Page 1

HANDLEIDING BASIS

naam handleidinghouder


Introductie

Windsurfen is bij uitstek de watersport voor doorzetters die niet bang zijn om veel in het water te vallen. Dat was vroeger zo, en dat geldt ook vandaag nog. Toch is het leren windsurfen dankzij aangepast materiaal en nieuwe lestechnieken tegenwoordig veel eenvoudiger geworden: je leert het bij wijze van spreken in een handomdraai. Deze vernieuwde handleiding vormt je leidraad bij het leren windsurfen. Samen met de modules op je Surf- & Zeilpas, ook op de laatste bladzijde terug te vinden, moet dit helpen om optimaal te kunnen genieten van deze fantastische watersport. Veel succes en tot op ‘t water...

3


Inhoud Deel 1: Aan de wal 1. 2. 3. 4. 5.

Onderdelen van een windsurfset ............................................6 Optuigen, aftuigen en knopen leggen .....................................8 Veiligheid en voorrangsregels ................................................11 Koersen en zeilstanden (de windroos) ....................................17 Het materiaal veilig en correct dragen ....................................19

Deel 2: Specifiek deel met betrekking tot de windsterkte 6. 7. 8. 9. 10.

Het zeil optrekken en starthouding .........................................21 Starten en halve windse koers varen .......................................25 Oploeven en afvallen ..............................................................28 Overstag gaan en opkruisen ...................................................29 Voor-de-wind varen, gijpen en afkruisen ................................31

Deel 3: Ter info 13. 14. 15. 16.

4

Het windsurf abc .....................................................................34 Een nieuw millennium, een nieuwe opleiding... ......................35 Het nieuwe vlaamse brevettensysteem ...................................36 Inschakelingen ........................................................................36


Deel 1 Aan de wal

5


1. Onderdelen

Zie ook “het wi ndsurf-ABC” op bladzijde 34. Je vindt er ook ee n woordenlijst me t vertalingen in het Frans, het Duits en het Engels.

1.1. De plank - het board Terminologie 1. boeg: de voorkant van het board 2. spiegel: de achterkant van het board 3. zwaardkast 4. mastvoetuitsparing en mastrail 5. staartvin 6. voetbanden 7. zwaard (inklapbaar) of centrale vin Functies: Centrale vin of uitgeklapt zwaard: - verhindert het zijwaarts afdrijven van het board - zorgt voor extra stabiliteit - is de draaispil bij het draaien Als beginneling varen we steeds met een uitgeklapt zwaard! Staartvin: - ze dient om een rechte koers te varen - zonder vin zou de spiegel “slippen”

6

Zwaard en vin hebben een scherpe en een botte kant. De scherpe kant moet, hoe eigenaardig het ook lijkt, naar de spiegel wijzen. De botte kant klieft door het water.


1.2. Het tuig: de mast, de giek en het zeil

Mast 1. mastvoet 2. masttop Zeil 3. mastsleuf 4. tophoek 5. halshoek 6. schoothoek 7. voorlijk 8. achterlijk 9. onderlijk 10. zeillatten Giek 11. klem schoothoek 12. kop met snelbinding Koorden: 13. neerhaler 14. uithaler 15. ophaaltouw

7


De mast ligt dwars op de wind. Dit blijft zo tijdens het hele optuigen.

2. Optuigen, aftuigen en knopen leggen

 2.1 Optuigen van het zeil

1. Schuif de mast in de mastsleuf en vervolgens de mastvoet in de mast. Span de neerhaler aan. 2. Meet je schouderhoogte af op de mast.

3. Maak de giek op schouderhoogte vast op de mast. 4. Span het zeil op met de uithaler. Maak hem vast in de klem en bind het touw met halve steken rond de giek.

 8


5. Maak het ophaaltouw vast aan de mastvoet. 6. Span eventueel de zeillatten in het zeil op. 7. Missie volbracht

Hoe minder wind, hoe boller je zeil getrimd moet zijn. Je kunt dit doen door de uithaler en de neerhaler minder hard aan te spannen. Is er veel wind, dan haal je de uithaler en neerhaler extra hard aan zodat je zeil vlak getrimd staat.

2.2. Aftuigen (De zeillatten moeten bij de moderne zeilen niet meer gelost worden.) Maak eerst de uithaler los en vervolgens de neerhaler. Hierna kan je de giek zonder moeite van de mast loskoppelen. Haal vervolgens de mast uit het zeil en rol het zeil vanaf de tophoek evenwijdig met de zeillatten op.

