Issuu on Google+

n o v e m b e r 2 012

|

nummer 9

De Anatomische Les

Kan zelfbeheersing de wereld redden? Vervanging aortaklep: alternatief voor een openhartoperatie Seksueel misbruik: de kennis van kleuters Allergische slokdarm rukt op


p r o m o t i e s e n o r at i e s o k t o b e r e n n o v e m b e r

ok tober 31 Promotie Narcosemiddelen

Jan Fräßdorf: ‘Anesthetic induced cardioprotection: from bench to bedside and retour’. Narcosemiddelen (anesthetica) kunnen tijdens een ingreep het hart beschermen tegen de schadelijke gevolgen van een zuurstoftekort door het opwekken van preconditionering. Daarbij wordt de zuurstoftoevoer enkele keren kort geblokkeerd, waardoor het hart minder schade oploopt als er daadwerkelijk een infarct optreedt. Fräßdorf concludeert dat het vaak gebruikte morfine in staat is om zowel vroege als late preconditionering op te wekken. Lachgas daarentegen is het enige vluchtige narcosemiddel dat deze werking niet heeft. Daarnaast testte hij verschillende preconditionering-protocollen bij patiënten die een coronaire bypassoperatie moesten ondergaan. Het lukte om op deze wijze met behulp van anesthetica het hart te beschermen tegen schade door zuurstoftekort. Andere onderzoeksgroepen slaagden hier niet in. Fräßdorf ontdekte hoe dat kwam: zij gaven de patiënten aprotinine, een middel dat bij coronaire bypassoperaties gebruikt wordt om bloedingen te voorkomen. Aprotinine heft de preconditionering door narcosemiddelen volledig op. Promotores: prof. dr. dr. M.W. Hollmann en prof. dr. W.S. Schlack Co-promotores: dr. N.C. Hauck en prof. dr. B. Preckel Tijd: 12.00 uur November 2 Promotie Lupus

Nan Shen: ‘Micromanagement of lupus autoimmunity by microRNAs’. Systemische lupus erythematodes (SLE) is een auto-immuunziekte waarbij meerdere organen aangevallen worden door het eigen afweersysteem en beschadigd raken. Kennis over het ontstaan van de ziekte en behandelmogelijkheden zijn beperkt. Wel worden bij SLE veranderingen in de interferon type I-respons gevonden; T-cellen produceren minder van het cytokine IL-2. Shen richtte zich op de rol van microRNAs (miRNAs) bij het ontstaan van SLE. Dit zijn kleine, niet-coderende RNAs die genexpressie blokkeren. Bijna de helft van de genen die betrokken zijn bij de afweer wordt

door deze miRNAs gereguleerd. Shen keek naar de expressie ervan bij lupuspatiënten en zag onder andere dat het manipuleren van miR-146a rechtstreeks effect had op de interferon type I-respons. Daarnaast bleek dat miR-31 te weinig tot expressie komt in lupus T-cellen; overexpressie van miR-31 in T-cellen liet de productie van IL-2 door deze cellen toenemen. Deze en andere observaties verschaffen nieuwe inzichten in het ontstaan van SLE, dragen bij aan de ontwikkeling van nieuwe biomarkers voor de ziekte, en bieden een perspectief op behandeling voor SLE door selectieve manipulatie van miRNA’s. Promotor: prof. dr. P.P. Tak Co-promotor: dr. N. de Vries Tijd: 10.00 uur 2 Promotie Evaluatie klinisch handelen

Hilco Prins: ‘On the quality of diagnostic hospital discharge data for medical practice assesment. An experiment in a pediatric department’. Prins onderzocht welke informatie kinderartsen wensen om het eigen medisch handelen te kunnen evalueren. Van de benodigde patiëntgegevens bepaalde hij de elektronische beschikbaarheid en bruikbaarheid. Met name de juistheid en volledigheid van diagnose-informatie liet te wensen over. Een interventiestudie toonde aan dat het koppelen van diagnoseregistratie aan de ontslagbrief wel effect had, maar niet leidde tot verbetering op de langere termijn. Uit een literatuurstudie kwam naar voren dat er wereldwijd veel variatie is in de kwaliteit van de gegevens. Gerapporteerde verschillen in zorg tussen instellingen kunnen het gevolg zijn van dergelijke verschillen in gegevenskwaliteit. Daarmee kunnen artsen rekening houden wanneer zij het eigen handelen evalueren. Promotores: prof. dr. ir. A. Hasman en prof. dr. H.A. Büller Tijd: 11.00 uur 2 Promotie Autoimmuunziek ten

Gabriela Franco Salinas: ‘From autoimmunity to autoimmune disease’. De promovenda heeft uiteenlopende signalen onderzocht die de ontwikkeling van auto-immuniteit naar een autoimmuunziekte regelen. Ze beschrijft verschillende processen waarbij B- en

2

T-lymfocyten, samen met co-stimulerende moleculen en cytokinen die hun gedrag beïnvloeden, essentieel zijn in de ontwikkeling van auto-immuniteit naar een auto-immuunziekte. Daarnaast bevestigt ze dat het T-cel signalerende eiwit Rap1 een belangrijk controlesignaal is voor autoreactieve T-cellen en daardoor ook voor het ontstaan van auto-immuunziekten. Een beter begrip van deze mechanismen kan leiden tot nieuwe aangrijpingspunten voor behandeling van ziektes zoals type 1 diabetes, multiple sclerose, SLE (lupus) en reumatische artritis. Daarbij kunnen de ongewenste bijwerkingen geminimaliseerd worden die ontstaan als gevolg van de complete verwijdering of inactivatie van niet-pathogene immuuncellen. Promotor: prof. dr. P.P. Tak Co-promotor: prof. dr. D.L. Baeten Tijd: 12.00 uur 2 Or atie Medisch onderwijs

Prof. dr. Debbie Jaarsma houdt ter gelegenheid van haar benoeming tot hoogleraar Evidence-Based Education haar oratie getiteld ‘Bevlogenheid in medisch onderwijs’. De zorg verandert en de vraag is of de zorgopleidingen, en in het bijzonder de geneeskundeopleidingen, voldoende mee veranderen. Curriculumveranderingen en -innovaties zijn noodzakelijk maar ook complex. Onderzoek heeft inzicht gegeven in factoren die van invloed zijn op succesvolle aanpassingen van het curriculum. Van belang zijn onder andere een heldere onderwijsvisie, een samenwerkende onderwijscultuur en een systematische methode van ontwerp en evaluatie. Maar bovenal gaat het om de mensen die de veranderingen waar moeten maken. Docenten, opleiders, begeleiders en studenten moeten in staat worden gesteld bevlogen hun werk en studie te kunnen uitvoeren. In haar oratie zal Jaarsma ingaan op wat nodig is voor bevlogenheid in het medisch onderwijs en hoe de ontwikkeling van curricula en onderzoek hieraan kunnen bijdragen. Tijd: 16.00 uur 8 Promotie Optische technieken

Roy de Kinkelder: ‘Optical diagnostic techniques in ophthalmology’. De Kinkelder beschrijft en evalueert optische technieken die dagelijks in oogklinieken

AMC M aga zine november 2012

gebruikt worden om aandoeningen van het netvlies (retina) vast te stellen. Deze technieken geven informatie over de structuur en de functionele staat van het netvlies. De promovendus ontwikkelde een model dat de nauwkeurigheid en precisie vaststelt van systemen voor optische coherentie tomografie (OCT) die de dikte van de zenuwvezellaag kunnen bepalen. Daarnaast analyseerde hij bewegingsartefacten die optreden tijdens het driedimensionaal afbeelden van het netvlies met OCT, en beschreef hij een methode om deze kleine oogbewegingen te detecteren en te corrigeren. Verder testte en evalueerde hij methoden die de hoeveelheid pigment in de macula vaststellen (heterochromatische flikker-fotometrie) en een methode die de functionele staat van het netvlies test (Macubit) om leeftijdsgerelateerde maculadegeneratie in een vroeg stadium vast te stellen. Promotor: prof. dr. A.G.J.M. van Leeuwen Co-promotores: dr. D.J. Faber en dr. F.D. Verbraak Tijd: 14.00 uur 9 Promotie Aortaklepvernauwing

Ze Yie Yong: ‘Clinical and hemodynamic effects of transcatheter aortic valve implantation’. Promotores: prof. dr. J.J. Piek en prof. dr. mr. B.A.J.M. de Mol Co-promotor: dr. J. Baan Tijd: 10.00 uur Zie het artikel op pagina 4 9 Promotie Bekkenbodemklachten na kanker

Menke Hazewinkel: ‘Pelvic floor function after gynaecological cancer treatment’. Behandeling van baarmoederhals-, baarmoeder- en vulvakanker heeft gevolgen voor de functie van de bekkenbodem en het seksueel functioneren. Hazewinkel onderzocht welke klachten het meest voorkomen na verschillende soorten behandeling en de factoren die ervoor zorgen dat de patiënt ernstige hinder hiervan ondervindt. Zij interviewde patiënten met ernstige bekkenbodemklachten die hiervoor geen medische hulp hadden gezocht. Het bleek dat zij deze problemen minder Zie verder pagina 13


2 Wetenschapskalender

24

4

Maag-, darm-, leverziekten

Allergische slokdarm rukt op

Vervanging aortaklep

Alternatief voor een openhartoper atie

6 De Anatomische Les

K an zelfbeheersing de wereld redden?

10 Seksueel misbruik bij jonge kinderen

De kennis van kleuters

25 Congreskalender

26 Plaatselijke verdoving

Bewust van het gevaar

28 AMC Collectie

Trofee uit de tuttebellenhoek

14 Zorg voor ouderen

Welbewust af wijken

30

16

De Stelling

Celbiologie

Harder met leut

Kleur bekennen onder de microscoop

31 Colofon/Berichten

20 Niet te moeilijk graag

De wetenschapscanon explodeert

Foto omslag: Peter Schols/ANP

inhoud

AMC magazine


V e r va n g i n g

a o r ta k l e p

Ingreep via de lies Jasper Enkl aar

Geen openhartoperatie meer, maar een ingreep via de slagader in de lies (TAVI): zo krijgen sommige patiënten tegenwoordig een nieuwe hartklep. De route via de lies vormt een goed alternatief voor ouderen. Zij zijn vaak te zwak voor een zware operatie. Cardioloog-in-opleiding Ze Yie Yong onderzocht de meest voorkomende complicaties van een TAVI. ‘Als we erin slagen om die te verminderen, kunnen we de behandeling uitbreiden naar patiënten met een lager risico.’

De afgelopen viereneenhalf jaar heeft promovendus Ze Yie Yong het aantal TAVI’s – ingrepen via de lies om de aortaklep te vervangen – sterk zien toenemen. Toen hij zijn onderzoek begin dit jaar beëindigde, stond de teller op driehonderd. De eerste transkatheteraortaklepimplantatie, in 2007 uitgevoerd door zijn copromotor cardioloog Jan Baan, maakte hij net niet mee. Toen de procedure in Nederland werd geïntroduceerd, was het AMC een van de weinige ziekenhuizen die deze ingreep mocht uitvoeren; inmiddels zijn er tien ziekenhuizen die het ook doen. ‘De groei van het aantal TAVI’s is bijna exponentieel’, vertelt Yong. ‘Dat komt omdat we meer capaciteit hebben dan in het begin, maar ook omdat na publicatie van de eerste resultaten deze ingreep meer bekendheid heeft gekregen bij andere ziekenhuizen – want voor deze procedure worden patiënten naar ons doorverwezen.’ Slijtage van de aortaklep is een ouderdomsziekte, waarbij de levensverwachting laag is. Als je de klep niet vervangt, is de prognose slecht: de meeste patiënten overlijden binnen twee jaar. Een openhartoperatie is al veertig jaar lang een bewezen effectieve therapie, legt Yong uit. ‘Maar dat is ingrijpend. De patiënt gaat onder algehele narcose, er is het risico op complicaties en overlijden. Bij patiënten die jong zijn en verder gezond, valt het risico mee en wegen de effectiviteit en de duurzaamheid van een openhartoperatie op tegen de nadelen.’ Vergrijzing

Vanwege de vergrijzing zullen er meer oudere patiënten komen met een ernstige vernauwing of slijtage aan de hartklep. Yong verwacht daarom dat de stijging van het aantal TAVI’s gestaag blijft doorgaan, want het is een ingreep die een goed alternatief biedt voor patiënten die geen openhartoperatie kunnen ondergaan, omdat ze te zwak zijn. Yong: ‘De TAVI is met name voor ouderen bedoeld. Patiënten boven de 75 jaar zijn kwetsbaar. Ze hebben vaak ook andere medische klachten: problemen aan de longen of nieren, of andere problemen aan het hart. Dat zijn allemaal factoren die het risico van een normale hartklepoperatie vergroten. Er is zelfs een groep patiënten die zo’n hoog risico loopt dat ze überhaupt niet geopereerd kunnen worden.’ Bij een transkatheter-aortaklepimplantatie hoeft de borstkas niet te worden geopend. De gehele ingreep

4

AMC M aga zine november 2012


vindt plaats via de slagader in de lies. Allereerst wordt er een katheterballon doorheen geschoven, tot in de kransslagader (aorta). De ballon klapt uit en duwt de lekkende klep opzij, waarna een nieuw exemplaar geplaatst wordt – opnieuw via de lies. Toch is ook deze ingreep niet zonder risico’s, vertelt Yong. ‘De TAVI is weliswaar een effectieve behandeling voor hoogrisico patiënten, maar hij gaat wel gepaard met complicaties die je bij openhartoperaties niet hebt.’ Voorspeller

Voor zijn promotieonderzoek analyseerde Yong de belangrijkste complicaties. De meest voorkomende zijn lekkage bij de klep en geleidingsproblemen. Daarnaast kan er sprake zijn van schade aan de hartspier, ontstaan tijdens de procedure, en nierschade. ‘Deze complicaties zijn belangrijk voor het succes van de ingreep: treedt bijvoorbeeld schade aan de hartspier op, dan is dat een voorspeller van een slechtere uitkomst. De complicaties zijn dus ook het aangrijpingspunt: kun je ze verminderen, dan verbeter je het resultaat van de ingreep.’ Yong heeft een aantal factoren geïdentificeerd, die je kunt aanpakken. Het gebruik van plasmedicatie vlak voor de ingreep is de belangrijkste voorspeller voor het optreden van acute nierschade. ‘Dat is op te lossen door plasmedicatie achterwege te laten. Bovendien kun je minder contrastvloeistof geven, omdat we weten dat ook dat nierschade kan veroorzaken. Patiënten met longziekten zoals COPD, lopen een hoger risico op acute nierschade. Bij deze risicogroepen moet je daar dus extra op letten.’ Maar niet alle complicaties zijn zo makkelijk aan te pakken. Yong: ‘De TAVI heeft zijn eigen bijwerkingen. Het is niet zo dat we iedere tachtigplusser kunnen behandelen. Je moet je bij een bepaalde groep patiënten afvragen wat voor kwaliteit van leven er overblijft na deze ingreep. Het is dus belangrijk degenen te identificeren die een hoog risico lopen om een bepaalde complicatie te krijgen. Misschien moet je hen niet op deze manier helpen en is het verstandiger om niets te doen. Dat kan beter zijn dan iemand een TAVI aandoen met een hoog risico op overlijden of vermindering van de kwaliteit van leven.’ VEELBELOVENDE TECHNIEK

Een belangrijk aspect is daarom volgens Yong de selectie van de patiënten die voor een TAVI in aanmerking komen, de zogenaamde ‘risicostratificatie’. Op basis van de onderzochte risicofactoren, kun je komen tot

een optimale selectie van patiënten. Dat zal de sterfte terugdringen, verwacht hij. Op basis van de ruim driehonderd TAVI-procedures die er sinds 2007 in het AMC zijn verricht, komt Yong tot de conclusie dat het een veilige, goed uitvoerbare en veelbelovende techniek is voor de groep patiënten die een hoog risico loopt op ernstige complicaties bij een openhartoperatie. Verdere verbetering en meer onderzoek zijn echter nodig om de behandeling uit te breiden naar patiënten met een lager risico. Omdat de ingreep nog niet heel lang wordt toegepast, is het nog niet bekend hoe lang een nieuwe klepprothese zijn werk blijft doen. Yong: ‘Het is een biologische klep, waarvan we denken dat hij maximaal tien jaar meegaat. Bij jonge patiënten wil je het liefst een mechanische klep geven die dertig jaar of langer kan blijven zitten.’ Een mogelijke verbetering zit in de toepassing van de nieuwe generatie klepprotheses. Die zijn kleiner, waardoor er kleinere maten katheters kunnen worden gebruikt. Dat zal mogelijk leiden tot een lagere kans op vaat- en bloedingscomplicaties. ‘Wellicht is een TAVI ook een optie voor patiënten die wel fit genoeg zijn voor een openhartoperatie, zodat je een therapie kan toepassen die minder ingrijpend is. Dat is waar we uiteindelijk naartoe zullen gaan. Dit onderzoek geeft aan dat daar nog wel een aantal stappen voor nodig zijn.’

