Page 1

BESTUURSPROCESRECHT: HOGER BEROEP EN VOORLOPIGE VOORZIENING SPREKER MR. J.B. MUS, ADVOCAAT RASSERS ADVOCATEN 21 NOVEMBER 2013 09:00 – 11:15 UUR WWW.AVDRWEBINARS.NL


ALUMNUS COLLEGES 6 COLLEGES OVER DIVERSE ONDERWERPEN

START 6 DECEMBER 2013 De sprekers: Actualiteiten Personen- en Familierecht (6 december 2013) door prof. mr. A.J.M. Nuytinck Actualiteiten Goederenrecht en Insolventierecht (13 december 2013) door prof. mr. drs. J.W.A. Biemans Actualiteiten Ondernemingsrecht (16 december 2013) door prof. mr. C.A. Schwarz Actualiteiten Verjaring en Verval (18 december 2013) door prof. mr. J.L. Smeehuijzen

4

PO

Waarheid in het materiële en formele strafrecht (19 december 2013) door prof. mr. M. Otte Actualiteiten Dagvaardingsprocedure (30 december 2013) door prof. mrr. M.J.A.M. Ahsmann Een gelimiteerd aantal van 30 personen kunnen deelnemen aan deze unieke colleges. Vol is vol, dus schrijf u snel in! Kosten: €125,- voor onze alumni.


Inhoudsopgave Mr. J.B. Mus

Jurisprudentie

Onderdelenfuik (artikel 6:12 Awb) ABRvS 15 augustus 2012, LJN BX4683, AB 2013/4 (argument voor het eerst in beroep is ontoelaatbaar, argumentatieve fuik / onderdelenfuik)

p. 5

Goede procesorde: te laat ingediende gronden ABRvS 29 februari 2012, LJN BV7287, AB 2013/235 (beroepsgrond ingebracht na uitbrengen deskundigenbericht)

p. 10

Hoge Raad, 21 juni 2013, LJN CA3937, AB 2013/236 (stellingen houden nieuwe geschilpunten in die rechtstrijd uitbreiden: tardief)

p. 20

ABRvS 15 mei 2013, LJN CA0157, AB 2013/237 (nieuwe gronden en stellingen niet te laat)

p. 22

ABRvS 22 mei 2013, LJN CA0693, AB 2013/238 (nieuwe argumenten en stukken zijn niet te laat)

p. 28

Grondenfuik in hoger beroep ABRvS 17 april 2013, LJN BZ7713, AB 2013/358 (nieuwe gronden in hoger beroep niet toelaatbaar)

p. 33

CRvB 4 juni 2013, LJN CA2803, AB 2013/330 (nieuwe gronden in hoger beroep wel toelaatbaar)

p. 37

Deskundigenbenoeming (artikel 8:47 Awb) CRvB 20 september 2013, LJN CA1810, AB 2013/363 (toelaatbaarheid nieuwe gronden in hoger beroep, grondenfuik)

3

p. 43


Bestuurlijke lus (artikelen 8:51a t/m 8:51c Awb) ABRvS 12 juni 2013, LJN CA2877, AB 2013/239 (bestuurlijke lus)

p. 49

CRvB 2 november 2012, LJN BY2116, AB 2013/75 (bestuurlijke lus)

p. 53

CRvB 16 april 2013, LJN BZ7385, AB 2013/256 (informele bestuurlijke lus: duidelijke vermelding hoe gebrek kan worden hersteld)

p. 57

Uitspraakbevoegdheden (artikel 8:72 Awb) ABRvS 27 februari 2013, LJN BZ2530, AB 2013/144 (de mogelijkheid van wijziging van beleidsregels begrenst de mogelijkheid van finale geschillenbeslechting)

p. 66

CRvB 16 oktober 2012, LJN BY0911, AB 2013/56 (standaardoverweging met betrekking tot in stand laten rechtsgevolgen, artikel 8:72 lid 3 Awb)

p. 75

ABRvS 8 augustus 2012, LJN BX4621, AB 2013/140 (Criteria voor zelf in de zaak voorzien, artikel 8:72 lid 4 sub c Awb)

p. 79

Brummenjurisprudentie CBB 20 juni 2013, LJN CA3716, AB 2013/321 (in vervolgprocedure tegengeworpen krijgen dat geen hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank waarbij beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen)

p. 84

Rechtbank Rotterdam, 6 december 2012, LJN BY5450, AB 2013/85 (idem in het fiscale procesrecht)

p. 91

Jurisprudentie bestuursrechtelijke voorlopige voorzieningen Vz. CRvB 11 maart 2013, LJN BZ4734, AB 2013/200 (verval van connexiteit hangende hoger beroep)

4

p. 99


ECLI:NL:RVS:2012:BX4683 InstantieRaad van State Datum uitspraak15-08-2012Datum publicatie 15-082012 Zaaknummer201107473/1/A3 RechtsgebiedenBestuursrecht Bijzondere kenmerkenHoger beroep Inhoudsindicatie Last onder dwangsom om binnen twee maanden na de verzending van het besluit de zonder vergunning tot stand gebrachte samenvoeging van de woningen ongedaan te maken. Wederpartijen zijn de eigenaren van de appartementen gelegen aan de locatie A en locatie B te Amsterdam. Zij hebben een tussenmuur verwijderd waardoor de twee aanwezige voordeuren direct toegang geven tot dezelfde daarachter gelegen ruimte. Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat wederpartijen aldus de twee woningen hebben samengevoegd, omdat door verwijdering van de tussenmuur de appartementen zodanig met elkaar zijn verbonden dat geen sprake meer is van twee aparte besloten woonruimten. Daarbij heeft het in aanmerking genomen dat het appartement locatie A wordt gebruikt als logeerruimte voor gasten en als werkruimte. Onder verwijzing naar de uitspraken van 30 maart 2011 en 30 juli 2003 in zaken nrs. 201008115/1/H3, LJN: BP9583 en 200203397/1, LJN: AI0538 overweegt de Afdeling dat voor het samenvoegen van twee woningen van belang is dat de woningen door samenvoeging niet meer afzonderlijk worden bewoond. Niet in geschil is dat wederpartijen een verbinding tussen de woningen locatie A en locatie B tot stand hebben gebracht door het verwijderen van een muur tussen de woningen. Anders dan wederpartijen hebben betoogd, is de Afdeling van oordeel dat het plaatsen van een aan beide kanten afsluitbare deur in de terug te plaatsen tussenmuur, zoals door hen is aangeboden, onvoldoende is om een in het maatschappelijk verkeer aanvaarde scheiding tussen twee afzonderlijke woningen te bewerkstelligen. De Afdeling is verder van oordeel dat het dagelijks bestuur terecht het standpunt heeft ingenomen dat de woningen niet meer afzonderlijk als zijnde besloten woonruimten worden bewoond. Daarbij heeft het dagelijks bestuur terecht in aanmerking genomen dat de benedenwoning voorheen door wederpartijen werd verhuurd en na het verwijderen van de muur in gebruik is als werkruimte en logeerkamer. Dit gebruik is tijdens een controle door gemeentelijke toezichthouders geconstateerd. Het standpunt dat wederpartijen elk afzonderlijk in ĂŠĂŠn van de woningen wonen en een zogenoemde LAT-relatie onderhouden, heeft het dagelijks bestuur terecht niet bij zijn beoordeling betrokken, nu wederpartijen dit standpunt eerst in beroep naar voren hebben gebracht. Daarbij komt dat wederpartij B tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft meegedeeld dat indien het bezwaarschrift ongegrond zou worden verklaard wederpartij A zich zal inschrijven op het adres van de benedenwoning. Anders dan de Rb. is de Afdeling van oordeel dat de omstandigheid dat de woningen elk beschikken over een eigen toegang en elk zijn voorzien van wezenlijke voorzieningen, niet leidt tot een ander oordeel. De door de Rb. in de aangevallen uitspraak in dat verband aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 1994, LJN: AN4018, zag weliswaar op een geval waarin de betrokken woningen eveneens elk beschikten over een eigen toegang en elk waren voorzien van alle wezenlijke voorzieningen, maar anders dan thans het geval is, ging het daar niet om een interne verbinding die tussen de afzonderlijke woningen tot stand was gebracht. Evenmin leidt de omstandigheid dat de woningen eenvoudig in oude staat kunnen worden teruggebracht tot een ander oordeel. Gegrond beroep.

5


VindplaatsenRechtspraak.nl AB 2013, 5 met annotatie door A.M.L. Jansen Uitspraak 201107473/1/A3. Datum uitspraak: 15 augustus 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2011 in zaak nr. 09/2339 in het geding tussen: [wederpartijen], wonend te Amsterdam, en het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid. 1. Procesverloop Bij besluit van 24 september 2008 heeft het dagelijks bestuur [wederpartijen] onder oplegging van een dwangsom gelast, om binnen twee maanden na de verzending van het besluit de samenvoeging van de woningen gelegen aan de [locatie A] en [locatie B] te Amsterdam ongedaan te maken. Bij besluit van 14 april 2009 heeft het dagelijks bestuur het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1 juni 2011, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank, voor zover van belang, het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 24 september 2008 gegrond verklaard, voor zover daarbij handhavend is opgetreden wegens het zonder vergunning samenvoegen van woonruimten en dat besluit in zoverre herroepen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft het dagelijks bestuur bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 augustus 2011. [wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2012, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. T.M. van Gorsel en M.G. Spiegelenburg, beiden werkzaam bij het stadsdeel, en [wederpartijen], in de persoon van [wederpartij A], zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingswet wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden. Ingevolge artikel 2, eerste lid, voor zover thans van belang, stelt de gemeenteraad een huisvestingsverordening vast indien het naar het oordeel

6


van de gemeenteraad noodzakelijk is regelen te stellen met betrekking tot het in gebruik nemen of geven van woonruimte. Ingevolge artikel 30, eerste lid, is het verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie, zonder vergunning van burgemeester en wethouders: a. aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, of voor een zodanig gedeelte aan die bestemming te onttrekken, dat die woonruimte daardoor niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder zodanige onttrekking geschikt is; b. met andere woonruimte samen te voegen; c. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten. Ingevolge het tweede lid wordt verstaan onder zelfstandige woonruimte als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, een woonruimte welke een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte. Ingevolge artikel 31 wordt een vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid, verleend, tenzij het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met het onttrekken aan de bestemming tot bewoning gediende belang en het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad niet door het stellen van voorwaarden en voorschriften voldoende kan worden gediend. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van de PartiĂŤle Regionale Huisvestingsverordening 2008 voor de gemeente Amsterdam, stadsdeel OudZuid, zoals dat luidde ten tijde van belang, wordt in deze verordening verstaan onder onzelfstandige woonruimte: woonruimte, niet-zijnde woonruimte bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft of welke niet door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, waarbij als wezenlijke voorzieningen worden aangemerkt: keuken en toilet. Ingevolge artikel 2 wordt als categorie bedoeld in artikel 30 van de Huisvestingswet - op grond waarvan een verbod geldt om zonder vergunning woonruimte aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, met andere woonruimte samen te voegen dan wel van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten - aangewezen alle woonruimte in het stadsdeel Oud-Zuid, ongeacht de huur- of koopprijs. 2.2. [wederpartijen] zijn de eigenaren van de appartementen gelegen aan de [locatie A] en [locatie B] te Amsterdam. Zij hebben een tussenmuur verwijderd waardoor de twee aanwezige voordeuren direct toegang geven tot dezelfde daarachter gelegen ruimte. Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat [wederpartijen] aldus de twee woningen hebben samengevoegd, omdat door verwijdering van de tussenmuur de appartementen zodanig met elkaar zijn verbonden dat geen sprake meer is van twee aparte besloten woonruimten. Daarbij heeft het in aanmerking genomen dat het appartement [locatie A] wordt gebruikt als logeerruimte voor gasten en als werkruimte.

7


Het dagelijks bestuur heeft [wederpartijen] bij besluit van 24 september 2008 onder meer op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingswet gelast de samenvoeging ongedaan te maken, omdat zij daartoe zonder vergunning zijn overgegaan en aan hen niet alsnog een vergunning als bedoeld in voormelde bepaling kon worden verleend. Voorts achtte het dagelijks bestuur handhaving in dit geval niet zodanig onevenredig in verhouding met de daarmee te dienen belangen dat daarvan zou moeten worden afgezien. 2.3. De rechtbank is van oordeel dat door het verwijderen van de tussenmuur niet het besloten karakter aan de beide woningen is ontnomen. De woningen hebben elk een eigen toegang en beschikken over alle wezenlijke voorzieningen. Er is nog altijd sprake van twee woongedeelten die uitermate geschikt zijn voor gescheiden bewoning. Er is geen moment aan te wijzen dat mogelijk een huishouden wordt uitgesloten van bewoning van één van beide woonruimten. Het dagelijks bestuur was daarom niet bevoegd handhavend op te treden tegen het zonder vergunning samenvoegen, aldus de rechtbank. 2.4. Het dagelijks bestuur betoogt dat geen sprake meer is van twee aparte besloten ruimten. De rechtbank heeft het begrip "besloten" volgens het dagelijks bestuur verkeerd uitgelegd. Daarmee heeft zij miskend dat zowel zelfstandige als onzelfstandige woonruimten een besloten karakter dienen te hebben om beschouwd te worden als woonruimte in de zin van de Huisvestingswet. Door de verbinding zijn de woningen veranderd in één besloten ruimte. De woningen worden volgens het dagelijks bestuur ook als zodanig gebruikt waardoor een woonruimte in de zin van de Huisvestingswet aan de woningvoorraad is onttrokken. Daarbij acht het dagelijks bestuur van belang dat een werkruimte en een logeerkamer niet een aparte woonruimte vormen. 2.5. Onder verwijzing naar de uitspraken van 30 maart 2011 en 30 juli 2003 in zaken nrs. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresu ltaat/?verdict_id=hTBHW9fdJsQ%3D">201008115/1/H3</a> en <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresu ltaat/?verdict_id=ZOTCLoh7s2A%3D">200203397/1</a> overweegt de Afdeling dat voor het samenvoegen van twee woningen van belang is dat de woningen door samenvoeging niet meer afzonderlijk worden bewoond. Niet in geschil is dat [wederpartijen] een verbinding tussen de woningen [locatie A] en [locatie B] tot stand hebben gebracht door het verwijderen van een muur tussen de woningen. Anders dan [wederpartijen] hebben betoogd, is de Afdeling van oordeel dat het plaatsen van een aan beide kanten afsluitbare deur in de terug te plaatsen tussenmuur, zoals door hen is aangeboden, onvoldoende is om een in het maatschappelijk verkeer aanvaarde scheiding tussen twee afzonderlijke woningen te bewerkstelligen. De Afdeling is verder van oordeel dat het dagelijks bestuur terecht het standpunt heeft ingenomen dat de woningen niet meer afzonderlijk als zijnde besloten woonruimten worden bewoond. Daarbij heeft het dagelijks bestuur terecht in aanmerking genomen dat de benedenwoning voorheen door [wederpartijen] werd verhuurd en na het verwijderen van de muur in gebruik is als werkruimte en logeerkamer. Dit gebruik is tijdens een controle door gemeentelijke toezichthouders geconstateerd. Het standpunt dat [wederpartijen] elk afzonderlijk in één van de woningen wonen en een zogenoemde LAT-relatie onderhouden, heeft het dagelijks bestuur terecht niet bij zijn beoordeling betrokken, nu [wederpartijen] dit standpunt eerst in beroep naar voren hebben gebracht. Daarbij komt dat [wederpartij B] tijdens de hoorzitting in

8


bezwaar heeft medegedeeld dat indien het bezwaarschrift ongegrond zou worden verklaard [wederpartij A] zich zal inschrijven op het adres van de benedenwoning. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de omstandigheid dat de woningen elk beschikken over een eigen toegang en elk zijn voorzien van wezenlijke voorzieningen, niet leidt tot een ander oordeel. De door de rechtbank in de aangevallen uitspraak in dat verband aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 1994, LJN AN4018, zag weliswaar op een geval waarin de betrokken woningen eveneens elk beschikten over een eigen toegang en elk waren voorzien van alle wezenlijke voorzieningen, maar anders dan thans het geval is, ging het daar niet om een interne verbinding die tussen de afzonderlijke woningen tot stand was gebracht. Evenmin leidt de omstandigheid dat de woningen eenvoudig in oude staat kunnen worden teruggebracht tot een ander oordeel. Het betoog slaagt. 2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het beroep tegen het handhavend optreden wegens het zonder vergunning samenvoegen van woonruimten gegrond is verklaard, het besluit van 14 april 2009 in zoverre is vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 24 september 2008 in zoverre gegrond is verklaard en dat besluit in zoverre is herroepen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep in zoverre alsnog ongegrond verklaren. 2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2011 in zaak nr. 09/2339, voor zover het beroep tegen het handhavend optreden wegens het zonder vergunning samenvoegen van woonruimten gegrond is verklaard, het besluit van 14 april 2009 in zoverre is vernietigd en met gegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 24 september 2008 dat besluit in zoverre is herroepen; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat. w.g. Vlasblom w.g. Sparreboom voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2012 280-597.

9


ECLI:NL:RVS:2012:BV7287 InstantieRaad van State Datum uitspraak29-02-2012Datum publicatie 29-022012 Zaaknummer201010089/1/A4 RechtsgebiedenBestuursrecht Bijzondere kenmerkenEerste aanleg - meervoudig Inhoudsindicatie Bij besluit van 31 augustus 2010 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Verbrugge Zeeland Terminals B.V. (hierna: VZT) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de op- en overslag van stukgoederen, containers en auto's aan de Engelandweg 12 te Vlissingen. Dit besluit is op 9 september 2010 ter inzage gelegd. VindplaatsenRechtspraak.nl NJB 2012, 733 JB 2012, 89 JM 2012, 58 met annotatie door P.M.J. de Haan MENR 2012, 111 met annotatie door V.M.Y. van 't Lam Uitspraak 201010089/1/T1/A4. Datum uitspraak: 29 februari 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen: de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Compagnie de Manutention RoRo B.V. en Compagnie de Manutention B.V., beiden gevestigd te Ritthem, gemeente Vlissingen, en de rechtspersonen naar Belgisch recht Cobelfret Rail N.V. en C.Gen N.V., beiden gevestigd te Antwerpen (BelgiĂŤ), (hierna tezamen en in enkelvoud: CdMR), appellanten, en het college van gedeputeerde staten van Zeeland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 31 augustus 2010 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Verbrugge Zeeland Terminals B.V. (hierna: VZT) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de op- en overslag van stukgoederen, containers en auto's aan de Engelandweg 12 te Vlissingen. Dit besluit is op 9 september 2010 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft CdMR bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 oktober 2010, beroep ingesteld. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. CdMR en VZT hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. CdMR, VZT en het college hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 oktober 2011, waar CdMR, vertegenwoordigd door mr. L. de Kok, advocaat te Amsterdam, J.L.A.

10


Vermeire, R.P.M. Jansen en K.V. van der Nat, en het college, vertegenwoordigd door E.I. de Smidt, W. Barkhuijsen, J.G.F. van Kempen en M.J. Berrevoets, zijn verschenen. Voorts is ter zitting VZT, vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Koning, advocaat te Amsterdam, B. van Velthoven, mr. H. Mulder en J. de Groot, als partij gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. 2.2. Ter zitting heeft CdMR de beroepsgrond inzake het milieueffectrapport ingetrokken. 2.3. VZT drijft een inrichting voor de op- en overslag van stukgoederen, containers en auto's. In een periode van zeven jaar wil VZT haar activiteiten gefaseerd plaats laten maken voor een containerterminal (Verbrugge Container Terminals, hierna: VCT). De andere activiteiten zullen gefaseerd worden verplaatst naar andere inrichtingen van Verbrugge Terminals. De aanvraag heeft betrekking op de op- en overslag van stukgoederen (onder andere bosproducten, staal, non-ferro metalen, wol tabak, auto's), de op- en overslag van containers met gevaarlijke en niet gevaarlijke stoffen, boord-boordoverslag van bulkgoederen, op- en overslag van staalplaten en profielen in loodsen en op het buitenterrein, op- en overslag van (onderdelen van) windmolens, het assembleren van onderdelen van windmolens, het snijbranden van staalplaten, het op maat maken van platen d.m.v. zagen, herstelwerkzaamheden aan flanges, een werkplaats voor onderhoud en reparatie (o.a. laswerkzaamheden, onderhoud diverse motoren en houtbewerking), een aftankplaats met brandstoftanks en een cleanplaats. Incidenteel vindt het in- en ontschepen van militaire konvooien plaats. De gefaseerde overgang naar een containerterminal waarop de aanvraag ziet, houdt in dat de activiteiten zich zullen concentreren op het op- en overslaan van containers. Tijdens de overgang zullen de bestaande loodsen en overige gebouwen worden gesloopt en nieuwe gebouwen worden gerealiseerd. Voor de op- en overslag van containers hanteert de inrichting het vier over drie principe, wat inhoudt dat containers maximaal drie hoog worden gestapeld. Natura 2000 2.4. CdMR voert aan dat een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 vereist is. Daartoe voert zij aan dat de voortoets van Oranjewoud van 23 november 2009 onvolledig is en geen betrekking heeft op de depositie van stikstof in het Natura 2000 gebied. 2.4.1. Deze procedure heeft slechts betrekking op de rechtmatigheid van het besluit van 31 augustus 2010 tot verlening van een milieuvergunning. Daarbij staat niet ter beoordeling of tevens een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 is vereist. De beroepsgrond faalt. Gebruik handelskade 2.5. CdMR voert aan dat het college zich ten onrechte geen rekenschap heeft gegeven van het feit dat door realisatie van de containerterminal laden

11


en lossen door CdMR aan de kade onmogelijk wordt gemaakt en daarnaar geen onderzoek heeft verricht. Ten onrechte heeft het college geen inrichtingsplan voor de containerterminal beoordeeld. 2.5.1. Deze beroepsgrond betreft de civielrechtelijke verhouding tussen CdMR en VZT. Echter, zoals de Afdeling in haar uitspraak van 24 oktober 2001 in zaak nr. 199901710/ (AB 2002, 93) eerder heeft overwogen, vallen bestaande en toekomstige civielrechtelijke verhoudingen buiten het toetsingskader van de Wet milieubeheer. De beroepsgrond faalt. Drie jaar 2.6. CdMR voert aan dat het college verplicht is op te treden als de inrichting niet binnen drie jaren is voltooid en in werking is gebracht. 2.6.1. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het bestreden besluit, zodat ze reeds hierom faalt. Externe veiligheid 2.7. CdMR voert aan dat niet is gebleken dat alle beperkt kwetsbare objecten binnen de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar behoren bij Bevi-inrichtingen. CdMR bestrijdt dat de veiligheidscontour is vastgesteld, zodat deze niet gebruikt kan worden om te motiveren waarom het risico aanvaardbaar is. 2.7.1. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder d, van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 (hierna: het BRZO 1999) is dit besluit niet van toepassing op inrichtingen die geheel of nagenoeg geheel zijn bestemd voor de opslag in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen, al dan niet in combinatie met andere stoffen. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder opslag in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen verstaan opslag van verpakte gevaarlijke stoffen gedurende korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger, met inbegrip van het laden en lossen van die stoffen en de overbrenging daarvan naar of van een andere tak van vervoer, voor zover daadwerkelijk in aansluitend vervoer is voorzien en de betrokken gevaarlijke stoffen in hun oorspronkelijke verpakking blijven. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: het Bevi) is dit besluit van toepassing op besluiten, bedoeld in artikel 4, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot een inrichting die bestemd is voor de opslag in verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het BRZO 1999, waar gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage I van het BRZO 1999 worden opgeslagen in hoeveelheden groter dan de in kolom 2 van de delen 1 onderscheidenlijk 2 van bijlage I van het BRZO 1999 genoemde hoeveelheden. Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder f, is dit besluit van toepassing op besluiten, bedoeld in artikel 4, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot een inrichting waar verpakte gevaarlijke afvalstoffen, of verpakte gevaarlijke stoffen, niet zijnde nitraathoudende kunstmeststoffen, worden opgeslagen in een hoeveelheid van meer dan 10 000 kg per opslagvoorziening, niet zijnde een inrichting als bedoeld in onderdeel a of d, indien:

12


1° brandbare gevaarlijke stoffen met fluor-, chloor-, stikstof- of zwavelhoudende verbindingen worden opgeslagen, of 2° binnen een opslagvoorziening zowel brandbare gevaarlijke stoffen als gevaarlijke stoffen met fluor-, chloor-, stikstof- of zwavelhoudende verbindingen worden opgeslagen; Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, onder c, wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder beperkt kwetsbaar object verstaan hotels en restaurants, voor zover zij niet onder onderdeel m (lees: l), onder c, vallen. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder l, onder c, wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder kwetsbaar object verstaan gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, waartoe in ieder geval behoren: 1. kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m² per object, of 2. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1000 m² bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2000 m² per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd. Ingevolge artikel 1, tweede lid, worden voor de toepassing van dit besluit kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten die behoren tot een inrichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met h, behoudens de artikelen 12 en 13 en de artikelen 15 en 16, voor zover de artikelen 15 en 16 betrekking hebben op het groepsrisico, niet beschouwd als kwetsbare onderscheidenlijk beperkt kwetsbare objecten. Ingevolge artikel 4, derde lid, voor zover thans van belang, neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de wet, indien de aanvraag betrekking heeft op een verandering die nadelige gevolgen heeft voor het plaatsgebonden risico, de grenswaarden, genoemd in de artikelen 7, eerste lid, en 24, eerste lid, in acht. Ingevolge het vierde lid houdt het bevoegd gezag bij de beslissing op een aanvraag als bedoeld in het derde lid, indien de aanvraag betrekking heeft op een verandering die nadelige gevolgen heeft voor het plaatsgebonden risico, rekening met de richtwaarde, genoemd in artikel 7, tweede lid. Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de grenswaarde, bedoeld in artikel 4, derde lid, voor al dan niet geprojecteerde kwetsbare objecten 10-6 per jaar. Ingevolge het tweede lid is de richtwaarde, bedoeld in artikel 4, vierde lid, voor al dan niet geprojecteerde beperkt kwetsbare objecten 10-6 per jaar. 2.7.2. Het college stelt zich op het standpunt dat binnen de 10-6 contour enkele beperkt kwetsbare objecten zijn gelegen. Volgens het college gaat het om bedrijfsgebouwen. Het college verwijst naar het Omgevingsplan Zeeland 2006-2012 en de Beleidsvisie externe veiligheid van 7 oktober 2005. Daarin is vermeld dat bedrijven worden toegelaten binnen de 10-6-contour die een

13


relatie hebben met een bedrijf op het zeehaventerrein of met de haven zelf. Het college wijst erop dat VZT en VCT zijn gelegen in het Sloegebied en dat dit een zeehavengebied is als bedoeld in het Omgevingsplan Zeeland 20062012 en de Beleidsvisie externe veiligheid. Volgens het college behoren de objecten die binnen de 10-6 contour zijn gelegen, bij havengebonden activiteiten. De objecten liggen volgens het college buiten de 10-5 contour. Het college betoogt dat de aanvrager een analyse heef gemaakt van risicoreducerende maatregelen. De aanvrager heeft tevens maatregelen getroffen zoals het niet opslaan van (tank)containers met ADRgeclassificeerde stoffen in bepaalde stacks en het op voorraad hebben van schuim om bij een mogelijke calamiteit een plas volledig te kunnen afdekken, aldus het college. Gelet hierop acht het college het plaatsgebonden risico toelaatbaar. 2.7.3. Blijkens de "Kwantitatieve risicoanalyse huidige situatie en toekomstige situatie Verbrugge Zeeland Terminals. Kwantitatieve risico analyse." van april 2009 die door DHV is opgesteld, overschrijdt de 10-6 contour in de huidige en de toekomstige situatie de grenzen van de inrichting en ligt zij in de toekomstige situatie ook over gebouwen van andere inrichtingen. Volgens het deskundigenbericht ligt deze contour onder meer over een koffiehuis. Volgens het deskundigenbericht kan het koffiehuis als beperkt kwetsbaar object worden beschouwd en maakt het geen deel uit van een Bevi-inrichting. Het is een gelegenheid waar chauffeurs een kleine maaltijd of een drankje kunnen nuttigen, aldus het deskundigenbericht. Het college heeft bevestigd dat het koffiehuis kan worden beschouwd als beperkt kwetsbaar object en dat het geen deel uitmaakt van een Bevi-inrichting. Afwijken van de richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten is slechts geoorloofd als dit deugdelijk is gemotiveerd. Het college heeft voor het afwijken van de richtwaarde slechts naar het Omgevingsplan Zeeland 20062012 en de Beleidsvisie externe veiligheid verwezen volgens welke afwijking mogelijk is voor bedrijven die een relatie hebben met een bedrijf op het zeehaventerrein of met de haven zelf. Deze motivering is niet draagkrachtig, omdat uit deze motivering niet blijkt hoeveel mensen in het koffiehuis aanwezig zijn, hoelang zij daar verblijven, of zij de veiligheidsrisico's kunnen inschatten, of zij snel kunnen vluchten. Hierdoor is onvoldoende onderzocht of het externe veiligheidsrisico aanleiding had dienen te zijn de aangevraagde vergunning te weigeren dan wel aan die vergunning nadere voorschriften te verbinden. Deze beroepsgrond slaagt. 2.8. CdMR voert aan dat het college zonder nadere motivering aan het advies van de Veiligheidsregio is voorbijgegaan. 2.8.1. Het college is in het bestreden besluit op die adviezen ingegaan en heeft daarbij zijn standpunt nader gemotiveerd, alsmede het ontwerp van de vergunning op een enkel punt aangepast. De beroepsgrond faalt. 2.9. CdMR voert aan dat in de QRA ten onrechte geen ranking van de installaties is opgenomen. 2.9.1. Tabel 16 van de Handleiding Risicoberekeningen Bevi versie 3.2 bevat een overzicht van elementen die in een QRA gerapporteerd moeten worden. Volgens deze tabel moet een beschrijving worden opgenomen van een aantal voor 90% van de risico's bepalende scenario's. In een naderhand toegezonden memo en de daarbij behorende bijlage is voor drie punten net

