Page 1

Verschijnt 5 maal per jaar Afgiftekantoor Gent X P409339

België - Belgique

P.B.

Vrije Universiteit Brussel - Pleinlaan 2 - 1050 Brussel

Gent X BC 9467

Akademos I n f o r m a t i e m a g a zi n e v a n d e V r i j e U n i v e rs i t e i t B r u s s e l J a a rg a n g 9 - N ° 5 - D e c e m b e r 2 0 0 6

50 jaar Artificiële Intelligentie................ p4 Eredoctoraat voor Sonia Gandhi.................................................................................... p9 Een weerman met een wereldrecord............................................... p16

Onderzoek.................... p2

© Getty Images

40 jaar Rits................ p11

Sonia Gandhi

. Speuren naar landmijnen................. p18


Wist u dat... … BETACELTRANSPLANTATIE DIABETESPATIENTEN HELPT EIGEN INSULINE AAN TE MAKEN? Het Europees JDRF Center for Beta Cell Therapy in Diabetes, onder leiding van Prof. Daniël Pipeleers van de Vrije Universiteit Brussel, heeft haar resultaten gepubliceerd over celtransplantatie bij 22 patiënten met type 1 diabetes. Het deed dat in het gezaghebbend Amerikaans tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences of the USA. De patiënten uit het onderzoek maakten sinds jaren geen eigen insuline meer aan en waren dus volledig aangewezen op insuline-injecties. De studie geeft aan hoeveel donor insuline-producerende bètacellen moeten worden getransplanteerd om de injecties te kunnen stoppen en om gedurende minstens één jaar de bloedsuikergehaltes binnen normale waarden te houden. Eén jaar na transplantatie maken deze patiënten al belangrijke hoeveelheden eigen insuline aan. Deze gegevens leggen de basis voor een celtherapie bij diabetes. Ze vormen een referentiepunt voor vervolgstudies die de combinatie van bètaceltherapie met afstotingswerende farmaca (de werkzame bestanddelen van een geneesmiddel) proberen te optimaliseren.

… HET KLIMAAT ROND ANTARCTICA EN GROENLAND TIJDENS DE LAATSTE IJSTIJD SCHOMMELDE ALS EEN WIPPLANK? Wetenschappers van het European Project for Ice Coring in Antarctica (EPICA) zijn er in geslaagd om zeer precies de klimaatgegevens uit de laatste ijstijd van Antarctica en Groenland op elkaar af te stemmen. Dat gebeurde op basis van de methaanconcentraties in luchtbellen die ze uit het ijs konden halen. De onderzoekers voerden hun analyses uit op de nieuwe EPICA ijskern die geboord werd op Antarctica. Ze vergeleken de gegevens met die van het North Greenland Ice Core Project (NGRIP) aan de andere kant van de aardbol. De researchers stelden vast dat de klimaatsvariaties rond Antarctica en Groenland met elkaar verbonden waren via een soort wipplank. Of anders gezegd, telkens wanneer het in het noorden warm was, koelde het in het zuiden weer af. Glacioloog Prof. Philippe Huybrechts van de Vrije Universiteit Brussel is medeauteur van het artikel dat in Nature verscheen. Hij ontwikkelde een computermodel van de Antarctische ijskap, waarmee de ijskern kon worden gedateerd en gecorrigeerd.

… SPIN-OFF ELSYCA BELANGRIJKE CONTRACTEN AFSLOOT IN DE LUCHTVAARTSECTOR? Twee zwaargewichten uit de luchtvaartsector, het Britse Turbine Surface Technology en MRO business (Maintenance, Repair & Overhaul), hebben gekozen voor Elsyca’s technologie. Elsyca levert als spin-off van de Vrije Universiteit Brussel engineering diensten en software oplossingen op basis van electrochemical modelling. Deze techniek laat toe om via computermodellen een diepgaande analyse te maken van de elektrochemische processen bij de productie van vliegtuigen, waardoor men de voorafgaande research- en testfasen sterk kan reduceren. Door deze contracten besloot het BI3 Fund – het risicokapitaalfonds van de Vrije Universiteit Brussel - om een extra kapitaalsverhoging door te voeren in het bedrijf. Zo kan Elsyca bijkomend personeel aanwerven en zijn patentenportefeuille verder uitbreiden.

… TOPSPORTLABO BLITS GAAT SAMENWERKEN MET HET NEDERLANDS OLYMPISCH COMITE? Het Brussels Labo voor Inspanning & Topsport (BLITS) van de Vrije Universiteit Brussel heeft een raamovereenkomst ondertekend met het Nederlands Olympisch Comité (NOC/NSF). BLITS is een inspanningslabo, erkend door de Vlaamse Gemeenschap. Het test (top)sporters uit verschillende disciplines, zoals bijvoorbeeld de spelers van voetbalclub Anderlecht. BLITS heeft sinds enkele jaren een onderzoekslijn uitgebouwd rond IT-toepassingen in de sport, waarbij onder andere een online trainingsdagboek ontwikkeld werd dat nu al in gebruik is bij de Nederlandse professionele schaatsploeg. BLITS levert de kennis in deze overeenkomst terwijl het NOC/NSF gegevens van hun topsporters ter beschikking stelt voor wetenschappelijk onderzoek. Het betreft onder andere gegevens in verband met blessureregistratie, trainingsdagboeken, voedingsregistratie,… De overeenkomst is een doorbraak in de internationale samenwerking, vooral omdat hieruit blijkt dat de jarenlange expertise van BLITS nu internationaal erkend wordt.

… SLAPELOOSHEID DOOR DE HERSENEN GESTUURD KAN WORDEN? Slapeloosheid treft ongeveer 20% van de bevolking en bij een kwart van deze mensen helpen de traditionele behandelingswijzen niet. Uit onderzoek van de vakgroep Cognitieve en Biologische Psychologie blijkt nu dat specifieke neurofysiologische karakteristieken verbonden zijn aan slapeloosheid. Het onderzoek met hersenbeeldvormingstechnieken toont aan dat de hersenen van mensen die kampen met slapeloosheid actiever zijn tijdens de slaap in vergelijking met gezonde slapers. Een relatief nieuwe techniek, EEG biofeedback of Neurofeedback, maakt behandeling mogelijk. Deze training is een zelfregulatiemethode, gebaseerd op het principe van operante conditionering. Dit houdt in dat de patiënt onmiddellijk informatie krijgt over de mate van activatie/ontspanning van de hersenen zodat hij/zij de werking van zijn/haar hersenen leert bijsturen. Deze methode werd reeds met succes toegepast bij aandachts- en concentratieproblemen en ook de eerste onderzoeken bij slapeloosheid zijn veelbelovend.

.


Onderzoek Kort

Illegalen doen voor dringende medische hulp eerder beroep op een huisarts. Dat leidt tot overbelasting van de artsen en tot scheefgroei. Tot die vaststelling kwam Matthieu Goossens, afgestudeerd als Arts aan de Vrije Universiteit Brussel, na een enquête onder huisartsen in één van de Brusselse deelgemeenten in het kader van zijn thesisonderzoek. De gezondheidszorg blijkt voor illegalen toegankelijk, maar niet zoals de federale overheid het heeft voorzien. Het officiële systeem van Dringende Medische Hulp (DMH) wordt weinig gebruikt wegens zijn complexiteit en wordt - door hulpvragers en zorgverstrekkers - vervangen door allerlei alternatieven. Als gevolg daarvan wordt een selectieve groep artsen financieel en naar werkhoeveelheid onevenredig belast. Ook voor het OCMW is de werkdruk te groot. Daarom is er nood aan een eenvoudigere en transparantere toepassing van DMH. Een betere structurele communicatie tussen artsen en OCMW zou op dat vlak voor een doorbraak kunnen zorgen.

… CROSSTALKS EEN STEVIGE STAP ZET NAAR EEN OPEN DIALOOG TUSSEN DE STAKEHOLDERS IN DE GEZONDHEIDSZORG? Op 13 oktober vond in het Vlaams Parlement in Brussel het eerste congres plaats over de ‘Toekomst van het Geneesmiddel’. Dit gebeurde op initiatief van het universiteits- en industrienetwerk CROSSTALKS van de Vrije Universiteit Brussel, dat sinds een drietal jaren confronterende, maar constructieve dialogen opzet rond actuele thema’s. Elk thema wordt onderbouwd door een begeleidend comité, dit keer onder leiding van Prof. Alain Dupont. De CROSSTALKS-sessies beogen geen pasklare antwoorden, maar willen in eerste instantie de juiste vragen stellen. Daarom wordt resoluut voor een interdisciplinaire bottom-up aanpak gekozen. Het eerste congres droeg de titel ‘Exploring the Added Value of Medication’ en bood een platform aan zowel maatschappelijke denkers, bio-informatici, gezondheidseconomen, mutualiteiten, internationale, Europese en nationale beleidsmensen, ethici alsook de farmaceutische industrie. Meer informatie vindt u op de website http://crosstalks.vub.ac.be.

… DOOR EEN EMBRYO TRAGER IN TE VRIEZEN DE KANS OP OVERLEVING VERGROOT? Het invriezen van menselijke embryo’s voor IVF-doeleinden wint nog steeds aan belang. Echter, het is nog steeds zo dat de slaagkansen van ingevroren embryo’s lager zijn dan die van niet ingevroren exemplaren. Bij het invriezen komt het er op aan om de biologische tijdsklok stil te leggen. Dit kan gebeuren door het embryo af te koelen tot extreem lage temperaturen. Maar omdat embryo’s voor 80% uit water bestaan, is er een risico dat het embryowater bevriest en dus niet meer voor kunstmatige bevruchting geschikt is. Etienne Van Den Abbeel, van het Centrum voor reproductieve geneeskunde van het AZ van de Vrije Universiteit Brussel, bracht voor zijn doctoraatsonderzoek de factoren in kaart waarmee men rekening moet houden bij dit invriezen. Het best maakt men gebruik van een procedure die het embryo buitengewoon zorgvuldig afkoelt (0.3° C per minuut tot minimaal –80°C) en dit in de aanwezigheid van dimethylsulfoxide als beschermende stof (antigel). Deze methode wordt ook wel “equilibrium” koeling genoemd en 60% van alle embryo’s komt volledig intact uit deze procedure.

© Wouter Van Vooren

… MEER DAN DE HELFT VAN DE HUISARTSEN MENSEN ZONDER WETTIG VERBLIJF BEHANDELT?

… HOE HOGER HET GEWICHT, HOE ERNSTIGER DE ZIEKTE IS? Obesitas of zwaarlijvigheid blijft een welvaartsziekte die de volgende jaren nog sterk zal toenemen. Steeds meer wordt aangetoond dat zwaarlijvigheid rechtstreeks tot het ontstaan van ziekten kan leiden, zoals bijvoorbeeld de ontwikkeling van galstenen. Als deze galstenen de gemeenschappelijke uitgang van gal en pancreas blokkeren, kan een acute biliaire pancreatitis ontstaan. Zo’n acute pancreatitis of ontsteking van de alvlees- of buikspeekselklier kent een onvoorspelbaar verloop. Terwijl het merendeel van de zieken eenvoudigweg enkele dagen nuchter moet blijven en de pijn spontaan overgaat, kunnen bij sommige patiënten zeer ernstige verwikkelingen optreden met een fatale afloop in 2 tot 5 procent van de gevallen. Dat besluit het onderzoeksteam van de dienst Abdominale Heelkunde van het AZ van de Vrije Universiteit Brussel. De onderzoekers stelden vast dat het lichaamsgewicht van de zieken een belangrijke invloed heeft op het aantal en de ernst van de complicaties bij een acute biliaire pancreatitis.

… MASSAMEDIA DE DEMOCRATIE KUNNEN DEMOCRATISEREN? In hun recentste boek “Reclaiming the Media. Communication Rights and Democratic Media Roles” nemen Bart Cammaerts en Nico Carpentier de oude discussie over media en communicatie weer op. Ze gaan na hoe de democratische rol van de massamedia gemaximaliseerd kan worden. Hiervoor gebruiken ze vier invalshoeken die gebaseerd zijn op de begrippen burgerschap, participatie, journalistiek en activisme. Telkens wordt nagegaan hoe de media kunnen bijdragen aan de democratisering van onze democratie. Je leest in het boek meer over de democratische rol van de (nieuwe) media en de journalistiek en over de relatie tussen activisme en media. De onderzoekers gebruiken in het boek ook concrete Europese voorbeelden. De analyses wijzen kritisch op de complexiteit van het democratisch handelen en leggen de problemen genadeloos bloot. Tegelijk bevat dit boek een warm pleidooi voor een uitgebreidere democratische rol van de media. Onze massamedia bieden ons immers een enorm potentieel en in dit boek vind je daar een hele reeks tips over.

