Skip to main content

Joseph Cuypers, Architect inkijk

Page 1


Een leven in kerken

privécollectie

Joseph Cuypers, 1893.

Joseph Cuypers architect

Een leven in kerken

Gert van Kleef

COLOFON

Deze uitgave verschijnt als Jaarboek 2024 (Jaargang 40) van het Cuypersgenootschap, in samenwerking met Walburg Pers, Zutphen en mede dankzij financiële steun van het Cultuurfonds Limburg

Ontwerp omslag en binnenwerk Vivienne van Leeuwen, Rick Bekker (Eindeloos) Redactie dr. Wies van Leeuwen, dr. Herman Wesselink, drs. David Mulder

Omslagfoto Laurentiuskerk, Dongen

isbn 9789464565010

e-isbn 9789464565027

nur 648 / 681

© 2025 Gert van Kleef, p/a Uitgeversmaatschappij Walburg Pers, Zutphen © 2025 Uitgeversmaatschappij Walburg Pers, Zutphen

www.walburgpers.nl

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Zoveel mogelijk is getracht de eventuele rechthebbenden van de afbeeldingen te achterhalen. Rechthebbenden die in dit verband niet zijn benaderd wordt verzocht zich met de uitgever in verbinding te stellen.

INHOUD

inleiding 7

1 Een leven in werken 9

1 Jeugd, studie en begin van loopbaan (1861-1885) 10

2 Een overvloed aan opdrachten (1886-1894) 22

3 De bouw van een nieuwe kathedraal (1895-1905) 30

4 De realisatie van veel villa’s en een eerste uitbreidingplan (1906-1914) 42

5 Eerste Wereldoorlog, verminderde productie en een lastige zoon (1915-1920) 53

6 Een vooraanstaand man (1921-1939) 61

7 Tweede Wereldoorlog en overlijden (1940-1949) 75

2 Van alle markten thuis 77

1 Heemstede 78

2 Roermond 90

3 Geleen 109

3 Traditie en vernieuwing 125

1 Viollet-le-Duc, Alberdingk Thijm, Nieuwbarn en het ontwerpen op systeem 126

2 Los van de dominante neogotische schema’s 139

3 Een kantwerk van steen: Dom Paul Bellot en Joseph Cuypers 142

4 Invloeden van de architectuur uit andere landen 155

4 Iedere kerk een nieuwe opgave 157

5 Een rijkdom aan ontwerpen 223

1 Het oeuvre van Joseph Cuypers in zes categorieën 225

nawoord

Gewaardeerde kerken 273

1 Analyse van de aangetroffen waarderende teksten 278

2 Conclusie 285

noten 286 literatuur en bronnen 296 oeuvrelijst van joseph cuypers’ bouwprojecten 299 register 306

INLEIDING

Vader Pierre en zoon Joseph Cuypers waren tot na de Tweede Wereldoorlog gevierde architecten. Voor Pierre Cuypers werden al tijdens zijn leven grootse jubilea georganiseerd en na zijn overlijden in 1921 volgden even grote herdenkingsbijeenkomsten. In 1930 werd zijn standbeeld in Roermond onthuld door prins Hendrik der Nederlanden. De jubilea van Joseph waren minder groots, maar er werd veel over geschreven. Een eervol moment was er tijdens de feestelijkheden rond de voltooiing van de Nieuwe Bavo in Haarlem in 1928. Het dagblad De Tijd schrijft daarover: ‘Maar bouwmeester Jos. Cuypers van de nieuwe [Bavo] stond gisteren mét de bisschoppen boven den ingang en allen kenden hem, want er ging een afzonderlijk gejuich voor hem op toen – na de toespraken der bisschoppen van de St. Bavosteden Haarlem en Gent – hij nog even alleen neerblikte van zijn arbeid op de omgeving.’1

Van die roem bleef in de jaren zestig van de vorige eeuw weinig over. De neogotische architectuur van Cuypers en andere negentiendeeeuwse architecten werd verfoeid en niet belangrijk genoeg bevonden om te bewaren. Van Pierre Cuypers’ zes kerken in Amsterdam werden er drie gesloopt, waaronder zijn magnum opus, de Willibrordus buiten de Veste-kerk, en zijn markante Maria Magdalenakerk. De derde kerk, De Liefde, volgde alsnog in de vroege jaren negentig. Buiten Amsterdam werd van de nog geheel gave Maria Hemelvaartkerk van Wytgaard, als slotakte van de sloop van de kerk, de toren opgeblazen en werden onder meer de Heilig Hartkerk in Helmond, de kathedraal van Breda en de Dominicuskerk van Alkmaar gesloopt. Kerkinterieurs van Pierre werden na het Tweede Vaticaans Concilie te bont bevonden en gezuiverd.