14


buiten de inrichting weergegeven, welke installaties bij welke scenario's de grootste bijdragen aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van VZT leveren. Volgens het deskundigenbericht is daardoor een redelijk goed beeld van de risico's gegeven. CdMR heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Deze beroepsgrond faalt. 2.10. CdMR voert aan dat de maatregelen die tot doel hebben het groepsrisico te verlagen onvoldoende inzichtelijk zijn. 2.10.1. Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bevi worden, indien het bevoegd gezag een besluit als bedoeld in artikel 4, eerste tot en met vijfde lid, neemt, in de motivering van dit besluit in elk geval de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst vermeld. 2.10.2. In de aanvraag en het bestreden besluit is aan de te nemen maatregelen ruim aandacht besteed. CdMR heeft niet geconcretiseerd op welke punten die uiteenzettingen niet inzichtelijk zijn. De beroepsgrond faalt. 2.11. CdMR voert aan dat de ADR klassen 4 en 5 stoffen niet zijn meegenomen in de QRA. Zij acht dit onjuist nu deze stoffen met een bijkomend gevaar in de milieuvergunning niet zijn uitgesloten. 2.11.1. Volgens het deskundigenbericht is in de bij de aanvraag behorende QRA ook met de door CdMR bedoelde stoffen rekening gehouden. CdMR heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is. Deze beroepsgrond faalt. 2.12. CdMR voert aan dat artikel 5.7.1 van de PGS 15 in de vergunningvoorschriften had moeten zijn overgenomen. 2.12.1. In artikel 5.7.1 van de PGS 15 is vermeld dat maatregelen moeten worden getroffen om, in geval van lekkages, te voorkomen dat gelekte vloeistof in het oppervlaktewater of het riool geraakt. 2.12.2. Volgens de toelichting bij dit artikel kan in geval van nieuw te bouwen inrichtingen voorkomen worden dat gelekte vloeistof in het oppervlaktewater of het riool geraakt door afsluiters aan te brengen daar waar hemelwater op het oppervlaktewater wordt geloosd. Uit bijlage 4.4.10 van de aanvraag blijkt welke voorzieningen zijn getroffen. Er is een calamiteitenplaats en de afvoerputten zijn voorzien van afsluiters. Het was dan ook niet nodig artikel 5.7.1 in de vergunningsvoorschriften over te nemen. Deze beroepsgrond faalt. 2.13. CdMR voert aan dat niet duidelijk is waar de maximale hoeveelheid Netto Explosieve Massa (NEM) in een stack (gestapelde containers)is vastgelegd. 2.13.1. Ingevolge vergunningsvoorschrift 1.3.1 is de inrichting in werking overeenkomstig de beschrijving in de aanvraag inclusief de bijlagen voor zover die onderdeel uitmaken van deze vergunning en de daarbij behorende voorschriften. 2.13.2. Op 15 december 2009 is de vergunningaanvraag aangevuld. In tabel 2 is de totale netto explosieve massa in kilogram vuurwerk per subklasse vermeld. In bijlage 3 is de maximale netto explosieve massa in een stack vermeld De aanvraag met bijlagen, uitgezonderd de bijlagen 8.11-3 en

15


15.45.2 maken deel uit van de beschikking, voor zover de voorschriften en beperkingen niet anderszins bepalen. Deze beroepsgrond faalt. 2.14. CdMR voert aan dat de maximale opslag van ontplofbare militaire stoffen niet is gelimiteerd. 2.14.1. Ingevolge voorschrift 9.9.1 mogen containers die ontplofbare stoffen (klasse 1.1, 1.2, 1.3 en/of 1.4) bevatten en die onderdeel zijn van militaire transporten maximaal drie uur, nadat deze containers zijn gelost van een schip of per as worden aangevoerd, op de kade worden gestald. Ingevolge voorschrift 9.9.5, voor zover thans van belang, is het tijdens incidentele en reguliere militaire transporten toegestaan dat overslag plaatsvindt van containers met ontplofbare stoffen overeenkomende met maximaal 150 kilogram netto explosief materiaal (klasse 1.1) of maximaal 235.000 kilogram netto explosief materiaal (klasse 1.2 en 1.3 en/of 1.4) in alle op de kade aanwezig zijnde containers. 2.14.2. In de aanvraag is vermeld dat incidenteel, ongeveer vijf keer per jaar, militaire transporten plaatsvinden, waarbij een deel van het terrein tijdelijk maximaal 48 uur wordt gebruikt door defensie. Voorts vinden tweemaal per maand reguliere transporten plaats, waarbij militairen, voertuigen en mogelijk ook containers met munitie worden vervoerd. De hoeveelheid ontplofbare militaire stoffen die maximaal aanwezig mag zijn tijdens de transporten is gelimiteerd door vergunningvoorschrift 9.9.5. Deze beroepsgrond faalt. Luchtkwaliteit 2.15. CdMR voert aan dat er bij de boord-boordoverslag van goederen met stuifklassen S1 en S2 producten substanti谷le verstuiving optreedt. Volgens haar is de jaarlijkse emissie van zwevende deeltjes (PM10) onderschat doordat bij de berekeningen is uitgegaan van gemiddeld stuifklasse S3, terwijl de emissiefactor voor stuifklassen S1 en S2 een factor 20 hoger is dan de emissiefactor van stuifklassen S3 en S4. Volgens CdMR is daardoor de emissie 48 ton zwevende deeltjes per jaar onderschat. 2.15.1. Het college heeft ter zitting vermeld dat inmiddels een worst-case berekening is gemaakt, uitgaande van een extra emissie van 48 ton per jaar waaruit blijkt dat de totale jaargemiddelde concentratie slechts met 1 microgram/nm続 naar 19,8 microgram/nm続 toeneemt. 2.15.2. Nu gelet hierop de totale jaargemiddelde concentratie ruim onder de grenswaarde van 40 microgram/nm続 blijft, faalt de beroepsgrond. 2.16. Eerst op 11 mei 2011 heeft CdMR aan de Afdeling laten weten dat een ligplaats voor binnenvaartschepen dan wel containers waar werknemers van andere bedrijven slapen wanneer niet op de schepen wordt gewerkt, als beoordelingspunt voor luchtkwaliteit had moeten zijn opgenomen. Deze nieuwe beroepsgrond is eerst aangevoerd, nadat het deskundigenbericht op 28 maart 2011 was uitgebracht. 2.16.1. Behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na de termijn als bedoel in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht, nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daar

16


niet tegen verzet, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer. Nu de nieuwe beroepsgrond eerst na het uitbrengen van het deskundigenbericht is ingediend, zodat de deskundige er in zijn deskundigenbericht niet op heeft kunnen ingaan, en niet aannemelijk is geworden dat deze beroepsgrond niet eerder had kunnen worden ingediend, brengt een afweging van de proceseconomie en de processuele belangen over en weer mee dat het indienen van deze nieuwe beroepsgrond in strijd is met de goede procesorde. De Afdeling voegt hieraan nog toe dat zij voortaan het indienen van nieuwe beroepsgronden later dan drie weken nadat de Afdeling de Stab heeft verzocht een deskundigenbericht uit te brengen, in strijd met de goede procesorde zal achten. Spuiten van verf 2.17. CdMR voert aan dat schilderwerk wordt uitgevoerd en dat onduidelijk is of daarbij ook wordt gespoten en welke voorzieningen ter zake zijn getroffen. 2.17.1. faalt.

De aanvraag ziet niet op het spuiten van verf. Deze beroepsgrond

Waterstofcentrale 2.18. CdMR voert aan dat onvoldoende aandacht is besteed aan de milieuvergunning van haar eigen inrichting en de plannen van C.Gen voor een waterstofelektriciteitscentrale. 2.18.1. CdMR heeft niet duidelijk gemaakt waarom en in welk opzicht dit relevant is voor de beoordeling van het bestreden besluit. Deze beroepsgrond faalt. Geluid 2.19. CdMR voert aan dat onduidelijk is of ook 's nachts treinen worden behandeld en vraagt zich af of dat mogelijk is gelet op de vergunningen die aan andere bedrijven zijn verstrekt. 2.19.1. Uit het akoestisch rapport van DHV van 29 april 2009, dat deel uitmaakt van de aanvraag en daarmee van het bestreden besluit, blijkt dat 's nachts een railkraan wordt ingezet voor het laden en lossen van treinen. De inrichting is gelegen op een krachtens de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein. De aangevraagde geluidruimte leidt niet tot overschrijding van de zonegrens en aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevels van in de geluidzone gelegen woningen. Deze beroepsgrond faalt. Vervoersbewegingen 2.20. CdMR voert, kort weergegeven, aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de invloed van VCT en de Westerschelde Container Terminal op de capaciteit van de Zeeuwse lijn, het verkeer op de Engelandweg, en het scheepvaartverkeer in de Sloehaven. Zij voert aan dat, indien het verkeer toeneemt, zij van een tweede toegangsweg naar de Engelandweg gebruik wil

17


maken. Volgens haar kunnen ook geen scheepsbewegingen worden vergund die haar vaarschema frustreren. Het college heeft volgens CdMR ten onrechte niet onderzocht of reconstructie van de publieke handelskade noodzakelijk is en wat de gevolgen daarvan zijn. 2.20.1. Gevolgen van verkeer van en naar de inrichting, zoals emissies en verkeershinder, kunnen onder omstandigheden aan het in werking zijn van de inrichting worden toegerekend - en als gevolg daarvan worden betrokken bij de beslissing over verlening van een milieuvergunning - maar uitsluitend indien het verkeer zich door zijn rij- of vaargedrag onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken locatie kan bevinden. Dit brengt mee dat de gevolgen van het verkeer van en naar de inrichting uitsluitend in de zeer directe omgeving ervan kunnen worden toegerekend. Er is geen grond voor het oordeel dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar deze gevolgen. Verder biedt de Wet milieubeheer, zoals het college terecht heeft opgemerkt in zijn nadere stukken, geen kader voor het beoordelen van de noodzaak tot aanpassing of aanleg van infrastructuur in het algemeen of voor het stellen van voorrangsregels voor scheepvaartverkeer in havengebieden. Het college kon dan ook op goede gronden concluderen dat hetgeen CdMR heeft aangevoerd over verkeer op de Engelandweg en de Zeeuwse lijn, de aanleg van een nieuwe toegangsweg, en het gebruik van de Sloehaven voor scheepvaartbewegingen bestemd voor de inrichting enerzijds en de andere inrichtingen in de omgeving anderzijds, geen aanleiding geeft voor weigering van de vergunning of voor het stellen van voorschriften. 2.20.2. Wat de reconstructie van de publieke handelskade betreft, heeft het college tot slot terecht geconcludeerd dat dit evenmin een aspect is dat in het kader van de verlening van de thans bestreden vergunning kan worden geregeld. 2.20.3.

De beroepsgronden over het verkeer falen.

Conclusie 2.21. Het bestreden besluit is, zoals in 2.7.3 is overwogen, voor zover het de afwijking van de richtwaarde van artikel 7, tweede lid, van het Bevi betreft niet deugdelijk gemotiveerd. 2.21.1. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beĂŤindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 36, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. Het college dient daartoe nader te motiveren waarom afwijking van de richtwaarde van artikel 7, tweede lid, van het Bevi toelaatbaar is dan wel, als een deugdelijke motivering niet mogelijk is, het bestreden besluit te wijzigen, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. In het laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt en dient daarvan op de wettelijk voorgeschreven wijze mededeling te worden gedaan. 2.22. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht. 3.

Beslissing

18


De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: draagt het college van gedeputeerde staten van Zeeland op om binnen twaalf weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 31 augustus 2010, kenmerk 10027707 te herstellen door: 1. nader te motiveren waarom de afwijking van de richtwaarde van artikel 7, tweede lid, van het Bevi toelaatbaar is, dan wel het besluit te wijzigen. In het laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden gemaakt alsmede dient daarvan op de wettelijk voorgeschreven wijze mededeling te worden gedaan, en 2. de Afdeling van de uitkomst en van het eventuele nieuwe besluit mededeling te doen. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat. w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2012 433.

19


ECLI:NL:HR:2013:CA3937 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 21-06-2013 Datum publicatie 21-06-2013 Zaaknummer 12/05489 Formele relaties In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2012:BY3875, Bekrachtiging/bevestiging Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Cassatie Inhoudsindicatie Goede procesorde. Het Hof mocht op zitting aangevoerde stellingen die in wezen nieuwe geschilpunten inhouden en een nader feitelijk onderzoek vergen, tardief verklaren, ook wanneer het Hof zijn onderzoek na schorsing van de zitting voortzet. Vindplaatsen Rechtspraak.nl Uitspraak 21 juni 2013 Nr. 12/05489 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 oktober 2012, nrs. 09/00738 t/m 09/00742, betreffende (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, een aanslag ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: de Waz) en de daarbij gegeven boetebeschikkingen. 1. Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende zijn over de jaren 2000 en 2001 navorderingsaanslagen en voor de jaren 2002 en 2003 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede boetes. Tevens is voor het jaar 2003 een aanslag ingevolge de Waz opgelegd. De navorderingsaanslag over het jaar 2000 en de gelijktijdig opgelegde boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur verminderd. De (navorderings)aanslagen over de jaren 2001, 2002 en 2003, alsmede de gelijktijdig opgelegde boetebeschikkingen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. De Rechtbank te Haarlem (nrs. AWB 07/6959 t/m 07/6963) heeft de tegen de uitspraken ingestelde beroepen, met uitzondering van de beroepen tegen de aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en ingevolge de Waz voor het jaar 2003, gegrond verklaard en de desbetreffende uitspraken van de Inspecteur vernietigd. De Rechtbank heeft de (navorderings)aanslagen over de jaren 2000 tot en met 2002 verminderd, alsmede de bijbehorende boetebeschikkingen en de boetebeschikking voor het jaar 2003. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd voor zover die ziet op de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de aanslag ingevolge de Waz voor het jaar 2003 en heeft de uitspraak van de Rechtbank voor het overige vernietigd, het bij de Rechtbank ingestelde

20


beroep in zoverre gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de aanslagen en gelijktijdig opgelegde boetes verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van FinanciĂŤn heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 3. Beoordeling van de middelen 3.1.1. Belanghebbende heeft voor het eerst ter zitting van het Hof op 1 december 2010 als stellingen aangevoerd dat aan de navorderingsaanslag geen nieuw feit ten grondslag lag en dat de Inspecteur bij het inwinnen van inlichtingen bij derden de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen heeft geschonden. 3.1.2. Het Hof heeft geoordeeld dat bij een afweging van het belang van belanghebbende bij behandeling van zijn stellingen tegenover het belang van een doelmatige en doelgerichte voortgang van de procedure, behandeling van die stellingen niet in overeenstemming is met een goede procesorde en dat deze stellingen daarom als tardief moeten worden beschouwd. Het Hof heeft hiervoor in aanmerking genomen dat sprake is van nieuwe geschilpunten die uitbreiding geven aan de rechtsstrijd zoals deze zich heeft ontwikkeld tot aan het moment waarop die stellingen werden opgeworpen, het geen stellingen betreffen die het Hof ambtshalve zou hebben kunnen opwerpen, deze stellingen tot een nader onderzoek van feitelijke aard dwingen, dat - zoals ook de Inspecteur in reactie op deze stellingen had aangevoerd - van de Inspecteur redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat hij zonder nadere voorbereiding op die stellingen moet kunnen reageren, en ten slotte dat niet valt in te zien waarom gemachtigde de stellingen niet in een eerder stadium van de procedure dan op de zitting naar voren heeft kunnen brengen. Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Ze zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Aan die oordelen doet niet af de omstandigheid dat het Hof de hiervoor vermelde zitting heeft geschorst om belanghebbende in de gelegenheid te stellen op een onderdeel van het geschil nader bewijs te leveren en de Inspecteur de gelegenheid te geven te reageren op voorafgaand aan de zitting door belanghebbende overgelegde stukken, waarna het onderzoek ter zitting is voortgezet op 28 september 2011 en op 7 december 2011. 3.2. De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. 5. Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en C.H.W.M. Sterk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2013.

21


ECLI:NL:RVS:2013:CA0157 Instantie Raad van State Datum uitspraak 15-05-2013 Datum publicatie 15-05-2013 Zaaknummer 201207046/1/A4 Rechtsgebieden Bestuursrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - enkelvoudig Inhoudsindicatie Bij besluit van 31 mei 2012 heeft het college ingestemd met het nazorgplan als bedoeld in artikel 39d, eerste lid, van de Wet bodembescherming, opgemaakt ten aanzien van het Ridsterrein (noordelijk terreindeel) te Haarlem. Vindplaatsen Rechtspraak.nl Uitspraak 201207046/1/A4. Datum uitspraak: 15 mei 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], gevestigd te [plaats], en het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 31 mei 2012 heeft het college ingestemd met het nazorgplan als bedoeld in artikel 39d, eerste lid, van de Wet bodembescherming, opgemaakt ten aanzien van het Ridsterrein (noordelijk terreindeel) te Haarlem. Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellante] en het college hebben nadere stukken ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. F.G. van Dam, advocaat te Haarlemmermeer, en ing. M. van Houten als deskundige, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Paulussen, ir. J. Koster en drs. S. van 't Veer, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Overwegingen Goede procesorde 1. Op 26 februari 2013 zijn nadere stukken van [appellante] ontvangen, waarin nieuwe gronden en argumenten zijn opgenomen. Het college stelt zich op het standpunt dat de nieuwe gronden en argumenten buiten beschouwing dienen te blijven omdat zij zijn ingediend in strijd met een goede procesorde. 1.1. Behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb),

22


nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daartegen verzet, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer. Ook na afloop van de beroepstermijn en indien die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, kunnen, gelet op artikel 8:58 van die wet, nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken, ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval, indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd. De nadere stukken zijn 24 dagen voor de zitting ingebracht en op 28 februari 2013 naar het college verzonden, dat stelt deze op 4 maart 2013 te hebben ontvangen. De aard en omvang van de daarin vervatte nieuwe gronden en argumenten zijn niet zodanig dat het college daar niet adequaat op heeft kunnen reageren. Daarbij is van belang dat de gronden betreffende de kenbaarheid van het besluit, de reikwijdte van het nazorgplan, de grondwaterstroming en de aanpak van de verontreiniging aansluiten bij de zienswijzen die [appellante] over het ontwerpbesluit heeft ingebracht. Het college heeft bij brief van 11 maart 2013 een schriftelijke reactie gegeven. Geen aanleiding bestaat de nieuwe gronden en argumenten buiten beschouwing te laten wegens strijd met een goede procesorde. Wettelijk kader 2. Ingevolge artikel 39d, eerste lid, van de Wet bodembescherming, wordt, indien na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven en in het verslag, bedoeld in artikel 39c is aangegeven dat maatregelen als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, onder f, noodzakelijk zijn, tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de toezending van dat verslag door degene die de bodem heeft gesaneerd een nazorgplan ingediend waarin die maatregelen worden beschreven. Het nazorgplan bevat tevens een begroting van de kosten van de maatregelen en, voor zover naast maatregelen ook beperkingen in het gebruik van de bodem noodzakelijk zijn, een beschrijving van deze beperkingen. Ingevolge het tweede lid kunnen de maatregelen onder meer inhouden: a. het regelmatig inspecteren van de voorzieningen die ter uitvoering van de sanering zijn aangebracht en de tijdstippen waarop hierover tussentijds aan het bevoegd gezag verslag wordt gedaan; b. het in stand houden en onderhouden alsmede waar nodig het herstellen, verbeteren of vervangen van die voorzieningen. Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, behoeft het nazorgplan de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het nazorgplan instemmen indien de daarin opgenomen beperkingen in het gebruik van de bodem of maatregelen naar hun oordeel voldoende zijn om er voor te zorgen dat de verontreiniging die na de sanering is achtergebleven niet zal leiden tot een vermindering van de kwaliteit van de bodem zoals beschreven in het verslag op grond van artikel 39c, eerste lid, onder b. Aan de instemming kunnen voorschriften worden verbonden. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder l, van het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming, in samenhang met artikel 88, eerste lid, aanhef en onder a, en zevende lid, van de Wet bodembescherming, wordt de gemeente Haarlem voor de toepassing van artikel 39d gelijkgesteld met een provincie.

23


Voorgeschiedenis 3. Bij besluit van 22 juli 1996 hebben gedeputeerde staten van Noord-Holland besloten dat met betrekking tot de locatie aangeduid als het voormalige RIDS-terrein aan de Waarderweg 98 te Haarlem (hierna: de saneringslocatie), sprake is van twee gevallen van ernstige bodemverontreiniging en dat de sanering van het als RIDS aangeduide geval als zeer urgent wordt beschouwd. In december 2004 is een saneringsplan opgesteld dat voorziet in het aanbrengen van een leeflaag op de saneringslocatie. Daarin is tevens vermeld op welke wijze de nazorg ten aanzien van eventuele verspreiding van de verontreinigingen in het ondiepe grondwater zal plaatsvinden. Bij besluit van 14 maart 2005 heeft het college met dit saneringsplan ingestemd. Deelsaneringen op het noordelijke en zuidelijke deel van de saneringslocatie hebben plaatsgevonden door het aanbrengen van een leeflaag. Voorts is een monitoringssysteem geplaatst, waarbij jaarlijks een controle wordt uitgevoerd op de mogelijke verspreiding van verontreinigingen in het ondiepe grondwater op beide delen van de saneringslocatie. Bij besluit van 18 december 2007 heeft het college ingestemd met het resultaat van de uitgevoerde deelsaneringen. Het bestreden besluit 4. Bij het bestreden besluit heeft het college onder het stellen van voorschriften ingestemd met het door de gemeente Haarlem opgestelde geactualiseerde nazorgplan "Nazorg RIDS leeflaag Terreindeel Haarlem NH03920003" van 5 december 2011, met projectnummer 82016NZ2011, voor het noordelijke deel van de saneringslocatie (hierna: het nazorgplan). Het nazorgplan bevat een beschrijving van de controle op en beheersing van autonome verspreiding van de verontreiniging via het ondiepe grondwater. Kenbaarheid besluit 5. [appellante] voert aan dat in het bestreden besluit, in reactie op ingebrachte zienswijzen, wordt verwezen naar een bijlage en een tekening die niet bij het besluit zijn gevoegd. Daardoor is volgens [appellante] niet duidelijk waar de in die stukken weergegeven contouren van sterke verontreinigingen in het ondiepe grondwater en het zogenoemde pluimgebied zijn gelegen. 5.1. De Afdeling stelt vast dat het afschrift van het besluit zoals dat door het college als gedingstuk is ingebracht een bijlage bevat waarop de contour van sterke verontreinigingen in het ondiepe grondwater en het pluimgebied zijn weergegeven. [appellante] heeft van die bijlage kennis kunnen nemen. Voor zover deze bijlage geen deel uitmaakte van het afschrift van het besluit dat door het college aan [appellante] is verzonden, is niet gebleken dat zij daardoor in haar belangen is geschaad. Het betoog faalt. Reikwijdte nazorgplan 6. [appellante] betoogt dat het college ten onrechte heeft ingestemd met het nazorgplan, voor zover dat voorziet in het inschrijven in het gemeentelijke beperkingenregister van een gebruiksbeperking voor haar percelen, kadastraal bekend gemeente Haarlem II, sectie N, nummers 1343 en 1345. Zij acht het voorts niet juist dat het nazorgplan van toepassing is op een groter gebied dan het gebied dat behoort tot het geval van ernstige verontreiniging, zoals vastgesteld bij het besluit van 22 juli 1996, en zich uitstrekt tot buiten de grond waarop de leeflaag is aangebracht. Voorts heeft het college volgens [appellante] zijn stelling dat geen verschil bestaat tussen het brongebied in 1996 en 2011, onvoldoende onderbouwd. Ter zitting heeft [appellante] toegelicht dat zij vreest dat het college, doordat het heeft ingestemd met het nazorgplan, onvoldoende maatregelen zal treffen ten aanzien van de nog aanwezige verontreiniging, die zich mede uitstrekt tot een deel van haar grond, en mogelijke verspreiding daarvan. In dit verband acht

24


zij niet juist dat het nazorgplan en de aan de instemming met dat plan verbonden voorschriften niet mede voorzien in analyse van grondwater in de op haar grond aanwezige peilbuis 271 op overschrijding van de interventiewaarden. 6.1. Het saneringsplan is beperkt tot het grondgebied van de gemeente. Anders dan [appellante] in het beroepschrift heeft gesteld, brengt het besluit tot instemming met het nazorgplan geen verandering in de begrenzing van het geval van ernstige verontreiniging en het brongebied, zoals vastgesteld in het besluit van 22 juli 1996. Evenmin leidt het tot een wijziging van het toegestane gebruik van haar percelen. Gelet op het oogmerk om met het nazorgplan door controle en monitoring verspreiding tijdig te signaleren, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het nazorgplan ten onrechte niet is beperkt tot het gebied dat wordt beslagen door het geval van ernstige verontreiniging. Zoals het college uiteen heeft gezet en door [appellante] niet is bestreden, strekt de verontreiniging, die aanleiding heeft gevormd voor het besluit van 22 juli 1996, waarbij ernst en urgentie zijn vastgesteld, en die vervolgens tot het opstellen van het saneringsplan heeft geleid, zich mede uit tot een gedeelte van de grond die thans eigendom is van [appellante]. Dat is in het besluit van 22 juli 1996 niet onderkend. Ten onrechte is er destijds van uitgegaan dat peilbuis nummer 271, waarin verontreiniging was aangetroffen, zich bevond op het voormalige RIDS-terrein, dat eigendom van de gemeente is. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college niet had mogen instemmen met het nazorgplan, dan wel daaraan andersluidende voorschriften had moeten verbinden, op de grond dat het nazorgplan niet mede is gericht op het analyseren van het grondwater uit peilbuis 271 met het oog op het constateren van verspreiding. Zoals hiervoor vermeld, is in peilbuis nummer 271 reeds in 1996 verontreiniging aangetroffen. Daarbij is gebleken dat de interventiewaarden werden overschreden, zodat moet worden geconstateerd dat zich daar feitelijk een verontreiniging voordeed die ernstig is en waarvan sanering destijds zeer urgent werd geacht. Analyse van grondwater uit peilbuis 271 op overschrijding van de interventiewaarden heeft in dit opzicht, naast de in het nazorgplan opgenomen monitoring van de peilbuis, dan ook geen toegevoegde waarde. Voor zover [appellante] de zorg heeft geuit dat de op zijn perceel aanwezige bodemverontreiniging niet zal worden aangepakt, heeft het college ter zitting te kennen gegeven dat het voornemens is om een integraal onderzoek te doen naar de aard en omvang van de nog aanwezige bodemverontreiniging dat zich niet zal beperken tot het ondiepe grondwater. Na dit onderzoek zal indien nodig nieuwe besluitvorming inzake vaststelling van de ernst van de verontreiniging en spoedeisendheid van de sanering volgen. Het terrein van [appellante] zal hierbij worden betrokken, aldus het college. Het betoog faalt. Begroting 7. [appellante] betoogt dat het college ten onrechte heeft ingestemd met het nazorgplan, nu het geen begroting bevat als bedoeld in artikel 39d, eerste lid, van de Wet bodembescherming. 7.1. Vast staat dat het nazorgplan geen begroting bevat. Volgens het college is een begroting in dit geval niet noodzakelijk omdat het nazorgplan is opgesteld en wordt uitgevoerd door de gemeente Haarlem en ervan kan worden uitgegaan dat de gemeente hiervoor de benodigde financiĂŤle middelen heeft. Een begroting draagt in dit geval niet bij aan vergroting van financiĂŤle zekerheid, aldus het college. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat, gegeven deze motivering, het college door het ontbreken van een begroting, niet onvoldoende kennis van

25


de relevante feiten had om een besluit over de instemming met het nazorgplan te kunnen nemen. Het betoog faalt. Gidsparameters 8. [appellante] betoogt voorts dat in het nazorgplan ten onrechte slechts gidsparameters zijn opgenomen voor een drietal stoffen waarop de grondwaterkwaliteit ter plaatse van haar perceel moet worden gecontroleerd. 8.1. Het nazorgplan voorziet in controle op benzeen, chloorbenzenen en chloorfenolen. Deze stoffen zijn aangetroffen bij de bodemverontreiniging en betreffen, zoals het college ter zitting onweersproken heeft gesteld, de drie stoffen die zich het snelst via het grondwater kunnen verspreiden. Volgens het college heeft controle op andere stoffen geen toegevoegde waarde. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is. Het betoog faalt. Grondwaterstroming 9. [appellante] betoogt dat uit het nazorgplan ten onrechte niet blijkt in hoeverre rekening is gehouden met de invloed op de grondwaterstroming van het talud dat is aangelegd nadat de leeflaag is aangebracht. 9.1. Het nazorgplan bevat een bijlage met tekeningen waarop de grondwaterstanden, zoals die zijn gemeten in de periode van april 2010 tot en met augustus 2011, zijn weergegeven. In het nazorgplan is vermeld dat op basis van de freatische grondwaterstanden een grondwaterstroming is afgeleid. In reactie op de door [appellante] ingebrachte zienswijzen heeft het college zich op het standpunt gesteld dat uit meetresultaten, die als bijlage bij het bestreden besluit zijn gevoegd, kan worden geconcludeerd dat geen structurele wijzigingen zijn opgetreden als gevolg van het aanbrengen van de leeflaag en het talud. Aan het besluit tot instemming met het nazorgplan is het voorschrift verbonden dat de stromingsrichting van het grondwater minimaal jaarlijks moet worden bepaald door middel van metingen van de grondwaterstanden in de monitoringspeilbuizen. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat in het nazorgplan en het besluit tot instemming onvoldoende inzicht wordt verschaft in de wijze waarop de grondwaterstroming uit metingen is afgeleid en jaarlijks wordt bepaald. Het betoog faalt. Aanpak verontreiniging 10. [appellante] betoogt voorts dat het nazorgplan ten onrechte geen inzicht verschaft in de technische aard van de te treffen maatregelen in geval uitvoering van het nazorgplan leidt tot de constatering dat verspreiding van de verontreiniging heeft plaatsgevonden. 10.1. De omstandigheid dat het nazorgplan geen inzicht verschaft in de technische aard van de mogelijk in dat geval te treffen maatregelen, biedt geen grond voor het oordeel dat het college niet had mogen instemmen met het nazorgplan. Indien een nieuw geval van bodemverontreiniging zich voordoet, zal ingevolge de artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming een besluit omtrent de ernst van de verontreiniging en spoedeisendheid van de sanering moeten worden genomen. Aan het besluit tot instemming met het nazorgplan is het voorschrift verbonden dat, indien in de omgevingsgerichte peilbuizen in de tweede meting in een peilbuis een overschrijding van de interventiewaarde wordt gemeten, binnen drie maanden na deze tweede meting een (deel)saneringsplan ter goedkeuring aan het bevoegde gezag ten aanzien van de Wet bodembescherming dient te worden aangeboden. Het betoog faalt. Aanpassing nazorgplan 11. [appellante] betoogt ten slotte dat het nazorgplan ten onrechte niet is aangepast naar aanleiding van de voorschriften die het college aan het besluit tot instemming met het nazorgplan heeft verbonden. [appellante] acht

26


daardoor onvoldoende gewaarborgd dat de nazorg overeenkomstig die voorschriften zal worden uitgevoerd. 11.1. Ingevolge artikel 39d, derde lid, van de Wet bodembescherming kunnen aan de instemming voorschriften worden verbonden. Ingevolge artikel 39e, tweede lid, geschiedt uitvoering van de maatregelen overeenkomstig het nazorgplan waarmee door het bevoegd gezag is ingestemd, en overeenkomstig de voorschriften die aan de instemming zijn verbonden. Nu de gemeente op grond van deze bepalingen verplicht is bij de uitvoering van het nazorgplan de aan de instemming verbonden voorschriften na te leven, faalt het betoog. Conclusie 12. Het beroep is ongegrond. 13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat. w.g. Sorgdrager w.g. Van Heusden lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2013 163-727.