AMC M aga zine november 2012

5

In het AMC is al meer dan driehonderd keer een aortaklep vervangen via de lies. Foto: Hartcentrum AMC

foto links: Eén van de verschillende typen hartkleppen die gebruikt worden voor een ingreep via de lies. Deze ontplooit zich vanzelf, zonder de hulp van een ballon. Foto: Medtronic


D e

a n at o m i s c h e

l e s

Zelfbeheersing: nee is het nieuwe ja Ze zijn wetenschapsnomaden, pendelen tussen North

interactie tussen genen en omgeving. En ze komen naar

goed nieuws, stellen Avshalom Caspi en Terrie Moffitt, want zelf beheersing laat zich sturen. Natuurlijk, het is onderdeel van wat we doorgaans omschrijven als temperament, karakter of nature. Allemaal worden we als het ware geboren met een bepaald basiskapitaal aan zelf beheersing waar we het in principe mee moeten doen. Maar dat geldt ook voor bijvoorbeeld intelligentie, stelt het psychologenechtpaar. Caspi: ‘Weinig dingen in het leven zijn zo constant als IQ. Toch kan goed onderwijs mensen leren méér te doen met hun (hoge of lage) intelligentie. Waarom zouden we niet hetzelfde proberen met zelf beheersing?’

Amsterdam. Tijdens de 19e editie van De Anatomische Les,

Wetenschappelijke molen

Carolina, Londen en Nieuw-Zeeland. Ze zijn de Nicci French van het (neuro-)psychologisch onderzoek: vakgenoten, collega-researchers, co-auteurs van vele wetenschappelijke artikelen én al meer dan twintig jaar getrouwd. Ze verwierven faam met publicaties over de

de jaarlijkse publiekslezing van het AMC en de Volkskrant, belichten psychologen Terrie Moffitt en Avshalom Caspi – uiteraard sámen – het belang van self-control.

A ndrea Hijmans

Zelf beheersing is gekoppeld aan gezondheid, welvaart, welzijn en ja, geluk. Kinderen die planmatig en weloverwogen te werk gaan, over doorzettingsvermogen beschikken, hun emoties onder controle weten te houden, accepteren dat niet al hun wensen nu, meteen, onmiddellijk in vervulling gaan, zijn op volwassen leeftijd gemiddeld gezonder, welvarender, minder vaak crimineel of verslaafd en gelukkiger. En dat is *In 1994 namen Caspi en Moffitt het initiatief voor een ander groot cohortonderzoek: de Environmental-Risk Longitudinal Twin Study, de Britse evenknie van de Dunedin-studie. Zo’n duizend identieke tweelingen uit heel Engeland worden regelmatig onderzocht en ondervraagd. Opzet en doel zijn vergelijkbaar met die van de Nieuw-Zeelandse studie, met één groot verschil: omdat de onderzochte broers en zussen opgroeien in hetzelfde gezin, ontstaat beter zicht op de invloed van omgevingsfactoren. Ook deze studie kent opvallend weinig uitvallers.

6

AMC M aga zine november 2012

Het begon met ruim duizend baby’s, allemaal geboren tussen 1 april 1972 en 31 maart 1973 in het Queen Mary Maternity Hospital in het Nieuw-Zeelandse Dunedin. Hun moeders werden gevolgd tijdens zwangerschap en bevalling, de kinderen zelf onderzocht na de geboorte: het begin van de ondertussen wereldberoemde Dunedin-studie. De verloskunde-afdeling van de lokale universiteit was kraamkamer van het onderzoek, vertelt Moffitt. ‘Er was behoefte aan data over zwangerschap en geboorte. Achterliggend doel: een beeld krijgen van hoeveel verloskundigen en gynaecologen er eigenlijk nodig waren in dat relatief dunbevolkte deel van NieuwZeeland.’ Het ad hoc-onderzoek groeide in de loop der jaren uit tot een cohortstudie. Nu, veertig jaar later, zijn alle baby’s nog elf keer door de wetenschappelijke molen gehaald (namelijk op de leeftijd van 3, 5, 7, 9, 11, 15, 18, 21, 26, 32 en 38). Of nee, niet allemaal: maar 96 procent van de nog levende Dunedin-kinderen doet nog altijd mee. Zij worden regelmatig ondervraagd en onderzocht door diverse researchteams, die zich richten op uiteenlopende onderwerpen. ‘Sommigen onderzoeken bijvoorbeeld astma en allergieën, anderen de seksuele gezondheid. Wij concentreren ons op levensloop en ontwikkeling.’ Hoe verklaren Caspi en Moffitt de enorme trouw van het cohort – zelfs na vier decennia bijna geen uitvallers?


Moffitt: ‘De studie startte in de jaren zeventig. Destijds was men door de bank genomen enthousiast, gezagsgetrouw, geneigd om mee te werken. Nu zijn mensen wantrouwender, ze hebben het druk, worden geronseld voor allerhande (markt)onderzoeken... Ons belangrijkste advies aan wetenschappers? Begin in 1972.’ Een tweede ‘geheime wapen’ was verrassend genoeg de economische recessie die Nieuw-Zeeland trof in de jaren tachtig. ‘De economie raakte in een dip, de jeugdwerkeloosheid steeg naar ongekende hoogten. Inderdaad, vergelijkbaar met de situatie in het Spanje van nu. Met één belangrijk verschil: deze jonge mensen spraken Engels, en konden hun heil dus elders zoeken, in landen als Australië, Engeland en Canada. En dat deden ze ook massaal.’ Caspi: ‘Voor het onderzoek komen ze terug. Wij betalen. Het werkt. Op onze kosten bezoeken ze hun hometown, hun opa en oma, hun vrienden van vroeger... Je zou denken dat de verspreiding over de wereld het moeilijker maakt. Het tegendeel blijkt waar.’ En dan is er nog het ‘Olympische gevoel’. Moffitt: ‘Participanten zien zichzelf als onderdeel van een team. Als vertegenwoordigers van hun land – een klein land, met medische kennis als belangrijk exportproduct. Ze zijn deelnemer aan de studie, geen onderzoeksobject.’ Caspi: ‘We interfereren niet in hun leven, vertellen niets door zonder toestemming. Alleen als iemand gevaar loopt,

ondernemen we actie. Ze praten vrijuit over drugsgebruik, seksuele escapades, geweld. Zij zijn eerlijk en wij zijn eerlijk. Er is een wederzijds gevoel van vertrouwen.’ * Weddenschap

Langlopende cohortstudies veranderen een wetenschapper, stelt Caspi. ‘Je begint met baby’s, die worden peuters en kleuters en pubers, gaan de arbeidsmarkt op, krijgen relaties... En dan raak je automatisch geïnteresseerd in peuters, kleuters en pubers, in de arbeidsmarkt en in relaties. We groeiden op samen met onze onderzoeksgroep. Zij vertelden ons waar we naar moesten kijken.’ Eén vraag drong zich daarbij bijna als vanzelf op: waarom redden sommigen het in het leven terwijl anderen worstelen met financiën of gezondheid? Wat verklaart de successen en de mislukkingen? Self-control bleek van cruciaal belang. Een containerbegrip, erkennen de onderzoekers. Caspi: ‘In hoeverre kan iemand impulsen onderdrukken? Emoties reguleren? Planmatig en georganiseerd te werk gaan? Op de kleuterleeftijd zie je het vaak al: het ene kind raakt gefrustreerd als iets niet meteen lukt, het andere niet. De één neemt de tijd om een puzzel eerst even goed te bekijken, de ander begint meteen en min of meer lukraak.’

AMC M aga zine november 2012

7

Terrie Moffitt en Avshalom Caspi.


D e

a n at o m i s c h e

l e s

Moffitt: ‘Je vertelt een driejarige dat we vandaag spelletjes gaan doen. Wat gebeurt er vervolgens? Komt-ie aan tafel om te kijken wat dat voor spelletjes zijn? Of blijft-ie rondjes rennen totdat volwassenen anders voor hem beslissen?’

dan mannen) met een meer dan gemiddelde intelligentie en zonder adhd doet het beter in het leven met meer zelf beheersing.’ Om een Amerikaanse president te parafraseren: It’s the self-control, stupid! Lawine aan keuzemogelijkheden

De één wordt geboren met meer zelf beheersing dan de ander. En hoewel we allemaal beheerster worden met de leeftijd, blijven er verschillen bestaan. Moffitt: ‘De Dunedin-deelnemers zijn nu rond de veertig, en hebben vaak zelf ook kinderen. Gebrekkige zelf beheersing heeft de neiging zich te herhalen in de volgende generatie. Hoe dat komt? Een kwestie van genen maar ook van omgeving. Vaak gaat het om chaotische gezinnen, waarin iedereen komt en gaat, doet waar hij zin in heeft, eet wanneer en waar hij wil... Nature? Of toch nurture? In de praktijk gaan die twee gelijk op.’ Wat ook het meeste gewicht in de schaal moge leggen, het effect ervan houdt in elk geval lang aan. Peuters met weinig zelf beheersing blijken als volwassene een verhoogd risico te hebben op hoge bloeddruk, ademhalingsproblemen, overgewicht en hart- en vaatziekten. In financieel opzicht doen ze het slechter, hun huwelijk strandt vaker, verslaving komt meer voor, net als tienerzwangerschappen, en ze vertonen vaker crimineel gedrag. Mensen met meer zelf beheersing daarentegen zijn tevredener over hun leven, voelen zich gelukkiger, zijn gezonder. En nee, dat is echt geen kwestie van intelligentie of sociaal-economische omstandigheden. Moffitt: ‘Toen we met dit onderzoek begonnen, heb ik 100 dollar gewed: It’s all IQ – de rest zou er niet toe doen, behalve misschien bij kinderen met adhd. Maar naarmate er meer gegevens beschikbaar kwamen, werd steeds duidelijker: zelfs een meisje van goede komaf (vrouwen hebben doorgaans iets meer zelf beheersing

Voor het individu is zelf beheersing dus belangrijk, maar ook voor de maatschappij als geheel. Caspi: ‘Er komt een demografisch probleem op ons af, de vergrijzing. We zien het bijna overal: meer ouderen, minder jongeren die voor die ouderen kunnen zorgen. Zonder zelf beheersing redden we het straks niet. We zullen weerstand moeten bieden aan de overvloed aan ongezond voedsel. Ons wapenen tegen de lawine aan keuzemogelijkheden. In beweging komen als tegenwicht tegen zittend werk. Sparen voor zorg en pensioenen.’ ‘Elke maatschappij kent wel een vorm van stratificatie, een indeling in sociale klassen. Vroeger lag rijkdom ten grondslag aan de ordening, daarna kregen we de meritocratie: het maatschappijmodel waarin vaardigheden centraal staan. Slimheid brengt je verder. Misschien staan we nu wel aan de vooravond van weer een nieuwe sociale indeling, eentje op basis van psychologische kwaliteiten. Niet meer: hoe rijk zijn je ouders? Niet meer: hoe intelligent ben je? Maar: hoeveel zelf beheersing heb je?’ Moffitt: ‘Waarom krijgen vrouwen in steeds meer beroepen de overhand? Fysieke kracht, voorheen belangrijk, speelt nauwelijks een rol op de arbeidsmarkt. Psychologische kenmerken des te meer. Werkgevers kiezen vaker voor een vrouw. Niet omdat ze beter zijn opgeleid of meer werkervaring hebben. Wellicht tonen ze meer verantwoordelijkheidsgevoel, zijn ze geduldiger, vriendelijker. En beschikken ze over meer zelf beheersing.’ Heeft zelf beheersing dan geen schaduwzijden? Caspi: ‘Mensen met weinig zelf beheersing zouden creatiever zijn, leuker...Dat is althans de mythe. En dan worden voorbeelden aangehaald: “Neem Vincent van Gogh”. “Neem Mozart”. Misschien is het inderdaad zo dat onbeheerste mensen vaker briljante ingevingen hebben. Maar daar koop je op zich weinig voor. Diezelfde Van Gogh en Mozart werkten immers keihard, waren in dat opzicht buitengewoon gedisciplineerd.’ Moffitt relativeert: ‘Een overmaat aan zelf beheersing zou ons veranderen in robots zonder spontaniteit, ook dat horen we nogal eens. En dan volgen niet zelden verwijzingen naar de nazitijd, waarin mensen zichzelf (noodgedwongen) goed onder controle hielden, gezagsgetrouw waren, hun persoonlijke behoeften opzij zetten ten gunste van het collectieve belang. Is er zoiets als teveel zelfcontrole? Een terechte vraag, die we niet zomaar terzijde kunnen schuiven.’ E xploiteer luiheid

Net als conditie kun je zelf beheersing trainen. Iedereen profiteert daarvan – zij die van zichzelf al gedisci-

8

AMC M aga zine november 2012


plineerd zijn én het meer impulsieve, happy-go-lucky mensentype. Maar hoe moet die training eruit zien? Wat werkt en wat niet? Caspi en Moffitt weten het niet – ‘Het onderzoek hiernaar is nog volop in beweging’ – maar willen best een beetje speculeren. Caspi: ‘Ouders zijn uiteraard belangrijk, net als het schoolsysteem. Muzieklessen, vechtsporten, yoga…misschien gaat ook daar een positieve invloed vanuit. Structuur bieden, daar verwacht ik persoonlijk veel van, en als het kan ook graag het leven wat vertragen.’ Moffitt vertelt dat ze jarenlang vocht tegen overtollige kilo’s, soms met wat hulp van de Weight Watchers. ‘Wat zij doen, is in feite niets anders dan trucjes leren om je zelf beheersing op te krikken. Iedereen heeft zwakke momenten. Zorg dus dat er geen ijs in de koelkast staat, geen chocola in de kast. Maak het jezelf moeilijk. Ook de samenleving als geheel kan dat doen. Verplicht de mensen die níet willen sparen voor hun pensioen om actie te ondernemen. Exploiteer luiheid: leg fruit naast de kassa en snoep en chips op de bovenste schappen. Verhoog de prijs van sigaretten zozeer dat je als het ware moet sparen (lees: zelf beheersing uitoefenen) om er eentje op te kunnen steken. Kortom: zorg dat je veel zelf beheersing nodig hebt om het verkeerde te kunnen doen.’ Bovenstaande voorbeelden illustreren dat ingrijpen in zelf beheersing in hoge mate een politieke kwestie is. Moffitt: ‘We hebben als samenleving besloten dat we het niet acceptabel vinden dat je brommer rijdt zonder helm, belt in de auto, rookt in publieke ruimtes. Op een aantal terreinen dwingen we zelf beheersing als het ware af. Prima, maar hoe ver willen we daarin gaan? En waaróm grijpen we in? Dit voorjaar hield ik een voordracht over de effecten van early childhood interventions.

De Anatomische Les vindt plaats op donderdag 29 november in In Denemarken, in mijn het Concertgebouw in Amsterdam. Om de Anatomische Les bij te ogen een soort modelstaat wonen, kunt u zich aanmelden via www.amc.nl/anatomischeles. waarin iedereen gezond, De kosten bedragen 5 euro. welvarend en gelukkig is. Eenmaal ter plekke werd mij echter duidelijk dat er in die ideale samenleving blijkbaar toch een groep is die zijn kinderen niet goed opvoedt en baat zou kunnen hebben bij meer zelf beheersing, althans in de ogen van sommige anderen. En in de loop van de drie dagen die de conferentie duurde, leerde ik ook welke groep dat was: de immigranten. De interesse in zelf beheersing bleek vooral ingegeven door de hoop op betere aanpassing aan Deense normen. Waarom noem ik dit voorbeeld? Om duidelijk te maken dat er ethische vragen zijn waar we niet omheen kunnen. Als we ingrijpen, wat zijn dan onze motieven?’ Vrije val

Ten slotte, hun eigen zelf beheersing. Kijken ze daar, na al die jaren onderzoek, anders tegenaan? Moffitt: ‘Ik ben me bewust geworden van mijn leeftijd, of liever gezegd van alle krankzinnige dingen die ik deed toen ik jong was. Neem mijn promotie. Bloednerveus was ik. Dat loste ik op door te gaan parachutespringen, want als je dát durft, is promoveren natuurlijk een peuleschil. Nu valt uit een vliegtuig stappen met een nylon schermpje op je rug absoluut in de categorie thrillseeking. Het is eng, gevaarlijk – een impulsieve daad, geen activiteit die je direct associeert met zelf beheersing. Toch waagde ik me aan een vrije val. En maakte de afspraak daarvoor drie maanden van tevoren.’ Caspi: ‘Allebei hebben we in ons leven gekke dingen gedaan. Maar we planden ze altijd ruim op tijd. En trouwens, ze brak bij die sprong wel haar been.’

AMC M aga zine november 2012

9

Foto’s: Image Source/ANP


s e k s u e e l

m i s b r u i k

b i j

j o n g e

k i n d e r e n

Zoeken naar objectief bewijs Studies naar signalen die seksueel misbruikte peuters en kleuters afgeven, zijn op de vingers van één hand te tellen. Het is dan ook lastig voor artsen die een nietpluisgevoel bij een patiëntje hebben, om uit te zoeken of hun vermoeden klopt. Met eigen onderzoek als basis, geeft orthopedagogisch specialist kindermishandeling Sonja Brilleslijper-Kater nascholing aan dokters over het herkennen van seksueel misbruik bij drie- tot en met zesjarigen. Daarnaast leidt zij het wetenschappelijk onderzoek naar signalen die jonge slachtoffers lieten zien in de Amsterdamse zedenzaak.