Berg het zeil nooit nat op! 9


2.3. Knopen

Kno kun pen steed nen sn zijn uttig ...

Halve steek

Achtknoop

Platte knoop

Paalsteek

Mastworp 10


Je plank is een heel goed vlot. Blijf er dus steeds bij! Als je valt, houd dan een arm boven je hoofd ter bescherming tegen de vallende mast.

3. Veiligheid, voorrangsregels en de windroos 3.1. De veiligheid Je kan uiteraard goed zwemmen, maar toch moet je steeds heel voorzichtig zijn op het water. Volg daarom alle richtlijnen van de monitor nauwkeurig op, ook als ze eens minder prettig zijn. - Draag, als het water koud is, altijd een wetsuit, ook als de zon schijnt ! - Tijdens een cursus draag je steeds een dichtgeknoopte zwem- of reddingsvest. - Zorg ervoor dat je lesgever je altijd kan zien. - Vergeet je petje en je waterproof zonnecrème niet op zonnige dagen. Op het water is het zonlicht immers intenser. 3.2. Help! Ik kan niet meer terug ! Bij weinig wind leg je het volledig opgetuigde zeil op de spiegel. Haal eventueel eerst de mastvoet uit de plank. Peddel knielend of liggend op je board terug. Zorg er hierbij voor dat het tuig volledig uit het water is.

11


3.3. Noodaftuiging

Kan je niet meer terug door te peddelen, probeer dan de noodaftuiging.

1. Ga op je board zitten en haal de mastvoet uit de plank. Maak het ophaaltouw onderaan los. 2. Maak de uithaler los en koppel de giek van de mast los. Deze kan je op je plank leggen. 3. Bij een zeil zonder zeillatten: rol het zeil op tegen de mast. 4. Bij een zeil met zeillatten: maak de neerhaler los, haal de mast uit het zeil en rol het zeil evenwijdig met de zeillatten op. 5. Leg alles netjes op de plank, ga erop liggen en peddel terug.

3.4. Noodsignaal Verkeer je in uiterste nood, geef dan het internationaal noodsignaal. Zo maak je aan anderen duidelijk dat je hun hulp nodig hebt. Je zwaait je armen zijwaarts, gestrekt tot boven je hoofd en terug tot naast het lichaam.

3.5. Stoppen Als surfer moet ik altijd kunnen stoppen!... Er bestaan hiervoor twee manieren: 1. De noodstop Je kan altijd stoppen door in het water te springen. Laat het zeil met de wind mee in het water vallen en spring zelf aan de andere kant in het water. Omklem je board dadelijk met beide armen.

12


2. De stopgijp

1

Open het zeil en druk het zeil tegen de wind in, zodat het als rem gebruikt wordt. Zet je wel schrap!

2 3.5. De vier belangrijke veiligheidstips 1. Zelfevaluatie

3. Kennis van het surfgebied

-

We houden rekening met: De meteo Zal de wind toe- of afnemen, of blijft hij een paar uur constant? Draait de wind of niet? Blijft het weer hetzelfde of is er bijvoorbeeld kans op mist? Wordt het niet te koud?

-

-

Ken jezelf. Kan je de surfcondities aan of niet? Rust op tijd. Stop op tijd. Rust nooit op het water want het kan tot afkoeling leiden. Als je bovendien te lang op je plank blijft zitten of liggen, kan men gaan denken dat je in de problemen zit. Ken jezelf en kies het juiste materiaal (bvb. zeilgrootte).

3

2. Keuze van de uitrusting

Het board Pas je aan aan de weersomstandigheden. Zo is het bijvoorbeeld niet meer verantwoord om met een course-race-plank op zee te gaan bij meer dan 6 Beaufort. Met de zogenaamde “zinkers” dien je op te letten bij aflandige wind. Indien de wind onregelmatig is en af en toe weg valt, dan kan je in ernstige problemen geraken om terug te keren. Indien je technische bagage het niet toelaat, koop je best geen te klein board. De waterstart beheersen is een must voor het goed varen bij veel wind op een slalomplank. Het zeil Kies een zeil dat geschikt is voor de heersende omstandigheden. Neem dus geen race zeil voor het varen van “wave”. Neem tijdig een kleiner zeil. Een klein zeil is bij veel wind doorgaans even snel, het is gemakkelijker voor het uitvoeren van manoeuvres en het is een stuk veiliger. Trapeze Voor de gevorderde surfer is het gebruik van een trapeze een noodzaak. Je kan veel langer varen en je vaart een stuk comfortabeler.

