Page 1

Waarom betalen we belastingen? ABVV voorstellen voor een rechtvaardiger oVFDOLWHLW


Waarom betalen we belastingen? En de ABVV voorstellen voor een rechtvaardiger fiscaliteit


Deze brochure behandelt een reglementering die soms zeer complex is. Het is dan ook mogelijk dat een aantal specifieke gevallen niet aan bod komt. In geval van twijfel of voor bijkomende inlichtingen kunt u terecht bij uw beroepssecretaris of de juridische dienst van uw centrale.

MANNEN - VROUWEN Verwijzingen naar personen of functies (zoals ‘werknemer’, ‘adviseur’, …) hebben betrekking op vrouwen en mannen.


■ INHOUDSTAFEL Voorwoord.........................................................................................................................................................................................................................7 1. Waarom betalen we belastingen?. ..................................................................................................................................9 1.1. Waarom int de staat belastingen?..........................................................................................................................9 1.2. Waaruit bestaan de overheidsontvangsten ?. .........................................................................................9 1.3. Wat doet de overheid met het ontvangen geld?.............................................................................. 11 1.4. Wat zou er gebeuren met minder belastingen?................................................................................ 12 2. Zijn de belastingen te hoog?............................................................................................................................................... 13 2.1. Welke soorten belastingen bestaan er?..................................................................................................... 13 2.1. 1. Personenbelasting.................................................................................................................................................... 13 2.1. 2. Vennootschapsbelasting.................................................................................................................................... 13 2.1. 3. Indirecte belastingen.............................................................................................................................................. 13 2.1. 4. Diverse heffingen....................................................................................................................................................... 14 2.1. 5. Belasting op kapitaal.............................................................................................................................................. 14 2.2. Kan de belastingdruk naar omlaag?................................................................................................................ 15 2.3. “Teveel belasting doodt de belasting”?........................................................................................................ 16 3. Een hervorming van de belastingen is nodig, maar....................................................................... 17 3.1. Waarom moeten de inkomens herverdeeld worden?............................................................... 17 3.2. Welke factoren remmen het herverdelingseffect af?................................................................. 19 3.2.1. Bij de directe belastingen. ............................................................................................................................ 19 3.3.1.1. De belastingen zijn niet ‘echt’ progressief...................................................... 19 3.3.1.2. De vennootschapsbelasting is veel te laag. ..................................................22 3.3.1.3. Er gaat veel geld verloren via belastingfraude en belastingontwijking.........................................................................................................................22 3.3.1.4. Het fiscale bankgeheim opheffen en een vermogenskadaster aanleggen. ..................................................................... 24 3.3.1.5. Nog andere factoren die het herverdelingseffect belemmeren...........................................................................................................................................25 3.2.2. Bij de indirecte belastingen.......................................................................................................................29 4. Is België voor iedereen een “fiscaal paradijs”?. ..................................................................................31 5. ABVV voorstellen voor een rechtvaardiger belasting..................................................................32 5.1. Hoe ziet het ABVV een echte belastinghervorming?................................................................32


5.2. 5.3.

Wat stelt het ABVV voor?. ..............................................................................................................................................32 5.2.1. BTW op energie verlagen van 21 naar 6%...........................................................................32 5.2.2. Een sociaal belastingkrediet van 1000 euro voor de lage en middenhoge inkomens....................................................................................................................................33 5.2.3. Afschaffen van het bankgeheim.........................................................................................................33 Waar moet het geld voor de compensatie van belastingverlagingen vandaan komen?........................................................................................................................................................................33


VOORWOORD

W

ie betaalt er graag belastingen? Wellicht niemand. Het gebeurt dan ook niet bepaald geestdriftig. En natuurlijk vindt (bijna) iedereen dat hij te veel belastingen betaalt. Aan de andere kant wil iedereen wel genieten van prima scholen en ziekenhuizen, wil iedereen zich verplaatsen over goede wegen of met comfortabel openbaar vervoer, ‌. dat betaalbaar is. Iedereen wil leven in een veilige, aangename buurt en kunnen rekenen op voorzieningen en uitkeringen wanneer men ziek of werkloos wordt. Ooit aan gedacht dat al die zaken een pak euro’s kosten? Weinig van dat alles kan zonder belastingen! De fiscus moet dus niet bekeken worden als de boeman en de belastingen niet als een straf, maar als een vorm van onze rijkdom en welvaart. Als de te betalen prijs voor onze beschaving. Het zijn immers al die publieke goederen en diensten die onze samenleving welvarend en leefbaar maken voor iedereen. En dat lukt enkel maar met voldoende belastingen. Het steeds weer tekeer gaan van politiek rechts tegen belastingen is dan ook niet correct. Deze brochure toont aan dat belastingen nodig zijn om een solidaire maatschappij op alle vlakken in stand te houden. Belastingen zijn nodig, maar moeten rechtvaardig zijn. Met andere woorden, iedereen moet in verhouding tot zijn inkomsten bijdragen tot de collectieve ontwikkeling van de samenleving. En dat is nu niet zo: er is een scheefgetrokken verhouding tussen belastingen op inkomsten uit arbeid en die uit kapitaal. 


Bovendien is er belastingfraude (meestal onbestraft) en belastingontwijking, bestaan er fiscale paradijzen, is er een onvoldoende controle van de vennootschapsbelasting en van de zelfstandigen. Ook deze aspecten komen in deze brochure aan bod, naast de voorstellen van het ABVV voor een betere herverdeling van de belastingdruk. Een selectieve verlaging van de belastingen op de lonen kan als er compenserende inkomsten gevonden worden. Daarom hebben we voorstellen in verband met het vermogenskadaster, de opheffing van het bankgeheim, de effectieve aanpak van de fiscale fraude, ‌ We legden sommige van deze voorstellen op tafel tijdens de recente interprofessionele onderhandelingen. Belastingen zijn en blijven nodig, dat moet duidelijk zijn. Ze moeten wel rechtvaardiger geïnd worden. Deze brochure wil bijdragen tot het inzicht dat beide stellingen terecht zijn. Anne DEMELENNE Algemeen secretaris



Rudy DE LEEUW Voorzitter


1. Waarom betalen we belastingen? 1.1. Waarom int de staat belastingen? Niemand kijkt uit naar het ogenblik dat het aangifteformulier van de belastingen in de brievenbus valt. Maar belastingen zijn echt nodig. Een rechtvaardige fiscaliteit is één van de basispijlers van de welvaartsstaat zoals we die nu kennen. Zonder belastingen immers geen efficiënte werking van de staat, de gewesten en gemeenschappen, de gemeenten, … Maar niet enkel de correcte inning van de belasting is belangrijk, ook een zo goed mogelijk beheer. De belastingontvangsten en sociale bijdragen worden in belangrijke mate als “openbare dienstverlening” herverdeeld: voorzieningen van algemeen belang en openbare diensten (gezondheidszorg, sociale zekerheid, pensioenen, openbaar vervoer, onderwijsinstellingen, cultuur en vorming, milieubescherming, veiligheid, …) worden ermee gefinancierd. De openbare diensten zijn de pijlers van de Sociale Staat. De levenskwaliteit binnen een maatschappij hangt nauw samen met de kwaliteit van de openbare diensten. Zonder de inbreng van belastinggelden zouden deze diensten voor het merendeel van de bevolking onbetaalbaar zijn. De organisatie van openbare diensten is dan ook essentieel voor de gelijkheid tussen de burgers. De openbare dienst is ook een troef voor onze economie, want omvat ook instrumenten speciaal gericht op de ontwikkeling ervan (via promotie in het buitenland, investeringsmaatschappijen, bevorderen van nieuwe technologieën, bedrijfsgerichte opleidingen, ondersteuningsmaatregelen voor kmo’s….). Het volstaat niet belastingen te innen, het is ook cruciaal te weten of ze voldoende rechtvaardig verdeeld zijn, en wie ze effectief betaalt. Niet iedereen in ons land draagt werkelijk bij volgens zijn mogelijkheden. En de ene belasting is al rechtvaardiger dan de andere.

1.2. Waaruit bestaan de overheidsontvangsten? De totale overheidsontvangsten omvatten alle vormen van belastingen (directe en indirecte) en sociale bijdragen. Dat budget liep de laatste jaren op tot ongeveer 132 miljard euro. De sociale zekerheidsbijdragen vormen daarvan een groot deel. Meer dan 90 miljard haalt men uit belastingen. De personenbelasting en de consumptiebelastingen (BTW en accijnzen) zijn samen goed voor een ruim 2/3 van dat bedrag. De belastingen op kapitaal en vermogens (vennootschapsbelasting, roerende en onroerende voorheffingen, registratierechten, …) brengen 1/5 bij. En het saldo komt van een aantal andere belastingen, zoals de verkeersbelasting en lokale heffingen. 