Irene v an El z akker

10

AMC M aga zine november 2012


Toen twee jaar geleden langzaam maar zeker naar boven kwam hoeveel kinderen Robert M. misbruikt had op de Amsterdamse crèche waar hij werkte, ontstond grote beroering in Nederland. Tegelijkertijd werd duidelijk hoe moeilijk het is om bij zulke jonge kinderen, vaak nog baby’s, aan te tonen dat ze slachtoffer zijn geweest van seksueel misbruik. Voor ouders is het lastig om signalen in het gedrag van hun kind te herkennen. Als ze die al zien, kunnen ze ze bovendien niet goed plaatsen. En ook artsen beschikken over weinig houvast om vermoedens van misbruik op een objectieve manier te bevestigen. Deze problematiek is een van de specialiteiten van Sonja Brilleslijper-Kater, die als orthopedagogisch specialist kindermishandeling deel uitmaakt van het Team Kindermishandeling in het AMC, dat op zijn beurt is aangesloten bij het multidisciplinaire TASK-Amsterdam (Transmuraal Academisch Samenwerkingsverband Kindermishandeling). Brilleslijper-Kater promoveerde in 2005 bij Herman Baartman, VU-hoogleraar Preventie en Hulpverlening inzake Kindermishandeling, op de vraag wat wel en niet misbruikte kinderen van drie tot en met zes jaar oud van seksualiteit weten. Wat kunnen ze vertellen over voortplanting en seksualiteit bij volwassenen? ‘Er is ontzettend veel bekend over de ontwikkeling van taal en spel bij kinderen. Maar over de seksuele ontwikkeling weten we weinig’, vertelt Brilleslijper-Kater. ‘Die lacune wilde ik opvullen. Deze kennis kan namelijk de basis zijn voor goede diagnostiek van seksueel misbruik bij jonge kinderen.’ Aan accurate diagnosemogelijkheden is wereldwijd grote behoefte. Zeer jonge kinderen kunnen namelijk zelf niet goed vertellen wat er is gebeurd. Ze hebben niet de verbale mogelijkheden om dat onder woorden te brengen. Bovendien is het moeilijk om over een ervaring te praten die je niet goed begrijpt. Brilleslijper-Kater: ‘Het is sowieso lastig voor kinderen om het te vertellen. Eerst was het contact met de dader leuk omdat ze aandacht en speelgoed kregen. En ze weten niet meer zo goed wanneer het niet leuk werd. Ze voelen zich vaak schuldig omdat ze dan voor hun gevoel al vrijwillig mee hebben gedaan en dus medeverantwoordelijk zijn voor het misbruik. Soms dwingt de dader ze geheimhouding af door te dreigen dat ze hun

ouders nooit meer zien als ze alles vertellen. En vaak weten kinderen gewoonweg niet naar wie ze moeten gaan met hun verhaal. Ze zijn bang dat ze niet geloofd worden.’ Deze onmondigheid leidt ertoe dat kinderen voor hulp aangewezen zijn op de deskundigheid van volwassenen, stelt Brilleslijper-Kater in haar proefschrift. Kennis over seksualiteit

Het gaat er dus om bepaalde signalen bij het kind te herkennen. Fysieke verschijnselen zijn er lang niet altijd, zo leert de ervaring. Bij minder dan vijf à tien procent van de misbruikte kinderen zijn ze zichtbaar, en vaak verdwijnen ze binnen 24 uur na het seksuele contact. Daarmee is dus ook het bewijsmateriaal weg. Plotselinge gedragsveranderingen zijn er soms wel: bedplassen, niet meer kunnen slapen, eetstoornissen (problemen met slikken), angsten, apathie, driftbuien, seksueel afwijkend gedrag. Maar die zijn niet specifiek voor seksueel misbruik. De signalen kunnen ook andere oorzaken hebben, zoals een verhuizing, een zeer angstige ervaring of een andere vorm van mishandeling. Bovendien vertonen sommige misbruikte kinde-

Uit de Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van Kinderen en Jeugdigen kwam naar voren dat in 2010 bijna 119.000 kinderen zijn mishandeld in Nederland. Dat zijn 34 per 1.000 kinderen. Geschat wordt dat ongeveer 1 op de 1.000 kinderen slachtoffer is van seksueel misbruik. Uit andere onderzoeken blijkt dat een kwart tot 35 procent van deze slachtoffers jonger is dan zeven jaar. Brilleslijper-Kater: ‘Sinds het AMC een Team Kindermishandeling heeft dat door iedere afdeling kan worden ingeschakeld als een behandelaar het niet vertrouwd, zien we meer gevallen. In het onderwijs is er ook meer aandacht voor. Zo is er een speciale e-learning ontwikkeld en geven AMC-artsen WOKKcursussen voor kinderartsen, waarin ze leren hoe ze kindermishandeling kunnen herkennen en hoe ze vervolgens moeten handelen.’ ‘Wat belangrijk blijft, is het niet-pluisgevoel bij ouders en artsen. Daar begint het allemaal mee. Hopelijk kunnen we straks mijn instrument breed inzetten om dat gevoel met objectieve gegevens te onderbouwen.’ Foto: AGE fotostock/ANP

AMC M aga zine november 2012

11


re s uk b sr ui ee ke sl nma ias mb r u i k

b i j

ren dergelijke gedragsveranderingen helemaal niet. ‘Ander nadeel is dat een arts voor het herkennen van dit soort signalen af hankelijk is van observaties door derden: ouders, de leidsters van het kinderdagverblijf’, zegt Brilleslijper-Kater. ‘Maar seksuele kennis is vrij objectief na te gaan bij de kinderen zelf. Mijn proefschrift beschrijft hoe speciaal hiervoor opgeleide deskundigen de seksuele kennis van zulke jonge kinderen kunnen vaststellen. Ze gebruiken tekeningen die speciaal hiervoor ontwikkeld zijn. Uit literatuuronderzoek blijkt dat wat een kind weet over seksualiteit een van de duidelijkste signalen is voor misbruik. Door het misbruik heeft het kennis opgedaan die niet bij zijn leeftijd hoort.’ Met dit uitgangspunt in het achterhoofd onderzocht Brilleslijper-Kater bij niet misbruikte peuters en kleuters op kinderdagverblijven, scholen en naschoolse opvang wat normale kennis over seksualiteit op die leeftijd precies inhoudt. Vervolgens voerde ze dezelfde testjes uit bij kinderen waarvan artsen of de politie vermoedden dat ze misbruikt waren. ‘Ik liet ze kindvriendelijke tekeningen zien van onder andere een man en een vrouw, een jongen en een meisje. Eerst met, en dan zonder kleding aan. En dan vroeg ik naar de verschillen. Vervolgens kwamen alle lichaamsdelen aan bod. Wat kan je met je mond, met je neus, met je benen, met je geslachtsdelen? Het zijn allemaal onschuldige vragen waar je een open en onbevangen reactie op verwacht. Daarbij lette ik op het non-verbale gedrag, wat ze zeiden en of ze het verschil zagen tussen normale intimiteit en seksuele handelingen.’ Onbevangen

De niet misbruikte kinderen gaven onbevangen antwoorden. Ze reageerden bijvoorbeeld even spontaan op het plaatje van de neus als op de af beelding van de piemel. Maar voor de misbruikte kinderen bleek de plasser op de tekening heel beladen. Ze draaiden vaak het hoofd weg, keken de interviewer niet aan en begonnen te wiebelen op hun stoel zodra het over geslachtsdelen of vrijen ging. Over seksualiteit bleken beide groepen kinderen zeer weinig kennis te hebben. Niet veel meer dan wat de basale verschillen zijn tussen een man en een vrouw. De misbruikte kinderen leken echter nog minder over het onderwerp te weten, terwijl je juist het tegenovergestelde verwacht. Brilleslijper-Kater: ‘Ze zeggen vaak: “Ik weet het niet”. Maar als je doorvraagt, blijkt dat ze het niet willen vertellen. Ook kwam ik erachter dat het

12

AMC M aga zine november 2012

j o n g e

k i n d e r e n

niet zozeer gaat om wát ze zeggen, maar om hoe ze het zeggen en wat ze níet zeggen. Het antwoord is allesbehalve onbevangen.’ ‘Tijdens een van die testjes zei een driejarig meisje steeds: “Dat is om te douchen”. Natuurlijk is dat geen relevant antwoord op de vraag waar een piemel voor is. Maar naderhand bleek dat ze onder de douche misbruikt was door een familielid dat meehielp bij haar verzorging. Je moet dus tussen de regels door lezen.’ ‘Ook heel typisch is de interpretatie van een tekening waarop je een man en vrouw ziet zoenen. Als je vraagt of de vrouw dat leuk vindt, antwoorden de niet misbruikte kinderen “ja, natuurlijk”, terwijl de misbruikte kinderen daar heel anders over denken.’ Poeppoli

Deze test wordt tegenwoordig door Brilleslijper-Kater in het Team Kindermishandeling ingezet als er een vermoeden bestaat dat een kind seksueel misbruikt is. Standaard is haar methode echter nog lang niet. ‘Het is wel algemeen aanvaard dat je het best naar de seksuele kennis van een kind kunt kijken, maar hoe je dat moet aanpakken staat niet vast. Doordat ik nu in het AMC veel kinderen met vermoedens van seksueel misbruik op het spreekuur zie, kan ik mijn resultaten en daarmee de betrouwbaarheid van de test steeds verder verbeteren. Dat is heel belangrijk om de volgende stap te kunnen zetten, waarbij het instrument, inclusief opleiding en handleiding, ook door anderen kan worden gebruikt om seksueel misbruik te herkennen bij kinderen tot zeven jaar.’ Metingen bij de slachtoffertjes van de Amsterdamse zedenzaak, die psychisch en lichamelijk onderzocht worden door het Team Kindermishandeling en psychiaters van de Bascule/het academisch centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie, moeten daarbij helpen. Die zijn opgeslagen in een database. Daar willen Brilleslijper-Kater, kinderarts Rian Teeuw (voorzitter van het Team Kindermishandeling) en kinderpsychiater Ramon Lindauer de medische en niet-medische signalen uit filteren die deze kinderen vertoonden. ‘Zo leren we waar we in de toekomst op moeten letten.’ Ook is er een samenwerking met de poeppoli van professor Marc Benninga. Onderzocht wordt of kinderen die kampen met verstopping en andere poepproblemen vaker seksueel misbruikt zijn dan gezonde kinderen of kinderen die om een andere medische reden het AMC bezoeken.


9 Promotie Repar atie DNAschade

Joep Vissers: ‘Regulation of histone H2A ubiquitination in the maintenance of genome stability’. Ons DNA wordt continu beschadigd, bijvoorbeeld door zonlicht of sigarettenrook. Gelukkig wordt het gerepareerd, want anders krijg je mutaties die tot kanker kunnen leiden. Echter, het DNA in iedere celkern heeft een totale lengte van wel twee meter. Dit maakt het voor de reparatiemachinerie lastig om beschadigd DNA te vinden. Om dit te vergemakkelijken, worden er een soort vlaggetjes bij de schade gezet. Eén zo’n vlaggetje heet ubiquitine. Het proefschrift gaat over enzymen die ubiquitine bij de schade zetten, en een enzym dat ubiquitine weg kan halen, USP3. Cellen van muizen die USP3 missen, vertonen breuken in hun DNA. USP3 voorkomt dus DNAbreuken, en misschien ook kanker. Promotor: prof. dr. M.M.S. van Lohuizen Co-promotor: dr. E. Citterio Tijd: 14.00 uur 14 Promotie Overge wicht

Elsmarieke van de Giessen: ‘Neurobiological aspects of obesity: dopamine, serotonin and imaging’. Overeten is een belangrijke oorzaak van obesitas. De hersenen spelen een rol bij de regulatie van eetgedrag. Gedacht wordt dat het minder goed functioneren van het beloningscentrum in de hersenen gerelateerd kan zijn aan overeten. Dopamine is een belangrijke signaalstof in dit beloningssysteem. Van de Giessen heeft met behulp van hersenscans laten zien dat er bij zwaarlijvigen een disbalans is in het dopaminesysteem en dat dit mogelijk gerelateerd is aan het dieet. Daarnaast lijkt er binnen de obese populatie een subgroep te zijn van te zware mensen met eetbuien die wat impulsiever zijn en daardoor mogelijk

geneigd zijn meer te eten. Promotores: prof. dr. J. Booij en prof. dr. W. van den Brink Co-promotores: prof. dr. F. Baas en dr. S.E. la Fleur Tijd: 14.00 uur 15 Promotie Diabetische retinopathie

Robert Jan van Geest: ‘TGF-β and CTGF: pro-fibrotic factors in diabetic retinopathy’. Van Geest onderzocht de rol van de eiwitten TGF-β en CTGF bij het ontstaan van diabetische retinopathie (DR). DR wordt gekenmerkt door schade aan het netvlies door suikerziekte, en is een veel voorkomende oorzaak van slechtziendheid. In experimentele modellen van beginnende DR toonde Van Geest aan dat de twee eiwitten samen betrokken zijn bij fibrose (littekenvorming) in de bloedvaten van het netvlies. Bij patiënten heeft hij laten zien dat TGF-β en CTGF, in samenhang met andere eiwitten, een rol spelen bij fibrose in verschillende stadia van de oogziekte. Dit kan wellicht leiden tot nieuwe behandelopties voor mensen met DR. Promotores: prof. dr. C.J.F. van Noorden en prof. dr. R.O. Schlingemann Co-promotores: dr. I. Klaassen, prof. dr. M.P. Mourits Tijd: 14.00 uur 15 Or atie Hoofdhalsoncologie

Ter gelegenheid van zijn benoeming tot hoogleraar Oncologie gerelateerde stem- en spraakstoornissen aan de faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam (UvA), houdt prof. dr. Michiel van den Brekel zijn oratie getiteld ‘Hoofd-halsoncologie onder spanning’. Van den Brekel heeft zich binnen de hoofd-halsoncologie toegelegd op verschillende onderzoeksgebieden. Naast studies op het gebied van beeldvorming, moleculaire biologie en prognostische factoren, bestrijkt zijn interessegebied de revalidatie van patiënten met hoofd-halskanker. Patiënten met een tumor in de bovenste lucht- en voedselwegen hebben, mede ten gevolge van de behandelingen, vaak grote beperkingen op het gebied van hun stem, spreken en slikken. De behandeling en preventie van deze functionele beperkingen en meer aandacht voor kwaliteit van leven en patiëntcounseling

zijn relatief nieuwe aandachtsgebieden binnen de hoofd-halsoncologie. Van den Brekel ziet het als zijn leeropdracht om meer inzicht te verkrijgen in het voorspellen van de morbiditeit. Ook wil hij tot een betere besluitvorming rondom behandelkeuzes komen en de revalidatie van patiënten optimaliseren. Daarnaast is de communicatie tussen arts en patiënt een belangrijk interessegebied. Tijd: 16.00 uur

tiviteit van de therapie. Daaruit blijkt dat de antistoffen aan adalimumab binden en daardoor voorkomen dat het middel zijn functie uitoefent. Daarom moeten patiënten die behandeld worden met biologicals regelmatig onderzocht worden op de aanwezigheid van ADA (antidrug antistoffen) en op de hoeveelheid geneesmiddel in het bloed. Promotor: prof. dr. L.A. Aarden Co-promotores: dr. D. Wouters, dr. G.J. Wolbink Tijd: 14.00 uur

16 Promotie X-ALD

Marc Engelen: ‘Translational studies in X-linked Adrenoleukodystrophy’. De stofwisselingsziekte X-gebonden adrenoleukodystrofie (X-ALD) wordt gekenmerkt door gestoorde afbraak van zeer lange-keten vetzuren (ZLKV). Engelen onderzocht mogelijke nieuwe medicijnen. Hij concentreerde zich op twee stoffen: bezafibraat (dat de hoeveelheid vet in het bloed vermindert) en lovastine (een cholesterolverlagend medicijn). Bezafibraat leek veelbelovend, maar blijkt de concentratie ZLKV niet omlaag te kunnen brengen in de mens omdat zelfs bij de maximaal toegestane dosis de benodigde concentratie in plasma niet wordt bereikt. Lange tijd werden vrouwen met X-ALD beschouwd als draagsters, niet als patiënten. Een groot deel van de draagsters boven de 60 jaar ontwikkelt echter neurologische klachten en/of symptomen, zo blijkt uit een cohortstudie. Promotores: prof. dr. B.T. Poll-The en prof. dr. M. de Visser Co-promotores: dr. S. Kemp en dr. B.M. van Geel Tijd: 13.00 uur

21 Promotie Overle ving voorspellen

Tudor Toma: ‘Prognosis in intensive care – Inductive methods using sequential patterns of organ dysfunction scores’. Toma ontwikkelde nieuwe methoden om overleving van IC-patiënten te voorspellen. Hij combineerde daarbij klassieke regressietechnieken met moderne dataminingtechnieken. Het voorspellen van sterfte op basis van veelvoorkomende patronen van orgaanfalen lukt beter dan met bestaande modellen. IC-artsen bleken minder goed in staat dan de modellen om nauwkeurig sterfterisico’s te schatten, maar konden wel beter aangeven welke patiënten de ziekenhuisopname zouden overleven. Wanneer beide bronnen van informatie werden gecombineerd, was zowel de nauwkeurigheid als het onderscheidend vermogen superieur. Promotores: prof. dr. ir. A. Hasman en prof. dr. A. Abu-Hanna Co-promotor: dr. N.B. Peek Tijd: 12.00 uur 22 Promotie Elek tronische

