Issuu on Google+

De feedback van Kiki Lombarts

discours jaargang 3 | nummer 1 | maart 2011

magazine voor de Onderwijs- en Opleidingsregio van het AMC 1 discours

maart 2011


-inhoud-

Discours, het magazine voor co-assistenten, arts-assistenten en opleiders in de Onderwijs- en Opleidingsregio van het Academisch Medisch Centrum -

pagina 3

Pagina 16

De Huismeester

Debat over de studenteninstroom

Alexander Montauban van Swijndregt, OLVG Pagina 6

Mag het een onsje meer zijn? Pagina 18

Chirurgen en gynaecologen gaan de strijd aan

Waardenweb

Serious Gaming met Wii én Ikea Pagina 10

Drie generaties proeven van digitale reflectie Pagina 21

Honours in de praktijk

Social media

De meerwaarde van een goudvinkje Pagina 12 Resultaten van SETQ Spuien en slikken Pagina 14

Volg je opleider

Uniek leersysteem bij de huisarts

Rubrieken

Pagina 22 De AMC-opleidingsetalage

Carrière volgens het spoorboekje

&

Leerling, gezel en meester onder één dak -

Pagina 9 | Column | Numerus fixus of de deur open? Pagina 23 | agenda | maart, april, mei Pagina 24 | c o-assistenten in het buitenland |

Stanley Darma in Singapore

P. 10

P. 16

P. 6

Colofon Discours, maart 2011 Jaargang 3, nummer 1 Verschijning: drie keer per jaar Oplage: 4800 Uitgave: Discours is een uitgave van het Academisch Medisch Centrum (AMC), Amsterdam.

P. 18 Redactie: Suzanne Bremmers (eindredactie), Frank van den Bosch (hoofdredactie), Rick van den Doel (co-assistent), Maas Jan Heineman (voorzitter van het Onderwijsinstituut Medisch Specialistische Opleidingen), Jasper Enklaar, Simon Knepper, Mario Maas (voorzitter van het Onderwijsinstituut Geneeskunde), Philip de Reuver (arts-assistent bij het Spaarne Ziekenhuis) en Stéphanie van Straaten (co-assistent). Bijdragen: Marc van den Broek, Irene van Elzakker, Anne Koeleman, Daniëlle Kraft, Richard Mooyman, Catrien Spijkerman, Jan Stam en Jeroen Vliegenberg.

2 discours

Art Direction en Ontwerp: Van Lennep Fotografie: Hans van den Boogaard, Janus van der Eijnden, Jeroen Oerlemans, Martijn de Vries. Illustraties: Van Lennep

1105 AZ Amsterdam Telefoon: 020-5662822 Email: discours@amc.nl Website: www.amc.nl/discours Ideeën voor de volgende Discours uiterlijk 25 april inleveren.

Zet- en drukwerk: drukkerij Slinger, Alkmaar Redactieadres: Afdeling Voorlichting Academisch Medisch Centrum Meibergdreef 9

maart 2011

Niets uit deze uitgave mag worden geproduceerd door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande toestemming van de uitgever.


-De Huismeester-

Alexander Montauban van Swijndrecht, OLVG ‘Artsen die niet willen opleiden, hebben in het OLVG niets te zoeken’

3 discours

maart 2011


-De Huismeester-

Collega’s noemen hem ‘de mediator’

Mooi, zo’n lange, dubbele achternaam. Maar Alexander Montauban van Swijndregt (49) houdt het in de dagelijkse omgang gewoon bij ‘Van Swijndregt’. Volgens de overlevering trok een uitstervende tak van de Montaubans in de 17e eeuw vanuit Zuid-Frankrijk naar het noorden. Bijna een eeuw later koppelde een van de stamhouders zijn naam aan die van zijn moeder, die deel uitmaakte van de in hoger aanzien staande familie Van Swijndregt, een geslacht dat diverse illustere kunstenaars voortbracht. Daar heeft de radioloog in het OLVG overigens niets van geërfd. ‘Ik sleutel graag aan oude auto’s en als interventie-radioloog moet je soms ook creatief knutselen, maar ik kan er niets artistieks van maken.’ Dat hij arts werd, lijkt wél familiair bepaald. En zijn interesse voor de radiologie heeft Alexander Montauban van Swijndregt ook niet van een vreemde. ‘Mijn grootvader en een oom waren radioloog. Ik ben, zeg maar, de derde generatie.’ Zijn bijzondere belangstelling voor onderwijs en opleiding – eerst binnen zijn eigen vakgebied, later algemener – groeide gaandeweg. ‘Een verrijking’, noemt hij het, een woord dat hij tijdens het interview vaker zal gebruiken.

tekst: Daniëlle Kraft beeld: Janus van der Eijnden

Hij is radioloog, met een passie voor opleiden. In die volgorde. ‘Het begint met het willen overbrengen van je eigen kennis en vaardigheden. Daarna is het balletje gaan rollen.’ Alexander Montauban van Swijndregt zet zich als voorzitter van de Centrale Opleidingscommissie (COC) van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam ziekenhuisbreed in voor de opleiding van goede dokters. ‘Opleiden houdt je ook als arts scherp.’

Lerende dokters Het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (OLVG), Teaching Hospital bij het AMC, heeft een uitgesproken visie op onderwijs en opleiding. Uitgangspunt is dat alle OLVG’ers kansen en mogelijkheden krijgen voor ‘een leven lang leren’. Dat credo, dat overigens niet vrijblijvend is – ‘Artsen die niet willen opleiden, hebben in het OLVG niets te zoeken’ – komt voort uit de overtuiging dat een actief lerende attitude bij alle medewerkers leidt tot een goed opleidingsklimaat en – in het verlengde daarvan – optimale zorg. Alexander van Swijndregt is zo’n beetje de verpersoonlijking van deze visie. ‘Goede patiëntenzorg’, zegt hij, ‘begint bij goede dokters, die goede dokters opleiden en daar zelf ook weer van leren.’ Goede dokters zijn in zijn ogen dokters die hun kennis en kunde combineren met een open, menselijke houding. ‘De tijd van de horken is echt voorbij’, constateert Van Swijndregt. ‘In elk vakgebied moeten specialisten de menselijke maat zoeken. De juiste toon treffen. Hoe je dat doet, verschilt per patiënt en ook per specialisme. Als radiologen bijvoorbeeld, hebben wij veel korte, wisselende patiëntcontacten. Vaak zien wij iets, dat wij de patiënt nog niet willen meegeven, omdat ons contact er te vluchtig voor is. Het is vaak beter als de behandelend arts die boodschap overbrengt. De kunst voor ons is telkens weer de patiënt op een goede, invoelende manier te vertellen, dat we niets kunnen vertellen. Je mag geen valse hoop geven, maar iemand ook niet meteen vreselijk ongerust maken, omdat het slechtnieuwsgesprek bij de behandelend arts vaak pas een of twee weken later is. Die periode moet de patiënt niet al te gestrest overbruggen. Aan de manier waarop de arts dit soort gesprekken voert, wordt in de opleidingen van nu veel aandacht besteed.’ Een beetje waken De juiste toon is ook belangrijk in de relatie met de assistenten, stelt Van Swijndregt. ‘Opleiden is meer dan kennisoverdracht. Je investeert in de toekomst van je vak. Daar hoort betrokkenheid bij je assistenten bij. Je moet als opleider een beetje over ze waken. En zo nodig voor ze opkomen. Als assistenten een examen moeten doen bijvoorbeeld, wil ik niet dat zij de nacht ervoor een dienst moeten draaien. Wij, als stafartsen, moeten de voorwacht in zo’n geval overnemen, zodat de assistenten uitgerust aan hun examen kunnen beginnen. Daar was aanvankelijk in de staf wel wat weerstand tegen, maar inmiddels is deze regel alom geaccepteerd. Iedereen wil namelijk dat onze assistenten slagen. Het zijn immers de aankomend radiologen in wie we geloven en investeren.’ Niet voor niets werd Van Swijndregt in 2010 door het Teaching Hospital

4 discours

maart 2011


-De Huismeester-

gekozen tot beste opleider: een ‘menselijke’ man, open, toegankelijk, kalm en stabiel. Collega’s noemen hem soms ‘de mediator’, omdat hij in conflictsituaties goed kan bemiddelen. ‘We moeten het met z’n allen doen, dat is mijn drive’ zegt hij. Hij praat gemakkelijk, wat overigens niet betekent dat hij extravert is. ‘Laten we zeggen: gepast extravert. Ik heb niet bepaald het hart op de tong.’ Afhankelijk van elkaar Jaarlijks maken meer dan vijfhonderd co-assistenten – van wie het gros uit het AMC – kennis met de medische praktijk in het OLVG. Het stadsziekenhuis biedt daarnaast twintig MSRC-erkende specialistenopleidingen. De samenwerking met het AMC – één opleidingsschema, vaste uitwisseling, korte lijnen – ervaart Van Swijndregt als een ‘enorme verrijking’ van de vorm, inhoud en organisatie van het medisch onderwijs. Vorig jaar is het Amsterdamse ‘tweemanschap’ uitgebreid met het Kennemer Gasthuis (KG) in Haarlem. Van Swijndregt: ‘We kunnen ons nu met recht de OOR groot Amsterdam noemen.’ Als voorzitter van de Centrale Opleidingscommissie van het OLVG is Van Swijndregt de man met het overzicht. Een ketting is zo sterk als de zwakste schakel, zegt hij in dit verband. ‘Als één opleiding in huis niet lekker loopt, heeft dat gevolgen voor de andere vakgroepen. En dat kan ook de patiëntenzorg aantasten. Alles – opleidingen en zorg – is zó met elkaar verweven. Ik zie het een beetje als mijn missie om dat de opleiders in ons ziekenhuis duidelijk te maken. Dat we van elkaar afhankelijk zijn om optimale kwaliteit te kunnen leveren.’ Praten en helpen Formeel is de radioloog één dagdeel in de week vrijgesteld voor zijn opleidingswerkzaamheden, maar in de praktijk steekt hij er wekelijks minstens tien, vijftien uur eigen tijd in. Naast de reguliere vergaderingen van het dagelijks bestuur van de COC en het papierwerk dat daarbij hoort, zijn er de algemene maandelijkse, vakoverstijgende assistentenbijeenkomsten, de