27


ECLI:NL:RVS:2013:CA0693 Instantie Raad van State Datum uitspraak 22-05-2013 Datum publicatie 22-05-2013 Zaaknummer 201207754/1/V6 Rechtsgebieden Bestuursrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie Bij onderscheiden besluiten van 13 april 2011 heeft de minister de verzoeken van [appellanten] om hun en hun minderjarige kinderen het Nederlanderschap te verlenen (hierna: de verzoeken), afgewezen. Vindplaatsen Rechtspraak.nl Uitspraak 201207754/1/V6. Datum uitspraak: 22 mei 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellanten], mede voor hun minderjarige kinderen (hierna: [appellanten]), beiden wonend te Schijndel, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 juni 2012 in zaken nrs. 12/610 en 12/612 in het geding tussen: [appellanten] en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister). Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 13 april 2011 heeft de minister de verzoeken van [appellanten] om hun en hun minderjarige kinderen het Nederlanderschap te verlenen (hierna: de verzoeken), afgewezen. Bij onderscheiden besluiten van 12 januari 2012 heeft de minister de door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 juni 2012 heeft de rechtbank de door [appellanten] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld. De minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris), heeft een verweerschrift ingediend. [appellanten] hebben een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 februari 2013, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. J.G. Wiebes, advocaat te Lelystad, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.C. Rop, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Overwegingen 1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger. 2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

28


Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN. Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap, voor zover thans van belang, verstrekt de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland, en nationaliteit. Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten. Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) dient een verzoeker een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte over te leggen. De Handleiding vermeldt voorts dat een verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument dient over te leggen, inclusief alle pagina’s met inen uitreisstempels. Dit dient niet alleen te geschieden in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand. Indien de verzoeker niet in het bezit is van een geldig buitenlands reisdocument en houder is van een verblijfsvergunning asiel, of staatloos is, mag hij óf een vluchtelingenpaspoort óf een vreemdelingenpaspoort overleggen. Is de verzoeker houder van een regulier verblijfsrecht (dit is alles dat niet een verblijfsrecht asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd is), dan moet in beginsel een geldig buitenlands reisdocument worden overgelegd, tenzij de verzoeker met ‘staatloos’ in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de GBA) is opgenomen. Dit geldt met ingang van 1 mei 2009 ook voor houders van een regulier verblijfsrecht, die bij de verlening en/of verlenging van het verblijfsrecht door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) zijn vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort), tenzij de hier bedoelde verzoeker op onderstaand beschreven wijze aantoont dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig buitenlands reisdocument. Van het vereiste van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) is vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. In bewijsnood is een verzoeker die een schriftelijke verklaring overlegt van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de desbetreffende verzoeker niet in het bezit gesteld kan worden van een geldig buitenlands reisdocument. Indien een verzoeker voornoemde verklaring niet kan overleggen, toont hij met andere bewijsstukken aan dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geldig buitenlands reisdocument, aldus de Handleiding. Verder is in de Handleiding vermeld dat van het vereiste van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen en dat, indien geen sprake is van bewijsnood, geen vrijstelling wordt verleend. Bewijsnood zal zich volgens de Handleiding met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.

29


3. De staatssecretaris heeft de verzoeken afgewezen omdat de identiteit en nationaliteit van [appellant A], [appellant B] en hun minderjarige kinderen niet kunnen worden vastgesteld. Niet in geschil is dat [appellanten] bij de verzoeken geen geldige buitenlandse paspoorten en geen gelegaliseerde geboorteaktes hebben overgelegd. 4. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte de door hen bij brief van 20 april 2012 overgelegde stukken buiten de beoordeling van het beroep heeft gelaten wegens strijd met de goede procesorde. Zij voeren daartoe aan dat zij deze stukken tijdig hebben ingediend en aldus hun eerder ingenomen stelling - dat de Armeense en Azerbeidzjaanse autoriteiten in Nederland niet reageren op hun verzoeken om afgifte van de gevraagde documenten - nader hebben toegelicht. 4.1. Ook na afloop van de beroepstermijn en indien die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb, nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken, ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval, indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd. 4.2. [appellanten] hebben de onder 4 bedoelde stukken met inachtneming van de in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb gestelde termijn bij de rechtbank ingediend. Nu zij daarmee hun bij de verzoeken gedane beroep op bewijsnood hebben toegelicht en hun reeds eerder ingenomen stelling, weergegeven onder 4, hebben gestaafd, is in de aard en inhoud van deze stukken geen beletsel gelegen voor het geven van een toereikende reactie daarop door de staatssecretaris. De omvang van de stukken stond daaraan evenmin in de weg. Daar komt bij dat de staatssecretaris, gelet op zijn verweerschrift in beroep, tijdig van de stukken kennis heeft kunnen nemen en over de betekenis daarvan een standpunt heeft ingenomen. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank een onjuist gebruik gemaakt van haar bevoegdheid deze stukken wegens strijd met een goede procesorde buiten de beoordeling van het beroep te laten. De klacht is derhalve terecht voorgedragen, maar kan, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen onder 5.1, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. 5. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zij niet in bewijsnood verkeren. Zij voeren daartoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij de Armeense en Azerbeidzjaanse autoriteiten hebben verzocht om afgifte van de gevraagde documenten, zonder resultaat. Daar komt bij dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij afkomstig zijn uit Nagorno-Karabach, een staat die internationaal niet wordt erkend en geen diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland heeft. [appellanten] voeren verder aan dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de gezondheidsproblemen van [appellant A] die zij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, in bezwaar en beroep hebben gestaafd met medische stukken. 5.1. [appellanten] hebben niet aangetoond dat zij van de Azerbeidzjaanse autoriteiten geen gelegaliseerde geboorteaktes en paspoorten kunnen verkrijgen. Dat zij - gelet op onder meer de bij brief van 20 april 2012 overgelegde stukken - de Azerbeidzjaanse ambassade te Den Haag meermalen schriftelijk hebben verzocht om afgifte van de gevraagde documenten zonder een antwoord te hebben ontvangen en telefonisch contact evenmin tot het beoogde resultaat heeft geleid, is daartoe onvoldoende. Daar komt bij dat de rechtbank onbestreden heeft overwogen dat [appellanten] niet hebben getracht de gevraagde documenten met behulp van -

30


professionele - derden te verkrijgen. [appellanten] hebben derhalve niet al het mogelijke gedaan om de gevraagde documenten te verkrijgen. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellanten] niet in bewijsnood verkeren. [appellanten] betogen weliswaar terecht dat zij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, ter staving van de gezondheidsproblemen van [appellant A] in bezwaar en beroep een aantal verklaringen hebben overgelegd, maar dat laat onverlet dat twee van die verklaringen niet zijn opgesteld door een arts. In de verklaring van huisartsen P. Moazzeni en J. Musterd staat dat [appellant A] onder zware psychische druk staat, belast is met een depressie en wordt behandeld met medicijnen en cognitieve therapie. In de bij het nader stuk overgelegde verklaring van de psychiatrische instelling waarbij [appellant A] in behandeling is, staat dat [appellant A] door zijn gezondheidsproblemen niet in staat is activiteiten te ondernemen in het kader van zijn verzoek om naturalisatie. Wat ook van deze verklaringen zij, deze leiden niet tot een ander oordeel, nu het gestelde onvermogen van [appellant A] om inspanningen te verrichten ter verkrijging van de gevraagde documenten, onverlet laat dat van [appellant B] mag worden gevergd dat zij - mede voor [appellant A] - dergelijke inspanningen wĂŠl verricht. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [appellanten] niet hebben gesteld dat de directe betrokkenheid van [appellant A] daarbij noodzakelijk is. Het betoog faalt. 6. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij staatloos zijn. 6.1. Voor zover [appellanten] aldus beogen te betogen dat zij niet meer geregistreerd staan in hun gestelde geboorteplaats in Nagorno-Karabach en geen toegang hebben tot het bevolkingsregister aldaar, laat dat onverlet dat, zoals is overwogen onder 5.1, [appellanten] niet hebben aangetoond dat zij de gevraagde documenten niet zelf en evenmin met behulp van professionele - derden kunnen verkrijgen. Gelet hierop en nu de rechtbank onbestreden heeft overwogen dat de in de GBA opgenomen informatie over de nationaliteit van een vreemdeling in beginsel leidend is, de nationaliteit van [appellanten] volgens de GBA onbekend is en zij niet hebben verzocht om wijziging van de GBA op dit punt, faalt het betoog. 7. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte geen consequenties heeft verbonden aan de omstandigheid dat de door [appellant B] tijdens haar asielprocedure overgelegde, originele geboorteakte (hierna: de geboorteakte) is kwijtgeraakt door toedoen van de IND. Zij voeren daartoe aan dat [appellant B] hierdoor niet in staat is geweest de geboorteakte - die door de Koninklijke Marechaussee authentiek is bevonden - te laten legaliseren en dat, indien [appellant B] over dit stuk had kunnen beschikken, zij de gevraagde documenten mogelijk had kunnen verkrijgen. [appellanten] voeren voorts aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, hoewel de staatssecretaris heeft aangeboden een verklaring op te stellen met het oog op het aanvragen van vervangende documenten, die hulp hun niet kan baten. 7.1. Niet in geschil is dat de geboorteakte door toedoen van de IND is kwijtgeraakt. De stelling van [appellanten] dat, indien [appellant B] had beschikt over de geboorteakte, zij deze mogelijk hadden kunnen laten legaliseren, wat daar ook van zij, laat onverlet dat, gelet op hetgeen is overwogen onder 5.1, [appellanten] niet al het mogelijke hebben gedaan om geldige buitenlandse paspoorten te verkrijgen. Reeds hierom kan het betoog niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. 8. Het betoog van [appellanten] dat, gelet op de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 21 december 2011, LJN: BV0474, de rechtbank niet heeft onderkend dat zij hun beroepen gegrond had moeten verklaren, faalt reeds

31


omdat de Afdeling voormelde uitspraak heeft vernietigd bij uitspraak van 7 november 2012 in zaak nr. 201201050/1/V6. 9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het, gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2, met verbetering van de gronden waarop deze rust. 10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, ambtenaar van staat. w.g. Van der Spoel w.g. Oei voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2013 382-670.

32


ECLI:NL:RVS:2013:BZ7713 Instantie Raad van State Datum uitspraak 17-04-2013 Datum publicatie 17-04-2013 Zaaknummer 201207795/1/A3 Rechtsgebieden Bestuursrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie Bij besluit van 13 juli 2011 heeft het college een aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen. Vindplaatsen Rechtspraak.nl Uitspraak 201207795/1/A3. Datum uitspraak: 17 april 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Amsterdam, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 juli 2012 in zaak nr. 12/8 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 13 juli 2011 heeft het college een aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen. Bij besluit van 25 november 2011 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 juli 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellante] heeft nadere stukken ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2013, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.H. van der Hijden, advocaat te Amsterdam, is verschenen. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2010 (hierna: de Huisvestingsverordening) kan een urgentieverklaring worden verleend indien de aanvrager in een acute noodsituatie verkeert of op grond van medische of sociale redenen dringend woonruimte nodig heeft. Ingevolge artikel 63 kan het college afwijken van de verordening ten gunste van de aanvrager indien toepassing van de verordening naar zijn mening tot een bijzondere hardheid leidt.

33


Volgens paragraaf 2 van de Uitvoeringsinstructie 5 Urgentieverklaring en medische indicatie (hierna: de Uitvoeringsinstructie) is een urgentieverklaring bedoeld voor mensen die vanwege een levensbedreigende of levensontwrichtende woonsituatie, buiten hun schuld, dringend een (andere) woning nodig hebben, er alles aan gedaan hebben om het probleem op te lossen en zelf niet de mogelijkheid hebben een woning op redelijke termijn te vinden. Volgens paragraaf 3 wordt de urgentieverklaring afgewezen als de aanvrager niet voldoet aan de gestelde voorwaarden of als de aanvrager gebruik kan maken van voorliggende voorzieningen. Volgens paragraaf 4.2 kan een urgentieverklaring om medische of sociale redenen worden verleend. Op grond van sociale en/of medische omstandigheden kan een urgentieverklaring worden verleend indien sprake is van een levensbedreigende of levensontwrichtende woonsituatie die alleen opgelost kan worden met (andere) zelfstandige huisvesting op zeer korte termijn. De aanvrager dient zelf zijn levensbedreigende of levensontwrichtende woonsituatie aan te tonen en te zorgen voor bewijsmateriaal. De aanvrager dient tenminste twee jaar in Amsterdam te wonen en het feitelijk woonadres komt overeen met het adres in de Gemeentelijke Basisadministratie, tenzij de aanvrager beschikt over een postadres van Dienst Werk en Inkomen. Aanvrager dient buiten eigen schuld en toedoen in een urgente woonsituatie te verkeren en de aanvrager dient psychisch in staat te zijn zelfstandig te wonen, dat wil zeggen, er is door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (hierna: GGD) geen contra-indicatie verstrekt voor het zelfstandig kunnen wonen. Volgens paragraaf 4.2, onder a, wordt onder medische of sociale redenen waarop iemand dringend woonruimte nodig heeft een woonsituatie verstaan die naar het oordeel van het college door sociale en/of medische omstandigheden zodanig is verstoord dat levensgevaar voor een of meer leden van het huishouden dreigt, dan wel dat een of meer leden van het huishouden zodanig geestelijk, emotioneel en/of lichamelijk belast is, dat volledige ontwrichting uit het geheel waar betrokkene deel van uitmaakt, optreedt en zelf niet is staat is dit op te lossen. Van levensbedreiging of levensontwrichting is sprake wanneer de aanvrager (of een van de leden van het huishouden), in samenhang met ernstige woonproblemen, niet meer in staat is zelfstandig te functioneren. Een zelfstandige woning is in dat geval (een substantieel deel van) de oplossing. Tot levensbedreigende of levensontwrichtende woonsituaties worden gerekend ernstige (chronische) medische redenen, dakloos met kinderen door echtscheiding of beĂŤindiging van samenwoning, inwonend gezin met schoolgaande kinderen, te hoge woonlasten en geweld of bedreiging. Volgens paragraaf 4 van het Protocol Aandachtsgroepen Wonen 2010 is een startend gezin zonder eigen woning geen reden voor het verstrekken van een urgentieverklaring, tenzij de situatie gepaard gaat met levensontwrichtende en levensbedreigende omstandigheden. 2. [appellante] is een alleenstaande ouder en woont met haar kind, geboren in 2010, bij haar moeder aan de [locatie] te Amsterdam. Vanwege betalingsachterstanden van de hoofdhuurder, de moeder van [appellante], zijn gas en elektriciteit afgesloten. [appellante] heeft op 7 juli 2011 een urgentieverklaring aangevraagd op sociale en medische gronden. Het college heeft het bezwaar tegen de afwijzing van deze aanvraag ongegrond verklaard. Het college heeft hieraan het advies van G. Knispel, GGD-arts, van 24 november 2011 ten grondslag gelegd. De GGD-arts concludeert dat er geen ernstige psychische en/of medische problematiek bij [appellante] en haar kind aanwezig is, op grond waarvan een urgentieverklaring verstrekt moet worden en hij acht [appellante] in staat zelf een oplossing voor haar woonprobleem te vinden.

34


3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zich geen levensbedreigende dan wel levensontwrichtende situatie voordoet. De woning is afgesloten van gas en elektriciteit, waardoor er geen warm water is. Hierdoor kan zij niet goed eten bereiden en bewaren. Zij kan de persoonlijke hygiëne van haarzelf en haar kind niet waarborgen. De woning is moeilijk schoon te houden en vocht in de woning zorgt voor schimmel. Een dergelijke situatie is wel degelijk levensontwrichtend. Daarbij komt dat de moeder van [appellante] terug wil naar Afrika. Het is niet aannemelijk dat zij dan in de woning mag blijven, aldus [appellante]. 3.1. Niet in geschil is dat de woonsituatie van [appellante] ten tijde van het besluit op bezwaar problematisch en onwenselijk was, maar ze had woonruimte. Zij voldeed niet aan de in de Uitvoeringsinstructie genoemde voorwaarden voor het verkrijgen van een urgentieverklaring. [appellante] was niet dakloos, had geen schoolgaande kinderen en had niet te maken met geweld of bedreiging. Daarbij komt dat [appellante] in staat was zelfstandig te functioneren en zij en haar kind niet in levensgevaar verkeerden. Het college mocht daarom aannemen dat [appellante] niet zodanig geestelijk, emotioneel en/of lichamelijk belast was dat een urgentieverklaring gerechtvaardigd was. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat ze niet in de woning kan blijven als haar moeder naar Afrika terugkeert. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich geen levensbedreigende dan wel levensontwrichtende situatie voordeed. Het betoog faalt. 4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er voor haar een voorliggende voorziening aanwezig was. Zij voert hiertoe aan dat zij niet tot de doelgroep van de opvang Alexandria behoort. Alexandria is bedoeld voor jonge vrouwen en moeders met psychosociale of relationele problemen en die niet beschikken over een adequaat sociaal netwerk. De hulp bestaat uit een combinatie van wonen en begeleiding. Zij heeft echter geen begeleiding nodig. Ze heeft slechts een woonprobleem. Ze kan goed met haar inkomsten omgaan, ze heeft geen relationele problemen, ze heeft geen hulp nodig bij de opvoeding van haar kind en heeft een nuttige dagbesteding, namelijk werk en studie. Afgezien van haar woonprobleem, heeft zij geen hulpvragen, zoals ook volgt uit de brieven van GGD Amsterdam VoorZorg van 20 april 2011 en 17 augustus 2011. Alexandria is derhalve niet geschikt voor haar, aldus [appellante]. 4.1. Niet in geschil is dat [appellante] terecht kon bij Alexandria. Daargelaten of de aangeboden hulpverlening voor haar geschikt was, was zij reeds bij Alexandria geïndiceerd en kon zij daar wonen, voorzien van alle nutsvoorzieningen. [appellante] heeft zelf bewust de keuze gemaakt dit aanbod niet aan te nemen en derhalve in een woning zonder gas en elektra te blijven. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat een voorliggende voorziening voor [appellante] beschikbaar was. Het betoog faalt. 5. [appellante] betoogt voorts dat geen recht gedaan is aan de rechten van het kind. Het college heeft met de afwijzing van haar aanvraag om een urgentieverklaring verscheidene artikelen van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK) geschonden en geweigerd de verantwoordelijkheid te nemen voor de verplichtingen die het heeft op basis van dit verdrag. Daarnaast maakt het college inbreuk op haar recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), aldus [appellante]. 5.1. Voorts voert [appellante] aan dat zij medische klachten heeft. Sinds een val van de trap tijdens haar zwangerschap heeft [appellante] chronische rugklachten en gaat traplopen moeizaam.

35


5.2. [appellante] heeft deze gronden en de daaraan ten grondslag liggende feiten voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom deze betogen niet reeds bij de rechtbank konden worden aangevoerd, en [appellante] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dienen deze betogen buiten beschouwing te blijven. 6. Tot slot beroept [appellante] zich op de hardheidsclausule. De rechtbank heeft miskend dat een strikte toepassing van de verordening voor haar een onbedoelde en onvoorziene buitengewoon onbillijke uitwerking heeft, aldus [appellante]. 6.1. Ook dit betoog kan niet slagen. In het licht van hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen, heeft de rechtbank voor toepassing van de hardheidsclausule terecht geen aanleiding gezien. 7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat. w.g. Van Kreveld w.g. De Leeuw-van Zanten lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013 582-773.

36


ECLI:NL:CRVB:2013:CA2803 Instantie Centrale Raad van Beroep Datum uitspraak 04-06-2013 Datum publicatie 14-06-2013 Zaaknummer 11-4474 WWB Rechtsgebieden Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie Intrekking bijstand. (Mede)terugvordering. 1) Gezamenlijke huishouding. De omstandigheid dat de buurtbewoners van het uitkeringsadres betrokkene regelmatig hebben gezien is, gelet op het feit dat zij daar haar schoonheidssalon had aannemelijk, maar dit is ontoereikend voor de conclusie dat zij haar hoofdverblijf had op dat adres. Geen deugdelijke grondslag. 2) Handel in kralen(kettingen). Schending inlichtingenverplichting. Toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant zich heeft beziggehouden met het vervaardigen van en handelen in kralen(kettingen) en dat de in dat kader ondernomen activiteiten in het economisch verkeer op geld waardeerbaar zijn. Appellant heeft van zijn activiteiten ten aanzien van kralenkettingen en inkomsten geen administratie of boekhouding bijgehouden. Door dit na te laten heeft appellant een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen, te weten het niet kunnen vaststellen van het recht op bijstand geheel voor zijn rekening dienen te blijven. Vindplaatsen Rechtspraak.nl Uitspraak 11/4474 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 juni 2011, 11/991 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college) Datum uitspraak 4 juni 2013. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. L. Lok, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak met reg. nr. 12/3347 AOW, plaatsgevonden op 23 april 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door de opvolgende gemachtigde, mr. P.L.E.M. Krauth, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door N.J.J. Massier. In de gevoegde zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant ontving, met een onderbreking van 7 januari 2008 tot 29 september 2009 in verband met inkomsten uit arbeid, sinds 30 mei 2006

37


bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). 1.2. Appellant stond sinds 11 november 2005 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) op het adres [adres 1] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Hij huurt een kamer boven schoonheidssalon [schoonheidssalon]. De eigenaresse van de schoonheidssalon is [naam betrokkene] (betrokkene). Zij stond ten tijde hier van belang ingeschreven op het adres [adres 2] te [naam gemeente] (adres van betrokkene). Vanaf augustus 2009 verhuurt betrokkene haar woning aan de [adres 2]. Sinds die datum woont betrokkene op het uitkeringsadres. 1.2. Naar aanleiding van een via de Sociale Verzekeringsbank (SVB) binnengekomen anonieme tip dat betrokkene al meer dan vijf jaar zou samenwonen met appellant, heeft de Unit Regionale Sociale Recherche Zwolle e.o. (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, hebben van 20 april 2010 tot 6 juli 2010 waarnemingen plaatsgevonden aan het uitkeringsadres, is bij diverse instanties informatie opgevraagd, is buurtonderzoek verricht bij het uitkeringsadres en bij het adres van betrokkene, zijn getuigen uit de omgeving van het uitkeringsadres en het adres van betrokkene gehoord en zijn appellant en betrokkene verhoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 18 oktober 2010. 1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 21 oktober 2010 de bijstand van appellant met ingang van 1 augustus 2006 in te trekken en de over de perioden van 1 augustus 2006 tot en met 6 januari 2008 en van 29 september 2009 tot en met 21 september 2010 gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen tot een bedrag van â&#x201A;Ź 24.904,94 bruto. Bij besluit van 14 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen het besluit van 21 oktober 2010 in die zin gegrond verklaard dat de bijstand wordt ingetrokken over de perioden van 1 augustus 2006 tot 7 januari 2008 en vanaf 29 september 2009. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant heeft verzwegen dat hij vanaf 1 augustus 2006 een gezamenlijke huishouding voert met betrokkene. Daarnaast heeft appellant inkomsten uit handel in kralen(kettingen) ontvangen waarvan hij het college geen mededeling heeft gedaan. Bij het hier niet aan de orde zijnde besluit van 1 november 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 februari 2011, heeft het college de gemaakte kosten van bijstand medeteruggevorderd van betrokkene. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant betwist een gezamenlijke huishouding te hebben gevoerd. Uit het enkele feit dat omwonenden appellant en betrokkene steeds samen hebben gezien kan niet de conclusie worden getrokken dat appellant en betrokkene hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Het kwam wel eens voor dat appellante en betrokkene samen aten, maar dit was eerder uitzondering dan regel. Voorts betwist appellant te hebben gehandeld in kralen(kettingen). Daarvan was geen sprake, althans vond op een zeer beperkte schaal plaats. Er werd geen winst mee behaald, de activiteiten die verband hielden met kralen(kettingen) moeten slechts als een vorm van bezigheidstherapie worden gezien. Uit het bij het beroepschrift gevoegde overzicht van activiteiten blijkt dat de aan appellant verweten activiteit verwaarloosbaar was. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. de gezamenlijke huishouding

38


4.1. Ter beoordeling ligt voor de periode van 1 augustus 2006 tot en met 6 januari 2008 en de periode van 29 september 2009 tot en met 21 oktober 2010. 4.2. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het college is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college rust. 4.3. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB - voor zover hier van belang - wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Op grond van het derde lid van dit artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang. 4.4. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts ĂŠĂŠn van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken. 4.5. De bevindingen van het onderzoek door de sociale recherche, zoals neergelegd in het rapport van 18 oktober 2010, bieden geen toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant vanaf 1 augustus 2006 een gezamenlijke huishouding voerde met betrokkene. Anders dan het college is de Raad van oordeel dat voor het vaststellen van het door appellant betwiste gezamenlijke hoofdverblijf vanaf 1 augustus 2006 geen betekenis toekomt aan de verklaringen van de buurtbewoners uit de omgeving van het uitkeringsadres en van het adres van betrokkene. De omwonenden van zowel het uitkeringsadres als het adres van betrokkene hebben verklaard dat zij meenden dat betrokkene en appellant een stel zijn, dat zij altijd samen zijn en dat zij samen op vakantie gaan. De verklaringen bevatten echter geen concrete waarnemingen en concrete feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat betrokkene vanaf 1 augustus 2006 feitelijk haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. De omstandigheid dat de buurtbewoners van het uitkeringsadres betrokkene regelmatig hebben gezien is, gelet op het feit dat zij daar haar schoonheidssalon had aannemelijk, maar dit is ontoereikend voor de conclusie dat zij haar hoofdverblijf had op dat adres. 4.6. De onderzoeksbevindingen van de sociale recherche bieden wel voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant vanaf 1 augustus 2009 een gezamenlijke huishouding is gaan voeren met betrokkene op het uitkeringsadres. Tussen partijen is niet in geschil dat zij vanaf die datum hun hoofdverblijf hebben in de woning op het uitkeringsadres. In geschil is of sprake is van wederzijdse zorg tussen appellant en betrokkene. 4.7. Wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiĂŤle verstrengeling tussen betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate aanwezig is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen

39


in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan. 4.8. Wat betreft het vereiste van wederzijdse zorg wordt verwezen naar de verklaringen van appellant en betrokkene waaruit blijkt dat betrokkene de administratie van appellant verzorgt, zijn was doet en voor appellant pint. Zij koken en eten gezamenlijk en zij gebruiken beiden alle ruimten in de woning en zij gebruikten over en weer elkaars auto. Appellant doet allerlei klusjes in huis zoals stofzuigen, afstoffen en ramen lappen, de autoâ&#x20AC;&#x2122;s wassen, de tuin onderhouden en het huis schilderen. Hieruit volgt dat aan het vereiste van wederzijdse zorg is voldaan. 4.9. De stelling van appellant dat hij als kamerhuurder dan wel als kostganger moet worden aangemerkt volgt de Raad niet. Appellant en betrokkene verkeerden ten tijde in geding in een situatie die duidt op een zodanige verbondenheid en op een mate van verantwoordelijkheid en zorg voor elkaar, dat de grenzen van een zuiver commerciĂŤle huur- dan wel kostgangersrelatie worden overschreden. 4.10. Uit 4.5 tot en met 4.9 volgt dat appellant uitsluitend vanaf 29 september 2009 niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Dit betekent dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke grondslag berust voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand van appellant over de periode van 1 augustus 2006 tot en met 6 januari 2008. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 augustus 2006 tot en met 6 augustus 2008. Op grond van het navolgende bestaat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand te laten. de handel in kralen(kettingen) 4.11. Op basis van de bevindingen uit voornoemd onderzoek heeft het college bij het bestreden besluit ook het standpunt ingenomen dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat hij geen melding heeft gemaakt van handel in kralen(kettingen). 4.12. Het college heeft betoogd dat de gronden van appellant die zien op de kralen(kettingen) handel in hoger beroep niet meer aan de orde kunnen komen, omdat appellant op dat punt in beroep geen gronden heeft aangevoerd. 4.13. De Raad volgt het college hier in niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 13 februari 2009, LJN BH2837), is in de Awb, de Beroepswet, noch in de rechtspraak van de Raad grondslag te vinden voor een grondenfuik. 4.14. De onderzoeksresultaten bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant zich tijdens de in geding zijnde periodes heeft beziggehouden met het vervaardigen van en handelen in kralen(kettingen) en dat de in dat kader ondernomen activiteiten in het economisch verkeer op geld waardeerbaar zijn. Appellant heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat hij sinds dat hij op het uitkeringsadres woont zich bezig houdt met het vervaardigen van kralen(kettingen). Hij is daar dagelijks mee bezig, de ene dag is dat vijf uur, de andere dag is dat tien uur. Hij koopt zijn kralen overal, via internet en bij tweedehands winkels. Hij verkoopt de door hem gemaakte kralen(kettingen) op straat. Hij gaat, sinds vier jaar, jaarlijks naar het Kwakkoe festival in Amsterdam om kettingen te verkopen. Hij doet dit

