9789048571468.inkijk

Page 1


Lied der Liefde Shir Hashirim

Berijmingen van het Hooglied in de vroege zeventiende eeuw

Adriana de Ridder

Lied der Liefde – Shir hashirim

Berijmingen van het Hooglied in de vroege zeventiende eeuw

Amsterdam University Press

Deze uitgave is mede mogelijk gemaakt door financiële bijdragen van de volgende fondsen en stichtingen:

Afbeelding omslag: Illustratie doorlopend op de omslag: detailfoto antieke harp, Henk Visscher, RD 2024. Illustratie voorkant: afb. Bruidegom en bruid bij Salomons Hooglied. L. Bake, Bijbelse Gezangen, T’Amsteldam 1708, 88.

Illustratie achterkant: Zingend meisje, ca. 1628, olieverf op paneel 18,2 cm x 18,4 cm, Frans Hals Museum en Mauritshuis, Haarlem/Den Haag.

Ontwerp omslag: Frederike Bouten, Fresj Ontwerp binnenwerk: Crius Group, Hulshout

isbn 9789048571468 nur 694 | 714

© A. de Ridder / Amsterdam University Press B.V., Amsterdam 2026

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 jº het Besluit van 20 juni 1974, Stb. 351, zoals gewijzigd bij het Besluit van 23 augustus 1985, Stb. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de uitgever te wenden.

De uitgeverij heeft ernaar gestreefd alle copyrights van in deze uitgave opgenomen illustraties te achterhalen. Aan hen die desondanks menen alsnog rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht contact op te nemen met Amsterdam University Press.

Hendrik

1 Hoogliedberijmingen in de religieuze cultuur van de Noordelijke

1.1. De strijdende kerk

1.4.

1.5.

1.6.

1.8. De exegese van het Hooglied in de zeventiende eeuw

2 Wat voorafging aan zeventiende-eeuwse Hoogliedberijmingen

2.1.

2.3. Het Hooglied in de vroegchristelijke traditie

2.4.

2.5. Het Hooglied in de middeleeuwse monastieke cultuur

2.6. Het Hooglied in de traditie tijdens de Reformatie 56

2.7. Literaire bewerking van het Hooglied vanaf de Middeleeuwen 58

2.8. Zestiende-eeuwse geestelijke lyriek 66

2.9. Muzikale vertolking van het Hooglied 68

3 De versificatie van het Hooglied 71

3.1. Humanistische invloed en filologische ontwikkeling 71

3.2. Vertolking van de Heilige Schrift 72

3.3. De allegorie als stijlmiddel 74

3.4. Het Hooglied als Hebreeuwse poëtische tekst 75

3.5. Het Hooglied als dialoog 77

3.6. Hoogliedversificatie als literair proces 78

3.7. Rijmloze verzen en metrum 78

3.8. Het Hooglied als bucolische zang 81

3.9. Het Hooglied als zangtekst 83

3.10. Functie van het Hooglied als zingbare tekst 88

4 De dichters en hun Hoogliedberijmingen

4.1. Karel van Mander (1548-1606)

4.2. Jacob Beeckman (1590-1629)

4.3. Jacobus Revius (1586-1658)

4.4. Hieronymus Vogellius (ca. 1579-1654)

4.5. Samuel Ampzing (1590-1632)

4.6. Arnoldus Altius (ca. 1606-1653)

4.7. Jacob Cats (1577-1660)

4.8. Franciscus Nicolai de Wael (1594-1670)

4.9. Johan de Brune (1588-1658)

4.10. Anoniem/Hendrick Jansz. Prins (?-1667)

5 Slotbeschouwing

5.1. Populariteit van het Hooglied

5.2. Ontstaan van het fenomeen Hoogliedberijmingen

5.3. Hoogliedberijmingen in een religieus gereformeerd milieu

5.4. De religieus-maatschappelijke achtergrond van de auteurs

5.5. Het gebruik van bronnen

5.6. De analyse van verstechnische aspecten

5.7. De verhouding dichterlijke vrijheid versus Schriftuurlijke gebondenheid

5.8. Literaire presentatie en het sacrale karakter van het Hooglied

5.9. De melodieën van Hoogliedberijmingen

5.10. Hoogliedberijmingen in een maatschappelijke, theologische en literaire context

5.11. Functie van Hoogliedversificaties

5.12. Hoogliedberijmingen na 1650

Inleiding

Het Hooglied staat bekend om zijn arcadische sfeer van herders en schapen, wijngaarden en vossen, de roep van de duif en de vogelzang. Voeg daarbij de personages van een bruidegom en bruid, vrienden en jonkvrouwen en een koning met koninklijke entourage en het is begrijpelijk dat dit Bijbelboek al eeuwen tot de verbeelding van mensen spreekt.

In het Hooglied staat de relatie tussen de Bruidegom en de bruid centraal. De samenhang van het lied wordt bepaald door het thema van de liefde. Het centrale thema is de liefde in de meest zuivere vorm: innig, alles overtreffend; onverbrekelijk en eeuwigdurend. De tekst bestaat uit dialogen tussen de steeds terugkerende personages van de Bruidegom en de bruid, de vrienden van de Bruidegom en de speelmaagden van de bruid. Vanwege de thematiek is het niet verwonderlijk dat passages uit deze oude van oorsprong Hebreeuwse liedtekst in de loop der eeuwen veelvuldig zijn bezongen en afgebeeld.

