Skip to main content

De Ploeg in de Jaren twintig

Page 1

de ploeg in de jaren twintig

‘De Ploeg in de jaren twintig’ is het verhaal van de bloeitijd van de Groninger Kunstkring ‘De Ploeg’, van het Gronings modernisme niet alleen in de schilderkunst maar ook op het gebied van muziek, architectuur, literatuur en theater. Het zijn de jaren na de Eerste Wereldoorlog, waarin de Europese avant-garde in de ban is van een utopistisch verlangen naar een nieuwe, betere wereld. Zo ook Hendrik Werkman die met zijn druksels uiting geeft aan een diepgevoelde wens naar een leven in harmonie met zichzelf en zijn omgeving. Of de architect en schilder Job Hansen die naast zijn werk als ‘bouwer van de stad’ zijn droom van een ideale wereld gestalte ziet krijgen in het schilderen in de natuur. En niet te vergeten de teken­ leraar en schilder Jan Jordens die ge­fascineerd is door de ongekunstelde expressie van de vrije kindertekening. Acht auteurs, kenners van De Ploeg, laten zien, hoe bij alle verscheidenheid qua karakter, stijl en thematiek het werk van de kunstenaars van De Ploeg doortrokken is van de tijdgeest van optimisme.

in de jaren twintig


De Ploeg in de jaren twintig

2


3


Peter Jordens

redactie

4


in de jaren twintig


I 6


Inhou Inhoud

8

Woord vooraf

Peter Jordens

Maarten Duijvendak

Kees van der Ploeg

Han Steenbruggen

Anneke de Vries

Peter Jordens

Wim Koops

Hendrik Jan van den Berg

Doeke Sijens

12 Inleiding · De Ploeg, het expressionisme en de vrijheid van de geest 20 Groningen 1918: Jonge migranten, tango, ragtime en De Ploeg

52 Artistieke en maatschappelijke idealen: De context van De Ploeg 88 Het atelier als zinnebeeldig decor

106 ‘Een idee van Danny’ · 1926: Dijkstra en Ruyneman ensceneren muziek 132 HoJo en de lino · Jan Jordens en het vrije tekenonderwijs 158 De wandschilderingen van Jan Wiegers in Mutua Fides 168 Een ‘déjeuner sur l’herbe’ · De teksten van H.N. Werkman, ontstaansgeschiedenis en interpretatie 206 ‘De hoofden der burgers buigen zich angstig onder spetterende medeklinkers’ · Vier literatoren van De Ploeg 228 Over de auteurs 230 Colofon


Wo or d v o or a f * te hij niemand minder dan Ernst Ludwig Kirch­ ner, een groot schilder en medegrondlegger van het Duitse expressionisme en raakt door hem ge­ ïnspireerd. Het verloop van het verhaal is wellicht bekend. Na een jaar kuren keert Wiegers in 1921 gezond en wel naar huis, om vervolgens zijn kunstbroeders (en een enkele zuster) te enthou­ siasmeren voor het expressionisme. Bij De Ploe­ gers van het eerste uur leidde dit tot een bijzon­ der originele kunst waarin intense kleur- en stijl­ verandering en een nieuwe schildertechniek het licht zagen, terwijl ook de grafiek en tekenkunst zouden gaan bloeien. Het Gronings expressionisme was gebo­ ren.

In 2018 is het exact 100 jaar geleden dat Kunstkring De Ploeg werd opgericht. Hier in het Noorden, in ‘Grunn’, is dat wellicht niemand ontgaan. Voor het Groninger Museum, maar ook voor andere musea en instellingen in Stad & Ommeland een goed moment om stil te staan bij de betekenis van dit illustere kunstenaarsgezelschap. Hoewel De Kring tot op de dag van vandaag bestaat, gaat onze aandacht uit naar die luisterrijke beginjaren van De Ploeg, naar het avant-garde klimaat van de jaren twintig van de vorige eeuw, naar de tijd waarin er in Groningen op cultureel gebied zoveel interessants gebeurde. 1918. Een groep betrekkelijk jonge kunstenaars, veelal afgestudeerd aan de Academie Minerva in Groningen, zoals Jan Wiegers, Johan Dijkstra, Jan Altink en anderen, wilden op dat toch wel enigszins traditionele kunstkli­ maat in Groningen, gedomineerd door coryfeeën als Jo­ zef Israëls, Otto Eerelman en Hendrik Willem Mesdag, hun eigen stempel zetten, een beetje leven in de brou­ werij brengen, of zoals naamgever Jan Altink het ooit verwoordde: “omdat er in Groningen niet zoveel te doen was op kunstgebied, dacht ik aan ont­ginnen en dus aan ploegen”. Zo werd De Ploeg opgericht, “om de artiesten nader tot elkaar te brengen en het kunstleven op alle wijze bevorderen”, zo lezen we althans in de statuten. Onderliggende reden zal waarschijnlijk ook zijn geweest dat je als groep nu eenmaal sterker staat en het wellicht eenvoudiger wordt om te exposeren.