40


altijd samen met betrokkene. Als hij ergens naar toe rijdt om kettingen te verkopen moet hij benzine kopen en eten. Betrokkene heeft een auto waar veel spullen in passen en dat is een diesel, dat is goedkoper. Met de inkoop en verkoop van de kralen(kettingen) speelt hij quitte, hij verdient er niets mee. De ene keer verkoopt hij meer dan de andere keer. Soms kan hij van een aantal tweedehands kettingen soms drie kettingen maken als hij er wat losse kralen bij doet. De inkoop bedraagt dan ongeveer € 10,-- en de verkoop € 30,--. In de zomer is hij, naar hij denkt, ieder weekend wel op pad om kettingen te verkopen. Betrokkene heeft verklaard dat zij sinds een jaar of vier samen met appellant kettingen maakt die ze verkopen op markten. Zij kopen daar samen spullen voor in. De verklaringen van appellant en betrokkene worden ondersteund door de verklaringen van buurtbewoners van het uitkeringsadres die hebben verklaard dat appellant en betrokkene op markten en braderieën staan om kettingen en kralen te verkopen. 4.15. Voor zover appellant met zijn stelling dat zijn activiteiten moeten worden gezien als een vorm van bezigheidstherapie, heeft willen betogen dat hij om die reden van die activiteiten en daarmee verworven inkomsten geen melding hoefde te maken, slaagt dit betoog niet. Immers, zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 20 april 2010, LJN BM3466), is het onderscheid tussen bedrijfsmatige en hobbymatige activiteiten voor de WWB geen relevant onderscheid, omdat appellant opgave had moeten doen van al zijn inkomsten, ongeacht of het om bedrijfsmatig verrichte of bij wijze van hobby uitgeoefende activiteiten ging. Appellant had dit redelijkerwijs duidelijk kunnen - en ook moeten - zijn. Door van zijn activiteiten ten aanzien van kralen(kettingen) en de daaruit ontvangen inkomsten geen melding te maken bij het college heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. 4.16. Appellant heeft van zijn activiteiten ten aanzien van kralenkettingen en inkomsten geen administratie of boekhouding bijgehouden. Door dit na te laten heeft appellant een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen, te weten het niet kunnen vaststellen van het recht op bijstand ten tijde hier in geding, geheel voor zijn rekening dienen te blijven. Weliswaar heeft hij in hoger beroep een door betrokkene opgesteld overzicht van de in- en verkoop van kralen(kettingen) overgelegd, maar dit overzicht vindt geen steun in objectieve en te verifiëren gegevens waaruit de omvang van de activiteiten en de genoten inkomsten valt af te leiden. 4.17. Als gevolg van de schending van de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft het college daarom niet kunnen vaststellen of en, zo ja, in welke mate appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Dit betreft, in ieder geval, de gehele periode van 1 augustus 2006 tot en met 6 januari 2008. Appellant heeft immers in zijn verklaring tegenover de sociaal rechercheurs gezegd dat hij, kort gezegd, kralen(kettingen) vervaardigt en verkoopt sinds hij op het uitkeringsadres woont. 5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 944,-- in beroep en op € 944,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Verder komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten die appellant heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van de Raad. Deze kosten worden begroot op € 28,20. 6. De Raad merkt ten slotte nog op dat gelet op het voorgaande, zoals het college ter zitting ook heeft toegezegd, het in 1.3 genoemde medeterugvorderingsbesluit van betrokkene nader zal worden bezien. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - vernietigt de aangevallen uitspraak;

41


- verklaart het beroep tegen het besluit van 14 februari 2011 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover dit betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 augustus 2006 tot en met 6 januari 2008; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand blijven; - veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van â&#x201A;Ź 1.910,20. - bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal â&#x201A;Ź 152,--vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2013. (getekend) A.B.J. van der Ham De griffier is buiten staat te ondertekenen Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH â&#x20AC;&#x2122;s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding. HD

42


ECLI:NL:GHARL:2013:CA1810 Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Datum uitspraak 22-05-2013 Datum publicatie 03-06-2013 Zaaknummer 12/00542 en 12/00543 Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie Vennootschapsbelasting. Vereiste aangifte niet gedaan. Omkering en verzwaring bewijslast. Rentelasten en huisvestingskosten niet overtuigend aangetoond. Vindplaatsen Rechtspraak.nl Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem nummers 12/00542 en 12/00543 uitspraakdatum: 22 mei 2013 Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van X B.V. te Z (hierna: belanghebbenden) tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 augustus 2012, nummers AWB 11/4950 en 11/4954, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur). 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1 Aan belanghebbende is over het jaar 2007 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 90.000. Daarbij is voorts € 2.474 aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.2 Deze navorderingsaanslag en de beschikking heffingrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar verminderd tot een navorderingsaanslag, berekend naar een belastbaar bedrag van € 78.391 en een heffingsrente van € 2.086. 1.3 Aan belanghebbenden is voor het jaar 2008 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 90.000. Daarbij is voorts heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 1.517 en is een verzuimboete opgelegd van € 567. 1.4 Deze aanslag en de beschikking heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar verminderd tot een aanslag, berekend naar een belastbaar bedrag van € 71.702 en een heffingsrente van € 1.208. De boetebeschikking is daarbij gehandhaafd. 1.5 Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroepen ingesteld bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. 1.6 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.7 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, voorts de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaken betrekking hebben.

43


1.8 Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 10 april 2013 te Arnhem. Daarbij is verschenen en gehoord de Inspecteur. Belanghebbende is zonder kennisgeving aan het Hof niet ter zitting verschenen. Belanghebbende is bij aangetekend verzonden brief van 19 februari 2013 van de griffier van het Hof, gericht aan het door haar opgegeven adres A-straat 1 te Z, uitgenodigd voor de behandeling van de onderhavige zaken ter zitting op 10 april 2013 om 10.00 uur te Arnhem. Blijkens informatie van Post.nl (tracktrace) is deze brief op 20 februari 2013 op genoemd adres afgeleverd. 1.9 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. 2. De vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende is op 31 maart 2000 opgericht onder de naam Y B.V. Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel verricht belanghebbende activiteiten op het gebied van (in)direct verwerven van belangen in registergoederen, het oprichten/verwerven van, deelnemen in, samenwerken met, het voeren van directie over, alsmede het (doen) financieren van andere ondernemingen, in welke rechtsvorm ook en het verstrekken/aangaan van geldleningen en het voeren van beheer/beschikken over registergoederen. 2.2. Op 17 oktober 2006 zijn alle aandelen in belanghebbende overgedragen aan Q B.V. Daarbij is de naam van belanghebbende gewijzigd in haar huidige naam. Na deze aandelenoverdracht had Q B.V. een schuld aan belanghebbende van € 920.337. 2.3. Op 17 oktober 2006 heeft belanghebbende van haar moedermaatschappij Q B.V. de onroerende zaak aan de A-straat 1 te Z (hierna: het pand) in eigendom verworven voor een bedrag van € 950.000. De met betrekking tot het pand ten behoeve van een bank gevestigde hypotheekrechten zijn niet op belanghebbende ‘overgegaan’. De koopsom van € 950.000 is door belanghebbende schuldig gebleven. 2.4. Het pand wordt door belanghebbende verhuurd aan R B.V., een zustervennootschap van belanghebbendes moedermaatschappij Q B.V. 2.5. Belanghebbende is met betrekking tot de onderhavige jaren (2007 en 2008) uitgenodigd tot het doen van de aangiften voor de vennootschapsbelasting. Zij is, omdat de aangiften niet werden ingediend door belanghebbende, vervolgens door de Inspecteur aangemaand tot het doen van die aangiften. Belanghebbende heeft de aangiften vennootschapsbelasting 2007 en 2008 niet ingediend bij de Inspecteur. 2.6. Met dagtekening 22 augustus 2009 heeft de Inspecteur ambtshalve een aanslag vennootschapsbelasting 2007 aan belanghebbende opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 10.000. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt en zich daarbij op het standpunt gesteld dat de aanslag tot een te laag bedrag was vastgesteld. Bij uitspraak op bezwaar is dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Met dagtekening 30 september 2010 heeft de Inspecteur voorts de onderhavige navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2007 aan belanghebbende opgelegd, berekend naar een geschat belastbaar bedrag van € 90.000. 2.7. Met dagtekening 11 december 2010 heeft de Inspecteur vervolgens ambtshalve de onderwerpelijke aanslag vennootschapsbelasting 2008 aan belanghebbende opgelegd, berekend naar een geschat belastbaar bedrag van eveneens € 90.000. Daarbij is voorts een verzuimboete aan belanghebbende opgelegd van € 567. 2.9. Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2007 en tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2008 bezwaar aangetekend. In het kader van deze bezwaarprocedures heeft belanghebbende rapporten inzake de jaarrekening over 2007 en over 2008 overgelegd. In het rapport over 2007 is een belastbaar bedrag van € 19.748 vermeld. Daarbij is aan huisvestingskosten een bedrag van € 31.817 in aftrek

44


gebracht en is als rentelast een bedrag van € 26.849 in aanmerking genomen. In het rapport over 2008 is een bedrag van € 11.475 als belastbaar bedrag vermeld. Daarbij is een bedrag van € 10.969 aan huisvestingskosten in aftrek gebracht en is € 49.258 aan rentelast in aanmerking genomen. In de rapporten is vermeld dat zij zijn opgesteld op basis van de door belanghebbende verstrekte gegevens. Voorts is vermeld dat de aard en omvang van de verrichte werkzaamheden met zich brengen dat de werkzaamheden niet kunnen resulteren in die zekerheid omtrent de getrouwheid van de jaarrekeningen welke aan een accountantsverklaring of aan een beoordelingsverklaring kan worden ontleend. Op basis van deze rapporten heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht de navorderingsaanslag te verminderen tot een navorderingsaanslag, berekend naar een belastbaar bedrag van € 19.748 en de aanslag tot een aanslag, berekend naar een belastbaar bedrag van € 11.475. 2.10. De Inspecteur heeft belanghebbende op de voet van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) verzocht informatie te verstrekken over (onder meer) de huisvestingskosten en de rentelasten. Aan deze verplichting heeft belanghebbende niet voldaan. 2.11 Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2007 verminderd tot een navorderingsaanslag, berekend naar een belastbaar bedrag van € 78.391. Daarbij is de Inspecteur uitgegaan van de gegevens in de jaarrekening over 2007, zij het dat de Inspecteur de geclaimde aftrek voor de huisvestingskosten van € 31.817 en voor de rentekosten tot een bedrag van € 26.826 niet heeft gehonoreerd. In zijn op het jaar 2008 betrekking hebbende uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag verminderd tot een aanslag, berekend naar een belastbaar bedrag van € 71.702. Daarbij is de Inspecteur eveneens uitgegaan van de door belanghebbende overgelegde jaarrekening (2008), maar ook voor dat jaar heeft de Inspecteur de door belanghebbende geclaimde aftrekken voor huisvestingskosten en rentelast niet aanvaard. 2.12 Belanghebbende heeft tegen die uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft belanghebbende in het ongelijk gesteld. 3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1 In geschil is of de onderhavige belastingaanslagen – zoals verminderd na bezwaar – tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Meer in het bijzonder houdt partijen verdeeld of de Inspecteur terecht aftrek van de huisvestingskosten en van de rente heeft geweigerd. Voorts is in geschil of terecht een verzuimboete aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend, de tweede en derde vraag ontkennend. De Inspecteur beantwoordt de vragen in tegengestelde zin. 3.2 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan heeft de Inspecteur toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting. 3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, die van de Inspecteur en tot vermindering van de over 2007 opgelegde navorderingsaanslag tot een navorderingsaanslag, berekend naar een belastbaar bedrag van € 19.748 en tot vermindering van de voor 2008 opgelegde aanslag tot een aanslag, berekend naar een belastbaar bedrag van € 11.475. Voorts concludeert belanghebbende tot vernietiging van de boetebeschikking. 3.4 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4. Beoordeling van het geschil Omkering bewijslast 4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende met betrekking tot de onderhavige jaren (2007 en 2008) geen gevolg heeft gegeven, ook niet na

45


de aanmaningen van de Inspecteur daartoe, aan de uitnodigingen van de Inspecteur tot het doen van de aangiften vennootschapsbelasting voor die jaren. 4.2. Dit betekent, gelijk de Inspecteur heeft gesteld en de Rechtbank heeft geoordeeld, dat belanghebbende voor de jaren 2007 en 2008 niet ‘de vereiste aangiften’ heeft gedaan. Dit brengt mee dat belanghebbende moet doen blijken, dat wil zeggen overtuigend dient aan te tonen, dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar, voor zover betrekking hebbend op de belastingaanslagen, onjuist zijn (artikel 27j, tweede lid in verbinding met artikel 27e, eerste lid, van de AWR). 4.3. Deze zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast geldt ten aanzien van de gehele aanslag/uitspraak op bezwaar (vgl. HR 14 november 1990, nr. 26727, LJN: ZC4441, BNB 1992/127 en Hof Arnhem 31 januari 2012, nr. 11/00427, nr. LJN: BV6157). Huisvestingskosten 4.4. Belanghebbende stelt dat voor 2007 een bedrag van € 31.817 en voor 2008 een bedrag van € 10.969 aan huisvestingskosten met betrekking tot het pand ten laste van het resultaat dient te worden gebracht. Zij heeft ter onderbouwing van haar stelling in de fase van bezwaar een rapport inzake de jaarrekening 2007 en een rapport inzake de jaarrekening 2008 aan de Inspecteur overgelegd, waarin die bedragen als huisvestingskosten in aanmerking zijn genomen en in de fase van beroep heeft belanghebbende specificaties van de huisvestingskosten en - met betrekking tot het jaar 2007 - verschillende facturen overgelegd. 4.5. In aanmerking genomen dat de jaarrekeningen zijn opgesteld op basis van de door belanghebbende verstrekte gegevens, de overgelegde facturen niet ten name van belanghebbende zijn gesteld, sommige van die facturen geen betrekking hebben op de onderhavige jaren en enige facturen betrekking hebben op verstrekte nutsvoorzieningen, heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt, laat staan dat zij overtuigend heeft aangetoond, dat de door haar genoemde bedragen aan huisvestingskosten kosten van belanghebbende vormen. Hierbij verdient opmerking dat, anders dan belanghebbende kennelijk betoogt, de enkele omstandigheid dat de facturen betrekking hebben op het belanghebbende in eigendom toebehorende pand niet reeds de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van aan belanghebbende toerekenbare kosten, aangezien de op de facturen vermelde bedragen evenzeer kosten van de huurder van het pand zouden kunnen vormen. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, dwingt niet tot een andersluidend oordeel. Nu geen sprake is van kosten van belanghebbende, kan de stelling van belanghebbende dat aftrek gerechtvaardigd is omdat haar aandeelhoudster de betreffende kosten op grond van aandeelhoudersmotieven voor haar rekening heeft genomen, reeds hierom niet slagen. Rentelasten 4.6 Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op aftrek van rentekosten ter zake van het pand. Voor het jaar 2007 voor een bedrag van € 26.826 en voor het jaar 2008 een bedrag van € 49.258. In het licht van de gemotiveerde stelling van de Inspecteur dat belanghebbende met betrekking tot het pand in de onderhavige jaren geen schuld had – verwezen wordt naar de door de Inspecteur bij de Rechtbank overgelegde pleitnota – is belanghebbende, die in dit verband geen enkel controleerbaar stuk heeft overgelegd, naar het oordeel van het Hof niet erin geslaagd aannemelijk te maken, laat staan te doen blijken, dat zij de door haar gestelde ten laste van het resultaat te brengen rentekosten heeft gemaakt. Redelijke schatting 4.7. De omstandigheid dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, laat onverlet dat de Inspecteur bij het vaststellen van de

46


belastingaanslagen dan wel bij het doen van uitspraken op bezwaar niet naar willekeur mag handelen. Er moet sprake zijn van een redelijke schatting. Anders dan belanghebbende betoogt, is daarvan te dezen sprake. Bij het doen van de uitspraken op bezwaar is de Inspecteur immers uitgegaan van de door belanghebbende in de jaarrekeningen verstrekte gegevens, zij het dat hij twee door belanghebbende geclaimde posten wegens een volstrekt ontoereikende onderbouwing ervan niet in aftrek heeft aanvaard. Zulks kan niet als onredelijk of willekeurig worden bestempeld. Boete 4.8 Met betrekking tot het jaar 2007 is aan belanghebbende geen verzuimboete opgelegd. In zoverre de grief van belanghebbende inzake de boete betrekking heeft op dat jaar, kan die grief niet slagen. Voor wat betreft de voor het jaar 2008 opgelegde verzuimboete is niet in geschil dat belanghebbende in verzuim is gebleven met betrekking tot het doen van de aangifte. Voorts acht het Hof de stelling van de Inspecteur aannemelijk dat belanghebbende voor het derde jaar op rij in verzuim is (tijdig) aangifte te doen. In dat licht bezien, acht het Hof een boete van â&#x201A;Ź 567, zoals opgelegd door de Inspecteur, passend en geboden voor het onderhavige verzuim. De stelling van belanghebbende dat de boetebeschikking moet worden vernietigd omdat aan haar moedermaatschappij ook een verzuimboete is opgelegd wegens het niet (tijdig) doen van de aangifte, vindt geen steun in het recht. Heffingsrente 4.9 Het hoger beroep wordt mede geacht te zijn gericht tegen de beschikkingen heffingsrente. Belanghebbende heeft tegen die beschikkingen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Nu de belastingaanslagen, zoals verminderd bij de uitspraken op bezwaar, in stand worden gelaten, ziet het Hof geen grond voor (verdere) vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente. slotsom Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond. 5. Kosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. 6. Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier. De beslissing is te Arnhem op 22 mei 2013 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De voorzitter, (A.W. Vellema) (R. den Ouden) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer) Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie.

47


Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

48


ECLI:NL:RVS:2013:CA2877 Instantie Raad van State Datum uitspraak 12-06-2013 Datum publicatie 12-06-2013 Zaaknummer 201105754/1/A4 Rechtsgebieden Bestuursrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - meervoudig Inhoudsindicatie Bij besluit van 4 april 2011 heeft het college aan [appellante sub 2] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het bewerken van hout en metaal, de opslag van materialen en materieel en het inzamelen en verbranden van A-hout op het perceel [locatie] te [plaats]. Vindplaatsen Rechtspraak.nl Uitspraak 201105754/1/A4. Datum uitspraak: 12 juni 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellante], (hierna: het autobedrijf), gevestigd te [plaats, 2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats], 3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 4 april 2011 heeft het college aan [appellante sub 2] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het bewerken van hout en metaal, de opslag van materialen en materieel en het inzamelen en verbranden van A-hout op het perceel [locatie] te [plaats]. Tegen dit besluit hebben het autobedrijf, [appellante sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het autobedrijf en [appellante sub 2] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2012, waar het autobedrijf, vertegenwoordigd door ing. M. Boers, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. A. Groenewoud, advocaat te Breda, en J.T.M. van Schijndel, [appellant sub 3] en het college, vertegenwoordigd door M.R.M.J. Beekwilder-van den Heuvel en W. van Soelen, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Bij tussenuitspraak van 31 oktober 2012 in zaak nr. 201105754/1/T1/A4, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 4 april 2011 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht. Bij besluit van 12 december 2012 heeft het college het besluit van 4 april 2011 gewijzigd.

49


Het autobedrijf, [appellante sub 2] en [appellant sub 3] hebben zienswijzen naar voren gebracht. De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak naar aanleiding van beroepsgronden van [appellant sub 3] en het autobedrijf overwogen dat het besluit van 4 april 2011 in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering berust, aangezien het college de gevolgen voor de luchtkwaliteit ten onrechte niet heeft beoordeeld ten opzichte van de situatie waarin geen hout wordt verbrand in de inrichting. Voorts heeft de Afdeling in de tussenuitspraak naar aanleiding van beroepsgronden van [appellante sub 2] overwogen dat het bestreden besluit wat betreft de voorschriften 2.3.2, 4.3.3, 7.3.1 en 9.1.6, onzorgvuldig is voorbereid dan wel ontoereikend is gemotiveerd. 2. De Afdeling heeft het college in de tussenuitspraak opgedragen om binnen zes weken na verzending van die uitspraak, alsnog toereikend te motiveren dat de verlening van de vergunning niet leidt tot overschrijding van de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden voor de luchtkwaliteit, dat de concentratie in de buitenlucht van stikstofoxiden en zwevende deeltjes (PM10) per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft of dat de verlening niet in betekenende mate bijdraagt aan deze concentratie, zoals ingevolge artikel 5.16, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer is vereist, dan wel de vergunning alsnog te weigeren indien niet aan artikel 5.16 van de Wet milieubeheer kan worden voldaan. Voorts heeft de Afdeling het college opgedragen om ten aanzien van de voorschriften 2.3.2, 4.3.3, 7.3.1 en 9.1.6 alsnog toereikend te motiveren dat deze voorschriften nodig zijn in het belang van de bescherming van het milieu dan wel deze voorschriften te wijzigen of te laten vervallen. 3. In de huidige procedure na de tussenuitspraak staat ter beoordeling of het college de door de Afdeling in haar tussenuitspraak geconstateerde gebreken heeft hersteld. Gelet op het belang van een efficiĂŤnte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit betekent dat dergelijke gronden, zoals de na de tussenuitspraak door het autobedrijf aangevoerde gronden over de aan de vergunning verbonden voorschriften 7.2.1 tot en met 7.2.4 en geuronderzoek, in het navolgende buiten inhoudelijke bespreking blijven. 4. Het college heeft een onderzoek naar de luchtkwaliteit laten verrichten. Uit het rapport met kenmerk LG-12-0430, waarin de resultaten van het luchtkwaliteitsonderzoek zijn neergelegd (hierna: het luchtkwaliteitsrapport), volgt dat de verlening van de vergunning niet leidt tot overschrijding van de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde voor koolmonoxide en niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van stikstofoxiden en zwevende deeltjes (PM10). Volgens het college wordt gelet daarop aan artikel 5.16 van de Wet milieubeheer voldaan en kon de vergunning worden verleend. 4.1. Het autobedrijf en [appellant sub 3] voeren aan dat het onderzoek naar de luchtkwaliteit ondeugdelijk is. [appellant sub 3] voert daartoe aan dat hij niet betrokken is bij het onderzoek, dat de duur van de metingen te kort is geweest en dat de metingen niet op de juiste plaats zijn verricht. Volgens het autobedrijf is bij het onderzoek ten onrechte uitgegaan van de aanvraag voor de vergunning en niet van de werkelijke situatie zoals die op dit moment bestaat en is het onderzoek ten onrechte door de provincie zelf verricht en niet door een gespecialiseerde derde partij. Voorts stelt zij dat in het

50


onderzoek geen rekening is gehouden met het feit dat een rookpluim pas op enige afstand van de bron gaat dalen. 4.2. Het college is gehouden te besluiten op de aanvraag zoals deze is ingediend. Het college heeft daarom de aanvraag terecht als uitgangspunt genomen bij het onderzoek naar de luchtkwaliteit. Wanneer de inrichting niet overeenkomstig die vergunning is werking is, betreft dat een kwestie van handhaving die in deze procedure niet aan de orde is. 4.3. Voor zover [appellant sub 3] aanvoert dat de metingen op onjuiste wijze hebben plaatsgevonden, mist zijn beroepsgrond feitelijke grondslag. De gevolgen voor de luchtkwaliteit zijn berekend en niet gemeten. De omstandigheid dat hij niet bij het onderzoek is betrokken, betekent niet dat het onderzoek niet deugdelijk is. De door het autobedrijf aangevoerde omstandigheid dat het onderzoek is uitgevoerd door de provincie zelf en niet door een derde partij maakt evenmin dat het onderzoek ondeugdelijk is. 4.4. Ingevolge artikel 75, eerste lid, van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 vindt het door middel van berekening vaststellen van de concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht bij inrichtingen plaats volgens standaardrekenmethode 3, de rekenmethode van het Nieuw Nationaal Model (Uitgave 1998, ISBN 90-76323-003), voor zover de desbetreffende situatie valt binnen het toepassingsgebied van die rekenmethode. Het onderzoek is in dit geval blijkens blz. 1 van het luchtkwaliteitsrapport uitgevoerd conform de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Het autobedrijf noch [appellant sub 3] hebben dit als zodanig betwist. Aangenomen moet dus worden dat de uitgevoerde berekeningen overeenkomstig het in artikel 75 van deze regeling voorgeschreven rekenmodel zijn uitgevoerd. Het autobedrijf en [appellant sub 3] hebben evenmin aannemelijk gemaakt dat het college, gezien het bepaalde in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer, op basis van het uitgevoerde onderzoek ten onrechte heeft geconcludeerd dat uit een oogpunt van luchtkwaliteit geen aanleiding bestond de gevraagde vergunning te weigeren. 4.5. De conclusie is dat het met betrekking tot de luchtkwaliteit in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld. 5. Naar aanleiding van de geconstateerde gebreken wat betreft de voorschriften 2.3.2, 4.3.3, 7.3.1 en 9.1.6 heeft het college bij het besluit van 12 december 2012 het besluit van 4 april 2011 gewijzigd door voorschrift 9.1.6 in te trekken en door een nieuw voorschrift 2.3.2 aan de vergunning te verbinden. Weliswaar is ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep van [appellante sub 2] tegen het besluit van 4 april 2011 mede gericht tegen het besluit van 12 december 2012, maar [appellante sub 2] heeft in haar zienswijze van 17 januari 2013 te kennen gegeven zich te kunnen verenigen met de wijzigingen. Gelet hierop moet het van rechtswege ontstane beroep van [appellante sub 2] tegen dat besluit worden geacht te zijn ingetrokken. 6. De beroepen tegen het besluit van 4 april 2011 zijn gezien de tussenuitspraak gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, behoudens voor zover het de voorschriften 2.3.2 en 9.1.6 betreft. 7. De beroepen tegen het besluit van 12 december 2012 zijn ongegrond. 8. Het college dient ten aanzien van het autobedrijf en [appellante sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 3] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

51


I. verklaart de beroepen tegen het besluit van 4 april 2011 gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van NoordBrabant van 4 april 2011, kenmerk 2610588; III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, behoudens voor zover het de vergunningvoorschriften 2.3.2 en 9.1.6 betreft; IV. verklaart de beroepen tegen het besluit van 12 december 2012 ongegrond; V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [autobedrijf], in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.180,00 (zegge: elfhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de [appellante sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.217,92 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en tweeënnegentig cent), waarvan € 1.180,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor [autobedrijf], € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 3] en € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor de [appellante sub 2] vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat. w.g. Simons-Vinckx w.g. Van der Zijpp voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013 262-687.

52


ECLI:NL:CRVB:2012:BY2116 Instantie Centrale Raad van Beroep Datum uitspraak 02-11-2012 Datum publicatie 05-11-2012 Zaaknummer 11-1367 WIA Rechtsgebieden Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie Toekenning WGA-vervolguitkering berekend naar het minimumloon en een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Appellant heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat zij niet is gehouden aan haar in een tussenuitspraak neergelegd oordeel. De primaire grond van het hoger beroep slaagt. Het staat de rechtbank - behoudens uitzonderlijke gevallen, waarvan hier geen sprake is - niet vrij terug te komen van een door haar in een tussenuitspraak zonder voorbehoud gegeven oordeel. In de medische rapporten is op inzichtelijke wijze verwoord op basis van welke gegevens tot de in die rapporten getrokken conclusie omtrent de belastbaarheid van appellant is gekomen.Uit hetgeen appellant in beroep en in hoger beroep naar voren heeft gebracht heeft de Raad niet kunnen afleiden dat de in de medische rapporten op het aspect van samenwerken voor appellant neergelegde beperkingen onvolledig of onjuist zijn. Wetsverwijzingen Algemene wet bestuursrecht Vindplaatsen Rechtspraak.nl NJB 2012, 2324 USZ 2012, 366 met annotatie door Red JB 2012, 289 AB 2013, 75 met annotatie door mr. R. Ortlep Uitspraak 11/1367 WIA en 11/1645 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 januari 2011, 09/2012 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M. de Miranda, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft een nieuwe beslissing op bezwaar, gedateerd 25 februari 2011, ingezonden. Partijen hebben nadere stukken ingediend.

