Issuu on Google+

Binnenpolder Terheijden Een zonnige toekomst dankzij oude gegevens

Aerjen van den Akker, 2012.


Binnenpolder Terheijden Een zonnige toekomst dankzij oude gegevens Opdrachtgever Staatsbosbeheer Regio Zuid

Auteur Aerjen van den Akker aerjenheeft@hotmail.com

Opleiding Toegepaste biologie, HAS den Bosch

Begeleiders P.J.J. van den Munckhof T.M. Bakker J.M.C.T van den Berg M. ter Horst

SBB, Tilburg SBB, Breda SBB, Tilburg HAS, â€&#x;s-Hertogenbosch

Datum Tilburg, 25-01-2012

___________________________________________________________________________________________________________

2


Voorwoord Dit rapport is opgesteld in opdracht van Staatsbosbeheer, als onderdeel van de derdejaars stage voor de HAS Den Bosch, opleiding Toegepaste Biologie. Staatsbosbeheer streeft al jaren naar herstel van de hoge natuurwaarden, die de Binnenpolder in Terheijden vroeger moet hebben gehad. Probleem daarbij was, dat er tot voor kort alleen summiere, niet (goed) te localiseren gegevens over de vroegere toestand van dit gebied bestonden. Tot dusverre herstelmaatregelen hadden dan ook nog sterk het karakter van „trial and error‟. Dit rapport is opgesteld op basis van oude vegetatieopnamen en al bestaande rapporten. Staatsbosbeheer is in 2011 in het bezit gekomen van vegetatieopnames uit de periode 1944 – 1947 van de in datzelfde jaar helaas overleden heer J. Engelen en een rapport uit 1947 van de Contact-Commissie voor Natuur en Landschapsbescherming. Deze oude data van de Binnenpolder van Terheijden bieden een unieke blik in het verleden van de polder en laten zien hoe uniek het gebied was en weer zou kunnen worden. Gebieden met veenvorming waren vroeger algemeen in Nederland maar komen nu alleen maar in kleine gefragmenteerde gebiedjes voor. Door verdroging en vermesting staan de overgebleven gebieden onder druk en wordt de ontwikkeling van nieuwe bemoeilijkt. Zonder de gegevens van wijlen J. Engelen had dit rapport nooit tot stand kunnen komen en had er nooit een duidelijk beeld kunnen ontstaan van de historische plantengroei van de Binnenpolder. De heer Engelen heeft in de jaren 40 van de vorige eeuw de Binnenpolder in kaart gebracht, in samenwerking met Herman van Groenewoud. De Binnenpolder dreigde in die tijd te worden ontgonnen. Beide heren probeerden met hun inventarisatie de waarde van het gebied aan te tonen. Tijdens de beginfase van het onderhavige onderzoek werd contact verkregen met de reeds decennia geleden naar Canada geëmigreerde heer H. van Groenewoud. Die bleek nog een vegetatiekaart en bijbehorend rapport te hebben van de Binnenpolder. Via Jan van Vliet (een kennis van de heer van Groenewoud) is dit rapport en de bijbehorende vegetatiekaart aangeleverd. Mijn dank gaat uit naar deze heren want zonder deze oude gebiedsbeschrijvingen en hun hulp zou dit rapport nooit tot stand zijn gekomen. Aerjen van den Akker, 2012.

___________________________________________________________________________________________________________

3


Inhoudsopgave

Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Historie van de Binnenpolder 1.2 Probleemverkenning 1.3 Hoofdvraag en deelvragen

2 Materiaal en methode 2.1 Onderzoekslocatie 2.2 Methode 2.2.1 Analyse 2.2.2 Dataverwerking

3 Analyse van het hydrologische systeem 3.1 Geomorfologie 3.2 Hydrologie 3.2.1 Vroegere hydrologische situatie 3.2.2 Huidige hydrologische situatie

4 Ecologische analyse 4.1 Systeemanalyse 4.2 Vegetatie analyse 4.2.1 Successie 4.2.2 Vegetatietypen 4.2.3 Vegetatie kaart

5 Conclusie en toekomstvisie 5.1 Conclusie 5.2 Toekomstvisie

6 Literatuur Bijlagen

___________________________________________________________________________________________________________

5 6

6 9 11

12

12 13 13 13

15

15 17 17 19

21

21 22 23 25 26

28

28 31

32 34

4


Samenvatting Rond 1940 was de Binnenpolder bij Terheijden een ongerept laagveengebied met uitgestrekte rietvelden, broekbossen en natte schraallanden. Het stond bekend om zijn botanische rijkdom en grote diversiteit aan biotopen: veel meer dan tot voor kort gedacht. De locatie van de polder draagt ook bij aan het bijzondere karakter, zowel door de overgang van zand naar kleigronden als door de lage ligging; laagste punt van NoordBrabant. Hierdoor heb je ook grote hoeveelheden van uittredende kwel. Door de aanwezigheid van kalkrijke rivierafzettingen in de bodem was deze kwel zeer rijk aan opgeloste kalk en dit creÍerde mogelijkheden voor bijzondere flora. Er was echter een tekort aan landbouwgrond en er werden plannen gemaakt om de Binnenpolder in cultuur te brengen. Deze plannen werden vertraagd door de Tweede Wereldoorlog. Na de oorlog werd de vraag naar grond nog groter en werden de plannen nieuw leven in geblazen. Men kende inmiddels echter de waarde van het gebied en er werd besloten een rapport op te stellen dat als doel had, de Binnenpolder te beschermen. Onder leiding van de Contact-Commissie voor Natuur en Landschapsbescherming werden er vegetatieopnames gemaakt. Ook werd er een vegetatiekartering uitgevoerd om zo de diversiteit van het gebied inzichtelijk te maken. Ondanks dat het rapport van de ContactCommissie (Meltzer, 1947) de enorme waarde van de Binnenpolder liet zien, werd de polder rond 1950 toch ontgonnen. In 1946 was de waterstand van de polder al met 0,50 m verlaagd. Om de ontginning mogelijk te maken, werden er sloten gegraven en de waterstanden verder verlaagd tot 1,65 m –NAP. Uiteindelijk heeft het peil de huidige stand bereikt op 1,9 m –NAP. Door deze drastische daling van de waterstanden kon het veenpakket oxideren met inklinking als gevolg. Er bleef een veenweidegebied over dat was verrijkt met mineralen en waar tevens sterke veraarding optrad. Overblijfselen van de botanische rijkdom trokken zich terug in en rondom de sloten in het gebied. Dit onderzoek is gebaseerd op de oude vegetatieopnames en vegetatiekartering die zijn gebruikt voor het rapport van de Contact-Commissie. Eerdere onderzoeken naar de historische indeling en vegetatie van de Binnenpolder waren gebaseerd op alleen de rapporten. Door analyse van de afzonderlijke opnames is er een gedetailleerd beeld ontstaan van de plantengroei in de Binnenpolder. Door het gebruik van een gedetailleerde vegetatiekaart uit 1946 konden nu ook voor het eerst de oppervlaktes van de verschillende vegetatietypes worden bepaald. Eventuele (her)ontwikkeling van het gebied kan met behulp van deze inzichten beter en doelgericht worden uitgevoerd. Uit de analyse van de oude data komt een zeer gevarieerd en onaangetast laagveengebied naar voren. In de lagere delen lagen een aantal veenplassen met alle stadia van verlanding. Rondom de plassen kwamen uitgestrekte rietvelden voor met Galigaan, Draadzegge en Mattenbies. In het zuidelijke deel kwamen grote Gagelstruwelen voor met een ondergroei die werd gedomineerd door Pijpenstrootje. Verspreid over het gebied kwamen verder enkele blauwgraslanden voor, waar in droge zomers werd gehooid. Langs de randen en op plaatsen waar de successie al ver gevorderd was ontstonden Berken- en Berken-Wilgenbroekbossen. Op plekken waar regenwater stagneerde ontstonden voedselarme regenwaterlenzen waar veenmos zich goed kon ontwikkelen. Op deze manier ontstonden er grote verschillen met de voedselrijke en zeer basische omstandigheden elders in het gebied. Uit de abiotische gegevens blijkt dat een groot deel van de vroeger aanwezige vegetaties goed te herstellen zijn. Met behulp van de oude vegetatiekaart kunnen herstelmaatregelen op de juiste plekken genomen worden. ___________________________________________________________________________________________________________

5


1

Inleiding

1.1

Historie van de Binnenpolder

Rond 1200 was de Binnenpolder van Terheijden nog een ongeschonden en moeilijk toegankelijk veengebied. In oude bronnen uit 1280 staat vermeld dat in een gebied dat de Vlasselt werd genoemd woeste gronden ter ontginning werden uitgegeven. De Binnenpolder van Terheijden maakte ook deel uit van dit gebied. In 1280 ging het om een uitgifte van 155 hectare en in 1324 om nog eens 790 hectaren. Deze gronden werden verworven door de kloosters Catharinadal te Breda en Onze Lieve Vrouw te Middelburg (Leenders, 1974). In de lage kom waar de Binnenpolder in ligt moet in die tijd nog een hoogveenpakket gelegen hebben. Het was duidelijk de opzet om dit veenpakket af te graven en te verkopen als brandstof in de vorm van turf. Voor deze turfwinning werden drie wegen en vaarten aangelegd, namelijk de Schimmelse Weg, de Ruitersvaart en de Vaartkantse Vliet. Via deze vaarten werd de turf afgevoerd naar Terheijden dat als uitvoerhaven fungeerde. Hier werd de turf overgeladen in grotere schepen die het vervoerden naar Vlaamse en Hollandse steden. In 1411 gaf de abdij van Middelburg al haar gronden in de Binnenpolder terug aan de Heren en van Breda. Het makkelijk af te gegraven hoogveen was waarschijnlijk toen op en het veen wat zich onder de grondwaterstand bevond bleef over. Door de lage ligging en het verder verlagen van het maaiveld was het gebied erg nat en door de geringe verkaveling konden de waterstanden moeilijk worden geregeld. In de negentiende eeuw werd het uitgeveende gebied als grasland in gemeenschappelijk gebruik genomen. Behalve in de lagere delen van de polders kwam er langs de randen en kreekbeddingen grasland voor. Het diende vooral als weidegebied voor paarden dat alleen in droge zomers te gebruiken was (Daru-Schoemann, 1994). In 1840 zijn alleen langs de randen van de polder sloten en perceelsgrenzen te zien, dit in tegenstelling tot andere polders in de buurt (zie fig. 1 & bijlage 8). Op een kaart uit 1911 is te zien dat er al een veel fijner slotenstelsel in de Binnenpolder is aangelegd, wat wijst op een intensiever gebruik (zie fig. 2 & bijlage 9)

Figuur 1: 1840, topografische kaart 44 Geertruidenberg. Schaal 1:50.000.

Figuur 2: 1911 topografische militaire kaart 604 Geertruidenberg. Schaal 1:25.000.

___________________________________________________________________________________________________________

6


Opmerkelijk is echter dat op de topografisch kaart uit 1935 in de Binnenpolder weer open water is ontstaan (zie fig. 3-4 & bijlage 10). Op de kadastrale kaart uit 1811 – 1832 zijn nog geen petgaten of plassen waarneembaar. Waarschijnlijk is in de loop van de tijd op kleinere schaal doorgegaan met het winnen van turf. Dit baggeren van veen zorgde er voor dat er verspreid over het gebied petgaten ontstonden, die op den duur met elkaar in verbinding kwamen onder invloed van de wind.

Figuur 3: 1935 topografische kaart 44D Breda, Oosterhout. Schaal 1:25.000.

Figuur 4: 1947 vegetatiekaart H van het Groenewoud. Schaal 1:2500.

De plassen werden voor een groot deel ingenomen door Krabbenscheer, met slechts in kleine gedeelten Witte waterlelie en vederkruid. Om de plassen heen lagen uitgestrekte Riet- en Galigaanvelden. In de winter wanneer het gebied makkelijker toegankelijk was werd er Riet en Mattenbies gesneden. Dit zorgde er voor dat op deze plaatsen de successie die overal in het gebied in volle gang was werd geremd. Ten westen en zuiden van de plassen overheerste de Galigaan de Rietvelden. Door het voorkomen van eutroof laagveen kwamen er voor de provincie Noord-Brabant zeldzame planten voor, zoals Groot springzaad, Reuzenzwenkgras, Draadzege, Ronde zegge, Groenknolorchis en Veenmosorchis. Ook Moeras- en Kamvaren kwamen in de Binnenpolder algemeen voor (Meltzer, 1947). Op verschillende plaatsen in het gebied ontstonden wakken in het ijs tijdens de winter en waren er modderkegels op de bodem te zien. Dit wijst op de aanwezigheid van wellen en het uittreden van kwel (Meltzer, 1947). Ook de in het gebied aanwezige plantengemeenschappen en de pH van het oppervlaktewater van 8,5 tot 9,0 in de plassen geven aan dat er sprake is van kwel. De kwel die uittreedt in het gebied, was vroeger voedselarm en rijk aan kalk. Zo kwam er bijvoorbeeld Trilveenveenmos (Sphagnum contortum) voor. Deze soort is de meest basenminnende onder de inlandse veenmossen.