8

De Ploeg kwam al gauw in een artistieke stroomversnel­ ling terecht met de ziekte van een van haar leden: Jan Wiegers. Gezamenlijke inspanning van de Ploeg­leden maakte het mogelijk de jonge veelbelovende kunste­ naar te laten kuren in het mondaine Davos, een in­ spirerende omgeving die zijn leven beslissend zou ver­ anderen. Daar in de omtrek van de Zauberberg ontmoet­

De tentoonstelling Avant-garde in Groningen. De Ploeg 1918-1928 brengt, naast een proloog die laat zien wat er aan De Ploeg voorafging, onderwerpen in beeld als por­ tret, naakt, stads- en uitgaansleven en landschap; voert u langs oeuvres van reeds genoemde kunstenaars maar ook anderen zoals George Martens, Alida Pott, Wobbe Alkema, Jan van der Zee, Jan Jordens, Job Hansen, en niet te vergeten Hendrik Nicolaas Werkman, maakt in­ vloeden aanschouwelijk van Van Gogh en Kirchner waar­ binnen De Ploeg is ingebed, werpt licht op het vereni­ gingsleven en laat ook andere fascinerende kanten zien van hun werk. Het meest bekend voor velen is wellicht de landschapsschilderkunst van De Ploeg waarbij Gro­ ningen hèt motief bij uitstek werd en er beeldbepalende iconen van het Groninger Hogeland ontstonden. Dat landschap was ook niet eerder geschilderd, en zeker niet op die manier, en daarmee waren die Ploegers van wel­ eer ook pioniers en inspiratiebron voor andere kunste­ naars na hen, tot op de dag van vandaag. Ze troffen het bijzondere van plekken als Blauwborgje, de oude Gro­


ninger kerken, of andere karakteristieke oorden. Het landschap als vertrekpunt voor die vaak markante schil­ derijen met hoge horizonten en in de verte verdwijnen­ de wegen. Volgens schrijver en Ploeglid Hendrik de Vries was er zelfs moed voor nodig om die “zogenaamd nuch­ tere kleilanden aan te durven in hun werkelijke groots­ heid”. Hij had gelijk. De Ploeg heeft dat bijzondere Gro­ ninger landschap fantastisch op de kaart gezet, waarbij die begrippen welhaast tot synoniem zijn geworden. Een cultuurlandschap kan veel teweeg brengen. De kunst van De Ploeg werd echter in de eigen tijd veelal met argusogen bekeken. Daar kwam pas halverwege de jaren vijftig een kentering in met het aantreden van Groninger museumdirecteur W. Jos de Gruyter. In 1956 schreef hij terugblikkend over De Ploeg: “Weinigen zagen in die dagen wat er gaande was in de schaduw van de Martinitoren (…) In Groningen bloeide een kunst­ klimaat dat vrijwel elke Europese provinciestad ons zou kunnen benijden”. De Gruyter die het belang van De Ploeg onderkende voegde de daad bij het woord en begon als eerste werk van de kunstenaarskring te ver­ zamelen voor het museum. Geleidelijk aan kreeg die collectie steeds duidelijker contouren, mede door de samenwerking met de in de ja­ ren ’80 opgerichte Stichting De Ploeg. Het resultaat is een verzameling van formaat. Ook zagen talloze belang­ wekkende publicaties het licht, zoals bijvoorbeeld die belangrijke eerste scriptie uit de jaren vijftig van Ad Pe­ tersen, die pas dertig jaar na dat dato werd gepubliceerd alsmede de uitgaven van Ploegkenners bij uitstek als Henk van Os, Han Steenbruggen, Jikke van der Spek en Anneke de Vries.