Een dergelijke vernietigingsronde is de kerken van Joseph Cuypers bespaard gebleven. In dit

boek wordt geconcludeerd dat er vrijwel geen kerk van hem verdwenen is. Ook zijn er nog veel grotendeels gave kerkinterieurs van Joseph te bewonderen. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat in de jaren zestig vooral de negentiende-eeuwse neogotische kerkinterieurs lelijk werden gevonden; de meeste kerken van de bouwmeester in kwestie zijn van later datum. Ook waren veel kerken van Pierre na ruim honderd jaar aan groot onderhoud toe en die van Joseph nog niet.

In 1972 kwam een tegenbeweging op gang met het boek De 19de-eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland van Henk Rosenberg, een pleidooi voor herwaardering van deze kerken. In dit boek is veel aandacht voor Pierre Cuypers, maar er wordt ook aandacht besteed aan Joseph Cuypers en Jan Stuyt. De daaropvolgende selecties en beschrijvingen van kerken en de plaatsing ervan op de monumentenlijst maakte goeddeels een einde aan de sloop van kerken en het verwijderen van interieurs. Het in 1984 opgerichte Cuypersgenootschap droeg daar veel aan bij. Voor Pierre Cuypers ontstond in de wetenschappelijke wereld veel belangstelling. Vier deskundigen promoveerden op zijn werk en er kwam een stroom van publicaties los. Een hoogtepunt was het Cuypersjaar 2007 met tentoonstellingen in Rotterdam, Roermond en Maastricht.

Rond Joseph bleef het echter wat stil. Wel kwamen in 1997 en in 2016 lijvige boekwerken uit over de Nieuwe Bavo met veel aandacht voor de architect. Maar die hadden niet tot doel aandacht te besteden aan zijn complete oeuvre, noch aan zijn leven. Daarnaast kwam Wies van Leeuwen met een verkorte uitgave van een eerdere publicatie over het werk en leven van Pierre Cuypers waarin hij meer aandacht besteedde aan het aandeel van Joseph in werken van vader en zoon Cuypers als de Vituskerk in

Hilversum, de Josephkerk en de Martinuskerk in Groningen en Kasteel de Haar in Haarzuilens. Al jaren daarvoor, in 1978, had Giovanni Fanelli in zijn Moderne Architectuur in Nederland een kleine aanzet gegeven voor het oeuvre van de architect.

Toen Bernadette van Hellenberg Hubar mij in 2018 enthousiast maakte om een publicatie te wijden aan de werken van Joseph Cuypers was er dus weinig recent materiaal aanwezig. Dat beperkte zich tot De Katholieke Kerken in Nederland van Jan Kalf met de stand van de katholieke kerkbouw tot 1910-1914, De herleving van de kerkelike kunst in Katholiek Nederland van de hand van Gerard Brom en de hierboven genoemde boeken.

Toch was het geen tabula rasa waarmee het onderzoek naar de bouwmeester begon. Het Nieuwe Instituut in Rotterdam beschikt over een behoorlijk compleet bureau-archief van projecten waaraan door vader, zoon en kleinzoon Cuypers werd gewerkt. Daarmee kon een eerste overzicht worden gemaakt van ontwerpen van Joseph Cuypers. Met hulp van de websites Reliwiki voor kerken en Delpher voor het overige werk kon worden vastgesteld of ontwerpen waren gerealiseerd en nog bestonden. Het bleken er zoveel te zijn dat voor een eerste publicatie over de architect een beperking nodig was. De nadruk kwam te liggen op kerken.

Het was wederom Bernadette van Hellenberg die mij adviseerde een artikel te schrijven voor de Spiegel van Roermond over de werkzaamheden van Joseph Cuypers rond de jubilerende Munsterkerk aldaar. Al snel bleek uit het aanwezige materiaal in het Cuypers-archief dat de bouwmeester veel meer was dan architect, en wel stedenbouwkundige, overheidsadviseur, supervisor en welstandsexpert.

In de eerste jaren van mijn onderzoek riep het Cuypersgenootschap mijn hulp in bij de onderbouwing van de monumentenaanvraag van de Onze Lieve Vrouw Hemelvaartkerk in Heemstede.

Ook daar bleek Joseph gedurende bijna veertig jaar een veelheid van functies te hebben gehad, met eenzelfde veelzijdigheid als in Roermond.

