__MAIN_TEXT__
feature-image

Page 1

2015 #35

PRAKTIJK

WETENSCHAP

OPINIE

VERENIGING

Diversiteit begint bij jezelf

ABCD-Studie over gezondheidsverschillen

Opgroeien in het buitenland

Nieuw AJN-bestuurslid: Pim Jansen

Diversiteit


Diversiteit De JA! die voor u ligt benadert het thema diversiteit vanuit verschillende invalshoeken. Van wetenschappelijk onderzoek en informatie over actuele thema’s tot persoonlijke ervaringen van collega’s. Ook de komende AJN-dag is gewijd aan verschillen. Ik wens u toe dat u straks ook zegt, zoals de naam van een tentoonstelling van het Verzetsmuseum luidde: ‘Vreemd is anders heel gewoon’ en meer nog dan voorheen diversiteit als een verrijking van ons werk blijft ervaren. —

Els Jonker Hoofdredacteur JA!

Colofon

Inhoud

JA! Jeugdarts Actueel!, magazine van de AJN (Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland). Frequentie: 3x p.jaar ISSN: 1873-8346 EDITIE: 2015 #35

WETENSCHAP

FORMULE: De JA! is het magazine van Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN), de specialisten voor een gezonde jeugd. De JA! is van en voor de jeugdartsen in Nederland en publiceert over ontwikkelingen in het vak, de beroepspraktijk en de vereniging. De JA! informeert, opinieert en biedt jeugdartsen een forum om ervaringen met elkaar te delen. Daarmee draagt de JA! bij aan de onderlinge communicatie en de ambitie van de AJN. KERNREDACTIE: Wike Lijs (voorzitter), Rianne Paalman (secretaris), Els Jonker (hoofdredacteur) REDACTIERAAD: Sigrid Hendriks, Trudy de Jong, Jorien Kuijk, Rianne Paalman, Ulco Schuurmans, Elle Struijf. CARTOONIST: Rosanne van der Lugt ONDERSTEUNING: LuteijsCommunicatie SECRETARIAAT JA!: ja@artsenjgz.nl ART DIRECTION/SALES: E Media Connecting Business, Maria van der Veen E: m.vanderveen@elma.nl Postbus 18, 1720 AA Broek op Langedijk T: 0226 331 600, I: www.elma.nl Advertenties, advertorials en pagina’s ‘Marktvisie’ vallen buiten de verantwoordelijkheid van de redactie. COVERFOTO: Pixaly.com ABONNEMENT: Alle AJN-leden ontvangen de JA! Niet-leden kunnen losse nummers bestellen of zich abonneren. Meer informatie bij het secretariaat van de AJN. SECRETARIAAT/CONTACT AJN: Churchilllaan 11, 3527 GV Utrecht, T: 0854 894 980, F: 0854 898 988 E: secretariaat@artsengjz.nl I: www.artsengjz.nl ALV – 13 november 2015, 18 maart, 17 juni en 18 november 2016. De JA!36 heeft als thema ‘Kennen, kunnen en doen’. Deadline: 23 december. De JA!37 heeft als thema ‘Wat schrijft de jeugdarts?’ Deadline: 23 maart 2016. De JA!38 heeft als thema ‘Juridische aspecten’ Deadline: 15 juli 2016.

Diversiteit samenleving vraagt om bijzondere competenties van jeugdartsen De ABCD-studie: onderzoek naar diversiteit en gezondheidsverschillen Onderzoek door jeugdartsen: Meer mogelijk dan je denkt

4

32 37

PRAKTIJK Parent2Parent: ouders steunen elkaar Kindermishandeling kent geen kleur Kruisende carrières tussen jeugdgezondheidszorg en kinder- en jeugdpsychiatrie – een tweeluik Laaggeletterdheid en de JGZ een uitdaging Rol JGZ in seksuele ontwikkeling jongeren met migrantenachtergrond Dr. Twitter over de digitale toekomst en diversiteit Diversiteit begint bij jezelf

9 12 16 18 20 23 38

OPINIE Als je opgroeit in het buitenland Culturele diversiteit: Assimilatie à la Lalonde Anja: Voor(oor)delen Kinderrechten - Kinderparticipatie

29 31 44 41

PLATFORM Twee boeken: genderblik en oog voor de jeugd

42

VERENIGING Waar werkt de jeugdarts? Diversiteit alom! Pim Jansen, nieuw AJN-bestuurslid

43 46

INHOUD

‘De grootste uitdaging van diversiteit is verschil te herkennen’. Deze uitspraak, die ik onlangs tegenkwam, geldt zeker ook voor de jeugdarts. Het begint ermee dat we beseffen dat het niet alleen gaat over man-vrouw, over ‘van hier’-‘van daar’ of over wit-zwart, maar evenzo om verschillen die bijna onzichtbaar zijn, zoals hoog- en laageletterdheid. Het is aan ons om met het Landelijk Professioneel Kader ons Basispakket JGZ te flexibiliseren en aan te sluiten bij onze doelgroepen. En om ons keer op keer af te vragen of we zichtbare en onzichtbare verschillen wel herkennen, of we de ander voldoende kennen om ons werk goed te kunnen doen. Hoe divers zijn we als beroepsgroep, wat leren we van en aan elkaar en welke aspecten van diversiteit ontbreken?

3


WETENSCHAP

Diversiteit samenleving vraagt om bijzondere competenties van jeugdartsen

4

Nederland is divers. Niet alleen geldt dit voor de grote steden, waar inmiddels meer dan een derde van de bevolking een nietNederlandse achtergrond heeft. Maar ook voor Groningen of Limburg of welke provincie dan ook. Want bij diversiteit gaat het feitelijk om meer dan verschillen in etniciteit of cultuur. Denk aan verschillen in sociaaleconomische status, geletterdheid, waarden, normen, levensovertuigingen, vaardigheden en levenservaring. De jeugdarts moet in haar contacten met deze verschillen om kunnen gaan. Geen geringe opdracht, temeer omdat de maatschappij steeds meer van haar verwacht. Van alle jeugdprofessionals, dus ook van jeugdartsen, wordt namelijk gevraagd mee te werken aan de realisatie van de doelen van de Transformatie Jeugd. Het stimuleren van de eigen kracht van ouders, ontzorgen en normaliseren zijn hier sleutelbegrippen. Deze vormen ook de kern van het nieuwe basispakket Jeugdgezondheidszorg. De jeugdarts heeft een nieuw paradigma nodig om vanuit deze drie kernbegrippen goede zorg te bieden aan elke ouder en elk kind, rekening houdend met de etnische achtergrond en andere aspecten van diversiteit. In dit artikel treft u de resultaten aan van een wetenschappelijk onderzoek naar culturele competentie bij jeugdartsen én een voorstel voor een nieuw conceptueel kader voor de JGZ.

Door: Jessie Hermans en Conny Seeleman

HOE GAAT DE JEUGDARTS OM MET ETNISCHE DIVERSITEIT? U zit in uw spreekkamer tegenover een moeder met een Turkse achtergrond. Haar zoon van vijf jaar heeft fors overgewicht. U heeft in een eerder gesprek uitgelegd wat de gevolgen kunnen zijn van het overgewicht voor de gezondheid van haar zoon. U heeft moeder en zoon toen ook verwezen naar een beweegprogramma. U hoort nu van moeder dat zij één keer geweest is en daarna is gestopt. Wat doet u? Legt u nogmaals uit hoe ernstig de situatie is? Vraagt u aan moeder wat haar ideeën zijn of wat zij zelf zou willen doen? Of kiest u voor een meer direc-

Jessie Hermans en Conny Seeleman vragenlijst meet de culturele competenties van zorgverleners: de kennis, attituden en vaardigheden die nodig zijn om goede/effectieve zorg te verlenen aan patiënten van etnisch diverse herkomst. Daarnaast wilden we weten hoe de resultaten van de vragenlijst gebruikt kunnen worden in medische (vervolg-) opleidingen. De resultaten van het onderzoek wijzen erop dat jeugdartsen laag tot gemiddeld scoren in cultureel competente consultvoering. Dit betreft vooral het vragen naar opvattingen en behoeften van ouders bij een bepaald gezondheidsvraagstuk en het omgaan met ouders met lage gezondheidsvaardigheden. In situaties met een taalbarrière blijkt de inzet van professionele tolken niet gebruikelijk. Een groot deel van de jeugdartsen heeft bovendien weinig informatie over het sociale netwerk van de gezinnen of is niet bekend met de dagbesteding van de ouders. Ook kennis over (leefstijl gerelateerde) gezondheidsrisico’s die voor kunnen komen bij bepaalde etnische groepen scoort matig. Dit geldt eveneens voor kennis over gewoonten en gebruiken die consequenties kunnen hebben voor de gezondheid of voor zorggebruik. Het vermogen om te reflecteren op het eigen functioneren in de praktijk is bij jeugdartsen goed ontwikkeld. Een overgrote meerderheid van de jeugdart-

‘Jeugdartsen ervaren grote leerbehoeften bij alle aspecten van cultureel competente zorg.’ tieve houding? Deze vragen maakten deel uit van een onderzoek dat door het AMC/Universiteit van Amsterdam is uitgevoerd in samenwerking met de NSPOH. We wilden in dit onderzoek een zelfevaluatievragenlijst uittesten waarmee het mogelijk zou zijn inzicht te verkrijgen in de kwaliteit van de zorg die artsen verlenen aan cliënten met een niet-Nederlandse achtergrond. Deze


tise. In de wetenschappelijke literatuur komt dit concept van partnerschap onder verschillende benamingen voor, zoals ‘family-centered care’, ‘parentfamily partnership’ en ‘shared decision making’, of ‘gezamenlijke besluitvorming en zelfmanagement’. Uit wetenschappelijk onderzoek, onder andere in de jeugdzorg, blijkt er sterke bewijskracht te bestaan voor de effectiviteit van deze aanpak.

EEN NIEUW KADER VOOR DE JGZ: OUDERS ALS PARTNERS IN DE JGZ

Door een grondhouding van partnerschap aan te nemen faciliteert de professional dat ouders hun zorgen en behoeften leren herkennen, erkennen en bespreken, op de ontwikkeling van hun kinderen leren in te spelen, steun in hun eigen omgeving aan te boren en met meer vertrouwen hun problemen leren op te lossen. Deze benadering maakt het mogelijk dat er ruimte ontstaat voor

De NSPOH is inmiddels begonnen in haar opleiding jeugdartsen te leren om meer vanuit het perspectief van ouders gesprekken te voeren. Maar daarmee zijn we er nog niet. Het gaat er om dat jeugdartsen cultureel competent worden in een werkwijze die recht doet aan de Transformatie Jeugd én aan het

‘Partnerschap met ouders vergemakkelijkt het bespreken van zorgen over het kind.’ basispakket JGZ in een context die zeer divers kan zijn. Dat betekent dat zij de eigen kracht van ouders moeten kunnen stimuleren. Dat ouders zelf regie gaan voeren over de aanpak van de gezondheid van hun kinderen. Ook geldt dit ten aanzien van ouders waarvan de jeugdarts meent dat dit niet goed mogelijk is of extra lastig, zoals bij migrantenouders of ouders met lage gezondheidsvaardigheden. Jeugdprofessionals moeten in ieder geval in staat zijn bij hun handelen de ouder en het kind centraal te stellen. Voor jeugdartsen een punt van aandacht, zo bleek uit de uitkomsten van ons onderzoek. De JGZ ontbeert een conceptueel kader om op een goede manier invulling te geven aan de kernbegrippen van de transformatie. De huidige risicogerichte werkwijze voldoet niet en lijkt er zelfs haaks op te staan. Immers, ruimte geven aan ouders betekent minder tijd voor het afvinken van risicofactoren. Wij stellen voor om hier het concept ‘Ouders als Partners in de JGZ´ voor te gaan gebruiken. Kern van een dergelijk partnerschap is het besef dat ouders pas echt hulp accepteren als deze aansluit bij hun behoeften, als er gezamenlijke agendasetting is, samen doelen worden gesteld en er sprake is van gelijkwaardigheid en respect voor ieders inbreng en exper-

ouders en professionals om zorgen over een kind te agenderen voordat ze tot een diagnose of stagnerende ontwikkeling leiden. Het helpt ouders om vervolgens gericht hulp te zoeken als dat nodig is. Zo ontstaat ruimte en acceptatie voor het ontzorgen, normaliseren en voor empowerment van ouders. De JGZ creëert hiermee ook een betere uitgangssituatie voor een eventueel steun- of zorgtraject. Er zijn gespreksmodellen voor ‘partnerschap’ en ‘shared decision making’ beschikbaar, afkomstig uit de preventieve jeugdzorg en curatieve medische zorg. Daarnaast is in kaart gebracht welke competenties nodig zijn om partnerschap te kunnen uitvoeren, ook in een diverse samenleving, en is er kennis over effectieve leerstrategieën om deze competenties aan te leren, er in de praktijk mee te oefenen en op te reflecteren. Wat nog ontbreekt is de vertaalslag van deze kennis uit wetenschappelijk onderzoek naar de JGZ, want het is evident dat de JGZ verschilt van de curatieve medische zorg. Dat vergt een veelomvattende, interdisciplinaire aanpak waar we vooral ook jeugdartsen zelf (en andere JGZprofessionals) voor nodig hebben. Concreet denken wij aan de ontwikkeling van een handvat voor de JGZ-professional: een gespreksmodel bestaande uit stappen die elke jeugdarts kan zetten om zich een grondhouding van partnerschap

eigen te maken en dit partnerschap in elk contact met ouders in de praktijk kan brengen.

INVOERING PARTNERSCHAP KAN NIET ZONDER AANDACHT VOOR DIVERSITEIT Als belangrijke uitvoerder in de publieke gezondheidszorg met tienduizenden contacten per jaar, is de JGZ bij uitstek de organisatie die kan bijdragen aan empowerment van ouders met diverse (etnische) achtergronden. Zij kan dit bereiken door te werken vanuit een houding van partnerschap. De JGZ sluit hiermee ook precies aan bij de positieve definitie van gezondheid en de trend in de gezondheidszorg om cliënten voor zichzelf te laten zorgen. De invoering van partnerschap in de JGZ gaat niet vanzelf. Deze vergt nieuwe competenties van jeugdartsen (en andere JGZ-professionals). Hij vraagt ook extra aandacht voor (etnische) diversiteit. Het is zaak oog te hebben voor de barrières die artsen kunnen ervaren om vanuit partnerschap in gesprek te gaan met cliënten. Zo wordt vaak gedacht dat deze benaderingswijze niet past bij cliënten met lage gezondheidsvaardigheden of bij cliënten van etnisch diverse afkomst. Hier blijkt het echter essentieel dat artsen leren inschatten hoe vaardig cliënten zijn om een gesprek met een arts op basis van partnerschap te kunnen of willen voeren. Ook bij de ouders kunnen er drempels zijn, zoals een gebrek aan kennis of aan zelfvertrouwen. Als jeugdartsen bedreven worden in het ondersteunen van ouders om een gesprek vanuit partnerschap aan te gaan, kunnen zij juist ook ouders die extra gebaat zijn bij empowerment, zoals migrantenouders, steunen om (uiteindelijk) zelf de regie te nemen. De tijd is rijp voor Jeugdgezondheidszorg vanuit partnerschap.

Voor literatuur en/of achtergrondinformatie zie JA!-Plus35 op www.artsenjgz.nl

OVER DE AUTEUR: Dr. Jessie Hermans is arts M&G en instituutsopleider van de medische vervolgopleiding Maatschappij & Gezondheid bij de NSPOH. Postbus 20022, 3502 LA Utrecht Tel: (030) 810 05 00 Met ingang van 1 september 2015 werkt zij bij de afdeling Sociale Geneeskunde van het UMC Groningen. e-mail: a.j.m.hermans@umcg.nl Dr. Conny Seeleman is onderzoeker en docent bij de afdeling Sociale Geneeskunde van het AMC. Postbus 22660, 1100 DD Amsterdam tel: (020) 566 46 72 e-mail: m.c.seeleman@amc.uva.nl

WETENSCHAP

sen geeft aan dat zij grote leerbehoeften ervaren op alle aspecten van cultureel competente zorg maar vooral bij het inschatten van zorgbehoeften van ouders met een etnisch diverse achtergrond. Deze bevindingen geven aan dat cultureel competente zorg in de opleiding van jeugdartsen extra aandacht mag hebben. Uit onderzoek blijkt dat dit ook voor andere medische (vervolg)opleidingen geldt.

5


Weer vertrouwen in de toekomst door Parnassia Groep

Wat kan Parnassia Groep doen voor kinderen en jongeren? ‘Ik ben blij, het gaat goed op het MBO en ik heb weer contact met mijn beste vriendin van vroeger’, vertelt Reshma (17). Zij was bij één van de zorgmerken van Parnassia Groep in behandeling voor een angststoornis/trauma door ernstig pestgedrag. ‘Therapie heeft me enorm geholpen. Ik had een goede klik met mijn hulpverlener, ik vertrouwde haar. En wat fijn was: ik kon altijd terecht voor een gesprek. We hebben veel gepraat, maar ze gaf me ook opdrachten. Het begon heel klein: met mijn moeder naar de supermarkt. Ook moest ik kaartjes schrijven met de doelen die ik wilde bereiken.’

WEER VERTROUWEN IN DE TOEKOMST Kinderen en jongeren tot 24 jaar met psychische, psychiatrische en verslavingsproblemen kunnen bij ons terecht; mét hun ouders. Naast dat we hen behandelen, laten we hen ontdekken waar ze goed in zijn, versterken we hun positieve kanten en herstellen het contact met hun omgeving. Zo krijgen ze weer vertrouwen in zichzelf en in de toekomst. Ouders ondersteunen we en betrekken we bij de behandeling zodat zij hun kind beter begrijpen en weten hoe ze moeten handelen. De moeder van Rosa (15) praatte thuis voor haar gevoel tegen een muur. ‘Ik kon haar gewoon niet bereiken. Toch staat alles in het teken van je dochter. Je doet je andere kinderen tekort, je relatie, maar ook jezelf. Door de cursus ‘Hellup mijn kind kan niet zonder’ leerde ik grenzen stellen en kreeg ik langzaam weer de regie terug in het gezin. Rosa werd ook heel fijn opgevangen en heeft weer vertrouwen in de toekomst.’

ONDERSTEUNING VAN ARTSEN EN WIJKTEAMS Huis- en jeugdartsen, jeugdhulpverleners en leerkrachten ondersteunen we door middel van deskundigheidsbevordering. Als we samen met hen problemen vroeg signaleren kunnen we tijdig en kort behandelen. Onze jeugdhulpverleners zijn bovendien actief in tientallen wijkteams door het hele land. Doordat al deze hulpverleners zowel in een wijkteam als in specialistisch team werken, zijn zij volledig toegerust om kinderen te behandelen volgens de laatste inzichten. Parnassia Groep is de landelijke specialist in geestelijke gezondheidszorg. Door onze verschillende expertises op het gebied van volwassen(en)- en jeugdzorg zijn wij in staat om het hele gezin te helpen. Als een jongere 24 wordt, is er dus sprake van een natuurlijke overgang naar onze volwassenenzorg.

MARKTVISIE

VERSCHILLENDE ONDERDELEN BINNEN DE PARNASSIA GROEP BIEDEN HULP:

6

Lucertis - Curatieve en sociale psychiatrie voor kinderen en hun ouders. Specialist in autisme, aandacht- , gedrags-, angst- en ontwikkelingsstoornissen, depressies, eetproblemen en psycho-


KINDEREN EN JONGEREN KRIJGEN DEZE HULP BIJ ONS: > > > > >

Praktijk Ondersteuner Huisartsenpraktijk (POH GGZ) Wijkteams (consultatie en behandeling) Ambulante behandeling Dagbehandeling Klinische behandeling (complexe psychiatrische problematiek i.c.m. ernstige gedragsproblemen) > E-health (online hulp) > FACT jeugdbehandeling, outreachende behandeling

ses. Behandeling en diagnostiek voor dyslexie, dyscalculie en andere leerproblemen (voorheen IWAL). i-psy - Interculturele psychiatrie voor kinderen met een migratie of vluchtelingenverleden of met ouders die kampen met acculturalisatieproblemen. Brijder Jeugd - Verslavingszorg en psychiatrie voor jongeren. Indigo - Kortdurende generalistische zorg (preventie en Basis GGZ) voor lichte tot matige psychische klachten. Direct en dichtbij, in gezondheidscentrum of huisartsenpraktijk in de wijk. Netwerk van vrijgevestigden - Ambulante curatieve kinder- en jeugdpsychiatrie. Persoonlijk, kleinschalig en dichtbij de cliënt. Snel en dichtbij

ONZE AANPAK Ieder kind en ieder gezin is uniek. Alle kinderen en jongeren die bij ons komen, krijgen daarom een behandeling op maat. Onze behandelaren zijn gespecialiseerd in psychische en psychiatrische stoornissen bij baby’s, peuters, pubers en jongvolwassenen en hun ouders. In de intakeen diagnostiekfase verkennen we de hulpvraag van het gezin of de jongere en stellen we een zorgvuldige diagnose. Samen met het kind, het gezin en indien gewenst met andere betrokkenen maken we een behandelplan. We behandelen volgens de laatste wetenschappelijke inzichten, de best practice en de voorkeur van de patiënt. Dit doen we in samenspraak met de patiënt en zijn/haar naasten. We maken in de behandeling gebruik van verschillende therapieën zoals (cognitieve) gedragstherapie, vormen van individuele therapie, groepstherapie, ouderbegeleiding, gezinstherapie, medicamenteuze behandeling en psycho-educatie. De moeder van Gijs, 2 jaar , autisme: ‘We gingen één keer per week met plezier naar de dagbehandeling toe. Van een gesloten mannetje zag ik na verloop van tijd een open jongetje dat steeds meer geïnteresseerd raakte in de wereld om hem heen. Daarnaast heb ik hele goede informatie gekregen en ben ik goed begeleid hoe ik dingen anders kan aanpakken. Ik kon met mijn vragen en problemen bij de medewerkers terecht en er was altijd een luisterend oor en advies.’

VRAGEN? Bel ons op 088 – 357 13 57.

ONZE SPECIALISMEN ADHD Angst en stemming Autisme Bemoeizorg Eetstoornis Gedragsstoornis Leerstoornis Licht verstandelijke beperking in combinatie met psychiatrische problematiek Ontwikkelingsproblematiek bij kinderen van 0-6 jaar Orthopsychiatrie Persoonlijkheidsstoornis Trauma Verslaving (dubbele diagnose) (Vroege) psychose Dyslexie, dyscalculie en andere leerproblemen Interculturele psychiatrie Forensische psychiatrie MARKTVISIE

> > > > > > > > > > > > > > > > >

7


februari 2015

Specialist in geestelijke gezondheidszorg Parnassia Groep is de landelijke specialist in geestelijke gezondheidszorg. Door onze verschillende expertises op het gebied van geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen en kinder- en jeugdpsychiatrie, zijn wij in staat om het hele gezin te helpen.