5 discours

jaarlijkse strategiedag voor alle opleiders in huis en de voorbereidingen van in- en externe visitaties. ‘We zijn nu volop bezig met de herziening van de vervolgopleidingen. De structuur moet er dit jaar staan, volgend jaar volgt de inhoudelijke invulling. Daar zijn we behoorlijk druk mee.’ Als voorzitter van de COC van het Teaching Hospital voert Van Swijndregt ook het vaste opleidingsoverleg met het AMC. Als (bestuurs)lid van diverse

‘We kunnen ons nu met recht de OOR groot Amsterdam noemen’

landelijke en internationale verenigingen, commissies en werkgroepen volgt hij de ontwikkelingen in zijn vakgebied en die op het gebied van medische vervolgopleidingen in het algemeen op de voet. En dwars door dat alles heen is er de continue aandacht voor de kwaliteit van de opleidingen in eigen huis. ‘Soms draait het in een bepaalde vakgroep niet lekker. In dat geval gaan we praten en helpen. We organiseren dan bijvoorbeeld ad hoc een proefvisitatie.’ Meestal is de COC er tijdig bij, zegt Van Swijndregt. ‘Je hoort natuurlijk wel eens wat in de wandelgangen en we krijgen ook wel rechtstreeks signalen van assistenten of van de opleiders zelf. Ook de resultaten van D-RECT, het instrument dat het opleidingsklimaat meet, en de kort geleden ingevoerde exitgesprekken die directeur Maarten Schutte van Teaching Hospital voert, maken duidelijk waar bijstelling of ingrijpen in de opleidingen gewenst is. Daar is hier in huis gelukkig geen schaamte over. Het is allemaal behoorlijk open.’ +

maart 2011


Serious Gam met de Wii én Ikea Chirurgen en gynaecologen gaan de strijd aan

Vaardigheden aanleren zonder dat er een echte patiënt aan te pas komt. Het kan met computerspellen en simulatieapparaten. Maar ook met kraaltjes van Ikea en haakjes van de Gamma. ‘Oefenen moet leuk zijn én er moet tijd voor vrijgemaakt worden.’

Tekst: Irene van Elzakker Beeld: Janus van der Eijnden

6 discours

maart 2011

Ooit wel eens gedacht: ‘Kom, laat ik eens mijn operatietechnieken bijschaven op de simulator’ of ‘Nu zal ik eens even een zeldzame ingreep gaan oefenen?’ Als het antwoord op deze vraag ‘nee’ luidt, verkeer je in een behoorlijk groot gezelschap. Vorig jaar hield chirurg dr. Marlies Schijven een enquête onder AMC’ers over de wensen die er zijn om de eigen vaardigheden te trainen. Uit de 732 ingevulde vragenlijsten bleek dat er grote behoefte is aan medisch inhoudelijke trainingen. Een op de drie AMC’ers met een leidende functie zei eigenlijk niet te weten of hun trainees bekwaam genoeg zijn om bepaalde verrichtingen veilig uit te voeren bij de patiënt. ‘De ondervraagden zouden best naar vaardigheidstrainingen willen gaan’, vertelt Schijven. ‘Maar in het ziekenhuis heeft iedereen het nu eenmaal druk en daarom besteden ze er veel te weinig tijd aan. We moeten er dus niet alleen voor zorgen dat het leuk is om te oefenen, er moet ook ruimte voor gemaakt worden tijdens reguliere werktijd. Voor verrichtingen waarbij de patiëntveiligheid in het geding is, zouden medewerkers onder werktijd verplicht moeten trainen.’


ming Flip van der Made en Marlies Schijven met minder en meer geavanceerde games

Rondje knippen Ook gynaecoloog in opleiding Flip van der Made komt tot deze conclusie. Het bestuurslid van de Nederlandse Vereniging voor Endoscopische Chirurgie zag dat aankomend gynaecologen van het VUmc stukken vaardiger zijn met endoscopie-instrumenten dan hun AMC-collega’s. ‘Bij de VU is een verplichte basiscursus laparoscopie opgenomen in de opleiding voor gynaecologen. Er staan dan ook veel oefenboxen. Dat zijn dozen met meerdere gaten waarin je met behulp van endoscopie-instrumenten gaat oefenen, terwijl je op een beeldscherm ziet wat je aan het doen bent. De boxen mogen zes weken mee naar huis om te oefenen voor het tentamen.’ Dat was een wake up call voor Van der Made. Hij voerde een basistraining in, gebaseerd op vijf oefeningen die binnen een bepaalde tijd moeten worden afgerond, zoals een rondje uitknippen, een touwtje door meerdere oogjes halen en het maken van een letter van strijkkralen. ‘Een kijkoperatie is heel wat anders dan een gewone ingreep’, legt Van der Made uit. ‘Om te beginnen opereer je indirect: wat er in het lichaam gebeurt, zie je op een beeldscherm. Je werkt dus niet drie- maar tweedimensionaal. Bovendien doen gynaecologen dit soort ingrepen veel minder vaak dan gewone operaties, terwijl ze technisch moeilijker zijn. Tijdens een stage verricht je er slechts drie tot vier per half jaar.’ De oefeningen zijn bedacht en gevalideerd door een Leidse promovendus, Wendela Kolkman. Je kunt een bepaalde tijdscore halen; maak je een fout, dan krijg je strafseconden.

Sinds 1 januari van dit jaar worden AMC-gynaecologen in opleiding hiermee getoetst. Beheersen ze de oefeningen niet goed, dan mogen ze geen laparoscopische ingreep bij een patiënt uitvoeren. Van der Made knutselde, wegens geldgebrek, de simulator zelf in elkaar. Hij vulde oefenboxen met kralen en plankjes van Ikea en haalde haakjes en spijkers bij de Gamma. Met gebruikte laparoscopische instrumenten en een beeldscherm konden de trainees aan de slag. ‘Het oogt niet spectaculair, maar het werkt wel’, constateert hij tevreden. Al had hij best graag een dure simulator gewild. Blijven oefenen Zo’n kostbaar apparaat stond een jaar lang op de afdeling van Marlies Schijven, die ook voorzitter is van de Nederlandse Vereniging voor Simulatie in de Gezondheidszorg. Inmiddels is de simulator terug bij de fabrikant, en moet de chirurg

7 discours

maart 2011

constateren dat het ding nauwelijks is gebruikt. Dat sterkt haar mening dat het trainen verplicht moet worden. ‘Tijdens je opleiding tot arts leer je in relatief korte tijd allerlei praktische vaardigheden. Vervolgens word je geacht die technieken veilig bij patiënten te kunnen toepassen. Tegelijkertijd doe je de meest complexe handelingen vaak het minst. Die moet je dus blijven oefenen.’ In het AMC zijn aardig wat initiatieven om via simulaties allerlei vaardigheden te trainen. Maar er is nog geen overkoepelend domein. Schijven zit volop in de voorbereidingen om daar verandering in te brengen. Er zijn concrete plannen

‘Waarom loggen mensen midden in de nacht in om kippen te voeren?’ voor een skillslab met moderne trainingsmogelijkheden. De chirurg denkt zelfs aan een nagebouwde operatie- of traumaruimte met digitale opnameapparatuur, zodat hele teams bepaalde situaties kunnen oefenen.

>


> En dan zijn er nog de mogelijkheden die ‘Serious Gaming’ biedt om vaardigheden op te doen. Serious Gaming maakt gebruik van ICT en technieken uit computerspellen, met het doel om een game te ontwerpen waarmee je iets kunt leren. Schijven: ‘Studenten hebben als ze 21 zijn, minder dan 5000 uur gelezen, maar al wel 10.000 uur videogaming, 20.000 uur e-mailverkeer, 20.000 uur televisiekijken en 10.000 uur mobiel internetgebruik achter de kiezen. Daarop moet je die vaardigheidstrainingen afstemmen. Ik speel zelf spellen op de computer om te kijken wat bepaalde games zo populair en verslavend maakt. Zo was ik laatst bezig met het onlinespel Farmville, waarin je een virtuele boerderij beheert: waarom loggen mensen midden in de nacht in om de kippen te voeren? Er is natuurlijk het competitie-element: het verbeteren van scores en het halen van levels. Het willen verbeteren werkt behoorlijk verslavend.’ Handelen onder stress In Nederland zijn de initiatieven op het gebied van Serious Gaming nog op de vingers van één

hand te tellen. Zo heeft een ontwikkelaar van computergames in opdracht van het NoordBrabantse Maxima Medisch Centrum het spel ‘Birth’ bedacht om het aantal medische fouten tijdens een ziekenhuisbevalling te verminderen. Hieraan kan een team van artsen en verpleegkundigen meedoen. Zij moeten bevallingen uitvoeren, waarbij ze punten kunnen behalen. Via internet kunnen ze tegen andere teams spelen. Het programma, dat nog dit jaar op de markt moet komen, zal gebruikt gaan worden om zowel zeldzame, complexe situaties als veelvoorkomende scenario’s te oefenen. ‘Ook het trainen op routinehandelingen is belangrijk’, zegt Schijven. Je voorkomt dat er slordigheden in sluipen. Rol-

‘Misschien moeten we een wedstrijd organiseren tussen chirurgen en gynaecologen’ lenspellen zijn handig om snel en goed te leren handelen onder stress, ook in teamverband.’ geen operaties In Groningen is een alternatief bedacht voor de dure simulator waarmee je kijkoperaties in de buik kunt nabootsen. Nog dit jaar wil men aankomende en gediplomeerde artsen een laparoscopische game voor de ‘Wii’ aanbieden. Het spel heeft een verhaallijn en er wordt niet in geopereerd, wel moeten er allerlei opdrachten vervuld worden waarmee de endoscopie-vaardigheden automatisch getraind worden. Ook het AMC is inmiddels aan de slag met de subsidie