Hendrik Werkman, omslag Statuten, maart 1921, drukwerk op papier, 21 x 13 cm [gm]

Zo groeide de bekendheid van De Ploeg in al die jaren langzaam maar gestaag. En hoewel het bijzonder is dat de Kring nog steeds bestaat, schuilt het belang toch vooral in die eerste jaren waarin er binnen De Ploeg naast expressionisme ook abstract-constructivisme was, waar schilders, schrijvers, architecten en een enkele mu­ sicus de handen ineensloegen, open stonden voor het avant-garde klimaat dat hen omringde, waardoor zij zelf ook weer tot vernieuwing kwamen. Dat heeft uitzonder­ lijke kunst opgeleverd. Zo is Avant-garde in Groningen. De Ploeg 1918-1928 ook een reis geworden door de wereld van het modernisme die ook de provincie aandeed en waarin cultuur- en stijlverandering aan de orde van de dag waren en maakt aanschouwelijk wat cultuurover­ dracht inhoudt, in de beste zin van het woord. Mariëtta Jansen, conservator De Ploeg en kunst 20e eeuw, Groninger Museum

*Uitgesproken op 25 mei 2018 tijdens de opening van de tentoonstelling Avant-garde in Groningen. De Ploeg 1918-1928.

9


Inleiding · I n l e i d i n g · De Ploeg, he t e x press ioni s m e e n d e v r ijhe i d van d e gees t Peter Jordens Het is inmiddels 100 jaar geleden dat de vereniging Groninger Kunstkring ‘De Ploeg’ werd opgericht. Aanleiding was een tentoonstelling die in maart 1918 bij Pictura zou worden gehouden. De jury met daarin Otto Eerelman en Dirk de Vries Lam, beiden schilders van het behoudende type, had jonge kunstenaars als Johan Dijkstra, George Martens en Jan Wiegers niet geselecteerd. Ten onrechte, vond men. Daarom werd met enkele geestverwanten besloten om een kunstkring op te richten met als doel “de Gron. artisten nader tot elkaar te brengen en het kunstleven op alle wijzen te bevorderen.” 1

1 Jan Altink, Blauwborgje in mei, 1927, was/olieverf op doek, 76 x 89 cm [cpg]

12

En zo kwam het dat op woensdag 5 juni 1918 tijdens een bijeenkomst in café Vogelsang de Groninger kunstkring werd opgericht. De initia­ tiefnemers hadden hun opleiding aan Academie Minerva genoten waar hun docent F.H. Bach de­ gene was die ze stimuleerde niet te schilderen naar de natuur, maar in de natuur. Zo trokken ze met enige regelmaat langs het Reitdiep naar het Noorden waar ze neerstreken bij Blauwbörgje een boerderij aan het Reitdiep (afb. 1). Daar ont­


De Ploeg, h stonden tal van tekeningen, aquarellen en schilderijen met het Groninger landschap als onderwerp. En daar werd ook de grondslag gelegd voor het beeld van De Ploeg als een collectief van landschapsschilders. Op ze­ ker moment in 1920 moest Jan Wiegers, medeoprichter en prominent lid van De Ploeg, om gezondheidsredenen naar Davos om daar te herstellen van longtuberculose. Wiegers nam met zijn gezin zijn intrek in een eenvoudi­ ge woning op een berghelling in het nabije Frauenkirch. Het toeval wilde dat enkele honderden meters daarvan­ daan de belangrijkste vertegenwoordiger van het Duits expressionisme woonde, Ernst Ludwig Kirchner. Deze had zich in de buurt van Davos gevestigd om te herstel­ len van zijn traumatische ervaringen opgedaan tijdens de Eerste Wereldoorlog. De kennismaking met Kirchner mondt uit in een hechte vriendschap. Vaak trekken Kirchner en Wiegers er samen opuit om in de natuur te gaan tekenen. Zodoende leert Wiegers van Kirchner een manier van werken, die kenmerkend is voor het Duits expressionisme. “Kirchner, die altijd teekende, die nooit zonder schetsboek was en steeds een paar etsplaten bij zich droeg.” 2 Na een verblijf van een half jaar keert Wiegers genezen van zijn ziekte terug in Groningen, waar hij zijn mede-Ploegleden deelgenoot maakt van zijn ervaringen in Zwitserland. Het leidt ertoe dat de Ploegleden in hun stijl van schilderen wezenlijk worden beïnvloed door de vormentaal, het kleurgebruik en de typische wasverftechniek waar Wiegers bij Kirchner mee had kennisgemaakt en dat men zich gaat toeleggen op het werken met allerlei vormen van grafiek, zoals de ets, de litho, de hout- en linoleumsnede. De Ploeg wordt daarmee een expressionistisch werkende kunstenaars­ groep. Belangrijk voor de latere beeldvorming is het feit dat het expressionisme, dat zijn hoogtijdagen beleefde voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog, als stijlvorm in