Een onderzoek in het Cuypers-archief leidde tot de conclusie dat de bouwmeester ook een veelheid van taken had in Geleen, dat hij – net als in Heemstede – zijn huidige stedenbouwkundige vorm gaf. Daarnaast bleek dat de bouwmeester voor heel veel gemeenten uitbreidingsplannen had gemaakt, zodat dit onbekende deel van zijn oeuvre naast het kerkelijk werk ook aandacht moest krijgen.

Om de persoon in te kleuren is het bij een eerste publicatie over een architect noodzakelijk aandacht te besteden aan zijn persoonlijk leven.

Anders blijft het een technisch boek dat maar weinig lezers zal aanspreken. Dit boek begint dan ook met het hoofdstuk ‘Een leven in werken’ over het leven van Joseph Cuypers met een aantal hoogtepunten uit het oeuvre. Onder meer worden behandeld het grote aandeel van de bouwmeester in het ontwerp van Kasteel de Haar en zijn ontwerpen voor de Effectenbeurs, het pakket- en expeditiegebouw bij het Centraal Station en het Ignatiuscollege in Amsterdam.

Vervolgd wordt met het hoofdstuk ‘Van alle markten thuis’ over het stedenbouwkundige werk in Heemstede, Roermond en Geleen met al zijn uiteenlopende taken. Daaruit kan worden opgemaakt hoe veelzijdig de bouwmeester was en hoe hij omging met zijn opdrachtgevers, naast particulieren veelal gemeente- en kerkbesturen.

In ‘Traditie en vernieuwing’ wordt toegelicht wat de inspiratiebronnen waren bij Joseph Cuypers’

kerkontwerpen. Die variëren van bronnen die hij van zijn vader meekreeg, tot die van zijn collega’s uit netwerken uit het begin van de twintigste eeuw en weer later de expressionistische ontwerpen van de Franse architect Dom Bellot.

Een analyse van de ontwerpprocessen van acht kerken heeft een plaats gekregen in het hoofdstuk ‘Iedere kerk een nieuwe opgave’. Joseph zag het ontwerpen van al die kerken weer als een nieuwe opgave, waardoor ze allemaal verschillend werden, afhankelijk van periode, eisen, plaatselijke omstandigheden en budget. Elke kerk was weer een spannende uitdaging.

Zonder een toegelicht oeuvre van kerkontwerpen zou dit boek geen hart hebben. Joseph Cuypers heeft aan zeer veel kerken gewerkt, maar van 66 kerken bepaalde hij de verschijningsvorm. Alle 66 krijgen in ‘Een rijkdom aan ontwerpen’ een korte of langere toelichting en foto’s voor zover die niet elders in het boek staan.

Wat men van deze kerken vond, is te lezen van het laatste hoofdstuk, ‘Gewaardeerde ontwerpen’.

Niet de auteur geeft hier zijn mening, maar hij laat die over aan kranten, tijdschriften, boeken en monumentenbeschrijvingen. Dat wil niet zeggen dat hij geen mening heeft. Gedurende de vijf jaren onderzoek ben ik steeds meer geboeid geraakt door de veelzijdigheid waarmee Joseph Cuypers ontwierp en door de groei die hij heeft doorgemaakt. Al zijn 66 kerken zijn kunstwerken die het waard zijn om nog lang te blijven staan.

Recent is de aandacht voor het werk van de bouwmeester toegenomen. De Stichting Cuyperiana heeft 2024 uitgeroepen tot Joseph Cuypersjaar, dat begon op 20 januari, toen het 75 jaar geleden was dat hij stierf. Naast dit boek verschijnt een e-boek van de hand van Bernadette van Hellenberg Hubar over de Joseph Cuypers Collectie in het gemeentearchief van Roermond, en een hertaling van De Kleine Republiek van Lodewijk van Deyssel. Hij beschrijft hierin Rolduc, waar de bouwmeester zijn kostschooltijd doorbracht. Een ander hoogtepunt is de oplevering

van de restauratie van de maquette van de apsis van Cuypers’ Jacobskerk in ’s-Hertogenbosch.

Uit het voorgaande wordt duidelijk dat ik zonder Bernadette van Hellenberg Hubar niet aan dit boek was begonnen, maar zonder de redactie van Wies van Leeuwen, Herman Wesselink en David Mulder was het niet leesbaar geworden. Zij verdienen zeer veel dank voor hun inspiratie en inspanning.