8 discours

maart 2011

Pieken in de Delta, die Schijven heeft gekregen om belangrijke verrichtingen in het AMC te trainen met behulp van Serious Gaming. notoire Zelfoverschatters Dergelijke games zullen goed vallen bij de huidige X-box-generatie, meent gynaecoloog in opleiding Van der Made, die er zelf ook de aantrekkingskracht van ervaart. ‘Computerspellen zijn sowieso prima voor de oog-handcoördinatie. Chirurgen gaan er beter van opereren, dat is door onderzoek bewezen.’ Of artsen in opleiding er uit zichzelf mee zouden gaan oefenen, betwijfelt Van der Made. ‘Terwijl promovendus Kolkman bijvoorbeeld heeft aangetoond dat je na drie maanden nietsdoen al een kwart van je endoscopievaardigheden kwijt bent.’ Niet aan artsen overlaten, vindt ook Schijven. ‘Want vooral chirurgen zijn notoire zelfoverschatters’, zegt de chirurg zelf. ‘Die vinden al snel dat ze iets prima kunnen. Terwijl onderzoek aantoont dat chirurgen niet goed in staat blijken hun eigen prestaties naar waarde te schatten.’ ‘Misschien kunnen we er een competitief element in brengen door een wedstrijd te organiseren tussen chirurgen en gynaecologen’, oppert Van der Made. ‘Beide beroepsgroepen doen endoscopie-ingrepen, maar we weten niet van elkaar hoe de ander zijn vaardigheden oefent. Chirurgen menen dat het ons ontbeert aan een gedegen chirurgische basisopleiding, wat ook zijn weerslag zou hebben op onze endoscopische prestaties. Het lijkt me leuk om dat eens te testen.’ +


-COLUMN-

Numerus fixus of de deur open? Volgens het regeerakkoord van onze rechtsliberale regering moet de numerus fixus voor geneeskunde binnen vijf jaar worden afgeschaft. Door het groeiende aanbod van artsen zou de ‘marktwerking’ toenemen, dat heeft een VVD-kabinet natuurlijk hoog in het vaandel. Zoals bekend denkt men in die kringen dat de onzichtbare hand van de markt er volautomatisch voor zorgt dat goederen en diensten eerlijk en efficiënt verdeeld worden. Dat dit in de praktijk een beetje tegenvalt, is inmiddels bij iedereen wel bekend. Denk maar aan de efficiënte manier waarop een aantal grote banken ons financiële systeem bijna te gronde heeft gericht. Een ander voorbeeld is de gezondheidszorg in de Verenigde Staten, met ongeveer de meest liberale gezondheidseconomie ter wereld. Het resultaat: de VS hebben in vergelijking met andere westerse landen verreweg de duurste en de slechtste gezondheidszorg. Dus van de markt moeten we voor de gezondheidszorg niet teveel verwachten. Een tweede argument voor opheffen van de numerus fixus is dat we meer artsen nodig hebben. Hier vinden rechts en links elkaar, kamerbreed. Waar de VVD meent dat de beschikbaarheid van meer artsen goed is voor de marktwerking, vindt de SP altijd al dat er nog meer en nog betere gezondheidszorg moet zijn voor het volk (zonder erbij te zeggen wie dat gaat betalen; het volk in ieder geval niet). En natuurlijk, als we de trends van vergrijzing en ontgroening doorrekenen zijn er over tien tot twintig jaar veel meer artsen nodig. De vraag is alleen: wat voor artsen gaan dat worden? Het huidige onderwijssysteem heeft bijna de grenzen van zijn capaciteit bereikt, en geld voor uitbreiding is er echt niet. De collegezalen zitten stampvol. Tijdens de colleges in het blok ‘zenuwstelsel’ zaten studenten op de trappen. Net als veertig jaar geleden, toen ik studeerde en voordat de numerus fixus (toen numerus clausus genoemd) was ingesteld. Ook werkgroepen en practica zijn vol. Nog erger wordt het verderop in de studie: alle beschikbare plaatsen voor co-assistenten zijn opgevuld, en het kost grote moeite nieuwe plekken te vinden. Toename van het aantal studenten zal leiden tot afname van de kwaliteit van het onderwijs. Wat onbeperkte instroom betekent, hebben Duitsland en Italië ons geleerd. Daar was het jarenlang om politieke redenen onmogelijk om studentenaantallen te beperken, wegens het ‘recht op onderwijs’. Het gevolg liet zich raden: een zeer slechte medische opleiding. Er studeerden artsen af die zelden of nooit een patiënt hadden onderzocht, omdat ze alleen mochten ‘meekijken’. Het lijkt er al met al op dat we in een patstelling belanden: of (te) weinig, maar goed opgeleide artsen, zoals nu, of veel meer, maar slecht opgeleide dokters als de numerus fixus eraf gaat. Toch is er misschien wel een uitweg. Een aantal taken van artsen zijn in feite eenvoudige routinehandelingen, die netjes uitgevoerd moeten worden, maar waar echt geen lange academische opleiding voor nodig is. Dergelijke taken kunnen uitstekend worden uitgevoerd door daarvoor opgeleide verpleegkundigen of paramedici. Op steeds meer plaatsen gebeurt dat al, tot volle tevredenheid van iedereen, ook van de patiënten. Voor veel medische handelingen is een hbo-opleiding echt genoeg, mits zorgvuldig geprotocolleerd, duidelijk begrensd, en onder toezicht van artsen. Dat is misschien de uitweg uit de impasse: niet meer en slechtere dokters opleiden, maar veel goede hulptroepen. Minder generaals, meer soldaten. Op die manier kunnen we misschien de slag met de vergrijzing winnen. Prof.dr. Jan Stam is opleider bij de specialisatie neurologie van het AMC en coördinator van het blok zenuwstelsel bij de studie Geneeskunde.

9 discours

maart 2011 2010


Honours in de praktijk

De meerwaarde van een goudvinkje Opleiders in de regioziekenhuizen zijn enthousiast over co-assistenten die het honoursprogramma hebben doorlopen, maar de studenten twijfelen of dat komt door het programma. Tekst: Catrien Spijkerman Beeld: Jeroen Oerlemans

Het AMC prijst ze graag de hemel in: ze zijn gemotiveerd, slim en breed geïnteresseerd. Honoursstudenten willen en kunnen meer dan de ‘normale’ studie geneeskunde hen biedt, en worden daarom in een speciaal programma gestimuleerd zich verder te ontwikkelen. Het driejarige programma biedt studenten de gelegenheid dieper in het vak te duiken, de grenzen ervan op te zoeken. Honoursstudenten lopen een half jaar met een patiënt mee, ze volgen specialistische masterclasses, ze doen wetenschappelijk onderzoek en volgen vakken buiten hun discipline. Maar merken opleiders daar iets van bij co-assistenten? Psychiater Guy Ramaekers van het Waterlandziekenhuis wist van niks. Hij had nog nooit van het honoursprogramma gehoord, laat staan dat hij wist dat co-assistent Marijn Gillissen (24) het doorlopen had. Maar ze viel hem zeker op. ‘Marijn werkt heel zelfstandig, ze toont initiatief, ze heeft een enorme inzet’, somt hij op. Ramaekers was zó onder de indruk van Marijns inzet en prestaties dat hij haar een eigen patiënt toewees die zij zelfstandig behandelde. Bovendien vroeg hij haar een protocol te schrijven over zwaar medicijngebruik, dat nu op het intranet van het Waterlandziekenhuis staat. ‘Een dergelijke inzet en interesse zou je misschien verwachten van een coassistent die verder wil in de psychiatrie’, zegt Ramaekers. ‘Maar dat is bij Marijn niet het geval. Ze weet al dat ze interne geneeskunde gaat doen.’ Het honourspogramma levert waarschijnlijk actievere co’s af, denkt Marijn

10 discours

zelf. ‘Honoursstudenten zijn erg gemotiveerd, en harde werkers. Maar ik vind het een beetje een “kip en ei” discussie. Vormt het honoursprogramma je tot een bepaald persoon, of word je tot het honoursprogramma toegelaten omdat je een bepaalde houding hebt?’ Zelfvertrouwen Sommige ervaringen uit het honoursprogramma kunnen inderdaad van pas komen tijdens de co-schappen, geeft Marijn toe. ‘Tijdens het eerste jaar volgde ik een oncologiepatiënt die nog maar kort te leven had. Zo ontdekte ik hoe stug het ziekenhuissysteem is. Die vrouw moest bijvoorbeeld drie keer per week terugkomen voor verschillende afspraken. Waarom kan dat niet op één dag? Het is heel nuttig om het perspectief van de patiënt te leren kennen.’ De extra ervaring met patiënten geeft je meer zelfvertrouwen, zegt co-assistent Temo Barwari (23). ‘Tijdens het honoursprogramma heb ik maandenlang wetenschappelijk onderzoek gedaan met een apparaat dat de glucosewaarde van het bloed meet tijdens en na een openhartoperatie. Ik deed zo al veel ervaring op met patiënten. Tijdens de co-schappen voelt het patiëntencontact daardoor minder onwennig.’ Ook de verbreding waartoe het honoursprogramma stimuleert, kan je als co-assistent van pas komen, denkt Temo. Hij gebruikte de extra curriculaire ruimte in zijn honoursprogramma om een aantal maanden Arabisch te stude-

maart maart 2011 2011


‘Ze kon de situatie van de patiënt kort en bondig overbrengen. Dat lukt alleen als je door en door begrijpt wat de patiënt mankeert’

ren in Syrië en Libanon. ‘Er zijn genoeg patiënten in Nederland die Arabisch spreken. Bovendien is het altijd goed als je meer van de wereld hebt gezien.’ Ook honoursstudent Alexander de Porto (24) zegt dat zijn blik is verruimd: de vakken filosofie die hij volgde, gaven hem een andere kijk op geneeskunde, en zelfs op het leven an sich. ‘De vraag is of ze daar in de ziekenhuizen iets van merken. Ik denk het niet’, zegt hij. Klinisch gedoe Internist Victor Gerdes, Alexanders opleider in het Slotervaartziekenhuis, wist ook niet dat Alexander het honoursprogramma had doorlopen. ‘Alexander is gemotiveerd, en zeer geïnteresseerd in de pathofysiologie. Hij wil weten hoe ziektebeelden ontstaan, en zoekt informatie over klinische problemen op in wetenschappelijke publicaties. Maar ik heb ook honoursstudenten gehad die niet zo waren.’ Gerdes meent dan ook dat honoursstudenten in de co-schappen niet verschillen van de ‘normale’ studenten. ‘De co-schappen vormen een nieuwe fase. Ikzelf was bijvoorbeeld bepaald geen honourstype. Ik was niet zo’n gemotiveerde student. Maar die gedrevenheid kwam wel in alle hevigheid opzetten bij mijn co-schappen. Zo gaat het wel vaker. Omgekeerd kun je als honoursstudent heel gedreven zijn en goed in onderzoek, maar als dat klinische gedoe je niet zo ligt, dan zul je bij de co-schappen matig beoordeeld worden.’