De windrichting Bij aflandige wind is het soms moeilijk om de windsterkte in te schatten omdat de grootte van de golven niet zichtbaar is. De golven worden groter naarmate je verder van de oever gaat. Ook de wind neemt in kracht toe. Bij aanlandige wind is het veiliger varen want je kan je immers altijd terug laten drijven.

4

De oeverstructuur Waar kan je in geval van nood snel aan wal en waar is dit niet mogelijk? De bodemgesteldheid Zandbanken, riffen en andere ondiepe en gevaarlijke plaatsen. Bootverkeer Hoe verloopt de scheepvaart en wat is de plaatselijke reglementering voor de surfers? 4. Surf nooit alleen -

-

Surf bij voorkeur in een bewaakte zone. Het is immers altijd geruststellend als je bij problemen op een reddingsdienst kan rekenen. Indien je door omstandigheden toch alleen het water op gaat, meld dan je vertrek aan iemand aan de kant. Als je in de problemen raakt, kun je dan immers op mogelijke interventie rekenen. Vergeet echter ook niet te melden wanneer je stopt met surfen.

13


3.6. De voorrangsregels

en. aanvaring vermijd Je moet steeds een ! oet je altijd helpen Iemand in nood m

a) Algemene voorrangsregels Zoals er verkeersregels bestaan op het land, bestaan er ook verkeersregels op het water. We zijn als watersporters immers niet alleen op het water. Er zijn ook schepen, waterskiërs, roeiers, enz... Deze algemene voorrangsregels duiden op de voorrang die het ene type vaartuig aan het andere moet geven.

Raadpleeg steeds de plaatselijke reglementering. Je zal bijvoorbeeld nooit in een bewaakte zwemzone mogen surfen. Zwemmers zijn erg kwetsbaar. Geef ze voorrang.

14

1.

Beroepsvaart heeft altijd voorrang.

2.

Een motorboot die een waterskiër trekt moet enkel voor beroepsvaart uitwijken.

3.

Surfplanken en zeilboten moeten 1 en 2 voorrang verlenen.

4.

De mankracht aangedreven vaartuigen (bvb. een roeiboot) moeten wijken voor beroepsvaart, waterskiërs, surfers en zeilers.

5.

Mechanisch aangedreven vaartuigen (bvb. motorboot) moeten aan alle bovenvermelde vaartuigen voorrang verlenen.


b) Specifieke voorrangsregels Voor surfers en zeilers die elkaar kunnen aanvaren gelden er specifieke voorrangsregels. Deze moet je in de gegeven volgorde toepassen. Als je voorrang hebt, dan maak je dat de andere duidelijk door hem of haar aan te roepen op een hoffelijke manier.

Regel 1 - Bakboord heeft voorrang op stuurboord. Bakboord: Je vaart bakboord als je met je zeil over de linkerkant van de plank vaart. Wanneer je naar de boeg kijkt. Praktisch: je rechterhand is de masthand. Stuurboord: Je vaart over stuuRboord als je met je zeil over de Rechterkant van de plank vaart. Praktisch, je linkerhand is masthand. Dit betekent dat A moet wijken voor B

A

B

Oefening: we zoeken wie over welke boord vaart. 1. stuurboord 2. stuurboord 3. bakboord 4. bakboord Dus 3 en 4 hebben voorrang op 1 en 2.

Maar nu weten we nog niet wie er ongehinderd mag doorvaren... Als beide met het zeil over dezelfde kant varen, pas je de tweede regel toe...

Regel 2 - Lij heeft voorrang op loef. Lijwaartse plank: de plank die het verst van de wind verwijderd is.

A

Loefwaartse plank: de plank die het dichtst bij de wind ligt. Wanneer je normaal vaart, staat je zeil steeds over de lijzijde. A moet wijken voor B Anders gezegd: Wie het scherpst vaart heeft voorrang. B heeft voorrang.

B

15


Oefening: We weten al dat 3 en 4 voorrang hebben op 1 en 2. Kijken we nu naar 3 en 4. We zien dat 4 aan de lijzijde van 3 ligt of dat 4 scherper vaart dan 3. Dus heeft 4 voorrang op 3 en ook op 1 en 2 (vorige regel). Dus 4 heeft hier voorrang op iedereen. Hoe zit het nu met 1 en 2 ?

Regel 3 “Vrij” voor heeft voorrang op “vrij” achter. “Vrij” voor: voorste plank/boot die geen andere obstakels heeft.