16 Promotie Biologicals

neus

Pauline van Schouwenburg: ‘Antibodies against antibodies. Immunogenicity of adalimumab as a model’. Adalimumab (Humira) is een medicijn dat gebruikt wordt voor de behandeling van reuma en andere auto-immuunziekten. Bij een deel van de patiënten wordt adalimumab herkend als lichaamsvreemd, waardoor zij antistoffen maken tegen het medicijn en niet meer goed op de behandeling reageren. Van Schouwenburg laat zien dat 53 procent van de behandelde reumapatiënten antistoffen maakt tegen adalimumab. Ook is voor het eerst onderzocht waarom deze antistoffen zorgen voor verminderde effec-

Silvano Dragonieri: ‘An electronic nose in respiratory disease’. De elektronische neus analyseert de moleculaire samenstelling van uitgeademde lucht en kan hierin patronen herkennen. Dat maakt het apparaat geschikt voor het vaststellen van long- en luchtwegaandoeningen. Dragonieri onderzocht of de elektronische neus de juiste diagnose kon stellen bij drie soorten longziekten: ontstekingsziekten van de luchtwegen zoals astma en COPD, twee vormen van longkanker en een ziekte van het longweefsel: sarcoïdose. Het apparaat kon patiënten met

AMC M aga zine november 2012

13

Zie verder pagina 19

p r o m o t i e s e n o r at i e s n o v e m b e r

erg vonden dan kanker, maar ook dat zij niet wisten dat er behandelingen voor bestaan. Een gerandomiseerde studie naar bekkenfysiotherapie na behandeling van baarmoederhalskanker liet geen effect zien op de blaasfunctie in vergelijking met alleen een informatiefolder. Promotores: prof. dr. M.P.M. Burger en prof. dr. M.A.G. Sprangers Co-promotor: dr. J.P.W.R. Roovers Tijd: 13.00 uur


Z o r g

v o o r

o u d e r e n

Geriatrische bril bespaart geld en leed Dat oudere patiënten met veel gebreken een flink deel van het zorgbudget opslokken, niemand zal het nog ontkennen. Toch kun je niet suggereren dat de meeste artsen ouderen eindeloos blijven doorbehandelen, zegt geriater annex onderzoeker Marije Hamaker. ‘Er wordt wel degelijk kritisch nagedacht. Maar een aanvullende geriatrische blik zou voor patiënt en budget nog beter uitpakken.’

Simon K nepper

14

AMC M aga zine november 2012

Meer zorg is vaak geen betere zorg, het rapport-Klink heeft het er nog eens flink ingehamerd. Volgens de voormalig minister van Volksgezondheid kunnen we een belangrijk deel van de verdere kostenstijging in de gezondheidszorg opvangen door af te zien van overbodige en ondoelmatige behandelingen. Zeker bij ouderen, betoogde Klink, moeten ingrijpende beslissingen kritischer worden overwogen. AMC-bestuursvoorzitter Marcel Levi ondersteunde die opvatting met zijn publiekelijke pleidooi voor meer ‘dappere dokters’, voor artsen die weerstand bieden aan hun professionele reflex om het leven koste wat het kost te verlengen. Wat Levi betreft, mogen artsen soms zelfs zo ver gaan om behandelopties met een minimale slagingskans te verzwijgen. Alleszins redelijke visies natuurlijk. Alleen: ze wekken de indruk dat artsen geneigd zijn bij alle ouderen klakkeloos de landelijke richtlijnen te volgen, zonder zich veel gelegen te laten aan de individuele patiënt. In haar promotieonderzoek nuanceert geriater Marije Hamaker die veronderstelling.


In het Medisch Centrum Alkmaar registreerde zij vanaf 2002 de behandelkeuzen van specialisten bij honderden oudere patiënten met diverse typen kanker. Van een groep van 166 vrouwen boven de 70 jaar met borstkanker bleek driekwart te worden behandeld volgens de richtlijnen. Daarbij gold: hoe ouder de patiënt, hoe groter de kans op een afwijkende keuze. Van de 90-plussers werd maar veertig procent volgens de richtlijnen behandeld. ‘Dat afwijken gebeurt in de regel welbewust’, licht Hamaker toe, ‘vanwege bijkomende ziekten of op verzoek van de patiënt.’ Waarmee het beeld van de blindelings doorbehandelende arts al meteen is genuanceerd. Eén tabletje per dag

In een vervolgonderzoek richtte Hamaker zich op 70-plussers bij wie een vroeg stadium van borstkanker was vastgesteld. Aan het begin van de registratieperiode bleek 94 procent van die patiënten conform de richtlijn operatief te worden behandeld. Vijf jaar later was dat percentage gedaald tot 76. ‘Een landelijke trend’, volgens de onderzoeker. ‘In de praktijk wordt bij 75-plussers steeds vaker gekozen voor hormonale behandeling. Dat geneest niet, het onderdrukt de kanker tijdelijk. Daar staat tegenover dat je met één tabletje per dag klaar bent.’ In veel gevallen, zeker als er nog bijkomende ernstige aandoeningen zijn, kan hormonale behandeling daarom een legitieme keuze zijn. Maar bij de scherpte van de gesignaleerde daling zet Hamaker vraagtekens. ‘Van de hormonaal behandelde groep overleed eenderde aan die borstkanker. Wat suggereert dat de richtlijn ook wel eens te gemakkelijk terzijde wordt geschoven. Zeker als je de bijwerkingen van de behandeling in aanmerking neemt: veel patiënten klagen over aanhoudende hoofdpijn, duizeligheid of misselijkheid.’ Ook bij 70-plussers met darmkanker en met hoofdhalskanker wordt de behandelrichtlijn niet altijd gevolgd. Van enkele honderden darmkankerpatiënten bij wie de richtlijn operatieve verwijdering voorschrijft, bleek één op de tien patiënten niet onder het mes te zijn gegaan. Van de gegadigden voor chemotherapie bleven zelfs twee op de drie ouderen onbehandeld. Als voornaamste redenen om van de richtlijn af te wijken noemden de behandelaars leeftijd, bijkomende ziektes en de algehele conditie van de patiënt. Ook daar valt weinig op aan te merken, meent Hamaker, ‘tenminste als leeftijd hier een synoniem is voor krakkemikkigheid’. Maar de uitkomsten bij wél behandelde patiënten zouden te denken moeten geven. Ondanks de selectie van ‘vitale’ ouderen viel de sterfte in de chirurgische groep gedurende de eerste maand na de operatie aanmerkelijk hoger uit dan bij jongere patiënten. De uitkomsten voor de chemotherapiegroep vielen evenmin mee. ‘Die patiënten waren minstens

zo streng geselecteerd en ze hadden een relatief milde vorm van chemotherapie gekregen. De veronderstelling was dat ze daardoor minder last van bijwerkingen zouden hebben dan jongere lotgenoten, die natuurlijk meer kunnen verdragen. Maar de bijwerkingen pakten voor beide groepen gelijk uit.’ Niet fijnmazig genoeg

Hamakers conclusie laat zich raden. Dat de behandelrichtlijn bij ouderen met kanker vaak niet wordt gevolgd, is op zichzelf geen slechte zaak, het laat zien dat artsen wel degelijk kritisch te werk gaan. Maar het aangewende gereedschap is kennelijk nog niet fijnmazig genoeg om goed te kunnen bepalen wie voor welke behandeling in aanmerking komt. ‘Kijken naar het individu moet zeker bij ouderen het uitgangspunt blijven, stelt Hamaker, ‘maar dat kan gewoon beter dan het nu gebeurt. Deels is het een zaak van wetenschappelijk onderzoek, van betere voorspellers ontwikkelen, maar we praten ook over een attitude. In de praktijk richten de behandelkeuzen bij kanker zich nog te veel op overleving, daar hebben Klink en Levi een punt, en te weinig op de resterende levenskwaliteit. Niet alleen na maar ook tijdens de behandeling. Zes maanden chemotherapie om dan nog drie maanden langer te kunnen leven, wil je dat echt? Hoeveel quality time wint iemand, tijd waarin hij zich echt goed voelt en symptoomvrij is? Zulke vragen kunnen arts en patiënt niet laten liggen.’ Dat ook een ‘geriatrische blik’ de patiëntenselectie kan verbeteren, staat voor haar als een paal boven water. ‘Voor mij houdt zo’n geriatrische blik in dat je streeft naar een volledig beeld, niet alleen van iemands gezondheid, maar ook van zijn psychisch en sociaal functioneren. Je kijkt eerst uitvoerig naar de patiënt en bepaalt op grond daarvan de behandelopties.’ Niet dat er bij elke oudere patiënt met kanker een geriater opgetrommeld moet worden, nuanceert ze, ‘maar in twijfelgevallen en bij behandelingen die heel ingrijpend kunnen zijn, voegt het zeker iets toe.’ Ook die werkwijze zal een bescheiden cultuuromslag vergen, denkt Hamaker. Want tegen zo’n geriatrische blik heerst nog aardig wat weerstand. ‘Op een oncologisch congres in Chicago heb ik een onderzoekje gepresenteerd naar het nut van geriatrische vragenlijsten. Zulke lijsten blijken de kans op ernstige bijwerkingen beter te voorspellen, een verpleegkundige kan ze vooraf samen met de patiënt invullen. Vonden ze prachtig, die oncologen! Tot ze hoorden dat het invullen een half uur tot drie kwartier extra werk oplevert – toen haakten de meesten af.’ Een schamper lachje. Serieus: ‘Daar schrik ik dan wel van. Duizenden euro’s uitgeven voor een heel ingrijpende behandeling, en dan zou drie kwartier extra tijd om te zien of een patiënt de belasting wel aan kan een te grote investering zijn?’

AMC M aga zine november 2012

15

Foto: Sabine Joosten/Hollandse Hoogte


c e l b i o l o g i e

Verliefd Waar Ron van Noorden, hoogleraar Celbiologie en Histologie, zich zoal mee bezighoudt, weten maar weinig AMC’ers. Maar onder celbiologen wordt hij geëerd, onlangs nog met een erelidmaatschap van de internationale vereniging van histologen en cytologen. Een gesprek over de complexiteit van een cel en over de toenemende kennis in zijn vakgebied die alleen maar meer vragen oproept.

Marc v an den Broek

Eigenlijk zou Ron van Noorden een onderzoeker moeten zijn die tot wanhoop is gedreven. Zijn vakgebied is de celbiologie, het ontrafelen van wat cellen doen en waarom. Elk lichaam telt miljoenen, nee miljarden cellen en elke cel telt 23 duizend genen die eiwitten maken waarmee het leven mogelijk is, zoals we dat kennen. In deze wirwar probeert Van Noorden (60) als hoogleraar Celbiologie en Histologie orde in de chaos te scheppen. Hij doet het met plezier en een ontwapenende eerlijkheid. ‘We weten nog maar dit kleine beetje over

16

AMC M aga zine november 2012


op een hopeloos vak wat er precies in de cellen gebeurt.’ Hij houdt duim en wijsvinger ongeveer een centimeter uit elkaar. ‘Hoe meer we te weten komen, hoe minder ik ervan begrijp.’ In het veld van de celbiologie is de AMC’er geen onbekende. Hij werd eind augustus erelid van de International Federation of Societies for Histochemistry and Cytochemistry. In 2008 kreeg hij de prestigieuze David Glick Award van dezelfde organisatie. Zijn naam staat boven driehonderd publicaties. Binnen het AMC is hij wat minder bekend, want een celbioloog (Van Noorden is medisch bioloog, geen arts) is een vreemde eend in de bijt in een ziekenhuis. ‘Zo zie ik dat soms. Veel mensen hier hebben geen flauw benul waarmee ik bezig ben.’ Waarom zijn die cellen zo belangrijk voor de medische wetenschap?

‘Dat is simpel. Het menselijk lichaam is opgebouwd uit cellen. Als er iets fout gaat in het lichaam, dan loopt het daar ergens mis. Jij bent in het bezit van tienduizend keer meer cellen dan dat er mensen op de wereld zijn. Ze worden bestuurd door het grotere geheel van onszelf. Fascinerend vind ik het dat al die cellen hun werk doen en dat het meestal goed gaat. Soms gaat het niet goed. Dat heet ziek.’ Waarom zit het zo ingewikkeld in elkaar en zijn er zo veel cellen nodig? Als elk organisme miljoenen fabriekjes heeft, dan is de kans toch veel groter dat er wat fout gaat?

‘Het zou inderdaad veel eenvoudiger zijn als er maar één cel was. Maar het is zo complex geworden door de evolutie. Omdat al die cellen zo veel kunnen, kan het organisme meer functies uitoefenen en op die manier weerstand bieden aan de druk in de evolutie. Het is survival of the fittest. Hoe beter de samenwerking tussen alle cellen, hoe groter de kans op overleven.’ Er zijn dus heel veel cellen nodig om ons leven mogelijk te maken?

‘Precies. Hoe meer we te weten komen over cellen, des te vaker ik denk: hoe is het toch mogelijk dat al die processen ordelijk plaatsvinden, afgestemd op het grotere geheel? Dat kan alleen als de cellen waanzinnig goed communiceren. De zenuwen helpen daarbij, en ook de hormonen, groeifactoren, buurcellen die elkaar in de gaten houden. Het moet nog veel complexer zijn dan

ik nu zeg. En om het verhaal nog moeilijker te maken, noem ik de stamcellen. Die zijn hot, ze zijn in staat uit te groeien tot elke willekeurige cel in het lichaam als je ze voorziet van de juiste informatie. Maar je kunt van iedere cel waar dan ook, weer een stamcel maken. Je kunt hem dus terugprogrammeren. Vroeger dachten we dat de organisatie van cellen hiërarchisch is, maar dat is niet zo. Ze is flexibel.’ En toch gaan we dood en worden we ziek? Als cellen zo flexibel zijn en kunnen worden ‘teruggeprogrammeerd’ waarom gaan we dan toch dood?

‘Als ik eerlijk ben: we snappen er geen fluit van waarom sommige organismen zoals bomen lang leven en andere weer korter. Het DNA heeft het er niet gemakkelijker op gemaakt. Iedere cel bevat DNA. Daarop zitten 23 duizend genen. Met dat kleine stukje zouden we het doen. Onlangs publiceerde Nature een verhaal over het zogenoemde junk-DNA, het deel van de genen waarvan men aannam dat het geen functie heeft. Dat blijkt ook miljoenen regelmechanismen in zich te hebben. Er is weer een tipje van de sluier opgelicht. Ik wist dat het idee van junk-DNA onzin was. Afval in het DNA, nee. Dan zou het in de evolutie zijn verdwenen. Maar wat het precies doet?’ Wat een hopeloos vak is celbiologie toch.

‘Ik heb een hopeloos vak, maar het is zo leuk. We zetten hele kleine stappen. Wat ik leerde als student en wat ik nu doceer als hoogleraar, verschilt ontzettend van elkaar. Toen ik studeerde, was er één signaalmolecuul, het cyclisch AMP. Daarmee moest alles worden verklaard. We hebben nu vele signaleringscascades die in de cel allerlei processen aansturen. Ik weet niet of we het ooit gaan begrijpen, dat maakt het juist zo fascinerend.’ Waarom heeft u gekozen voor de cellen?

‘Ik ben als bioloog opgeleid aan de Universiteit van Amsterdam en behoorde tot de eerste lichting medisch biologen. Eigenlijk had ik mijn zinnen gezet op de endocrinologie, de studie van de klieren, omdat ik vermoedde dat daar te achterhalen is hoe de cellen verschillende functies kunnen uitvoeren. Ik dacht dat hormonen heel belangrijk waren. Via het labwerk ging ik in levercellen kijken. Die kun

AMC M aga zine november 2012

17

Ron van Noorden Foto’s: Xander Remkes


re c u lb br ii oe lk os gn iae a m

je kleuren en zo ontdek je hun functies en wat er zich in een cel afspeelt. Daardoor rolde ik langzaam in de wereld van microscopen en het aankleuren van weefsel.’ Wanneer is duidelijk dat er iets niet deugt in de cel? Er zijn zo veel processen gaande, processen die we niet allemaal kennen.

‘Laat ik een voorbeeld geven van een proces dat een paar jonge honden om mij heen hebben ontrafeld. Hersentumoren, daar snappen we niets van. Na behandeling met chemotherapie en een operatie leef je nog vijftien maanden. Als je niks doet, dan ben je binnen drie maanden dood. Wij hebben de vinger achter een proces gekregen dat een rol speelt bij deze tumor. Het draait om één eiwit, Wee-1, dat merkwaardig genoeg kankercellen beschermt. Hier kwamen we op omdat mijn promovendus Philip de Witt Hamer en onderzoeker Tom Wurdinger op zoek waren naar stoffen die actief zijn in hersentumoren. Wee-1 bleek een van de meest actieve eiwitten. Toen kwam Wurdinger op het lumineuze idee om Wee-1 te remmen om zo de bescherming op te heffen. En dat bleek te werken in muizen.’ Hoe kom je erop?

