Issuu on Google+

ACTUALITEITEN PERSONENEN FAMILIERECHT SPREKERS MR. R. VAN COOLWIJK, ADVOCAAT AKD MR. C. VAN DER VEGT-BOSHOUWERS, ADVOCAAT AKD 28 FEBRUARI 2013 15:00 – 17:15 UUR

WWW.AVDRWEBINARS.NL WEBINAR 0230


W E B I N A R S

H O O G L E R A R E N

De Academie voor de Rechtspraktijk heeft onder de naam Magna Charta Webinars 30 hoogleraren bereid gevonden webinars te verzorgen op de verschillende rechtsgebieden. Wab en procesrecht | 27 februari 2013 | 14:00 - 17:15 uur Massaschade; de juridische afwikkeling | 11 maart 2013 | 14:00 - 17:15 uur Corporate Governance | 18 maart 2013 | 09:00 - 12:15 uur Kwalitatieve aansprakelijkheid | 18 maart 2013 | 14:00 - 17:15 uur Internationaal Erfrecht | 25 maart 2013 | 09:00 - 12:15 uur Algemene voorwaarden | 28 maart 2013 | 14:00 - 17:15 uur Consumentenrecht | 8 april 2013 | 14:00 - 17:15 uur Totstandkoming | 25 april 2013 | 14:00 - 17:15 uur Actualiteiten Internationaal Handelsrecht | 6 mei 2013 | 14:00 - 17:15 uur Actualiteiten Merken- en Modellenrecht | 8 mei 2013 | 09:00 - 12:15 uur Actualiteiten Auteursrecht en oneerlijke mededingingen | 8 mei 2013 | 12:45 - 16:00 uur Actualiteiten Verzekeringsrecht | 13 mei 2013 | 14:00 - 17:15 uur Hoger beroep | 14 mei 2013 | 09:00 - 12:15 uur Huwelijksvermogensrecht | 27 mei 2013 | 09:00 - 12:15 uur Flex BV | 29 mei 2013 | 09:00 - 12:15 uur Actualiteiten Internationaal Handelsrecht | 6 mei 2013 | 14:00 - 17:15 uur Actualiteiten Merken- en Modellenrecht | 8 mei 2013 | 09:00 - 12:15 uur Actualiteiten Auteursrecht en oneerlijke mededingingen | 8 mei 2013 | 12:45 - 16:00 uur Actualiteiten Verzekeringsrecht | 13 mei 2013 | 14:00 - 17:15 uur Hoger beroep | 14 mei 2013 | 09:00 - 12:15 uur Huwelijksvermogensrecht | 27 mei 2013 | 09:00 - 12:15 uur Flex BV | 29 mei 2013 | 09:00 - 12:15 uur Huwelijksvermogensrecht | 23 oktober 2013 | 14:00 - 17:15 uur Derivatenrecht | 28 oktober 2013 | 14:00 - 17:15 uur Aandeelhoudersovereenkomsten | 31 oktober 2013 | 09:00 - 12:15 uur Actualiteiten Erfrecht | 31 oktober 2013 | 14:00 - 17:15 uur Actualiteiten pensioenrecht | 11 november 2013 | 14:00 - 17:15 uur Awb bezwaarschriftprocedure | 18 november 2013 | 14:00 - 17:15 uur Sociaal recht | 25 november 2013 | 09:00 - 12:15 uur Appartementsrecht | 25 november 2013 | 14:00 - 17:15 uur

Magna Charta is onderdeel van de Academie voor de Rechtspraktijk Postbus 13346

|

3507 LH Utrecht

|

T 030 - 220 10 70

E info@magnacharta.nl

|

F 030 - 220 53 27


Inhoudsopgave Sprekers Mr. R. van Coolwijk Mr. C. van der Vegt-Boshouwers

• • • • • •

Nieuwe richtlijn kinderalimentatie april 2013 Toelichting op het voorstel tot wijziging rapport alimentatienormen Behoeftetabel Draagkrachttabel Vragen en antwoorden draagkracht en aanvaarbaarheidstoets Rapport alimentatienormen, versie 2013-1

3

p. p. p. p. p. p.

4 11 33 35 36 40


Aanpassing richtlijn kinderalimentatie Opmerkingen vooraf: - de richtlijn is niet aangepast aan de nieuwe regelgeving met ingang van 1 januari 2013. - de nieuwe regelgeving per 1 januari 2013 is wel verwerkt in het rapport versie 2013 - I, en - deze richtlijn wordt verwerkt in de - onder voorbehoud - op 15 februari 2013 te verschijnen versie 2013- II van het rapport, die per 1 april 2013 in werking treedt. Werkgroep alimentatienormen 16 november 2012 16 november 2012

4


Aanpassing richtlijn kinderalimentatie Stap 1: netto besteedbare inkomen Voor alimentatiedoeleinden is het netto inkomen,voorzien van een aantal correcties, van belang. Dit inkomen zal hierna worden aangeduid als netto besteedbaar inkomen. Het bedoelde netto besteedbaar inkomen is het bruto inkomen (incl. inkomsten uit vermogen) - de bijtelling voor de auto van de zaak en eventuele fiscale voordelen in verband met de eigen woning worden buiten beschouwing gelaten - verminderd met de daarover verschuldigde premies en belasting en vermeerderd met eventuele heffingskortingen die konden worden verzilverd door de niet-verdienende partner. Bereken het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtigen voorde volgende momenten/periode: (i) het moment van uiteengaan (voor de behoefte); (ii) de periode waarvoor een bijdrage moet worden vastgesteld (draagkracht). Behoefte Voor de behoefteberekening is mede bepalend het netto gezinsinkomen dat werd gevormd door de netto besteedbare inkomens en eventueel het kindgebonden budget van beide ouders op het moment dat de samenleving als gezin werd verbroken. Aan de hand van het netto gezinsinkomen wordt op basis van de NIBUD-tabellen het eigen aandeel in de kosten kinderen bepaald. Indien niet in gezinsverband is samengeleefd, dient het eigen aandeel van de kosten van kinderen te worden bepaald aan de hand van het netto besteedbare inkomen van iedere partij, waarna het gemiddelde van de op basis daarvan berekende eigen aandelen wordt genomen. Draagkracht Het netto besteedbaar inkomen omvat ook het redelijkerwijs te verdienen inkomen (herstelbaar inkomensverlies). In geval van verwijtbaar inkomensverlies, kan worden uitgegaan van een fictief inkomen. Indien de onderhoudsplichtigen onvoldoende gegevens overleggen kan worden aangesloten bij de verdiencapaciteit. Een bijstandsuitkering, het kindgebonden budget, de kinderbijslag en toeslagen worden voor de aan de hand van de tabel te bepalen draagkracht niet als inkomen in aanmerking genomen. Algemeen Verder is het volgende van belang: 1. de inkomensafhankelijke bijdrage ziektekosten wordt in mindering gebracht op het netto besteedbaar inkomen; ook indien vermogen feitelijk niet rendeert, kan een fictief rendement in aanmerking worden genomen; lasten in verband met vermogen worden alleen in aanmerking genomen als de 2 16 november 2012

5


feitelijke inkomsten na aftrek van de daarop drukkende lasten (inclusief de daarover verschuldigde belasting) positief zijn; 3. buiten beschouwing blijven: fiscale voordelen in verband met de aanwezigheid van een eigen woning bijtelling in verband met de auto van de zaak. Benodigde gegevens: . Voor degenen met een dienstbetrekking: jaaropgaven en loonstroken Voor uitkeringsgerechtigden: jaaropgaven en specificaties Voor zzp’er, de ondernemer en de dga (met een “eigen vennootschap”):de beschikbare (concept) jaarstukken inclusief kasstroomoverzichten en prognoses, tezamen beschouwd Voor een ieder: een overzicht van eventueel aanwezig vermogen, belastingaangiften en - aanslagen. Stap 2: behoefte van kinderen en zorg Het met behulp van de NIBUD-tabellen gevonden bedrag van het eigen aandeel in de kosten kinderen wordt vervolgens verminderd met het kindgebonden budget waarop recht bestaat in de periode waarvoor de onderhoudsbijdrage wordt gevraagd. Daarna wordt de zorgkorting berekend, in beginsel tenminste 15% van het gevonden bedrag, omdat door middel van de gedeelde zorg voor een deel van de behoefte in natura wordt voorzien, althans zou kunnen worden voorzien. Indien de gezamenlijke draagkracht voldoende is om in de behoefte te voorzien, vermindert de zorgkorting de bijdrage. Indien de gezamenlijke draagkracht onvoldoende is om in de behoefte te voorzien, wordt met de zorgkorting niet of slechts in beperkte mate rekening gehouden, zie hierna stap 4. In geval van een ruimere zorgregeling kan de zorgkorting oplopen tot 25% - 35%, waarbij wordt voorondersteld dat de verzorgende ouder alle kosten, met uitzondering van de kosten die samenhangen met het verblijf bij de andere ouder, voor zijn of haar rekening neemt. De korting in gevallen van co-ouderschap is afhankelijk van de omstandigheden van het geval (inschrijving, kostenverdeling). Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt. Stap 3: draagkracht van iedere onderhoudsplichtige Aan de hand van de tabel in bijlage en het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtigen, waaronder de verzorgende ouder, wordt de draagkracht van iedere onderhoudsplichtige per kind vastgesteld. Indien de uitgaven aan het kind - gelet op de omvang van de vast te stellen bijdrage -de forfaitaire drempel van € 408 per kwartaal (2012) overschrijden, wordt de draagkracht verhoogd met het fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen. 3 16 november 2012

6


Voor de behoefte aan een bijdrage is ook de draagkracht van de verzorgende ouder en eventuele stiefouders van belang. In het kader van de gestelde behoefte, ligt het dan ook op de weg van de verzorgende ouder om de behoefte aan een bijdrage van de aangesproken onderhoudsplichtige gelet op (het gebrek aan) diens draagkracht te stellen en eventueel onderbouwen. De aangesproken onderhoudsplichtige dient zijn of haar gebrek aan draagkracht eveneens te stellen en eventueel te onderbouwen. Stap 4: koppeling behoefte en draagkracht In deze stap worden de behoefte en draagkracht per kind waarvoor een bijdrage wordt gevraagd gekoppeld. De laagste van de twee is bepalend voor de onderhoudsplicht. Is de gezamenlijke draagkracht van de ouders hoger dan het eigen aandeel (na vermindering met het kindgebonden budget) dan wordt dit eigen aandeel naar evenredigheid van de draagkracht omgeslagen, waarna de zorgkorting de bijdrage vermindert. Is de gezamenlijke draagkracht van de ouders lager dan het eigen aandeel, dan wordt de bijdrage slechts met een deel van de zorgkorting verminderd, tot het bedrag dat de gezamenlijke draagkracht dat toelaat. Dat leidt er toe dat (een deel van) de zorgkorting niet wordt gerealiseerd. De bijdrage kan niet hoger worden vastgesteld dan de draagkracht. In de omslag kan in de beschouwing worden betrokken of de verhouding tussen de stiefouder en het kind aanleiding geeft om de draagkracht van de stiefoudergeheel of gedeeltelijk buiten beschouwing te laten. Stap 5: aanvaardbaarheidstoets De toets wordt toegepast indien de onderhoudsplichtige stelt en onderbouwt dat de bijdrage, berekend op basis van zijn inkomen en vermogen en rekening houdend met een redelijk lastenpatroon, onder de gegeven omstandigheden vanwege gebrek aan draagkracht voor hem tot een onaanvaardbare uitkomst zal leiden. Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om zowel de omstandigheden als het gebrek aan draagkracht te stellen en te onderbouwen. Daarbij dient de onderhoudsplichtige volledig en duidelijk – door middel van een overzicht van de redelijke inkomsten en uitgaven, met onderliggende stukken - inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen. De rechter dient vervolgens te beoordelen of bij vaststelling van de volgens het stappenplan berekende bijdrage onvoldoende rekening zou worden gehouden met alle omstandigheden die zijn draagkracht beïnvloeden, zodat geen sprake meer is van een bijdrage conform de wettelijke maatstaven. Bij die beoordeling dient onder meer de jurisprudentie van de Hoge Raad op het gebied van draagkracht (verdiencapaciteit), fictieve draagkracht en schulden tot zijn recht te komen. Het is aan de rechter om de eventuele afwijzing van een van onderbouwing voorzien verweer te motiveren. Zonder volledige inzicht is deze toets niet mogelijk. Bij gebreke van een afdoende onderbouwing kan de stelling dat draagkracht ontbreekt worden gepasseerd. Verwijtbaarheid: in geval sprake is van een lager inkomen of groter beslag van uitgaven op het inkomen dan redelijkerwijs kan worden verwacht, dient te worden onderzocht of de onderhoudsplichtige zich uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedraging die: - tot zodanige vermindering van zijn inkomen of - tot zodanige verhoging van zijn noodzakelijke uitgaven 4 16 november 2012

7


heeft geleid, dat hij de - gelet op zijn inkomen en de daarbij redelijke lasten – forfaitaire bijdrage niet kan voldoen. De vraag is dus of de onderhoudsplichtige van het lagere inkomen of de hogere lasten een verwijt kan worden gemaakt. 1

Bij lasten en schulden kan verwijtbaarheid bijvoorbeeld aan de orde zijn als : . deze onnodig zijn aangegaan; de mogelijkheid bestaat om zich van de last of schuld te bevrijden; de mogelijkheid bestaat om daarvoor een regeling te treffen. Herstelmogelijkheid: indien het tot de mogelijkheden van de onderhoudsplichtige behoort of heeft behoord om het inkomen opnieuw te verwerven of de lasten die uitgaan boven redelijke lasten te vermijden, dan wordt rekening gehouden met het redelijkerwijs te verdienen inkomen en de redelijke uitgaven die ten laste van dit inkomen komen. Er is dan geen grond voor afwijking van het stappenplan. 1. Wel verwijtbaar, geen herstelmogelijkheid: is sprake van verwijtbaar, maar niet voor herstel of aanpassing vatbaar inkomensverlies of uitgavenpatroon met zwaardere lasten, dan kunnen dit verlies of deze zwaardere lasten onder omstandigheden bij de bepaling van de draagkracht buiten beschouwing worden gelaten, zodat wordt uitgegaan van een fictief inkomen of lastenpatroon. Indien bij het berekenen van de draagkracht van een fictief inkomen of lastenpatroon is uitgegaan, dient te worden getoetst of de onderhoudsplichtige: . bij voldoening aan zijn onderhoudsplicht nog in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien 2

een totaal inkomen overhoudt van tenminste 90% van de bijstandsnorm ; Indien het resultaat onder genoemde punten dreigt, dan dient een onderzoek naar de feitelijke draagkracht van 3 de onderhoudsplichtige plaats te vinden . 2. Niet verwijtbaar, niet herstelbaar: mocht deze toetsing aanleiding zijn voor aanpassing van de draagkracht, dan kan daartoe het forfaitaire bedrag dat is voorzien voor de kosten van levensonderhoud, in tabel 2012 gesteld op € 800 en € 850, worden verhoogd. In dit verband kan worden bezien of van de onderhoudsplichtige mag worden verwacht dat hij in ieder geval zorg draagt dat hij een minimumbedrag in het levensonderhoud kan bijdragen. Opmerking t.a.v. rekenprogramma’s De NIBUD-tabellen voor de behoefte en de draagkrachttabel zullen worden gepubliceerd op de website van de werkgroep alimentatienormen. De bekende rekenprogramma’s die zijn gebaseerd op de bijlage bij het rapport alimentatienormen zijn te gebruiken voor de bepaling van het netto besteedbaar inkomen, voor zover het het deel van de berekening betreft dat het bruto inkomen tot het netto besteedbaar inkomen herleidt (boven de streep), Dubbele norm, rechtstreeks ontleend aan HR 23 januari 1998, NJ 1998, 707

2 Let op: indien de beslissing ingrijpende gevolgen heeft, geldt voor de rechter een verzwaarde motiveringsplicht

3

5 16 november 2012

8


mits de eigen woning buiten beschouwing wordt gelaten. Diverse rekenprogramma’s zullen worden aangepast door het kindgebonden budget, de zorgkorting en de draagkrachttabel in de programma’s te verwerken. 6 16 november 2012 7

9


4

DKL = draagkrachtloos inkomen: 0,3 x NBI + 800 of 850, een geslaagd beroep op de aanvaardbaarheidstoets kan de post eigen levensonderhoud van 800 of 850 verhogen 5

afgerond, te verhogen met het fiscaal voordeel voor de persoonsgebonden aftrek levensonderhoud kinderen als daar recht op bestaat

Tabel (2012) draagkracht: . NBI tot € 1.250: minimumbijdragen NBI van € 1.250: 100% [NBI – (0,3 x NBI + 800)]* NBI van € 1.300: 90% [NBI – (0,3 x NBI + 800)]* NBI van € 1.350: 80% [NBI – (0,3 x NBI + 800)]* NBI van € 1.400 tot € 1.500: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 800)]* NBI van € 1.500 70% [NBI – (0,3 x NBI + 850)] 4

5

Netto besteedbaar inkomen DKL draagkracht tot 1.250 per maand (1.150) 25/1 50/2 of meer 1.250 tot 1.300 (1.163) 75 1.300 tot 1.350 (1.175) 100 1.350 tot 1.400 (1.255) 115 1.400 tot 1.450 (1.270) 125 1.450 tot 1.500 (1.285) 125 1.500 tot 1.550 (1.300) 140 1.550 en 1.600 (1.315) 165 1.600 en 1.650 (1.330) 190 1.650 en 1.700 (1.345) 215 1.700 en 1.750 (1.360) 240 1.750 en 1.800 (1.375) 260 1.800 en 1.850 (1.390) 285 1.850 en 1.900 (1.405) 310 1.900 en 1.950 (1.420) 335 1.950 en 2.000 (1.435) 360 2.000 en 2.050 (1.450) 385 2.050 en 2.100 (1.465) 410 2.100 en 2.150 (1.480) 435 2.150 en 2.200 (1.495) 460 2.200 en 2.250 (1.510) 485 2.250 en 2.300 (1.525) 505 2.300 en 2.350 (1.540) 530 2.350 en 2.400 (1.555) 555 2.400 en 2.450 (1.570) 580 2.450 en 2.500 (1.585) 605 2.500 en 2.550 (1.600) 630 2.550 en 2.600 (1.615) 655 2.600 en 2.650 (1.630) 680 2.650 en 2.700 (1.645) 705 2.700 en 2.750 (1.660) 730 2.750 en 2.800 (1.675) 750, etcetera

10


Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012 

NOTA BENE Deze toelichting is op een aantal punten verouderd. Het voorstel met datum 16 november 2012 is aangepast ten aanzien van: - de zorgkorting: ruimte voor afwijking - de uitgangspunten draagkrachttabel - de handhaving fiscaal voordeel persoonsgebonden aftrek kinderalimentatie

1    11


Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012 

Toelichting op het voorstelvoor de richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co-ouderschap De toelichting bestaat uit de volgende onderdelen: 1. Inventarisatie knelpunten huidige stelsel 2. Wensen ten aanzien van een toekomstig stelsel 3. Uitkomst van het overleg naar aanleiding van de discussienota 4. Behoefte (eigen aandeel in de kosten) van kinderen 5. Gerechtigde tot alimentatie, zorg en co-ouderschap 6. Kosten van zorg/omgang 7. Wijze van berekening van de draagkracht 8. Passieve samenloop 9. (Kosten van) schulden en de aanvaardbaarheidstoets 10. Wijzigingen 11. Vermoedelijke uitwerking van het voorstel 12. Overgangsregime

2    12


Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012 

Voorwoord Hierbij vindt u de definitieve versie van het voorstel voor de richtlijn van de kopgroep van de werkgroep alimentatienormen. De kopgroep staat unaniem achter dit voorstel en beveelt de werkgroep aan om op korte termijn stappen te zetten tot wijziging van de manier van berekenen van kinderalimentatie. De kopgroep realiseert zich dat ook aan het voorliggende voorstel voor een richtlijn, zoals aan ieder plan dat middels een modelmatige benadering de werkelijkheid in regels probeert te vatten, haken en ogen zitten. Desondanks verkiest de kopgroep voor de praktijk van de rechter de voorliggende benadering boven de huidige benadering en andere benaderingen die de laatste tijd als alternatief zijn gepubliceerd. Dit heeft te maken met de wens tot vereenvoudiging, behoud van de band met de realiteit, voorspelbaarheid en de omstandigheid dat de rechter per definitie begint in een situatie waarin één of meer verschillen van mening bestaan en een minnelijk oplossing tot dat moment kennelijk niet tot de mogelijkheden heeft behoord. Of en hoe de voorgestelde richtlijn buiten een procedure kan worden ingezet, is aan de rechtspraktijk. Bij de redactie van het voorstel is daar wel zo veel mogelijk rekening mee gehouden.

3    13


Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012 

1.

Inventarisatie knelpunten huidige stelsel

Als knelpunten van het huidige stelsel, zoals beschreven in de richtlijn,worden beschouwd: - kinderalimentatie is te veel sluitstuk, omdat de individueel gemaakte keuzes in lastenpatroon bepalend zijn en blijven voor de omvang van de onderhoudsplicht jegens kinderen - (te) veel potentiële geschilpunten, waaronder lasten - toename samengestelde gezinnen, co- en stiefouderschap leidt tot toenemende complexiteit van de berekeningen, waardoorverschillen in behandeling kunnen ontstaan - het gebrek aan draagkracht wordtniet verdeeld, waardoor de armoede mogelijk eenzijdig wordt afgewenteld op de verzorgende ouder - ontbreken van minimum bijdrageverplichting - door forfaitaire bedragen en fictiesaan de lastenkant, wordt de pretentie van maatwerk niet altijd waargemaakt - begrip en inzicht justitiabelen in het systeem is beperkt, wat mogelijk het draagvlak aantast. 2.

Wensen ten aanzien van een toekomstig stelsel

De volgende wensen voor een nieuw stelsel/richtlijn worden onderschreven: - duidelijkheid en voorspelbaarheid, door objectieve maatstaven - eenvoud, onder meer door reductie van het aantal geschilpunten - rechtvaardigheid - conflictbestendigheid - minimumbijdrageverplichting - prioriteit kinderalimentatie - behoud open norm, waardoor kan worden ingespeeld op maatschappelijke ontwikkelingen - toe te passen op alle soorten van inkomen en vermogen - aansluiting op de diversiteit van de praktijk, inclusief de passieve samenloopgevallen (2 of meer onderhoudsplichtigen), zoals eenoudergezinnen, samengestelde gezinnen en co-ouderschap - het betrekken van de draagkracht van beide ouders in de beoordeling 3.

Uitkomstvan het overleg naar aanleiding van de discussienota

De input van de gerechten en de daaropvolgende overleggen, hebben geleid tot het schrappen, wijzigen en verduidelijken van de discussienota en voorstellen. Aan de orde kwamen: 1. De gepubliceerde voorzetten voor wijziging van het stelsel van kinderalimentatie zijn geen grond de enige jaren geleden ingezette koers op vereenvoudiging en wijziging van de tremanormen te staken. 2. De mogelijkheid tot het opleggen van een minimumbijdrage wordt nader onderzocht. 3. Unaniem wordt een stelsel voorgestaan waarbij de draagkracht in de eerste plaats wordt gekoppeld aan het netto besteedbaar inkomen van iedere partij. Dit netto besteedbaar inkomen dient te worden afgeleid uit de gerealiseerde inkomsten en het aanwezige vermogen. 4. Draagkracht is het vermogen om uit de middelen waarover de onderhoudsplichtige vermag te beschikken iets af te staan ten behoeve van de tot onderhoud gerechtigde 1 . Gelet op de terughoudende                                                              1

zie HR 25 mei 1962, NJ 1962, 266 

4    14


Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012 

toetsing van het begrip draagkracht door de Hoge Raad, komt de rechterlijke macht een zekere ruimte voor de invulling van het begrip toe. 5. Ficties kunnen tot op zekere hoogte een rol spelen bij het invullen van debehoefte en draagkracht. Ook nu wordt regelmatig geabstraheerd van de feitelijke inkomsten en lasten, bijvoorbeeld: 1. Het gebruik van de bijstandsnorm, met daarin voorzien een vaste component voor woonlasten en premie ziektekosten; 2. De forfaitaire benadering van de omgangskosten; 3. Invulling van de potentiële draagkracht in geval van herstelbaar inkomensverlies, waarbij een draagkrachtvermindering buiten beschouwing wordt gelaten 2 ; 4. Gebruik van ficties in geval van verwijtbaar 3 onherstelbaar inkomensverlies, waarbij de consequenties worden bepaald per geval; 5. Invulling van de potentiële draagkracht in geval van lasten en schulden die onnodig zijn aangegaan of voortbestaan, waarbij de schulden geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing worden gelaten. 6. Gelet op de noodzaak bij het voorstel voor een nieuwe richtlijn de op dit moment door wet en jurisprudentie getrokken grenzen te eerbiedigen, dienen de hiervoor onder 5.3., 5.4.en 5.5. genoemde wijzen van benadering van draagkracht in het nieuwe stelsel behouden te blijven. Een verdergaande forfaitaire benadering van de draagkracht, door niet alleen de bijstandsnorm als standaard te nemen, maar ook de componenten voor wonen en zorg te standaardiseren,wordt met de jurisprudentie verenigbaar geacht, mits op enigerlei wijze bepaalde noodzakelijke lasten, schulden en zorgkosten in de beschouwing kunnen worden betrokken. De kanttekeningen en suggesties van de gerechten hebben geleid tot diverse aanpassingen (drie verschillende rondes) van het voorstel sinds februari 2012. Onderstaand volgt een toelichting op het conceptvoorstel voor de vergadering van 16 november 2012. 4.

Behoefte (eigen aandeel in de kosten) van kinderen

De behoefte van de kinderen (het eigen aandeel in de kosten) wordt bepaald aan de hand van het netto gezinsinkomen (incl. de eventuele inkomsten uit vermogen en de eventuele heffingskortingen) en de huidige tabellen van het NIBUD. Vervolgens dient het kindgebonden budget (hierna ook: kgb) waarop de onderhoudsgerechtigde recht heeft ten tijde van het vaststellen van de bijdrage op het eigen aandeel in mindering te worden gebracht. De kinderbijslag, ook een overheidsbijdrage, is als volgt in de NIBUD-tabellen verwerkt: bij de vaststelling van de bedragen in de tabellen is eerst het netto gezinsinkomen verhoogd met de kinderbijslag. Vervolgens wordt op basis van dat bedrag aan de hand van de percentages uit het rapport van de kosten van kinderen de totale behoefte van het kind of de kinderen in                                                              2

HR 23 november 2001, NJ 2002, 280: draagkracht omvat ook inkomen dat hij geacht kan worden zich in de naaste toekomst te kunnen verwerven, mits (HR NJ 1979, 429) de onderhoudsgerechtigde dit ook van hem kan vergen. NB is geen toepassing van de ficties, dus de 90% norm is daar niet van toepassing  3 zie HR 23 januari 1998, NJ 1998, 707: een onderhoudsplichtige dient, uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde en met het oog op diens belangen, zich te onthouden van gedragingen die zijn draagkracht zodanig aantasten, dat onvoldoende draagkracht resteert om aan zijn onderhoudsverplichting te voldoen. De criteria inzake de ficties komen verder terug bij de aanvaardbaarheidstoets.  

5    15


Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012 

gezinsverband vastgesteld. Op dit bedrag is de kinderbijslag weer in mindering gebracht, zodat het eigen aandeel van de ouders in de kosten van kinderen resteert. In de tabellen is het kgb niet verwerkt, wat mede tot gevolg heeft dat de behoefte op dit moment regelmatig als te hoog wordt ervaren. Het kgb kan vanwege de invloed van het inkomen en de gezinssamenstelling niet op vergelijkbare wijze in de tabellen worden verwerkt, maar het gevonden tabelbedrag kan wel worden gecorrigeerd door dit met het kgb te verminderen. Het voorstel gaat – anders dan nu - uit van aanpassing van het eigen aandeel met het eventueel ontvangen kgb. Dit dient ter bepaling van de behoefte eerst bij het gezinsinkomen te worden opgeteld, voor zover er recht op bestond, en vervolgens op het aan de hand van de NIBUD-tabellen gevonden eigen aandeel in mindering te worden gebracht. De kinderbijslag blijft verwerkt in de NIBUD-tabellen en hoeft niet apart in aanmerking te worden genomen. Door de kinderbijslag en het kgb beide als inkomenscomponent ten behoeve van de kinderen te beschouwen en deze vervolgens in mindering te brengen op het eigen aandeel, wordt recht gedaan aan het doel waarvoor deze overheidsbijdragen dienen, namelijk als tegemoetkoming in de kosten van een kind. De wijziging in de verwerking van het kgb zal leiden tot een lager eigen aandeel in de kosten van kinderen in die gevallen dat recht bestaat op het kindgebonden budget. 5.

Gerechtigde tot alimentatie, zorg en co-ouderschap

Indien de ouders een conflict hebben over de verdeling van de kosten, dient een eenduidige en eenvoudige maatstaf uitkomst te bieden. Uitgangspunt is dat het kind wordt geacht hoofdverblijf te hebben bij degene bij wie het kind is ingeschreven, welke verzorger dan mede wordt gezien als de gerechtigde tot kinderalimentatie, ongeacht of van co-ouderschap 4 sprake is. Voor de rechter spelen de inkomsten van de ouders en de inkomensverhouding een grote rol, waarbij de verzorgende ouder waar het kind is ingeschreven wordt geacht de gebruikelijke uitgaven, niet zijnde kosten ten behoeve van het verblijf bij de andere ouder, te voldoen. De kosten van het verblijf bij en de zorg van de andere ouder worden forfaitair verwerkt door middel van een korting (ook: de zorgkorting) van in beginsel 15% van het eigen aandeel kosten kinderen, na vermindering met het kindgebonden budget. Aldus wordt rekening gehouden met de plicht en het recht van de ouder op omgang en de besparing die het verblijf bij de andere ouder in natura voor de                                                              4

In sommige publicaties wordt gesteld dat in 20% van de scheidingen sprake is van co-ouderschap, onder verwijzing naar de cijfers van het CBS. Dit betreft de jeugdmonitor van het CBS: in 2009 waren ca. 30.000 minderjarige kinderen bij een scheiding betrokken. In 2010 is dit gestegen tot circa 32.000. Citaat (2009): “Na de scheiding ging 62 procent van de kinderen bij hun moeder wonen. Slechts een klein deel, 5 procent, woonde bij hun vader. Voor de overige kinderen deelden de ouders de zorg. Bijvoorbeeld door middel van co-ouderschap, waarbij beide ouders de helft van de zorg- en opvoedingstaken op zich nemen. Maar ook kan het zijn dat een of meer kinderen bij de moeder wonen en het andere kind of kinderen bij de vader. Hierbij gaat het overigens om situatie zoals die is vastgelegd in de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank. In de praktijk of na verloop van tijd kan het zijn dat ouders onderling andere afspraken hebben gemaakt.” De cijfers betreffen een steekproef van in de rechtbankbeschikking beschreven situaties en onduidelijk is wat wordt bedoeld met co-ouderschap. In veel gevallen vindt bovendien de zorgregeling niet zijn weerslag in de beschikking of wordt deze weer gewijzigd. Het is dus onduidelijk welke conclusie aan deze cijfers kan en mag worden verbonden. Voor de stelling dat in 20% van de gevallen sprake is van co-ouderschap lijkt een fundament te ontbreken.