.


50 jaar Artificiële Intelligentie Artificiële Intelligentie bestaat 50 jaar. In ons land is professor Luc Steels reeds 25 jaar één van de voortrekkers op dit vlak. Hij staat aan het hoofd van het Laboratorium voor Artificiële Intelligentie (ARTI) aan de Vrije Universiteit Brussel. De perfecte persoon dus om ons meer te vertellen over dit jonge onderzoeksgebied.

Bij Artificiële Intelligentie denk ik aan films van Steven Spielberg of aan humanoïde robots. Is dat een correct beeld? Neen. Bij Artificiële Intelligentie (AI) draait het zeker niet alleen om het maken van dergelijke robots. AI gaat echt over intelligentie. Intelligentie die zich manifesteert in gedrag, in taal, in het opzoeken van informatie. Kortom, alle activiteiten waarbij normalerwijze het menselijk brein geëngageerd wordt. In tegenstelling tot een psycholoog of een taalkundige die menselijk gedrag observeert en analyseert, stellen wij ons de vraag: “Hoe kan je een computerprogramma schrijven of een robot bouwen die dezelfde soort dingen kan die wij mensen met ons hoofd doen?” Moet je dan weten hoe het menselijk brein functioneert? Niet noodzakelijk. We weten immers niet eens hoe alles juist in zijn werk gaat in onze hersenen. Het is eerder zoals bij het bouwen van een vliegtuig. De gebroeders Wright wilden vliegen. Ze zijn niet gaan kijken hoe een vogel vliegt. Ze zijn beginnen experimenteren en hebben zo één voor één de principes gevonden die nodig zijn om te vliegen. Dat is net hetzelfde bij AI. We vertrekken dus niet van het gedrag van de mens zelf. Dus je stelt de vraag “hoe zou dit in principe kunnen werken?” Ja. Neem bijvoorbeeld de visuele waarneming; het herkennen van voorwerpen. We zitten hier aan tafel met daarop een aantal boe-

.

ken. In AI stellen we dan de vraag: “hoe kunnen we iets bouwen dat zegt dat hier vier boeken op tafel liggen”. Je neemt dit probleem en ontwikkelt allerlei technieken en methoden om daar een oplossing voor te vinden. En daarna kan je eventueel iets zeggen over hoe de mens zoiets doet. Eventueel, want de AI-methode kan een totaal andere oplossing opleveren. Daar zit dus de betekenis van het woord artificieel. Het is dus niet de bedoeling exact te gaan nabootsen hoe een mens een bepaalde taak uitvoert? Neen. Om bij het voorbeeld van daarjuist te blijven: het doel van de gebroeders Wright was vliegen. Je hoeft daarom geen veren op de vleugels van een vliegtuig te plakken. Het vakgebied bestaat 50 jaar. Dekt de term AI een andere lading dan vijftig jaar geleden? De doelstelling is dezelfde gebleven.

Als we in termen van praktische toepassingen praten, zie je natuurlijk geen robots rondwandelen. Maar neem bijvoorbeeld de zoekmachine Google op het internet. De innovatieve ideeën die daarachter zitten, komen allemaal uit de AI. Wat is het verschil met de traditionele informatica? De AI heeft een enorme invloed gehad op de informatica. Veel van de ideeën die in een computer steken, zijn ontwikkeld in AI-laboratoria. Zelfs zaken die nu heel voor de hand liggend zijn. Het verband tussen computerwetenschappen en AI is zoals het verband tussen scheikunde en biologie. De scheikunde levert basisproducten en de biologie bouwt daarmee verder, maar inspireert ook de scheikunde. Vanuit welke wetenschappelijke disciplines vertrekt de AI? AI is een tak van de computerwetenschappen. Maar degenen die aan AI-onderzoek doen, hebben

“AI-onderzoekers vormden een zekere avant-garde. Ze waren een beetje gek.” De kennis die sindsdien verzameld is, kan op twee manieren gebruikt worden. Enerzijds om het brein beter te begrijpen en zo de psychologie van mens en dier te bestuderen. Dat is het wetenschappelijk belang van AI. Anderzijds gaat het om het bouwen van systemen die nuttig zijn in onze maatschappij. Op dat vlak is de impact van AI gigantisch.

meestal nog een andere wetenschappelijke discipline in hun bagage zitten. In mijn geval is dat taalkunde. Er zijn ook AI-onderzoekers die eerst biologie of fysica studeerden en zich vervolgens verdiepten in de computerwetenschappen. Maar zonder een absoluut hoog niveau in de computerwetenschappen moet je er niet aan

beginnen. AI is een experimentele wetenschap. Experimenteren en bouwen is belangrijk, je moet het doén. Vandaar dat je een kei moet zijn op het vlak van computerwetenschappen. Zijn AI-researchers dan creatieve mensen? Ik denk van wel. (lacht) Doorheen de geschiedenis van de computerwetenschappen vormden de AI-onderzoekers een zekere avantgarde. Ze waren een beetje gek. Maar daardoor werden er wel grote doorbraken gerealiseerd. Kijk maar naar je computer, naar het scherm, naar de muis. Je moet je inbeelden dat men dertig jaar geleden nog werkte met een bak met ponskaarten. Mede dankzij de inbreng van AI heeft iedereen nu een pc op zijn bureau staan die interactief is. Hoe komt het dat AI in de jaren ‘50 is ontstaan? Het was de periode dat de computer op het toneel kwam. Al ging het toen nog om machines met heel weinig kracht en geheugen. Er zit vandaag een sterkere processor in een gsm of een iPod dan in de computers van toen. Maar de AI-pioniers zagen de enorme mogelijkheden. Een hele belangrijke stap in het ontstaan van AI was dat men inzag dat er een nieuw niveau ontstond om na te denken over informatieverwerkende processen. Voordien was men enkel bezig met elektronica en analoge schakelingen. Maar die analoge werkwijze kende zijn grenzen wat betreft de complexiteit van de systemen


Interview

die je ermee kon bouwen. En om intelligentie te creëren heb je net ongelooflijk ingewikkelde systemen nodig.

schaken het geval. Wanneer je een auto naar de garage brengt, moet de garagist ook niet elk onderdeel controleren om het probleem te vinden. Als hij een bepaald geram-

Welke evolutie kende AI de jaren nadien? Er zijn verschillende rode draden die doorheen de evolutie van het onderzoeksgebied lopen. Af en toe kwamen die samen in impressionante systemen waarin honderden ideeën vervat zaten. Dus wanneer je het over de evolutie van AI hebt kan je de mijlpalen benoemen aan de hand van de verwezenlijkte systemen of aan de hand van de ideeën die deze systemen voor het eerst demonstreerden. In de jaren ’60 stonden zoekprocessen centraal. Een voorbeeld is het schaakspel. Je tegenstander doet een bepaalde zet waarop jij kan reageren met verschillende zetten die afhankelijk zijn van de zet van je tegenstander. Je krijgt dus een soort boomstructuur van mogelijkheden. Dat noemen we een zoekruimte. De uitdaging was om in zo’n ruimte, die explosief groeit, de beste oplossing zo snel mogelijk te vinden. De eerste concrete resultaten zag je dan ook op het vlak van schaakcomputers. Maar je moet weten dat er op dat moment nog filosofen waren die boeken schreven over het feit dat computers nooit schaak zouden kunnen spelen! Wat was de volgende stap? In de jaren ’70 kwam dan het idee dat kennis de essentie vormt van het oplossen van problemen. Men merkte dat schaakgrootmeesters helemaal niet in een grote ‘zoekruimte’ naar hun volgende zet

Professor Luc Steels

mel hoort, weet hij al waar het probleem zich situeert. Kennis of ervaring is dus belangrijk. Er was bijgevolg nood aan computers met massaal veel geheugen waarmee men enorme hoeveelheden kennis kon verwerken. En dit leidde dan

“Plotseling zwom er een robotvis in het zwembad of vlogen er robotballons over de campus.” zochten. Neen, zij hebben al zoveel schaak gespeeld, dat ze bepaalde configuraties herkennen en zo onmiddellijk de beste zet kunnen bepalen. Dat is niet alleen bij

Daarmee komen we bij de jaren ‘80? In de jaren ’80 merkte men dat er nog iets ontbrak, dat niet alleen kennis, maar ook het lichaam

tot expertsystemen. Een voorbeeld daarvan is Mycin, een medisch expertsysteem dat een verbluffende competentie had op het vlak van infectieziekten.

belangrijk was. Zelfs voor het analyseren van taal bijvoorbeeld, omdat we allerlei analogieën en metaforen gebruiken die teruggaan naar hoe ons lichaam zich in de wereld beweegt. Bovendien, wanneer wij een object oprapen, gebeurt dat in een vloeiende beweging. Dat door een sequentieel computerprogramma laten sturen, is heel moeilijk. Daarom is men op zoek gegaan naar dynamische systemen. Men greep terug naar de cybernetica en de analoge ideeën over intelligentie, maar dan geïmplementeerd op digitale computers. Heel wat resultaten op het vlak van spraakverwerking of adaptieve sturing komen voort uit deze ontwikkeling.

En het bouwen van robots? Dat was de volgende stap, in de jaren ’90. Er werden daarvoor wel al robots gemaakt, maar die stonden niet centraal in het onderzoek. In de jaren ’90 was er een soort herontdekking van het lichaam. Computers werden kleiner en kleiner en sneller en sneller. We konden ze dus eenvoudiger in robots integreren. Je kreeg een enorme bloei van robots met zeer impressionant gedrag. Misschien heb je de hondachtige robot AIBO wel al eens gezien of die kleine robots die voetbal met elkaar spelen. Iets anders in die periode was het belang dat gehecht werd aan het sociale, en dat vond dan zijn weerslag in zogenaamde multi agent systemen. Een toepassing daarvan is bijvoorbeeld het computerspel SimCity waarin je de personages bestuurt, maar waarin die personages ook hun eigen beslissingen kunnen nemen. En wat nu? Voordien distilleerde men de kennis uit de mens, maar nu zitten we in een fase waar we zoeken hoe artificiele systemen zelf kennis kunnen produceren en alleen dan kunnen we echt spreken van artificiele intelligentie. Een concreet voorbeeld van deze nieuwe ontwikkeling is ons onderzoek aan de Vrije Universiteit Brussel naar de oorsprong van taal. We stellen de vraag: “Welke mechanismen moet een robot in zich hebben om samen met anderen een eigen taal te ontwikkelen?” Dit komt dus in de plaats van robots die via machinaal leren het Engels of het Nederlands hanteerden of robots waarbij we grammatica’s met de hand programmeerden. Tot welke bruikbare toepassingen kan dit leiden? Wij doen eerder fundamenteel onderzoek. Naar de concrete toepassingen zijn wij niet echt op zoek. Maar ik kan mij voorstellen dat er in de toekomst robots naar Mars worden gestuurd die daar op zoek gaan naar leven. Dan is de vraag hoe die robots met elkaar gaan communiceren? Je kan dat op voorhand proberen te pro-

.


Interview

gegeven voor tweede generatie expertsystemen en een niveau van ontwerp dat men het kennisniveau noemt. In de jaren ’80 waren we al heel actief bezig met dynamische systemen voor AI en biologische metaforen, en hieruit is dan een tweede labo gegroeid op de Vrije Universiteit Brussel, namelijk COMO geleid door de professoren Nowe en Manderick. Al op het einde van de jaren tachtig zijn we ook heel intensief bezig geweest met de switch naar het lichaam; de zogenaamde behaviour based AI. Plotseling zwom er een robotvis in het zwembad of vlogen er robotballons over de campus. En midden jaren ’90 zijn we begonnen met het onderzoek naar de oorsprong van taal. Ook daar zijn we op wereldvlak nog steeds baanbrekend bezig.