Dit boek steunt vooral op het archiefmateriaal van het gemeentearchief van Roermond en het Nieuwe Instituut in Rotterdam en daarmee op de steun van Lian Geurs in Roermond en van Eva Lintjes, Karin Riezebos en Iris de Jong in Rotterdam. Ook zij verdienen dank voor hun vele werk.

Hanneke Verberne heeft de moeilijk geschreven lange Franse voordracht van Joseph Cuypers aan de Sorbonne in Parijs vertaald. Dank voor het daarmee verkregen inzicht in het stedenbouwkundige werk van de bouwmeester. Veel dank ook aan mijn man Eric en kinderen Leonie, Frederic en Philippe die het geduld hadden om steeds weer mijn verhalen over de familie Cuypers aan te horen en ontelbaar veel kerken met mij hebben bezocht.

leeswijzer

De meeste kerken van Joseph Cuypers zijn ontworpen samen met zijn drie vennoten. Dit betreffen zijn vader P.J.H. Cuypers, Jan Stuyt en zijn zoon P.J.J.M. Cuypers, kortweg Pierre jr. Bij een correcte vermelding over de ontwerpen zou in dit onderzoek daarom vaak worden vermeld ‘Joseph Cuypers en zijn vennoten’. Voor de leesbaarheid is dit ingekort tot ‘Joseph Cuypers’. Uit de inhoud van dit boek blijkt welk aandeel zijn vennoten daarbij hebben gehad.

Om de leesbaarheid te vergroten worden kerken kort met de naam van de patroonheilige voor het woord ‘kerk’ aangeduid, of met de plaatselijk gangbare naam. Met de ‘Nieuwe Bavo’ wordt de Bavokathedraal van Haarlem bedoeld.

1 Een leven in werken

1. Woon-werkhuis van de familie Cuypers in Roermond, 1921. uit: het werk van p.j.h. cuypers 1827-1921, plaat i.

1 Jeugd, studie en begin van loopbaan (1861-1885)

eerste levensjaren tot 1865 Joseph Cuypers is geboren op 10 juni 1861 en beleefde zijn jeugd in het grote woonhuis van zijn ouders in Roermond. In die tijd werden in Nederland de contouren van een veranderende wereld zichtbaar. De laatste terechtstelling in vredestijd vond plaats, in Suriname werd de slavernij afgeschaft en men richtte de eerste ambachtsschool op. Naast deze praktische opleiding kreeg de regering-Thorbecke de Wet op het middelbaar onderwijs door het parlement, waarmee de hogere burgerschool (HBS) tot stand kwam. Over het tekenonderwijs op die beide schooltypen zou Joseph gedurende zijn leven veel schrijven om tot verbetering van de lessen te komen. Acht jaar eerder was de bisschoppelijke hiërarchie na 373 jaar afwezigheid hersteld met de benoeming van vijf bisschoppen. Dat was een grote stap naar de bloeitijd van de rooms-katholieke kerk in Nederland met veel nieuwe kerken, kloosters en later ook scholen.

Josephus Theodorus Joannes Cuypers was het eerste kind van Antoinette Catherine Thérèse (Nenny) Cuypers-Alberdingk Thijm (1829-1898) en Petrus Josephus Hubertus Cuypers (1827-1921). Zijn moeder was niet de eerste vrouw van Pierre Cuypers; dat was Maria Rosalia van de Vin (1823-1855), die vroeg overleed. Uit dit huwelijk was zijn halfzusje Catharina Felicia Rosalia (Rosa) Cuypers (1852-1936) geboren. De ouders van Joseph legden de basis voor een vroom katholiek gezin. Uit artikelen, brieven en oorkonden blijkt dat Joseph de katholieke kerk gedurende zijn hele leven trouw bleef. Het geloof was voor hem een leidraad en een belangrijke inspiratiebron en bepaalde voor een belangrijk deel zijn leven. Hij zou vertrouwd raken met alle lagen van de Nederlandse kerkelijke hiërarchie en bewoog zich daar gemakkelijk in.