6    16


Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012 

verzorgende ouder oplevert. Voor een toelichting op het percentage en de systematiek, zie paragraaf 6. Naarmate een ruimere zorgregeling van toepassing is, kan in individuele gevallen worden aangesloten bij die ruimere zorg, door toepassing van andere percentages, van 25% of 35%, zie hierna in deze paragraaf. De zorgkorting kan op twee manieren in de berekening worden verwerkt. De korting kan het eigen aandeel verminderen, waarna dit naar rato van de inkomensverhouding wordt omgeslagen. Een andere mogelijkheid is dat de korting de bijdrage, na omslag van het eigen aandeel, vermindert. De eerste methode wordt toegepast op het moment dat de gezamenlijke draagkracht onvoldoende is om in het eigen aandeel, verminderd met het kgb te voorzien. De tweede methode als de gezamenlijke draagkracht dit eigen aandeel overstijgt. Doordat de zorgdeling de behoefte aan een bijdrage beperkt, en deze, in gevallen waarin de onderhoudsplichtige gezamenlijk onvoldoende draagkracht hebben om in de behoefte te voorzien, niet van invloed is op de draagkracht, kan sneller een zo volledig mogelijke bijdrage van de nietverzorgende ouder in de resterende behoefte aan een bijdrage van de verzorgende ouder worden bereikt (verdeling van de armoede). De grens blijft echter de draagkracht. Indien de draagkracht van beide ouders hoger is dan het eigen aandeel, verminderd met het kindgebonden budget, dient de zorgkorting niet in mindering te worden gebracht op het eigen aandeel, maar op de bijdrage van de ouder die wordt aangesproken tot betaling. In dat geval profiteert de ouder volledig van de korting. Mediation leent zich meer dan de procedure voor de rechter voor het rekenen met meer verfijnde methoden voor de verdeling van kosten tussen de ouders 5 . Bij mediation staat immers de bereidheid om tot afspraken te komen en de contractsvrijheid van partijen voorop, terwijl in een procedure voor de rechter die bereidheid kennelijk ontbreekt, waardoor dient te worden teruggevallen op een eenduidig en meer uniform systeem. Voor co-ouders (of ouders met een ruime zorgregeling) zal geen aparte of dwingende regeling worden ingevoerd. De redenen dat daarvan is afgezien zijn: - Niet duidelijk is wanneer sprake is van co-ouderschap. Is dat afhankelijk van de naam die ouders geven aan de zorgregeling (om wat voor reden dan ook), of alleen wanneer de zorg feitelijk gelijkelijk wordt verdeeld, of eventueel 45% om 55%? Dit werkt onwenselijke verschillen van mening over toepasselijkheid van co-ouderschapsregelingen in de hand. - De verschijningsvormen zijn verschillend, door de per situatie verschillende afspraken over de inschrijving van de kinderen en de verdeling van de vaste kosten - Verschillen in maatstaven doen afbreuk aan de conflictbestendigheid van de systematiek. Indien de maatstaf afhankelijk wordt van de invulling van de zorg, kan dit leiden tot de situatie dat de zorgregeling zelf inzet worden van het geschil. Daarmee is noch het kind, noch de onderhoudsgerechtigde, noch de onderhoudsplichtige gebaat. - Een aparte behandeling van co-ouders kan leiden tot ongelijke behandeling van vrijwel gelijke gevallen, bijvoorbeeld wanneer een ruime zorgregeling in plaats van “co-ouderschap” (bijv. 40% om 60%) is overeengekomen.

                                                             5

Zoals bijvoorbeeld over het gebruik van kindrekeningen, afrekening aan het einde van een jaar en over bijzondere kosten.  

7    17


Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012 

- Het incorporeren van een aparte verfijnde methode in plaats van een eenvoudige maatstaf in een voor de rechter gevoerde procedure betekent - vanwege de tijd die met het maken van het onderscheid en de afzonderlijke toepassing is gemoeid - een onevenredig beslag op de algemene middelen. Het gaat bovendien ten koste van de grotere hoeveelheid zaken (en partijen) waarbij die problematiek niet speelt. - Iedere wijziging in de goedbedoeld begonnen “co-ouderschapsregeling” leidt tot een wijziging in de bijdrage, waardoor het aantal wijzigingsprocedures mogelijk wordt vergroot. Mocht nu geen geschil bestaan over de aanwezigheid van een ruimere zorgregeling dan een standaardweekendregeling, dan kan de rechterin individuele gevallen de zorgkorting verhogen tot 25% of 35%. Daarbij dient in het oog te worden gehouden dat een verdeling van de zorg niet automatisch een verdeling van de kosten inhoudt. Lopen de verdeling van de zorg en kosten parallel, dan kan - met name indien de draagkracht van partijen gezamenlijk voldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien – het eigen aandeel kosten kinderen eerst naar rato van het inkomen worden verdeeld, om daarna op de te betalen bijdrage een korting van maximaal 50% toe te passen, zie ook paragraaf 6. In dit verband blijft overigens van belang dat partijen, die nog steeds de omvang van het geschil bepalen, te allen tijde de mogelijkheid hebben om de rechter te verzoeken met feitelijk betaalde kosten rekening te houden. Indien geen geschil bestaat over de behoefte, sluit de rechter zich bovendien in de regel bij de door partijen gepresenteerde behoefte aan. 6.

Kosten van zorg/omgang

Verwerking in de behoefte/bijdrage Het verwerken van de zorgkosten in de vorm van een percentage van het eigen aandeel raakt aan de kern van het voorstel. Het maakt de zorgkosten welstandsafhankelijk en draagt bij aan conflictbestendigheid. Mede vanuit de gedachte dat de andere ouder door zijn zorg een deel van de behoefte van het kind invult, wordt rekening gehouden met een korting van 15% van de behoefte van het kind in verband met de zorgdeling. Deze korting dient alleen achterwege te blijven als tussen kind en onderhoudsplichtige geen omgang is én de onderhoudsplichtige van wie een bijdrage wordt gevraagd: - is ontheven of ontzet van het ouderlijk gezag, en - de omgang vanwege kennelijke ongeschiktheid is ontzegd 6 . In dat geval is - vanwege in de persoon van de onderhoudsplichtige gelegen factoren - geen sprake meer van recht op en een verplichting tot omgang, zodat voor de fictie dat zorgdeling plaatsvindt geen grond bestaat. Door uit te gaan van een vast percentage van tenminste 15% van de behoefte, wordt aangesloten op de volgende uitgangspunten: (i) de systematiek biedt zoveel mogelijk een objectieve maatstaf (ii) toepasbaar op alle soorten inkomen en vermogen, doordat zorgkosten meer afhankelijk worden gemaakt van de welstand (iii) eenvoud: de ouder waar het kind is ingeschreven neemt in de regel feitelijk de meeste kosten voor zijn rekening                                                              6

Art. 1:269 en 1:377a lid 3 onder b BW 

8    18


Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012 

(iv) door de feitelijke omgangskosten in een later stadium mee te wegen wordt een rechtvaardiger verdeling van de kosten tussen de verzorgers bereikt (v) zorg is een recht en een plicht en het ontbreken van een zorgregeling – in geval de behoefte niet wordt vervuld – dient niet te worden beloond of bestraft (conflictbestendigheid) (vi) het is wenselijk om te voorkomen dat kleine wijzigingen, in bijvoorbeeld de feitelijke zorgverdeling, direct aanleiding zijn voor wijziging van de bijdrage (conflictbestendigheid) Ter toelichting: 1. objectieve maatstaf, welstandsafhankelijk en toepasselijkheid op alle inkomens Met de verwerking van een zorgpercentage van de behoefte wordt voor de omvang van de zorgkosten middels een objectieve maatstaf aangesloten bij de welstand van het gezin waarin het kind gewend was te leven. Dit sluit aan bij de praktijk dat hogere inkomens meer kunnen en zullen uitgeven aan een kind dan lagere inkomens hetgeen het verband met de realiteit vergroot. Het leidt bovendien tot een meer gelijke behandeling, omdat ongelijke gevallen niet meer gelijk worden behandeld. Met een “welstandsafhankelijke” bijdrage, wel forfaitair verdisconteerd, wordt meer aangesloten bij de realiteit en wellicht een deel van de wrevel over de € 5 per dag weggenomen. Op dit moment is niet voorzien in verschil in behandeling tussen de verschillende inkomens, want de richtlijn beveelt aan - ongeacht het inkomen - een bedrag van € 5 per dag in aanmerking te nemen. De huidige richtlijn van € 5 per dag is gebaseerd op een fictie, die bij nietverzorgende ouders onbegrip veroorzaakt. Ingevolge de huidige richtlijn zou in het uiterste geval een niet verzorgende ouder met een laag inkomen en vier kinderen mogelijk een bedrag van circa 51% van de behoefte van de kinderen aan hen besteden, tegenover de financieel iets ruimer zittende ouder een bedrag van mogelijk maar 6% van de behoefte. Zie ter illustratie hierna een overzicht van de kosten van een standaardregeling, uitgedrukt in een percentage van de minimale en maximale behoefte van 1 tot en met 4 kinderen. Met standaardregeling wordt dan bedoeld één weekend per twee weken en drie weken vakantie 7 . In het huidige systeem bedragen de kosten daarvoor € 28 per maand. In onderstaande tabel wordt dit forfaitaire bedrag van € 28 uitgedrukt als een percentage van de behoefte van het kind of de kinderen. Aantal kinderen

0 pt – minimum (€ 1.250)

max pt – min. (€ 1.250)

0 pt – maximum (€ 5.000)

max pt – max. (€ 5.000)

Één kind Twee kinderen Drie kinderen Vier kinderen

22% 33% 43% 51%

4% 5% 6% 7%

18% 24% 29% 32%

4% 5% 6% 6%

Het effect van het huidige systeem is: ‐ dat bij de lagere inkomens een fors deel van de draagkracht wordt opgesoupeerd door omgangskosten                                                              7

met het fictieve bedrag van € 5 per dag, bedragen de kosten op dit moment [52 : 2 (weken omgang per jaar) x 2 (dagen) x 5 (bedrag per dag)] + € 75 (3 weken vakantie) : 12 (aantal maanden per jaar) = € 28 per maand 

9    19


Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012 

dat naarmate meer kinderen tot het gezin behoren het beslag van de omgangskosten op de draagkracht groter wordt. Voor de niet-verzorgende ouder met een relatief laag inkomen, meerdere kinderen en geringe draagkracht, pakt de omgangskostenfictie aldus (mogelijk zelfs buitengewoon) gunstig uit – namelijk sterk draagkrachtverlagend. Voor de niet verzorgende ouders met een hoger inkomen, minder kinderen en meer draagkracht is het effect juist ongunstig. Het kan er toe leiden dat in het ene geval als gevolg van omgangskosten in het geheel geen bijdrage kan worden opgelegd, terwijl in het andere geval niet verzorgende ouders het systeem als oneerlijk ervaren omdat zij een veel groter deel van hun inkomen dan het € 5 per dag aan hun kind besteden. Het huidige systeem is niet inkomensneutraal, maar leidt aldus tot een gelijke behandeling van ongelijke gevallen, wat per saldo resulteert in ongelijke behandeling. 2. forfaitaire benadering van de kosten van de zorgverdeling en conflictbestendigheid Het voorstel gaat in beginsel uit van een standaardzorgregeling, waardoor de zorg geen onderdeel meer hoeft uit te maken van de variabelen bij het bepalen van de daagkracht. Dit draagt bij aan de conflictbestendigheid van het stelsel. In combinatie met de vaste bijdrage, gaat van het huidige systeem een stimulans, en naarmate meer kinderen tot het gezin behoren, een forse prikkel uit om te voorkomen dat (al dan niet tijdelijk) omgangskosten in aanmerking worden genomen dan wel om hoge kosten op te voeren. Dit kan een druk leggen op de omgangsregeling. Het voorstel komt aan dit bezwaar tegemoet door de forfaitaire benadering van de zorgcomponent. Het uitgaan van de recht en plicht tot omgang, ook als de feitelijke verdeling van zorg niet aanwezig is of moeizaam verloopt, in gevallen waarin de zorg of de bijdrage in geschil is, is gerechtvaardigd om de volgende redenen: ‐ In conflictsituaties dient van de vaststelling van de bijdrage van de zorgverdeling zo min mogelijk een financiële prikkel uit te gaan ‐ In conflictsituaties dient vermenging van zorg en bijdrage te worden vermeden, zodat geen onderlinge afhankelijkheid bestaat van de uitkomst van de procedures ‐ Zorg is een recht en een plicht en het ontbreken van een zorgregeling – in geval de behoefte niet wordt vervuld – dient niet te worden beloond of bestraft ‐ Met het oog op het beperken van het aantal wijzigingsprocedures voorkomt een forfaitaire benadering dat ondergeschikte wijzigingen in de feitelijke zorg aanleiding zijn voor wijziging van de bijdrage. 3. objectieve maatstaf van 15% Voor de verwerking van de zorg wordt gebruik gemaakt van een percentage van het eigen aandeel kosten van kinderen. Bij het vaststellen van het percentage is gekeken naar: ‐ het percentage in tijd dat de niet-verzorgende ouder met een standaardregeling van 1 weekend per twee weken en drie weken vakantie doorbrengt, dat wil zeggen 67 van de 365 dagen, is circa 18% en

10    20


Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012 

‐ het percentage van de behoefte dat de niet verzorgende ouder uit het modale gezin met twee kinderen 8 met de hiervoor genoemde standaardregeling op dit moment per kind wordt geacht te besteden aan omgang. 1 kind: kosten € 28 per maand. Bezien van uit een modaal inkomen van ca € 2.000 per maand, komt het huidige forfaitaire bedrag overeen met circa 11% van de behoefte. 2 kinderen: kosten € 28 x 2 = € 56 per maand. Bezien van uit een modaal gezinsinkomen van ca. € 2.000 per maand, komt het huidige forfaitaire bedrag overeen met circa 15% van de behoefte. 3 kinderen: kosten van € 28 x 3 = € 84 per maand. Bezien van uit een modaal inkomen van ca € 2.000 per maand, komt het huidige forfaitaire bedrag overeen met circa 19% van de behoefte. 4 kinderen: kosten van € 112 per maand. Bezien van uit een modaal inkomen van ca € 2.000 per maand, komt het huidige forfaitaire bedrag overeen met circa 22% van de behoefte. Indien de zorgregeling niet is vastgesteld, vastgelegd of is overeengekomen en deze onderwerp van geschil is tussen partijen, dan zal in ieder geval het kortingspercentage van 15% worden verwerkt. Ruimte voor afwijking al naar gelang van de omstandigheden van het geval Partijen en de rechter kunnen, indien een ruimere zorgregeling van kracht is, een kortingspercentage toepassen dat meer aansluit bij het feitelijk verblijf bij de andere ouder. Ook in dat geval blijft het uitgangspunt dat andere kosten dan de kosten die samenhangen met het verblijf bij de andere ouder, in beginsel door de ouder worden voldaan waar het kind is ingeschreven. De korting in geval van een verblijf van gemiddeld twee dagen per week bij de andere ouder bedraagt 25% van de behoefte in plaats van 15% en in geval van drie dagen per week 35% van de behoefte in plaats van 15%. Vanwege de vaste kosten die door de andere ouder worden gedragen, is afgezien van een strikt lineair verband. In geval van co-ouderschap hangt het van de door partijen gekozen vormgeving af (inschrijving en kostenverdeling) of en welke korting kan worden toegepast. Het is aan partijen om aan te geven dat de behoefte tot het door hen vastgestelde bedrag niet in geschil is. Indien de kostenverdeling parallel loopt met de zorgregeling (50/50) bestaat - met name indien de draagkracht van partijen gezamenlijk voldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien geen grond voor de korting vooraf. In dat geval kan er voor worden gekozen om de behoefte eerst naar rato van het inkomen te verdelen en pas daarna (achteraf) op de te betalen bijdrage een korting van 50% toe te passen. Het verdelen van de zorg over twee huishoudens in plaats van één huishouden, zoals voor de scheiding, zal in de regel leiden tot extra kosten, ongeacht de intensiteit van de zorgregeling. Met deze extra kosten wordt in het huidige stelsel en in het voorstel geen rekening gehouden. Dat vloeit voort uit de keuze voor een systematiek die aansluit bij de kosten van kinderen in de gezinssituatie voor scheiding, zoals beschreven in het rapport kosten kinderen en gehanteerd in de NIBUD-tabellen. Op gelijke wijze wordt evenmin rekening gehouden met een eventueel lagere behoefte van een kind dat gaat samenleven in een gezinsverband met een ander aantal kinderen dan voorheen.

                                                             8

In 2011 € 32.500, in 2012 geschat op circa € 33.000 op jaarbasis, circa € 2.000 per maand. 

11    21


Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012 

4. rechtvaardiger verdeling door verwerking in de behoefte Beide ouders, c.q. alle onderhoudsplichtigen, dienen als alleenstaande in de draagkrachtvergelijking te worden betrokken. Indien nu bij de ouder waar het kind niet is ingeschreven een component voor de zorg in de berekening van de draagkracht wordt meegenomen, beperkt dat zijn draagkracht. Dat leidt ertoe dat, in die gevallen waarin niet in het eigen aandeel, verminderd met het kgb, kan worden voorzien, een groter deel daarvan op de niet verzorgende ouder wordt afgewenteld. In de gevallen waarin een tekort in gezamenlijke draagkracht bestaat, kan het nadeel van het ten volle in aanmerking nemen van zorgkosten worden voorkomen door in die gevallen de zorgkosten (deels) in mindering te brengen op de behoefte van het kind en vervolgens over te gaan tot omslag daarvan over de onderhoudsplichtigen. Met andere woorden: indien de ouders gezamenlijk onvoldoende draagkracht hebben om in de behoefte van het kind te voorzien, is de omvang van de gezamenlijke draagkracht en de draagkrachtverhouding bepalend voor de mate waarin de ouder waar het kind geen hoofdverblijf heeft de korting daadwerkelijk tegemoet kan zien. Het tekort wordt over de onderhoudsplichtigen omgeslagen, op zo’n wijze dat het de effectieve zorgkorting vermindert. De voordelen (welstandsafhankelijkheid, eenvoud en omslag van de armoede) rechtvaardigen het nadeel van het deels niet kunnen realiseren van de zorgkorting.Deze systematiek verzacht ook in hoge mate de consequenties van de keuze in het stelsel dat de verzorgende ouder wordt geacht de meeste kosten voor zijn rekening te nemen. Is de gezamenlijke draagkracht voldoende om in het eigen aandeel van de kosten (na vermindering met het kgb) te voorzien, dan wordt de zorgkorting pas achteraf toegepast, na verdeling van de kosten over de ouders. De korting vermindert dan ten volle de bijdrage van de niet-verzorgende ouder. Het hiervoor gesignaleerde effect doet zich dan niet voor. Aan de verhaalbaarheid van de bijdrage raakt deze systematiek niet, omdat de feitelijke zorgkosten niet van invloed zijn op de beslagvrije voet. 7.

Wijze van berekenen van de draagkracht

Netto besteedbaar inkomen Het netto inkomen is het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde premies en belastingen. Voor alimentatiedoeleinden is ook het redelijkerwijs te verdienen inkomen (herstelbaar inkomensverlies) van belang. In geval van verwijtbaar inkomensverlies, kan worden uitgegaan van een fictief inkomen. Indien de onderhoudsplichtigen onvoldoende gegevens overleggen, kan worden aangesloten bij de verdiencapaciteit. Om verwarring met het netto inkomen te voorkomen, zal voor alimentatiedoeleinden de term netto besteedbaar inkomen worden gebruikt. Bij de vaststelling van het netto besteedbaar inkomen zijn de volgende aanpassingen op het netto inkomen van belang: 1. de inkomensafhankelijke bijdrage ziektekosten wordt in mindering gebracht op het netto inkomen 2. inkomsten uit vermogen worden alleen in aanmerking genomen als deze na aftrek van de daarop drukkende lasten (inclusief de daarover verschuldigde belasting) positief zijn; indien vermogen feitelijk niet rendeert, kan een fictief rendement in aanmerking worden genomen 12    22


Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012 

3. buiten beschouwing blijven: ‐ fiscale voordelen in verband met de aanwezigheid van een eigen woning ‐ de bijtelling in verband met de auto van de zaak. Om het netto besteedbaar inkomen met gebruik van de huidige rekenprogramma’s te berekenen, hoeft in het gedeelte boven de streep alleen de eigen woning te worden geëcarteerd, om te voorkomen dataldus een keuze in besteding van het inkomen in de beschouwing wordt betrokken.Voor het overige worden bij juiste invulling de aanpassingen automatisch doorgevoerd en is geen wijziging voorzien (boven de streep). Wel kan naast het rekenmodel dat nu wordt gehanteerd een rekenwijzer voor de eenvoudige gevallen worden geïntroduceerd, op basis van dezelfde uitgangspunten, à la de rekenmodellen op de site van de belastingdienst. Daartoe kan ook een beslisboom op basis van het stappenplan worden gemaakt en een aangepast programma worden ingevoerd. Dit kan tijdswinst opleveren. Ter verduidelijking: ‐ Bij het beoordelen van de draagkracht wordt zoveel mogelijk uitgegaan van recente gegevens. Voor degenen met een dienstbetrekking betekent dit - zoals gebruikelijk - jaaropgaven en loonstroken. Voor uitkeringsgerechtigden: jaaropgaven en specificaties. Voor zzp’er en dga’s (met een “eigen vennootschap”) gaan we uit van de beschikbare (concept) jaarstukken inclusief kasstroomoverzichten en prognoses, tezamen beschouwd. Van ieder dienen belastingaangiften en –aanslagen te worden aangeleverd. ‐ De zzp’er, ondernemer en de dga worden op het gebied van inkomensvoorzieningen in verband met arbeidsongeschiktheid en pensioen, zo veel mogelijk gelijk behandeld als werknemers. Dat wil zeggen dat voor deze groep de reële lasten (incl. premies), mits redelijk, ten behoeve van deze inkomensvoorzieningen bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen in aanmerking worden genomen. De inkomensafhankelijke bijdrage vermindert het netto besteedbaar inkomen. ‐ Van het aanwezige vermogen dient een overzicht te worden verstrekt. Vermogen kan geen kostenpost opleveren, hoogstens rendement. ‐ Een bijstandsuitkering wordt niet als inkomen in aanmerking genomen. Zou een bijstandsuitkering wel in aanmerking worden genomen, dan kan dit tot een lagere bijdrage leiden, waardoor een deel van de kosten van het kind wordt afgewenteld op de collectiviteit, in plaats van op de verantwoordelijke ouder. Dit past niet bij het aanvullende karakter van de collectieve middelen, die pas in beeld dienen te komen als een bijdrage in het levensonderhoud niet van verwanten kan worden verkregen. ‐ Het kindgebonden budget geldt niet als inkomen voor het bepalen van de draagkracht. Bij het bepalen van de behoefte dient het ten tijde van de samenleving per maand ontvangen bedrag aan kindgebonden budget wel bij het netto gezinsinkomen te worden opgeteld. ‐ Fiscaal voordeel in verband met het betalen van een kinderbijdrage blijft buiten beschouwing, dit vanwege (on)mogelijkheid het voordeel in voorkomende gevallen te realiseren, de complicerende factor voor de berekening en de onzekerheid over het voortbestaan van de regeling. Het eventuele voordeel wordt derhalve toegevoegd aan de vrije ruimte. ‐ Toeslagen blijven buiten beschouwing, nu deze worden beschouwd als een tegemoetkoming in specifieke kosten van levensonderhoud, die overigens zijn genormeerd.

13    23


Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012 

Woonlasten In het voorstel wordt met de woonlasten op forfaitaire wijze rekening gehouden. Deze worden gesteld op 25% van het netto besteedbaar inkomen, een percentage dat is gerelateerd aan de wooncomponent van circa 23% in de bijstandsnorm. Waar eerst alleen voor de levensbehoeften zoals voedsel, nutsvoorzieningen en kleding de forfaitaire bijstandsnorm werd toegepast, en voor de omgang het forfaitaire bedrag van € 5 per dag, wordt de forfaitaire bijstandsnorm in het voorstel aangevuld met een forfaitaire wooncomponent. Toeslagen worden beschouwd als tegemoetkoming in de woonlasten en in de berekening buiten beschouwing gelaten. Dit vereenvoudigt de berekening en geeft de onderhoudsplichtige de verantwoordelijkheid voor zijn uitgavenpatroon, waarbij hij – gelet op de normbedragen – wel de belangen van de onderhoudsgerechtigde in het oog dient te houden. De in aanmerking te nemen woonlast wordt nu mede beïnvloed door het eventueel samenleven en de last is gemaximeerd tot een derde van het netto inkomen. Het gaan samenleven kan een punt van discussie zijn in procedures. Daarnaast heeft het gevolgen op het gebied van toeslagen, heffingskortingen en mogelijk andere uitkeringen van overheidswege. Door de forfaitaire benadering wordt de individuele verantwoordelijkheid voor het totale uitgavenpatroon, waaronder de woonlasten, ook in samenlevingssituaties benadrukt en speelt de discussie over samenleven, het delen van woonlasten en de maximale woonlast in het kader van de draagkracht geen rol meer. Draagkracht Bij het vaststellen van de draagkracht wordt uitsluitend een forfaitair lastenpatroon in aanmerking genomen. De achterliggende gedachte is dat het inkomen en vermogen de belangrijkste draagkrachtbepalende factoren zijn. Van de keuzes van een onderhoudsplichtige in zijn uitgavenpatroon wordt geabstraheerd, vanuit de gedachte dat iedere onderhoudsplichtige met het oog op de belangen van de onderhoudsgerechtigde zijn uitgavenpatroon zo dient in te richten, dat hij tenminste de gespecificeerde bijdrage kan voldoen. De draagkracht van iedere onderhoudsplichtige wordt bepaald aan de hand van een formule, verwerkt in een tabel, met als enige variabelen het individuele netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige en het draagkrachtloos inkomen.In de tabel is door middel van dit draagkrachtloos inkomen forfaitair rekening gehouden met redelijke kosten die de onderhoudsplichtige wordt geacht te maken om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Redelijke kosten van levensonderhoud zijn (2012): ‐ een redelijke netto woonlast tot 25% van het netto inkomen ‐ een bedrag van ca € 850 voor de kosten van levensonderhoud. Het is als volgt opgebouwd: € 935 (2012) o Bijstandsnorm o Wooncomponent - € 213 o Ziektekosten € 125 o Ziektekostencomponent - € 49 o Onvoorzien € 53 9 o Totaal € 850                                                              9

Deze post is ingevoerd om de onderhoudsplichtige die iets meer dan het minimum heeft enige ruimte voor tegenvallers te bieden, en wellicht minder reden om te lenen. Bij het inkomen tot € 1.250 wordt die ruimte feitelijk niet gelaten.  

14    24


Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012 

Van het netto besteedbaar inkomen, verminderd met de hiervoor genoemde forfaitaire bedragen, is bij inkomens vanaf € 2.500 circa 70% beschikbaar als draagkracht. Bij de lagere (niet minimum) inkomens is dat maximaal 90% van de ruimte na aftrek van de forfaitaire lasten.Alleen bij de laagste inkomens kan onder omstandigheden worden geoordeeld dat in zeer beperkte mate dient te worden ingeteerd op het bestaansminimum, dit omdat van de onderhoudsplichtigemagworden verwacht dat hij of zij zorgt in staat te zijn enige bijdrage voor zijn of haar kind te leveren. Bij de hogere inkomens wordt rekening gehouden met een naar gelang het inkomen oploopt hoger bedrag aan vrije ruimte.  De beschikbare draagkracht wordt in beginsel gelijk verdeeld over de kinderen. Voor samengestelde gezinnen geldt het volgende. Bij de verdeling van de behoefte over de onderhoudsplichtige en gerechtigde die beiden inkomen hebben, kan zichtbaar worden dat minder dan de totale draagkracht van de onderhoudsplichtige wordt benut. Er is dan sprake van een “surplus” voor een kind. In geval van een surplus ten behoeve van één kind, kan de draagkracht worden aangewend om (meer) in de behoefte van een ander kind waarvoor onderhoudsplicht bestaat bij te dragen. 8.

Passieve samenloop

In stap 3 worden de behoefte (het eigen aandeel) en draagkracht per kind gekoppeld. De laagste van de twee is bepalend voor de onderhoudsplicht. Is de gezamenlijke draagkracht van de ouders lager dan de behoefte, dan wordt het eigen aandeel, na dit te hebben verminderd met (een deel van) de zorgkorting, naar rato van de draagkrachtverhouding omgeslagen. Is de gezamenlijke draagkracht van de ouders hoger dan het eigen aandeel, dan wordt dit eigen aandeel naar evenredigheid van de draagkracht omgeslagen, waarna de zorgkorting de bijdrage vermindert. In dat geval kan in de beschouwing worden betrokken of de verhouding tussen de stiefouder en het kind aanleiding geeft om deze buiten beschouwingte laten. Indien de juridische ouders gezamenlijke voldoende draagkracht hebben om in de behoefte te voorzien, kan de rechter van oordeelzijn dat de stiefouder - mede gelet op zijn verhouding tot de minderjarige 10 - buiten beschouwingkan worden gelaten. De rechter heeft hier beoordelingsvrijheid en kan daartoe niet worden verplicht. 9.