de jaren twintig in zekere zin al was achterhaald. Met andere woorden, het expressionisme van De Ploeg lijkt niet te passen bij de beleving vanwaaruit het in Duits­ land is ontstaan. Tenslotte, niet onbelangrijk voor de beeldvorming rond De Ploeg is ook het idee dat het culturele leven waar De Ploeg deel van uitmaakte, zich hoofzakelijk in een provinciaal isolement voltrok. Met enige regelmaat wordt in dit verband geciteerd uit een brief van Hendrik Werkman van oktober 1924 aan Michel Seuphor waarin hij opmerkt: “Groningen, ik moet het tot mijn spijt getuigen, zit in een hoek waar bijna geen geluid doordringt.” De bedoeling van deze bundel is te laten zien, dat het beeld van de Ploegschilders als landschapsschilders en provinciale nazaten van een voorbij expressionisme geen recht doet aan de artistieke identiteit van De Ploeg. De kunstuitingen van de gezichtsbepalende Ploegleden blijken doortrokken van de geest van de tijd. Evenals dat het geval is bij de expressionistische en constructivisti­ sche kunstenaars elders in Europa, is de Ploegkunst in de jaren twintig een reactie op de bourgeoismentaliteit van de 19e eeuw. Dat betekent, dat het expressionisme van De Ploeg teruggaat op de reformbeweging, die tot uit­ drukking komt in een streven naar vrijheid op allerlei terreinen van het dagelijks leven. Het vrijdenken, vrije expressie in de kunst, seksuele vrijheid, naturisme, losse kleding en moderne dans, het zijn uitdrukkingsvormen van een beweging die in een of andere vorm overal in Europa opgeld deed. Het is een beweging die zich als reactie op de inhumane gevolgen van industrialisatie en kapitalisme richt tegen de gevestigde orde, tegen uit­ buiting en tegen het militarisme dat geleid had tot de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog.

13


2 Kindertekening, 1e Twintig, no. 6, 1925

14

“Het grondgevoel van die tijd bestond in een wilde opstandigheid tegen de machten die de oorlog hadden gewild of hadden toegelaten. Men had gezien wat verkeerd was, wat wreed en onmenselijk was, wat de burgerlijke cultuur van de 19e eeuw naar haar ondergang had geleid. Men wist wat fout was, men meende te weten, wat goed was, daarvoor zette men zich in. Er heerste geen gevoel radeloosheid, maar wel een sterk, soms haast ekstatisch optimisme. (...); het communisme (...) leefde nog in het blanke licht van de utopie. Anderen wilden een geheel nieuwe kunst. Geen nabootsing meer van een wereld, die niet mooi, maar vuil en bloedig

was; wel schepping, evocatie van het nog nergens bestaande, droom van het pure en heilige, visioen van het eens misschien mogelijke.”3 Dat was het idee waarin de Europese kunst en daarmee ook de kunstenaars van De Ploeg hun inspiratie vonden. Sommigen zochten het in de natuur. Men trok naar buiten om te schilderen en plein air. Im­ mers, om met Job Hansen te spreken: “Thuis schilderen is visschen in een aquarium.” 4 Anderen troffen het aan in de wereld van het kind. Jan Jordens, in navolging van Herwarth Walden, voorvechter van het idee van de vrije expressie, komt tot de slotsom: “Bij de kinderen zag ik wat ik niet kon.” 5 (afb. 2). Werkman’s uitgave van The Next Call is een ‘persoonlijke uiting’ die staat in het teken van ‘de vrijheid van de geest’, terwijl de vormgeving van zijn ‘geschrift’ het resultaat is van een unieke vorm van handwerk dat in niets lijkt op het machinale druk­ ken in oplaag. Voor Job Hansen, als architect betrokken bij de woningbouw, is de monumentale bouwkunst van de gotiek het voorbeeld bij uitstek van een eendrachtige samenwerking tussen handwerker en architect. Tenslot­ te, het ideaal van een vrije beleving van seksualiteit vinden we bij Werkman tot uitdrukking gebracht in zijn verzameling uitgesproken erotische schetsjes gebun­ deld in der mai ist da. Ook als groep beleefden de Ploegleden het kunstenaar­ schap als een leven in vrijheid. Men organiseerde geza­ menlijke model- en feestavonden en toonde zich graag als bohémien (afb. 3 en 4). Geen wonder dat de Groning­ se burgerij daar soms geïrriteerd op reageerde. Zo kreeg Jan Jordens de politie aan huis toen hij een advertentie had geplaatst waarin gevraagd werd naar een model voor de tekenavonden van De Ploeg en schijnen de vrou­ wen in de Sledemennerstraat zich beklaagd te hebben over de rommel die ze op straat aantroffen na afloop