___________________________________________________________________________________________________________

7


De Binnenpolder van Terheijden was in de jaren „30 en „40 van de vorige eeuw bekend om zijn botanische rijkdom. Er kwamen talloze zeldzame plantensoorten voor in de blauwgraslanden en veenmoerassen. In de blauwgraslanden, die verspreid over het terrein voorkwamen, domineerde meestal het Pijpenstrootje. Spaanse ruiter en Blauwe knoop waren in deze schraallanden talrijk. Enkele andere planten, waar het Pijpenstrootje samen mee voorkwam, waren Echte valeriaan, Moerasspirea, Poelruit, Grote wederik en Gewone engelwortel. Verder kwam de voor Nederland zeldzame gemeenschap van Naaldwaterbies voor in dichte velden in water van 10 tot 40 cm diep. In dit gezelschap groeiden nog enkele andere zeldzaamheden zoals Ongelijkbladig fonteinkruid en Pilvaren. Het unieke moerasen graslandgebied herbergde verder onder andere; Draadzegge, Kleinste egelskop en “kuddes” van Galigaan en Vleeskleurige orchis. Uit het onderzoek van 1947 blijkt ook dat het gebied zeer rijk was aan broedvogels en ander wild. Zo broedden er onder andere Zwarte stern, Waterral en Waterrietzanger. Verder werden er regelmatig Visotters en Steenmarters waargenomen in de Binnenpolder (Meltzer, 1947). Vlak voor de oorlog werden er plannen gemaakt op de polder droog te pompen en in cultuur te brengen als landbouwgrond. Hiervoor werden de gronden in 1939 onteigend en kwamen ze in beheer bij Rijksdomeinen. Tot deze tijd lag het centrum van de Binnenpolder en nog vrijwel ongeschonden bij. De polder werd aan de randen al langzaam in cultuur gebracht. Ook kwamen er langs de randen van de polder steeds meer sloten voor. Dit zorgde er in 1946 al voor dat het waterpeil met 0,5 m gedaald was (Harmsen, 1947). De Tweede Wereldoorlog zorgde er voor dat de ontginning uitgesteld werd. Aan het begin van de oorlog was er veel opslag van bomen in het gebied. Tijdens de oorlog zijn bijna alle bomen gekapt voor brandhout en bleef er weer een kaal terrein over. Direct na de oorlog werden de ontginningsplannen weer opgepakt. In die tijd werd de hoge natuurwetenschappelijke waarde van het gebied echter bekend dankzij de heren J. van Engelen en H. van Groenwoud die in de polder vegetatieopnamen namen. Ontginning zou betekenen dat de bijzondere flora en fauna van de Binnenpolder zou verdwijnen. Deze botanische rijkdom voor Nederland en helemaal voor Noord-Brabant werd algemeen erkend. Om die te behouden werd een onderzoek opgestart door de Contact-Commissie voor Natuur- en Landschapsbescherming, onder leiding van Jacques Meltzer. Het te beschermen gebied omvatte niet de gehele Binnenpolder maar alleen het natte centrum. Het rapport van Meltzer werd opgesteld aan de hand van de waarnemingen van de heer van Engelen en van Groenwoud. In het rapport werd de betekenis van het gebied geschetst op het gebied van, flora, mycologie, zoogdieren en vogels. De vraag naar meer landbouwgrond was na de oorlog groot. Ondanks dat de waarde van de Binnenpolder was aangetoond werd rond 1950 toch begonnen met de ontginning. Het slootpeil werd verder verlaagd tot 1,65 m –NAP. In de loop van de jaren is dit nog verder verlaagd naar het huidige peil van 1,9 m -NAP. Eenmaal droog genoeg werd het gebied geëgaliseerd en vervolgens bezand. Dit zorgt er voor dat de verdamping afneemt, waardoor het gevaar voor uitdroging kleiner wordt. Ook wordt de grond warmer en minder gevoelig voor nachtvorst en neemt de draagkracht toe (Haartsen, 2009). Na de ontginning bleef een nat maar voedselrijk weidegebied over met als enige overblijfsel van de oude Binnenpolder de eendenkooi en een bijbehorende kooibos. De eendenkooi en het kooibos zijn sinds 1973 een beschermd natuurmonument.

___________________________________________________________________________________________________________

8


1.2

Probleemverkenning

De missie van Staatsbosbeheer luidt als volgt: „Staatsbosbeheer waarborgt de kwaliteit van een groene leefomgeving voor mens, plant en dier. Wij stimuleren een blijvende relatie tussen mens en natuur, voor nu en toekomstige generaties.‟ Staatsbosbeheer kiest voor natuur, die meerdere functies vervult en waarmee meerdere doelstellingen tegelijk kunnen worden gerealiseerd. De organisatie heeft een duidelijke visie op duurzaam natuurbeheer, die „uitgaat van de optimale situatie per gebied waarmee we ruimte geven aan wat er al is‟. Staatsbosbeheer maakt zich hard voor het duurzaam ontwikkelen van het Nederlandse natuur- en cultuurlandschap en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) (Staatsbosbeheer, 2011). Zowel bij Staatsbosbeheer als bij andere natuurbeschermingsorganisaties is in het verleden veel geïnvesteerd in behoud en herstel van actieve, levende veengebieden, waarvan er de afgelopen eeuw in Nederland veel verloren zijn gegaan door ontginning, verdroging en vermesting. Om het areaal aan levend veen te behouden en te vergroten zijn verschillende succesvolle projecten in voormalige en overgebleven gebieden uitgevoerd (Bijlsma et al., 2011). Door de vermindering van de depositie van stikstof en zwavel vanuit de lucht zijn de voorwaarden voor herstel gunstig. De Binnenpolder bij Terheijden maakt deel uit van de EHS. In het verleden zijn door Staatsbosbeheer voor dit gebied dan ook plannen ontwikkeld om een optimale situatie te realiseren. In 1994 streefde Staatsbosbeheer hier al naar het realiseren van vochtige en natte schraalgraslanden (kleine zeggenmoerassen, dotterbloemhooilanden en eventueel kamgraslanden), op basis van summiere historische gegevens. Eind jaren 1990 heeft Staatsbosbeheer onderzoek laten doen naar mogelijke maatregelen om de verdroging van het gebied te verminderen en de vroegere natuurwaarden te herstellen. In dat rapport werd geconcludeerd; „Gezien de huidige hydrologie en hydrochemie van het gebied is het mogelijk om door peilaanpassingen de hydrologische randvoorwaarden voor dergelijke doeltypen te realiseren. De bezanding en veraarding van de bodem en de opgehoopte meststoffen vormen ook bij een optimale hydrologie echter een belangrijke belemmering. Om de nagestreefde doeltypen daadwerkelijk te kunnen ontwikkelen, is het noodzakelijk om de bezande, veraarde en vermeste toplagen te verwijderen. Gebeurt dat niet, dan zal de vegetatie waarschijnlijk blijven steken in het verschralingsstadium van Witbolgraslanden, graslanden met Geknikte vossenstaart en voedselrijke Grote zeggenmoerassen en Rietlanden.‟ (Jalink et al., 1995). Op basis van genoemd rapport zijn in 2007 in samenwerking met het Waterschap Brabantse Delta herstelmaatregelen uitgevoerd in de Binnenpolder. De maatregelen bestonden uit het dempen van enkele sloten, het plaatsen van nieuwe stuwen en het aanpassen van bestaande stuwen. Deze maatregelen moeten er voor zorgen dat het gebied vernat en de kwelstromen versterkt worden. Op twee plaatsen is de voedselrijke en veraarde veenlaag verwijderd en afgevoerd (zie fig. 5). In combinatie met verschralend maaibeheer moet dit er voor zorgen dat zich een vochtminnende vegetatie kan vestigen op de blootgelegde voedselarme bodem. Ten noorden van de eendenkooi zijn in dezelfde periode 5 petgaten gegraven met een lengte van ongeveer 290 meter en een breedte van 30 tot 110 meter (zie fig. 5). Deze petgaten, elk met een steile en een geleidelijk aflopende oever, moet de verlanding en de daarbij behorende vegetatie terug te brengen in de Binnenpolder. Sinds 2007 is de Binnenpolder aangemerkt als natte natuurparel en is het opgenomen binnen de groene hoofdstructuur.

___________________________________________________________________________________________________________

9


Tijdens een excursie van de Plantensociologische Kring Nederland (P.K.N.) op 8 juli 2011 is gebleken, dat met name op de afgegraven percelen hoge - deels onverwachte natuurwaarden zijn teruggekeerd, waaronder diverse Rode Lijstsoorten. De ontwikkeling van de nieuwe petgaten verloopt daarentegen minder voorspoedig, met uitzondering van de vegetatie op de vlakke oevergedeelten. Het kan zijn, dat de petgaten door het ontbreken van goede historische gegevens in 2007 toevallig op minder gunstige locaties zijn aangelegd. Als dat niet zo is, dan moet er een andere reden zijn, waarom de ontwikkeling van vegetaties van Gele plomp en Witte waterlelie en van Krabbenscheer niet op gang komt. Met behulp van goede historische gegevens kan het succes van de uitgevoerde maatregelen in de toekomst in positieve zin worden bijgesteld. Bovendien kunnen toekomstige (nieuwe) maatregelen veel efficiënter worden ingezet op basis van dergelijke gegevens. Dat is in deze tijd van toenemende bezuinigingen voor Staatsbosbeheer van zeer groot belang. Er is immers veel minder budget beschikbaar voor het uitvoeren van herstelmaatregelen en dat geringere budget moet noodgedwongen wel efficiënter worden ingezet. „Trial and error‟ past daar niet meer bij! In 2011 is het Staatsbosbeheer in het bezit gekomen van oude vegetatieopnamen van de heer J. van Engelen. De opnamen beslaan een periode van 1944 tot 1947 en zijn samen met de heer H. van Groenenwoud opgenomen voor de Contact-Commissie voor Natuuren Landschapsbescherming. Deze commissie heeft met behulp van deze gegevens geprobeerd de waarde van het veenmoeras de Binnenpolder aan te tonen en te bewerkstelligen dat het gebied werd beschermd. Ondanks dit onderzoek is de polder toch ontgonnen en kwam er landbouw voor in de plaats. Al snel was duidelijk, dat de vegetatieopnamen een uniek beeld zouden kunnen geven van hoe de Binnenpolder bij Terheijden en in het verleden heeft uitgezien. Dergelijke gegevens zijn van groot belang bij het natuurherstel en beheer van het gebied. Door middel van het analyseren van de oude vegetatieopnamen zou kunnen worden aangetoond, hoe gevarieerd de polder vroeger was en wat haar potenties na natuurherstel kunnen zijn. De gegevens waren echter in eerste instantie voor het Staatsbosbeheer nog onbruikbaar. Zo kwamen er alleen oude plantennamen in voor, die soms al tientallen jaren niet meer gebruikt worden. Daarnaast ontbrak de bijbehorende vegetatiekaart, zodat niet duidelijk was over welke oppervlakten bepaalde vegetatietypen vroeger ongeveer voorkwamen.

Figuur 5: Locaties van de herinrichting en herstelmaatregelen. Blauw: nieuwe petgaten. Rood: geplagde percelen. ___________________________________________________________________________________________________________

10


1.3

Hoofdvraag en deelvragen

Aan de hand van de in paragraaf 1.2 beschreven nieuwe gegevens kan een gebiedsreconstructie uitgevoerd worden van de Binnenpolder. Om hier inzicht in en antwoord op te krijgen is een beschrijvende onderzoeksvraag geformuleerd: - Hoe zag de binnenpolder er omstreeks 1940 botanische gezien uit, en wat zijn de mogelijkheden voor eventuele (verdere) herstelmaatregelen? Om deze hoofdvraag beter te kunnen beantwoorden, zijn de volgende deelvragen geformuleerd : 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Welke plantengemeenschappen kwamen er in het verleden voor in de Binnenpolder van Terheijden? Welke abiotische1 voorwaarden stellen deze plantengemeenschappen aan hun omgeving? Zijn er verschillen in de abiotiek1 tussen de recente en de historische situatie van de Binnenpolder en, zo ja, wat zijn deze verschillen dan?. Wat waren de hydrologische eigenschappen2 van de Binnenpolder en waarin verschillen deze met de recente situatie? Hoe zal de vegetatieontwikkeling na eventuele herstelmaatregelen verlopen? Welke maatregelen zijn er nodig om de Binnenpolder eventueel terug te brengen in de staat zoals deze was voor de ontginning?

1

Abiotische eigenschappen: voedselrijkdom, zuurgraad, vochtgehalte en opbouw van de bodem. 2 Hydrologische eigenschappen: waterkwaliteit en de waterhuishouding.

___________________________________________________________________________________________________________

11


2

Materiaal en methode

In dit hoofdstuk wordt kort de onderzoekslocatie besproken en worden de toegepaste methode en wijze van analyse beschreven.

2.1

Onderzoekslocatie

De Binnenpolder van Terheijden is een lage kom omgeven door dekzandruggen. Het maaiveld van deze afgeveende laagte varieert van 0 tot 1.7 m –NAP en zet zich voort in westelijke richting. Dit is precies op de zone waar het Brabants zandmassief met het laagveen- en rivierkleigebied elkaar raken. Deze zone staat bekend als de „Naad van Brabant‟. Het maaiveld van de Binnenpolder bestaat voor het grootste deel uit veen van de Westland Formatie met plaatselijk een aangebrachte zandlaag. De dikte van het veenpakket varieert van enkele decimeters tot maximaal 90 centimeter in het centrum. Aan de rand van het gebied ontbreekt de veenlaag grotendeels en ligt dekzand uit de Formatie van Twente aan het maaiveld. De Formaties van Sterksel is het 1ste watervoerende pakket. Dit pakker zorgt voor niet vervuilde, voedselarme, basenrijk kwel welke in het midden van het gebied uittreedt (Jalink, 1995). In het centrum ligt een eendenkooi met daar omheen een kooibos. De rest van de Binnenpolder wordt ingenomen door graslanden met een dicht verkaveld slotenpatroon. Hiervan heeft Staatsbosbeheer ongeveer 130 hectare in beheer ( zie fig. 6). Door de hoge grondwaterstanden te opzichte van het maaiveld werden de percelen in het midden van de polder extensiever gebruikt dan de percelen aan de rand. Het intensievere gebruik aan de west en zuidkant bestaat vooral uit de teelt van maïs.

Figuur 6: Binnenpolder van Terheijden, de oranje gekleurde percelen zijn bij Staatsbosbeheer in beheer. Bron: OGIS. ___________________________________________________________________________________________________________

12


2.2

Methode

Voor de historische data word gebruik gemaakt van de vegetatieopnamen van de heer J. Engelen. Indien mogelijk is er ook gebruik gemaakt van de Landelijke Vegetatie Databank (LVD). Voor de recente opnamen is gebruik gemaakt van opnamen die in het bezit zijn van Staatsbosbeheer. 2.2.1 Analyse Voor het vegetatieonderzoek is gebruikgemaakt van vegetatieopnamen die volgens de Braun-Blanquet-methode zijn uitgevoerd. Deze vegetatieopnamen uit de periode 19401946 waren afkomstig van de heer J. Engelen. Voordat een opname werd ingevoerd werd deze eerst aan een vooronderzoek onderworpen. Dit vooronderzoek bestond uit: ontcijfering var het handschrift, opsporing van oude onbekende synoniemen, vertalen oude Latijnse soortnamen (Meertens, 1992). Naast de verwerking van de oude vegetatieopnamen is er intensief literatuuronderzoek in verschillende archieven waaronder dat van Staatsbosbeheer. Deze archieven bleken echter weinig informatie te bevatten over de Binnenpolder van voor de ontginning. Uit het rapport van de Contact-Commissie bleek echter dat er een vegetatiekaart van het gebied moest zijn gemaakt. Deze kaart die van groot belang kon zijn voor het onderzoek was niet in het bezit van Staatsbosbeheer. Het archief van de inmiddels opgeheven ContactCommissie is bewaard gebleven bij het International Institute of Social History in Amsterdam. Dit archief is doorgenomen om de vegetatiekaart boven water te krijgen maar ze bleek ook niet in dat archief voor te komen. De verloren gewaande vegetatiekaart is uiteindelijk aangeleverd door de heer H. van Groenewoud, geheel bij toeval. Doordat het onderzoeksplan gepubliceerd werd op internet wist de heer van Groenewoud dat er nieuw onderzoek werd gedaan naar de Binnenpolder, een gebied dat hem ook na zijn emigratie is blijven boeien. Hij bood een tot dan toe onbekend, door hemzelf opgesteld, Engelstalig rapport aan over de Binnenpolder (Van Groenwoud, 1950). Dit rapport is opgesteld aan de hand van de data die ook is gebruikt bij het rapport van de Contact-Commissie en bevat een gedetailleerde vegetatiekaart. Hierdoor kon de historische situatie in de Binnenpolder door middel van meerdere oude bronnen gereconstrueerd worden. Aan de hand dit oude materiaal is een ecologische analyse en een hydro-geologische analyse uitgevoerd. In de hydro-geologische analyse is de geomorfologie en de hydrologie van het gebied onderzocht door gegevens van oude rapporten en waarnemingen te combineren. Daarbij werden de kwaliteit en de herkomst van het oppervlaktewater onderzocht en vergeleken met de huidige situatie. Ook is binnen dit onderdeel gekeken naar de geologie van de Binnenpolder en het omliggende gebied. De ecologische analyse is opgebouwd uit een historische systeemanalyse en een vegetatieanalyse. Binnen de vegetatieanalyse zijn de oude vegetatieopnamen toebedeeld aan moderne vegetatietypen, waarvan de abiotische standplaatseisen bekend zijn. Op deze manier kon aan de hand van de vegetatiegegevens worden achterhaald, wat de voedselrijkdom, zuurgraad, vochtgehalte en bodemopbouw waren. Daardoor kon een goed beeld worden verkregen van de vroegere abiotiek van de Binnenpolder. Binnen de verschillende hoofdstukken van het rapport ligt de nadruk op de historische situatie en hoe deze zich verhoudt tot de huidige situatie. Zo is gereconstrueerd welke veranderingen er zijn opgetreden op het gebied van abiotiek, flora en waterhuishouding. Door middel van de gebiedsreconstructie is een voorspelling gedaan over de te verwachten flora na herstelmaatregelen en welk type beheer hiervoor nodig is. ___________________________________________________________________________________________________________