Kinderen krijgen hulp van ons via de volgende manieren:

Onze specialismen

> POH-GGZ

> Autisme

> Wijkteams (consultatie en

> Bemoeizorg

> ADHD > Angst en stemmingsstoornissen

> Eetstoornissen

behandeling) > Ambulante behandeling

> Gedragsstoornissen

> Dagbehandeling

> Leerstoornissen

> Klinische behandeling (complexe

> Licht verstandelijke beperking i.c.m.

psychiatrische problematiek i.c.m. ernstige gedragsproblemen)

psychische problematiek > Ontwikkelingsproblematiek bij 0-6 jarigen

> E-health

> Orthopsychiatrie

> FACT jeugdbehandeling,

> Persoonlijkheidsstoornissen

outreachende hulp

> Trauma > Verslaving (dubbele diagnose) > (Vroege) psychose

Bel 088 - 357 10 57 voor aanmelden of consultatie 8

> Dyslexie, dyscalculie > Interculturele psychiatrie > Forensische psychiatrie

Meer info of verwijzen? parnassiagroep.nl/aanmelden/verwijzerspunt


Voor ouders van een zorgintensief kind Heeft je kind een lichamelijke, verstandelijke en/of gedragsmatige beperking of een chronische ziekte en wil je in contact komen met een ervaren ouder? Heb je een vraag? Meld je dan aan via www.parent2parent.nl

www.parent2parent.nl

Parent2Parent: ouders steunen elkaar Door: Corine van Rijswijk

Als een kind extra zorg nodig heeft door een lichamelijke, verstandelijke en/of gedragsmatige beperking of een chronische ziekte, vraagt dat veel van ouders. Hoe gaan ouders ermee om dat hun kind anders is? Welke zorg en begeleiding heeft hun kind nodig en hoe regel je dat? Kies je voor zorg in natura of een persoonsgebonden budget? Heel veel vragen waar ouders een antwoord op willen vinden. Andere ouders zijn hen hierin al voorgegaan. De getrainde en ervaringsdeskundige supportouders van Partent2Parent zijn zelf ouders van een zorgintensief kind. Zij begrijpen de vraag van de ouders, weten wat ouders meemaken en helpen hen graag verder op weg.

LANDELIJK NETWERK Gebaseerd op een beproefd Amerikaans concept (http://goo.gl/WI6pHT) is de Stichting Parent2Parent opgericht. Stichting Parent2Parent Nederland werkt aan een landelijk netwerk waarbij ouders met vragen gekoppeld worden aan opgeleide ervaringsdeskundige supportouders. Parent2Parent biedt ouders en verzorgers de mogelijkheid om eenop-eencontact te hebben met een ouder met een vergelijkbaar zorgintensief kind, of in een vergelijkbare situatie als het verbouwen van het huis.

ERVARINGSDESKUNDIGHEID VAN ONSCHATBARE WAARDE Johannes Verheijden is coördinator Parent2Parent: ‘Door ouders met elkaar in contact te brengen helpen we zorgintensieve kinderen door hun ouders te ondersteunen. Dit doen we door het geven van informatie en het bieden van emotionele of praktische ondersteuning. Als ouder van een zorgintensief kind wil je of kun je het over allerlei onderwerpen niet met je naaste familie

van mensen in de straat. ‘Ze begrijpen me niet’, is een veelgehoorde opmerking. Of: ‘Ze kunnen het zich niet voorstellen hoe het is om een zorgintensief kind te hebben.’ Jouw ouderschap is ‘anders’ dan ‘gewoon’. De supportouders van Parent2Parent begrijpen je daarin; zij nemen je in een paar contacten een stukje mee en ondersteunen je, zodat je daarna weer zelfstandig verder kunt. Het delen van die ervaringsdeskundigheid is van onschat-

‘Parent2Parent: voor alle onderwerpen die je niet kunt of wilt bespreken met naaste familie of vrienden.’ of vrienden hebben. Denk daarbij aan rouw en verwerking bij transities (of juist het ontbreken daarvan) in het leven van een kind, de impact op je relatie, de (onterechte) schuldgevoelens, maar ook aan de frustraties van het altijd alles moeten regelen; de energie die het kost om voortdurend instanties te moeten (na)bellen; de drempels die genomen moeten worden om op vakantie te kunnen gaan, de keuzes voor operaties en behandelingen; de zorgen voor de toekomst; het verliezen van vrienden, of de omgang met de opmerkingen en blikken

bare waarde. Dat je soms aan een paar woorden genoeg hebt om uit te leggen waar je mee zit, dat is een verademing!

STEUN VAN EEN SUPPORTOUDER De support- en vraagouder hebben ongeveer vier keer contact met elkaar. Het eerste contact is altijd telefonisch, daarna kunnen de ouders samen beslissen of ze doorgaan met telefonisch contact, of toch liever Skypen of Whatsappen. De supportouder neemt geen taken over, de vraagouder blijft zelf aan het roer staan. Johannes: ‘Als coördinator

PRAKTIJK

PARENT2PARENT: HELPT ZORGINTENSIEVE KINDEREN DOOR HUN OUDERS TE ONDERSTEUNEN.

9


maak ik een match tussen vraagouder en supportouder. Zowel de vraagouder als de supportouder vult een uitgebreide vragenlijst in op de website, waarna het systeem op basis van codewoorden een koppeling tot stand brengt. Uit deze potentiële matches selecteer ik vervolgens een supportouder... ’ We beschikken op dit moment over ongeveer dertig supportouders en streven binnen nu en drie jaar naar een aantal van 150 à 200. We blijken ook ouders met een andere culturele achtergrond te bereiken; verder is er een grote diversiteit wat betreft handicaps, maar ook in leeftijd, ervaring, opleidingsniveau, sociale en religieuze achtergrond.

AANMELDEN BIJ PARENT2PARENT Ouders van zorgintensieve kinderen kunnen zich aanmelden via www. parent2parent.nl. Zij kunnen met allerlei vragen terecht: sociaal-emotioneel, maar ook praktisch. Op het gebied van het MET STEUN VAN Dit project is mede mogelijk gemaakt dankzij financiële ondersteuning van: VSB fonds, Johanna Kinderfonds, Skanfonds, Fonds verstandelijk gehandicapten, Revalidatiefonds en Stichting PGB-plein. De ondersteuning van ouders die een PGB aanvragen, verloopt in samenwerking met Per Saldo.

‘PARENT2PARENT KAN EEN REDDINGSBOEI ZIJN’ Erika van de Bilt is twintig jaar getrouwd met Marco en moeder van drie kinderen waarvan de oudste, Lotte (twaalf jaar), ernstig meervoudige beperkingen (emb) heeft. Lotte werd met 31 weken geboren. Door de problemen bij de vroeggeboorte heeft ze spasmen in haar benen en een hersenbeschadiging. Verder heeft Lotte de aangeboren vorm van myotone dystrofie (een zeldzame erfelijke spierziekte). Erika kreeg na Lotte nog twee zonen, Thijs (8 jaar) en Jos (7 jaar), die gezond zijn.

WAT MOTIVEERT JE OM SUPPORTOUDER TE WORDEN?

PRAKTIJK

Ik heb een tijd terug mijn werk opgegeven om voor Lotte te zorgen, waardoor je veel thuis zit, tussen vier muren. Door de lobby voor het behoud van de financiering van het onderwijs voor kinderen met ernstig meervoudige beperkingen kwam ik weer tot leven. Ondanks dat het energie kost, krijg je er energie voor terug. Op school sprak ik veel ouders die vragen hadden. Ik was een paar keer op televisie geweest en had daar ook informatie over het onderwijs gegeven.

10

persoonsgebonden budget (PGB) ondersteunen de supportouders bij een eerste PGB-aanvraag of herindicatie.

SAMENWERKING MET DE JEUGDARTS Als Parent2Parent hebben we overleg met de Vereniging Samenwerkende Ouder- en Patiënten Organisaties VSOP over hoe we kunnen samenwerken en elkaar kunnen versterken. Ook met het Platform ZON (Ziekte ONbekend) hebben we contact. De jeugdarts kan een belangrijke rol vervullen in het doorverwijzen naar Parent2Parent. Door folders neer te leggen in de wachtkamer is de kans groter dat jonge ouders van een kind met een beperking ons weten te vinden. De jeugdarts vindt bij Parent2Parent een netwerk van getrainde supportouders die zelf ervaringsdeskundig zijn, kennis kunnen overdragen over handicaps waar niet zoveel over bekend is en weten hoe het is om dag in, dag uit voor een kind met een handicap te zorgen. Parent2Parent heeft een informatiepakketje voor de jeugdarts klaarliggen, één mail naar info@parent2parent.nl volstaat. OVER DE AUTEUR: Corine van Rijswijk is als redacteur werkzaam bij BOSK.

Hierdoor benaderen mensen je makkelijker. De oproep van Parent2Parent om supportouder te worden kwam op het juiste moment. Ik was op zoek naar iets naast mijn gezin. Als ik terugkijk op de weg die wij hebben afgelegd en je kunt mensen helpen om valkuilen te vermijden, dan vind ik dat alleen maar fijn om te doen.

PARENT2PARENT LEGT CONTACT TUSSEN: - Moeders, vaders, stiefouders en grootouders - Adoptieouders - Ouders van kinderen met chronische ziekten, lichamelijke- en/ of verstandelijke beperkingen, zeldzame aandoeningen, gedragsmatige beperkingen

OUDERS PRATEN MET OUDERS OVER: -

Verpleging en verzorging Opvoeding Overgang naar school / werk PGB aanvragen Het vieren van mijlpalen Emotionele beleving Ouderschap van een kind met een beperking - De andere kinderen in het gezin - Uitdagingen, drempels en meer Ouders kunnen zich via www.parent2parent.nl met hun vragen of als supportouder aanmelden.

Voor literatuur en/of achtergrondinformatie zie JA!-Plus35 op www.artsenjgz.nl

zorg nu is opgezet: de verantwoording, de financiële regelingen, de gesprekken met het CIZ, het SVB, het zorgkantoor. Je krijgt vaak niemand te pakken bij deze instanties. Voor ouders van een kind met een handicap kan Parent2Parent een reddingsboei zijn.

HOE VOND JE DE TRAINING? Ik zat bij de eerste groep deelnemers. Het was geweldig om de training te volgen. Ik heb heel veel gesprekstechnieken geleerd en ik kreeg handvatten hoe je je eigen verhaal kunt vertellen. Dat je je eigen grenzen moet bewaken en dat je ook ‘nee’ mag zeggen als je zelf in een moeilijke fase zit. De training was voor mij confronterend, inspirerend en helend. Doordat je jouw ervaringen aan anderen moet vertellen, kom je zelf ook weer stappen verder.

WAT VIND JIJ DE MEERWAARDE VAN PARENT2PARENT? Op dit moment moet je als ouder van een emb-kind bijna een universitaire opleiding hebben om zaken voor je kind te regelen. Het is ontmoedigend zoals de

Erika van de Bilt met haar gezin


NIEUW Animatiefilm ‘Goede voeding voor je kind’ Hoe ziet een gezond voedingspatroon voor kinderen er uit? De basisvoeding volgens de Schijf van Vijf is hierbij een handig uitgangspunt. Toch kan het voor ouders soms lastig zijn om in te schatten wat hun kind nodig heeft. Het FrieslandCampina Institute biedt u daarom deze animatiefilm over goede voeding voor kinderen aan. Hierin worden de voedingsaanbevelingen voor kinderen in de leeftijd 1 t/m 7 jaar visueel weergegeven. Handig om in het consult te laten zien of de ouder toe te sturen voor thuis! Bekijk en download het filmpje hier!

www.frieslandcampinainstitute.nl/nl/materialen-aanvragen

Bestel ook de poster en de brochure ‘Goede voeding voor je kind’

Poster

FrieslandCampina Institute Het FrieslandCampina Institute biedt gezondheidszorgprofessionals wereldwijd informatie over zuivel, voeding en gezondheid volgens de laatste stand van de wetenschap. Hierbij werken wij intensief samen met onze FrieslandCampina R&D experts. Daarnaast biedt het FrieslandCampina Institute praktische tools op een breed scala van voeding en gezondheid gerelateerde onderwerpen: van opgroeiende kinderen tot gezond oud worden. Wilt u meer informatie over zuivel, voeding en gezondheid? Neem dan contact op met het FrieslandCampina Institute Nederland. 0800-2345600 institute.nl@frieslandcampina.com www.frieslandcampinainstitute.nl

Brochure

Volg ons ook op social media @FCInstitute_NL /FrieslandCampinaInstitute


Kindermishandeling kent geen kleur Myra ter Meulen De KNMG-meldcode Kindermishandeling en Huiselijk Geweld adviseert rekening te houden met de culturele achtergrond. Het NCJ-themadossier Kindermishandeling heeft het vooral over Vrouwelijke Genitale Verminking. En het NJi verwijst in zijn kennisdossier Kindermishandeling voor meer informatie over culturele aspecten naar de Pharosfactsheet Van pedagogische tik tot kindermishandeling, de culturele diversiteit in Nederland (2006). Deze factsheet heeft de JA! voorgelegd aan enkele deskundigen met de vraag ‘Hoe zit het met kindermishandeling en diversiteit? En wat betekent dat voor de jeugdarts?’

Door: Wike Lijs en Els Jonker

PRAKTIJK

ARMOEDE BELANGRIJKER DAN AFKOMST

12

Myra ter Meulen, adviseur jeugdbeleid en preventie kindermishandeling en Shakuur Halane, maatschappelijk werker en trainer en adviseur bij Trias Pedagogica, vinden de factsheet gedateerd. Uit De Tweede Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van Kinderen en Jeugdigen (2011) blijkt dat de ‘oude’ migrantengroep van Antillianen, Marokkanen en Turken niet meer verschilt met de van oorsprong Nederlandse bevolking. Armoede is een belangrijker risicofactor dan afkomst. Dat geldt echter niet voor de nieuwe migranten uit Iran, Afghanistan, Somalië en nu Syrië. Daar spelen adaptatieproblemen, stress en trauma’s nog een grote rol in het vóórkomen van kindermishandeling. Betekent dat dan dat je als jeugdarts geen onderscheid meer hoeft te maken naar afkomst? Dat zou al te simpel zijn. Afkomst blijft natuurlijk belangrijk in het contact.

Shakuur Halane

TAAL EN TOLK Professionals én migrantenouders zijn beiden handelingsverlegen als het over samenwerken rondom opvoeding gaat. De tijd nemen voor een gesprek is voorwaarde voor goede communicatie, zeker voor migrantenouders die niet gewend zijn om over opvoedingsproblemen en vermoedens van mishandeling te praten. Taal is een eerste probleem en zeker als het gaat om een vermoeden van kindermishandeling. Dan móet er een tolk bijkomen. Maar ook dan is het niet zeker dat de communicatie zonder problemen verloopt. Veel vreemde talen, zoals die van de Somaliërs, Marokkaanse Berbers en veel Afrikaanse talen zijn niet zo ontwikkeld dat belangrijke opvoedingstermen over en weer naar behoren kunnen worden vertaald. Daardoor komt een groot deel van de boodschap niet adequaat over, terwijl zowel de hulpverlener als de migrantenouder er vanuit gaat dat hun boodschap door de ander goed verstaan en begrepen wordt. Een misverstand is zo gauw geboren. Beide partijen moeten zich hiervan bewust zijn en de nodige stappen nemen om deze problemen op te vangen.

VERSCHIL IN OPVOEDING Een tweede belangrijk obstakel is dus het verschil in opvoeding en de waarden en normen die daar bij komen kijken. Vraag aan ouders hoe ze zelf zijn opgevoed en wat voor hen belangrijk is. Vraag hoe het is om je kind in twee culturen te moeten opvoeden en wat je als jeugdarts kunt doen om de ouder daarbij te ondersteunen. Mondelinge communicatie is belangrijker dan het invullen van vragenlijsten. Ben Rensen, voormalig jeugdarts in Utrecht, kende een paar woorden Marokkaans en kreeg daarmee meteen het vertrouwen van ouders. In datzelfde project blijkt dat de Somalische ouders heel graag meer willen weten over de ontwikkeling van kinderen

Hameeda Lakho

in het algemeen. Daar wordt in Somalië niet over gesproken en hier in Nederland gaat iedereen ervan uit dat je weet dat een tweejarige lastig kan zijn en wat je met pubers aan moet. Dit geldt voor veel niet-westerse migranten, inclusief de vier grote minderheidsgroepen waaronder de Turkse en Marokkaanse gemeenschap. Het woord handelingsverlegen wordt meestal gebruikt voor professionals die met migrantenouders aan het werk zijn. Het is goed te beseffen dat omgekeerd veel migrantenouders handelingsverlegen zijn als het gaat om de communicatie met jeugdartsen en andere professionals!’

GEWELD Ook de Pakistaans-Nederlandse Hameeda Lakho noemt de factsheet gedateerd.

EEN VOORBEELD. Een groep Somalische moeders is uitgenodigd op school om met een aantal leerkrachten en de directeur te spreken over het onderwerp: ’Wat verwacht je als ouder van de school en wat verwacht de school van de ouder?’. Dit in het kader van een project van Trias Pedagogica, genaamd Hoe gaat het met mijn kind?. Tijdens het voorstelrondje blijkt dat de moeders begrepen hadden dat ze iets fout hadden gedaan en door de school op het matje werden geroepen. Nadat het misverstand uit de weg is geruimd, kunnen we in gesprek. Dat gesprek verloopt vooral heel voorspoedig omdat er een Somalische maatschappelijk werker bij zit die beide talen goed beheerst. De juf uit groep 1 verzucht dat ze het eerste schooljaar alleen maar aan


Hameeda is expert en ervaringsdeskundige op het terrein van langetermijngevolgen van kindermishandeling en oprichter van Stichting Geheim Geweld. Haar drie autobiografische romans waren taboedoorbrekend. Zij noemt de factsheet niet alleen gedateerd omdat onderzoek heeft uitgewezen dat armoede de grote risicofactor is, maar ook

gewoon stil in de belangrijke aspecten van je ontwikkeling.’

RESPECT Hameeda vervolgt: ‘Kindermishandeling kent geen kleur. De gevoelens die mensen ervaren en de langetermijngevolgen zijn universeel. Misschien maakt het feit dat ik een kleurtje heb, het mij wel makkelijker te zeggen dat kindermishandeling geen kleur kent. En misschien begrijp ik sommige aspecten beter, ook door de verhalen van mijn Surinaamse echtgenoot. Zo ging het er toen aan toe, nu kijken we daar anders naar, nu kennen we de gevolgen. Kindermishandeling gebeurt in sommige culturen en groepen in de samenleving meer, maar het is nergens gewoon. Respect is in veel culturen een zeer belangrijk opvoedingsdoel. Ouders denken dat ze hun kinderen respect bijbrengen door te slaan. Wij weten dat kinderen daardoor geen respect, maar angst ontwikkelen, en dat de gevolgen negatief zijn. Ouders realiseren zich dat niet.

‘Mondelinge communicatie is belangrijker dan het invullen van vragenlijsten.’ omdat we inmiddels de discussie over de pedagogische tik achter ons hebben gelaten en de groep allochtonen nu veel groter en diverser is dan destijds. ‘Ieder kind wil dat zijn ouders van hem houden, ieder kind wil gewenst, geaccepteerd, gewaardeerd en geliefd zijn. Die behoefte is niet afhankelijk van een cultuur. Pas toen ik zelf kinderen kreeg, kon ik de ernst zien van wat mij is overkomen als kind. In mijn jeugd ging het bijna alleen maar over wat

‘Respect is in veel culturen een zeer belangrijk opvoedingsdoel.’ er allemaal niet mocht. Vrijheid van kiezen heb ik nooit meegemaakt; eigen vriendschappen kunnen sluiten, me sociaal-emotioneel mogen ontwikkelen: dat is mij allemaal ontnomen. Dat is ook wat kindermishandeling doet, je staat

Als je in een Hindoestaanse groep met ouders vertelt dat het hoge percentage suïcide mogelijk het gevolg is van het slaan en de hoge eisen die ouders aan kinderen stellen, is het wel stil. Dan pas denken ze daar over na. Er is een groot cultureel verschil in hoe kinderen en ouders met elkaar praten. Het wordt als niet respectvol gezien als jij als kind niet meteen opstaat als je ouders je iets vragen te doen, terwijl in Nederlandse gezinnen een kind best kan zeggen: ‘Dat doe ik straks’. Ondenkbaar in veel culturen! Je doet wat je moet doen, je gaat niet met je ouders in discussie. Voor die diversiteit in opvoedingsdoelen moet je als hulpverlener respect hebben. Je kunt er heel goed over praten hoe je die opvoedingsdoelen kunt bereiken zonder geweld te gebruiken. Er treden zeker verschuivingen op, maar er blijft een groot verschil met hoe in Nederlandse gezinnen met elkaar wordt gesproken en welke onderwerpen ter tafel komen. In veel migranten gezinnen is het bespreekbaar maken van relaties en seks een taboe.’

EIGEN ERVARINGEN ‘Zelf heb ik op het consultatiebureau nooit gesproken over mijn mishandelingsverleden,’ aldus Hameeda. ‘Dat deed ik vooral met de huisarts. In de lotgenotengroepen van Stichting Geheim Geweld hebben we eens met elkaar gesproken over de vragenlijst op het CB, en dan met name over de vraag naar eigen ervaringen. Onder de deelnemers aan de groep bestond grote huiver die vraag te beantwoorden, uit angst een etiket opgeplakt te krijgen. Het voelde stigmatiserend. Om zichzelf en hun kind te beschermen, durfden ouders die vraag niet naar waarheid te beantwoorden. Dat begrijp ik ook wel, het voelt alsof je als ouder ook als risicofactor wordt bestempeld. Tijdens een recente themabijeenkomst van Stichting Geheim Geweld stond een vrouw op die zei dat ze behalve slachtoffer ook dader was. Ze sloeg haar kind ondanks dat ze dat zo had willen vermijden. Toen de zaal werd gevraagd of anderen zich daarin herkenden, gingen meer vingers omhoog. Het was voor ons een eyeopener dat de veilige setting die wij hadden geboden, het ook mogelijk maakte dat deze vrouw durfde op te staan om dit thema aan te kaarten en dat anderen hun vinger durfden op te steken. Als docent van de lotgenotengroepen, die bestaan uit deelnemers uit diverse culturen, zie ik hoe de grenzen wegvallen. Mensen herkennen zich in elkaar met soms weinig woorden, ondanks verschillen in culturele achtergrond. Daarentegen is er in het contact met hulpverleners, ook met jeugdartsen, angst een stempel opgedrukt te krijgen. De ervaringsdeskundigheid in onze lotgenotencontacten maakt dat de deelnemers zich gekend voelen, ondanks al die verschillen. Het zou mooi zijn als jeugdartsen ouders met een mishandelingverleden de weg wijzen naar onze website.’ Kindermishandeling zelf kent geen kleur, opvoedingsdoelen zijn wel cultureel divers en praten over (de gevolgen van) kindermishandeling kent nog veel meer kleuren dan die van sociale, culturele en etnische diversiteit alleen.