11 discours

Het honoursprogramma is leuk als je extra nieuwsgierig bent, of als je geïnteresseerd bent in onderzoek doen, maar het zegt niets over je klinische vaardigheden, zegt ook Anne van der Spek (24). ‘Als de vraag was of honoursstudenten vaker promoveren dan andere studenten, dan zou je wél verschillen vinden, maar bij de co-schappen niet. Dat wij een tijd hebben meegelopen met een patiënt is zeker waardevol, maar je leert er geen klinische vaardigheden. Bij het honoursprogramma spelen andere kwaliteiten een rol, daar word je ook op geselecteerd.’ Autonoom Toch viel Anne behoorlijk op, vertellen internisten van het AMC Marc van der Valk en Jeannine Nellen, die Anne tussentijds beoordeelden. ‘Wij vonden haar heel goed. Ze is zeer zelfstandig en autonoom’, zeggen ze. ‘Als je haar liet bellen voor een consult, dan kon je ervan op aan dat ze de consulent overtuigde langs te komen en mee te denken. Dat is uitzonderlijk, want meestal zegt zo’n consulent tegen een co: “Laat je supervisor maar bellen”. Anne kon de situatie van de patiënt kort en bondig overbrengen. Dat lukt alleen als je door en door begrijpt wat de patiënt mankeert.’ Maar of dat door het honoursprogramma komt? Anne: ‘Ik vind interne geneeskunde gewoon heel erg leuk. Dit is wat ik wil. Blijkbaar straal je dat dan uit.’ +

maart 2011


Spuien en slikken Resultaten van SETQ Tekst: Jasper Enklaar Beeld: Janus van der Eijnden

12 discours

maart 2011

Met het feedbackinstrument SETQ evalueren assistenten hun opleiders. Maar wat gebeurt er eigenlijk met de resultaten van de SETQ-rapporten? In het AMC komen die aan de orde in de jaargesprekken. In de maatschappen in de perifere ziekenhuizen wordt SETQ daarentegen in de vakgroep besproken.


-AMC BY NIGHT-

Arts-assistenten die hun opleiders systematisch evalueren, het begint te wennen. In 2008 introduceerde het AMC daarvoor het instrument: de Systematic Evaluation of Teaching Qualities, ofwel SETQ. Het is een methode om gestructureerde feedback te geven, waarbij assistenten hun opleiders op vijf aspecten beoordelen. Aanvankelijk werd SETQ alleen in het AMC gebruikt, maar inmiddels vindt het evaluatie-instrument een steeds bredere toepassing. Er zijn in het hele land zo’n 25 instellingen die meedoen. Daarbij gaat het om 100 opleidingen, 1400 opleiders en 1300 arts-assistenten. Begin dit jaar stelde het ministerie van VWS 850.000 euro beschikbaar voor verder onderzoek naar de effecten van SETQ. Stafleden krijgen de evaluatie van hun opleiderskwaliteiten door de assistenten jaarlijks te zien in hun feedbackrapport. Hoe ze met die resultaten omgaan, verschilt per ziekenhuis. Kiki Lombarts, van de afdeling Kwaliteit en Procesinnovatie van het AMC, en de motor achter SETQ, krijgt daar regelmatig vragen over. ‘SETQ is niet alleen een meting, de bedoeling is om daar ook gevolg aan te geven. De meeste opleidingen hebben er bij de eerste ronde voor gekozen om de rapporten vertrouwelijk te bespreken met de individuele opleiders. Nu zijn veel opleidingen bezig met de tweede ronde en nemen ze het mee als onderdeel van het jaargesprek. Als jij als formele opleider inzage krijgt in individuele feedbackrapporten van je stafleden, dan moet je daar minstens in een één-op-ééngesprek aandacht aan besteden. Dat is anders in een maatschap. Daar is geen ‘baas’, daar heeft iedereen evenveel verantwoordelijkheden.’ Groot scherm Dat was voor de vakgroep Gynaecologie van het OLVG een belangrijke reden om de SETQ-resultaten in de groep te bespreken. Gynaecoloog Dick Bekedam, hoofd opleider: ‘We zijn als groep verantwoordelijk voor de opleiding, dus laat de groep dan ook maar meedenken over de sterke en zwakke punten.’ Bekedam vroeg zijn collega’s om in de groep hun eigen beoordeling - die hij als hoofd opleider wel van tevoren had ingezien - te bespreken. De resultaten werden op een scherm getoond, waarna de betrokken opleider kon zeggen wat hij ervan vond, wat goed was en wat er het komende jaar eventueel anders zou moeten. Bekedam had er bewust voor gekozen de SETQ-resultaten te bespreken tijdens het jaarlijkse brainstormweekend van de vakgroep. ‘Ik wil het niet op een doordeweekse vakgroeps-

vergadering even langslopen. We moeten daar tijd voor vrij maken. Het brainstormweekend is een situatie waarin je er aandacht en tijd aan kunt besteden.’ De vakgroep Gynaecologie van het OLVG heeft als voordeel dat het een kleine afdeling is. Met tien stafleden is het mogelijk om zoiets plenair te bespreken. ‘De groepsgrootte is bij deze vorm van evaluatie van belang’, zegt Bekedam. ‘Met een staf van dertig of veertig wordt een plenaire bespreking lastig.’ Cultuurverandering Kiki Lombarts kent meer afdelingen die SETQ groepsgewijs bespreken. Een goede manier om dat te doen, zegt ze, is om de toppers eruit te halen. ‘Als op afdelingsniveau één staflid hoog scoort op bijvoorbeeld het aspect feedback, dan kun je die medewerker in het zonnetje zetten en vragen hoe je dat dan doet, feedback geven. Zo leer je van degenen die er bovenuit steken. Dat is niet bedreigend. Je kunt ook iets over de resultaten zeggen in

‘Opleiders vonden het spannend, dus we hebben afgesproken dat het vertrouwelijk zou zijn’

de groep, zonder direct de inhoud verplicht op tafel te leggen. Bijvoorbeeld door te praten over hoe het is overgekomen, of er aangrijpingspunten voor verbetering zijn, of het inspireert en motiveert om er iets mee te doen.’ Koudwatervrees Het openlijk bespreken van de resultaten leidt tot een cultuurverandering, merkt ze. ‘Als de koudwatervrees is overwonnen, opent het mogelijkheden tot verbetering. Mensen spreken elkaar er makkelijker op aan. Het is ook nuttig om af te spreken op welke manier collega’s zich kunnen opstellen om je te helpen in het realiseren van je voornemens.’ Ook Frans Nollet, hoofd van de afdeling Revalidatiegeneeskunde van het AMC, besprak de SETQ-resultaten met de hele groep van opleiders en assistenten. Daaraan voorafgaand had hij wel eerst de rapporten individueel met de stafleden

13 discours

maart 2011

doorgenomen. ‘Voor ons was het nieuw. Mensen vonden het wel een beetje spannend, dus hebben we afgesproken dat het vertrouwelijk zou zijn. Het was best lastig, want opmerkingen worden al snel opgevat als kritiek, terwijl het vooral bedoeld is om samen te reflecteren over je functioneren als opleider.’ Samen nadenken Omdat de afdeling op bepaalde punten lager scoorde dan andere afdelingen, vond Nollet het belangrijk dat daar gezamenlijk over wordt nagedacht. Daarvoor voegde hij de verschillende opmerkingen uit de rapporten bij elkaar, zonder dat ze te herleiden waren tot personen. ‘We hebben die punten besproken: is het echt een issue, hoe kunnen we dit met z’n allen veranderen en verbeteren en welke punten geven we het komende jaar prioriteit.’ Zo gaven de assistenten aan dat ze meer actief bevraagd willen worden op hun kennis – opvallend, vond Nollet. ‘Ook hebben ze meer behoefte aan positieve feedback en moeten wij meer aandacht besteden aan de overdracht. Doordat we dit heel serieus hebben genomen, open op tafel hebben gelegd en met de assistenten hebben besproken, zijn we vooruitgegaan. Na de tweede meting zijn de resultaten over de hele linie gestegen.’ Net als op het OLVG vindt Nollet dat je het bespreken van de SETQ-resultaten de nodige aandacht moet geven. ‘Door het rustig te agenderen, krijg je het effect dat je als staf samen met de aiossen de opleiding gaat inrichten. Hierdoor wordt opleiden meer een gezamenlijke activiteit.’ Dat is ook iets wat Kiki Lombarts bespeurt. ‘De samenwerkingscultuur wordt positief beïnvloed.’ Kritischer Met een aantal rondes SETQ achter de rug, ziet Lombarts opvallende verschuivingen optreden. ‘Van de stafleden die een tweede meting hebben ondergaan, doet de helft het in de ogen van de aiossen beter.’ Dat zou een mooi resultaat zijn van deze manier van feedback geven. Opmerkelijk is dat tegelijk de totale score van sommige afdelingen is afgenomen. Dat zou te maken kunnen hebben met een ander effect van SETQ: ‘We denken dat de assistenten kritischer worden als ze vaker feedback geven en daar meer bedreven in raken. Het is een onbedoeld opleidingsaspect: een aios vraagt altijd feedback aan de opleider, nu word je zelf gevraagd feedback te geven en ontdek je dat dat in het begin best lastig kan zijn.’ +


Leerling, gezel en meester onder één dak Uniek leersysteem bij de huisarts

Ze zitten met zijn drieën in de spreekkamer van een huisarts in Haarlem. Kees Limmen, de huisarts zelf, Hilbert Kraaij, de 30-jarige huisarts in opleiding en Adam Kurtz, de 24-jarige student die een snuffelstage doet. Het trio belichaamt de wijze waarop het AMC de opleiding tot huisarts gestalte geeft. Tekst: Marc van den Broek Beeld: Hans van den Bogaard

Om het kort samen te vatten. Limmen begeleidt Kraaij die een jaar stage loopt op de praktijk als voorbereiding op zijn werk als huisarts. Kraaij begeleidt tweedejaars student geneeskunde Kurtz, die een junior co-schap (juco) volgt en twee weken komt kijken wat het werk van huisarts eigenlijk inhoudt. Omdat huisarts Limmen zelf weinig omkijken heeft naar de juco, is de drempel laag om studenten uit het tweede jaar toe te laten tot zijn praktijk. ‘Dat de huisarts in opleiding de juco begeleidt, is uniek voor het AMC’, vertelt Paul Smits, medeverantwoordelijk voor de organisatie van de junior coschappen van de circa 350 tweedejaars AMC-studenten buiten de muren van het ziekenhuis. Tweedejaars studenten moeten vier weken stage lopen, twee weken daarvan buiten het ziekenhuis. Behalve bij huisartsen gaan studenten naar arbodiensten, de keuringsartsen van het UWV, naar verpleeghuizen of de GGD. Van de 350 tweedejaars studenten lopen er ongeveer 120 twee weken stage bij een huisarts en ruim zestig een week. De stage bij de huisarts is kortom heel belangrijk.