Luc Steels tijdens een experiment waarbij de AIBO-robots een taalspel spelen over hoe een bal tussen hen in rolt

grammeren, maar we weten niet waar ze het allemaal moeten over hebben. Bovendien zien wij niet dezelfde dingen die deze robots via sonar of infrarood zullen kunnen waarnemen. Dus je hebt een open systeem nodig. Wanneer die robots hun eigen taal ontwikkelen kunnen ze zich aanpassen en nieuwe concepten en woorden bedenken. Op die manier krijg je een adaptief evoluerend communicatiesysteem. Dat is ook de toepassing die we binnen tien jaar nodig zullen hebben. Dan zullen er in de hele wereld miljarden processors zijn waarop miljarden programma’s draaien die draadloos met elkaar verbonden zijn. De informaticawereld wordt zo

.

een levende wereld met ecosystemen waar het niet langer mogelijk is om alles manueel te programmeren of alle interactieprotocols op voorhand vast te leggen. Welke rol speelde het AI-Lab van de Vrije Universiteit Brussel in de ontwikkeling van AI? Wanneer ik terugkijk, denk ik dat dit lab een zeer belangrijke rol heeft gespeeld. Zeker in Europa, maar ook op wereldvlak. Wij hebben niet alleen een hele resem kennis­systemen gebouwd die nu nog altijd in de industrie gebruikt worden (bijvoorbeeld voor de roostering van treinen bij de NMBS), maar we hebben ook mee de aanzet

Hoe zie je de toekomst van AI in Vlaanderen? Op dit moment staan de activiteiten op het vlak van AI, in vergelijking met andere landen, eerder op een laag pitje. Deels omdat computerwetenschappen in Vlaanderen helaas geen prioriteit is. Men heeft gekozen voor micro-electronica (IMEC) en biotechnologie. De financiering van fundamenteel onderzoek in computerwetenschappen is op dit moment dus eerder problematisch. Een gevolg hiervan is dat

de studenten­instroom alarmerend laag, ondanks een enorme vraag naar computerwetenschappers, niet alleen in de industrie, maar in vrijwel alle takken van wetenschappelijk onderzoek. Onze beleidsmakers willen een innovatieve economie in Vlaanderen, en zien waarschijnlijk wel in dat informatietechnologie daarbij een sleutel is, maar niet dat die innovatie moet rusten op de computerwetenschappen. Net zoals de farmaceutische industrie gebaseerd is op scheikunde of de elektronica op fysica. De achterstand op het vlak van computerwetenschappen in Vlaanderen lijkt alsmaar groter te worden. Het vakgebied is wereldwijd geëxplodeerd, maar het aantal mensen en de middelen zijn hier bij ons niet gevolgd. In onze buurlanden, zoals Frankrijk of Duitsland, heb je om te beginnen nationale laboratoria voor computerwetenschappen (INRIA, Fraunhofer) waar duizenden mensen werken. In Nederland heb je gespecialiseerde opleidingen aan diverse universiteiten. De Nederlandse AI-studenten zijn met bussen naar ons symposium gekomen. De Nederlandse AI-studentenvereniging telt maar liefst 1000 leden! Ik durf niet te zeggen hoeveel studenten er in Vlaanderen zich in AI specialiseren, maar je hebt niet veel handen nodig om die op te tellen.

Symposium 50 jaar AI 50 jaar geleden (tijdens de Dartmouth-conferentie in 1956) werd Artificiële Intelligentie als wetenschappelijk onderzoeksgebied geboren. Naar aanleiding van deze ‘verjaardag’ organiseerde het Laboratorium voor Artficiële Intelligentie (ARTI) van de Vrije Universiteit Brussel op donderdag 23 november een symposium ‘50 jaar AI. Verwezenlijkingen in Vlaanderen’ in de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten. Meer dan 180 AI-onderzoekers en andere geïnteresseerden namen hieraan deel. Het symposium belichtte vooral het onderzoek in Vlaanderen, voornamelijk aan de Vrije Universiteit Brussel en de KULeuven. Verder werd nagegaan welke vroegere ontwikkelingen waren doorgestroomd naar concrete toepassingen. Ook werd gedebatteerd over de toekomst van AI en hoe de overheid warm gemaakt kan worden om het onderzoek in computerwetenschappen te ondersteunen en de studenteninstroom te vergroten en te verbeteren.


Onderwijs xxxxxxxx kort

BASE-LEERGANG EN -STUDENTENPRIJS De Vrije Universiteit Brussel heeft met GSM-operator BASE een overeenkomst gesloten voor de inrichting van een BASE-leergang en een BASEstudentenprijs. Tijdens de academiejaren 2006-07, 2007-08 en 2008-09 wordt de naam “BASE-leergang” aan het opleidingsonderdeel ‘Grensoverschrijdende tewerkstelling’ van de Master na master in het Sociaal Recht verbonden. Elk jaar ontvangt de student met de beste masterproef de prijs ter waarde van 750 euro. De overeenkomst geldt voor drie jaar, maar kan nadien verlengd worden.

DRAADLOOS SURFEN Studenten, personeelsleden en bezoekers van de campus Etterbeek kunnen sinds enkele weken gratis draadloos internetten. Daarmee behoort de campus Etterbeek tot één van de grootste ‘hot spots’ van België. Het gaat om de concretisering van een proefproject dat wordt gelanceerd door Brussels minister Guy Vanhengel, bevoegd voor Informatica. Om studenten, personeelsleden en bezoekers van de campus draadloos te laten e-mailen en surfen, wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde mesh-technologie, die ideaal is voor stedelijke gebieden. De hele operatie kost ongeveer 720.000 EUR en wordt gefinancierd door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Inloggen of registreren is niet vereist. Een draagbare computer met voorzieningen voor draadloos internet volstaat.

NIEUWE REGERINGSCOMMISSARIS Johan Dhondt (52) is door de Vlaamse regering benoemt tot commissaris van de Vlaamse regering bij de Vrije Universiteit Brussel en de Universitaire Associatie Brussel. De regeringscommissarissen bij de universiteiten zien toe op de wettelijkheid van de beslissingen die de universitaire bestuursorganen nemen en controleren het financiële evenwicht van de instellingen. Voordien werkte Dhondt bij het rekenhof, waar hij bevoegd was voor de controle van de Vlaamse universiteiten, universitaire ziekenhuizen, hogescholen en wetenschappelijke instellingen. Dhondt vervangt Werner Soetens die deze functie sinds 1995 uitoefende en nu met pensioen gaat.

EINDWERKEN FILMSTUDENTEN BEKROOND Tijdens de 15de editie van het kortfilmfestival ‘Het Grote Ongeduld’ werden een pak prijzen uitgereikt. De Canvasprijs voor de beste Vlaamse korte fictiefilm werd toegekend aan ‘Brod Ludaka’ van Matthias Lebeer (RITS, Erasmushogeschool Brussel (EhB)). Andere fictielaureaten zijn Tom Van Avermaet met ‘Droomtijd’ (RITS, EhB) en Barend Weyens met ‘The Piano Her Shoes and His Lover’ (KASK). Zij krijgen elk een Wildcard (60.000 euro) van het Vlaams Audiovisueel Fonds (Vaf) voor een volgend project. In de categorie documentaire wonnen Jean-Baptiste Dumont met ‘Cyprien, moi et les autres’ (Sint-Lukas), Elias Grootaers met ‘Lignes. En quête d’une mémoire’ (KASK) en ‘De Substituut’ van Steve Thielemans (RITS, EhB). Ook zij mogen elk met een Wildcard van het Vaf (40.000 euro) aan de slag. Het volledige overzicht van de winnaars en de winnende films kan je bekijken op www.hetgroteongeduld.be.

GOEDE EVALUATIE VOOR CVO In het kader van het nieuwe decreet lerarenopleiding, dat zopas werd goedgekeurd in het Vlaams parlement, werkt de Universitaire Associatie Brussel aan een expertisenetwerk met het oog op de verdere professionalisering van het beroep van leraar. Hiervoor wordt ook samengewerkt met het Centrum voor Volwassenenonderwijs (CVO) van de Kamer voor Handel en Nijverheid dat gelegen is op de campus Etterbeek en gespecialiseerd is in taalonderwijs. Het CVO werd in oktober 2006 doorgelicht en het advies aan de overheid is onvoorwaardelijk gunstig. De “3 K-visie” van het centrum wordt erg geapprecieerd: een krachtige leer- en werkomgeving, de voortdurende kwaliteitszorg en de permanente klantgerichtheid. Zowel cursisten als personeel tonen zich bijzonder tevreden over de organisatie en de kwaliteit van de taallessen. Meer informatie vind je op de website: www.cvo-khnb.be.

Johan Dhondt en Werner Soetens

DIVERSITEIT ALS MAATSCHAPPELIJK GEGEVEN Het instituut voor Postacademische Vorming (iPAVUB) startte dit academiejaar met een nieuwe vormingscyclus ‘Diversiteit als maatschappelijk gegeven’. Omgaan met diversiteit wordt immers één van de belangrijkste uitdagingen van de komende jaren. Verschillen tussen mensen kleuren veel meer dan vroeger onze dagelijkse leefwereld en ons beroepsleven. De Vrije Universiteit Brussel draagt met haar eigen diversiteitsbeleid actief bij aan het streven naar meer verdraagzaamheid en een beter samen leven en werken. Vorming is hierin een cruciaal element en daarom organiseert het instituut voor Postacademische Vorming gedurende de academiejaren 2006-2007 en 2007-2008 talrijke permanente vormingen rond diversiteit als maatschappelijk gegeven. Het officiële startschot van deze vormingscyclus werd gegeven op 13 oktober in aanwezigheid van Kathleen Van Brempt, Vlaams minister van Gelijke Kansen. Meer informatie over de volgende activiteiten vind je op www.vub.ac.be/iPAVUB/Diversiteit.htm.

.


Onderwijs

Nieuw labo onderzoekt vroegtijdige ouder-kind interactie De manier waarop ouders en kinderen tijdens de eerste twee levensjaren met elkaar omgaan, is bepalend voor de verdere ontwikkeling van het kind. Het is in deze eerste relaties dat het kind een gevoel van veiligheid ontwikkelt, zijn emoties leert reguleren, taal verwerft en relatiepatronen opbouwt die een rol spelen in latere ontwikkelingsfasen. Om die vroegtijdige interactie te observeren werd een nieuw labo ingericht in een samenwerkingsproject tussen de faculteit Psychologie en Educatiewetenschappen en de faculteit Ingenieurswetenschappen.

Uit onderzoek blijkt dat volwassenen en pasgeboren baby’s uitgerust zijn met een aangeboren gedragsregister. Dat stelt hen in staat om kort na de geboorte betrokken te raken in interactiecycli van gedrags-, activiteits- en gevoelssynchronisaties. Pasgeboren baby’s blijken gevoelig te zijn voor de ritmische interactiepatronen die ouders intuïtief aanbieden. “Tot nu toe focusten de meeste gangbare ontwikkelingstheorieën zich echter op de individuele competenties van baby’s en ouders. Er zijn wel een aantal studies voorhanden die de dynamische kwaliteit van de ouderkind relatie onderzochten, maar daarbij werd niet gekeken naar de synchronisaties tussen de gedragsritmes van ouders en baby’s”, vertelt onderzoekster Marjan Kog van de vakgroep Orthopsychologie. Het onderzoek gebeurt onder leiding van Prof. Dr. Gerrit Loots van de vakgroep Orthopsychologie (ORPS), Prof. Dr. ir. Werner Verhelst van de onderzoeksgroep ETRO-DSSP en Prof. Dr. Hichem Sahli ETRO-IRIS. Bedoeling is een specifieke onderzoeksmethodologie te ontwikkelen om inzicht te krijgen in de complexiteit van de gedragsafstemmingen en synchronisatieprocessen in de interactie tussen ouder en baby. Op die manier willen de onderzoekers de kwaliteit van de vroegtijdige ouder-kind interactie evalueren. In een eerste fase werd in de kraamafdeling van het AZ van de

.