Voor literatuur en/of achtergrondinformatie zie JA!-Plus35 op www.artsenjgz.nl

PRAKTIJK

het opvoeden is bij de Somalische kinderen en vraagt of dat in hun cultuur normaal is. Dat is zo. De eerste jaren wordt er thuis niet veel aan actieve disciplinering gedaan, de kleuters komen dus op school terwijl ze nog niet zelf naar de wc kunnen, hun jas niet kunnen aantrekken en geen idee hebben dat je zou kunnen gehoorzamen als de juf iets zegt. En de ouders vertellen dat in Somalië de school nooit contact zal opnemen met ouders als hun kind iets gedaan heeft wat niet mag.

13


Gezond eten voor peuters: een uitdaging door Samirah Schipper

Eet mijn peuter wel gezond genoeg? Een vraag die in elke praktijk regelmatig ter tafel komt en die zelfs zeer legitiem is. Uit het onlangs verschenen TNO-onderzoeksrapport ‘De Eet Compleet Test: 2-daags voedselconsumptie-onderzoek onder kinderen van 1-4 jaar die het kinderdagverblijf bezoeken’ blijkt namelijk dat de voeding van peuters in Nederland te wensen overlaat. Meer aandacht is nodig voor een hogere inname van ijzer, visvetzuren (DHA) en vezels. Daarnaast mag de inname van eiwit en suikers wel omlaag. Diëtist Samirah Schipper licht de uitkomsten van het onderzoek toe. ‘Samirah Schipper is diëtist met een eigen praktijk ‘NutriMom & Kid’ en gespecialiseerd in het geven van voedingsen dieetadviezen aan ouders van jonge kinderen. ‘Ik noem mezelf ‘eerste duizend dagen diëtist, de diëtist die zich richt op zowel moeder als kind voor een gezonde toekomst’. Daarnaast begeleid ik moeders na de bevalling om sterk en fit te worden en geef ik peuters en kleuters dansles. De sleutel tot een gezonde toekomst is zowel op het gebied van voeding als beweging. ‘Voeding is ontzettend belangrijk voor peuters’, vertelt Schipper. ‘Toch hebben veel ouders geen goed idee wat hun kind echt nodig heeft. Ze zijn gewend aan de grote eetlust en het groeitempo in het eerste levensjaar. Na de eerste verjaardag groeien kinderen minder hard en hebben de peuters gewoon wat minder nodig. Ouders denken daarom vaak dat hun peuter te weinig binnenkrijgt, maar qua calorieën valt dat wel mee. Het is vooral de kwaliteit die te wensen overlaat. Juist dat blijkt ook uit de uitkomsten van het TNO-onderzoekrapport ‘De Eet Compleet Test: 2-daags voedselconsumptie-onderzoek onder kinderen van 1-4 jaar die het kinderdagverblijf bezoeken’.’

VOEDSELCONSUMPTIEPEILING ONDER PEUTERS De Eet Compleet Test is een voedselconsumptiepeiling onder 1526 peuters in de leeftijd van 10 maanden tot 4 jaar die een kinderdagverblijf bezoeken. Gedurende 2 dagen waarop deze kinderen naar het kinderdagverblijf gaan, is gemeten wat ze eten en drinken, zowel op het kinderdagverblijf als thuis. Het onderzoek is tussen 2011 en 2014 uitgevoerd in opdracht van Nutricia. TNO heeft de data geanalyseerd en begin 2015 gerapporteerd.

HET GAAT AL MIS MET BASISVOEDINGSMIDDELEN

MARKTVISIE

Geen enkel kind in de Eet Compleet Test eet volgens alle aanbevelingen van de Schijf van Vijf. Schippers: ‘Het gaat mis met de basisvoedingsmiddelen als groenten, fruit, vis en melk. Zo eten deze peuters minder fruit dan wordt aanbevolen. De aanbeveling ligt op 150 gram per dag,

14


gemiddeld eten ze 128 gram. Ook de groenteconsumptie is met gemiddeld 59 gram per dag aan de lage kant. Het valt weliswaar net binnen de aanbeveling van 50-100 gram per dag, maar 38% van de peuters in het onderzoek haalt de ondergrens van 50 gram groenten per dag niet. Dit is bijvoorbeeld op te lossen door groenten op meer momenten per dag aan te bieden. Denk aan snoeptomaatjes of plakjes komkommer als snackje tussendoor. Dat kinderen geen viseters zijn, blijkt ook nu weer uit dit onderzoek. De kinderen in de Eet Compleet Test eten gemiddeld 1 keer in de 10 dagen vis in plaats van de aanbevolen 2 keer per week. Schippers: ‘Daardoor krijgen ze weinig omega-3 visvetzuren zoals DHA binnen. Ik adviseer om toch wat vaker vis op het menu te zetten. Kinderen houden vaak wel van gebakken vis, stukjes gerookte zalm of tonijn uit blik.’ Van melk krijgen de kinderen juist weer te veel. Het gemiddelde van ruim 400 ml melk en melkproducten per dag ligt fors boven de aanbeveling van 300 ml per dag. Schippers vindt dit een probleem omdat dat daardoor de eiwitinname ook hoger wordt dan aanbevolen. ‘De peuters in de Eet Compleet Test krijgen gemiddeld bijna drie keer zoveel eiwit binnen als de aanbeveling. Een hoge eiwitinname op peuterleeftijd is geassocieerd met overgewicht op latere leeftijd, vandaar dat het beter zou zijn de eiwitinname wat te beperken.’

ZOETE DRANKEN Uit de Eet Compleet Test blijkt verder dat 30% van de energie die een peuter gebruikt afkomstig is van suikers in de voeding. ‘Het is denk ik voor niemand een n verrassing dat het aandeel van zoetigheid in de voedingg van peuters zo hoog is’, vervolgt Schipper. ‘Een deel hiervan komt uit gewone melkproducten en fruit; de melksuiker en vruchtensuiker. Maar ruim de helft van de suikers krijgt een kind binnen via gezoete dranken en zoet broodbeleg. Dit is bijvoorbeeld op te lossen door frisdranken tot een minimum te beperken. Water en thee zijn ook prima dranken voor een kind. Af en toe fruit op brood is een lekker zoet alternatief voor het standaard zoet beleg.’

IJZERAANBEVELING NIET GEHAALD Het onderzoek onderstreept volgens Schipper ook dat er meer aandacht moet komen voor ijzer bij peuters. ‘Dat ijzer krap zit, merk ik vaak al in de praktijk. De balans in de totale voeding is zoek en juist bij een voedingsstof als ijzer gaat het dan snel mis. Van de kinderen in de Eet Compleet Test haalt slechts 14% de aanbeveling voor ijzer. Heel veel kinderen krijgen dus minder dan de aanbevolen 8 mg per dag binnen. Belangrijke bronnen van ijzer zijn brood, vlees en vleeswaren. Ik adviseer ouders vaak om Groeimelk te geven, omdat die verrijkt is met ijzer en overigens ook met vitamine D. Ook adviseer ik vlees en vleeswaren, omdat dit de beste ijzerbron in de voeding is.’ De Eet Compleet Test laat zien dat Groeimelk en opvolgmelk belangrijke bronnen van ijzer zijn in de voeding van de peuters. Kinderen in het onderzoek die Groeimelk of opvolgmelk krijgen, hebben een hogere ijzerinname dan kinderen die uitsluitend koemelk krijgen.

VEZELAANBEVELING BIJNA NOOIT GEHAALD Tenslotte nog een opvallend punt uit het onderzoek: de lage vezelinname. Schipper: ‘De vezelaanbeveling wordt door nog geen 10% van de kinderen gehaald. Ook wel logisch als je bedenkt dat kinderen weinig groenten en fruit eten, want juist die leveren veel vezels. Verder blijkt er bij de warme maaltijd bijna nooit gekozen te worden voor volkoren varianten van rijst en pasta.’

VOLOP AANDACHT NODIG VOOR KWALITEIT VOEDING Schipper vindt de uitkomsten van dit onderzoek zeer interessant. ‘Ze onderstrepen wat iedereen in de jeugdgezondheidszorg in de praktijk al vaak ziet: de voeding van veel peuters is onvolwaardig. Ze kunnen hierdoor klachten krijgen: vermoeidheid, bleek zien of om de haverklap ziek zijn. Ouders maken zich vooral zorgen over de hoeveelheid die een kind eet. Ze zouden meer moeten letten op de kwaliteit van wat er gegeten wordt. Het is belangrijk dat we met zijn allen de knelpunten signaleren en er mee aan de slag gaan.’

MARKTVISIE

Geïnteresseerd in de volledige uitkomsten van de voedselconsumptiepeiling onder peuters die naar een kinderdagverblijf gaan? Bij Nutricia kunt u ‘Hoe gezond eten ze’, een gezamenlijke uitgave van TNO en Nutricia, aanvragen. Log hiervoor in op Nutricia voor professionals (www.nutriciavoorprofessionals.nl).

15


Kruisende carrières tussen jeugdgezondheidszorg (JGZ Van JGZ naar KJP – Marijke van Keulen

JGZ Het zal ongeveer tien jaar geleden zijn dat Jorien bij ons, de afdeling jeugdgezondheidszorg van de GGD IJsselland, binnenkwam voor een extra lang coschap van drie maanden bij onze afdeling. Destijds mocht ik haar als mentor begeleiden en de kneepjes van het vak van jeugdarts bijbrengen. Ik weet nog hoe ze binnenkwam: een enthousiaste ‘spring-in-’t-veld’ die best lastige vragen kon stellen. Naast het meelopen met de diverse activiteiten is ze ook zelfstandig aan het werk gezet.

steedden aandacht aan gestructureerde voorlichting voor ouders en middels ons vervolgonderzoek met de CBCL-/TRFvragenlijsten konden we kinderen gericht en met een duidelijke vraagstelling verwijzen naar eerstelijns hulpverlening (psycholoog, jeugdzorg, maatschappelijk werk), dan wel naar een GGZ-instelling. Uit het onderzoek wat Jorien in het kader van haar coschap deed, bleek dat ouders onze aanpak met het uitgebreide vervolgonderzoek zeer waardeerden.

OVERSTAP KJP Na een aantal grote veranderingen binnen de organisatie waren de randvoorwaarden om mijn werk te doen voor mij niet meer overwegend positief. Na een lange periode van enkel signaleren was ik er aan toe om actief bezig te gaan met ouders en kinderen met kinderpsychiatrische gedragsproblemen Dit maakte dat, toen mijn oog viel op een functie binnen de kinder- en jeugdpsychiatrie, mij deze wel aansprak. Ik heb het fantastisch naar mijn zin bij Pro Juventus, een kleinschalige instelling voor kinder- en jeugdpsychiatrie.

PRAKTIJK

‘Mijn competenties als jeugdarts kan ik in de KJP over de volle breedte benutten.’ (Marijke)

16

Bij de uitvoering van ons takenpakket lag er destijds een zwaartepunt bij gedrag en psychosociale problemen, waarbij we na de signalering hiervan verder gingen dan gebruikelijk was binnen de JGZ. Op basis van onderzoek ontwikkelden wij een gestandaardiseerde methodiek om probleemgedrag van kinderen van 4-18 jaar vroegtijdig te onderkennen en in kaart te brengen. In onze vragenformulieren (het was nog het predigitale tijdperk) voor ouders ter voorbereiding op het PGO bouwden we voorlopers van de SDQ in om vroegtijdig psychosociale problematiek te onderkennen. We be-

JEUGDARTS IN DE KJP Mijn competenties als jeugdarts kan ik in de KJP over de volle breedte benutten en mijn kwaliteiten worden er gewaardeerd. Ik merk dat wij als jeugdartsen in de KJP veel breder naar kinderen kijken dan bijvoorbeeld een kinderpsychiater.

Onze systeemgerichte manier van kijken en de ervaring die wij hebben opgebouwd met zaken als motoriek, spraaktaalontwikkeling en medische aandoeningen komen hier goed van pas en zijn een gewaardeerde aanvulling voor het totaalplaatje van een kind. Jeugdartsen in de jeugdgezondheidszorg en de KJP kunnen veel voor elkaar betekenen: de jeugdartsen in de JGZ door informatie te delen over de voorgeschiedenis en de sociale context van een kind dat onderzocht wordt binnen de kinderpsychiatrie en de jeugdarts in de kinderpsychiatrie door advisering over gedragsproblemen in de nuldelijn.

DIVERSITEIT Hoewel het werk van de jeugdarts binnen de KJP minder gevarieerd is dan binnen de jeugdgezondheidszorg, komt ook in mijn spreekkamer van alles voorbij. Elke ouder en elk kind is weer anders met een eigen sociale context en problematiek. En doordat ik een intensieve relatie opbouw met ouders en kinderen, ben ik in de gelegenheid om mijn sociaal-medische kennis van de jeugd breed toe te passen. En mijn ervaring met normale ontwikkeling helpt te bepalen wat afwijkend is. Ik ben nog steeds blij dat ik overgestapt ben van de jeugdgezondheidszorg naar de KJP, met mijn zeer nuttige goedgevulde rugzak vanuit de jeugdgezondheidszorg.

OVER DE AUTEUR: Marijke van Keulen, arts M&G, jeugdarts GGZ


Z) en kinder- en jeugdpsychiatrie (KJP) – een tweeluik

JGZ In mijn keuzecoschap jeugdgezondheidszorg, onder het bezielende mentorschap van Marijke, vond ik de diversiteit van het vak direct leuk. Van lichamelijke naar pedagogische vragen, van lichte naar zware problematiek, de spreekuren waren divers en levendig. De speciale interesse van Marijke voor gedragsproblematiek sloeg op mij over. Al die stoornissen met hun specifieke gedragskenmerken, de kind- en pedagogische factoren, eventueel doorgemaakte trauma’s, et cetera. Ik vond die ontwik-

het ’voorveld’ naar zijn doorgestuurd. Zij willen antwoord op de vraag of hun kind een stoornis heeft of niet, en wat daar dan aan te doen is. De gesprekken zijn dan ook veel meer toegespitst op de diagnostiek en het behandelplan. Wel lekker duidelijk, maar naar mijn idee leidt het tot een (te) beperkte en eenzijdige blik op kind en gezin. Ik begon na twee jaar de variatie binnen JGZ-spreekuren en -werkzaamheden te missen.

TERUG NAAR DE JGZ Met de opkomst van het tijdschrijven ten behoeve van de financiering, begon ik ook steeds minder ruimte te ervaren om mijn tijd in te delen en eigen prioriteiten te stellen. Alle werkzaamheden waren gestandaardiseerd en van tijdlabels voorzien. Ik besefte dat de JGZ beter bij mij past. Daar kan een consult vanaf het begin nog alle richtingen opgaan, daar kun je met advisering de situatie soms weer op de rit krijgen en daarmee escalatie en dure tweedelijnszorg voorkomen. Ik solliciteerde naar een functie als jeugdarts en kwam terug naar de organisatie waar ik coassistent was geweest.

‘Ik profiteer als jeugdarts nog dagelijks van mijn tijd als AIOS KJP.’ (Jorien) kelingsstoornissen, met wat ik ervan zag bij de kinderen en wat ik erover hoorde van Marijke, behoorlijk intrigerend. Het begon te borrelen: was kinder- en jeugdpsychiatrie misschien meer iets voor mij? Direct na mijn afstuderen heb ik een betrekking als ANIOS Kinder- en Jeugdpsychiatrie gezocht en gevonden.

OVERSTAP KJP Daar ging een nieuwe wereld voor mij open: De DSM, de stoornissen, de medicatie, de speelkamerdiagnostiek, de ontwikkelingsanamneses. Ook maakte ik mee hoe het is om in de tweedelijn te werken, waar ouders en kinderen door

KJP-ERVARING IN DE JGZ Ik heb ontzettend veel geleerd van mijn tijd als AIOS KJP en daar profiteer ik nog dagelijks van in mijn werk als jeugdarts. Zo let ik erg op hoe een kind contact maakt met zijn ouders en met mij als

jeugdarts: sommige kinderen komen ongepast dichtbij, zoeken geen bevestiging bij ouders of gaan volledig hun eigen gang. Het kunnen subtiele aanwijzingen zijn. Ook de manier waarop ik een kind zie spelen en motorische opdrachten zie uitvoeren, kunnen aanwijzingen geven voor onderliggende (kind)problematiek. Bovendien helpt de KJP-ervaring mij informatie vanuit het CB en ouders over de vroegkinderlijke ontwikkeling beter te duiden en onderscheid te maken tussen kind- en omgevingsfactoren.

DIVERSITEIT Dit themanummer gaat over diversiteit, en juist die diversiteit is wat mij zo aanspreekt in het vak van jeugdarts. Er komt werkelijk van alles voorbij, binnen en buiten de spreekkamer. Ik ontmoet ouders en kinderen uit alle lagen van de bevolking, uit diverse culturen, in de stad en op het platteland, met een veelheid aan vragen, met en zonder ‘diagnose’. Normaliseren en oog hebben voor omgevingsfactoren die een rol spelen bij gedragsproblemen van kinderen is de uitdaging. Ik heb voor de JGZ gekozen, ben inmiddels opgeleid tot jeugdarts KNMG en heb nog geen moment spijt gehad van mijn beslissing om terug te keren naar dit vak. Maar wél met een zeer nuttige, goedgevulde rugzak vanuit mijn jaren als ANIOS kinder- en jeugdpsychiatrie!

OVER DE AUTEUR: Jorien Kuijk , jeugdarts KNMG

PRAKTIJK

Van KJP naar JGZ – Jorien Kuijk

17


Laaggeletterdheid ook in de jeugdgezondheidszorg een uitdaging Door: Joke C.M. van Wieringen

CASUS Ouders komen met hun zes weken oude baby naar spoedeisende hulp, want de baby is suf en reageert nergens op. Er blijken bloedingen te zijn in de hersenen. Wat blijkt: de bloedstolling is ernstig vertraagd en dat komt door vitamine K-gebrek. Helaas overlijdt de baby de volgende dag. Bij navraag blijkt de moeder borstvoeding te geven en de vitamine K-druppels, bedoeld voor de baby, zelf te hebben ingenomen.

In Nederland zijn 1,3 miljoen mensen tussen 16 en 65 jaar laaggeletterd. Dat staat gelijk aan 1 op de 9 Nederlanders in deze leeftijdscategorie (PIAAC 2013). Daarnaast heeft meer dan 25 procent

van geschreven, al dan niet digitale, informatie. Laaggeletterden kunnen we omschrijven als mensen die over onvoldoende basisvaardigheden in lezen en schrijven beschikken om volwaardig te kunnen deelnemen aan de moderne maatschappij. Laaggeletterdheid zie je niet aan iemands gezicht en de meeste mensen zullen er uit schaamte niet zelf over beginnen. Toch is het belangrijk laaggeletterden te herkennen en de communicatie op hen af te stemmen.

GEZONDHEIDSVAARDIGHEDEN Gezondheidsvaardigheden (health literacy) heb je nodig om informatie over gezondheid en ziekte te verkrijgen, te begrijpen, te beoordelen en toe te passen bij het nemen van beslissingen. Gezondheidsvaardigheden hangen nauw samen met geletterdheid. Iemand die laaggeletterd is of weinig naar school is gegaan, heeft niet alleen moeite met lezen en rekenen, maar mist ook een

PRAKTIJK

laaggeletterden is autochtoon met Nederlands als moedertaal.’

18

moeite met complexe informatie zoals formulieren en informatie op websites. Tweederde van deze mensen is autochtoon met Nederlands als moedertaal. Tegelijkertijd is iedereen in onze samenleving steeds meer afhankelijk

aantal basisvaardigheden: kennis van het menselijk lichaam, het plaatsen van klachten in een chronologische volgorde, langetermijndenken, onderscheiden van hoofd- en bijzaken, verbanden leggen (oorzaak-gevolg). Ook het benoe-

men van eigen doelen en het realiseren daarvan is lastig wanneer iemand weinig onderwijs heeft gevolgd. Laaggeletterdheid gaat samen met een laag abstractieniveau. Een vraag als ‘Hoe gaat het met de opvoeding?’ is voor laaggeletterden moeilijk te beantwoorden. Het is beter te vragen naar concrete situaties zoals ‘Wat doet u als uw kind huilt?’. Het lukt een laaggeletterde persoon meestal niet om zelfstandig kennis en vaardigheden te ontwikkelen. Hierdoor is het voor een laaggeletterde vaak moeilijk om adviezen van een zorgverlener op te volgen. Eenvoudigweg omdat hij deze niet begrijpt of niet weet hoe het moet. Mensen die de Nederlandse taal onvoldoende beheersen of het Nederlandse zorgsysteem niet kennen, kunnen daarnaast ook nog over weinig gezondheidsvaardigheden beschikken. Het inschakelen van een tolk kan dan wel de taalbarrière wegnemen, maar de beperkte gezondheidsvaardigheden blijven bestaan. Dat is wel iets om alert op te zijn. Naar schatting beschikt een derde van de mensen in Nederland over lage tot zeer lage gezondheidsvaardigheden. Bijna één op de twee Nederlanders (48%) heeft moeite om zelf de regie te voeren over gezondheid, ziekte en zorg. Zij missen begrijpelijke en toepasbare kennis, motivatie en zelfvertrouwen.

LAAGGELETTERDHEID EN GEZONDHEID Laaggeletterden ervaren hun eigen fysieke en mentale gezondheid als


‘Hoe is het voor u om formulieren in te vullen?’ Of vraag of iemand informatie liever via tv krijgt, of via familieleden. Het aantal jaren onderwijs dat iemand gevolgd heeft is een goede indicator. Als iemand alleen maar de basisschool heeft doorlopen, is de kans heel groot dat die persoon beperkte gezondheidsvaardigheden heeft. Dit kan ook gelden voor een deel van de ouders die voortgezet middelbaar onderwijs (vmbo) heeft gevolgd. Gezondheidsvaardigheden kunnen tot op zekere hoogte geleerd worden. Het is dan wel noodzaak dat organisaties of zorgprofessionals informatie over gezondheid en zorg op een voor iedereen toegankelijke en begrijpelijke manier aanbieden.

‘Het onjuist gebruiken van medicijnen komt bij laaggeletterden vaak voor.’ problemen komen vaker voor bij laaggeletterden. Laaggeletterden maken vaker gebruik van gezondheidszorg maar minder vaak van preventieve zorg zoals bevolkingsonderzoeken (Van der Heide, 2015). Laaggeletterden zijn minder goed in staat tot zelfmanagement: het onjuist gebruiken van medicijnen komt bijvoorbeeld vaak voor. Instructies als ‘ínnemen op een lege maag’ worden slecht begrepen en ‘zonlicht vermijden’ wordt geïnterpreteerd als ‘medicijnen niet in de zon leggen’. Op zich niet eens zo’n vreemde interpretatie, er staat immers geen onderwerp of voorwerp genoemd. In geval van chronische aandoeningen begrijpen ouders vaak niet dat de kinderen hun medicijnen ook moeten innemen als ze geen klachten hebben.