‘Teamwork. Wat slimme mensen bij elkaar zetten en bij de koffie kwam het idee. Zo gaat dat. Ik zat er bij en keek ernaar. Het idee kwam niet van mij, maar ik vond het boeiend om te volgen. Dit voorbeeld overtuigt me dat celbiologie onmisbaar is bij het oplossen van kanker.’ Werkt het ook bij mensen?

‘Het patent op de Wee-1-remmer ligt bij een grote farmaceutische firma, maar dat zag geen brood in productie. Te weinig patiënten. We hebben andere bedrijven benaderd. Geen interesse. We besloten daarom de remmer zelf te laten maken door een bedrijfje elders. Tegen de regels, maar we moesten wat. De diepere achtergronden van de farmaceutische industrie begrijp ik niet altijd. Maar goed, de kans is groot dat het medicijn niet gaat werken in mensen. In ieder geval hebben we het dan geprobeerd.’ Wat is uw bijdrage aan dergelijk onderzoek?

‘Vooral het zichtbaar maken van de activiteit van eiwitten. Mijn specialisme is het aankleuren van cellen. Als je zomaar naar een cel kijkt door de microscoop dan zie

18

AMC M aga zine november 2012

je niks. Alleen met kleuring wordt het een beetje duidelijk. Zo kan ik de activiteit van een eiwit in een cel zichtbaar maken. Ik zie mezelf als een gedegen timmerman die het kijken in de cel mogelijk maakt en die ervoor zorgt dat de gegevens eruit gefrutseld worden, kloppen. Niet erg spectaculair. Voor de arts die een kankerpatiënt moet genezen, is dit ver weg.’ Weet u door de kleuring wat een gezonde cel is?

‘Wat een gezonde cel is, is niet gemakkelijk te zeggen. Er is een enorme variëteit in gezonde cellen. Meestal doen de verschillen er niet zo veel toe, of ze verklaren waarom jij krullen hebt en ik niet. Nee, dat is het frustrerende en tegelijkertijd het boeiende van ons vak.’ Valt de vertaalslag te maken van de zieke patiënt met klachten naar wat er in zijn cellen niet klopt?

‘Dat is een ingewikkelde vraag zonder eenduidig antwoord. Soms valt wat je ziet in een kader, en dan kun je er wat mee. Of niet, en dan snap je er niks van. Onze kennis is fragmentarisch. De enorme zee aan mogelijkheden vind ik fascinerend. Mij past bescheidenheid, het zal nooit helemaal duidelijk worden. Maar soms stuit ik op een verhaal dat een beetje klopt. Ik kan dus goed tegen teleurstellingen, want meestal zit ik op een dood spoor.’


22 Promotie Behandeling hiv

Anouk Kesselring: ‘Clinical implications of immune recovery during antiretroviral treatment for HIV infection’. De levensverwachting van met hiv (het humaan immunodeficiëntie virus) geïnfecteerde patiënten is sterk toegenomen na het beschikbaar komen van antiretrovirale combinatietherapie (cART). Ook veranderden daardoor de klinische verschijnselen die kunnen samenhangen met een hiv-infectie. Het proefschrift beschrijft een aantal van deze symptomen, en brengt die in verband met de staat van het immuunsysteem ten tijde van het starten met cART, en met de mate van immuunherstel tijdens de behandeling. De beschreven studies maakten gebruik van het gegevensbestand van de ATHENA (Aids Therapy Evaluation in the Netherlands) cohortstudie, waarin gegevens worden geregistreerd van hiv-geïnfecteerde patiënten die zorg ontvangen in Nederlandse instellingen. Promotores: prof. dr. P. Reiss en prof. dr. F. de Wolf Co-promotor: dr. F.W.N.M. Wit Tijd: 14.00 uur 23 Promotie Stolling

Danka Stuijver: ‘The hormonal influence on the haemostatic system and the risk of thrombosis’. Het evenwicht tussen stolling en antistolling van het bloed (de hemostase) wordt beïnvloed door tal van factoren, waaronder bepaalde hormonen. Stuijver ontdekte dat een teveel

aan schildklierhormoon leidt tot een verhoging van stollingseiwitten en een stugger bloedstolsel. Daarmee vormt het een risicofactor voor het ontstaan van trombose. Patiënten met een traag werkende schildklier hebben juist een verhoogde bloedingsneiging door een tekort aan verschillende stollingseiwitten. Daarnaast zag Stuijver dat een teveel van het stresshormoon cortisol door een cortisol-producerend gezwel of door behandeling met corticosteroïden, het risico op trombose verhoogt. Aangezien hormonale aandoeningen veel voorkomen maar ook goed behandelbaar zijn, zou de identificatie van deze risicofactoren kunnen bijdragen aan de behandeling dan wel preventie van stollingsstoornissen zoals trombose. Promotores: prof. dr. H.R. Büller en prof. dr. D.P.M. Brandjes (Slotervaartziekenhuis) Co-promotores: dr. V.E.A. Gerdes en dr. B. van Zaane (beiden Slotervaart­ ziekenhuis, Amsterdam) Tijd: 12.00 uur 23 Promotie Kunstle ver

Geert Nibourg: ‘Human liver cell lines for the AMC-bioartificial liver’. Voor patiënten met ernstig leverfalen is een levertransplantatie vaak de enige adequate behandeling, maar door een tekort aan donorlevers sterft ongeveer twintig procent van hen voordat er een lever beschikbaar is. Behandeling van deze patiënten met een kunstlever, die buiten het lichaam de leverfunctie tijdelijk kan overnemen, zou de tijd kunnen overbruggen naar een transplantatie of naar herstel van de lever. De AMC-BAL (bioartificiële lever) is zo’n kunstlever die bestaat uit een bioreactor waarin levercellen gekweekt kunnen worden. Idealiter zou je daarvoor menselijke hepatocyten willen gebruiken, maar die zijn niet in grote hoeveelheden voorhanden. Nibourg werkte daarom aan een humane levercellijn die beschikbaar is in ruime hoeveelheden en voldoende functionaliteit heeft om de leverfunctie tijdelijk over te nemen. Zijn studies laten zien dat de HepaRG-cellijn een veelbelovende biocomponent is voor de BAL. Behandeling van ratten met acuut leverfalen verlengde hun overlevingstijd substantieel. Deze onderzoeken vormen de opmaat voor verdere klinische studies met de AMC-BAL.

Promotor: prof. dr. T.M. van Gulik Co-promotores: dr. R.A.F.M. Chamuleau en dr. R. Hoekstra Tijd: 14.00 uur 23 Or atie Het chronisch zieke kind

Ter gelegenheid van haar benoeming tot hoogleraar Psychosociale zorg voor het chronisch zieke kind houdt prof. dr. Martha Grootenhuis haar oratie over ‘Zorg voor het zieke kind’. In Nederland groeien meer dan een half miljoen kinderen op met een chronische ziekte of met de late effecten van de behandeling van bijvoorbeeld kanker. Er is nog onvoldoende bekend over de gevolgen op korte en langere termijn. Het is onze taak om hen, maar ook hun familieleden, bij te staan met goede zorg, zowel preventief als ondersteunend. Probleem is dat bezuinigingen deze zorg onder druk zetten. In een modern kinderziekenhuis is ontwikkelingsgerichte zorg beschikbaar, zowel tijdens ziekenhuisopnames en controles als bij de overgang naar de volwassen geneeskunde. Dit kan met innovatieve interventies die Grootenhuis onder de aandacht zal brengen en die ook te vinden zijn op www.zorgvoorhetziekekind.nl. Tijd: 16.00 uur 27 Promotie Medulloblastoom

Jens Bunt: ‘The role of OTX2 in medulloblastoma’. Het medulloblastoom is een kwaadaardige tumor van de kleine hersenen bij kinderen. Het gen OTX2, dat normaal alleen aanstaat tijdens de ontwikkeling, komt hoog tot expressie in de meerderheid van de tumoren. Uit proeven met tumorcellen waarin OTX2 aan of uit gezet kan worden, blijkt dat OTX2 noodzakelijk is voor de vermeerdering van de medulloblastoomcellen. Door binding aan het DNA zet OTX2 de expressie van genen die nodig zijn voor celdeling aan, terwijl het indirect de differentiatie van cellen remt. Het onderdrukken van OTX2 lijkt een potentiële therapie voor medulloblastomen. Promotor: prof. dr. R. Versteeg Co-promotor: dr. M. Kool Tijd: 10.00 uur 29 Promotie Acuut hartfalen

Marije Vis: ‘Cardiogenic shock in acute myocardial infarction. Clinical outcome and predictors’. Cardiogene shock (lage

AMC M aga zine november 2012

19

bloeddruk door acuut hartfalen) is een ernstige complicatie die kan optreden bij een hartinfarct, en die gepaard gaat met een hoge sterfte. Bij opname van patiënten met een hartinfarct, bepaalde Vis meteen de bloedwaarden tijdens de dotterbehandeling. Hieruit is gebleken dat de glucosewaarde in het bijzonder een sterke voorspeller is voor overlijden in het ziekenhuis. Andere indicatoren voor een verslechtering van de prognose waren: een combinatie van het acuut afgesloten vat met een chronisch afgesloten kransslagader, falen van de rechterhartkamer of lekkage aan een hartklep. Verder berekende Vis een nog niet eerder bepaald sterftecijfer van hoofdstam-hartinfarcten. Chirurgische behandeling van acuut hoofdstamletsel geeft, indien mogelijk, op langere termijn betere overleving. Promotores: prof. dr. J.J. Piek en prof. dr. R.J. de Winter Co-promotores: dr. J.P.S. Henriques en prof. dr. J.G.P. Tijssen Tijd: 14.00 uur 30 Promotie K anker bij ouderen

Marije Hamaker: ‘Decision making in geriatric oncology’. Promotor: prof. dr. M.M. Levi Co-promotores: prof. dr. S.E.J.A. de Rooij, dr. B.C. van Munster, dr. C.H. Smorenburg (Medisch Centrum Alkmaar) Tijd: 14.00 uur Zie het artikel op pagina 14 Doordat gegevens over de promoties steeds later tot onze beschikking komen, kan het gebeuren dat deze kalender niet volledig is. Voor de meest actuele informatie kunt u de agenda op de website raadplegen: www. amc.nl

Alle promoties van de faculteit Geneeskunde van de Universiteit van Amsterdam vinden plaats in de Agnietenkapel Oudezijds Voorburgwal 231 Amsterdam. Bij grote belangstelling in de aula van de universiteit Lutherse Kerk Singel 411 Amsterdam. Oraties vinden ook plaats in deze aula. Voor informatie op het gebied van promoties en oraties: AMC-wetenschapsvoorlichters Edith Gerritsma, Andrea Hijmans en Marc van den Broek, 020 566 29 29.

p r o m o t i e s e n o r at i e s n o v e m b e r

een lichte en ernstige vorm van astma onderscheiden van gezonde personen op basis van hun uitademingspatroon. Maar het verschil tussen lichte en ernstige astmapatiënten zag hij minder goed. Daarnaast wist de elektronische neus goed het onderscheid te maken tussen (ex-)rokers met COPD en (ex-) rokers met longkanker. Ook kon het apparaat het verschil waarnemen tussen patiënten met mesothelioom als gevolg van blootstelling aan asbest en mensen zonder deze vorm van longkanker die evenveel in aanraking waren gekomen met asbest. Concluderend bieden deze resultaten mogelijkheden voor diagnostiek van meerdere typen longziekten aan de hand van moleculaire mengsels in de uitademingslucht. Promotor: prof. dr. P.J. Sterk Tijd: 10.00 uur


N i e t

t e

m o e i l i j k

g r aa g

Aan de vooravond van grote doorbraken Robbert Dijkgraaf (1960), wiskundige en theoretisch natuurkundige, is directeur van het Institute for Advanced Study te Princeton. Daar is hij eveneens Leon Levy Professor. Ook is hij universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en oud-president van de Koninklijke Nederlandse

In zijn spraakmakende Waar zijn de intellectuelen? signaleerde de Engelse cultuursocioloog Franklin Furedi een ‘dumbing down’ van onze cultuur. Politici, gezagsdragers, media en culturele instanties zouden zich met hun traditionele voorbeeldfunctie geen raad meer weten. Lijdt de samenleving aan acute verkleutering? In de serie ‘Niet te moeilijk graag’ wordt de kwestie voorgelegd aan uiteenlopende wetenschappers en publicisten. Aflevering 13: Robbert Dijkgraaf over de paradox van de toenemende kennis.

Akademie van Wetenschappen.

Wordt de wereld dommer? In de discussie rond deze vraag, die trouwens van alle tijden is, zijn ruwweg drie posities in te nemen. Ja, we leven in een tijd van toenemende infantilisering, gevoed door de moderne media. Nee, de wereld wordt juist slimmer want de totale hoeveelheid kennis groeit alleen maar. Irrelevant, want in essentie blijven het kennisniveau en de mens constant. Deze driedeling in een pessimistische, optimistische en realistische levenshouding doet denken aan de drie argumenten om ’s avonds een borrel te nemen: om je ellende te verdrinken, om een succes te vieren, of om een grijze dag zonder betekenis wat kleur te geven. Laten we snel langs de drie canonieke posities lopen. Allereerst de hypothese van toenemende infantilisering, volgens welke de wereld terecht is gekomen in een grote afdaling. Daarvoor zijn veel objectieve aanwijzingen. Scholen rapporteren grote problemen, nationale testscores zakken gestaag, artikelen in kranten worden steeds korter en niemand leest meer een boek, vooral niet als dat boek dik is, moeilijke materie bevat en geschreven is in een andere taal dan Nederlands of Engels. Een probleem met dit pessimistische gezichtspunt is echter dat deze teloorgang duidelijk niet van recente datum is. De huidige neergang zette al eerder in. Ster-

20

AMC M aga zine november 2012

ker nog, klachten over de jeugd die alsmaar dommer wordt zijn van alle tijden. Mijn favoriete citaat in dit verband komt van de rector van een Rotterdams gymnasium, die eind negentiende eeuw verzuchtte dat nieuwlichterij als de toen voor het eerst verplichte schoolvakken wiskunde en Frans ervoor zorgde ‘dat we geen echte mannen meer zien’. Het feit dat iedere volgende generatie de vorige generatie teleurstelt, leidt daarmee tot een paradox. De mens is namelijk niet bovenop de kennispiramide geboren. Ooit, wellicht tienduizenden jaren geleden, was de mens volgens alle denkbare criteria infantieler, dommer en oppervlakkiger dan de huidige aardbewoners. De intellectuele geschiedenis heeft dus naast een afdaling ook een klim meegemaakt. Keiharde logica leert dat er dan, ergens tussen de klim en afdaling, een top gepasseerd is. En dat roept weer de vraag op: wie bereikte waar en wanneer dat hoogtepunt? Je kunt je moeilijk voorstellen dat ergens in de ontwikkeling van de mens echt zo’n absolute top is gepasseerd, of het nu in het jaar 500 voor Christus is geweest of anno 2012. Spectacul aire groei

Dan het argument voor de optimistische positie, de veronderstelling dat het niveau alleen maar toeneemt. Ook daarvoor zijn aanwijzingen te over. Allereerst de spectaculaire groei van het aantal personen dat toegang tot informatiebronnen heeft gekregen. Het lijdt geen twijfel dat kennis altijd van emancipatie en democratisering geprofiteerd heeft. In onze tijd is het moeilijk meer voor te stellen dat voortgezet onderwijs slechts honderd jaar geleden weggelegd was voor minder dan vijf procent van de Nederlandse bevolking. Niet meer dan één op de driehonderd Nederlanders bereikte toen de universiteit. Inmiddels nadert het aantal hogeropgeleiden de vijftig procent.


In zijn geruchtmakende Waar zijn de intellectuelen? signaleerde de Engelse cultuursocioloog Frank Furedi een ‘dumbing down’ van onze cultuur. Politici, gezagsdragers, media en culturele instanties zouden zich met hun traditionele voorbeeldfunctie geen raad meer weten. Lijdt de samenleving aan acute verkleutering? In de serie ‘Niet te moeilijk graag’ wordt die vraag voorgelegd aan uiteenlopende wetenschappers en publicisten. Aflevering 13: Robbert Dijkgraaf over de paradox van de toenemende kennis.