(Kosten van) schulden en de aanvaardbaarheidstoets

De jurisprudentie van de Hoge Raad ten aanzien van fictieve draagkracht en lasten en schulden schrijft voor dat het bestaansminimum in het oog dient te worden gehouden en dat niet alleen de inkomsten, maar ook dat alle lasten, schulden en de kosten van schulden in beginsel in de beoordeling van de draagkracht worden betrokken 11 . Fictieve draagkracht Met fictieve draagkracht wordt gedoeld op de situatie dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies, dat niet voor herstel vatbaar is. Is het wel voor herstel vatbaar, dan is sprake van redelijkerwijs in de                                                              10 11

Bijv. omdat deze pas (veel) later in beeld is gekomen  HR 29 september 1978, NJ 1979, 143 

15    25


Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012 

naaste toekomst te verdienen inkomen, dat onder het begrip draagkracht dient te worden begrepen. Dit onderscheid is op dit moment mede van belang in verband met de mogelijk verzwaarde motiveringsplicht en toepasselijkheid van de toets of de onderhoudsplichtige nog in de noodzakelijke kosten kan voorzien, dan wel tenminste 90% van de bijstandsnorm overhoudt. In geval van herstelbaar inkomensverlies is deze extra toets niet van toepassing 12 . Lasten en schulden De jurisprudentie verplicht niet tot het in aanmerking nemen van alle lasten en schulden, maar wel tot het in de beoordeling betrekken daarvan. Het is aan de rechter om de invloed van de lasten en schulden op de draagkracht af te wegen. De belangrijkste uitgangspunten daarbij zijn op dit moment: 1. Aan schulden kan geen of minder gewicht worden toegekend als deze onnodig zijn aangegaan of als de mogelijkheid bestaat om zich van de schuld te bevrijden of daarvoor een regeling te treffen 13 ; 2. De geleende gelden hoeven niet ten goede te zijn gekomen aan de gemeenschappelijke huishouding 14 ; 3. Ook schulden die zo groot zijn dat het inkomen daarop geen aflossing toelaat, zijn van invloed op de draagkracht 15 ; 4. Daadwerkelijke aflossing opeen schuld is geen vereiste om die schuld in aanmerking te nemen 16 ; 5. Wordt aan aflossing geen of minder gewicht toegekend, dan dient inzicht te worden gegeven in de gedachtegang die daartoe heeft geleid 17 . Op dit moment is het effect van schulden regelmatig dat geen kinderbijdrage kan worden opgelegd. Dit leidt meer dan eens tot onbegrip bij de onderhoudsgerechtigde, met name als ook deze tekort komt om in de behoefte van de kinderen te voorzien en de schulden zijn ontstaan zonder wetenschap van of profijt voor de onderhoudsgerechtigde. In dat verband wordt wel gepleit om te allen tijde een – minimale – onderhoudsbijdrage op te leggen, variërend van € 25 tot € 50. Dit vanuit de gedachte dat zelfs van iemand die zich op het bestaansminimum – bijstandsniveau – bevindt, mag mogen worden verwacht dat hij/zij een dergelijk bedrag ten behoeve van zijn of haar kind opzij zou moeten kunnen leggen. Voor een algemene regel die de rechter de ruimte geeft om in alle gevallen een minimumbijdrage op te leggen is - zo is een meerderheid van mening - wetswijziging noodzakelijk. In individuele gevallen zou de rechter echter ook zonder een dergelijke algemene regel tot de conclusie kunnen komen dat de financiële positie van de onderhoudsplichtige, hoe penibel ook, gelet op de belangen van de onderhoudsgerechtigde, een dergelijke kleine bijdrage toelaat. Niet uitgesloten is dat in die gevallen het verhaal moeizaam kan verlopen. Dit argument hoeft niet doorslaggevend te zijn, getuige de regelmaat waarmee op dit moment van verdiencapaciteit in plaats van het reële inkomen wordt                                                              12

HR 23 januari 1998, NJ 1998, 707; HR 23 november 2001, NJ 2002, 280; HR 24 september 2010, NJ 2010, 595  13 HR 29 september 1978, NJ 1979, 143, in dit verband speelt ook het vermogen van de schuldenaar om bepaalde bezittingen te verzilveren een rol  14 HR 10 december 1999, NJ 2000, 4  15 HR 7 juni 1985, NJ 1985, 719   16 HR 11 juli 2008, NJ 2008, 402  17 idem 

16    26


Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012 

uitgegaan. Het opleggen van een kleine bijdrage is in lijn met de gezamenlijke verantwoordelijkheid die ouders te allen tijde hebben voor de gezamenlijke kinderen. De vraag is gesteld of de minimumbijdrage ook in beeld zou kunnen komen indien alle betrokken onderhoudsplichtigen een bijstandsuitkering krijgen. Nu uitsluitend collectieve middelen worden aangesproken, kan het opleggen van een bijdrage leiden tot het onnodig “rondpompen” van gelden en dient het om die reden achterwege te blijven. De lasten en schulden kunnen middels de aanvaardbaarheidstoets in de beoordeling worden betrokken (stap 5). De toets wordt toegepast indien de onderhoudsplichtige stelt en onderbouwt dat de op basis van zijn inkomen en vermogen en rekening houdend met een redelijk lastenpatroon berekende bijdrage onder de gegeven omstandigheden vanwege gebrek aan draagkracht voor hem tot een onaanvaardbare uitkomst zal leiden. Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om zowel de omstandigheden als het gebrek aan draagkracht te stellen en te onderbouwen. Daarbij dient de onderhoudsplichtige volledig en duidelijk – door middel van een overzicht van alle inkomsten en uitgaven, met onderliggende stukken - inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen. De rechter dient vervolgens te beoordelen of bij vaststelling van de volgens het stappenplan berekende bijdrage onvoldoende rekening zou worden gehouden met alle omstandigheden die zijn draagkracht beïnvloeden, zodat geen sprake meer is van een bijdrage conform de wettelijke maatstaven. Bij die beoordeling dient onder meer de jurisprudentie van de Hoge Raad op het gebied van draagkracht (verdiencapaciteit), fictieve draagkracht en schulden tot zijn recht te komen. Het is aan de rechter om de eventuele afwijzing van het verweer te motiveren. Zonder volledige inzicht is deze toets niet mogelijk. Bij gebreke van een afdoende onderbouwing kan de stelling dat draagkracht ontbreekt worden gepasseerd. 1. Verwijtbaarheid: in geval sprake is van een lager inkomen of groter beslag van uitgaven op het inkomen dan redelijkerwijs kan worden verwacht, dient te worden onderzocht of de onderhoudsplichtige zich uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedraging die: - tot zodanige vermindering van zijn inkomen of - tot zodanige verhoging van zijn noodzakelijke uitgaven heeft geleid, dat hij de - gelet op zijn inkomen en de daarbij redelijke lasten – forfaitaire bijdrage niet kan voldoen. De vraag is dus of de onderhoudsplichtige van het lagere inkomen of de hogere lasten een verwijt kan worden gemaakt. Bij lasten en schulden kan verwijtbaarheid bijvoorbeeld aan de orde zijn als 18 : ‐ deze onnodig zijn aangegaan; ‐ de mogelijkheid bestaat om zich van de last of schuld te bevrijden; ‐ de mogelijkheid bestaat om daarvoor een regeling te treffen. Herstelmogelijkheid: indien het tot de mogelijkheden van de onderhoudsplichtige behoort of heeft behoord om het inkomen opnieuw te verwerven of de lasten die uitgaan boven redelijke lasten te                                                               

17    27


Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012 

vermijden, dan wordt rekening gehouden met het redelijkerwijs te verdienen inkomen en de redelijke uitgaven die ten laste van dit inkomen komen. Er is dan geen grond voor afwijking van het stappenplan. 2. Wel verwijtbaar, geen herstelmogelijkheid: is sprake van verwijtbaar, maar niet voor herstel of aanpassing vatbaar inkomensverlies of uitgavenpatroon met zwaardere lasten, dan kunnen dit verlies of deze zwaardere lasten onder omstandigheden bij de bepaling van de draagkracht buiten beschouwing worden gelaten, zodat wordt uitgegaan van een fictief inkomen of lastenpatroon. Indien bij het berekenen van de draagkracht van een fictief inkomen of lastenpatroon is uitgegaan, dient te worden getoetst of de onderhoudsplichtige: ‐ bij voldoening aan zijn onderhoudsplicht nog in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien ‐ een totaal inkomen overhoudt van tenminste 90% van de bijstandsnorm 19 ; Indien het resultaat onder genoemde punten dreigt, dan dient een onderzoek naar de feitelijke draagkracht van de onderhoudsplichtige plaats te vinden 20 . 3. Niet verwijtbaar, niet herstelbaar: mocht deze toetsing aanleiding zijn voor aanpassing van de bijdrage, dan kan worden bezien of van de onderhoudsplichtige mag worden verwacht dat hij in ieder geval zorgdraagt dat hij een minimumbedrag in het levensonderhoud kan bijdragen. In dat verband kan worden aangehaakt bij bijvoorbeeld het bestaansminimum van 90% van de toepasselijke bijstandsnorm. De reden voor de toets is tweeërlei: 1. het bieden van een waarborg dat de beoordeling van de verplichting tot bijdrage binnen het door de wet en jurisprudentie getrokken kader blijft; 2. het bieden van een mogelijkheid om ook in geval van forse lasten en schulden in individuele gevallen toch een bijdrage, hoe gering ook, op te leggen. Voorbeeld schulden In de periode kort na het uiteengaan komt het regelmatig voor dat één van de partijen lasten heeft waarvan hij niet direct af kan en/of lasten voor de onderhoudsgerechtigde doorbetaalt, zoals bijvoorbeeld de hypotheekrente voor een woning die nog gezamenlijk eigendom is. Dit zijn lasten die in beginsel ten volle in aanmerking dienen te worden genomen, tenzij de onderhoudsplichtige zich onvoldoende inspant deze te vermijden door bijvoorbeeld geen medewerking te verlenen aan noodzakelijke verkoop of toedeling. De lasten maken een feitelijk onderzoek naar de draagkracht niet per definitie noodzakelijk, met name niet indien tussen partijen niet in geschil is dat het onvermijdelijke lasten betreft die moeten worden doorbetaald. In dat geval kan het netto besteedbaar inkomen worden verminderd met de bruto hypotheekrente, verminderd met het fiscaal voordeel. Het gevolg is dat voor de berekening van de draagkracht van een lagere inkomensschaal wordt uitgegaan. Omvang beroep aanvaardbaarheidstoets

                                                             19

Dubbele norm, rechtstreeks ontleend aan HR 23 januari 1998, NJ 1998, 707  Let op: indien de beslissing ingrijpende gevolgen heeft, geldt voor de rechter een verzwaarde motiveringsplicht  20

18    28


Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012 

De vraag is gesteld of nu te verwachten valt dat in het gros van de procedures een beroep op toepassing van de aanvaardbaarheidstoets zal worden gedaan. Gelet op het feit dat de aanvaardbaarheid wordt getoetst in het kader van de draagkracht, ligt de bewijslast van een gebrek daaraan bij de onderhoudsplichtige. Deze dient de onaanvaardbaarheid van de uitkomst van de stappen te stellen en te onderbouwen. Aan die onderbouwing mogen eisen worden gesteld, wat een beroep op de toets kan ontmoedigen. Daarnaast zou de voorspelbaarheid en duidelijke indeling van de draagkrachttabel wellicht in sommige gevallen het belang bij de aanvaardbaarheidstoets kunnen verminderen en aldus een beroep op de toets kunnen voorkomen. 10.

Wijzigingen

Bij een wijziging van omstandigheden kan aanpassing van de bijdrage worden verzocht. Voorwaarde voor toewijzing van het verzoek is dat de bijdrage niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven. In de hiervoor beschreven systematiek zal niet iedere wijziging leiden tot een aanpassing van de bijdrage. De ontvankelijkheid van het verzoek tot wijziging leidt er toe dat de draagkracht van alle betrokkenen opnieuw wordt beoordeeld, waarbij niet alleen een eventuele daling of stijging van de draagkracht van de verzoeker of de aangesproken onderhoudsplichtige een rol speelt, maar ook de aanwezigheid van andere onderhoudsplichtigen en de situatie met betrekking tot een eventuele gezamenlijke woning. Of de wijziging van omstandigheden dan daadwerkelijk leidt tot een aanpassing van de bijdrage is derhalve van meer omstandigheden afhankelijk dan van alleen het inkomen van de verzoeker. In beginsel leiden wijzigingen in lasten die forfaitair zijn voorzien niet tot wijziging, net zomin als op dit moment een ander uitgaven patroon voor eten, de aanwezigheid van een partner zonder eigen inkomen of een hogere elektriciteitsrekening tot aanpassing hoeft te leiden. Mocht de onderhoudsplichtige desondanks van oordeel zijn dat in de gegeven omstandigheden de opgelegde bijdrage niet meer in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven, dan kan hij onder verwijzing naar de wijziging van omstandigheden een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets. 11.

Te verwachten effecten van het voorstel

Gelet op het feit dat de wet de begrippen behoefte en draagkracht niet invult en de Hoge Raad evenmin een strak kader voor de feitelijke beoordeling van behoefte en draagkracht heeft geschapen, is een grote meerderheid van mening dat de huidige wetstekst een richtlijn met stelselwijziging als de voorgestelde toelaat, mits de individuele uitspraken van een goede motivering worden voorzien en het voorstel uitsluitend als richtlijn wordt beschouwd. Een richtlijn voor een minimumbijdrage en een voorrangsregel voor de ouders ten opzichte van de stiefouder vereisen echter wetswijziging. Door het gebruik van een tweetal tabellen voor de behoefte en draagkracht, wordt het geschil tussen partijen beperkt tot de omvang van het netto gezinsinkomen ten tijde van en het netto besteedbaar inkomen na scheiding. In geval van onherstelbaar inkomensverlies, dan wel niet voorziene lasten, zoals bijvoorbeeld een restschuld van de hypotheek, moet een aanvaardbaarheidstoets voorkomen dat de draagkracht het verband met de realiteit verliest. Door de vermindering van het aantal discussiepunten en het gebruik van de tabel kan tijdwinst worden behaald. De verminderde impact van de feitelijke zorgregeling op de vaststelling kan mogelijk leiden tot een vermindering van het aantal wijzigingsverzoeken.Doordat het toetsingskader van de rechter, 19    29


Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012 

met uitzondering van de aanvaardbaarheidstoets, vooraf duidelijk is, kunnen mogelijk procedures worden voorkomen.

Partneralimentatie De wijziging in vaststelling van kinderalimentatie zonder op dit moment te komen tot een wijziging in vaststelling van partneralimentatie leidt naar verwachting niet tot extra werk. Dit houdt verband met de volgende omstandigheden: ‐ de bepaling van het inkomen voor kinderalimentatie vertoont nog steeds grote overeenkomsten met de wijze van bepalen van het inkomen dat in aanmerking dient te worden genomen voor de vaststelling van partneralimentatie, namelijk voor zover het de herleiding van het netto besteedbaar inkomen uit het bruto inkomen (incl inkomsten uit vermogen) betreft; ‐ in veruit het grootste deel van de gevallen resteert na de vaststelling van kinderalimentatie geen draagkracht voor de vaststelling van partneralimentatie; ‐ in gevallen dat geen sprake is van behoeftigheid wordt evenmin aan de vaststelling van partneralimentatie toegekomen. Voor het geval het wel komt tot de berekening van partneralimentatie zal, net als nu, een aparte berekening moeten worden gemaakt, omdat bij de vaststelling van partneralimentatie van een ander, ruimer lastenpatroon van de onderhoudsplichtige worden uitgegaan dan bij de vaststelling van kinderalimentatie. Ook is een ander draagkrachtpercentage van toepassing en spelen eventuele onderhoudsverplichtingen ten aanzien van andere volwassenen een rol. Tenslotte zal bij de vaststelling van partneralimentatie in voorkomende gevallen een “jusvergelijking” worden gemaakt. In dat opzicht zal de wijziging van de voorgestelde wijze van rekenen voor kinderalimentatie – ook vanwege de verwachte vereenvoudiging op dat gebied – geen of weinig effect hebben op de werklast. Voorlichting Voorlichting kan een belangrijke rol vervullen bij de introductie van een nieuw stelsel. De beschikbaarheid van de tabellen voor de behoefte en draagkracht op internet - en een rekenwijzer conform die van de belastingdienst om van het bruto tot het netto inkomen te komen - zou het algemene begrip van het stelsel en daarmee ook het draagvlak kunnen verhogen. 12.

Overgangsregime

Voorgesteld wordt onmiddellijke werking met ingang van 1 april 2013. In zaken, aanhangig gemaakt voor het moment van invoering, wordt gerekend met de huidige systematiek en in zaken, aanhangig gemaakt na invoering alleen nog met de voorgestelde systematiek. Op verzoek van partijen kan eerder met de voorgestelde systematiek worden gerekend. Niet uitgesloten is dat de invoering van een aanpassing als hier voorzien effect heeft op de uitkomst van de toetsing aan de wettelijke maatstaven van behoefte en draagkracht. Conform het overgangsregime bij andere wijzigingen van het rapport van de werkgroep alimentatienormen, kan ook deze wijziging worden beschouwd als een wijziging van omstandigheden. Dit leidt slechts tot een

20    30


Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012 

ontvankelijk wijzigingsverzoek indien wordt gesteld dat de geldende bijdrage als gevolg hiervan niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven 21 .

                                                            

21

artikel 1:401 lid 1 BW 

21    31


Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012 

BIJLAGE I Verschil verdiscontering in behoefte/draagkracht Vanuit de werkgroep kwam het verzoek om uitwerking van het verschil in uitkomst van het in aanmerking nemen van de omgangskosten bij de behoefte en bij de draagkracht. Hieronder volgt een voorbeeld ter illustratie. Gezin, 2 kinderen met modaal inkomen van € 2.000 als netto gezinsinkomen. Behoefte van de kinderen is € 365. Na scheiding heeft de man inkomen van € 1.400, de vrouw € 950. Standaardomgang, zie hiervoor. De aanvullende bijstand blijft buiten beschouwing. De toeslagen in dit rekenvoorbeeld ook. A.

B.

C.

Stel verwerking omgangskosten van € 5 per dag, dwz € 28 x 2 = € 56 van de behoefte in de draagkracht: man heeft draagkracht van € 145, verminderd met kosten van € 56, blijft € 89 voor twee kinderen per maand over. Vrouw heeft draagkracht van € 50. Met man tezamen is het onvoldoende om in de behoefte van €365 te voorzien, dus man moet het maximale bedrag betalen en de vrouw moet zelf voor de rest in de behoefte voorzien. Stel verwerking omgangskosten in behoefte: op behoefte van € 365 wordt dan 15% bespaard: resteert € 310 22 . Man moet € 145 bijdragen, vrouw € 50. Tezamen onvoldoende, maar de armoede wordt verdeeld en man wordt geacht zorg uit zijn draagkrachtloos inkomen te voldoen. Stel verwerking omgangskosten naar percentage van bijvoorbeeld 15% in de draagkracht: behoefte blijft € 365. Man moet (100% – 15% van € 145 =) € 123 bijdragen, vrouw € 50.

Anders wordt het als de man op het minimum zit. Dan wordt verdiscontering van de zorg in de draagkracht het verschil tussen geen of een kleine bijdrage. De vrouw moet dan meer de tering naar de nering zetten dan de man en het tekort wordt minder omgeslagen. Dit terwijl de bijdrage in die gevallen nog wel kan worden verhaald.

                                                            

22

Zou dan eventueel moeten vóór ecartering van de kinderbijslag, dit maakt voor het inzichtelijk maken van het verschil in uitkomst niet uit. 

22    32


1.

Vermeerder het netto besteedbaar gezinsinkomen met het kindgebonden budget waarop recht bestond in de periode dat het netto gezinsinkomen is berekend.

2.

Zoek in tabel 1 het aantal kinderbijslagpunten van het kind/de kinderen op 1 .

3.

Tel de punten voor alle kinderen bij elkaar op (bij meer dan vier kinderen: de punten voor de oudste vier kinderen).

4.

Lees in tabel 2 het totale eigen aandeel van de ouders in de kosten van het kind/de kinderen af. Er kan verticaal op of tussen de puntenaantallen en horizontaal op of tussen de inkomensgrenzen een bedrag worden gekozen.

5.

Verminder het eigen aandeel kosten van kinderen met het kindgebonden budget waarop recht bestaat in de periode waarvoor de behoefte aan een bijdrage wordt berekend.

Tabel 1 punten per kind Geboren Leeftijd

12-17

6-11

0-5

1 van 1 1 van 2 1 van 3 1 van 4

0 0 0 0

4 4 4 4

2 2 2 2

Het gevonden puntenaantal – bij meer kinderen het puntentotaal – wijst in tabel 2 het eigen aandeel van de ouders in de kosten van het kind / de kinderen aan. Tabel 2 eigen aandeel kosten van kinderen (maandbedragen) Tabel voor 1 kind netto gezinsinkomen 1000 1250 1500 1750 2000 2500 3000 3500 4000 4500 4 110 155 195 240 280 365 450 535 620 705 2 100 140 185 225 270 355 440 525 610 695 0 90 130 175 215 260 345 430 515 600 685

5000 of meer 790 780 770

Tabel voor 2 kinderen

8 6 4 2 0

1

netto gezinsinkomen 1000 1250 1500 1750 2000 2500 3000 3500 165 230 295 360 425 555 685 815 155 220 285 350 415 545 675 805 145 210 275 340 405 535 665 795 135 200 265 330 395 525 655 785 125 190 255 320 385 515 645 775

4000 945 935 925 915 905

4500 1075 1065 1055 1045 1035

5000 of meer 1205 1195 1185 1175 1165

Voor kinderen geboren op of na 1 januari 1995 is de hoogte van de KB afhankelijk van de leeftijd.

33


Tabel voor 3 kinderen netto gezinsinkomen 1000 1250 1500 1750 2000 2500 3000 3500 12 200 285 365 450 530 695 860 1025 10 190 275 355 440 520 685 850 1015 8 185 265 350 430 515 680 845 1010 6 175 255 340 420 505 670 835 1000 4 165 245 330 410 495 660 825 990 2 155 240 320 405 485 650 815 980 0 145 230 310 395 475 640 805 970

4000 1190 1180 1175 1165 1155 1145 1135

4500 1355 1345 1340 1330 1320 1310 1300

5000 of meer 1520 1510 1505 1495 1485 1475 1465

4000 1445 1440 1430 1420 1415 1405 1395 1390 1380

4500 1645 1640 1630 1620 1615 1605 1595 1590 1580

5000 of meer 1845 1840 1830 1820 1815 1805 1795 1790 1780

Tabel voor 4 kinderen netto gezinsinkomen 1000 1250 1500 1750 2000 2500 3000 3500 16 245 345 445 545 645 845 1045 1245 14 240 340 440 540 640 840 1040 1240 12 230 330 430 530 630 830 1030 1230 10 220 320 420 520 620 820 1020 1220 8 215 315 415 515 615 815 1015 1215 6 205 305 405 505 605 805 1005 1205 4 195 295 395 495 595 795 995 1195 2 190 290 390 490 590 790 990 1190 0 180 280 380 480 580 780 980 1180

1. Eventuele ziektekosten (extra en/of premie aanvullende verzekering) voor het kind / de kinderen moeten bij het bedrag van tabel 2 worden opgeteld. 2. De tabel geeft de totale kosten van alle kinderen gezamenlijk. Om de kosten per kind te vinden moet dit totaal over de twee, respectievelijk over de drie, vier of meer kinderen worden verdeeld.

34


Draagkrachttabel (2012): -

-

NBI tot € 1.250: NBI van € 1.250: NBI van € 1.300: NBI van € 1.350: NBI van € 1.400: NBI van € 1.450: NBI van € 1.500:

minimumbijdragen 100% [NBI – (0,3 x NBI + 800)] 90% [NBI – (0,3 x NBI + 800)] 80% [NBI – (0,3 x NBI + 800)] 70% [NBI – (0,3 x NBI + 800)] 70% [NBI – (0,3 x NBI + 825)] 70% [NBI – (0,3 x NBI + 850)]

Netto besteedbaar inkomen 1 tot 1.250 per maand 1.250 tot 1.300 1.300 tot 1.350 1.350 tot 1.400 1.400 tot 1.450 1.450 tot 1.500

DKL 2 (1.175) (1.190) (1.205) (1.220) (1.260)

draagkracht 3 25/1 50/2 of meer 75 100 115 125 135

1.500 tot 1.550 1.550 en 1.600 1.600 en 1.650 1.650 en 1.700 1.700 en 1.750 1.750 en 1.800 1.800 en 1.850 1.850 en 1.900 1.900 en 1.950 1.950 en 2.000 2.000 en 2.050 2.050 en 2.100 2.100 en 2.150 2.150 en 2.200 2.200 en 2.250 2.250 en 2.300 2.300 en 2.350 2.350 en 2.400 2.400 en 2.450 2.450 en 2.500 2.500 en 2.550 2.550 en 2.600 2.600 en 2.650 2.650 en 2.700 2.700 en 2.750 2.750 en 2.800

(1.300) (1.315) (1.330) (1.345) (1.360) (1.375) (1.390) (1.405) (1.420) (1.435) (1.450) (1.465) (1.480) (1.495) (1.510) (1.525) (1.540) (1.555) (1.570) (1.585) (1.600) (1.615) (1.630) (1.645) (1.660) (1.675)

140 165 190 215 240 260 285 310 335 360 385 410 435 460 485 505 530 555 580 605 630 655 680 705 730 750, etcetera

1

Bij de laagste netto besteedbare inkomens is geen sprake van vast, maar van een toenemend percentage vrije ruimte. Om draagkrachtverschillen rond de grens van de schijven van het NBI te vermijden, wordt gekozen voor vaste tabelbedragen tot een NBI van 1500. In de eerste schijven tot 1.500 is daarom de aanbevolen draagkracht volgens de tabel maximaal het afgeronde bedrag in de derde kolom. Bij besteedbare inkomens vanaf 1500 is sprake van een vast percentage vrije ruimte. Bij een NBI vanaf 1500 kan zowel de formule als de tabel worden gebruikt. 2 DKL = draagkrachtloos inkomen: 0,3 x NBI + 800, 825 of 850, een geslaagd beroep op de aanvaardbaarheidstoets kan de post eigen levensonderhoud van 800, 825 of 850 verhogen  3 Afgeronde cijfers, te verhogen met het fiscaal voordeel voor de persoonsgebonden aftrek levensonderhoud kinderen als daar recht op bestaat 

35


Vragen en antwoorden   Casus 1 (zorgkorting en draagkrachtvergelijking)  M heeft een netto besteedbaar inkomen (NBI) van 2100 per maand. V heeft een NBI van 1500 per  maand. Er zijn 2 kinderen van 12 en 14, met een standaardomgang. Het netto gezinsinkomen  bedroeg 2500. Het kindgebonden budget (kgb) bedraagt 100 per maand. Wat is de draagkracht van  M en V en wat dient M uiteindelijk bij te dragen?  Uitwerking  Behoefte: op basis van de NIBUD‐tabel bedraagt het eigen aandeel van de ouders 505 – 100 (kgb) =  405. De korting voor de standaardomgang is 15% = 61.  Draagkracht: de draagkracht van M is volgens de tabel 435, eventueel te vermeerderen met fiscaal  voordeel van 92. De draagkracht van V is 140.  Rekening houdend met het fiscaal voordeel dient M 527/667 x 405 – 61 =259 voor twee kinderen bij  te dragen. M dient in dit geval desgevraagd de uitgaven ten behoeve van de zorgregeling te kunnen  bewijzen met schriftelijke bescheiden.  Uitbreiding van de omgang in onderling overleg leidt tot een hogere zorgkorting. Bij gemiddeld twee  dagen zorg per week bedraagt de zorgkorting 101. In dat geval zou M nog kunnen worden  aangesproken tot een bijdrage van 219.  Casus 2 (omslag tekort)  M verliest na de scheiding zijn baan en is aangewezen op een uitkering van 1300. V heeft een NBI van  1250 per maand. Er zijn 2 kinderen van 12 en 14, met een standaardomgang. Het netto  gezinsinkomen bedroeg 2500. Het kindgebonden budget (kgb) bedraagt 100 per maand. Wat is de  draagkracht van M en V en wat dient M uiteindelijk bij te dragen?  Uitwerking  Behoefte: het eigen aandeel van de ouders 505 – 100 (kgb) = 405. De korting voor de  standaardomgang is 15% = 61.  Draagkracht: de draagkracht van M is 100. De draagkracht van V is 75. De gezamenlijke draagkracht  is onvoldoende om in het eigen aandeel kosten van de kinderen te voorzien. M dient tot zijn  draagkracht van 100 bij te dragen. De korting kan vanwege het gebrek aan draagkracht van beide  ouders niet worden gerealiseerd.  Casus 3 (doorbetalen van hypotheekrente)  M heeft een netto besteedbaar inkomen (NBI) van 2300 per maand. V heeft een NBI van 700 per  maand. Er zijn 2 kinderen van 12 en 14, met een standaardomgang. Het netto gezinsinkomen  bedroeg 2500. Het kindgebonden budget (kgb) bedraagt 100 per maand. M en V zijn het er over eens  dat M de rentelasten van de voormalige echtelijke woning doorbetaalt. De rente is 900, het fiscaal  voordeel bedraagt 378. Verder zijn er geen bijzonderheden.  Wat is de draagkracht van M en wat dient M uiteindelijk bij te dragen?        V & A  

36

16 november 2012 


Uitwerking  Behoefte: het eigen aandeel van de ouders bedraagt 505 – 100 (kgb) = 405. De korting voor de  standaardomgang is 15% = 61. Indien de gezamenlijke draagkracht lager is dan 344 zal de zorgkorting  niet kunnen worden gerealiseerd.   Draagkracht: hetNBI van M van 2300 levert volgens de tabel een draagkracht van M op van 530. M  heeft mogelijk recht op fiscaal voordeel van 92. M heeft echter ook een extra last, waarmee rekening  moet worden gehouden. Dat kan door de post voor levensonderhoud van 850 in het draagkrachtloos  inkomen te verhogen met (900 – 378 =) 522. In dat geval resteert een draagkracht van 167. Er  bestaat geen grond voor vermeerdering van dit bedrag met het fiscaal voordeel, omdat 167 + 92 =  259 lager is dan het drempelbedrag om in aanmerking te komen voor het fiscaal voordeel (2 x 136  p.k. = 272). De draagkracht van V is minimaal, 50.   Gezamenlijk hebben M en V onvoldoende om in de behoefte verminderd met de zorgkorting bij te  dragen. M dient in dat geval in totaal 167 bij te dragen.  Casus 4 (verwijtbaar inkomensverlies)  M had een NBI van 2700 en heeft een NBI van 2300. V heeft een NBI van 2000. Het voormalig  gezinsinkomen bedroeg 4500. M is uit het westen verhuisd naar het oosten en van baan veranderd,  om meer in de buurt van zijn nieuwe partner te zijn. Hij gaat – in het oosten ‐ samenwonen. De  zorgdeling is door de verhuizing beperkt tot een weekendregeling.  Er wordt vastgesteld dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies, dat echter niet voor herstel  vatbaar is. Hoe wordt de draagkracht van M beoordeeld?   Uitwerking  Draagkracht: Indien wordt geoordeeld dat voldoende grond is om rekening te houden met het oude  inkomen van 2700, kan de draagkracht op basis daarvan worden vastgesteld op 730 in plaats van op  530. Het ligt op de weg van M om te stellen en bij betwisting te onderbouwen dat hij – rekening  houdend met gedeelde woonlast – bij een dergelijke bijdrage niet meer in de noodzakelijke kosten  van levensonderhoud kan voorzien.   Casus 5 (gevolg samenleven en delen woonlast)  M heeft een NBI van 1400. V heeft een NBI van 1390. De kinderen van 10 en 12 verblijven bij V. V  gaat samenwonen met M2. De woonlasten van V dalen daardoor iets, rekening houdend met de  omstandigheid dat zij geen recht meer heeft op huurtoeslag. Zij verliest haar recht op  heffingskortingen.  M vraagt wijziging. Op grond van de lagere lasten kan V meer bijdragen, stelt M.  Uitwerking  Er is wel een wijziging, maar het is de vraag of dit – voor M ‐ een relevante wijziging oplevert. Met  gebruikmaking van de tabel niet: de draagkracht van M 125 blijft hetzelfde, zodat de bijdrage nog  steeds voldoet aan de wettelijke maatstaven. De draagkracht van V was 100.Door verlies van het  recht op de alleenstaande ouderkorting zal haar netto besteedbaar inkomen dalen, zodat ook met  een lagere woonlast rekening wordt gehouden. Het is dus niet duidelijk of de wijziging gevolgen  heeft voor de verplichting tot bijdragen van M. 

V & A  

37

16 november 2012 


Zou V zich beroepen op wijziging, dan slaagt haar beroep mogelijk wel, nu haar NBI door het gemis  van heffingskortingen mogelijk lager is, zodat haar draagkracht geringer is. Het is de vraag of dit tot  een hogere bijdrage van M leidt, nu de draagkracht van M ongewijzigd blijft.  Casus 6 (ongebruikte verdiencapaciteit)  M heeft een NBI van 2500. V kan werken. Zij heeft voorheen een salaris van 1500 per maand  genoten, maar werkt de laatste twee jaar niet meer. V doet geen enkele moeite een baan te vinden,  zij teert in op haar bescheiden vermogen. Er zijn twee kinderen van 6 en 10 en V spreekt M aan tot  betaling van kinderalimentatie. Het voormalig netto gezinsinkomen bedroeg 2625 (incl.  heffingskorting V). V heeft recht op een kgb van 125 per maand. Er is een standaardomgangsregeling.  Wat moet M bijdragen?  Uitwerking  Behoefte:het eigen aandeel bedraagt 565.De behoefte van de kinderen is (565 – 125 =) 440. De  zorgkorting bedraagt 15% =66.   Draagkracht: de draagkracht van M is 630, te vermeerderen met het fiscaal voordeel van 78. Indien  wordt uitgegaan van een (redelijkerwijs te verdienen) inkomen van V van 1500, heeft V een  draagkracht van 140. Zij kan, nu zij de inkomsten niet daadwerkelijk geniet, geen aanspraak maken  op heffingskortingen of fiscaal voordeel.  M dient aan V een bijdrage te voldoen van 708/848 x 440– 66 = 301per maand voor twee kinderen.  Casus 7 (co‐ouderschap)  Als 6, maar de zorg wordt, daar zijn partijen het over eens, 3 om 4 dagen verdeeld. De kinderen zijn  ingeschreven bij V en zij ontvangt kinderbijslag. De corresponderende korting – niet in geschil ‐ wordt  gesteld op 35%. Wat moet M bijdragen, er vanuit gaande dat de vaste kosten door de ouder worden  gedragen waar het kind is ingeschreven?  Uitwerking 1 inschrijving beide kinderen bij V  Behoefte: het eigen aandeel verminderd met kgb blijft 440, nu M niet meer is gaan verdienen. De  zorgkorting van 35% bedraagt 154.   Draagkracht: V heeft nog steeds een draagkracht van 140. Het NBI van M wordt hoger, want hij kan  aanspraak maken op de inkomensafhankelijke combinatiekorting van omgerekend 235 netto per  maand. Bij het NBI van 2.735 hoort volgens de tabel een draagkracht van 730, te vermeerderen met  het fiscaal voordeel van € 78.  M dient een bijdrage aan V te voldoen van 808/948 x 440 – 154 = 221 per maand (d.w.z. 110,50 per  maand per kind). Om het hierin begrepen fiscaal voordeel te realiseren dient M zijn uitgaven ten  behoeve van de kinderen tot het drempelbedrag te kunnen aantonen.  Uitwerking 2 – inschrijving kind bij M en kind bij V  In het geval van 2 kinderen zal regelmatig worden gekozen voor de optie om bij iedere ouder één  kind in te schrijven, met het oog op de alleenstaande ouderkorting. Indien de ouder waar het kind is  ingeschreven de kosten voor het kind betaalt, met uitzondering die van verblijf bij de ander, dient de  zorgkorting te worden toegepast. Worden de kosten gedeeld, dan kan de korting achterwege blijven.  V ontvangt in geval inschrijving van 1 kind bij M een kgb van 85 per maand. Ieder ontvangt voor het  kind dat is het adres is ingeschreven de volledige kinderbijslag.  V & A  

38

16 november 2012 


Behoefte: Het nog te vervullen eigen aandeel bedraagt bij kind 1 bij V 565:2 – 85 = 198. Voor kind 2  bij M is dit 565:2 = 283.   Draagkracht: het NBI van M is wederom hoger, dit keer door het recht op de alleenstaande  ouderkorting van omgerekend 189 per maand, zodat hij een NBI heeft van 2.924. Bij de NBI van M  hoort volgens de tabel een draagkracht van 838, te vermeerderen met fiscaal voordeel voor 1 kind  van 39 = 877. De draagkracht van V van 140 wijzigt niet, nu zij niet daadwerkelijk aanspraak kan  maken op fiscaal voordeel voor de eventueel te leveren bijdrage voor kind 2.   Rekening houdend met een zorgkorting op basis van een percentage van 35% van 69 voor kind 1 en  99 voor kind 2, zouden M 877/1017 x 198 = 170 – 69 = 102 aan V moeten betalen. In de onderlinge  verhouding is de bijdrage van V in de behoefte beperkt tot 140/1017 x 283 = 39, zodat zij in natura  (de zorgregeling: 99) voor 60 meer dan haar aandeel in de behoefte voorziet. Nu de gezamenlijke  draagkracht de behoefte overstijgt dient M dit tekort aan te vullen en per saldo voor beide kinderen  102 + 60 = 162 aan V te betalen.  Zonder zorgkorting dient M in de onderlinge draagkrachtverhouding 877/1017 x 198 =171 aan V te  betalen en dient V 140/1017 x 283 = 39 aan M te betalen. Per saldo dient M in dat geval aan V 132  per maand voor kind 1 te betalen.   