Vrije Universiteit Brussel en het AZ Imelda te Bonheiden een 20-tal Nederlandstalige moeder-kind paren geselecteerd. “Op de leeftijden van 3, 6, 9 en 12 maanden maken we in het labo video-opnamen van de ouder-kind interactie in gezamenlijke spelsituaties. Daarvoor gebruiken we vier camera’s: één daarvan is gericht op de moeder en een tweede op het kind. De twee overige camera’s brengen beiden in beeld”, legt Marjan Kog uit. Onmiddellijk na het filmen wordt aan de moeders gevraagd de opname te bekijken en aan te duiden op welke momenten ze het gevoel hadden contact te hebben met hun baby. Aan de hand van deze resultaten bestuderen we het verband tussen de geregistreerde gedragssynchronisaties en de beleving van de contactmomenten door de moeders. Daarnaast worden van het kind een aantal ontwikkelingstests afgenomen. Het tweede luik van het onderzoek omvat de ontwikkeling van geschikte audiovisuele data-analysetechnieken door de onderzoekers van de vakgroep Elektronica en Informatica (ETRO). “Daarbij moeten we voor elke observatieleeftijd (3m, 6m, 9m, 12m) bepalen welk gedrag van moeder en baby het vaakst bijdraagt tot interactie tussen ouder en kind”, aldus dr. Ilse Ravyse van de vakgroep ETRO. Bij baby’s let men specifiek op geluiden die ze maken (vocalisaties), gelaatstrekken en bewegingen van mond, hoofd en ledematen. Bij de

moeders wordt dan weer aandacht besteed aan onder meer stemgebruik, bovenlichaambewegingen en hoofd- en gelaatsbewegingen. Om deze relevante signaalkenmerken uit de video-opnamen te meten, maakt men gebruik van stem- en beeldanalyse algoritmen. Daarvoor wordt onderzoek verricht naar algoritmen zoals toonhoogtemetingen, beeldsegmentatie en tracking van de relevante lichaams- en gelaatsdelen aangepast aan onder andere de toonhoogte en de geometrie van jonge kinderen.

moeder en baby en hoe de moeder die interactie beleeft. Daarna wordt, opnieuw voor elke leeftijd, gekeken of de gemeten gedragssynchronisaties tussen moeder en baby overeenstemmen met de ontwikkelingsscores van het kind. “Tijdens de eerste twee jaren van het onderzoek zullen we ons hoofdzakelijk concentreren op de leeftijden van 3 en 6 maanden. De expressie- en communicatiemogelijkheden van de baby’s zijn in deze eerste levensperiode immers

Een beeld uit de video-opname van de ouder-kind interactie in het labo

De toetsing van het onderzoeksinstrument zal in een derde fase gebeuren. Enerzijds zal men voor elke observatieleeftijd (3m, 6m, 9m, 12m) nagaan in welke mate er een verband bestaat tussen de ritmische patronen in het gedrag tussen

nog beperkt. Tijdens de laatste twee jaren zal het analysesysteem verder verfijnd en gevalideerd worden en zal het systeem uitgebreid worden naar de complexere mogelijkheden van de oudere leeftijdsgroepen (9 en 12 maanden)”, besluit Ravyse.


Doctor Honoris Causa

Eredoctoraat voor Sonia Gandhi

Sonia Gandhi bracht een driedaags bezoek aan ons land. Ze kreeg onder meer een rondleiding door de tentoonstelling ‘Eeuwige energie. 1500 jaar Indische kunst’ in Bozar, die ze tevens officieel opende. Nadien ontving ze tijdens een plechtigheid het eredoctoraat uit handen van rector Benjamin Van Camp van de Vrije Universiteit Brussel. Tijdens de korte plechtigheid noemde rector Van Camp de uitreiking van de titel Doctor Honoris Causa een “hoogtepunt in het academische leven van een universiteit”. “Sonia Gandhi neemt als ‘primus inter pares’ dan ook een bijzondere plaats in”, aldus rector Van Camp. “We willen niet enkel uitzonderlijk gedrag in de wetenschap belonen, maar ook uitzonderlijke bijdragen aan de menselijke samenleving in het algemeen en aan de menselijke waardigheid in het bijzonder. Dit maakt immers deel uit van de sociale missie van onze universiteit”, vervolgde hij. De familie Gandhi Sonia Gandhi is voorzitster van de regerende Congrespartij en daarmee de machtigste vrouw in India. Aanvankelijk koesterde ze nochtans geen politieke ambities. In 1968 trok ze met haar echtgenoot Rajiv Gandhi weg uit haar geboorteland Italië en verhuisde naar India. Haar man was de zoon van Indira Gandhi en kleinzoon van Jawaharlal Nehru. Nehru was

de eerste premier van India. Zijn dochter Indira, werd op haar beurt ook premier van het land. Ondanks het feit dat Sonia Gandhi door haar huwelijk in één van de prominentste politieke families van het land terechtkwam, hield ze zich niet bezig met politiek. Pas na de moord op haar schoonmoeder in 1984 en op haar echtgenoot, die zijn moeder opgevolgd was als premier, in 1991, besliste ze om in de voetsporen van haar (schoon)familie te treden. Dat was in 1998. Ze werd voorzitter van de Congres­ partij en leidde deze in 2004 naar de overwinning bij de parlementsverkiezingen. Het premierschap wees ze echter, tot ieders verbazing,

af en liet ze aan Manmohan Singh, de zeer gerespecteerde voormalige minister van Financiën. Ook in 2006 behaalde de Congrespartij een duidelijke overwinning. Singh bleef premier en Gandhi bevestigde haar rol als voorzitster van de partij. In die functie oefent ze weldegelijk een bepalende invloed uit op het beleid van de regering. Bruggenbouwster Wat Sonia Gandhi zo uitzonderlijk maakt, is haar manier van politiek voeren en de ideologische idealen die ze daarbij verdedigt. Ze neemt het op voor de armen en strijdt voor het behoud en de versterking van een seculiere staat en een seculiere regering met democratische politici. Ondanks de opkomende polarisatie met religieuze partijen, wist ze de etnische, culturele en religieuze verschillen in haar land te overbruggen. Mahatma’s erfenis Hoewel ze geen familie van hem is, belichaamt ze voor een deel de erfenis van Mahatma Gandhi. Ze heeft een diep geloof in een multi-

© Belga

Op 11 november reikte de Vrije Universiteit Brussel een eredoctoraat uit aan Sonia Gandhi. Deze Indiase politica en voorzitster van de regerende Congrespartij staat bekend om haar strijd tegen de armoede en voor een integere democratie in een seculiere staat. De ceremonie vond plaats in de Hortazaal van het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel.

culturele samenleving met integere politici. Eén van haar uitspraken die dit zeer treffend weergeeft, is de volgende: “democratie is de beste voorwaarde om geen honger te krijgen.” Ze gaat in haar politieke acties uit van een sociaal gevoel van rechtvaardigheid en een geloof in menselijke waardigheid. Onder haar impuls werd bijvoorbeeld de ‘Rural Employment Scheme’ richtlijn ingeschreven in de Indiase wet. Deze richtlijn voorziet in minstens 100 dagen werk voor mensen die onder de armoedegrens leven. Verder strijdt ze voor basisonderwijs en gezondheidszorg voor iedereen, tot in de meest afgelegen dorpen. Ze lag aan de basis van verschillende maatschappelijke stichtingen en wetgevende maatregelen die dit doel nastreven. Ze pleit voor een multiculturele en verdraagzame samenleving, die diversiteit als waarde inbouwt. Ze roept onvoorwaardelijk op om alle religies en culturele minderheden met waardigheid en respect als gelijkwaardig te behandelen. Tenslotte vervult ze een prominente rol in de strijd voor gendergelijkheid. Vrouwen krijgen sinds kort wettelijke bescherming en compensaties voor misbruik ondergaan in hun eigen huis. Ook het voorstel om één derde van de zetels in het parlement voor te behouden aan vrouwen komt van haar hand. In moeilijke persoonlijke omstandigheden en met een grote druk op haar schouders door de familiale erfenis slaagt Sonia Ghandi er in een democratische wetgeving te implementeren in een immens land met meer dan 1,2 miljard inwoners. Sonia Gandhi biedt, volgens velen, de stabiliteit en doortastendheid waar India nood aan heeft. De voorbije acht jaar is ze dan ook uitgegroeid tot een lichtbaken voor allen die de erfenis van Mahathma Ghandi eren.

.


Junior researcher

Vrouwen die bouwen Dat niet alleen mannen het tot ingenieur-architect schoppen, bewijzen Anne Paduart en Lisa Wastiels met verve. In de onderzoeksgroep Architectonische Ingenieurswetenschappen aan de Vrije Universiteit Brussel, onder het toeziend oog van Prof. Ine Wouters, zijn deze twee jonge wetenschappers volop bezig met hun doctoraatsonderzoek. Paduart bestudeert de toepassingsmogelijkheden van de 4D-strategie op de renovatie van sociale woningen en Wastiels verdiept zich in de perceptie van materialen waar architecten gebruik van maken.

Onderzoek aan een universiteit hoeft vervelend, noch louter theoretisch te zijn. De onderzoeksdomeinen van ingenieur-architecten Anne Paduart en Lisa Wastiels zijn hier mooie voorbeelden van. Beiden hebben de liefde voor exacte wetenschappen met de paplepel meegekregen en tonen een gezonde fascinatie voor techniek in combinatie met de nodige creativiteit. De burgerlijk ingenieur architecten van de Vrije Universiteit Brussel zijn immers experts in het in de praktijk toepassen van hun theoretische kennis. Hout of beton? Lisa Wastiels is net terug van een studieverblijf in de Verenigde Staten, waar ze een Master na master in Design volgde aan Harvard University. Vervolgens begon ze, met een mandaat van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, aan haar doctoraat op het Massachusetts Institute of Technology (MIT) in Boston. Vaak beperkt inge­ nieurs­studie zich tot de technische aspecten, maar Wastiels’ interesse werd gewekt door iets anders: de perceptie van bouwmaterialen. “Het gebruik van hout in een ruimte geeft een heel ander gevoel dan het gebruik van beton. Toch blijft de ruimte dezelfde, mensen percipiëren ze alleen anders”, vertelt Wastiels. “Ik noem het sensorische of perceptie-eigenschappen. Het is belangrijk voor een architect om te weten hoe mensen op bepaalde materialen reageren, om te beseffen welke gevoelens ze oproepen.” Het is trouwens opmerkelijk dat mensen die subjectieve eigenschappen toch vaak op dezelfde

10.

manier ervaren, mede onder invloed van bepaalde trends, cultuur, de tijdsgeest of reclame. “Ik doe mijn onderzoek in het domein van Product Design. Voor een industrieel ontwerper, die bijvoorbeeld een stoel of een iPod maakt, is het heel belangrijk om te weten hoe een materiaal aanvoelt en overkomt bij mensen. Bijgevolg wordt er in Product Design veel meer onderzoek gedaan naar die dingen, maar in de architectuur is dit even belangrijk. Mijn onderzoek kan bijgevolg heel praktisch aangewend worden door architecten. Het is belangrijk om de theorie altijd terug te koppelen naar de werkelijkheid, zeker in de bouwwereld.” Sociale huisvesting Anne Paduart’s doctoraatsonderzoek is niet minder actueel. In navolging van reeds bestaand onderzoek in de vakgroep Architectuur verricht ze onderzoek naar de toepassing van 4D-strategieën op de renovatie van sociale woningen. In vergelijking met vroeger heerst er immers een andere mentaliteit

Ingenieur-architecten Lisa wastiels en Anne Paduart

wanneer het gaat over huisvestingsbeleid. Er wordt minder vertrokken van een statische gedachte. Woningen moeten aanpasbaar zijn volgens de noden van de bewoners en volgens de nieuwe energie-prestatieregelgeving. De 4D-strategie die Paduart hiervoor aanwendt, staat voor een andere manier van denken: tijd is, naast ruimte, een extra component waarmee men rekening houdt bij de inrichting van een huis. Dat houdt ook in dat woningen anders geconcipieerd moeten worden, van statische huizen van baksteen en beton naar eerder demontabele woningen. “Zo kunnen huisvestingsmaatschappijen hun huizen aanpassen als ze merken dat hun sociale woningaanbod niet meer voldoet aan de huidige noden. Bijvoorbeeld wanneer er te weinig ééngezinswoningen zijn”, zegt Paduart. Ook politici beseffen dat, als er nu niet in het huisvestingsbeleid ingegrepen wordt, er in de toekomst problemen zullen ontstaan. Daarom volgt de Vlaamse overheid verschillende projecten mee op. “Het is een proces van

lange adem, maar de overheid beseft dat er een probleem is wat betreft het benutten van gronden, grondstoffen en energie in de toekomst”, aldus Paduart. Vrouw en ingenieur Bij beide onderzoeksters werd de interesse voor wetenschappen al vroeg gewekt. Het is als het ware een familietrekje. Lisa Wastiels’ vader is professor aan de faculteit Ingenieurswetenschappen en ook de vader van Anne Paduart is ingenieur. Dat ze als meisje exacte wetenschappen gingen studeren, heeft hen nooit gestoord. “In onze Westerse cultuur is het ondertussen goed aanvaard, denk ik. Enkel tijdens congressen in de VS stuitte ik bij mensen uit andere culturen soms op onbegrip”, vertelt Wastiels. “Dat een vrouw wetenschapper kon zijn, was voor sommige collega’s verbazingwekkend. Bij ons is het gelukkig anders. Exacte aantallen kan ik niet geven, maar ik denk dat er onder de architectuurstudenten aan de Vrije Universiteit Brussel zelfs meer meisjes dan jongens zitten.”