Maar er is meer. Vanuit de joodse traditie wordt het Hooglied gezien als een symbolisch lied. Men beschouwt het Hooglied niet als liefdespoëzie in een seculiere context, maar als een lied met een geestelijke betekenis. Het tafereel van de bruidegom en bruid is geen afbeelding van het huwelijk en de ideale liefde in een aardse setting, maar het is een vorm van beeldspraak waarbij de liefde van God centraal staat. Vanwege deze opvatting wordt het Hooglied rond 90 na Chr. opgenomen als Bijbelboek in de canon van het Oude Testament. In de Rabbijnse visie is het huwelijk een afbeelding van Gods verbond. De relatie tussen Bruidegom en bruid toont Gods liefde tot Zijn volk. De vroegchristelijke kerk volgt dit spoor vanuit het perspectief van het Nieuwe Testament waarin Christus wordt gezien als de Bruidegom en de Kerk of de individuele gelovige als Zijn bruid.

Wij kennen het Bijbelboek Hooglied vrijwel uitsluitend als prozatekst. Echter, vanaf het begin van de zeventiende eeuw ontstaat er een opmerkelijk religieus poëtisch fenomeen. Het gehele Bijbelboek Hooglied, dat acht hoofdstukken en 117 tekstverzen telt, wordt herhaaldelijk berijmd. Twee derde van deze berijmingen is gezet op een contrafact, een bestaande melodie. Daardoor krijgt dit Bijbelboek een functie als zingbare tekst. In de periode 1595 tot 1738 zijn tenminste 40 Hoogliedberijmingen verschenen in de Noordelijke Nederlanden. Het hoogtepunt van deze publicaties ligt in de tweede helft van de Gouden Eeuw. Deze omvangrijke compilatie is het resultaat van jaren speurwerk in bibliotheken naar versificaties die het gehele Bijbelboek Hooglied bevatten. In de collectie bevinden zich twee handschriften, namelijk de Hoogliedberijmingen van David Beck (1594-1634) uit 1622 (Afb. 1.) en van Michael Oostdijck (1656-1696) uit 1674 (Afb. 2a/b.).1 De andere

1 Beck 1622, 564-593 (handschrift KB); Oostdijck 1674 (handschrift eigen collectie).

afb. 1. handschrift david Beck (fragment), Koninklijke Bibliotheek 74 G 12, 564.

achtendertig berijmingen zijn alle in druk verschenen in liedboeken en convoluten of als separate uitgaven. Onder de auteurs zijn bekende dichters als Jacobus Revius (1586-1658), Jacob Cats (1577-1660) en Willem Sluiter (1627-1673), maar het merendeel van de auteurs is in geringe mate bekend of zelfs onbekend. Karel van Mander (1548-1606) en Samuel van Hoogstraten (1627-1678) zijn bekende kunstschilders, maar weinigen zullen weten dat van hun hand ook een Hoogliedberijming is verschenen.

In deze studie wordt het relatief onbekende fenomeen van Hoogliedbewerkingen met de veelal onbekende, marginale auteurs voor het voetlicht gehaald. In de woelige tijd van de zeventiende eeuw met de strijd om geloofsvrijheid en ontwikkeling van religieuze identiteit neemt de Heilige Schrift en daarop gegronde Schriftuurlijke argumentatie een belangrijke plaats in. Dat heeft niet alleen geleid tot veel theologische werken en verhandelingen, maar heeft ook een zeer grote stroom aan religieus literaire teksten op gang gebracht. Heel anders dan in onze tijd speelt religie in de Gouden Eeuw een rol in de volle breedte van de Nederlandse samenleving. Van deze omvangrijke bron die zo veelzijdig aanwezig is in het dagelijkse leven in de zeventiende eeuw en die raakt aan de essentie van het religieuze leven, is nog maar weinig bekend. Binnen het literair historisch onderzoek is er wel relatief veel aandacht voor de grote dichters als Cats, Huygens, Revius en Vondel, maar wie zijn al die anderen die zich met religieus proza, gedichten en liederen bezighielden?

Naast onbekendheid speelt ook mee dat religieuze teksten door het hanteren van klassieke en esthetische normen over het algemeen op geringe literaire waarde worden geschat. Echter, in een religieuze context staat vaak niet het esthetisch verantwoorde werk op de eerste plaats, maar het sacrale. Schoonheid van een vers bepaalt niet altijd de populariteit van een tekst. Daarom kan de esthetische norm geen reden zijn om in hun tijd veel gelezen en ook gezongen belangwekkende historische teksten niet te bestuderen. Als literaire uitingen zijn deze liederen nauw verbonden met de historie en religieuze identiteit van Nederland. Daarom voorziet deze studie voor wat betreft de Hoogliedversificaties in een ongewenste leemte.

Dit boek is ontstaan naar aanleiding van de dissertatie Shir hashirim. Achtergronden en lyrische vertolking van het Hooglied in de Noordelijke Nederlanden in de eerste helft van de zeventiende eeuw. 2 Dit onderzoek betreft de historisch-religieuze context en de literaire analyse van de eerste tien bekende Hoogliedberijmingen. Omdat het corpus Hoogliedbewerkingen te omvangrijk is voor één studie is er vanuit pragmatische overwegingen zowel in de dissertatie als in deze publicatie voor gekozen om tien van de veertien berijmingen uit de Noordelijke Nederlanden

2 Ridder 2023. Promotie TUA 20-12-2023.

afb. 2 a/b. handschrift michael Oostdijck 1674 (fragmenten). eigen collectie.

uit de eerste helft van de zeventiende eeuw nader te onderzoeken. Dit betreft de Hoogliedversificaties van: Karel van Mander (1595); Jacob Beeckman (1616); Jacobus Revius (1621); Hieronymus Vogellius (1625); Samuel Ampzing (1629); Arnoldus Altius (1631); Jacob Cats (1637); Franciscus N. de Wael (1645); Johan de Brune (de Oude) (1647); Anoniem/H. J. Prins (1650). (Tabel 1.)