WAT KUN JE DOEN? Ook bij de JGZ zal het niet altijd bekend zijn of iemand laaggeletterd is en beperkte gezondheidsvaardigheden heeft. Soms zijn er signalen waarbij men aan laaggeletterdheid kan denken. Bijvoorbeeld als ouders zeggen: ‘Dat formulier vul ik thuis wel in’, of: ‘Ik ben mijn bril vergeten’. Of als ouders ‘ja’ blijven knikken alsof ze alles begrijpen terwijl er uitleg of adviezen worden gegeven. Vaak stelt de ouder weinig tot geen (adequate) vragen, of heeft hij of zij moeite met het beantwoorden van vragen. Ook kan de ouder, vanuit ervaring, denken dat er dan toch een antwoord komt dat hij of zij niet kan begrijpen. In het algemeen geldt: als je er niet aan denkt, zie je het niet; als je er niet naar vraagt, weet je het niet. Laagopgeleide ouders zelf willen hun onzekerheid nog wel eens verbergen achter een stoere houding in de trant van ‘ja, dat begrijp ik natuurlijk wel’. Het is dus belangrijk voelsprieten te ontwikkelen en bij ouders bij wie je laaggeletterdheid vermoedt, hiernaar te vragen. Om dit respectvol te doen zijn goede communicatieve vaardigheden nodig. Bijvoorbeeld:

TIPS VOOR COMMUNICATIE Laaggeletterden leren en onthouden vooral door voordoen, nadoen en vaak herhalen. Veel herhalen leidt tot automatiseren en onthouden van informatie. Geschreven informatiebrieven of folders worden vaak niet eens gelezen, niet begrepen en de informatie beklijft niet. Door de informatie stapsgewijs, in kleine beetjes en met veel herhaling aan te bieden, zullen de belangrijke punten beter begrepen en toegepast worden. Iemand kan beter vaker komen en korter, dan alle informatie in één consult te moeten verwerken. Mondelinge face-to-face communicatie is de beste manier om met laaggeletterden te communiceren. Met een aantal basisregels kan iedereen dat leren: - begroet de cliënt vriendelijk en open - praat rustig, gebruik korte zinnen en neem de tijd - vermijd medische terminologie en vakjargon, veronderstel geen basiskennis van het menselijk lichaam - gebruik eenvoudige woorden - geef niet teveel informatie in één keer - wees concreet, gebruik geen abstracte begrippen en beeldspraak - stel één vraag tegelijk en wel een open vraag (dus geen vraag die je met ja/ nee kunt beantwoorden) - check telkens het begrip met ‘terugvragen’. Dit laatste kan door gebruik te maken van de teach-back methode. Door terug te vragen aan de ouder of ze je begrepen heeft weet je of de boodschap is begrepen. Dit kan bijvoorbeeld door: ‘Om zeker te zijn dat ik het goed heb uitgelegd, wil ik u vragen om het zelf een keer te vertellen’. Veel professionals vinden dit een lastige zin om uit te spreken, ze hebben snel het gevoel de ouder te overho-

ren, maar ouders hebben hier vaak geen moeite mee. Een ander voorbeeld is: ‘Wat vertelt u straks aan uw partner als u thuiskomt?’ Zorgprofessionals vragen na hun uitleg veelal: ‘Heeft u nog vragen?’. Veel (laaggeletterde) cliënten antwoorden dan vaak met nee. Beter is om te vragen: ‘Welke vragen heeft u nog?’

BEELDMATERIAAL Wanneer de mondelinge informatie ondersteund wordt door beeldmateriaal zal het nog beter begrepen en onthouden worden. Maar dat stelt wel eisen aan het beeldmateriaal qua eenduidigheid en het moet passen bij de geschreven tekst. Laaggeletterden blijken pictogrammen of zeer gedetailleerde tekeningen vaak anders te begrijpen dan ze zijn bedoeld. Het is dan te abstract of bevat teveel informatie. Wie hoofd- en bijzaken niet kan onderscheiden, kijkt vaak naar niet ter zake doende details op een tekening. Plaatjes moeten daarom extreem eenvoudig zijn, afleidende details moeten worden weggelaten. Er verschijnen steeds meer beeldverhalen en eenvoudige filmpjes gericht op laaggeletterden, zie bijvoorbeeld op Opvoeden.nl (onder andere over slapen, huilbaby’s, borstvoeding, hielprik, gehoorscreening, preconceptievoorlichting). Hopelijk lukt het u laaggeletterden tijdig te signaleren en op de juiste manier met hen te communiceren. Eventueel kan men een training volgen bij Pharos in effectief communiceren met laaggeletterden.

BRONNEN: PIAAC 2013. Kernvaardigheden voor werk en leven. Resultaten van de Nederlandse survey 2012. Heide, I van der, J Rademakers (2015). Laaggeletterdheid en Gezondheid; stand van zaken. Utrecht: NIVEL. OVER DE AUTEUR: Joke van Wieringen is senior adviseur bij Pharos, expertisecentrum voor gezondheidsverschillen. Daarvoor werkte zij als adviseur bij het RIVM/Centrum Jeugdgezondheid, als onderzoeker bij het Centrum voor Migratie en gezondheid van het kind van het Wilhelmina Kinderziekenhuis en als epidemioloog bij de GG&GD Amsterdam. TIP: http://www.pharos.nl/nl/kenniscentrum/ gezondheids-verschillen/eenvoudig-voorlichtingsmateriaal-in-de-zorg

PRAKTIJK

minder goed, ze liggen vaker en langer in het ziekenhuis en hebben een hoger sterfterisico. Chronische aandoeningen zoals astma/chronische bronchitis, kanker, cardiovasculaire aandoeningen, ernstige problemen met de nieren, gal, lever of schildkier, gewrichtsaandoeningen, diabetes, epilepsie en psychische

19


Rol JGZ in seksuele ontwikkeling jongeren met migrantenachtergrond

PRAKTIJK

De JGZ kan een belangrijke rol spelen om de seksuele ontwikkeling van kinderen en jongeren met een migrantenachtergrond goed te laten verlopen. Daarvoor is het nodig om te kunnen gaan met diversiteit en het open en positief durven en kunnen aankaarten van seksualiteit bij jeugd en ouders.1 (voor voetnoten zie JA!-Plus 35 op www.artsenjgz.nl). Die rol van de JGZ is gewenst, omdat een deel van deze ouders nog niet vanzelfsprekend hun kinderen voldoende ondersteunt in het zelfstandig en weerbaar worden op dit specifieke terrein. Omdat zij zelf voldoende kennis tekortkomen, niet gewend zijn open over seksualiteit te praten en/of godsdienstige redenen hebben om dat niet te doen.2 Tegelijk is bekend dat ouderlijke steun en kennis leiden tot een latere start van de seksuele carrière van hun kinderen, tot beter anticonceptiegebruik, meer vaardigheden en grotere tevredenheid rond seksualiteit.3,4 Onderwijs en media compenseren dit deels, maar ook JGZ-medewerkers kunnen eventuele lacunes opvullen. Dit artikel beschrijft waarom dat belangrijk is, wat de JGZ kan doen, geeft tips over het omgaan met diversiteit en wijst de weg naar belangrijke vindplaatsen voor informatie rond seksualiteit (en diversiteit) voor ouders, jongeren en JGZ-professionals.

20

Milleke de Neef, Rutgers, en Bram Tuk, Pharos, bij de presentatie van hun boek ‘Welkom Op School’op de Lowan studiedag in april 2015.

Door: Milleke de Neef en Bram Tuk

NEDERLAND VOORLOPER, MAAR SOMMIGE JONGEREN PROFITEREN DAAR NIET VAN. Nederland kan trots zijn op de stand van zaken voor wat betreft de seksuele gezondheid.5 Liberale opvattingen over seksualiteit en seksuele voorlichting en vorming thuis, op school en via media zijn gewoon. Dat resulteert in een zeer laag abortuscijfer en een laag aantal tienerzwangerschappen dat nog steeds afneemt. Maar voor een deel van de jeugd verloopt de seksuele ontwikkeling minder voorspoedig. Zo is het abortuscijfer onder tienermeiden met een migrantenachtergrond juist (veel) hoger. Datzelfde geldt voor het aantal tienermoeders. 6,7 Jonge asielzoekers (15-19 jaar) die nog niet lang in Nederland zijn, lopen in vergelijking met de autochtoon

Nederlandse jongeren een (nog) groter risico op een ongewenste zwangerschap en abortus.8 Ook is er bij migrantenjeugd relatief vaak sprake van een afkeurende houding ten aanzien van homoseksualiteit.9

GEBREK AAN KENNIS COMPENSEREN Migrantenjongeren weten minder over veilig vrijen, zwangerschap en soa’s dan hun autochtone Nederlandse leeftijdgenoten.10 Zij kunnen met vragen niet vanzelfsprekend bij hun ouders terecht en weten ook de weg naar betrouwbare informatie niet goed te vinden.11 Jeugdartsen en jeugdverpleegkundigen kunnen ontbrekende kennishiaten van deze jongeren en hun ouders aanvullen. Ze kunnen ouders motiveren om, ook al is het wennen, met hun kinderen over seksualiteit in gesprek te gaan en hun bijvoorbeeld wijzen op cursussen


dat zij zelf voldoende kennis over seksualiteit hebben om hun kinderen te kunnen ondersteunen. Voor gezinnen en kinderen met een migrantenachtergrond, vooral als zij (oorspronkelijk) uit niet-westerse landen komen, is openheid over seksualiteit vaak niet vanzelfsprekend en is seksualiteit een ta-

‘Positief en ontspannen over seksualiteit in gesprek gaan, dat is de grootste uitdaging.’ zij hoe meisjes en jongens zich gedragen en met elkaar communiceren.2 Kinderen kunnen op school zelfvertrouwen ontwikkelen en leren om weerbaar te zijn. Beiden onontbeerlijk voor de seksuele interactiecompetentie. ‘Ik heb op de twee zwarte scholen waar ik ook werk ieder jaar opnieuw te maken met vijf à tien tienerzwangerschappen. Ik dring op die scholen aan op getrapte seksuele voorlichting vanaf de vroege adolescentie met heel veel herhalingen.’(citaat jeugdarts)

SEKSUELE INTERACTIECOMPETENTIE Voor een gezonde seksuele carrière is het begrip ‘seksuele interactiecompetentie’ een sleutelbegrip.12 Het gaat daarbij om specifieke cognities, emoties en (sociale) vaardigheden die nodig zijn en ingezet worden in de seksuele omgang met elkaar. Om een ongeplande zwangerschap te voorkomen, moet je kunnen anticiperen op seksueel contact, seks zonder anticonceptie kunnen weigeren en anticonceptie kunnen plannen, vooraf bespreken en toepassen.11

ELKAARS WERELDEN VERKENNEN De context waarin kinderen opgroeien speelt een belangrijke rol als het gaat om de seksuele ontwikkeling. Bijvoorbeeld hoeveel kennis zij aangereikt krijgen, de houding ten opzichte van seksualiteit en betekenissen en motieven ten aanzien van seks en relaties.13 Hoe reageer je als ouder op verondersteld seksueel gedrag van kinderen? Is seks plicht of plezier? Plezier voor beiden? Mag seks voor het huwelijk? Mag een jongere zelf ‘iedere’ partner kiezen? Kortom: seksualiteit is een onlosmakelijk onderdeel van de opvoed en opgroei-context, die op zijn beurt mede wordt bepaald door cultuur en religie en de migratiegeschiedenis. Maar ook de sociaaleconomische positie en het opleidingsniveau van ouder en kind spelen een rol.14 Als ouders laag geletterd zijn, is het onwaarschijnlijk

boeonderwerp.2 Overigens geldt dat ook voor andere Nederlandse jongeren met een streng christelijke achtergrond.15 Genderrolopvattingen (dat wil zeggen diepgewortelde vaak impliciete maar vastgeroeste ideeën over de invulling van mannelijkheid en vrouwelijkheid) zijn onderdeel van de seksuele interactiecompetentie16; 17 en spelen een rol bij het al dan niet tonen van seksueel risicogedrag.10 De grootste uitdaging voor de JGZ-professional is om op een positieve en ontspannen manier over seksualiteit in gesprek te gaan om elkaars werelden te verkennen. ‘De cliënt en ik begrijpen dat een maagdelijkheidsverklaring een wassen neus is, maar haar familie hecht er grote waarde aan.’ (citaat professional)

WELKE ONDERWERPEN ZIJN BELANGRIJK? Opvattingen van ouders en kinderen over maagdelijkheid, maagdenvlies, jongens- en meisjesbesnijdenis, homoseksualiteit kunnen afwijken van wat in Nederland bijvoorbeeld bij gezondheidsvoorlichters belangrijk en vanzelfsprekend gevonden wordt. Ouders en hun kinderen kunnen hierover ook onderling van idee verschillen. Kinderen en jongeren met een migrantenachtergrond moeten vaak schipperen tussen de opvattingen thuis, de straatcultuur en wat zij op school horen. Pas als we jongeren kunnen uitnodigen om met ons te delen hoe zij die vaak botsende werkelijkheden combineren, ontstaat inzicht in hun motieven, keuzes en beschermgedrag. Dat kan helpen als we hen adviseren over het maken van veilige, positieve keuzes rond seksualiteit. ‘Vanuit mijn geloof had ik heel vreemde ideeën over seksualiteit. Dat hadden wij allemaal. Maar toen op school een homoseksuele man en vrouw voorlichting gaven, zag ik opeens dat het normale mensen waren. Dat was zo

belangrijk voor mij.’ (jongen, 20 jaar, Azerbeidzjan).

WEES BEWUST VAN CULTURELE VERSCHILLEN, MAAR MAAK ZE NIET GROTER DAN NODIG Het is niet verstandig veel nadruk te leggen op het cultureel ‘afwijkend-zijn’. Noch kinderen en jongeren noch hun ouders zijn gelukkig met de categorisering allochtoon of migrant, ze willen wel in hun eigenheid gezien worden.18 Stigmatisering belemmert ook de grote individuele verschillen te zien. Soms aarzelen kinderen en ouders om een ‘Hollandse’ hulpverlener, die in hun ogen te weinig rekening houdt met hun opvattingen, in vertrouwen te nemen. Taboes en schaamte spelen bij seksualiteit bijna altijd een rol. Dat kan versterkt worden door culturele en religieuze opvattingen. Zo hebben slachtoffers van seksueel geweldservaringen met een niet-westerse achtergrond, weinig vertrouwen in professionele hulpverleners.19 En soms zullen jongeren en hun ouders ‘testen’ of de zorgverlener zich wel voldoende inleeft in hun achtergrond.

OVER HANDELINGSVERLEGENHEID HEENSTAPPEN. Zorgprofessionals kunnen zich bij het bespreken van seksualiteit handelingsverlegen voelen,20 wat nog versterkt wordt als men culturele verschillen verwacht. Dat kan leiden tot vermijdingsgedrag. Ga er niet vanuit dat ouders met een niet-westerse migrantenachtergrond geen vragen rondom seksualiteit hebben! Integendeel: ook migrantenouders hebben behoefte aan richtlijnen over hoe je vragen van kinderen rond seksualiteit het beste kunt beantwoorden.21 Bespreek met ouders waar hun waarden botsen met de omgeving en hoe zij hun weg vinden en ga bij kinderen en jongeren na hoe ze omgaan met eventuele spanning tussen taboes thuis en de werkelijkheid op straat en school.1 Leid ouders en kinderen die openstaan voor voorlichting en digitaal actief zijn, naar verantwoorde websites waar rekening wordt gehouden met hun achtergrond. Benadruk in gesprekken de grote individuele verschillen op dit terrein tussen mensen om daarmee wederzijdse vooroordelen te verkleinen en vraag aan ouders en jongeren welke onderwerpen voor hén moeilijk liggen. Benadruk dat de JGZ met álle kinderen en ouders gesprekken over seksualiteit voert en onderzoek samen de wederzijds beeldvorming en vooroordelen. ‘Ik ben bang wat ze in Nederland kinderen over relaties leren. Ze zijn hier heel open en ik zie vrouwen in korte

PRAKTIJK

voor ouders. Ook kunnen ze samenwerken met gezondheidsbevorderaars en schooldirecties om hier beleid op te formuleren.1 Docenten en leerkrachten onderschatten soms hun rol. Benadruk in contacten met het onderwijs hoe belangrijk de school is voor de seksuele ontwikkeling van kinderen. Daar leren

21


Help…… mijn kind krijgt tandjes! Tandjes krijgen is een natuurlijk proces, maar kan wel flink zeer doen. Ook kan een baby in die periode gevoeliger zijn voor rode billetjes, luieruitslag, koorts en soms oorpijn.

Hoe help je dan jouw kind door die lastige periode heen?

De oplossing is Gengigel®.

Gengigel® is een medisch hulpmiddel met op biotechnologische wijze geproduceerd hyaluronzuur, dat in natuurlijke vorm geconcentreerd in de buitenste laag van gezond tandvlees voorkomt en mede verantwoordelijk is voor het in stand houden van de juiste balans. Een doorkomend tandje kan de balans verstoren.

Gengigel®Baby is een kindvriendelijk gel, die eenvoudig op het tandvlees wordt aangebracht en door de specifiek op het jonge kind aangepaste smaak goed geaccepteerd wordt. Gengigel®Baby is vrij van suiker, alcohol, kleurstoffen en conserveermiddelen.

Met Gengigel® kan het ontstane tekort aan natuurlijk hyaluronzuur in het tandvlees worden aangevuld, waardoor de balans zich herstelt en de pijn en ook de andere irritaties afnemen.

Maak ook kennis met de unieke eigenschappen van Gengigel®Baby en het doorkomende tandje hoeft geen nare ervaring meer te zijn voor jouw kind.

Kijk voor meer informatie op:

www.gengigel.nl

Herkent u de jonge mantelzorger? 25% van de jongeren is jonge mantelzorger Jonge mantelzorgers zijn kinderen en jongeren t/m 24 jaar die opgroeien met een familielid dat chronisch ziek of gehandicapt is of een psychische aandoening heeft. Deze situatie kan een grote impact hebben op hun leven. Zij hebben vaak zorgtaken thuis voor hun familielid maar maken zich ook zorgen over de situatie. Het is daarom belangrijk deze groep vroegtijdig te herkennen, erkennen en ondersteunen.

Hoe kunt u jonge mantelzorgers ondersteunen? Actuele ontwikkelingen in de zorg vragen om meer gezinsgerichte ondersteuning. Hoe pakt u dit aan bij jonge mantelzorgers? Het webinar van Mezzo geeft hierover praktijkgerichte tips die u als jeugdarts goed kunt toepassen. Gastsprekers zijn ecologisch pedagoog en consulent Carlijn Lensink en jeugdarts Els Jonker.

Bekijk het webinar ‘Tips voor gezinsgerichte ondersteuning van jonge mantelzorgers’ www.mezzo.nl/jongemantelzorgers

22


broeken die hun lichaam laten zien. Op school douchen kinderen en ik wil niet dat jongens en meisjes elkaar kunnen zien.’ (citaat uit interview met recent in Nederland gearriveerde Syrische moeder over opvoeden in Nederland)

CULTUURSENSITIEF Open en cultuursensitief in gesprek gaan met elkaar, vraagt soms om oefening en training, zeker als het om seksualiteit gaat. Over welke onderwerpen praten kinderen wel of niet met hun vaders en moeders? Ben je je ervan bewust dat het ‘met de deur in huis vallen’ zoals in Nederland gebruikelijk is, voor migrantenjeugd en hun ouders bedreigend of onfatsoenlijk kan overkomen? Dat een indirecte benadering soms wel goed werkt.1 Leg bijvoorbeeld uit dat de informatie die je een jonge puber geeft misschien te vroeg komt, omdat hij of zij ‘nog niet zo ver is’, maar dat informatie voor ‘later’ nu al wel handig kan zijn. Vertel dat juist omdat de Nederlandse samenleving zo open is, kinderen en jongeren goed voorbereid moeten zijn. Benadruk dat de overheid van scholen,2 dus ook van JGZ-professionals, vraagt dat ze aandacht aan seksualiteit geven.

EIGEN WEERSTAND Het is verstandig je voor te bereiden op ongenuanceerde meningen en emoties van kinderen en ouders en hoe die kunnen botsen met uw eigen opvattingen en emoties. Bijvoorbeeld rond homoseksualiteit. Het helpt je te realiseren dat het ook in veel Westerse landen vele tientallen jaren geduurd heeft voordat nietheteroseksualiteit steeds meer geaccepteerd werd. Nieuwkomers hebben daar ook tijd voor nodig. Dat laat onverlet dat er afspraken, wetten en regels zijn. Als in het leerplan van school seksuele voorlichting staat, zal iedere leerling daar lessen over krijgen. En van discriminatie op basis van seksuele voorkeur mag zeker geen sprake zijn.

BENADRUK DE PRIVACY KEER OP KEER Migrantenouders willen vaak niet dat hun kinderen seksueel actief zijn voordat zij trouwen. Daarom vinden jongeren met een migrantenachtergrond privacy extra belangrijk. Ouders, broers, zusters, leerlingen en docenten mogen niet te weten komen dat jongeren al seksueel actief zijn en anticonceptie gebruiken. Herhaal daarom in gesprekken over seksualiteit

dat u wat u met hen bespreekt niet met naam en toenaam zult delen met anderen.

PRETTIGE VEILIGE SEKS Seksuele voorlichting en vorming thuis, op school en via media vullen elkaar aan. Daarmee wordt een basis gelegd voor prettige en veilige seks zonder onbedoelde zwangerschap, ziektes, pijn of dwang. Alle kinderen en ouders in Nederland krijgen met de jeugdgezondheidszorg te maken. Juist daarom kunnen jeudartsen en/of jeugverpleegkundigen voor kinderen die op dit gezondheidsterrein iets tekort komen een belangrijke rol spelen.

Voor literatuur en/of achtergrondinformatie zie JA!-Plus35 op www.artsenjgz.nl OVER DE AUTEURS: Milleke de Neef is senior consultant/onderzoeker bij Rutgers. Bram Tuk is senior adviseur bij Pharos. Recentelijk schreven ze ‘Welkom op school. Mentormethode en lessen relaties en seksualiteit voor nieuwkomers’. De methode kan gebruikt worden on internationale schakelklassen of andere vormen van onderwijs met nieuwkomers jeugd.

We vroegen Dr. Twitter vooruit te kijken naar de e-healthontwikkelingen voor de komende vijf jaar en wat dat voor de jeugdartsen gaat betekenen. In deze JA! enkele van zijn uitspraken. Het hele artikel vindt u in de JA!-Plus.

De bijdragen van Dr. Twitter zullen vanaf het volgende JA!-nummer niet meer als rubriek verschijnen. Wel blijft Ulco actief in de JA!-redactie en bovenal zult u zijn nieuwe bijdragen over e-health kunnen vinden op de website van de AJN.