Een andere bepalende factor was de architectuur, het vakgebied van zijn vader. Pierre Cuypers stond bij de geboorte van zijn zoon al lang niet

meer aan het begin van zijn carrière, maar had ook nog niet de roem bereikt van zijn latere jaren. Hij was de bepalende factor in het architectenbureau en het atelier voor kerkelijke kunst in het geboortehuis van Joseph. Het moet in die jaren een drukte van belang zijn geweest rond de jonge Joseph, met een komen en gaan van ontwerpers, tekenaars en beeldhouwers van kerkelijke kunst en de opdrachtgevers van zijn vader. Het atelier was opgericht samen met een vennoot, François Charles (Frans) Stoltzenberg (1805-1875). De bisschop van Roermond, Joannes Paredis, was beschermheer van het atelier.2

De zorg voor halfzusje Rosa was al voor de geboorte van Joseph aan Nenny toevertrouwd en later vertrok Rosa naar een kostschool in Venray. Bijna twee jaar na zijn geboorte werden zijn zusje Maria Catharina Ursula (Mia) (18641944) geboren en, tijdens een reis naar Rome van Pierre, zijn broertje Theo (1863-1865). Het gezin breidde zich verder uit met Catharina Wilhelmina Maria (Cathy) (1866-1934) en, veel later, met Anna Josephine Maria Theodora (Annie) (1873-1961). Helaas overleed Theo al in maart 1865, toen Joseph bijna vier was. Dat moet een gebeurtenis zijn geweest die grote indruk op de jonge Joseph heeft gemaakt.3

Vader Cuypers had bij de geboorte van Joseph al een aantal woonhuizen in Roermond (waaronder zijn eigen woon-werkpand) en kerken op zijn naam staan. De belangrijkste zijn de Lambertuskerk in Veghel, de Martinuskerk in Maastricht, de Salvatorkerk in Oeffelt, de Catharinakerk in Eindhoven en de Laurentiuskerk in Alkmaar. Hij breidde zijn praktijk steeds verder uit, van het zuiden naar het westen van Nederland.

verhuizing naar amsterdam 1865-1872

Het tweede huwelijk van Joseph’ vader kwam voort uit de nauwe vriendschap tussen Pierre Cuypers en de Amsterdamse ondernemer, uitgever, schrijver en kunstcriticus Josephus Albertus Alberdingk Thijm (1820-1889). Nenny

was de zus van Thijm. Het was Thijm die aandrong op verhuizing naar Amsterdam, omdat reizen vanuit Amsterdam naar de talloze opdrachtgevers van zijn vader efficiënter was dan vanuit het verafgelegen Roermond. Maar ook omdat zijn moeder daar haar meeste contacten had en die goed kon gebruiken tijdens de vele reizen van Pierre, zeker na de vroege dood van broertje Theo. Die verhuizing vond plaats in november 1865, toen Joseph ruim vier was en dat bewust meemaakte. Het nieuwe huis stond heel landelijk nabij het Leidse Bosje en het nieuwe Vondelpark buiten de Singelgracht. Het was de voormalige uitspanning ‘Nabij Buiten’ (later Vondelstraat 9). Zijn vader pakte die verbouwing stevig aan door het woongedeelte middels een bouwlaag te verhogen met een zaal, een woonkamer en een kapel.4 Het nieuwe huis kreeg de naam Leyerhoven, naar een vroegere buitenplaats.

De nieuwe huisvesting zorgde niet alleen voor een andere omgeving, maar ook voor een ander type huis. In Roermond werd gewerkt in of naast het woonhuis, dat aan de rand van het centrum lag. Het huis in Amsterdam had voornamelijk een woonfunctie en stond in een meer landelijke omgeving, wat versterkt werd door de begroeiing van het woonhuis met klimop. Het

2. Leyerhoven, het eerste woonhuis met atelier van de familie Cuypers aan de Vondelstraat in Amsterdam, in 1865 door P.J.H. Cuypers verbouwd, circa 1880-1884. hni (cuba ph 1131).

3. Portret van de jonge Joseph Cuypers, 1876. detail van een

klassenfoto van rolduc, https://rolduc.org/ cuypers.

Atelier Cuypers en Stoltzenberg bleef in Roermond gevestigd, zodat het praktische werk veel minder ruimte innam. De bedrijvigheid waar Joseph mee was opgegroeid, was in Amsterdam een stuk minder. Hoewel de chef van de beeldhouwwerkplaats, Jean Hubert (Jan) Lauweriks (1819-1869), ook meeverhuisde, werd deze leidinggevende ondergebracht in de verbouwde herbergvleugel achter het hoofdgebouw Het architectenbureau kreeg daarin ook een plaats.5