Foto: Mirjam van der Hoek/ Hollandse Hoogte

AMC M aga zine november 2012

21


N i e t

Robbert Dijkgraaf Foto: Xander Remkes

t e

m o e i l i j k

g r aa g

Soms wordt bij deze cijfers gefronst. Worden we allemaal niet té hoog opgeleid? Dat lijkt mij een misvatting. Het is goed denkbaar dat volgens de huidige definities in de toekomst honderd procent van de samenleving uit hogeropgeleiden bestaat. Vanuit het perspectief van de Cananefaten is anno 2012 iedere burger van Nederland vast een genie. Binnen de wetenschap is deze gestage kennistoename kristalhelder. Ieder jaar worden in ieder veld nieuwe ontdekkingen gedaan, nieuwe theorieën ontwikkeld, nieuwe gedachten geponeerd. Er gaat nooit iets vanaf, er komt alleen maar bij. Ten slotte de middenpositie: er verandert eigenlijk niets. Daar is ook veel voor te zeggen, zeker binnen de wetenschap. Het absolute kennisniveau mag dan stijgen, de individuele stappen worden zeker niet automatisch groter. Anders dan bij de Olympische Spelen worden in de wetenschap persoonlijke records niet regelmatig gebroken. Er kan geen twijfel over bestaan dat grote natuurkundigen uit het verleden zoals Archimedes, Newton of Einstein zich uitstekend zouden kunnen meten met de huidige generatie fysici. Kennisvermeerdering is eerder een lange estafetterace, door de eeuwen heen, dan een individuele sprint. Wellicht zijn de intellectuele prestaties door de geschiedenis heen constant. De mens is dan als de Red Queen in Lewis Carrolls ‘Through the Looking-Glass’, die onafgebroken moet blijven rennen om op dezelfde plaats te blijven. Er bestaat een prachtige cartoon van Sidney Harris die dit gevoel goed samenvat. In het linkerplaatje kijkt een oermens naar de sterrenhemel en vraagt zich af: ‘Waar komt het allemaal vandaan?’ In het rechterplaatje is een astronoom afgebeeld, met een grote telescoop en dikke pakken berekeningen, en ook hij verzucht: ‘Waar komt het allemaal vandaan?’

zijn. Er is meer kennis beschikbaar voor een groter publiek, maar deze kennis komt in kleinere eenheden met een grotere verscheidenheid, en netto blijft de intellectuele prestatie gelijk. In elk geval verandert de aard van de informatie - en dáár zou de discussie over moeten gaan. De kennisbasis verbrokkelt en verspreidt zich in steeds kleinere eenheden over de wereld. De moderne mens construeert uit deze bouwstenen zijn eigen wereld. Er is in steeds mindere mate een solide fundament dat wij met elkaar delen. Deze verbrokkeling kent meerdere oorzaken. Allereerst: onderzoek graaft per definitie steeds verder en dieper. Dat leidt tot een enorme groei aan ruw materiaal, waarvan veel gruis. Carl Linnaeus classificeerde in de achttiende eeuw zo’n twaalfduizend planten en dieren. In zijn tijd was het nog mogelijk een persoonlijke relatie met deze soorten te hebben. Van olifant tot huismus, van brandnetel tot dennenboom, ze hadden allemaal een zekere aaibaarheidsfactor. Onlangs werd het totaal aantal organismen op aarde geschat op 8,7 miljoen, waarvan het overgrote deel nog ontdekt en benoemd moet worden. Wie kan nog iets voelen bij deze miljoenen insecten en microben? Moeten ze allemaal nog wel een naam hebben? Tweede oorzaak van de verbrokkeling is de moderne informatietechnologie, van het internet tot sms en Twitter, die het mogelijk maakt deze kennis breder en in kleine eenheden te verspreiden. In principe is dat een positieve ontwikkeling. In de duizenden jaren geschiedenis van de wetenschap heeft informatietechnologie altijd een stimulerende rol gespeeld, sinds de uitvinding van het schrift, via de techniek van het gedrukte boek tot en met het internet. Het beschikbaar maken en delen van informatie houdt wetenschap en wetenschapper scherp. Maar door de versnippering verliezen we grote verhaallijnen die tot nu toe de feiten samenbonden. Iedereen knutselt zijn eigen IKEA-bouwpakket vol losse kennisonderdelen in elkaar. Als derde oorzaak zie ik de globalisering. Kennis komt uit steeds verdere hoeken tot ons. Culturen die tot voor kort slechts een beperkte rol speelden, komen ineens centraal te staan. Denk bijvoorbeeld aan de groeiende invloed en bekendheid van China. Multiculturalisme mag in vele Europese landen niet langer politiek correct zijn, het bloeit en groeit in de wereldwijde kennissamenleving.

Veel gruis

Bij voorbaat verloren

Mijn antwoord op de vraag of de wereld dommer wordt zou luiden dat alle bovenstaande standpunten correct

Deze gebundelde krachten van onderzoek, informatietechnologie en globalisering zullen alleen maar

22

AMC M aga zine november 2012


toenemen. Het gevecht tegen fragmentatie lijkt dus bij voorbaat verloren. Onder het motto ‘meer is minder’ – er komt steeds meer, maar we delen steeds minder – zal het toekomstig berglandschap van informatie slechts een paar zeer smalle hoge pieken kennen, die voor iedereen van grote afstand zichtbaar zijn. Dat is de, laat ons zeggen, één procent van de kennis die door 99 procent van de mensen wordt gedeeld. Naast dit handjevol pieken vinden we er eindeloze berghellingen en voetheuvels vol kiezelstenen. Dat is de ‘lange staart’ van de distributie waar diversiteit groeit en bloeit, maar waar het moeilijk is boven het niveau van individuele interesse uit te stijgen: de 99 procent van de kennis die door maar één procent van de mensen wordt gedeeld. Door de groeiende diversiteit van het aanbod blijft kennis steeds minder hangen. Of iets blijft plakken, hangt af van de kracht van het lijmlaagje. In het onderwijs plakken we met groot gemak overal Post-it briefjes. Maar iemand hoeft maar even een deur te openen en de tocht waait alles weg. De kracht van kennis ligt ook in de kwaliteit van het lijmlaagje. Niet alleen wordt kennis geserveerd in grotere hoeveelheden en kleinere porties, er is ook minder vrijheid om van deze rijkdom te genieten. De lopende kraan van informatie geeft een eeuwig overstromend bubbelbad van afleiding waarin het heerlijk verpozen is. Dat geldt met name voor de onderzoeker. Misschien leiden we het beste advies aan iedere wetenschapper wel af uit de woorden die een collega van mij te horen kreeg, toen hem een prachtige baan werd aangeboden aan een instituut waar hij in alle vrijheid zou kunnen werken: ‘Nu moet je een leven leiden zonder excuses.’ Het moderne leven geeft ons een eindeloze hoeveelheid excuses om de grote lege kaart van het onbekende niet te verkennen. De kortste weg van A naar B is zonder meer een rechte lijn, maar wat doe je als je niet weet waar B ligt en hoe het eruitziet? De ervaring leert dat de succesvolste koers vaak begint met een korte stap opzij. Een veelgebruikte metafoor voor onderzoek is die van de voettocht door een grillig berglandschap. Maar deze beeldspraak mist een dimensie, namelijk die van de tijd. Het kennislandschap is niet statisch, maar verandert continu, alsof de geologische tijd zich versnelt. Veelbelovende passages sluiten zich, vergezichten verschijnen, nieuwe biotopen ontstaan. Ik heb de afgelopen jaren het voorrecht gehad met vele jonge onderzoekers te mogen discussiëren over hun dromen en frustraties. Mijn advies aan hen was om

altijd een open geest te houden. Geef het toeval een kans. Kleur buiten de lijntjes. Verras jezelf. Denk groot. Maar bovenal: neem advies van ouderen niet al te serieus en volg je hart. Jij bent de enige die kan ontdekken waar jouw niche in de wetenschap ligt. De menselijke geest is een fijn afgestemd muziekinstrument dat slechts op bepaalde tonen resoneert. Ga op zoek naar je eigen trilling. Nobelprijswinnaar Frank Wilczek ontdekte als 21-jarige student hoe quarks in een kerndeeltje bij elkaar worden gehouden. Toen hem gevraagd werd zijn levensfilosofie in drie woorden samen te vatten, was zijn gevatte antwoord: ‘Speel, denk, herhaal.’ Het is inderdaad deze eindeloze cyclus van verbeelding en concentratie, van divergentie en convergentie, van spelen en denken die het ritme van de wetenschap bepaalt. Juist deze vrije ruimte, om te spelen, om van het gebaande pad af te wijken, om langer en dieper na te denken, zonder afleiding, wordt momenteel ernstig bedreigd. We leven in een tijd van regulering, argwaan en wantrouwen, waarin gebaande paden dieper worden ingekerfd. Wet van Dijkgr aaf

Ik heb ooit geprobeerd binnen de wetenschapscommunicatie de Wet van Dijkgraaf te introduceren. In een formule: K = I × P. De effectieve kennisoverdracht K is dan het product van de hoeveelheid informatie I die wordt overgebracht én de grootte van het publiek P dat deze informatie opneemt. Dat maakt een minuut in het achtuurjournaal te vergelijken met een hoorcollege voor een klein gespecialiseerd publiek. Anders gezegd, het kennisniveau wordt bepaald door diepte keer breedte. Met deze kleine formule kan ook het debat over een dommere of slimmere wereld worden samengevat. De hoeveelheid informatie I daalt, het publiek P stijgt en het totale effect K blijft constant. Er is maar één weg om werkelijke vooruitgang te verkrijgen: de versplintering moet worden tegengegaan en de I moet omhoog. Dat is extra belangrijk omdat we aan de vooravond van grote doorbraken staan. De echte explosie van informatie moet waarschijnlijk nog komen, een tegelijkertijd beangstigende en een stimulerende gedachte. De omstandigheid dat er nog zulke grote terreinen van de informatieberg te verkennen zijn, maakt het essentieel dat we goed bepakt op reis gaan. Alleen dan kunnen we deze reis, misschien wel de spannendste uit de geschiedenis van de mensheid, voortzetten.

AMC M aga zine november 2012

23


maa g - ,

d a r m-,

l e v e r z i e k t e n

Een groeiend aantal mensen heeft de grootste moeite met het doorslikken van voedsel, vermoedelijk vanwege een allergische slokdarmontsteking. Uit AMC-onderzoek blijkt dat deze aandoening de laatste jaren explosief is gegroeid.

Een brok in de keel Jasper Enkl aar

Een eosinofiel (soort witte bloedcel). Foto: Science Photo Library/ANP

Het is een steeds vaker voorkomend tafereel op de Spoedeisende Hulp: er komen mensen met zulke ernstige passageproblemen, dat een endoscoop de vastzittende voedselbrok moet doorduwen. Een echte spoedindicatie, legt maag-, darm-, leverarts Arjan Bredenoord uit: een voedselbrok zit vast, mensen krijgen het niet uitgebraakt, speeksel kan niet passeren, wat weer kan leiden tot verslikken. ‘Normaal gesproken is een slokdarm flexibel en kan hij rekken en knijpen. Maar door een langdurige ontsteking krijg je littekenweefsel. Zo wordt de slokdarm nauwer en stugger. Vastzittend voedsel kan door de druk het weefsel beschadigen en zelfs een gat veroorzaken.’ In de VS werd al veel over dit type slokdarmontsteking gepubliceerd. Dat maakte Bredenoord alert. ‘We zagen dat steeds meer patiënten met passageklachten een bepaald patroon in de slokdarm hadden. Dat paste niet bij de ziekten die we op dat moment kenden. Als we dan een biopt namen, zagen we heel veel eosinofielen, allergische afweercellen. Zo groeide het besef dat er sprake is van een aparte ziekte, eosinofiele oesofagitis, een allergische slokdarmontsteking.’ Opvallend is dat tweederde van de patiënten ook andere allergische ziektes heeft, zoals hooikoorts, eczeem, voedselallergie of astma, of dat het in de familie voorkomt. Vervolgens raadpleegde arts-onderzoeker Bram van Rhijn een landelijke database met uitslagen van pathologisch onderzoek. Hij zag dat de diagnose eosinofiele oesofagitis de laatste jaren veel vaker voorkomt. Hij spreekt zelfs van een explosieve toename: ‘Tot 2005 zag je jaarlijks slechts enkele gevallen in Nederland, in 2010 waren het er al 200 per jaar. Veel passageklachten waarvan we de oorzaak niet kenden, blijken terug te voeren op deze ziekte.’ Een deel van de toename verklaren de onderzoekers uit betere herkenning. ‘Als je beter oplet, kom je het

24

AMC M aga zine november 2012

vaker tegen’, vertelt Van Rhijn. ‘Tegelijk werkt het ook andersom: omdat het meer voorkomt, gaan we beter kijken.’ Maar naast de betere diagnose is er ook een andere factor die de toename zou kunnen verklaren. Daarvoor verwijzen Bredenoord en Van Rhijn naar de hygiënehypothese: we worden minder blootgesteld aan parasieten en infecties, waardoor ons immuunsysteem zich zo ontwikkelt, dat het later vatbaarder is voor allergische ziektes. Van Rhijn: ‘De laatste decennia zijn ook andere allergische aandoeningen toegenomen.’ In het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde publiceerden ze onlangs over deze oorzaak van passageproblemen, die volgens hen nog vaak wordt gemist. Je moet er echt alert op zijn, stelt Bredenoord. Want passageklachten kunnen ook andere oorzaken hebben. ‘Een biopt is essentieel voor het stellen van de diagnose’, vult van Rhijn aan. ‘Een deel van de patiënten heeft duidelijke afwijkingen, maar veertig procent heeft op het eerste gezicht een normale slokdarm. In die biopten zie je de afweercellen, de eosinofielen. Dus: als iemand passageklachten heeft, moet je altijd een biopt nemen.’ Eosinofiele oesofagitis is een invaliderende ziekte waar tot nu toe niet veel aandacht voor was, vertelt Bredenoord. ‘Op de lange termijn wordt de slokdarm steeds nauwer en kunnen patiënten alleen nog maar gemalen voedsel tot zich nemen.’ Op dit moment is er geen medicijn geregistreerd voor deze ziekte. Er worden verschillende behandelingen toegepast. Bredenoord: ‘We geven zuurremming, met wisselend resultaat. Ook kunnen we het immuunsysteem onderdrukken. Soms adviseren we om longpufjes door te slikken – zo krijg je een laagje in de slokdarm. Met een dieet van elementaire voeding vermijd je alle stoffen die allergieën kunnen geven. Dan geneest de ziekte, maar dat is eigenlijk niet vol te houden.’


en or atie

Bijeenkomst over ‘Bevlogenheid in medisch onderwijs’. Aansluitend zal prof. dr. A.D.C. Jaarsma haar oratie uitspreken ter gelegenheid van haar benoeming tot hoogleraar Evidence-Based Education (zie de promotiekalender). Plaats: AMC, Collegezaal 1 en aula van de universiteit (oratie) Tijd: 10.00 - 14.15 uur. Oratie: 16.00 uur Inlichtingen: Congresorganisatie van het AMC, 020 566 8585, onderwijssymposium@amc.nl 2 AMC Allergiemiddag

Twintigste AMC Allergiemiddag met voordrachten over immuunglobulinedeficiëntie, allergie voor antibiotica en/ of chemotherapeutica, neuspoliepen en de rol van parasitaire infecties in het ontstaan van allergieën. Plaats: Olympisch Stadion Amsterdam Tijd: 14.00 - 18.00 uur 7 Berenhospitaal

Teddy Bear Hospital voor kinderen in de leeftijd van vier t/m zes jaar. Doel van het project is kleuters op een leuke en speelse manier kennis te laten maken met het ziekenhuis en alles wat daarbij hoort. Op deze manier leren zij dat je

mi-symposium@amc.nl of www.mi-symposium.nl

niet bang hoeft te zijn voor ‘witte jassen’ en ziek zijn. Plaats: AMC, plein G/H Tijd: 13.00 uur Inlichtingen: mw. F. Visser, floor.visser@amc.nl

Tijd: 17.00 - 18.00 uur Inlichtingen: mw. S. van Vliet, 020 566 7806, s.a.vanvliet@amc.nl

9 Symposium en

7 & 8 Congre s

‘The Amsterdam cardiovascular development meeting’, bijeenkomst georganiseerd door het ICIN (Interuniversity Cardiology Institute of the Netherlands) en de werkgroep Development, anatomy and pathology van de European Society of Cardiology. Plaats: Amsterdam, Artis Tijd: 9.30 - 19.30 uur (7/11) en 9.00 - 18.00 uur (8/11) Inlichtingen: dhr. M. van den Hoff, m.j.vandenhoff@amc.nl of dhr. R. Kelly, kelly@ibdm.univ-mrs.fr of www.escardio.org 8 & 9 Symposium Medische Informatiekunde

Bijeenkomst onder de titel ‘Zorg is (g)een spel – Serious gaming en simulatie in de gezondheidszorg’. Plaats: AMC, collegezaal 5 Tijd: 9.00 - 12.00 uur (8/11) en 11.00 - 16.00 uur (9/11) Inlichtingen: dhr. R. Riezebos, 020 566 4639,

afscheidscollege

13 Cursus

Congres ter gelegenheid van het afscheid van prof. dr. A.F.M. Moorman, hoogleraar Embryologie en Moleculaire biologie van hart- en vaatziekten, over ‘Development of the heart’. Aansluitend houdt prof. Moorman zijn afscheidscollege getiteld ‘The making of a heart’. Plaats: Amsterdam, Artis Tijd: 8.30 - 15.45 uur. Afscheidscollege: 15.00 uur Inlichtingen: dhr. M. van den Hoff, m.j.vandenhoff@amc.nl of prof. dr. V. Christoffels, v.m. christoffels@amc.nl

Nascholing Jeugdgezondheidszorg Mw. drs. A.M. Bogaard (De Bascule, Amsterdam), bespreekt hechtingsproblematiek. Daarna gaat mw. drs. C.H.M. van Zon (De Bascule, Amsterdam) in op het fenomeen ‘lastige ouders’. Plaats: AMC, collegezaal 1 Tijd: 19.30 - 22.00 uur Inlichtingen: AMC Congresorganisatie, 020 566 8585, jgz@amc.nl of www.amc.nl/congres