Vier Hoogliedberijmingen uit de genoemde periode blijven hier buiten beschouwing. De berijming van David Beck (1622) betreft een handschrift zonder melodieaanduiding. Deze versificatie is niet gepubliceerd en valt daarom buiten dit onderzoek. De berijming van G. Theodosius van Walhorn-Deck-her (?-?) is in 1642 uitgegeven in de Zuidelijke Nederlanden te Brussel en valt daarmee buiten het onderzoekkader. De anonieme Hoogliedversificatie in het in 1647 gepubliceerde liedboek De Wel-klingende Luyte3 van de Alkmaarse predikant Petrus van Angelen

3 De Wel-klingende Luyte 1647, 190-242.

(?-1664)4 is pas in de eindfase van het onderzoek ontdekt. De laatste berijming betreft een tweede anonieme versificatie in de liedbundel Medenblicker Scharre-zoodje (1650) uitgegeven door Hendrik Jansz. Prins, organist van de Bonifatiuskerk te Medemblik. De eerste Hoogliedberijming in deze bundel is waarschijnlijk van de hand van Prins. Daarom wordt de tweede anonieme berijming in deze liedbundel, vermoedelijk afkomstig uit de vriendenkring van Prins, zijdelings in het onderzoek betrokken.

Tabel 1. Bibliografie van de tien Hoogliedberijmingen in dit onderzoek.

JAAR VAN UITGAVE

AUTEUR TITEL

1595 Karel van Mander (1548-1606)

1616 Jacob Beeckman (1590-1629)

Dat hooghe Liedt Salomo, tracterende van Christo, ende sijne Bruydt de Ghemeynte: Sanghewijs in rijme gestelt: Door K.V.Mandere. Met noch andere Gheestelijcke Liedekens daer achter by ghevoeght: Ende nu op een nieu verbetert ende vermeerdert.

Het Hooghe-Liedt Salomons. Overgheset in Nederduytschen Dichte door I.B. Hier zijn oock byghevought corte verclaringhen tot openinghe des sins van eenige plaetsen getrocken uyt de breeder verclaringhe Godefridi Udemans. annO dOm . 1616.

GEBRUIKTE PUBLICATIE

ToT AmsTe TredAm, door Cornelis Claesz. Boeckvercooper, woonende opt water, by de oude Brugge, int Schrijfboeck. anno 1598.

1621 Jacobus Revius (1586-1658) Het Hoghe Liedt Salomons. In Nederduytsche Gesangen ghebracht, door Iacobum Revium.

deze berijming bevindt zich achter:

Udemans, G. C., Corte Ende duydelijcke VERCLARINGE OVER HET HOOGE-LIEDT SALOMO, Midtsgaders de AenWijsinghe vande Voor-naemste Leer-stucken ende nutticheden daer uyt vloeyende. Ziericzee 1616.

Gedruckt by hans vander hellen, Voor adriaen vanden Vivere, Wonende tot middel-Burgh, op den hoeck vande nieuwe Burse, anno 1616.

TOT de VenTer . By Sebastiaen Wermbouts, Boecdrucker op den Poot, inden vergulden Bybel. 1621.

4 In het Regionaal Archief Alkmaar bevindt zich een map met enkele aantekeningen over het leven en werk van Petrus van Angelen waarin De Wel-klingende Luyte aan hem wordt toegeschreven. Regionaal Archief Alkmaar, toegangsnummer 95.001, inventarisnr. 1147.

AUTEUR TITEL

1625 Hieronymus Vogellius (ca. 1579-1654)

1629 Samuel Ampzing (1590-1632)

1631 Arnoldus Altius (?-1653)

1637 Jacob Cats (1577-1660)

Het Hooge-Liedt Salomons, Door Christelyke Gesang=dighten eenighsins verklaert, tot troostelike stightinge der Kerke Christi ende t’ syner eeren.

Het Hoog-Lied Van den heyligen ende wijsen Koning ende Propheet Salomon. Met eene korte Verklaringe: In Nederduytschen Rijm bearbeyd.

Hoghe=Liet Salomons, Over-ghezet in verscheyden Nederlandtsche Ghedichten. arnhem, 1631.

‘Geestelijk Bruylofts-Gedicht op het Geestelijk houwelijk uyt het hooge-Lied Salomons.’

GEBRUIKTE PUBLICATIE

T’ amSTeLredam , door Dirrik Ielissen Kok, Boeckverkoper inde Kalver-straet, by het Wees-huys, inde dry Sleutels. AmsTelredAm 1625.

Gedruckt te haerLem , By adriaen roman, Ordinaris Stads Boekdrucker, wonende inde Jakobyne-straet inde vergulde Parze, 1629.

Tot arnhem , Ghedruct by ian iacobsz. Boeckverkooper, in de Katerijne-straet, in de vergulde Persse, 1631.

in: Cats, J., ‘S WERELTS Begin, Midden, Eynde, besloten in den Trou-Ring, met den Proef-Steen van den selven, door J. Cats.

Tot AMSTERDAM, By de erve de Wed: Gysbert de Groot, Boekverkoopers op den nieuwen dijk, in de Groote Bybel. anno 1731, 596-613.