Verhouding van de overheidsontvangsten

Belangrijkste bronnen - 2007 (miljard €) 40

30 25

Andere

Accijnzen

VB

5

BTW

10

P.B.

15

SZ-bijdragen

20

SZ-bijdragen - Verminderingen

35

0 -5 -10 SZ = Sociale zekerheid PB = personenbelasting VB = vennootschapsbelasting Van de 36 miljard euro ontvangsten in de personenbelasting komt meer dan 90% van de bedrijfsvoorheffing. Dit is de belastinginhouding aan de bron op de lonen, wedden en sociale uitkeringen. De voorafbetalingen die door de zelfstandigen en de vrije beroepen betaald worden bedragen daarentegen nog geen 5 % van de ontvangsten in de personenbelasting. Sociale bijdragen zijn overheidsinkomsten die niet uit belasting voortvloeien, maar die op de lonen afgehouden worden. Men noemt ze “parafiscale ontvangsten”. De sociale bijdragen worden ook “uitgesteld loon” genoemd (de werkgevers noemen dit deel liever de patronale “lasten”) De staatskas ontvangt ook geldmiddelen van niet-(para)fiscale aard. Voorbeelden: de verkoop van overheidsgebouwen en –goederen, retributies en boetes. 10


1.3. Wat doet de overheid met het ontvangen geld? Waarvoor worden onze belastingscenten gebruikt? Er zijn de vastgelegde overdrachten aan andere entiteiten (Europese verplichtingen, gewesten, gemeenschappen, lokale besturen) en intresten op de staatsschuld moeten ook worden betaald. Alle nog overblijvend geld (en dat is nog flink wat) gaat naar collectieve voorzieningen, openbare diensten en infrastructuurinvesteringen. Naar tal van zaken in de huidige verzorgings- en welvaartsstaat – die ons het leven makkelijker én betaalbaar maken. Onderstaande grafiek toont duidelijk aan waaraan de overheidsontvangsten besteed worden.

Voor 100 euros overheidsuitgaven België, 2005 Buitenlandse zaken en ontwikkelingssamenwerking Bijdrage EU Uitrusting en vervoer (gewesten) Nationale defensie Administratie (gewesten en gemeenschappen) Mobiliteit en vervoer Economie, werkgelegenheid en vorming (gewesten en gemeenschappen) Overheidsdepartementen Sociale zaken en cultuur (gemeenschappen en gewesten) Gemeenten en provincies Onderwijs Interesten Sociale uitgaven 0

5

10

15

20

25

(G&G = gewesten en gemeenschappen / Gezagsdepartementen = justitie, politie) (Bron: Dossier Contrastes «L’impôt juste», Réseau pour la Justice Fiscale, 2008).

De belangrijkste uitgavenpost is duidelijk van sociale aard. Binnen de sociale uitgaven wordt de eigenlijke sociale zekerheid gefinancierd door sociale bijdragen, door subsidies van de staat en door de zogeheten “alternatieve financiering” (via een gedeelte van de BTW-inkomsten, accijnzen en van de roerende voorheffing). Die alternatieve financiering compenseert de bijdrageverminderingen van de werkgevers. Ook de pensioenen, de ziekte-uitkeringen, de uitkeringen aan gehandicapten en de werkloosheidsuitkeringen zitten in dat sociaal uitgavenpakket. En - niet te vergeten - de staatsbijdrage aan het “Zilverfonds”, dat de toekomstige pensioenen moet waarborgen. Andere belangrijke posten zijn: • de intresten op de staatsschuld (die bedroeg eind juni 2008 niet minder dan 290,30 miljard euro, dat is iets meer dan 83% van het BBP van dat jaar), • de uitgaven voor onderwijs en • deze voor provincies en gemeenten (politie, infrastructuur, leefmilieu, cultuur, …). 11


1.4. Wat zou er gebeuren met minder belastingen? Weinig of (veel) minder belastingen betalen klinkt aanlokkelijk. Maar minder belastingen betekenen natuurlijk ook minder inkomsten voor de overheid. Inkomsten die noodzakelijk zijn voor het financieren van de collectieve voorzieningen en de goed functionerende openbare diensten. De openbare diensten hebben als taak strategische terreinen te beheren, de economie te ondersteunen en rijkdommen te herverdelen. Minder belastingen zouden een regelrechte aanslag op je portemonnee betekenen: drastische verhoging van de school- en studiekosten, een gezondheidszorg op twee sporen, prijsstijgingen voor post, telefoon en openbaar vervoer, minder of geen geld meer voor sociale huisvesting, … Maar de grootste gevolgen zou je ongetwijfeld in de sociale zekerheid voelen met niet te overziene financiële problemen in geval van ziekte of werkloosheid en als je op pensioen gaat. De ‘ware’ kostprijs Zonder overheidsfinanciering zou de werkelijke kostprijs van zes jaar basisonderwijs zo’n 20.500 euro bedragen, van zes jaar secundair onderwijs ongeveer 36.000 euro. De kostprijs van een volledige schoolloopbaan, van peutertuin tot een masterdiploma op een universiteit, zou meer dan 100.000 euro kosten. Een intensieve taalopleiding van drie weken voor werkzoekenden zou 1.850 euro kosten, indien ze die zelf moeten betalen. Een bevalling (zonder complicaties) kost nu ongeveer 370 euro. Zonder sociale zekerheid zou dit bijna 2.500 euro kosten. Een knieprothese (in een gemeenschappelijke ziekenhuiskamer) kost nu een 1.430 euro in plaats van de reële kostprijs van 9.370 euro. Belastingontvangsten zijn dus noodzakelijk voor een sterke sociale dienstverlening, En wie heeft daar géén behoefte aan? De vermogende burgers die zich privaat kunnen verzekeren en dan nog ... Een evolutie naar een systeem van sociale zekerheid met twee snelheden, waarbij de rijkeren via privé-verzekeringen een aparte en betere bescherming genieten en de zwakkeren alleen op een minimale basisdienst zouden kunnen beroep doen is voor het ABVV onaanvaardbaar.

12


2. Zijn de belastingen te hoog? De pers stond/staat er bol van: “Belg kreunt onder belastingdruk” en “Belgen betalen zich blauw aan belastingen”. Maar is dat zo? Betreft het niet eerder een onrechtvaardige verdeling van de belastingdruk? Draagt ieder wel echt bij naargelang zijn werkelijk inkomen en vermogen? Het is dan ook nuttig onze voornaamste belastingen even te bekijken. De belastinginkomsten vloeien immers voort uit meer dan één bron (= de belastinggrondslag). En de ene belasting is al rechtvaardiger dan de andere.

2.1. Welke soorten belastingen bestaan er? 2.1. 1. Personenbelasting (PB) De personenbelasting is een directe belasting op de inkomens (hoofdzakelijk op lonen en wedden, dus vooral op inkomsten uit arbeid). In België vertegenwoordigt de personenbelasting zo’n 37% van de belastinginkomsten. Hoe meer je verdient, hoe meer belastingen je betaalt (met een maximum van 50% op de hoogste inkomensschijf). Er is ook de belasting op de inkomsten uit onroerende goederen, het kadastraal inkomen van de woning of op het ontvangen huurgeld. Onroerende goederen worden ook belast: via de “onroerende voorheffing”, een jaarlijkse lokale en regionale belasting. 2.1. 2. Vennootschapsbelasting (VB) De vennootschapsbelasting is een belasting op de bedrijfswinsten, en op zelfstandigen die hun zaak of activiteit tot een vennootschap - bijvoorbeeld een NV (naamloze vennootschap) of een BVBA (besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid) – omgevormd hebben. De vennootschapsbelasting vertegenwoordigt ongeveer 13% van de totale belastinginkomsten. Veel te weinig natuurlijk in verhouding tot de input van de personenbelasting. De reden hiervoor is vrij eenvoudig: de aanslagvoet van de vennootschapsbelasting is maximaal 33,99%, maar door de verschillende fiscale aftrekmogelijkheden bedraagt hij in werkelijkheid maar ca. 25%. En door de notionele intrestaftrek ligt dit tarief soms veel lager. 2.1. 3. Indirecte belastingen De bekendste zijn: BTW (= belasting op de toegevoegde waarde, algemeen tarief: 21%, verlaagd tarief: 6%), en accijnzen (zoals op tabak, alcohol en brandstoffen). BTW en accijnzen zijn samen goed voor zo’n 42% van de belastingopbrengsten. 13