Door: Els Jonker, John Luteijs ‘E-Health zal een toename van de digitalisering en een bredere diversiteit van

ons aanbod gaan betekenen. Dit betreft zowel contacten (online begeleiding, econsult, opvoedingsondersteuning), als informatievoorziening en voorlichting. Ook zal door de toename van de digitalisering gezond gedrag bevorderd kunnen worden op basis van Big Data. De JGZklant pakt meer de eigen verantwoordelijkheid voor diens gezondheid.’ ‘Praktisch zal iedereen die een mobieltje, tablet of pc kan bedienen met e-health aan de slag kunnen. Het kunnen lezen is hetzelfde als bij folders. Dat kunnen bepaalde groepen anderstaligen, laaggeletterden en licht verstandelijk gehandicapten niet. Voor dyslexie en autisme biedt de ICT van e-health wel handige hulpmiddelen, bijvoorbeeld met spraak. Het mooie van de digitale ontwikkelingen op dit moment is dat je – met relatief eenvoudige middelen – maatwerk kunt leveren. ’ ‘Voor de jeugdarts betekenen de nieuwe e-healthontwikkelingen dat je je er gewoon in moet verdiepen. Vraag de klant wat haar/zijn wensen op dit gebied zijn

en vraag je af: Wat past bij ons werkveld en levert dat ook voordelen op? Hierover is veel meer te lezen in mijn blogs op de AJN- website!’ ‘We moeten als JGZ oppassen voor uberisation: (kleine) bedrijven die met informatietechnologie bestaande spelers op de markt inhalen. E-health maakt concurrerende verdienmodellen voor organisaties buiten de gezondheidszorg mogelijk. ICT verlaagt de bedrijfskosten aanzienlijk en je koopt de experts daar gewoon op in. De dokter van Apple en Google en het e-consultatiebureau van een slimme entrepreneur loeren op deze grote markt.’ ‘Goedkope virtual reality scoort hoge ogen bij het positief beïnvloeden van gezond gedrag en het verhelpen van kleinere psychische en opvoedingsproblemen. Bijvoorbeeld een angststoornis kan binnen twee maanden verholpen zijn met een kartonnen VR-brilletje en app. Dus laten we als JGZ ook deze ontwikkelingen goed volgen en daar ons voordeel mee doen.’

PRAKTIJK

Digitale ontwikkelingen in de JGZ en diversiteit - 7 vragen aan dr. Twitter

23


specialist leerproblemen

We teach...

dyslexie diagnostiek PGB begeleiding dysorthografie TERUGKOMDAG VOOR GECERTIFICEERDE VISUSINSTRUCTEURS

scriptiebegeleiding examentraining faalangst dyslexie bij volwassenen

26 november 2015, Utrecht

INTRODUCTIECURSUS JEUGDGEZONDHEIDSZORG 0-19 - 8, 22, 29 januari, 12 februari, 4 maart en 1 april 2016, Utrecht - 22 maart, 5, 19 april, 24 mei en 21 juni 2016, Amsterdam

huiswerkbegeleiding complexe leerproblemen dyscalculie schooladvieskeuze

DE JEUGDARTS ALS WIJKARTS, VAN WIJKGEGEVENS TOT BELEIDSADVIES 21 januari en 22 maart 2016, Utrecht

NIEUW

www.diode-haren.nl

CYCLUS SAMENWERKEN IN HET WIJKTEAM - Veiligheid en kindermishandeling, 3 februari 2016, Utrecht - Samenwerken in het wijkteam, van privacy tot verantwoordelijkheden, 3 februari 2016 Utrecht - Ouders en vragen van nu, 20 april 2016, Utrecht - Eigen kracht in de wijk, 20 april 2016, Utrecht

DE JEUGDARTS: SLEUTELROL BIJ VERZUIMBELEID 9 februari en 26 april, Utrecht

PSYCHOPATHOLOGIE BIJ KINDEREN 16 februari en 9 maart 2015, Utrecht

JE WERKDRUK DE BAAS! 9 maart 2016, Utrecht

TRAIN-DE-TRAINERWORKSHOP VOOR VISUSINSTRUCTEURS 26 mei 2016, Utrecht

...interesse? Zie www.nspoh.nl voor toelatingseisen en informatie of bel 030 – 8100500

De NSPOH wil een waardevolle bijdrage leveren aan de verbetering van de volksgezondheid, de arbeidsomstandigheden en participatie in Nederland. Dit doen wij door professionals kwalitatief goed en vraaggestuurd op te leiden voor de hedendaagse praktijk van public en occupational health. Wij ontwikkelen en organiseren opleidingen, bij- en nascholing, in-company programma’s en symposia op academisch en post-hbo niveau.

24


Goede voeding voor het jonge kind. Welke rol pakt u? door Francis Riekhoff en Vera Hoondert, FrieslandCampina Institute

Gezonde voeding is belangrijk voor de groei en ontwikkeling van het jonge kind en legt een stevig fundament voor gezondheid op latere leeftijd. Een gevarieerde voeding met hoofdzakelijk basisvoedingsmiddelen levert hiervoor de benodigde waardevolle voedingsstoffen. Jeugdartsen Geja Jol en Inge Tissen vertellen over de rol van de jeugdgezondheidszorg als het gaat om de voeding van jonge kinderen. De eerste levensjaren leggen de basis voor de toekomst van het kind. Ouders spelen hierbij een cruciale rol, want het (voedings)gedrag van de ouder is bepalend voor de voedingsgewoonten die jonge kinderen ontwikkelen. Uit recent onderzoek van het Voedingscentrum in samenwerking met Motivaction (juli 2015) blijkt dat een kwart van de ouders met jonge kinderen het liefst door het consultatiebureau of de jeugdarts wordt geïnformeerd over goede voeding voor hun kind. ‘De jeugdgezondheidszorg is voor ouders dé plaats waar ze terecht kunnen met vragen en advies over voeding. Bij complexere (voedings)vragen wordt doorverwezen naar de (kinder)diëtist of bij een medische indicatie naar de kinderarts. Ouders hechten soms ook waarde aan informatie over voeding van vrienden of reclame. In mijn advies verwijs ik steeds naar de website van het Voedingscentrum’, aldus jeugdarts Inge Tissen. Aansluiten bij de belevingswereld van de ouders is essentieel. Geja Jol, jeugdarts: ‘Mijn advies aan de ouders is altijd om de voeding in kleine stapjes te verbeteren. Het lukt vaak niet om in één keer het voedingspatroon volledig aan te passen’.

MARKTVISIE

Een voedingspatroon met basisvoedingsmiddelen zoals melk en melkproducten, groente, fruit, brood, vis en vlees is van belang voor de inname van voldoende voedingsstoffen en legt samen met voldoende beweging de basis voor een gezond lichaam. ‘Aandacht voor variatie in de voeding is hierbij belangrijk. Steeds meer kinderen lijken te bepalen wat er gegeten wordt en hierdoor zie je soms éénzijdige voedingspatronen die moeilijk te doorbreken zijn. Ik adviseer de ouders dat zij bepalen wat en wanneer het kind eet, het kind bepaalt hoeveel het eet’, licht Inge Tissen toe. Het aanleren van een gezond eetgedrag ziet Geja Jol als een belangrijke taak van de jeugdgezondheidszorg: ‘Vanaf de geboorte is aandacht voor het aanleren van een gezond eetgedrag een belangrijk aspect van de voedingsadvisering. Nog te vaak wordt er teveel nadruk gelegd op de hoeveelheid voeding en niet op wat en hoe het kind eet. Voor kinderen is het belangrijk dat ze de juiste hoeveelheid voedingsstoffen binnen krijgen om te groeien en te ontwikkelen’.

26


In onderstaande tabel ziet u wat een jong kind gemiddeld per dag nodig heeft aan basisvoeding volgens de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum.

Inge Tissen en Geja Jol waren dagvoorzitter tijdens de Regiotour ‘Jong geleerd is oud gedaan. Nu de praktijk: van boodschap aan ouders naar gezond eetgedrag van het kind’. Deze Regiotour is in september en oktober 2015 georganiseerd door het FrieslandCampina Institute. Hoe communiceer je de ‘gezonde boodschap’ richting ouders stond deze dagen centraal. Het verslag van de Regiotour vindt u vanaf begin november op www.frieslandcampinainstitute.nl. Francis Riekhoff is diëtist, voedingskundige en manager bij het FrieslandCampina Institute

MARKTVISIE

Vera Hoondert werkt als gezondheidswetenschapper bij het FrieslandCampina Institute

27


‘Mijn jeugd heeft mij een passie gegeven om te ontdekken hoe het is voor kinderen om in andere culturen op te groeien.’

Steeds weer afscheid nemen en opnieuw beginnen - Column -

Over kinderen die enkele jaren in het buitenland gewoond hebben. Af en toe kom je ze tegen in je spreekkamer, kinderen die net weer teruggekomen zijn in Nederland nadat ze een aantal jaren met hun ouders in het buitenland gewoond hebben. Sommige hebben ‘even’ in Singapore gewoond, Dubai of Uganda. Soms hebben ze moeite met het Nederlands. Ze zaten op internationale scholen met veel verschillende nationaliteiten in de klas. Af en toe kom je gezinnen tegen die in meerdere landen gewoond hebben. Elke keer een nieuw arbeidscontract in een ander land. De ouders zijn diplomaten, zakenlui, medici, ontwikkelingswerkers om een paar mogelijkheden te noemen. Het klinkt exotisch en speciaal en zo zijn de verhalen vaak.

nale werkomgeving, mensen van zoveel verschillende nationaliteiten en talen om mij heen. Zonder dat ik moest verhuizen kwam de wereld aan mijn bureau. Ook zij hadden vaak een cultuurschok, net als ik. Voor mij heel herkenbaar. Zij verbaasden zich over de Nederlandse gewoontes, net als ik. Samenwerken met een Surinaamse huisarts, een verpleegkundige uit Nigeria en een collega arts uit Ethiopië. Achteraf gezien het meest bijzondere medische team waar ik in gewerkt heb. Mijn jeugd heeft mij een passie gegeven om te ontdekken hoe het is voor kinderen om in andere culturen op te groeien. Ik ben daar een blog over gaan schrijven. Ik ontdekte dat ik destijds een verborgen immigrant ben geweest. Ik groeide op als een ‘third culture kid’, daar was literatuur over te vinden. Graag zou ik in contact komen met andere collega’s die als kind in een andere cultuur opgegroeid zijn of die interesse in dit onderwerp hebben. De oproep voor deze JA! was wat het betekent als je eigen achtergrond anders is dan die van je collega’s. Dat vraag ik mij ook af. Daar ben ik nog steeds mee bezig. Als laatste wil ik jullie vragen om oog te hebben voor deze kinderen. Oog voor kinderen die opgroeien in andere culturen.

‘Ze worden wel eens vergeleken met een kameleon.’’ Er is wel een andere kant van het verhaal: vaak verhuizen, afscheid nemen, vrienden en vriendinnen achterlaten en steeds weer opnieuw beginnen. Hebben wij oog voor deze kinderen? Kijken wij door de mooie verhalen heen? Het zijn kinderen die zich soms snel aanpassen, ze moeten wel. Het is iets wat ze geleerd hebben, niet te veel opvallen. Ze worden wel eens vergeleken met een kameleon. Ze kunnen snel meekleuren met hun omgeving. Ze observeren goed om te overleven. Ze moeten wel..... Wat zijn hier de regels? De verwachtingen? Hoe werkt het hier? Hoe kan ik mij zo snel mogelijk aanpassen? Ook mijn jeugd was zo. Geboren in de Afrikaanse rimboe op het Zambiaanse platteland. Meer dan elf verhuizingen, huizen in drie verschillende landen (Zambia, Malawi, Zimbabwe), in vijf verschillende steden gewoond voor mijn achttiende jaar. Steeds weer afscheid nemen en steeds weer opnieuw beginnen. Op mijn negentiende ben ik alleen verhuisd naar Leiden om geneeskunde te gaan studeren. Ik was compleet onvoorbereid op de grote cultuurschok die mij te wachten stond. Ik bleek meer gevormd door Afrika dan ik me bewust was. In Zimbabwe was ik ‘the Dutch girl’, maar hier in Nederland voelde ik mij niet thuis. Ik dacht anders. Ik had heimwee naar Afrika. Het was overleven. Ik was eenzaam en somber.

Janneke Muyselaar-Jellema

OVER DE AUTEUR: Janneke Muyselaar-Jellema werkt momenteel in het LUMC in medisch onderwijs, zij is coördinator van het coschap sociale geneeskunde en tevens in de kinderrevalidatie. Blog: http://drieculturen.blogspot.nl Email: JZMuyselaar@gmail.com

@JMuyselaar en @DrieCulturen

OPINIE

Afrika zit in mij, maar je ziet het niet aan mij. Met mijn artsendiploma op zak ben ik gaan werken in het asielzoekerscentrum in Leiden. Ik voelde mij als een vis in het water. Een internatio-

29


Borstvoeding is de beste voeding voor zuigelingen

geïnspireerd door borstvoeding, gebaseerd op onderzoek Nieuw Hero baby Nutrasense

®

Op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten heeft Hero Baby een nieuwe generatie flesvoeding ontwikkeld, Hero Baby Nutrasense®. Geïnspireerd door de samenstelling van borstvoeding, bevat deze flesvoeding melkvet. Onderzoek van Hero Baby laat zien dat het toevoegen van melkvet en melkvetmembranen aan flesvoeding, bijdraagt aan een betere weerstand en hersenontwikkeling.* Bovendien bevat melkvet een hoog gehalte aan bèta-palmitaat. Een vetzuur dat bijdraagt aan een goede darmwerking (licht verteerbaar). Hero Baby Nutrasense® is verkrijgbaar vanaf juli 2015 bij supermarkt en drogist naast het vertrouwde assortiment van Hero Baby.

nu in handige nieuwe verpakking akking * Timby, N. et al. Am J Clin Nutr. 2014;99(4):860-8. 4):860-8. Timby, N. et al. J Pediatr Gastroenterol Nutr. 2015;60(3):384-9

Heromedisch.nl


‘Assimilatie kent grenzen, als dat maar duidelijk is!’ Culturele diversiteit: Assimilatie à la Lalonde - Column - Lalonde

Als niet-westerse allochtoon, een term overigens die ik niet vleiend vind klinken omdat ik die als discriminerend ervaar, heb ik vrij snel mijn plek gevonden in Nederland. Tijdens de eerste fase van mijn opleiding tot jeugdarts bij TNO leerde ik dat ik voldeed aan wat men ‘volledige assimilatie’ noemt. Ik spreek thuis Nederlands en kook en kleed me westers. Ik droom zelfs in het Nederlands (wat niet onder de definitie valt maar een vraag was van een familielid). De uitdagingen die dat assimileren mij hebben opgeleverd deel ik graag met mijn beroepsgenoten. Wellicht kan het inzicht geven in hoe ‘buitenlanders’ ermee kunnen worstelen? Of assimilatie vooroordelen kan helpen voorkomen laat ik open. Het eerste voorbeeld gaat over de sociale omgeving en taal. In India worden de meeste kinderen meertalig opgevoed. Engels is de kantoortaal (koloniale achtergrond), de moedertaal kan variëren (India kent 415 verschillende levende talen) en de nationale taal Hindi wordt vaak als tweede taal op school gevolgd. Mijn persoonlijke uitdaging was welke talen ik mijn kinderen zou meegeven. Ik besloot samen met mijn echtgenoot dat ik in het Engels zou praten en hij in het Nederlands. We kozen voor het Engels, omdat al mijn familieleden dit spreken en ook omdat ik de grammatica van mijn moedertaal (Tamil) niet perfect onder de knie had en heb. Dit tot groot verdriet overigens van mijn moeder, met wie ik in mijn moedertaal communiceer. In India is men gewend om talen door elkaar te gebruiken, maar hier in Nederland wordt dat niet gewaardeerd, een ontdekking waar ik nog altijd rekening mee houd. We verhuisden op het moment dat mijn jongste naar de basisschool ging en vanaf dat moment wilden beide kinderen thuis geen Engels meer spreken en gaf ik het op. Het werd puur Nederlands, thuis en buiten. Ik was dan ook heel blij toen ik hoorde van collega Anneke Kessler dat, als de basis in de jonge jaren is gelegd, dit vanzelf weer op oudere leeftijd goed komt. Taal kun je niet verleren. Ze heeft gelijk gehad. Beiden hebben een talenknobbel (genetische component) en kunnen aardig met familie communiceren. Assimilatie ten top!

deren van Indiase afkomst (zijn onderzoeksgroep bestond uit Hindoestaanse kinderen, de oorsprong van de Hindoestaanse bevolkingsgroep ligt via Suriname in India) zijn anders dan de ‘Nederlandse’. Dat wist ik niet, dat was tijdens mijn opleiding tot basisarts en jeugdarts niet bekend. Kinderen (en volwassenen) van mijn afkomst hebben een lichte lichaamsbouw. Bij eenzelfde BMI (Body Mass Index) als andere etnische groepen hebben wij een kleinere spiermassa en een grotere vetmassa. Dat geeft een verhoogd risico op diabetes en hart- en vaatziekten (ras of persoonsgebonden determinant). Ik wacht nu met smacht op meer landelijke aandacht voor de speciale groeicurves die zijn ontstaan dankzij het onderzoek van Jeroen. Terugkomend op de titel culturele diversiteit, met als voorbeeld mijn eigen gezin: assimilatie is mooi zolang je rekening houdt met de samenhang tussen de determinanten. Het ‘kind zijn’ van ouders uit India in Nederland (fysieke omgeving) die een andere taal vloeiend spreken (persoonsgebonden determinant), betekent niet automatisch dat ze Nederlander zijn en dezelfde leefstijl kunnen hanteren. Assimilatie kent grenzen, als dat maar duidelijk is! Aardig e-book: http://www.annefrank.org/nl/Educatie/Docentenportal/Actueel/2013/Oktober/Begin-bij-jezelf/

Vasanthi Iyer OVER DE AUTEUR: Vasanthi Iyer, jeugdarts, arts M&G, werkzaam bij TNO.

Jeugdartsen zijn zeer divers...

OPINIE

De tweede situatie is veel ingewikkelder. Op het consultatiebureau werd altijd gebruik gemaakt van de Nederlandse groeicurves. Mijn kinderen waren qua lengte gemiddeld (mijn dochter) of ruim erboven (mijn zoon). Hier kwamen geen opmerkingen over, maar wel over het gewicht, waar ik me als professional en als moeder overigens zelf ook zorgen om maakte. Ze waren altijd relatief vrij licht en pas sinds ik de promotie van collega Jeroen de Wilde heb bijgewoond weet ik dat dat voor hen normaal is. De afkapwaarde van over- en ondergewicht van kin-

31


Meetmoment op vijfjarige leeftijd

De ABCD-studie: onderzoek naar gezondheidsverschillen Sanne de Laat is onderzoeker bij de ABCD-studie: Amsterdam Born Children and their Development. In dit artikel laat ze zien hoe diversiteit in etniciteit en sociaaleconomische status tot gezondheidsverschillen bij kinderen leidt. (Voor verwijzingen van de eindnoten zie literatuurlijst in de JA!-Plus35).

ABCD-STUDIE

Door: Sanne de Laat, met medewerking van Marie-Louise Essink-Bot en Tanja Vrijkotte

Amsterdam geboren kinderen. Aanleiding waren de alarmerende verschillen in gezondheid tussen allochtone en autochtone kinderen in Amsterdam.2 De ABCD-studie volgt door middel van vragenlijsten, bloedbepalingen en gezondheidsmetingen de gezondheid van de kinderen en onderzoekt of de gezondheid wordt beïnvloed door leefomstandigheden en leefgewoonten tijdens de zwangerschap en in de eerste levensjaren. De studie is opgezet vanuit de GGD Amsterdam, het AMC en het VUmc en uitgevoerd in samenwerking met verloskundigen, gynaecologen en huisartsen.3 Projectleider dr. Tanja Vrijkotte is vanaf het begin betrokken bij de ABCD-studie. Inmiddels wordt de ABCD-studie door het AMC uitgevoerd en is jeugdarts Sanne de Laat één van de onderzoekers. De deelnemende kinderen zijn nu elf-twaalf jaar oud, de fase van de prepuberteit. Op dit moment loopt een nieuwe dataverzamelingsronde: fase 4. De moeder, de

WETENSCHAP

GEZONDHEIDSACHTERSTAND IN DE WIEG

32

Gezondheidsverschillen ontstaan al in de baarmoeder. De gezondheid van een kind wordt voor een groot deel bepaald door waar het wordt geboren. Kinderen van hoogopgeleide ouders groeien gezonder op dan kinderen van laagopgeleide ouders.1 De oorsprong van belangrijke gezondheidsproblemen bij kinderen (bijvoorbeeld overgewicht en ADHD) en volwassenen (bijvoorbeeld hart- en vaatziekten) ligt vaak al in de zwangerschap en de eerste levensjaren, blijkt uit de ABCD-studie. ABCD staat voor Amsterdam Born Children and their Development. Cohortonderzoek zoals de ABCD-studie levert belangrijke bouwstenen voor een evidence based jeugdgezondheidszorg.