1645 Franciscus N. de Wael (1594/5-1670)

‘21 Gesangen over het Hooge-lied Salomons, gaende op de wijse van eenige Psalmen.’

1647 Johan de Brune (1588-1658)

Salomons Hoogh-Lied; met verklaringhe van de historische ende letterlicke Zin: tot Ontdeckinghe van vele duysterheden en zwarigheden.

1650 Anoniem ‘HET hooghe-liedt Salomons; in neder-duytsen gedichte.’

in: de Wael, f., Lust-Hof der Geestelicke Gedichten, ofte stichtelicke ende troostelicke Rymen van verscheyden stoffe ende Fatsoen, door f. de Wael.

Tot ’shar TOGen -BOSCh, Ghedruckt by ian Van dockum, Ordinaris Stads- drucker woonende inde Kerck-straet inde druckerye, 1645, Vol. iii, (2)1-44.

Te middeLBUrGh, BY anTOnY de L aTer , Ordinaris Stadts drucker. 1647.

in: Prins, h . J., Medenblicker SCharre-ZOOdTJe, Ghevangen en ontweydt van ver-Scheyden ViSSCherS: Over-goten met een Sanghers-sausjen.Tot medenBLiCK. door mr. hendrick Jansz. Prins. anno 1650, 71-129.

De tien in dit onderzoek onderzochte Hoogliedversificaties vormen het begin van de poëtische bewerking van het Hooglied. Het gaat hierbij om één berijming uit doopsgezinde kring en negen Hoogliedbewerkingen van auteurs uit de gereformeerde traditie. Vanuit de rooms-katholieke traditie is mij geen enkele volledige Hoogliedversificatie bekend. Het ontbreken van Hoogliedberijmingen uit de rooms-katholieke traditie heeft enerzijds te maken met de tijdsomstandigheden. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog waarin Filips II (1527-1598) streeft naar eenheid van de rooms-katholieke godsdienst om eenheid van het rijk te realiseren, wordt zijn ideaal fel tegengestaan van protestantse zijde. In 1573 wordt de ‘Roomse Kerk’ in Holland verboden en worden samenkomsten door plaatselijke overheden nog slechts oogluikend toegestaan in zogenaamde schuilkerken. Anderzijds zal het ontbreken van Hoogliedversificaties ook te maken hebben gehad met de theologische visie. De gereformeerde traditie weet zich zeer verbonden met Luthers sola scriptura-principe. In tegenstelling tot Hoogliedbewerkingen in vroegere tijden staan Hoogliedberijmingen in de zeventiende eeuw vaak dicht bij de oorspronkelijke Hoogliedtekst. Vanaf de Middeleeuwen klinkt vanuit de monastieke cultuur ook het geluid van het Hooglied door in religieuze teksten. Echter, dan gaat het voornamelijk om associatieve verbindingen met enkele passages of motieven uit het Hooglied.

De centrale vraagstelling in deze studie heeft een literair-historische insteek en luidt: Wat zegt de wijze van versificatie van het Hooglied over de auteur, zijn religieuze visie en zijn dialoog met zijn publiek en cultureel maatschappelijke aspecten? Naast – en in verband met – deze hoofdvraag zullen de volgende nevenvragen aan bod komen:

– Wat is de religieus-maatschappelijke achtergrond van de auteurs?

– Welke bronnen gebruiken de Hoogliedbewerkers?

– Welke informatie levert een analyse van verstechnische aspecten op?

– Hoe is de verhouding dichterlijke vrijheid versus Schriftuurlijke gebondenheid?

– Hoe is de verhouding tussen de literaire presentatie en het sacrale karakter van het Hooglied?

– Welke melodieën hanteren de auteurs?

– Welke dialogen voeren Hoogliedbewerkers in hun tekst met debatten of gebeurtenissen in de religieus maatschappelijke context?

Het onderzoeksthema heeft een interdisciplinair karakter. De inhoud van de liederen betreft het theologisch terrein. De poëtische bewerking van het Hooglied betreft het literaire veld en de verbinding van de tekst met de melodie voegt daarbij de muzikale component. De nadruk valt echter vooral op het fenomeen Hooglied versificaties, de dichters en hun onderling netwerk en de wijze waarop zij de Hoogliedtekst in hun poëtische vertolking hebben geïnterpreteerd en geversificeerd. Daarnaast

wordt aandacht geschonken aan de keus van de melodieën en de functie van het Hooglied als zangtekst.

De eerste Hoogliedberijmingen zijn ontstaan in een historisch maatschappelijke, religieuze en sociale context van een voornamelijk gereformeerd milieu. Mede omdat in Hoogliedversificaties gerefereerd wordt aan contemporaine omstandigheden, wordt in het eerste hoofdstuk van deze studie aandacht besteed aan de tijdsomstandigheden in de context van de politieke strijd tegen Spanje. Op kerkelijk terrein zijn er in deze periode veel ontwikkelingen. Zo komt het project van de Statenvertaling tot stand en wordt het kerkelijk leven gevormd door synodale besluiten over onder meer confessie, dogmatiek en liturgische gebruiken. Naast deze gebeurtenissen en ontwikkelingen werken dichters vanuit een gereformeerd gedachtegoed waarbij zaken als het gezag van de Heilige Schrift, de omgang met de Bijbel, geloofsbeleving in de praktijk en visie op huwelijk en seksualiteit belangrijke aspecten zijn.