13


2.2.2 Dataverwerking Er zijn uit de opname van de heer van Engelen 65 opnamen geanalyseerd. Ook is er een literatuurstudie uitgevoerd om de geschiedenis van de Binnenpolder in kaart te brengen. De opnamen, die waren opgenomen door middel van de Braun-Blanquetmethode zijn geïdentificeerd met behulp van Turboveg en Synbiosys. De opnamen zijn eerst ingevoerd in Turboveg; elke opname werd op deze manier gedigitaliseerd. Bij het invoeren van de data werden oude Latijnse plantennamen waar nodig omgezet naar hedendaagse Latijnse namen. Dit is gedaan met behulp van Turboveg en oude flora`s (Schaminée, 2006; Heimans et al 1943). Deze dataset kon vervolgens uit Turboveg geëxporteerd worden naar Synbiosys voor verdere analyse. In Synbiosys is deze dataset geanalyseerd met behulp van Indica (biotische analyse). Van de historische vegetatiedata is bepaald onder welke plantengemeenschapen de verschillende opnamen konden worden ingedeeld. Van een deel van de vegetatieopnamen zijn de oude Latijnse soortnamen omgezet naar hedendaagse. Aan de hand van oude vegetatiekaarten en gebiedsbeschrijvingen is vervolgens geprobeerd om te achterhalen waar deze opname en dus de plantengemeenschappen voorkwamen. Dit is gedaan om een duidelijk beeld van het gebied te krijgen en de verschillen zichtbaar te maken. De bepaling van de locatie waar de verschillende gemeenschappen voorkwamen is van belang om eventuele toekomstige herstelprojecten goed uit te kunnen voeren. Wanneer een opname was gecontroleerd en waar nodig was aangepast, werd deze in Excel-tabellen gedigitaliseerd. Deze tabellen konden vervolgens naar Turboveg worden geëxporteerd. Vanuit de databank van Turboveg zijn alle opnamen geëxporteerd naar Synbiosys voor verdere analyse. Met behulp van Synbiosys zijn alle opnamen individueel toegekend aan een plantengemeenschap. De abiotische eigenschappen werden door middel van de Indica-analyse in Synbiosys bepaald. Indica maakt gebruik van indicatiewaarden die door Kiwa bepaald zijn. Resultaten van dit onderzoek zijn vertaald naar indicatiewaarden en Indicatorsoorten. Aan de hand van tenminste 5 indicatorsoorten bepaalt Indica welke plantengemeenschap er bij de opname hoort. Oud kaartmateriaal is gedigitaliseerd om bewerking en interpretatie met huidige technieken mogelijk te maken. Historische vegetatiekaarten en de daarbij behorende vegetatietypen moesten eerst vertaald worden naar de hedendaagse namen. Dit is gedaan met behulp van: Westhoff, Van Dijk & Passchier (1946). Het digitale kaartmateriaal is vervolgens bewerkt met behulp van photoshop om de verschillende vegetatietypen in te kunnen kleuren. Door de oude kaarten te voorzien van kleur is het kaartmateriaal makkelijker te interpreteren. Met behulp van een Geografisch informatiesysteem (GIS) kon vervolgens de aangepaste kaart over een hedendaagse topografische ondergrond gelegd worden door middel van georeferentie. Hierdoor kon de ligging van de verschillende vegetatietype en landschapselementen bepaald worden in de huidige situatie.

___________________________________________________________________________________________________________

14


3

Analyse van het hydrologische systeem

3.1

Geomorfologie

De Binnenpolder van Terheijden is een komvormige laagte die omsloten wordt door hogere dekzandruggen. De laagte waar de Binnenpolder deel van uit maakt is op het diepste punt 1.7 m –NAP en strekt zich uit in noordwestelijke richting, waar de hoogte geleidelijk oploopt. Het laagste deel van de polder ligt ten noorden van de eendenkooi. In deze laagte is ook het dikste veenpakket van de Binnenpolder bewaard gebleven, ter dikte van ongeveer 90 cm. (Jalink, 1995). De bodemkaart (fig. 7) laat zien dat het merendeel van de Binnenpolder aangeduid moet worden als meerveengronden met een grondwatertrap 2 (Gt II). Meerveengronden zijn ontstaan door het bezanden van madeveengronden. Ze hebben een moerige eerdlaag, een organisch stofgehalte van minder dan 15% en ze zijn kleiarm. De zandruggen die de polder omsluiten lopen geleidelijk af en bestaan uit moerige gronden. Op deze helling gaat de bodem over van Gt III* naar laarpodzolgronden met Gt V tot VII. In het zuiden loopt een slenk in westelijke richting (Jalink, 1995). In deze slenk bestaat de bodem uit moerige gronden met Gt III en meerveengronden met Gt II. De harde ondergrond van de polder ligt ongeveer 3 m beneden het maaiveld en bestaat uit grindhoudende, kalkhoudende rivierzanden. In sommige gedeelten is het zand bedekt met een kleilaag tot een dikte van 50 cm. Op de flanken van de zandruggen komen op verschillende diepten kalkhoudende lagen voor. Deze bevinden zich op een diepte van 7 tot 10 m onder het maaiveld. Deze lagen zijn moeilijk doorlaatbaar en zorgen voor de aanvoer van lokale en kalkrijk kwelwater (Meltzer, 1947). Deze rivierafzettingen van klei en zand kunnen tot 7,7 % CaCO3 bevatten (Jalink et al., 1995).

Figuur 7: Bodemkaart 1:50000, Binnenpolder van Terheijden. Met rood zijn de percelen aangegeven die in beheer zijn van Staatsbosbeheer, met blauw de grotere sloten in het gebied weergegeven. Bron: OGIS, Staatsbosbeheer. ___________________________________________________________________________________________________________

15


Figuur 8 laat het grote verschil in hoogte zien tussen het centrale deel van de Binnenpolder en de dekzandruggen aan de zuid-en oost-kant. Het hoogteverschil loopt over een afstand van 1,5 km ongeveer 5 meter op, dit is voldoende om het grondwater richting de polder te laten stromen. Van Groenewoud (1950) beschrijft twee profielkuilen op de 1 meterhoogtelijn, die een zandige bodem lieten zien met een podzolprofiel. Op een diepte van 2 meter bevonden zich twee ondoordringbare lagen van veen vermengd met klei. Tussen deze twee lagen zat een grindrijke laag van ongeveer 25 cm dik. Uit verder onderzoek bleek dat deze laag aanzienlijke hoeveelheden water aanvoert naar de polder. In het rapport van Van Groenewoud wordt ook melding gemaakt van de aanwezigheid van vele wellen in de Binnenpolder, evenals in het rapport van de Contact Commissie (Meltzer, 1947). Met dit kwelwater komen opgeloste mineralen mee die zijn opgelost na het passeren van verschillende grondlagen. Zo komt uit de rivierafzettingen onder andere bicarbonaat mee. Dit bicarbonaat kan voor een versnelde afbraak van de veenbodem zorgen. Hierdoor komt veel fosfaat vrij en in combinatie met de ontwatering kan het veenpakket gaan oxideren. Deze oxidatie heeft de bodem van de Binnenpolder drastisch laten dalen. In het rapport van van Groenewoud werd de veendikte nog geschat op 100 tot 150 cm (Groenewoud, 1950). Uit het Kiwa rapport blijkt dat op veel plaatsen geen veen meer over is en er alleen in het centrum geringe veendiktes tot 60 cm voorkomen (Jalink et al., 1995). Dit zorgt er voor dat er stikstof vrij komt en er eutrofiĂŤring optreedt. De combinatie van bodemdaling, eutrofiĂŤring en de menging met zand heeft er voor gezorgd dat de eigenschappen van de bodem drastisch veranderd zijn, in vergelijking met de tijd voor de ontginning.

Figuur 8: Hoogtekaart, Binnenpolder van Terheijden. Bron: Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN).

Conclusie Het veenpakket in de Binnenpolder is al grotendeels verdwenen door oxidatie en klink. De rest is in grote mate veraard en rust op een ondergrond van zand, die op sommige plekken is bedekt met klei. Uit de omliggende hoger zandgronden stroomt bicarbonaat rijk grondwater toe. Door de lage ligging en de aanwezigheid van zand- en grindlagen is er spraken van een sterke kwelstroom van lokale en regionale kwel.

___________________________________________________________________________________________________________

16


3.2

Hydrologie

De hydrologie is de ecologische factor met de grootste invloed op de vegetatie van de Binnenpolder. De bodem is op veel plaatsen geheel verzadigd met water en de fysische en chemische eigenschappen van dit water beïnvloeden zo in grote mate de vegetatie. 3.2.1 Vroegere hydrologische situatie De moerassen en de Rietlanden lagen voor de ontginning in het laagste gedeelte van de Binnenpolder. Langs de randen kwamen op verschillende plaatsen blauwgraslanden voor. Zoals in par. 1.1 al werd besproken, werden ten behoeve van het afgraven van het veen in de Binnenpolder eeuwen geleden drie turfvaarten aangelegd om het gebied te ontsluiten: Vaartkantse Vliet, de Ruitersvaart en de Wagenbergse Vaart. Verder liepen er een aantal watergangen door het gebied met een grilligere vorm welke afwaterden op de turfvaarten. De vaarten waterden vrij af op de Mark. Toen deze natuurlijke afwatering niet meer kon door de daling van de bodem werd de waterstand in de 20e eeuw kunstmatig laaggehouden door middel van een gemaal. Het centrum van de Binnenpolder werd in de jaren 1940 ingenomen door een serie plassen met grillige randen, die waren ontstaan door veenwinning en de invloed van wind (golfslagerosie). Aan de randen was de verlanding al zeer sterk op gang gekomen. Het peil in de polder werd rond 1940 met behulp van een molentje tussen -50 cm en -75 cm gehouden en lag gemiddeld rond 60 cm beneden NAP (Van Groenewoud, 1950). In droge zomers kon en werd er ook water vanuit de Mark ingelaten. In de loop der jaren is het peil verder verlaagd tot 1,9 m –NAP (Jalink et al., 1995). Waarschijnlijk ging het om eutroof water. Dit wordt ook bevestigd door het voorkomen van de gemeenschappen van Galigaan en Pluimzeggegemeenschap. De pH van het water van 8,5 tot 9,0 uit de gegevens van de heer Engelen zijn voor binnenwater in Nederland uniek en wijst op een aanvoer van mineraalrijk kwelwater. De waterkwaliteit binnen de polder was niet in het gehele gebied gelijk. Zo kwamen er ook oligotrofe zoetwaterlenzen voor. Dit kan afgeleid worden uit het voorkomen van onder andere de Associatie van Naaldwaterbies, welke oligotroof water prefereert (Meltzer, 1947). Er was geen sprake van natuurlijke stroming van water, alleen door bemaling kon water uit het gebied gepompte worden en was er sprake van enige stroming in de grotere vaarten en plassen. De voornaamste oorzaak van waterverplaatsing was de wind die zorgde voor golven op de grotere plassen. Dit zorgde er voor dat op beschutte plekken meer sedimentopbouw kon plaatsvinden. Ook zal de golfslag een belangrijke rol hebben gespeeld bij het zuurstofgehalte in de plassen, dat hoger zal zijn geweest dan op beschutte plaatsen. In 1947 zijn er een aantal analyses uitgevoerd in opdracht van W. Meijer in de Binnenpolder, hieruit kwamen de volgende resultaten: Tabel 1: Analysegegevens waterkwaliteit Binnenpolder Terheijden (Bron: Meijer & Van Heusden, 1949).

Datum

pH

HCO3− Fe NO3– Kleur CL Ca+Mg PO43mg/l mg/l mg/l mg/m3 mg/ mg/lpt mg/l l

20-8-47

6,9 5,9

173

0,1

15

0,2

43

66

SiO2 mg/l

KMnO4 Totale mg/l hardh ⁰D

Tijdel hardh ⁰D

2,1

25

8,0

9,2

___________________________________________________________________________________________________________

17


Als het HCO3--gehalte is omgerekend naar mmol1 dan blijkt dat het hier gaat om sterk gebufferd of hard water (Bloemendaal & Roelofs, 1988). Uit het monster blijkt ook dat er weinig fosfaat in het water aanwezig is, namelijk 0,015 mg/l, evenals Fe. Dit zou kunnen komen door een neerslagreactie tussen Fe en PO43-. De pH van 6,9 is neutraal en met een Cl gehalte van 5,9 zeer zoet, deze waardes zijn vergelijkbaar met regenwater en iets zoeter dan geĂŻsoleerde freatische vennen. Het bicarbonaatgehalte is vergelijkbaar met freatische zand-en veensloten, pingoruines en petgaten, freatische vennen zijn minder gebufferd. Het Fe-gehalte is zeer laag, evenals P en NO3. Daarentegen zijn de Ca- en Mg-gehalten redelijk hoog, vergelijkbaar met zandsloten, en veenpolderplassen. Dit duidt op een aanvoer van lithotroof water in de Binnenpolder, dat verrijkt was met kalk en als kwel uittrad. De zomer van 1947 was de warmste van de 20e eeuw. Midden augustus was er de vierde hittegolf van het jaar met temperaturen tussen 30 en 35 graden (Jacob et al., 2001). Er waren mogelijkheden om water binnen te laten in de Binnenpolder vanuit de Mark. Bij inlaatwater zou echter een hoger Cl- gehalte verwacht mogen worden. Het lijkt er dus op dat ondanks de hete en droge zomer er geen of weinig water is ingelaten in de Binnenpolder. Dit zou verband kunnen houden met een grote aanvoer van kwelwater. Meltzer (1947) schatte, dat de aanvoer van locale kwel onder verschillende omstandigheden een verhoging van het waterniveau van 2 tot 6 mm per dag voor de gehele polder zou betekenen. Conclusie De waterstanden in de Binnenpolder stonden in de jaren 1940 meer dan een meter hoger dan vandaag de dag. Zo lagen er enkele plassen in het centrum van de polder en was de hydrologie een belangrijke sturende factor. Het meeste water werd aangevoerd in de vorm van kwel. Het sterk gebufferde water had in sommige gevallen een pH 9 en was voedselarm. Ook lokale kwelstromen hadden een hoge concentratie HCO3- door het voorkomen van grindlagen in de hogere zandgronden (Formatie van Oosterhout). Variatie in de waterbodem zorgde voor verschil in waterkwaliteit, evenals het voorkomen van regenwaterlenzen. Op plaatsen waar versnelde afbraak optrad onder invloed van de hoge concentratie HCO3- ontstonden voedselrijkere situaties met fosfaat en stikstof. In rietvelden en hogere gronden konden zuurdere en voedselarme regenwaterlenzen ontstaan.