De relatieve stilte zal Joseph maar kort hebben ervaren, omdat zijn vader, samen met enkele katholieke geestverwanten, na de verhuizing grond opkocht rond ‘Nabij Buiten’ om tot de aanleg van de Vondelstraat te komen. Hierbij ging het landelijk karakter verloren om plaats te maken voor een voorname woonwijk met een aantal villa’s en geschakelde herenhuizen aan de zijde van het Vondelpark tegenover een gesloten gevelwand met ruime herenhuizen. De jonge Joseph zag in korte tijd veel bebouwing tot stand komen, gedeeltelijk naar ontwerp van zijn vader. Vanaf zijn negende werd daar nog de bouw van de Vondelkerk aan toegevoegd. Zo kon hij in zijn eigen woonomgeving al vroeg met de bouwpraktijk kennismaken.

rolduc (1872-1879)

Zijn middelbareschooltijd bracht Joseph door in het internaat Rolduc in Kerkrade. Dat moet een inspirerende omgeving zijn geweest voor de zoon van een architect omdat het complex bouwkunst uit de laatste vier eeuwen liet zien. Zijn vader had omstreeks 1854 de crypte en het koor van de abdijkerk gerestaureerd en een orgel met tribune geplaatst. Rolduc had in de geschiedenis wisselende functies gehad, maar in de tijd van Joseph waren er een seminarie, een kweekschool en – sinds 1872 – een hbs gevestigd. Joseph maakte gebruik van dit nieuwe onderwijsaanbod op Rolduc. Het was een school voor heel katholiek Nederland. De adel stuurde haar zonen naar de jezuïeten in Katwijk, en de gegoede burgerij, waartoe Nenny en Pierre zeker konden worden gerekend, zond haar kroost naar Rolduc.6

Zijn leven en dat van zijn schoolgenoten op Rolduc wordt goed geïllustreerd in De Kleine Republiek uit 1889. Auteur was Lodewijk van Deyssel, pseudoniem van Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm (1864-1952), jongste kind van Joseph Alberdingk Thijm, en derhalve een neef van Joseph Cuypers. Hij was drie jaar jonger dan Joseph en bleef slechts enkele jaren in Rolduc omdat hij van school werd gestuurd. Hij zal dus rond 1876 bij Rolduc zijn begonnen en rond 1879 zijn weggestuurd, zodat hij zijn neef in de bovenbouw van de hbs meemaakte. In het boek wordt de auteur neergezet als Willem en Joseph als Jules. Die lijkt er bij de eerste stappen van Willem in Rolduc voor wat betreft zijn uiterlijk bekaaid af te komen: ‘kalm en verstandig met de matte grijs-blauwe oogen, langzaam etend, het zwaardikke hoofd recht onder grauw-bruin borstelig dik recht-óp-haar, als een harde ragebol, de dikke billen onder uit de gelig-grijze kiel als kalfslevers op de bank gezakt’. Bij verder lezen wordt dat beeld aangevuld: ‘Kop-en-Kont [bijnaam van Jules] was ouder en veel grooter als Willem, bedaard en verstandig, met toespreekmanieren als een volwassene […].’ Jules ontfermde zich over zijn jongere neef en die beschrijft hem als ‘Kop-en-Kont met zijn mooidikke lijf en landelijk-weelderige hoofdgroei, in zijn kiel als een reuzig kind […]’. Na de introductietijd van Willem blijft hij Jules als een verstandige jongen beschrijven, bedaard en handig omgaand met de jongensstreken die ook met hem worden uitgehaald.7 Een in Rolduc gemaakte foto uit 1876 geeft een indruk van de jonge Joseph.8

Jaren later was Karel opnieuw positief over Joseph. In een commentaar in De Telegraaf van 1918 over de Nieuwe Bavo is hij lovend over de kerk en zijn ontwerper: ‘Het is een meesterstuk van mijn neef, den architect Joseph Cuypers, zoon van mijn oom, den eerwaardige dr. P.J.H. Cuypers. Deze kerk staat daar zeer fraai, zo van alle zijden, in al haar vormen te zien, zoals met weinig kerken het geval is. Het is altijd weer een genoegen de buitenzijden van de kerk te zien en ook aan de binnenkant is alles voortreffelijk:

uitmuntend van smaak. Ik zeg dit zonder vrees er van verdacht te worden ten gunste van familieleden gepraejudiceerd te zijn, te meer daar ik overigens van mijn neef slechts weinig houd. Noch Eduard, dit verdere lid van de architectenfamilie, heeft zoo iets fraais gemaakt, noch zal, naar ik vrees, Michel, de zoon van Joseph het zover brengen.’9