Als het gaat om de inhoud van de liederen betreden we het theologisch terrein. Hier speelt de vraag welk spoor de dichter volgt bij de interpretatie en exegese van het Hooglied. De interpretatie van het Hooglied in de zeventiende eeuw staat in een lange traditie waaruit verschillende inzichten zijn voortgekomen waar in de zeventiende eeuw verschillend over wordt gedacht. Daarnaast is er ook een traditie van literaire verwerking als spirituele belevingsvorm. In het tweede hoofdstuk van deze studie wordt ingegaan op wat er voorafging aan de zeventiende-eeuwse poëtische bewerking van het Hooglied.

Vanuit literair oogpunt gaat het om verstechnische aspecten. In het derde hoofdstuk worden aspecten van het versificatie proces belicht. Hierbij gaat het onder meer om keuzes waarvoor een dichter zich gesteld zag bij de wijze van vertolking van het Hooglied als Hebreeuws poëtische tekst. De vorm van het lied verbindt de tekst met de muziek. Zo bevat dit onderzoek ook een musicologische component: de meeste Hoogliedversificaties zijn voorzien zijn van één of meer melodieaanduidingen en sommige ook van notenschrift.

In het vierde hoofdstuk worden de auteurs en hun Hoogliedberijmingen belicht. Na een biografische schets, volgt een typering en analyse van de Hoogliedversificatie. Terugkerende aspecten zijn de bronnen die de auteur gevolgd heeft, de opbouw en structuur van de tekst, de mate waarin de auteur zich dichterlijke vrijheid heeft toegekend of zich gebonden wist aan de brontekst van de Heilige Schrift. Daarnaast wordt aandacht geschonken aan de keus van de melodieën en de functie van de liederen.

In de slotbeschouwing van hoofdstuk 5 worden op comparatieve wijze lijnen zichtbaar en conclusies getrokken met betrekking tot de maatschappelijke positie van de auteurs en hun onderling netwerk, de gevolgde bronnen en interpretatie, de wijze van versificatie en de functie van de Hoogliedberijmingen.

Begripsbepalingen

Met Hoogliedversificatie wordt bedoeld een bewerking in versvorm, vaak ook opgebouwd in strofen, van het Bijbelboek Hooglied uit de Hebreeuwse grondtekst of via een vertaling daarvan. Omdat niet alle bewerkers hun verzen hebben voorzien van eindrijm, wordt in deze studie naast Hoogliedberijming gesproken van Hoogliedversificatie of Hoogliedbewerking. De meeste, ook de rijmloze verzen, zijn voorzien van melodieaanduiding. Een Hoogliedversificatie kan gepaard gaan met een al dan niet berijmde Hooglieduitbreiding. De auteur heeft dan aan de oorspronkelijke tekst verklarende of meditatieve gedachten toegevoegd. Meestal hebben deze toevoegingen een religieus karakter, maar ze kunnen ook corresponderen met maatschappelijke gebeurtenissen. Toegevoegde verklarende of meditatieve informatie kan ook separaat in proza aan een Hoogliedversificatie toegevoegd zijn, zoals het Hoogliedcommentaar van Johan de Brune laat zien. De Hoogliedcommentaren die deel uitmaken van deze studie bestaan niet uit zelfstandige theologische verhandelingen, maar hebben een directe relatie met de desbetreffende Hoogliedbewerking. Lyriek is een vorm van emotionele uiting van gedachten en affecties. Het is een uitingsvorm van hoe mensen dingen beleven. Hierdoor kunnen we auteurs uit die tijd leren kennen en zijn er mogelijkheden tot herkenning en tot ontdekking van religieus literaire verwantschap.

2

Wat voorafging aan zeventiende-eeuwse

Hoogliedberijmingen

Het Hooglied heeft al ver voor de reformatie veel aandacht gekregen, zowel vanuit theologisch exegetische benaderingen, als door middel van verwerkingsvormen in literaire tradities, als ook in muzikale composities. Deze voorgeschiedenis plaatst het fenomeen Hoogliedberijmingen in de zeventiende eeuw in een religieuze traditie en toont ontwikkelingen in de vertolking van de tekst op literair en muzikaal gebied. De vroegste opvattingen over het Hooglied als symbolisch lied of bruiloftslied zijn te vinden in de joodse traditie. De rabbijnse interpretatie gaat uit van een meervoudige Schriftuitleg. De allegorische exegese neemt daarbij een belangrijke plaats in. Deze visie werkt door in de vroegchristelijke traditie en in de middeleeuwse benadering van het Hooglied. Tijdens de reformatie is de Schriftuitleg gebaseerd op deze oude tradities, maar treden er met betrekking tot de allegorische exegese en de monastieke benaderingswijze ook veranderingen op. Daarvan is de doorwerking ook te zien in Hoogliedberijmingen. Zo geeft Johan de Brune in zijn commentaar bij zijn Hoogliedversificatie een uitleg van historische en letterlijke betekenissen.

Naast een exegetische traditie is er sprake van een literair-religieuze context. Al in de monastieke cultuur is het Hooglied een populaire tekst. Dat heeft in de twaalfde tot zestiende eeuw geleid tot het gebruik van het Hooglied als spirituele belevingsvorm wat tot uiting komt in een diversiteit aan literaire verwerkingsvormen.

Ten slotte is er sprake van een muzikale traditie. Voorafgaand aan de Hoogliedversificaties in de zeventiende eeuw die gezongen konden worden, heeft het Hooglied ook veel componisten geïnspireerd.