1)

-

3 x 15,999 + 12,011 + 1,007 = 61,015 ďƒ  173 / 61,015 = 2,84 mmol HCO3

___________________________________________________________________________________________________________

18


3.2.2 Huidige hydrologische situatie De polder word gevoed met lokaal grond- en regenwater en er wordt in droge zomers geen gebiedsvreemd water meer ingelaten. Wel wordt water uit het Markkanaal naar de hogere zandgronden aan de zuidzijde van het gebied gevoerd. Dit komt waarschijnlijk deels door wegzijging uit de aanvoersloten via het grondwater in de Binnenpolder terecht. De kwelstroom is in de Binnenpolder ook in de zomersituatie voldoende om het oppervlaktewater op peil te houden. Het overtollige water wordt via een stuw aan de westkant afgevoerd naar de Mark. Beide peilen worden op -1,90 NAP gehouden. De waterkwaliteit van de nieuwe petgaten blijkt niet geschikt te zijn voor Krabbenscheer, want na uitzetting stierven de planten af. Dit heeft waarschijnlijk te maken met verhoogde concentraties giftige stoffen zoals ammoniak en sulfide. Deze stoffen komen vrij bij de afbraak van de pas blootgelegde veenbodem. Uit het onderzoek van Kiwa blijkt dat er nog steeds sprake is van diepe kwel. Dit schone en basenrijke kwelwater treedt voornamelijk uit in de laagste gedeelten van de polder (Jalink et al., 1995). Wanneer dit harde, en op sommige plaatsen zelfs zeer harde water ook uittreedt in de nieuwe petgaten, zou dit de afbraak van de opnieuw blootgelegde veenbodem kunnen versnellen. Het bicarbonaat stimuleert de afbraak omdat natuurlijke afbraakremming in de vorm van zuren in de bodem wordt opgeheven. Na verloop van tijd zal er een sliblaag ontstaan boven het veen die dit proces remt door een afsluitende laag boven het veen te vormen. Afbraak van het veen zal er voor zorgen dat er eutrofiĂŤring van het water op kan treden. Wanneer dit gebeurt zal dit gepaard gaan met een daling van het redoxpotentiaal. Bij een flinke daling zal dit er voor zorgen dat de buffering wegvalt en ook het aan ijzer gebonden fosfaat beschikbaar komt. Door de peilverlagingen en de bodemdaling in de Binnenpolder is de kwelsituatie versterkt, maar de diepere sloten vangen veel meer kwel af dan vroeger. Dit geldt zowel voor kwel uit het eerste watervoerende pakket als voor kwel uit diepere pakketten. Deze toestroom van diepe en lokale kwel is zo groot dat, met uitzondering van erg droge zomers altijd afvoer plaatsvindt (Jalink et al, 1995). Uit dit rapport van Kiwa blijkt ook dat er in 1995 nog steeds sprake was van niet vervuilde kwel in het centrale deel van de Binnenpolder. Voor bemonstering is onder andere gebruik gemaakt van waarnemingsput 44D-483, deze heeft 9 filters waarvan de bovenste 6 in zoet grondwater met een chloridegehalte < 150 mg/l. Dit water is volgens de classificatie van Stuyfzand van het g3-CaHCO3-type. Hierbij hoort een chloridegehalte van 0 - 5 mg/l en een totale hardheid van 4 tot 8 meq/l HCO3. Met als belangrijkste kation Ca, en anion HCO3. Onderaan de flank van de dekzandrug aan de oost- en zuidzijde van de Binnenpolder treedt de sterkste kwel op. Dit water is rijk aan Fe, Ca en SO4 maar arm aan HCO3. De PO4- en NO3- gehaltes waren weliswaar hoger dan in 1947 maar voldeden aan de richtlijnen. Er bestaan binnen het gebied dus meerdere kwelstromen; een diepe toestroom van schoon baserijk grondwater in het centrale deel, en een ondiepe vervuilde kwelstroom die langs de randen van de dekzandruggen opwelt. Op de zuidflank zijn de EGV-, Ca- en SO4-waarden hoger dan op de oostflank. Uit de analyses blijkt ook dat gebiedsvreemd water van uit de Mark schoner is dan slootwater op de zuidflank. Tabel 2 laat zien welke analyses er zijn uitgevoerd, en geeft het gemiddelde van alle 16 peilbuizen (bijlage 7) die zijn geplaatst en bemonsterd door Giesen & Geurts voor het Kiwa rapport (Jalink et al., 1995).

___________________________________________________________________________________________________________

19


Tussen de verschillende peilbuizen zitten soms grote verschillen, zo loopt het Ca-gehalte uiteen van 105 mg/l in het lagere deel naar 21 mg/l op de zuidflank. Monsters uit het centrale lage deel rondom de eendenkooi en daar ten noorden van zijn HCO3-rijk. De concentraties HCO3 lopen uiteen van 5,0 tot 7,65 mmol/l wat duidt op zeer hard water; ook zijn bij deze monsters de Fe- en Ca-gehalte vrij hoog en het SO4- gehalte laag. Tabel 2: Analyse gegevens Binnenpolder Terheijden door Giesen & Geurts, 1999. (Bron: Jalink et al., 1995) Datum EGV

pH

Ca

Mg

K

Na

6,39

56,95

14,25

10,98

29,82

mS/m 6-12-1999

55,84

Fe

NO2N

NH4N

SO4

CI

1,11

87,5

45,8

mg/l 0,922 0,0061

HCO3

PO4P

mmol/l

mg/l

3,18

0,065

NO3N 1,114

De lage PO4- waarde kunnen veroorzaakt worden door veel diepe kwel of door de hoge ijzergehalten in de lokale kwel. Het aanwezige fosfaat wordt geïmmobiliseerd door de binding en neerslagreactie met ijzer, de fosfaatmobilisatie vanuit de sliblaag wordt hierdoor ook gereduceerd. In Nederland gaat men er vanuit dat fosfaat in kwelmilieus wordt vastgelegd in de vorm van ijzerverbindingen. In kalkrijke kwelmilieus is fosfaatvastlegging met kalk ook aangetoond. Het is echter de vraag of deze vorm van fosfaatbinding in Nederlandse kwelsituaties een belangrijke rol speelt. In situaties waar het water zo oververzadigd is met kalk dat blootstelling aan de atmosfeer neerslag veroorzaakt, kunnen kalkmoerassen ontstaan. Dergelijke situaties zijn in Nederland uiterst zeldzaam maar ze komen in vergelijkbare gebieden voor. Zo wordt in de Langstraat, evenals de Binnenpolder in de „Naad van Brabant‟ gelegen, een kalkmoeras aangetroffen (Natura 2000, 2006). Conclusie Na de ontginning van de Binnenpolder is er veel veranderd ten opzichte van de natuurlijke situatie. De waterhuishouding en de chemische eigenschappen van water en de bodem zijn veranderd. De polder is nu nog erg nat maar aan de hand van een vergelijking tussen plantensoorten, die werden waargenomen in 1945 en 2011, lijkt een beeld naar voren te komen dat de polder nu iets droger is dan in 1945. Door de vele diepe sloten die door het gebied lopen wordt regenwater versneld afgevoerd en treedt de kwel voornamelijk uit langs de randen van de percelen. Hierdoor neemt de invloed van kwel in het centrum van de percelen af en is hier sprake van een lichte verdroging. Deze vergelijkingen laten verder zien dat het percentage stikstof in de bodem is toegenomen. Dit lijkt aannemelijk aangezien de Binnenpolder jaren lang werd bemest. De waterstand in de polder is gedurende de tijd verder verlaagd om de maaivelddaling te compenseren.

___________________________________________________________________________________________________________

20


4

Ecologische analyse

4.1

Systeemanalyse

Alle percelen hebben in het verleden een agrarische bestemming gehad. De lagere delen van de polder bestonden vooral uit intensief bemeste graslanden met op de hogere zandgronden maïsvelden. Op oude kaarten is goed te zien dat in de natste gedeelten van de polder een dichter slotenpatroon aanwezig was dan vandaag de dag. Dit wijst er op dat de Binnenpolder in het verleden natter is geweest en dit blijkt ook uit oude bodemkaarten uit 1965 waar nog Gt I op voorkomt. Door de intensieve landbouw zijn de percelen rijk aan mineralen. Dit is aan de randen op het zand erger dan in het centrale deel waar de percelen schraler zijn. De Binnenpolder was van oudsher een slecht afwaterend, moeilijk toegankelijk gebied. Doordat het gebied omsloten is door hogere gronden kon het water dat toestroomde van deze dekzandruggen moeilijk weg. Dit lokaal toestromende water was zwak gebufferd maar deels ook met kalk verrijkt door kalkhoudende rivierafzettingen. Dit blijkt ook uit het voorkomen van grote oppervlakten van de Galigaangemeenschap. In het centrale deel van de Binnenpolder vond uittreding plaats van basenrijke diepe kwel uit een groter systeem. Het uittredende water stroomde door een kreek in noordwestelijke richting de Binnenpolder uit. Er waren in het noordelijke deel van de polder een aantal ondiepe plassen waar alle stadia van verlanding in voorkwamen. Op plaatsen waar de doorstroom en het waterpeil hoog waren trad waarschijnlijk minder kwel op. Door de grote afwisseling in het gebied kwamen er regenwaterlenzen voor op de geïsoleerde delen en neutrale plekken met kwel, afgewisseld met meer zuurminnende moerasvegetatie zoals veenmosbegroeiingen (Jalink, 1995). Grote gedeelten van de Binnenpolder werden ingenomen door broekbossen. In het oostelijke deel waren dit vooral Elzenbroekbossen. Het westelijke deel werd gedomineerd door Berkenwilgenbroekbos, afgewisseld door grote velden van de Galigaangemeenschap. Verspreid over het gebied kwamen blauwgraslanden voor, deze werden in droge zomers gebruikt als hooiland. In de winter werden vegetaties van Mattenbies en Riet gemaaid (Van Groenewoud, 1950). Uit het rapport „De Zeggen‟ van de heer van Groenewoud blijkt verder dat er in de winter Mattenbies en Riet werd gemaaid. Dit maaien had waarschijnlijk geen schadelijke gevolgen en zorgde er juist voor dat de successie werd geremd. Een ingreep die veel meer impact had, was het wegbranden van droog en oud plantenmateriaal; dit zorgt voor een versnelde verrijking van de bodem met mineralen. Er werden van oudsher bomen gekapt voor brandhout ook al was dit eigenlijk niet toegestaan. Na de Tweede Wereld oorlog waren bijna alle volwassen bomen gebruikt als brandhout en bleef er een open gebied over (Groenewoud, 1950). Door het latere gebruik van de percelen door extensieve landbouw is de bodem sterk eutroof. Het veen is op veel plaatsen bezand en sterk veraard. Door de veraarding is de bodem compacter geworden wat er voor zorgt dat regenwater stagneert en kwel wordt belemmerd. Op enkele percelen heersen hierdoor echter wel voedselarme omstandigheden doordat er regenwater wordt vastgehouden. Ook zijn er in de slootkanten nog voedselarme omstandigheden te vinden door het hier uittredende kwelwater. Door deze kwel zijn de sloten in het lage deel van de polder nog steeds sterk gebufferd.

___________________________________________________________________________________________________________

21


4.2

Vegetatie analyse

Doel van het literatuuronderzoek was om een historische gebiedsbeschrijving op te kunnen stellen. Hiervoor zijn oude onderzoeken en vegetatiekaarten gebruikt. In combinatie met de vegetatieopnamen kon zo gereconstrueerd worden hoe de vegetatie van de Binnenpolder er voor de ontginning uitzag. Hieronder ( fig. 10) is van een deel van de Binnenpolder de vegetatiekaart te zien. Deze laat de belangrijkste vegetatietypes zien zoals deze in de Binnenpolder voorkwamen in de periode rond 1944 (bijlage 4).

Figuur 10: Vegetatiekaart Binnepolder Terheijden, 1945. Bron: Herman van Groenewoud.

Door deze oude vegetatiekaart te vergelijken met hedendaagse kaarten, is duidelijk te zien dat de verkaveling en de vegetatie van de Binnenpolder sinds de jaren 1940 drastisch zijn veranderd. De enige elementen die nu nog te herkennen zijn, zijn de eendenkooi en de wegen de Schimmer en de Ruitervaart. Binnen het gebied kwamen alle stadia van successie voor, van open water tot broekbos. Daarnaast waren er uitgestrekte velden met Galigaan- en Rietgemeenschap. Kleinere oppervlakten werden ingenomen door de Draadzegge- en de Mattenbies-Rietgemeenschap. Verspreid over het gebied kwamen op de drogere gedeelten ook Blauwgraslanden in combinatie met de Pijpenstrootjesgemeenschap voor. In het zuidelijke deel van de polder waren ook een aantal Gagelstruwelen te vinden. Het grootste hiervan had een oppervlakte van meer dan 3 hectare. Op sommige plaatsen zijn de oude nu met broekbos begroeide legakkers nog zichtbaar. Veel van de vegetatietypen kunnen worden gezien als een stadium in de successie (verlanding) van open water (zie 4.2.1.).