De Vrije Universiteit Brussel en de Erasmushogeschool Brussel vormen samen de Universitaire Associatie Brussel. Om onze associatiepartner beter te leren kennen, reserveren we elke keer een plaatsje in Akademos

xxxxxxxx Associatie

Filmschool met rijke geschiedenis Het departement Rits van de Erasmushogeschool Brussel (EhB) reikt al 40 jaar diploma’s uit. Op 21 december wordt dit uitgebreid gevierd. We kijken even terug naar de goed gevulde geschiedenis van de hogeschool die het Vlaamse media- en cultuurlandschap mee richting gaf.

Exact 40 jaar geleden, in 1966, mocht jurist-acteur en directeur Rudi Van Vlaenderen de eerste diploma’s uitreiken van het Hoger Rijksinstituut voor Cultuurspreiding, afgekort HRITCS. Vier jaar eerder werd het instituut in Brussel geboren als tegenhanger van het Franstalig initiatief om een filmschool op te richten. Als u weet dat de Franstalige afdeling door het leven ging als ‘Institut National Supérieur des Arts du Spectacle et Techniques de Diffusion’ (INSAS),

hoeven we u niet meer te vertellen waar het HRITCS zijn toen nog haast onuitspreekbare naam haalde. Radio en televisie waren in volle expansie en de vraag naar echte beroepsmensen was zeer groot. Doel van het HRITCS was dan ook om in Vlaanderen volwaardige opleidingen aan te bieden in toneel, film, televisie en radio. Van bij de start kon het instituut een mooi docentencorps naar voren schuiven. Maurice De Wilde, Jo Röpcke, Karel Jonckheere en

Mocht u zich de vraag stellen of de huidige generatie Rits’ers de concurrentie met hun voorgangers aankan, dan mogen we u geruststellen: het departement blijkt de kenmerken van goede wijn te bezitten. We bieden u dan ook graag een selectie aan van de vermeldingen die Rits-studenten en docenten dit academiejaar reeds te beurt vielen. • De documentaire ‘De Substituut’, het afstudeerproject van Steve Thielemans, werd geselecteerd voor het International Documentary Film Festival Amsterdam (www.idfa.nl), kreeg bij de laatste editie van het Leuvense documentairefestival DOCVILLE een eervolle vermelding in de categorie ‘Studentendocumentaire’ en sleepte op het kortfilmfestival ‘Het Grote Ongeduld’ de Kanakna-prijs en een wildcard (goed voor 40.000 euro voor een nieuw project) in de wacht. • ‘Schijn van de maan’, de kortfilm waarmee Peter Ghesquiere in 2004 afstudeerde aan het Rits, werd als enige Belgische kortfilm genomineerd voor de CILECT Prize. Deze prijs wordt toegekend door ‘s werelds meest toonaangevende filmscholen. Uit de inzendingen mochten de scholen hun top drie samenstellen, waaruit dan de vijf beste films werden geselecteerd. • Rits-docent Kris Cuppens ontving van de Nederlandse minister van Cultuur Maria van der Hoeven de Toneelschrijfprijs van de Taalunie. Hij kreeg de prijs voor het stuk ‘Lied’, dat hij schreef in opdracht van het Leuvense toneelgezelschap Braakland/Zhebilding.

Herman Balthazar zijn maar enkele van de gerenommeerde namen uit de toneel-, televisie-, en filmwereld die het Rits tot een kweekvijver van jong talent maakten. Stijn Coninx In de jaren zeventig verloor het HRITCS een -h- en ging de school meer de theoretische toer op. Aan de basis hiervan lag het stijgende studentenaantal in combinatie met een stabilisatie van de werkingsmiddelen. Meer studenten met evenveel geld betekende dus minder praktijk, maar toch bleef het RITCS kritische en talentrijke media- en toneelmensen afleveren. Ondanks de zwakke financiering, slaagde het RITCS er in de jaren ’90 zelfs opnieuw in het elan van weleer te evenaren. Onder leiding van ingenieur Frank Roos werd namelijk aan Stijn Coninx gevraagd de artistieke leiding van de instelling op zich te nemen. De filmmaker kende zowel de wereld van de film als die van het theater en trok op korte tijd een pak nieuwe docenten aan. De school was intussen gewoon RITS gaan heten, een roepnaam zonder meer en dus niet langer een afkorting. Nieuwe campus Het hogescholendecreet maakte dat het Rits in 1995 deel ging uitmaken van de Erasmushogeschool Brussel (EhB). Frank Roos maakte de overstap naar de EhB, waar hij intussen al 11 jaar de functie van algemeen directeur bekleedt. Zoals

wel vaker bij fusies, moesten de EhB en het Rits door een periode met groeipijnen, maar het evenwicht werd gevonden. Zo zal binnenkort een einde komen aan de lange zwerftocht van het Rits naar goede huisvesting. De vier campussen van vandaag worden geruild voor twee nieuwe gebouwen in de Antoine Dansaertstraat. In het ene geval gaat het om een vernieuwing van de huidige hoofdzetel aan de A. Dansaertstraat 70, in het andere geval om de renovatie van de oude Leonidasgebouwen wat verderop in de straat. Alumni-award De nieuwe gebouwen zullen de dynamiek van het Rits uitstralen. Een dynamiek die al van bij de start van het Rits aanwezig is en waar de vele alumni een bevoorrechte getuige van zijn. Hun dynamiek en creativiteit zetten de Vlaamse cultuur en audiovisuele media op de wereldkaart. Het huidige Rits Alumni-comité kon dan ook met enige trots in de archieven duiken om de carrière van tien oud-studenten te belonen met een Rits Alumni-award ter ere van het 40-jarig bestaan van de hogeschool. In het lijstje vinden we namen als Marc Didden, Jan Eelen, Erik Van Looy en Arne Sierens, alumni die door mediaen cultuurliefhebbers op handen worden gedragen. Wilt u weten welke alumni als Rits-ambassadeurs mogen worden bestempeld? Neem dan na 21 december zeker een kijkje op www.erasmushogeschool.be.

11.


Onderzoek

Dynamische bossen in gevaar Tot op heden springt de mens niet echt omzichtig om met mangrovegebieden. Nochtans zijn miljoenen mensen afhankelijk van deze tropische kustvegetatie. Denken we maar aan visvangst, houtproductie en kustbescherming. De onderzoeksgroep Algemene Plantkunde en Natuurbeheer (APNA), onder leiding van Prof. Nico Koedam, bestudeert deze uitzonderlijke eco­ systemen reeds meer dan 15 jaar.

Diana Di Nitto aan het werk met een theodoliet voor het onderzoek naar digitale terreinmodellering (DTM)

Tropische kustgebieden kregen het aan het einde van de twintigste eeuw hard te verduren. Mangroven moesten het veld ruimen voor o.a. toerisme, garnaalkwekerijen en (jacht)havens. “Er was een tsunami met honderdduizenden doden en miljoenen daklozen nodig om het besef te laten groeien dat op veel plaatsen een onvoorzichtig beleid werd gevoerd”, verzucht postdoctoraal onderzoeker Farid DahdouhGuebas. Vanuit wetenschappelijke hoek werd echter al enige tijd de alarmbel geluid. Onder meer Dahdouh-Guebas stelde in veel gebieden de cryptische (sluipende) achteruitgang van de kwaliteit en functionaliteit van de mangroven vast. Dynamisch Ook minder voor de hand liggende oorzaken, zoals waterbeheer in het binnenland, werden geïdentificeerd als oorzaak voor verandering en degradatie van de mangroven. “Merkwaardig bij mangroven is dat

12.

ze ook van nature, zonder menselijke invloed, een grote dynamiek kunnen vertonen. Soms op een tijdsschaal van decennia. Zij vangen de impacten van de oceanen op, maar ook die van overstromingen vanuit het binnenland”, vertelt professor Nico Koedam. Het onderzoek van Koedam en zijn medewerkers focust onder meer op de spatio-temporele dynamiek van de mangrove, de wijzigingen in tijd en ruimte. Farid Dahdouh-Guebas gaf van in het begin een impuls aan het onderzoek door alle mogelijke gegevens die verzameld konden worden, te integreren. Van het gebruik van satellietbeelden met zeer hoge resolutie en historische zwart/wit luchtfotografie, over socio-economisch survey-onderzoek, diepe bodemboringen en dendrochronologie (jaarringenonderzoek), tot zelfs archiefonderzoek in eeuwenoude kaarten van voormalige koloniale mogendheden. Multidisciplinair De onderzoekers werken niet alleen internationaal - ze waren reeds actief in 11 landen -, maar ook multidisciplinair. Biologe Nele Schmitz buigt zich over de hydraulische architectuur van mangrovebomen en over de relatie tussen dendrochronologie en klimaat. Geografe Diana Di Nitto bouwt digitale terreinmodellen van de onderzoekssites om de effecten van zeeniveaustijging en de respons van de mangroven te kunnen simuleren. Griet Neukermans is dan weer wiskundige en werkt de geautomatiseerde pixel- en objectgebaseerde satellietbeeldanalyse van de mangrove uit. Het integreren van al deze inzichten is een taak die Farid

Dahdouh-Guebas op zich heeft genomen. Zo wordt gewerkt aan een ‘early warning system’ om reeds in een vroeg stadium over te gaan tot voorspellingen en waarschuwing voor de gevaren van destabilisatie van het ecosysteem. De grootste uitdaging daarbij is de vaststelling van de diversiteit in ecologische situaties in de verschillende gebieden. “Een vaststelling die je pas kan doen wanneer je, zoals Farid, gedurende een decennium, weken tot maanden per jaar in de verschillende gebieden doorbrengt voor het noodzakelijke terreinwerk”, verduidelijkt Nico Koedam. Beleidsgericht Prioritaire beleidsaandacht voor mangroven is volgens de onderzoekers dringend aan de orde. Ondertussen blijven zij de uitdaging aangaan om met gebruiksvrien-

delijke beleidsondersteunende resultaten naar voren te komen. Eén van hun troeven daarbij is het feit dat zij in de groep ook een twintigtal buitenlandse onderzoekers vormden, op master- of doctoraatsniveau, waarvan de meesten naar hun land terugkeerden en daar het onderzoek zelf, vaak nog in samenwerking met de Vrije Universiteit Brussel, voortzetten. “Zoals zo vaak staat het kortetermijndenken voorop en is het moeilijk om onze wetenschappelijke inzichten in het beleid en op het terrein te laten implementeren. Maar de Vrije Universiteit Brussel zou de Vrije Universiteit Brussel niet zijn indien zij zich niet zou bekommeren om de humanitaire en beleidsaspecten die samenhangen met het fundamenteel biologisch wetenschappelijk onderzoek”, besluit Farid Dahdouh-Guebas.

Internationale erkenning De excellentie van de APNA-onderzoeksgroep blijkt uit artikels in vakbladen zoals o.a. Current Biology, uitnodigingen voor presentaties op o.a. de Gordon Research Conferences, en vele wetenschappelijke onderscheidingen. Daarvan heeft Farid Dahdouh-Guebas er maar liefst acht op zijn naam staan, waaronder de Farid Dahdouh-Guebas Jaarlijkse Prijs van de Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen, de Prijs Ontwikkelingssamenwerking van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken en in 2006 nog de prestigieuze Prijs Dr. Edouard Delcroix in ‘Mariene milieu en gezondheid’ (12.500 €). Bovendien werd het mangroveonderzoek van de Vrije Universiteit Brussel afgelopen zomer op een reeks Australische conferenties verschillende keren als één van de twee meest toonaangevende ter wereld aangehaald. Het onderzoek van Farid Dahdouh-Guebas en zijn collega’s behaalde daar eveneens een Beste Posterprijs.