3 Jan Wiegers, Naakt, 1921, potlood, aquarel en ecoline op papier, 45,5 x 33 cm [sjd] 4 Jan Wiegers, IntĂŠrieur bohĂŠmien, 1925, was/olieverf op doek, 70 x 80 cm [gm]

15


86

Siebe Jan Bouma, Glas-in-lood ramen, ca. 1926, trappenhuis RO/EZ, Groningen (Gemeente Groningen, Taco Tel)


87


Het atelier Het atelier als zinnebeeldig decor

Het is dit jaar precies dertig jaar geleden dat ik begon met het geven van lezingen in het Groninger Museum op uitnodiging van Josee Selbach en Steven Kolsteren. Zij hadden cursusreeksen opgezet die zo succesvol waren, dat al na een jaar uitbreiding van de groep docenten noodzakelijk bleek. Zo konden eerst Hubert Luymes en ik beginnen met lesgeven en later ook Janet Meester en Gerda Vrugteman. Het plezierige aan de cursusopzet was, dat je vrij je onderwerpen mocht kiezen. Zo heb ik lessen kunnen ontwikkelen over uiteenlopende onderwerpen die me interesseerden en waarin ik mezelf verder wilde verdiepen. Een vast onderdeel in het cursusaanbod vormde De Ploeg en al snel wist ik dat op de andere docenten te veroveren. Voor mij was het fijn om een onderwerp te hebben waarmee ik me langer kon bezighouden dan een semester, een onderwerp dat bovendien nadrukkelijk verbonden was met het Groninger Museum en met Groningen.

Han Steenbruggen

Ingeschilderd liefdespaar

De lezingen over De Ploeg waren alleen al leuk, omdat zich tussen de groepen cursisten altijd mensen bevonden die de Ploegers van het eerste uur nog hadden gekend, familie van hen waren of werk van hen in huis had­ den. Dat leverde me indertijd een schat aan contacten en informatie op waaruit ik jaren­ lang rijkelijk heb kunnen putten. Niet alle overleveringen waren even betrouwbaar en soms liep een spoor schromelijk dood. Zo ver­ telde een cursist mij eens dat het portret dat Jan Wiegers omstreeks 1924 had gemaakt van Job Hansen – het schilderij dat alleen be­ kend is van een zwart-witfoto van de Ploeg­

1 Jan Wiegers, Portret van Ernst Ludwig Kirchner in zijn atelier, 1925, was/olieverf op doek, 69 x 89 cm [gm]

88


als zinnebe tentoonstelling van 1924 in Pictura (zie Ploeg Jaarboek 2005, p. 28) – hing bij een verre neef in Warffum. Na veel moeite kwam ik met de man in contact, die wel geschil­ derde portretten in huis bleek te hebben, maar nooit van Wiegers of De Ploeg had gehoord. Ook kreeg ik soms halve informatie, die mijn nieuwsgierig verder aanwakkerde. Zo weet ik nog goed dat na een Ploeg­ lezing, daar in het souterrain van het oude Groninger Museum, mevrouw Gazendam naar me toe kwam met een prikkelende anekdote over Wiegers’ portret van Ernst Ludwig Kirchner (afb. 1). Ze wees op de twee schetsmatig weergegeven koppen net boven de schilde­ rende hand van Kirchner – schijnbaar een innig zoenen­ de man en vrouw – en beweerde met stelligheid dat het een verwijzing was naar een buitenechtelijk romance van een der Ploegleden. Wiegers zou het fragment heb­ ben toegevoegd toen hij na een bezoek aan Zwitserland weer in Groningen terug kwam. Om wie het ging, wilde ze uit piëteit voor de nazaten niet zeggen. Uiteraard in­ trigeerde het verhaal me en heb ik haar later opgezocht om meer te weten te komen. Ze bleef volharden in haar stilzwijgen over de personages, maar verklaarde wel dat Jan Wiegers zelf haar bron was. Hij zou het haar en haar man met naam en toenaam hebben toevertrouwd. Later heb ik Wiegers’ zoon Frans gevraagd of hij iets wist over het bewuste fragment. Hij was ervan op de hoogte dat het ging om een toespeling, maar niet wie het betrof. Wel vertelde hij omstandig dat zijn vader het schilderij inderdaad had opgezet in Davos, maar pas in Groningen had voltooid. Ik ben er nooit achter gekomen op wie Jan Wiegers doelde met het ingeschilderde fragment – en eigenlijk doet dat er ook niet toe –, maar het heeft toen mijn belangstelling, als die er al niet was, voor ach­ tergrondmotieven in de portretten van met name Jan Wiegers wel aangewakkerd.