A

“Vrij” achter: de plank/boot die de voorste wil inhalen en verder geen obstakels heeft. A moet wijken voor B. Anders gezegd: de inhalende mag de voorste niet aanvaren en niet hinderen tijdens het voorbij varen.

B

Oefening: 4 heeft voorrang op iedereen 3 op 1 en 2 Nu weten we ook dat 2 voorrang heeft op 1. De voorrangsvolgorde is dus: 4, 3, 2 en dan 1

16


4. Koersen en zeilstanden - de windroos 4.1. De verschillende koersen en hun zeilstanden De verschillende richtingen die je kan varen hebben alle een naam gekregen: Het zijn de verschillende koersen die we kunnen varen. Je kan van koers veranderen door af te vallen, op te loeven, overstag te gaan of te gijpen (zie verder).

half bakboord scherp bakboord

ruim bakboord

bakboord of stuurboord voor de wind

Kijk goed naar de stand van de zeilen. Elke koers heeft haar optimale zeilstand. Als je surft, moet je je zeilstand dan ook altijd aanpassen aan de koers die je vaart, door je zeil aan te halen of te vieren.

Dode hoek

IN de wind

scherp stuurboord half stuurboord

ruim stuurboord

17


n e l l a Afv

en v e o l Op 8. Afvallen en oploeven

Oploeven en afvallen doen we als we van richting willen veranderen.

8.1 Afvallen

8.2. Oploeven

Afvallen doe je door de voorkant van de giek naar de voorkant van het board (-boeg) te richten. De boeg draait weg van de wind.

28

Oploeven doe je door de achterkant van de giek naar de achterkant van het board (-spiegel) te richten. De boeg draait naar de wind toe. Van zodra je de gewenste richting uitvaart, breng je de giek terug evenwijdig met het water. Je zal daardoor opnieuw rechtdoor varen.

!

Hou tijdens het afvallen je zeilhand dicht bij je! Anders word je verrast door de toenemende druk in het zeil.

!

Blijf steeds rechtop staan.


9.1 Overstag gaan

Overstag gaan is het draaien van het board met de boeg door de dode hoek heen. We doen dit door het zeil over de spiegel te brengen naar de andere kant van het board.

Fase 1: Je vaart halve wind.

Fase 2: Oploeven tot in de wind. • Terwijl je oploeft neemt de masthand de mast vast. • De voorste voet komt al voor de mastvoet. • Door je armen te strekken probeer je met de achterkant van de giek het water te raken.

Fase 3: Over de boeg stappen. • Eens je in de wind ligt, komt je achterste voet ook voor de mastvoet. • Je zeilhand neemt ook de mast vast, houd het zeil met gestrekte armen richting spiegel.

9. Overstag gaan en opkruisen Fase 4: Verder door draaien. • Het zeil verder over de spiegel leiden. • Meestappen met je zeil: voeten en neus wijzen steeds naar de schoothoek. Fase 5: Komen tot starthouding. • Opnieuw 90° vormen tussen board en zeil maar nu over de andere boeg. Fase 6 Je vaart opnieuw halve wind.

29


9.2. Opkruisen

Je weet al dat je niet recht tegen de wind in kan surfen. Een boot of een boei die in de richting van de wind ligt, kan je dus niet zomaar bereiken door er recht naar toe te varen! Toch kan je er geraken, door ZIG ZAG te varen. Opkruisen heet dit.

Je kan het vergelijken met een auto die niet recht naar de bergtop kan rijden omdat de berg te steil is, en daarom in haarspeldbochten naar boven rijdt. De auto rijdt niet recht naar de top toe, maar komt toch na elke bocht wat dichterbij.

30


3

2 1

10. Voor de wind varen, gijpen en afkruisen

10.1 Voor de wind varen Het voor de wind varen vraagt een specifieke lichaamshouding. Hoe komen we nu tot die koers en houding?

Fase 1: Je vaart halve wind. Fase 2: Afvallen • Afvallen tot je volledig met de wind mee vaart. • Zeil meevieren.

Fase 3: Je vaart voor de wind. • De voeten staan links-rechts van de zwaardkast of tussen de twee voorste voetbanden. Tenen wijzen naar de boeg. • De mast wordt over het board gekanteld. Je kan de boeg door het venster zien.

31

Handleiding windsurfen basis  
Handleiding windsurfen basis  

Beschrijvingn van alle basistechnieken windsurfen + een stevige theoretische achtergrond

Advertisement