V & A  

39

16 november 2012 


Rapport alimentatienormen versie 2013 Hierbij treft u de digitale versie aan van het rapport alimentatienormen (Tremarapport), zoals dit wordt gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Mr. A. Roelvink-Verhoeff, raadsheer gerechtshof Arnhem, voorzitter A. Heuvelink, senior-gerechtssecretaris rechtbank Zutphen, ambtelijk secretaris p/a rechtbank Zutphen Postbus 9008 7200 GJ Zutphen tel. 0575-59 35 00 fax. 0575-59 36 60

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013

Pagina 1 van 47 40

versie januari 2013


INHOUDSOPGAVE

Inhoud

pagina

1. Voorwoord

3

2. Inleiding 2.1 Alimentatienormen 2.2 Onderhoudsgerechtigde / rechthebbende 2.3 Wanneer alimentatie? 2.4 Maatstaven voor de bepaling van de omvang van de alimentatieverplichting

4

3. Behoefte 3.1 Kinderalimentatie 3.2 Partneralimentatie

6

4.

Draagkracht 4.1 Algemeen 4.2 Kernschema 4.3 Verklaring van de begrippen 4.4 “Gelijkheid boven en onder de streep� 4.5 Draagkrachtberekening ten behoeve van kinderalimentatie 4.6 Afwijking van het rekenmodel 4.7 Schuldsanering

11

5.

Confrontatie van behoefte en draagkracht 5.1 Algemeen 5.2 Indien kinderalimentatie moet worden vastgesteld 5.3 Ingeval partneralimentatie moet worden vastgesteld 5.4 Ingeval naast kinderalimentatie tevens partneralimentatie moet worden vastgesteld

16

6.

Toelichting bij de modellen voor de draagkrachtberekening 6.1 Modellen en tarieven 6.2 Toelichting bij het model voor de netto methode 6.3 Toelichting bij het model voor de bruto methode

20

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013

Pagina 2 van 47 41

versie januari 2013


3

1. VOORWOORD Het rapport Alimentatienormen, voor het eerst gepubliceerd in 1979, heeft in de praktijk een ruime toepassing gevonden. In dit rapport zijn sindsdien de diverse aanbevelingen en rapporten die de werkgroep alimentatienormen van de NVvR in de loop van de jaren heeft gepubliceerd in één uitgave bijeengevoegd. Periodiek, zo mogelijk in januari en juli van ieder jaar, wordt daarvan een actuele versie gepubliceerd, laatstelijk in juli 2012. Sinds maart 2012 is de werkgroep een expertgroep van het landelijk overleg voorzitters familie- en jeugdsectoren (LOVF) rechtbanken en het LOVF hoven geworden. Voor de werkwijze heeft dit geen gevolgen. Het rapport, dat aanbevelingen geeft voor een eenvormige praktische invulling van de wettelijke maatstaven draagkracht en behoefte, wordt echter niet meer via de website van de NVvR gepubliceerd. Het kan geraadpleegd worden via www.rechtspraak.nl. In december 2012 heeft een update van het volledige rapport plaatsgevonden, waarbij de beslissingen over veel van de punten waarbij in het vorige rapport ‘onder bewerking’ is vermeld, zijn verwerkt. Ook zijn redactionele wijzigingen verwerkt, zoals de volgorde van behandeling van kinder- en partneralimentatie. Verder zijn de volgende inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd: - de verwerking van het kindgebonden budget bij de vaststelling van de behoefte aan kinderalimentatie; - afstemming van de kinderalimentatie op de beslissing van de rechter-commissaris ingeval van toelating van een onderhoudsplichtige tot de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen in verband met de uitspraak van de Hoge Raad van 18 november 2011 over de richtlijn van recofa; - de aanbeveling om de netto methode te reserveren voor gevallen waarin fiscale voordelen, bijtellingen, bezittingen die in box III worden belast of kindgerelateerde heffingskortingen geen rol spelen en de inkomsten uit dienstbetrekking lager zijn dan € 1.400 per maand bruto; - het laten vervallen van de aftrekbare kosten bij periodieke uitkeringen. Indien een berekening over een periode vóór inwerkingtreding van deze versie van het rapport wordt gemaakt, is het raadzaam ook het rapport te raadplegen dat in de desbetreffende periode gold. Verder is de nieuwe regelgeving op het gebied van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet verwerkt. Na het verschijnen van de eerste versie van het rapport op 14 december 2012, is op 28 december 2012 een versie gepubliceerd met; - een voorbeeld ter verduidelijking van de wijze waarop het kindgebonden budget de behoefte vermindert (paragraaf 3.1); - een toevoeging over de aftrekbaarheid van restschulden na verkoop van de eigen woning (zie 82 en verder); - een toevoeging over de overgangsregeling voor de levensloopregeling. Zoals altijd wordt aanbevolen kennis te nemen van het rapport ‘kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie’ dat in 1994 voor het eerst is gepubliceerd en dat nog steeds relevant is. De werkgroep alimentatienormen is - zoals gebruikelijk - collectief verantwoordelijk voor dit rapport. Arnhem, december 2012

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013

Pagina 3 van 47 42

versie januari 2013


4

2. INLEIDING 2.1 Alimentatienormen Dit rapport bevat normen of richtlijnen die bij de vaststelling van alimentatie kunnen worden gehanteerd. De werkgroep beveelt de toepassing van deze richtlijnen aan. Alimentatie na scheiding Bij de ontwikkeling van haar richtlijnen heeft de werkgroep voornamelijk het oog gehad op het vaststellen of wijzigen van alimentatie na echtscheiding of scheiding van tafel en bed. Het gaat daarbij om: - een uitkering tot levensonderhoud van de gewezen echtgenoot, hierna ook aan te duiden als partneralimentatie (onder partneralimentatie wordt mede verstaan de bijdrage ten behoeve van de gewezen geregistreerde partner); - een bijdrage van de niet-verzorgende ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn kind(eren), hierna ook aan te duiden als kinderalimentatie (onder kinderalimentatie wordt mede verstaan de bijdrage ten behoeve van al dan niet door de vader erkende kinderen). De vaststelling van alimentatie in het kader van voorlopige voorzieningen geschiedt in principe aan de hand van dezelfde richtlijnen. In verband met het summiere karakter van de procedure zal echter vaak worden volstaan met een minder strikte toepassing. Jongmeerderjarigen In aansluiting op de verplichting van ouders om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen bestaat de verplichting van ouders om te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen in de leeftijd van 18 tot 21 jaar. Met de term kosten van levensonderhoud en studie wordt in feite niets anders bedoeld dan de kosten van verzorging en opvoeding. Deze kinderen kunnen jegens hun ouders een zelfstandig recht op een bijdrage in die kosten geldend maken. Bijstandsverhaal De aanbevelingen in dit rapport zijn ook geschikt voor toepassing op verhaal van bijstand indien dit verhaal is gegrond op een onderhoudsverplichting. Overigens kan de verhaalsprocedure specifieke vragen opwerpen, bijvoorbeeld van bestuursrechtelijke aard, die buiten het bestek van dit rapport vallen. 2.2 Onderhoudsgerechtigde / rechthebbende De gewezen partner en de jongmeerderjarige zijn ter zake van hun onderhoudsaanspraken zowel onderhoudsgerechtigde als rechthebbende. Bij kinderalimentatie ligt dit anders: het kind is onderhoudsgerechtigde maar de verzorgende ouder of voogd is rechthebbende ter zake van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding. Bij de vaststelling van kinderalimentatie wordt rekening gehouden met de onderhoudsplicht en uit dien hoofde de eigen inkomsten c.q. draagkracht van de verzorgende ouder. 2.3 Wanneer alimentatie? Wettelijke onderhoudsverplichtingen De wet bepaalt wie gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Een verplichting kan voortvloeien uit een huwelijk of geregistreerd partnerschap (partneralimentatie) of uit bloed- of aanverwantschap of gezag (kinderalimentatie, een bijdrage voor jongmeerderjarigen, enz.). Rangorde onderhoudsgerechtigden Indien een persoon verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen en zijn draagkracht onvoldoende is om dit volledig aan allen te verschaffen, hebben zijn kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van een en twintig jaren nog niet hebben bereikt voorrang boven

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013

Pagina 4 van 47 43

versie januari 2013


5

alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel leidt ertoe dat allereerst de kinderalimentatie wordt bepaald en dat pas daarna wordt beoordeeld of ook nog ruimte bestaat voor het opleggen van partneralimentatie. Behoeftigheid Men is behoeftig indien men zelf niet in het eigen levensonderhoud kan voorzien, dat wil zeggen indien men zelf daartoe de nodige middelen mist en die ook in redelijkheid niet kan verwerven. De verplichting van (stief)ouders jegens hun minderjarige en jongmeerderjarige (stief)kinderen bestaat onafhankelijk van de vraag of sprake is van behoeftigheid. Bij alle andere betrekkingen bestaat slechts een recht op alimentatie voor degene die behoeftig is. 2.4 Maatstaven voor de bepaling van de omvang van de alimentatieverplichting Wettelijke maatstaven De wettelijke maatstaven voor de bepaling van het bedrag dat voor levensonderhoud verschuldigd is, zijn de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en de draagkracht van de onderhoudsplichtige. Bij partneralimentatie kunnen daarnaast niet-financiĂŤle factoren een rol spelen. Deze blijven in het rapport onbesproken. Behoefte en draagkracht Deze begrippen staan in dit rapport centraal. Behoefte is - ook bij kinderen - een voorwaarde voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie kan niet worden uitgegaan van een absoluut behoeftebegrip: behoefte houdt niet op bij het bestaansminimum. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten van geval tot geval worden bepaald. Allerlei omstandigheden kunnen een rol spelen. Een concrete richtlijn geeft de werkgroep slechts ten aanzien van de kosten van minderjarige kinderen. Voor wat betreft de vaststelling van de behoefte aan partneralimentatie bevat hoofdstuk 3, naast een aantal mogelijk relevante factoren (neergelegd in de jurisprudentie van de Hoge Raad), ook een in de praktijk ontwikkelde vuistregel. Met het oog op de draagkrachtbepaling is een stelsel van gedetailleerde aanbevelingen ontwikkeld. Na een uiteenzetting van de berekeningssystematiek in hoofdstuk 0 volgt een puntsgewijze bespreking aan de hand van rekenmodellen in hoofdstuk 6. Maximum De vast te stellen alimentatie mag de behoefte of de draagkracht niet overstijgen. De laagste van de twee vormt dus het maximum. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen. De ‘confrontatie' van behoefte en draagkracht komt aan de orde in hoofdstuk 5.

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013

Pagina 5 van 47 44

versie januari 2013


6

3. BEHOEFTE 3.1 Kinderalimentatie Behoefte aan kinderalimentatie Voor de vaststelling van de behoefte aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen is in samenwerking met het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (het NIBUD) een systeem ontwikkeld, gebaseerd op CBS-cijfers, dat is neergelegd in het rapport ‘Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie', voor het eerst gepubliceerd in Trema 1994, p. 127 e.v., dat hierna is opgenomen als bijlage 1. Terminologie De werkgroep hanteert de volgende terminologie: - kosten van een kind: het totaal per maand aan het kind bestede bedrag; - kinderbijslag: de bijdrage van de overheid in de kosten voor opvoeding en verzorging van een minderjarig kind; 1 - kindgebonden budget : de extra inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid in de kosten voor opvoeding en verzorging van een minderjarig kind voor degene die kinderbijslag voor het kind ontvangt; - eigen aandeel ouders in de kosten van het kind: dat deel van de kosten dat door de ouders per maand uit hun eigen inkomen wordt bestreden; dat zijn dus de hiervoor bedoelde kosten van kinderen minus de kinderbijslag en het kindgebonden budget; - behoefte aan kinderalimentatie: dat deel van de kosten van een kind dat niet door de kinderbijslag, het kindgebonden budget en de financiële bijdrage van de verzorgende ouder kan of behoeft te worden bestreden. Uitleg van het systeem Blijkens CBS-onderzoek besteden ouders een bepaald percentage van het gezinsinkomen aan hun kinderen. Tot dat gezinsinkomen wordt door het CBS mede (onder meer) de overheidsbijdragen gerekend. Uit dat onderzoek blijkt voorts dat naarmate er meer kinderen tot het huishouden behoren, de totale kosten van de kinderen weliswaar stijgen maar dat de gemiddelde kosten per kind daartegenover dalen. De in het rapport kosten kinderen van 1994 genoemde percentages, gebaseerd op onderzoek van het CBS in de periode 1990 – 1995, bedragen voor 1, 2, 3 en 4 kind(eren) respectievelijk 17, 26, 33 en 40% van genoemd gezinsinkomen inclusief kinderbijslag. Er bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat die percentages sinds het onderzoek significant zijn gewijzigd. Voor de bepaling van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van kinderen is de kinderbijslag van de gevonden kosten afgetrokken. Deze uitgangspunten vormen de basis van de tabel die in de bijlage ‘tarieven en tabellen' onder 28 is opgenomen en die jaarlijks wordt aangepast. Volgens de tabel wordt bij hetzelfde inkomen het eigen aandeel van de ouders in de kosten van kinderen per kind lager naarmate er meer kinderen zijn en naarmate de kinderen ouder worden. Dit wordt veroorzaakt doordat de kinderbijslag per kind stijgt naarmate er meer kinderen zijn en naarmate zij ouder worden, terwijl de gemiddelde kosten per kind dalen naarmate er meer kinderen zijn en doordat de leeftijd niet bepalend is voor de uitgaven voor de kinderen. Het kindgebonden budget is niet in de tabel verwerkt, omdat dit vanwege het inkomensafhankelijke karakter niet mogelijk is. Dit dient echter nog wel te gebeuren, zie hierna onder het gebruik van de tabel. Het gebruik van de tabel eigen bijdrage kosten van kinderen a) Het inkomen Met ‘inkomen’ in de tabel is bedoeld het netto besteedbare gezinsinkomen tijdens het huwelijk (de relatie), dus van beide ouders opgeteld, dan wel na de (echt)scheiding het netto inkomen van de ouder(s) afzonderlijk, dus niet bij elkaar opgeteld, ingeval dit inkomen van één van de ouders het voormalige 1

Met ingang van 1 januari 2009

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013

Pagina 6 van 47 45

versie januari 2013


7

gezinsinkomen te boven gaat. Dit netto besteedbare inkomen dient volgens de thans geldende alimentatienormen te worden bepaald met behulp van de bruto of netto methode. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigenwoningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente), bijtelling vanwege een auto van de zaak en de fiscale voordelen van de premie lijfrente en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering. In dit inkomen is de kinderbijslag niet betrokken, omdat dit in de tabel is verwerkt. Wel dient het besteedbare gezinsinkomen te worden vermeerderd met het kindgebonden budget waarop recht bestond ten tijde van de samenleving. b) Het tabelbedrag Vervolgens wordt aan de hand van de leeftijd van de tot het gezin behorende kinderen het aantal punten bepaald. Op basis van het netto besteedbare gezinsinkomen en het aantal punten zijn in de tabel vermelde kosten van een kind al verminderd met de kinderbijslag. Hoewel de tabel ziet op kosten van minderjarige kinderen beveelt de werkgroep aan om in het geval dat op het moment van de scheiding één of enkele tot het gezin behorende kinderen jongmeerderjarig zijn en de/het andere(n) minderjarig, voor het aantal kinderen en het bijbehorende puntenaantal uit te gaan van de situatie dat alle kinderen minderjarig zijn. Bepalend is immers wat normaliter voor alle kinderen werd uitgegeven. Op het gevonden tabelbedrag dient vervolgens het kindgebonden budget waarop recht bestaat in de periode waarvoor de behoefte aan kinderalimentatie wordt berekend in mindering te worden gebracht. Toelichting De tabel is ontworpen om bij de vaststelling van kinderalimentatie te beschikken over eenduidige richtlijnen voor de vaststelling van de behoefte van de kinderen aan een bijdrage in hun kosten van verzorging en opvoeding door de niet-verzorgende ouder. Zolang ouders niet gescheiden zijn, is het gezinsinkomen bepalend voor de uitgaven die ten behoeve van het kind worden gedaan. Dit gezinsinkomen moet dan ook de maatstaf zijn bij het hanteren van de tabel, ook na de (echt)scheiding. Dit impliceert een duidelijke keus: de kinderen moeten in beginsel niet slechter af zijn na en door de (echt)scheiding van hun ouders. Bij het hanteren van de tabel moet niet uit het oog worden verloren dat deze slechts bedoeld is om als toetssteen te dienen voor hetgeen de kinderen kosten. Pas bij de berekening van de draagkracht zal blijken of de gevonden draagkracht oplegging van het gevonden ‘eigen aandeel' als alimentatie toelaat. Als beide ouders inkomen hebben kan een draagkrachtvergelijking worden gemaakt (zie verder hoofdstuk 5.2). Verlaging of wegvallen van een inkomen na de (echt)scheiding behoort, op grond van het hiervoor gekozen uitgangspunt dat het welvaartsniveau ten tijde van de (echt)scheiding in beginsel bepalend is voor de kosten van de kinderen, op die kosten geen invloed te hebben. Wel kan een dergelijke wijziging gevolgen hebben voor de draagkracht om een bijdrage in de kosten te betalen. Stijging van het inkomen van een ouder voor zover dit hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk behoort in beginsel wel invloed uit te oefenen op de vaststelling van de behoefte: indien het huwelijk zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben uitgeoefend op het bedrag dat ten behoeve van de kinderen zou zijn uitgegeven. Voor het geval het inkomen van één van de ouders het voormalige gezinsinkomen overschrijdt, is daarom dat hogere inkomen van die ouder de maatstaf voor de bepaling van de kosten van de kinderen. De behoefte van een kind waarvan de ouders nooit in gezinsverband hebben samengeleefd, wordt bepaald aldus, dat het gemiddelde wordt genomen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en de behoefte op basis van het inkomen van de andere (de inkomens dienen dus niet bij elkaar te worden opgeteld!). De aldus gevonden behoefte kan vermeerderd worden met de netto kosten van kinderopvang, dus na aftrek kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming in die kosten door een

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013

Pagina 7 van 47 46

versie januari 2013


8

werkgever. Als het om een eerste vaststelling gaat en de ouder bij wie het kind woont nog niet de beschikking heeft over een bijdrage van de andere ouder, kan volstaan worden met een globale schatting van de kosten van het kind 2 . c) Kindgebonden budget Vanaf 1 januari 2013 wordt het kindgebonden budget niet langer verwerkt bij de draagkracht maar bij de berekening van de behoefte. Op deze wijze wordt het kindgebonden budget volledig toegerekend aan het kind of de kinderen. Onder a0 en b) hiervoor is al melding gemaakt van de wijze van verwerking van het kindgebonden budget. Ter verduidelijking wordt dit hier nogmaals apart behandeld. Met het kindgebonden budget dient als volgt rekening te worden gehouden: - bereken het besteedbaar inkomen van beide partijen ten tijde van het huwelijk/de samenleving op de hiervoor onder a), eerste alinea, beschreven wijze; - vermeerder dit besteedbaar inkomen met het kindgebonden budget waar partijen ten tijde van hun huwelijk/samenleving (eventueel) recht op hadden; - bepaal vervolgens de behoefte van het kind aan de hand van het netto gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget en de tabel "eigen aandeel kosten van kinderen"; - berekenen daarna het kindgebonden budget na het uiteengaan (waar de ouder waar het kind verblijft aanspraak op kan maken) en trek dit af van de hiervoor bepaalde behoefte; - wat resteert is het eigen aandeel van de ouders in de kosten van het kind. Voorbeeld: Besteedbaar inkomen man ten tijde van huwelijk/samenleving Besteedbaar inkomen vrouw ten tijde van huwelijk/samenleving Aanspraak kindgebonden budget ten tijde van huwelijk /samenleving Totaal besteedbaar gezinsinkomen

€ 1.800 per maand - 1.150 per maand 50 per maand € 3.000 per maand

Eigen aandeel kosten van kinderen op basis van voormeld besteedbaar gezinsinkomen en uitgaande van 1 kind van 7 jaar (4 kinderbijslagpunten) bedraagt € 450 per maand. Aanspraak kindgebonden budget van de ouder waar het kind verblijft na uiteengaan € 85,- per maand. Dus eigen aandeel van de ouders in de kosten van het kind komt daarmee op € 365,- per maand. d) Correcties voor bijzondere kosten In de tabelbedragen zijn alle normale kosten zoals die voor voeding en kleding begrepen. Bepaalde extra kosten zijn echter zo uitzonderlijk dat deze niet begrepen kunnen zijn in de standaardbedragen voor de kosten van kinderen. In welke gevallen de tabelbedragen (naar boven toe) moeten worden bijgesteld, kan slechts in globale termen worden aangegeven omdat allerlei kosten/activiteiten uitwisselbaar zijn. Wanneer bijvoorbeeld in de kosten van kinderen een bepaald bedrag begrepen is voor ‘ontspanning', dan kan dat bedrag op verschillende manieren worden ingevuld: van voetbal tot paardrijden of van computergame tot vioolles. Voorts blijkt dat hogere uitgaven aan de ene uitgavenpost samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin meer dan gemiddeld aan kleding besteedt, behoeft dat niet te betekenen dat er voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Gebleken is dat men zich hiervoor bezuinigingen getroost op een andere post. Correctieposten betreffen dus kosten die niet of onvoldoende in de gehanteerde kosten van kinderen zijn verdisconteerd en welke bovendien niet te compenseren zijn met andere uitgavenposten. Voorbeelden van kosten die volgens de werkgroep in aanmerking komen voor correctie zijn de kosten van een gehandicapt kind, kosten van topsport, privélessen en extra hoge schoolgelden. Volgens de tekst van het rapport 'Kosten van kinderen' behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS is echter gebleken dat bij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten c.q. kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Dit onderzoek dateert echter 2

HR 27 februari 2004, NJ 2004, 283

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013

Pagina 8 van 47 47

versie januari 2013


9

van de tijd voor de huidige systematiek van kinderopvang. Als er sprake is van een alleenstaande ouder kunnen hoge oppaskosten wel worden geacht te leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Daarom beveelt de werkgroep thans aan in geval er sprake is van een alleenstaande ouder met hoge kosten van kinderopvang, allereerst de desbetreffende kosten vóór de scheiding af te trekken van het netto besteedbaar gezinsinkomen en uitgaande van het dan resterende gezinsinkomen de behoefte van de kinderen te berekenen aan de hand van de tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen. Vervolgens kan de behoefte worden vastgesteld door de werkelijke kosten van kinderopvang na de scheiding (dus na aftrek van de kinderopvangtoeslag en de werkgeversbijdrage in die kosten) op te tellen bij het in de tabel gevonden bedrag. e) Hoger aanbod De tabel geeft een richtlijn voor de bepaling van de redelijkerwijs in de desbetreffende inkomensklasse te maken kosten voor kinderen. De werkgroep acht deze richtlijn realistisch en beveelt daarom het gebruik ervan aan. Dit neemt natuurlijk niet weg dat ouders hogere bedragen kunnen overeenkomen. Jongmeerderjarigen De tabellen van het NIBUD voorzien niet in de berekening van de behoefte van kinderen ouder dan 18 jaar. Voor de vaststelling van de behoefte van jongmeerderjarigen, meestal studerenden die een uitkering in het kader van de Wet Studiefinanciering (hierna: WSF) ontvangen, zijn nog geen maatstaven ontwikkeld. De WSF geeft de student recht op een basisbeurs en een OV-studentenjaarkaart onafhankelijk van het inkomen van de ouders. Afhankelijk van het inkomen van de ouders kan een student aanspraak maken op een aanvullende beurs. Ten slotte kan een student ongeacht het inkomen van de ouders aanspraak maken op een rentedragende lening welke, gelet op de terugbetalingsverplichting, niet als behoefteverlagend dient te worden beschouwd. De WSF-norm voor studenten is in verschillende posten onderverdeeld. Deze posten zijn: levensonderhoud, premie ZVW, studiekosten (boeken, schrijfmaterialen, etc.) en onderwijsbijdrage (collegegeld, etc.). Het lijkt raadzaam voor de behoeftebepaling van studerende kinderen hierbij aansluiting te zoeken. Juist omdat deze norm in posten is onderverdeeld, is het voor studerenden eenvoudig aan te tonen dat zij voor een bepaalde post een hoger budget nodig hebben. Overigens stellen zij veelal zelf hun behoefte op het bedrag van de in het kader van de WSF bepaalde, niet rechtens afdwingbare, ouderbijdrage. 3.2 Partneralimentatie Voor de vaststelling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan een onderhoudsbijdrage dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met een redelijke mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van 3 levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde . Een onderhoudsplicht bestaat alleen voor zover de onderhoudsgerechtigde niet in eigen levensonderhoud kan voorzien. Eigen inkomsten van de onderhoudsgerechtigde, ook die uit vermogen, verminderen de behoefte aan een bijdrage, oftewel de behoeftigheid. Onder inkomsten worden zowel de daadwerkelijke inkomsten als de in redelijkheid te verwerven inkomsten verstaan. Indien de onderhoudsgerechtigde geen inkomsten heeft, dient derhalve rekening te worden gehouden met het vermogen van de onderhoudsgerechtigde om inkomsten te verwerven (verdiencapaciteit). Daarbij zijn alle omstandigheden van belang, waaronder de opleiding, de werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen. Verwijtbaar, niet voor herstel vatbaar inkomensverlies van de onderhoudsgerechtigde kan buiten beschouwing worden gelaten, onder vergelijkbare 4 voorwaarden als die van toepassing zijn bij het bepalen van de draagkracht . In geval sprake is van vermogen, kan het onder omstandigheden redelijk zijn te verlangen op dit vermogen in te teren. Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samenleven als ware men gehuwd' of ‘als ware men geregistreerd partner' kan behoefteverlagend werken. De behoefte van de onderhoudsgerechtigde kan mede omvatten de premie voor een voorziening 3 4

HR 3 september 2010, BM7050 onder verwijzing naar HR 19 december 2003, AM2379, NJ 2004, 140 HR 23 april 1998, NJ 1998, 603 en HR 23 januari 1998, NJ 1998, 707

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013

Pagina 9 van 47 48

versie januari 2013


10

na overlijden van de onderhoudsplichtige (artikel 1:157 lid 2 BW). Een recht op huurtoeslag is van aanvullende aard en dient bij het bepalen van de behoefte geen rol te spelen 5 . Kosten voor rechtsbijstand kunnen de behoefte beïnvloeden als daarvoor een schuld is aangegaan 6 . Aan de hand van het rekenmodel voor de bepaling van het draagkrachtloos inkomen dat als losse bijlage bij dit rapport hoort, kan men tevens de minimumbehoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen. Tot die minimumbehoefte zijn dan de strikt noodzakelijke lasten te rekenen, net zoals bij de onderhoudsplichtige: de bijstandsnorm voor de kosten van levensonderhoud, een redelijke woonlast, de premie zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) en andere noodzakelijke lasten. Lasten die meer tot de luxe uitgaven zijn te rekenen die men tijdens het huwelijk gewend was - voor zover die in de gegeven situatie redelijk zijn en dan deel uitmaken van de totale behoefte - zoals een auto, kan men, net als bij de onderhoudsplichtige, beter niet tot deze minimumbehoefte rekenen. Deze uitgaven dienen te worden bestreden uit de zogenaamde ‘vrije' ruimte die resteert na aftrek van het draagkrachtloos inkomen. Dit betekent dat de ‘vrije' ruimte zodanig moet zijn dat daarmee de extra lasten, dat wil zeggen het deel van de behoefte dat uitstijgt boven de minimum behoefte, kunnen worden betaald (zie verder hoofdstuk 5.4.) De bepaling van de behoefte aan partneralimentatie is maatwerk. Voor het bepalen van de netto behoefte is echter ook een vuistregel beschikbaar, indien vaststelling van de behoefte door middel daarvan tussen partijen niet in geschil is 7 . De vuistregel sluit aan bij het netto te besteden gezinsinkomen van partijen voor het uiteengaan, verminderd met het eigen aandeel kosten kinderen. Dit bedrag wordt geacht beschikbaar te zijn geweest voor het levensonderhoud van beide partijen. Omdat een alleenstaande duurder uit is dan een samenwoner, wordt de helft van dit te verdelen inkomen met 20% verhoogd. De behoefte kan derhalve gelijkgesteld worden aan 60% van het netto gezinsinkomen (te bepalen zonder rekening te houden met de fiscale voordelen als gevolg van fiscale aftrek van hypotheekrente, premie lijfrente, premie arbeidsongeschiktheidsverzekering e.d. en na aftrek kosten kinderen).