2.1. 4. Diverse heffingen Dit zijn ondermeer de verkeersbelasting, de belasting op weddenschappen en speelautomaten, zegelrecht, registratierechten, … 2.1. 5. Belasting op kapitaal In België bestaat de belasting op kapitaal vooral uit de heffing van een roerende voorheffing. Deze “roerende voorheffing” wordt ingehouden • op inkomsten uit aandelen en dividenden (25% roerende voorheffing) en • op intresten van een spaarrekening of obligaties of sommige beleggingsfondsen (15% onroerende voorheffing). Intresten uit spaargeld tot 1.730 euro (bijvoorbeeld op een gewoon spaarboekje) zijn vrijgesteld van belastingen. In het belang van de “kleine spaarder” wordt aan deze vrijstelling best niet getornd. De roerende voorheffingen leveren amper 3% van de belastinginkomsten op. Wat is het verschil tussen directe en indirecte belastingen? Directe belastingen worden geïnd op basis van een aangifte van de inkomsten. Hét voorbeeld bij uitstek is de personenbelasting. Wie veel verdient betaalt verhoudingsgewijze meer belastingen dan mensen die weinig verdienen. Daarom noemt men deze belastingen ‘progressief’. Directe belastingen, indien correct toegepast, houden wel degelijk rekening met ieders financiële draagkracht. Directe belastingen zijn dus in principe socialer dan indirecte belastingen, voor zover ze niet uitgehold worden natuurlijk door allerlei aftrekken en vrijstellingen of door fraude. Indirecte belastingen worden geheven op basis van geleverde prestaties en van verkochte producten. Je inkomen speelt hierbij geen enkele rol. Indirecte belastingen zijn niet echt sociaal. Men noemt ze daarom ook “regressief”, of zelfs “blind”: ze gelden voor iedereen zonder onderscheid, arm of rijk betaalt dezelfde procentuele heffing. Een brood, een pintje, een tankbeurt, … zijn voor iedereen even duur. In feite zijn indirecte belastingen nadelig voor lage inkomens. 21% BTW op de aankoop van bijvoorbeeld een paar duizend liter huisbrandolie betekent verhoudingsgewijze een veel grotere hap uit het budget van iemand met een netto maandwedde van 1.500 euro dan van de buurman die maandelijks het driedubbele opstrijkt. Sommigen beweren dat indirecte belastingen wel rechtvaardiger zouden zijn zo er een hoger tarief zou bestaan voor luxeproducten. Maar dan is de vraag “wat is voor wie een luxeproduct”?

14


2.2. Kan de belastingdruk naar omlaag? De belastingdruk in België is vrij hoog: na Zweden en Denemarken de hoogste in Europa. Op een netto maandloon van 1.250 euro betaal je al gauw 25% belasting. Je betaalt ook nog eens 21% BTW op alles wat je koopt, de provincie en de gemeente leggen je nog wat extra belastingen op, je moet je vuilniszakken apart betalen, er zijn de accijnzen op benzine, tabak en alcohol. Dat is niet niks. Logisch dat de fiscus bij de meeste mensen niet bepaald vriend aan huis is. En vanuit liberale hoek klopt men dat ongenoegen graag op. Maar, en daar sta je wellicht nooit bij stil, je krijgt voor je belastingen heel wat terug: veel openbare diensten, een sterke sociale zekerheid, uitstekend onderwijs en ongeveer de beste gezondheidszorg ter wereld. Minder belastingen betekenen hoe dan ook de afbouw van onze toch goed functionerende verzorgingsstaat. Natuurlijk kan een en ander (nog) beter. Maar dat kan niet door een verlaging, wel door een verschuiving van de belastingen. Liberale criticasters die het voortdurend hebben over “het beter af zijn met minder overheid” hebben het zelden of nooit over een rechtvaardiger verdeling van de belastingdruk, noch over een hele reeks sociale voorzieningen die voor iedereen belangrijk zijn zoals onderwijs, hospitalisatie, kinderopvang, water, riolering, verkeersinfrastructuur, brandweer… . De afbouw van de toegankelijkheid voor iedereen van deze openbare diensten is voor het ABVV, als socialistische vakbond, uit den boze. Voeg hier nog de enorme staatsschuld en de kost van de vergrijzing aan toe en het wordt wel erg moeilijk om de omvang van de belastingen af te bouwen. Bij veel werknemers slaat het verhaal wel aan: ”Minder belastingen betalen!” Wie wil dat niet? Het werkgeverspleidooi voor de vermindering van de patronale bijdragen is nochtans behoorlijk misleidend. Sociale bijdragen zijn geen “belastingen” die dienen voor staatsuitgaven, maar een “indirect loon” voor de werknemers. Ze krijgen dat indirect loon niet zomaar in handen, dat gaat naar “de pot” van de sociale zekerheid. De verlaging van de patronale bijdragen aan de sociale zekerheid is dus een feitelijke loondaling. Een verlaging van de sociale werkgeversbijdragen is gemakkelijker “te verkopen” dan een directe loonsvermindering. De gevolgen van een mogelijke ontmanteling van de sociale zekerheid zijn voor de meeste werknemers pas op termijn voelbaar, wanneer ze zelf werkloos of ziek worden of met pensioen gaan. De evolutie van het directe loon wordt meer collectief ervaren. Mensen zijn veel gevoeliger voor een rechtstreekse aanslag op hun portemonnee en hun koopkracht.

15


2.3. “Teveel belasting doodt de belasting”? “Teveel belasting doodt de belasting” is één van de favoriete slogans waarmee liberalen ons trachten te overtuigen dat we beter af zijn met minder belastingen. De bewering past in de (traditionele) liberale ideologie: de taken van de staat zijn eerder bijkomstig en de burgers moeten de overheidsuitgaven maar ondersteunen in functie van de voordelen die ze van de staat krijgen of willen krijgen. Dit staat natuurlijk haaks op de socialistische visie, die via de herverdeling van inkomsten en rijkdom, voor een zo uitgebreid mogelijk overheidsnet van sociale voorzieningen en diensten wil zorgen. Een (te) hoge belasting staat in de liberale optiek ook gelijk met het ontmoedigen van investeringen, ondernemerschap en zelfs de wil om te werken. Bewijzen hiervoor werden nooit echt hard gemaakt. Die redenering slaat bovendien alleen op het heffen van de belastingen, niet op het nuttig gebruik ervan. De liberale partijen Open VLD en MR blijven echter onverminderd pleiten voor lastenverlagingen voor de bedrijven en loonmatiging voor de werknemers. Hierbij vergeten zij gemakshalve wel het feit dat ook de economie algemeen en bedrijven en kmo’s in het bijzonder, voordeel halen uit de geïnde belastingen. Denk maar aan bepaalde realisaties van openbare diensten, zoals de aanleg en het onderhoud van wegen, bruggen, kanalen, de ontsluiting van industrieterreinen, enz. of zelfs de creatie van openbare diensten die er specifiek op gericht zijn de economie te ondersteunen via bankgaranties voor kmo’s, investeringsfondsen, de organisatie van bedrijfsopleidingen en dergelijke meer. Verder gebeurt er ook ondersteuning naar specifieke sectoren zoals bijvoorbeeld het toerisme, of de recente omvangrijke kapitaalinjectie in het bankwezen. De liberalen stellen voor de tarieven van 30 en 45% in de personenbelasting af te schaffen en het belastingvrije minimum op te trekken. Deze voorstellen van minister Reynders lijken op de zogeheten “fair tax”, een systeem met maar twee belastingschijven (20 en 40%). Een aanzet wellicht om op termijn over te gaan tot een echte “flat tax” of “vlaktaks” met één tarief voor iedereen. Hoe fiscaal interessant men dat systeem ook probeert voor te stellen, het zullen vooral de rijksten zijn die dan een pak minder belastingen zullen betalen. Dat blijkt uit alle simulaties. In ons land zou 9 miljard euro minder belastingen betaald worden, maar 8 miljard van die besparing zou naar de 20% rijksten gaan. Vooral de lage en middeninkomens zullen weinig merken van de “voordelen” van de vlaktaks. Bovendien zullen ze twee keer de dupe zijn: ze zullen weinig voordeel halen uit een vlaktaks én er zal minder geld zijn voor o.m. gezondheidszorg, onderwijs, onderhoud van de wegen,…

16

Het klopt dat de vlaktaks eenvoudiger en doorzichtiger is dan het huidige systeem met zijn verschillende aanslagvoeten en aftrekposten. Maar dan is enige relativering nodig: het complexe van ons systeem ligt niet zozeer in het aantal tarieven, maar in alle mogelijke aftrekposten. Hierover zwijgen de liberale voorstellen als vermoord.