___________________________________________________________________________________________________________

22


4.2.1 Successie In deze subparagraaf worden de belangrijkste successiestadia van de Binnenpolder besproken, die in de jaren 1940 voorkwamen. Daarbij is de richting van de successie – van open water tot broekbos – bepalend voor de volgorde waarin de successiestadia worden besproken. Open watervegetatie De successie van open water begon in de Binnenpolder door Krabbenscheer, Witte waterlelie en Kranswieren waaronder kransblad. Waar het water voedselrijker was namen de Riet- en Galigaangemeenschap het als eerste over. In kleinere wateroppervlaktes zoals greppels en sloten, waar er sprak was van stilstaand water en lagere zuurstofconcentraties kwam de Krabbenscheerassociatie voor. Dit water had hoge concentraties aan Waterstofsulfide en een nutriëntrijke sliblaag. Plaatsen met meer stroming bleven vrij van Krabbenscheer. Ook blijkt uit het rapport van van Groenewoud dat de Associatie van Naaldwaterbies in greppels van de Binnenpolder voorkwam. In deze associatie kwamen onder andere Grote waterweegbree, Pijlkruid en Knolrus voor. Verder kwamen diverse Fonteinkruid gemeenschappen voor met onder andere; Watergentiaan, Waterviolier, Gele plomp, Kranswieren, Plat-, Glanzig-, Drijvend- en Schedefonteinkruid. De waterkwaliteit varieerde binnen het gebied van matig eutroof tot eutroof; dit werd veroorzaakt door het voorkomen van regenwaterlenzen en verschillende soorten kwel die uittraden. Moeras- en oevervegetatie De meest voorkomende vegetatie die langs de randen van het water zorgde voor de verlanding was de Galigaangemeenschap. Deze gemeenschap heeft als voorstadium de Associatie van Ongelijkbladig fonteinkruid en de Associatie van Witte waterlelie en Gele plomp, die in open water voorkomt. Galigaan vermeerdert zich voornamelijk vegetatief maar kan zich ook door middel van zaden vermeerderen. Galigaan heeft een voorkeur voor zuurstofrijk water maar kwam in de Binnenpolder in uitgestrekte dichte velden voor waar bijna geen stroming was. Een belangrijke voorwaarde voor Galigaan is het optreden van basenrijke kwel op of bij de groeiplaats. Ook is Galigaan gevoelig voor eutrofiering van de bodem. Wanneer eutrofiering optreedt neemt de Rietassociatie het over in de successie. Galigaanmoeras is een vegetatietype dat verspreid over Nederland voorkomt, de totale oppervlakte bedraagt naar schatting enkele honderden hectaren. Op de hogere zandgronden wordt het type onder meer verspreid over geheel Noord Brabant aangetroffen, maar doorgaans slechts kleine oppervlakten. Nadat Galigaan zich heeft gevestigd nemen soorten uit meer gevorderde stadia van de verlanding het over, zoals Moerasvaren en Boswilg. Op minder eutrofe plaatsen verliep de successie via de Associatie van Fonteinkruiden. Aan de randen van deze associatie vormden zich in het open water Waterleliegordels in combinatie met Gele plomp en Drijvend fonteinkruid. Na ophoging van de bodem door de grote bladproductie van de Galigaangemeenschap nam op deze plaatsen de Mattenbies-Riet associatie het over. Op plekken met minder open water maar waar wel wellen aanwezig waren vormde Hoge cyperzegge samen met Waterscheerling drijvende matten. Deze eilanden ontstonden op de drijvende wortels van Kleine lisdodde en Mattenbies. Geleidelijk aan groeiden deze eilandjes en kwamen er meer plantensoorten voor, zoals Stijve zegge, Wolfspoot en Watermunt. Een andere verlandingsgemeenschap die voor het gebied is beschreven is het Magnocaricion. Dit Europese verbond wordt tegenwoordig in Nederland in twee verbonden opgesplitst: Grote zeggen- gemeenschappen met Scherpe zegge en Oeverzegge en verlandingsgemeenschappen met Pluimzegge. In opnamen van deze associaties kwamen ook Snavelzegge, Gewone waterbies, Kleine lisdodde, Plat en Groot blaasjeskruid, Kikkerbeet en Draadzegge voor. ___________________________________________________________________________________________________________

23


De Associatie van Stijve zegge kwam maar op een paar plaatsen voor en bedekte slechts kleine oppervlakten. De Draadzeggegemeenschap bedekte echter grote gebieden en kwam voor in verschillende verlandingstadia zoals schraalgrasland en broekbos. Op de hogere en drogere stukken kwamen blauwgraslanden voor. Vooral in het zuidelijke deel van de Binnenpolder werden grote gebieden aangetroffen met Pijpenstrootje, Spaanse ruiter, Blauwe knoop, Blauwe zegge, Wilde bertram en Groenknolorchis. Deze blauwgraslanden werden opengehouden door ze te maaien en te gebruiken als hooiland. Dit zorgde er voor dat de successie naar broekbos werd tegengegaan. Aan de randen van deze blauwgraslanden kwam op verschillende plaatsen de Associatie van Moerasspirea en Valeriaan voor, met soorten als Echte valeriaan, Moerasspirea, Poelruit, Gewone engelwortel, Grote wederik en Veldlathyrus. De Mattenbies-Rietgemeenschap kwam verspreid over de Binnenpolder op een aantal plaatsen voor. Binnen deze gemeenschap waren een aantal kenmerkende soorten en vegetatietypen te herkennen. Zo werden grote velden bedekt met veenmos. Op sommige plaatsen vormde de Pijpenstrootjeassociatie pollen die uit het veenmos staken. Het veenmos was op sommige plaatsen zeer goed ontwikkeld zodat er sprake was van veenvorming. Het laagveen dat zich ontwikkelde hoorde waarschijnlijk bij de klasse van laagproductieve laagveengemeenschappen van kleine zeggen. Bij deze gemeenschap hoorden een aantal karakteristieke soorten zoals veenmossoorten, Draadzegge, Wateraardbei, Moerasviooltje, Gewone waternavel, Ronde zonnedauw en Rood viltmos. Door het uittreden van zeer basenrijke kwel in de Binnenpolder kwamen er ook een aantal zeer zeldzame basenminnende mossoorten voor: Trilveenveenmos en Wolfsklauwmos. Trilveenveenmos is de meest basenminnende soort onder de inlandse veenmossen. Dit mos komt of kwam in Nederland voor in slaapmosrijke trilvenen, basenrijke slenken in veenmosrietlanden of veenmosrijke trilvenen, hellingbronveentjes en schraallanden. Andere soorten veenmos die voorkwamen waren Zacht veenmos, Haakveenmos, Gewimperd veenmos Glanzend veenmos en Gewoon veenmos. De Veenmosorchis kwam op de wat zuurdere plaatsen in grote aantallen voor. Bos- en struweelvegetatie Op een aantal plaatsen werd de gemeenschap van Galigaan overgenomen door een gemeenschap met Wilde gagel als dominante soort. Wilde gagel was een sterke en dominante soort die snel de overhand nam. Deze associatie werd gevormd door Wilde gagel dominant in de struiklaag en veenmos, Gekruld sikmos en Puntmos in de moslaag. Op plaatsen waar de bodem droger is nam het Pijpenstrootje het over maar bleef de Wilde gagel intact. Als de successie zijn gang kan gaan komt er snel meer opslag van berk, els en wilg. Deze zorgden er voor dat er in grote gedeelten broekbossen ontstonden. In de meer eutrofe gebieden nam Els het geleidelijk over en vormde hier Elzenbroekbos. In de meer mesotrofe gebieden namen berk en wilg langzaam de dominante positie in en ontstond als eindstadium Berken-Wilgenbroekbos. Een aantal andere boom- en struiksoorten die binnen deze associatie voorkwamen waren Wilde lijsterbes, Gewone vlier, Zomereik, Es en populier.

___________________________________________________________________________________________________________

24


4.2.2 Vegetatietypen Uit de analysen van de opnamen van de heer J. van Engelen blijkt dat de plantengemeenschappen die in de Binnenpolder voorkwamen een voorkeur hadden voor natte tot zeer natte, mesotrofe tot matig eutrofe en kalkrijke, gebufferde standplaatsen. In enkele gevallen is er sprake van zure omstandigheden in opname met bijvoorbeeld veenmos en Zompzegge. Op matig natte plaatsen kwamen vegetaties, behorend tot de Veldrusassociatie en Blauwgraslanden voor. Wat opvalt is zijn de opnamen die kenmerkend zijn voor kalkrijke duinvalleien. Dit heeft waarschijnlijk als oorzaak het uittreden van baserijke kwel uit diepere lagen. Vegetatietypen als de Galigaanassociatie, Blauwgrasland en Elzenbronbos wijzen ook op de invloed van basenrijke kwel. Bijzondere gemeenschappen zoals Elzenbronbos en Moerasheide komen binnen de opnamen maar enkele keren voor. Waarschijnlijk waren dit typen die maar in kleine oppervlakten voorkwamen binnen de Binnenpolder. Het laat echter wel zien dat er een grote diversiteit in het gebied aanwezig was. Moerasheide ontstaat op plaatsen in het laagveengebied die boven het bereik van het grond- en oppervlaktewater komen te liggen. Op plekken op de overgang van de zandruggen naar het laagveen kon zich bronbos vormen, dat onder invloed van permanent uittredend basenrijk grondwater stond. Tabel 3 geeft een overzicht van de Plantengemeenschappen die volgens de Indica-analyse van vegetatieopnamen voorkwamen in de Binnenpolder . Voor een aantal van de opnamen gold dat ze overeenkomsten vertoonden met meerdere plantengemeenschappen. Tabel 3. Plantengemeenschappen die door middel van de Indica-analyse zijn bepaald. Per plantengemeenschap is aangegeven onder welk landschapstype deze vallen en hoe vaak deze voorkomt binnen de geanalyseerde opnames (n=65). Plantengemeenschappen Associatie van Waterscheerling en Hoge cyperzegge Associatie van Schorpioenmos en Ronde zegge Associatie van Grauwe wilg en Geoorde wilg Associatie van Sporkehout en Geoorde wilg Associatie van Moerasstruisgras en Zompzegge Veldrusassociatie Moerasvaren-Elzenbroek Associatie van Scherpe zegge Galigaanassociatie Moerraszegge en Tweerijigezegge Mattenbiesassociatie Blauwgrasland Associatie van Teer vederkruid Associatie van Ongelijkbladig fonteinkruid Zompzegge Berkenbroek Moerasheide Associatie van Knikkend tandzaad en Waterpeper Associatie van Stijve zegge Knopbiesassociatie Elzenbronbos en Goudveil Essenbos Draadgentiaanassociatie Grondsterassociatie Associatie van Klokjesgentiaan en Borstelgras Associatie van Gewonen dophei Associatie van Moeraswolfsklauw & Bruine snavelbies Associatie van Dophei en veenmos Associatie van Draadzegge Pluimzeggeassociatie

Landschapstype Duinvalleien kalkrijk (Waddendistrict) Laagveenmoerassen Laagveenmoerassen Laagveenmoerassen Beekdalen Beekdalen Laagveenmoerassen Boezemlanden Laagveenmoerassen Boezemlanden Laagveenmoerassen Beekdalen Vennen Vennen Laagveenmoerassen Laagveenmoerassen Vennen Vennen Duinvalleien kalkrijk (Renodunaal district) Beekdalen Vennen Vennen Vennen Vennen Vennen Vennen Vennen Vennen

___________________________________________________________________________________________________________

Aantal 19 7 6 6 6 5 5 4 3 3 2 2 2 2 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 25


4.2.3 Vegetatiekaart Tijdens het literatuuronderzoek werd in eerste instantie alleen het archief van de ContactCommissie voor Natuur- en Landschapsbescherming gebruikt. Bij het originele rapport moet ook een vegetatiekaart hebben gezeten. Een dergelijke vegetatiekaart zou een duidelijk beeld geven van de ligging van de verschillende vegetatietypen in de Binnenpolder. Deze kaart is echter niet in het bezit van Staatsbosbeheer, en bleek eveneens niet in het oude archief van de Contact-Commissie in Amsterdam voor te komen. De in dit rapport opgenomen vegetatiekaart (bijlage 3 + 4) van de heer van Groenewoud hoort bij diens rapport â&#x20AC;&#x153;De Zeggeâ&#x20AC;? (Van Groenewoud, 1950) maar is opgesteld aan de hand van dezelfde vegetatieopnamen als het rapport van de ContactCommissie (Meltzer, 1947).. Voor een goede interpretatie van de vegetatiekaart moesten de plantengemeenschappen omgezet worden naar de hedendaagse benamingen. Hiervoor is gebruik gemaakt van het overzicht de plantengemeenschappen in Nederland, door Westhof (1946). Tabel 4 geeft een overzicht van de gemeenschappen en hun Nederlandse vertaling. De vetgedrukte gemeenschappen zijn deels consociaties, vermoedelijk uit de Scandinavische school, en konden niet herleid worden met de voorhanden zijnde literatuur. De naar het Nederlands vertaalde gemeenschappen uit tabel 4 zijn niet de huidige benamingen. Deze oude indeling kon niet vertaald worden doordat sommige gemeenschappen in de huidige indeling zijn opgesplitst. Uit beide benamingen van de niet vertaalde consociaties kan wel worden afgeleid dat er Riet voorkwam in combinatie met mossen. In de PP-consociatie kwam Riet voor in combinatie met haarmos, en in PD samen met sikkelmos. Een scan van de originele vegetatiekaart is vervolgens zodanig bewerkt dat elke plantengemeenschap ingekleurd kon worden, zodat er een duidelijk beeld ontstond van de ligging van de verschillende vegetatietypen (bijlage 4). Tabel 4: Plantengemeenschappen die voorkomen op de vegetatiekaart van Van Groenewoud, inclusief vertaling naar Nederlands.

Figuur 11: Detail van de originele vegetatiekaart van Van Groenewoud. ___________________________________________________________________________________________________________

26


Een vergelijking van de vegetatiekaart met recente kaarten van de Binnenpolder laat goed zien dat er tijdens en na de ontginning ingrijpende veranderingen hebben plaatsgevonden. Zo zijn er wegen aangelegd, sloten gegraven en is er aan de westkant een woonwijk (van Terheijden) gebouwd. Herkenningspunten in het gebied die hetzelfde zijn gebleven zijn de eendenkooi en de twee dijken de Schimmer en de Ruitervaart. Dit alles is ook duidelijk te zien op de oude luchtfoto`s in bijlage 6, waarop een duidelijk verschil zichtbaar is tussen de weilanden rondom de Binnenpolder en ruige begroeiing in het centrum van het gebied. Het gebied ten oosten van de eendenkooi en de Schimmer is bij de vegetatiekartering niet onderzocht en blijft hierdoor wit op de vegetatiekaart. Dit gebied, waar in 2007 ook herstelmaatregelen zijn uitgevoerd, hoorde in de jaren 1940 tot de nog niet ontgonnen terreinen. Op de luchtfoto`s is te zien dat hier eenzelfde soort begroeiing voorkwam als in de rest van het centrale gebied. Door de oude vegetatiekaart met behulp van georeferentie over de huidige topografische kaart heen te leggen kon worden bepaald hoe deze zich tot elkaar verhouden (Fig. 12). Daarbij wordt duidelijk dat het westelijke deel nu doorkruist wordt door de Wagenbergse Baan en dat er een deel is bebouwd (Terheijden). Aan de noordzijde op de hogere zandgronden schampt de A59 het gebied. De Schimmelseweg aan de zuidzijde doorsnijdt een klein, niet gekarteerd gebied. Het huidige, dichte slotenstelsel geeft de contouren van het oude natte gedeelte van de Binnenpolder aan (bijlage 5).