53


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Miranda. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.A. Loogman. OVERWEGINGEN 1.1. Bij besluit van 26 maart 2009 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, aan appellant per 1 augustus 2008 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) een WGA-vervolguitkering toegekend berekend naar het minimumloon en een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. 1.2. Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. 2.1. Bij tussenuitspraak van 4 mei 2010, 09/2012, heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het Uwv opgedragen om al dan niet in besluitvorm een nader gemotiveerd standpunt in te nemen op de bezwaren van appellant. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts de door hem in de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 28 december 2007 neergelegde beperking op het aspect samenwerken in verregaande mate heeft gerelativeerd door na overleg met de bezwaararbeidsdeskundige het standpunt in te nemen dat functies voor appellant passend zijn indien er in die functies overwegend sprake is van eigen afgebakende deeltaken. De rechtbank heeft vastgesteld dat nu bij de functieduiding is uitgegaan van een zogenoemde gerelativeerde beperking de geduide functies inconsistent zijn met de FML. De rechtbank heeft het aangewezen geacht dat deze inconsistentie wordt opgeheven door of de FML te wijzigen of de geduide functies aan te passen. 2.2. Bij brief van 1 juli 2010 heeft het Uwv de rechtbank meegedeeld dat geen aanleiding bestaat de FML aan te passen, een relativering van de belastbaarheid niet aan de orde is en dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt zijn voor appellant. 2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant en bepaald dat het Uwv aan appellant het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank heeft hiertoe primair overwogen dat de rechtbank niet is gebonden aan een in een tussenuitspraak neergelegd oordeel. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de functie productiemedewerker infuusafdeling niet geschikt is voor appellant. De overige twee door het Uwv aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn wel voor appellant geschikt. Uit deze uitspraak volgt dat het Uwv zal dienen te bezien of de schatting op basis van duiding van een andere functie dan die van productiemedewerker infuusafdeling in stand kan blijven. 3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank, voor zover daarbij het Uwv is opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Appellant heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat zij niet is gehouden aan haar in een tussenuitspraak neergelegd oordeel. 3.2. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij, behoudens de functie productiemedewerker infuusafdeling, de aan de schatting ten grondslag gelegde functies kan vervullen. Appellant heeft gesteld dat in de functies belastingen voorkomen die zijn mogelijkheden als neergelegd in de FML te boven gaan. 4.1. De primaire grond van het hoger beroep slaagt. Het staat de rechtbank behoudens uitzonderlijke gevallen, waarvan hier geen sprake is - niet vrij terug te komen van een door haar in een tussenuitspraak zonder voorbehoud gegeven oordeel. De Raad wijst op zijn uitspraak van 9 december 2011, LJN BU7433, en op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 december 2011, LJN BU9475.

54


De rechtbank had de brief van het Uwv van 1 juli 2010 moeten opvatten als een mededeling van het Uwv dat hij geen gebruik maakt van de mogelijkheid om het in de tussenuitspraak gesignaleerde gebrek te herstellen. De inhoud van de brief van 1 juli 2010, noch de aan die brief ten grondslag liggende rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige laten enige ruimte voor een ander oordeel. De rechtbank had vervolgens toepassing moeten geven aan artikel 8:51c, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het onderzoek moeten sluiten, het beroep gegrond moeten verklaren en het bestreden besluit moeten vernietigen. De aangevallen uitspraak dient dan ook, voor zover aangevochten, te worden vernietigd. 4.2. Nu het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij besluit van 25 februari 2011 een nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen en aan dit besluit mede een FML van 9 februari 2011 en een arbeidskundig onderzoek waarvan deel heeft uitgemaakt een uitgebreid overleg tussen de bezwaararbeidsdeskundige en de bezwaarverzekeringsarts - ten grondslag is gelegd, ziet de Raad geen aanleiding voor het terugwijzen van de zaak naar de rechtbank, maar zal de Raad het geschil finaal beslechten. 5.1. Uit de aan de, door appellant eveneens bestreden, besluit van 25 februari 2011 ten grondslag liggende rapporten volgt dat appellant in de visie van de bezwaarverzekeringsarts op het aspect samenwerken beperkingen ondervindt gelegen tussen de gradaties beperkt en sterk beperkt. In de medische rapporten is op inzichtelijke wijze verwoord op basis van welke gegevens tot de in die rapporten getrokken conclusie omtrent de belastbaarheid van appellant is gekomen. In de FML is vermeld dat appellant sterk is beperkt. Dit gaat verder dan op grond van de medische rapporten noodzakelijk is. Vervolgens is bezien of de desbetreffende functies gelet op de door de bezwaarverzekeringsarts in meerbedoelde medische rapporten omschreven beperkingen voor appellant geschikt zijn. 5.2. De Raad acht deze werkwijze aanvaardbaar. Uit het medisch rapport volgt de omvang van de voor appellant geldende beperkingen. Voor appellant is dit kenbaar. Indien appellant het met de ernst van die beperkingen niet eens is kan hij de juistheid van deze beperkingen aanvechten. De op vorengeschetste wijze ingevulde FML staat er borg voor dat niet onnodig geschikte functies buiten beeld blijven en dat signalering plaatsvindt van functies die niet zonder meer geschikt zijn. Deze signaleringen hebben tot gevolg dat de geschiktheid van de functie - toegespitst op de beperkingen van appellant - nader dient te worden toegelicht. Voor appellant is dit inzichtelijk. Ook op dit punt kan appellant zijn bezwaren kenbaar maken. 5.3. Uit hetgeen appellant in beroep en in hoger beroep naar voren heeft gebracht heeft de Raad niet kunnen afleiden dat de in de medische rapporten op het aspect van samenwerken voor appellant neergelegde beperkingen onvolledig of onjuist zijn. Appellant heeft geen informatie van medische aard overgelegd op grond waarvan kan worden getwijfeld aan de volledigheid of juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde medische situatie waarin appellant op de datum in geding verkeerde en de in verband hiermede bestaande beperkingen voor het verrichten van werkzaamheden. In overeenstemming met de systematiek weergegeven in 5.1 zijn deze beperkingen opgenomen in de FML van 9 februari 2011. Vervolgens zijn de functies die door het daarvoor door het Uwv gebruikte systeem zijn geselecteerd per functie door de bezwaararbeidsdeskundige en bezwaarverzekeringsarts bezien aan de hand van de beperkingen van appellant zoals neergelegd in de medische rapporten vorenbedoeld. De resultaten hiervan zijn neergelegd in een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige en bezwaarverzekeringsarts van 16 februari 2011. Uit hetgeen appellant naar voren heeft gebracht in beroep en in hoger beroep heeft de Raad niet kunnen afleiden dat de in het rapport van 16 februari 2011

55


gegeven toelichting onvolledig, onjuist of anderszins ondeugdelijk zou zijn. Op inzichtelijke wijze is in het rapport van 16 februari 2011 uiteengezet welke in de functies voorkomende werkzaamheden gerelateerd zijn aan het aspect samenwerken, wat de inhoud van die werkzaamheden is en waarom deze werkzaamheden voor appellant, gelet op de voor hem op dit punt geldende beperkingen, geschikt zijn. 5.4. Het beroep tegen het besluit van 25 februari 2011 treft mitsdien geen doel. 6.1. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het verzoek beperkt zich, nu schadevergoeding ten laste van de Staat is gevraagd, tot het rechterlijk aandeel in deze overschrijding. 6.2. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 3 september 2008 tot de datum van deze uitspraak zijn 4 jaar en 2 maanden verstreken en is mitsdien sprake van overschrijding van de redelijke termijn vorenbedoeld. Vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 7 mei 2009 bij de rechtbank tot de datum van deze uitspraak is echter minder dan drieënhalf jaar verstreken, zodat van overschrijding van het rechterlijke aandeel in de procedure geen sprake is. De Raad wijst op zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009). Het verzoek van appellant dient mitsdien te worden afgewezen. 7. De Raad acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. De kosten worden begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten; - verklaart het beroep tegen het besluit van 25 februari 2011 ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af; - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 874,te betalen aan de griffier van de Raad; - bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 112,vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Brand en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2012. (getekend) T. Hoogenboom (getekend) I.J. Penning GdJ

56


ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7385

Instantie Centrale Raad van Beroep Datum uitspraak 16-04-2013 Datum publicatie 17-04-2013 Zaaknummer 11-915 WWB Rechtsgebieden Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie Het onder 2.1 weergegeven verzoek van de Rb. aan het college om zijn standpunt inzake de gezamenlijke huishouding nader te onderbouwen is zeer gedetailleerd. De Rb. achtte het noodzakelijk dat de buurtbewoners door de sociale recherche opnieuw zouden worden gehoord en dat hun verklaringen in ambtsedig opgemaakte processen-verbaal zouden worden neergelegd. Voorts heeft de Rb. nauwkeurig aangegeven op welke punten de sociale recherche de buurtbewoners zou moeten bevragen. Door haar verzoek zo minutieus te formuleren, heeft de Rb. de schijn gewekt zich te verbinden met het mogelijke resultaat van het door het college op haar verzoek verrichte onderzoek. Bij appellante kon daardoor de indruk ontstaan dat de Rb. haar onbevangenheid had verloren bij de beoordeling van de mogelijke verweren en bewijzen van appellante. De wijze waarop de Rb. in het geval van appellante gestalte heeft gegeven aan de informele bestuurlijke lus, verdraagt zich daarom niet met de eisen die art. 6 van het EVRM stelt. De beroepsgrond van appellante dat de Rb. ten onrechte haar beslissing op de aanvullende verklaringen van de buurtbewoners heeft gebaseerd treft dan ook doel. Vindplaatsen Rechtspraak.nl RSV 2013, 167 NJB 2013, 1218 USZ 2013, 211 JB 2013, 119 met annotatie door B. Kaya en L.J.M. Timmermans

57


Uitspraak 11/915 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 december 2010, 09/2634 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college) Datum uitspraak 16 april 2013. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. H. Pasman, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken aan de Raad gezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Pasman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.M. van Gerwen. Als getuige is gehoord [naam zoon], zoon van appellante (zoon). De Raad heeft het onderzoek heropend en heeft [getuige 1] ([getuige 1]), [getuige 2] ([getuige 2]) en [getuige 3] ([getuige 3]) opgeroepen om op een nadere zitting als getuige te worden gehoord. De nadere zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Pasman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.H.G. Rikken. Als getuigen zijn [getuige 1] en [getuige 2] gehoord. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. W.A.W. [M.] ([M.]) ontving van 28 oktober 2003 tot 1 juni 2008 van het college bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 10 mei 2008 is bij een onderzoek door de politie in de woning van [M.] op het door hem bij het college opgegeven adres aan de [uitkeringsadres] (uitkeringsadres) een hennepplantage aangetroffen. Naar aanleiding daarvan heeft het college een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van [M.]. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, hebben fraudepreventiemedewerkers van de Directie Inwoners van de gemeente Nijmegen op 12 juni 2008 een gesprek met [M.] gehad en is op dezelfde dag een huisbezoek aan de woning op het

58


uitkeringsadres gebracht. De sociale recherche heeft [M.] en appellante op 23 oktober 2008 verhoord. Voorts heeft de sociale recherche eerder op diezelfde dag [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 2] als getuige gehoord. Toen deze getuigen (buurtbewoners) hun verklaring aflegden, woonden zij in de omgeving van het adres [adres 1] te [plaatsnaam]. Op dat adres is appellante sinds 16 oktober 2007 ingeschreven (adres van appellante). De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in de rapporten van 13 juni 2008 en 16 oktober 2008, later aangevuld bij rapporten van 4 november 2008 en 6 februari 2009. De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 23 oktober 2008 de kosten van de sinds 28 oktober 2003 aan [M.] verleende bijstand tot een bedrag van € 55.853,10 mede van appellante terug te vorderen. 1.2. Bij besluit van 25 mei 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 oktober 2008 ongegrond verklaard met dien verstande dat de kosten van de sinds 16 oktober 2007 aan [M.] verleende bijstand tot een bedrag van € 8.168,95 mede van appellante worden teruggevorderd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante en [M.] sinds 16 oktober 2007 een gezamenlijke huishouding voeren en dat [M.] daarvan geen melding heeft gemaakt bij het college. 2.1. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep behandeld ter zitting van 25 november 2009. De rechtbank heeft bij beslissing van 15 december 2009 het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. In die beslissing heeft de rechtbank het college voorts verzocht zijn standpunt nader te onderbouwen, zoals in de op 15 december 2009 aan het college toegezonden brief is omschreven. Die brief luidt, voor zover hier van belang, als volgt waarbij voor verweerder college en voor eiseres appellante gelezen moet worden: “Over de periode vanaf 16 oktober 2007 tot en met 23 oktober 2008 (…) stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres met de heer [M.] aan de [adres 1] te [plaatsnaam] een gezamenlijke huishouding voerde. De rechtbank verzoekt verweerder hierbij (…) dit standpunt nader te onderbouwen. Daartoe acht de rechtbank nadere - door de sociale recherche opgenomen en in ambtsedig opgemaakte processen-verbaal neergelegde - verklaringen van de buurtbewoners [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 2] noodzakelijk. Uit die verklaringen zal moeten blijken hoe lang zij aan de [adres 1] woonachtig zijn, wat hun relatie tot eiseres en de heer [M.] was/is en op grond van welke door hen geconstateerde feiten of omstandigheden (bijvoorbeeld hoe vaak zagen zij de heer [M.] in de woning en/of waren er vaste momenten waarop zij constateerden dat [M.] in de woning aanwezig was) zij tot de conclusie zijn gekomen dat de heer [M.] tegelijkertijd met eiseres en haar zoon op de [adres 1] is komen wonen en hij over de gehele periode in geding woonachtig was op de [adres 1].” Appellante heeft bij brief van 5 januari 2010 geprotesteerd tegen deze handelwijze van de rechtbank. De sociale recherche heeft op 21 januari 2010 [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 2] opnieuw als getuige gehoord. Het college heeft die verklaringen aan de rechtbank gezonden en appellante heeft bij brief van 26 maart 2010 daarop gereageerd. Het beroep is vervolgens

59


behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 9 juli 2010. 2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat uit de onder 2.1 geciteerde brief voortvloeit dat zij de door het college aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde verklaringen van de buurtbewoners onvoldoende acht en dat het bestreden besluit om die reden onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank heeft voorts overwogen dat met de in beroep door het college overgelegde aanvullende verklaringen van de buurtbewoners voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat [M.] in de periode van 16 oktober 2007 tot 1 juni 2008 (te beoordelen periode) zijn hoofdverblijf heeft gehad op het adres van appellante en dat de verklaringen van [M.] en appellante voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat sprake is van wederzijdse zorg. Volgens de rechtbank heeft het college zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellante in de betreffende periode met [M.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Gelet op die overwegingen heeft de rechtbank - met beslissingen inzake proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. De rechtbank heeft voorts een beslissing gegeven over de door appellante gemaakte kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. 3. Appellante heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. Appellante heeft verzocht het college te veroordelen in de in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank haar beslissing niet op de aanvullende verklaringen van de buurtbewoners had mogen baseren. Ten onrechte heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het college in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt nader te onderbouwen en daarbij specifiek aangegeven op welke wijze dat dient te geschieden om daarmee alsnog een gezamenlijke huishouding te kunnen aannemen. Volgens appellante is finale geschilbeslechting niet aan de orde, omdat een door het college genomen ambtshalve beslissing met voor appellante negatieve gevolgen aan de orde is en geen besluit op een aanvraag. Voor zover de heropeningsbeslissing door de rechtbank is afgegeven vooruitlopend op de wettelijke regeling van de bestuurlijke lus, stelt appellante dat de bestuurlijke lus is bedoeld om het bestuursorgaan nog tijdens de beroepsprocedure de gelegenheid te bieden om gebreken in een besluit te herstellen. Het feit dat de rechtbank de verklaringen die het college aan de gezamenlijke huishouding ten grondslag heeft gelegd, onvoldoende acht om een gezamenlijke huishouding aan te nemen, kan niet als een zodanig gebrek gelden. Voor zover het al noodzakelijk zou zijn dat buurtbewoners nadere verklaringen afgeven, ligt het in de rede dat dit plaatsvindt ten overstaan van de rechtbank en in aanwezigheid van appellante, aangezien ook appellante dan in de gelegenheid zou zijn gesteld om vragen te stellen aan de desbetreffende

60


buurtbewoners. Volgens appellante heeft de rechtbank wel erg specifiek aangegeven wat door de buurtbewoners dient te worden verklaard om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te kunnen laten. Dit verdraagt zich niet met het beginsel van equality of arms en de overige eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt. 4.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 3 november 2010, LJN BO3646) behoort de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil te onderzoeken. Dit houdt in dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hij zelf in de zaak kan voorzien. Ligt ĂŠĂŠn van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een - formele dan wel informele - bestuurlijke lus een reĂŤle mogelijkheid is. 4.3. In de artikelen 8:33, 8:46 en 8:60 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is - onder meer en kort samengevat - bepaald dat de rechtbank getuigen kan horen, hen daartoe tijdens het vooronderzoek of voor het onderzoek ter zitting kan oproepen en dat die getuigen dan verplicht zijn om te verschijnen en een verklaring af te leggen. 4.4. Gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen en anders dan appellante heeft betoogd, behoort de bestuursrechter ook de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil te onderzoeken indien het geschil betrekking heeft op een door het bestuursorgaan ambtshalve genomen besluit dat voor de betrokkene nadelige gevolgen heeft. Ook de beroepsgrond van appellante dat geen sprake was van een gebrek in het bestreden besluit dat hangende beroep bij de rechtbank via een informele bestuurlijke lus kon worden hersteld treft geen doel. Volgens de rechtbank boden de op 23 oktober 2008 door de buurtbewoners afgelegde verklaringen onvoldoende grondslag voor het standpunt van het college dat appellante en [M.] in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Aan een besluit dat op onvoldoende feitelijke grondslag berust, kleeft een gebrek. Van een dergelijk gebrek kan niet worden gezegd dat per definitie de mogelijkheid van herstel via een informele bestuurlijke lus is uitgesloten. Voor zover appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank gebruik had moeten maken van haar bevoegdheid om met toepassing van de onder 4.3 genoemde bepalingen de buurtbewoners als getuigen te horen, slaagt ook deze beroepsgrond niet. Uit de onder 2.1 geciteerde brief kan worden afgeleid dat de rechtbank in de toen voorhanden informatie geen aanleiding zag gebruik te maken van haar bevoegdheid om de buurtbewoners als getuigen te horen om te kunnen beoordelen of appellante en [M.] in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerden. De omstandigheid dat appellante in de gelegenheid zou zijn gesteld om aan de buurtbewoners vragen te stellen indien zij door de rechtbank als getuigen zouden worden gehoord en die mogelijkheid niet heeft bij een verhoor door de sociale recherche, betekent niet dat de rechtbank ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om de buurtbewoners als getuigen te horen. Van belang is in dit

61


verband dat ook appellante deze buurtbewoners kon benaderen en hen desgewenst als getuige zou kunnen oproepen. 4.5. Het onder 2.1 weergegeven verzoek van de rechtbank aan het college om zijn standpunt inzake de gezamenlijke huishouding van appellante en [M.] nader te onderbouwen is zeer gedetailleerd. De rechtbank achtte het noodzakelijk dat de buurtbewoners door de sociale recherche opnieuw zouden worden gehoord en dat hun verklaringen in ambtsedig opgemaakte processen-verbaal zouden worden neergelegd. Voorts heeft de rechtbank nauwkeurig aangegeven op welke punten de sociale recherche de buurtbewoners zou moeten bevragen. Door haar verzoek zo minutieus te formuleren, heeft de rechtbank de schijn gewekt zich te verbinden met het mogelijke resultaat van het door het college op haar verzoek verrichte onderzoek. Bij appellante kon daardoor de indruk ontstaan dat de rechtbank haar onbevangenheid had verloren bij de beoordeling van de mogelijke verweren en bewijzen van appellante. De wijze waarop de rechtbank in het geval van appellante gestalte heeft gegeven aan de informele bestuurlijke lus, verdraagt zich daarom niet met de eisen die artikel 6 van het EVRM stelt. De beroepsgrond van appellante dat de rechtbank ten onrechte haar beslissing op de aanvullende verklaringen van de buurtbewoners heeft gebaseerd treft dan ook doel. 4.6. Uit hetgeen onder 4.5 is overwogen, vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten, voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad dient aansluitend te bezien, welk vervolg hij aan deze uitkomst geeft. 4.7. Artikel 59, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen als bedoeld in artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling of appellante die persoon is, is vereist dat zij in de te beoordelen periode met [M.] een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB heeft gevoerd. Ingevolge laatstgenoemde bepaling is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van een bijdrage in de kosten van de huishouding danwel anderszins. 4.8. Het besluit tot medeterugvordering van kosten van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor medeterugvordering is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. 4.9. Gelet op wat onder 4.5 is overwogen, dienen bij de beoordeling of voldoende feitelijke grondslag bestaat voor een gezamenlijke huishouding de verklaringen die [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] op 21 januari 2010

62


ten overstaan van de sociale recherche hebben afgelegd, buiten beschouwing te blijven. De Raad heeft aanleiding gezien [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] als getuigen op te roepen. [getuige 1] en [getuige 2] hebben op de nadere zitting van 5 maart 2013 als getuige een verklaring afgelegd. [getuige 3] heeft bij brief van 6 februari 2013 meegedeeld in verband met haar gezondheid aan die oproep geen gehoor te kunnen geven. Bij een op 25 februari 2013 ingekomen brief heeft zij desgevraagd een medische verklaring ingezonden. Gelet op de inhoud van die medische verklaring heeft de Raad ervan afgezien [getuige 3] te houden aan haar verplichting om als getuige een verklaring af te leggen. Op de nadere zitting van 5 maart 2013 hebben partijen daarmee ingestemd. 4.10. Appellante heeft betoogd dat ook met de aanvullende verklaringen van de [getuige 1] en [getuige 2] op de nadere zitting van de Raad op 5 maart 2013 onvoldoende feitelijk grondslag bestaat voor het standpunt dat appellante en [M.] in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. In dat verband heeft appellante gesteld dat uit de verklaringen van de buurtbewoners onvoldoende blijkt op grond van welke concrete feiten en omstandigheden zij tot de conclusie komen dat [M.] in de te beoordelen periode op het adres van appellante woonde. Voorts is onvoldoende gewicht toegekend aan de verklaringen van appellante en [M.] dat [M.] pas met ingang van 1 juli 2008 een kamer huurt in de woning van appellante en dus vanaf die datum aldaar zijn hoofdverblijf heeft en aan de door appellante ingebrachte verklaringen waaruit blijkt dat [M.] op het uitkeringsadres en op de camping in [plaatsnaam] heeft verbleven. 4.11. Het college heeft betoogd dat de aanvullende verklaringen die [getuige 1] en [getuige 2] op de nadere zitting van de Raad op 5 maart 2013 hebben afgelegd, weliswaar weinig nieuws bieden ten opzichte van de verklaringen die zij op 23 oktober 2008 hebben afgelegd, maar dat op basis van de verklaringen die de buurtbewoners (onder wie [getuige 1] en [getuige 2]) op 23 oktober 2008 hebben afgelegd, bezien in samenhang met de verklaringen van appellante en [M.] van dezelfde datum, aannemelijk is te achten dat appellante en [M.] in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Volgens het college is in dit geval ook aan het criterium van wederzijdse zorg voldaan. 4.12. Vaststaat dat appellante gedurende de hier te beoordelen periode woonde op het adres [adres 1] te [plaatsnaam]. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of ook [M.] gedurende die periode op dat adres zijn hoofdverblijf had. Uit de verklaringen die appellante en [M.] tegenover de sociale recherche hebben afgelegd kan niet worden afgeleid dat [M.] in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. [M.] heeft weliswaar verklaard dat hij minstens drie tot vier keer per week in de woning van appellante is, maar hoe lang deze bezoeken hebben geduurd komt in zijn verklaring niet naar voren. De verklaring van appellante dat [M.] gedurende de te beoordelen periode heel vaak bij haar was en dat [M.] net zo vaak bij haar kon verblijven als zij wilden, biedt evenmin voldoende duidelijkheid. Ook de verklaringen die de buurtbewoners op 23 oktober 2008 hebben afgelegd bieden onvoldoende grondslag voor het standpunt dat [M.] in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf in de woning van appellante

63


had. Die verklaringen zijn summier. Uit die verklaringen kan worden afgeleid dat de buurtbewoners de indruk hadden dat [M.] vanaf de zomer 2007 in de woning van appellante woonde, maar zij noemen slechts weinig concrete feiten en omstandigheden waarop die indruk is gebaseerd. Daarbij dient niet uit het oog te worden verloren dat appellante niet heeft weersproken dat [M.] gedurende de te beoordelen periode heel vaak bij haar was. Van belang is verder dat toen de buurtbewoners hun verklaringen aflegden [M.] al enkele maanden (volgens appellante vanaf 1 juli 2008) op het adres van appellante woonachtig was en dat uit de verklaringen van de buurtbewoners vaak niet kan worden opgemaakt of de door hen genoemde feiten en omstandigheden zien op de periode in geding. Van belang is voorts dat [getuige 2] op 5 maart 2013 heeft verklaard weinig zicht te hebben op de woning van appellante en vanuit die woning niets hoorde. Zij had de indruk dat [M.] bij appellante woonde omdat zij hem af en toe in [adres 1] tegenkwam. [getuige 1] heeft op 5 maart 2013 verklaard dat zij [M.] regelmatig de woning van appellante zag binnengaan, maar zij heeft ook verklaard dat zij gedurende de hier te beoordelen periode weinig thuis was. Verder is opmerkelijk dat beide getuigen de aanwezigheid van [M.] in de woning van appellante relateerden aan een auto van een kleur en merk of vorm, die eerst na de te beoordelen periode op naam van [M.] stond. De door de zoon op 3 april 2012 als getuige afgelegde verklaring voegt hieraan niets toe, juist omdat, zoals uit zijn verklaring volgt, door de verschillende leefwijzen van hem, appellante en [M.] zijn zicht op de feitelijke situatie in de woning op het adres van appellante beperkt was. 4.13. Hetgeen onder 4.12 is overwogen betekent dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellante en [M.] in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en een gezamenlijke huishouding voerden. Dat betekent dat het college niet bevoegd was de over de te beoordelen periode aan [M.] verleende bijstand mede van appellante terug te vorderen. Gelet op het tijdsverloop is onaannemelijk dat dit gebrek nog kan worden hersteld. In aanmerking genomen dat het college in het bestreden besluit het standpunt heeft ingenomen dat geen grond bestaat voor terugvordering van appellante van de kosten van de aan [M.] over periode van 28 oktober 2003 tot 16 oktober 2007 verleende bijstand, ziet de Raad in het voorgaande aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb het besluit van 23 oktober 2008 te herroepen. 5.1. Appellante heeft verzocht om vergoeding van de in beroep gemaakte proceskosten. De rechtbank heeft het college bij de aangevallen uitspraak in de door appellante gemaakte proceskosten veroordeeld. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat van andere kosten dan de kosten van verleende rechtsbijstand niet is gebleken. Appellante heeft gesteld dat zij in verband met de behandeling van haar beroep bij de rechtbank ook reiskosten heeft gemaakt. Dit is door het college niet bestreden. Daarom bestaat aanleiding het college te veroordelen om die reiskosten te vergoeden. Deze kosten worden begroot op â&#x201A;Ź 15,20. 5.2. Voorts bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op â&#x201A;Ź 1.416,-voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het hoger beroepschrift en 2 x 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en voor reiskosten â&#x201A;Ź 49,60.

64


BESLISSING De Centrale Raad van Beroep -vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten; -herroept het besluit van 23 oktober 2008; -bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 25 mei 2009; -veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.480,80; -bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 111,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2013. (getekend) J.J.A. Kooijman (getekend) J. de Jong Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding. HD

65


ECLI:NL:RVS:2013:BZ2530 Instantie Raad van State Datum uitspraak 27-02-2013 Datum publicatie 27-02-2013 Zaaknummer 201203303/1/A1 Rechtsgebieden Bestuursrecht Omgevingsrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie Bij besluit van 17 november 2009 heeft het college onder verlening van een vrijstelling aan Zeemotel bouwvergunning eerste fase en een uitwegvergunning verleend voor het realiseren van een hotel en appartementencomplex aan de Erasmusweg 20 te Noordwijk (hierna: het perceel). Vindplaatsen Rechtspraak.nl AB 2013, 144 met annotatie door H.E. Brรถring Uitspraak 201203303/1/A1. Datum uitspraak: 27 februari 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk, 2. [appellant sub 2], wonend te Noordwijk, 3. [appellant sub 3a] en [appellant sub 3b], handelend onder de naam Zeemotel Zeezicht, (hierna: Zeemotel), gevestigd te Noordwijk, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 februari 2012 in zaken nrs. 11/923 en 11/926 in het geding tussen: [appellant sub 2] en [partij], en het college. Procesverloop Bij besluit van 17 november 2009 heeft het college onder verlening van een vrijstelling aan Zeemotel bouwvergunning eerste fase en een uitwegvergunning verleend voor het realiseren van een hotel en appartementencomplex aan de Erasmusweg 20 te Noordwijk (hierna: het perceel). Bij besluit van 3 juni 2010 heeft het college aan Zeemotel daarvoor een bouwvergunning tweede fase verleend voor het herbouwen en uitbreiden van een hotel en appartementencomplex op het perceel. Bij afzonderlijke besluiten van 14 december 2010 heeft het college het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de besluiten van 17 november 2009 en 3 juni 2010, onder aanpassing van de motivering en de bouwtekeningen, in stand gelaten.