Er zijn trouwens nog meer redenen om de vlaktaks kritisch te bekijken. De belangrijkste is ongetwijfeld het verlies van belastingen als element van politieke “sturing”. Fiscale stimulansen worden onmogelijk omdat er in principe maar één tarief overblijft. Meer woningen beter isoleren, een woning kopen, … met een vlaktaks zou dat een flink stuk moeilijker worden, zoniet onmogelijk. Een vlaktaks houdt ook altijd een element van onrechtvaardigheid in: één enkel belastingstarief geldt zowel voor het minimumloon als voor toplonen ! Een ander steeds terugkerend neoliberaal argument voor het verlagen van de personenbelasting is het effect ervan op de tewerkstelling: er zouden hierdoor meer mensen aan het werk kunnen. Dit is het zgn. “terugverdieneffect”. Maar studies tonen aan dat een lagere personenbelasting amper leidt tot nieuwe arbeidsplaatsen.

3. Een hervorming van de belastingen is nodig, maar … Een progressief en herverdelend belastingsstelsel is en blijft één van de beste waarborgen voor een rechtvaardige samenleving. Probleem is dat de Belgische fiscaliteit nog moeilijk als écht rechtvaardig kan beschouwd worden. Reden: de scheeftrekking tussen de belasting op arbeid en die op kapitaal. De belasting op kapitaal is immers veel te laag in verhouding tot die op de doorsnee-lonen. Met een beetje overdrijving zou men kunnen stellen dat in ons land bijna alleen de gewone loontrekkenden nog correct belastingen betalen. Maar ook de verminderde progressiviteit van de inkomstenbelasting, belastingfraude en belastingontwijking, ongelijke belastingaftrekken, … remmen het herverdelend effect van de belastingen af. Een meer rechtvaardige hervorming van het systeem, waarbij de belastingdruk verschoven wordt van arbeid (vooral de laagste lonen betalen in verhouding teveel) naar kapitaal (vennootschapswinsten, vermogens) is dan ook nodig. Zeker omdat de inkomensongelijkheid in ons land nog toeneemt.

3.1. Waarom moeten de inkomens herverdeeld worden? Het antwoord op deze vraag is zeer eenvoudig: de inkomensongelijkheid neemt in België stelselmatig toe, de financiële en sociale kloof tussen arm en rijk wordt nog breder. Recente studies van banken en onderzoeksbureaus bevestigen dit. Zo was in 2006 het inkomen, van de rijkste 20% van de bevolking, al 4,2 keer groter dan dat van de armste 20%. En dat verschil groeit jaar na jaar. 17


Enkele cijfers In 2006 bedroeg het financieel vermogen (= de som van bankrekeningen en beleggingen) van de Belgische gezinnen meer dan 790 miljard euro, het overgrote deel daarvan op spaarboekjes of in beleggingsfondsen en verzekeringsproducten. Tel daar de waarde van het vastgoedbezit bij, en je komt boven de 1.600 miljard uit (in 2004 nog “maar” 1.300 miljard euro!). In principe zou elke Belg nu zo’n 150.000 euro moeten hebben. Maar de realiteit is niet zo mooi: de 30% rijkste Belgen zouden maar liefst 70% van dat totale vermogen bezitten. Terwijl zes op de tien gepensioneerden het moeten stellen met een pensioen van minder dan 1.000 euro per maand. Analyses van fiscale statistieken tonen aan dat tussen 2001 en 2006 het gemiddelde belastbaar inkomen van de 10% rijkste belastingplichtigen gestegen is met 11% (van 65.111 tot 72.167 euro). In diezelfde periode verminderde het gemiddeld inkomen van de belastingplichtigen die behoren tot de eerste 5 “decielen” (de 50% “armsten”) met 11%. Hun gemiddeld belastbaar inkomen daalde tussen 2001 en 2006 van 14.385 tot 13.523 euro. Een ander bewijs van de toenemende ongelijkheid is de groeiende loonkloof tussen de hoogste en de laagste lonen: in 2006 stegen de hoogste lonen (+ 6,2%) veel sneller dan de laagste ( + 2,9%). De fiscale statistieken tonen ook aan dat de inkomensongelijkheid de voorbije tien jaar toenam. Na belasting worden de inkomens wel wat gelijker over de bevolking verdeeld, maar de verschillen blijven aanzienlijk. Het inkomen van de 20% rijksten vertegenwoordigde in 2007 43% van de totale inkomenstaart na belastingen (in 2006 41,9%). De 20% armsten kregen na belasting 5,1% (het jaar voordien nog 5,9%) van het totale inkomen. Andere studies maken duidelijk dat er zonder sociale zekerheid nog 2,5 keer meer armoede in België zou zijn. Het aantal mensen dat bij ons onder of op de rand van de armoedegrens leeft is relatief “laag” (hoewel recente cijfers spreken van 15%). Samen met andere landen die vrij hoge belastingen heffen (bijvoorbeeld de Scandinavische) behoort België tot de kop wat de verschillende welvaartsindicatoren betreft. Toch nog even op wijzen dat de Belgische pensioenen binnen de Europese Unie de tweede laagste “vervangingsratio” tegenover het vorige loon hebben. Alleen in Groot-Brittannië ligt die nog lager.

18


3.2. Welke factoren remmen het herverdelingseffect af? 3.2.1. Bij de directe belastingen 3.2.1.1. De belastingen zijn niet ‘echt’ progressief De directe belasting op de inkomsten is progressief: hoe hoger het inkomen hoe meer belasting. Dat is maar normaal. Wie weinig verdient moet bijna zijn volledig loon aan basisbehoeften uitgeven. Met een (veel) ruimer inkomen kan men gerust een stuk(je) aan de fiscus geven zonder zich financieel pijn te doen. Het systeem werkt dus herverdelend. De personenbelasting is er een met “progressieve schijven”. Op de eerst verdiende euro’s betaal je niets (= de belastingvrije schijf), je betaalt op de volgende schijf, méér op een volgende inkomstenschijf, enz. Inkomsten (barema’s voor inkomsten 2008) van (€)

Aanslagvoet

Belasting op deze schijven (€)

tot (€)

0

6.430

0%

0,00

6.430

7.900

25%

367,50

7.900

11.240

30%

1.002,00

11.240

18.730

40%

2.996,00

18.730

34.330

45%

7.020,00

34.330

-

50%

(*) Vanaf een inkomen van 34.330 euro bedraagt het belastingspercentage steeds 50%. Een voorbeeld ter verduidelijking Met een jaarinkomen van 30.000 euro (+/- 2.700 euro bruto/maand) betaal je - 0% op de 1ste inkomensschijf van 0 tot 6.430 € - 25% op de 2de inkomensschijf van 6.430 tot 7.900 € - 30% op de 3de inkomensschijf van 7.900 tot 11.240 € - 40% op de 4de inkomensschijf van 11.240 tot 18.730 € - 45% op de 5de inkomensschijf van 18.730 tot 30.000 € in totaal dus 9.437 euro ( 367,50 + 1.002 + 2.996 + 5.071,50)

19


Belastbare inkomens van minder dan 23.900 euro In het kader van de programmawet 2008 werd beslist om het belastingvrije inkomen (= het deel van het belastbaar netto inkomen waarop geen belasting verschuldigd is) te verhogen van 6.430 tot 6.400 euro, maar enkel voor die belastingplichtigen met een inkomen van minder dan 23.900 euro. Dit betekent dus dat voor mensen met een belastbaar inkomen van minder dan 23.900 euro het barema er als volgt uitziet: Inkomsten (barema’s voor inkomsten 2009) van (€)

Aanslagvoet

Belasting op deze schijven (€)

tot (€)

0

6.690

0%

0,00

6.690

7.900

25%

302,50

7.900

11.240

30%

1.002,00

11.240

18.730

40%

2.996,00

18.730

23.900

45%

2.326,50

Een voorbeeld ter verduidelijking Met een jaarinkomen van 20.000 euro (+/- 1.750 euro bruto/maand) betaal je - 0% op de 1ste inkomensschijf tussen 0 en 6.690 € - 25% op de 2de inkomensschijf tussen 6.690 en 7.900 € - 30% op de 3de inkomensschijf tussen 7.900 en 11.240 € - 40% op de 4de inkomensschijf tussen 11.240 en 18.730 € - en 45% op de 5de inkomensschijf tussen 18.730 en 20.000 € In totaal dus 4.872 euro ( 302,50 + 1.002 + 2.996 + 571,50) Wel mogen echter niet uit het oog verliezen dat door de opeenvolgende belastinghervormingen de progressiviteit aardig afgebot werd. Wel steeg het bedrag van de eerste belastingvrije schijf van 5.600 euro tot 6.430 euro (en voor inkomens van minder dan 23.900 euro tot 6.690 euro). Maar daartegenover staat dat het maximumpercentage van 70% op de hoogste inkomensschijf werd teruggebracht tot 50%. De progressiviteit zelf stijgt vrij snel, zeker voor de lage en middelhoge inkomens. Met een belastbaar inkomen kleiner dan 6.430 euro (ietsje meer dan 500 euro/maand) betaal je niks. Maar daarna, vanaf die 6.430 euro, gaat het vlug omhoog, zoals onderstaande tabel aantoont.