.

Figuur 12: Het resultaat van georeferentie van de huidige en de historische situatie.

___________________________________________________________________________________________________________

27


5

Conclusies en toekomstvisie

5.1 Conclusie Het onderzoek naar de historische inrichting van de Binnenpolder heeft veel nieuwe informatie opgeleverd uit onderzoeken van de jaren â&#x20AC;&#x17E;40. Zo zijn er naast een nieuw rapport en bijbehorend kaartmateriaal, ook verschillende beschrijvingen van het gebied gevonden. De gebiedsreconstructie laat zien dat er broekbossen, Rietlanden, open water en natte schraallanden voorkwamen in de Binnenpolder die het tot een gevarieerd gebied maakten. Door middel van de vegetatiekaart kon nu ook voor het eerst inzichtelijk worden gemaakt in welke verhoudingen bepaalde plantengemeenschappen voorkwamen. Ook kon nu de locatie van de verschillende gemeenschappen bepaald worden. Doordat deze locaties nu bekend zijn, kunnen herinrichtingmaatregelen doelgericht en met een grotere kans van slagen uitgevoerd worden. Uit de eerder al bekende beschrijvingen van de polder kwam een beeld naar voren van uitgestrekte Galigaan en Rietvelden. Uit de recent gevonden gegevens blijkt echter, dat het gebied veel gevarieerder geweest is met in grote delen broekbos en Gagelstruweel. Ook kwamen versprijd over het gebied enkele veenplassen en blauwgraslanden voor. De successie kon in het grootste gedeelte van het gebied zijn gang gaan. De plassen waren dicht begroeid met Krabbenscheer, Witte waterlelie, Gele plomp en kranswieren. Doordat het gebied slecht kon worden ontwaterd, traden er wisselende waterstanden op. Dit had als gevolg dat gedeelten gedurende natte perioden onder water liepen. Deze afwisseling van nat en droog was voor veel plantengemeenschappen echter geen probleem. Het is zelfs een voorwaarde om er voor te zorgen dat er verlandingsprocessen optreden en in stand worden gehouden. De variatie van waterpeil zorgde onder andere voor de remming van mosgroei en het ontstaan van drijftillen. Door de stijgende waterstand werden kraggen van de associatie van Waterscheerling en Hoge cyperzegge losgetrokken van de kant en de bodem, waardoor drijftillen ontstonden. De relatief hoge waterstand zorgde er voor dat de bodem volledig verzadigd was. De ligging van de polder zorgde er tevens voor dat grote hoeveelheden diepe en lokale kwel het maaiveld, of op zâ&#x20AC;&#x;n minste de wortelzone, bereikte. In de bodem aanwezige kalkrijke rivierafzettingen zorgden voor zeer basenrijke kwel door de hoge concentraties opgeloste kalk. Deze kalkrijke en tevens voedselarme kwelstroom zorgde er voor dat de Binnenpolder een bijzondere flora herbergde. Soorten die kenmerkend zijn voor deze diepe kwel waren onder andere Paddenrus, Galigaan, Groenknolorchis, Dotterbloem en verschillende soorten Blaasjes- en fonteinkruiden. Rondom de plassen lagen uitgestrekte Rietvelden. Grote oppervlakten werden ingenomen door de Galigaanassociatie, de Mattenbies-Rietassociatie en de Pluimzeggeassociatie. Deze gemeenschappen zijn kenmerkend voor matig eutrofe tot eutrofe, basische en zeer natte standplaatsen. Op plekken met zwak zure, mesotrofe eigenschappen kwamen soorten voor zoals Draadzegge, Ronde zegge, Holpijp, Melkeppe en Wateraardbei. Op plaatsen met een dominantie van veenmos waren de omstandigheden zuurder en kwamen er soorten voor als Moerasviooltje en de Veenmosorchis. Deze plantengemeenschappen zijn kenmerkend voor een matig voedselrijk moeras maar er was een groot verschil in trofiegraad en zuurgraad door verschillende kwelstromen en de invloed van regenwater.

___________________________________________________________________________________________________________

28


Verspreid over het gebied lagen Blauwgraslanden. In deze graslanden kwam veel Pijpenstrootje voor, wat duidt op zure omstandigheden. Zowel van de Blauwgraslanden als van de Rietvelden werden grote gedeelten gemaaid voor hooi en Riet. Toen deze vorm van beheer werd gestaakt, vond al snel opslag van struiken en bomen plaats. Wel werden er gedurende de winter stukken Rietland afgebrand om opslag tegen te gaan. Doordat in delen van de Binnenpolder zo goed als geen beheer werd uitgevoerd, kon de successie van het gebied zijn gang gaan. Dit zorgde er voor dat alles stadia van verlanding binnen de polder aanwezig waren van open water tot het eindstadium van broekbos. Op voedselrijke en drogere stukken konden Wilde gagel, Berk en Els dominant worden en vormde hier struwelen. In eutrofe gebieden nam Els het geleidelijk over en vormde hier elzenbroekbos. Bij meer mesotrofe omstandigheden vormde zich berken- wilgenbroekbos. Door het voorkomen van vrijwel alle mogelijke verlandingsstadia kwam er een grote variëteit in biotopen voor. Hierdoor kwam er een rijkdom aan soorten voor die scherp afstak tegen die van het omringende gebied. Het was een van de weinige gebieden in Noord-Brabant waar eutroof laagveen voorkwam. Op de naad van klei naar zandgrond die in het noodwesten van Brabant voorkomt, kwamen vroeger meer van dit soort veengebieden voor. Deze gebieden zijn echter allemaal (vrijwel) volledig in cultuur gebracht, wat er voor heeft gezorgd dat laagveenmoeras bijna niet meer voorkomt in dit deel van Noord-Brabant.

5.1

Toekomstvisie

De oude gegevens over de vroegere vegetatie van de Binnenpolder maken het mogelijk – en noodzakelijk - om de doelen op onderdelen bij te stellen, die Staatsbosbeheer voor dit gebied heeft geformuleerd. Ook werpen ze een nieuw licht op de resultaten, die in het verleden genomen herstelmaatregelen, tot dusverre hebben opgeleverd. Eerder werd al opgemerkt, dat in de nieuwe petgaten tot dusverre nog geen Gele plomp, Witte waterlelie of Krabbenscheer is verschenen. Met behulp van de oude vegetatiekaart kan worden opgespoord, of dergelijke vegetaties daar ter plaatse überhaupt wel ooit voorkwamen. Als ze daar vroeger groeiden, kan gericht worden gezocht naar oorzaken waarom ze niet zijn teruggekeerd. Een ander voorbeeld is te vinden op een terrein ten westen van de provinciale weg bij Terheijden, waarvan ongeveer 15 jaar geleden de voedselrijke bovenlaag is afgegraven. Daarop hebben zich vele Rode Lijstsoorten gevestigd, waaronder Galigaan. Tijdens een excursie van de Plantensociologische Kring Nederland (P.K.N.) op 8 juli 2011 bleek daar ook de in Nederland uiterst zeldzame Veenzegge aanwezig te zijn. Deze soort heeft zich pas een aantal jaren geleden in Nederland gevestigd, in de Kathagerbeemden in ZuidLimburg. Tijdens de excursie, waaraan zowel door de samensteller van dit rapport als door de eerste 2 begeleiders van Staatsbosbeheer werd deelgenomen, werd druk gediscussieerd over de „natuurlijkheid‟ van de vestiging van deze „Zuid-Limburgse‟ soort in de Binnenpolder. Uit de oude vegetatieopnamen, die voor dit onderzoek werden bestudeerd, blijkt echter dat de Veenzegge qua standplaatseisen niet zoveel verschilt van Trilveenveenmos, dat vroeger in de Binnenpolder voorkwam. Dit duidt er op, dat de Veenzegge een soort is die dankzij de hoge kalkrijkdom van (een deel van) de kwel van nature prima thuishoort in de Binnenpolder. ___________________________________________________________________________________________________________

29


Door de ontginning van de Binnenpolder is de bijzondere flora, die in het verleden voorkwam, verloren gegaan. Reeds uitgevoerde herstelprojecten in de Binnenpolder en in vergelijkbare gebieden, zoals het nabijgelegen natuurgebied de Langstraat, laten zien dat natuurherstel mogelijk is. Ook uit andere streken in Nederland komen signalen, dat de mogelijkheden om in ontgonnen gebieden de authentieke en nu vaak zeldzame vegetatie terug te brengen positief zijn (Bijlsma et al, 2011). Door ontwatering van de Binnenpolder stopte de veenvorming en onderging de bodem grote veranderingen. Door verdichting en afbraak van het veen is de bodem van de Binnenpolder zeer sterk gedaald en veraard. Deze processen zorgen voor een afname van het doorlaatvermogen voor grondwater. Doordat het veen zijn waterabsorberende eigenschappen verliest en grondwater minder goed doordringt, is het gebied gevoeliger voor fluctuaties van de grondwaterstand en droogte geworden. Dit zorgt tevens voor stagnatie van regenwater op maaiveld, wat er toe leidt dat de invloed van kwel nog verder afneemt en de invloed van regenwater toeneemt. Om de oorspronkelijke vegetatie terug te kunnen brengen in de Binnenpolder zal de eutrofe en veraarde toplaag verwijderd moeten worden. Hierdoor ontstaat een mesotroof milieu en een gunstigere waterhuishouding met verminderde invloed van regenwater, hogere grondwaterstanden en een grotere invloed van kwel. Een belangrijke voorwaarde voor een goed herstel is de aanwezigheid van een kwelstroom van nutriëntarme kwel. De kansen voor de Binnenpolder op een voldoende grote kwelstroom lijken positief. De huidige situatie laat zien dat er nog steeds sprake is van een kwel, die nu echter voornamelijk uittreedt in slootkanten. Naast het verwijderen van de verdichte toplaag lijkt het daarom nootzakelijk om een gedeelte van de sloten te dempen. Door de invloed van de diep ingesneden sloten weg te nemen en er voor te zorgen dat kwelwater minder snel afstroomt, wordt de invloed van kwel in het centrum van de percelen vergroot. Moerasvegetatie herstelt zich snel na vernatting, wanneer min of meer stabiele waterstanden rond maaiveld worden gerealiseerd. Er is echter een kans dat er interne eutrofiëring optreedt wanneer het gebied permanent vernat wordt. Door het uittreden van (matig) hard kwelwater in de Binnenpolder zal de afbraak van organisch materiaal bevorderd worden door de hoge pH. Dit proces kan tegengegaan worden door de binding van anorganisch fosfaat aan ijzer afkomstig uit kwelwater waarna het moeilijk opneembaar wordt. Hiermee wordt interne eutrofiëring na vernatting voorkomen (Bloemendaal & Roelofs, 1988). Uit analyse van de waterkwaliteit blijkt echter dat het water in de Binnenpolder weinig ijzer bevat. Waarschijnlijk bevat de kwel die uittreedt meer ijzer maar wordt dit vastgelegd in de vorm van ijzerfosfaat. Wanneer het gebied vernat wordt moet er daarom voor gezorgd worden dat op plekken boven de waterspiegel de gehele verrijkte toplaag wordt verwijderd om eutrofiëring tegen te gaan. Deze vorm van eutrofiëring kan ook onder water optreden bij graaf- en baggerwerk. Hier wordt eutrofiëring na verloop van tijd echter geremd door de vorming van een sliblaag, die afbraak van het eronder gelegen veen tegengaat. Naast ingrepen in de waterhuishouding zal er ook een vorm van beheer uitgevoerd moeten worden om de resterende nutriënten uit het gebied te verwijderen. Veenbodems zijn echter erg rijk aan nutriënten en beheer in de vorm van maaien en afvoeren zal hierdoor vele jaren moeten worden volgehouden. Vooral in het centrum van de Binnenpolder is nog een dikke veenlaag aanwezig waardoor verschraling in dit gebied moeilijk zal zijn. Dit in tegenstelling tot de flanken waar de veraarde veenlaag dunner.

___________________________________________________________________________________________________________

30


Een eutroof milieu hoeft echter geen probleem op te leveren. Veel van de oude vegetatietypen die voorkomen op de vegetatiekaart zijn kenmerkend voor een eutroof milieu. Gedeeltes van de polder die voedselrijker waren, werden ingenomen door vegetatietypes zoals Galigaanmoeras, broekbossen en Mattenbies-Rietvelden. Voor deze vegetatietypes is - althans op korte termijn - nagenoeg geen beheer nodig. Zo kan bijvoorbeeld in gedeelten van de polder gekozen worden voor Dotterbloemhooilanden. In het centrale deel van de polder met zijn voedselrijke, veraarde veenbodem, sluiten deze hooilanden veel beter aan bij de historische vegetatie dan de veel minder productieve Blauwgraslanden. De oude vegetatiegegevens kunnen worden gebruikt om de meest kansrijke locaties voor herstelbeheer op te sporen en juist op die locaties gericht maatregelen uit te voeren. Daardoor kan de kans op succes vermoedelijk worden vergroot. Wanneer Staatsbosbeheer bijvoorbeeld Galigaanmoerassen wil herstellen, dan is de kans op succes het grootst wanneer de voedselrijke bovengrond wordt verwijderd, van percelen die vallen binnen de vroegere verspreiding van de Galigaanmoerassen. Deze moerassen komen voor op de vegetatiekaart uit de jaren 1940. Met behulp van deze kaart kunnnen zo de beste locaties voor herstelmaatregelem bepaald worden. Op de kaart komen vegetatietypen voor, waar tot dusverre bij de uitgevoerde herstelprojecten vermoedelijk nog helemaal niet aan gedacht werd, zoals Gagelstruwelen of Berken-Wilgenbroekbossen. Dit kunnen in de toekomst alsnog belangrijke doeltypen worden, omdat ze weinig beheerskosten met zich meebrengen.

Figuur 13: Afgeplagd perceel in de Binnenpolder van Terheijden. PKN excursie 08-07-2011. Bron: A. van den Akker.