2 Jan Wiegers, Portret van Jan Jordens, 1921, was/olieverf op doek, 80 x 60,5 cm, verso Portret van Johan Dijkstra, 1926 [gm]

Jordens voor de bergen Het allereerste kunstenaarsportret dat Jan Wiegeres na zijn terugkeer uit Zwitserland schilderde was dat van Jan Jordens (afb. 2). Het is goed mogelijk dat Jordens voor hem poseerde, toen deze hem in het najaar van 1921 in zijn atelier opzocht ter voorbereiding van het artikel dat hij over Wiegers zou schrijven voor het Blad voor Kunst. Drie jaar daarvoor had Wiegers zijn portret ook al ge­ schilderd en vergelijking van beide portretten laat goed zien waar de kunstenaar vandaan kwam en wat de ken­ nismaking met Kirchner hem artistiek had gegeven.

89


Colofon Uitgave WBOOKS, Zwolle info@wbooks.com www.wbooks.com i.s.m. Stichting De Ploeg en het Groninger Museum stichtingdeploeg@groningermuseum.nl www.groningermuseum.nl Redactie Peter Jordens Tekst Hendrik Jan van den Berg Maarten Duijvendak Mariëtta Jansen Peter Jordens Wim Koops Kees van der Ploeg Han Steenbruggen Doeke Sijens Anneke de Vries Fotografie Jurjen K. van der Hoek Eric Kellerman Meindert Spek John Stoel Taco Tel Vormgeving Meindert Spek, Haren in Vorm

230

ISBN 978 94 625 8290 3 NUR 646

© 2018 WBOOKS Zwolle / de auteurs Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevens­ bestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. De uitgever heeft ernaar gestreefd de rechten met betrekking tot de illustraties volgens de wettelijke be­palingen te regelen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden. Van werken van beeldende kunstenaars aangesloten bij een CISAC-­organisatie is het auteursrecht geregeld met Pictoright te Amsterdam. © c/o Pictoright Amsterdam 2018 Herkomst van de afbeeldingen [cpc] Collectie Provincie Groningen • [ga] Groninger Archieven • [gm] Groninger Museum • [kmd] Kirchner Museum, Davos • [mb] Museum Belvédère, Heerenveen • [mfe] Museum Folkwang, Essen • [nelk] Nalatenschap Ernst Ludwig Kirchner • [part. coll.] particuliere collectie • [sma] Stedelijk Museum, Amsterdam • [sms] Saarlandmu­ seum, Saarbrücken • [tin] Theatercollectie Bijzondere Collectie Deze uitgave is mede mogelijk gemaakt dankzij ondersteuning door: Museum, Belvédère, Heerenveen • Stichting Beringer Hazewinkel Het Groninger Museum • Stichting Koops-Stange Fonds


232


de ploeg in de jaren twintig

‘De Ploeg in de jaren twintig’ is het verhaal van de bloeitijd van de Groninger Kunstkring ‘De Ploeg’, van het Gronings modernisme niet alleen in de schilderkunst maar ook op het gebied van muziek, architectuur, literatuur en theater. Het zijn de jaren na de Eerste Wereldoorlog, waarin de Europese avant-garde in de ban is van een utopistisch verlangen naar een nieuwe, betere wereld. Zo ook Hendrik Werkman die met zijn druksels uiting geeft aan een diepgevoelde wens naar een leven in harmonie met zichzelf en zijn omgeving. Of de architect en schilder Job Hansen die naast zijn werk als ‘bouwer van de stad’ zijn droom van een ideale wereld gestalte ziet krijgen in het schilderen in de natuur. En niet te vergeten de teken­ leraar en schilder Jan Jordens die ge­fascineerd is door de ongekunstelde expressie van de vrije kindertekening. Acht auteurs, kenners van De Ploeg, laten zien, hoe bij alle verscheidenheid qua karakter, stijl en thematiek het werk van de kunstenaars van De Ploeg doortrokken is van de tijdgeest van optimisme.

in de jaren twintig


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
De Ploeg in de Jaren twintig by WBOOKS - Issuu