20


Jaarlijks belastbaar inkomen (euro)

Bruto maandinkomen

Betaalde Belasting (%)

10.000

720

4,35

15.000

1.078

13,41

20.000

1.500

19,67

30.000

2.480

27,48

40.000

3.305

31,86

50.000

4.130

35,18

60.000

4.960

37,42

70.000

5.785

39,22

80.000

6.615

40,57

90.000

7.440

41,61

100.000

8.265

42,45

150.000

12.400

44,97

200.000

16.530

46,23

500.000

41.320

48,49

1.000.000

82.640

49,25

Zoals we in de vorige tabel kunnen vaststellen, zitten we boven de 18.730 euro al aan een belastingsvoet van 45% (op de schijf 18.730 – 34.330 euro). Maar mensen met toplonen van zo’n 350.000 euro en meer zullen dus nooit meer dan 50% op de hoogste schijf betalen. Bovendien moeten de kapitaalinkomsten, die in België geïnd worden, niet worden aangegeven aan de belastingen. Ze worden alleen onderworpen aan een roerende voorheffing van 15% en dus niet bij de inkomsten uit arbeid gevoegd. De progressiviteit is op deze inkomens dan ook niet van toepassing.

21


3.2.1.2. De vennootschapsbelasting is veel te laag De belastbare winst van een vennootschap wordt bijna op dezelfde manier bepaald als die van een eenmanszaak. Alleen worden andere tarieven toegepast. Maar waar het tarief van de personenbelasting kan oplopen tot 50%, bedraagt de aanslagvoet van de vennootschapsbelasting maximaal 33,99% . Maar dankzij een aantal fiscale aftrekken (o.m. de door het ABVV fel gecontesteerde notionele intrestaftrek) is het tarief in werkelijkheid niet hoger dan 25 à 26%. En volgens enquêtes van de Nationale Bank bij een representatief staal van ondernemingen zou het nog amper 16% bedragen. Ter illustratie In 2006 betaalden de 26 grootste Belgische bedrijven op hun winst gemiddeld 1% belastingen, de andere bedrijven gemiddeld 17%. Dit heeft natuurlijk ook te maken met de notionele belastingaftrek. Zo kreeg Electrabel dat jaar een fiscaal cadeautje van 30,2 miljoen euro. Net door die erg voordelige vennootschapsbelasting duikt nog een ander fenomeen op: zelfstandigen (zelfstandige handelaars, ambachtslieden, vrije beroepen) die zich omvormen tot vennootschappen. Zo vallen ze niet meer onder de progressieve personenbelastingstarieven, maar kunnen ze genieten van de veel interessantere vennootschapsbelasting. Tussen 1996 en 2006 steeg dat soort ondernemingen in België van 280.000 tot bijna 390.000. De reden hiervoor is eenvoudig: de KMO’s genieten van een belastingstelsel dat nog voordeliger dan dat van de andere vennootschappen. Terwijl de belastingvoet in de vennootschapsbelasting normaal 34 % is, is dit voor de eerste schijf op de winsten van KMO’s slechts 24,25 %. Dit is dus lager dan de laagste aanslagvoet in de personenbelasting die op dit ogenblik 25 % bedraagt. Bovendien genieten de KMO’s van het voordeel dat de 2de schijf van hun winst (tussen de 25.000 en 90.000 euro) belast wordt aan 31%. Dit moet dan vergeleken worden met de 45 % die in de personenbelasting al van toepassing is vanaf een jaarlijks belastbaar inkomen van 18.000 euro.

3.2.1.3. Er gaat veel geld verloren via belastingfraude en belastingontwijking Met de ‘Eenmalige Bevrijdende Aangifte’ (EBA) in 2004, waarbij belastingzondaars via de “fiscale amnestie” zwart geld op een buitenlandse rekening tegen een zacht prijsje (de regularisatieheffing) in België konden “witten”, dacht men een rem te zetten op de fiscale fraude. Mis gedacht: door het ontbreken van echt structurele maatregelen veranderde er niet echt veel. Wel werden de laatste jaren in de aanpak van fraude via “BTW-carroussels” en kasgeldconstructies enige successen geboekt 22


De exacte omvang van de belastingsfraude is moeilijk in te schatten, maar het gaat jaarlijks zeker om ettelijke miljarden euro. Volgens professor Michel Maus (VUB) bedraagt de fiscale en sociale (de “zwarte” economie) fraude samen ongeveer 30 miljard euro. Dat is iets minder dan 10% van het BBP (tegen bijvoorbeeld maar 2% in Frankrijk). Belastingfraude kan op verschillende manieren gebeuren. Men kan inkomsten of vermogen verzwijgen, aftrekposten ten onrechte inbrengen of “opblazen” (eventueel met valse facturen of bonnetjes). Belastingfraude is uiteraard onwettelijk en dus strafbaar. Belastingfraude is niet hetzelfde als belastingontwijking. Bij belastingontwijking blijft men binnen de wet, maar gebruikt men – bijvoorbeeld via speciaal opgezette fiscale constructies – zo gunstig mogelijke regelingen om minder belastingen te moeten betalen. Of om winsten weg te sluizen naar buitenlandse “belastingparadijzen”. Meer dan 50 landen (exotische oorden als de Bahama’s of de Kaaiman-eilanden, maar ook – veel dichter bij ons – Luxemburg, Zwitserland, Liechtenstein, Monaco, …) hebben er zich in gespecialiseerd om de vermogens van gefortuneerde particulieren en (grote) vennootschappen uit andere landen gedeeltelijk of volledig te onttrekken aan de belastingen, die ze normaal aan hun eigen land verschuldigd zijn. Momenteel zou er zich naar schatting 12.000 miljard dollar in die belastingparadijzen bevinden (nu ook vaak in “offshore” centra van grote landen als de VS of GrootBrittannië). Wat betekent “offshore”? Deze term verwijst naar een land of naar een gebied dat voordelen of premies heeft voor buitenlanders. De meest voorkomende zijn gereduceerde belastingstarieven of zelfs een volledige vrijstelling van belastingen. Bovendien bieden sommige van die landen een betere wettelijke “beveiliging” tegen pogingen om persoonlijk vermogen in beslag te nemen. Meteen het tweede belangrijkste aspect waarom “offshore” centra zo populair zijn: de vermogensbescherming. Bijna alle grote financiële instellingen hebben een filiaal in belastingparadijzen en “offshore” centra. Ook het overgrote deel van de banken in ons land bieden er hun klanten een waaier aan belastingontwijkende mogelijkheden aan. Ter illustratie Het Britse eiland Man telt 76.000 inwoners, 30.000 ondernemingen en op de bankrekeningen staat 50 miljard euro spaargeld..

23


Het is duidelijk dat de zeer lage belastingdruk in enkele landen een echte wedloop op gang heeft gebracht om het minst veeleisende land te worden voor inkomsten uit kapitaal (= fiscale concurrentie). En met de talrijke echte belastingparadijzen wordt die fiscale concurrentie nog een flink stuk groter. In 1993 was er al de zogeheten “Witwaswet”, om frauduleuze praktijken tegen te gaan. Omdat er nogal wat hiaten in staken (o.m. inzake de meldingsplicht) werd die wet in 2007 verscherpt. Via bepaalde criteria (o.m. onregelmatigheden in facturen, stromannen, georganiseerde insolvabiliteit, back-to-backleningen, transacties met postbusbedrijven in belastingsparadijzen, …) werd ernstige belastingfraude beter gedefinieerd. Niet minder dan 23 bank- en kredietinstellingen en beroepen (notarissen, accountants, belastingconsulenten, advocaten, …) moeten fraude of witwaspraktijken melden. “Zouden” moeten melden, want de banken negeren (voorlopig) die witwasrichtlijn en advocaten dienden er beroep tegen in bij het Arbitragehof. Positief is wel dat in april 2008 een parlementaire onderzoekscommissie naar grote fiscale fraudedossiers opgericht werd. Nu maar hopen dat ze niet verwordt tot een besloten praatbarak, en dat ze ook resultaten boekt. Het wettelijk karakter van de belastingen kan alleen maar worden versterkt onder een dubbele voorwaarde: fiscale rechtvaardigheid en een efficiënt, verantwoordelijk overheidsbeheer. Het kan niet dat fraudeurs door de vrij grote kans van straffeloosheid ertoe aangemoedigd worden hun asociale praktijken verder te zetten en ze zelfs uit te breiden. Om daarin te slagen moet de staat zorgen voor een efficiënte inning van de belastingen. En dus moet de strijd tegen alle vormen van fiscale en sociale fraude worden opgevoerd, wat neerkomt op nood aan méér ipv minder overheid. Onder druk van het ABVV staat in het “uitzonderlijk akkoord 2009-2010” dat tussen de sociale partners werd afgesloten, dat de strijd tegen de fiscale en sociale fraude moet opgevoerd worden.