14 discours

maart 2011


Voor de huisarts is het begeleiden van de korte stages niet eenvoudig. De studenten kunnen nog niet zo veel en ze hebben dus permanent begeleiding nodig, waarvoor de huisarts weinig terugkrijgt. Zelf consulten doen om zo de huisarts wat werk uit handen te nemen, kan natuurlijk niet. Dit probleem wordt omzeild door de juco te plaatsen bij een praktijk waar een huisarts in opleiding werkt en die verantwoordelijk te maken voor de begeleiding. De eindverantwoordelijke arts heeft nauwelijks omkijken naar de student. Smit: ‘Ik zie het ook als voordeel dat de huisarts in opleiding ervaring krijgt in het begeleiden van studenten. Dat hij ook leert op te leiden, iets wat hem later mogelijk van pas kan komen.’ Balans In de praktijk in Haarlem heerst een moment van rust. Limmen begint zo met het middagspreekuur. De boomlange arts - hij combineerde in Groningen zijn opleiding met een carrière in het plaatselijke basketbalteam - is een bevlogen opleider. `Ik vind het geven van onderwijs leuk en ik wil graag mijn enthousiasme overbrengen voor het prachtige beroep van huisarts. Ook hoop ik iets te leren van de aankomende huisartsen.’ Meestal heeft Limmen als opleider van het Universitair Huisartseninstituut van het AMC een huisarts in opleiding onder zijn hoede, in dit geval Hilbert Kraaij. Limmen begeleidt graag toekomstige collega’s als Kraaij, omdat er een balans is tussen zijn tijdsinvestering en de tijdwinst, omdat huisartsen in opleiding zelfstandig consulten doen. Voor het begeleiden van een co-schap, de zesweekse stage vlak voor het afstuderen is hij minder te porren. ‘Die studenten moet je veel aandacht geven, maar ze mogen nog niet zelfstandig werken’, zegt Limmen. ‘Als opleider moet je soms veel vertellen om echt uit te leggen wat er op een consult is gebeurd. En die tijd is er vaak niet. Sinds ik huisartsen in opleiding heb, begeleid ik geen co-schappen meer.’ Met huisarts in opleiding Kraaij is die balans er wel. Hij draait zelfstandig zijn consulten en neemt zo werk uit handen. ‘Ik hoop ook wat op te steken over het werk door te filosoferen over het vak met aankomende huisartsen.’ Limmen verdiept zich graag in de vraag waarom het ene consult wel goed loopt en het andere niet. En wat de rol van de huisarts is bij een ernstig zieke patiënt. ‘We hebben net met z’n drieën een huisbezoek afgelegd aan een ernstig zieke vrouw. Wat kun je voor haar betekenen? Hoe ga je om met het gevoel van machteloosheid? Het is goed om daarover feedback te krijgen.’ Indruk Als Limmen met zijn spreekuur begint, hebben Kraaij en Kurtz nog even tijd om in de keuken door te praten over hun ervaringen bij de praktijk van Limmen. Adam Kurtz is tevreden over de manier waarop de stage is georganiseerd. ‘Prima dat ik door een huisarts in opleiding word begeleid. Hij draait volop mee in de praktijk en doet zelfstandig consulten waar ik dan bij zit.’ Kurtz is blij dat hij de tweeweekse stage mag gaan doen, hij zit nu in de tweede week. ‘Als de stage maar één week duurt, lijkt me dat erg kort. In de tweede

15 discours

‘Soms heeft een vrouw met een gynaecologisch probleem moeite met een juco. Dan gaat Adam gewoon even weg’

week kun je wat meer doen. Zo heb ik een lichamelijk onderzoek gedaan en een gesprek gevoerd met een patiënt. Die ervaringen had ik niet willen missen.’ De kans dat hij uiteindelijk huisarts wordt, acht Kurtz niet zo groot. ‘Ik voel er meer voor om te gaan werken in de psychiatrie. Maar deze stage is nuttig want hier kom je van alles tegen, van jong tot oud en allerlei aandoeningen. Hier zie je een doorsnede van de samenleving.’ Als ander voordeel noemt hij dat je in een vroeg stadium van de studie kennismaakt met het beroep huisarts. ‘Als je het niets vindt, dan weet je dat meteen. Prima.’ De stage heeft indruk gemaakt. Kurtz vertelt over een meisje dat vertelde dat ze was misbruikt. ‘De manier waarop ze haar verhaal deed! Het was haar manier om het te verwerken, denk ik. Of de patiënt met een beroerte. Ze moest meteen met de ambulance naar het ziekenhuis.’ Huiverig Begeleider Kraaij kan zich goed vinden in de taak juco Adam Kurtz te begeleiden. Kraaij is in het laatste jaar van zijn opleiding tot huisarts en doet zijn tweede praktijkstage in Haarlem. ‘In het begin was ik huiverig om een juco te begeleiden’, vertelt hij. ‘Kijk, je krijgt een patiënt en die vindt het goed dat hij wordt geholpen door de huisarts in opleiding en niet door zijn eigen huisarts. Als Adam er dan ook bij zit, moet ik uitleggen dat hij stage loopt. Ik dacht dat dat verwarrend zou zijn voor de patiënt, maar dat valt in de praktijk reuze mee. Soms heeft een vrouw er moeite mee als ze een gynaecologisch probleem wil bespreken. Dan gaat Adam gewoon even weg.’ Zijn rol als begeleider bevalt Kraaij wel. Net als huisarts Limmen vindt hij het leuk om te laten zien wat je doet. ‘Adam krijgt nu een blik op het werk zoals dat van dag-tot-dag gebeurt.’ Lastig is wel dat niet duidelijk is wat de juco precies weet als hij de praktijk binnenstapt. ‘Dat zou vanuit het AMC wel iets beter geregeld kunnen worden’, zegt hij. ‘We hebben een soort kennismakingsgesprek en dat is het dan. Ik zou beter willen weten wat er van je wordt verwacht als je een juco moet begeleiden, wat precies de bedoeling is.’ +

maart 2010


Mag het een onsje meer zijn? Hogere bij de studie Geneeskunde Destudenteninstroom onderwijsplannen van Marcel Levi

Tekst: Richard Mooyman Beeld: Martijn de Vries

Contra

Pro

Ron Peters:

Misa DžoljiC:

‘Het is helemaal niet zo dat er te weinig dokters zijn’

‘Er is een groeiende vraag naar zorg vanuit de maatschappij’

Het aantal opleidingsplaatsen voor de studie geneeskunde in Nederland gaat in 2012 omhoog van 2850 naar 3100. Ook het AMC gaat meer eerstejaars toelaten. Een goede ontwikkeling, vindt prof. dr. Misa Džoljic, lid van de Raad van Bestuur. Maar prof. dr. Ron Peters, voorzitter van de examencommissie van het onderwijsinstituut Geneeskunde, heeft zijn bedenkingen. De groei is volgens hem onnodig en brengt de kwaliteit van de opleiding in het geding. 16 discours

maart 2011


De maatschappij heeft een toenemende behoefte aan artsen, zegt vice-decaan Misa Džoljić. Volgens hem is het daarom logisch dat het aantal opleidingsplekken toeneemt. Door de vergrijzing groeit de vraag naar zorg. Daarnaast wijst hij op de wens onder artsen om minder uren te draaien en in deeltijd te werken. ‘Wij leiden op voor de maatschappij.’ Džoljić verwacht in 2012 een extra instroom van dertig tot vijftig eerstejaars in het AMC, bovenop de 350 die nu worden toegelaten. Hij baseert dit aantal op het recente advies van het Capaciteitsorgaan om in heel Nederland 250 extra geneeskundestudenten toe te laten. ‘Het zal wel moeite en creativiteit kosten, maar met wat aanpassingen lukt dat wel. Een aantal jaren geleden hebben we 25 studenten extra geaccommodeerd, dus we hebben wat ervaring.’ De extra toeloop van studenten zal volgens hem niet leiden tot een verslechtering van de opleidingskwaliteit. Een punt van zorg vormen wel de co-schapplaatsen in het AMC en de ziekenhuizen in de regio, meent hij. Dat aantal zal moeten groeien, terwijl er nu al wachttijden zijn. ‘Maar de co-schappen kunnen misschien ook in toenemende mate in het buitenland worden vervuld. En we moeten als regio ook gezamenlijk de verantwoordelijkheid nemen voor deze groei.’ De Raad voor de Volksgezondheid en Zorg pleit er zelfs voor dat op den duur de numerus fixus helemaal wordt loslaten. Dat is volgens Džoljić onmogelijk. ‘Dat zou een enorme toestroom van studenten opleveren. Dat kunnen we absoluut niet aan. De collegezalen zijn al redelijk vol. Een toename van het aantal studenten kan wel, maar het moet geleidelijk gaan.’ Džoljić wil daarbij zoveel mogelijk toe naar decentrale selectie. Nu wordt nog de helft van alle studenten geplaatst na een centrale, gewogen loting. Daarnaast worden studenten met een acht of hoger op hun examenlijst automatisch toegelaten. De resterende plekken worden toegewezen door het opleidingsinstituut van het AMC zelf, op basis van toetsen en gesprekken. Die decentrale selectie bevalt volgens Džoljić goed. Het geeft een beter