13 Ruyschlezing

Lezing door prof. dr. J. van der Meer, die een week gasthoogleraar is op de afdeling Inwendige Geneeskunde. Hij is emeritus hoogleraar Inwendige Geneeskunde aan het UMC St Radboud te Nijmegen en daarnaast lid en voormalig vice-president van de KNAW. In zijn lezing geeft hij een overzicht van de ontdekking van de oorzaak van koortssyndromen, waarbij de interactie tussen kliniek en laboratorium centraal staat. Plaats: AMC, collegezaal 1

13 Symposium Maagdelijkheid

De stichting ‘Mythe ontkracht’ organiseert in samenwerking met de gemeente Amsterdam en Rutgers WPF (kenniscentrum seksualiteit) een bijeenkomst onder de titel ‘Stille dilemma’s van jongeren met een niet-westerse achtergrond (en hun ouders), mythes rond maagdelijkheid’. Plaats: AMC, L0-218 en L0-223 Tijd:13.00 - 16.30 uur Inlichtingen: mw. I. Balkema, 06 48104809

Zie verder pagina 32

Evidence Based Practice MSc/Drs Start 12e academiSch jaar September 2013

Tweejarige universitaire deeltijd masteropleiding tot klinisch epidemioloog (medisch wetenschappelijk onderzoeker) voor medici, paramedici, verpleegkundigen en verloskundigen

Bridging healthcare and science ■

Voor contact, voorlichtingsdata, informatie en aanmelding:

www.amc.nl/masterebp

■ ■

een eersteklas carrièrestap als startpunt naar een hoog wetenschappelijk niveau modern en actueel onderwijs met een multidisciplinaire benadering (inter)nationaal gerespecteerd en NVAO-geaccrediteerd locatie Faculteit der Geneeskunde - AMC

AMC M aga zine november 2012

25

c o n g r e ss e n e n c u r s u sse n n o v e m b e r

2 Onderwijssymposium


p l aa t s e l i j k e

v e r d o v i n g

Middelen die gebruikt worden om een deel van het lichaam plaatselijk te verdoven zijn veilig, benadrukt Markus Stevens. Toch blijkt uit zijn promotie-onderzoek dat lokale anesthetica in zeldzame gevallen tot zenuwschade kunnen leiden. Hoe zit dat?

stroom die door een kabeltje gaat. Lokale anesthesie zorgt voor onderbreking van de stroomgeleiding in zenuwcellen – wij noemen dat een blokkade. De hersenen krijgen tijdelijk geen letselwaarschuwing meer.’ Kunnen cellen schade oplopen door zo’n kunstmatig opgewekte stroomstoring? In principe wel, ontdekte de promovendus. Voor zijn onderzoek stelde hij zenuwcellen 24 uur lang bloot aan verschillende concentraties van diverse veelgebruikte lokale anesthetica. Zonder uitzondering bleken de middelen toxisch. ‘Ze zetten de

Oppassen voor zenuwschade A ndrea Hijmans

Hij herinnert zich een concertpianiste met een polsfractuur. Voor de operatie kreeg zij een zenuwblok (een plaatselijke verdoving) van haar arm. Ingreep en genezing verliepen goed, alleen had zij na een aantal dagen nog steeds niet het volledige gevoel in haar hand terug. Tot in detail kon ze de rare, licht verdoofde sensatie in het lichaamsdeel en elke verandering daarin, beschrijven. Begrijpelijk, vindt anesthesioloog Markus Stevens: ‘Het gevoel in haar handen was onderdeel van haar werkkapitaal.’ Hij haalt het voorbeeld aan om te illustreren dat gevoel (zeker als het raakt aan pijn) in hoge mate persoonlijk is – ‘Ik zal nooit dezelfde nuances ervaren als die pianiste’. Maar hij vertelt het ook om aan te geven hoe ingrijpend zelfs lichte neurologische schade kan zijn, vooral als die langere tijd aanhoudt. Operaties aan een lichaamsdeel – een hand, arm, voet, been of, zoals in dit geval, een pols – vinden bij voorkeur plaats onder lokale verdoving: de patiënt is bij bewustzijn maar voelt in het betreffende lichaamsdeel even niets meer. Daarnaast speelt lokale anesthesie een belangrijke rol bij pijnbestrijding, bijvoorbeeld na een operatie. Tenslotte wordt het ook wel gebruikt om chronische pijnklachten te verminderen. Aanleiding voor Stevens’ promotie-onderzoek waren patiënten als de hierboven beschreven pianiste. ‘Er zijn mensen die na een ingreep onder lokale verdoving nog dagen tot weken een verdoofd gevoel houden. Hoe komt dat? Het mechanisme erachter was onduidelijk.’ Veroorzaken lokale verdovingsmiddelen (op termijn) schade? En zo ja, waarom? Stroomstoring

Illustratie: Henk van Ruitenbeek

Hoe werkt plaatselijke verdoving? Het is eigenlijk heel simpel, stelt Stevens. ‘Pijn kun je vergelijken met

26

AMC M aga zine november 2012

cel als het ware aan tot zelfmoord. Apoptose heet dat, ofwel gecontroleerde celdood. In principe een nuttig proces; zonder apoptose zouden we veel sneller kanker krijgen omdat cellen met een foutje niet op tijd uit de circulatie worden genomen. In het geval van plaatselijke verdoving wil je echter liever geen apoptose – het kan van invloed zijn op het functioneren van zenuwen. ‘Bij hoge concentraties verdovingsmiddel ontstond bovendien necrose. Ook een vorm van zelfmoord van de cel, maar gewelddadiger en ongecontroleerd. Bij necrose knalt de cel als het ware direct uit elkaar. Er komen relatief veel afvalproducten en giftige stoffen vrij, en dat leidt tot zwellingen en nog meer weefselschade.’ Moeten we ons nu zorgen maken? Nee, benadrukt Stevens, want de laboratoriumsetting waarin hij zijn experimenten uitvoerde, is compleet anders dan de klinische werkelijkheid. ‘In het onderzoek ging het om langdurige en constante blootstelling aan hoge concentraties. In het lichaam neemt de hoeveelheid verdovingsmiddel echter snel af. Na een minuut of twintig is de concentratie meestal fors gedaald. De anesthetica krijgen überhaupt geen kans om schade aan te richten; daarvoor zijn ze domweg te kort aanwezig.’ Voor chronische pijnpatiënten ligt de situatie echter gecompliceerder. Bij hen is de blootstelling aan pijnmedicatie immers vaak langdurig. Kan de concentratie lokale verdovingsmiddelen in het lichaam daardoor (te hoog) oplopen? Stevens: ‘In theorie wel. Sterker nog: het is ook echt gebeurd, begin jaren negentig, toen sommige patiënten via een heel dun slangetje naar het ruggenmerg lokale anesthetica kregen toegediend. De concentraties hoopten zich ter plekke op. Bij sommigen leidde dat tot neurologische schade, variërend van een licht verdoofd gevoel tot tintelingen of zelfs een


dwarslaesie. Daarom is men ook met deze manier van behandelen gestopt.’ Het grootste risico van lokaal verdoven, licht Stevens toe, zit hem in een stijging van de concentratie op één specifieke plaats. ‘Daarom moeten we voorzichtig zijn met bijvoorbeeld het verpakken van verdovingsmiddel in een emulsie. Ooit bedacht om stoffen geleidelijk – in de loop van dagen of zelfs weken – vrij te laten komen gedurende langere tijd, maar in de praktijk kan het leiden tot een wellicht onverantwoorde concentratieverhoging.’ Geduld hebben

Om de kans op neurologische schade te beperken, mengt men lokale verdovingsmiddelen soms met andere stoffen. Die moeten ervoor zorgen dat er minder van die anesthetica nodig is omdat ze langer blijven circuleren. Maar dan moet je natuurlijk wel zeker weten dat zo’n toevoeging veilig is. Stevens onderzocht daarom ook een aantal veel gebruikte toevoegingen. Conclusie: de meeste zijn niet extra toxisch. Voor twee

van de onderzochte stoffen gold dat echter niet; zij blijken de giftige inwerking van lokale anesthetica te kunnen versterken, en verergeren dus eventuele zenuwschade. Stevens: ‘Dat moeten we ter harte nemen, ook al staat mijn onderzoeksmodel behoorlijk ver af van de dagelijkse praktijk. Niet voor niets zijn we – in het AMC maar ook in internationaal verband – zeer terughoudend met het gebruiken van deze twee stoffen.’ Goed, liever dus geen schadelijke toevoegingen en geen emulsies voor chronische pijnpatiënten. Kunnen we de risico’s van lokale anesthesie nog verder beperken? Stevens is optimistisch gestemd. ‘Vergeet niet: lokale verdovingsmiddelen zijn al sinds 1880 in gebruik. Nu weten we veel meer van zenuwen en van pijn, en dus ook van pijnbestrijding, dan anderhalve eeuw geleden.’ Er wordt daarom hard gewerkt aan nieuwe middelen die gerichter zijn en bijvoorbeeld uitsluitend aangrijpen op bepaalde receptoren. Ze komen er aan, denkt Stevens, maar daar gaat misschien nog wel een jaar of tien tot twintig overheen. ‘We zullen dus nog even geduld moeten hebben.’

AMC M aga zine november 2012

27

Op 31 oktober hoopt Markus Stevens te promoveren op het proefschrift ‘Mechanisms of neuro- and cytotoxicity of local anesthetics and their adjuvants’.


amc

c o l l e c t i e

Herinneringsfragmenten S andr a Smet s

Vitrinekasten zijn gemaakt voor mooie spullen waar je zuinig op bent maar tegelijk van wilt genieten – kunst, porselein, trofeeën. Of, beter nog, dit alles tesamen, bewijst Vika Mitrichenka (1972) die als kunstenaar trofeeën van porselein maakt. Het AMC kocht negen van haar ‘Trophy Cups’, en exposeert deze kwetsbare installatie in Q-Art, een van de vitrines in het Q-gebouw bij de prikpoli. Op negen glanzende sokkeltjes staan negen theekopjes of vaasjes, rijk versierd volgens ooit heersende modes, met daarop negen beeldjes van zwemsters. Sporters zijn gewend aan trofeeën met tierelantijnen, een beeldtaal van feestelijkheid. Maar zo chic staan ze er zelden bij, tronend op de kunstgeschiedenis, op hebbedingen van culturele elites die deze kostbaarheden van generatie op generatie koesterden. Mitrichenka doet aan praal en glorie, onontkoombaar bij porselein. Dat had zijn hoogtijdagen in de achttiende eeuw, de tijd van de rococo en Franse smaak, met krullerige oortjes en goudversierde schoteltjes. Mitrichenka maakte twee zulke rococokopjes, de andere herinneren aan het neo-classicisme, art deco, Hollands boerenbont en zelfs aan het Russische suprematisme uit de jaren twintig toen avant-gardisten met abstracte kunst en vormgeving het volk dachten te verheffen – een gedachte overigens waar Stalin gauw korte metten mee zou maken. Zo komt in deze installatie de halve kunstgeschiedenis langs. Ook de zwemsters dragen daaraan bij. Ze knielen en hurken in klassieke poses, in zichzelf gekeerd zoals vrouwen in de kunst altijd wat stilletjes mooi moeten zijn, maar ook klaar voor de start als olympische sporters. Alleen dan op vrij onwaarschijnlijke startblokken... hoezo zwemsters op theekopjes? Het antwoord hierop is een stuk persoonlijker dan de zo algemene kunstgeschiedenis. Mitrichenka draagt haar trofeeën op aan haar vader in Minsk. Hij was een zeer getalenteerd zwemmer die moeilijk aardde in de mores van de Sovjet-bureaucratie. Daardoor zou hij uiteindelijk geen profzwemmer worden, maar werd hij op een zijspoor gezet, als zwemleraar in het onderwijs. Toen vond hij een nieuwe passie, kunst, die hij – getuige de teksten op de trofeeën – bijna evangelisch ging verkondigen. ‘For having said to a guard “I feel sorry for people who do not understand art”’, staat op een rococoachtig pompoenkopje, het type servies dat in het Interbellum populair was in gegoede Amsterdamse kringen. Het lijkt of het leven niet altijd meeviel voor Mitrichenka’s vader. ‘For tirelessly trying to teach his mother-in-law how to understand art, in spite of her permanent statements “Damn, your art!”’, een felheid

28

die wordt bekroond – of eigenlijk gesust – door een Russisch kopje met suprematistische abstracte lijnen als versiering. Niet zelden zit er een tragiek in de teksten: ‘For giving lectures on the history of art to his bedside neighbours in the hospital during his rehabilitation after a heart attack’, schreef zijn dochter op een Hollands boerenbont theepotje. Een zieke man, wiens sportcarrière niet van de grond kwam, kunst predikend tegen onwillige oren... dit zijn theekopjes met een verhaal. De grootste trofee staat op een soort urn, het soort voor op schoorsteenmantels, met randjes van goudglazuur en plaatjes van wat een mausoleum lijkt te zijn – lijkt, Mitrichenka geeft niets zomaar weg – en optimistische woorden: ‘For contributing to the physical and cultural development of his mother-in-law and for explaining to her about the positive effects sport has on the human body and art on the human soul’. Deze ode aan haar vader maakte Vika op afstand. In 2000 vertrok ze in haar eentje op een toeristenvisum uit Minsk naar Nederland, om haar werk te tonen op de Rietveldacademie. Ze werd er prompt aangenomen en doorliep na de Rietveld ook nog de Rijksakademie. De keuze voor Nederland was niet zomaar. Ze was diep gefascineerd door de Hollandse Gouden Eeuw, door schilders als Johannes Vermeer en Pieter de Hoogh. Die kunstgeschiedenis zetelt in Amsterdam in het Rijksmuseum aan het Museumplein, waar aan de overzijde in het Stedelijk Museum vijf van Mitrichenka’s creaties permanent staan opgesteld in de designvleugel, als jonge exponent van een lange traditie. Zo’n prestatie is ook een trofee waard. Mitrichenka’s werk past in deze tijd nu ambacht opnieuw in de belangstelling staat: kunst is meer dan een idee alleen. Daarbij wil zij de geschiedenis van de toegepaste kunst, theeserviezen, uit het tuttebellenhoekje halen. Dat doet ze door er een verhaal mee te vertellen – geschiedenissen en persoonlijke verhalen opstapelend als schoteltjes in een etagère. Het is dat haar vader nog leeft en volgens Vika best gelukkig is, anders zou je de installatie verwarren met een requiem, een in porselein gegoten bidprentje voor een bevlogen man wiens leven anders liep dan gehoopt. Hij mag gerust zijn. Zijn dochter eert alles waar hij voor staat. Sport, kunstgeschiedenis en een liefde voor familie en schoonheid. Of, in de woorden die haar vader volgens een van de ‘Trophy Cups’ uitsprak tegen zijn buren in een sanatorium: ‘Beauty heals’.