3.2.1.4. Het fiscale bankgeheim opheffen en een vermogenskadaster aanleggen

24

Om de inkomsten uit kapitaal effectief én efficiënt te kunnen belasten is het absoluut nodig het fiscale bankgeheim in België op te heffen. Deze maatregel veronderstelt ook het opstellen van een financieel vermogenskadaster. Dat zoiets in België nog niet bestaat is onbegrijpelijk. Het argument dat altijd wordt aangehaald is “privacy”. Maar de staat verplicht de werkgevers wel jaarlijks een kopie van de loonfiche van de werknemers aan de fiscus te bezorgen. Ook alle vervangingsinkomens en sociale uitkeringen zijn tot op de laatste cent bekend. Hiervoor dus géén privacy. En een vastgoedkadaster bestaat al zo’n 200 jaar. Waarom dan geen vermogenskadaster? Maar zonder de opheffing van het fiscale bankgeheim is de opmaak ervan in de praktijk onmogelijk. Zelfs de Hoge Raad voor Financiën meent dat het bankgeheim internationaal niet meer van deze tijd is. Amper drie van de 27 EU-landen (Oostenrijk, Luxemburg én België) houden het nog in stand en verstrekken geen informatie over spaartegoeden. Ook in


Zwitserland houdt men nog altijd de lippen stijf op elkaar als het over bankverrichtingen gaat. Discretie is immers eigen aan een fiscaal paradijs. Met het verdwijnen van het fiscale bankgeheim en de aanleg van een vermogenskadaster zou België nochtans optimaal de belastingfraude kunnen aanpakken. Tegelijkertijd zou zulke maatregel toelaten dat de belastingadministratie gemakkelijker verschuldigde belastingen zou kunnen innen. Op dit ogenblik zijn er belastingplichtigen die zich aan die plicht onttrekken, ook al beschikken ze over voldoende financiële middelen op hun bankrekening. Alleen weet de fiscale administratie dit niet. De toename van de belastingontvangsten, dankzij de betere kennis van het vermogen van de Belgen, zou toelaten om de belastingen op de lonen te verlagen. Een echte vermogensbelasting moet immers de gewenste daling van de belasting op arbeid compenseren. En het hoeft geen betoog dat de kleine spaarders, net als nu, ontzien moeten blijven.

3.2.1.5. Nog andere factoren die het herverdelingseffect belemmeren a. Gebrek aan efficiënte controle Bijkomend probleem, naast de ontoereikende fraudebestrijding, is de inning van de belastingen. Nochtans wordt vaak geopperd dat ons ministerie van Financiën teveel ambtenaren telt. Waarbij men meestal een vergelijking met de Nederlandse fiscus maakt. Maar wat is daarvan aan? In de praktijk blijkt dat de fiscale administraties algemeen kampen met een gebrek aan personeel. In grote regio’s kan het personeelsgebrek nog gecamoufleerd worden door twee diensten samen te voegen. Een klein aantal ambtenaren wordt dan geconfronteerd met een oncontroleerbaar uitgestrekt werkgebied. De schrijnende situatie bij de BTW-dienst in Aalst illustreert het probleem. Wegens gebrek aan personeel gebeurde er simpelweg geen controle meer op de BTW. In een dergelijke situatie wordt het bedrag dat door ondernemingen bestempeld wordt als te veel betaald zonder enige controle teruggestort. Dit maakt duidelijk dat zogezegde ‘besparingen op personeel’ een hoge kostprijs hebben. Bedrijven beseffen heel goed dat er minder wordt gecontroleerd, wat een impact heeft op de aangiftebedragen. De overheid loopt zo heel wat inkomsten mis, terwijl bedrijven aan wettelijk bepaalde heffingen ontsnappen. Dit plaatst de liberale eis tot ‘afvloeien van overheidspersoneel voor een efficiëntere overheid’ natuurlijk in een heel ander licht. Bij het nader beschouwen van de werkingsmiddelen, blijken de Belgische belastingsdiensten er nogal bekaaid vanaf te komen. De Nederlandse belastingsadministratie beschikt er immers over heel wat meer. De Belgische belastingsmensen zouden maar wat graag in de omstandigheden van hun Nederlandse collega’s werken.

25


In plaats van een (o.i. kortzichtige) lineaire en algemene afslanking van het ambtenarenapparaat, zou in België dus beter een inhoudelijk debat gevoerd worden over de taken van de overheid, gevolgd door het voorzien van voldoende mensen en middelen om de kwaliteit van deze diensten op te drijven. Dit zou pas blijk geven van een ‘efficiënte overheid’ of ‘beter bestuurlijk beleid’. Hiervoor moet je natuurlijk wel een minister van Financiën hebben die echt wenst dat zijn administratie goed kan werken. Men kan er dan ook niet omheen. Door het ontbreken van voldoende goed gevormde mensen en van middelen voor doorgedreven controles, zeker van de vennootschappen (vooral in de grotere steden), loopt de overheid jaarlijks miljoenen euro mis. Het Rekenhof zegt al jaren dat de controles veel weg hebben van een loterij. Bovendien wordt te pas, maar vooral te onpas, geschermd met de fameuze “wet op de privacy”. Ook de vrij talrijke technische mankementen (o.m. met het computernetwerk) en de toename van het aantal informaticanetwerken tussen de verschillende administraties zijn ook weinig bevorderlijk voor de efficiënte werking van de fiscale administratie. Om een aantal belastingen daadwerkelijk te innen moeten ook vrije beroepen en (schijn) zelfstandigen, al dan niet “vervennootschappelijkt”, meer en beter gecontroleerd worden. Veel lage inkomens bij de zelfstandigen? Uit informatie uit de database van 2004 van de FOD Financiën blijkt dat de invoering van een belastingskrediet, voor de inkomsten tussen 100% en 200% van het minimumloon, op 36% van de zelfstandigen betrekking zou hebben. Helaas wordt deze 36% niet opgesplitst in subcategorieën van zelfstandigen. Dit soort gegevens over de inkomsten van zelfstandigen is al sinds 1995 niet meer beschikbaar. Het laatste rapport van de Cel “Begroting en Statistieken” van het ministerie van Financiën (november 1995) bevatte nochtans interessante info over het gemiddeld belastbaar inkomen van bepaalde categorieën van zelfstandigen, die belast werden op forfaitaire basis. In de veronderstelling dat de gemiddelde inkomens van deze categorieën van zelfstandigen - overeenkomstig de wet van 1996 op het concurrentievermogen - de loonmatiging hebben gerespecteerd, en sinds 1994 niet méér toenamen dan wettelijk voorzien, werden in de onderstaande tabel de cijfers van 1995 aangepast door er hetzelfde stijgingspercentage op toe te passen als dat van de lonen in de periode 1994-2006 (+ 33,3122%).