2.1. Exegetische benaderingen in de joodse traditie

Op het concilie van Jamnia, een toonaangevende plaats in het joodse geestelijke leven tussen 70 en 135 na Chr., pleit Rabbi Aqiba (50 na Chr.-135 na Chr.) bij de vaststelling van de canon van Oude Testament rond 90 na Chr. voor opname van het Hooglied in de canon. Hij ziet het Hooglied als een sacrale tekst:

[…] alle Geschriften zijn heilig, maar het Hooglied is het heiligste van alle […].1

1 Mulder 1975, 32.

Aqiba verzet zich tegen de mening dat het in het Hooglied zou gaan om liefdespoëzie in een seculiere context:

Wie het Hooglied in een taveerne kweelt als een profaan lied, die heeft geen deel aan de toekomstige wereld.2

Vanwege de opvatting van het Hooglied als symbolisch lied heeft men het in de joodse traditie opgenomen in de Heilige Schrift. Het is één van de vijf feestrollen, de zogenaamde Megillôt. Vanouds leest men het Hooglied in de synagoge op het joodse paasfeest; op de achtste dag van Pèsach.3 Op dit feest gedenkt men de uittocht uit Egypte. God heeft het uitverkoren volk verlost uit de slavernij en verdrukking in Egypte en een verbond met hen gesloten dat te vergelijken is met de liefdesband van het huwelijk.

M. J. Mulder veronderstelt dat de kern van het Hooglied een liefdes- of bruiloftslied is geweest, waarin het liefdesleven van man en vrouw bezongen wordt. Hij wijst op een artikel van A. Bentzen waarin deze op grond van Oudtestamentische parallellen met Gen. 24:60; Ruth 4:11 en Jes. 5:1-7, veronderstelt dat liefdesliederen veelal met huiselijke gebruiken zoals huwelijksplechtigheden in verband stonden en als zegenwensen voor bruid en Bruidegom fungeerden. Het Hooglied zou dan een liederencyclus zijn die in de periode waarin huwelijken voltrokken werden, gezongen werd. Zo kan het Hooglied geleidelijk via een lang proces aan het profane gebruik onttrokken zijn en door middel van een allegorische verklaring een plaats gekregen hebben in de heilige geschriften. 4

Doorslaggevend voor de opname van het Hooglied in de canon van het Oude Testament is waarschijnlijk het feit dat het lied op een allegorische wijze is geïnterpreteerd. Men heeft in dit liefdeslied een uitbeelding gezien van de liefdesverhouding tussen God en Zijn volk.5 Voor de joodse uitleg van het Hooglied zijn drie verklarende bronnen van belang, de Midrasj,6 de Talmud7 en de Targum.8 De

2 Rozelaar 1988, 15.

3 Verduin 1995, 11.

4 Mulder 1975, 33, 43-44; Bentzen 1953, 41-47.

5 Mulder 1975, 36.

6 Musaph-Andriesse 1973, 56 e.v. De Midrasj is een zogenaamde terminus technicus bij het uitleggen en interpreteren van passages uit de Tenach en de Talmoed.

7 Ibidem, 45-46. De Talmoed is een zeer uitgebreide verzameling beschouwende commentaren, verslagen en opmerkingen. Kennis van de Talmoed vraagt intensieve studie en associatief denken en een grondige kennis van de taal. De Talmoed heeft groot gezag binnen de joodse traditie en geeft een beeld van de werkwijze van rabbijnen gedurende vele generaties.

8 Ibidem, 18. De Targum is een Aramese vertaling van de Tenach, het Oude Testament. Al in ongeveer 445 v. Chr. was het Hebreeuws niet langer de voertaal van het joodse volk en werd het verdrongen door het Aramees. Het lezen van de Tenach in de oorspronkelijke Hebreeuwse taal leidde tot begripsproblemen. De Targum is een vrij letterlijke vertaling van de Tenach.

Rothschild-kantieken

De invloed van het Hooglied is niet alleen aanwezig in literaire teksten, maar komt ook tot uitdrukking in afbeeldingen zoals in de prachtige miniaturen van de Roth-schild-kantieken (Afb. II.5). Dit kleine dertiende-eeuwse manuscript is waarschijnlijk bedoeld geweest als devotieboek voor individuele meditatie. De miniaturen bij de teksten, passages uit de mystieke literatuur, laten beelden zien van de mystieke min. De miniaturen beginnen met illustraties uit het Hooglied.77 Ook in dit handschrift wordt het veelgebruikte motief van de mystieke wijnkelder afgebeeld.78

afb. ii .5. minstreel die voor koning Salomo speelt. Rothschild-kantieken, florence 1490. Joods Theologisch Seminary, new York (mS 8892).

77 Oostrom 2006, 453. 78 Scheepsma 2005, 151.

4

De dichters en hun Hoogliedberijmingen

Karel van Mander is, voor zover wij weten, de eerste dichter die in 1595 het gehele Hooglied heeft berijmd en gepubliceerd. Zijn berijming en de versificaties van negen dichters uit de Noordelijke Nederlanden tot 1650 na hem passeren in dit hoofdstuk de revue. Dit betreft de berijmingen van: Jacob Beeckman (1616), Jacobus Revius (1621), Hieronymus Vogellius (1625), Samuel Ampzing (1629), Arnoldus Altius (1631), Jacob Cats (1637), Franciscus Nicolaes de Wael (1645), Johan de Brune (1647) en Hendrick Jansz. Prins (1650, twee berijmingen).1

Na een biografische schets wordt in de analytische beschrijving van deze Hoogliedversificaties stilgestaan bij de preliminaria; de structuur en vorm, bronnen en theologische traditie; dichterlijke vrijheid versus Schriftuurlijke gebondenheid; beeldspraak en motieven en melodie en zang.