___________________________________________________________________________________________________________

31


6

Literatuur

Berendsen, H.J.A. (2005). Landschap in delen. Overzicht van de geofactoren. Assen: Van Gorcum, ISBN 90 232 4149 5. Berendsen, H.J.A. (2005). Landschappelijk Nederland. De fysisch-geografische regio's. Assen: Van Gorcum, ISBN 90 232 41487. Bijlsma, R.J., A.J.M. Jansen, J. Limpens, M.F. Wallis de Vries & J.P.M. Witte (2011). Hoogveen en klimaatverandering in Nederland. Wageningen: Alterra. Bobbink, R., M. van Hart, M. van Kempen, F. Smolders & J. Roelofs (2007). Grondwaterkwaliteitsaspecten bij vernatting van verdroogde natte natuurparels in Noord-Brabant. Nijmegen: B-WARE Research Centre. Bonte, A. & M. Pikkemaat (2009). Beheerplan Natura 2000 De Langstraat. ‟s-Hertogenbosch: Provincie Noord-Brabant. Bloemendaal, F.H.J.L. & J.G.M. Roelofs (1988) Waterplanten en waterkwaliteit. Utrecht: Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, ISBN 90 5011 0142 Daru-Schoemann, M. (1994) Cutuurhistorische inventarisatie Noord-Brabant, gemeente Terheijden. ‟s-Hertogenbosch: Provincie NoordBrabant. Groenewoud, H. van (1950). De Zegge, an ecological and plantsociological study. Saskatoon, Canada. Haartsen, A. (2009) Ontgonnen Verleden Regiobeschrijvingen provincie Noord-Brabant. Ede: Directie Kennis. Harmsen, G. (1947). Verslag over de Binnenpolder ten noorden van de gemeenten Terheijden (N.Br.). Staatsbosbeheer NWA. Heimans, J. et al (1943). Geïllustreerde flora van Nederland 14e druk. Amsterdam: uitgeverij Versluys. Hennekens, S.M., J.H.J. Schaminée, A.H.F. Stortelder, R.W. de Waal & E.J. Weeda (2002). Synbiosys. Kennissysteem vegetatie voor natuurbeheer, natuurbeleid en natuurontwikkeling. CD-ROM. Wageningen: Alterra. Hennekens, S.M., N.A.C. Smits & J.H.J. Schaminée (2010). SynBioSys Nederland versie 2. Wageningen, Alterra UR. Jalink, M.H., Aggenbach C.J.S., Schrama E.J. & W.J.M.K. Senden, (1995). Verdrogingsbestrijding en natuurherstel in de Binnenpolder van Terheijden en de Lage Vughtpolder. Fase 1: systeemanalyse; knelpunten en kansen. Nieuwegein: Kiwa. Jacob, J., Otten, H., van der Spek, T., (2001). Weer een eeuw, het weer in Nederland van 1900 tot 2000. Baarn: Tirion. ___________________________________________________________________________________________________________

32


Leenders, K.A.H.W., 1974. Nieuw licht op Terheijden`s historie, nr 27. Breda: Historische kring „De Oranjeboom‟. M.H. Jalink, C.J.S. Aggenbach, E.J. Schrama, W.J.M.K. Senden (1995). Verdrogingsbestrijding en natuurherstel in de Binnenpolder van Terheijden en de Lage Vughtpolder, Nieuwegein: Kiwa. Meertens, M.H., M.B. Siebum & J. Jansen (1992). Het opsporen en toegankelijk maken van oude vegetatie-opnamen in Nederland. Plantensociologische Kring Nederland. Meijer, W. & G.P.H. van Heusden (1949). Een chemisch-boranisch onderzoek van vennen en veenplassen. Gemeentewaterleiding Amsterdam, Hugo de Vrieslaboratorium, Universiteit van Amsterdam. Meltzer, J. (1947). De Binnenpolder bij Terheijden (N.B.). Bilthoven: Contact-Commissie voor Natuur- en Landschapsbescherming. Natura 2000 (2006). Gebiedendocument. Gebied 130, Langstraat. Wageningen: Alterra. Provincie Noord-Brabant (2007). Natuurgebiedsplan „West-Brabant‟. ‟s-Hertogenbosch: Provincie Noord-Brabant. Runhaar, J. & M.H. Jalink (2007). Overstroming en Natuur: een natuurlijk samengaan?. Nieuwegein: Werkgroep Waterberging en Natuur Noord-Brabant. Schaminée, J.H.J, et al. (1995). De vegetatie van Nederland. Deel 1. Inleiding tot de plantensociologie, grondslagen, methoden en toepassingen. Uppsala/Leiden: Opulus Press Staatsbosbeheer (2011). Over Staatsbosbeheer. Geraadpleegd op 24-01-2012, www.staatsbosbeheer.nl. Schaminée, J.H.J. (2006). Schatten voor de natuur. Wageningen: Alterra, Landelijke Vegetatie Databank. Tienhoven P.G. (1941). Jaarboek der Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland 1936 – 1940. Amsterdam. Westhoff, V., J.W. van Dijk & H. Passchier (1946). Overzicht der plantengemeenschappen in Nederland. Amsterdam: G. W. Breughel, uitgever.

___________________________________________________________________________________________________________

33


Bijlagen Bijlage 1 Overzicht van alle plantensoorten die voorkwamen in de gebruikte opnames uit het onderzoek van de Contact-Commissie voor Natuur- en Landschapsbescherming (Meltzer, Jacques (1947). Acrocarpe mossen (overige) Alisma plantago-aquatica Alnus glutinosa Anthoxanthum odoratum Aulacomnium palustre Betula pubescens Betula species Bidens cernua Bidens tripartita Calamagrostis canescens Calamagrostis species Caltha palustris Calypogeia species Calystegia sepium Campylium species Cardamine species Carex disticha Carex echinata Carex lasiocarpa Carex nigra Carex nigra Carex panicea Carex paniculata Carex pseudocyperus Carex rostrata Carex species Chamerion angustifolium Chrysanthemum segetum Cicuta virosa Cirsium acaule Cirsium arvense Cirsium dissectum Cirsium palustre Cladium mariscus Drosera rotundifolia Dryopteris carthusiana + D. dilatata Dryopteris cristata Dryopteris filix-mas Epilobium palustre Equisetum fluviatile Equisetum palustre Equisetum species Erica species Erica tetralix Eriophorum species Eupatorium cannabinum Filipendula ulmaria Filipendula vulgaris Galium palustre Hammarbya paludosa

Hepaticae (overig) Hydrocharis morsus-ranae Hydrocotyle species Hydrocotyle vulgaris Hygrophorus mesotephrus Hypericum tetrapterum Hypnum species Iris pseudacorus Juncus acutiflorus Juncus articulatus Juncus subnodulosus Juncus tenageia Korstmossen (overige) Lemna minor Lemna species Lemna trisulca Liparis loeselii Luzula multiflora Lycopus europaeus Lysimachia species Lysimachia vulgaris Lythrum salicaria Lythrum species Mentha aquatica Menyanthes species Menyanthes trifoliata Molinia caerulea Molinia species Mossen (overige) Myosotis scorpioides Myrica gale Myriophyllum species Myriophyllum spicatum Nymphaea alba Oenanthe aquatica Osmunda regalis Pellia epiphylla Persicaria maculosa Peucedanum palustre Phragmites australis Phragmites australis Phragmites species Polystichum setiferum Polystichum species Polytrichum commune Potamogeton gramineus Potamogeton natans Potamogeton pusillus Potentilla erecta Potentilla palustris

Prunus padus Prunus serotina Quercus robur Ranunculus lingua Ranunculus sceleratus Rhamnus frangula Rhamnus frangula Rorippa austriaca Rubus caesius Rubus idaeus Rubus species Rumex acetosa Salix aurita Salix aurita x repens Salix caprea Salix repens Schoenoplectus lacustris Schoenoplectus lacustris ag. Scutellaria galericulata Solanum dulcamara Sorbus aucuparia Sparganium emersum Sparganium erectum s. erectum Sparganium natans Sparganium species Sphagnum fimbriatum Sphagnum species Sphagnum squarrosum Spirodela polyrhiza Stachys palustris Stratiotes aloides Symphytum officinale Thalictrum flavum Thelypteris palustris Thelypteris palustris Thymus serpyllum Typha angustifolia Utricularia intermedia Utricularia minor Utricularia vulgaris Valeriana dioica Viburnum opulus Viola palustris

Tabel . Lijst van alle Latijnse soortnamen uit het rapport van de Contact-commissie voor Natuur en Landschapsbescherming. ___________________________________________________________________________________________________________

34


Bijlage 2 Gebruikte vegetatieopnames uit het onderzoek van de Contact-commissie voor Natuur en Landschapsbescherming. Datum Opname Opp m2 Liparis loeselii Viola palustris Carex species Alnus glutinosa Comarum palustre Drosera rotundifolia Eupatorium cunnalium Cirtium angliea Hydrocotyle vulgaris Valiriaana dioica Lalize repens Hypericum tetrapterum Henyaanthes trifoliata Phrymites communis Sphagnum spiecies

2-7-44 1 0,40 11 12 11 r1 11 12 11 11 11 11 22 11 11 x1 54

Datum Opname Phragmites communis Carex rostrata Alnus glutinosa Comarum palustre Salix caprea Thypha angustifolia Calamagrostis lanceolata Rubus caesius Rymphaea alba Hydrocharis morsus ranae Filipendula ulmaria Peucedanum palustre Menyanthes trifoliata Stachys palustris Sparganium ramosum Ranunculus Lingua Alisma plantago genetica Potentilla palustris Stratiotes aloides Iris pseudacorus Cicuta virosa Mentha aquatica Juneus teutiflorus Eguisetym limosum Carex paniculatum Eupatorium cannabinum Caltha palustris

3-9-44 2 55 44 R1 12 R2 21 X1 R1 R1 23 R1 R1 X1 11 X1 11 R1

3 32 24

4 12 45

11

R1

5 12 12 R1 34

6 55 12

7 11 R1 R1 R1 R1

8 53 R1 11

11 R1

R1

12

R1

11

11 R1 23

23 11 R1 +1 R1 R1 11

11 45 12 R1

11 R1 R1

R1 12

R2

R1 R1

12 R1 R1

R1

R1 11 R1

___________________________________________________________________________________________________________

35


Datum Opname Opp m2 Viburnum opalus Prunus padus Alnus glutinosa Rubus caesius Rubus idaeus Salix caprea Salix aurita Sorbus aucuparia Prunus serotina Myrica gale Carex paniculata Equisetum limosum Phragmites communis Solanum dulcamara Polystichum setiferum Lythrum salicaria Polystichum filix mas Polystichum cristatum Lycopus europaeus Eupatorium cannabinum Sparganium ramosum Hydrocotyle Gmis Comarum palustre Mossensoorten Carex rostrata Carex pseudocyperus Hydrocharis morsus ranae Peucedanum palustre Lysimachia vulgaris Calamagrostis lanceolata Conovulus sepium Alisma plantago aqs Iris pseudacorus

2-6-45 9 25 R1 41 12 R1 X1 X1 R1

51 22 11 X1

10 20 R1 41 11 X1 X1 R1 R1 R1 41 X2 12 11 R1

X1 X1 R1 12 X2 X2 X1 23 X1 X2 X2 X1 X1 X1 11 R1

X1 R1 R2 R1 R1 X1 33 R1 X1 R2 X1 X1 X2 11 R1 R1

___________________________________________________________________________________________________________

36


Datum Opname Opp m2 Molinia caerulea Carex panicea Phragmites communis Sphagnum Myrica gale Cirsium anglicum Equisetum palustre Potentilla erecta Erica tetralix Peucedanum palustre Carex stellulata Anthoxanthum odoratum Convolvulus sepium Rumex acetosa Cladium mariscus Salix repens Luzula multiflorum Viola palustris Menyanthes trifoliata Eriophorum polyotium Lythrum salicaria Juncus acutiflorus

2-6-45 11 50 55 X1 R1 R2 X2 X2 X1 X1 X2 X1 X1 X1 X1 X1 X2 X1 X1 X1 X1 X1 X1 12

Datum Opname Opp m2 Alnus glutinosa Solanum dulcamara Calamagrostis lanceolata Lycopus europaeus Carex godenooghii Chrysanthemum segetum Galium palustre Lysimachia vulgaris Phragmites communis Equisetum limosum Hydrocotyle vulgaris Oenanthe aquatica Viola palustris Cirsium anglicum Cirsium palustre Bidens tripartita Bidens cernua Mentha aquatica Nasturtium amphibium Polygonum persicaria Rubus caesius Salis caprea Ranumculus sceleratus Lythrum salicaria

11-7-45 12 25 32 X1 12 X1 X1 X1 X1 X1 12 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1

___________________________________________________________________________________________________________

37


Datum Opname Opp m2 Spagnum Comarum palustre Phragmites comm Lythium salicaria Eupatorium cannabinum Hydrocotyle vulgaris Peucedanum palustre Calamagrostislane Carex lasiocarpa Cirsium anglicum Salix repens Galium palustre Viola palustris Betula Drosera rotundifolia Erica tetralix Carex pseudocyperus Frangula alnus Quercus robur Lysimachia vulgaris Dryopteris cristata

10-6-45 13 10 54 12 12 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1 12 X1 23 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1

15-7-45 14 5 44 X1 X1 X1 X1 X1 X1 22

X1 X1 22

X1

___________________________________________________________________________________________________________

38


Datum Opname Opp m2 Molinia caerulea Thalictrum flavum Rubus caesius Phragmites comm Comarum palustre Potentilla erecta Eupatorium cannabinum Lythrum salicaria Hydrocotyle vulgaris Salix repens Carex panicea Viola palustris Salix aurita Salix caprea Lysimachia vulgaris frangula alnus Thelypteris palustris Menyanthes trifoliata Cladium mariscus Alnus glutinosa Dryopteris filix-mas Drosera rotundifolia Symphytum officinale Convolvulus sepium Galigaan Cirsium anglicum Myrica gale Carex vulgaris Dryopteris thelypteris Galium palustre Peucedanum palustre Sorbus aucuparia Filipendula ulmaria Calamagrostis canescens Sphagnum

10-6-45 15 60 55 X1 X1 X2

Datum 0pname Opp m2 Polytrichum Peucedanum palustre Hydrocotyle vulgaris Lysimachia vulgaris Phragmites australis Lythrum salicaria Galium pal Sphagnum

10-6-45 22 1 55 X1 12 X1 X2 X1 X1 13

X1 1 X1 X1

16 20 55 X1 X1 X1

17 10 55 X1 X1 X1

X1

X1

X1 X1

X1

X1 X2 X1 X1

19 50 X1 X1 X1

X1

X1

X1 X1

18 10 45

X1 X1

X1 X2

X1 X1 X1 X1 X1

X1 X1

X1

8-7-45 20 5

21

22

12

X1 X1 X1

X1 X2 X1

X1 X1 X1

X1 X1

X1

X1

12 X1

32 X1 X1

X1

X1

X1 X1 X1 X1

X1

X1

X1

X1 X1

X1 X1 X1

X1

X1 X1 X1 X2

X1

X2

X1 X2

X1 X1

X1

X1 12 23

55 X1

X1 X1 X1

X1

22 13

43

___________________________________________________________________________________________________________

39


Datum opname Opp m2 molinia caerulea Calamagrostis Phragmites comm Viola palustris Lythrum salicaria Galium pal Carex panicea Circium anglicum frangula alnus Lysimachia vulgaris Equisetum limosum Salix repens Potentilla erecta Mossen Betula pubescens Hydrocotyle vulgaris Salix caprea Myrica gale Lycopus europaeus