5

HR 27 januari 1995, NJ 1995, 291 HR 9 februari 2001, NJ 2001, 216 7 HR 3 september 2010, BM7050 6

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 10 van 47 49

versie januari 2013


11

DRAAGKRACHT 4.1 Algemeen Het rekensysteem dat hieronder wordt geschetst, is ontwikkeld voor de bepaling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige en de op basis daarvan maximaal op te leggen alimentatieverplichting. De bepaling geschiedt aan de hand van de modellen die bij dit rapport zijn gevoegd. In die modellen is het rekensysteem uitgewerkt. In de meeste gevallen kan met de vaststelling van de aldus gevonden ‘maximale' alimentatie worden volstaan omdat aanstonds duidelijk is dat deze ontoereikend is om volledig in de behoefte van de onderhoudsgerechtigde(n) te voorzien. Het gedeelte van de berekening dat betrekking heeft op de bepaling van het draagkrachtloos inkomen kan ook op de onderhoudsgerechtigde worden toegepast om diens minimumbehoefte te berekenen. Ook kan een jusvergelijking worden gemaakt om te bezien of er reden is minder alimentatie toe te kennen dan de gevonden ‘maximale' alimentatie (zie hoofdstuk 5). 4.2 Kernschema De kern van de draagkrachtberekening schematisch weergegeven: inkomsten netto besteedbaar inkomen volgens netto of bruto methode €... af: lasten bijstandsnorm €… andere relevante lasten € … draagkrachtloos inkomen €… draagkrachtruimte €... draagkracht = bepaald percentage (draagkrachtpercentage) van de draagkrachtruimte. Gaat het erom wat de betrokkene aan alimentatie kan betalen? Dan krijgt het schema als vervolg: maximale alimentatie = draagkracht + eventueel fiscaal voordeel 4.3 Verklaring van de begrippen Netto besteedbaar inkomen volgens netto of bruto methode Het netto besteedbare inkomen bestaat uit het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies (inclusief de inkomensafhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en belasting. In veel gevallen heeft de onderhoudsplichtige een inkomen uit dienstbetrekking, ambtelijk inkomen daaronder begrepen, of een uitkering. Hiervan kan gewoonlijk een loonspecificatie op maand- of weekbasis worden overgelegd. Indien daaruit blijkt dat het inkomen van degene wiens draagkracht berekend wordt lager is dan € 1.400 bruto per maand (excl. vakantietoeslag), dan wordt in beginsel uitgegaan van het netto inkomen volgens de specificatie. Deze rekenwijze wordt netto methode genoemd. Uitgangspunt hierbij is dat de gehele berekening wordt uitgevoerd met netto bedragen op maandbasis, waarbij weekbedragen worden omgerekend. In geval van een hoger inkomen, van inkomsten buiten dienstbetrekking, fiscale voordelen (bijv. bij een eigen woning, partneralimentatie of de levensloopregeling), bijtellingen, bezittingen die in box III worden belast of kindgerelateerde heffingskortingen een rol spelen wordt het netto besteedbaar inkomen preciezer benaderd door middel van de zogenaamde bruto methode. Deze methode brengt de fiscale positie van de betrokkene in kaart door invulling van een met een aangifte inkomstenheffing vergelijkbaar model. Bijstandsnorm Uitgangspunt bij de alimentatiebepaling is, dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 11 van 47 50

versie januari 2013


12

bestaansminimum wordt bepaald door de bijstandsnorm, waarmee wordt bedoeld het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als bijstandsuitkering zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van zijn (nieuwe) gezinssituatie. De Wet werk en bijstand (verder Wwb) onderscheidt diverse categorieën waarvan er drie voor de draagkrachtberekening van belang zijn: alleenstaanden, alleenstaande ouders (ongeacht met hoeveel kinderen) en gehuwden (met of zonder kinderen). De bijstandswet kent in art. 33 een verhoging van de norm voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder en in art. 34 een verlaging van de norm voor gehuwden, thans geregeld in de artikelen 25 en 26 Wwb. De werkgroep beveelt aan in beginsel te rekenen met de norm voor een alleenstaande. Bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld samenloop met onderhoudsplichtigen voor kinderen uit een andere relatie, kunnen aanleiding zijn om af te wijken en te rekenen met de alleenstaande oudernorm of de gezinsnorm. De bijstandsnorm in de draagkrachtberekening voorziet in de bewaking van het bestaansminimum van de onderhoudsplichtige. Daarmee zijn eigenlijk alle normale dagelijkse uitgaven in één bedrag tot uitdrukking gebracht. Er wordt echter een correctie voor de werkelijke woon- en ziektekosten toegepast. Relevante lasten Naast de normale in de bijstandsnorm verdisconteerde uitgaven wordt tot op zekere hoogte rekening gehouden met andere uitgaven. Als zulke andere relevante lasten gelden bijvoorbeeld de premie ZVW, aflossing op schulden en door de scheiding van partijen noodzakelijk geworden herinrichtingskosten. Draagkrachtloos inkomen De bijstandsnorm en de andere relevante lasten worden tezamen het draagkrachtloos inkomen genoemd (het deel van het inkomen dat geen draagkracht oplevert). Draagkrachtruimte Voor zover het inkomen uitgaat boven het draagkrachtloze deel is in beginsel sprake van ‘ruimte' voor alimentatievaststelling. Het verschil tussen inkomen en draagkrachtloos inkomen wordt daarom draagkrachtruimte genoemd. Bij een positieve draagkrachtruimte (zie het schema in hoofdstuk 4.2) wordt de onderhoudsplichtige in beginsel in staat geacht alimentatie te betalen. Draagkracht, draagkrachtpercentage Van de gevonden draagkrachtruimte wordt slechts een bepaald percentage, namelijk het draagkrachtpercentage, bestempeld als draagkracht. Deze draagkracht vormt het bedrag dat een onderhoudsplichtige wordt geacht te kunnen missen ten behoeve van de onderhoudsgerechtigde(n). De ruimte wordt aldus verdeeld over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen dienen in beginsel ten laste van de draagkracht te worden gebracht. Het staat partijen natuurlijk vrij een deel van de verplichtingen niet ten laste van de draagkracht maar ten laste van het draagkrachtloos inkomen te brengen. Dit gebeurt wel met een bijdrage voor een (studerend) kind van 21 jaar of ouder. Het gevolg hiervan is dat er dan meer ruimte overblijft voor de andere onderhoudsgerechtigde(n). Er zijn verschillende draagkrachtpercentages voor alleenstaanden en voor hen die een gezin hebben. Bij hantering van de bruto methode worden lagere percentages toegepast dan bij de wat globalere netto methode. Fiscaal voordeel e

Voldoet de alimentatieplichtige tegenover de gerechtigde, niet bloed- of aanverwant in de rechte lijn of 2 graad van de zijlijn, aan een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende onderhoudsverplichting, dan bestaat voor de betaalde alimentatie recht op een persoonsgebonden aftrekpost. Als de betaalde bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen tot 21 jaar uitgaan boven het bij ministeriële regeling vastgestelde drempelbedrag, in 2012 € 408 per kwartaal, is per kind

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 12 van 47 51

versie januari 2013


13

een forfaitair bepaald bedrag aftrekbaar als persoonsgebonden aftrek. Op de aftrek bestaat geen recht als het kind recht heeft op studiefinanciering. De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan aldus in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Deze vermindering wordt aangeduid als fiscaal voordeel. Voor zover sprake is van fiscaal voordeel neemt de betaalcapaciteit van de onderhoudsplichtige in feite toe zodat per saldo meer gemist kan worden dan de berekende draagkracht. Indien daadwerkelijk aanspraak kan worden gemaakt op een fiscaal voordeel, is dus sprake van ‘extra draagkracht' gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens, te weten de inkomens onder € 1.400 bruto per maand inclusief vakantietoeslag (ongeveer € 1.050 netto), wordt deze extra draagkracht buiten beschouwing gelaten, omdat dat fiscale voordeel veelal niet wordt geëffectueerd. Bij hogere inkomens wordt het fiscaal voordeel in de bruto methode overgeheveld naar de onderhoudsgerechtigde(n). 4.4 ‘Gelijkheid boven en onder de streep’ De draagkrachtberekening volgens de bruto methode valt uiteen in twee gedeelten: a. de omrekening van het bruto inkomen naar het netto besteedbaar inkomen; b. de berekening van de draagkracht en alimentatie op basis van het gevonden netto inkomen volgens het kernschema in 4.2. In de alimentatiepraktijk worden de twee trajecten vaak aangeduid als de berekeningen ‘boven de streep' respectievelijk ‘onder de streep'. In wezen kent de netto methode dezelfde tweedeling maar daarbij wordt voor wat betreft de omrekening van bruto naar netto in beginsel aangesloten bij de op de loonspecificatie vermelde inhoudingen. Correctie van het nettoloon vindt plaats indien er sprake is van een voorlopige teruggaaf op grond van een andere heffingskorting dan de algemene en arbeidskorting. Naast zuiver fiscale aftrekposten, zoals de investeringsaftrek en zelfstandigenaftrek, zijn er vele reële uitgaven die in de draagkrachtberekening zowel boven als onder de streep in aanmerking worden genomen. Gaat het daarbij om uitgaven die fiscaal nominaal aftrekbaar zijn, dus niet forfaitair, dan beveelt de werkgroep aan te werken volgens het principe van ‘gelijkheid boven en onder de streep'. Dit is van belang wanneer bepaalde door de onderhoudsplichtige opgevoerde uitgaven niet ten laste van de draagkrachtruimte (‘onder de streep') in aanmerking worden genomen. Volgens genoemd principe is het redelijk in dat geval ook de fiscale aftrekbaarheid (‘boven de streep') van die uitgaven buiten beschouwing te laten. Zou de fiscale aftrek wel in aanmerking worden genomen dan zou immers de onderhoudsplichtige de ‘lasten' van zijn uitgaven geheel alleen dragen en de ‘lusten' daarvan (fiscaal voordeel) met de onderhoudsgerechtigde(n) moeten delen. Voorbeelden van uitgaven waarbij het principe van gelijkheid boven en onder de streep een rol kan spelen zijn de premies voor pensioen- en arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen. In geval van korting wegens een onredelijke woonlast: zie hoofdstuk 6 onder 123. 4.5 Draagkrachtberekening ten behoeve van kinderalimentatie Te hanteren bijstandsnorm Voorrang van kinderalimentatie boven alle andere onderhoudsverplichtingen heeft onder meer tot gevolg dat bij de bepaling van de draagkracht geen rekening wordt gehouden met de nieuwe partner / echtgeno(o)t(e) / geregistreerde partner. De draagkracht kan dan ook volledig voor de (stief)kinderen worden aangewend. Gedachte hierachter is dat een partner in staat moet worden geacht in eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl dit van een kind niet kan worden verwacht. Daarom dient voor de onderhoudsplichtige ouder de norm voor een alleenstaande te worden gehanteerd, ook als er (co-ouder- of stief-)kinderen in zijn gezin wonen, en dienen de kosten van alle kinderen uit zijn draagkracht te worden voldaan. Noodzakelijke lasten Tot de noodzakelijke lasten worden slechts die lasten gerekend, welke ten opzichte van het onderhoudsgerechtigde kind in ieder geval als redelijke uitgaven kunnen worden beschouwd, zoals:

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 13 van 47 52

versie januari 2013


14

Schulden Omdat beide ouders mogelijk hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de huwelijkse schulden zal de praktijk zijn dat schuldeisers (doorgaans financiële instellingen) uiteindelijk toch verhaal zoeken op de onderhoudsplichtige ouder. Het verdient daarom de voorkeur om volledig rekening te houden met de aflossing op de huwelijkse schulden. Daarnaast dienen ook andere schulden in de beoordeling te worden betrokken, voor zover die niet onnodig zij aangegaan of waarvan de schuldenaar zich niet kan bevrijden. Kosten omgangsregeling In beginsel wordt alleen rekening gehouden met de aan de omgangsregeling verbonden verblijfskosten (zie hoofdstuk 6, toelichting bij het model, nr. 14), tenzij bijzondere omstandigheden worden gesteld en aannemelijk gemaakt op grond waarvan het redelijk is om tevens rekening te houden met een bedrag aan reiskosten. Werkelijke verwervingskosten Voor zover redelijk, dient met de werkelijke en aangetoonde verwervingskosten rekening te worden gehouden. Woonlasten In beginsel wordt rekening gehouden met de volledige, voor zover redelijke, woonlast. In het geval dat de onderhoudsplichtige met een nieuwe partner samenwoont, dient rekening te worden gehouden met de helft van de totale woonlast, tenzij aangetoond wordt dat van de partner niet gevergd kan worden een zodanige bijdrage in deze woonlasten te leveren. Premie ZVW Rekening wordt slechts gehouden met de premie ZVW van de onderhoudsplichtige (dus niet voor de eventuele nieuwe partner), één en ander conform hoofdstuk 6, toelichting bij het model, nr. 11 en 124. Overige lasten Bovenstaand overzicht is niet limitatief. In geval van zelfstandigen kan bijvoorbeeld ook rekening worden gehouden met een te betalen premie voor een pensioenvoorziening of een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Met de meeste, bij de vaststelling van partneralimentatie te accepteren overige lasten (waaronder kosten in verband met herinrichting en advocaatkosten), wordt echter geen rekening gehouden. Draagkrachtpercentage Om de onderhoudsplichtige enige ruimte te laten om de lasten te kunnen voldoen waarmee bij de bepaling van zijn draagkracht geen rekening is gehouden en hem/haar een prikkel te verschaffen om te blijven werken, worden het draagkrachtpercentage gesteld op 70%. Draagkracht De draagkracht wordt in beginsel gelijk verdeeld over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil in behoefte bestaat. Ook kan van belang zijn of, en zo ja hoeveel, een bijdrage van derden ten behoeve van een kind wordt of kan worden verkregen. 4.6 Afwijking van het rekenmodel In de volgende gevallen wordt afwijking van het rekenmodel aanbevolen. 8 4.6.1. Verwijtbaar, niet voor herstel vatbaar inkomensverlies onderhoudsplichtige . Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven en tevens of dit van hem kan worden gevergd. Is het antwoord op beide vragen negatief dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing moet blijven. In het bijzonder moet worden bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te

8

HR 23 januari 1998, NJ 1998, 707

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 14 van 47 53

versie januari 2013


15

onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval dan wordt er gerekend met het nieuwe verminderde inkomen; is dat wel het geval dan wordt met het oude fictieve inkomen gerekend. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag er in beginsel niet toe leiden dat de onderhoudsplichtige, als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht, bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 90 % van de voor hem geldende bijstandsnorm. 4.6.2 Verpleging in een AWBZ instelling 9 . Een onderhoudsplichtige die verpleegd wordt in een AWBZ-instelling is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Omdat deze bijdrage wordt vastgesteld met eerbiediging van rechterlijke alimentatiebeslissingen, verdient het in een dergelijk geval aanbeveling de draagkracht aldus te berekenen dat het netto inkomen van de onderhoudsplichtige uitsluitend wordt verminderd met zijn in die situatie noodzakelijke lasten, zonder rekening te houden met de AWBZ-bijdrage. Onder de noodzakelijke lasten valt dus niet de bijstandsnorm maar wel bijvoorbeeld kosten voor kleding en ontspanning die de verpleegde zelf moet betalen. 4.7 Schuldsanering In geval een onderhoudsplichtige is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen (WSNP), bestaat voor de ouder de mogelijkheid om de rechter-commissaris te verzoeken bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag (VTLB) rekening te houden met de zorg- of onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. Onder omstandigheden mag van de onderhoudsplichtige ouder worden verwacht van deze mogelijkheid gebruik te maken, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiĂŤle positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Houdt de rechter-commissaris geen rekening met de zorg- of onderhoudsverplichting of is een toegekende correctie onvoldoende om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan wordt aanbevolen de te betalen bijdrage op nihil te bepalen, althans te verlagen, in ieder geval voor de duur van de schuldsanering. De rechter-commissaris kan bij het vaststellen van de VTLB voor de alimentatiegerechtigde rekening houden met de omstandigheid dat de ontvangen kinderalimentatie in mindering wordt gebracht op de WWB-uitkering.

9

HR 23 januari 1998, NJ 1998, 365

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 15 van 47 54

versie januari 2013


16

5. CONFRONTATIE VAN BEHOEFTE EN DRAAGKRACHT 5.1 Algemeen De te bepalen alimentatie wordt begrensd door de vastgestelde draagkracht en behoefte. De laagste van de twee maximeert de alimentatie. De wettelijke opdracht om met behoefte en draagkracht rekening te houden, opent evenwel de mogelijkheid om op grond van de onderlinge verhoudingen tot een lager bedrag dan het maximum te besluiten. 5.2 Indien kinderalimentatie

10

moet worden vastgesteld

Indien beide ouders na de scheiding een inkomen hebben dat hoger is dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande, rijst de vraag wie welk deel van de behoefte van een kind moet dragen. Ter bepaling van ieders aandeel wordt van de ouders, en indien van toepassing een stiefouder, een draagkrachtvergelijking gemaakt. Dat is niet nodig als de gezamenlijke draagkracht van de ouders lager is dan de behoefte van het kind. Dan wordt de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder beperkt tot diens draagkracht. Voor het geval wel een volledige draagkrachtvergelijking wordt gemaakt, beveelt de werkgroep aan de betrokken kinderen buiten beschouwing te laten. Dat betekent dat de rechthebbende als alleenstaande wordt beschouwd, tenzij er nog andere gezinsleden zijn die (mede) door de onderhoudsgerechtigde moeten worden onderhouden dan de kinderen van partijen. Wel moet er rekening mee worden gehouden dat enerzijds de rechthebbende door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen voor extra heffingskortingen en anderzijds de niet-verzorgende ouder voor de persoonsgebonden aftrek wegens kinderalimentatie. Een voorbeeld ter verduidelijking: een kind (7 jaar) woont bij moeder (ouder 2) en tijdens het huwelijk waren partijen tweeverdieners. De behoefte bedraagt inclusief kosten kinderopvang € 415,- per maand. Draagkrachtvergelijking ter verdeling van de behoefte van een kind (cijfers 2012/2) Ouder 1: 1780 ____ 1780

netto inkomen incl. vakantietoeslag extra heffingskorting na scheiding totaal inkomen norm alleenstaande woonlast (-/- 213) premie ZVW (-49) aflossing schuld IDM bezoekkosten draagkrachtloos draagkrachtruimte waarvan 70% fiscaal voordeel maximale draagkracht

936 200 54 50 40 1280

Ouder 2: 1340 50+ 1390 936 200 54

1280500 350 38 + 388

1190

1190 200 140 140

De totale draagkracht van ouder 1 en ouder 2 bedraagt dan tezamen 528 (388 + 140). De verdeling van de kosten over beide ouders kan dan berekend worden volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel het deel van ouder 1 bedraagt: 388 / 528 x 415 = € 305 het deel van ouder 2 bedraagt: 140 / 528 x 415 = € 110 samen € 415 Bovenstaande vergelijking is gemaakt als een netto berekening maar kan zonder meer toegepast worden als de draagkracht van de ouders wordt berekend volgens de bruto methode.

10

Voor minderjarige en/of jongmeerderjarige kinderen

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 16 van 47 55

versie januari 2013


17

Co-ouderschap Co-ouderschap is een niet wettelijke term die in de praktijk wordt gebruikt voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Voor de draagkrachtvergelijking van de twee ouders worden beide als alleenstaande (dus niet als éénoudergezin) gezien en wordt het daarmee corresponderende percentage van 70 gehanteerd. Gaat het echter om de vraag wat een onderhoudsplichtige kan bijdragen aan een kind of ex-echtgenoot terwijl die onderhoudsplichtige een kind in zijn gezin heeft waarover hij een co-ouderschap met een ander heeft afgesproken dan beveelt de werkgroep aan om bij de vaststelling van de draagkracht voor kinderalimentatie te rekenen met de norm voor een alleenstaande, het draagkrachtpercentage van 70 en de gevonden draagkracht te verdelen over alle (stief-, co-ouder en eigen) kinderen waarvoor de onderhoudsplichtige dient bij te dragen en daarbij rekening te houden met bijdragen die voor die kinderen van derden verkregen kunnen worden (zie verder ook 4.5). Het is mogelijk dat een co-ouder voor een kind aanspraak kan maken op bepaalde heffingskortingen, zoals de (aanvullende) alleenstaande ouderkorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, en dat hij voor het onderhoud dat hij voor een ander kind voldoet de persoonsgebonden aftrek wegens kinderalimentatie geniet. Hiermee dient ook rekening te worden gehouden. In het geval de niet-verzorgende ouder in vergelijking met de verzorgende ouder een zeer ruime draagkracht heeft, terwijl de verzorgende ouder geen aanspraak maakt op alimentatie voor zichzelf, kan dat aanleiding zijn het eigen aandeel in de kosten van de kinderen geheel ten laste van de nietverzorgende ouder te laten komen. 5.3 Ingeval partneralimentatie moet worden vastgesteld Als er sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn de financiële situatie van partijen op basis van ieders inkomen en lasten te vergelijken. Men noemt dit een jusvergelijking. In het algemeen vindt de werkgroep het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde niet meer “vrije ruimte” of “jus” overhoudt dan de onderhoudsplichtige; met andere woorden de onderhoudsgerechtigde behoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige (N.B: er bestaat geen regel dat partijen na de scheiding in beginsel een gelijk besteedbaar inkomen behoren te hebben). Voorwaarde voor een goede vergelijking is een gelijke behandeling van partijen bij de beoordeling van hun lasten. Voor de onderhoudsgerechtigde kan op dezelfde wijze als voor de onderhoudsplichtige een draagkrachtberekening worden gemaakt met daarin verwerkt de bijstandsnorm (in beginsel voor een alleenstaande, tenzij er nog andere gezinsleden zijn die (mede) door de onderhoudsgerechtigde moeten worden onderhouden dan de kinderen van partijen), de (redelijke) woonlast, de premie ZVW en andere bijzondere, noodzakelijke lasten. Luxe uitgaven waaraan de onderhoudsgerechtigde tijdens het huwelijk gewend was, dienen niet in het draagkrachtloos inkomen te worden opgenomen; bij de onderhoudsplichtige gebeurt dit immers ook niet. Vervolgens wordt dan vergeleken welke “jus” ieder overhoudt na betaling van een bepaald bedrag aan partneralimentatie door de onderhoudsplichtige. Bij de onderhoudsplichtige wordt de eventueel te betalen kinderalimentatie (voor hun beider of andere kinderen) als last in mindering op de draagkracht gebracht. De door de onderhoudsgerechtigde ontvangen kinderalimentatie wordt direct toegerekend aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel wordt bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening gehouden met de aan die ouder toekomende fiscale voordelen van het tot het gezin behoren van kinderen, voornamelijk ten gevolge van het benutten van extra heffingskortingen. De aldus berekende jus bij elk van beide partijen verschaft inzicht in de financiële gevolgen van een scheiding. Deze jus hebben beide partijen immers nodig om te voorzien in de niet in de berekening verwerkte uitgaven en luxe uitgaven (de welstand) waaraan zij gewend waren tijdens het huwelijk. Denk bij voorbeeld aan vakanties, een auto, contributies van clubs en dergelijke. Het op de volgende pagina afgebeelde schema kan voorgaande beschrijving van een jusvergelijking verduidelijken.

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 17 van 47 56

versie januari 2013


18

De berekende jus dient niet te worden verward met het begrip “vrije ruimte” dat in geval van een reguliere draagkrachtberekening gebruikt wordt, te weten het gedeelte van de draagkrachtruimte (40% of 55% dat resteert na 60% of 45% alimentatie van die ruimte in de bruto methode) dat de onderhoudsplichtige zelf mag houden. De jus in een jusvergelijking kan gelijk zijn aan of zelfs groter dan dat zelf te behouden deel van de draagkrachtruimte, maar niet kleiner omdat de vergelijking er volgens de werkgroep niet toe mag leiden dat er meer alimentatie wordt vastgesteld dan de draagkracht van de onderhoudsplichtige op grond van de richtlijnen van de werkgroep toelaat. Dit gevolg acht de werkgroep in het algemeen niet redelijk. Minder alimentatie dan de draagkracht toelaat, is wel mogelijk, bijvoorbeeld indien uit de vergelijking blijkt dat de onderhoudsgerechtigde meer jus overhoudt dan de onderhoudsplichtige. Indien de jus van de onderhoudsgerechtigde groter is onderhoudsplichtige inkomsten uitgaven

onderhoudsgerechtigde inkomsten uitgaven

premies werkn. verzekeringen, ink.belasting & premieheffing bruto loon/ winst uit onderneming/ rente/dividend/ bijverdiensten

premies werkn. verzekeringen, ink.belasting & premieheffing bruto loon/ winst uit onderneming/ rente/dividend/ bijverdiensten

draagkrachtloos inkomen (bijstandsnorm, woonlasten, ziektekosten etc.)

draagkrachtloos (bijstandsnorm, woonlasten, ziektekosten, etc.) aandeel in kosten kinderen

kinderalimentatie ontvangen bruto partneralimentatie

betaalde bruto partneralimentatie JUSVERGELIJKING

jus vakanties, “extraatjes”)

jus (vakanties “extraatjes”)

dan die van de onderhoudsplichtige, is er reden een lagere alimentatie vast te stellen, in beginsel een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijke vrije ruimte hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit eenvoudig worden berekend. 5.4 Ingeval naast kinderalimentatie

11

tevens partneralimentatie moet worden vastgesteld

Op grond van artikel 1:400 van het Burgerlijk Wetboek heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen op partner- maar ook op kinderalimentatie aanspraak maakt, dient allereerst een draagkrachtberekening te worden gemaakt voor de vaststelling van kinderalimentatie, waarbij altijd de norm voor een alleenstaande wordt gebruikt en de draagkracht in beginsel gelijk wordt verdeeld over alle kinderen die de ouder moet onderhouden (zie voor de bijzonderheden van deze berekening hoofdstuk 4.5. en 5.2). Is de alsdan berekende draagkracht gelijk aan of lager dan het aandeel van de desbetreffende ouder in de kosten van de kinderen, dan resteert geen draagkracht meer voor partneralimentatie. Beschikt de onderhoudsplichtige ouder na aftrek van de kinderalimentatie nog over draagkracht, dan kan op de hiervoor omschreven wijze een draagkrachtberekening voor de vaststelling van partneralimentatie worden gemaakt (zie verder 5.3), waarbij de kosten van de kinderen ten laste van de alsdan 11

Voor minderjarige en/of jongmeerderjarige kinderen

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 18 van 47 57

versie januari 2013


19

berekende draagkracht worden gebracht. De resterende draagkracht kan worden aangewend voor partneralimentatie. Als de kosten van de kinderen tussen de onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige worden verdeeld, kan dat deel van deze kosten dat ten laste van de onderhoudsgerechtigde komt in de draagkrachtberekening voor de vaststelling van partneralimentatie worden verwerkt en ten laste van de draagkracht worden gebracht net zoals in de berekening van de onderhoudsplichtige. Een voorbeeld van deze situatie ter verduidelijking: stel de ouders hebben een kind van 13 jaar. Ouder 1 heeft een besteedbaar inkomen van € 2.000,- per maand en ouder 2 een besteedbaar inkomen, rekening houdend met de extra heffingskortingen, van € 1.500,- per maand. De behoefte 12 van het kind hebben zij, rekening houdend met de tabel kosten kinderen en het gezamenlijk gezinsinkomen toen men nog samenwoonde, vastgesteld op € 500.- per maand. Vervolgens wordt ieders bijdrage voor het kind bepaald. Het draagkrachtloze inkomen van ouder 1 omvat naast de hier toepasselijke norm voor een alleenstaande, de gebruikelijke kosten voor wonen, ziektekosten en schulden. Stel de draagkracht bedraagt € 470,- plus het belastingvoordeel van de persoonsgebonden aftrek wegens kinderalimentatie dat gemakshalve gesteld wordt op € 43,- per maand, zodat de totale draagkracht van de ouder 1 bedraagt € 513,- per maand. Ouder 2 heeft een draagkracht van € 180,per maand. Verdeling naar rato van ieders draagkracht (zie voor de formule 5.2) leidt tot een bijdrage van € 370,- per maand van ouder 1 en van € 130,- per maand van ouder 2. Ieders deel van de kosten van het kind wordt ten laste van de draagkracht gebracht. Vervolgens wordt voor beide ouders een draagkrachtberekening gemaakt zoals hiervoor in 5.3 beschreven, waarin de kosten van het kind aan beide zijden ten laste van de draagkracht worden gebracht. Ten slotte kan met behulp van een jusvergelijking zoals hiervoor in 5.3 beschreven, worden bezien welke partneralimentatie redelijk is. De ontvangen kinderalimentatie is geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder dat dient ter dekking van de eigen kosten en blijft daarom bij de berekening van diens draagkracht dan wel de behoefte buiten beschouwing.

12

In de tekst wordt met het woord “behoefte” steeds het eigen aandeel van ouders in de kosten van een kind bedoeld en met “de tabel kosten kinderen” de tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen, opgenomen in de losse bijlage bij nr. 28

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 19 van 47 58

versie januari 2013


20

6. TOELICHTING BIJ DE MODELLEN VOOR DE DRAAGKRACHTBEREKENING 6.1 Modellen en tarieven Er zijn twee modellen: het netto- en brutomodel. Voor de aanbeveling van welke methode gebruik te maken, zie 4.3 Verklaring van de begrippen. In het netto model wordt geen rekening gehouden met het belastingvoordeel. In het bruto model wordt wel rekening gehouden met belastingvoordeel. In beginsel valt dit voordeel geheel toe aan de onderhoudsgerechtigden. De twee modellen zijn opgenomen in de losse bijlage bij dit rapport. Dit hoofdstuk bevat een puntsgewijze toelichting op de modellen. De nummering hieronder correspondeert met die in de modellen, zodat bij het gebruik daarvan de toelichting gemakkelijk per onderwerp kan worden geraadpleegd. Tariefgegevens van de laatste jaren zijn onder dezelfde nummering achter de modellen in de bijlage opgenomen (‘tarieven en tabellen'). De werkgroep publiceert halfjaarlijks een actuele bijlage waarin de recente tarieven zijn verwerkt. 6.2 Toelichting bij het model voor de netto methode 1 Netto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking Onder netto inkomen wordt hier verstaan: het bruto inkomen onder aftrek van de hierover verschuldigde belasting, de eventueel daarop ingehouden of verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW, premies werknemersverzekeringen, pensioenpremie c.q. bijdrageverhaal en andere collectieve werknemerslasten. Voor andere inhoudingen waarvan blijkt uit de loonspecificatie moet zo nodig worden gecorrigeerd. In geval van inkomsten die sterk aan schommelingen onderhevig zijn, bijvoorbeeld als gevolg van conjunctuur- of seizoensinvloeden of structureel overwerk, kan aanleiding bestaan een langere periode in de beschouwing te betrekken zodat een redelijk gemiddelde wordt verkregen. In die gevallen zou ook overwogen kunnen worden om, uitgaande van een jaaropgave, toch een bruto berekening te maken. Inkomen van werknemers die vakantiebonnen ontvangen wordt niet bij 1 maar bij 5 ingevuld. Als het inkomen per vier weken wordt betaald, dient dit te worden omgerekend naar een maandbedrag (vermenigvuldigen met de breuk 13/12). Het betreft zowel inkomsten uit hoofd- als uit nevenfuncties (zie ook 7a). In de loonstrook is de standaardloonheffingskorting verwerkt, die bestaat uit: de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en – eventueel, indien daar recht op bestaat – de jonggehandicaptenkorting en de (alleenstaande) ouderenkorting. 2 Netto AOW-uitkering Onder de netto AOW-uitkering wordt verstaan de bruto AOW-uitkering verminderd met de daarover verschuldigde loonheffing en overige inhoudingen, waaronder de inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW. Over een AOW-uitkering betaalt men geen premie WW. Het basispensioen voor een gehuwde is anders dan voor een ongehuwde. Daarom heeft een scheiding in het algemeen invloed op de hoogte van de AOW-uitkering. De AOW geeft recht op een vakantietoeslag die jaarlijks in mei wordt betaald. Zie voor het bedrag de desbetreffende regeling.