66


Bij tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken de aan die besluiten klevende gebreken te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht. Bij brief van 8 november 2011 heeft het college de motivering van de besluiten van 14 december 2010 aangevuld. Bij einduitspraak van 22 februari 2012 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2], ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 14 december 2010 vernietigd, de besluiten van 17 november 2009 en 3 juni 2010 herroepen en de door Zeemotel gevraagde bouwvergunningen geweigerd. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben het college, [appellant sub 2] en Zeemotel hoger beroep ingesteld. Het college en [appellant sub 2] hebben een verweerschrift ingediend. [appellant sub 2] en het college hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J. Abspoel-Jonkhout en ing. C.M. Warmerdam, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, en Zeemotel, vertegenwoordigd door haar directeuren [appellant sub 3a] en [appellant sub 3b], bijgestaan door [gemachtigde] en mr. H.J.M. Winkelhuijzen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. I.L. Haverkate, advocaat te Amsterdam, en [belanghebbende], zijn verschenen. Overwegingen 1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals het gold voor de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft. 2. Het project heeft betrekking op de bouw van een hotel met vierentwintig hotelappartementen, zes koopappartementen en een beheerder woning. Het project bestaat uit vijf bouwlagen, waarbij de bouwlagen 4 en 5 in de kap zijn verwerkt. 3. Het college betoogt tevergeefs dat de rechtbank het besluit op bezwaar van 8 november 2011 ten onrechte niet heeft vernietigd. De rechtbank heeft het schrijven van het college van 8 november 2011 terecht niet aangemerkt als besluit, nu dit schrijven slechts een aanvulling van de motivering van de besluiten van 14 december 2010 bevat en dus niet op rechtsgevolg is gericht. 4. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de oorspronkelijke aanvraag om bouwvergunning zodanig is gewijzigd dat Zeemotel een nieuwe aanvraag om bouwvergunning had moeten indienen. 4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van de Afdeling van 10 september 2008 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresu ltaat/?verdict_id=WEuuEHkRGeo%3D">200800531/1</a>l) is geen nieuwe aanvraag nodig als de wijziging van het bouwplan van ondergeschikte aard is en dient de vraag of de wijziging van ondergeschikte aard is, per concreet geval te worden beantwoord. Blijkens de bouwtekeningen van 22 november 2010 is het oorspronkelijke bouwplan van 2007 gewijzigd. De belangrijkste wijzigingen hebben, zoals ter zitting is komen vast te staan, onder meer betrekking op het vervallen van de kelderverdieping en de daarin voorziene parkeergarage, een verlaging van de bouwhoogte van ongeveer 17 m tot 15,80 m, het vervallen van twee dakramen, het veranderen van een raam in een deur, de wijziging van een luifel, de toevoeging van een deur en de toevoeging van een liftschacht. De uiterlijke verschijningsvorm en de bovengrondse situering is door deze wijzigingen van het oorspronkelijke bouwplan vrijwel ongewijzigd gebleven. De rechtbank heeft de bouwkundige wijzigingen daarom terecht niet van

67


ingrijpende aard geacht. Verder zijn derden door de wijzigingen niet in hun belangen geschaad. De wijzigingen zijn aangebracht in overleg met omwonenden en komen gedeeltelijk aan de bezwaren van [appellant sub 2] tegemoet. Anders dan [appellant sub 2] stelt, zal door het vervallen van de parkeerkelder met daarin zeven parkeerplaatsen de parkeerdruk in de buurt van de projectlocatie niet toenemen, aangezien het gewijzigde bouwplan voorziet in de bouw van zeven inpandige parkeerplaatsen op maaiveldniveau. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat de wijzigingen in de aanvraag van ondergeschikte aard zijn, zodat daarvoor geen nieuwe aanvraag was vereist. Het betoog faalt. 5. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zuidduinen 1982" rusten op het perceel de bestemmingen "Horecabedrijven met bijbehorende erven (H)" en "Tuin of onbebouwd erf (T)". Ingevolge artikel 14 van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de aldus aangewezen gronden bestemd voor hotels en restaurants, met dien verstande dat: a. de hoofdgebouwen uitsluitend mogen worden opgericht binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken; b. indien op de kaart voor het betreffende bebouwingsvlak een maximum goothoogte is aangegeven, de hoogte van de hoofdgebouwen ten hoogste 3 m meer mag bedragen dan de op de kaart ingeschreven goot- en boeiboordhoogte, mits de gebouwen worden afgedekt met een schuine kap van ten hoogste 60°. Het project is, naar niet in geschil is, in strijd met het bestemmingsplan, omdat het gebouw onder meer deels buiten de op de plankaart aangegeven bebouwingsvlakken is voorzien. Teneinde de gevraagde bouwvergunning toch te kunnen verlenen heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend voor het project. 6. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieÍn van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing. Ingevolge het eerste lid wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders. 7. Het college en Zeemotel betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de ruimtelijke onderbouwing van het project als neergelegd in de notitie "Ruimtelijke Onderbouwing Hotel Zeezicht, Erasmusweg 20 te Noordwijk" van november 2009 (hierna: de ruimtelijke onderbouwing) niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. 7.1. In de ruimtelijke onderbouwing van het project als neergelegd in de notitie "Ruimtelijke Onderbouwing Hotel Zeezicht, Erasmusweg 20 te Noordwijk" van november 2009 (hierna: de ruimtelijke onderbouwing) is vermeld dat het beoogde gebouw voor een groot deel past binnen het volume van het huidige hotel en qua bebouwd oppervlak nauwelijks verandert. [appellant sub 2] heeft deze passage in beroep bestreden onder verwijzing naar de conclusie van een door hem overgelegde notitie "Toetsing aanvraag

68


nieuwbouwplan Motel Zeezicht 2008 aan het bestemmingsplan Zuidduinen" van Bureau voor Bouwpathologie BB van 7 oktober 2008. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak overwogen dat het college geen eigen berekeningen heeft kunnen overleggen waarin deze conclusie wordt weersproken, zodat het college geen enkel inzicht heeft kunnen verschaffen op grond van welke feiten en omstandigheden het in de ruimtelijke onderbouwing tot de conclusie is gekomen dat de geldende nieuwbouw voor een groot deel binnen het volume van het bestaande hotel past en met welk percentage het bebouwingspercentage wordt overschreden, zodat in zoverre een deugdelijke motivering ontbreekt. De rechtbank heeft hierop het college in de gelegenheid gesteld de gebreken in de besluitvorming te herstellen. Vervolgens heeft het college de brief van 8 november 2011 ingezonden met daarbij een tekening waarop de afmetingen van het bestaande gebouw, de in het bestemmingsplan geboden bouwmogelijkheden en de afmetingen van het project zijn vermeld. In reactie hierop heeft [appellant sub 2] een door Buro de Binnenstad B.V. opgestelde notitie "Volumeberekening van het nieuwbouwplan Erasmusweg 20 te Noordwijk" van 1 december 2011, overgelegd. 7.2. De rechtbank heeft in haar einduitspraak overwogen dat onduidelijk blijft hoe het college de overschrijding van de massa en het oppervlak van het project heeft berekend, nu het college niet heeft vermeld welke uitgangspunten bij diens berekening zijn gehanteerd. Met het slechts overleggen van overzichtstekeningen zonder de daadwerkelijke berekening heeft het college, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe het tot de volgens hem berekende overschrijdingspercentages is gekomen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat, ook indien wordt uitgegaan van de berekening van het college, het bebouwingsoppervlak met minimaal 26,7% en het bouwvolume met minimaal 20% toeneemt ten opzichte van hetgeen het bestemmingsplan mogelijk maakt. Zelfs met deze berekening acht de rechtbank niet vol te houden dat het bouwplan nauwelijks een wijziging in de maatvoering teweegbrengt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college ten onrechte bij het opstellen van de ruimtelijke onderbouwing als uitgangspunt gehanteerd dat toenames van 20% en 26,7% hebben te gelden als marginale vergroting. Nu in de ruimtelijke onderbouwing niet is ingegaan op de overschrijding van zowel bouwoppervlak als bouwvolume in relatie tot het geldende bestemmingsplan, acht de rechtbank de ruimtelijke onderbouwing ontoereikend. 7.3. Het college heeft als bijlage bij zijn brief van 8 november 2011 een tekening overgelegd waarop de afmetingen van het bestaande gebouw, de in het bestemmingsplan geboden bouwmogelijkheden en de afmetingen van het project zijn vermeld. Tevens heeft het college verklaard dat het zijn berekeningen heeft uitgevoerd op de in artikel 2 van de planvoorschriften voorgeschreven wijze. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat onduidelijk is hoe het college de overschrijding van de massa en het oppervlak van het project heeft berekend. Volgens de door het college overgelegde tekening neemt het bebouwingsoppervlakte toe met ongeveer 32,8% en het bouwvolume met ongeveer 38,8% ten opzichte van hetgeen het bestemmingsplan mogelijk maakt. Niet gebleken is dat deze tekening zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Dat volgens de op verzoek van [appellant sub 2] opgestelde notitie "Volumeberekening van het nieuwbouwplan Erasmusweg 20 te Noordwijk" de toename van het bouwvolume groter is, leidt niet tot een ander oordeel, nu bij de berekeningen in die notitie ervan is uitgegaan dat ingevolge het bestemmingsplan een maximale bouwhoogte geldt van 15 m, terwijl uit de plankaart gelezen in samenhang met de planvoorschriften valt af te leiden dat

69


ter plaatse geen maximale bouwhoogte geldt. Het bestemmingsplan staat een groter bouwvolume toe dan waarvan voormelde notitie van uitgaat. Voorts heeft de rechtbank in de omstandigheid dat het college bij het opstellen van de ruimtelijke onderbouwing als uitgangspunt heeft gehanteerd dat toenames van 32,8% en 38,8% hebben te gelden als marginale vergroting en dat in de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat het beoogde gebouw grotendeels past binnen het volume van het huidige hotel en qua bebouwd oppervlak nauwelijks verandert, ten onrechte grond gevonden voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet toereikend is. Het college heeft bij brief van 8 november 2011 te kennen gegeven dat zijn standpunt zo moet worden begrepen dat de lengte, hoogte en breedte van het project elk slechts zullen worden vergroot met ongeveer 11,5% ten opzichte van de maximale bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt en 6,27% ten opzichte van de lengte, hoogte en breedte van het huidige hotel. Gelet op deze toelichting en in aanmerking genomen dat niet gebleken is dat het college bij zijn standpunt is uitgegaan van onjuiste feitelijke gegevens, is er geen grond voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Het betoog van Zeemotel en het college slaagt. 8. Het college en Zeemotel betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het project in strijd is met de visie die is neergelegd in de notitie "Integrale Ruimtelijke Visie Noordwijk Zeewaardig" (hierna: de IRV). 8.1. Zeemotel betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met de goede procesorde door het project te toetsen aan de IRV zonder dat zij Zeemotel in de gelegenheid heeft gesteld om hierover een nadere reactie te geven. Al in zijn beroepschrift van 25 januari 2011 heeft [appellant sub 2] aangevoerd dat de realisering van het project in strijd is met de IRV. Zeemotel heeft derhalve tot de behandeling van de zitting op 29 augustus 2011 minimaal zes maanden de tijd gehad om zich op deze beroepsgrond te reageren. Geen grond bestaat daarom voor het oordeel dat de rechtbank Zeemotel uitdrukkelijk gelegenheid had moeten geven alsnog op deze beroepsgrond te reageren. 8.2. Zeemotel betoogt evenzeer tevergeefs dat de IRV geen beleidsregel bevat waarmee in deze procedure rekening moet worden gehouden. De in de IRV neergelegde visie is vastgesteld bij besluit van 25 november 2009. In de IRV staat op pagina 32 dat voor het behoud van het karakter van de wijk essentieel is dat geen medewerking verleend zal worden aan uitbreiden van bouwmassaâ&#x20AC;&#x2122;s ten opzichte van de mogelijkheden van de bestaande bestemmingsplannen, in het bijzonder voor wat betreft hotels en appartementencomplexen in deze wijk. In zoverre bevat de IRV een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb. Deze beleidsregel gold ten tijde van het besluit op bezwaar, zodat er bij het nemen van dat besluit rekening mee behoorde te worden gehouden. 8.3. Zeemotel stelt tevergeefs dat het niet de bedoeling is geweest om deze beleidsregel in de IRV op te nemen. Wat er verder van de juistheid van deze stelling zij, heeft Zeemotel niet aannemelijk gemaakt dat deze beleidsregel ontbrak in de versie waarmee de raad van Noordwijk heeft ingestemd. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat die beleidsregel gold ten tijde van het besluit op bezwaar. 8.4. Het college betoogt dat deze beleidsregel niet van toepassing was, omdat in de IRV staat dat voor particuliere plannen als uitgangspunt het Beeldkwaliteitplan Noordwijk Zeewaardig (hierna: het beeldkwaliteitplan) wordt gehanteerd en in overleg met de initiatiefnemers wordt geanticipeerd op de IRV. Dat betoog faalt omdat met die passage niet valt af te leiden dat de beleidsregel niet van toepassing is.

70


Niet in geschil is dat de bouwmassa van het beoogde hotel en appartementencomplex de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt overschrijdt. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het project met deze beleidsregel uit de IRV in strijd is. 8.5. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat in dit geval van de beleidsregel kon worden afgeweken. Ingevolge artikel 4:84, van de Awb, handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 februari 2005, in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresu ltaat/?verdict_id=pZVrm5eLDZ4%3D">200403595/1</a>) gaat het bij bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb om omstandigheden waarmee bij de totstandkoming van een beleidsregel geen rekening is gehouden en die derhalve in die beleidsregel niet zijn verdisconteerd. Het college betoogt tevergeefs dat zich hier vanwege de situering van het project waardoor het karakter van die villawijk niet zal worden aangetast, zoâ&#x20AC;&#x2122;n bijzonder geval voordoet. Niet aannemelijk is geworden dat bij de totstandkoming van de IRV met een dergelijke situatie geen rekening is gehouden. 8.6. Het betoog van het college en Zeemotel faalt. 9. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het project in de aanleg van voldoende parkeergelegenheid voorziet. Het voert daartoe aan dat het bij de berekening van het benodigd aantal parkeerplaatsen geen rekening met het in het project beoogde restaurant hoefde te houden. 9.1. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Noordwijk (hierna: de bouwverordening) moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer. 9.2. Het college heeft zich, onder verwijzing naar de beleidsregels als neergelegd in de op 9 oktober 2008 vastgestelde notitie "Beleidsregel parkeernormen" op het standpunt gesteld dat als gevolg van de realisering van het project 31 parkeerplaatsen nodig zijn. Het heeft zich daarbij gebaseerd op de parkeercijfers van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Crow), zoals die zijn overgenomen in de Aanbevelingen Stedelijke Verkeervoorzieningen 2004 (ASVV 2004). Het college heeft aannemelijk gemaakt dat de parkeerbehoefte ten gevolge van het in het project beoogde restaurant niet toeneemt, nu dat restaurant dient ter vervanging van het bestaande restaurant dat dezelfde omvang en functie heeft en de toepasselijke parkeernorm als vervat in de notitie "Beleidsregel parkeernormen" dezelfde is gebleven. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 maart 2012 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresu ltaat/?verdict_id=RK%2FrWOlQUO4%3D">201106323/1/T1/A1</a>) dient bij vervangende nieuwbouw slechts rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de reeds bestaande parkeerbehoefte in verband met het te slopen pand. Gelet daarop heeft het college geen rekening hoeven houden met de parkeerbehoefte van het beoogde restaurant. Het betoog slaagt.

71


10. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de adviezen van de stichting Dorp Stad en Land (hierna: de welstandscommissie) van 22 april 2010 en 7 september 2010 zodanige gebreken vertonen dat het college deze niet of niet zonder meer aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. [appellant sub 2] voert daartoe aan dat het project in strijd is met het Beeldkwaliteitplan Noordwijk Zeewaardig (hierna: het beeldkwaliteitplan) dat mede ten grondslag ligt aan het welstandsadvies, nu in het beeldkwaliteitplan staat dat nieuwe gebouwen voldoende inpandige parkeerplaatsen moeten hebben. Verder voert [appellant sub 2] aan dat in het advies van 22 april 2010 tot uitgangspunt is genomen dat het project past in het bestemmingsplan, terwijl het beoogde gebouw bijna twee maal zo groot wordt als het bestemmingsplan toestaat, aldus [appellant sub 2]. 10.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresu ltaat/?verdict_id=9li9ExV%2Fhvs%3D">200804977/1</a>) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derdebelanghebbende. 10.2. In het beeldkwaliteitplan staat dat op eigen terrein moet worden geparkeerd en nieuwe gebouwen voldoende inpandige parkeerplaatsen moeten hebben. Het project voorziet in zeven inpandige parkeerplaatsen en vierentwintig parkeerplaatsen verspreid over de oost- en zuidzijde van het terrein van Zeemotel. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het project aldus in onvoldoende inpandige parkeerplaatsen als bedoeld in het beeldkwaliteitplan voorziet. 10.3. Verder faalt de stelling van [appellant sub 2] dat in het welstandsadvies van 22 april 2010 tot uitgangspunt is genomen dat het project past in het bestemmingsplan. Blijkens voormeld welstandsadvies is de welstandscommissie er bij haar beoordeling van uit gegaan dat het project past hetzij binnen de mogelijkheden van het bestemmingsplan hetzij binnen de vrijstellingsbevoegdheden en planologische mogelijkheden. 10.4. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de welstandadviezen van 22 april 2010 en 7 september 2010 zodanige gebreken vertonen dat het college deze niet aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. 11. Verder faalt het betoog van het college dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de beroepsgronden van [appellant sub 2] dat het project een zodanige inbreuk maakt op zijn privacy en zonlichttoetreding dat het college de gevraagde vrijstelling in redelijkheid niet heeft kunnen verlenen en dat het college de uitwegvergunning in redelijkheid niet heeft kunnen verlenen. Nu het [appellant sub 2] is die deze beroepsgronden bij de rechtbank heeft

72


aangevoerd, kan het college in zijn hoger beroep niet aanvoeren dat de rechtbank deze gronden ten onrechte niet heeft beoordeeld. 12. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte aanleiding heeft gezien om het college te veroordelen in slechts een deel van door hem gemaakte proceskosten voor de deskundige M. van Rossum die werkzaam is bij Buro de Binnenstad B.V. 12.1. [appellant sub 2] heeft in beroep twee niet nader gespecificeerde facturen overgelegd van Buro de Binnenstad B.V. en een e-mail van 29 augustus 2011 waarin staat dat twee daar werkzame personen in totaal 11 uren hebben besteed aan deze zaak. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht aanleiding gezien het college te veroordelen tot vergoeding van de kosten voor die tijdsbesteding. De rechtbank heeft terecht de overige kosten niet voor vergoeding in aanmerking gebracht nu in de door [appellant sub 2] overgelegde stukken niet is toegelicht waaruit die overige kosten bestaan. Het betoog faalt derhalve. 13. Ten slotte betogen het college en Zeemotel dat de rechtbank ten onrechte met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak heeft voorzien door de besluiten van 17 november 2009 en 3 juni 2010 te herroepen en de door Zeemotel gevraagde bouwvergunningen te weigeren. 13.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 21 maart 2012 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresu ltaat/?verdict_id=yPse2adsEJo%3D">201105950/1/A1</a>) zal de rechter bij het gebruik van zijn bevoegdheid zelf in de zaak te voorzien de overtuiging moeten hebben dat de uitkomst van het geschil, in het geval het college opnieuw in de zaak zou voorzien, geen andere zal zijn. Aan dit vereiste was hier niet voldaan, nu het college de beleidsregels als neergelegd in de IRV voorafgaand aan het nemen van nieuwe besluiten op de bezwaren zodanig zou kunnen wijzigen dat deze beleidsregels niet langer aan de realisering van het project in de weg staan. Gelet hierop heeft de rechtbank van zijn bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien redelijkerwijs geen gebruik kunnen maken. Het betoog van het college en Zeemotel slaagt. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd wegens strijd met artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb. 14. De hoger beroepen het college en Zeemotel zijn gegrond. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank daarbij de besluiten van 17 november 2009 en 3 juni 2010 heeft herroepen en de door Zeemotel gevraagde bouwvergunningen heeft geweigerd. 15. Op 30 mei 2012 heeft de raad van Noordwijk besloten zo spoedig mogelijk een procedure op te starten om de tekst op pagina 32 van de IRV, zoals weergegeven in 8.2 te wijzigen. Het verzoek van het college om gelet hierop te bepalen dat de rechtsgevolgen van de besluiten op bezwaar van 14 december 2010 in stand blijven, kan niet worden ingewilligd, reeds omdat bij de beslissing van 30 mei 2012 de IRV niet is gewijzigd, maar slechts de procedure daartoe is aangevangen. 15.1. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart de door Zeemotel Zeezicht en het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk ingestelde hoger beroepen gegrond; II. verklaart het door [appellant sub 2] ingestelde hoger beroep ongegrond.

73


III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 februari 2012 in zaken nrs. 11/923 en 11/926 voor zover daarbij de besluiten van 17 november 2009 en 3 juni 2010 zijn herroepen en de door Zeemotel gevraagde bouwvergunningen zijn geweigerd. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat. w.g. Van Kreveld w.g. Van Leeuwen voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2013 543.

74


ECLI:NL:CRVB:2012:BY0911 Instantie Centrale Raad van Beroep Datum uitspraak 16-10-2012 Datum publicatie 23-10-2012 Zaaknummer 11-550 WWB Rechtsgebieden Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie Handhaving afwijzing van het verzoek om kwijtschelding. De rechtbank heeft het besluit vernietigd en de rechtsgevolgen in stand gelaten. Voor het in stand laten van de rechtsgevolgen is niet vereist dat nog slechts ĂŠĂŠn beslissing mogelijk is. In dit geval is bestreden besluit vernietigd omdat de motivering daarvan geen stand kon houden. Uit een oogpunt van proceseconomie kan het aangewezen zijn de rechtsgevolgen in stand te laten indien het bestuursorgaan vasthoudt aan zijn besluit, dat besluit alsnog voldoende motiveert en de andere partijen zich daarover in voldoende mate hebben kunnen uitlaten. De alsnog kenbaar gemaakte motivering kan de rechterlijke toets doorstaan. Wetsverwijzingen Algemene wet bestuursrecht Vindplaatsen Rechtspraak.nl NJB 2012, 2257 USZ 2012, 345 JB 2012, 286 met annotatie door A.M.M.M. Bots RSV 2013, 10 AB 2013, 56 met annotatie door mr. R. Ortlep Uitspraak 11/550 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 december 2010, 09/996 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B. ] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. F.W. Verweij, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Verweij. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. van der Voorn. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant ontving sinds 1994 bijstand, laatstelijk op grond van de Algemene bijstandswet. De bijstand werd aanvankelijk om niet vertrekt. Met

75


ingang van 12 mei 1999 is de bijstand verstrekt in de vorm van een geldlening, omdat appellant in afwachting was van een schadevergoeding in verband met een snijverwonding op 16 juli 1994. Op 7 november 2002 heeft appellant van AXA een schadevergoeding van € 179.311,25 ontvangen. 1.2. Bij besluit van 10 september 2003 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 7 november 2002 ingetrokken. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant kan beschikken over een vermogen boven de voor hem toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen. Voorts heeft het college de kosten van de over de periode van 16 juli 1994 tot en met 31 mei 2003 verleende bijstand tot een bedrag van € 91.898,53 van appellant teruggevorderd. Aan de terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 16 juli 1994 tot en met 6 november 2002 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant met betrekking tot die periode beschikt of kan beschikken over naderhand verkregen middelen. Het besluit van 10 september 2003 is in rechte onaantastbaar geworden. 1.3. Bij brief van 28 november 2006 heeft appellant het college verzocht om de nog openstaande vordering kwijt te schelden. Bij besluit van 30 november 2006 heeft het college dit verzoek afgewezen. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend. 1.4. Bij brief van 30 september 2008 heeft appellant opnieuw verzocht om kwijtschelding van de nog openstaande vordering. Bij besluit van 5 december 2008 heeft het college dit verzoek afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. 1.5. Bij beslissing op bezwaar van 27 maart 2009 (bestreden besluit) heeft het college de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding van 30 september 2008 gehandhaafd en daarbij alsnog toepassing gegeven aan 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens het college heeft appellant na de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding van 28 november 2006 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermeld. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college bij de beoordeling van het verzoek om kwijtschelding van 30 september 2008 ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6 van de Awb. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat toepassing van het door het college gevoerde beleid over kwijtschelding ertoe leidt dat het verzoek om kwijtschelding moet worden afgewezen en dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college had moeten afwijken van het gevoerde beleid. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand had mogen laten omdat het college het verzoek om kwijtschelding niet inhoudelijk heeft beoordeeld. Dit klemt te meer omdat het hier gaat om toepassing van het beleid. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank het kwijtscheldingsbeleid van het college niet juist heeft toegepast. Ten tijde van het verzoek om kwijtschelding van 30 september 2008 beschikte appellant niet meer over het vermogen om de vordering in eens te voldoen. Appellant betwist verder dat hij niet heeft aangegeven waaraan hij het vermogen heeft besteed. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Ingeval een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken. Daarbij dient zij onder meer te beoordelen of er grond is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen in stand te laten. Voor het in stand laten van de rechtsgevolgen is niet vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is. In dit geval is bestreden besluit vernietigd omdat de

76


motivering daarvan geen stand kon houden. Uit een oogpunt van proceseconomie kan het aangewezen zijn de rechtsgevolgen in stand te laten indien het bestuursorgaan vasthoudt aan zijn besluit, dat besluit alsnog voldoende motiveert en de andere partijen zich daarover in voldoende mate hebben kunnen uitlaten. Daarbij is niet vereist dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt dat in de plaats van het vernietigde besluit wordt gesteld. Beslissend is of de inhoud van het vernietigde besluit na de alsnog kenbaar gemaakte motivering de rechterlijke toets kan doorstaan. 4.2. Het college heeft ter zitting van de Raad desgevraagd verklaard dat het tijdens de zitting van de rechtbank het standpunt heeft ingenomen dat het verzoek om kwijtschelding van 30 september 2008 dient te worden afgewezen op de grond dat het door het college inzake kwijtschelding gevoerde beleid zich tegen kwijtschelding verzet. Appellant heeft ter zitting van de Raad desgevraagd verklaard dat hij tijdens de zitting van de rechtbank de gelegenheid heeft gehad op dit standpunt te reageren. Appellant heeft voorts te kennen gegeven dat hij het ter zitting van de rechtbank door het college ingenomen standpunt gemotiveerd heeft betwist. Het voorgaande betekent dat het college ter zitting van de rechtbank heeft vastgehouden aan de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding van 30 september 2008, daarvoor alsnog een motivering heeft kenbaar gemaakt en dat appellant zich daarover in voldoende mate heeft kunnen uitlaten. 4.3. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of afwijzing van het verzoek om kwijtschelding van 30 september 2008 na de alsnog kenbaar gemaakte motivering de rechterlijke toets kan doorstaan. 4.4. De artikelen 58 en 59 van de WWB, voor zover hier van belang, brengen mee dat, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, kosten van bijstand kunnen worden teruggevorderd. Het gaat daarbij om een discretionaire bevoegdheid. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 2 november 2010, LJN BO3647) moet de bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van verdere terugvordering hierin besloten worden geacht. 4.5. Ter invulling van deze bevoegdheid voert het college het beleid dat, indien op enig moment blijkt dat de debiteur beschikt of kan beschikken over een vermogen waaruit de ten onrechte genoten uitkering ineens kan worden voldaan, geen kwijtschelding plaatsvindt. Zoals ter zitting van de Raad door het college toegelicht, volgt het college voorts de vaste gedragslijn dat, indien de betrokkene op enig moment over een vermogen beschikt of kan beschikken en hij er rekening mee moet houden dat het college in de toekomst een vordering op hem zal hebben die uit dat vermogen kan worden voldaan, evenmin kwijtschelding plaatsvindt. 4.6. Niet in geschil is dat appellant in verband met de door hem op 7 november 2002 ontvangen schadevergoeding een vermogen heeft gehad, waarmee hij de uit het besluit van 10 september 2003 voortvloeiende schuld aan het college ineens had kunnen voldoen. Appellant heeft niet betwist dat hij er rekening mee moest houden dat hij de kosten van de hem over de periode vanaf 12 mei 1999 verleende bijstand moest terugbetalen, aangezien hem vanaf die datum leenbijstand is verstrekt in afwachting van de door hem te ontvangen schadevergoeding. Appellant diende er ten tijde van ontvangst van de schadevergoeding op 7 november 2002 ook rekening mee te houden dat het college van hem ook de kosten van bijstand over de periode vanaf 16 juli 1994 tot aan 12 mei 1999 zou terugvorderen. Appellant had immers op 16 juli 1994 een snijverwonding opgelopen waarvoor hij het ziekenhuis aansprakelijk heeft gesteld. In zoâ&#x20AC;&#x2122;n geval geldt als uitgangspunt dat de aanspraak op schadevergoeding wordt toegerekend aan de periode die aanvangt op de datum waarop het ongeluk heeft plaatsgevonden. Opmerking verdient in dit verband dat het college in overeenstemming met dat uitgangspunt bij het besluit van 10 september

77


2003 aan de terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 16 juli 1994 tot en met 6 november 2002 ten grondslag heeft gelegd dat appellant met betrekking tot die periode beschikt of kan beschikken over naderhand verkregen middelen. 4.7. Hetgeen in 4.5 en 4.6 is overwogen, brengt mee dat afwijzing van het verzoek om kwijtschelding van 30 september 2008 in overeenstemming is met het door het college gevoerde beleid en de door hem gevolgde vaste gedragslijn inzake kwijtschelding. Hetgeen appellant heeft aangevoerd vormt geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan van dit beleid en deze vaste gedragslijn moet worden afgeweken. 4.8. De rechtbank heeft, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.7 is overwogen, de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit terecht in stand gelaten. Het hoger beroep treft dan ook geen doel en de aangevallen uitspraak komt voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking. 5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en E.J. Govaers en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2012. (getekend) J.J.A. Kooijman De griffier is buiten staat te tekenen HD

78


ECLI:NL:RVS:2012:BX4621 Instantie Raad van State Datum uitspraak 08-08-2012 Datum publicatie 15-08-2012 Zaaknummer 201205237/1/A4 en 201205237/2/A4 Rechtsgebieden Bestuursrecht Bijzondere kenmerken Voorlopige voorziening+bodemzaak Inhoudsindicatie Bij besluit van 6 oktober 2011 heeft het college het verzoek van [verzoekers] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]) om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot het dierenpension aan de [locatie] te Ambt Delden afgewezen. Vindplaatsen Rechtspraak.nl JB 2012, 209 met annotatie door L.A. Hoegee-Kjellevold AB 2013, 140 met annotatie door mr. R. Ortlep Uitspraak 201205237/1/A4 en 201205237/2/A4. Datum uitspraak: 8 augustus 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Ambt Delden, gemeente Hof van Twente, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo van 9 mei 2012 in zaak nrs. 12/411 en 12/412 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente. 1. Procesverloop Bij besluit van 6 oktober 2011 heeft het college het verzoek van [verzoekers] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]) om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot het dierenpension aan de [locatie] te Ambt Delden afgewezen. Bij besluit van 27 maart 2012 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. Bij uitspraak van 9 mei 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 maart 2012 vernietigd, het besluit van 6 oktober 2010 herroepen, bepaald dat [appellant] vanaf 15 juni 2012 een dwangsom verbeurt van € 5.000,- per keer dat vanwege het college wordt geconstateerd dat zich in de inrichting aan de [locatie] te Ambt Delden meer dan 20 pensionhonden, 10 asielhonden of 50 fokhonden bevinden, het maximaal te verbeuren bedrag op € 15.000,- met een submaximum van € 5.000,- per week bepaald en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

79


Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2012, hoger beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2012, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 juli 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.J.G. Nijland, en het college, vertegenwoordigd door M.G.W. Jonker, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [verzoeker], bijgestaan door mr. R.A.E. Beens, als partij gehoord. 2. Overwegingen 2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen op het hoger beroep van [appellant]. Tekening 2.2. [appellant] heeft zijn beroepsgrond over de tekening van 30 oktober 2002 voor het eerst in hoger beroep naar voren gebracht. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven. Horen 2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college hem voorafgaand aan het opleggen van de last niet heeft gehoord. Dit betoog faalt, omdat het college [appellant] op 30 januari 2012 ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord, alvorens op het bezwaar te beslissen. 2.4. [appellant] betoogt verder dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college in strijd met artikel 7:9 van de Awb heeft gehandeld door hem, alvorens te beslissen op bezwaar, niet in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Daartoe voert hij aan dat hij op 17 februari 2012 en dus na de hoorzitting van de bezwaarcommissie een ontvankelijke aanvraag voor de wijziging en uitbreiding van de inrichting heeft ingediend en dit stuk bij het besluit op bezwaar is betrokken. 2.4.1. Dit betoog kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel. De aanvraag is voor de op het bezwaar te nemen beslissing niet van aanmerkelijk belang geweest. Voorts is de desbetreffende aanvraag door [appellant] ingediend, zodat hij met de daarin vermelde gegevens bekend is. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter terecht geen grond gezien voor het oordeel dat [appellant] door de handelwijze van het college in zijn belangen is geschaad. Overtreding 2.5. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de voor de inrichting verleende vergunning van 18 februari 2003 is overtreden en derhalve ten onrechte heeft geconcludeerd dat het college bevoegd was ter zake handhavend op te treden. In dat verband voert hij aan dat in de vergunning van 18 februari 2003 geen voorschriften zijn opgenomen ten aanzien van het maximum aantal te houden honden per categorie. Voorts voert hij aan dat de bij de vergunning van 18 februari 2003 behorende tekening het aantal dierplaatsen noemt en per dierplaats verscheidene honden kunnen worden gehouden. 2.5.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het in werking hebben van een inrichting.