17-6-45 23 5 55 12 12 X1 X1 X1 X2 X1 X1 X1 X1 X1 X1

Datum Opname Opp m2 Erica tetralix Phragmites communis Epilobium angustifolium Molinia caerulea Calamagrostislaneed Mossen (geen sphagnum)

17-6-45 25 10 43 12 X1 X1 X1 23

Datum Opname Opp m2 Phragmites Mossen Myrica gale Betula pubescens Rhamnus frangula Molinia caerulea

17-6-45 26 20 12 12 12 X1 X1 21

24 10 43 11 X1

X1 13 X1 X1 X1 X1 X1

___________________________________________________________________________________________________________

40


Datum Opname Opp m2 Cladium mariscus Phragmites dryopteris thelypteris Galium palustre Lysimachia vulgaris Lycopus europaeus Mentha aquatica Comarum palustre Carex lasiocarpa Peucedanum palustre Salix aurita Utricularia intermedia Korstmossen Bladmossen Hydrocotyle vulgaris epilobium Dryopteris carthusiana Molinia caerulea Calamagrostis canescens Osmunda regalis Betula Alnus glutinosa Myrica gale Thalictrum flavum

15-7-45 27 20 22 22 12 X1 X1 X1 X1 X1 12 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1

Datum Opname Opp m2 Carex lasiocarpa Menyanthes trifoliata Phragmites comm Thelyoteris palustris Peucedanum palustre Galium palustre Lysimachia vulgaris Carex rostrata Mentha aquatica Comarum palustre Carex vulg Korstmossen Bladmossen

17-6-45 31 8 23 23 12 X2 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1

28 10 X1 12

X1

29 50 X1 X1 X1 X1 X1 X1

X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1

12 12 X1 X1

X1 X1 22

30 6 22 22 X1

X1

12 X1 X1 X1 X1

33

X1 12 X1

___________________________________________________________________________________________________________

41


Datum Opname Opp m2 Osmunda regalis Myrica gale Phragmites c Peucedanum palustre Carex lasiocarpa Betula pubescens Potentilla tormentilla Hydrocotyle vulgaris Carex pseudocyperus Calamagrostis lanceolata Menyanthes trifoliata Lythrum salicaria Drosera rotundifolia Mossen Salix repens spagnum Polystichum Cladium mariscus Alnus glutinosa Rhamnus frangula Lysimachia vulgaris Eupatorium cannabinum Comarum palustre

15-7-45 32 8 X1 31 11 X1 X1 X1 X1 X1 X1 12 X1 X1

Datum Opname Opp m2 Phragmites australis Cladium mariscus Lythrum salicaria Peucedanum palustre Betula pubescens Salix caprea Myrica gale Calamagrostis lane Hydrocotyle vulgaris Viola palustris Drosera rotundifolia Hammarbya paludosa Polytrichum spec Sphagnum spp Comarum palustre Erica tetralix Mentha aquatica Rubus caesius Eupatorium cannabinum Levermossen

24-6-45 35 200 12 X1 X1 X1 X1 X1 X1 13 12 12 X1 X1 12 12 X1 X1 X1 X1 X1 X1

11 X1 13

33 50

34 5

43 X1 X1

X1 X1

X1

X1

X1

X1

22

22

X1

X1 22

X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1

X1 X1

X1 X1

___________________________________________________________________________________________________________

42


Datum Opname Opp m2 Phragmites australis Scirpus lacustris Typha angustifolia Carex rostrata Utricularia intermedia Utricularia vulgaris Hydrocharis morsus-ranae Nymphaea alba Utricularia minor Carex lasiocarpa Cladium mariscus Sparganium simplex Carex pseudocyperus Thelypteris palustris Myriophyllum spicatum Lemna trisulca Lycopus europaeus Lemna minor Potamogeton gramineus

8-7-45 36 2 34 X1 X1 22 X1 X1 X1 X1 X1 12

Datum Opname Opp m2 Nymphaea alba Carex lasiocarpa Phragmites comm Potamogeton gramineus Scirpus lacustris Utricularia vulgaris Potamogeton natans Typha angustifolia Carex rostrata Haakjes mos Mossen Utricularia intermedia Hydrocharis morsus-ranae

8-7-45 43 10 33 X1 X1 X1 X1 X1 X1

37 25 12 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1 22 X1 X1 X1

38 25 32 X1 12

39 25 12

40 10 22 X1 X1

41 10 X1 54 X1

42 10 X1 X1 43

X1 X1 33 X1 X1

12 X1 12 23 X1

X1 X1 X1 33 X1 X1

12

X1 12 12 X1 23

22

X1

X1

X1 X1 X1 X1

44 15 12 X1 X1 X1

45 5 X1 43 22 X1

X1 44 X1 12 X2 X2 X1

46 4 X1 33 12 X1 X1 X1 X1

13 12

___________________________________________________________________________________________________________

43


Datum Opname Opp m2 Phragmites australis Typha angustifolia Scirpus lacustris Salix caprea Carex pseudocyperus Calamagrostis lan Carex rostrata Lythrum salicaria Peucedanum palustre Comarum palustre Lycopus europaeus Nymphaea alba Hydrocharis morsus-ranae Utricularia minor Juncus articulatus Levermossen Mossen

8-7-45 47 1 22 X2 12 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1 22 12 X1 X1 X1

___________________________________________________________________________________________________________

44


Datum Opname Opp m2 Scirpus lacustris Phragmites australis Carex lasiocarpa Hydrocharis morsus-ranae Sparganium simplex Nymphaea alba Carex rostrata Carex pseudocyperus Alnus glutinosa Typha angustifolia Lemna minor Spirodela polyrhiza Potamogeton natans Potamogeton gramineus Potamogeton Minor Utricularia intermedia Utricularia vulgaris Lycopus europaeus Lythrum salicaria Juncus subnodulosus Comarum palustre Thelypteris palustris Klauwtjesmos Cladium mariscus Lemna trisulca Menyanthes Myriophyllum spicatum Sterremos Peucedanum palustre Salix Equisetum fluviatile

5-8-45 48 30 22 22 32 X1 X1 X1 X1 X2 X1 X1 X1 X1

Datum Opname Opp m2 Carex pseudocyperus Carex paniculata Eupatorium cannabinum Hypericum tetrapterum Typha angustifolia Lycopus europaeus Peucedanum palustre Scutellaria galericulata Ranunculus lingua Lythrum salicaria Juncus subnodulosus

2-9-46 58 4 54 X1 X1 X1 X1 X1 X1 12 X1 X1 X2

49 100 X1 22 44 X1

50 80

51 300

X1

X1

X1 X1

32

44

52 100 X1 22

53 33 X1

54 X1 X1

X1

X1

X1

22

22

X1

X3 X1 X1

X1

X1

X1

X1

X1

X2 X1

X1 X1 X1 X1 X1

X1 X1 X1 X1

X1

X1

55 X1 X1 X2

X1

X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1 X1

X1

X1

___________________________________________________________________________________________________________

45


Opname Opp m2 Phragmites communis Tormentil Peucedanum palustre Rubus fruticosus Lythrum salicaria Drosera rotundifolia Hydrocotyle) Galium palustre Carex elata

64 3 X1 X1 X1 X1 X1 X1 22 X2 12

Opname Nymphaea alba Phragnites com Utricularia vulg Schoenoplectus lacustris Myriophyllum Equisetum Potamogeton gramineus

67 42 43 12 X1 X1 X1 12

Opname Carex pseudocyperus Typha angustifolia Epilobium palustre Carex disticha Myosotis scorpioides Lycopus europaeus Peucedanum palustre Mentha aquatica Campylium spe

68 43 22 12 X1 X1 X1 X1 X1 X1

Opname Stratiotes aloides Hydrocharis morsus-ranae Nymphaea alba Carex Pseudo Cyperus Equisetum limosum Sparganium minimum Lemna minor Phragmites comm

69 33 44 12 X1 X1 X1 X1 X1

Opname Carex pseudocyperus Cicuta virosa Sparganium ramosum Typha angustifolia Carex trieta Lycopus europaeus Cardanime Lemna

70 43 X1 22 33 X1 X2 X2 X2

___________________________________________________________________________________________________________

46


Opname Nymphaea alba Phragmites comm Typha angustifolia Schoenoplectus lacustris Potamogeton gramineus Potamogeton natans

71 32 22 X1 X1 12 12

Opname Hydrocharis morsus-ranae Spirodela polyrhiza Thymus angustifolia Equisetum Potamogeton natans Utricularia intermedia

72 33 X4 X1 X1 X1 X1

Opname Schoenoplectus lacustris Phragmites comm Typha angustifolia Hydrocharis morsus-ranae Nymphaea alba Potamogeton natans Sparganium minimum

73 55 X1 X1 43 X1 X1 X1

Opname Phragmites Molinia Calamagrostis lan Lysimalia vulg Hydrocotyl vulg Hammarbya paludosa Peucedanum palustre Comarum palustre Lycopus europaeus Galium pal Drosera rotundifolia Aulacomnium palustre Sphagnum fimbriatum Sphagnum squarrosum Polytrichum commune Pellia epiphylla Campylium spe Dophei Calypogeia

74 12 32 22 X1 12 X2 X1 X1 X1 X1 X2 X2 34 X1 X1 X1 X1 12 X1

___________________________________________________________________________________________________________

47


Opname Phragmites Calamagrostis lan Hydrocotyl vulg Lythrum salica Carex lasiocarpa Myrica gale Sphagnum finb Peucedanum palustre Aulacomnium palustre Lysimachia vulgaris Salix Sphagnum squarrosum Polytrichum commune Lycopus europaeus Erica tetralix Viola pal Alnus glutin Drosera rotundifolia Hygrophorus

75 11 23 12 X1 X1 X1 X2 X1 X2 X1 X2 X1 X1 X2 X1 X1 X1 X1 X1

___________________________________________________________________________________________________________

48


Bijlage 3 Vegetatiekaart uit het rapport De Zeggen van H. van Groenewoud.

___________________________________________________________________________________________________________

49


Bijlage 4 Ingekleurde vegetatiekaart uit het rapport â&#x20AC;&#x153;De Zeggenâ&#x20AC;? van H. van Groenewoud met vertaalde vegetatietype en georeferentie.

___________________________________________________________________________________________________________

50


Bijlage 5

___________________________________________________________________________________________________________

51


Bijlage 6 Luchtfoto`s van de Binnenpolder genomen door de RAF.

Luchtfoto genomen in 1944. Bron: archief heemkundekring De Vlasselt.

___________________________________________________________________________________________________________

52


Luchtfoto genomen omstreeks 1940. Bron: De Zegge, H. van Groenewoud.

___________________________________________________________________________________________________________

53


Bijlage 7 Tabel met analyseresultaten van peilbuizen in de Binnenpolder en van monsterpunt 72000 van waterschap Mark en Weerijs in de Mark (www.vmm.be). Datum

EGV

Analyseresultaten peilbuizen Na Fe NO2-N NH4-N

pH

Ca

Mg

K

6,23 6,16 6,33 6,08 6,70 6,46 5,89 6,38 5,86 6,16 6,43 6,69 6,25 5,89 7,61 7,06

39,20 26,90 105,89 42,06 62,12 76,05 50,28 62,17 22,32 55,09 91,88 66,90 48,54 21,26 66,41 74,12

15,47 15,23 25,07 17,63 18,65 24,00 9,44 8,91 7,38 5,02 22,26 14,19 15,65 5,53 12,42 11,22

14,99 5,29 12,56 18,94 30,87 5,40 5,34 8,02 5,35 7,61 24,97 12,44 11,50 1,97 5,28 5,12

23,49 0,309 0,0031 21,95 1,957 0,0013 52,68 0,288 0,0305 58,65 0,350 0,0048 29,55 1,943 0,0022 17,87 1,072 0,0036 14,08 0,306 0,0034 25,63 0,000 0,0039 14,79 0,113 0,0060 30,20 0,000 0,0042 32,80 1,960 0,0088 32,59 0,757 0,0058 50,53 3,421 0,0008 20,23 0,164 0,0032 26,49 1,225 0,0088 25,61 0,886 0,0067 Gemiddelde

6,39

56,95

14,25

10,98

29,82

mS/m 6-12-99 6-12-99 6-12-99 6-12-99 6-12-99 6-12-99 6-12-99 6-12-99 6-12-99 6-12-99 6-12-99 6-12-99 6-12-99 6-12-99 6-12-99 6-12-99 6-12-1999

48,50 40,80 98,90 66,10 68,60 64,20 42,50 51,90 25,90 38,20 88,40 61,60 58,60 26,20 56,40 56,70 55,84

SO4

Cl

78,9 104,5 387,5 1,3 0,6 44,2 82,6 100,8 2,1 47,1 58,8 166,0 82,7 41,1 103,0 98,7

46,4 36,2 44,1 64,1 66,4 27,4 39,8 61,7 27,6 33,6 62,4 61,8 31,7 24,8 52,2 52,1

87,5

45,8

mg/l

0,922

0,0061

2,33 0,13 1,88 2,48 1,11 0,44 0,42 0,17 0,05 0,04 5,06 0,18 0,68 0,07 1,03 1,63 1,11

HCO3

PO4-P

mmol/l

mg/l

2,60 1,10 2,25 5,00 5,45 6,15 2,02 2,15 1,88 1,35 7,65 1,75 4,30 1,30 2,90 3,05 3,18

0,277 0,012 0,029 0,114 0,016 0,019 0,026 0,119 0,041 0,113 0,076 0,023 0,105 0,011 0,028 0,023 0,065

NO3-N

0,030 0,120 1,340 0,030 0,050 0,020 0,020 0,010 0,260 15,800 0,050 0,020 0,010 0,020 0,040 0,010 1,114

Mark water Datum 24-7-1995

uS/cm 580

pH 7,5

mg/l 44

8,2

16

22

0,54

0,07

0,3

72

37

110

0,06

___________________________________________________________________________________________________________

2,6

54


Bijlage 8 Topografische kaart uit 1840.

1840, topografische kaart 44 Geertruidenberg. Schaal 1:50.000. Bron: kadaster.

___________________________________________________________________________________________________________

55


Bijlage 9 Topografische kaart uit 1911.

1911 topografische militaire kaart 604 Geertruidenberg. Schaal 1:25.000. Bron: kadaster.

___________________________________________________________________________________________________________

56


Bijlage 10 Topografische kaart uit 1935.

1935 Topografische kaart 44D Breda, Oosterhout. Schaal 1:25.000. Bron: kadaster.

___________________________________________________________________________________________________________

57


Binnenpolder Terheijden - Historische gebiedsbeschrijving