In 2003 startte de grootschalige en langlopende ABCD-studie naar de gezondheid van ruim achtduizend in

vader, het kind en de leerkracht vullen hiervoor vragenlijsten in. Meer informatie is te vinden op www.abcd-studie.nl

Tijdbalk fasen ABCD-studie

ETNISCHE VERSCHILLEN Specifieke aandacht in de ABCD-studie gaat uit naar gezondheidsverschillen tussen bevolkingsgroepen. Zo bleek dat niet-westerse allochtone vrouwen in de ABCD-studie veel minder vaak foliumzuur gebruiken dan Nederlandse en westerse allochtone vrouwen (Ghanees 21%, Turks 25%, Marokkaans 26%, Nederlands 86%, westers allochtoon 78%). Etniciteit deelnemende moeders Land van herkomst moeders ABCD-studie, n=8266


Surinaamse, Antilliaanse en Ghanese vrouwen kregen vaker een te vroeg geboren kind of een kind met een laag

van hun baby en voedingsgewoonten. Turkse moeders gaven vaker aan een mollige baby mooi te vinden (43 v. 22%), ook waren zij vaker dan Nederlandse moeders bezorgd over de groei van hun baby (13 v. 4%). Turkse moeders gaven

‘De resultaten van de ABCDstudie illustreren dat verbanden tussen etnische herkomst, SES, overgewicht en cardiovasculair risicoprofiel complex zijn.’

overgewicht bij kinderen is de rol van de ouders erg belangrijk. Het ‘zien’ en onderkennen van overgewicht is daarbij cruciaal. Uit de ABCD-studie blijkt dat overgewicht bij kinderen op vijfjarige leeftijd door 80% van de moeders niet wordt herkend. Dat geldt nog sterker voor Turkse, Marokkaanse en Afrikaanse moeders. Ook geven Turkse en Marokkaanse moeders vaker aan dat ze hun kind te licht vinden, terwijl hun kind een normaal gewicht heeft (zie tabel).8 Deze cultureel bepaalde verschillen in opvattingen van wat een ‘goed’ gewicht is voor kinderen zorgen voor grote etnische verschillen in overgewicht op vijfjarige leeftijd. Kinderen van Turkse en Marokkaanse afkomst zijn vaker te zwaar. Turkse kinderen hebben als gevolg van overgewicht vaker een verhoogde bloeddruk-, glucose- en triglyceridewaarden (cardiometabool profiel). Marokkaanse kinderen hebben daarentegen een gunstig cardiometabool profiel, hoewel overgewicht bij hen ook vaker voorkomt.9 Dit laat zien dat we nog lang niet alles weten over de oorzaken en gevolgen van etnische verschillen in overgewicht.

geboortegewicht dan Nederlandse vrouwen. Obesitas van de moeder vóór de zwangerschap komt veel vaker voor bij allochtone vrouwen en geeft een verhoogd risico op vroeggeboorte, maar ook op een hoog geboortegewicht bij voldragen zwangerschap. Baby’s van niet-westerse afkomst groeien tijdens de eerste zes maanden van hun leven meer in gewicht en lengte dan autochtone baby’s. De oorzaak daar-

hun baby gemiddeld één melkvoeding per dag meer dan Nederlandse moeders. Als er vast voedsel werd geïntroduceerd voordat het kind zes maanden oud was, dan werd vaker voedsel gegeven zoals yoghurt en koekjes. Adviezen van de JGZ aan Turkse moeders zouden in kunnen gaan op de keuze van bijvoeding en op de frequentie van melkvoeding vanaf jonge leeftijd.6 Op twee- en driejarige leeftijd is het

Overgewicht deelnemers ABCD-studie op twee- en vijf-zesjarige leeftijd

Tabel. Percentage onderschatting van gewicht in de totale groep en per etniciteit Totaal

Nederlands

Afrikaanse afkomst

Turks

Marokkaans

Anders

Kind ongeacht gewicht

13.5

8.7

22.0

38.8

34.4

15.8

Kind met normaal gewicht

5.7

3.6

5.9

15.3

15.7

8.5

Kind met overgewicht/obesitas

79.1

73.0

87.9

92.3

82.2

79.1

Kind met overgewicht (n=235)

85.5

Ͳa

Ͳ

Ͳ

Ͳ

Ͳ

Kind met obesitas (n=57)

52.6

Ͳ

Ͳ

Ͳ

Ͳ

Ͳ

a.

van is niet helemaal duidelijk. Er zijn verschillen in voedingspatroon; zo geven Turkse moeders langer borstvoeding en Marokkaanse moeders vaker een combinatie van borst- en flesvoeding.5 Deze resultaten uit de ABCD-studie riepen

Percentages werden niet berekend vanwege kleine aantallen

percentage overgewicht bij Turkse en Marokkaanse kinderen in vergelijking met Nederlandse kinderen twee tot drie keer zo hoog. Het gewicht van de moeder vóór de zwangerschap en snelle groei van het kind in de eerste zes maan-

‘De ABCD-studie laat zien dat er duidelijke etnische en sociaaleconomische gezondheidsverschillen zijn bij jonge kinderen, bijvoorbeeld in overgewicht.’ nieuwe vragen op en waren reden om verder te onderzoeken hoe Nederlandse en Turkse moeders denken over de groei

den zijn factoren die deze verschillen deels verklaren.7 Voor de aanpak en preventie van

SOCIAALECONOMISCHE VERSCHILLEN De ABCD-studie besteedt ook speciale aandacht aan sociaaleconomische gezondheidsverschillen bij kinderen. Laagopgeleide vrouwen hebben meer risico op een vroeggeboorte en krijgen vaker een kind met een laag geboortegewicht (<2500 gram) of een kind met intra-uteriene groeivertraging. Roken blijkt een belangrijke verklarende factor te zijn.10 Tijdens de zwangerschap rookte 33% van de laagopgeleide vrouwen, 9% van de gemiddeld opgeleide vrouwen en 2% van de hoogopgeleide vrouwen minstens één sigaret per dag. Ter illustratie: bij alcoholgebruik tijdens de zwangerschap wordt juist het tegenovergestelde gezien. Hoogopgeleide vrouwen dronken vaker (36%) wel eens alcohol tijdens de zwangerschap dan gemiddeld- (23%) en laagopgeleide vrouwen (13%).11

WETENSCHAP

Niet-westerse vrouwen hadden weinig kennis over foliumzuurgebruik.4

33


Nutramigen is de juiste keuze bij milde, matige & ernstige KMA

igen AA Nutram nu is

Nutramigen LGG 1 & 2

Nutramigen PURAMINO

0-6 en vanaf 6 maanden

Vanaf de geboorte

Geschikt voor alle zuigelingen met KMA

Bewezen effectief6.

Hoge klinische werkzaamheid1

100% vrije aminozuren.

Snelle verlichting van de allergie signalen

Lage osmolariteit: 310 mOsm/liter.

Optimale voedingssamenstelling

Vetzuurprofiel: 47% van de calorieën uit vet,

2,3

Bewezen snellere opbouw van tolerantie

33% MCT-olie°^.

Lage kosten voor de totale behandeling

42% van de calorieën uit koolhydraten;

van KMA

lactosevrij.

4,5#

Kosher en Halal gecertificeerd. Ook geschikt wanneer een elementair dieet follow us on

facebook

noodzakelijk is.

www.facebook.com/NutramigenNL

Referenties: #Vergeleken met een caseïnehydrolysaat zonder LGG, een soja voeding, een rijsthydrolysaat en een voeding op basis van aminozuren. *studie omvat gezonde zuigelingen 1. Dupont C et al. Dietary treatment of cows’ milk protein allergy in childhood: a commentary by the Committee on Nutrition of the French Society of Paediatrics. British Journal of Nutrition 2012;107:325–338 2. Lothe L et al. Pediatrics. 1989;83:262-266. 3. Baldassarre ME et al. J Pediatr. 2010;156:397-401. 4. Berni Canani R et al. J Pedriatr. 2013;3:771-771 5. Berni Canani R et al. J Allergy Clin Immunol. 2012;129:580-582. 6. Burks W et al. Res. 2011;70:406-410. (Studie gedaan voordat MCT werd toegevoegd.) ^% van de totale hoeveelheid vet ~Nielsen Company, Juni 2012; ºMCT = middellange-keten-triglyceriden. Belangrijke opmerking: borstvoeding is de beste voeding voor baby’s. Nutramigen PURAMINO is een dieetvoeding voor medisch gebruik en moet onder medisch toezicht worden gebruikt. © 2015 Mead Johnson & Company, LLC. Dit materiaal is uitsluitend bestemd voor zorgprofessionals. Alle rechten voorbehouden. *Handelsmerk van Mead Johnson & Co 2015. © 2015 Mead Johnson & Company, LLC. All Rights Reserved. Trademark and copyright used under license. Mead Johnson Nutrition WTC Toren H, 17e verdieping, Zuidplein 142, 1077 XV Amsterdam. Servicenummer: 0800 - 44 55 001 (tijdens kantooruren).

04-2015

www.nutramigen.nl


In het eerste levensjaar groeiden ABCDkinderen met een laagopgeleide moeder sneller (0,26 SD; 95% CI 0.08-0.45) in gewicht in vergelijking met kinderen van hoogopgeleide moeders.12 Op vijfzesjarige leeftijd aten kinderen met lage sociaaleconomische status meer suikers en minder vezels.13

jeugdgezondheidszorg. Voor een goede JGZ-richtlijn is onderbouwing nodig vanuit verschillende studies. Het is als jeugdarts goed om kritisch te kijken naar ons eigen dagelijkse werk en naar onderzoeksresultaten. We moeten ons steeds afvragen of wat we doen ook onderbouwd en effectief is en past bij de doelgroep. De ABCD-studie laat zien dat er duidelijke etnische en sociaaleconomische gezondheidsverschillen zijn bij jonge kinderen, bijvoorbeeld in overgewicht. Deze verschillen zie je als jeugdarts in de spreekkamer en in ‘goede’ en ‘slechte’ wijken in de gemeente. Hoewel er nog veel onderzoeksvragen open staan, kunnen we toch al veel leren van de ABCD-studie. De JGZ-professional moet zich realiseren dat niet-Nederlandse ouders, maar ook veel Nederlandse ouders, hun kind met overgewicht vaak niet als te zwaar zien. Preventie om sociaaleconomische en etnische verschillen in overgewicht bij kinderen aan te pakken moet al heel vroeg starten. Verschillen in overgewicht zijn (deels) te wijten aan pre- en heel vroeg postnatale factoren: roken tijdens de zwangerschap (27%), BMI van de moeder voor de zwangerschap (20%) en groei in de eerste drie maanden (14%).15 Preconceptiezorg is een belangrijk instrument om overgewicht bij kinderen te voorkomen. Misschien is dat wel een belangrijk argument voor een rol van de JGZ in preconceptiezorg. Preconceptiezorg richt zich onder andere op het terugdringen van roken tijdens de zwangerschap, het bevorderen van kennis over het gebruik van foliumzuur en

‘De gezondheid van een kind wordt voor een groot deel bepaald door waar het wordt geboren.’ Het percentage kinderen met overgewicht op vijf- zesjarige leeftijd wisselt sterk per buurt in Amsterdam. Van de vijf- zesjarige ABCD-deelnemers uit Amsterdam Zuid-Oost had 18% overgewicht, in Amsterdam Centrum 4%. Kenmerken van de buurt waarin een kind opgroeit lijken nauwelijks van invloed te zijn op de BMI van vijf- zesjarige kinderen. Individuele en familiaire factoren (bijvoorbeeld. geslacht, kortere duur borstvoeding, laag opleidingsniveau moeder, hoge BMI ouders en niet-westerse herkomst) zijn op vijf- zesjarige leeftijd veel belangrijker als oorzaken van een te hoge BMI van het kind dan buurtkenmerken.14

BETEKENIS VOOR DE DAGELIJKSE PRAKTIJK VAN DE JGZ De resultaten van de ABCD-studie illustreren dat verbanden tussen etnische herkomst, SES, overgewicht en cardiovasculair risicoprofiel complex zijn. Toch, of misschien juist daarmee, levert de ABCD-studie een bijdrage aan de wetenschappelijke basis van de

het belang van een gezonde BMI van met name de laagopgeleide en/of allochtone vrouwen met een kinderwens. Vanuit de ABCD-studie is het advies aan de JGZ-professional om na de geboorte aandacht te geven aan de perceptie van de moeder over de groei van het kind. Daarnaast zou extra aandacht uit moeten gaan naar de frequentie van melkvoeding en de introductie van geschikte bijvoeding voor zuigelingen van nietNederlandse moeders.

A

B C

D

Amsterdam Born Children and their Development

Voor literatuur en/of achtergrondinformatie zie JA!-Plus35 op www.artsenjgz.nl OVER DE AUTEURS: drs. Sanne de Laat, onderzoeker ABCD-studie, jeugdarts KNMG en aios M&G tweede fase, afdeling sociale geneeskunde AMC. dr. Tanja Vrijkotte, projectleider ABCD-studie, afdeling sociale geneeskunde AMC. prof. Marie-Louise Essink-Bot, arts M&G en praktijkopleider, afdeling sociale geneeskunde AMC.

Kinderen aan het woord

In de JA!-Plus35:

Jeugdarts tegen een meisje uit groep 2: ‘Weet je waar ik naar luister bij jou van binnen?’ Meisje: ‘Naar God, want die woont daar.’

– Radicalisering van jongeren – Dr. Twitter over nieuwe ontwikkelingen en diversiteit – Verslag in woord en beeld van EUSUHM-congres, Tallinn, juni 2015 – Achtergronden en literatuurlijsten bij de artikelen in deze JA!35

Meisje (groep 3): ‘Ik ben verliefd op twee jongens’. Jeugdarts: ‘Ga je dan later met allebei trouwen?’ Meisje: ‘Nee, ik trouw met de één en de ander mag glitters gooien.’

Kijk op www.artsenjgz.nl

Een puber van het vmbo vertelde de uitslag van zijn IQtest aan de jeugdarts: ‘Ik ben 100%’..........

WETENSCHAP

De doktersassistente vraagt aan een jongetje met mooie krullen: ‘Zullen we ruilen?’ Antwoord: ‘Oh nee, bah, dan word ik een meisje!’

35


Met ons

beste eiwit*

Informatie alleen bestemd voor (Para)medici

NAN OPTIPRO 2 bevat ons beste eiwit*, ÂŽ

dat uniek is in zowel de kwaliteit als kwantiteit, exclusief van NestlĂŠ. De opvolgmelk om babyâ&#x20AC;&#x2122;s een stevige basis in het leven te geven. Kijk voor meer informatie op www.nestlebabyvoeding.nl

NANAJNJA092015

* Eiwitgehalte conform wetgeving

Belangrijke informatie voor (para)medici: de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)* heeft aanbevolen om zwangere vrouwen en moeders van zuigelingen te informeren over de voordelen en superioriteit van borstvoeding. In het bijzonder dat borstvoeding de beste voeding is, de beste bescherming tegen ziektes biedt en het voordeligst is. Moeders moeten ook voorlichting krijgen omtrent de manier waarop zij het geven van borstvoeding kunnen voortzetten en over het belang van de MYCNKVGKVXCPJWPGKIGPXQGFKPI)GFGGNVGNKLMIGXGPXCPĆ?GUXQGFKPIQHCPFGTGXQGFKPIUOKFFGNGPYQTFVCHIGTCFGPQOFCVJGVGGPPGICVKGXGKPXNQGFQRDQTUVXQGFKPIMCPJGDDGP$QXGPFKGPOQGVGPOQGFGTUIGYCCTUEJWYFYQTFGPFCVOQGFGTU PKGVVGTWIMWPPGPMQOGPQRJWPDGUNKUUKPIQOIGGPDQTUVXQGFKPIOGGTVGIGXGPGPFCVOQGFGTOGNMFGOGGUVGEQPQOKUEJGXQGFKPIKU9CPPGGTVQEJYQTFVDGUNQVGPQOĆ?GUXQGFKPIVGIGXGPKUJGVDGNCPITKLMQOFGLWKUVGKPUVTWEVKGUOGGVGIGXGP QOVTGPVJGVIGDTWKMXCPFG\GXQGFKPIGPGTQRVGYKL\GPFCVQPIGMQQMVYCVGTPKGVIGUVGTKNKUGGTFG\WKIĆ?GUUGPQHGGPQPLWKUVGDGTGKFKPIFGDCD[\KGMMCPOCMGP/GVXTKGPFGNKLMGITQGVGP0GUVNĂ&#x2026;$CD[XQGFKPI +PVGTPCVKQPCNGEQFGXQQTOCTMGVKPIXCP zuigelingenvoeding, zoals aangenomen tijdens de bijeenkomst van de wereldgezondheidsraad in resolutie WHA 34.22 mei 1981

NestlĂŠ: 150 jaar ervaring in babyvoeding


Onderzoek door jeugdartsen: Meer mogelijk dan je denkt Een van de doelen van de wetenschappelijke commissie van de AJN is het om jeugdartsen enthousiast te maken voor wetenschappelijk onderzoek.1 Het verhaal van jeugdarts Sanne de Laat is een voorbeeld van een bijzondere combinatie van de opleiding tot arts M&G en het doen van onderzoek.

studenten en kan zo mijn vak uitdragen. Op congressen kan ik presenteren. Ik werk op een kamer met twee anderen die ook aan de ABCD-studie werken; één daarvan is vooral bezig met praktische zaken zoals vragenlijsten sturen en ontvangen. Zo leer ik ook dit aspect van onderzoek uitvoeren. Op de universiteit hangt een sfeer van nieuwsgierigheid en creativiteit. Het is een heel andere omgeving dan de dagelijkse spreekuren bij de GGD.’

Interview met Sanne de Laat Door: Silvia van den Heijkant

Waar ben je momenteel zelf mee bezig? ‘Binnen de ABCD-studie houd ik me bezig met sociaaleconomische verschillen in de psychosociale ontwikkeling van kinderen. Hiervoor maak ik gebruik van de SDQ-vragenlijst. De kinderen die meedoen aan de ABCD-studie zijn nu elf en twaalf jaar oud. Er wordt nu een nieuwe meetronde gedaan waar bij ouders, kinderen en leerkrachten vragenlijsten worden afgenomen. Daarnaast worden bij duizend kinderen fysieke metingen gedaan. Soms is het lastig de kinderen te blijven volgen omdat ze verhuizen of geen interesse meer hebben. Het is een mooi onderzoek met veel longitudinale data sinds 2003. Het mooie is dat gegevens uit verschillende longitudinale studies, zoals ook de Rotterdamse studie Generation R, worden samengenomen om onderzoek mee te doen in consortia. Mijn eerste artikel met ABCD-data heb ik inmiddels geschreven en ligt nu ter beoordeling bij een internationaal wetenschappelijk tijdschrift.’

Hoe kom je aan deze bijzondere praktijkopleidingsplek? ‘Prof. Marie-Louise Essink-Bot, arts M&G en praktijkopleider bij de afdeling sociale geneeskunde van het AMC, heeft samen met Tanja Vrijkotte, de projectleider van de ABCD-studie, een opleidingsplaats gecreëerd voor een arts M&G uit de jeugdgezondheidszorg. Ik zag de vacature voor deze bijzondere opleidingsplek op de website van de AJN en heb meteen gereageerd.’ De afdeling sociale geneeskunde van het AMC is de eerste plek in Nederland die de mogelijkheid biedt voor een 2e fase opleiding in een academische omgeving. ‘Vanuit alle kanten is het een win-winsituatie. Het AMC legt zo vrij gemakkelijk een verbinding met de JGZ, de jeugdarts leert wetenschappelijk onderzoek doen en de GGD krijgt straks een arts M&G terug die ervaring heeft op onderzoeksgebied.’ Wat vind je van onderzoek doen? ‘Het is uitdagend om je goed te verdiepen in een onderwerp dat je erg interessant vindt. Het is leuk om met collega’s te maken te hebben die ook onderzoeker zijn en met studenten die hun wetenschappelijke stage doen. Het is bijzonder inspirerend om met studenten te bespreken wat ze willen en hen te vertellen over de JGZ. Ik geef ook onderwijs aan geneeskunde-

Hoe leg je de link tussen de wetenschap en de praktijk? ‘Ik leg de link door te praten met studenten over de JGZ, te presenteren op congressen en bij JGZ-instellingen en door mijn kijk op de JGZ in te brengen in het onderzoek. Om kwaliteit te kunnen leveren in de JGZ moeten we kritisch naar ons vakgebied kijken en wetenschappelijke onderbouwing leveren. Het leren uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek zit in de huidige 2e fase van de M&G-opleiding. Om meer jeugdartsen onderzoek te laten doen is er een denkslag nodig in de financiering en de notie dat jeugdartsen een waardevolle bijdrage kunnen leveren aan wetenschappelijk onderzoek.’

OVER DE AUTEUR: Silvia van den Heijkant is jeugdarts en onderzoeker en lid van de Wetenschappelijke Commissie van de AJN. FOTO VAN SANNE DE LAAT: Noekie van Lieshout VOETNOOT: 1 Voor meer informatie hierover zie: https://www.ncj.nl/actueel/nieuwsberichten/nieuwsartikel/?item=795

WETENSCHAP

Sanne, kun je iets meer over jezelf vertellen? ‘De afgelopen jaren werkte ik als jeugdarts bij de GGD Hart voor Brabant en deed uitvoerend werk op het consultatiebureau, basisscholen, speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en internationale schakelklassen. Nadat ik de eerste fase opleiding tot jeugdarts had afgerond ben ik direct aangenomen voor de 2e fase opleiding tot arts M&G. Dit doe ik vanuit de afdeling sociale geneeskunde van het AMC waarbij ik als wetenschappelijk onderzoeker een verbinding leg tussen de ABCD-studie en de JGZ. De ABCD-studie richt zich op gezondheidsverschillen tussen kinderen die geboren zijn in Amsterdam. Zie ook het artikel daarover in deze JA!’.

37


Diversiteit begint bij jezelf Diversiteitsdenken is begrijpen, niet beheersen. Nederland is een migratieland. Dat betekent onder andere dat we uiteenlopende individuen en bevolkingsgroepen kennen met verschillen én overeenkomsten. Dat betekent ook dat het onvermijdelijk is dat we elkaar niet altijd begrijpen. Jeugdartsen, onderwijzers, opsporingsambtenaren et cetera worden geconfronteerd met hun onbekende praktijksituaties en met vragen die culturele sensitiviteit1 vereisen. Een van hun taken is preventief op te treden bij ontwikkelings- en gezondheidsbedreigende problemen. Hoe kan de jeugdarts vanuit haar maatschappelijke verantwoordelijkheid ouders en jongeren opvangen, begeleiden en adequaat doorverwijzen? Wat en wie hebben zij daarvoor nodig? Thea Driessen, Arabiste en Turkologe, en Pam de Vos, jeugdarts, laten zien wat nodig is om met diversiteit om te kunnen gaan.

Door: Thea Driessen en Pam de Vos

OVEREENKOMSTEN EN VERSCHILLEN

PRAKTIJK

Nederland is een migratieland en herbergt individuen en groepen die van

38

VOETNOOT: 1 Culturele sensitiviteit is het vermogen je te verplaatsen in de ander, met oog voor de overeenkomsten en verschillen

Moeder en dochter elkaar verschillen in attitudes, cultuur, leeftijd, geloofsovertuiging, etnische achtergrond, geografische afkomst, sociaal-economische status, seksuele geaardheid, opleidingsniveau, vaardigheden en levenservaring. De mens voelt zich van nature meer op zijn gemak wanneer anderen op hem lijken. Ons referentiekader wordt gekleurd door onze culturele bagage. Onze waarden kunnen verschillen van die van anderen, net zoals onze opvattingen over opvoeding, hygiëne en culturele gebruiken. Als men

foto: Pixaby.com

verbinding wint aan autoriteit en samen tot een oplossing kunt komen.

SUIKERFEEST Een ander voorbeeld. Enkele jaren geleden organiseerde één van de schrijvers van dit artikel het Suikerfeest op de Montessori basisschool van haar dochter. Na een jaar lobbyen op school was het zover, hoewel het Suikerfeest voor moslims is wat Kerstmis is voor christenen. Leerlingen waren nieuwsgierig en stelden vragen, en het handjevol aanwezige moslimkinderen vertelde over de vastenmaand Ramadan, het Suikerfeest en hun thuiswereld. Moslimouders reageerden overwegend positief op het initiatief, een aantal autochtone ouders reageerde uitgesproken kritisch: ‘Moet dat nou echt?’. Onbekendheid met het onderwerp en onwelwillendheid zich te verdiepen in de ander kunnen leiden tot wij-zij-denken, wat bijdraagt aan onbegrip over-en-weer, spanningen, discriminatie en uitsluiting. Een voedingsbodem voor uiteindelijk radicalisering!

‘U hebt uw oordelen, vooroordelen en ervaringen.’ zich focust op verschillen – en vooral op de verschillen die we niet begrijpen –, is het lastig om te zien dat iedereen even mooi en interessant is. En dat we veel gemeenschappelijk hebben. Heel veel.