80


2.5.2. Op de bij de vergunning behorende tekening, die op 17 december 2002 bij het college is ingekomen, is in een tabel vermeld: "Totaal aantal dierplaatsen: 50 fokhonden, 20 pensionhonden en 10 asielhonden". In vergunningvoorschrift 1.1 is bepaald dat de aanvraag en de daarbij behorende tekeningen en overige bijlagen deel uitmaken van de vergunning. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat uit hieruit volgt dat vergunning is aangevraagd en verleend voor maximaal 20 pensionhonden. Dat het aantal honden per categorie niet ook nog in de voorschriften zelf is opgenomen, doet daar gezien vergunningvoorschrift 1.1 niet aan af. Er bestaat voorts, anders dan [appellant] betoogt, geen grond voor het oordeel dat de in de tabel genoemde aantallen betrekking hebben op dierplaatsen waar verscheidene honden kunnen worden gehouden. Gelet hierop en nu het college onweersproken heeft geconstateerd dat er meer dan 20 pensionhonden werden gehouden, heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo is overtreden, zodat het college bevoegd was daartegen handhavend op te treden. Het betoog faalt. Concreet zicht op legalisatie 2.6. Gezien het voorgaande heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat het college terzake handhavend kon optreden. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. In gevallen waarin het bestuursorgaan in dat kader redelijk te achten beleid voert, bijvoorbeeld inhoudend dat het bestuursorgaan de overtreder in bepaalde gevallen eerst waarschuwt en gelegenheid biedt tot herstel voordat het een handhavingsbesluit voorbereidt, dient het zich echter in beginsel aan dit beleid te houden. Dit laat onverlet dat het bestuursorgaan slechts onder bijzondere omstandigheden van het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom mag afzien. Dergelijke omstandigheden kunnen zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat, of als het opleggen van een dergelijke last zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat in die concrete situatie van het opleggen van die last behoort te worden afgezien. 2.7. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat concreet zicht op legalisatie bestond. Daartoe voert hij aan dat hij op 17 februari 2012, en derhalve voordat het besluit op bezwaar was genomen, een ontvankelijke vergunningaanvraag heeft ingediend die betrekking had op wijziging en uitbreiding van de inrichting. 2.7.1. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de aangevraagde activiteiten in strijd zijn met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, zodat tevens een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo vereist is. Dit is niet weersproken. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de uitkomst van de besluitvorming omtrent de vergunningaanvraag onduidelijk is. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt van het college onjuist is. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat er geen concreet zicht op legalisatie was. Het betoog faalt. Begunstigingstermijn 2.8. [appellant] betoogt dat de door de voorzieningenrechter aan de last verbonden begunstigingstermijn te kort is. Daartoe voert hij aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de feitelijke en juridische omstandigheden van de inrichting.

81


2.8.1. De voorzieningenrechter heeft een begunstigingstermijn vastgesteld die loopt tot 15 juni 2012. De voorzieningenrechter heeft daarbij overwogen dat die termijn de gebruikers van het pension voldoende gelegenheid biedt om naar een alternatieve opvang voor hun hond te zoeken. In aanmerking genomen dat het college [appellant] reeds bij brief van 14 november 2011 te kennen heeft gegeven voornemens te zijn om een last onder dwangsom op te leggen in verband met het aantal gehouden pensionhonden, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat deze termijn ontoereikend is om aan de last te kunnen voldoen. Het betoog faalt. Hoogte dwangsom 2.9. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de dwangsom onredelijk hoog is. Daartoe voert hij aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte is uitgegaan van een bezetting van 93 pensionhonden en een winst per hond per dag van € 10,-, hoewel volgens [appellant] de gemiddelde bezetting in werkelijkheid lager is en de winst per hond per dag gemiddeld € 5,- bedraagt. 2.9.1. De voorzieningenrechter heeft aansluiting gezocht bij de berekening van het college. Het college heeft de hoogte van de dwangsom gebaseerd op het geschatte financiële voordeel dat de overtreding oplevert en tevens beoogd een voldoende financiële prikkel te geven om de overtreding te beëindigen. Daarbij is het college uitgegaan van een winst van € 10,- per hond per dag en van de aanwezigheid van 73 pensionhonden meer dan toegestaan gedurende zeven dagen in de week. Het college heeft ter zitting toegelicht dat bij deze berekening is uitgegaan van het aantal honden dat bij de constatering van de overtreding binnen de inrichting aanwezig was. 2.9.2. [appellant] heeft niet aan de hand van concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat de winst per hond per dag zodanig lager is dan € 10,- dat het college, mede gelet op zijn oogmerk om een voldoende prikkel te geven om de overtreding te beëindigen, dat bedrag niet als uitgangspunt had mogen hanteren. Voorts heeft de voorzieningenrechter in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college bij de vaststelling van de hoogte van de dwangsom geen aansluiting had mogen zoeken bij het aantal honden dat het bij de controle feitelijk heeft waargenomen. Gelet op voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de hoogte van de door de voorzieningenrechter vastgestelde dwangsom onredelijk hoog is. Het betoog faalt. Zelf voorzien 2.10. Voor zover [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien, faalt dit. Anders dan [appellant] betoogt is voor het zelf voorzien door de bestuursrechter niet vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de voorzieningenrechter niet tot het oordeel mocht komen dat nader onderzoek redelijkerwijs niet aan de beoordeling van de zaak zou bijdragen. 2.11. [appellant] betoogt verder dat de uitspraak van de voorzieningenrechter in strijd is met artikel 5:9 van de Awb, omdat in het dictum daarvan niet vermeld is welk wettelijk voorschrift is overtreden. 2.11.1. In de overwegingen van de aangevallen uitspraak is geconcludeerd dat [appellant] artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo heeft overtreden. Artikel 5:9 van de Awb vereist niet dat die conclusie in het dictum van de aangevallen uitspraak wordt herhaald. Het betoog faalt. 2.12. [appellant] betoogt tenslotte dat de voorzieningenrechter hem ten aanzien van het houden van fokhonden en asielhonden ten onrechte een zogenoemde preventieve last onder dwangsom heeft opgelegd. Daartoe voert hij aan dat niet klaarblijkelijk gevaar voor de overtreding dreigde. Dit betoog faalt. De opgelegde last strekt ertoe dat [appellant] het aantal honden

82


terugbrengt tot het ingevolge de vergunning maximaal toegelaten aantal en heeft derhalve betrekking op een overtreding die al heeft plaatsgevonden. Slotoverwegingen 2.13. Het hoger beroep van [appellant] is ongegrond. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd. 2.14. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. 2.15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten; II. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat. w.g. Van Kreveld w.g. Van Roessel voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2012 457-720.

83


ECLI:NL:CBB:2013:CA3716 Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven Datum uitspraak 20-06-2013 Datum publicatie 20-06-2013 Zaaknummer AWB 10/252 en 10/253 Rechtsgebieden Bestuursrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie Telecommunicatiewet - Boete Vindplaatsen Rechtspraak.nl Uitspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 10/252 en 10/253 20 juni 2013 15351 Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. A B.V., te [vestigingsplaats], 2. B B.V., te [vestigingsplaats], 3. C B.V., te [vestigingsplaats], 4. D, te [woonplaats], 5. E, te [woonplaats], 6. de Autoriteit Consument en Markt (ACM), appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 februari 2010 (LJN: BL2092, de aangevallen uitspraak) in het geding tussen 1. A, 2. B, 3. C, 4. D, 5. E en ACM Gemachtigden van A, B, C, D en E: mr. P. Burger en mr. H.W.J. Lambers. Gemachtigde van ACM: mr. R.W. Veldhuis. 1. Het procesverloop in hoger beroep A, B, C, D en E (A c.s.) hebben hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. ACM heeft eveneens hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Bij brieven van 30 september 2010 heeft ACM een reactie op de hoger beroepen van A c.s. ingediend en hebben A c.s. een reactie op het hoger beroep van ACM ingediend. Op 17 mei 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. D en de gemachtigden zijn verschenen. Namens ACM zijn tevens verschenen mr. C.A. Vesseur en E.J. Hummelen. 2. De grondslag van het geschil 2.1.1 Bij besluit van 5 november 2007 (het boetebesluit) heeft ACM wegens overtreding van artikel 4.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, (oud) van het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen (Stb. 2004, 203; Bude) de volgende boetes opgelegd: een boete van € 200.000,-- aan A, een boete van € 300.000,-- aan B en C gezamenlijk, een boete van €

84


200.000,-- aan D en een boete van â&#x201A;Ź 300.000,-- aan E. Aan dit besluit ligt een boeterapport van 15 augustus 2007 ten grondslag. 2.1.2 Volgens ACM hebben A c.s. gedurende de periode oktober 2005 tot 15 november 2006 onder de naam DollarRevenue via het internet toegang verkregen tot (software)gegevens op de computers van eindgebruikers dan wel (software)gegevens opgeslagen op de computers van eindgebruikers zonder daaraan voorafgaand deze eindgebruikers duidelijk en nauwkeurig te informeren over de doeleinden van die toegang dan wel gegevensopslag. Bovendien werd de eindgebruikers volgens ACM niet op een voldoende kenbare manier een gelegenheid geboden om de betreffende handeling te weigeren. 2.1.3 Tegen het besluit van 5 november 2007 hebben A c.s. bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 juni 2006 heeft ACM dit bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit hebben A c.s. beroep ingesteld bij de rechtbank. 2.2 De rechtbank heeft het beroep van D en C gegrond verklaard en het beroep van A, B en E ongegrond verklaard. 3. De beoordeling van de geschillen in hoger beroep 3.1 Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft. 3.2 A c.s. hebben (gelijkluidende) beroepsgronden aangevoerd met betrekking tot de norm van artikel 4.1 Bude, de vaststelling van de feiten door de rechtbank, de onderbouwing van het oordeel van de rechtbank, (het bewijs van) de overtreding, de rechtmatigheid van het verkregen bewijs, het overtrederschap en de boetehoogte. Het hoger beroep van ACM richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat D en C niet kunnen worden aangemerkt als overtreder van artikel 4.1 Bude. 3.3 De rechtbank heeft het beroep van C en D gegrond verklaard, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en het boetebesluit in zoverre herroepen. C en D willen met hun hoger beroep voorkomen dat hen in een eventuele vervolgprocedure tegengeworpen wordt dat zij niet zijn opgekomen tegen de uitspraak van de rechtbank, waarbij beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. C en D doelen hiermee op de zogenoemde Brummenleer (ABRvS 6 augustus 2003. LJN: AI0801). Uit deze leer vloeit evenwel niet voort dat een partij ook zou moeten opkomen tegen het oordeel van de rechtbank indien hij daarbij ten tijde van het hoger beroep geen (enkel) zelfstandig belang heeft (CRvB 12 februari 2010, LJN: BL3968). Voor C en D ontbrak ten tijde van het instellen van hun hoger beroep ieder belang, nu de rechtbank de voor hun geldende boete had herroepen. Dat betekent dat geen nieuw besluit meer kan worden genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank waartegen een nieuw beroep kan worden ingesteld waarbij het gezag van gewijsde van de eerdere uitspraak geldt. Voor zover het hoger beroep van ACM gegrond verklaard zou worden, brengt dat mee dat het beroep van D en C opnieuw door het College beoordeeld moet worden. Het hoger beroep van C en D is zodoende niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. In het vervolg van deze uitspraak wordt met A c.s. bedoeld appellanten A, B en E. 3.4 Artikel 4.1 Bude 3.4.1 Partijen verschillen van mening over de uitleg van artikel 4.1 Bude. Deze bepaling luidde ten tijde van belang: ? 1. Een ieder die door middel van elektronische communicatienetwerken toegang wenst te verkrijgen tot gegevens die zijn opgeslagen in de randapparatuur van een abonnee of gebruiker van openbare elektronische communicatie dan wel gegevens wenst op te slaan in de randapparatuur van

85


de abonnee of gebruiker van openbare elektronische communicatiediensten, dient voorafgaand aan de desbetreffende handeling de abonnee of gebruiker: a. op een duidelijke en nauwkeurige wijze te informeren omtrent de doeleinden waarvoor men toegang wenst te verkrijgen tot de desbetreffende gegevens dan wel waarvoor men gegevens wenst op te slaan, en b. op voldoende kenbare wijze gelegenheid te bieden de desbetreffende handeling te weigeren.? 3.4.2 Het Bude is een algemene maatregel van bestuur, die is gebaseerd op de Telecommunicatiewet (Tw). Artikel 4.1 Bude is per 5 juni 2012 komen te vervallen en vervangen door artikel 11.7a Tw. 3.4.3 Partijen hebben over de betekenis van artikel 4.1 Bude in verschillende stadia van de procedure uitgebreide debatten gevoerd. Het College overweegt hierover het volgende. 3.4.4 Het College is allereerst van oordeel dat 'een ieder' niet anders gelezen dient te worden dan 'iedereen'. Voorts moetâ&#x20AC;&#x2DC;wenst' naar het oordeel van het College worden gelezen in het licht van de gehele tekst van het eerste lid. Omdat de gebruiker de gelegenheid moet hebben om op basis van de verkregen informatie de handelingen te weigeren, moet de informatie en de mogelijkheid tot weigering worden gegeven voorafgaand aan het daadwerkelijk verkrijgen van toegang c.q. opslaan van gegevens. Voorafgaand aan de daadwerkelijke handeling bestaat bij degene die de handeling gaat verrichten nog slechts de wens om de desbetreffende handeling te verrichten. De keuze van de wetgever voor de bewoording 'wenst' volgt logischerwijs uit de omstandigheid dat hier het moment waarop de verplichting geldt en de handeling niet samenvallen. Voor het standpunt van ACM dat de norm zich mede uitstrekt tot de degene die niet zelf de handelingen verricht, maar de wil heeft dat de handelingen (door een ander) worden verricht, ziet het College in de tekst noch in de toelichting aanknopingspunten. Het College concludeert dat de norm van artikel 4.1 Bude zich richt tot iedereen die de beschreven handelingen zelf wil gaan verrichten. 3.4.5 A c.s. hebben aangevoerd dat de terminologie 'op een duidelijke en nauwkeurige wijze informeren' in strijd is met het lex certa beginsel. Zoals het College vaker heeft overwogen, kan de wetgever goede gronden hebben om zich van algemene termen te bedienen (CBb 22 februari 2012, LJN: BV6713). In dit geval acht het College de terminologie 'op duidelijke en nauwkeurige wijze informeren', gelezen in samenhang met de toelichting op artikel 4.1 Bude, voldoende duidelijk om te bepalen welke verplichting rustte op de normadressaat. 3.4.6 Partijen verschillen voorts van mening over de vraag of de in artikel 4.1 Bude bedoelde gebruiker alleen de Nederlandse gebruiker betreft of dat hier alle gebruikers wereldwijd onder zijn begrepen. Het College overweegt dat het feit dat uit de tekst en de toelichting van de bepaling geen beperking tot Nederlandse gebruikers blijkt, niet met zich brengt dat die beperking er niet is. In verband met het territorialiteitsbeginsel behoeft in Nederlandse regelgeving een dergelijke beperking niet expliciet te worden opgenomen. Voorts is in de Tw een bepaling opgenomen over het geografische bereik van de Tw (artikel 1.2 Tw). De wet voorziet niet (in deze bepaling of anderszins) in een nadere (ruimere) afbakening van het werkingsgebied van artikel 4.1 Bude (en artikel 11.7a Tw). Verder volgt uit de wetsgeschiedenis van artikel 11.7a Tw dat deze bepaling zich alleen richt op de Nederlandse gebruiker (EK 2011-2012, 32549, nr. E, p.7). Weliswaar is artikel 11.7a Tw van een latere datum dan artikel 4.1 Bude, maar uit de toelichting bij deze bepaling blijkt dat de wetgever heeft beoogd daaraan eenzelfde werking toe te kennen als aan artikel 4.1 Bude. Op grond van het vorenstaande concludeert het College dat de norm van artikel 4.1 Bude alleen de Nederlandse gebruiker betreft. 3.5 Feiten

86


De volgende feiten zijn niet in geschil. DollarRevenue is een handelsnaam van A. Onder de naam DollarRevenue is software ontwikkeld die bestond uit een downloader en een loader. De downloader maakte na installatie op de computer van een eindgebruiker automatisch verbinding met de server van DollarRevenue om de loader op te halen. De loader legde vervolgens contact met de database van DollarRevenue, gaf daarbij informatie door over het land waar de eindgebruiker zich bevond, waarna de database bepaalde welke (op dat land gerichte) adverteerderssoftware op de computer van de eindgebruiker werd geplaatst. Deze adverteerderssoftware zocht vervolgens contact met de servers van de verschillende adverteerders, waarna advertenties werden getoond op de computer van de eindgebruiker. Een deel van de adverteerderssoftware werd altijd geplaatst (always install, waaronder de software van B), een deel was afhankelijk van het land van vestiging van de eindgebruiker. De advertentiesoftware (advertentiebundel) werd vervolgens automatisch op de computer van de eindgebruiker geïnstalleerd. Bij de distributie van de software maakte DollarRevenue gebruik van het affiliatemodel. Online werd een overeenkomst met affiliates (derden) gesloten, die tegen betaling zorgden voor de installatie van de downloader op de computers van eindgebruikers. Aan de affiliates is een door D opgestelde EULA (End Users Licence Agreement) ter beschikking gesteld. Uit de eigen cijfers van DollarRevenue blijkt dat de downloader in Nederland 345.519 keer is geïnstalleerd. 3.6 Overtreding 3.6.1 Volgens ACM is de software van DollarRevenue op verschillende manieren geïnstalleerd op de computer van de eindgebruikers. ACM onderscheidt hierbij twee categorieën. De eerste categorie bestaat uit verspreiding via .exe linkbestanden. Dit betreft installaties via botnets, exploits en misleidende of onschuldig ogende bestandstypen. De tweede categorie betreft installatie via Active X. Volgens ACM is bij alle installatiemethoden artikel 4.1, eerste lid aanhef en onder a èn b, Bude overtreden. Bij de installatiemethoden in de eerste categorie is artikel 4.1 Bude overtreden, omdat het inherent is aan deze installatiemethoden dat geen informatie en weigeringsmogelijkheid wordt gegeven. Bij installatie via Active X is het bepaalde in artikel 4.1, eerste lid, aanhef en onder a, Bude overtreden, omdat de informatie in het Active X-venster en wijze waarop de gebruikers in dat venster naar de EULA werden verwezen niet voldeed aan de eisen van deze bepaling. Bovendien voldeed de inhoud van de EULA niet aan de norm 'op een duidelijke en nauwkeurige wijze informeren'. Tevens is bij installatie via Active X artikel 4.1, eerste lid, aanhef en onder b, Bude overtreden, omdat weliswaar een weigeringsmogelijkheid werd geboden, maar het niet voldoende kenbaar was welke handelingen werden geweigerd. Er werd de eindgebruikers geen expliciete mogelijkheid geboden om de voor hen onbekende en automatisch meegeïnstalleerde software te weigeren, aldus ACM. A c.s. betwisten dat sprake is van overtreding van artikel 4.1 Bude. 3.6.2 Zoals het College hiervoor heeft overwogen, is de in artikel 4.1 Bude bedoelde gebruiker alleen de Nederlandse gebruiker. ACM heeft onderzoek gedaan naar het totaal aantal installaties wereldwijd, maar heeft geen onderzoek gedaan naar de bij Nederlandse gebruikers (en abonnees) toegepaste installatiemethoden. Dit heeft tot gevolg dat ? ook als het gebruik van de verschillende installatiemethoden met het aanwezige onderzoek bewezen moet worden geacht ? niet vaststaat welke installatiemethoden bij Nederlandse gebruikers zijn toegepast. Er is dus niet bewezen dat bij Nederlandse gebruikers in het geheel geen informatie werd getoond. Naar het oordeel van het College staat wel vast dat ? zelfs als bij de Nederlandse gebruikers in alle gevallen de (link naar de) EULA werd getoond ? sprake is van overtreding van artikel 4.1, eerste lid, aanhef en onder a, Bude, omdat de EULA ernstig tekort schoot in het informeren over de doeleinden van het

87


installeren van de downloader. De software van DollarRevenue was zo ontworpen dat na het installeren van de downloader automatisch de loader en de advertentiebundels op de computer van de gebruiker werd ge誰nstalleerd. Over dit effect van het plaatsen van de downloader had de gebruiker, voorafgaand aan de plaatsing van de downloader, op duidelijke en nauwkeurige wijze moeten worden ge誰nformeerd. De zinsneden in de EULA "This agreement applies to the ?DollarRevenue? software, including the following software bij our partners." "CAREFULLY READ THE FOLLOWING LICENSE AGREEMENT AND THE PARTNER SOFTWARE APPLICATION EULAS FOUND AT THE ABOVE ONLINE SITES, BECAUSE BY DOWNLOADING OR INSTALLING, REGISTERING FOR, OR USING THE SOFTWARE AND/OR PARTNER APPLICATION SOFTWARE, YOU ARE CONSENTING TO BE BOUND BY AND ARE BECOMING A PARTY OF THESE AGREEMENTS APPLICABLE TO YOUR SOFTWARE. IF YOU DO NOT AGREE TO ALL OF THE TERMS OF THIS AGREEMENT, DO NOT INSTALL OR USE THE SOFTWARE APPLICATION SERVICES AND/OR SOFTWARE." bevatten geen duidelijke en nauwkeurige informatie over het effect van het installeren van de downloader, maar gaan alleen over het toepassingsbereik en de inhoud van de overeenkomst. 3.6.3 Ten aanzien van de weigeringsmogelijkheid als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, aanhef en onder b, Bude overweegt het College dat het tonen van een Active X-venster met de mogelijkheid om 'nee' aan te klikken op zichzelf een voldoende weigeringsmogelijkheid kan zijn. Als, zoals ACM stelt, de gebruiker in dit geval niet weet waar hij nee tegen zegt, dan is dit niet een overtreding van het bepaalde onder b, maar het gevolg van overtreding van het bepaalde onder a: er is niet op een duidelijke en nauwkeurige wijze informatie gegeven over de doeleinden waarvoor men toegang wenst te verkrijgen tot de desbetreffende gegevens dan wel waarvoor men gegevens wenst op te slaan. ACM heeft nog betoogd dat sprake is van een overtreding van artikel 4.1 Bude omdat voorafgaand aan het plaatsen van de loader en de always installbestanden geen informatie werd gegeven. Het College volgt ACM niet in dit betoog. Eigen aan het ontwerp van de software van DollarRevenue was dat deze bestanden automatisch werden geplaatst na plaatsing van de downloader. Het 'plaatsen' van de loader en van de always installbestanden zijn dus geen zelfstandige handelingen waarop de norm van artikel 4.1 Bude van toepassing is. 3.6.4 Het College concludeert dat op basis van het onderzoek van ACM alleen overtreding van het bepaalde in artikel 4.1, eerste lid, aanhef en onder a, Bude is vast komen te staan. 3.7 Overtreder(s) 3.7.1 Het College staat vervolgens voor de vraag wie als overtreder van artikel 4.1, eerste lid, aanhef en onder a, Bude moet worden aangemerkt. Niet in geschil is dat van overtreding door medeplegen geen sprake kan zijn omdat deze deelnemingsvorm ten tijde van de overtreding nog niet was opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht. Volgens ACM hebben A, B, C, D en E allen zelfstandig de norm overtreden. Tevens is volgens ACM sprake van functioneel daderschap. Volgens A, B, C, D en E zijn, voor zover sprake is van een overtreding, de affiliates de overtreders. 3.7.2 Zoals hiervoor overwogen is vast komen te staan dat artikel 4.1, eerste lid, aanhef en onder a, Bude is overtreden, omdat de Nederlandse gebruiker voorafgaand aan het plaatsen van de DollarRevenue software niet op een

88


duidelijke en nauwkeurige wijze is geïnformeerd over het effect van het plaatsen daarvan. Deze overtreding is feitelijk begaan door degene die bij elke afzonderlijke plaatsing de downloader heeft geplaatst. Niet in geschil is dat A, B, C, D of E niet zelf de downloader hebben geplaatst. Zij zijn dus niet als fysieke dader aan te merken. Het College ziet evenmin grond voor het oordeel dat A, B, C, D of E er over konden beschikken dat bij het plaatsen van de downloader duidelijke en nauwkeurige informatie werd gegeven. Degene die de downloader plaatste (de affiliate of een door de affiliate ingeschakelde derde), maakte weliswaar gebruik van de DollarRevenue software en kon gebruik maken van een door D opgestelde EULA, maar handelde – zo blijkt ook uit de overeenkomst die met de affiliates was gesloten – bij het plaatsen van de downloader zelfstandig en was daarom zelf verantwoordelijk voor het verstrekken van duidelijke en nauwkeurige informatie over de werking van de downloader. De genoemde overeenkomst biedt geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de affiliates handelden in opdracht van A, B, C, D of E of ondergeschikt waren aan (een van) hen. Uit het berichtenverkeer met een aantal affiliates (waarvan overigens niet vaststaat dat zij de downloader bij Nederlandse gebruikers hebben geplaatst) blijkt dat aan de affiliates de mogelijkheid werd gelaten om al dan niet de EULA te tonen. ACM heeft nog betoogd dat het in de machtssfeer van A, B, C, D of E lag om de overtreding te beëindigen of voorkomen, omdat zij elk moment hadden kunnen stoppen met het verspreiden van de software. Naar het oordeel van het College waren zij tot dat laatste niet gehouden. Het softwarepakket was op zichzelf niet in strijd met artikel 4.1 Bude. Evenmin is het (opstellen en) ter beschikking stellen aan een derde van een tekortschietende EULA op zichzelf in strijd met deze bepaling. 3.7.3 Het College concludeert dat A, B, C, D of E niet als overtreders kunnen worden aangemerkt. Er bestond daarom geen grond voor het opleggen van de boetes. Gelet op deze conclusie behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking. 3.8 De conclusie is dat het hoger beroep van ACM niet slaagt. Het hoger beroep van A, B en E is gegrond. Het College zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover het de ongegrondverklaring van het beroep van A, B en E betreft. Het hoger beroep van C en D is niet-ontvankelijk. 3.9 ACM dient te worden veroordeeld in de proceskosten van A, B en E in verband met beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand. Dit betreft de kosten in hoger beroep, beroep en bezwaar. Er is sprake van samenhangende zaken als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. De zaken vormen tevens samenhangende zaken met die van D en C in bezwaar en beroep. Het College zal de proceskostenveroordeling door de rechtbank herzien, omdat de wegingsfactor voor samenhangende zaken bij twee samenhangende zaken één bedraagt en bij vijf zaken anderhalf. In hoger beroep geldt een wegingsfactor van één voor drie samenhangende zaken. Dit alles leidt er toe dat de kosten worden vastgesteld op € 5.664,-- op basis van zes punten – te weten: in hoger beroep: beroepschrift (1), verschijnen ter zitting (1), in beroep: beroepschrift (1), verschijnen ter zitting (1), en in bezwaar: bezwaarschrift (1), verschijnen hoorzitting (1) - tegen een waarde van € 472,-- per punt, waarbij het gewicht van de zaak op anderhalf is bepaald. 3.10 Ingevolge artikel 24, derde lid, (oud) van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie wordt van ACM een griffierecht van € 448,-- geheven. 4. De beslissing Het College: - verklaart het hoger beroep van D en C niet-ontvankelijk; - bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank op het beroep van C en D heeft beslist;