26


Gemiddeld inkomen van bepaalde categorieën van zelfstandigen, bijberoepen uitgezonderd (in euro) Zelfstandige beroepscategorieën

IJsverkopers

1994 Jaarlijks inkomen

2006

Maand inkomen

Jaarlijks inkomen

Maand inkomen

9.543,90 €

795,32 € 12.723,18 €

1.060,25 €

20.352,06 €

1.695,99 € 27.131,78 €

2.260,96 €

8.329,22 €

694,10 € 11.103,87 €

925,32 €

Slagers/spekslagers

13.584,57 €

1.132,03 € 18.109,88 €

1.509,13 €

Vishandelaars

11.898,89 €

991,57 € 15.862,67 €

1.321,89 €

Caféhouders

14.427,40 €

1.202,28 € 19.233,49 €

1.602,79 €

Apothekers

41.670,90 €

3.472,57 € 55.552,40 €

4.629,36 €

9.296,01 €

774,67 € 12.392,71 €

1.032,73 €

15.394,19 €

1.282,85 € 20.522,33 €

1.710,19 €

Bakkers/banketbakkers Kleinhandelaars algemene voeding

Schoenhandelaars Boekhandelaars/ papierwinkels Schoenmakers

6.246,92 €

520,58 €

8.327,90 €

693,99 €

Haarkappers

6.643,55 €

553,62 €

8.856,66 €

738,04 €

Landbouwers

8.701,06 €

725,09 € 11.599,58 €

966,63 €

Wetende dat de belastingplichtigen die deze zelfstandige activiteiten in bijberoep uitoefenen niet werden opgenomen in deze statistieken, zijn de bedragen van de belastbare inkomens belachelijk laag.

b. Belastingaftrekken Ook door een aantal nieuwe vormen van belastingaftrekken ( pensioensparen, aftrek voor de aankoop van aandelen van de werkgever of sommige individuele verzekeringsproducten – zaken die in feite neerkomen op het “subsidiëren” van de financiële sector door de fiscus) heeft de progressiviteit (en daarmee het herverdelend karakter) van de belastingen aan invloed ingeboet. Bovendien bevoordelen de belastingaftrekken voor bijvoorbeeld pensioensparen en energiezuinige investeringen (installatie van zonnepanelen of dubbel glas, isolatie van het dak, …) enkel maar mensen met voldoende centen om die inspanningen aan te kunnen. 27


De voordelen van belastingaftrekken komen meestal niet die gezinnen ten goede die geen belasting betalen omdat hun inkomen te laag is. Analyses van stortingen voor o.m. pensioensparen tonen aan dat die spaarformules vooral bij de hogere inkomens te vinden zijn. Het aantal belastingplichtigen dat gebruikt maakt van de tweede en derde pensioenpijler stijgt evenredig met het aangegeven inkomen. Sinds januari 1993 is het voordeel van die stortingen beperkt en niet volledig proportioneel meer met de hoogte van het inkomen. Dit bewijst dat de belastingvermindering voor de hoge inkomens niets anders is dan een extra buitenkans: als de aftrekmogelijkheid niet zou bestaan, zouden ze toch voor die derde pijler bijgedragen hebben! Dus is er een probleem met de doelstellingen van de fiscale “incentives”: ze leveren meer op voor belastingplichtigen die normaal al meer middelen besteden aan langetermijnsparen en aan de verschillende vormen van fiscaal gunstig sparen. Deze vaststelling wordt nog duidelijker als men weet dat de effectieve belastingaanslagen van dit soort financiële instrumenten dikwijls negatief zijn (om de effectieve belastingaanslag te berekenen wordt rekening gehouden met de toegekende belastingsverlagingen, de belastingheffing van de instelling waar de spaarder belegt en op de heffing op het kapitaal op het einde van de overeenkomst). Dit betekent dus dat lange-termijnsparen niet alleen te laag belast wordt, maar ook nog eens feitelijk door de staat gesubsidieerd wordt. Bovendien blijkt uit de analyse van de effectieve verdeling van deze fiscale voordelen dat ze slecht gericht zijn en het lange-termijnsparen bevoordelen: • de subsidiëringsgraad neemt toe naarmate de spaarder over een hoger inkomen beschikt; • de belastingaanslag daalt naarmate de duur van de overeenkomst korter is, wat betekent dat het huidige fiscale regime gunstiger is voor mensen die pas laat beginnen met sparen. Dit heeft tot gevolg dat vroege, vooruitziende spaarders worden gediscrimineerd t.o.v. mensen die later beginnen.

c. Huurinkomsten te weinig belast Feit is dat de reële huurinkomsten nu ontsnappen aan de belastingen, die enkel maar geheven worden op het kadastraal inkomen van 1975 (wel vanaf 1990 geïndexeerd). De eigenaar geniet ook van een forfaitaire belastingvrijstelling van 40% die verondersteld wordt overeen te komen met onderhouds- en renovatiewerken voor de verhuurde gebouwen.

28

Voorbeeld: Didier heeft een woning verbouwd tot 3 appartementen die aan particulieren verhuurd worden. Het kadastraal inkomen van deze woning is € 3.000. Ingevolge de belastingberekening op verhuurde woningen aan particulieren zal Didier een belastbaar onroerend inkomen van € 6.104 hebben voor het jaar 2007. Dit resulteert in een maximale belasting van € 3.052 voor de verhuurde appartementen. De maximale aanslagvoet in de personenbelasting (zonder aanvullende gemeentebelastingen) bedraagt 50%. Indien deze 3 appartementen verhuurd worden tegen € 600 per maand, beschikt de heer Didier nochtans over een reële huuropbrengst van € 21.600 per jaar.


d. De vervuiler betaalt onvoldoende België behoort allesbehalve tot de besten van het Europese peloton wat milieubelastingen betreft. In 2007 was slechts 5,3% van de totale belastingopbrengst “groene” belasting. Daarmee stond ons land bijna helemaal onderaan het rijtje EU-landen. Fiscaliteit is nochtans een prima instrument voor een duurzaam beleid. En net als de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen, is het even waar dat de grootste vervuilers het meest moet betalen. Maar dat gebeurt vandaag (nog) te weinig. Energieverspilling en uitputting van het milieu worden (bijna) niet belast. Correcte milieubelastingen (bijvoorbeeld in de energie- en transportsector, of op nietduurzaam verbruik) zouden de overheid nochtans extra inkomsten opleveren. Deze kunnen dan aangewend voor een ambitieus leefmilieubeleid met sociale accenten. Maar dan mag men een energiegigant als Electrabel/Suez, via de notionele intrestaftrek, niet te vaak bedenken met een fiscaal presentje van een slordige 30 miljoen euro.

3.2.2. Bij de inderecte belastingen Meer dan eens hoort men pleiten voor een verschuiving van de belastingen, van directe naar indirecte, m.a.w. een lagere belasting op arbeid vervangen door een hogere op consumptie. Welke belasting primeert moet afhangen van zijn rechtvaardigheid en efficiëntie (ook van de inning). Op dat laatste punt scoren indirecte belastingen (BTW, accijnzen) beter, dat kan moeilijk ontkend. Rechtvaardigheid is een totaal ander verhaal. Een grotere impact van de indirecte belastingen leidt ongetwijfeld tot een vermindering van het herverdelend karakter van de belastingen. De ongelijkheid zal nog toenemen, omdat alle inkomenscategorieën, zonder onderscheid, op dezelfde manier belast worden. De 21% BTW op energie bijvoorbeeld slaat verhoudingsgewijs een groter gat in de portemonnee van mensen met een laag inkomen. En een brood, een stuk vlees, een pint, … kosten evenveel voor arm als voor rijk. Bovendien treft een indirecte belasting als de BTW in feite alleen de eindgebruiker/verbruiker (de consument). Ondernemers en handelaars kunnen een groot deel van hun BTW-bedragen recupereren op het gebruik van goederen en diensten in het kader van hun beroepswerkzaamheden. En aangezien er dikwijls een “vermenging” is tussen het verbruik voor hun beroepsactiviteiten en hun private bestedingen,…. We mogen ook het verband tussen koopkracht, consumptie en indirecte belastingen niet over het hoofd zien. Bij een geringere koopkracht (bijvoorbeeld door werkloosheid of ziekte, of door fikse prijsstijgingen) neemt het verbruik af, waardoor de overheid ook minder indirecte belastingen ontvangt. En waardoor het herverdelend effect van de belastingen nog eens daalt. Dus, opgelet voor een gevaarlijk domino-effect!

29


En wat ook niet uit het oog mag verloren worden: hoge BTW-tarieven werken de inflatie in de hand. Het verschuiven van de belastingen van directe naar indirecte is onrechtvaardig. Meer zelfs, een daling van de indirecte belasting op producten die behoren tot de primaire levensbehoeften (daar hoort ook energie bij), en waaraan arme(re) gezinnen een groot deel van hun inkomen besteden, is een piste die dan ook moet bestudeerd worden.