BUIKLIGGING Toch is het niet altijd eenvoudig om met verschillen om te gaan. Hoe ervaart u het als jeugdarts, wanneer een Turkse importbruid haar eerstgeborene tegen al uw adviezen in steevast op de buik in het wiegje te slapen legt? U wilt beiden het beste voor de baby, maar hebt verschillende opvattingen over wat dat beste is. Contact maken vanuit dat besef en geïnteresseerd zijn in het waarom van haar gewoonte, maakt dat u vanuit werkelijke

GEBEDSRUIMTE OP SCHOOL Stel, een Marokkaanse dertienjarige havo-scholier doet zijn beklag bij u dat de schooldirecteur geen ruimte ter beschikking wil stellen om regelmatig te kunnen bidden. Het zou budgettair niet mogelijk zijn en er waren te weinig moslimleerlingen op school om het rendabel te maken. Hoezeer u het antwoord van de


ACCEPTATIE VAN VERSCHILLEN Bij diversiteit gaat het dus om acceptatie van verschillen en de ontdekking dat er ondanks de verschillen meer overeenkomsten zijn dan op het eerste gezicht lijkt. Dat geldt ook als het gaat

heeft met collega-jeugdartsen. Instrueer iedereen te gaan staan bij een bevestigend antwoord op de volgende vragen: – Ik ben een man (/vrouw), wie nog meer? – Ik ben ouder dan 30/40/50 jaar, wie ook? – Ik heb een tijd in het buitenland gewoond, voor wie geldt dat ook? – Wie is er meer dan vijf keer in zijn leven verhuisd? – Wie is afkomstig van het platteland? – Van wie is één van de ouders in een ander land geboren?

‘Verschillen erkennen en er tegelijk vanuit gaan dat iedereen gelijkwaardig is aan elkaar, dàt is de uitdaging!’ om de zorg om kinderen. Ouders en jeugdartsen willen hetzelfde: dat het kind zich gezond ontwikkelt. Maar soms verschillen ze van opvatting over hoe dat het beste kan gebeuren. En over wat gezond, belangrijk en goed is. Die verschillen van opvatting kunnen voortkomen uit verschillen in kennis, waarden, tradities, religieuze en culturele overwegingen. Daarom is acceptatie ervan belangrijk, want pas dan is het open gesprek mogelijk. Dat vraagt om een houding van oprechte nieuwsgierigheid, aandachtig luisteren, respect, openheid en bescheidenheid. De basisvaardigheden van ons als jeugdarts, dus.

NIET BEGRIJPEN/NIET BEGREPEN WORDEN? Het is voor een jeugdarts belangrijk om in het gesprek met de ander ook inzicht te hebben in waarom u zelf denkt zoals u denkt. U bent immers geen onbeschreven blad. U hebt uw oordelen, vooroordelen en ervaringen. Het gaat erom te ontdekken waarom u denkt zoals u denkt. Dan gaat het zowel om diepliggende fundamentele overtuigingen, als ook om heel praktische zaken: Welke waarden heeft u als individu van huis uit meegekregen? Wat heeft u als jeugdarts vanuit uw opleiding en beroepshouding meegekregen? Verlopen uw consulten bij voorkeur volgens een vast protocol of bepalen de vragen van de ouders de agenda? En wat doet het met u, als u de ander niet begrijpt door gebrek aan kennis of belangstelling? Onderwerp uzelf eens aan de volgende oefening wanneer u een teamoverleg

– Wie heeft géén kinderen? – Wie is gelovig? – Wie heeft vrienden van een andere culturele afkomst? – Wie heeft een partner van hetzelfde geslacht? – Wie heeft géén financiële zorgen? – Wie maakt zich zorgen om zijn kind? Hoe was het voor u om deze vragen te stellen? Hoe voelde het als u als enige opstond? En als er meerdere mensen positief reageerden? Wist u hoe divers de personen in uw vertrouwde omgeving zijn? En ook, hoeveel u overeenkomt? Verschillen erkennen en er tegelijk vanuit gaan dat iedereen gelijkwaardig is aan elkaar, dàt is de uitdaging!

VAN SUBTIELE UITSLUITING TOT RADICALISERING Door uzelf deze vragen te stellen is het mogelijk om inzicht te krijgen in uw eigen visie op diversiteit en antwoorden te zoeken op maatschappelijk relevante vragen zoals: Hoe gaat u om met – aanvankelijk vaak subtiele en moeilijk herkenbare – uitsluitingsmechanismen als armoede, discriminatie, gebrek aan opleiding en geringere kansen op de arbeidsmarkt? Hoe gaat u om met jongeren die op zoek zijn naar een nieuw houvast? Wat doet u met jongeren die worstelen met hun identiteit? Hoe stelt u zich op tegenover jongens en meiden die zich uit frustratie afzetten tegen de samenleving waarin zij leven, tegen de gevestigde moskeeën die in hun ogen te weinig maatschappelijke betrokkenheid tonen, en die dromen van een heldhaftig bestaan? En hoe gaat u om met radica-

lisering1 van jongeren, met jongeren die zich aangetrokken voelen tot de ‘zuivere’ Islam zoals in de tijd van de Profeet Mohammed en die door IS naar Raqqa in Syrië worden gelokt?

PREVENTIEF OPTREDEN OF CONTROLEBEHEERSING? Wat kan jeugdgezondheidszorg hierin betekenen? Vanuit diversiteitsoogpunt verdient het de voorkeur zich allereerst goed te verdiepen in de problematiek. De jeugdarts weet als geen ander dat het jongeren eigen is om op zoek te gaan naar een eigen identiteit en zich af te zetten tegen hun (al dan niet traditioneel-religieuze) ouders en/of omgeving.2 Jongeren met een migratie- of vluchtelingenachtergrond willen een eigen plek en erkenning voor een zelfgekozen identiteit. Daarin verschillen ze in principe weinig van oer-Hollandse jongeren. Migrantenjongeren kiezen echter vaker voor een identiteit die met hun godsdienst, zoals met de Islam, samenhangt. Het praktisch beoefenen van gebod en verboden, het ervaren van zingeving en begrijpen hoe ‘de’ Islam in elkaar zit, geven het gewenste houvast.3 ‘Vooral veelal autochtone ‘Internetislamieten’, die de Islam niet van huis uit hebben meegekregen en alle informatie aan Google ontlenen in plaats van aan het Heilige Schrift, zijn vatbaar om meegezogen te worden in de IS-propaganda’, aldus Youssef Noudri, sportschoolhouder in Den Bosch.4

ATTITUDE WIJZIGEN Om preventief op te treden, is behalve meer kennis vooral meer belangstelling voor en verdieping in de leefwereld

VOETNOOT: 1 Bij radicalisering gaat het om extreem gedrag, waarbij een kleine groep probeert een bepaalde ideologie met gebruikmaking van geweld door te voeren. Die ideologie heeft nationalistische, racistische, politieke (van extreem links tot ultra rechts) en/of religieuze motieven als basis. In dit artikel wordt alleen gesproken over radicalisering bij moslimjongeren en/of bekeerlingen, die aangetrokken worden door het gedachtengoed van de Islamitische Staat (IS). 2 AIVD, Transformatie van het Jihadisme in Nederland, 2015. De AIVD bevestigt dat er bij de tweede en derde generatie nog altijd een behoefte is aan een eigen identiteit. 3 Mohammed Ajouaou, Wie is moslim? Geloof en secularisatie onder westerse moslims, Meinema, 2014, ISBN 9021143763. Ajouaou is hoofd islamitische geestelijke verzorging bij DJI. 4 http://www.nivm.nl/nieuws/wijkfunctiehambaken-gym-goed-zichtbaar-%281%29. aspx

PRAKTIJK

schooldirecteur ook kunt begrijpen, de meeste kans op dialoog en begrip voor elkaars waarden en standpunten bereikt u met vragen als ‘Ahmad, vertel mij eens waarom dit voor jou zo belangrijk is? En waarom zou een gebedsruimte ook goed voor de school zijn? Heb je al ideeën hoe je dit wil aanpakken?’

39


van de jongeren nodig. Polarisatie1 en radicalisering zijn hot items (zie ook het verdiepingsartikel in de JA!-Plus35). Er is dan ook veel voorlichtingsmateriaal voorhanden.2 Om werkelijk verbinding te maken met de belevingswereld van jongeren zijn ook voor jeugdartsen vragen interessant als: Hoe denkt een jongere een goed mens, een goede moslim te kunnen zijn? Hoe kunnen we een bekeerling behoeden voor het omhelzen van een te rigoureuze variant van het nieuwe geloof? En: Hoe bereik je samen met de ketenpartners dat een uit Syrië teruggekeerde Jihadist kan re-integreren en niet louter op zijn misstap wordt aangesproken? Dat zijn kinderen bínnen het gezin kunnen opgroeien en weer ‘kind’ kunnen zijn? Wat niet volstaat zijn louter boekenkennis en damage control in de zin van repressieve maatregelen als paspoortinname, stopzetting van uitkering, uithuisplaatsing van kinderen en het verlies van VOETNOOT: 1 Het proces waarbij tegenstelingen tussen bevolkingsgroepen zodanig worden verscherpt dat deze tegenover elkaar komen te staan 2 De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Nederlands Jeugd Instituut (NJI) onderhouden kennisdossiers over radicalisering, met daarin veel aandacht voor signalering en preventie. Het NJI heeft concrete antwoorden voor instellingen uit onderwijs, jeugdzorg en welzijn hoe om te gaan met radicalisering.http://www.vng.nl/ onderwerpenindex/veiligheid/nieuws/aanpak-radicalisering-meld-u-aan-voor-onlinenetwerk; http://www.vng.nl/onderwerpenindex/veiligheid/aanpak-radicalisering; http:// ww.nji.nl/nl/Kennis/Dossiers/Radicalisering en http://www.nji.nl/nl/Publicaties/Polarisatie-en-radicalisering-bij-jongeren.html Bij vragen kan de jeugdarts advies inwinnen via de stafarts en/of de aandachtsfunctionaris kindermishandeling binnen de eigen organisatie, en via http://medischcontact. artsennet.nl/Home.htm. 3 Frank van Gemert, Straatkrediet. Biografie van Said Bensallam, Just Publishers, 2015, ISBN 9789089755902

PRAKTIJK

4 Een djellabah is een lang, losvallend traditioneel gewaad met lange mouwen en capuchon, die met name in Marokko door mannen en vrouwen wordt gedragen

40

het Nederlanderschap, zoals die nu van overheidswege plaatsvindt. Benader ouders en (gelovige) jongeren, ook de radicaliserende jongere en de ex-Jihadist, als gelijkwaardige gesprekspartners. Vraag door naar wat ze nodig hebben om in de samenleving mee te kunnen doen en beslis, waar mogelijk, gezamenlijk. Houd er rekening mee dat een aantal (migranten)ouders niet beseft dat opvoeding méér is dan gehoorzaamheid afdwingen. Said Bensallam,3 jongerenwerker in Amsterdam-West, verwijst naar het succes van wijkgerichte sportscholen, waar – vaak anders dan in het thuismilieu – wél ruimte is voor de goede dingen, talenten en interesses van een jongere en waar frustraties in goede banen worden geleid.

SAMENWERKEN Werk samen met mensen als jongerenwerker Bensallam en sportschoolhouder Noudri. Deze laatste is in Den Bosch dè verbindende factor tussen jongeren, ouders, school, buurtgenoten en politie. Zij kunnen radicaliserende jongeren en bekeerlingen voorhouden dat zij zich weliswaar met de meest complexe theologische vraagstukken bezighouden, maar dat ze de basisrituelen van het geloof niet kennen; dat zij bijvoorbeeld al-Fatiha, het openingsvers uit de Koran (het Onze Vader voor christenen), niet kunnen reciteren. Zij kunnen in gesprekken benadrukken dat het er bij religie vooral om gaat kritisch te zijn en zélf na te denken. Ook islamitisch geestelijk verzorgsters kunnen moslima’s erop wijzen, dat het er niet om gaat uit religieuze geschriften absolute waarheden te destilleren. Laagdrempeligheid, zichtbaarheid, het gesprek aangaan en spiegelen zijn de sleutelwoorden om actief samen te werken met alle partners binnen het sociale domein.

JUISTE SIGNALEN SNELLER HERKENNEN Kort na de aanslag op Charlie Hebdo in Parijs in januari jl., verscheen in diverse media de oproep ‘il ne faut pas

fair l’amalgame’, vrij vertaald ‘gooi niet alle moslims op een hoop’. Iemand met lange baard en djellaba4 hoeft er geen IS-sympathieën op na te houden, en een meisje met een hoofddoek spreekt niet per se gebrekkig Nederlands. Zo is het ook een misvatting om te denken dat radicalisering een probleem is dat alleen bij moslims en adolescenten of alleen in de grote steden voorkomt. Omdat radicalisering moeilijk is te duiden, en ook sympathisanten zelf soms niet doorhebben dat ze radicaliseren, is het belangrijk om in uw gemeente en wijk samenwerking te zoeken met jongerenwerkers, sportscholen en islamitisch geestelijk verzorgsters. Ook buurtgenoten, opsporingsambtenaren, jeugdartsen en scholen hebben elkaar nodig om laagdrempelige, wijkgerichte ondersteuning te bieden.

JEUGDARTS, GRIJP UW KANSEN Jeugdartsen maken deel uit van een samenleving die niet goed raad weet met diversiteit in het algemeen en met fenomenen als polarisatie en radicalisering in het bijzonder. De jeugdarts heeft een maatschappelijke verantwoordelijkheid zich actief en preventief te bemoeien met jongeren (en hun ouders) die zich in de gevarenzone bevinden en in de ban zijn van radicalisering. Diversiteit is een dynamisch proces, een proces van reflectie op de eigen waarden en denkwijze, van zoeken naar overeenkomsten en verschillen tussen jou en die ander, en tot slot het bestaan van verschillen accepteren. Een sfeer van ‘ont-moeten’ maakt het mogelijk om ook zonder kennis vooraf het gesprek aan te gaan en de ander te leren begrijpen – zonder het met elkaar eens te hoeven zijn. Een open attitude, bescheidenheid, oprechte nieuwsgierigheid, aandachtig luisteren, respect, spiegelen en lef om door te vragen, zijn de vaardigheden om voor u onbekende verschijnselen zoals radicalisering, bespreekbaar te maken. Essentieel is het de ander als gelijkwaardige gesprekspartner te betrekken bij het zoeken naar oplossingen. In het diversiteitsdenken ligt de focus dus niet zozeer op het beheersen van verschillen, maar vooral op het begrijpen ervan. Jeugdarts grijp uw kans! In de JA!-Plus35 vindt u ter verdieping een artikel van de beide auteurs over radicalisering van Islamitische jongeren. (zie www.artsenjgz.nl).

OVER DE AUTEURS: Thea Driessen, Arabist & Turkoloog, snaroloog@gmail.com; Pam de Vos, jeugdarts KNMG, p.de.vos@ggdhvb.nl


Kinderrechten - Kinderparticipatie Tijdens het EUSUHM-congres in juni in Tallinn ontving ‘onze’ Wike Lijs de derde prijs voor haar posterpresentatie over kinderrechten. In deze JA! vertelt Willemijn Dupuis, directeur van KinderrechtenNU, meer over de Kinderrechtenchecklist, de KinderMeldcode en kinderparticipatie en over hoe ook de jeugdarts kan bijdragen aan die kinderrechten.

loslaten eigen belang en doelen verantwoordelijkheid delen

luisteren naar

samen oplossen

genoeg tijd nemen

Door: Willemijn Dupuis ‘Maar wat moeten wíj doen als het met een vriendinnetje of klasgenootje niet goed gaat? Vaak weten wij dat eerder dan volwassenen! Wat moeten wij dan doen, wat is ons protocol?’ Het was Simone Aumaj, een twaalfjarig meisje, dat in 2009 deze woorden uitsprak tijdens een bijeenkomst over de Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling. Simone had, net als honderden andere kinderen in de leeftijd van negen tot twaalf jaar van diverse culturele en sociale achtergronden, bijgedragen aan het opstellen van de Kinderrechtenchecklist en was als jeugdambassadeur bij de bijeenkomst aanwezig. De toenmalige staatssecretaris en de wethouder van Rotterdam spraken een zaal vol professionals toe over die meldcode toen Simone opstond en bescheiden, maar helder en duidelijk haar vraag stelde. Iedereen was stil….. Het was een belangrijke vraag en het is nog steeds een belangrijke vraag. Want zeker als het gaat om situaties als pesten, armoede, mishandeling en huiselijk geweld moeten kinderen weten dat ze en hoe ze voor zichzelf en voor hun vriendinnetjes of klasgenoten aan de bel kunnen trekken. Kinderen weten heel goed wat zij nodig hebben om op te groeien, en wat niet! Daarom heeft KinderrechtenNU samen met kinderen en met advies van hoogleraar Rechten van het Kind Jan Willems en psycholoog en schrijfster Martine Delfos, de Kinderrechtenchecklist opgesteld. Deze bevat een overzicht van de kinderrechten, dus ook met betrekking tot lichamelijke en psychosociale ontwikkeling en de gezondheid. De checklist vormt een leidraad om kinderen te laten praten over hun leven en hun leefomgeving en maakt daardoor moeilijke onderwerpen bespreekbaar. Sinds 1 juli 2013 is de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling van kracht. Deze wet verplicht beroepskrachten de meldcode te gebruiken bij signalen van geweld of kindermishandeling. Maar zoals Simone in 2009 signaleerde, deze meldcode biedt geen handvat voor kinderen. Daarom heeft KinderrechtenNU, opnieuw samen met de kinderen en geadviseerd door deskundigen, de KinderMeldcode ontwikkeld en aan de Kinderrechtenchecklist toegevoegd. Het kinderprotocol is kort en krachtig: Zoek een volwassene die je vertrouwt, die naar je luistert en die je helpt.

serieus nemen Kinderparticipatiecirkel Door de Kinderrechtenchecklist onder de aandacht te brengen van kinderen, ouders en professionals en zelf toe te passen in het dagelijks werk, kan de jeugdarts bijdragen aan kinderparticipatie: kinderen zelf leren praten over alle onderwerpen die hen aangaan. De checklist helpt onderwerpen bespreekbaar te maken en rekening te houden met wat voor dit kind, dit gezin, in deze cultuur belangrijk is. Kinderparticipatie is meer dan rekening houden met kinderen. Om te komen tot een volwaardige inbreng van kinderen, heeft KinderrechtenNU instrumenten ontwikkeld voor gemeente en onderwijs. Voor de jeugdarts en de jeugdgezondheidszorg is vooral de Kinderparticipatiecirkel en de kinderparticipatiecheck interessant: Mag een kind eerst het woord nemen om zijn verhaal te vertellen? Stimuleer je een kind om zijn verhaal zelf te doen? Neem je het verhaal van een kind serieus en maak je samen met het kind een plan van aanpak? En informeert de JGZ kinderen over welke hulp zij kunnen bieden, mogen kinderen ook zonder hun ouders bij de JGZ binnenlopen? November is de Maand van de Kinderrechten, 16 tot en met 23 november de Week tegen de Kindermishandeling en 20 november de Internationale Dag van de Rechten van het Kind. Met de Kinderrechtenchecklist en de KinderMeldcode, en met de methodiek Kinderparticipatie en Kinderrechten, draagt KinderrechtenNU bij aan het veilig opgroeien van kinderen en het naleven van de Kinderrechten in Nederland. De instrumenten bieden ook de jeugdarts handvatten om te komen tot een jeugdgezondheidszorg waarin kinderen recht gedaan wordt en werkelijk participeren. Meer info over KinderrechtenNU, de checklist en de methodiek op www.kinderrechten.nu

OPINIE

En wanneer een kind jou in vertrouwen neemt, stel dan de vraag: ‘Wat heb jij (van mij, van een ander) nodig om op te groeien, wat heb jij nodig om een ander kind te helpen?’

41


Twee boeken: genderblik en oog voor de jeugd

Door: Els Jonker ‘Een consult is verre van genderneutraal’ is de titel van de eerste column in Oogwenk. Een treffende binnenkomer van deze bundel met veertig eerder gepubliceerde patiëntenverhalen en columns van voormalig huisarts en hoogleraar Vrouwenstudies Medische Wetenschappen Toine Lagro-Janssen. En hoewel haar verhalen plaatsvinden in de huisartsenpraktijk, zetten ze ook mij als jeugdarts aan tot nadenken over diversiteit. Want die eerste column lezend: hoe zit het eigenlijk in de JGZ met genderspecifieke klachtenpatronen? Verwachten ouders en kinderen ook andere kwaliteiten van manlijke jeugdartsen dan van vrouwelijke? Ervaren wij vaders ook als makkelijker en minder veeleisend? En wat weten we over verschillen in uitvoering tussen manlijke en vrouwelijke jeugdartsen? In vrijwel iedere column observeert Lagro-Janssen met een gendergevoelige bril een voorval of thema uit haar eigen praktijk, en verbindt die met wetenschappelijk onderzoek of ontwikkelingen in de zorg. Sommige onderwerpen in het boek (zoals dementie of terminale zorg) staan wat verder af van de JGZ, maar ook dan daagt Lagro me uit na te denken over mijn eigen gender- en contextblik, en die van de JGZ.

‘Lagro daagt me uit na te denken over mijn eigen gender- en contextblik, en die van de JGZ.’ Lagro schrijft uiterst plezierig, de columns zijn overduidelijk geschreven voor een artsenpubliek en doen je grinniken en nadenken tegelijk. Een aanrader dus.

PLATFORM

Toine Lagro-Janssen (2013): Oogwenk. Een genderblik op huisartsenzorg. Nijmegen. In de Walvis/Boekhandel Roelants. 112 pag. ISBN 978 90 74241 29 8. €12,50

42

Ook in de recente trendstudie van het Nederlands Jeugdinstituut Die jeugd van tegenwoordig komt ‘diversiteit’ in bijna alle hoofdstukken aan bod. De auteurs bespreken aan de hand van actuele thema’s het opgroeien en opvoeden van de Nederlandse jeugd door stellingen uit het maatschappelijk debat en publieke opinie te combineren met feiten uit de praktijk en onderzoek. Steeds is er oog voor de jeugd in het algemeen en specifieke groepen jongeren in het bijzonder. Bestudering van de literatuurlijst roept bij mij wel de vraag op of en hoe de JGZ had kunnen bijdragen aan een (nog) completer beeld over de jeugd van tegenwoordig, ik herken nu slechts enkele publicaties uit ons vakgebied! De plezierige schrijfstijl en de caleidoscopische opzet van Die jeugd van

‘NJi-studie: een absolute must voor iedere jeugdarts!’ tegenwoordig maakt het ook voor de jeugdarts uiterst actueel en bruikbaar. Ieder hoofdstuk zet aan tot nadenken over ook de eigen meningen en veronderstellingen. Een absolute must voor iedere jeugdarts! K. Bakker, E.J. de Wilde en H.Kooijman (2015). Die jeugd van tegenwoordig, over opvoeden en opgroeien in Nederland. Utrecht. NJi. 115 pag. ISBN 978-90-8830-212-1. €12,50. Te bestellen via www.nji.nl


Waar werkt de jeugdarts? Diversiteit alom! Juan Manterola

Waar werkt de jeugdarts? Dat haar en zijn werkterrein divers is, blijkt als we struinen door het AJN-overzicht met werkgevers! Dat zijn er met 1204 leden maar liefst 125! De GGD is natuurlijk een bekende werkgever, maar was u al bekend met ‘Aafje’? … Een veelzijdig zorgconcept. Ook hier werkt een AJN-lid. Net als over de grens, met jeugdartsen op Aruba en in Zürich. Verder vind je jeugdartsen bij Jeugdbescherming Overijssel en bijvoorbeeld revalidatiecentrum Roessingh in Enschede. Een drietal collega’s vertelt over hun werkplek/expertise.