Meer info: www.vub.ac.be/APNA/research/biocomplexity.html


Varia

30.000 pc’s voor Close the Gap Desmond Tutu is lid van het Adviserend Comité van Close the Gap. De computer werd hem in Brussel overhandigd door Roger Dassen, bestuursvoorzitter van Deloitte Nederland, dat recent een samenwerkingsverband met Close the Gap opstartte. Roger Dassen over de nieuwe samenwerking met Close the Gap: “Corporate Responsibility betekent voor ons dat wij met onze kernactiviteiten een positieve maatschappelijke impact willen hebben. Deloitte wil met name onderwijs, ondernemerschap en informatieoverdracht naar organisaties in ontwikkelingslanden stimuleren. De ambities van Close the Gap sluiten hier goed op aan. Deloitte ondersteunt de activiteiten van Close the Gap door het inzetten van capabele en toegewijde medewerkers en door het beschikbaar stellen van apparatuur en financiële middelen.” Het principe van Close the Gap is eenvoudig. Bedrijven die hun computers willen vervangen, doneren deze aan Close the Gap. Daardoor sparen bedrijven de opruimkosten uit. De meeste bedrijfsleiders zijn zich bovendien ook bewust van hun maatschappelijke rol en kunnen het schenkingsproject gebruiken voor hun interne en externe communicatie. De ingezamelde computers worden vervolgens datavrij en opnieuw gebruiksklaar gemaakt. Dan vertrekken ze naar geselecteerde, niet-commerciële projecten in Afrika. Voorwaarde is dat er een concrete vraag is en dat de nodige kennis van hard- en software ter plaatse aanwezig is. Scholen en universiteiten, maar

ook ziekenhuizen en opleidingscentra komen in aanmerking. Ter plekke wordt ook gezorgd voor opleiding en ondersteuning van de lokale mensen. Close the Gap voorziet hiermee in een dringende vraag naar pc’s en draagt bij aan het vergroten en behouden van kennis in Afrika. Close the Gap startte aan de Vrije Universiteit Brussel als mini-onderneming van derdejaars Solvay-handelsingenieurs. Sinds september 2003 is de organisatie officieel een rechtspersoon. In mei 2004 volgde de introductie in Nederland door Europees Commissaris Neelie Kroes. Meer informatie: www.close-the-gap.org © Philippe Leyssens

Op donderdag 16 november ontving de Zuid-Afrikaanse Aartsbisschop Emeritus Desmond Tutu in Brussel de 30.000ste computer van Close the Gap, de aan de Vrije Universiteit Brussel opgerichte non–profit organisatie die gebruikte computers een tweede leven geeft in Afrika.

Close the Gap-oprichter Olivier Vanden Eynde, Aartsbisschop Desmond Tutu en Roger Dassen van Deloitte Nederland.

Geef de ‘Vrije Universiteit Brussel’ cadeau Nu de feestdagen er aan komen, geven we je graag enkele cadeautips. De Vrije Universiteit Brussel heeft sinds kort immers een eigen lijn promotieartikelen. Sporttassen, sweaters, petjes, jasjes, maar ook USBsticks en schrijfgerei,… je vindt het allemaal terug in de PR-boetiek. Alle producten en de bijhorende prijzen vind je op de website van de Vrije Universiteit Brussel. Surf naar www.vub.ac.be en klik op PR-boetiek (onder de rubriek ‘snel naar’). Voor de losse verkoop van deze promotieprodukten kan je terecht in de winkel van de dienst Reproductie (VUBtiek) op de campus Etterbeek (gebouw B) en op de campus Jette (gebouw ‘Agora’). De winkels op beide campussen zijn geopend van maandag tot en met vrijdag van 8u30 tot 12u30 en van 13u30 tot 15u30.

13.


Onderwijs

GIP’s gevraagd Al 20 jaar neemt de Vrije Universiteit Brussel in Vlaanderen het voortouw op het vlak van wetenschapscommunicatie. De themadag ‘Jongeren en Wetenschap anno 2012’ die op 27 november plaatsvond, zette deze viering extra luister bij. Op deze bijeenkomst pleitte Minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke voor het gebruik van Geïntegreerde Proeven (GIP’s) in het Algemeen Secundair Onderwijs (ASO). Het vakoverschrijdende karakter van deze GIP’s sluit naadloos aan bij de projecten die de cel Wetenschapscommunicatie van de Vrije Universiteit Brussel sinds 1997 ontwikkelt.

De Geïntegreerde Proef waarover de minister het heeft, is een uitgebreide eindopdracht waarbij een probleem vanuit verschillende invalshoeken wordt ontleed en waarbij de leerling vakoverschrijdend te werk moet gaan. Minister Vandenbroucke: “Ik denk dat ook het ASO gebaat zou zijn met een geïntegreerde proef, zoals dat vandaag al moet in het Technisch, Beroeps en Kunst Secundair Onderwijs. Dan zouden vele leerlingen wellicht voor een opdracht kiezen waarbij technologie betrokken is. Want achter de spelletjes die ze op hun computerscherm spelen, zitten technologieën waarin algoritmisch denken uit informatica en wiskunde wordt toegepast. Hetzelfde voor hun cd-rom en mp3. Die dagelijkse gebruiksvoorwerpen ook aan de technologische kant bekijken zal zeker velen interesseren.” De projecten van de cel Wetenschapscommunicatie zoals ComiX, Poleposition en het Virtueel Museum stimuleren jongeren verder te gaan dan weten en kennen. “Daarbij streven we ernaar om jongeren te activeren in de richting van toepassen, integreren en duiden. Bij de realisering van deze projecten is het de bedoeling dat de voornaamste vakken van de studierichting die de leerling volgt, verwerkt worden. Voor de realisatie van deze projecten wordt ook nauw

14.

samengewerkt met verschillende onderzoekers uit uiteenlopende vakgebieden. Daardoor sluiten deze projecten naadloos aan bij de GIP’s waarover Minister Vandenbroucke het heeft”, vertelt Wim Van Broeck van de cel Wetenschapscommunicatie, verantwoordelijk voor de jongerenprojecten.

voor stap dat biologie, fysica, geschiedenis of technologie niet saai zijn. “De formule is eigenlijk simpel: neem iets dat jongeren interesseert en distilleer daaruit wat leerrijk en bruikbaar is”, verduidelijkt Van Broeck. Dat stripverhalen, wetenschap en technologie een succesvolle combinatie vormen, bewijzen

Het langst lopende project van de cel Wetenschapscommunicatie is ComiX. Jongeren uit de eerste graad secundair onderwijs gaan er met elkaar de strijd aan in naam van de strip en de wetenschap. Aardrijkskunde met Yoko Tsuno, biologie met Kobe de Koe, geschiedenis met Papyrus, Technologie met Leonardo,… . Zo komen jongeren op een speelse manier in aanraking met de wondere wereld van de wetenschap. Interdisciplinair, vakoverschrijdend en herkenbaar ontdekken ze stap

de ComiX-Files keer op keer. De drie edities samen kenden maar liefst 7000 enthousiaste deelnemers.

De Vrije Universiteit Brussel werkte ook mee aan Pole-Position. Een wedstrijd rond onderzoek op het “witte continent” voor de 2de en 3de graad secundair onderwijs. Op Antarctica staat ‘teamwork’ centraal. Zo ook in deze wedstrijd waar elk team (max. 20 leerlingen) bestaande uit verschillende ‘specialisten’ (historici, wetenschappers en journalisten) onder begeleiding van een leerkracht verschillende opdrachten tot een goed einde moest brengen. Het project bestond uit een historisch luik (expeditie in de tijd), een wetenschappelijk luik (onderzoek op Antarctica) en een journalistiek luik (het leven van een wetenschapper op Antarctica). Al deze jongerenprojecten worden gebundeld in het Virtueel Museum, het ICT-platform dat als expositieruimte dient voor de miniwebsites waarop de deelnemende leerlingen hun resultaten tentoonstellen.

20 jaar Wetenschapscommunicatie - Special Winkelen in de Wetenschapswinkel, ComiX, het Virtueel Museum, de geschiedenis van de Wetenschapsweken, de mijlpalen van 20 jaar wetenschapspopularisering aan de Vrije Universiteit Brussel,… . Je leest het allemaal in de special die je als bijlage bij deze editie van Akademos vindt. Nog meer informatie over Wetenschapscommunicatie aan de Vrije Universiteit Brussel vind je op www.vub.ac.be/infovoor/onderzoekers/ wetenschapscommunicatie.


xxxxxxxx Alumni Jonge mensen opleiden tot kritische, zelfstandige en ambitieuze individuen, die vrij denken en durven afwijken van platgetreden paden. Dat is één van de objectieven die de Vrije Universiteit Brussel zichzelf stelt. Akademos geeft in elk nummer een oud-student het woord die ook na zijn/haar studies blijk gaf van deze kwaliteiten.

Een hedendaagse kunststad Geert Cochez (27) was tijdens zijn studies Sociale en Culturele Agogiek al een groot cultuurliefhebber en een hevige fan van Brussel. Als coördinator van het Brussels Kunstenoverleg kreeg hij de gedroomde kans om zijn passies professioneel te verzilveren.

“Toen ik aan de Vrije Universiteit Brussel mijn opleiding Sociale en Culturele Agogiek begon, richtten enkele studenten Agogiek net een culturele studentenkring op, Artis genaamd. Die is intussen ter ziele gegaan, maar in de vijf jaar dat ze bestond, trokken we in groep de stad in om aan cultuur te doen. Ik stak heel wat op van de activiteiten die we organiseerden en werkte ook mee op de Dienst Cultuur van de Vrije Universiteit Brussel. Zo werd de campus als ‘stad in de stad’ een goed oefenterrein voor mijn latere werk. Nadien volgde ik nog een internationaal postgraduaat in European Urban Cultures (POLIS) waardoor ik de kans kreeg om ook universiteiten en steden in Nederland, Engeland en Finland te ontdekken. Na mijn studies had ik dan het geluk om in mijn huidige job aan de slag te kunnen. Ik kon al bij al weinig werkervaring voorleggen, maar de invalshoeken die ik in mijn opleidingen koos en het engagement in mijn studententijd hielpen enorm. Het gebrek aan ervaring in het culturele werkveld was in bepaalde opzichten zelfs een voordeel: ik had immers nog geen vijanden gemaakt.” “Het Brussels Kunstenoverleg is een platform dat de Nederlandstalige Brusselse artistieke organisaties rond de tafel brengt. Bedoeling is om zo tot meer samenspraak en samenwerking te komen. En dat is erg nodig in een complexe stad als Brussel. Vijftien jaar geleden werkten de Brusselse kunstinstellingen

nogal sterk op hun eigen eilandjes. Het voorbije decennium is de wil tot samenwerking stilaan gegroeid. Het cultuurjaar Brussel/Bruxelles 2000 was een scharniermoment en de verschillende overlegstructuren en samenwerkingsprojecten zoals de Zinneke Parade bleken belangrijke katalysatoren voor verdere samenwerking.” “Het Kunstenoverleg werkt ook als gesprekspartner uit het werkveld voor de verschillende overheden. Vanuit dit samenwerkingsverband kan de kunstensector ook beter haar verantwoordelijkheid opnemen in deze stad. Het Brussels

Kunstenoverleg positioneert zich niet alleen als een belangenbehartigingsorganisatie van de sector, maar probeert mee te schrijven aan een positief verhaal over deze stad. De meest zichtbare realisatie van die gesprekken is BRXLBRAVO, een Brussels kunstenfeest waarvan de tweede editie plaatsvindt op 2, 3 en 4 maart 2007. Meer dan 150 organisaties, zowel Franstalige als Nederlandstalige, zetten hun schouders onder dit initiatief. Het blijft immers een belangrijke uitdaging om bruggen te bouwen tussen het Vlaamse en het Franstalige culturele werkveld in Brussel. De communautarisering van het cultuurbeleid zorgde destijds voor een sterke kloof tussen beiden. Vanuit het Brussels Kunstenoverleg werken we nu nauw samen met ons jongere Franstalige zusje ‘Réseau des Arts à Bruxelles’ om ontmoetingen mogelijk te maken. Dat is trouwens ook een opvallend gegeven. Binnen Brussel werken Nederlands-

taligen en Franstaligen steeds beter samen, en dat in tegenstelling tot de communautaire spanningen die op het nationale niveau de politieke agenda beheersen.” “In 2006 zijn we ook gestart met een nieuw Brussels netwerk voor kunsteducatie en publieksbemiddeling. Daarbij is niet enkel de kunstensector betrokken, maar ook de erfgoedsector, het onderwijs, de sociaal-culturele en de welzijnssector. Doel is om bruggen te slaan tussen die sectoren om zo tot een betere educatieve omkadering te komen van het culturele aanbod in Brussel. Transversaal werken is een noodzaak wil je tot een betere inbedding van het artistieke aanbod in het maatschappelijke leven komen. Als agoog ben ik erg tevreden dat ik zo’n initiatief mee uit de grond kon stampen.” “Artistiek gezien is Brussel een straffe stad. Niet enkel hebben we hier het grootste culturele aanbod van heel België, maar Brussel is ook een echte aantrekkingspool voor kunstenaars. De multiculturele realiteit blijkt een goede voedingsbodem voor de kunst. De positie van Brussel als internationale hoofdstad van de hedendaagse dans is wijd bekend, maar ook in de andere disciplines moet Brussel niet onderdoen. Alleen slagen we er nog onvoldoende in om dat potentieel uit te spelen. Zowel nationaal als internationaal wordt Brussel nog teveel gezien als een bureaucratische en administratieve hoofdstad. Terwijl Brussel zich met succes als een hedendaagse kunststad zou kunnen profileren, naast klassieke kunststeden zoals Wenen of Parijs. ‘Hedendaags’ bedoel ik dan als synoniem voor ‘avant-gardistisch’, ‘multicultureel’ en ‘stedelijk’. Allemaal aspecten die het artistieke leven in de stad nu reeds kenmerken.”