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 20 van 47 59

versie januari 2013


21

3 Netto uitkering andere sociale verzekeringswetten De uitkering dient te worden verminderd met de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW. Uitkeringen aan werknemers waarbij vakantiebonnen worden verstrekt moeten niet bij 3 maar bij 5 worden ingevuld. 4 Vakantietoeslag De vakantietoeslag wordt in de berekening betrokken. Daartoe wordt bij het netto inkomen in het algemeen 5% opgeteld. Een toeslag van 8% bruto levert ruim 5% netto op. De bijtelling van vakantietoeslag geldt niet voor werknemers die nog vakantiebonnen ontvangen. Hun inkomsten worden niet bij 1 of 3 maar bij 5 ingevuld. Over een uitkering krachtens de sociale verzekeringswetten en over een AOW-uitkering ontvangt men vakantietoeslag. De vakantietoeslag over de AOW bedraagt echter geen 8% respectievelijk 5%. Zie voor het juiste bedrag de desbetreffende regeling. Over de meeste particuliere pensioenen ontvangt men geen afzonderlijke vakantietoeslag. 5 Netto arbeidsinkomen incl. 100 %-waarde vakantiebonnen In een aantal sectoren wordt gebruik gemaakt van vakantiebonnen. Het netto maandinkomen van werknemers die vakantiebonnen ontvangen, kan niet zonder meer uit de loonstrook worden afgelezen, doch moet berekend worden. Bij deze werknemers is namelijk geen sprake van vakantietoeslag en loon over vakantiedagen. De verstrekte vakantiebonnen omvatten gedeeltelijk vakantiegeld en gedeeltelijk een vergoeding ter zake van loonderving voor vakantiedagen, waarover het loon niet wordt doorbetaald. Deze werknemers ontvangen (doorgaans) maximaal 46 weken loon (en vakantiebonnen) per jaar. De vakantiebonnen kunnen 2 à 3 keer per jaar verzilverd worden. In die situatie wordt aan de hand van de salarisgegevens en de waarde van de vakantiebonnen het werkelijk besteedbaar netto inkomen per maand herleid. Op een loonstrook wordt meestal alleen de fiscaal belaste waarde van de vakantiebon vermeld. De fiscaal onbelaste waarde bedroeg tot 1999 meestal 13 25% en is daarna afgebouwd . Per loonperiode wordt over de belaste waarde loonheffing op het loon ingehouden. De 100 %-waarde van de vakantiebon wordt door de werkgever aan de bedrijfsvereniging afgedragen. Bij de verzilvering van de vakantiebon krijgt de werknemer dan ook de gehele waarde uitgekeerd. Een gebruikelijke berekening van het werkelijk netto maandinkomen op basis van een weekloon gaat als volgt: 46 maal netto weekinkomen vermeerderd met 46 maal de 100 %-waarde van de vakantiebon en het totaal gedeeld door 12. Over een periode van werkloosheid, bijvoorbeeld bij vorstverlet, ontvangt een werknemer een WWuitkering. Hieromtrent worden door de desbetreffende uitkerende instantie opgaven (ook jaaropgaven) verstrekt. In de sector Bouwnijverheid wordt gebruik gemaakt van het zogenaamde Tijdspaarfonds. Het loon wordt over 52 weken betaald, waarnaast per jaar 18 dagen extra worden uitbetaald. Over het totaal van beide bedragen wordt 8% vakantietoeslag uitbetaald. Op de loonstrook worden de extra dagen vermeld als bijvoorbeeld “TSF-dagen” of “tijdspaarfonds”. De daarmee corresponderende bedragen, inclusief de vakantietoeslag daarover, worden door de werkgever rechtstreeks gestort in het tijdspaarfonds. De bouwplaatswerknemer kan de opgebouwde rechten aanwenden voor vrije tijd, de levensloopregeling of een uitkering in geld. 6 Netto pensioen Onder het netto pensioen wordt verstaan het bruto pensioen verminderd met de daarover verschuldigde loonheffing en overige inhoudingen. Over een pensioen betaalt men geen premie WW. 13

De belaste waarde resp. onbelaste waarde bedraagt in 1999: 77,5 % 22,5 % 2004: 90 % 10,0 % 2000: 80 % 20 % 2005 t/m 2007: 92,5 % 7,5 % 2001: 82,5 % 17,5 % 2008: 95 % 5% 2002: 85 % 15 % 2009: 97,5 % 2,5% 2003: 87,5 % 12,5 % 2010: 99% 1%

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 21 van 47 60

versie januari 2013


22

Een pensioen geeft meestal geen recht op een afzonderlijke vakantie-uitkering. Zie LET OP pensioenverrekening en –verevening onder 7h. 7 Ander netto inkomen a. Bijverdiensten Het is niet mogelijk eenduidig aan te geven of en in hoeverre nevenverdiensten, zoals overwerk en gehonoreerde nevenfuncties, mede bepalend moeten zijn voor de draagkracht. Dit zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden. Bij de beoordeling van de vraag of de onderhoudsplichtige vrijwillig mag stoppen met nevenverdiensten of overwerk zou in aanmerking genomen kunnen worden of deze nevenverdiensten in mindere of meerdere mate inherent zijn aan de vervulling van de hoofdfunctie en of deze inkomsten ook al -structureel- tijdens het huwelijk werden verworven. Bij sterke schommelingen in inkomsten moet zoveel mogelijk het gemiddelde worden bepaald. Fooien worden zoveel mogelijk bij de draagkrachtberekening in aanmerking genomen. b. Onkostenvergoedingen Onkostenvergoedingen worden niet bij het inkomen opgeteld, tenzij deze als bovenmatig aangemerkt moeten worden. Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld of de onkostenvergoeding (gedeeltelijk) als verkapt inkomen is aan te merken. Daarbij zal rekening gehouden moeten worden met het feit dat meestal niet precies is aan te geven waaruit de maandelijkse beroepskosten bestaan. In geval van een vergoeding voor noodzakelijke beroepskosten worden extra kosten alleen in aanmerking genomen voor zover de vergoeding aantoonbaar ontoereikend is. c. Verhuur van kamers zonder of met pension Inkomsten uit verhuur van een kamer zonder pension in een gehuurde woning zal in de regel als netto-inkomsten of als bijdrage in de woonlasten in aanmerking kunnen worden genomen. Structurele verhuur van een kamer met pension zal in de regel worden beschouwd als een werkzaamheid, waarbij de opbrengst verminderd met de kosten in box I in de heffing wordt betrokken. Indien sprake is van een zodanige activiteit, verdient het aanbeveling het brutomodel te gebruiken. d. Kostgeld kinderen Kostgeld betaald door inwonende kinderen wordt buiten beschouwing gelaten. Dit kostgeld beïnvloedt de draagkracht niet. e. Kinderbijslag/kindgebonden budget De ontvangen kinderbijslag en het kindgebonden budget worden rechtstreeks toegerekend aan de bij de onderhoudsplichtige verblijvende kinderen, voor wie de bijdragen zijn bestemd. De kinderbijslag en het kindgebonden budget worden daarom niet bij het inkomen opgeteld. De kinderbijslag is in de behoeftetabellen verdisconteerd. Het kindgebonden budget is per 1 januari 2009 ingevoerd in aanvulling op de kinderbijslag voor minderjarige kinderen. Het is afhankelijk van het aantal kinderen per huishouden en de hoogte van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige en zijn of haar eventuele toeslagpartner. Hoe lager het inkomen, hoe hoger het kindgebonden budget. Er gelden wel inkomensgrenzen, afhankelijk van het aantal kinderen. Vanwege het inkomensafhankelijke karakter kan het kindgebonden budget niet in worden verdisconteerd in de behoeftetabellen. Het dient apart te worden verwerkt. f. Ontvangen kinderalimentatie Een voor eigen kinderen of kinderen van de nieuwe partner ontvangen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding wordt niet bij het inkomen opgeteld, tenzij - en dan voor zover - het duidelijk is dat deze bijdrage de behoefte van de kinderen te boven gaat. g. Inkomen van de nieuwe partner Bij een nieuwe partner met eigen inkomsten is het uitgangspunt dat deze daarmee in eigen onderhoud kan voorzien. Op grond van dit uitgangspunt blijft dit inkomen buiten de draagkrachtberekening. De partner wordt als het ware als een zelfstandige economische eenheid beschouwd. De helft van de woonkosten en van andere gezamenlijke lasten wordt aan de partner toegerekend en voor wat betreft de toepassing van de bijstandsnorm en het draagkrachtpercentage wordt de nieuwe partner buiten

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 22 van 47 61

versie januari 2013


23

beschouwing gelaten (alleenstaande of alleenstaande ouder, zie ook 9 en 23). Maakt de onderhoudsplichtige aannemelijk dat zijn partner niet geheel in eigen onderhoud kan voorzien dan wordt, indien sprake is van vaststelling van partneralimentatie, het inkomen van de partner als gezinsinkomen bij dat van de onderhoudsplichtige opgeteld (voor de vaststelling van kinderalimentatie, zie hoofdstuk 4.5). Het netto maandinkomen vermeerderd met de vakantietoeslag van de partner wordt in dat geval onder 7 vermeld. Voor de toepassing van de bijstandsnorm en het draagkrachtpercentage worden de onderhoudsplichtige en zijn partner in deze situatie als gehuwden gezien. Weigert de onderhoudsplichtige het inkomen van zijn partner bekend te maken dan moet worden aangenomen dat de partner in eigen onderhoud kan voorzien. Indien de partner geen inkomen heeft (of een zeer gering inkomen) dan bestaat er recht op uitkering van een bedrag gelijk aan de voor deze partner geldende algemene heffingskorting. h. Klein netto inkomen uit vermogen Hieronder moeten worden begrepen inkomsten uit vermogen, zoals effecten en onroerend goed, dat tot de heffingsgrondslag van box III behoort, maar waarvan de waarde verminderd met de schulden lager is dan het heffingvrije vermogen, zodat per saldo geen belasting in box III is verschuldigd. De inkomsten dienen onder aftrek van de kosten in aanmerking te worden genomen als netto inkomsten. Elk inkomen uit vermogen behoort een rol te spelen, dus ook inkomsten die uit belegging van door schenkingen, erfstellingen en legaten verkregen vermogen verworven worden. Indien blijkt dat vermogen door een van de wil van de onderhoudsplichtige afhankelijke oorzaak minder opbrengt dan redelijkerwijs verwacht mag worden, kan een redelijke meeropbrengst in aanmerking worden genomen. Onder omstandigheden is interen op het vermogen niet uitgesloten. Als een uitkering na ontslag mede bestemd is als aanvulling op het inkomen na ontslag, kan dit deel van de uitkering in aanmerking worden genomen bij de berekening van de draagkracht aldus, dat dit deel wordt toegerekend aan een bepaalde periode. LET OP pensioenverrekening / pensioenverevening Indien de onderhoudsplichtige een uitkering uit hoofde van pensioenverrekening aan een exechtgenoot moet betalen, beveelt de werkgroep aan deze verplichting af te trekken van het (bruto) inkomen en uitsluitend het resterende inkomen in de alimentatieberekening te betrekken. Als de onderhoudsplichtige een pensioenvereveningsbijdrage moet betalen, is deze bijdrage in beginsel al van het inkomen afgetrokken omdat het pensioenfonds de vereveningsuitkering veelal rechtstreeks aan de gerechtigde betaalt. Als de pensioenverrekening in het verleden contant is afgerekend, beveelt de werkgroep aan bij de berekening van de draagkracht na pensionering van degene die tot uitkering is overgegaan in beginsel het inkomen te nemen na aftrek van het bedrag van de indertijd berekende voorwaardelijke verrekeningsuitkering. Als de onderhoudsplichtige een pensioenverrekenings- of -vereveningsuitkering ontvangt, dient dit inkomen bij het overig inkomen te worden opgeteld. 8 Totaal netto besteedbaar inkomen 9 Bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag Bij de beoordeling van de vraag, welke ruimte er in het besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige is, geldt als uitgangspunt dat hij voor zichzelf ten minste het bestaansminimum behoudt. Bij de bepaling daarvan wordt uitgegaan van het voor de onderhoudsplichtige geldende normbedrag krachtens de Wwb. Afhankelijk van de leefsituatie en de vast te stellen onderhoudsverplichting (partner- of kinderalimentatie) wordt hier de bijstandsnorm voor alleenstaanden, alleenstaande ouders of gehuwden ingevuld. De norm voor alleenstaanden en alleenstaande ouders wordt altijd verhoogd met de toeslag die de bijstand verleent indien de bijstandsgerechtigde de woonlast niet kan delen (art. 25 Wwb). De norm voor gehuwden wordt niet verlaagd (art. 26 Wwb). De Wwb-normen voor jongeren en voor 65+ worden niet toegepast. De norm voor 65+ is verhoogd in verband met de verhoging van de premie ziektekostenverzekering. Deze premie wordt echter als aparte last in aanmerking genomen bij nr. 11. Daarom wordt voor een draagkrachtberekening uitsluitend gerekend met de normen die gelden voor personen jonger dan 65 jaar. De desbetreffende normbedragen, die zijn afgeleid van het netto minimumloon, gelden landelijk en zijn te vinden in de Wwb. Deze normbedragen worden periodiek bijgesteld en halfjaarlijks

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 23 van 47 62

versie januari 2013


24

gepubliceerd. Het toepassen van deze normen ontslaat de rechter van het instellen van een budgetonderzoek. Rechtszekerheid en rechtsgelijkheid worden hiermee gediend. De Wwb geeft recht op een maandelijkse uitkering en een vakantie-uitkering (zie de halfjaarlijkse publicatie). LET OP Nieuwe partner De samenwoning met een nieuwe partner wordt, indien die partner in eigen onderhoud kan voorzien, bij de keuze van de toe te passen norm buiten beschouwing gelaten. Zie 7 onder g. 10 Woonlasten a. Algemeen De werkelijke woonlasten worden in aanmerking genomen. In de bijstandsnorm is echter reeds een component ‘woonlasten' begrepen, gelijk te stellen aan de gemiddelde basishuur conform de Wet op de huurtoeslag. Dit bedrag wordt daarom op de werkelijke woonlasten in mindering gebracht (zie het model voor de netto methode). In een enkel geval zal het voorkomen dat de woonlasten lager zijn dan de gemiddelde basishuur. Als woonlast wordt dan het bedrag van die ondergrens ingevuld. b. Huur In geval van een huurwoning zijn de werkelijke woonlasten te stellen op het bedrag van de kale huur, verminderd met huurtoeslag (deze is belastingvrij), doch vermeerderd met servicekosten als bijdragen in het elektriciteitsverbruik van lift en in het schoonhouden van gemeenschappelijke ruimten. Bij de huur in rekening gebrachte kosten voor gebruik van stoffering, meubilering, verwarming, levering van water, gas en/of elektriciteit van de woning worden niet tot de woonlasten gerekend. Ter verduidelijking dient omtrent de aard van de in rekening gebrachte bedragen zo nodig een verhuurdersverklaring te worden overgelegd. c. Kostgeld Alleenstaanden die niet zelfstandig wonen, betalen soms kostgeld. Vaak is onduidelijk wat de woonkostencomponent daarin is. Als woonlast kan dan het bedrag van de huurcomponent in de bijstandsnorm worden aangehouden, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat de woonkostencomponent in het kostgeld hoger is. d. Korting wegens onredelijke woonlast In individuele gevallen zal, gezien de persoonlijke omstandigheden en de woningmarkt ter plaatse, moeten worden beoordeeld of de woonlasten redelijk zijn. Die beoordeling geldt het totaal van de netto woonlasten. Is dit totaal onredelijk hoog, dan wordt naar redelijkheid een korting toegepast (N.B. geen gelijkheid ‘boven en onder de streep', zie hoofdstuk 4.4 en 123 van dit hoofdstuk). LET OP Nieuwe partner De samenwoning met een nieuwe partner kan gevolgen hebben voor de in aanmerking te nemen woonlast. Zie 7 onder g. 11 Ziektekosten De premie ZVW, inclusief de premie voor de aanvullende verzekering, kan in beginsel volledig in aanmerking worden genomen. Daarop komt, gezien de inhoud en strekking van artikel 475d lid 5 onder a van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, in mindering de jaarlijks vastgestelde normpremie voor een alleenstaande dan wel voor een echtpaar als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, welke begrepen is in de bijstandsnorm. In het voorkomende geval komt ook de zorgtoeslag in mindering op het in aanmerking te nemen bedrag. Andere, niet door de verzekering gedekte medische kosten die aannemelijk worden gemaakt, zoals dieetkosten en tandartskosten, kunnen onder omstandigheden in aanmerking worden genomen. Met een verplicht eigen risico wordt slechts rekening gehouden indien aannemelijk wordt gemaakt dat daadwerkelijk van kosten sprake is. 12 Zelf betaalde premie arbeidsongeschiktheidsverzekering / oudedagsvoorziening / nabestaandenpensioen

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 24 van 47 63

versie januari 2013


25

De niet door de werkgever op het loon ingehouden, maar door de betrokkene zelf betaalde premie voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering (bijvoorbeeld om het zogenaamde WAO/WIA-gat te dichten), een oudedagsvoorziening en/of een nabestaandenpensioen kan hier worden opgenomen. Deze premies worden slechts in aanmerking genomen als de voorziening noodzakelijk is, bijvoorbeeld als sprake is van een onvolledig pensioen. Slechts die premie die recht geeft op een, gezien het inkomen, redelijke oudedagsvoorziening / nabestaandenpensioen komt voor aftrek bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking. Aansluiting kan worden gezocht bij de situatie zoals die bestond tijdens huwelijk / samenwoning. Indien partijen toen een dergelijke premie nodig achtten en betaalden, is het in beginsel redelijk dat de onderhoudsplichtige na het uiteengaan daarmee doorgaat. Bij de afweging kan ook een rol spelen dat de onderhoudsplicht in beginsel eindig is. De premie voor een oudedagsvoorziening, gesloten omdat men een deel van zijn pensioen vanwege pensioenverrekening dan wel -verevening mist, wordt in beginsel niet als noodzakelijke last beschouwd. 13 Vervallen 14 Kosten omgangsregeling Met verblijfskosten verbonden aan een omgangsregeling wordt in het algemeen rekening gehouden. Voor de verblijfskosten kan een forfaitair bedrag van € 5 per kind per dag worden aangehouden. Wanneer, onder bijzondere omstandigheden, tevens rekening wordt gehouden met reiskosten in het kader van de omgang, wordt in principe uitgegaan van de kosten per openbaar vervoer. Bij noodzakelijk gebruik van een auto worden de kosten berekend op basis van 12,5 eurocent per kilometer (€ 0,25 per retourkilometer). Zie ook hoofdstuk 4.5. 15 Andere bijzondere kosten Bij de bepaling van de noodzakelijke kosten van bestaan kan ook met andere bijzondere kosten rekening gehouden worden. Als voorbeeld kan worden genoemd autokosten, indien deze sociaal en/of medisch noodzakelijk zijn, terwijl daarvoor geen vergoeding kan worden verkregen. 16 Werkelijke verwervingskosten a. Algemene kosten Reële, noodzakelijke kosten, gemaakt om het inkomen te verwerven, worden volledig bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen betrokken.. b. Reiskosten woon-werkverkeer Met reëel gemaakte kosten woon-werkverkeer wordt, indien gereisd wordt met openbaar vervoer, volledig rekening gehouden, onder aftrek van eventueel door de werkgever verstrekte vergoedingen. Indien gebruik moet worden gemaakt van de eigen auto wordt gerekend met 12,5 eurocent per kilometer (€ 0,25 per retourkilometer). De eerste tien kilometer zijn niet uitgezonderd. Indien het noodzakelijk was voor de aanschaf van een auto een lening aan te gaan, dan kan met de aflossing van deze lening in beginsel rekening worden gehouden. 17 Studiekosten Studiekosten kunnen in aanmerking worden genomen indien deze worden gemaakt met het reële vooruitzicht dat het inkomen en daarmee ook de draagkracht in de nabije toekomst stijgt. Voor zover sprake is van fiscaal voordeel beveelt de werkgroep de brutomethode aan, zodat daarmee rekening kan worden gehouden. 18 Rente en aflossing schulden Betaling van rente en aflossing op schulden, aangegaan ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding vóór de samenwoning van de echtgenoten werd verbroken, en andere uit die tijd stammende verplichtingen worden altijd in aanmerking genomen. Soms spelen ten tijde van de alimentatievaststelling nog problemen met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap of de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden. Veelal zullen deze problemen ook betrekking hebben op de vraag wie van partijen de bestaande schulden voor zijn rekening zal

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 25 van 47 64

versie januari 2013


26

nemen. Wanneer aannemelijk is dat deze uiteindelijk uit het inkomen van de onderhoudsplichtige zullen moeten worden voldaan, wordt hiermee rekening gehouden, ook vóórdat de vermogensrechtelijke gevolgen van de scheiding zijn afgewikkeld. Dit kan anders zijn met schulden, aangegaan na het verbreken van de samenwoning. Weliswaar zijn dit ten tijde van de alimentatievaststelling bestaande verplichtingen, maar bekeken zal moeten worden of het aangaan van deze schulden zo noodzakelijk was, dat betaling daarvan prevaleert boven de verplichting tot betalen van alimentatie. Schulden die met aanwezig vermogen kunnen worden afgelost dienen buiten beschouwing te blijven. 19 Herinrichtingskosten Met de kosten van herinrichting van degene die aan zijn ex-partner de inboedel heeft gelaten kan, afhankelijk van de omstandigheden (onder meer of het de betaling van kinderalimentatie betreft, zie hoofdstuk 4.5), geheel of ten dele rekening worden gehouden. Wanneer de noodzaak van herinrichting vaststaat en de kosten niet uit spaargeld kunnen worden voldaan, kan een schuld van maximaal € 5.500,- met een maandelijkse verplichting van € 125,- in het algemeen redelijk worden geacht. Wel moet aannemelijk zijn dat deze kosten daadwerkelijk zijn of moeten worden gemaakt. 20 Overige kosten waaronder advocaatkosten Dit is een restrubriek voor niet algemeen voorkomende kosten. In het algemeen beschouwt de werkgroep advocaatkosten gemaakt in het kader van een familierechtelijke procedure niet als een noodzakelijke last die voorrang heeft boven de onderhoudsverplichting, in ieder geval niet voor de vaststelling van kinderalimentatie (zie hoofdstuk 4.5). Indien partneralimentatie wordt vastgesteld kan daarover onder bijzondere omstandigheden anders worden geoordeeld: indien er sprake is van een hoge eigen bijdrage ingeval van gefinancierde rechtshulp dan wel een inkomen boven de grens voor gefinancierde rechtshulp alsmede van een beperkte vrije ruimte voor de onderhoudsplichtige zelf. Indien aantoonbaar advocaatkosten zijn gemaakt en er geen liquide middelen zijn of binnen afzienbare termijn te verwachten zijn, beveelt de werkgroep aan rekening te houden met een bedrag voor noodzakelijke en redelijke kosten voor rechtshulp in de betreffende procedure van maximaal € 1.368,- met een maandlast van maximaal € 114,- gedurende ten hoogste een jaar. Indien in een echtscheidingsprocedure bij de vaststelling van alimentatie in het kader van voorlopige voorzieningen reeds met deze advocaatkosten rekening is gehouden, vangt de termijn van een jaar aan per datum voorlopige voorzieningen. 21 Draagkrachtloos inkomen De som van de in aanmerking te nemen lasten, inclusief de bijstandsnorm, wordt draagkrachtloos inkomen genoemd. Het is het gedeelte van het inkomen dat geen draagkracht oplevert. 22 Draagkrachtruimte Het draagkrachtloos inkomen wordt afgetrokken van het totaal netto inkomen. Wanneer het saldo positief is wordt dit draagkrachtruimte genoemd. Deze draagkrachtruimte wordt in een bepaalde verhouding, die vastligt in het draagkrachtpercentage (zie 22), tussen onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) verdeeld. 23 Draagkrachtpercentage Van de gevonden draagkrachtruimte (zie 22) wordt 70% beschikbaar geacht voor kinderalimentatie. LET OP Nieuwe partner De samenwoning met een nieuwe partner wordt, indien die partner in eigen onderhoud kan voorzien, bij de keuze van het te hanteren draagkrachtpercentage buiten beschouwing gelaten. Zie 7 onder g. 24 Vervallen

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 26 van 47 65

versie januari 2013


27

25 Resterend bedrag Het resterende bedrag kan de onderhoudsplichtige geacht worden voor alimentatie te kunnen missen. 26 Kinderalimentatie Indien vaststelling van kinderalimentatie is verzocht, moet, voor zover deze tussen partijen in geschil is, de behoefte van de kinderen worden vastgesteld. Zie hiervoor hoofdstuk 3.1 en de in de losse bijlage onder 28 opgenomen tabel ‘eigen aandeel kosten van kinderen' met toelichting. 6.3 Toelichting bij het model voor de bruto methode Box I Inkomen uit werk en woning 41 Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking Opgegeven moet worden het overeengekomen loon per jaar. Het bedrag dat per 4 weken wordt betaald moet met 13 worden vermenigvuldigd. Als een jaaropgave beschikbaar is, kan men bij 60 beginnen en 41 tot en met 59 overslaan. Als men niet over een jaaropgaaf beschikt maar wel over de laatste salarisspecificatie van een jaar met cumulatieven kan men uitgaan van het heffingsloon dat in de cumulatieven staat, ook wel aangeduid als loon voor loonbelasting/premieheffing, loon lb/ph, belastbaar loon, fiscaal loon of loon loonheffing. Dit loon is gelijk aan het loon dat op een jaaropgaaf staat. Dit loon dient men niet te verwarren met loon OT of loon SVW. Nu over een uitkering uit hoofde van de Ziektewet - in tegenstelling tot die uit andere sociale verzekeringswetten - arbeidskorting wordt berekend (zie 117) en aanspraak kan worden gemaakt op vakantietoeslag, dient een dergelijke uitkering van de werkgever als arbeidsinkomen te worden verwerkt. Inkomsten van werknemers die vakantiebonnen ontvangen worden niet bij 41 maar bij 45 ingevuld. Bruto ZW-uitkering van het UWV Ten aanzien van de uitkering uit hoofde van de Ziektewet van het UWV bestaat recht op de arbeidskorting. De vakantietoeslag is echter, anders dan bij de uitkering van de werkgever, al in de uitkering verwerkt. Indien geen andere inkomsten uit dienstbetrekking worden genoten, kan de uitkering hier worden ingevuld. 42 en 43 Bruto AOW-uitkering en Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten Een WW-, WAO/WIA- en AOW-uitkering kan hier worden ingevuld, tenzij het een uitkering betreft waarbij aan werknemers vakantiebonnen worden verstrekt. Deze dienen bij 45 te worden ingevuld. Het basispensioen voor een gehuwde verschilt van dat voor een ongehuwde. Daarom heeft een scheiding in het algemeen invloed op de hoogte van de AOW-uitkering. Over een AOW-uitkering is geen premie WW verschuldigd. Jaarlijks in mei wordt over de AOW-uitkering een vakantietoeslag uitbetaald. Deze toeslag bedraagt niet de gebruikelijke 8% bruto, maar een jaarlijks vast te stellen vast bruto bedrag. LET OP Pensioenverrekening / pensioenverevening Indien de onderhoudsplichtige een pensioenverrekeningsuitkering aan een ex-echtgenoot moet betalen beveelt de werkgroep aan deze verplichting af te trekken van het bruto inkomen en uitsluitend het resterende inkomen in de alimentatieberekening te betrekken. Als de onderhoudsplichtige een pensioenvereveningsbijdrage moet betalen is deze bijdrage in beginsel al van het inkomen afgetrokken omdat het pensioenfonds de vereveningsuitkering rechtstreeks aan de gerechtigde betaalt. Als de pensioenverrekening in het verleden contant is afgerekend beveelt de werkgroep aan bij de berekening van de draagkracht na pensionering van degene die tot uitkering is overgegaan in beginsel het inkomen te nemen na aftrek van het bedrag van de indertijd berekende voorwaardelijke verrekeningsuitkering.

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 27 van 47 66

versie januari 2013


28

Als de onderhoudsplichtige een pensioenverrekenings- of -vereveningsuitkering ontvangt dient dit inkomen bij het overig inkomen te worden opgeteld. 44 Vakantietoeslag De vakantietoeslag wordt in de berekening betrokken door bij het bruto inkomen 8% op te tellen. Er wordt géén vakantietoeslag bijgeteld bij werknemers die vakantiebonnen ontvangen. Hun inkomsten worden niet bij 41 of 42 maar bij 45 ingevuld. Over het vakantiegeld worden geen werknemersverzekering- en pensioenpremies e.d. geheven, maar wel de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage ZVW, voor zover niet reeds op basis van het overige loon het maximum wordt bereikt. Over een WW-, WAO/WIA- en AOW-uitkering wordt ook vakantietoeslag berekend. Voor het percentage, zie de betreffende regeling. Over diverse particuliere pensioenen wordt geen vakantietoeslag uitgekeerd. 45 Bruto arbeidsinkomen inclusief belast deel waarde vakantiebonnen Het bruto inkomen van werknemers in sectoren waarin vakantiebonnen worden verstrekt, kan niet zonder meer uit de salarisspecificatie worden afgelezen, doch moet berekend worden. Bij deze werknemers is er namelijk geen sprake van een vakantietoeslag en loon over vakantiedagen. De verstrekte vakantiebonnen omvatten gedeeltelijk vakantiegeld en gedeeltelijk een vergoeding ter zake van loonderving voor vakantiedagen, waarover het loon niet wordt doorbetaald. Deze werknemers ontvangen in het algemeen maximaal 46 weken loon (en vakantiebonnen) per jaar. De vakantiebonnen kunnen 2 à 3 keer per jaar verzilverd worden. In die situatie wordt aan de hand van de salarisgegevens en de waarde van de vakantiebonnen het bruto inkomen per jaar herleid. 14 Op een loonstrook wordt meestal alleen de fiscaal belaste waarde van de vakantiebon vermeld . Per loonperiode wordt over deze belaste waarde loonbelasting op het loon ingehouden. De 100%waarde van de vakantiebon wordt door de werkgever aan de bedrijfsvereniging afgedragen. Bij de verzilvering van de vakantiebon krijgt de werknemer dan ook de gehele waarde uitgekeerd. Bij 29 moet het fiscale bruto jaarinkomen worden ingevuld. Een gebruikelijke berekening van dit fiscale jaarinkomen in geval van een weekloon gaat als volgt: 46 maal het bruto weekinkomen vermeerderd met 46 maal de belaste waarde van de vakantiebonnen. Over een periode van werkloosheid, bijvoorbeeld bij vorstverlet, ontvangt een werknemer een WWuitkering. Hieromtrent worden door de desbetreffende uitkerende instantie opgaven (ook jaaropgaven) verstrekt. Voor zover bij de WW-uitkering vakantiezegels worden verstrekt zijn deze 100 % belast. Over de uitkeringsperiode is het fiscale bruto loon dus het aantal uitkeringsweken maal de bruto weekuitkering vermeerderd met het aantal uitkeringsweken maal de 100%-waarde van de vakantiebonnen. Indien de rest van het jaar gewerkt is, kan voor het aantal gewerkte weken 46 minus het aantal uitkeringsweken worden gerekend. Het fiscale bruto loon over die weken is dan dit aantal weken maal het bruto weekinkomen vermeerderd met dit aantal weken maal de belaste waarde van de vakantiebonnen. Het totaal kan bij 45 als fiscaal bruto jaarinkomen worden ingevuld. De onbelaste waarde van de vakantiebonnen (over de gewerkte weken) dient bij 118 te worden opgegeven. In de sector Bouwnijverheid wordt sinds 2006 gebruik gemaakt van het Tijdspaarfonds. Het loon wordt over 52 weken betaald, waarnaast per jaar 18 dagen extra worden uitbetaald. Over het totaal van beide bedragen wordt 8% vakantietoeslag uitbetaald. Op de loonstrook worden de extra dagen vermeld als bijvoorbeeld “TSF-dagen” of “tijdspaarfonds”. De daarmee corresponderende bedragen, inclusief de vakantietoeslag daarover, worden door de werkgever rechtstreeks gestort in het tijdspaarfonds. De bouwplaatswerknemer kan de opgebouwde rechten aanwenden voor vrije tijd of

14

De fiscaal belaste waarde bedroeg tot 1999 meestal 75 %. De belaste waarde resp. onbelaste waarde bedraagt in 1999: 77,5 % 22,5 % 2004: 90 % 10,0 % 2000: 80 % 20 % 2005 t/m 2007: 92,5 % 7,5 % 2001: 82,5 % 17,5 % 2008: 95 % 5% 2002: 85 % 15 % 2009: 97,5 % 2,5% 2003: 87,5 % 12,5 % 2010: 99% 1%

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 28 van 47 67

versie januari 2013


29

een uitkering in geld. 46 Inkomsten uit overwerk Het is niet mogelijk eenduidig aan te geven of en in hoeverre nevenverdiensten, zoals overwerk en gehonoreerde nevenfuncties, mede bepalend zijn voor de draagkracht. Dit zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden. Bij de beoordeling van de vraag of de onderhoudsplichtige vrijwillig mag stoppen met nevenverdiensten of overwerk zou in aanmerking genomen kunnen worden of deze nevenverdiensten in mindere of meerdere mate inherent zijn aan de vervulling van de hoofdfunctie en of deze inkomsten ook al -structureel- tijdens het huwelijk werden verworven. Bij sterke schommelingen in inkomsten moet zoveel mogelijk het gemiddelde worden bepaald. Fooien worden zoveel mogelijk bij de draagkrachtberekening in aanmerking genomen. e e 47 en 48 13 maand/14 periode, belaste gratificaties en tantièmes

Eventueel ander bruto arbeidsinkomen, zoals een dertiende maand, een veertiende periode, gratificaties, tantièmes en eindejaarsuitkeringen worden bij het bruto arbeidsinkomen geteld, tenzij deze posten een incidenteel karakter dragen of reeds in het bruto inkomen onder 41 of 45 zijn verantwoord. 49 Belaste onkostenvergoedingen Het wel of niet belast zijn van een onkostenvergoeding kan afgeleid worden uit de salarisspecificatie. Aan het feit dat de onkostenvergoeding fiscaal wordt belast kan niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat het gaat om verkapt inkomen. 51 Ingehouden pensioenpremie De ingehouden pensioenpremie wordt op het bruto arbeidsinkomen in mindering gebracht, omdat deze premie voor de loonheffing niet tot het loon wordt gerekend. De premie per jaar kan het best worden benaderd door het per maand betaalde bedrag met twaalf of het per 4 weken betaalde bedrag met dertien te vermenigvuldigen. OP betekent ouderdomspensioen, NP betekent nabestaandenpensioen, IP-BW betekent invaliditeitspensioen bovenwettelijk. 53 Aanvullende door werkgever ingehouden premie nabestaandenpensioen/reparatie WAO/WIA-gat Het zogenaamde WAO/WIA-gat en het tekort in nabestaandenpensioen kan worden gerepareerd door een collectieve aanvullende pensioenvoorziening. Fiscaal gezien heeft dit dezelfde gevolgen als de betaling van de gewone pensioenpremie. De premie moet dus op het loon in mindering worden gebracht voordat de premies werknemersverzekeringen worden berekend. Deze premies worden slechts in aanmerking genomen als de voorziening noodzakelijk is, bijvoorbeeld als sprake is van een onvolledig pensioen. Slechts die premie die recht geeft op een, gezien het inkomen, redelijke oudedagsvoorziening dan wel redelijk nabestaandenpensioen komt voor aftrek bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking. Aansluiting kan worden gezocht bij de situatie zoals die bestond tijdens het huwelijk of de periode gedurende welke men samenwoonde. Indien partijen toen een dergelijke premie nodig achtten en betaalden is het in beginsel redelijk dat de onderhoudsplichtige na het uiteengaan daarmee doorgaat. Bij de afweging kan ook een rol spelen dat de onderhoudsplicht in beginsel eindig is. De premie voor een oudedagsvoorziening, gesloten omdat men een deel van zijn pensioen vanwege pensioenverrekening dan wel -verevening mist, wordt in beginsel niet als een noodzakelijke last beschouwd. De premie per jaar kan het best worden benaderd door het per maand betaalde bedrag met twaalf of het per 4 weken betaalde bedrag met dertien te vermenigvuldigen. 54 Loon voor de premies werknemersverzekeringen Het op deze plaats berekende saldo geeft het inkomen, waarover de premies werknemersverzekeringen moeten worden berekend.