In de biografische schets van de dichters gaat het om de religieus-maatschappelijke achtergrond van de auteurs, zoals levensomstandigheden, beroep, opleiding, kerkelijke signatuur en netwerk. Daarvoor is gebruik gemaakt van secundaire bronnen en beperkt genealogisch onderzoek. Deze gegevens dienen om een beeld te vormen in welk milieu de Hoogliedberijmingen zijn ontstaan.

Preliminaria zoals titelblad, eventuele opdrachten, voorredes of lofdichten kunnen aanvullende informatie verschaffen met betrekking tot het netwerk van de auteur en het doel van zijn Hoogliedversificatie.

Vervolgens zijn de versificaties geanalyseerd naar de structuur en vorm die de dichter in zijn berijming heeft aangebracht. Een auteur kan afwijken van de ‘gangbare’ indeling van de Bijbelse Hoogliedtekst in acht hoofdstukken door zijn tekst in bepaalde zangen te verdelen. Daarbij is gelet op de opbouw van strofen en rijm in verhouding tot gedachte-eenheden. Onder meer uit de omvang van de berijming valt af te leiden of er sprake is van een nauwgezette berijming van de brontekst of van een parafrase of uitbreidend commentaar. Ten slotte blijken er verschillen te zijn in de diverse berijmingen bij de wijze en plaats van aanduiding van sprekende partijen bij bepaalde Bijbelpassages.

Een belangrijk aspect voor wat betreft de inhoud van de Hoogliedberijming is welke bronnen een auteur heeft gevolgd bij zijn interpretatie van het lied. Soms zijn deze bronnen expliciet vermeld. Wat de Bijbelse brontekst betreft is de bron vaak ook af te leiden uit de tekstopbouw en overeenkomsten in het taalgebruik.

1 Uit de periode tot 1650 zijn veertien Hoogliedberijmingen bekend. De berijming in het handschrift van David Beck (1622), Petrus van Angelen (), G. Theodosius van Walhorn Deck-her (1642) en de tweede berijming in het liedboek van Hendrick Jansz. Prins (1650) blijven in deze analytische beschrijving buiten beschouwing. Zie de Inleiding.

De wijze van versificatie zegt iets over de mate waarin een auteur gebruik maakt van dichterlijke vrijheid of zich meer gebonden weet aan de tekst van de Schrift. Zo kan er sprake zijn van een vrij letterlijke berijming waarbij woorden letterlijk overeenkomen met de Bijbeltekst. In deze categorie geeft een auteur alleen eigen aanvullingen ter wille van het rijm, het metrum of de zinsbouw. Bij een parafrase van de Hoogliedtekst veroorlooft de dichter zich in meer of mindere mate dichterlijke vrijheid om eigen bewoordingen te kiezen. Hierbij wordt soms de beeldspraak van het Hooglied uitgebreider beschreven of worden eigen beelden toegevoegd.

Daarnaast komen allusies op andere Bijbelteksten voor. In de derde plaats komen er in Hoogliedberijmingen ook uitbreidingen voor. Dit zijn berijmingen die eigen en/of collectieve geloofservaringen vertolken en/of ook een interpretatie of uitleg geven, geïntegreerd in de tekst. Ten slotte zijn er Hoogliedberijmingen met een separaat commentaar. Bij deze versificaties is vaak tussen de hoofdstukken een berijmd of proza commentaar toegevoegd.

De Hoogliedtekst bestaat grotendeels uit beeldspraak en symboliek. De Bruidegom en bruid maken deel uit van de huwelijksmetafoor die in de traditionele allegorische opvatting verwijst naar het geestelijke huwelijk tussen Christus en Zijn Kerk. Ook is er bijvoorbeeld in Hooglied 1:4 sprake van een koningsmetafoor als de bruid Christus haar Koning noemt: “De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren […]”. Een andere vorm van beeldspraak is de herdersmetafoor zoals in Hooglied 1:7-8, verbonden met de beelden van het arcadische leven, etc. George Lakoff en Mark Johnson hebben een onderzoek gewijd aan het principe van conceptuele metaforen.2 Het uitgangspunt hierbij is dat het gaat om een netwerk van metaforen waaraan één beeld ten grondslag ligt. Zo wordt in Hooglied 8:6-7 de liefde beschreven als een vuur. Deze beeldspraak kan geassocieerd worden met brandende liefde, vurige liefde, onuitblusbare liefde. Hoogliedberijmingen die de Hoogliedtekst parafraseren bieden ruimte voor een associatief netwerk aan beeldspraak. Het voert in deze studie te ver om te onderzoeken welke metaforen Hoogliedberijmers rondom een concept metafoor hanteren. Het zou voor berijmingen tot 1650 ook weinig informatie opleveren om dat de dichters in deze periode zich vooral aan de uitdrukking van de beeldspraak in de brontekst houden. In dit onderzoek gaat het om de mate waarin een dichter de beeldtaal uit het Hooglied volgt, of in welk opzicht hij daarvan afwijkt. Zo zijn er dichters die aan de beeldspraak van Christus als herder, de bruid als herderin toevoegen. Daarnaast komt het voor dat dichters de beeldspraak uit het Hooglied uitbreiden en verlevendigen. Het laatste aspect van de analytische beschrijving betreft de melodieën en de functie van de Hoogliedversificatie als zangtekst. Hier is nagegaan welke muzikale en eventueel literaire contrafacten een dichter heeft gebruikt. In het laatste geval

2 Lakoff 2003, 3-6.

heeft een dichter de tekst niet alleen berijmd op een bestaande melodie, maar ontleent hij ook woorden, zinsneden of betekenissen aan het bestaande lied.