15.


Een weerman met een wereldrecord U kent hem als weerman van VTM en misschien ook als de meteoroloog die Steve Fosset in zijn ballon rond de wereld begeleidde. Maar eigenlijk werkt David Dehenauw voltijds op het Koninklijk Meteorologisch Instituut (KMI) in Ukkel waar hij elke dag het weer voorspelt. Daarnaast werkte Dehenauw aan zijn doctoraat in de Ingenieurswetenschappen aan de Vrije Universiteit Brussel dat hij onlangs met succes verdedigde.

Je werkt fulltime op het KMI en je presenteert het weer op VTM, waar vond je nog de tijd om aan een doctoraat te werken? Mijn doctoraat heb ik grotendeels in mijn vrije tijd afgewerkt. Overdag maak ik hier samen met mijn collega’s op het KMI de weersvoorspellingen. Bij VTM presenteer ik drie avonden per week het weerbericht, maar ook bij de gewestelijke Radio 2-omroepen Antwerpen en West- en Oost-Vlaanderen doe ik ’s ochtends een weerpraatje. Van opleiding ben je een scheikundig en materiaalkundig ingenieur. Hoe kom je dan in de meteorologie terecht? Ik heb altijd een grote interesse gehad voor het weer, maar was ook gefascineerd door (toegepaste) wetenschappen. Ik had vroeger al een weerhutje in mijn tuin staan, maar dat alleen vond ik niet genoeg. Ik wou het weer leren voorspellen. Aan Belgische universiteiten bestaat er jammer genoeg geen opleiding meteorologie. Daarom probeerde ik midden jaren ’90 via internet meer te weten te komen. Zo vond ik weerkaarten, satellietbeelden en cursussen. Daarin heb ik mij verdiept en na een tijdje ben ik naar het KMI gestapt om te vragen of ze werk voor mij hadden. Dus zonder een specifieke opleiding in de weerkunde werd je toch meteoroloog? Ja, maar het is ook te danken aan mijn ingenieursopleiding aan de

16.

Vrije Universiteit Brussel dat ik die nieuwe tak van de wetenschap ontdekt heb. Dankzij mijn sterke natuurkundige basis kon ik de basisprincipes van de atmosfeer vrij snel doorgronden. De natuurkundige wetten blijven dezelfde. Het maakt daarbij niet uit of het over een chemische reactor of over de atmosfeer gaat. Ik ben dus wel tevreden dat ik op die multidisciplinaire manier gestudeerd heb. Hoe komt het dat er in Vlaan­ deren geen opleiding meteorologie bestaat? Dat verwondert mij inderdaad ook een beetje. Zeker nu het klimaatvraagstuk zoveel aandacht krijgt. Er zijn wel een aantal opleidings­ onderdelen in de opleiding Geografie, maar het zou wel wat uitgebreider mogen. Nu meer en meer wetenschappers ervan overtuigd zijn dat de mens iets te maken heeft met de opwarming van de aarde, wil dat zeggen dat niet alleen klimatologen en geografen geconfronteerd worden met die klimaatsproblemen, maar zeker ook ingenieurs. Dus ook voor hen is het interessant om een aantal meteorologische noties te hebben. Jouw doctoraat handelde over de nauwkeurige voorspelling van windhozen. Wanneer spreekt men van een windhoos en hoe vaak komen ze in België voor? Een windhoos of tornado is een roterende luchtstroom die onder een onweder naar beneden komt, de grond raakt en daar schade maakt.

We hebben er dit jaar al een tiental geteld, maar we kunnen ook niet elke windhoos registreren. Wanneer er ééntje voorkomt in de Ardennen in een bos waar niemand woont, bijvoorbeeld. Wat we waarnemen, is dus zeker een onderschatting van de realiteit. Maar alleszins is een windhoos in België geen uitzondering. Kan je ze voorspellen? Op gemeentelijk vlak is zo’n voorspelling uitgesloten, omdat een windhoos van te korte duur en te kleinschalig is. Een windhoos is een paar honderd meter breed. Als je dan weet dat we weerkaarten in stappen van een uur hanteren met een resolutie van tien kilometer, dan besef je dat een kortdurende, lokale windhoos niet expliciet kan voorspeld worden. We hebben daarom voor een andere aanpak gekozen. Als we geen voorspellingen kunnen maken op lokale schaal, kunnen we misschien op een iets ruimere schaal gaan kijken of er bij vorige windhozen indicaties waren in de weermodellen. We gaan dus na of de kans op zware rukwinden tijdens onweders groot of klein is. Dat heb ik kunnen aantonen. Maar om op gemeentelijk schaal te kunnen voorspellen, zal het zeker nog een jaar of tien duren. Staan ze daar, bijvoorbeeld in de Verenigde Staten, verder in? Niet echt. Maar doordat er ginds meer tornado’s voorkomen, staat men er wel verder in het voorspel-

len van het gedrag van windhozen op het moment dat ze zich voordoen. Ze duren er langer en zijn krachtiger. Wanneer men in de VS een tornado “spot” - dat gebeurt door een netwerk van mensen die de hemel afturen –, belt men naar de weerdienst. Zij kunnen de windhoos dan lokaliseren op hun radar. De tornado zelf is echter niet zichtbaar op die radar. Een zwaar onweer wel, maar je kan niet uit het radarbeeld afleiden of daar een windhoos in zit. Daarvoor heb je menselijke waarneming nodig. De weerdienst beschikt vervolgens over een apart radiokanaal en de andere radio- en tv-uitzendingen worden onderbroken om voor de windhoos te waarschuwen. Men zegt dan waar de windhoos zich op dat moment bevindt en waar hij waarschijnlijk binnen enkele minuten naartoe trekt. Zo hebben de mensen nog de tijd om naar hun schuilkelder te gaan. Dat is bij ons gelukkig niet nodig? De tornado’s bij ons zijn minder verwoestend en van zo’n korte duur, zodat we het verloop ervan zelfs niet zouden kunnen voorspellen. Dat is inderdaad ook niet zo’n noodzaak. Desondanks hebben we toch al een aantal zware windhozen gekend. Op 1 oktober was er nog eentje in Henegouwen. Heb je die kunnen voorspellen? Ik was er alleszins niet door verrast, want ik had ’s morgens zware ruk-


Interview

winden tijdens de onweders voorspeld. Ik kon dus niet met zekerheid zeggen dat het een windhoos zou zijn, het kon even goed een zware rukwind geweest zijn. Iets anders nu. Je begeleidde al vier vluchten rond de wereld. Hoe komt een weerman uit Vlaanderen terecht bij een Amerikaanse miljonair/avonturier zoals Steve Fosset? Toen ik op het KMI begon te werken, was een collega, Luc Trullemans, in Genève bezig met de begeleiding van de ballonvlucht rond de wereld van Bertrand Piccard en Brian Jones. Ik heb hem daar van hieruit op het KMI een beetje mee geholpen. Die vlucht lukte en we werden vervolgens gevraagd om in Amerika gasballon­ races te begeleiden. Daar waren we redelijk succesvol in. Steve Fosset heeft dat opgemerkt. Hij was al een aantal jaren bezig met pogingen om met een ballon rond de wereld te vliegen, maar het lukte hem niet. In het najaar van 2001 belde hij ons op. Hij wilde het nog één keer proberen en hij wilde dat wij hem begeleidden. Wij zijn dan naar Amerika getrokken en hebben zijn vlucht vanuit de Washington University in Saint Louis begeleid. En ook die vlucht lukte. Hoe ging je dan te werk? Het belangrijkste was dat we onweer vermeden. Onweer en ballon­varen gaan immers niet

samen. Bovendien mislukten Fossets vorige vijf pogingen door onweders. Zo is hij een keer door een zware valwind in de Koraalzee ten oosten van Australië beland. Dat had hem een beetje getraumatiseerd. Hij wilde bij deze poging dan ook geen onweer zien, omdat hij anders zou panikeren. Tijdens de voorspellingen stelde ik daarom een risicoanalyse op waarbij de kans op onweer nooit groter was dan 30 procent. Dat wilde ook zeggen dat, doordat hij op grote hoogte (10-12 km) vloog, er in een omtrek van 200 km geen bliksemflits te zien mocht zijn. Daarvoor moesten we hem wel een aantal manoeuvres laten doen. Zo hebben we hem éénmaal op 300 meter boven de zee laten vliegen, iets wat in “ballooning” op lange afstand niet gedaan wordt. We konden hem ook op grote hoogte boven een onweder laten vliegen, maar dat hield een extra risico in. Moesten op dat moment zijn branders uitvallen, dan zou hij immers toch in het onweer terechtkomen. Daarom kozen we ervoor hem onder het onweer te laten vliegen. De Amerikaanse pers vond dat zeer bizar. “Ga je hem laten vissen?”, vroegen ze ons. Het manoeuvre lukte en dat wekte veel vertrouwen. Maar hoe overtuig je Steve Fosset in zijn balloncapsule om zoiets te doen? We hadden vooraf gezegd dat we alleen meewerkten als hij naar ons

zou luisteren. We legden telkens wel uit waarom we een dergelijke beslissing namen. Hoe komt het dat zijn vlucht met jullie als begeleiders wel lukte? We kozen er voor om tegen de traditionele manier in te gaan. Die traditionele manier bestaat er in zo snel mogelijk in de straalstroom te geraken. Maar ook in de straalstroom heb je gevaarlijke onweerzones. En daardoor mislukten de vorige pogingen. Wij hebben natuurlijk ook de straalstroom gebruikt – anders geraak je niet rond de wereld -, maar alleen de veilige delen ervan. Nadien volgden nog nieuwe uitdagingen? Ja, in 2004 belde Steve Fosset me opnieuw op. Hij wilde nu de wereld rondvliegen met een vliegtuig (de Virgin GlobalFlyer) zonder bijtanken. Dat is uiteindelijk ook gelukt. Nadien wilde hij weer een nieuw record vestigen: rond de wereld vliegen zonder tanken èn de non-stop afstand verbreken (één en een kwart keer rond de wereld). Vervolgens volgde nog een vlucht met start en landing op dezelfde plaats met daarbovenop een afstandsrecord. Daardoor heb ik nu vier non-stop vluchten rond de wereld begeleid, wat geen enkele andere meteoroloog ter wereld ooit gedaan heeft. In de luchtvaartmeteorologie is dat dus een wereldrecord.