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 29 van 47 68

versie januari 2013


30

55 Premie WW De premie WW (Werkloosheidswet) moet worden berekend over het loon per werkdag, maar over niet meer dan het maximum dagloon na aftrek van een franchise. Dat betekent dat bij een parttime dienstbetrekking het loon niet gedeeld kan worden door het totaal aantal werkdagen per jaar. Voor de gevallen waarin dit wel kan, volgen voor de verschillende jaren het totaal aantal werkdagen, het maximum dagloon, (door deze getallen met elkaar te vermenigvuldigen) het maximale inkomen en de franchise waarover nog premie betaald moet worden uit de tabel in de bijlage ‘tarieven en tabellen' onder 55. Het loon waarover de premie moet worden berekend, is vastgelegd in de CoĂśrdinatiewet Sociale Verzekeringen. Het in het model onder (A) berekende totaal zal daar in vrijwel alle gevallen exact mee overeenkomen. Verschillen zijn mogelijk in het geval van beloningen in natura. Het premiepercentage wordt per bedrijfstak vastgesteld. De wachtgeldpremie en de werkloosheidspremie moeten bij elkaar worden opgeteld. Het voor betrokkene geldende percentage kan worden ontleend aan zijn loonstrook. Alleen indien geen zekerheid kan worden verkregen over het juiste percentage, mag gebruik worden gemaakt van het geschatte gemiddelde percentage (zie tabel in de bijlage 'tarieven en tabellen' onder 55). 56 Premie arbeidsongeschiktheidsverzekering i.v.m. reparatie WAO/WIA-gat De reparatie van het WAO/WIA-gat, ontstaan door de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen, vindt in sommige gevallen plaats via een collectieve aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering. Of dit het geval is blijkt uit de loonstrook. De betaalde premie moet aan de loonstrook worden ontleend en worden omgerekend naar een bedrag per jaar. Uit de loonstrook moet blijken hoe de premie wordt berekend. Het zal gaan om een percentage van het loon, verminderd met de pensioen- en VUT-premie (0), na aftrek van een franchise. Een redelijke schatting kan worden verkregen door het per maand betaalde bedrag met 12 of het per 4 weken betaalde bedrag met 13 te vermenigvuldigen. 57 Inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW Met ingang van 1 januari 2013 wordt over het loon of de uitkering op verschillende manieren de inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW geheven: - de werkgever of de uitkeringsinstantie betaalt de zogenoemde werkgeversheffing ZVW. Dit bedrag wordt niet ingehouden op het loon of de uitkering en de werkgever of uitkeringsinstantie betaalt ook geen vergoeding meer. - de onderhoudsplichtige betaalt zelf de bijdrage ZVW. De werkgever of uitkeringsinstantie houdt de bijdrage in op het nettoloon. Daarnaast kan een directeur grootaandeelhouder op aanslag een inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW verschuldigd zijn. Met de ingehouden of op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage dient bij de vaststelling van het netto besteedbaar inkomen rekening te worden gehouden, zie 120. 58 Bijdrage werkgever in ziektekosten Een andere dan de onder 57 bedoelde bijdrage van de werkgever in de door de werknemer te betalen ziektekosten zal over het algemeen worden aangemerkt als belast loon en dient dan hier te worden opgenomen. 59 Inkomsten uit arbeid Het berekende bedrag geeft het totaal van de belaste inkomsten uit arbeid. Voor zover het niet gaat om besteedbaar (werkelijk) inkomen (de bij 57 opgegeven inkomensafhankelijke bijdrage van de werkgever in de premie ZVW), vindt bij 124 een correctie plaats (door aftrek van de volledige premie, derhalve inclusief de bijdrage van de werkgever in de premie ZVW).

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 30 van 47 69

versie januari 2013


31

60 Loon volgens jaaropgave(n) Als een jaaropgave met betrekking tot loon uit dienstbetrekking beschikbaar is kan met 60 worden begonnen. De nummers 1 tot en met 59 behoeven dan niet te worden ingevuld. Premies Het loon volgens de jaaropgave is al vermeerderd met alle belaste toeslagen en uitkeringen, de bijdrage premie levensloopregeling, het vakantiegeld en het overwerk. Afgetrokken zijn al de pensioenpremies, de premie WW en de inhoudingen in verband met een collectieve reparatie van het WAO/WIA-gat. Wordt op het nettoloon de inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW ingehouden, dan dient de jaaropgave in dat te verband te worden gecorrigeerd. Als men niet over een jaaropgaaf beschikt maar wel over de laatste salarisspecificatie van een jaar met cumulatieven kan men in veel gevallen uitgaan van het heffingsloon dat in de cumulatieven staat, ook wel aangeduid als loon voor loonbelasting/premieheffing, loon lb/ph, belastbaar loon, fiscaal loon of loon loonheffing. Dit loon is gelijk aan het loon dat op een jaaropgaaf staat. Dit loon dient men niet te verwarren met loon OT of loon SVW. Indien in de jaaropgave inkomsten uit overwerk zijn verwerkt, moet worden nagegaan of deze inkomsten niet een louter incidenteel karakter dragen in welk geval deze meestal niet tot het inkomen worden gerekend. Bij werknemers die vakantiebonnen ontvangen, is de belaste waarde van de verstrekte vakantiebonnen in het loonbedrag op de jaaropgave begrepen. Bij inkomen uit arbeid is een deel van de waarde onbelast. Dit deel van de waarde moet worden ingevuld bij 118. Van belang is dat de jaaropgaaf het onbelaste deel niet vermeldt. Zie verder 45. Levensloop De levensloopregeling is afgeschaft per 1 januari 2012. Deelnemers aan de levensloopregeling die op 31 december 2011 een saldo van minimaal € 3.000 hebben staan, kunnen met de levensloopregeling doorgaan. Bij een nieuwe inleg wordt geen levensloopverlofkorting meer opgebouwd. Deelname aan de levensloopregeling is een vrije keuze van de werknemer, waardoor een deel van het loon van een werknemer, al dan niet vermeerderd met een werkgeversbijdrage, wordt gereserveerd. Aanbevolen wordt de financiële gevolgen van deze keuze voor rekening van de werknemer te laten. Dat kan door de werkgeversbijdrage en inhouding in de jaaropgave te corrigeren en buiten beschouwing te laten. Auto van de zaak Stelt de werkgever een auto ter beschikking, dan wordt voor het privégebruik van deze auto voor de inkomensheffing een forfaitair bedrag bij het inkomen opgeteld, tenzij de werknemer zijn privégebruik beperkt tot minder dan 500 kilometer per jaar en aan de overige voorwaarden voor het achterwege laten van de bijtelling is voldaan. De bijtelling leidt tot een hogere loonheffing. Het gevolg hiervan is dat het besteedbaar inkomen per maand daalt. Bijzondere omstandigheden daargelaten wordt met deze fiscale bijtelling, en dus met de daling van het besteedbaar inkomen, geen rekening gehouden. Immers, de bijtelling betreft in feite een belasting op loon in natura: het door de werkgever gratis ter beschikking gestelde privégebruik van de auto waarvoor betrokkene zelf geen benzine, verzekering, onderhoud of afschrijving betaalt. Tegenover de extra geheven belasting kan worden geacht voor de betrokkene een voordeel in de privésfeer te staan, omdat hij de keuze heeft de auto van de zaak al dan niet te accepteren. Soms wordt aan de werkgever een vergoeding voor het privégebruik van de auto betaald. Deze vergoeding strekt in mindering op het bedrag dat voor de inkomstenbelasting bij het loon moet worden opgeteld. Tegenover de aan de werkgever betaalde vergoeding staat derhalve een lagere belastingheffing, maar ook lager loon vanwege inhouding van een daadwerkelijk door de werknemer betaalde vergoeding.

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 31 van 47 70

versie januari 2013


32

Nu de extra heffing ingevolge de bijtelling terzake van het privégebruik en de eventueel betaalde vergoeding het gevolg zijn van een keuze van de werknemer, dient de extra belasting die de bijtelling oplevert in de jaaropgaaf – bijzondere omstandigheden daargelaten – buiten beschouwing te worden gelaten en derhalve te worden gecorrigeerd. Van het inkomen volgens jaaropgaaf dient dan ook de bijtelling – verminderd met de eventuele eigen bijdrage - voor het privégebruik van de zakelijk auto te worden afgetrokken. Het bedrag van de bijtelling is in de regel kenbaar uit de loonstroken. 62 Reisaftrek De reisaftrek geldt bij regelmatig woon-werkverkeer en wordt uitsluitend in aanmerking genomen voor zover de per openbaar vervoer afgelegde reisafstand meer bedraagt dan 10 km per dag. De aftrek wordt verminderd met de ontvangen reiskostenvergoeding. In beginsel is een openbaarvervoerverklaring vereist. 64 Belastbaar loon (a) Dit is het loon, gecorrigeerd voor de eventuele bijtelling voor het privégebruik van de auto van de zaak en verminderd met de reisaftrek, dat de basis vormt voor de berekening van de loonheffing. 65 Te verwachten beschikbare winst Verschil bedrijfseconomische en fiscale winst Een ondernemer die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft, geniet geen salaris, maar winst. Hij zal in de regel voor zijn levensonderhoud bedragen aan het vermogen van de onderneming onttrekken. Die onttrekkingen, verminderd met de betaalde belasting en premies, heeft hij - eventuele andere bronnen van inkomen buiten beschouwing gelaten - in het desbetreffende jaar netto beschikbaar gehad. De belasting die de ondernemer - in privé - moet betalen wordt vastgesteld op basis van zijn belastbare winst uit onderneming. Het betreft hier alleen de winst van de individuele ondernemer, niet die van het eventuele samenwerkingsverband. Hoewel die vaststelling van belastbare winst pas achteraf - na afloop van het jaar - mogelijk is, zal de ondernemer in de regel een voorlopige aanslag krijgen op basis waarvan een geschat bedrag aan belasting moet worden betaald. Jaarlijks dient voor de onderneming een jaarrekening te worden opgesteld met een balans, winst- en verliesrekening en een toelichting. Veelal maakt de ondernemer ook een kasstroomoverzicht waarin melding wordt gemaakt van de onttrekkingen. Er is een verschil tussen de bedrijfseconomische en fiscale jaarrekening. Een kleine ondernemer kan volstaan met een fiscale jaarrekening en hoeft geen bedrijfseconomische jaarrekening op te stellen. Bij post 65 (te verwachten beschikbare winst) dient te worden ingevuld het bedrag dat de ondernemer, vanaf het moment van de vaststelling van zijn onderhoudsverplichting, mag worden geacht te kunnen onttrekken aan de onderneming in de zin als hiervoor omschreven. Dat kan een bedrag zijn ter hoogte van het resultaat voor het lopende jaar (geschat op basis van de resultaten van de afgelopen jaren), maar het kan ook een bedrag aan geschatte onttrekkingen zijn, als niet alle of juist meer middelen aan de onderneming kunnen of zullen worden onttrokken. De omvang van de bedragen dient zodanig te zijn dat de continuïteit van de onderneming niet in gevaar komt. Het ligt op de weg van de ondernemer om inzicht te verschaffen in zijn bedrijfsvoering en actuele financiële positie. Wenselijk zijn niet alleen de stukken waarmee de ondernemer inzicht kan geven in de bedrijfsvoering in de afgelopen jaren, zoals - in ieder geval de drie laatste definitieve - jaarstukken over het verleden (met daarin de balans, de winst- en verliesrekening en toelichting inclusief kasstroomoverzichten, belastingaangiften en aanslagen), maar ook stukken waarmee hij zijn verwachtingen voor de toekomst kan onderbouwen, zoals bijvoorbeeld concept jaarstukken, prognoses, zoals bijvoorbeeld een liquiditeitsprognose, en voorlopige aanslagen. Berekening van de belastingdruk Op de te verwachten beschikbare winst dient de belasting in mindering te worden gebracht. De belastingdruk wordt berekend op basis van de (geschatte) fiscale winst uit onderneming voor het desbetreffende jaar. Vanwege beperkingen en faciliteiten in de fiscale wetgeving, kan de

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 32 van 47 71

versie januari 2013


33

bedrijfseconomische winst afwijken van de belastbare winst uit onderneming op basis waarvan de verschuldigde belasting wordt berekend. Het is daarom van belang rekening te houden met die fiscale beperkingen en faciliteiten. Deze worden behandeld in 66 tot en met 74. Indien de (geschatte) winst uit onderneming bekend is, kan aparte invulling van 66 tot en met 69 achterwege blijven en kan de winst direct bij 70 worden ingevuld. Indien de (geschatte) belastbare winst uit onderneming bekend is, kan aparte invulling van 66 tot en met 74 (ondernemersaftrek en MKB-vrijstelling) in de regel achterwege blijven en dient het bedrag van de belastbare winst bij 75 te worden ingevuld. De belastingdruk op de te verwachten beschikbare winst wordt dan rechtstreeks op basis van de belastbare winst berekend. In geval van privégebruik van een auto van de zaak dient – bij rechtstreekse invulling van de winst uit onderneming bij 70 of de belastbare winst uit onderneming bij 75, bij 75 een correctie te worden toegepast, zie toelichting bij 75 hierna. Deze exercitie in verband met diverse fiscale correcties en faciliteiten behoeft niet te worden gemaakt in het geval waarin de verrekenbare verliezen ten minste even groot zijn als de geschatte belastbare winst. In dat geval is de belastingdruk op het te verwachten beschikbare winst voor het desbetreffende jaar nihil. Directeur grootaandeelhouder Indien een ondernemer zijn onderneming drijft door middel van een aparte rechtspersoon (en meerderheidsaandeelhouder van een BV of NV is), is in de regel sprake van een salaris en mogelijk reguliere - in de zin van met enige regelmaat terugkerende - dividenduitkeringen. In de alimentatieberekening is in dat geval niet de post bedrijfsresultaat van belang, maar post 41 (loon) of 60 (in geval van jaaropgaaf) en post 96 (reguliere voordelen).Ook hier dient te worden beoordeeld wat de ondernemer vanaf het moment van vaststelling van de onderhoudsverplichting in de toekomst mag worden geacht te kunnen onttrekken aan de vennootschap, in de vorm van salaris of dividend. Zie voor de beoordeling verder het hiervoor opgemerkte. Aanbevolen worden de volgende publicaties: - Alimentatie en winst uit onderneming, Trema 1996 nr. 11/12, p. 368 - Alimentatie en de ondernemer: de verhouding tussen winst, kasstromen en draagkracht, EB 2012/11 66 Aftrekbeperkingen De belastingwet kent een groot aantal aftrekbeperkingen, zoals bijv. 10% van kosten voor voeding, representatie en congressen e.d.. Voor de berekening van de verschuldigde belasting, dient de bedrijfseconomische winst te worden verhoogd met de kosten die in aftrek zijn gebracht, maar waarvoor een aftrekbeperking geldt. Door hier de kosten op te nemen waarvoor een aftrekbeperking geldt wordt dit bewerkstelligd. De beperking van deze aftrek heeft een belastingverhogend effect. 67 Investeringsaftrek Bij aftrek in verband met investeringen dient onderscheid te worden gemaakt in aftrek die leidt tot uitstel en aftrek die leidt tot afstel van de heffing van belasting. Aftrek die leidt tot uitstel van heffing, zoals bijvoorbeeld willekeurige afschrijving, geeft in het jaar van afschrijving een belastingvoordeel. Daar staat een belastingnadeel in een ander jaar tegenover, als in dat jaar niet meer kan worden afgeschreven. Mede gelet op het doel van de regeling, wordt aanbevolen het belastingvoordeel en -nadeel niet te verwerken. Afstel van heffing kan worden verkregen indien door de ondernemer is geïnvesteerd in bepaalde bedrijfsmiddelen. Naast de afschrijvingen kan in sommige gevallen een deel van het investeringsbedrag ten laste van de winst worden gebracht in de vorm van een (kleinschaligheids-, energie- en milieu-) investeringsaftrek. Het gaat om een eenmalige aftrek waarvan de hoogte afhankelijk is van het geïnvesteerde bedrag. Indien aannemelijk is dat een zodanige investering plaats zal vinden, kan de

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 33 van 47 72

versie januari 2013


34

aangifte over een voorgaand jaar informatie geven over de omvang van de aftrek. Gelet op het doel van de regeling kan de aftrek buiten beschouwing worden gelaten. 68 Vervallen 69 Fiscale oudedagsreserve Anders dan werknemers hebben ondernemers geen (verplichte) pensioendeelname. De premie voor een pensioenvoorziening drukt dan ook niet automatisch de inkomsten en draagkracht. Ondernemers (eenmanszaken, vof's en vrijberoepsbeoefenaren) kunnen in beginsel jaarlijks ten laste van de winst uit onderneming een bedrag toevoegen aan hun fiscale oudedagsreserve (FOR). In feite gaat het hierbij om een keuze: wanneer de ondernemer dat bij zijn aangifte verzoekt blijft de toevoeging over het desbetreffende jaar achterwege. Ten aanzien van de omvang van de toevoeging bestaat geen keuzevrijheid. Het bedrag dat kan worden toegevoegd is in de wet vastgelegd als een afgeleide van de winst. De regeling is bedoeld als fiscale tegemoetkoming aan ondernemers die hun financiële middelen in hun onderneming hebben geïnvesteerd en daardoor de mogelijkheid missen hun oudedagsvoorziening extern te financieren. De FOR is overigens geen vrije reserve. De regeling biedt de ondernemer uitstel van de inkomstenheffing over de bedragen die aan de FOR worden toegevoegd. Over het bedrag van de FOR -dit is het totaal van de toevoegingen- moet te zijner tijd de belasting alsnog worden afgerekend voor zover dit bij beëindiging van de onderneming niet wordt aangewend voor de aankoop van een lijfrente. De FOR kan in beginsel niet uitgaan boven het eigen vermogen (het vermogen dat de ondernemer zelf in zijn onderneming gestoken heeft, zie de balans). Om een jaarlijkse toevoeging aan de FOR te kunnen doen moet de ondernemer dus zijn eigen vermogen op peil houden. De (voorlopige) vrijstelling van inkomstenheffing over de gedoteerde bedragen stelt de ondernemer daartoe deels in staat. Het geeft hem extra ruimte om geld in zijn onderneming te steken. Het ondernemingsvermogen kan te zijner tijd worden aangewend om een oudedagsvoorziening te treffen. Door de vrijstelling van inkomstenheffing over de FOR-dotatie neemt de actuele draagkracht van de onderhoudsplichtige ondernemer toe. Indien de ondernemer besluit te doteren aan de FOR, leidt het invullen van de dotatie op deze plaats tot verlaging van de fiscale winst zodat in het jaar van dotatie minder belasting verschuldigd is. Op de reserve kan niet worden ingeteerd, zodat de betreffende investering in de FOR vervolgens ook in aanmerking moet worden genomen, bij 134 (overige kosten). Besluit de ondernemer niet te doteren, maar extern een – fiscaal gefaciliteerde – voorziening op te bouwen, dan dient daarmee niet op deze plaats maar bij de inkomensvoorzieningen rekening te worden gehouden. 70 Winst uit onderneming Het saldo van 64 t/m 69 vormt de in aanmerking te nemen winst uit onderneming. De winst uit onderneming, indien bekend, kan hier ook worden ingevuld. 71, 72, 73, 74 Ondernemersaftrek en MKB-winstvrijstelling a. Zelfstandigenaftrek De zelfstandigenaftrek, een vast bedrag geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium (ten minste 1225 uur) voldoet en jonger is dan 65 jaar. Indien in de vijf voorafgaande jaren niet meer dan twee maal zelfstandigenaftrek is toegepast wordt deze aftrek verhoogd met de startersaftrek, eveneens een vast bedrag. b. Speur- en ontwikkelingswerkaftrek Deze aftrek geldt als de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en jonger is dan 65 jaar tenminste 500 uur besteedt aan werk dat is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. c. Meewerkaftrek Deze aftrek geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en van wie de partner zonder

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 34 van 47 73

versie januari 2013


35

enige vergoeding arbeid in de onderneming verricht. De aftrek is afhankelijk van het gewerkte aantal uren en wordt uitgedrukt in een percentage van de winst. d. Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid Op deze aftrek kan aanspraak worden gemaakt indien vanuit de positie van arbeidsongeschiktheid een onderneming wordt gestart. Vereist is dat de ondernemer in de vijf jaar voordien geen ondernemer was en in het kalenderjaar recht heeft op een WIA-, WAO-, Waz-, of Wajong-uitkering. e. Stakingsaftrek De stakingsaftrek, een vast bedrag, wordt verleend bij het staken van een gehele onderneming. Een ondernemer kan daar maar één keer aanspraak op maken. f. MKB-vrijstelling De MKB winstvrijstelling is een aftrekpost waarop de ondernemer die aan het urencriterium voldoet recht heeft. De vrijstelling bedraagt een vast percentage van de winst, nadat deze is verminderd met de ondernemersaftrek. Daarbij wordt de totale winst van alle ondernemingen die een ondernemer heeft in aanmerking genomen. 75 Belastbare winst uit onderneming De belastbare winst uit onderneming is de resultante van de hiervoor bij 70 tot en met 74 ingevulde gegevens. Indien de belastbare winst bekend is, kan deze hier worden ingevuld. Ingeval van de mogelijkheid tot het invullen van de winst uit onderneming of de belastbare winst gebruik is gemaakt, dient eventueel op deze plaats een correctie plaats te vinden voor het privégebruik van de auto van de zaak. Privégebruik auto Een ondernemer kan er voor kiezen om een auto, die hij niet alleen binnen zijn onderneming gebruikt maar ook daarbuiten, als bedrijfsmiddel aan te merken. De kosten van de auto komen dan in mindering op de winst. Indien sprake is van privégebruik, wordt dat fiscaal belast. Dit gebeurt door de winst te verhogen met een bijtelling die op vergelijkbare wijze als bij werknemers met een auto van de zaak wordt bepaald (zie 66). De werkgroep beveelt aan de belasting over het privégebruik voor de bepaling van de draagkracht buiten beschouwing te laten. Dat kan door de bijtelling bij de bepaling van de belastbare winst niet in aanmerking te nemen. Het gevolg is dat een lagere belastingdruk dan de reële belastingdruk in aanmerking wordt genomen en meer actuele draagkracht resteert. Uitsluitend indien de winst uit onderneming bij 70 is ingevuld, of de belastbare winst hier is ingevuld, dient hier een correctie te worden toegepast door de bijtelling voor de auto in te vullen. De belastbare winst uit onderneming wordt dan verminderd met de bijtelling. Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW De door de ondernemer op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW dient in mindering te worden gebracht op het netto inkomen van de ondernemer, zodat dit bedrag het uiteindelijke netto besteedbare inkomen verlaagt. 76 Resultaat uit overige werkzaamheden Het begrip resultaat uit overige werkzaamheden dient ruim te worden geïnterpreteerd. Daaronder vallen o.a. inkomsten die voortvloeien uit enige vorm van arbeid in het economisch verkeer en die niet als belastbaar loon of belastbare winst kunnen worden aangemerkt. In dat geval kunnen geen onbelaste vergoedingen en verstrekkingen worden ontvangen (te denken valt aan: het houden van lezingen, freelance werkzaamheden, politieke functies als lid van gemeenteraad).

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 35 van 47 74

versie januari 2013


36

Onder resultaat uit overige werkzaamheden valt eveneens het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een eigen onderneming, b.v. het verhuren door een directeurgrootaandeelhouder van een aan hem in eigendom toebehorend pand aan zijn besloten vennootschap. Alle inkomsten zijn belast en alle kosten (voor zover toegestaan) zijn aftrekbaar. De door de resultaatgenieter op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW dient in mindering te worden gebracht op het netto inkomen, zodat dit bedrag het uiteindelijke netto besteedbare inkomen verlaagt. 77 Aftrekbeperkingen Het resultaat wordt becijferd overeenkomstig de bepalingen voor de winst uit onderneming. Een aantal aftrekposten is echter uitgezonderd, bijvoorbeeld met betrekking tot privĂŠ getinte uitgaven. Raadpleeg in het voorkomende geval een belastingalmanak (zie ook 66). 78 Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden Dit is de resultante van 76 en 77. 79 Periodieke uitkeringen en verstrekkingen Dit betreft ondermeer termijnen van lijfrente, pensioenverrekenings- en vereveningsuitkeringen, alimentatie en uitkeringen op grond van een vrijwillige AOW- en ANW-verzekering. Op veel uitkeringen wordt loonheffing ingehouden volgens de regels van de Wet op de Loonbelasting 1964. Over de uitkering kan (op aanslag) inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW verschuldigd zijn, waar rekening mee dient te worden gehouden. 80 Vervallen 82, 83, 84 en 85 Eigenwoningforfait, aftrekbare kosten en belastbare inkomsten uit eigen woning Voor de belastingwet wordt de woning die eigendom en hoofdverblijf is als bron van inkomen gezien. Dientengevolge zijn bepaalde inkomsten belast en bepaalde kosten aftrekbaar. De inkomsten worden forfaitair bepaald door middel van het eigenwoningforfait. a. Eigenwoningforfait Het eigenwoningforfait wordt berekend aan de hand van de woz-waarde die is vastgesteld voor het voorgaande jaar en bedraagt een van de waarde van de woning afhankelijke percentage. b. Aftrekbare kosten De meest bekende aftrekbare kosten zijn de hypotheekrenten. De mate van gerechtigdheid tot de woning en verschuldigdheid van de lening bepalen de omvang van de inkomsten en de aftrek. Als aftrekbare kosten kunnen verder periodieke betalingen van erfpacht en opstal in aanmerking worden genomen. Aflossingen en premies voor verzekeringen die aan de hypotheek zijn gekoppeld zijn niet aftrekbaar. Betaalde hypotheekrente als woonlast van de alimentatieplichtige De onderhoudsplichtige met een eigen woning (hoofdverblijf) krijgt een bijtelling in box I van het eigen woningforfait. De hypotheekrente die betrekking heeft op de eigenwoningschuld wordt in aanmerking genomen als aftrekbare kosten. Het saldo van het forfait minus de kosten is de aftrekpost belastbare inkomsten uit eigen woning. Van een eigenwoningschuld is sprake tot het bedrag dat de lening is aangegaan, voor zover die betrekking heeft op de verwerving/onderhoud van die woning, en verminderd met een eventuele

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 36 van 47 75

versie januari 2013


37

eigenwoningreserve. Voor de belastingplichtige die wel een eigen woning heeft, maar geen of een geringe eigenwoningschuld, kan het eigenwoningforfait hoger zijn dan het bedrag waarvoor aanspraak kan worden gemaakt op aftrek. In dat geval is de aftrek in verband met geen of geringe eigenwoningschuld van toepassing (amendement Hillen). Dat leidt er toe dat de bijtelling van het eigenwoningforfait er niet toe kan leiden dat positieve inkomsten uit eigen woning in aanmerking worden genomen. Een eigen woning in gezamenlijke eigendom leidt tot fiscaal partnerschap. Voor fiscale partners is het saldo van de belastbare inkomsten uit eigen woning en aftrekbare kosten een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel, dat zij in hun aangifte vrij kunnen toerekenen. LET OP Willekeurige toerekening Het is mogelijk het saldo van de voordelen uit eigen woning (in het algemeen: de (hypotheek)rente en het eigenwoningforfait) fiscaal willekeurig toe te rekenen aan partners. Willekeurige toerekening betekent dat de partners onderling de percentages kunnen vaststellen zolang ze samen maar 100 % van het saldo in aanmerking nemen. Daarbij is niet van belang wie eigenaar is van de woning of wie de (hypothecaire) schuld is aangegaan. Jaarlijks kunnen de partners een nieuwe keuze maken. In het kader van alimentatievaststelling beveelt de werkgroep aan om in het geval de onderhoudsplichtige samenwoont met een verdienende partner, bij de berekening van de woonlasten aan elk van beiden, zowel in het bruto als ook in het netto traject, de helft van het eigenwoningforfait en de hypotheekrente toe te rekenen. Betaalde hypotheekrente naast woonlast alimentatieplichtige Het vertrek uit een eigen woning doet in de regel niet de aansprakelijkheid voor de in verband met de financiering aangegane schuld eindigen. Dat leidt er in scheidingszaken vaak toe dat naast de nieuwe woonlast ook nog een bedrag aan hypotheekrente die betrekking heeft op het voormalige hoofdverblijf wordt doorbetaald. Die hypotheekrente kan betrekking hebben op een woning die geheel in eigendom is van de vertrokken partner, maar ook op een woning die gemeenschappelijk eigendom is. Het vertrek uit de woning leidt ertoe dat de woning geen hoofdverblijf meer is en in beginsel niet meer aan de definitie van eigen woning voldoet. Dat kan gevolgen hebben voor de hypotheekrenteaftrek. Als de voormalige fiscale partner of duurzaam gescheiden levende echtgenoot in de woning achterblijft, blijft de woning voor de vertrokken partner nog voor maximaal twee jaar na het vertrek als eigen woning kwalificeren. Gevolg is dat nog recht bestaat op de hypotheekrenteaftrek, voor zover deze betrekking heeft op diens aandeel in de woning. Indien het ter beschikking stellen van de woning aan de gewezen fiscale partner of duurzaam gescheiden levende echtgenoot is te beschouwen als het voldoen aan een onderhoudsverplichting (familierechtelijke of dringende morele plicht, mits in rechte vorderbaar), ontstaat een persoonsgebonden aftrekpost tot het bedrag van het eigen woningforfait, zodat per saldo geen bijtelling van het eigenwoningforfait plaatsvindt. Voor degene die in de woning is achtergebleven, blijft de betaalde rente voor dat deel dat correspondeert met het aandeel in de eigendom van de woning gewoon aftrekbaar. Ook het eigenwoningforfait dient voor dat deel te worden aangegeven. Indien het genot van de woning door de vertrokken ex-partner op grond van een onderhoudsverplichting ter beschikking wordt gesteld, dient ook de andere helft van het eigenwoningforfait te worden bijgeteld. Per saldo vindt bij de gerechtigde dan volledige bijtelling van het eigenwoningforfait plaats. In scheidingssituaties komt het regelmatig voor dat de hypotheeklasten en andere gebruikerslasten, ook die ten behoeve van de ex-partner mede-eigenaar, door de meest kapitaalkrachtige van de twee worden voldaan. Gelet op de jurisprudentie kan het voor de onderhoudsgerechtigde schuldenaar voldoen van de woonlasten, waaronder de hypotheekrente, indien deze betaling als het voldoen aan een onderhoudsplicht kwalificeert, voor de onderhoudsplichtige als een aftrekbare betaling van alimentatie worden beschouwd. Bij de onderhoudsgerechtigde is het bedrag als periodieke uitkering belast, waartegenover dan weer de aftrek staat van de door die partij verschuldigde hypotheekrente op grond van de eigenwoningregeling (per saldo dus geen aftrek, maar wel bijtelling van het gehele forfait). Is van deze situatie van betaling van kosten in het kader van een onderhoudsverplichting sprake, dan dienen de betaalde bedragen niet hier, maar onder 138 te worden ingevuld.