DžoljiC: ‘Er is nog geen hard bewijs of decentrale selectie ook betere resultaten oplevert’

gevoel dan een loting waarbij het toeval bepaalt of je mag studeren, stelt hij. En het directe contact is bevredigender voor zowel de student als het AMC. Maar het ontbreekt volgens Džoljić nog aan hard bewijs of decentrale selectie ook echt betere resultaten oplevert. Goed geneeskundeonderwijs is volgens hem alleen mogelijk als het aantal studenten groot genoeg is. ‘Dat heeft te maken met de bekostiging.’ Zo’n term als Harvard aan de Amstel, daar kan hij wel enthousiast over raken. ‘Het is een leuk idee. Maar het is niet te bekostigen voor dertig studenten. Je moet realistisch zijn. Misschien kan het wel als een parallel traject.’ De achtplussers moeten ook in de toekomst automatisch worden geplaatst, vindt Džoljić. ‘Het gaat om waardevolle studenten die al hebben bewezen dat zij goed kunnen studeren. Dat is een goede start. Het is dan aan ons om er goede dokters van te maken.’

17 discours

Het toelaten van meer geneeskundestudenten is niet verstandig, stelt Ron Peters. Dat gaat volgens de voorzitter van de examencommissie van het onderwijsinstituut Geneeskunde ten koste van de kwaliteit van het onderwijs. Het op termijn loslaten van de numerus fixus vindt hij een onzinnige gedachte. ‘Het is helemaal niet zo dat er in Nederland te weinig dokters zijn.’ Peters wijst erop dat er 3700 basisartsen op zoek zijn naar een opleidingsplaats, maar die zijn schaars. Verder zijn er nog eens 6800 basisartsen die helemaal geen opleiding willen. Dat heeft te maken met de toekomstige werkomstandigheden, waarbij veel uren worden gedraaid. Daarom is het dus veel verstandiger om de inspanningen te richten op de opleidingsplaatsen voor specialisten. ‘De opleiding moet efficiënter en aantrekkelijker worden.’ Volgens de cardioloog is het onverstandig om extra studenten te laten instromen, want er is later in de opleiding niet genoeg vervolgcapaciteit. ‘Dan komen ze straks voor niets uit de pijplijn.’ Het Capaciteitsorgaan adviseert om volgend jaar landelijk 250 extra geneeskundestudenten toe te laten. Dat is volgens Peters dus eigenlijk niet nodig. ‘Maar het is al een stuk realistischer dan het aantal studenten te verdubbelen door de numerus fixus op te heffen.’ Peters stelt dat de overheid vooral meer dokters wil hebben met de bedoeling dat door concurrentie de zorgkosten omlaag gaan. Maar hij zet daar grote

Peters: ‘Je gaat toch ook niet loten voor een plek bij Ajax of het Nationaal Ballet?’

vraagtekens bij. ‘In de afgelopen jaren zijn de kosten sterker gegroeid dan tevoren, terwijl we sinds 2006 concurrentie in de zorg hebben.’ Het vergroten van de studentenaantallen levert ook grote praktische problemen op, aldus Peters. ‘We hebben nu al niet voldoende plekken om studenten een fatsoenlijke stageplaats te bieden en daardoor zijn er wachttijden.’ Coschappen in het buitenland zijn volgens hem geen oplossing. ‘Eerst zullen de meesten toch de basisvakken in Nederland moeten leren.’ De Nederlandse traditie van loten vindt hij fout. ‘Het is onbegrijpelijk dat er zo met talent wordt omgegaan. Je gaat toch ook niet loten voor een plek bij Ajax of het Nationaal Ballet?’ De huidige praktijk, waarbij de helft van de studenten wordt geplaatst door loting en de andere helft door decentrale selectie, vindt hij een typische ‘polderoplossing’. Het liefst ziet hij in Amsterdam een nieuw soort geneeskundestudie ontstaan, waarbij studenten op kwaliteit worden geselecteerd. ‘De woorden Harvard of Mayo wil ik niet gebruiken, maar als academie moet je wel ambitie hebben, willen excelleren.’ Peters heeft net als Džoljić een goed gevoel over de manier waarop de helft van de studenten nu wordt geselecteerd, met onder meer een uitvoerig gesprek. ‘We kunnen niet selecteren wie een goede arts wordt, maar wel wie een goede student wordt.’ Het gaat volgens hem dan om zaken als motivatie, energie, nieuwsgierigheid. Wat Peters betreft krijgen scholieren die gemiddeld een acht of hoger scoren op hun eindexamen, straks niet meer automatisch een opleidingsplaats. ‘Het is een verkeerd signaal om alleen naar cijfers te kijken.’ +

maart 2011


Waardenweb.nl

Drie generaties proeven van digitale reflectie Lofwaardig initiatief, oordeelde menig krantencommentator. Je moet er maar op komen, zo’n website die artsen en aankomend artsen op een toegankelijke manier helpt morele kwesties bespreekbaar te maken. En het mag gezegd: waardenweb.nl maakt een prima indruk. Maar wÊrkt de website ook? Drie keer reflecteren over vergankelijkheid.

>

Tekst: Simon Knepper Beeld: Martijn de Vries

18 discours

maart 2011


Op de homepage zweeft de gebruiker een intrigerend, eivormig ruimtevoertuig tegemoet, dat na opening zeventien objecten blijkt te bevatten. Symbolisch voor de evenzoveel ethische thema’s. Doorklikken leidt naar de bijbehorende opdrachten, elk bestaand uit een aantal reflexieve blackbox- en portfoliovragen. Het gewetensvol maken van zo’n opdracht vergt enige tijd, maar het kan – dat is de aantrekkelijke kant – gewoon thuis gebeuren. Anders dan blackboxvragen, waarop de antwoorden in beginsel privé blijven, is het de bedoeling dat de portfolio-opdrachten vervolgens in een onderwijssituatie ter sprake komen. De grafische vormgeving blijkt potentiële gebruikers direct aan te spreken.‘Supermooi’, vindt Liesbeth Kager, arts-assistent Interne Geneeskunde in het AMC. Zesdejaars geneeskundestudent Stéphanie van Straaten bekent waardenweb.nl met een gezonde scepsis te hebben opgezocht,‘maar van die scepsis ben ik teruggekomen. Er is echt zorg aan besteed.’ En het enthousiasme is niet voorbehouden aan de jongere generatie, leert een n=1 steekproef. Volgens Jos Lips (60), verbonden aan het Kennemerland Ziekenhuis, prikkelt de lay-out de nieuwsgierigheid. ‘Je wordt er meteen ingezogen’, oordeelt gynaecoloog Lips. Prima, maar de cruciale vraag is natuurlijk: beantwoordt de site aan zijn doel? Zet hij gebruikers aan tot de gewenste reflectie over thema’s waarmee ze in de dagelijkse beroepspraktijk te maken krijgen? The proof is in the pudding. We vragen elk van de drie respondenten de opdracht over het thema ‘Vergankelijkheid’ te maken en kloppen vervolgens weer bij ze

19 discours

aan. Waarbij moet worden aangetekend: zo’n proefrondje doet natuurlijk maar ten dele recht aan een website die nadrukkelijk bedoeld is voor een onderwijskundige context. Meteen in het diepe Hoeveel tijd kost de opdracht over vergankelijkheid? Wil je hem serieus doen: gauw drie kwartier, is de ervaring van alle drie de proefgebruikers. Ook vanwege de instructietekst. ‘Die is wel helder’, verklaart Liesbeth Kager, ‘maar al arts heb je natuurlijk chronisch te weinig tijd. Je wil het liefst in één oogopslag zien hoe het werkt en een puntsgewijze instructie is dan toch handiger.’ Ook de teksten bij de afzonderlijke vragen vond ze aan de lange kant. ‘Het was me soms niet meteen duidelijk dat ze nog verder gingen als je even doorscrolde. Maar ik ben nog van vóór het digitale leren, misschien scheelt dat.’ Van de zes blackboxvragen in kwestie draaien er vier om ‘het eerste en/of meest indringende moment waarbij jij je tijdens het uitoefenen van de geneeskunde bewust werd van de vergankelijkheid van het leven. ‘Je tuimelt wel meteen in het diepe’, reageert Stéphanie. Liesbeth vond de vragen ‘wat algemeen’. En daarbij: er overkomen je relatief veel indringende dingen. ’Om er dan ééntje uit te moeten lichten… maak er liever twee of drie van.’ Alle drie vragen ze zich bovendien af of de blackbox-opdracht niet wat al te vrijblijvend wordt gepresenteerd. Jos Lips: ‘Als je die opdacht inderdaad alleen voor jezelf hoeft te doen, zal de verleiding groot zijn er weinig tijd in

maart 2011

>


>

te steken.’ Stéphanie deelt zijn vrees. ‘Ik zie mezelf nog geen antwoorden intypen en vervolgens printen, zoals de instructie wil. Bij de portfolioopdracht ligt dat anders, die wordt besproken. Zo’n opdracht is natuurlijk ook een goede manier om te voorkomen dat altijd dezelfde studenten hun mond opendoen.’ Bij het thema vergankelijkheid concentreert die portfolio-opdracht zich op vragen over situaties ‘waarbij je in medisch opzicht niets te bieden hebt’. De bijbehorende interactieve afbeelding toont een bedlegerige patiënt met een arts aan zijn zijde. Door het verslepen van als symbool bedoelde rekwisieten wordt de gebruiker uitgenodigd echt gebeurde situaties weer te geven: situaties waarin hij in dergelijke omstandigheden goed of juist niet zo goed heeft gehandeld. Een bruikbare opzet, vindt Stéphanie, zij het misschien niet voor alle doelgroepen. ‘Dat slepen met plaatjes en tekstballonnetjes, met alle respect, ik zie het artsen en arts-assistenten nog niet doen.’ Gynaecoloog Jos heef er minder moeite mee, al vond hij niet alle rekwisieten even duidelijk. ‘Zo’n boek met een kruis erop, is dat nou de bijbel of een medisch handboek?’ Dikke voldoende Maar dat zijn details, vergoelijkt hij onmiddellijk. Waardenweb als geheel zou van hem een dikke voldoende krijgen. ‘De gekozen items zijn relevant, de vragen adequaat’, is zijn conclusie. ‘Ik vind het een leuke manier om mensen over dit soort onderwerpen aan het denken te krijgen. Liesbeth blijft wat terughoudender. ‘Het vervangt een goed gesprek in een werkgroep of met collega’s niet. Maar ik kan me voorstellen dat zo’n Waardenweb-opdracht voor sommigen een handig opstapje is om de gedachten te ordenen.’ Stéphanie:’ Het past ook goed in het curriculum, hier in het AMC wordt veel met reflectie gedaan.’ Over curricula gesproken: alle drie benadrukken ze nog eens dat de website vóór alles een goede onderwijskundige inbedding nodig heeft. Vrijblijvendheid is hier uit den boze. ’Dit is niet het soort opdrachten dat je zondagsmiddags uit jezelf gaat zitten doen’, stelt Stéphanie onomwonden.