AMC M aga zine november 2012


Vika Mitrichenka Cabinet 2.2 / The Trophy Cups 2012, keramiek en hout

AMC M aga zine november 2012

29


telling de stelling de stelling de stelling de st

Slechte housemuziek doet het prima ‘Alles wat een hardloper nodig heeft om zijn prestatie te verbeteren is een kop koffie en muziek met een beat’. Negende stelling van Carlijn de Betue (Erasmus Universiteit) bij een proefschrift over de eiwitstofwisseling bij ernstig zieke kinderen. Nou ja, Olympisch kampioen zul je er niet mee worden. Maar dat cafeïne en een opwekkend deuntje meer vermogen dan het bestrijden van de ochtendmoeheid, is volgens de promovendus genoegzaam aangetoond. Bijvoorbeeld door het Amerikaanse Journal of Strength and Conditioning Research. Dat concludeerde in 2009 uit een systematisch literatuuroverzicht dat cafeïne duurprestaties met drie tot vier procent kan opkrikken. ‘Cafeïne blokkeert de werking van de boodschapperstof adenosine, die een remmend effect op het zenuwstelsel heeft’, verklaart De Betue. ‘Het dempt als het ware de beleving van de inspanning die je verricht en stelt de vermoeidheid uit.’ Voorafgaand aan de wedstrijd even lekker aan de koffie dus, maar wacht u voor de koffiebuik. De Betue: ‘Matig gebruik heeft het beste effect en op langere trajecten helpt cafeïne-inname onderweg. Als je in de zeven voorafgaande dagen geen cafeïne hebt gebruikt, is het effect nog groter.’ En die muziek? In het Amerikaanse Journal of Science and Medicine in Sport verscheen recentelijk een studie onder professionele langeafstandslopers. De onderzoekers vergeleken het effect van door de atleten als ‘motiverend’ aangewezen muziek-met-beat met respectievelijk neutrale, maar soortgelijke muziek en géén muziek. Men begrijpt: de stiltelopers kregen ongelijk. ‘Muziek met beat in het loopritme blijkt het uithoudingsvermogen flink te vergroten,’ zegt de promovendus. ‘En motiverende muziek verbetert ook je stemming nog.’ Geen wonder dat De Betue haar eigen loopjes, bij voorkeur twee- tot driemaal in de week, met een motiverende beat opluistert. ‘Slechte housemuziek uit de jaren negentig doet het prima, is mijn ervaring.’ Nog een favoriete koffie in de aanbieding? De Betue: ‘Daar heb ik niet zo mee geëxperimenteerd.’ Misschien eerst de vieze maar eens uitproberen dan. [SK]

30

AMC M aga zine november 2012


b e r i c h t e n

Wat t e d o e n met een goed idee

Hoe onderzoek je of een ontdekking levensvatbaar is en hoe krijg je die op de markt? En voordat je aan dat traject begint: eerst maar eens kijken of er al door een ander een patent is aangevraagd op dat goede idee. Het publiek-private samenwerkingsinitiatief CTMM (Center for Translational Molecular Medicine) geeft in november twee cursussen waarin deze thema’s centraal staan. Het CTMM zet zich in voor nieuwe technologische ontwikkelingen in de moleculaire geneeskunde en de vertaling daarvan naar de kliniek. Dat vergt een heel ander traject dan bijvoorbeeld het in de markt zetten van een geneesmiddel. Om onderzoekers daarmee ervaring te laten opdoen, organiseert het CTMM een vierdaagse simulatiecursus waarin de deelnemers met een nieuwe biomarker het hele proces moeten doorlopen van ontwikkeling, technische en klinische validatie tot het verkrijgen van toestemming om het product op de markt te brengen en de marketing ervan. Een soort rollenspel in plaats van lezingen. Deelnemers worden over drie teams verdeeld. Iedere cursist

krijgt een eigen rol en aan de overkant van de tafel zitten mensen uit het bedrijfsleven en academici die overtuigd moeten worden. ‘Dat is peentjes zweten’, zegt Marjoke Kortas van het CTMM. ‘Aan het eind van iedere fase krijg je te horen of het go of no go is.’ Tijdens de cursus, waarvan inmiddels een pilot achter de rug is, overnachten de deelnemers in een hotel. En dat is nodig ook, zegt Kortas. ‘De cursisten zijn vaak nog tot ’s avonds laat aan het discussiëren over de juiste aanpak.’ De cursus heet TRES: Translational REsearch Simulation en is bedoeld voor postdocs en promovendi in het laatste deel van hun traject. Daarnaast kunnen CTMMonderzoekers de eendaagse Intellectual Property Course (IP) volgen. Deze draait om het belang van patenten. Voordat je over je briljante idee gaat praten, kun je beter eerst een patent aanvragen, luidt de boodschap. Of nee, voordat je een idee verder uitwerkt, kun je beter eerst controleren of er iets te patenteren valt. Kortas: ‘Het is wel eens misgegaan. Een onderzoeker had een fantastisch idee, werkte dat tot in detail uit, ging vervolgens patent aanvragen om er achter te komen dat iemand anders hem voor was geweest. Dat is natuurlijk zonde van de tijd en de middelen.’

Colofon AMC Magazine is een uitgave van het Academisch Medisch Centrum. Het verschijnt 10 maal per jaar. Oplage: 15.400 exemplaren. AMC Magazine wordt toegezonden aan huisartsen, specialisten, gezondheidszorginstellingen in de regio Amsterdam, Het Gooi en Almere en aan (oud) medewerkers van het Academisch Medisch Centrum en de in het AMC gevestigde onderzoeksinstituten, alsmede aan studenten van de Faculteit Geneeskunde. Verder ontvangen alle Nederlandse ziekenhuizen en de landelijke advies- en beleidsorganen op het terrein van de gezondheidszorg het magazine, evenals de persmedia, de rijksoverheid en AMC-relaties in het bedrijfsleven. Redactie Frank van den Bosch (hoofdredactie), Marc van den Broek, Jasper Enklaar, Edith Gerritsma, Simon Knepper, Andrea Hijmans en Irene van Elzakker (eindredactie). Mede w erk er s Hidde Boersma, Rob Buiter, John Ekkelboom, Maarten Evenblij, Tom Haartsen (fotografie werken AMC Collectie), Liesbeth Jongkind, Pieter

Deelnemers aan de IP-cursus leren daarom hoe ze in de verschillende internationale databases het best kunnen zoeken of een vinding al gepatenteerd is. Daarnaast wordt ook het nut van een patent uitgelegd. ‘Je laat echt geld liggen als je niet patenteert. Alleen al door het verlenen van licenties, zodat anderen verder kunnen met jouw vinding, verdien je eraan’, zegt Kortas. Ook bij deze cursus vindt begeleiding plaats door ervaren academici en mensen uit het bedrijfsleven. Hij is ontwikkeld door de drie topinstituten in de life sciences – BMM, CTMM en TI Pharma – en bedoeld voor promovendi en postdocs. De TRES-cursus is van 27 tot en met 30 november en kost alles bij elkaar 2000 euro excl. BTW (voor CTMM onderzoekers gaat hier 50% korting vanaf ). De eerstvolgende IP-cursus vindt plaats op 14 november en kost 95 euro excl. BTW. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Henny Bruinewoud: henny. bruinewoud@ctmm.nl.

oktober. Heineman was hoofd van de afdeling Gynaecologie en Verloskunde en voorzitter van de divisie Vrouw-Kind. Hij is tevens benoemd tot tweede decaan in de faculteit Geneeskunde met speciale aandacht voor onderwijs en opleiding. Heineman volgt prof. dr. M. Dzˇoljic´ op, die zijn carrière elders gaat vervolgen. Op 14 juni is dr. D. van de Beek benoemd tot hoogleraar Neurologische Infectieziekten. Mw. dr. S.E.J.A. de Rooij is per 24 september benoemd tot hoogleraar Inwendige Geneeskunde, in het bijzonder Geriatrie-Ouderengeneeskunde. Op 9 september ontving dr. M. Heger van de afdeling Expe-

Prof. dr. R.J.A. Wanders van het Laboratorium Genetische Metabole Ziekten kreeg op 7 september de Komrower Award 2012, vanwege zijn bijdragen op het gebied van erfelijke metabole ziekten. De prijs is hem toegekend door The Society for the Studies of Inborn Errors of Metabolism (SSIEM). Op 21 september is prof. dr. F. Baas benoemd tot voorzitter van de NVHG (Nederlandse Vereniging voor Humane Genetica).

GEZOCHT: Bent u arts en schrijft u antistollingsmiddelen voor? Dan zijn wij erg benieuwd naar uw ervaringen met het voorschrijven van deze geneesmiddelen. Daarom hebben we vanuit de Vasculaire Geneeskunde een vragenlijst opgesteld met artsen als doelgroep. Uw ervaring is belangrijk! Vul alstublieft onze enquête in met behulp van de volgende link: www.surveymonkey.com/s/VasGenAMC

p e r s o n al i a

Onze dank is groot!

De Raad van Toezicht van het AMC heeft prof. dr. M.J. Heineman benoemd tot nieuw lid van de Raad van Bestuur per 1

Meer informatie: f.assy @amc.nl of m.l.vanmontfoort @amc.nl

Lomans, Hans van Maanen, Annet Muijen, Len Munnik (illustratie De Stelling), Xander Remkes (fotografie), Tineke Reijnders, Angela Rijnen, Berber Rouwé, Henk van Ruitenbeek (illustraties), Sandra Smets , Arthur van Zuylen NFU Het AMC maakt deel uit van de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU). De NFU is een samenwerkingsverband van de acht universitair medische centra (UMC’s) in Nederland en heeft als algemene doelstelling het behartigen van de gezamenlijke belangen van de UMC’s. Andere UMC’s die deel uitmaken van de NFU zijn het AZM, Erasmus MC, LUMC, UMCG, UMC St Radboud, UMC Utrecht en VU medisch centrum. In totaal zijn 60.000 medewerkers verbonden aan de acht UMC’s. Redactie-adre s AMC afdeling Voorlichting C0-229, Postbus 22660, 1100 DD Amsterdam. +31 (20) 566 24 21 fax +31 (20) 696 78 99 E-mail: magazine@amc.nl

AMC M aga zine november 2012

rimentele Chirurgie de Young Investigator Award van the Society for Free Radical Research. Hij kreeg de onderscheiding, die eenmaal in de twee jaar wordt uitgereikt, voor zijn onderzoek naar vrije radicalen.

31

A bonnementen Abonnementen-administratie: zie redactie-adres. Jaarabonnement € 22,00. A dv ertentie - e x ploitatie Van Vliet, Bureau voor Media-Advies, t 023 571 47 45 Ont w erp Grob|enzo, www.grobenzo.nl Druk Drukkerij Mart. Spruijt bv Copyright © AMC Magazine. ISSN: 1571-411x Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd zonder voorafgaande toestemming van de uitgever. Van werken van beeldende kunstenaars aangesloten bij een CISAC-organisatie zijn de publicatierechten geregeld met Pictoright te Amsterdam. © 2012 c/o Pictoright Amsterdam.


C o n g r e ss e n e n c u r s u sse n n o v e m b e r

r u b r i e k s n aam

14 Minisymposium A stma

Op het minisymposium ‘Zelfzorg bij acute astma’ gaan vier instructiefilmpjes in première die gemaakt zijn voor ouders en astmapatiëntjes van verschillende leeftijden. De gratis verkrijgbare filmpjes geven instructie over het zelfstandig behandelen van astma en over juist inhaleren. Plaats: AMC, collegezaal 4 Tijd: 15.30 - 18.15 uur Inlichtingen: www.astmaproject.nl, symposium@astmaproject.nl of www.amc.nl/congres

Inlichtingen: dhr. J. Poen, 035 707 0255, j.poen@keerpunt.nl 17 Tropenartsen Carrièredag

Informatiedag rond het thema ‘Missionaris, idealist, avonturier. Wat is jouw profiel?’ Tropenartsen (in opleiding) belichten hun eigen ervaringen. Tevens banenmarkt. Plaats: AMC, collegezaal 4 Tijd: 9.00 - 17.00 uur Inlichtingen: www.tropenopleiding.nl 20 Ru yschlezing

15 Symposium GIOCA

Symposium dat inzicht geeft in sneldiagnostiek en behandeling in GIOCA (Gastro-Intestinaal Oncologisch Centrum Amsterdam), een multidisciplinair expertisecentrum voor patiënten met kanker in de maag, slokdarm, dikke darm, endeldarm, lever, galwegen of alvleesklier. Plaats: AMC, Fonteijn- en Costerzaal Tijd: 12.00 - 18.00 uur Inlichtingen: dhr. J. Breemer ter Stege, 020 566 1460, c.j.breemerterstege@amc.nl of www.gioca.nl 15 & 16 Congre s Neuror adiologie

Achtste ‘Conference Course of the Dutch Society of Neuroradiology’ over ‘Neuro-vascular diseases. Evidence based imaging and treatment’. De eerste dag van de conferentie staat in het teken van ‘Ischemic stroke’, de tweede dag staat ‘Hemorrhagic stroke’ centraal. Plaats: Nemo, Amsterdam Tijd: 9.30 - 17.20 uur (15/11) en 9.00 - 16.30 uur (16/11) Inlichtingen: www.amc.nl/radiologie/congressen 16 & 17 Jubileumsymposium F ysiother apie

Symposium ter gelegenheid van 100 jaar opleiding Fysiotherapie in Amsterdam. Vrijdag 16 november is er een ‘Hogescholendag opleidingen Fysiotherapie’ rond het thema ‘Evidence-based onderwijs’. Op 17 november vindt een bijeenkomst plaats over ‘Patiëntenzorg, onderzoek en onderwijs: een onlosmakelijke samenwerking’. Plaats: AMC, collegezaal 5 en Hogeschool van Amsterdam Tijd: 9.30 - 16.00 uur (16/11) en 9.30 - 17.00 uur (17/11)

Prof. A. Tarakhovsky, hoogleraar Epigenetica van de immuuncellen aan de Rockefeller University te New York, spreekt over ‘Epigenetic control of inflammation’. Sommige bacteriën en virussen hebben de eigenschap de epigenetische machinerie van het lichaam te ontregelen, waardoor het lichaam gevoeliger wordt voor ziektes. Tarakhovsky en zijn medewerkers hebben synthetische moleculen ontwikkeld die dezelfde eigenschappen hebben als deze bacteriën en virussen, maar met een andere werking en bij-effecten. Deze moleculen kunnen helpen bij genezing van kanker, artritis en aderverkalking. Voorafgaand aan de Ruysch lezing geeft Tarakhovsky met prof. W. Hancock (Universiteit van Pennsylvania) een masterclass. Voor nadere informatie: dhr. K. Reedquist , k.a.reedquist@amc.nl. Plaats: AMC, collegezaal 1 Tijd: 17.00 - 18.00 uur Inlichtingen: mw. S. van Vliet, 020 566 7806, s.a.vanvliet@amc.nl 20 Congre s Ane sthe siologie

Bijeenkomst naar aanleiding van het congres van de American Society of Anesthesiologists, eerder deze maand in Washington. Plaats: AMC, collegezaal 4 Tijd: 18.30 - 20.35 uur Inlichtingen: manuela.levendig@abbott.com 21 Congre s

Herfstpalet Kinderhematologie, georganiseerd door de afdelingen Kinderhematologie van AMC en VUmc. Aan de hand van casuïstiek worden diagnostiek, behandeling, preventie en follow up besproken van kinderen met verschillende vormen van bloedarmoede. Plaats: AMC

32

Tijd: 15.00 - 20.30 uur Inlichtingen: 020 566 4054, ekzevents@amc.nl of www.amc.nl/congres

Tijd: 13.00 uur Inlichtingen: mw. M. Stouthard, 020 566 8235, m.e.stouthard@amc.nl 29 De Anatomische Le s

22 Symposium

Bijeenkomst ter gelegenheid van de oprichting van Lymmcare, lymphoma and myeloma center Amsterdam, over ‘Genomics at the bedside. Towards personalized treatment for B cell malignancies’. Er zijn voordrachten over ‘Multiple Myeloma’, ‘Lymphoma’ en ‘Chronic Lymphocytic Leukemia’. De dag wordt afgesloten met een patiëntensymposium. Plaats: AMC, collegezaal 1 en 3 Tijd: 9.30 - 17.00 uur. Patiëntensymposium: 15.15 uur Inlichtingen: mw. J. van Trotsenburg, 020 566 5785, j.van trotsenburg@amc.nl 23 Symposium

Congres over ‘Procesverbetering pré, per- en post-OK. De keten rondom de operatiepatiënt’ Er zijn lezingen en zes parallelsessies: ‘Wiskunde en OK: aanzet voor een verbeterd planningsproces’, ‘Goederenlogistiek op OK’s: het vinden van een route naar een integraal (goederen)logistiek concept’, ‘OK-planningsproces beter voorspelbaar’, ‘Het belang van de stem’, ‘Procesverbetering in de regio’ en ‘Managementinformatie op maat als startpunt voor procesverbetering’. Plaats: AMC, diverse zalen Tijd: 9.30 - 17.00 uur Inlichtingen: Projectbureau Benchmarking OK, mw. B. Plugge, 010 703 2965, b.plugge-egging@erasmusmc.nl 27 Symposium

Nederlandse Conferentie over pathogenese, preventie en behandeling van hiv. Aan bod komen nieuwe inzichten en ontwikkelingen in het onderzoek naar hiv en aids. Plaats: Amsterdam, Koninklijk Instituut voor de Tropen Tijd: 8.50 - 17.30 uur Inlichtingen: Stichting NCHIV, 020 566 4172, organisation@nchiv.org of www.nchiv.org

Voor de negentiende keer organiseren het AMC en de Volkskrant de jaarlijkse publiekslezing De Anatomische Les. De lezing getiteld ‘Groter worden met zelfbeheersing’ wordt dit jaar gegeven door prof. dr. Terrie Moffitt en prof. dr. Avshalom Caspi, beiden als hoogleraar Psychology and Neuroscience verbonden aan Duke University, North Carolina (VS). Een van de moeilijkste dingen die jonge kinderen moeten leren is self-control, het vermogen om impulsen te onderdrukken ten gunste van profijt op de lange termijn. Peuters met weinig zelfbeheersing lopen op latere leeftijd een verhoogd risico op hoge bloeddruk, ademhalingsproblemen, overgewicht en hart- en vaatziekten (te hoog cholesterol). Ook maatschappelijk doen de dertigers in kwestie het slechter. Alle reden om de zelfbeheersing al op jonge leeftijd te monitoren en waar mogelijk systematisch te bevorderen. Maar hoe ver mag de samenleving daarin gaan? Het programma wordt muzikaal omlijst door Jazzpianist Michiel Borstlap en zijn trio. Tevens presentatie van de essaybundel ‘Niet te moeilijk graag’. Plaats: Amsterdam, Concertgebouw Tijd: 13.30 - 17.30 uur Zie ook het artikel op pagina 6 30 Symposium en afscheidscollege

Bijeenkomst ter gelegenheid van het afscheid van prof. dr. D.J. Richel, hoogleraar Medische Oncologie over ‘Hot topics in gastrointestinal oncology’. Aansluitend houdt professor Richel zijn afscheidscollege. Plaats: AMC, collegezaal 1 Tijd: 10.30 - 15.30 uur. Afscheidscollege: 15.30 uur Inlichtingen: secretariaat Medische oncologie, 020 566 5955, secr-onco@amc.nl

Voor inlichtingen over congressen, 28 Gasthuislezing

Historische lunchlezing. Plaats: AMC, collegezaal 5

AMC M aga zine oktober 2012

symposia en cursussen:

AMC Congresorganisatie, secretariaat 020 566 85 85.


AMC Magazine november