrekken van dergelijke informatie dient rekening te worden gehouden met de specifieke omstandigheden waarin de betrokken verdachten of beklaagden zich be vinden, zoals hun leeftijd en hun mentale en fysieke gesteldheid.

(40)

De afstand van een recht en de omstandigheden waar onder deze is gedaan, worden geregistreerd volgens de registratieprocedure waarin het recht van de betrokken lidstaat voorziet. Dit mag voor de lidstaten geen enkele aanvullende verplichting tot het invoeren van nieuwe mechanismen of bijkomende administratieve lasten met zich brengen.

(41)

Wanneer een verdachte of een beklaagde overeenkomstig deze richtlijn de afstand van een recht herrocpt, hoeft niet opnieuw te worden overgegaan tot verhoren of elke andere procedurehandehingen die zijn verricht gedu rende de periode waarin de afstand van het betreffende recht gold.

(42)

Personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd (,.gezoclitc personenâ&#x20AC;?), moeten in de uitvoe rende hidstaat recht hebben op toegang tot een advocaat, zodat zij hun rechten op grond van Kaderbesluit 2002/5 $ 4/IBZ daadwerkelijk kunnen uitoefenen. Wan neer een advocaat deelneemt aan een verhoor van een

6.1 1.2013

gezochte persoon door de uitvoerende rechterlijke instan tie, kan die advocaat onder meer, volgens procedures in het nationale recht, vragen stellen, verduidelijking vragen en verklaringen afleggen. Het feit dat de advocaat heeft deelgenomen aan een dergelijke verhoor nioct worden geregistreerd door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat.

13

(43)

De gezochte personen dieneti het recht te hebben de advocaat die hen in de uitvoerende hidstaat vertegenwoor digt, onder vier ogen te ontmoeten. Dc lidstaten kunnen praktische regelingen treffen betreffende de duur en de frequentie van dergelijke ontmoetingen, met macht neming van de bijzondere omstandigheden van het geval. De lidstaten kunnen eveneens praktische regelingen tref fen om de veiligheid en de zekerheid te waarborgen, met name van dc advocaat en de gezochte persoon, op de plaats waar de ontmoeting tussen de advocaat en de gezochte persoon plaatsvindt. Dergelijke praktische rege lingen dienen de daadwerkelijke uitoefening en de essen tie van het recht van de gezochte personen om hun advocaat te ontmoeten, onverlet te laten.

(44)

De gezochte personen dienen liet recht te hebben om te communiceren met de advocaat die hen in dc uitvoe rende lidstaat vertegenwoordigt. Dergelijke communicatie kan in elke fase plaatsvinden, inclusief voorafgaand aan de uitoefening van het recht die advocaat te ontmoeten. De lidstaten kunnen praktische regelingen treffen betref fende de dutir en de frequentie van de communicatie tussen de gezochte personen en hun advocaat en de daarbij gebruikte middelen, met inbegrip van het gebruik van videoconferenties en andere communicatietechnolo gie oni dergelijke communicatie te doen plaatsvinden. Dergelijke praktische regelingen dienen de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van het recht van de gezochte personen om te communiceren met hun advocaat onver let te laten.

(45)

De uitvoerende lidstaten dienen dc noodzakelijke regelin gen te treffen om ervoor te zorgen dat de gezochte per sonen in staat zijn hun recht op toegang tot een advocaat in de uitvoerende lidstaat daadwerkelijk uit te oefenen, mede doordat in bijstand van een advocaat wordt voor zien als de gezochte personen er geen hebben, tenzij zij afstand hebben gedaan van dat recht. Dergelijke regelin gen, waaronder die betreffende rechtsbijstand in voor komend geval, dienen door het nationaal recht te worden geregeld. Die kunnen bijvoorbeeld inhouden dat dc be voegde autoriteiten in de bijstand van een advocaat voor zien aan de hand van een lijst van beschikbare advocaten waaruit de gezochte personen kunnen kiezen.

(46)

De bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat moet zonder onnodig uitstel nadat zij ervan op de hoogte is gesteld dat een gezochte persoon in die hidstaat een advocaat wil aanwijzen, informatie aan dc gezochte


6.11.2033

1

Publicatieblad van de Europese Unie

persoon verstrekken om hem te helpen in die lidstaat een advocaat aan te wijzen. Dergelijke informatie kan bij voorbeeld een bijgewerkte lijst van advocaten omvatten, dan wel de naam van een piketadvocaat in de uitvaardi gende lidstaat, die informatie en advies kan verlenen in zaken betreffende het Europees aanhoudingsbevel. Dc lid staten kunnen de desbetreffende orde van advocaten ver zoeken een dergelijke lijst op te stellen. (47)

De procedure van overlevering is van cruciaal belang voor de samenwerking in strafzaken tussen de lidstaten. Het naleven van de in Kaderbesluit 2002/584/JBZ vervatte termijnen is van essentieel belang voor deze samen werking. Gezochte personen moeten in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel hun rech ten krachtens deze richtlijn ten volle kunnen uitoefenen, maar die termijnen dienen derhalve wel te worden gcëer biedigd.

(4$)

In afwachting van een wetgevingshandcling van dc Unie inzake rechtsbijstand, moeten dc lidstaten hun nationale recht inzake rechtsbijstand, dat in overeenstemming be hoort te zijn met het Handvest, het EVRM en de juris prudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, toepassen.

(49)

Overeenkomstig het beginsel van de doeltreffendheid van het Unicrecht moeten dc lidstaten passende en doeltref fende voorzieningen in rechte instellen om de bij deze richtlijn aan individuen toegekende rechten te waarbor gen.

(50)

De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat bij de beoor deling van de verklaringen die de verdachten of beklaag den afleggen of van het bewijs dat is verkregen in strijd met hun recht op een advocaat, of in gevallen waarin overeenkomstig deze richtlijn een afwijking van dat recht was toegestaan, de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedure worden geëerbiedigd. In dit verband dient de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in acht te worden genomen, waarin wordt bepaald dat dc rechten van de verdediging in principe onherstelbaar zijn geschonden als belastende verklaringen die tijdens een politieverhoor bij afwezigheid van een advocaat zijn gedaan, worden ge bruikt voor een veroordeling. Dit laat onverlet het ge bmik van verklaringen voor andere doelen die krachtens het nationale recht zijn toegestaan, zoals de noodzaak om spoedeisende onderzoekshandelingen uit te voeren of om het plegen van andere strafbare feiten of het op treden van ernstige negatieve gevolgen voor een persoon te voorkomen, dan wel de dringende noodzaak om te voorkomen dat strafprocedures substantiële schade wordt toegebracht, wanneer het verlenen van toegang tot een advocaat of het vertragen van het onderzoek onherstel bare schade zou toebrengen aan een lopend onderzoek naar een ernstig misdrijf. Voorts mag dit geen afbreuk doen aan de nationale voorschriften of systemen inzake dc toelaatbaarheid van bewijs en mag het de lidstaten niet beletten een systeem te handhaven waarbij al het bestaande bewijs in rechte mag worden aangevoerd zon der dat de toelaatbaarheid ervan afzonderlijk of vooraf wordt beoordeeld.

14

L 294/7

(51)

De zorgplicht ten aanzien van verdachten of beklaagden die in een mogelijk zwakke positie verkeren, ligt ten grondslag aan een eerlijke rechtsbedeling. Het openbaar ministerie, de rechtshandhavingsautoriteiten en de rech terlijke instanties moeten daarom de daadwerkelijke uit oefening door dergelijke verdachten of beklaagden van de rechten waarin deze richtlijn voorziet, bevorderen, bij voorbeeld door rekening te houden met mogelijke kwets baarheid die hun vermogen aantast om het recht op toegang tot een advocaat en het recht een derde vanaf hun vrijheidsbeneming op de hoogte te laten brengen, uit te oefenen, en door passende maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat die rechten gewaarborgd worden.

(52)

Deze richtlijn eerbiedigt de door het Handvest erkende grondrechten en beginselen, zoals het verbod op foltering en onmenselijke en onterende behandeling, liet recht op vrijheid en veiligheid, de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, liet recht op mense lijke integriteit, de rechten van het kind, de integratie van mensen met een handicap, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en liet recht op een eerlijk proces, het vermoeden van onschuld en de rechten van de ver dediging. Deze richtlijn dient overeenkomstig deze rech ten en beginselen te worden toegepast.

(53)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de bepalingen van deze richtlijn die met door het EVRM gewaarborgde rech ten overeenkomen, worden toegepast in overeenstem ming met de bepalingen van liet EVRM, zoals deze zijn onttvikkeld in de jurisprudentie van het Europees Hof voor dc Rechten van de Mens.

(54)

In deze richtlijn worden minimumvoorschriften vast gesteld. De lidstaten kunnen de in deze richtlijn vast gestelde rechten uitbreiden om een hoger heschermings niveau te bieden. Een dergelijk hoger beschermingsniveau mag geen belemmering vormen voor de wederzijdse er kenning van rechterlijke beslissingen die die minimumvoorschriften beogen te bevorderen. Het beschermings niveau mag nooit lager zijn dan de normen die opge nomen zijn in het Handvest en in het EVRM, zoals uit gelegd in de jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

(55)

In deze richtlijn worden de rechten van kinderen bevor derd en wordt rekening gehouden met de richtsnoeren van de Raad van Europa over kindvriendelijke justitie, in het bijzonder met de bepalingen over de informatie die en het advies dat aan kinderen moeten tvorden gegeven. Deze richtlijn garandeert dat verdachten en beklaagden, waaronder kinderen, passende infonnatie wordt gegeven die hen in staat stelt de gevolgen van elke afstand van een uit hoofde van deze richtlijn verleend recht te begrij pen, en dat deze afstand op vrijwillige en ondubbelzin nige wijze wordt gedaan. Wanneer de verdachte of de beklaagde een kind is, moet de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt zo spoedig mogelijk in ken nis worden gesteld na de vrijheidsbeneming van het kind en moet deze op de hoogte gebracht worden van de redenen daarvoor. Indien het verstrekken van deze infor matie aan de persoon die de ouderlijke verantwoordelijk heid draagt voor het kind ingaat tegen het belang van liet


1. 294/s

NL

1

Publicatieblad van de Europese Unie

kind, moet een andere in aanmerking komende volwas sene, zoals een familielid, op de hoogte gebracht worden. De bepalingen van het nationale recht die voorschrijven dat de specifieke instanties, instellingen en personen, met name degene die verantwoordelijk zijn voor de bescher ming en het welzijn van kinderen, in kennis worden gesteld van het feit dat een kind zijn vrijheid is ont nomen, worden hierdoor onverlet gelaten. Behoudens in de meest uitzonderlijke omstandigheden dienen de lidstaten zich te onthouden van een beperking of uitstel van het recht met een derde contact te hebben ter zake van een verdacht of aangeklaagd kind dat zijn vrijheid is ontnomen. In geval van uitstel mag het kind echter niet van de buitenwereld afgezonderd worden vastgehouden, en moet het bijvoorbeeld worden toegestaan om met een voor de bescherming of het welzijn van kinderen verant woordelijke instelling of persoon te communiceren.

6.11.2013

HEBBEN DË VOLGËNDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel

1

Onderwerp

Deze richtlijn bevat minirnumvoorschriften betreffende het recht van verdachten en beklaagden in strafprocedures en van per sonen tegen wie een procedure ingevolge Kaderbesluit 2002/584/]BZ loopt (procedures ter uitvoering van een Euro pees aanhoudingsbevel”), om toegang tot een advocaat te heb ben en om een derde op de hoogte te laten brengen van de vrijheidsbeneming en om met derden en met consulaire auto riteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming.

Artikel 2 (56)

(57)

(58)

(59)

(‘)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken t’) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen dc ken nisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van ecn richtlijn en de overeen komstige delen van dc nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht dc wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd.

Toepassingsgebied

1. Deze richtlijn is van toepassing op de verdachten of be klaagden in een strafprocedurc, vanaf het ogenblik waarop zij er door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat door middel van een officiële kennisgeving of anderszins van in kennis worden gesteld dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een straf baar feit te hebben begaan, ongeacht of hen hun vrijheid is ontnomen. Zij is van toepassing totdat de procedure is beëin digd, dat wil zeggen totdat definitief is vastgesteld of de ver dachte of beklaagde het strafbare feit al dan niet heeft begaan, met inbegrip van, indien van toepassing, de strafoplegging en de uitkomst in een eventuele beroepsprocedure.

Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk het vaststellen van minimumvoorschriften betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedcires ter uitvoering van een Europees aanhou dingsbevet en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen van de vrijheidsbeneming en om met der den en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens die vrijheidsbeneming, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar vanwege de omvang en de gevolgen van de maatregel, beter door de Unie kan worden bereikt, kan de Unie overeenkomstig het in ar tikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatrege len nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlij ken.

2. Deze richtlijn is, in overeenstemming met artikel 10, van toepassing op personen tegen wie een procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel loopt (gezochte personen), vanaf het moment van aanhouding in de uitvoerende lidstaat.

3. Deze richtlijn is, onder dezelfde voorwaarden als genoemd in lid 1, tevens van toepassing op andere personen dan ver dachten en beklaagden die in de loop van het verhoor door de politie of door een andere rechtshandhavingsautoriteft, ver dachte of beklaagde worden.

4. Onverminderd het recht op een eerlijk proces is deze richtlijn, met betrekking tot lichte feiten:

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het VEU en het VWEU, en onver minderd artikel 4 van dat protocol, nemen het Vereningd Koninkrijk en Ierland niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn, die bijgevolg niet bindend is voor, noch van toepassing is in die lidstaten.

a) waarvoor krachtens de wet van een lidstaat een sanctie door een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde recht bank wordt opgelegd, en tegen het opleggen van deze sanc tie beroep bij een dergelijke rechtbank, kan worden ingesteld, of kan worden verwezen naar een dergelijke rechtbank, of

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn; deze is bijgevolg niet bin dend voor, noch van toepassing in die lidstaat,

PB C 369

van

17.t 2.2011,

blz.

b) waarvoor geen vrijheidsstraf kan worden opgelegd,

alleen van toepassing op de procedures voor een in strafzaken bevoegde rechtbank.

14.

15


6.11.2013

HL

1

Publicatieblad van de Europese Unie

L 294/9

i) meervoudige confrontaties;

Deze richtlijn is in elk geval volledig van toepassing indien de verdachte of beklaagde zijn vrijheid is ontnomen, ongeacht de fase van dc strafprocedure.

ii) confrontaties;

Artikel 3

iii) reconstructies van de plaats van een delict.

Recht op toegang tot een advocaat in een strafprocedure

4. De lidstaten spannen zich ervoor in algemene informatie ter beschikking te stellen om verdachten of beklaagden te hel pen een advocaat te vinden.

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of bektaag den recht hebben op toegang tot een advocaat, op een zodanig moment en op zodanige wijze dat de betrokken personen hun rechten van verdediging in de praktijk daadwerkelijk kunnen uitoefenen.

Onverminderd de bepalingen van het nationale recht betref fende de verplichte aanwezigheid van een advocaat, treffen de lidstaten de noodzakelijke regelingen om ervoor te zorgen dat verdachten of beklaagden wie de vrijheid is ontnomen in staat zijn om hun recht op toegang tot een advocaat daadwerkelijk uit te oefenen, tenzij zij afstand hebben gedaan van dat recht overeenkomstig artikel 9.

2. De verdachten of beklaagden hebben zonder onnodig uit stel toegang tot een advocaat. In elk geval, hebben de verdach ten of beklaagden toegang tot een advocaat vanaf de volgende momenten, ongeacht welk moment het vroegste is: a) voordat zij door de politie of door een andere rechtshand havingsautoriteir of rechterlijke instantie worden verhoord;

In uitzonderlijke omstandigheden kunnen de lidstaten, uit 5. sluitend in de fase van het voorbereidende onderzoek, tijdelijk afwijken van de toepassing van lid 2, onder c), indien de geo grafische afstand waarop een verdachte of beklaagde zich be vindt het onmogelijk maakt om het recht op toegang tot een advocaat onvenvijid na de vrijheidsbeneming te kunnen waar borgen.

b) wanneer de onderzoeks- of andere bevoegde autoriteiten een tot onderzoek of andere vorm van bewijsgaring strekkende handeling verrichten, overeenkomstig lid 3, onder c); c) zonder onnodig uitstel na de vrijheidsbeneming;

6. In uitzonderlijke omstandigheden kunnen de lidstaten, uit sluitend in de fase van het voorbereidende onderzoek, tijdelijk afwijken van de toepassing van de in lid 3 vastgestelde rechten, indien en voor zover, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, een of meer van de volgende dwingende redenen zulks rechtvaardigen:

d) indien zij voor een in strafzaken bevoegde rechtbank zijn opgeroepen, binnen een redelijke termijn voordat zij voor deze rechtbank in rechte verschijnen. 3. in:

Het recht op toegang tot een advocaat houdt het volgende

a) indien er sprake is van een dringende noodzaak om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen;

a) de lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden het recht hebben de advocaat die hen vertegenwoordigt on der vier ogen te ontmoeten en met hem te communiceren, ook voordat zij door de politie of een andere rechtshand havingsautoriteit of rechterlijke instantie worden verhoord;

b) indien onmiddellijk optreden door de onderzoeksautoriteiten noodzakelijk is om te voorkomen dat de strafprocedure sub stantiĂŤle schade wordt toegebracht. Artikel 4

b) de lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden het recht hebben dat hun advocaat bij het verhoor aantvezig is en daaraan daadwerkelijk kan deelnemen. Deze deelname geschiedt overeenkomstig procedures in het nationale recht, mits die procedtires de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van het desbetreffende recht onverlet laten. Wanneer een advocaat aan het verhoor deelneemt, wordt het feit dat dergelijke deelname heeft plaatsgevonden, geregistreerd door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkom stig het recht van de betrokken lidstaat;

Vertrouweljkheid

De lidstaten eerbiedigen het vertrouwelijke karakter van de com municatie tussen de verdachten of beklaagden en hun advocaat bij de uitoefening van het recht op toegang tot een advocaat op grond van deze richtlijn. Die communicatie omvat ontmoetin gen, briefwisseling, telefoongesprekken en elke andere vorm van communicatie die krachtens het nationale recht is toegestaan. Artikel 5 Recht om een derde op de hoogte te laten brengen van de vrijheidsbeneming

c) de lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden ten minste het recht hebben hun advocaat de volgende on derzoekshandelingen of procedures voor het vergaren van bewijsmateriaal te laten bijwonen, mits het handelingen be treft waarin het nationale recht voorziet en waarbij de aan wezigheid van de verdachte of beklaagde is vereist of hem dat is toegestaan:

1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden wie hun vrijheid is ontnomen het recht hebben om, indien gewenst, ten minste ĂŠĂŠn door hen aangeduide persoon, bijvoor beeld een familielid of een werkgever, zonder onnodig uitstel op de hoogte te laten brengen van hun vrijheidsbeneming.

16


L 294/10

NL

1

Publicatieblad van de Europese Unie

2. tndien de verdachte of beklaagde een kind is, zorgen de lidstaten ervoor dat de persoon die de ouderlijke verantwoor delijkheid voor het kind draagt zo spoedig mogelijk in kennis wordt gesteld van de vrijheidsbeneming en van de redenen daarvoor, tenzij dit in strijd zou zijn met het belang van het kind, in welk geval een andere volwassene die daarvoor in aan merking komt op de hoogte wordt gebracht. Voor de toepas sing van dit lid wordt een persoon die jonger is dan achttien jaar als kind aangemerkt.

6.11.2013

onderhouden en met hen te corresponderen en het recht om hun vertegenwoordiging in rechte door hun consulaire autori teiten geregeld te zien, voor zover die autoriteiten daarmee instemmen en de betrokken verdachten of beklaagden zulks wensen. De uitoefening van de in dit artikel bedoelde rechten kan 3. in het nationale recht of bij nationale procedures tvorden gere guleerd, mits dat recht en die procedures de verwezenlijking van de met deze rechten beoogde doelen volledig waarborgen.

De lidstaten kunnen tijdelijk afwijken van de toepassing 3. van de in de leden 1 en 2 bepaalde rechten indien, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, een van de volgende dwingende redenen zulks rechtvaardigt:

Artikel 8

Algemene voorwaarden voor de toepassing van tijdelijke afwijkingen

a) een dringende noodzaak om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen;

1. Een tijdelijke afwijking op grond van artikel 3, lid 5 of 6, of uit hoofde van artikel 5, lid 3: a) heeft een evenredig karakter en gaat niet verder dan nood zakelijk;

b) een dringende noodzaak om een situatie te voorkomen waarin substantiĂŤle schade aan de strafprocedure kan worden toegebracht.

b) heeft een strikt beperkte geldigheidsduur; 4. Indien de lidstaten tijdelijk afwijken van de toepassing van de in lid 2 bepaalde rechten, zorgen zij ervoor dat een met de bescherming en het welzijn van kinderen belaste autoriteit zon der onnodig uitstel in kennis wordt gesteld van het feit dat het kind zijn vrijheid is ontnomen.

c) wordt niet uitsluitend gebaseerd op de soort of de ernst van het vermeende strafbare feit, en d) doet geen afbreuk aan het globale eerlijke verloop van de procedure.

Artikel 6 Recht om gedurende de vrjheidsbeneming met derden te communiceren

2. Tijdelijke afwijkingen op grond van artikel 3, lid 5 of 6, kunnen alleen toegestaan worden bij een naar behoren gemoti veerde en per geval genomen beslissing, die ofwel uitgaat van een rechterlijke instantie of van een andere bevoegde autoriteit op voorwaarde dat de beslissing kan worden onderworpen aan rechterlijke toetsing. De naar behoren gemotiveerde beslissing wordt geregistreerd door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat.

1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden wie hun vrijheid is ontnomen, het recht hebben zonder onnodig uitstel met ten minste ĂŠĂŠn door hem aangeduide derde, zoals een familielid, te communiceren. 2. De lidstaten kunnen de uitoefening van het recht bedoeld in lid 1 beperken of uitstellen op grond van dwingende of proportionele operationele vereisten.

3. Tijdelijke afwijkingen op grond van artikel 5, lid 3, kun nen alleen per geval worden toegestaan, ofwel door een rech terlijke instantie of door eeti andere bevoegde autoriteit op voorwaarde dat de beslissing kan worden onderworpen aan rechterlijke toetsing.

Artikel 7

Het recht op communicatie met de consulaire autoriteiten

1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden die geen onderdaan zijn en wie hun vrijheid is ontnomen, het recht hebben om, desgewenst, de consulaire autoriteiten van de lidstaat waarvan zij de nationaliteit hebben, zonder onnodig uitstel op de hoogte te laten brengen van de vrijheidsbenerning, en met de consulaire autoriteiten te communiceren. Verdachten of beklaagden die twee of meer nationaliteiten hebben, kunnen evenwel kiezen welke consulaire autoriteiten in voorkomend geval op de hoogte moeten worden gebracht van de vrijheids beneming, en met welke consulaire autoriteiten zij wensen te commctniceren.

Artikel 9

Afstand 1. Onverminderd de bij het nationale recht voorgeschreven aanwezigheid of bijstand van een advocaat, zorgen de lidstaten ervoor dat, met betrekking tot afstand van een in de artikelen 3 en 10 bedoeld recht:

a) de verdachte of beklaagde mondeling of schriftelijk duidelijke en toereikende informatie in eenvoudige en begrijpelijke be woordingen is gegeven over de inhoud van het betrokken recht en over de mogelijke gevolgen van het afstand doen daarvan, en

2. Verdachten of beklaagden hebben tevens het recht door hun consulaire autoriteiten te worden bezocht, zich met hen te

17


6.11.2033

t jij__J

Pubilcatieblad van de Europese Unie

b) deze vrijwillig en ondubbelzinnig geschiedt.

L 294/11

uitvaardigende lidstaat hiervan terstond op de hoogte. Dc be voegde autoriteit van die lidstaat verstrekt de gezochte personen zonder onnodig uitstel de informatie om hen te helpen in die lidstaat een advocaat te vinden.

2. De afstand, die schriftelijk of mondeling kan geschieden, wordt geregistreerd, alsmede de omstandigheden waaronder de afstand is gedaan door gebruik te maken van de registratiepro cedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat.

6. Het recht van gezochte personen om in de uitvaardigende lidstaat een advocaat aan te wijzen, laat de in Kaderbesluit 2002/584/jBZ bepaalde termijnen of de verplichting voor de uitvoerende rechterlijke instantie om binnen de overeenkomstig dat kaderbesluit bepaalde termijnen en voorwaarden een beslis sing te nemen over de overlevering van de betrokkene, onverlet.

De lidstaten zorgen ervoor dat deze afstand later op elk 3. moment tijdens de strafproccdure door de verdachte of de be klaagde kan worden herroepen en dat dc verdachte of beklaagde van die mogelijkheid op dc hoogte gebracht wordt. Dergelijke herroeping van dc afstand wordt van kracht vanaf het moment waarop zij heeft plaatsgevonden.

Artikel 11

Artikel 10

Rechtsbijstand

Recht op toegang tot een advocaat in een procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel

Deze richtlijn laat het nationale recht inzake rechtsbijstand, dat van toepassing is overeenkomstig het Handvest en het EVRM, onverlet.

t. Dc lidstaten zorgen ervoor dat een gezochte persoo1, vanaf zijn aanhouding op grond van een Europees aanhoudings bevel recht heeft op toegang tot een advocaat in de uitvoerende lidstaat.

Artikel 12

Rechtsmiddelen 1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden in strafprocedures alsmede gezochte personen in een procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, op grond van het nationale recht over een doeltreffende voorziening in rechte beschikken in gevallen waarin hun rechten op grond van deze richtlijn zijn geschonden.

2. Met betrekking tot de inhoud van het recht op toegang tot een advocaat in de uitvoerende Ă?idstaat hebben gezochte per sonen in die lidstaat de volgende rechten:

a) het recht op toegang tot een advocaat op een zodanig mo ment en op een zodanige wijze dat de gezochte personen hun rechten daadwerkelijk en in ieder geval zonder onnodig uitstel na de vrijheidsbeneming kunnen uitoefenen;

2. Onverminderd nationale bepalingen en stelsels inzake de toelaatbaarheid van bewijs zorgen de lidstaten er in strafpro cedures voor dat bij de beoordeling van de verklaringen van verdachten of beklaagden of van bewijs dat is verkregen in strijd met hun recht op een advocaat of in gevallen waarin overeen komstig artikel 3, lid 6, een afwijking van dit recht was toe gestaan, de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedure worden geĂŤerbiedigd.

b) het recht om te communiceren met de advocaat die hen vertegenwoordigt en deze te ontmoeten; c) het recht dat hun advocaat aanwezig is bij en overeenkom stig procedures in het nationale recht deelneemt aan het verhoor van een gezochte persoon door de uitvoerende rech terlijke instantie. Wanneer een advocaat deelneemt aan het verhoor, moet dat geregistreerd worden door gebruik te ma ken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat.

Artikel 13

Kwetsbare personen

De lidstaten zorgen ervoor dat bij de toepassing van deze richt lijn rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van kwetsbare verdachten en kwetsbare beklaagden.

3. De bij de artikelen 4, 5, 6, 7, 9, en, in geval van een tijdelijke at\vijking uit hoofde van artikel 5, lid 3, de bij artikel 8 bepaalde rechten zijn van ovcreenkomstige toepassing op de procedures ter uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel in de uitvoerende lidstaat.

Artikel 14

Non-regressieclausule 4. De bevoegde autoriteit in de uitvoerende lidstaat brengt de gezochte personen er zonder onnodig uitstel na de vrijheids beneming van op de hoogte dat zij het recht hebben in de uitvaardigende lidstaat een advocaat aan te wijzen. De rol van de advocaat in de uitvaardigende lidstaat is de advocaat in de uitvoerende lidstaat bij te staan, door die advocaat informatie en advies te verstrekken teneinde de gezochte personen hun rech ten uit hoofde van Kaderbesluit 2002/584/JBZ daadwerkelijk te doen uitoefenen.

Geen enkele bepaling in deze richtlijn mag worden opgevat als een beperking of afwijking van dc rechten en procedurele waar borgen die voortvloeien uit het Handvest, het EVRM of andere toepasselijke bepalingen van het internationale recht of het recht van lidstaten en die een hoger beschermingsniveau bieden. Artiket 15 Omzetting

5. Indien de gezochte personen het recht om een advocaat in dc uitvaardigende lidstaat aan te wijzen, wensen uit te oefenen en zij nog geen dergelijke advocaat hebben, brengt de bevoegde autoriteit in de uitvoerende Ă?idstaat de bevoegde autoriteit in de

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bcstuursrechte lijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 27 november 2016 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

18


t 294/12

NL

1

6.1 1.2013

Publicatieblad van de Europese Unie

Artikel 17

Wanneer dc lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in 2. de bepalingen zelf of bij de officiĂŤle bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden door de lidstaten vastgesteld.

Inwerkingtreding Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Pubticatiebtad van de Europese Unie. Artikel IS

De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalin 3. gen van intern recht mee die zij 01) het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Adressaten Deze richtlijn is overeenkomstig de Verdragen gericht tot dc lidstaten.

Artikel 16

Gedaan te Straatsburg, 22 oktober 2013.

verslag Uiterlijk op 28 november 2019 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in, waarin wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten aan deze richtlijn hebben voldaan, inclusief een beoordeling van de toepassing van artikel 3, lid 6, juncto artikel 8, leden 1 en 2, indien nodig ver gezeld van wetgevingsvoorstellen.

19

Voor het Europees Parlement De voorzitter

Voor de Raad De voorzitter

M. SCHULZ

V. LEKEVIIUS


Wet toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis per 1-11-2013 in... pagina 1 van 1

Landelijk > Sectoren > Stiatiecirt > Nieuws

Wet toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis per 1-11-2013 in werking 1-11-2013 1400

Op t november 2013 treedt de wei cao S juni 2013 tot implementatie van kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2009 inzake de toepassing tussen lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis (0919 251). Deze wet maakt het kort gezegd mogelijk voor de rechter om de voorlopige hechtenis van een verdachte uit een andere EU-lidstaat te schorsen onder overdracht van het toezicht op de daaraan gekoppelde voorwaarden, de zogenaamde toezicht- of controlemaatregelen, aan het land van herkomst van de verdachte. De wet is opgenomen in een nieuw Boek Vijf van het Wetboek van Strafvordering. U wordt op korte termijn nader geïnformeerd over de wet. Hieronder treft u reeds een samenvatting aan. De Europese toezichtmaatregel kort samengevat

De rechter is alleen betrokken bij zogenaamde “uitgaande” verzoeken, dat wil zeggen de overdracht van het toezicht op een Nederlandse beslissing tot schorsing van de voorlopige hechtenis met voorwaarden aan een andere EU-lidstaat. In een rechterlijke betrokkenheid bij “inkomende” verzoeken uit andere EU-lidstaten is niet voorzien. De afhandeling daarvan ligt geheel bij het OM.

-

-

-

Aan het Kaderbesluit kan geen aanspraak op schorsing van de voorlopige hechtenis worden ontleend. Niet elke voorwaarde is vatbaar voor erkenning en tenuitvoerlegging in een andere lidstaat (zie art. 5:3:3 Sv).

Het toezicht op de voorwaarden wordt beheerst door het recht van de lidstaat waar het toezicht wordt uitgeoefend. De Nederlandse rechter blijft echter na overdracht bevoegd alle beslissingen ter zake de voorlopige hechtenis te nemen. Dit geldt dus ook voor het eventueel wijzigen van de schorsingsvoorwaarden of het opheffen van de schorsing. -

Instemming met de overdracht van het toezicht op de schorsingsvoorwaarden naar het land van herkomst door de verdachte is vereist. Na erkenning van de toezichtbeslissing door het land van herkomst, wordt betrokkene in vrijheid gesteld om zelf naar dat land te reizen. -

Het is aan het openbaar ministerie en de raadsman om de rechter te informeren over de praktische uitvoerbaarheid van het toezicht op de voorwaarden in het land van herkomst van de verdachte. De rechter kan het openbaar ministerie hiertoe ook opdracht geven. -

Na de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte door de rechter wordt deze beslissing met het certificaat door het openbaar ministerie naar de andere EU-lidstaat toegezonden. Deze lidstaat beslist binnen een termijn van 28 dagen na ontvangst van het certificaat over de erkenning van de toezichtbeslissing. De rechter kan de schorsing dan ook in laten gaan op het moment dat vaststaat dat het toezicht op de naleving van de schorsingsvoorwaarden ook daadwerkelijk kan worden overgedragen, te weten het moment dat de beslissing door de andere EU-lidstaat is erkend. -

Komt de verdachte zijn verplichtingen niet na dan kan hij in beginsel worden aangehouden en overgeleverd op basis van een Europees aanhoudingsbevel. Hierbij is van belang dat sommige landen (waaronder Nederland) er voor gekozen hebben de EAB drempel te handhaven. -

De wet bevat geen overgangsrecht. De bepalingen uit de wet zijn van procesrechtelijke aard en hebben in beginsel directe werking echter alleen in relatie tot landen binnen de EU die het Kaderbesluit ook in nationale wetgeving hebben omgezet. Op dit moment zijn dat: Oostenrijk, Denemarken, Finland, Hongarije, Letland, Slowakije, Kroatië en Polen. Tsjechië vanaf 1-1-14. Op de wordt regelmatig een lijst gepubliceerd met landen die het kaderbesluit hebben geïmplementeerd. Ook op de site wvbsrte van de Raad van de Europese Unie is dergelijke informatie terug te vinden. -

Samenhang WETS

Dit kaderbesluit moet worden bezien in samenhang met de twee kaderbesluiten die in de WETS zijn geïmplementeerd. Deze wet die op 1 november 2012 in werking is getreden maakt het mogelijk de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen maar ook van taakstraffen en bijzondere voorwaarden en toezichtmaatregelen die aan voorwaardelijke straffen en de VI zijn gekoppeld van een andere EU—lidstaat over te nemen. Voor meer informatie zie de notitie 1mpIwnentatie Kaderkeslurt 04710 de wei wednrzgdse erkenning en tenuitnwerleggirrg nrgheidskenemencte en swnnnaardvlrjke sancties (S/ETS)”. Een wetgevingsbericht van het stafbureau over deze wet is eveneens op Intro te vinden. Meer informatie, —

-

Informatie rilLtovcrhckl ‘ii

Wet wederzijdse erkenning toelichting op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis,

sil

2013, 200 —

KO inwerkingtreding, 01k. 2013, 300

Uitvoeringsbesluit wederzijdse erkenning toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis 01k. 2013, 322 Nemorie van Toelichting, TE 20122013 33422, er. 3 KB 829 van de Raad van de Europese Unie (ihis Nntrtic Implementatie Kaderbesluit 947 in de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS)- Project Implementatie KB829 -

-

-

v Terug naar erewwnnnerzrch Zin wak: Bron:

Aaceur:

RECHrSPRAAA I,,irs. lii!

20

http://infro2.rechtspraak.minjus.nl/Sectoren!Straf/Nieuws/Pages/Wettoezichtmaatregel...

4-11-2013


CASUSPOSITIE$ inzake SALDUZ 1. mag verklaring die niet Salduz-proof is worden gebruikt voor bewij s/schatting wederrechtelij k verkregen voordeel? 2. mag igv schending Salduz bloedproeftesultaat worden gebruikt voor bewijs in bijv. art $ WVW-zaak? 3. mag verklaring die niet Salduz-proof is meewegen wanneer verdachte na CR opnieuw zelfde verklaring aflegt? 4. moet uitgenodigde verdachte op politiebureau worden gewezen op CR en dient zijn verklaring te worden uitgesloten indien dit niet is gebeurd? 5. geldt Salduz voor vragen betreffende de personalia?

6. verdachte wordt aangehouden in hotelkamer. Is een verzoek om de kamer te mogen doorzoeken onderhevig aan de $alduz-eis? 7. een rechtmatig in een woning binnengetreden RC vraagt aanwezige verdachte, na cautie, of er drugs en vuurwapens in de woning aanwezig waren. Mag de verklaring van verdachte die niet is gewezen op CR meetellen en idem dito mag op aanwijzen van verdachte aangetroffen drugs/wapens meetellen.

21


C A S U $ OVERTREDING SCHORSINGS VOORWAARDE 1. Verdachte is geschorst onder algemene voorwaarden en verschijnt nadien niet op de zitting waarvoor hij is gedagvaard (waarbij dagvaarding hem IP is uitgereikt). Ter zitting vordert OvJ opheffing VH omdat verdachte de algemene voorwaarde dat hij had dienen te verschijnen (op iedere justitieoproep) heeft overtreden. Kan de rechter deze vordering toewijzen? 2. Zelfde casus maar verdachte is verschenen en nu vordert Ovj de opheffing van de schorsing omdat verdachte een nieuw strafbaar feit heeft begaan, te weten openbare dronkenschap

253 Rechtbank Oost—Nederland t zittingsplaats Zwol le) 11juni2013, parketnr. 7.651023.12

(Mr. Vijftigschild t De vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de bewaring wordt afgewezen, nu de officier van justitie te lang heeft gewacht met het indienen van dc vordering. [Sv art. 82, 83, 64]

De bewaring is bevolen bil beschikking van 27 ja nuari 2012. De bewaring is laatstelijk geschorst hij beschik kini van 18juni2012. De verdachte is op de vordering van de officier van justitie tot opheftini van de schorsing van de bewaring gehoord. De verdachte blijkt zich niet te hebben gehou

den aan de schorsingsvoorwaarden. Er is een gegronde reden de vordering van de of (kier van justitie af te wijzen. Gelet op art. 81 lid 2 Sv is de rechter—commissaris van oordeel dat de officier an justitie te lang gewacht heeft met het indienen van de vordering. De verdachte is al op 7 juni 2013 aangehouden. Nu de vordering dateert van 11 juni 2015 is er geen sprake van het onvenvijld indienen van een vordering. De rechter—commissaris wiist de vordering tot opheffing van de schorsing van dc bewaring at

Xk’znsbrif Sirifrcdu 1 1—07—2013, zfl. 8

22

983


C A $ U $ inzake BORG Verdachte is geschorst nadat hij een bepaald geldbedrag heeft laten storten op een door de rechter genoemde rekening. De rechter heeft deze voorwaarde opgelegd ter nakoming van de voorwaarde dat verdachte zou meewerken aan PO-rapportage. De zitting is nog niet in zicht en de P0 is, met medewerking van verdachte, afgerond. De verdachte wil zijn geld terug. 1. Welke actie moet zijn advocaat ondernemen? 2. Wat kan gebeuren indien verdachte niet meewerkt aan de P0rapportage?

23


Casus niet opgeheven geschorste voorlopige hechtenis X is in bewaring gesteld en geschorst door de RC. Hij staat terecht, is afwezig en dagvaarding wordt nietig verklaard Rb neemt geen beslissing over de VH 3 dagen na de zitting wordt X aangehouden op verdenking nieuw strafbaar feit en OvJ vordert bij RC opheffing van de schorsing. 1. Wat dient de RC te beslissen? 2. Wat dient de raadkamer te beslissen indien de Ovj zijn vordering daar zou aanbrengen

24


Verschillende casusposities voorlopige hechtenis Casus 1 Verdachte is ahlivz op 1-6; inbewaringstelling volgt op 3-6 voor 14 dagen; PR zitting op 10-6 1. PR komt tot bwv en vo: 4 weken wv 2 weken vw en beslist niets over VR. Wanneer komt vd vrij? 2. PR schorst onderzoek ttz voor nader onderzoek en beslist niets over VR. Welke gevolgen heeft deze afloop voor de VR? 3. OvJ vordert een straf cf voorarrest. PR vo tot 4 weken onvw en beveelt de gevangenhouding. Geven deze beslissingen voor u aanleiding tot actie? 4. OvJ eist 4 maanden en PR vonnist conform en beslist niets over VH. OvJ vordert 11-6 (in Raadkamer) de gevangenhouding. Wat bepleit u in raadkamer? 5. VU heeft afstand gedaan en wordt verdedigd door bijz gevolm. raadsman. OvJ eist 4 maanden en vordert gev. houding. Welke stelling neemt u in tegen gevorderde gev h.?

6. De PR verwijst onderzoek ivm ernst naar de MK van 30-7 en beslist niets over VR. Welke gevolgen heeft deze afloop voor de VR? 7. VU is op 3-6 in bew. gesteld maar meteen geschorst onder algemene vw. OvJ eist ttz 4 maanden en vordert opheffing van de schorsing omdat vd niet is verschenen ism de schorsingsvw.? Welke stelling neemt u in tegen gevorderde opheffing schorsing?

Casus II 8. Tegen vd is door de rdk op 1-7 een bevel gev.h verleend van 90 dgn. Geplande tzt is op 20-9. Raadsman verzoekt op 15 augustus opheffing gev.h ivm 67a-3. Welk risico kleeft aan deze motivering van het opheffingsverzoek? 9. Raadsman gaat in hb van voornoemd bevel gev h. en voert allereerst aan dat de beslissing in stijd is met EVRM nu het bevel niet is gemotiveerd. Op welk EVRM-artikel beroept de raadsman zich en heeft het kans van slagen?

25


Casus III 10. Vd wordt voorgeleid voor RC. Hij staat ingeschreven op (post)adres IJsbaanpad 9 te A’dam. De OvJ voert 1 VR-grond aan. vluchtgevaar. Wat voert u aan t.a.v. deze grond? 11. Vd met Roemeense nationaliteit wordt voorgeleid voor RC. OvJ voert 1 VR-grond aan. vluchtgevaar nu vd geen vwvp in NL heeft. Vd geeft desgevraagd adres in Roemenië op en overlegt zijn ID en rijbewijs en een salarisstrook. Wat voert u aan tegen de opgevoerde grond?

Casus IV 12. Vd wordt op 1-7 uitgenodigd om op 10-7 op politiebureau een verklaring af te leggen. Op 10-7 verschijnt vd en legt verklaring af waarna hij wordt aangehouden en in verzekering gesteld. Moet politie vd voor verhoor op zijn consultatierecht wijzen? Maakt het iets uit als vd in dezelfde casus minderjarig is? -

-

13. De politie wordt gebeld met info dat een man met een vuurwapen loopt te zwaaien. Politie komt tp en houdt vd aan en neemt uit diens handen vuurwapen in beslag. Tijdens transport naar bureau zegt vd dat hij iets emstigs heeft gedaan. “Wat dan?”, vraagt politieman en vd antwoordt: “ik heb zojuist iemand doodgeschoten”. Mag deze verklaring meetellen voor bewijs? 14. Zelfde casus als 13 maar vd zegt niets ttv transport tot dat politieman hem vraagt: “Wat was je nu van plan met dat vuurwapen?”. Vd reageert cfcasus 13. Mag deze verklaring meetellen voor het bewijs? 15. Stel dat rechtbank de betreffende verklaring niet gebruikt voor het bewijs, kunt u dan strafvermindering bepleiten ivm schending Salduz-regel?

26


Academie voor de Rechtspraktijk