Door: Louise Dijkmans, medewerker communicatie AJN

Wico Mulder

Wenda Berends

mbo. Ook was hij nauw betrokken bij de realisatie van het adolescenten-contactmoment, jouwGGD.nl, sam-amsterdam.nl en vele andere initiatieven. Preventie staat hoog in het vaandel bij Wico. ’Persoonlijke ontwikkeling heeft ook alles te maken met preventie’, stelt hij. Dat bracht hem bij Mind&Health: ‘Hier bieden we mensen een brede integrale screening voor leefstijl (en de gevolgen daarvan). We richten ons op fysiek en mentaal functioneren, van bewegings- tot persoonlijkheidsanalyse, afgestemd op iemands wensen. Het zijn veelal mannen en vrouwen van 30+ met een intensieve baan die zoeken naar een betere balans tussen werk en privé. Ze willen zich vitaler en energieker voelen. Denk daarbij aan een controle van conditie, vetpercentage, bloedwaarden, voeding en bijvoorbeeld de hersenfunctie. Na de screening breng ik een advies uit en zoek ik een coach die bij de persoon past. In honderd dagen tijd werk je dan samen met een leefstijlcoach om de veranderingen duurzaam te maken.’

VAN GGD NAAR KINDERREVALIDATIE

PERSOONLIJKE ONTWIKKELING EN PREVENTIE Collega-jeugdarts Wico Mulder verdeelt zijn tijd tussen de GGD Amsterdam (vier dagen) en Mind&Health in Naarden, waar hij sinds drie jaar werkt als stafarts. Rode draad voor Wico is innovatie en ontwikkeling. Voor de GGD maakt hij zich sterk voor vernieuwende zorg voor mbo-leerlingen. Zo ontwikkelde hij het mbo-product, een protocol voor ziekteverzuim op het

‘Diversiteit is er onder AJN-leden ook qua expertise.’ VEELZIJDIGE EXPERTISE Diversiteit is er onder AJN-leden ook qua expertise: ze zijn expert als het gaat om zorgmijders, armoede, allochtonen, genetica, besnijdenis en meer. Wenda Berends werkt als jeugdarts Volksgezondheid gemeente Utrecht in een krachtwijk. Ze vergaarde daar extra kennis rondom het armoedevraagstuk: ‘Het hebben van wel of geen werk en of ouders de zwemles nog kunnen betalen, zijn bij ons gespreksonderwerpen,’ vertelt ze. ‘De eigen bijdrage voor medicijnen is ook vaak een hobbel. Als je moeder dan een psychiatrisch ziektebeeld heeft, kan dat voor jou als kind extra belastend zijn. Er heerst veel schaamte. Maar als je (door)vraagt en aangeeft dat we iets kunnen betekenen … vertellen ouders wel meer. Dan kun je ze in contact brengen met het wijkteam voor tegemoetkomingen. De Stichting Leergeld biedt ook mogelijkheden, noem maar op. Het is goed om als jeugdarts dit aanbod te kennen en signalen door te geven aan gemeenten zodat zij er beleid op kunnen maken.’

VERENIGING

Juan Manterola: ‘Ik ben bij revalidatiecentrum Roessingh begonnen omdat de kinderrevalidatie de wachtlijsten van interdisciplinaire screeningen wilde verhelpen. Het beviel goed aan beide kanten en toen begin 2012 mijn directe collega met pensioen ging, heb ik de grote sprong gemaakt; tot dat moment werkte ik ook nog bij de GGD Twente’, vertelt Juan. ‘Ik zie dagelijks kinderen met complexe ontwikkelingsproblemen bij wie de motoriek een rol speelt. Mijn ervaring als jeugdarts – en daarvoor als general practitioner in Patagonië, Argentinië – blijkt een heel nuttige achtergrond te zijn. Waar ik als arts (op een school) werkte in de signalering van afwijkingen van de normale ontwikkeling, houd ik me op het Roessingh bezig met de interdisciplinaire diagnostiek en behandeling van ontwikkelingsstoornissen (binnen het DCD-team). Ik ben medisch eindverantwoordelijk voor al deze teamprocessen.’ Buiten het Roessingh verzorgt Juan ook scholingen voor eerstelijns therapeuten, hij is aandachtsfunctionaris kindermishandeling en huiselijk geweld en buigt zich over de richtlijn motoriek voor JGZ. Het is slechts een greep.

43


‘De volgende moeder is een goede moeder!’ Voor(oor)delen - Column -

‘De volgende moeder is een goede moeder!’ De verpleegkundige met wie ik destijds samenwerkte, was een oude rot in het JGZ-vak. En hoewel ik de nodige klinische ervaring meebracht, kwam ik als volstrekt groentje die jeugdgezondheidszorg binnen. Door die klinische achtergrond dacht ik heel wat te weten, maar had er nog geen flauw benul van hoeveel ik allemaal niet wist. Onbewust onbekwaam dus. De verpleegkundige greep die maandagochtend in om echte brokken te voorkomen: We waren bezig met preventieve gezondheidsonderzoeken op een basisschool in een multiculturele achterstandswijk. Een zeer gemêleerde populatie met manieren van leven zo anders dan die ik als hoogopgeleide witte mevrouw met dito ouders kende. Over het algemeen vond ik het fascinerend en leek de grote sociale afstand tussen mijn doelgroep en mij geen belemmering. Maar bij deze moeder vreesde de verpleegkundige misverstanden, reden om me te waarschuwen. En ze had gelijk, de kans op misverstanden wás levensgroot! De moeder die met haar vijfjarige de onderzoeksruimte binnenwandelde was een wulpse verschijning: overdadig opgemaakt, veel blingbling, het volslanke lijf in een (te) strakke tijgerjurk gesnoerd die haar ruime boezem maar net binnenboord hield. Had mijn verpleegkundige niet gewaarschuwd, dan waren bij mij alle alarmbellen afgegaan: fout uiterlijk, foute kleding, fout totaalbeeld. Zou deze moeder soms een liggend beroep uitoefenen? Door de waarschuwing van de verpleegkundige frustreerden mijn vooroordelen het contact niet en bleek al snel dat moeder echt een heerlijke moeder was. Wat haar beroep ook zou zijn. Een paar jaar later, weer een maandag kleuterpgo’s, nu op een honderd procent ‘zwarte’ school. Ik was allang geen groentje meer. Maar ook deze dag maakte me bewust van één van mijn vooroordelen: de avond tevoren had de Bijlmerramp plaatsgevonden, een ramp die bij iedereen die met het bord op schoot voor de tv klaar zat voor Studio Sport, live binnenkwam. Ik was een van die sportkijkers. Die maandag kwam ik amper toe aan het geplande onderzoek: de niet-Nederlandse ouders wilden vooral praten over de ramp die ook bij hen was binnengekomen! Toen realiseerde ik me hoe ik er vanuit was gegaan dat de Bijlmerramp ‘mijn’ ramp was en niet die van deze allochtone ouders, dat ik ten onrechte dacht in ‘wij’ en ‘zij’.

OPINIE

Geen maandag, wel een gewone onderzoeksdag op de GGD, weer vele jaren later. Een kind met zijn vader en moeder. Wat zorgen, wat vragen, wat probleempjes, maar het meest in het oog springende blijft onbesproken: vader is overduidelijk bezig

44

vrouw te worden. Mannelijke uiterlijke kenmerken strijden met vrouwelijke kleding, hoge hakken en opmaak. Het kan niet anders dan dat deze ommezwaai grote impact heeft op de ouders, hun sociale omgeving en dus op het kind. Ik heb niet durven zeggen wat ik zag, ook niet toen ze enkele weken later voor follow-up terugkwamen. Omdat ik bang was deze ouders voor het hoofd te stoten, omdat ik bang was bevooroordeeld over te komen? In vrijwel alle gezins- en opvoedsituaties lukt het me op een niet-veroordelende manier te verwoorden wat ik zie of vermoed, wat het mogelijk maakt samen met ouders te onderzoeken wat zij van de JGZ nodig hebben. Waarom dan nu niet? Ouders gunnen ons vrijwel altijd een kijkje in hun keuken als we met oprechte belangstelling vragen ‘hoe gaat dat bij jullie?’. Juist diversiteit geeft het werk als jeugdarts extra kleur. Het geeft ons de kans onze eigen vooroordelen en taboes te ontdekken en tegen het licht te houden. Een wijze verpleegkundige, een intervisie en koffiekamer waar je samen met collega’s over die onvermijdelijke vooroordelen kunt grinniken, helpen om vooroordelen te ontkrachten en er bewust bekwaam mee om te gaan. Lang leve de diversiteit!!

Anja.

De komende nummers van de JA! Het thema van de JA!36 is Kennen, kunnen en doen. Over welke competenties moet de jeugdarts in 2020 beschikken, hoe kunnen we ons die eigen maken? We zijn op zoek naar toekomstvisies, praktijkvoorbeelden en kritische kanttekeningen. Deadline: 23 december, info via ja@artsenjgz.nl. Verschijnt in maart 2016. Alvast over nadenken: JA!37 heeft als thema ‘Wat schrijft de jeugdarts?’ Wie schrijft, die blijft! Hoe zetten jeugdartsen hun pen in om de AJN, de jeugdgezondheidszorg en zichzelf voor het voetlicht te brengen? Deadline: 23 maart 2016. Info via ja@artsenjgz.nl. Verschijnt in juni 2016. JA!38 gaat over juridische aspecten van ons werk. De redactie houdt zich aanbevolen voor ideeën over inhoud, auteurs en kopij! Deadline: 15 juli 2016. Contact via ja@artsenjgz.nl Verschijnt november 2016.


Xlens bril: dĂŠ oplossing bij dyslexie en leesproblemen. Onderzoek heeft aangetoond dat bij 80% van alle lees- of leerproblemen, zoals dyslexie, de informatieoverdracht tussen de ogen en hersenen niet goed verloopt. Men spreekt dan van visuele GLVIXQFWLHYLVXDOVWUHVVRIĆŹ[DWLHGLVSDUDWLH +RHZHUNHQGH;OHQVNOHXUHQĆŹOWHUV" 'HVSHFLDDORQWZLNNHOGHNOHXUHQĆŹOWHUVYDQ ;OHQV]RUJHQYRRUHHQDQGHUHĆŹOWHULQJ YDQKHWOLFKWHQYHUKRJHQGHUXVWHQFRQFHQtratie, waardoor de ogen letters en woorden JHPDNNHOLMNHUNXQQHQYHUZHUNHQ'HOHHV HQOHHUSUHVWDWLHVYHUEHWHUHQGXVGLUHFW RPGDWOHWWHUVRIZRRUGHQQLHWPHHUnGDQVHQo +LHUGRRUYHUEHWHUWRRNGHFRQFHQWUDWLHHQKHW EHJULMSHQGOH]HQ2RNYHHODQGHUH OHHV JHUHODWHHUGH NODFKWHQYHUGZLMQHQ Xlens oogonderzoek 7LMGHQVHHQRQGHU]RHN GXXUWRWXXU  GRRUHHQ;OHQVVSHFLDOLVWZRUGHQGLYHUVH WHVWHQJHGDDQ]RQGHUHQPHWNOHXUHQĆŹOWHUV 'HNOHXUYDQGH]HĆŹOWHUVNDQYRRULHGHUHHQ HQHONRRJDQGHUV]LMQ7LMGHQVKHWRQGHU]RHN ZRUGWEHNHNHQZHONHKHWPHHVWJHVFKLNWLV 'HUHVXOWDWHQ]LMQGLUHFWPHUNHQPHHWEDDU HQHHQNODQWZHHWGXVJHOLMNKLM]LMJHKROSHQLV PHWGHNOHXUHQĆŹOWHUV :DWEHWHNHQW;OHQVYRRUGHGUDJHU 0HWGH;OHQVEULONDQGHGUDJHU]LFK]HOI VWUXFWXUHHOYHUEHWHUHQ*HHQZD]LJHRI GDQVHQGHOHWWHUVPHHUJHHQYHUPRHLGKHLG FRQFHQWUDWLHJHEUHNRIKRRIGSLMQ=RZHOKHW OH]HQDOVKHWDXWRPDWLVHUHQYHUEHWHUW ZDDUGRRURRNKHWPDNHQYDQOHHVIRXWHQ]DODIQHPHQ0HQ]DO]LFKKLHUGRRU]HOIYHU]HNHUGHU JDDQYRHOHQHQEHWHUJDDQSUHVWHUHQ

JoĂŤlle Eijpe is 8 jaar en zit in groep 5. Ze is een harde werker en doet erg haar best, maar lezen blijft een lastig struikelblok. Vijf maanden geleden kreeg JoĂŤlle een Xlens bril, met blauwe glazen. Sindsdien gaan haar leesprestaties in rap tempo vooruit. 'DQN]LMGH;OHQVEULOVWDDQGHOHWWHUVQXVWLO YHUWHOW-RĂ&#x2020;OOHn'DWOHHVWĆŹMQHU'DDURPYLQG ik lezen nu leuk! Van Sinterklaas kreeg ik drie ERHNHQYDQ'XPPLHGH0XPPLH=Ă&#x17D;Ă&#x17D;Ă&#x17D;Ă&#x17D; VSDQQHQGo&KULVWLH*DXULĂ&#x201E;GHPRHGHUYDQ -RĂ&#x2020;OOHn6LQGV]HGHEULOKHHIWLVKDDUOHHVWHPSR WRHJHQRPHQHQ]LMQGHIRXWHQVWHUNYHUPLQGHUG PHW0DDUEHODQJULMNHUQRJ]HKHHIWPHW YHHOSOH]LHUHHQKHHOERHNXLWJHOH]HQGDWZDV QRJQLHWHHUGHUYRRUJHNRPHQo

WUDWLH'DWOHLGWWRWEHWHUOH]HQPDNNHOLMNHU VWXGHUHQEHWHUSUHVWHUHQHQXLWHLQGHOLMN PHHUEHUHLNHQ

6FKRROSUHVWDWLHV 9DGHU$QWRQn(HQNLQGGDWSUREOHPHQPHW OH]HQHUYDDUWNULMJWDOJDXZSUREOHPHQRS VFKRRO1LHWDOOHHQELMWDDOHQVSHOOLQJPDDU RRNELMDOOHDQGHUHYDNNHQ.RUWRPIUXVWUHUHQG HQIXQHVWYRRUKHW]HOIYHUWURXZHQo'HVSHFLDOH NOHXUHQĆŹOWHUV]RUJHQYRRUHHQDQGHUHĆŹOWHULQJ YDQKHWOLFKWHQYHUKRJHQGHUXVWHQFRQFHQ-

6FHSWLVFK $OVPHGLFXVZDV$QWRQDDQYDQNHOLMNQRJZDW VFHSWLVFK0DDUQDZDWURQGYUDJHQKRRUGHKLM HLJHQOLMNDOOHHQPDDUSRVLWLHYHHUYDULQJHQ n+HWPRRLHLVGDWMHGLUHFWWLMGHQVKHWRQGHU]RHN ]LHWRIGHEULOLHWVYRRUMHGRHWGXVZDDURP ]RXGHQZHKHWQLHWSUREHUHQ"$OVLNGHUHVXO WDWHQ]LHYLQGLNKHWGHPRHLWHZDDUGo

â&#x20AC;&#x2DC;Een kind dat problemen met lezen ervaart, krijgt al gauw problemen op school. â&#x20AC;&#x2DC; [ Vader $QWRQFDWDUDFWFKLUXUJHQDOJHPHHQRRJDUWV@

'RRUKHWJHEUXLNYDQGHMXLVWH;OHQVNOHXUHQĆŹOWHUVNULMJWPHQJULSRSOH]HQHQVFKULMYHQ ZDDUGRRUKHWDXWRPDWLVHUHQEHWHUJDDW %RYHQGLHQ]DOGHGUDJHUPHUNHQGDWOH]HQ VQHOOHUJDDWZDDUGRRUKLMPDNNHOLMNHUPHH NDQLQKHWDOOHGDDJVHWHPSR *HJDUDQGHHUGUHVXOWDDW ;OHQVLVGHHQLJHPHWKRGHELQQHQGH dyslexiezorg, die resultaat garandeert als WLMGHQVKHWRQGHU]RHNEOLMNWGDWLHPDQGEDDW KHHIWELMGHNOHXUHQĆŹOWHUV 'LUHFW]RQGHUH[WUDWUDLQLQJRIPHGLFDWLH 1LHXZVJLHULJ" $OVXRIXZRUJDQLVDWLHPHHUZLOWZHWHQRYHU dit unieke product, komen we graag langs YRRUHHQNRUWHSUHVHQWDWLH'DQODWHQZH]LHQ ZDWZLMNXQQHQEHWHNHQHQYRRUPHQVHQPHW G\VOH[LHRIOHHVSUREOHPHQ Voor een afspraak of een informatiepakket kunt u contact opnemen met onze KRRIGYHVWLJLQJYLD088 263 1207.

> Xlens oogonderzoek toont direct aan of de Xlens bril resultaat zal opleveren. > Wetenschappelijk aangetoond. > Bij positief Xlens advies: 99% zekerheid dat de problemen verdwijnen. > Enige methode die succes garandeert met â&#x20AC;&#x2DC;niet-goed-geld-terugâ&#x20AC;&#x2122; garantie.

www.xlens.com


‘Digitale systemen kunnen je veel tijd opleveren’ Het AJN-bestuur bestaat sinds deze zomer uit acht vrouwen en een man: Pim Jansen. Pim (38), getrouwd en vader van twee dochters, werkt ruim zeven jaar als jeugdarts bij de GGD Amsterdam, waarvan het grootste deel in de Bijlmer: ‘Een heel gezellige buurt, maar ook een omgeving waar veel vraag is naar ondersteuning door de JGZ.’

Door: Louise Dijkmans, medewerker communicatie AJN Pim werkt op dit moment in het OuderKindTeam (OKT) Voortgezet Onderwijs Oost/Zuidoost. ‘Ik zie veel jongeren voor ziekteverzuim, jongeren met overgewicht-obesitas en jongens en meiden met psychische problemen. De afwisseling is groot; je weet nooit wat er die dag weer boven water komt en waarin je een stapje kunt helpen.’ Na de ochtend (mail, Yammer en spreekuur), volgt ‘s middags het nodige regelwerk voor Pim. Zowel vanuit het spreekuur als vanuit JouwGGD.nl een jongerenplatform met mail, chat en forum. Daarnaast zijn er overleggen voor het innovatieteam, de werkgroep Academisering en het E-team.

ONLINE MET PROFESSIONAL Tijdens zijn opleiding aan de UvA-AMC had Pim altijd al extra aandacht voor het verbinden van onderzoek met beleid en het delen van de informatie op een snelle manier. Zijn nauwe betrokkenheid bij JouwGGD.nl en de GGD Ouderchat 0-4, is dan ook niet verwonderlijk. Over de Ouderchat vertelt hij: ‘Het grote voordeel is dat ouders heel eenvoudig contact kunnen leggen op de tijd die ze willen en dan betrekkelijk snel antwoorden krijgen. Het is vraaggericht en de cliënt bepaalt of het wel of niet in het dossier komt. Zo kun je een heel algemene of juist een persoonlijke vraag stellen. Op dit moment hebben

Pim Jansen breken, financiële middelen kunnen missen, psychische problemen kunnen in de weg zitten, genetische factoren hebben hun invloed, noem maar op. Het is de uitdaging om als professional de oorzaken te achterhalen en daarbij aan te sluiten en te ondersteunen.’

‘Preventie is gericht op het voorkomen; zo vroeg mogelijk beginnen is mijn motto.’ we maandelijks rond de honderd chats. Waarbij we van 13.00 tot 17.00 uur bereikbaar zijn. Het aantal chats is groeiende. Daarbij is promotie ook erg belangrijk. Posters, banners op de website en een sticker in het groeiboekje bij het huisbezoek moeten de chatmogelijkheid, naast het bestaande telefonisch spreekuur, nog meer bekendheid geven.’

VERENIGING

ONDERSTEUNEN BIJ MOTIVATIE

46

Pim maakt zich ook sterk voor een gezond gewicht: ‘In Amsterdam Zuidoost zien we veel kinderen die te zwaar zijn. Dit is erg invaliderend op jonge en latere leeftijd. We zien steeds meer jongeren die niet meer in de grafieken passen. Jammer genoeg kunnen we niet zo gemakkelijk zeggen wat de grootste boosdoener is, maar vaak is het een combinatie van te weinig beweging en te veel (verkeerde) voeding. De kennis kan ont-

‘Preventie is gericht op het voorkomen; zo vroeg mogelijk beginnen is mijn motto. En de ondersteuning inzetten op momenten dat mensen willen veranderen en gemotiveerd zijn. Een goed voorbeeld daarvan is het stoppen met roken tijdens de zwangerschap. Als aanstaande moeders hun motivatie ook gebruiken om een gezond voedingspatroon aan te leren, kunnen de toekomstige kinderen daar jaren van profiteren.’ In het bestuur hoopt Pim vooral ook zijn expertise van digitalisering en e-health in te zetten: ‘Cliënt en professional zullen in de toekomst alleen maar meer gebruik gaan maken van digitale systemen. Hier moet je als jeugdarts op inspelen en in meegaan. Vaak hoor je: “maar daar heb ik geen tijd voor”. Ik ben van mening dat het je ook tijd kan opleveren. Veel administratie zoals het doorlopen van e-mails kan de computer voor je doen. Ook het invoeren van gegevens en overdrachten kan allemaal veel gemakkelijker en sneller. Waardoor je als professional weer bezig kunt zijn met de dingen waar je goed in bent.’


Borstvoeding is de beste voeding voor zuigelingen

De oplossing voor spugen, krampjes en moeizame ontlasting  J  %  W ÂŽ

Hero Baby heeft de receptuur van Hero Baby Comfort vernieuwd en heet vanaf nu Hero Baby NutrasenseŽ Comfort+.  De nieuwe samenstelling bevat melkvet en extra bèta-palmitaat dat bijdraagt aan een goede

darmwerking en zachte ontlasting. Het johannesbroodpitmeel is vervangen door voorgekookt johannesbroodpitmeel, zodat de voeding niet meer met gekookt water klaar gemaakt hoeft te worden. Â Hero Baby NutrasenseÂŽ Comfort+ is vanaf februari 2016 verkrijgbaar bij supermarkt en drogist en vervangt de huidige Hero Baby Comfort.

1  *

  

Heromedisch.nl

Profile for artsenjgz

Ja! najaar 2015  

Thema diversiteit

Ja! najaar 2015  

Thema diversiteit

Profile for artsenjgz
Advertisement