Stéphanie: ‘Ik realiseerde me dat ik indringend wordt geconfronteerd met stervende patiënten als ze van mijn eigen leeftijd zijn’

Jos: ‘Je zou een aantal van die opdrachten organisch in het curriculum in moeten bouwen, zodat studenten er door het jaar heen op verschillende momenten mee geconfronteerd worden.’ Voor assistenten en co-assistenten kunnen de terugkomdagen een mooie gelegenheid zijn, denkt hij. En voor ervaren artsen? ‘Mmm, misschien is het dan vooral iets voor artsen die vastlopen. Een therapeutisch instrument. Er moet een bepaalde noodzaak zijn, anders zie ik mijn collega’s hier niet in duiken.’ Helemaal waar, reageert bedenker Myra van Zwieten van de AMC-afdeling Huisartsgeneeskunde desgevraagd. ‘Waardenweb is uitdrukkelijk bedoeld als een vorm van blended learning, dat staat ook in de instructietekst.

20 discours

Als het goed is, kom je er altijd op terecht vanuit een concrete opleidingsituatie.’ In het curriculum van de huisartsopleiding is Waardenweb al opgenomen in de leerlijn Professionaliteit. Dat de meeste opleidingen zo ver nog niet zijn, laat zich volgens Van Zwieten eenvoudig verklaren. ‘De huisartsopleiding loopt voorop bij de toepassing van het CanMedsmodel, de voor artsen gedefinieerde rollen. Naarmate dat model meer ingang vindt, zal het ook voor de andere opleidingen eenvoudiger en logischer worden om elementen van Waardenweb te integreren.’ Vrienden of familieleden Inmiddels is de hamvraag waarmee de proefgebruikers aan het werk zijn gezet nog niet beantwoord. Hebben ze een andere kijk op het thema vergankelijkheid gekregen? Zijn ze tot nieuwe inzichten gekomen? Jos en Liesbeth bekennen dat ze daarvoor te snel door de opdrachten heengegaan zijn. Kwestie van te weinig dwang, precies. Co-assistent Stéphanie heeft op z’n minst één bruikbaar inzicht opgedaan. ‘Door die blackboxvragen realiseerde ik me dat ik zelf het meest indringend met vergankelijkheid wordt geconfronteerd bij twee categorieën stervenden: patiënten van mijn eigen leeftijd en patiënten die lijken op vrienden of familieleden. Mensen die dichtbij me staan dus. Als je zoiets van jezelf weet, kun je er op anticiperen.’ + Waardenweb.nl staat open voor iedereen die geïnteresseerd is in morele reflectie.

maart 2011


Volg je opleider

Studenten gebruiken social media om informatie te verwerven, maar in de wetenschappelijke wereld is er nog weinig ruimte voor deze manier van leren. Binnenkort krijgen geneeskundestudenten en co-assistenten de kans om hun eigen netwerk te starten en links te delen. Met elkaar én met docenten en opleiders. ‘Het is tijd om Blackboard meer van deze tijd te maken’, zegt Nynke Bos, coördinator onderwijstechnologie. ‘Studenten bekijken vaker Facebook dan het studieplatform Blackboard, de digitale leeromgeving van de UvA. Blackboard wordt door docenten bijna alleen gebruikt om hun powerpointpresentaties en onderwijsgerelateerde mededelingen door te geven. Het is eenrichtingsverkeer.’ Social media zoals Facebook daarentegen zijn immens populair. Bos: ‘Sommige docenten van andere faculteiten hebben daarom een cursusgroep op Facebook aangemaakt, die wordt gebruikt om acute wijzigingen in lessen door te geven. Een goede methode, maar het is niet overzichtelijk als docenten hun informatie over twee verschillende kanalen moeten aanbieden.’ Om Blackboard interactiever te maken, start er daarom een pilot met Blackboard Scholar onder studenten Geneeskunde en Medische Informatiekunde. Blackboard Scholar is een manier om hyperlinks te delen. Zo kun je links delen naar informatie over bijvoorbeeld Evidence Based Medicine, links naar databanken met medische afbeeldingen, video’s en animaties, links naar wetenschappelijke artikelen en links naar patiëntenblogs. ‘Je kunt andere studenten en docenten volgen die interessante links delen en krijgt daarmee een continu up-to-date overzicht van nieuwe inzichten in de wetenschap. Studenten kunnen dan van hun docenten

21 discours

of opleiders leren, maar ook van elkaar. En docenten kunnen op hun beurt weer iets van studenten opsteken.’ De voordelen voor studenten en co-assistenten zijn duidelijk. ‘Met het Social Bookmarking systeem kun je alvast in contact komen met je toekomstige docent of opleider en je inlezen in de literatuur die voor jou relevant is, of symposia die je interesseren. De afstand tussen studenten en opleiders wordt zo verkleind.’ Ook voor de docenten zijn er voordelen aan verbonden. ‘Het is een goede manier om alle informatie die je gevonden hebt altijd terug te kunnen vinden, en om deze informatie met collega’s en studenten te delen. Interessante informatie kun je direct meenemen in je college. Voor opleiders die stage- of opleidingsplekken te verdelen hebben, heeft het als voordeel dat als ze een student kennen die altijd interessante links deelt, ze weten dat ze die moeten hebben.’ Uiteindelijk hoopt Bos dat iedereen het systeem gaat gebruiken. ‘Het lijkt me goed om niet alleen binnen het ziekenhuis, maar ook binnen de hele universiteit docenten en studenten te kunnen vinden met dezelfde interesses. Nog leuker is het als alle universiteiten meedoen en je ook in Groningen iemand met goede informatie kunt vinden om dingen mee te delen. En wie weet, in de verre toekomst, kun je binnen je eigen Blackboard ook de wetenschappelijke interesses van een docent van Harvard op de voet volgen.’ Docenten en opleiders die mee willen doen aan de pilot kunnen zich opgeven bij Nynke Bos, email: n.r.bos@amc.nl. Anne Koeleman

maart 2011


Carrière volgens het spoorboekje De AMC-opleidingsetalage Tekst: Suzanne Bremmers Beeld: Audiovisueel Centrum

Een elektronisch vertrekbord met daarop acht specialismen. Arts-assistenten klikken op het specialisme waarin ze geïnteresseerd zijn en zien vervolgens geen vertrekkende treinen, maar stages die ze kunnen volgen binnen hun specialisme in het AMC. In navolging van de landelijke opleidingsetalage, die 1 februari online is gegaan, heeft het AMC een website ontwikkeld waar arts-assistenten meer persoonlijke informatie kunnen vinden over de opleiders van de AMC-stages en de stages zelf. Vind je op de landelijke site vooral de facts and figures, zoals stageduur, roosters en het aantal diensten per maand, op de AMC-site kom je erachter waar de passie voor het vak bij opleiders vandaan komt en waarom deze stage nu juist in het AMC wordt georganiseerd. Zowel op de landelijke website als op de AMC-site neemt het aantal specialismen geleidelijk toe. De spits is afgebeten door neurologie, gynaecologie, anesthesiologie, kindergeneeskunde, plastische, reconstructieve en handchirurgie, chirurgie, interne geneeskunde en radiologie. De landelijke opleidingsetalage is ontstaan na discussie over het opleidingsfonds, het fonds waaruit arts-assistenten worden betaald. Specialismen verdeelden de subsidies onderling, wat de overheid beoordeelde als kartelvorming. De opleidingsetalage brengt de tegenovergestelde belangen van

22 discours

de overheid en de professionals bij elkaar. Er komt meer competitie zoals de overheid wil, en degene die nu gaat beoordelen waar het geld naar toe gaat, is de klant zelf: de arts-assistent. Hoewel de landelijke site competitie en concurrentie teweeg brengt, ontstaan er ook samenwerkingsverbanden. Neem bijvoorbeeld de stage voortplantingsgeneeskunde die het VUmc en het AMC in gezamenlijkheid voor hun rekening nemen. Maar ook umc’s en regionale ziekenhuizen werken samen om aantrekkelijke stages voor de assistenten in opleiding te creëren. Daarnaast zijn er veel specialismen in het AMC die speciaal voor de opleidingsetalage nieuwe stages hebben ontwikkeld. Dat leidt niet alleen tot meer keus, maar misschien ook tot inhoudelijk betere stages. En daar is het om te doen. Kijk op: www.amc.nl/opleidingsetalage en www.opleidingsetalage.nl

maart 2011


ag en da

-agenda-

Tijd 9.00 tot 18.00 uur

Plaats AMC, collegezaal 5

overleg met de regio-ziekenhuizen.

Inlichtingen www.moeder-om-kind.nl

Tijd 14.00 tot 17.00 uur

Ook de betrokken patiënt is aan-

Inlichtingen M.B. van Huiden,

wezig.