30


4. Is België voor iedereen een “fiscaal paradijs”? Neen, zeker niet voor de gewone werknemer maar wel voor de grote kapitaalbezitters. En deze worden jaar na jaar talrijker in ons land In België bestaat immers geen echte vermogensbelasting. Er is evenmin een belasting op de meerwaarde uit financiële- en beursoperaties (op de winst dus bij de verkoop van aandelen tegen een hogere koers dan bij de aankoop ervan). Bovendien is er geen samenvoeging van de kapitaalinkomsten met andere inkomsten, vermits de intresten (15%) en de dividenden van aandelen (25%) aan de bron belast worden. Men noemt die heffing ‘bevrijdend’: die inkomsten moeten niet meer als inkomen worden aangegeven. Bovendien is er ook nog het strikte fiscale bankgeheim en het ontbreken van een vermogenskadaster. En er is nog meer. Hoge inkomens kunnen in België genieten van flink wat fiscale voordelen: • een lage belasting op stock options (een aandelenplan dat erin bestaat gratis aankoopopties voor aandelen toe te kennen aan werknemers waardoor ze aandelen van hun bedrijf kunnen verwerven tegen een vooraf bepaalde prijs); • een lage belasting op de onroerende inkomsten (op basis van het kadastraal inkomen; • een bovengrens voor de sociale bijdragen van zelfstandigen; • de mogelijkheid voor zelfstandigen om gemakkelijk een vennootschap op te richten, om zo van de lagere vennootschapsbelasting te genieten; • de notionele intrestaftrek, een fiscaal voordeel van 4,3 tot 4,8% op de eigen vermogens van vennootschappen. Dit alles verklaart meteen waarom onze meer gefortuneerde Noorder- en Zuiderburen zo graag in België wonen. Ons land mag dan voor rijkelui een belastingparadijs zijn, voor mensen met enkel inkomsten uit arbeid is het dit allerminst.

31


5. ABVV voorstellen voor een rechtvaardiger belasting 5.1. Hoe ziet het ABVV een echte belastinghervorming? De vorige belastinghervormingen kwamen veeleer de hogere dan de lagere inkomens ten goede. De nieuwe hervormingsplannen van de liberale minister van Financiën Didier Reynders (MR) gaan dezelfde richting uit: optrekken van het vrijgesteld minimum, het aantal aanslagvoeten verminderen van vijf naar drie, een belastingplafond invoeren. Als die voorstellen er effectief komen, dan krijgen de hogere inkomens drie euro voor elke euro die de lage inkomens zouden krijgen. Dan is er ook nog het voorstel van een aantal Vlaamse werkgeversorganisaties om de vennootschapsbelasting te regionaliseren. Het ABVV is daar vierkant tegen. Het gaat de werkgevers immers niet zozeer om het voeren van een regionaal beleid, maar wel om een nieuwe, slinkse poging om de bedrijfswinsten te verlagen. Bovendien leidt zo’n maatregel onvermijdelijk tot een neerwaartse concurrentiespiraal tussen de regio’s, andermaal ten koste van de overheidsmiddelen voor meer dringende noden. Een harmonisering van de vennootschapsbelasting op Europees niveau is voor het ABVV een veel betere hervormingsoptie, maar enkel op voorwaarde dat een voldoende hoog minimumtarief wordt toegepast. Op die manier kan er zeker voor een betere inkomensverdeling gezorgd worden. Het zijn juist de lagere (en modale) inkomensgroepen die koopkrachtproblemen hebben, die soms met moeite de energiefactuur kunnen betalen, die gezondheidszorgen moeten uitstellen, … Voor het ABVV is een echte belastinghervorming er een die de belasting op de lage en middenhoge inkomens verlaagt en die de inkomsten uit kapitaal zwaarder belast.

5.2. Wat stelt het ABVV voor? 5.2.1. BTW op energie verlagen van 21 naar 6% Verwarming, verlichting, elektriciteit voor huishoudtoestellen, … dat is allemaal levensnoodzakelijk. Het is dan ook niet normaal dat, op het geheel van het energieverbruik dat hiervoor nodig is, 21% BTW moet betaald worden. Een verlaging van de BTW op een eerste schijf van het verbruik van gas en elektriciteit naar 6% is gerechtvaardigd. En ook voor huisbrandolie zou dat tarief moeten gelden (het wordt thans op Europees niveau bepaald). Voor een doorsnee gezin zou deze maatregel neerkomen op een daling van de energiefactuur met 300 à 400 euro per jaar. 32


5.2.2. Een sociaal belastingkrediet van 1000 euro voor de lage en middenhoge inkomens Hoge inkomens hebben geen behoefte aan fiscale geschenken. De belastingverlaging moet integendeel op de bescheiden en middenhoge inkomens gericht worden. Een ‘degressief’ belastingkrediet van 1.000 euro per jaar voor de belastbare inkomsten van 1.010 tot 1.388 euro per maand, komt neer op een winst van netto 83 euro per maand voor een werknemer met het minimumloon. En voor een werknemer met een middenhoog bruto maandloon (ca. 2.750 euro) zou dit netto 61 euro meer betekenen. Om onmiddellijk effect te hebben moet dit belastingkrediet meetellen bij de berekening van de bedrijfsvoorheffing. Op die manier zou er op het maandloon van de betrokken werknemers minder belasting geheven worden en zouden ze geen twee jaar moeten wachten (tot ze hun aanslagbrief krijgen). 5.2.3. Afschaffen van het bankgeheim Het ABVV heeft ook nog een aantal voorstellen voor een rechtvaardiger fiscaliteit. Ze hebben voornamelijk betrekking op het bekendmaken van de inkomstenbronnen van de belastingplichtigen. Want hoe kennen we de verschillende inkomens? Voor die van werknemers is het eenvoudig: de belastingen krijgen een kopie van de loonfiche. Dat is ook zo voor mensen die een sociale uitkering krijgen. Ook de vennootschappen worden - in theorie althans - gecontroleerd, zij het dat fiscale spitstechnologie voor minder belastingopbrengsten kan zorgen en dat we vaststellen dat er te weinig fiscale controles zijn om doeltreffend te zijn. Maar er zijn ook inkomens die aan elke belasting ontsnappen of die zelfs bij de administratie niet gekend zijn. Meestal betreft het hier inkomsten uit kapitaal (vermogens dus). Daarom wil het ABVV de afschaffing van het fiscale bankgeheim en de invoering van een vermogenskadaster.

5.3. Waar moet het geld voor de compensatie van belastingverlagingen vandaan komen? Belastingverlagingen moeten vanzelfsprekend gecompenseerd worden om de overheidsbegroting niet scheef te trekken en/of om te vermijden dat de inkomstendaling een negatieve weerslag zou hebben op de openbare dienstverlening of op de financiering van de sociale zekerheid en het Zilverfonds. In feite is de grote uitdaging niet de globale belastingdruk te verlagen, maar wel te herschikken, zodat hij beter verdeeld wordt over alle belastingplichtigen. 33


Dat kan door: • een betere belastingheffing op kapitaalinkomsten, m.a.w. op inkomsten uit financiële beleggingen. Nu wordt de meerwaarde op aandelen zelfs niet belast. Wel moet de vrijstelling van belasting op de intresten uit spaargeld (tot 1.730 euro) behouden blijven, anders zouden de ‘kleine spaarders’ nog eens extra getroffen worden; • de invoering van een jaarlijkse belasting op grote vermogens, op patrimonium van meer dan een miljoen euro (zonder de waarde van de eigen woning mee te tellen); • het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting af te schaffen. Deze maatregel moedigt (grote) zelfstandigen aan om louter uit fiscale overwegingen een vennootschap op te richten. En ook de notionele intrestaftrek moet herzien worden; • een betere controle op de aangegeven inkomsten en strijd tegen de fiscale fraude. Volgens sommige schattingen zouden fiscale en sociale fraude samen tot een verlies van zo’n 30 miljard euro aan belastinginkomsten leiden. Hiervan nog maar 10% recupereren levert dus al gauw 3 miljard euro op. Een stap in de goede richting is alvast de oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie voor grote fraudedossiers; • een Algemene Sociale Bijdrage (ASB). Dit voorstel, dat al in mei 2006 door het ABVV werd gelanceerd, zou het gewicht van de sociale bijdragen op de inkomens uit arbeid lichter kunnen maken, door alle inkomens te doen bijdragen tot de sociale zekerheid. Een ASB zou ook de financiering van de sociale zekerheid in het algemeen en van de pensioenen in het bijzonder, op lange termijn waarborgen; • een meer realistische belasting op huurinkomsten.

Voor praktische informatie over belastingen, lees ook: ABVV-BELASTINGGIDS 2008 of website www.abvv.be. 34


35


Voor meer info: ABVV Hoogstraat 42 | 1000 Brussel Tel. +32 2 506 82 11 | Fax +32 2 550 14 00 infos@abvv.be | www.abvv.be Volledige of gedeeltelijke overname of reproductie van de tekst of illustratie uit deze brochure mag alleen met duidelijke bronvermelding. Š Februari 2009 Verantwoordelijke uitgever: Rudy De Leeuw Cover design by www.ramdam.be

36

D/2009/1262/2

Waarom betalen we belastingen? ABVV-voorstellen voor een rechtvaardiger fiscaliteit.  

Niemand betaalt graag belastingen. Toch willen we allemaal genieten van prima scholen en ziekenhuizen en een veilige, aangename buurt. We re...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you