89


- vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige (inclusief de proceskostenveroordeling en vergoeding griffierecht); - doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen: - verklaart het beroep van A, B en E tegen het besluit op bezwaar van 18 juni 2006 gegrond; - vernietigt het besluit op bezwaar van 18 juni 2006 in zoverre; - herroept het boetebesluit in zoverre; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; - veroordeelt ACM in de door appellanten in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep gezamenlijk gemaakte proceskosten en in de door A, B en E in verband met de behandeling van het hoger beroep gezamenlijk gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal â&#x201A;Ź 5.664,-- (zegge: vijfduizendzeshonderdvierenzestig euro); - gelast dat ACM aan appellante het door hen voor de behandeling van het beroep gezamenlijk betaalde griffierecht ten bedrage â&#x201A;Ź 288,-- (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt; - gelast dat ACM aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep gezamenlijk betaalde griffierecht ten bedrage van â&#x201A;Ź 448,-(zegge: vierhonderdachtenveertig euro) vergoedt. Aldus gewezen door mr. R.C. Stam, mr. M. van Duuren en mr. J.L. Verbeek, in tegenwoordigheid van mr. I.C. Hof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2013. w.g. R.C. Stam w.g. I.C. Hof

90


ECLI:NL:RBROT:2012:BY5450 Instantie Rechtbank Rotterdam Datum uitspraak 06-12-2012 Datum publicatie 07-12-2012 Zaaknummer 10/4312 Formele relaties Einduitspraak na bestuurlijke lus: ECLI:NL:RBROT:2013:5585 Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - meervoudig Inhoudsindicatie De rechtbank is van oordeel dat de zuivere Brummenleer, waarbij beroepsgronden die in een eerdere uitspraak zijn verworpen, en waartegen geen hoger beroep is ingesteld, ook in het belastingrecht moet worden toegepast. In de tweede beslissing op bezwaar heeft verweerder voldoende inzicht verschaft in de geraamde lasten ter zake van de in de legesverordening opgenomen diensten. Tevens staat vast dat de geraamde baten van het totaal van de in die verordening opgenomen diensten, die geraamde lasten niet overschrijden. Het beroep is ongegrond. Vindplaatsen Rechtspraak.nl NTFR 2013, 32 met annotatie door Neve AB 2013, 85 met annotatie door mr. R. Ortlep BB 2013, 169 met annotatie door Makkinga Uitspraak RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AWB 10/4312 uitspraak van de meervoudige kamer van 6 december 2012 in de zaak tussen de stichting [naam eiseres], te Spijkenisse, eiseres, gemachtigden: mr. P.F. van der Muur RT en mr. S. Bosma, en de heffingsambtenaar van de gemeente [naam gemeente], verweerder, gemachtigden drs. W. Wolters en mr. M.A. Smits. Procesverloop Bij uitspraak op bezwaar van 22 september 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder met inachtneming van de uitspraak van deze rechtbank van 19 maart 2010 (AWB 09/954) het bezwaar van eiseres tegen de aanslagen van 20 juni 2006 (4x) en 18 september 2006 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiseres beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2012. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. P.F. van der Muur RT, vergezeld van mr. R. Froentjes. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. M.A. Smits, vergezeld van mr. M. Wildeman. Overwegingen 1. Verweerder heeft aan eiseres opgelegd:

91


- een legesaanslag, gedagtekend 20 juni 2006, van in totaal € 57.257,50 ter zake het in behandeling nemen van een aanvraag om een reguliere bouwvergunning [nummer] (naam bouwproject); - een legesaanslag, gedagtekend 20 juni 2006, van in totaal € 137.502,50 ter zake het in be¬handeling nemen van een aanvraag om een reguliere bouwvergunning [nummer] (naam bouwproject); - een legesaanslag, gedagtekend 20 juni 2006, van in totaal € 48.122,50 ter zake het in behandeling nemen van een aanvraag om een reguliere bouwvergunning [nummer] (naam bouwproject); - een legesaanslag, gedagtekend 20 juni 2006, van in totaal € 83.507,50 ter zake het in behandeling nemen van een aanvraag om een reguliere bouwvergunning [nummer] (naam bouwproject); - een legesaanslag, gedagtekend 18 september 2006, van in totaal € 26.807,50 ter zake het in behandeling nemen van een aanvraag om een reguliere bouwvergunning [nummer] (naam bouwproject). Na daartegen door eiseres gemaakt bezwaar, zijn in de uitspraak op bezwaar van 4 maart 2009 deze aanslagen gehandhaafd. Bij uitspraak van deze rechtbank van 19 maart 2010 heeft de rechtbank het beroep daartegen gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar van 4 maart 2010 vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt. Vervolgens heeft verweerder op 22 september 2010 het bestreden besluit genomen. Verweerder heeft bij het thans bestreden besluit, in aanvulling op de eerder overgelegde stukken, opgesteld en overgelegd een stuk getiteld “Begroting behorende bij de tarieventabel 2005” (hierna: Begroting), welk stuk als bijlage bij het bestreden besluit is gevoegd. Deze begroting is opgesteld aan de hand van de primitieve begroting die ten grondslag heeft gelegen aan de Tarieventabel bij de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2005 (hierna: Legesverordening). In het bestreden besluit is een toelichting op deze Begroting opgenomen en is toegelicht hoe en waarom deze Begroting afwijkt van de primitieve begroting. Op basis van deze Begroting moet worden geconcludeerd dat over 2005 een bedrag aan legeslasten is geraamd van € 1.353.642,- en een legesopbrengst van € 1.197.249,- . Op het niveau van de gehele legesverordening overschrijden daarmee de begrote baten, de begrote lasten niet, en zijn de ramingen voldoende inzichtelijk en controleerbaar, aldus verweerder in het bestreden besluit. 2. De rechtbank oordeelt als volgt. 2.1. Eiseres heeft in de gronden van het beroep allereerst aangevoerd dat de nota’s zijn opgelegd door een daartoe onbevoegd persoon. De rechtbank verwijst op dat punt naar overweging 3.3.van de uitspraak van 19 maart 2010. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld (althans: het aanvankelijk ingestelde hoger beroep is ingetrokken). Dat leidt er toe dat de rechtbank thans heeft uit te gaan van het eerder gegeven oordeel over deze beroepsgrond. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 november 2012 (LJN: BY3708), gegeven in een zaak over inlichtingenuitwisseling op de voet van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIBB): het niet instellen van hoger beroep tegen een eerdere uitspraak heeft tot gevolg dat, indien in beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd die in de eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden moet worden uitgegaan. Voorzover eiseres ter zitting heeft gesteld dat deze zogenoemde “Brummen-jurisprudentie” in het belastingrecht niet geldt, wijst de rechtbank er op dat genoemde uitspraak van de Afdeling weliswaar niet is gegeven in een pure belastingzaak, maar dat ook in onderhavig geschil de bevoegdheid van de inspecteur geen pure

92


belastingkwestie is; dat is een algemeen bestuursrechtelijk onderdeel van het bestreden besluit, dat in principe los kan worden beoordeeld van de aanslag op zich. In het arrest van de Hoge Raad van 4 december 2009 (LJN: BG7213) ziet de rechtbank geen aanleiding daar anders over te oordelen: dat arrest is niet gegeven in een situatie als hier aan de orde (door geen van de partijen is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank), maar in het beroep in cassatie, volgend op een wĂŠl ingesteld hoger beroep (zij het niet door beide partijen). In die situatie had de uitspraak van de rechtbank derhalve geen kracht van gewijsde verkregen, maar was onderwerp van het hoger beroep. In onderhavige casus hebben beide partijen in het oordeel van de rechtbank berust. Zij (ook eiseres) hadden daartegen hoger beroep kunnen instellen, waarna hun beroep tegen de tweede beslissing op bezwaar (het thans bestreden besluit) in dat hoger beroep had kunnen worden meegenomen (op grond van de artikelen 6:18/19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht). Dat had derhalve niet tot onnodige belasting van partijen hoeven leiden. 2.2. Ten aanzien van de stelling van eiseres (zoals ingenomen in de aanvullende gronden van 12 oktober 2012) dat zij geen aansluiting heeft kunnen vinden tussen de destijds in de gemeentebegroting 2005 geraamde lasten en de bij het bestreden besluit (achteraf) opgestelde overzichten, overweegt de rechtbank dat verweerder er op heeft gewezen (zie punt 6 van de pleitaantekeningen voor de zitting) dat de koppeling tussen de gegevens in de begroting 2005 en de overzichten van geraamde baten en lasten kan worden gemaakt via de grootboeknummers zoals opgenomen in het overzicht baten en lasten. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit de verschillen tussen de primitieve begroting en de Begroting (zoals gevoegd bij het bestreden besluit) aangegeven en geduid. De aansluiting is daarmee naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate komen vast te staan. 2.3. In de gronden van het beroep heeft eiseres gesteld dat uit de bij het bestreden besluit verstrekte informatie blijkt dat een groot deel van de opgevoerde kosten niet kan worden toegerekend aan de diensten zoals opgenomen in de Legesverordening, omdat deze kosten in een te ver verwijderd verband staan tot die diensten. Bij verweerschrift is een reactie gekomen op eisers stellingen over die posten. Eiseres heeft daarop gereageerd bij brief van 12 oktober 2012. Verweerder heeft ter zitting aangegeven op die nadere reactie en gronden van eiseres, afdoende te kunnen reageren. 2.3.1. Indien een belanghebbende aan de orde stelt of de in artikel 229b van de Gemeentewet bedoelde geraamde baten de in dat artikel bedoelde geraamde 'lasten ter zake' hebben overschreden, dient de heffingsambtenaar inzicht te verschaffen in de desbetreffende ramingen. Indien de belanghebbende ten aanzien van ĂŠĂŠn of meer posten van de raming in twijfel trekt of deze post kan worden aangemerkt als een last ter zake, dient de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze post(en) te verstrekken, teneinde - naar vermogen - deze twijfel weg te nemen. Dit hiervoor bedoelde inzicht kan worden verschaft op basis van de gemeentelijke begroting, maar ook op basis van andere gegevens, waaronder gegevens die niet bekendgemaakt zijn ten tijde van de vaststelling van de verordening (volgens de uitspraak van de Hoge Raad van 16 april 2010, nr. 08/02001, LJN: BM1236). Voorzover het daarbij feitelijke informatie betreft, en eiseres stelt dat die onjuist is, waar verweerder die stelling voldoende gemotiveerd betwist, zal eiseres niet met die enkele stelling kunnen volstaan. Indien de belanghebbende niet stelt dat de in deze inlichtingen begrepen feitelijke gegevens onjuist zijn, heeft de rechter slechts de rechtsvraag te beantwoorden of, uitgaande van die feiten, de desbetreffende post kan worden aangemerkt als een last ter zake. Als de post niet als een last ter zake

93


kan worden aangemerkt, moet worden beoordeeld of daardoor de opbrengstlimiet wordt overschreden. De rechtbank geeft in het hiernavolgende ten aanzien van de tussen partijen (na genoemde stukkenwisseling en de behandeling ter zitting) nog bestaande geschilpunten over kostenposten, een oordeel over de vraag of ten aanzien van die posten in voldoende mate vaststaat dat ze als last ter zake (in de zin van artikel 229b van de Gemeentewet) van de in de Verordening opgenomen diensten kunnen worden aangemerkt. De vraag daarbij is of verweerder bij het thans bestreden besluit zodanige informatie heeft verstrekt dat de door eiseres ten aanzien van die posten opgeworpen twijfel, is weggenomen. Het betreft de volgende posten: a. kosten voor overhead; b. de posten ‘vergoedingen’ ad € 12.000,- en ‘abonnementen/contributies’ ad € 1.650,- van het hoofdstuk Burgerlijke Stand (zie punt 25 van de brief van 12 oktober 2012; c. de post van € 141.000,- zoals genoemd in punt 26 van de brief van 12 oktober 2012; d. het in de begroting opgenomen aantal uren besteed aan vergunningaanvragen. ad a: de kosten voor overhead Verweerder heeft in het verweerschrift van 20 januari 2011 uiteengezet hoe de loonkosten zoals begroot zijn opgebouwd. De niet direct aan een dienst toe te rekenen kosten (algemene overhead) worden verdeeld over alle gemeentelijke formatieplaatsen; per formatieplaats resulteert dit in een bedrag van loonkosten overhead van € 37.822,-. Dit bedrag aan overhead is, als last ter zake, toegerekend aan het aantal formatieplaatsen van de betreffende diensten dat productieve uren besteed aan de diensten genoemd in de Legesverordening. In de berekening van verweerder resulteert dat in een opslag overhead van € 25,- (voor de uurloonkosten Bouw- en Woningtoezicht) en € 29,90 (voor de uurloonkosten Burgerzaken). De totale uurloonkosten voor de mensen die werkzaamheden verrichten waarvan de kosten via (de hier aan de orde zijnde) leges kunnen worden verhaald, bedragen daarmee € 34,86 + € 25,- = € 59,86 (Bouw- en Woningtoezicht) en € 34,70 + € 29,90 = € 64,60 (Burgerzaken). Eiseres heeft deze berekening bestreden door te verwijzen naar noot 27 van de brief van 12 oktober 2012 en het standpunt gehandhaafd dat de overheadkosten zoals deze ten laste van de aan de orde zijnde diensten zijn gebracht, te hoog zijn. Voor dat laatste punt heeft eiseres verwezen naar de Handleiding overheidstarieven 2005. In de berekening in genoemde noot 27 heeft eiseres de overheadkosten per fte voor de afdeling Burgerzaken berekend op € 40.931,- aan de hand van de cijfers genoemd in bijlage 9 bij het beroepschrift van 24 november 2010. De rechtbank kan uit de bijlage 9 bij het verweerschrift afleiden dat het hanteren van het aldaar door verweerder berekende uurtarief van € 63,50 (bestaande uit een basistarief van € 34,70 en een overheadtarief van € 29,90), vermenigvuldigd met het aantal uren van 11.634, leidt tot ongeveer de begrote kosten ad € 758.869,-, zoals genoemd in de bovenste tabel op genoemde bijlage 9. Met de berekening zoals gegeven in het verweerschrift en gehandhaafd in de pleitaanteke¬ningen voor de zitting, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de door eiseres opgeworpen twijfel over de hoogte van de gehanteerde opslag overhead in voldoende mate weggenomen. Het door verweerder gehanteerde bedrag van opslag overhead in euro’s ligt ook niet zover verwijderd van dat in de door eiseres genoemde handleiding en is op zichzelf ook niet zo hoog dat die opslag niet als last ter zake van de betreffende dienst kan worden aangemerkt.

94


Op de punten waarop eiseres in twijfel heeft getrokken dat de overheadkosten zoals verweerder die hanteert als last ter zake in de zin van artikel 229 voornoemd kunnen worden aangemerkt, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzicht verschaft in de raming van de begrote lasten ter zake. Ad b: de post ‘vergoedingen’ ad € 12.000,In haar beroepschrift heeft eiseres ten aanzien van deze post aangegeven dat onduidelijk is waarop deze betrekking heeft. Verweerder heeft in het verweerschrift van 20 januari 2011 aangegeven dat deze post met name ziet op vergoedingen aan ambtenaren van de burgerlijke stand, waarbij de raming van de kosten ad €12.000,- is gebaseerd op de uitgaven voorgaande jaren. Eiseres heeft deze uitleg te algemeen en weinig specifiek bevonden om haar twijfel over deze post weg te nemen. Eiseres heeft daarbij gewezen op de door verweerder gebruikte bewoordingen: “met name”. Ter zitting heeft verweerder in punt 10 van zijn pleitaantekeningen nog eens aangegeven dat het hier gaat om de bezoldiging van bijzondere ambtenaren burgerlijke stand, die een vergoe¬ding en representatiekosten ontvangen per voltrekking van een huwelijk of geregistreerd partnerschap, welke vergoeding afhankelijk is van het soort huwelijk en van de locatie. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gegeven deze uitleg, deze post heeft kunnen aanmerken als een last ter zake de hier aan de orde zijnde diensten. Ad b: de post ‘abonnementen en contributies’ van € 1.650,Verweerder heeft in het verweerschrift ten aanzien van deze post aangegeven dat deze ziet op tijdschriften, boekwerken en CD-roms, die betrekking hebben op de burgerlijke stand, nationaliteitswetgeving en burgerlijke stand in relatie tot buitenlanders. Eiseres heeft in haar brief van 12 oktober 2012 aangegeven dat deze uitgaven niet enkel worden gebruikt voor legesplichtige dienstverlening, maar ook voor algemene vragen van burgers, zodat nadere toerekening dient plaats te vinden. Verweerder heeft in zijn pleitnota (onder punt 15) nader uiteengezet dat deze uitgaven betrekking hebben op inlichtingenverstrekking uit registers, nasporing doen in registers, afgifte van een lijkenpas, registratie van trouwen en partnerschap, reisdocumenten voor vluchtelingen of vreemdelingen, verstrekken van bewijs van Nederlanderschap, en dus wel degelijk op legesplichtige producten en diensten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarmee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten niet in een zo ver verwijderd verband staan tot de legesplichtige producten waarop de Legesverordening ziet, dat ze niet als een last ter zake zouden kunnen worden aangemerkt. Ad c: de post van € 141.000,Eiseres heeft in de gronden beroep ten aanzien van deze post (als geheel, niet uitgesplitst per onderdeel) gesteld dat onduidelijk is waarop de daarin geraamde kosten betrekking hebben. Verweerder heeft in reactie daarop in het verweerschrift per onderdeel van deze post een toelichting gegeven (zie onder punt 4.2.2.2 van het verweerschrift). Ten aanzien van de post ‘Methodevernieuwing’ ad € 7.000,-, heeft verweerder aangegeven dat het daarbij gaat om de kosten van aankoop van Eigen Verklaringen en blanco rijbewijzen van het CBR. Eiseres heeft haar twijfel gehandhaafd omdat de naam van deze post teveel afwijkt van de toelichting over de inhoud er van. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met deze enkele stelling (dat de door verweerder verschafte feitelijke gegevens onjuist zijn) niet heeft kunnen volstaan. De door verweerder gegeven toelichting is duidelijk. Naar het

95


oordeel van de rechtbank kan deze post als een last ter zake van een dienst zoals opgenomen in de Legesverordening worden aangemerkt. Over de post ‘Overige kosten’ van € 120.000,- en de post ‘Leermiddelen’ van € 500,- acht eiseres de door verweerder gegeven toelichting dermate algemeen en niet specifiek, dat geen sprake is van naar vermogen wegnemen van twijfel. In zijn pleidooi ter zitting heeft verweerder (zie punt 13 van de pleitaantekeningen) aangegeven dat de post van € 120.000,- ziet op afdracht aan het rijk voor 8200 reisdocumenten, 3000 rijbewijzen en verklaringen omtrent het gedrag. De € 500,- betreft kosten bezoek Server Engineer reisdocumenten, advertentiekosten en supplies voor hardware apparatuur voor reisdocumenten. Eiseres heeft ter zitting haar in de brief van 12 oktober 2012 ingenomen stelling gehandhaafd. De rechtbank is van oordeel dat deze stelling (dat de door verweerder verschafte gegevens te algemeen en specifiek zijn) na de ter zitting gegeven toelichting, niet tot de conclusie leidt dat deze posten niet als een last ter zake een dienst zoals geregeld in de Legesverordening kan worden aangemerkt. De door verweerder gegeven toelichting is duidelijk en voldoende specifiek. Met betrekking tot de post ‘Bijdrage overige ink. overdr’ van € 9.000,- heeft eiseres, na verweerders toelichting op die post zoals opgenomen onder 4.2.2.2 van het verweerschrift, in de brief van 12 oktober 2012 het standpunt ingenomen dat de bijdrage van verweerders gemeente voor het voeren van het vreemdelingenloket door de gemeente Spijkenisse, geen verband houdt met een legesplichtige dienst op grond van de Legesverordening, zodat deze kosten ten laste van de algemene middelen moeten komen. Ter zitting heeft verweerder (in punt 14 van de pleitaantekeningen) daarover gezegd dat het vreemdelingenloket zorgt voor inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie en de gemeente informeert over het verstrekken van een bewijs van Nederlanderschap en over reisdocumenten voor vluchtelingen en vreemdelingen. Eiseres heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat deze kosten een te verwijderd verband hebben met de dienstverlening waarop de Legesverordening ziet. De rechtbank volgt eiseres in dat standpunt niet; de activiteiten zoals door verweerder genoemd staan in rechtstreeks verband met de diensten zoals vermeld onder hoofdstuk VII, VIII onder 2, en IX onder 1a, van de Legesverordening: om de diensten die daar staan vermeld te kunnen verlenen dient de informatie waarop de dienst ziet te worden bijgehouden (zoals inschrijving GBA) en geleverd (zoals verblijfsgegevens om een reisdocument voor een vreemdeling te kunnen verstrekken). Deze last is terecht als last ter zake aangemerkt. De post ‘Abonnementen/contributies’ van € 5.000,- is door verweerder toegelicht als volgt: dit betreft abonnementen op tijdschriften, handboeken en overige boekwerken en CD-roms, die betrekking hebben op reisdocumenten, familierecht, beveiliging en contributies en bijdragen voor lidmaatschapen van de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken, alsmede gebruikmaking van pinautomaten. Ook ten aanzien van deze post heeft eiseres (net als bij de post onder b.) gesteld dat deze abonnementen en dergelijke ook voor niet legesplichtige dienstverlening worden gebruikt, zoals algemene vragen van burgers. In zijn pleidooi ter zitting heeft verweerder daarover gezegd dat het uitgaven betreft waarop de gemeente nu juist een abonnement heeft in verband met het verstrekken van reisdocumenten, verklaringen omtrent het gedrag en attestatie de vita, en dat het verband met het lidmaatschap van de vereniging duidelijk is. Ook ten aanzien van deze post is de rechtbank, net als onder ad b, van oordeel dat verweerder daarmee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten niet in een dermate ver verwijderd verband staan tot de

96


legesplichtige producten waarop de Legesverordening ziet, dat ze niet als een last ter zake zouden kunnen worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gehele post van € 141.000,als last ter zake heeft kunnen aanmerken. Ad d: het in de begroting opgenomen aantal uren besteed aan vergunningaanvragen Eiseres heeft in de gronden beroep onder punt 3.2.17 aangevoerd dat met het begrote aantal uren voor bouwvergunningaanvragen, een gemiddeld aantal uren van 28 uur per aanvraag gemoeid zou zijn, terwijl uit onderzoek blijkt dat de gemiddelde tijdsbesteding voor een reguliere bouwvergunning circa 14,36 uren is en heeft nog eens verwezen naar het onderzoek van “Yacht”, dat als bijlage 14 gevoegd is bij de gronden van beroep van 24 november 2010. Daarmee is volgens eiseres duidelijk dat een groot aantal geraamde uren, niet toerekenbaar is aan de hier aan de orde zijnde diensten. Verweerder heeft in het verweer¬schrift van 20 januari 2011 vraagtekens gezet bij het onderzoek waarop eiseres zich beroept. De rechtbank is met betrekking tot dit onderdeel van deze grond van oordeel dat geen verantwoording behoeft te worden afgelegd voor het aantal uren dat aan de verschillende diensten die in de verordening zijn opgenomen, wordt besteed. Dat in verweerders gemeente wellicht gemiddeld meer tijd aan aanvragen wordt besteed dan gemiddeld in een aantal andere gemeenten, kan dan op zichzelf dan ook niet leiden tot het oordeel dat de geraamde kosten van die meerdere uren niet als lasten ter zake in de zin van artikel 229b voornoemd, kunnen worden aangemerkt. De door eiseres in de punten 30 tot en met 34 van de nadere gronden van 12 oktober 2012 opgeworpen twijfel ziet eveneens op de aan de dienst verlenen bouwvergunningen toegerekende personeelsuren. Eiseres heeft het vermoeden dat kosten voor algemene werkzaamheden die verband houden met bouw- en woningtoezicht, maar niet met daadwerkelijke vergunningverlening, worden toegerekend aan de leges bouwvergunning. Volgens verweerder gaat het bij de post ‘algemene werkzaamheden’ (waarvoor 2.670 uren zijn geraamd) wel degelijk om werkzaamheden gerelateerd aan bouwvergunningaanvragen. Het betreft onder meer communicatie over de aanvragen, toetsing en goedkeuring van tekeningen en bouwtechnische gegevens, goedkeuring van technische installaties, de ruimtelijke onderbouwing van aanvragen inclusief eventueel ecologisch onderzoek en onderzoek luchtkwaliteit, alsmede plancoördinatie. Ter zitting heeft verweerder (zie punt 18 van de pleitnota) nader toegelicht hoe de uren zoals opgenomen in de grootboekrekening “Uren Bouwen, Ruimte en Milieu (BRM)” worden besteed aan de dienst Bouwvergunningen. Deze uren zien onder andere op de eerste controle na vergunningverlening, die ten laste mogen worden gebracht van de dienstverlening Bouwvergunning. De geraamde uren zien niet op kosten handhaving en controle door de politie, brandweer en opsporingsdiensten voor milieudelicten, en ook niet op beleidsvoorbereiding en algemene inspraakprocedures. Deze laatstgenoemde kosten drukken op de begroting voor volkshuisvesting en zijn niet geraamd als last voor de Legesverordening. Ook worden door de mensen waarvoor uren ten behoeve van de Legesverordening zijn geraamd, geen uren besteed aan de behandeling van bezwaar- en beroepsprocedures, aldus verweerder in de nadere toelichting ter zitting. In de toegerekende uren is tevens een onderverdeling gemaakt voor uren besteed aan de binnendienstprocedure, beoordeling van constructies, en de eerste controle na vergunningverlening. Eiseres heeft ter zitting daartegenover haar standpunt gehandhaafd dat dit alles niet controleerbaar is en heeft nog eens verwezen naar het voormelde onderzoek van “Yacht” en naar de samenwerkingsovereenkomst die is

97


gesloten met de provincie Zuid-Holland, in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Uit dat onderzoek en die overeenkomst zou blijken dat verweerder teveel tijd besteedt, of toerekent aan de aanvragen bouwvergunning. Voorzover eiseres met haar verwijzing naar genoemd onderzoek en genoemde overeenkomst bedoelt te stellen dat de gegevens en toelichting zoals door verweerder verstrekt feitelijk onjuist zijn, moet worden geoordeeld dat het onderzoek van “Yacht” geen betrekking had op verweerders gemeente en de aanvragen en wijze van werken aldaar. Voor de overeenkomst in het kader van de Wabo geldt dat deze ziet op de (veranderde) werkwijze in het kader van die wet en op een periode gelegen vijf jaren na de periode waarop de Legesverordening ziet. Eiseres heeft daarmee haar eventuele stelling dat de gegevens zoals door verweerder verstrekt feitelijk onjuist zijn, niet onderbouwd. Van de juistheid van deze gegevens moet derhalve worden uitgegaan. De rechtbank is ten aanzien van de gegeven toelichting van oordeel dat verweerder daarmee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het bij de aan de bouwvergunning toegerekende kosten personeel (de 5.494 uren, zoals gespecificeerd op de grootboekrekening “Uren 2005 Bouwen Ruimte Milieu”, en als loonbedrag ad € 356.248,- terug te vinden op de bijlage bij het bestreden besluit) gaat om werkzaamheden gerelateerd aan bouwvergunningaanvragen. 2.3.2. Conclusie: nu van alle posten waarover eiseres twijfel heeft geuit, is komen vast te staan dat zij als last ter zake van de in de Legesverordening opgenomen diensten kunnen worden aangemerkt en tevens vaststaat dat de geraamde baten van het totaal van de in de Legesverordening opgenomen diensten, de geraamde lasten ter zake niet overschrijden, moet worden geconcludeerd dat ook deze beroepsgrond niet slaagt. 2.4. De gronden van beroep leiden niet tot vernietiging van het bestreden besluit. In zoverre is het beroep ongegrond. 3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 4. Eiseres heeft tevens verzocht om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Partijen hebben er ter zitting mee ingestemd dat op dat punt door de rechtbank bij nadere uitspraak zal worden beslist. De rechtbank zal het onderzoek heropenen ter voorbereiding van een nadere uitspraak over dit verzoek om schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tevens zal de rechtbank, in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase, de Staat aanmerken als partij in die procedure. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - bepaalt dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van eiseres om schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, voorzitter, en mr. M.C. Franken en mr. dr. A.W. Schep, leden, in aanwezigheid van C.J.H. Lamens-van den Bulk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 december 2012.griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op:Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer).

98


ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4734 Instantie Centrale Raad van Beroep Datum uitspraak 11-03-2013 Datum publicatie 19-03-2013 Zaaknummer 13-548 WW-VV Rechtsgebieden Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken Voorlopige voorziening Inhoudsindicatie Niet-ontvankelijkverklaring verzoek om een voorlopige voorziening. Gegeven het feit dat het Uwv het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft ingetrokken, is niet langer voldaan aan de voorwaarde dat met betrekking tot de uitspraak ten aanzien waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd hoger beroep is ingesteld. Vindplaatsen Rechtspraak.nl Uitspraak 13/548 WW-VV Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening Partijen: [A. te B.] (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 11 maart 2013. PROCESVERLOOP Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank â&#x20AC;&#x2122;sGravenhage van 19 december 2012, 12/4810 (aangevallen uitspraak). Verzoeker heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het Uwv heeft met een brief van 19 februari 2013 het hoger beroep ingetrokken en op 21 februari 2013 een nieuw besluit genomen. OVERWEGINGEN 1. Op grond van het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2. Gegeven het feit dat het Uwv het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft ingetrokken, is niet langer voldaan aan de voorwaarde dat met betrekking tot de uitspraak ten aanzien waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd hoger beroep is ingesteld. Hoewel voor de bevoegdheid van de voorzieningenrechter van de Raad tot het treffen van een voorlopige voorziening voldoende is dat er op enig moment hoger beroep is ingesteld, dient deze voorwaarde aldus te worden verstaan dat er een hoger beroep aanhangig moet zijn, wil er een voorlopige voorziening kunnen worden getroffen.

99


3. Het vorenstaande leidt ertoe dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet-ontvankelijk is. 4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2013. (getekend) M. Greebe (getekend) K.E. Haan JL

100

AvdR Webinars  

Bestuursprocesrecht: Hoger beroep en voorlopige voorziening

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you