Het was een gelukkige omstandigheid dat Mgr. Willem Everts (1827-1900), een huisvriend van de familie Cuypers, tijdens het verblijf van Joseph op Rolduc directeur was. Everts was daar als zodanig aangesteld tussen 1868 en 1893. Willem Everts was een zeer vertrouwde vriend van Pierre Cuypers en woonde zelfs tijdens het overlijden van Nenny in 1898 bij hem in.10 Het was Willem Everts die in 1863 met Pierre Cuypers en Alphons Ariëns een bezoek bracht aan Rome om paus Pius IX te huldigen.11 Na het overlijden van Willem nam zijn neef Henri Everts diens rol bij de familie Cuypers over en regelde in 1921 de begrafenis van Pierre.12 Met beiden had Joseph goed contact. Met Henri werkte hij goed samen in de Bisschoppelijke Bouwcommissie, waarvan Henri voorzitter was, zoals bij de beoordeling van de Augustinuskerk in Geleen (zie hoofdstuk 4).13 Met Willem was hij eveneens vertrouwd, zoals blijkt uit een brief aan Joseph in 1883 waarin de ‘innig toegenegen’ Willem eindigt met ‘Adieu Lieve Vriend, tot ziens in Rolduc […].’14

Joseph deed twee jaar over de derde klas, maar nam in latere jaren revanche. Hoewel Rolduc een goede school was, deden slechts weinig leerlingen mondeling eindexamen. Als enige leerling van Rolduc ging Joseph met elf andere leerlingen van de HBS’-en uit Maastricht en Roermond daarvoor naar Maastricht. Uit een artikel in De Maasbode van 5 augustus 1897 blijkt dat hij bij het eindexamen de beste was: ‘Hier is nog te bemerken, dat de student aan de H.B.-school te Rolduc, de heer J. Cuijpers [sic] van Amsterdam, de meesten punten behaalde. Hij volgde daarmee de traditie van Rolduc: als ze meededen met dit examen, dan slaagden ze ook.’15

In de laatste twee jaren van Rolduc ging Joseph tijdens vakanties niet meer naar Leyerhoven, omdat zijn ouders in 1877 waren verhuisd naar Nieuw Leyerhoven, een stukje verderop in de Vondelstraat. Joseph hoorde in februari 1878 van directeur Willem Everts dat zijn ouders de grootste en rijkste villa van Amsterdam zouden gaan bewonen. Het nieuwe huis was uiteraard door zijn vader ontworpen en inderdaad ruim van opzet. De woning was bedoeld als een dubbele villa – die later door Joseph werd gesplitst in drieën – recht tegenover de Vondelkerk en aan de ingang van het Vondelpark. Een mooie plek voor de vakanties van een zestienjarige.16 Nenny en Pierre betrokken de rechterhelft en richtten die weelderig in.17

polytechnische school (1879-1883)

Joseph haalde in het Cuypersnummer van Het Gildeboek in 1921, geschreven naar aanleiding van het overlijden van Pierre Cuypers, herinneringen op aan zijn vader. Daarin vertelt hij over diens huwelijk met Nenny, die vijf talen sprak, en over de 24 laatste zware jaren van zijn vader na het overlijden van zijn moeder. Ook vermeldt hij dat hij zeven jaar intern is geweest bij Rolduc met slechts twee vakanties per jaar. Hij is dus niet alleen vanwege zijn doublure in de derde klas langer gebleven, maar daarnaast nog een jaar extra. Zijn opleiding in Delft duurde vier jaar, waarbij hij gehuisvest was bij een gelovige protestantse familie. Hoewel hij vanaf 1872 dus steeds maar kort thuis was, geeft hij aan dat de gesprekken die thuis gevoerd werden heel belangrijk voor hem waren. Die gesprekken hadden alles in zich om bij te dragen aan de keuze van Joseph voor een vak in de architectuur.

Hij schrijft: ‘Het huiselijk leven kenmerkte zich door een ernstige stemming. Daar kunst, leven, het werk en den Godsdienst door Vader tot een schoon harmonisch geheel waren samengeweven, een opvatting die door Alberdingk Thijm ook in practijk werd gebracht, beheerschte de bouwkunst de gesprekken, waar de sterke impressies van Vaders open gemoed [en] door de zeer belezen en muzikale-ontvankelijke natuur van Moeder gretig werden opgevat. Als

4. Nieuw Leyerhoven, het tweede woonhuis van de familie Cuypers aan de Vondelstraat in Amsterdam door P.J.H. Cuypers in 1999. foto martin alberts, saa beeldbank (010122009497).

5. Voor de Polytechnische School ontworpen vooraanzicht van een kerk, 1882. hni (cuyp t 477.2).

eenige zoon sloot ik als van zelve daarbij aan.’