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 37 van 47 76

versie januari 2013


38

Bij het volledig betalen van rente door de partner die in de woning is achtergebleven, verdient het aanbeveling om rekening te houden met de omstandigheid dat in de praktijk – indien geen duidelijkheid bestaat over de vraag of en in welke mate wordt voldaan aan een onderhoudsverplichting – de voor een ander betaalde rente niet in aftrek wordt toegelaten. Deze rente dient in dat geval als niet aftrekbare rente bij de woonlasten onder 123 te worden meegenomen. Toepassing van de overgangsregeling is beperkt tot een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum van duurzaam gescheiden leven. Nadien is deze regeling niet meer van toepassing en verschuift de voormalige echtelijke woning, voor degene die de woning niet meer bewoont, naar box III. De (hypotheek)rente voor het eigen deel is dan niet meer fiscaal aftrekbaar. Wel strekt de hypotheekschuld in mindering op de in box III te belasten rendementsgrondslag. Zolang het fiscaal partnerschap doorloopt of wordt gekozen voor behandeling als partner, blijft de woning een vrij toerekenbaar gemeenschappelijk inkomensbestanddeel. Leegstand In geval de woning niet meer wordt bewoond door de voormalige fiscale partner of duurzaam gescheiden levende echtgenoot, kan de woning in 2013 nog als eigen woning worden aangemerkt gedurende drie jaar na vertrek uit de woning, indien deze leeg staat en bestemd is voor de verkoop. Restschuld na verkoop Een restschuld ontstaat indien de verkoopprijs van de woning lager ligt dan de op de woning rustende eigenwoningschuld. Met ingang van 1 januari 2013 bestaat recht op aftrek van rente die wordt betaald op een schuld die de onderhoudsplichtige heeft als gevolg van een restschuld die is ontstaan in de periode van 29 oktober 2012 tot en met 31 december 2017. Financiering in verband met uitkoop Het komt voor dat de onderhoudsplichtige de voormalige echtelijke woning blijft bewonen, maar dan wel genoodzaakt is ter financiering van zijn overbedeling de hypotheek te verhogen. Extra woonlasten zijn daarvan het gevolg. Deze extra lasten - niet alleen de rente maar ook de 'vermogensvormende' aflossing / premie - worden in aanmerking genomen, in ieder geval tot het plafond van een redelijke totale netto woonlast 15 . Deze aanbeveling heeft als bezwaar dat de onderhoudsgerechtigde of rechthebbende voor de ontvangen overbedelingsuitkering moet boeten in de vorm van een lagere alimentatie. Het zou echter niet reëel zijn de onderhoudsplichtige te dwingen tot verhuizen als dit een even hoge woonlast zou opleveren als de voormalige echtelijke woning met een verhoogde hypotheek. Gebruiksvergoeding Indien voor het genot en gebruik van de woning aan de vertrokken partij een vergoeding wordt betaald, is geen sprake van een ter beschikking stellen van de woning in het kader van een onderhoudsverplichting. De bewoner krijgt in dat geval geen bijtelling van het eigenwoningforfait voor het deel dat toebehoort aan een ander en ter beschikking wordt gesteld. Voor de ter beschikking steller bestaat in dat geval evenmin aanspraak op een persoonsgebonden aftrekpost ter hoogte van het met zijn aandeel in de woning corresponderende eigenwoningforfait. De vergoeding vormt voor de ontvanger netto inkomen (119) en voor de betaler een woonlast (123). Kamerverhuurvrijstelling Niet-tijdelijke verhuur van (een deel) van de eigen woning kan tot gevolg hebben dat (dat deel van) de woning niet meer als eigen woning kwalificeert en dat de woning in box III in aanmerking dient te worden genomen. Indien alleen een kamer wordt verhuurd, de verhuurinkomsten beperkt blijven tot een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag en overigens is voldaan aan de voorwaarden voor de kamerverhuurvrijstelling, blijft de woning echter geheel als eigen woning kwalificeren. De

15

Vergelijk HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 91

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 38 van 47 77

versie januari 2013


39

verhuurinkomsten van een kamer kunnen in dat geval als netto inkomsten in aanmerking worden genomen. Gelet op de complexiteit van de eigenwoningregeling en de toepasselijkheid van verschillende regels in verschillende situaties verdient het aanbeveling in het voorkomende geval bijvoorbeeld De Vakstudie Inkomstenbelasting 2001 te raadplegen. Zie 123 voor wat betreft de problematiek van onredelijke woonlast. c. Belastbare inkomsten eigen woning Dit is het saldo van het eigenwoningforfait verminderd met de aftrekbare kosten. Gelet op het amendement Hillen kan hier in beginsel geen positief bedrag verschijnen. 86 Premies voor lijfrenten Premies voor lijfrente ter compensatie van een pensioentekort zijn in bepaalde omstandigheden aftrekbaar. 87 Premies voor uitkering bij invaliditeit, ziekte of ongeval Deze premies zijn geheel aftrekbaar. 88 Vervallen 89 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen Dit is het totaal van de uitgaven (premies) lijfrente (86) en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (87). 91 Uitgaven voor specifieke zorgkosten en weekenduitgaven voor gehandicapten Bepaalde zorgkosten zijn aftrekbaar. Om aftrekbaar te zijn, hoeven de zorgkosten niet voor de onderhoudsplichtige zelf gemaakt te zijn. Ook kosten voor zijn partner, de tot het gezin behorende kinderen jonger dan 27 of ernstig gehandicapten ouder dan 27 jaar of zorgafhankelijke ouders, broers of zusters, komen onder omstandigheden voor aftrek in aanmerking. Aanbevolen wordt om alleen met de een eventueel fiscaal voordeel in verband met de zorgkosten van de onderhoudsplichtige zelf of zijn kinderen rekening te houden. 92 Scholingsuitgaven Uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk of woning zijn aftrekbaar voor zover de drempel wordt overschreden. 93 Persoonsgebonden aftrek Bedoeld wordt het saldo van 91 en 92. Niet alle persoonsgebonden aftrekposten worden bij de brutomethode in aanmerking genomen. Voor de persoonsgebonden aftrekposten in verband met de betaling van alimentatie is in de methode op andere wijze voorzien. De uitgaven voor monumentpanden en aftrekbare giften zijn verder buiten beschouwing gelaten, omdat deze aftrekposten worden geacht de woonlast te verminderen, dan wel te behoren tot de besteding van de vrije ruimte en als zodanig niet van invloed zijn op de alimentatieberekening. 94 Belastbaar inkomen uit werk en woning (I) Het saldo van (a) t/m (h), de nummers 64, 75, 78, 81, 85, 89, 90 en 93 vormt de basis voor de berekening van de inkomensheffing in box I.

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 39 van 47 78

versie januari 2013


40

95 Inkomensheffing box I De inkomensheffing in box I kent een progressief tarief met 4 schijven. Box II Inkomen uit aanmerkelijk belang Er is onder meer sprake van aanmerkelijk belang indien men, al dan niet tezamen met zijn partner direct of indirect voor tenminste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is. 96 en 97 Inkomen uit aanmerkelijk belang - reguliere voordelen Voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen zijn reguliere voordelen. Te denken is aan dividend. 99 Persoonsgebonden aftrek (het niet in box I of III benutte deel) Indien het inkomen in box I en box III onvoldoende is voor de verrekening van de persoonsgebonden aftrek, kan de aftrek worden verrekend met inkomen uit box II, maar niet verder dan tot nihil. Is ook dit inkomen onvoldoende, dan wordt de aftrek doorgeschoven naar een later jaar. 100 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang Dit is het inkomen uit aanmerkelijk belang, verminderd met de persoonsgebonden aftrek en eventuele verliezen uit voorgaande jaren. 101 Inkomstenbelasting box II De inkomstenbelasting in box II kent een vast tarief van 25%. Box III Inkomen uit sparen en beleggen Bij het in aanmerking nemen van vermogen en schulden, wordt gekeken naar het saldo van de opbrengsten en de kosten. Zijn de inkomsten per saldo negatief, met andere woorden: is sprake van een last, dan dient te worden beoordeeld of deze lasten noodzakelijk zijn. Vervolgens wordt aan de hand van de waarde van het vermogen minus de schulden, verminderd met het heffingvrije vermogen, vastgesteld wat de belastingdruk is in verband met de vermogensbestanddelen minus de schulden. Een belastingdruk die hoger is dan het saldo van de inkomsten en kosten heeft een negatieve invloed op de draagkracht. In dat geval dient te worden beoordeeld of deze vermindering van de draagkracht met het oog op de belangen van de onderhoudsgerechtigde noodzakelijk is. 102 Werkelijke of in redelijkheid te verwerven inkomsten (na aftrek van kosten) Het gaat hier om daadwerkelijke of redelijkerwijs mogelijke opbrengsten uit: a. (rechten op) onroerende zaken b. (rechten op) bepaalde roerende zaken c. rechten op geld (en overige vermogensrechten) verminderd met de d. rente en kosten van schulden. Weliswaar wordt voor de inkomstenbelasting uitgegaan van een rendement van 4% maar in werkelijkheid kan de opbrengst hoger maar ook lager zijn. Voor de berekening van de draagkracht is in beginsel het werkelijke of in redelijkheid te verwerven inkomen uit de diverse vermogensbestanddelen (inclusief die toebehoren aan kinderen waarover gezag wordt uitgeoefend) bepalend. Indien blijkt dat het vermogen door een van de wil van de onderhoudsplichtige afhankelijke oorzaak minder opbrengt dan redelijkerwijs te verwachten is, dan wordt een in redelijkheid te verwerven inkomen in aanmerking genomen. Brengt het vermogen meer op dan redelijkerwijs te verwachten is, dan wordt die meerdere opbrengst, die hoger kan zijn dan 4%, in aanmerking genomen. Onder omstandigheden is interen op het vermogen niet uitgesloten.

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 40 van 47 79

versie januari 2013


41

Rente en kosten van schulden kunnen van de opbrengst worden afgetrokken voor zover deze schulden redelijk worden geacht, zie ook 18. Waarschuwing: Als hier rentelasten worden verantwoord, is er geen plaats voor verwerking van diezelfde rentelasten in het draagkrachtloos inkomen (‘onder de streep’). Het saldo van de inkomsten en uitgaven vormen de werkelijke vermogensinkomsten 104 Rendementsgrondslag Het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op 4% (forfaitair rendement 109) van de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar(105), voor zover dat meer bedraagt dan het heffingvrij vermogen (106), indien van toepassing vermeerderd met de ouderentoeslag (107). De rendementsgrondslag wordt gevormd door de waarde van de bezittingen genoemd onder 104 onder a, b en c, verminderd met de waarde van de schulden, mits deze laatste de drempel (â‚Ź 2.900 per belastingplichtige in 2012) te boven gaan op de peildatum van 1 januari van het betreffende jaar. Belastingschulden tellen daarbij niet mee. De inkomsten zijn voor de vaststelling van de rendementsgrondslag niet van belang. De wet kent een aantal vrijstellingen, bijv.: bossen, natuurterreinen en landgoederen, voorwerpen van kunst en wetenschap, rechten op roerende zaken verkregen krachtens erfrecht, rechten op kapitaaluitkering die uitsluitend plaatsvinden bij overlijden, invaliditeit, ziekte of ongeval, spaartegoeden e.d. die worden aangehouden ingevolge de vitaliteitsregeling en groene beleggingen. Kwalificeert de verzekering als een kapitaalverzekering eigenwoning, dan behoort de waarde van de verzekering evenmin tot de rendementsgrondslag van box III. De bezittingen en schulden worden in aanmerking genomen voor de waarde in het economisch verkeer. Voor de bepaling van de waarde kan in beginsel aansluiting worden gezocht bij de aangifte IB die is gedaan onder de Wet IB 2001 en daarop volgende aanslag IB. In geval van fiscaal partnerschap is sprake van een gezamenlijke rendementsgrondslag. De bezittingen en schulden worden gesaldeerd en verminderd met het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige en zijn fiscale partner. Het saldo is vrij toerekenbaar. Indien van de alleenstaande norm wordt uitgegaan wordt aanbevolen alleen rekening te houden met de bezittingen en schulden van de onderhoudsplichtige. 106 Heffingvrij vermogen a. Basisbedrag Op de rendementsgrondslag dient het heffingvrije vermogen van ieder belastingplichtige in mindering te worden gebracht. In geval van fiscaal partnerschap is sprake van heffingvrije vermogen van de belastingplichtige en zijn fiscale partner. Indien van de alleenstaande norm wordt uitgegaan wordt aanbevolen alleen rekening te houden met het heffingvrije vermogen van de onderhoudsplichtige. Het heffingvrij vermogen kan worden verhoogd in geval van groene beleggingen. Voor kinderen bestaat geen aparte aanspraak op heffingvrij vermogen. b. Ouderentoeslag Het heffingvrij vermogen wordt verhoogd bij 65 jaar indien de gemiddelde rendementsgrondslag niet hoger is dan een in de wet vastgesteld bedrag. De hoogte van de ouderentoeslag is voorts afhankelijk van de hoogte van het inkomen in box I. 108 Grondslag forfaitair rendement Dit is het saldo van 105 tot en met 107.

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 41 van 47 80

versie januari 2013


42

109 Forfaitair rendement 4% Dit is het inkomen uit box III. 110 Persoonsgebonden aftrek (het niet in box I benutte deel) Voor zover de persoonsgebonden aftrek het inkomen uit werk en woning (box I) van het kalenderjaar niet vermindert, vermindert de aftrek het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box III) van het jaar, maar niet verder dan tot nihil. 111 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen Dit is het forfaitair rendement verminderd met de persoonsgebonden aftrekpost. 112 Inkomstenbelasting box III De inkomensbelasting van box III kent een vast tarief van 30%. 113 Inkomen voor aftrek inkomensheffing Het totaal van 59, 60, 65, 76, 79, 98 en 102 vormt het werkelijke inkomen uit de boxen I, II en III. dat hier wordt vermeld. Voor zover op dit inkomen reĂŤle kosten drukken die nog niet op deze opbrengst in mindering zijn gebracht, worden deze kosten onder de streep bij de lasten opgenomen. 114 Inkomensheffing box I en inkomstenbelasting boxen II en III Het totaal van de onder 95, 101 en 112 berekende inkomensheffing en -belasting wordt hier vermeld. 115 Heffingskorting De berekende belasting wordt vervolgens verminderd met de heffingskortingen (116). De algemene heffingskorting geldt voor iedereen. De arbeidskorting geldt voor ieder die met tegenwoordige arbeid, winst uit onderneming, loon of resultaat uit een werkzaamheid geniet, evenals voor degene die een uitkering uit hoofde van de Ziektewet ontvangt. Zie voor de voorwaarden van de andere kortingen de belastingalmanak. NB: De gecombineerde heffingskorting kan nooit meer bedragen dan de verschuldigde (gecombineerde) inkomensheffing. Dit kan alleen anders zijn als er sprake is van fiscaal partnerschap van twee belastingplichtigen waarvan de ĂŠĂŠn niets of weinig verdient waardoor deze partner de heffingskorting waar deze aanspraak op kan maken niet (geheel) kan verzilveren. Afhankelijk van het bedrag aan belasting verschuldigd door de fiscale partner, de leeftijd en de aanwezigheid van kinderen in het gezin kan in dat geval uitbetaling van de heffingskorting plaatsvinden. De uitbetaling kan niet meer bedragen dan het bedrag dat de meest verdienende partner maximaal verschuldigd is aan inkomensheffing minus de heffingskortingen waarop hij aanspraak kan maken. 116 Totaal heffingskortingen Dit is het gezamenlijke bedrag van alle heffingskortingen. 117 Verschuldigde inkomensheffing Dit is het bedrag van de berekende inkomstenbelasting, verminderd met de heffingskortingen. 118 Onbelast deel vakantiebonnen Bij werknemers in sectoren waarin vakantiebonnen worden verstrekt dient, voor zover het niet om een WW-uitkering gaat, de onbelaste waarde van de vakantiebonnen hier opgegeven te worden. Dit onbelaste deel komt niet voor op de jaaropgaaf van de werkgever. Zie 45 en 60.

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 42 van 47 81

versie januari 2013


43

119 Netto inkomen (zie ook 7) Indien er sprake is van ander inkomen van de onderhoudsplichtige of van inkomen van zijn nieuwe partner die niet geheel in eigen onderhoud kan voorzien (zie bijv. 7 onder g), dient dit inkomen hier netto te worden opgenomen. Dit netto inkomen van de partner dient te worden verhoogd met het bedrag waarvoor deze partner aanspraak kan maken op uitbetaling van de heffingskorting. 120 Besteedbaar inkomen per jaar Ter bepaling van het besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige wordt de door de onderhoudsplichtige zelf verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (zie post 57) in mindering gebracht op het inkomen. 121 Besteedbaar inkomen per maand Het netto besteedbaar inkomen per maand vormt de basis voor de berekening van de draagkracht. 122 Bijstandsnorm inclusief vakantiegeld zie 9 van het brutomodel in de bijlage. 123 Woonlasten (zie ook 10) Hypotheekrente en erfpachtcanon Het bij 83 opgevoerde bedrag, omgerekend naar een (bruto) maandbedrag, wordt hier ingevuld. Hypotheekaflossing/premie levensverzekering Aflossing van de hypotheek kan verplicht zijn gesteld. Aan de woning is verder regelmatig een verzekering gekoppeld, waarvoor premie wordt betaald. De premie is niet aftrekbaar. Forfait overige eigenaarslasten Hieronder vallen de premie voor een opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de onroerende zaakbelasting, de polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten. Voor deze posten wordt een forfaitair bedrag in aanmerking genomen van â‚Ź 95 per maand, tenzij wordt aangetoond dat de kosten hoger zijn. Korting wegens onredelijke woonlast In individuele gevallen kan, gezien de persoonlijke omstandigheden en de woningmarkt ter plaatse, worden beoordeeld of de woonlasten redelijk zijn. Die beoordeling geldt het totaal van de woonlasten; bij een eigen woning met hypotheek het totaal van de netto woonlasten, dat wil zeggen de bruto lasten, verminderd met het fiscaal voordeel. Hierbij dient onderscheid te worden gemaakt in de woonlasten die de onderhoudsplichtige voor zichzelf betaalt en die welke hij ten behoeve van de onderhoudsgerechtigde betaalt. Uitsluitend de voor hemzelf betaalde woonlasten worden in aanmerking genomen bij de bepaling of sprake is van een onredelijke woonlast. 124 Ziektekosten (zie ook 11) Ziektekosten kunnen uit de volgende posten bestaan: a. nominale premie basisverzekering ZVW b. premie aanvullende ziektekostenverzekering c. eigen risico, indien gerealiseerd en/of aannemelijk gemaakt d. (vervallen) e. zelf betaalde, niet vergoede medische kosten. Daarop strekt in mindering de van de belastingdienst ontvangen zorgtoeslag.

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 43 van 47 82

versie januari 2013


44

De door de werkgever/uitkeringsinstelling/onderhoudsplichtige afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW is reeds hiervoor verdisconteerd. 125 Premie voor uitkeringen bij ziekte, ongeval of invaliditeit / oudedagsvoorziening / nabestaandenpensioen Bedoeld zijn de volgende premies: - ter reparatie van het WAO/WIA-gat, ter dekking van een pensioenbreuk en ter dekking van het nabestaandenpensioengat voor zover door de werknemer zelf getroffen en betaald; - ter dekking van ziekte gedurende het eerste jaar en arbeidsongeschiktheid nadien van een zelfstandige en een directeur-grootaandeelhouder (DGA) van een BV; - voor de opbouw van een pensioen van een zelfstandige, ook bijvoorbeeld een levensverzekering met een lijfrenteclausule. Ter toelichting dient nog het volgende. Een DGA is niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen indien hij, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, 50% of meer 'aandeelstemmen' in de algemene vergadering van aandeelhouders kan uitbrengen. Zowel ingeval er sprake is van een eenmanszaak als in geval van een besloten vennootschap zal de ondernemer zich privĂŠ moeten verzekeren voor de risico's van arbeidsongeschiktheid (ziekte/invaliditeit). De premie voor een oudedagsvoorziening, gesloten omdat men een deel van zijn pensioen vanwege pensioenverrekening dan wel -verevening mist, wordt in beginsel niet als noodzakelijke last beschouwd. De opgegeven premies dienen redelijk te zijn in relatie tot het huidige inkomen en de al getroffen andere voorzieningen. Daarnaast kan ook een rol spelen het feit dat de onderhoudsplicht in beginsel in duur beperkt is. 126 Kosten kinderopvang ReĂŤle, noodzakelijke kosten van kinderopvang gemaakt om het inkomen te verwerven, worden na aftrek van de werkgeversbijdrage en de kinderopvangtoeslag volledig bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen betrokken, tenzij bij de berekening van de behoefte van de kinderen al met deze kosten rekening is gehouden. 127 tot en met 131. Diverse lasten zie 13 t/m 17 132 Aflossing van schulden zie 18 Noodzakelijke aflossing van schulden die drukken op het besteedbaar inkomen kan hier in aanmerking worden genomen. Uitsluitend indien de verschuldigde rente van schulden niet in aanmerking is genomen bij box III (werkelijke inkomsten), kunnen hier ook renten, indien noodzakelijk, in de beschouwing worden betrokken. 133 en 134 Herinrichtingskosten en Overige kosten en advocaatkosten zie 20 en 21. 135 Draagkrachtloos inkomen De som van de in aanmerking te nemen lasten, inclusief de bijstandsnorm, wordt draagkrachtloos inkomen genoemd. Het is het gedeelte van het inkomen dat geen draagkracht oplevert.

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 44 van 47 83

versie januari 2013


45

136 Draagkrachtruimte Het draagkrachtloos inkomen wordt afgetrokken van het besteedbaar inkomen. Wanneer het saldo positief is wordt dit draagkrachtruimte genoemd. Deze draagkrachtruimte wordt in een bepaalde verhouding, die vastligt in het draagkrachtpercentage, tussen onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) verdeeld. 137 Draagkrachtpercentage Van de gevonden draagkrachtruimte wordt een bepaald percentage, het draagkrachtpercentage, beschikbaar geacht voor alimentatie. Is sprake van kinderalimentatie dan bedraagt dit percentage 70. Voor partneralimentatie bedraagt dit 45 wanneer de onderhoudsplichtige een gezin onderhoudt en 60 voor een alleenstaande onderhoudsplichtige. 'Gezin' wordt hier ruim opgevat: ieder die niet alleenstaande is heeft een gezin. Hieronder valt dus niet alleen de hertrouwde onderhoudsplichtige maar ook degene die samenwoont en ook de alleenstaande ouder die geen partner heeft maar wel een of meer kinderen verzorgt. LET OP Nieuwe partner De samenwoning met een nieuwe partner wordt, indien die partner in eigen onderhoud kan voorzien, bij de keuze van het te hanteren draagkrachtpercentage buiten beschouwing gelaten. Zie 7 onder g. Voor de netto methode gelden deels andere draagkrachtpercentages (zie 23). 138 Alimentatie voor een (eerdere) ex-partner Met uitzondering van het geval dat sprake is van kinderalimentatie (die immers voorrang heeft boven alle andere onderhoudsverplichtingen), moet de eerder vastgestelde alimentatie voor een ex-partner in beginsel als vaststaand worden meegenomen 16 . De werkgroep beveelt aan om de partneralimentatie hier af te trekken en niet vóór de berekening van het besteedbaar inkomen. De overweging daarbij is dat een draagkrachtberekening wordt gemaakt ter vaststelling van hetgeen de onderhoudsplichtige kan bijdragen, ongeacht of er één of meer expartners en/of kinderen uit één of meer huwelijken zijn en dat de draagkracht en het fiscaal voordeel geheel ten goede dient te komen aan de onderhoudsgerechtigden. Op het moment dat voor de voormalige partner in het kader van een onderhoudsverplichting uitgaven voor rekening van de onderhoudsplichtige worden gedaan, zoals bijvoorbeeld hypotheekrente (zie 82 en 83), dienen deze uitgaven ook hier te worden meegenomen. 139 Voordeel in verband met alimentatie eerdere ex-partner Betaalde partneralimentatie is geheel aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Deze aftrek wordt niet vóór de berekening van de belasting ingevuld. Het fiscaal voordeel dat de onderhoudsplichtige door deze aftrek geniet, werkt dus niet door in het besteedbaar inkomen en de draagkrachtruimte maar komt geheel ten goede aan de onderhoudsgerechtigden. Vb: stel de alimentatie voor de eerste ex-partner bedraagt € 1.000 per maand (€ 12.000 per jaar), de man valt met € 5.000 per jaar onder het hoogste belastingtarief, thans 52 % en met het restant van € 7.000 onder het lagere tarief van thans 42 %. Het belastingvoordeel bedraagt respectievelijk € 2.600 en € 2.940, derhalve in totaal een belastingvoordeel van € 5.540. Dit laatste bedrag dient hier bij 139 te worden ingevuld. De netto alimentatie bedraagt dan € 2.400 (€ 5.000 - € 2.600) + € 4.060 (€ 7.000 - € 2.940) = € 6.460. 140 Beschikbaar voor kinderalimentatie (uit huidige of eerder huwelijk) en partneralimentatie Indien zowel kinderalimentatie als partneralimentatie wordt gevraagd, moet de ruimte verdeeld worden. Op grond van artikel 1:400 van het Burgerlijk Wetboek heeft kinderalimentatie voorrang 16

HR 11 september 1992, NJ 1992, 745

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 45 van 47 84

versie januari 2013


46

boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Er is alleen ruimte voor partneralimentatie als het bedrag van 140 hoger is dan de verzochte kinderalimentatie, dan wel hoger is dan het bedrag van de vastgestelde totale behoefte en de eventueel geldende kinderalimentatie voor kinderen uit een eerder huwelijk. 141 Kinderalimentatie Indien vaststelling van kinderalimentatie is verzocht moet, voor zover deze tussen partijen in geschil is, de behoefte van de kinderen worden vastgesteld. Zie hiervoor hoofdstuk 3.1, en de in de bijlage 'tarieven en tabellen' onder 28 opgenomen tabel 'eigen aandeel kosten van kinderen' met toelichting. Het totale voor de kinderen te betalen bedrag wordt ingevuld, uiteraard tenzij de draagkracht reeds voor dat bedrag ontoereikend is. In het laatste geval wordt de bijdrage voor de kinderen in overeenstemming met de draagkracht vastgesteld en is er geen ruimte meer voor partneralimentatie. Indien er kinderen uit twee huwelijken zijn, wordt de geldende kinderalimentatie hier ingevuld, tenzij de draagkracht te gering is om in de behoefte van alle kinderen te voorzien. In dat geval wordt de ruimte 17 over alle kinderen gelijk verdeeld, tenzij er een aantoonbaar verschil in behoefte is . 142 Voordeel in verband met uitgaven voor levensonderhoud van kinderen Indien de totale bestedingen voor een kind (bijdrage vermeerderd met andere bestedingen zoals eventuele kosten voor een omgangsregeling met dat kind) ten minste € 408 per kwartaal (2012) bedragen, heeft de onderhoudsplichtige gewoonlijk recht op een forfaitair bepaalde persoonsgebonden fiscale aftrek. De omvang van het voordeel is afhankelijk van de leeftijd van het kind, zie verder de bedragen in de bijlage. Het fiscaal voordeel dat de onderhoudsplichtige door deze aftrek geniet, werkt niet door in het besteedbaar inkomen en de draagkrachtruimte maar komt geheel ten goede aan de onderhoudsgerechtigden. Is de gevonden draagkracht zo laag dat het per kind aan alimentatie toe te wijzen bedrag, vermeerderd met de omgangskosten per kind, beneden het voornoemde bedrag van € 408 per kwartaal blijft, dan heeft dit tot gevolg dat er geen recht op persoonsgebonden aftrek wegens kinderalimentatie bestaat. In geval een bijdrage verschuldigd is voor meerdere kinderen in een gezin, bestaat geen recht op het fiscaal voordeel indien uitsluitend door toerekening van de bijdrage aan een van de kinderen het 18 drempelbedrag wordt overschreden . Er bestaat alleen recht op deze aftrek in het jaar waarin de kosten (voor bezoek) zijn gemaakt en/of de onderhoudsbijdrage is betaald. 143 Resteert voor partneralimentatie Het bedrag dat resteert is hetgeen de onderhoudsplichtige geacht wordt voor partneralimentatie te kunnen missen. Er kan echter veelal een hoger bedrag aan alimentatie worden opgelegd omdat het door de onderhoudsplichtige te behalen fiscaal voordeel bij het thans gevonden bedrag wordt opgeteld. Dit belastingvoordeel ontstaat doordat betaalde partneralimentatie in beginsel integraal aftrekbaar is voor de inkomensheffing. Deze aftrek levert de onderhoudsplichtige een belastingbesparing op. Betaling van het gevonden bedrag genereert een fiscaal voordeel waarvan de omvang bepaald wordt door de percentages van de belastingschijven waarin de aftrek wordt gerealiseerd. Deze belastingbesparing wordt geheel aan de onderhoudsgerechtigde toegerekend. Dit betekent dat het bedrag dat de onderhoudsplichtige kan missen met de belastingbesparing wordt verhoogd. Berekening bruto alimentatie Algemeen De becijferde netto partneralimentatie is één van de persoonsgebonden aftrekposten. Omdat het belastingvoordeel bij de netto partneralimentatie wordt opgeteld, verhoogt ook dit belastingvoordeel de persoonsgebonden aftrek. Bij de berekening van het belastingvoordeel moet de netto 17 18

HR 13 december 1991, NJ 1992, 178 HR 24 juni 2011, BP8929; Hof Den Haag 16 maart 2010, BM1391

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 46 van 47 85

versie januari 2013


47

partneralimentatie gebruteerd worden. Dat houdt in dat moet worden nagegaan hoeveel er bruto in het concrete geval nodig is om de netto alimentatie te kunnen betalen. Dit bruto bedrag is de alimentatie inclusief belastingvoordeel. De brutering vindt plaats in dezelfde volgorde waarin de persoonsgebonden aftrek op het belastbaar inkomen in mindering wordt gebracht. Daarom moet eerst worden gekeken naar box I. Is het belastbaar inkomen in box I minus de te betalen belasting in box I (met andere woorden, wat er netto in box I overblijft) lager dan de becijferde netto partneralimentatie, dan wordt voor het surplus becijferd of dit netto uit box III kan worden gehaald. Is ook het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box III) minus de daarover te betalen belasting ontoereikend om het resterende deel van de netto alimentatie op te brengen, dan moet tot slot in box II worden nagegaan welk deel van het bruto inkomen nodig is om dat resterende deel te voldoen. De som van de gevonden bruto bedragen geeft de partneralimentatie inclusief belastingvoordeel. Het bedrag dat de onderhoudsplichtige volgens het gekozen berekeningssysteem voor zichzelf moet overhouden wordt hierdoor niet aangetast. Als er bij 139 en 142 al belastingvoordeel is berekend, kunnen de bij 94, 100 en 111 gevonden bedragen niet zonder meer worden aangehouden. Door de verhoging van de persoonsgebonden aftrek op grond van 138 en 141 kan het belastbaar inkomen in box I, III en/of II immers gewijzigd zijn. 144 Wordt er minder netto partneralimentatie gevonden dan het netto inkomen in box I (d.w.z. het belastbaar inkomen in box I minus de inkomensheffing in box I) dan vindt de becijfering van het aan de alimentatiegerechtigde toe te rekenen belastingvoordeel geheel plaats in box I (volgens het stappenschema van Buijs). De boxen III en II blijven in dat geval buiten beschouwing. 145 Wordt meer netto partneralimentatie gevonden dan het hiervoor bedoelde netto inkomen in box I, dan dient ook het belastingvoordeel in (eerst) box III te worden becijferd. Dit belastingvoordeel wordt gevonden door: a) als de resterende netto alimentatie hoger is dan wat netto overblijft in box III: de in box III te betalen belasting te nemen; b) als de resterende netto alimentatie lager is dan wat netto overblijft in box III: de resterende netto alimentatie te vermenigvuldigen met het in box III te betalen percentage gedeeld door 100 verminderd met dat percentage. Het aldus becijferde belastingvoordeel in box III dient te worden opgeteld bij het onder 145 becijferde bedrag, te weten de netto partneralimentatie vermeerderd met het belastingvoordeel in box I. 146 Wordt er meer netto partneralimentatie gevonden dan meergenoemd netto inkomen in box I en het netto inkomen in box III, dan wordt tenslotte becijferd welk belastingvoordeel in box II wordt behaald. Dit belastingvoordeel wordt gevonden door de resterende netto alimentatie te vermenigvuldigen met het in box II te betalen percentage gedeeld door 100 verminderd met dat percentage. De bruto partneralimentatie is in dat geval de som van de netto partneralimentatie vermeerderd met het belastingvoordeel in box I, het becijferde belastingvoordeel in box III en het becijferde belastingvoordeel in box II. LET OP Het is mogelijk dat er meer belastingvoordeel wordt berekend dan er in feite gerealiseerd kan worden. Bij het berekenen van het voordeel is er immers geen rekening mee gehouden dat een deel van de belasting door de heffingskorting niet betaald hoeft te worden. Aan het slot van de berekening moet daarom nog worden nagegaan of er moet worden gecorrigeerd voor de heffingskorting. Die correctie moet de omgekeerde weg afleggen, dus beginnen in box II, dan eventueel verder met box III en eindigen in box I.

Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2013 Pagina 47 van 47 86

versie januari 2013


AvdR Webinars