4.1. Karel van Mander (1548-1606)

De Haarlemse schilder-dichter Karel van Mander (Afb. IV.1) is vooral bekend als schilder en als schrijver van het Schilder-Boeck uit 1604. Veel minder bekend is het feit dat er van zijn hand in 1595 ook een Hoogliedberijming is verschenen. Met deze versificatie begint de rij van literaire Hoogliedbewerkingen in de Noordelijke Nederlanden in de zeventiende eeuw.3

Van Mander is afkomstig uit Meulebeke waar hij in mei 1548 wordt geboren als tweede zoon in het gezin van Cornelis van Mander, heer van Meulebeke en Johanna van der Beke. 4

Als zoon van welgestelde ouders ontvangt hij een goede opleiding. Na de Latijnse school in Thielt, volgt hij in Gent lessen bij een Franse schoolmeester en komt hij voor schilderlessen bij de schilder-dichter Lucas de Heere (1534-1584). Deze wordt in 1568 vanwege zijn calvinistische gezindheid uit Vlaanderen verbannen. Hierna werkt Van Mander nog een jaar in het atelier bij Pieter Vlerick (1539-1581) in Doornik. In 1569 komt hij terug in Meulebeke waar hij zich bezighoudt met Bijbelse zinnespelen, kluchten en liederen. Volgens zijn anonieme biograaf weet hij veel emoties bij de toeschouwers op te roepen.5 In 1574 onderneemt hij een reis naar Italië waarbij hij onder meer in Florence en Rome verblijft. Tijdens deze reis ontmoet hij de kunstschilder Bartholomeus Spranger (1546-1611) met wie hij enige tijd optrekt en samenwerkt onder andere aan decoraties van een triomfboog voor keizer Rudolf II in Wenen.6

Als hij in 1577 terug is in Meulebeke trouwt hij met Ludovica Buyse. Door onveiligheid in de Vlaamse steden vanwege geloofsvervolging, het gewelddadig optreden van Waalse troepen (de zgn. malcontents) en het uitbreken van de pest, vestigt het gezin zich in 1583 in Haarlem. Hier werkt Van Mander als schilder-dichter en

3 Voor de analyse in dit onderzoek is de uitgave van 1598 gebruikt.

4 Een belangrijke bron over het leven van Karel van Mander is ’t Geheslacht, de gheboort, plaets, tijdt, leven, ende wercken Van Karel van Mander, Schilder ende Poët, Mitsgaders Zyn overlyden, ende be-graeffenis, den 11. September, A˚, 1606, ’t Amsterdam. Haerlem, Anno 1624. Deze biografie is in 1618 voor het eerst verschenen bij de tweede editie van Karel van Manders Schilder-Boeck. H. Duits heeft in ‘Het leven van Karel van Mander. Kunstenaarsleven of schrijversbiografie?’ In: De zeventiende eeuw 9 (1993) 2, 117-136 aannemelijk gemaakt dat uit het Phoenixmotief in het sonnet van G.A. Bredero dat achter deze biografie als ‘Toegift’ staat afgedrukt, valt te reconstrueren dat Karel van Mander jr. als zoon en leerling van de schilder-dichter deze biografie geschreven moet hebben.

5 ’t Geheslacht,de gheboort,plaets,tijdt,leven, ende wercken Van Karel van Mander, 16 en 21.

6 Jeroense 2016, 54-55.

afb. iV.1. Portret van Karel van mander op 56-jarige leeftijd.

Gravure van Jan Saenredam naar een schilderij van h endrick Goltzius.7

prozaschrijver. Met Hendrick Goltzius (1558-1617) en Cornelis Cornelisz. van Haarlem (1562-1638) vormt hij een schilderacademie. Een van de bekendste leerlingen van deze academie is Frans Hals (1582-1666).

In 1592 richt Van Mander de Rederijkerskamer De Witte Angieren op.789Voor deze rederijkerskamer ontwerpt hij een blazoen met allusies op het Hooglied (Afb. IV.2). Het motto luidt ‘In liefde getrou’. In de cartouche is een afbeelding te zien van

7 Het onderschrift luidt: ‘Caerle ver mander van Molebeke in Vlaender, Schilder AETAT. 56.’ Bron: Karel van Mander, Het Schilder-Boeck, Haarlem 1604.

8 Dixhoorn 2009, 109.

Het Hooglied, bekend in het Hebreeuws als Shir Hashirim (‘Het Lied der Liederen’), is een uitzonderlijk Bijbelboek: het kent geen plot, maar is een gedicht (volgens de overlevering van de hand van koning Salomo zelf) met als onderwerp de zuivere liefde tussen bruidegom en bruid in een arcadische sfeer van herders en schapen, wijngaarden, vossen en vogelzang. In de joodse traditie wordt het Hooglied gezien als een symbolisch geestelijk lied. Aan het begin van de zeventiende eeuw ontstaat in de Nederlanden echter een opmerkelijk religieus poëtisch fenomeen: het Hooglied wordt herhaaldelijk berijmd. Een groot deel van deze berijmingen is op melodie gezet om dienst te doen als zingbare tekst.

Dit boek belicht een tiental van deze Hoogliedberijmingen. Daarbij wordt stilgestaan bij het milieu waarin de berijmingen zijn ontstaan, de dichters, hun beweegredenen, het proces van versificatie en de functie van muzikale vertolking.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.