Meteoroloog David Dehenauw

Wat was de grootste uitdaging, de ballonvlucht of de vluchten met de Global Flyer? Het was alle twee heel spannend en moeilijk. Bij de ballon was het de duur van de vlucht die het moeilijk maakte (Steve Fosset was meer dan 13 dagen onderweg, red.). We moesten lang geconcentreerd blijven en we hadden ook minder bewegingsmogelijkheden dan met een vliegtuig. Bij de vliegtuigvlucht moest ik dan weer heel lang op voorhand vrij accurate voorspellingen genereren, omdat het vliegplan een hele tijd op voorhand ingediend moest worden opdat het record geldig zou zijn. Ik was dan ook drie maanden stand-by en moest het juiste moment bepalen waarop ik vrij zeker was van mijn voorspellingen en hij dus kon vertrekken. Wat is de volgende uitdaging? Momenteel werk ik opnieuw samen met Luc Trullemans aan een nieuw project van Bertrand Piccard. Hij wil in 2010 met een vliegtuig op zonne-energie rond de wereld vliegen, met tussenlandingen weliswaar. Dat vliegtuig moet nog gebouwd worden, maar we zijn nu reeds bezig met een aantal weer­simulaties. Op basis van die gegevens kunnen we de constructeur van het vliegtuig informeren, zodat hij weet tegen welke weersomstandigheden het vliegtuig bestand moet zijn. Met die stunt wil Piccard de aandacht vestigen op de mogelijkheden van alternatieve, duurzame energie. Hoe voelde het wanneer de eerste recordpoging lukte? Je eerste reactie is er één van ongeloof. Fosset had het al zes keer geprobeerd, maar was telkens mislukt. Waarom lukte het dan wel met ons? Je denkt dan ook dat het toeval is. Maar de eerste keer is toch overweldigend. Plotseling zagen mijn ouders mij op CNN. Maar al die successen willen niet zeggen dat het volgende keer ook lukt. Het blijft meteorologie en in de meteorologie moet je altijd bescheiden blijven. Je volgende voorspelling kan altijd verkeerd zijn.

17.


Onderzoek

Speuren naar landmijnen Over de hele wereld liggen nog zowat 100 miljoen anti-persoons landmijnen verspreid die jaarlijks ruim 20.000 mensen verminken of doden. Eén van de nieuwe technologieën die gebruikt worden bij het ontmijnen, is de Ground Penetrating Radar (GPR). Luc van Kempen, verbonden aan de vakgroep “Elektronica en Informatica (ETRO)” van de Vrije Universiteit Brussel, ontwikkelde voor zijn doctoraatsonderzoek een aantal wiskundige algoritmes en analyses die de verwerking van gegevens uit een GPR kunnen verbeteren.

Ontmijnen is een gevaarlijke bezigheid. Met behulp van een prodder (een lange pin waarmee de bodem centimeter voor centimeter wordt afgetast), een metaaldetector of honden wordt er gezocht naar mijnen in oude oorlogsgebieden. Een secuur werk van lange adem. En dan nog weten de ontmijners niet of het gebied dat ze onder handen hebben genomen, volledig mijnenvrij is. De GPR of Ground Penetrating Radar zou daarbij kunnen helpen. Een GPR wordt gebruikt om de locatie en vorm van verborgen objecten te bepalen en kan op die manier gebruikt worden bij het opsporen van landmijnen die onder de grond verborgen liggen. In het geval van humanitaire ontmijning moet men namelijk met 100% zekerheid kunnen zeggen dat men alle verborgen landmijnen heeft gevonden. Nog steeds liggen er in meer dan 80 landen landmijnen verborgen, hetzij in bekende zones, hetzij in ‘verdachte’ gebieden. En het zijn net die ‘verdachte’ gebieden die de meeste problemen opleveren. De grond waarvan men vermoedt dat er mijnen liggen, wordt immers onbruikbaar voor de plaatselijke bevolking. Ontmijners willen vooral via effectief bewezen technieken beter te weten komen waar ze best beginnen te zoeken. Een scan van een GPR levert ontzettend veel informatie op die voor het grootste deel wijst op de aanwezigheid van andere voorwerpen dan landmijnen. Voor een efficiënt gebruik van de GPR moet die massa gegevens zo goed mogelijk gefilterd worden en ontdaan worden van niet-relevante of misleidende infor-

18.

matie. Voor de eerste fase, die van de gegevensverwerking, ontwikkelde Luc van Kempen algoritmes die alle niet-essentiële informatie zoals onbedoelde radarecho’s weg filteren uit de dataverzameling. In een tweede stap ging Van Kempen op zoek naar anomalieën en tegenstrijdigheden in het te onderzoeken datavolume, die een indicatie geven waar er zich objecten bevinden onder het gescande oppervlak. Hiertoe ontwikkelde en verfijnde Luc van Kempen verschillende technieken. Voor de eigenlijke analyse van de objecten ontwikkelde hij een classificatiealgoritme. Met dat algoritme kan men bepalen of een gevonden object wel degelijk een landmijn is. De gegevensverwerking gebeurt op

basis van een klassensysteem en een typebeschrijving. Zo kunnen in een latere fase nieuwe objecten gemakkelijker in het systeem toegevoegd worden. Luc van Kempen perfectioneerde ook twee andere methodes om de verzamelde data te verwerken: de kwalitatieve en kwantitatieve beeldreconstructie van de ondergrond, waarbij de vorm en de materiaaleigenschappen van de ondergrondse objecten worden teruggevonden. Deze nieuwe algoritmen en verwerkingsmethodes kunnen op termijn geïntegreerd worden in bestaande, of nieuw ontwikkelde GPR-toestellen die op deze manier beter tegen de taak van het opsporen van landmijnen opgewassen zijn dan de

huidige generatie. Op het terrein is de enige veel gebruikte technologie op dit moment de metaaldetector, maar de GPR zal daar binnen afzienbare tijd ook zijn intrede doen.

Het doctoraat van Luc van Kempen is ook om een andere reden opmerkelijk. Hij is in Vlaanderen de eerste patiënt met een longtransplantatie die een doctoraat behaalt. Dat is uitzonderlijk, omdat deze patiënten doorgaans met concentratiestoornissen te kampen hebben. Luc van Kempen (°1971) werd geboren met mucoviscidosis, soms ook bekend onder de naam Cystic Fibrosis (CF). Mucoviscidose is de meest frequente, levensbedreigende erfelijke ziekte in ons land. Bij mucoviscidose produceren de exocriene klieren taaie, kleverige slijmen, waardoor op verschillende plaatsen in het lichaam problemen kunnen ontstaan. Meestal zijn de luchtwegen en het spijsverteringsstelsel aangetast. Luc van Kempen onderging in 2001 een dubbele longtransplantatie.


Personalia

- Prof. Dr. ir. Gert Desmet van de faculteiten Wetenschappen en Ingenieurswetenschappen ontving in Londen de 11de Desty Memorial Award voor innovatieve bijdragen aan de scheidingswetenschappen. Deze award, die wordt uitgereikt aan veelbelovende internationale talenten op het gebied van de chromatografie, wordt gesponsord uit de nalatenschap van Dennis Desty die als researcher bij British Petroleum (BP) mee aan de wieg stond van de gaschromatografie. - Prof. Erik Frankcx, verbonden aan de vakgroep Internationaal en Europees Recht, werd omwille van zijn deskundigheid op het domein van het internationaal publiekrecht en zeerecht, door BelgiĂŤ voorgedragen als arbiter bij het Permanente Hof voor Arbitrage te Den Haag. Daarnaast is hij ook voorgedragen om opgenomen te worden in de “List of Hydrographers – Experts in Maritime Boundary Deliminationâ€? van de International Hydrographic Organization. - Steven Goderis, onderzoeker bij de vakgroep Geologie, heeft voor zijn eindverhandeling ‘Geochemistry and distribution of platinum group elements in the impact structures of Bosumtwi (Ghana) and Gardnos (Norway)’ de ‘Jongerenprijs 2006’ van Geologica Belgica gewonnen. - Onderzoeker Davy Van Nieuweborgh heeft voor zijn onderzoek: ‘Voorkeur in Answer Set Programmeren’ de ‘Jaarlijkse Prijs IBM Belgium voor de Informatica’ gekregen. Deze prijs is een verlengstuk van het IBM University Relations programma dat onderzoek en onderwijs in de informatiewetenschappen wereldwijd stimuleert en steunt. - Prof. David Gullentops werd door de ‘Association Jean Cocteau’ officieel aangesteld als directeur van het wetenschappelijk tijdschrift ‘Cahiers Jean Cocteau’ (Parijs) en als directeur van de wetenschappelijke website betreffende de auteur. Op deze manier krijgt prof. Gullentops een dirigerende rol in de Cocteau-studie toegewezen. - Prof. Bart Rombaut werd door het uitvoerend comitĂŠ van de European Association of Faculties of Pharmacy herkozen als penningmeester.

COLOFON REDACTIE Sandra Van Maurik, Jeroen De Samblancx, Raf Van Dyck, Katrien Verheecke, Thomas Mels EINDREDACTIE Thomas Mels

OPMAAK EN DRUK Erasmus drukkerij Gedrukt met plantaardige inkten op 100% gerecycleerd papier VERLEENDEN VERDER HUN MEDEWERKING ValĂŠry De Smet, Veerle Magits

- Prof. Johan Schoukens, hoofd van de vakgroep Electriciteit (ELEC), werd benoemd als titularis van de ‘Binnenlandse Francqui-leerstoel 20062007’ aan de ULB. Hij zal een reeks lezingen geven over: ‘Identification of linear systems in the presence of nonlinear distortions. A frequency domain approach’. - Julien Matheys, vorser aan de vakgroep Elektrotechniek en Energietechniek (ETEC), heeft tijdens het 22e International Battery, Hybrid and Fuel Cell Electric Vehicle Symposium & Exposition (EVS22) voor zijn artikel ‘Environmental Assessment of the Past, Present and Future Urban Bus Fleets, the Advantages of Battery, Trolley and Hybrid Electric Buses’ de ‘Youth Paper Award’ gekregen van de World Electric Vehicle Association (WEVA). - Prof. Yves Rolain, van de vakgroep ELEC, ontving tijdens de 67ste conferentie van de Automated RF Techniques Group de ‘Best Paper Award’ voor de publicatie ‘Tracking the Waveform of Microwave Oscillators’, (auteurs : Y. Rolain, W. Van Moer, J. Schoukens and R. Pintelon). - Wendy Van Moer, van de vakgroep ELEC, staat met het tijdschriftartikel ‘A Large-Signal Network Analyzer: Why Is It Needed?’ (auteurs Wendy Van Moer, Yves Rolain) op de coverpagina van het tijdschrift ‘IEEE Microwave Magazine’ (Vol. 7, No. 6, December 2006). - Nick Arys van de Erasmushogeschool Brussel (‘Geldkoeriers eisen erkenning’) en Bram Spruyt van de Vrije Universiteit Brussel (‘Ongelijkheid en segregatie in het onderwijslandschap: effecten op het etnocentrisme’) werden genomineerd voor de Vlaamse Scriptieprijs. - Lendert Gelens, afgestudeerde Burgerlijk Elektrotechnisch Ingenieur (optie Fotonica) en licentiaat Fysica, heeft met zijn afstudeerwerk ‘Contributions to the study of cavity and vortex solitons in nonlinear optics’ de Barco-prijs gewonnen, een prijs voor afgestudeerden uitgereikt door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek.

FOTO’S Thomas Mels , Jeroen De Samblancx

Wilt u Akademos thuis ont­ vangen? Laat ons iets weten.

REDACTIESECRETARIAAT Myriam De Pelseneer Dienst Interne en Externe Communicatie Pleinlaan 2 – B –1050 Brussel Tel.: +32 (0)2 629 21 34 Fax: +32 (0)2 629 12 10 E-mail: ieco@vub.ac.be Web: www.vub.ac.be

Verantwoordelijke Uitgever Prof. Dr. Benjamin Van Camp, Rector Vrije Universiteit Brussel Pleinlaan 2 B – 1050 Brussel

3PONSORDETOEKOMST -EERWETENOVERFUNDRAISING KIJKOPDEWEBSITEWWWVUBACBEINFOOVERFUNDRAISING

19.


Wij wensen u een inspirerend

2007

back-cover-vuurwerk.indd 1

28-11-2006 17:55 Infozaterdagen 17 maart, 5 mei, 1 september 2007

10u00 - 16u00 Campus Jette voor alle medische opleidingen Campus Etterbeek voor alle andere opleidingen

www.vub.ac.be

Akademos december 2006  

50 jaar artificiële intelligentie Eredoctoraat voor Sonia Ghandi Een weerman met een wereldrecord

Akademos december 2006  

50 jaar artificiële intelligentie Eredoctoraat voor Sonia Ghandi Een weerman met een wereldrecord