14 maart

020-566 8586,

Plaats VUMC, de Amstel 0A2

Training

email m.b.vanhuiden@amc.nl

Tijd 19.00 uur Inlichtingen Stichting NIGA,

De verdiepingsmodule ‘In gesprek

020-444 4309

met aios: lastige feedback’ van het

8 april

Teach the Teacherprogramma is

Training

bedoeld voor opleiders en leden van

Tijdens Coach de Co leren aios en

26 april

de opleidingsgroep.

anios praktische vaardigheden

Lezing

Plaats AMC

waarmee zij tijdens hun dagelijkse

David Ring spreekt de Ruyschlezing

Tijd 16.00 tot 19.00 uur

begeleiding van co-assistenten aan

uit. De titel is Science and Psycho-

Inlichtingen Coby Baane,

de slag kunnen. Aan bod komen het

logy in Medicine.

projectleider, 020-566 5063,

voeren van leergesprekken en het

Plaats AMC, collegezaal 4

email j.a.baane@amc.nl

geven van feedback.

Tijd 17.00 tot 18.00 uur

Plaats Amsterdam, boerderij Langerlust

Inlichtingen S. van Vliet, 020-566 7806,

17 maart

Inlichtingen Coby Baane,

email s.a.vanvliet@amc.nl

Training

projectleider, 020-566 5063,

STARTmodule Communicatie en

email j.a.baane@amc.nl

13 mei

3 maart

Modernisering voor opleiders

Deze training wordt ook

Workshop

Bijeenkomst

en stafleden. Aan de orde komen:

19 mei gegeven.

De KNMG organiseert een workshop

Tijdens ‘Teach de aios’ presenteert

uitkomsten van SETQ, feedback

het LVAG zichzelf aan aiossen in het

geven, voeren van een leergesprek,

15 april  

voor co-assistenten van het AMC.

AMC. Daarna is er discussie over

voortgangsbewaking, inschatten

Congres

Leidraad bij de workshop is het

kwakzalverij en de abortusboot.

van het bekwaamheidsniveau van

Landelijk congres voor naar ver-

Medisch Profielenboek waarin 36

Plaats AMC, collegezaal 5

de aios en doelgericht opleiden. De

wachting 800 co-assistenten met

verschillende specialismen be-

Tijd 18.00 tot 22.00 uur

training is gratis voor medewerkers

praatjes, bekende sprekers en

schreven zijn.

Inlichtingen www.lvag.nl

van het AMC, Flevoziekenhuis, OLVG

workshops. Zaterdagavond is er een

Plaats AMC

en NKI/AvL.

liveband met dj en zondagmiddag

Tijd 14.00 tot 18.00 uur

9 maart

Plaats Amsterdam, boerderij Langerlust

een cabaretshow van Lebbis.

Inlichtingen Studenten krijgen

Cursus

Tijd twee dagen

Plaats Hotel Zuiderduin, Egmond

automatisch een uitnodiging voor

De CoRaad organiseert voor

Inlichtingen Coby Baane,

Duur twee dagen

deelname 

co-assistenten van het AMC de

projectleider, 020-566 5063,

Inlichtingen en kaartverkoop

ECG-cursus, waarin je ECG-kennis

email j.a.baane@amc.nl

www.locacongres.nl

17 mei

wordt opgefrist en verder uitge-

Deze training wordt ook

breid. Aan bod komen onder andere

31 maart gegeven.

19 april

de Ruyschlezing uit. De lezing gaat

co-assistent & carrière speciaal

Prof. dr. René van Lier (AMC) spreekt Lezing

over immuniteit tegen virussen,

wordt gegeven door een cardioloog

23 maart

Peter Toronoz spreekt de Ruyschle-

meer specifiek hoe menselijke

en door ECGpedia-oprichter dr.

Symposium

zing uit. De lezing heeft als titel

T-cellen uitrijpen als gevolg van

Jonas de Jong.

Het Emma Kinderziekenhuis AMC

Nuclear receptors at the crossroads

infectie met herpes- en griepvirussen.

Plaats F4-119

neemt met een symposium afscheid

of lipid metabolism and inflammation.

Plaats AMC, collegezaal 1

Tijd 19.00 tot 21.30 uur

van prof. dr. Hugo Heymans.

Plaats AMC, collegezaal 1

Tijd 17.00 tot 18.00 uur

Inlichtingen www.coraaduva.nl

Plaats AMC, collegezaal 1

Tijd 17.00 tot 18.00 uur

Inlichtingen S. van Vliet, 020-566 7806,

Deze cursus wordt ook

Tijd 9.00 tot 12.30 uur

Inlichtingen S. van Vliet,

email s.a.vanvliet@amc.nl

16 maart gegeven.

Inlichtingen en inschrijven

020-566 7806,

www.emmakinderziekenhuis.nl,

email s.a.vanvliet@amc.nl

de Deltagolf en de hartas. De cursus

11 maart Lezing

23 mei Training

dan naar ‘cursussen & symposia’. 21 april

Coaching is een verdiepingsmodule

Lezingen van niet meer dan zeven

31 maart

Cursus

van het Teach the Teacherprogram-

minuten onder de noemer ‘ Het

Symposium

Interklinische avond voor arts-

ma voor opleiders en leden van de

begint in de baarmoeder’. Met

Tijdens de Jongkees Lecture pre-

assistenten in opleiding tot internist

opleidingsgroep.

onder anderen Tessa Roosenboom,

senteren sprekers hun ideeën over

van het AMC en het VUmc en

Plaats AMC

Frits Boer, Dick Swaab, en niemand

de keel-, neus- en oorheelkunde.

huisartsen. Aan de orde komen

Tijd 15.00 tot 19.00 uur

minder dan Midas Dekkers. Ook is

Eregast is prof. dr. Thomas Linder

ziektegeschiedenissen van patiën-

Inlichtingen Coby Baane,

er muziek.

van het Luzerner Kantonsspital in

ten met gevarieerde problematiek.

vprojectleider, 020- 566 5063,

Plaats AMC, collegezaal 1

Luzern, Zwitserland.

De onderwerpen worden gekozen in

email j.a.baane@amc.nl

23 discours

maart 2011


-Co-assistenten in het buitenland-

Chinese lantaarns

Groepsfoto met meest links een Indiase student, een Nederlandse student, ik en een Singaporese student

De skyline van Singapore

Chinese food

Bij de frontdesk

Consulten in zeven talen, gerechten in duizend smaken

Stanley Darma vertrok voor anderhalve maand naar Singapore om daar zijn keuzeco-schap Oogheelkunde te doen. ‘Voor mijn keuzeco-schap wilde ik graag naar een land in Azië met Engels als voertaal en een Westerse standaard van gezondheidszorg. Ik was al eerder in Singapore geweest, dus die keuze was snel gemaakt. Vanuit de National University of Singapore (NUS) werk ik in twee ziekenhuizen, het Tan Tock Seng Hospital en het National University Hospital. De spreekuren zijn hier veel voller dan in Nederland en artsen hebben nog 36-uursdiensten. Patiënten bekommeren zich over het algemeen minder om hun privacy en het is vaak niet eens erg als je je niet voorstelt. De dresscode voor artsen is wel formeler dan in Nederland, ze dragen vaak een stropdas en nooit een spijkerbroek met sneakers eronder. Er wordt hier evidence-based medicine bedreven en Singapore is erg actief in wetenschappelijk onderzoek. Singapore heeft zelfs enkele miljarden in het biomedisch onderzoek gepompt, in de hoop het biomedisch centrum van Azië te worden. Gewoonlijk werk ik van half negen tot half zes, met een uur lunchpauze. Ik ben meestal op de polikliniek en de OK te vinden. Twee keer in de week volg ik onderwijs. In de eerste week ben ik ook naar de Asia Association for Research in Vision and Ophthalmology 2011 gegaan, een internationale onderzoeksbijeenkomst voor oogheelkunde. In elk ziekenhuis heb ik één begeleider als aanspreekpunt en daar ben ik erg tevreden over. In principe word je ingedeeld per dagdeel, maar op eigen initiatief mag je hiervan afwijken. Het valt me wel tegen dat niet alle consulten in het Engels worden gevoerd. Ik heb ook consulten meegemaakt in het Mandarijn, Hindi, Tamil, Maleis, Hokkien en Kantonees. Ik woon in bij een gezin, op tien minuten afstand van het ene ziekenhuis en ruim

24 discours

een uur van het andere. In en buiten het ziekenhuis heb ik zowel Nederlandse, buitenlandse als Singaporese vrienden gemaakt met wie ik vaak afspreek om te eten. Qua eten hoef je hier niet te klagen! Het is een smeltkroes van keukens uit alle windstreken. Singapore is een 24-uurs stad. Er zijn altijd winkels en eetgelegenheden open. Dat is erg fijn in vergelijking met Nederland. Het leukste vond ik de sfeer rond Chinees nieuwjaar. Veel festiviteiten, eten en marktwaar speciaal voor deze gelegenheid. Singapore is indrukwekkend dichtbevolkt en dat merk je vooral bij openbare evenementen en tijdens de spits in het openbaar vervoer. Dan is het proppen! Het is opvallend dat de mensen in Singapore zich veel strikter aan de regels houden dan in Nederland. De bedrijfsgebouwen en shopping malls zijn immens en modern. Oudere wijken worden voortdurend gerenoveerd, dus behalve de klassieke, gerestaureerde gebouwen uit de Engelse tijd zie je weinig oude panden. Het openbaar vervoer is enorm goed geregeld en bestaat uit een uitgebreid metro- en busnetwerk. Op straat zie je weinig arme mensen en je hoeft niet erg bang te zijn voor zakkenrollers. Zelfs ’s avonds laat kun je veilig de deur uit. Zodra ik klaar ben, ga ik meteen terug naar Nederland voor de bruiloft van mijn zus. Dit co-schap heeft mijn interesse voor de Oogheelkunde opnieuw bevestigd en ik hoop hierin verder te kunnen gaan.’

tekst: Jeroen Vliegenberg beeld: Stanley Darma maart 2011


Discours maart 2011