De bouwkunst zou dus ook het leven van zoon Joseph gaan beheersen.18

Dezelfde wet uit 1863 die het voor Joseph mogelijk maakte in Rolduc de hbs te volgen, regelde ook de komst van de Polytechnische School in Delft. Het was de opvolger van de Koninklijke Academie die in 1843 was gestart.19 De school had niet de status van universiteit omdat er onvoldoende onderzoek werd gedaan. Men kon drie vakken studeren: civiele techniek, bouwkunde en werktuigbouwkunde. Joseph Cuypers ondertekende geregeld artikelen en ontwerpen met zijn naam en daarachter de aanduiding bouwkundig en civiel ingenieur (bi-ci). Hij heeft dus beide studierichtingen gevolgd, maar was vooral architect. Dat hij ook civiel actief bleef, laat een project in Swalmen zien waarbij hij tussen 1945 en 1949 een brug bouwde. En het blijkt ook uit zijn belangrijke rol bij de bouw van de ‘nieuwe’ Servaasbrug in Maastricht.20

Voor de toelating tot de lessen was het eindexamen hbs met vijfjarige cursus verplicht. Er was geen toelatingsexamen, zodat Joseph na de positieve uitslag van zijn mondelinge eindexamen wist dat hij naar Delft kon. Met drie vakanties van elk tien dagen kon hij vaker naar huis dan in zijn tijd in Rolduc.

In de tijd dat Joseph aan de Polytechnische School studeerde, was Eugen Gugel (1832-1905) de eerste hoogleraar bouwkunst, en hij zou dat blijven tot 1902. Bijzonder was dat Gugel de opleiding volledig zelf heeft moeten ontwikkelen omdat hij in Delft geen voorganger had. Afkomstig uit Beieren heeft hij ongetwijfeld de Duitse oriëntatie op zijn vak ingebracht. Er was immers in Delft nog geen sprake van een eigen identiteit toen hij arriveerde. Gugel schreef het Handboek in het college in de geschiedenis der bouwstijlen, dat ongetwijfeld gebruikt is door Joseph Cuypers. Daarna schreef de professor zijn standaardwerk Geschiedenis van de Bouwstijlen in de hoofdtijdperken der architektuur. De paden van de familie Cuypers en Eugen Gugel vielen soms ook samen.

Zo werd Gugel in 1874 lid van de Commissie van Rijksadviseurs voor de monumenten van geschiedenis en kunst, waarin ook Pierre zitting had. Ook werd de nieuwe spits van de Nieuwe Kerk in Delft door Gugel en Pierre Cuypers gezamenlijk ontworpen.

In Het Nieuwe Instituut zijn veel tekeningen uit Josephs Delftse periode bewaard gebleven, die een vaardige hand tonen. Latere berichten dat hij niet de adequate tekenstijl had van zijn vader, vinden hier geen voedingsbodem. Voorbeelden zijn een ontwerp voor een kerk met bijpassend altaar uit 1882 en twee gedetailleerde tekeningen van de stations van Bazel en Straatsburg uit 1883. Het ontwerp van de kerk bestaat uit een vooraanzicht, een plattegrond, een doorsnede over de eerste travee vanuit het koor en een altaar. Het zeer uitgewerkte altaar laat zien dat het om een katholieke kerk gaat. De grote aandacht die Gugel in zijn standaardwerk besteedde aan de katholieke bouwkunst, vooral aan het werk van Pierre Cuypers, laat zien dat hij goed bekend was met deze architectuur. Ondanks het benutten van veel voorbeelden uit de neogotiek blijft het ontwerp wat schools en sluit het aan bij de vroege kerken van zijn vader. Maar in 1880 was de Vondelkerk met een veel speelsere opzet ingewijd. Die kerk kon Joseph tijdens zijn vakanties vanuit het huis van zijn ouders zien en hij moet daarover met zijn vader hebben gesproken. Misschien maakte de traditionele plattegrond van de door Joseph ontworpen kerk echter deel uit van de opdracht van Gugel, en had hij daarin dus geen vrijheid. De tekening van het altaar past goed bij het kerkontwerp en is zeer gedetailleerd uitgewerkt. De harmonieuze kleurenkeuze, de passende positie in de nis achter het altaar en de detaillering vertonen de hand van een vaardige ontwerper.21

afstuderen, reizen en werken (1883-1885)

Op 1 januari 1883 scheef een vriend aan Joseph Cuypers dat hij in 1883 ‘een ingenieur van Waterstaat en bouwkunde’ zou worden.22 Dat

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook