Issuu on Google+

Actuariaatcongres 2011 Solvency II en Risk Management

Deze editie:

Solvency II, waar het allemaal om begon

En verder:

ORSA and Economic Modeling Choices Risicomanagement perspectieven voor de actuaris Interview met dagvoorzitter Ester Lamerikx


Wat als ze geen vertrouwen Advertentie DNB hebben in de economie? Wie weet wat de toekomst brengt. En geld kun je maar één keer uitgeven. Dus als mensen wat minder vertrouwen in de economie hebben, zullen ze eerder gaan sparen dan besteden. Handhaving van het vertrouwen is dan essentieel. Daarom houdt de Nederlandsche Bank (DNB) toezicht op de soliditeit van financiële instellingen. We stellen eisen aan banken, verzekeraars en pensioenfondsen en houden de vinger aan de pols. Verder dragen we – als onderdeel van het Europese Stelsel van Centrale Banken – bij aan een solide monetair beleid en een zo soepel en veilig mogelijk betalingsverkeer. Zo maken we ons sterk voor de financiële stabiliteit van Nederland. Want vertrouwen in ons financiële stelsel is de voorwaarde voor welvaart en een gezonde economie. Wil jij daaraan meewerken? Kijk dan op www.werkenbijdnb.nl. | Juristen | Accountants | Actuarissen

Werken aan vertrouwen.

| Economen | EDP-auditors


Colofon Hoofdredactie Linda Pieper - de Koter Redactie Marc van Houdt Bas Koolstra Joep Lustenhouwer Kees Vermunt Roel de Waal Malefijt Ontwerp © United Creations, 2010 Cover United Creations Vormgeving Linda Pieper - de Koter Oplage 2000 Adverteerders Achmea APG ASR De Nederlandsche Bank Deloitte EMAS Generali Groen Van Solinge & Partners LeanApps Lens & Partners Mercer Milliman Mn Services Netspar PWC Riskquest Sprenkels & Verschuren Triple A Voor meer informatie over adverteren kun u contact opnemen met info@vsae.nl Deze speciale editie van Aenorm wordt verspreid onder alle studenten Actuariaat, Econometrie & Operationele Research aan de Universiteit van Amsterdam. Tevens wordt het magazine verspreid onder alle alumni van de VSAE. Plaatsing van een artikel betekent niet dat de mening van het VSAE-bestuur, of van de redactie is verwoord. Niets uit dit blad mag worden vermenigvuldigd zonder toestemming van de VSAE. Aan de inhoud van dit blad kunnen geen rechten worden ontleend.

Beste lezer, Voor u ligt de speciale editie van de Aenorm die geheel in het teken staat van de elfde editie van het Actuariaatcongres. Dit congres is al vele jaren een succes en wordt jaarlijks met veel enthousiasme georganiseerd door de studievereniging VSAE (Vereniging Studenten Actuariaat Econometrie en Operationele Research), verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Ook dit jaar hebben wij een uitdagend en leerzaam programma samengesteld, dat zich richt op een actueel thema binnen de actuariële wereld. Het congres vindt plaats op 20 september 2011, in de Rode Hoed te Amsterdam en is door het Actuarieel Genootschap geaccrediteerd met zes permanente educatie punten. Binnen de actuariële wereld staan grote veranderingen op stapel. Immers de effecten van de economische crisis zijn van groot belang voor banken, pensioenfondsen en verzekeraars. Voor verzekeraars zijn nieuwe regels ontwikkeld die een volgende crisis dienen te voorkomen. Deze zijn vastgelegd in Europese wetgeving, die per 1 januari 2013 voor de gehele sector van kracht wordt. Deze nieuwe regelgeving, Solvency II, vormt het thema voor deze editie van het Actuariaatcongres. Daarbij wordt specifieke aandacht besteed aan het bepalen en beperken van de risico’s, het zogenaamde risico management. Tijdens het congres worden recente ontwikkelingen besproken en nieuwe inzichten gepresenteerd. Naast plenaire presentaties, staan dit jaar voor het eerst ook interactieve sessies op het programma. Op deze manier denken wij als commissie een breed en toegankelijk congres neer te zetten, dat niet alleen leerzaam is voor een ieder binnen de verzekeringswereld, maar dat ook interessant is voor studenten in de eindfase van de bachelor of in de master fase van de studie. Voor elk wat wils! Dit magazine geeft u alvast een beeld van wat u op het congres kunt verwachten. Naast artikelen van de sprekers, is een aantal extra artikelen opgenomen die een specifieke kijk geven op het thema. Ook treft u een interview met de dagvoorzitter: mevrouw drs. Ester Lamerikx AAG. Praktische informatie zoals een routebeschrijving, een voorlopig dagprogramma en informatie over inschrijvingen zijn ook te vinden in dit magazine. Hopelijk bent u na het lezen van dit magazine enthousiast geworden en mogen wij u begroeten op 20 september 2011 in de Rode Hoed te Amsterdam. Voor eventuele vragen of nadere informatie verwijzen wij u graag naar onze website: www.actuariaatconges.nl, of kunt u een e-mail sturen naar actuariaatcongres@vsae.nl. Namens de Actuariaatcongrescommissie 2011, Roel de Waal Malefijt (voorzitter)

Adres Redactie VSAE Roetersstraat 11, E2.02-2.04 1018 WB Amsterdam tel. 020-5254134 Van links naar rechts: Linda Pieper - de Koter, Marc van Houdt, Roel de Waal Malefijt, Joep Lustenhouwer, Kees Vermunt en Bas Koolstra

Website www.actuariaatcongres.nl

© 2011 VSAE AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

1


Interview met dagvoorzitter Ester Lamerikx

06

Door: Joep Lustenhouwer en Linda Pieper - de Koter Drs. Ester Lamerikx AAG studeerde econometrie aan de Universiteit van Maastricht en heeft vervolgens haar AG titel behaald. Ze is op dit moment senior consultant bij Towers Watson en houdt zich onder meer bezig met pensioenzaken. In dit interview geeft Ester haar kijk op het thema weer.

De ORSA van haar mystiek ontdaan Door: Dr. Meindert van Dijk, drs. Pelle van Vlijmen AAG FRM, Remco Hooijmans MSc, drs. Twan Klikens MBA VBA FRM

10

Eén van de belangrijkste onderdelen van Solvency II is de ORSA, hierover bestaat nog veel onduidelijkheid. In dit artikel wordt de ORSA uitgebreid besproken. Daarnaast worden de resultaten van een eigen onderzoek gepresenteerd.

Solvency II, waar het allemaal om begon

17

Door: Drs. Pieter Bouwknegt AAG In dit artikel wordt besproken in hoeverre verschillende opmerkelijke onderdelen uit Solvency II bijdragen aan de bescherming van de polishouders. De link tussen de betreffende bepalingen en de bescherming van de polishouder wordt nader bekeken. Hier wordt dieper op ingegaan aan de hand van ervaringen uit de recente financiële crisis.

Statistische methoden in het risk management proces

22

Solvency II, Sealed with a Qis

30

Door: Drs. Bas van de Pas AAG, prof. dr. Jacques de Swart AAG en drs. Rian de Jonge AAG Door de toenemende complexiteit van de analyses die Solvency II met zich meebrengt, ontstaan problemen bij de periodieke managementinformatie. Mogelijkheden om door de toepassing van statistische schattingstechnieken de tussentijdse berekeningen van het benodigd kapitaal te versnellen worden besproken.

Door: Drs. Hans Heintz Nieuwe Europese wetgeving, Solvency II, zal de kapitaalpositie van verzekeringsorganisaties vergroten. Impact studies naar aanleiding van de implementatie van de nieuwe regelgeving, zijn reeds uitgevoerd. De analyse naar de vijfde van deze impact studies, Qis5, wordt hier besproken.

Risicomanagement perspectieven voor de actuaris

34

Door: Drs. Margreet Haandrikman AAG “Riskmanagement is not rocket science, it’s much more complicated”(John Adams) is het uitgangspunt van dit artikel. Vanuit vijf verschillende perspectieven wordt risicomanagement nader toegelicht.

Solvency II - De laatste grote test van het raamwerk Door: Drs. ir. Miguel van den Heuvel en drs. ir. Erwin Bramer

44

Qis5 is geïntroduceerd voor twee verschillende doeleinden. Het testen van het Solvency II raamwerk en een toets ter verduidelijking van de werkbaarheid van het systeem. Dit artikel geeft de recente stand van zake weer.

De onmisbare actuaris? Door: Sabijn Timmers - Janssen AAG MBA

48

Er is veel informatie over de invoering van Solvency II en haar bijkomstigheden. Echter is er niet veel geschreven over de rol van de actuaris binnen dit raamwerk. Is hij echt onmisbaar, of hebben we onszelf onmisbaar gemaakt?

2

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011


Solvency II, wait for FTK II and think twice

54

Door: Alec Balleduc AAG Het financieel toetsingskader lijkt een blauwdruk te zijn voor Solvency II. Daarom zou het mooi zijn om te leren van de aandachtspunten uit het verleden en deze toe te passen op de implemenatie van Solvency II. In dit artikel beschrijft een pensioenactuaris de gevaren en mogelijkheden van Solvency II.

ORSA Onze Risico’s Samen Aanpakken

56

Door: Drs. Céline van Asselt

Stapsgewijs worden de kernwaarden van de ORSA toegelicht. Vervolgens worden de gevolgen van de ORSA implementatie voor een organisatie besproken. Het artikel is gebaseerd op de uitgangspunten van de ‘ORSA Good Practise’ release 1 van de Verbondswerkgroep ORSA.

Nederlandse pensioenfondsen anno 2011

62

Door: Drs. Agnes Joseph AAG De pensioencontracten en het Nederlandse toezicht zijn aan verandering onderhevig. Op dit moment wordt gewerkt aan een Europees toezichtregime voor pensioenfondsen gebaseerd op de drie pijlers van Solvency II. Dit artikel geeft een kort overzicht van het nut en de noodzaak van aanpassingen op het toezicht van de huidige arbeidspensioencontracten.

Effectief gebruik van kapitaal in Solvency II context

66

Door: Drs. Wouter Elshof AAG

Solvency II lijkt in eerste instantie voornamelijk de focus te leggen op het beheersen en managen van risico’s zonder veel nadruk te leggen op het rendement. Maar rendement is zeer belangrijk voor verzekeraars en hoge rendementen tegen lage risico’s blijven logischerwijs zeldzaam. In dit artikel worden verschillende risico’s besproken en wordt gekeken naar de balans tussen risico en rendement.

ORSA and Economic Modeling

72

Door: Dr. Bert Kramer, dr. André van Vliet, drs. Wendy Montulet RBA Het ORSA proces, dat is ontstaan in de ontwikkeling van Solvency II, is minder vernieuwend dan het lijkt. Reeds aanwezige processen binnen de verzekeringswereld, zoals ALM en Economisch Modelleren, vertonen overeenkomsten met dit proces.

Dagprogramma Over het Actuariaatcongres Sprekers Locatie Commissie Routebeschrijving Puzzel Inschrijven AENORM

04 38 40 42 43 78 79 80 SPECIAL

Augustus 2011

3


Dagprogramma

8:45 - 9:10

Ontvangst met koffie en thee

9.10 - 9:15

Opening van het congres Roel de Waal Malefijt (voorzitter commissie)

9:15 - 9:45

Inleiding over het thema: Solvency II Drs. Ester Lamerikx AAG (Towers Watson)

9:45 - 10:30

Solvency II: waar het allemaal om begon Drs. Pieter Bouwknegt AAG (Nationale-Nederlanden)

10:30 - 10:50

Koffiepauze

10:50 - 11:35

Modellering van economische en financiële risico’s in de ORSA Dr. André van Vliet (Ortec Finance)

11:35 - 12:20

Risk management perspectieven: “Risk management is not rocket science, it is much more complicated.” Drs. Margreet Haandrikman AAG (Sprenkels & Verschuren)

12:20 - 13:25

Lunch

13:25 - 14:40

Een interactieve sessie met de volgende keuzemogelijkheden:

• Pensioenen en Solvency II

Drs. Agnes Joseph AAG (Achmea)

• Recente ontwikkelingen in het Solvency II raamwerk Drs. ir. Erwin Bramer (De Nederlandse Bank)

• Workshop: Effectief gebruik van kapitaal in een Solvency II context Drs. Wouter Elshof AAG (Milliman)

4

AENORM

14:40 - 15:00

Koffiepauze

15:00 - 16:15

Een interactieve sessie met de volgende keuzemogelijkheden: • The importance of Data Management for Solvency II Ferko Spits (Accenture) • Integraal Risicomanagement binnen Solvency II Drs. Harold Malaihollo CIA (Deloitte) • Statistische methoden in het Risk Management proces Drs. Bas van de Pas AAG (PwC)

16:15 - 17:00

De onmisbare actuaris? Sabijn Timmers - Janssen AAG MBA (Actuarieel Genootschap)

17:00 - 18:00

Borrel

SPECIAL

Augustus 2011


Interview met dagvoorzitter Ester Lamerikx door: Joep Lustenhouwer en Linda Pieper - de Koter Drs. Ester Lamerikx AAG Wie bent u, vertelt u eens iets over uzelf? Wat is uw achtergrond en wat doet u tegenwoordig?

Ik ben Ester, getrouwd en alweer 32 jaar oud en ik woon in de leuke stad Utrecht. Aan de universiteit van Maastricht heb ik econometrie gestudeerd . Tijdens de studie ben ik actief geweest als secretaris bij de studievereniging Vectum. Na mijn studie ben ik bij Watson Wyatt gaan werken en heb ik mijn studie voortgezet om de titel actuaris AG te halen. Ik werk nu bijna tien jaar bij, nu, Towers Watson en ben in die tien jaar doorgegroeid van junior consultant tot senior consultant. Naast mijn werk hou ik me onder andere bezig met sport, zoals racefietsen en hardlopen, fotografie en lezen.

Graag willen wij via een interview de dagvoorzitster van het congres aan u voorstellen. In dit interview is het vooral de bedoeling om Esters idee van het congres duidelijk te krijgen en u een beeld van haar te geven. Waar in het actuariaat liggen uw interesses? Mijn interesse ligt vooral bij de pensioenen omdat ik op dat gebied aan het werk ben, ik ben nooit echt wezen kijken in de verzekeringsbranche. De vakken aan de universiteit vond ik op zich wel leuk, ik was er ook best goed in, maar ik ben de pensioenwereld ingerold

De inkakfactor wordt na de lunch altijd een stuk groter en dan kom je er niet meer uit. Binnen Towers Watson ben ik bezig met het adviseren van pensioenfondsen en werkgevers en dat werk varieert van het advies geven op polisniveau tot het op de schop gooien van een hele pensioenregeling. Hoe ziet u uw rol als dagvoorzitter? Waarom heeft u ja gezegd op ons aanbod? Het leek me leuk en het thema, het riskmanagement, sprak me aan en daar ben ik in mijn werk natuurlijk veel mee bezig. Als het een thema was geweest waar ik weinig affiniteit mee had gehad dan was het natuurlijk een heel ander verhaal geweest. Het is wel leuk om te horen wat de sprekers te zeggen hebben en om je een beetje tussen

6

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

de jongere garde te begeven. Mijn rol zie ik vooral als het in goede banen leiden van de hele dag. Daarnaast zorgt de dagvoorzitter ervoor dat het niet bij losse presentaties blijft maar dat alles tot een mooi geheel wordt gesmeed. Verder zal ik zorgen voor links en bruggetjes tussen de sprekers en als er wat prikkelende vragen gesteld moeten worden kan ik wat olie op het vuur gooien‌ Wat zijn uw verwachtingen van dit congres? Het meeste van de kennis heb ik toch wel in huis, het is in elk geval latent aanwezig. Daarnaast is het FTK natuurlijk gestoeld op Solvency dus hou je ook uit de pensioenwereld de verzekeraars wel in de gaten. Ik moet me natuurlijk nog wel even inlezen om helemaal voorbereid voor de dag te komen. Er is een nieuwe indeling van het congres. Naast een paar plenaire sprekers zijn er ook 2 sessies waarbij de groep wordt opgesplitst in kleinere groepen zodat er dieper op onderwerpen kan worden ingegaan, wat vindt u van dat concept en denkt u dat dit kan werken? Ja dat lijkt mij heel leuk. Als het tweede deel wat interactiever wordt, houdt dit de mensen wat wakkerder en zorgt het ervoor dat ze actief moeten meedoen. De inkakfactor wordt na de lunch altijd een stuk groter en als je mensen dan zelf aan het werk zet blijven ze gewoon beter bij de les. Verder moeten de mensen ook zelf gaan nadenken, ze hoeven niet alleen te consumeren wat er verteld wordt.


Zelf werkt u bij Towers Watson vooral met pensioenfondsen, wat is dan uw link met Solvency II? In de pensioenwereld is Solvency II natuurlijk helemaal geen groot topic. Niet direct, maar wel indirect, omdat ik veel met risico management bezig ben. Verder ben ik niet alleen met Solvency bezig maar ben ik ook bezig met Basel II. Dat is natuurlijk voor de banken, maar het lijkt wel weer op Solvency. Als je het bijvoorbeeld over operationeel risicomanagement hebt, heeft Basel II daar veel over geschreven en over uitgedacht. Je kunt daarmee dan ook naar de pensioenen en verzekeraars kijken. Als de plannen er liggen hoef je het wiel natuurlijk niet opnieuw uit te vinden. Bent u persoonlijk een voor- of een tegenstander van Solvency II. Was dit nieuwe model van solvency echt nodig als opvolger van Solvency I? Gewetensvraag… Ik sta er redelijk neutraal in omdat ik vrij weinig met de verzekeraars te maken heb en dus niet weet hoe ze er zelf in staan, maar ik denk wel dat Solvency I langzaam maar zeker outdated raakte. Toetsingskaders moeten natuurlijk geëvalueerd worden en uit evaluaties zullen altijd punten naar voren komen die verbetering behoeven. Als je het zo bekijkt is het een voortgaand proces, we zullen vanzelf wel een keertje Solvency III krijgen.

Veel Nederlanders hebben bij verzekeraars hetzelfde gevoel als bij automonteurs Nu heeft de financiële crisis ons de ogen geopend, maar misschien gaan er straks op heel andere vlakken dingen mis, waardoor we gaan denken dat Solvency II niet helemaal voldoet en dat er een derde versie van het toetsingskader nodig is. Daar moet je niet bang voor zijn denk ik. De wereld om ons heen verandert gewoon en dan moet je niet achter de feiten aan blijven lopen. Of Solvency II dan “the best practice” is, weet je helemaal niet en iedereen zal er wel een mening over hebben. Daar kan ik verder niet te veel over zeggen. Ik heb namelijk niet direct te maken met die verzekeraars. Het is wel een heel proces om Solvency II in te voeren. Wat denkt u dat beter werkt? De interne modellen of het algemene model van DNB? Even uit de praktijk denkend: ik denk dat een standaard goed is. Het is een soort minimumeis of iets waarmee je kunt benchmarken. Als je vindt dat de standaard niet op jou van toepassing is, moet je dat kunnen onderbouwen en dan kun je over gaan op interne modellen. Ik denk dat het voor grote verzekeraars heel prima kan zijn om met interne modellen te gaan werken. Je zult wel goede gronden moeten hebben om van zo’n standaard

af te wijken en daar heb je genoeg data voor nodig. De toezichthouder houdt wel goed in de gaten of het risicoprofiel wel past in het kader van het standaard model. Voor een grote groep kleine verzekeraars zal het ontwikkelen van een intern model te kostbaar zijn. Maar Solvency II gaat natuurlijk verder dan voldoen aan wet- en regelgeving. Het is niet zo dat je even aan een regeltje moet voldoen en er dan vervolgens vanaf bent. Het idee er achter is natuurlijk dat de financiële sector, en zeker de verzekeringssector, gezond blijft. Dat is in ieders belang. Als je erover na gaat denken kun je er ook heel veel profijt van hebben. Hoe groot acht u de kans dat door Solvency II het vertrouwen van de gemiddelde Nederlander in verzekeraars toeneemt en in hoeverre denkt u dat de betrouwbaarheid van de verzekeraars werkelijk zal toenemen? De gemiddelde Nederlander zal er echt helemaal niets van vinden denk ik. Het staat veel te ver van zijn bed. Als het toezichtkader zijn werk goed doet, zal het hooguit kunnen worden voorkomen dat het vertrouwen van de gemiddelde Europeaan in de verzekeraars zal afnemen. Risico’s op faillissement nemen af, wat er voor zorgt dat de sector minder snel een knauw krijgt. Dat het vertrouwen gaat toenemen, zal in mijn optiek niet gebeuren. En de betrouwbaarheid van de sector? Ga het maar meten, maar ik zou niet weten hoe. De gemiddelde Nederlander is relatief sceptisch over verzekeraars, het enige waar ze iets over solvency zouden kunnen horen is op het nieuws. En als het wel op het nieuws komt zullen er veel mensen gaan zappen. Veel Nederlanders hebben bij verzekeraars hetzelfde gevoel als bij automonteurs, je hebt ze nodig, maar omdat veel mensen niet veel van beide onderwerpen afweten, kunnen ze je alles wijsmaken. Ik verwacht dus niet dat het vertrouwen in de branche bij de gemiddelde Nederlander zal toenemen.

Het is wat je onder een heel groot probleem verstaat. Dat neemt niet weg dat het een prima toezichtkader is en dat voor de kenners het vertrouwen in de sector wel kan toenemen, maar ik verwacht echt niet dat het iets doet met de gemiddelde Nederlander. Hoe heeft Towers Watson Solvency II binnen haar organisatie geïmplementeerd, was daar veel voor nodig of heeft het voor problemen gezorgd? Wat zijn punten waar men tegenaan liep? Towers Watson heeft internationaal een grote groep aan specialisten op alle onderwerpen, wet eisen en regels van Solvency II in huis. Deze groep van specialisten zijn weer opgedeeld in diverse werkgroepen die zich bezig houden met het zo goed mogelijk adviseren van onze klanten.

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

7


Adv_Magazine_VSAE_A4

12-08-2009

15:11

Pagina 1

WIJ ZIJN OP ZOEK NAAR JOU! Triple A – Risk Finance is een onafhankelijk en innovatief Risico Management en Actuarieel Consultancy bureau. Wij zien risico management zich ontwikkelen als een belangrijke "business driver" voor de financiële instellingen. Wij zijn in staat innovatieve maatwerkoplossingen te realiseren, waarbij wij onze expertise zoveel mogelijk overdragen aan de klantorganisatie zodat zij na ons vertrek zelfstandig verder kan.

PROFIEL Een opleiding actuariaat of econometrie gecombineerd met sterke persoonlijke vaardigheden: analytisch, adviesvaardig, resultaatgericht, innovatief en ondernemend. Je bent tevens geïnspireerd door Risk Management en weet je binnen dit vakgebied uitstekend te profileren. Door je sterke communicatieve vaardigheden ben je een sparringpartner voor je collega's en klanten. WAT BIEDEN WIJ JOU? Een uitdagende functie binnen een hecht team professionals als onderdeel van een ambitieuze, gedreven organisatie. Uiteraard bieden wij je een goed basissalaris aangevuld met een uitstekende bonusregeling en goede secundaire arbeidsvoorwaarden. Bezoek onze website www.aaa-riskfinance.nl voor meer informatie. GEÏNTERESSEERD? Neem dan contact op met Deborah Telgt: Email: deborah.telgt@aaa-riskfinance.nl Telefoon: 020 - 707 36 40 > OUT OF THE BOX ACTUARISSEN EN RISK PROFESSIONALS


Het organiseren van zulk een risk consulting practice is voor Towers Watson geen probleem. Wat wel een uitdaging is, is het omgaan met de nog steeds veranderende wet- en regelgeving vanuit Brussel. Dit zal nog de komende jaren voort blijven duren. Zover u het in de praktijk tegenkomt, zijn er hele grote problemen bij verzekeraars in het proces van de invoering van Solvency II? Het is wat je onder een heel groot probleem verstaat. Alle verzekeraars die aan Solvency II moeten voldoen zijn er van overtuigd dat ze op tijd Solvency II compliant zullen zijn. Het is meer de vraag met welke ambitiestelling dit wordt nagestreefd. Ga je voor een zesje, of ga je voor de tien? Naarmate de tijd vordert zie je wel dat veel verzekeraars die voor een tien wilden gaan, de ambitie bijstellen tot een 7 of 6. Sommigen proberen zelfs een 6-min als voldoende aan te duiden. De vraag is of De Nederlandse Bank daarmee instemt (ik denk het eerlijk gezegd niet). Wat is in uw opinie het betere systeem? Het financieel toetsingskader of Solvency II en waarom? In theorie natuurlijk Solvency II want het heeft een grotere zekerheidsmaatstaf, maar of je nu alles van die zekerheidsmaatstaf moet laten afhangen? Een hogere zekerheidsmaatstaf wil natuurlijk nog niet zeggen dat het een beter systeem is. Je ziet wel dat Solvency II een stapje verder gaat dan het FTK. Wat is de grootste fout die gemaakt is bij het opstellen van de Solvency II regelgeving? Wat is het moeilijkste uitvoerbare onderdeel naar uw mening? Als je al van een fout kan spreken is de grootste fout die het Europees Parlement heeft gemaakt dat ze zelf er niet eerder mee zijn begonnen (en dan nog niet eens zo zeer intensief met de verzekeringsbranche, dan wel eerst met de Europese Commissie en de voor Solvency II aangesloten nationale banken). Dit had dan veel verzekeraars minder problemen opgeleverd met o.a. het omgaan van de nog steeds veranderende wetgeving en regelgeving. Het moeilijkst uitvoerbare van Solvency II is het straks op continue basis Solvency II compliant te blijven en dat op aantoonbare wijze. Hiervoor is het van groot belang dat ook de risicomanagement cultuur binnen de organisaties drastisch verder wordt ontwikkeld. Maar, zoals iedereen weet, geniet risicocultuur nog niet veel de aandacht, terwijl risicocultuur waarschijnlijk het belangrijkste is om continu Solvency II compliant te zijn: voor optimaal bedrijfsresultaat en bescherming van de klanten. (ja, Solvency II is primair ingesteld om de klanten te beschermen – wisten jullie dat?)

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

9


De ORSA van haar mystiek ontdaan:

inzicht in de belangrijkste uitdagingen bij de implementatie door: Dr. Meindert van Dijk, Remco Hooijmans MSc,

drs. Pelle van Vlijmen AAG FRM en drs. Twan Klikens MBA VBA FRM

Dit artikel is geschreven in samenwerking met het Deloitte EMEA Solvency II Programma. De implementatiedatum van Solvency II nadert snel. In het afgelopen jaar heeft dit bij Nederlandse verzekeraars gezorgd voor een aanzienlijke versnelling in de Solvency II implementatieprogramma’s. Eén van de belangrijkste onderdelen hiervan is de ORSA.

ORSA staat voor Own Risk and Solvency Assessment en is één van de kenmerkende aspecten van Solvency II. De ORSA mondt uit in een rapport dat minimaal jaarlijks aan de toezichthouder wordt opgeleverd. De belangrijkste doelstelling van de ORSA is om aan te tonen dat alle materiële risico’s onder controle zijn en dat de kapitaalpositie voldoende is om deze risico’s af te dekken. Een verzekeraar moet dit niet alleen op de balansdatum kunnen aantonen, maar ook voor de nabije toekomst. De ORSA dient dus over een periode van 3 tot 5 jaar vooruit te kijken. Deze periode moet overeenkomen met de strategische planning. Indien goed uitgevoerd, biedt de ORSA een integraal beeld van risico en kapitaal dat direct is gekoppeld aan de strategische besluitvorming. Dat de ORSA meer is dan alleen een rapportage-exercitie mag dan ook duidelijk zijn. Het proces dat leidt tot het rapport is in feite belangrijker dan het rapport zelf.

Op het gebied van de ORSA worden in de markt belangrijke stappen gezet. Veel verzekeraars zijn op dit moment bezig met het uitvoeren van een pilot, om zo het ORSA proces in te leren en bewustwording binnen de organisatie te vergroten. Iedere verzekeraar is uniek waardoor het procesontwerp voor de ORSA per verzekeraar verschilt. Toch zijn er belangrijke overeenkomsten in de problemen waar iedere verzekeraar in dit traject tegenaan loopt. Het doel van dit artikel is om inzicht te geven in de belangrijkste uitdagingen bij de ORSA implementatie en om praktische handreikingen te geven om deze uitdagingen aan te pakken. Verder illustreren wij de aanpak van de ORSA op basis van een onderzoek onder 13 Europese verzekeraars. De uitkomsten van dit onderzoek zijn gebaseerd op onze eigen interpretatie en niet op direct contact met de gerelateerde organisaties.

Dr. Meindert van Dijk

Meindert (linksboven) is gepromoveerd in Natuurkunde en werkt als senior consultant bij Deloitte Financial Risk Management (FRM). Meindert heeft zich gespecialiseerd in Solvency II, waarbij hij optreedt als Subject Matter Expert en adviseert ten aanzien van de nieuwe wijze van aansturen van een verzekeraar (waardesturing).

Remco Hooijmans MSc

Remco (rechtsboven), International Business Administration, werkt als consultant bij Deloitte FRM en is tijdelijk gedetacheerd bij de Engelse praktijk van Deloitte waar hij onderdeel uitmaakt van het EMEA Solvency II team van Deloitte. Dit team coördineert business development en product ontwikkeling voor Deloitte EMEA ten aanzien van Solvency II.

Drs. Pelle van Vlijmen AAG FRM

Pelle (linksonder) is director bij Deloitte FRM en is binnen dat team verantwoordelijk voor de dienstverlening aan verzekeraars. Daarnaast is hij de Solvency II leider voor de Nederlandse praktijk.

Drs. Twan Klikens MBA VBA FRM Twan (rechtsonder) is de verantwoordelijke partner van Deloitte FRM en gespecialiseerd in risk & capital management. 10

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011


Startpunt van de ORSA Om op een goede manier antwoord te kunnen geven op de ORSA vereisten vanuit de regelgeving, moeten meerdere kwalitatieve en kwantitatieve processen worden samengebracht. Doorgaans bestaan deze processen bij de meeste verzekeraars al, zij het in wisselende mate van volgroeidheid. Belangrijke voorbeelden van kwalitatieve processen zijn het algemene risico governance raamwerk, het strategisch planningsproces, onafhankelijke review processen en de interne en externe rapportage processen. Belangrijke kwantitatieve processen zijn onder meer de definities en vaststelling van risicotoleranties en risicolimieten, de berekening van economische indicatoren zoals MCEV en economisch kapitaal, simulatieprocessen per risicotype en processen voor risico-gecorrigeerde vaststelling van het rendement. Het implementeren van de ORSA impliceert daarmee het opzetten van een algemeen ORSA proces dat al deze processen bij elkaar brengt. Dit moet er toe leiden dat bestuur en senior management op de processen kunnen anticiperen en dat zij de uitkomsten kunnen consolideren en in samenhang bediscussiëren. Het vraagt er daarnaast om dat frequentie, resultaten en interactie van deze processen met elkaar overeenstemmen. Van de in ons onderzoek betrokken verzekeraars heeft 15% het bestuur betrokken in de ontwikkeling van de ORSA, terwijl 46% haar risico comité heeft betrokken. Bijna alle verzekeraars binnen het onderzoek (92%) hebben de CRO betrokken in de huidige ontwikkeling van de ORSA, maar geen enkele verzekeraar in deze selectie heeft haar CEO betrokken. Andere betrokkenen bij het ontwikkelen van de ORSA zijn de risicomanagement afdeling (bij driekwart van de organisaties), de eerste lijn (net meer dan de helft), en Finance (bij minder dan de helft van de respondenten). Slechts één van de onderzochte verzekeraars verwacht dat het ORSA rapport korter zal zijn dan 40 pagina’s. 62% verwacht een rapport met een lengte tussen 40 en 100 pagina’s (31% 41-60 en 31% 60 -100). Eén verzekeraar verwacht een rapport langer dan 100 pagina’s.

Scope van het ORSA proces Iedere juridische entiteit die onder Solvency II toezicht valt, is verplicht om op individuele basis een ORSA uit te voeren. Daarnaast schrijft een groep die bestaat uit meerdere solo-entiteiten een Groep-ORSA. Een groep kan ervoor kiezen om één groepsbrede ORSA te schrijven, waarin zowel de groep als de onderliggende entiteiten worden behandeld. Een belangrijke voorwaarde hiervoor is dat de onderliggende entiteiten

afzonderlijk geïdentificeerd kunnen worden en dat de ORSA voldoende zekerheid biedt over de beoordeling van risico en solvabiliteit binnen de solo-entiteiten. De belangrijkste uitdagingen met betrekking tot scope is dat de ORSA processen in veel gevallen niet overeenkomen met de onderliggende processen binnen de entiteiten. Denk hierbij onder meer aan verschillen in het strategische planningsproces voor grote of kleine entiteiten binnen de groep. Hoe hiermee moet worden omgegaan hangt sterk af van het profiel van de onderneming. Dit profiel wordt onder andere bepaald door de omvang van de onderneming, aard van de werkzaamheden en complexiteit van de risico’s. Een mogelijkheid is om de scope van de onderliggende processen uit te breiden om ze zo in lijn met de ORSA te brengen. Een andere mogelijkheid is om gebruik te maken van vereenvoudigingen en benaderingen, aangevuld met een uitgebreide analyse van het risicoprofiel. Dit leidt mogelijk tot meerdere scenario’s voor het ORSA proces. Meer dan tweederde van de verzekeraars in ons onderzoek zijn van plan gebruik te maken van de mogelijkheid om een enkele ORSA rapportage op te stellen voor alle entiteiten binnen de groep. Slechts één verzekeraar richt zich op het stroomlijnen van de ORSA door zo veel mogelijk statische informatie (zoals informatie over de aard van de onderneming of de risico governance) weg te laten. 77% verwacht dat het ORSA rapport een combinatie wordt van statische en dynamische informatie.

De link met enterprise en risk governance: governance van het ORSA proces De uiteindelijke verantwoordelijkheid van de ORSA ligt op het hoogste niveau van de onderneming, doorgaans de Raad van Bestuur. Op dit niveau worden ORSA beleid en aanpak vastgesteld. Daarnaast controleert en toetst het Bestuur zowel de resultaten als de impact op de strategie, risico’s en kapitalisatie. ORSA is zowel een “horizontaal” als “verticaal” proces. Horizontaal omdat meerdere belanghebbenden en afdelingen binnen de onderneming betrokken zijn. Dit vereist een sterke proceseigenaar die de gebruikte methodes en assumpties binnen de onderneming verspreidt en valideert. ORSA biedt op dit gebied meer flexibiliteit dan de SCR berekeningen, maar assumpties moeten wel voldoende worden onderbouwd. Het beschikbaar maken van gedetailleerde documentatie voor onafhankelijke review is hierbij eveneens een belangrijke verantwoordelijkheid van de proceseigenaar. Het verticale aspect van de ORSA volgt uit de scheiding van taken tussen de groep en de entiteiten. Deze scheiding van taken vrijwaart het bestuur van de entiteiten niet van hun verantwoordelijkheden.

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

11


Eén van de belangrijkste uitdagingen voor de ORSA governance is om de betrokkenheid en eigenaarschap van het bestuur te verbeteren. Een gebrek aan goede sturing van het ORSA proces kan leiden tot een silo-achtige benadering die uitgaat van inconsistente assumpties. In veel gevallen resulteert dit in een onderschatting van de interactie tussen verschillende risico’s binnen iedere entiteit en de groep. Daarnaast zijn zowel een systematische en consistente documentatie van het ORSA proces als een goede onderbouwing van methode, assumpties en resultaten van meet af aan essentieel. De verschillende rollen ten aanzien van het ORSA proces zijn verwerkt in het ORSA proces governance overzicht (weergegeven in figuur 1). In de praktijk leidt dit tot de vorming van gespecialiseerde comités binnen het risk governance raamwerk. De keuze voor de juiste proceseigenaar die voldoende gesteund wordt door senior management, is daarbij van groot belang.

In ons onderzoek zien wij een groot verschil in de documentatie van de betrokkenheid van het bestuur. 38% van de verzekeraars is van plan om notulen te gebruiken, 38% is voornemens het ORSA rapport af te tekenen op basis van een volledige review van het rapport, terwijl 23% wil aftekenen op bais van een ‘light’ review. Slechts één verzekeraar verwacht deze informatie over te nemen uit andere rapportages. Op het gebied van de in de ORSA behandelde thema’s bestaat meer overeenstemming. Meer dan twee derde heeft de volgende thema’s in haar ORSA rapport: kapitalisatiestrategie, risico strategie, risicotolerantie, risico identificatie, risicobeoordeling (ten opzichte van risicotolerantie), risicocontrole en mitigatie, effectiviteit van risico management en governance, solvabiliteit resultaten, stress en scenario’s en ten slotte ORSA governance.

Figuur 1: Overzicht van de verschillende processtappen en rollen in het ORSA proces.

12

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

D


We waarschuwen je nu alvast voor opdringerige headhunters. Academisch toptalent Gefeliciteerd, je titel is binnen. Op naar je eerste baan. Wordt het een bank, een energiereus, een internationaal elektronicaconcern? Als jij droomt van een topbaan bij een multinational of de overheid, is er eigenlijk maar één antwoord mogelijk: Deloitte. Veel topbestuurders in Nederland hebben Deloitte als eerste werkgever op hun cv staan. En dat is niet toevallig. Bij ons werk je namelijk al vanaf dag één aan innovatieve oplossingen voor én met toonaangevende organisaties. Ondertussen investeer je zo sterk in je eigen marktwaarde dat je ook buiten onze organisatie niet lang onopgemerkt blijft. En de kans groot is dat je over een paar jaar voor diverse topfuncties benaderd wordt. Zoek jij de beste start van je carrière? Begin eerst hier: werkenbijdeloitte.nl.

DB-001-adv-regulier-basis-210x297-v1.indd 1

06-10-10 11:54


De link met strategische planning De ORSA dient continu gebruikt te worden in de strategische besluitvorming binnen de onderneming. Voor ondernemingen die gebruik maken van een intern model is dit een illustratie van de Use Test. Rapportage van de ORSA resultaten moet volledig begrepen worden door het bestuur. Dit vereist voldoende eigenaarschap van de doelstellingen van de ORSA. De planningshorizon en de grondslagen van de ORSA dienen overeen te komen met het strategisch plan. Daarnaast dienen zowel het detailniveau van de ORSA als de indicatoren voor besluitvorming en operationele controle consistent te zijn met het strategisch plan. In de praktijk wordt strategische planning in veel gevallen gebaseerd op detailniveau, indicatoren en parameters die afwijken van de risicomodellen. Denk hierbij aan benaderingen of factoren die de winsten verliesrekening en balans beïnvloeden. Zelfs bij gebruik van identieke parameters kunnen verschillen in assumpties de relevantie van de ORSA in het strategisch besluitvormingsproces ondermijnen. Een voorbeeld hiervan is het gebruik van verschillende macroeconomische uitgangspunten. Uiteindelijk is het van belang dat het strategische planningsproces zich zodanig ontwikkelt, dat de bijdrage van de ORSA wordt meegenomen. Het ontwerpen van eenduidig beheer van de assumpties maakt hier onderdeel van uit. Ongeveer twee derde van de ondernemingen in ons onderzoek stemt het opstellen van het ORSA proces af op de jaarlijkse planningscyclus terwijl slechts 15% dit aan het jaareinde doet. Het is echter mogelijk dat sommige ondernemingen hun planningscyclus ook tijdens jaareinde uitvoeren. Een derde van de verzekeraars geeft aan dat de planning nog onbekend is of nog niet is bepaald. Voor de verzekeraars in ons onderzoek is risicogebaseerde besluitvorming een belangrijk thema. 62% van de respondenten wil dit opnemen in haar rapport. De helft van de respondenten verwacht ook informatie over model governance te verwerken. Slechts 38% van de betrokken verzekeraars verwacht informatie over hun strategie en KPI’s te verwerken, terwijl minder dan een kwart verwacht om informatie over organisatorische verandering te kunnen verwerken in het ORSA rapport.

Risico- en solvabiliteitprojecties Als onderdeel van de ORSA dient een verzekeraar te beoordelen of gedurende de gehele planningshorizon kan worden voldaan aan de interne solvabiliteitsbehoefte. Hiermee laat een verzekeraar zien op middellange

14

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

termijn voldoende kapitaal te hebben om alle materiële risico’s af te kunnen dekken. Om dit te kunnen doen is het nodig om risico- en solvabiliteitsprojecties uit te voeren. Het is voor de ORSA niet nodig om methoden te gebruiken die complexer zijn dan de standaard formule, zolang het risicoprofiel van de verzekeraar hier niet om vraagt. De methoden en modellen die worden gebruikt dienen wel te voldoen aan minimale kwaliteitseisen (zoals validatiestandaarden). De datakwaliteit dient te worden beoordeeld volgens criteria’s als nauwkeurigheid, compleetheid en toepasbaarheid. De ORSA dient ter ondersteuning van het besluitvormingsproces van de onderneming. Op procesmatig gebied betekent dit dat de onderneming in staat moet zijn om de projecties tegelijk uit te voeren met andere processen, zoals strategische planning en externe rapportage. Daarnaast vraagt dit om de projectie van indicatoren waarop het Bestuur binnen de gekozen projectiehorizon invloed kan uitoefenen. Belangrijke uitdagingen op het gebied van risico- en solvabiliteitprojecties zijn een gebrek aan voldoende onderbouwde assumpties of onvoldoende datakwaliteit. Beiden kunnen de voordelen van een geavanceerde projectiemethodologie ondermijnen. Een gebrek aan samenhang, bijvoorbeeld op het gebied van volgordelijkheid of grondslagen, tussen de ORSA projecties en andere gerelateerde processen zijn een belangrijke bedreiging voor het benutten van de verwachte voordelen van het ORSA proces. Voor de methodologie van de risico- en solvabiliteitprojecties zijn meerdere benaderingen mogelijk met verschillende complexiteit. De meest complexe methoden maken gebruik van stochastische projecties en meerdere (stress)scenario’s. Het uitgangspunt is een berekening van een statistische verliesverdeling voor ieder projectiejaar in de planningshorizon, waaruit de SCR kan worden afgeleid. De meest eenvoudige methoden maken gebruik van deterministische projecties van een basisscenario, in combinatie met stress testen. De SCR wordt daarbij berekend door gebruik te maken van parametrische formules of risicofactoren.

De link met risicotolerantie Risicotolerantie is de benchmark voor de beoordeling van risico en solvabiliteit. Een doelstelling van de ORSA is om deze beoordeling te valideren met stress testen voor korte en middellange termijn, scenario’s voor niet-kwantificeerbare risico’s en het bepalen van de gevoeligheid voor risicofactoren en -correlaties. Daarbovenop behelst de ORSA processen om de continue naleving van de SCR vereisten te controleren. Hierbij moet rekening worden gehouden met veranderingen in het risicoprofiel en met crisissituaties. Dit vereist indicatoren voor belangrijke risicofactoren en limieten die zorgen dat de solvabiliteitsgrenzen niet worden overschreden.


De berekeningsfrequentie van deze indicatoren en hun verband met de berekening van de SCR en eigen vermogen voor de externe rapportage zijn van groot belang. De indicatoren dienen voldoende robuust te zijn om gebruikt te kunnen worden voor besluitvorming binnen de onderneming. Het regelmatig veranderen van modelparameters kan hierbij leiden tot ongewenste volatiliteit. Het gebruik van expert opinion is doorgaans onvermijdelijk. Er dient echter voldoende ruimte voor kritiek en tegenwerping te zijn, bijvoorbeeld om de link tussen het niveau van de stress tests en de risicotolerantie te kunnen onderbouwen. In de praktijk vraagt de link met risicotolerantie om het opzetten van een gedegen beheerstructuur van model, methodiek en assumpties. Het is daarnaast nodig om de ORSA opnieuw te kalibreren bij significante verandering in methodiek of assumpties, om zo de samenhang met marktontwikkelingen te bewaren.

Link met risicocontrole en ORSA trigger events Risicocontrole is een van de belangrijkste ondersteunende processen voor de ORSA. De ORSA is geen eenmalig of periodiek rapport, maar een continu proces. Een permanente controle benadering voor solvabiliteit is te prefereren boven een periodieke benadering. Risicomanagement dashboards zijn een belangrijke output van het jaarlijkse ORSA proces, net zoals management dashboards een output zijn van het strategisch planningsproces. De SCR en MCR berekeningen die ieder kwartaal plaatsvinden zijn eveneens een belangrijk ondersteunend proces voor de ORSA. Zoals eerder genoemd bevat de ORSA procedures om de naleving van de SCR vereisten continu te kunnen controleren, ook bij veranderingen in risicoprofiel of in crisissituaties. Dergelijke processen maken het mogelijk om alert thresholds bij te houden die er voor zorgen dat de solvabiliteit binnen gewenste limieten blijft. Bij significante afwijkingen kan een tussentijdse ORSA worden opgestart. Dit proces kent enkele belangrijke uitdagingen. Inconsistentie van de indicatoren voor de risicocontrole en de ORSA ondermijnen de alert threshold rol van de ORSA. Daarnaast zijn crises doorgaans onverwacht. Het identificeren van vooraf gedefinieerde scenario’s of te precieze thresholds is daardoor inefficiënt. Een gedegen begrip van de risicofactoren in de jaarlijkse ORSA is van groot belang in het beoordelen van de impact van een afwijking. De bekendheid van het bestuur met de ORSA als een voorspellende tool is belangrijk, maar is geen vervanging van een goede beoordeling van de situatie. Het is daarom aan te raden om de omstandigheden voor een tussentijdse ORSA te definiëren, in plaats van precieze scenario’s.

Van de verzekeraars in ons onderzoek geeft 85% aan haar reguliere ORSA jaarlijks te produceren. Slechts 10% is van plan een maandelijks rapport op te stellen. De meerderheid (69%), verwacht reguliere risico management informatie (of soortgelijke informatie) te gebruiken voor haar jaarlijkse ORSA rapport. 69% verwacht dat frequentere rapportages gebruikt zullen worden om risico en solvabiliteitsmanagement informatie te communiceren. 22% gaf aan dat dit op een maandelijkse basis zal plaatsvinden.

Conclusie Verzekeraars hanteren bij de implementatie van de ORSA verschillende benaderingen en bekijken het ORSA proces vanuit verschillende perspectieven. De uitdagingen waar zij tegenaan lopen vertonen echter sterke overeenkomsten. De belangrijkste uitdaging is om zorg te dragen voor consistentie en aansluiting tussen alle kwantitatieve en kwalitatieve processen waar het ORSA proces van afhankelijk is. Hierbij speelt de keuze voor de juiste proceseigenaar die voldoende gesteund wordt door senior management een cruciale rol. Dit maakt of breekt een succesvolle ORSA implementatie. Hoe de doelstellingen van de ORSA en de effectiviteit van de ingerichte processen in de praktijk zullen uitwerken moet in de komende anderhalf jaar blijken. Het staat in ieder geval vast dat de ORSA een veelbelovend nieuw aspect is van de regelgeving en dat een goede implementatie tot significante verbeteringen in de bedrijfsvoering kunnen leiden. Voor het zover is zullen echter nog veel belangrijke hordes moeten worden genomen.

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

15


Jij ziet overal cijfers...

…en de bijbehorende uitdagingen. Want jij ziet dingen die anderen niet zien. Juist dat maakt je zo’n uitmuntende consultant. Bij Mercer waarderen we dat. Werken bij deze internationale autoriteit in financieel-strategische dienstverlening betekent werken in de voorhoede. Terwijl jij samen met je enthousiaste collega’s financiële HR-vraagstukken meetbaar en tastbaar maakt, zorgt Mercer voor een ongeëvenaard klantenpakket én een direct toegankelijk, internationaal kenniscentrum. Ook onze ontspannen werksfeer – even informeel als inhoudelijk – is een begrip in de branche. Allemaal kenmerken die, volgens je toekomstige collega’s, van Mercer een topbedrijf maken.

Junior consultants m/v Die positie willen we graag behouden. We zijn voortdurend op zoek naar junior consultants die zowel individueel als in teamverband kunnen excelleren. Jonge, hoogopgeleide talenten met een flexibele geest, cijfermatig inzicht, kennis en gezond verstand. Menselijke professionals die, net als Mercer, niet terugdeinzen voor uitdagingen. Voldoe jij aan dit boeiende profiel? Dan vind je bij Mercer volop mogelijkheden. Kijk op www.werkenbijmercer.nl of bel 020-4313768.

IT’S TIME TO CALL MERCER Consulting. Outsourcing. Investments.

143048 Adv.A4.indd 1

29-01-2009 10:00:13


Solvency II, waar het allemaal om begon door: Drs. Pieter Bouwknegt AAG

Er is een industrie ontstaan rond Solvency II: congres-organisatoren, accountants, analisten, actuarissen zijn er maar druk mee bezig. Verzekeraars zetten grootschalige project-organisaties op, DNB heeft veel nieuwe mensen aangenomen en op Europees niveau zijn er bij EIOPA en de Europese Commissie veel mensen permanent mee aan de slag. Nieuwe begrippen hebben het licht gezien: “matching premiums”, hele en halve illiquiditeit premies, QIS, ORSA, Implementing Measures, SCR, MCR, pilaar één, twee en drie zijn zaken waarover insiders met passie kunnen spreken. Ook in deze congresbundel zult u meerdere artikelen aantreffen waarin deze woorden terug zullen keren. Maar is al die drukte de bedoeling van Solvency II? Neen. Laten we teruggaan naar de basis voor Solvency II. Het doel van Solvency II is heel duidelijk in de Richtlijn vastgelegd: bescherming van de polishouder. Daarnaast dient de Europese eenheidsmarkt te worden gestimuleerd en moet de sector concurrerend kunnen blijven in vergelijking met niet-Europese concurrenten. Maar de bescherming van de polishouder blijft het eerste en grote doel. In dit artikel zal ik bespreken in hoeverre verschillende opmerkelijke onderdelen uit Solvency II bijdragen aan de bescherming van de polishouders. Aan de ene kant doe ik dat door te bekijken welke link er tussen de betreffende bepalingen is en de bescherming van de polishouder, en aan de andere kant toets ik de werking op basis van de ervaringen uit de recente financiële crisis.

Eisen aan management In de Solvency II Richtlijn wordt benadrukt dat de (statutaire) directie van een maatschappij verantwoordelijk is, ook voor de belangen van de polishouder. Het uitbesteden van taken (denk aan beleggingsmandaten) doet daar niets aan af. Centraal staan de verzekeringsentiteiten, een bestuurder kan zich niet verschuilen achter verantwoordelijkheden voor een andere organisatorische eenheid of daden die zijn gepleegd door derden met een mandaat. Bedenk dat juridische gesproken een verzekeringsentiteit wel in gevaar kan komen, maar een organisatorische entiteit niet. De nadruk op die vergunningshoudende verzekeringsentiteit beschermt de polishouder. Gedurende de financiële crisis zijn de directies van verschillende verzekeraars zich meer bewust geworden van hun (juridische) verantwoordelijkheid. De banden met de beleggingafdelingen zijn aangehaald en de problemen

bij de (snelle) ontbinding van Fortis hebben duidelijk gemaakt dat een geïntegreerd concern uiteindelijk in een weekend te ontbinden is via de juridische entiteiten. Bij de ontbinding van ABN-Amro bleek dat daar het omgekeerde gold: de afwikkeling van een splitsing langs bestaande organisatorische lijnen verliep traag en zeer pijnlijk.

Bedrijfsinrichting In de Solvency II Richtlijn wordt aparte aandacht besteed aan de taken en verantwoordelijkheden van risico management, interne audit en interne controle, alsmede de actuariële functie. Door de verschillende rollen te benoemen wordt gepoogd om te verzorgen dat de juiste checks and balances aanwezig zijn. De tegenspraak wordt geïnstitutionaliseerd binnen het bedrijf, maar ook buiten het bedrijf (denk aan de rol van het toezicht). De tegenspraak voorkomt tunnelvisie en stelt zeker dat alle perspectieven aan de orde komen. Dit draagt bij aan bescherming van de polishouder, omdat bestuurders die slechts één doel nastreven de belangen van de polishouders zouden kunnen vergeten. Toch is gebleken dat een (formeel) goede bedrijfsinrichting geen voldoende voorwaarde is

Drs. Pieter Bouwknegt AAG Pieter is hoofd ALM & Capital Management bij Nationale – Nederlanden. Na een studie econometrie in Rotterdam voltooide hij de opleiding tot actuaris. Hij is lid van het Actuarieel Genootschap. Voor het Actuarieel Instituut en de Universiteit van Amsterdam verzorgt hij diverse cursussen. Hij is geïnteresseerd in beleggingsbeleid, risicobeheer en solvabiliteitsmanagement voor verzekeraars.

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

17


voor veiligheid. De Zwitserse bank UBS had een indrukwekkende governance met goed bezette afdelingen voor risico management en internal control. Toch ging het mis. De cumulatie van Amerikaanse hypotheekpapieren was veel te groot, doordat de nadruk te veel was gelegd op het nastreven van handelswinsten bij de investment bank. De rol van de Raad van Bestuur is naderhand bekeken en het bleek dat zij te zeer gefocust waren op dit ene

rapportage worden niet alleen de financiële verslagen (balans, resultatenrekening, etc.) gepresenteerd, maar ook een kwalitatieve omschrijving van het risicomanagement en het kapitaalbeleid. De publieke rapportage moet disciplinerend werken. Als een verzekeraar moet vertellen dat de risico en kapitaalpositie niet goed is dan zullen polishouders voor een concurrent kiezen.

Alle sociaal wenselijke uitspraken over risicobeheer werden gedaan, maar de onderliggende risico-cultuur was anders, overigens niet alleen bij Lehman. doel en geen discussie duldden. Uiteindelijk werd deze voormalige AAA-bank door de Zwitserse overheid gered.

ORSA Weinig staat in de Richtlijn geschreven over de Own Risk and Solvency Assessment (ORSA), maar des te groter is de aandacht die de ORSA krijgt in de professionele discussie rond Solvency II. De mythische proporties van de ORSA worden inmiddels teruggebracht naar een meer aards niveau, en het blijkt neer te komen op een gestructureerd proces van het in relatie brengen van risico en solvabiliteit. Het proces van risico-identificatie en management dat door de ORSA wordt geïnstitutionaliseerd draagt bij aan de zekerheid voor de polishouders. Immers, de bestuurders worden gedwongen om een serieus risicobeleid te formuleren en vast te leggen, waardoor minder ruimte ontstaat om op puur opportunistische redenen veel risico’s van één soort op de boeken te nemen. Zo een risico-uitbreiding moet gerelateerd worden aan een uitgesproken risico-appetijt, en worden vastgelegd voor het algemene publiek en de toezichthouder. Papier kan geduldig zijn. Het jaarverslag van Lehman Brothers over 2007 getuigt daarvan. Alle sociaal wenselijke uitspraken over risicobeheer werden gedaan, maar de onderliggende risicocultuur was anders, overigens niet alleen bij Lehman. Daarom moet de toezichthouder goed in de gaten hebben of de risicocultuur binnen een bedrijf wel overeenkomt met de mooie woorden voor het grote publiek. Als dat echter continu en serieus gebeurt zal de ORSA bijdragen aan een betere bescherming van de polishouder. Vanzelf gaat het echter niet.

Publieke rapportage Iedere verzekeraar zal onder Solvency II een uitgebreide publieke rapportage moeten verrichten. In deze

18

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

Al voor de financiële crisis werden banken verplicht om meer openheid te betrachten. Dit leidde tot steeds uitgebreidere jaarverslagen, met diverse gedetailleerde rapportages, maar ook moest een omschrijving van het risicomanagement worden opgenomen. Terugkijkend blijkt dat het moeilijk gebleken om bij de kwalitatieve omschrijving van de risico-organisatie openheid te betrachten en verder te komen dan de bekende cliché’s. Zo staat in het jaarverslag 2007 van Lehman Brothers te lezen: “We benefited from our senior level focus on risk management and, more importantly, from a culture of risk management at every level of the Firm.”. Woorden die hol bleken te zijn. De verwachtingen over de zegeningen van meer publieke informatie moeten beperkt zijn. Bedenk dat de Solvency II rapportages slechts voor weinigen te doorgronden zijn. In vergelijking met de huidige situatie zal de vergelijkbaarheid tussen verzekeraars toenemen en aldus een betere vergelijking mogelijk maken dan de huidige IFRS verslagen en Wft staten. Naar verwachting zullen de teksten over het risico- en kapitaalbeleid van verschillende maatschappijen op elkaar lijken, wat de zeggingskracht vermindert.

Waardering activa en passiva De balans voor Solvency II is op marktwaarde gebaseerd. De precieze uitwerking daarvan is nog onderhevig aan debat, maar het basisprincipe is in de Richtlijn vastgelegd. Voor de marktwaarde van de verzekeringsverplichtingen wordt gebruik gemaakt van “best estimate” grondslagen en een risico marge voor niet hedgebare risico’s. Afhankelijk van het type verzekering wordt de disconteringscurve verhoogd voor de veronderstelde (il-) liquiditeit van de verplichting. Als de marktprijzen de beste weergave vormen van de waarde van activa, dan leidt de marktwaarde balans tot het meest “juiste” inzicht. Deze gedachte wordt door anderen bestreden, die stellen dat de marktwaarde louter een reflectie is van de uitkomst van toevallige financiële transacties, die het onderliggende karakter van de verhandelde activa


kunnen miskennen. Maar de belangrijkste reden voor de volledige marktwaarde waardering is de consistentie en risicogevoeligheid van de gehele balans. Zo zullen de gevolgen van renteschokken direct zichtbaar worden op de balans, wat waardevolle risico-informatie geeft. Immers, het renterisico bestaat door de (niet-)samenhang van activa en passiva, en is één van de grootste risico’s van verzekeraars. De waardering op marktwaarde geeft meer inzicht in de risicopositie, en geeft een impuls aan een matchend, risicomijdend beleggingsbeleid. Daarmee is de polishouder uiteindelijk gediend. De marktwaarde van beleggingen kan in crisistijden hard dalen, zo bleek in 2008 en 2009. Bij bepaalde vastrentende papieren leken de prijzen bij het dieptepunt van de crisis nauwelijks meer in relatie te staan met de redelijkerwijs te verwachten kasstromen op die obligaties. Hypotheekgedekte obligaties die vele jaren ongeveer à pari hadden gehandeld, vertoonden waarden die vele tientallen procenten lager lagen. Toch bleek later dat voor sommige van die papieren de prijzen vóór de crisis minder reëel waren dan tijdens de crisis. De prijzen staan nog altijd onder grote druk en er lijken verliezen te moeten worden genomen op de contractuele betalingen. Een deel van de gedaalde marktprijzen tijdens de financiële crisis is toegerekend aan gebrek aan liquiditeit voor die deelmarkten. Dat verklaart de lage prijzen. Vandaar dat er gekeken is in hoeverre die gebrekkige liquiditeit ook vertaald kan worden naar de waardering van eveneens illiquide verzekeringscontracten. Het debat daarover is nog open. Het gebruik van marktwaarde voor het prudente toezicht kan een spiraalwerking veroorzaken: bij lagere koersen worden verzekeraars gedwongen om te verkopen, wat de prijzen verder verlaagt. Dit dilemma is te ondervangen door het voor de toezichthouder mogelijk te maken om onder bijzondere omstandigheden niet altijd vast te houden aan de marktprijzen. Een zodanige discretionaire bevoegdheid van het toezicht kan in slechte tijden een belangrijk veiligheidsventiel voor de gehele sector vormen.

Structuur eigen vermogen Onder Solvency II wordt het mogelijk om verschillende soorten eigen vermogen aan te houden, waarbij ook producten met een meer hybride karakter (capital securities, die een vast nominaal bedrag kennen en een rentecoupon die eventueel afhankelijk is van de beschikbaarheid van voldoende eigen vermogen) toegelaten worden. Aan de verdeling van het eigen vermogen ter dekking van de verplichte solvabiliteit worden kwantitatieve eisen gesteld. Het is interessant dat in de Richtlijn de dekking van het vereiste eigen vermogen op een mee ruimhartige wijze wordt toegestaan dan in QIS 5. Tevens is het toegestaan om een deel van het vereiste eigen vermogen te dekken met conditioneel eigen vermogen bijvoorbeeld met garanties.

In de bancaire sector is inmiddels ruime ervaring met de verschillende vormen van eigen vermogen. Aan de ene kant bleek tijdens de crisis dat de directies van banken zeer terughoudend zijn om de specifieke voorwaarden bij deze capital securities in werking te roepen. Ook in situaties waarin er juridisch de mogelijkheid bestond om de betalingen op te schorten, deed men het bij voorkeur niet. De angst regeerde dat na het niet nakomen van een betaling, de financiële markten niet meer toegankelijk zouden zijn. Uiteindelijk heeft de Europese Unie in een aantal gevallen van bancaire steun verplicht gesteld dat de houders van capital securities bijdragen in het opvangen van de verliezen.

Bedenk dat de Solvency II rapportages slechts voor weinigen te doorgronden zijn. Maar aan de andere kant is gebleken dat dit soort kapitaal in principe in staat is om verliezen op te vangen. Vandaar dat sommigen juist pleiten voor uitbreiding, zoals door obligaties die bij een crisis verplicht in eigen vermogen worden omgezet. De prijzen (in de vorm van rentespreads) die voor de crisis voor capital securities zijn betaald zijn te laag gebleken. Als er gestandaardiseerde producten ontstaan dan is het goed mogelijk dat deze tussenvorm tussen eigen en vreemd vermogen weer een plaats krijgt in het kapitaalbeheer en de beleggingsportefeuille. De prijs zal waarschijnlijk wel hoger worden dan we voor de crisis gewend waren.

SCR als 99,5% 1-jaar VaR Voor het standaard model vereist de Richtlijn dat de kapitaaleisen gebaseerd worden op een 99,5% 1-jaars value at risk (VaR). Deze risicomaat is vervolgens in QIS 5 vertaald in concrete schokken waartegen een verzekeraar bestand moet zijn. Zo wordt voor vastgoed het risico gesteld op een waardedaling van 25%, en voor sterfte risico een permanente stijging van 15% voor alle sterftekansen. De kans van 99,5% in een 1-jaar VaR houdt in dat voor een willekeurige verzekeraar de kans op faillissement in het volgende jaar op 1/200 wordt verondersteld. Voor het opstellen van een kwantitatief model zijn dat soort maatstaven vereist. In die zin dragen ze bij aan het beschermen van de polishouder, aangezien de kapitaaleisen gebaseerd worden op het werkelijke risico. Dit leidt tot een stijgende kapitaaleis voor riskantere verzekeraars, en tevens is het een stimulans voor de bestuurders om het risico beperkt te houden. De claim dat een willekeurige verzekeraar een 1/200 kans heeft om in een jaar niet aan zijn polisverplichtingen te voldoen lijkt echter niet vol te houden. Ten eerste

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

19


omdat onder extreme situaties allerlei risico’s zich voordoen die tot dan toe zich niet hadden gemanifesteerd. De ineenstorting van de prijs van de Amerikaanse markt voor hypotheken was een nieuw verschijnsel, ten dele omdat vlak voor de crisis hypothecaire leningen werden verstrekt aan klanten die daarvoor nooit die leningen hadden kunnen krijgen. Er waren dus simpelweg geen waarnemingen om de statistiek op te baseren Ten tweede hebben we geleerd dat de prijsontwikkeling op financiële markten een proces is dat zich niet houdt aan wiskundige processen, maar een eigen, veranderlijke, dynamiek kan krijgen. Bij de natuurkunde is het mogelijk een proef onder gelijke omstandigheden te herhalen, maar bij financiële markten kan dat niet. Dit kan wijzen op een lerend vermogen in financiële markten, al zullen sceptici denken aan steeds nieuwe versies van het menselijke onvermogen om risico’s goed in te schatten.

Opmerkelijk is dat er door de crisis niet veel verzekeraars ten onder zijn gegaan. De crisis heeft op pijnlijke wijze de tekortkomingen van de gebruikte VaR modellen blootgelegd. Deze waren vaak gebaseerd op korte tijdreeksen (vijf jaar), die waren gegenereerd onder gunstige economische oorzaken. Meerdere instellingen zijn in 2008 ten onder gegaan die een jaar eerder claimden over voldoende kapitaal te beschikken om een ergere schok dan 1/2000 te overleven. Het vertrouwen in de gebruikte VaR modellen heeft op sommige plaatsen het gebruik van gezond verstand in de weg gestaan, zoals bij de hypothecaire leningen aan Amerikaanse huishoudens zonder inkomen, baan of vermogen. De complexe wiskunde achter de modellen, alsmede de intimiderend zware IT achter alle modellen heeft waarschijnlijk het geloof in de VaR modellen onbedoeld gestimuleerd.

Interne modellen Solvency II biedt de mogelijkheid om de risicometing uit te voeren met een intern model. Dat houdt in dat een verzekeraar een alternatief model kan gebruiken om de vereiste solvabiliteit te berekenen. De vereiste solvabiliteit zal dan afwijken van hetgeen met het standaard model (denk aan QIS 5) wordt berekend. Om met een intern model te mogen werken is toestemming van de toezichthouder nodig, en er gelden uitgebreide documentatie-eisen. Het gebruik van interne modellen wordt gestimuleerd vanuit het idee dat verzekeraars hun eigen portefeuille het beste kennen. Vandaar dat ze ook zelf het beste in

20

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

staat worden geacht om modellen te ontwikkelen voor die eigen portefeuille. Op die wijze dragen interne modellen bij aan bescherming van de polishouders. De financiële crisis is niet veroorzaakt door modellen maar door gedrag. Het is echter ook niet gebleken dat interne modellen beter hebben gefunctioneerd dan

… dat de prijsontwikkeling op financiële markten een proces is dat zich niet houdt aan wiskundige processen… standaard modellen. De gevaren van de portefeuilles met Amerikaanse hypothecair leningen zijn zowel door standaard modellen als door interne modellen niet (of te laat) onderkend. Er waren wiskundig zeer geavanceerde modellen in omloop die de gevaren van deze beleggingsklasse niet onderkenden, bijvoorbeeld door het gebruik van historische correlaties die waren gebaseerd op hypotheekverstrekking met strengere eisen.

Solvency II, te vroeg geboren? Het fundament van Solvency II is gelegd vóór de financiële crisis, en de ervaringen uit de crisis kunnen slechts gedeeltelijk worden gebruikt om het bouwwerk aan te passen. Opmerkelijk is dat er door de crisis niet veel verzekeraars ten onder zijn gegaan. Maar dit kan ook worden uitgelegd dat het huidige Solvency I regime dus niet in staat is om de werkelijke risico’s te onderkennen, waardoor de problemen later (en pijnlijker) naar boven zullen komen. In bovenstaande bijdrage heb ik gepoogd om voor een aantal opvallende Solvency II verschijnselen aan te geven in hoeverre ze dienstig zijn aan het ene grote doel van Solvency II: bescherming van de polishouder. Het blijkt dat ze in het algemeen een bijdrage leveren aan meer zekerheid voor de polishouder, al zijn ze stuk voor stuk maar een onderdeel van de oplossing. Uiteindelijk is een verantwoord gedrag van de bestuurders de beste veiligheid voor de polishouder. Deze conclusie is ook gebaseerd op de financiële crisis, waarbij zichtbaar werd dat bedrijfsmodellen die op risicogebied de rand van de afgrond opzochten niet houdbaar bleken.

Referenties undefined. (16 februari, 2008). In Lehman Brothers yr 2007 Annual Report. bezocht 27 juli 2011, from http://fclass.vaniercollege.qc.ca/~laroccag/ FOV1-00043009/FOV1-00051364/Lehman%20 Brothers%20yr%202007%20Annual%20Report.pdf? FCItemID=S002288FE&Plugin=Loft.


‘Stel je voor…

jouw financiële werk raakt het leven van 4,5 miljoen mensen’ Hein Leenders, actuaris bij APG in Heerlen

      PG  regelt de pensioenen van APG zoekt financieel     ‘A   4,5  miljoen   mensen.    jonge     specialisten  Wat ik hier boeiend vind? De vele raakvlakken van voor verschillende functies.      het werk  met    Dan  moet   aan  de  actualiteit. je  denken     dehuidige               beheert   zo’n  273   euro  pensioenvermogen.  dynamiek van de financiële markten en APG miljard     dereactie  daarop  de politiek.   Dat  echt  hebben    in   van zet ons op  Wij kantoren Heerlen, Amsterdam,     scherp.                              Ook de vergrijzing en de discussie over de Hong Kong en New York.Wil je meer weten? 

25.1402.11.1

verhoging van de AOW-leeftijd hebben direct invloed op wat wij doen.Die afwisseling zou ik echt geen dag willen missen.’

Stel je voor…

www.werkenbijapg.nl


Statistische methoden in het Risk Management proces Hoe zorg ik voor Solvency II Managementinformatie die goed én snel op te leveren is? door: Drs. Bas van de Pas AAG, prof. dr. Jacques de Swart AAG en

drs. Rian de Jonge AAG

Om de organisatie vanuit Solvency II perspectief te sturen neemt de complexiteit van de benodigde analyses toe. Hierdoor ontstaan problemen bij de periodieke managementinformatie, omdat de focus van managementinformatie verschuift. Waar tot nu toe primair de focus lag bij de financiële realisaties, worden risico meetwaarden daarin van groter belang. Daarbij moeten deze financiële realisaties en risico meetwaarden gerelateerd worden aan de gestelde risicolimieten, performance targets en het vereist kapitaal. Deze verschuiving betekent dat de doorlooptijd van en benodigde capaciteit voor het opstellen van rapportage met managementinformatie toeneemt, als gevolg van de complexere en tijdrovende onderliggende analyses. Dit laatste betreft voornamelijk de berekening van het vereist kapitaal. Om de problemen op te lossen kan gekeken worden naar optimalisatie van processen, naar systemen en

Drs. Bas van de Pas AAG Bas is sinds 2010 één van de partners van Pensions, Actuarial en Insurance Services (PAIS). Dit is de actuariële adviesgroep binnen PwC. Hij heeft meer dan 16 jaar ervaring in de verzekeringswereld. Bas heeft zich gespecialiseerd in risicomanagement en waardesturing. Zijn opdrachten liggen veelal op het gebied van economische kapitaal modellen, risicomanagement, ALM, kapitaal management, replicating portfolios, EEV en EC review activiteiten, Solvency II, actuariële appraisals en M&A.

22

AENORM

programmacode, of naar aanpassingen in afsluitdatums en planningen. Dergelijke oplossingen kunnen zeker bijdragen aan de oplossing. Wanneer echter de frequentie van rapporteren verder toeneemt of bij incidenten zeer snel ingegrepen moet kunnen worden, zijn deze middelen niet altijd genoeg om de gewenste snelheid te bereiken. In dit artikel kijken we dan ook vooral naar de mogelijkheden om door de toepassing van statistische schattingstechnieken de tussentijdse berekeningen van het benodigd kapitaal te versnellen. Actuarissen en Risk Managers binnen verzekeraars zijn druk doende om ervoor te zorgen dat zij op tijd voldoen aan alle Solvency II vereisten. In het verleden is daarbij de nadruk gelegd op het kunnen uitvoeren van de Pillar 1 berekeningen voor deelname aan de Quantitative Impact Studies. Daarnaast zijn een aantal (grote) verzekeraars inmiddels bezig met het ontwikkelen en valideren van een Intern Model. In dat kader denken zij ook na over de Use Test die verbonden is aan de implementatie van het Intern Model.

Prof. dr. Jacques de Swart AAG

Drs. Rian de Jonge AAG

Jacques is als director verantwoordelijk voor de adviesgroep Quantitative Analysis binnen PwC. Deze adviesgroep van econometristen en wiskundigen richt zich op het transparant maken en vernieuwen van wiskunde in toepassingen binnen het bedrijfsleven. Jacques is tevens als hoogleraar Toegepaste Wiskunde verbonden aan de Nyenrode Business Universiteit. Zijn projecten variëren van Basel III tot Solvency II tot Activity Based Costing en Lean Six Sigma.

Rian is sinds 2008 werkzaam als adviseur binnen de actuariële adviesgroep Quantitative Analysis. Hij heeft ruim 11 jaar ervaring in de verzekeringswereld. Rian heeft zich gespecialiseerd in risicomanagement, verslaglegging en de daarbij horende processen. Zijn focus ligt bij Inkomens-, Zorg- en Schadeverzekeringen. Zijn recente projecten variëren van audits, tot M&A en waarderingen, tot verscheidene terreinen van Solvency II implementatie en tot maatschappelijke vraagstukken rondom Zorg en Inkomen.

SPECIAL

Augustus 2011


Use Test

De Use Test is gebaseerd op het principe “If an undertaking does not trust its model sufficiently to use it, why should the supervisory authority?”. Dit betekent dat een Intern Model alleen gebruikt mag worden voor de bepaling van het vereist kapitaal, indien dat model: • uitkomsten genereert die worden gebruikt in besluitvorming; • is geborgd door adequate governance; • een essentiële rol speelt in risicomanagement; • altijd een correcte weergave geeft van het risicoprofiel en dus voortdurend wordt verbeterd.

ORSA:

ORSA is de Own Risk and Solvency Assessment. Het belangrijkste doel van de ORSA is om ervoor te zorgen dat verzekeraars zich actief bezig houden met het proces om alle risico’s te beoordelen die inherent zijn aan de activiteiten en om een eigen visie te ontwikkelen op de hoogte van het benodigd kapitaal, naast de Pillar 1 berekening. Kader 1: Use test en ORSA

Tegelijkertijd wordt steeds meer bekend over de contouren van Pillar 2: Governance en Pillar 3: External Reporting. Binnen Pillar 2 geven toezichthouder en verzekeraars nu bijvoorbeeld veel aandacht aan het opzetten van de Own Risk and Solvency Assessment (ORSA).

Rapportages voor managementinformatie onder Solvency II omvatten meer complexe elementen Op grond van met name de vereisten op het gebied van de Use Test en ORSA (zie kader 1 voor achtergrond bij deze begrippen) wordt van een verzekeraar verwacht dat er intern voldoende informatie beschikbaar komt om de organisatie te sturen op basis van rendement in relatie tot het risico dat gelopen wordt, waarbij waardering volgens marktwaarde principes als uitgangspunt geldt. De informatie moet zowel periodiek beschikbaar zijn, als ook incidenteel op het moment wanneer bepaalde gebeurtenissen zich voordoen,

die mogelijk een materiële impact hebben op de verzekeraar. De meeste verzekeraars rapporteren intern in enige vorm al over dit soort zaken. Voor veel partijen geldt echter dat de focus daarbij ligt op financiële realisaties. In mindere mate komen risico- en kapitaal-georiënteerde aspecten daarbij naar voren. Vanuit de Use Test is het essentieel dat de uitkomsten van het kapitaalmodel tussentijds beschikbaar zijn voor besluitvorming. De kapitaalberekening en de kapitaalsverdeling wordt daarmee onderdeel van de periodieke informatie. Vanuit de ORSA worden daar nog een aantal elementen aan toegevoegd. Wanneer niet alleen de vereiste elementen uit de ORSA worden opgepakt, maar de verzekeraar een stap verder gaat door kapitaalmanagement en waardesturing actief op te pakken, neemt de hoeveelheid complexe informatie nog verder toe (zie kader 2). Met name voor de rapportage onderdelen die gekoppeld zijn aan de berekening van het benodigd kapitaal geldt dat deze het resultaat zijn van een complex en omvangrijk model.

Kader 2 Illustratie periodieke informatie

Hieronder geven wij ter illustratie een aantal zaken weer die onderdeel uit kunnen maken van de periodieke interne informatie die samenhangt met Solvency II, kapitaalmanagement en waardesturing. Dit overzicht bevat zowel kwantitatieve, als ook kwalitatieve onderdelen: • • • • • • • • •

Key Performance Indicators en Key Risk Indicators in relatie tot de gestelde limieten; Value drivers in relatie tot de daarbij horende risico’s; De tijdens de periodiek doorlopen risicomanagement cycle geïdentificeerde risico’s (current en emerging) - met soort, kans, impact en ranking; - met effectiviteit vs. kosten van de uitgevoerde risico mitigatie activiteiten; - met input voor wijzigingen in de risico mitigatie activiteiten; - in relatie tot de opzet en uitkomsten van het standaard (en intern) model; Marktwaarde W&V - in relatie tot benodigd kapitaal: economisch rendement op economisch kapitaal (RAROC); - met verdeling naar bronnen in relatie tot de onderliggende risico’s en de kapitaalverdeling; Benodigd kapitaal, onderverdeeld naar risicosoorten, bedrijfsonderdelen/ producten en wellicht jaarlagen; Aanwezig kapitaal, onderverdeeld naar Tiers, en de aanwezige kapitaalruimte; Wijzigingen in (mis-)match tussen assets en liabilities in relatie tot de limieten; Wijzigingen in verwachte huidige en toekomstige liquiditeit; Wijzigingen in de verwachte verdeelbare winsten; AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

23


Of weet jij een betere plek voor het echte werk? www.werkenbijpwc.nl

Š 2011 PricewaterhouseCoopers B.V. (KvK 3412089) Alle rechten voorbehouden.

4694-18 PwC RC Adv. Echte werk A4 Actuariaatcongres.indd 1

5/19/11 1:17:14 PM


PM

De gevolgen van het betrekken van kapitaalsberekeningen in managementinformatie rapportages Zoals aangegeven geldt voor de berekening van het benodigd kapitaal dat deze plaatsvindt met behulp van een complex en omvangrijk model. Het model omvat meerdere risicomodules die apart berekend worden voor verschillende soorten risico’s en verschillende juridische entiteiten. Deze modellen zijn veelal afhankelijk van uitgebreide databestanden. In de praktijk komt het vaak voor dat deze data ontsloten moet worden uit een combinatie van oude (legacy) en nieuwe systemen. Daarbij zijn vaak een aantal bewerkingsstappen nodig tussen bronsysteem en inputbestand. In veel gevallen betreft het dan ook nog handmatige stappen. Ook blijkt er een behoorlijke inspanning nodig te zijn om de data aan te sluiten met andere systemen om inzicht te krijgen in de juistheid en volledigheid van het databestand. Voor een groot aantal risico’s volgt het benodigd deelkapitaal uit een serie stochastische runs in een cash flow projectiemodel met tientallen projectieperioden naar de toekomst toe. Wanneer het model gebruikt wordt voor producten waarin opties en/of garanties zijn opgenomen kan het zelfs leiden tot een serie stochastische projecties die uitgevoerd moet worden voor elke projectieperiode in een stochastische run. De doorlooptijd van dergelijke modellen is omvangrijk, ook wanneer de genoemde stochastiekin-stochastiek methodiek niet wordt toegepast. Ook in dit proces geldt voor het runnen van het model en voor het opstellen van de rapportages van de uitkomsten dat er veel handmatige stappen nodig zijn. De kapitaalsberekeningen kosten dus een behoorlijke doorlooptijd. Het opnemen van de resultaten van deze modellen in de managementinformatie rapportages heeft dan ook een negatief effect op de tijdigheid ervan en de benodigde capaciteit/ kosten om tot deze rapportage te komen.

Er is een afweging nodig tussen benodigde kwaliteit, doorlooptijd en kosten De informatie over rendement, risico en kapitaal is, zoals hierboven aangegeven, vanuit de Solvency II vereisten de basis om de verzekeraar te sturen. Een aantal aspecten zijn echter essentieel om de informatie ook daadwerkelijk effectief te kunnen gebruiken in de besluitvorming binnen een verzekeraar: • de informatie moet op voldoende detailniveau beschikbaar zijn, om concrete besluitvorming op bijvoorbeeld productniveau vorm te kunnen geven (toepasbaarheid);

• de informatie moet voldoende recent zijn om een goed beeld te geven van de huidige situatie en op tijd beschikbaar zijn om tijdig de besluitvorming te kunnen doen (tijdigheid); • de gepresenteerde informatie moet overzichtelijk zijn en dus niet teveel uitkomsten bevatten en niet onnodig complex zijn, maar wel volledig en van voldoende kwaliteit zijn om besluitvorming op te kunnen baseren (juistheid en volledigheid); • de tijd en capaciteit die nodig is om de informatie op te leveren moet beperkt zijn, om enerzijds de tijdigheid te borgen en anderzijds de benodigde kosten te beperken (tijd- en kostenefficiëntie). Bij het opzetten van de processen om de benodigde informatie beschikbaar te maken ontstaat een afweging tussen de benodigde kwaliteit, de benodigde kosten en de benodigde doorlooptijd. Deze drie aspecten samen staan ook wel bekend als de ‘devil’s triangle’, zoals terug te zien is in figuur 1. Zoals hierboven duidelijk is geworden, leidt de soort van uitbreidingen die nodig zijn voor managementinformatie volgens Solvency II tot problemen met de tijdigheid van de resultaten en de tijd- en kostenefficiëntie van de uitvoering. Figuur 1: Devil’s triangle

De drie grootheden in de devil’s triangle kun je niet tegelijkertijd maximaliseren. Je moet altijd een afweging maken tussen de grootheden, want wanneer je één grootheid maximaliseert minimaliseer je de andere twee. Dit komt tot uiting in de driehoekweergave, waar je een mix kiest tussen de grootheden: de hoek linksonder bijvoorbeeld is 100% tijdoptimaal, maar 0% kosten- en kwaliteitoptimaal. Dit betekent dat je probeert zo snel mogelijk te zijn en daardoor inboet aan kwaliteit en kostenefficiëntie. Snelheid kost immers dure technologie en/ of veel resources, maar betekent ook dat er onvoldoende tijd en aandacht beschikbaar is om te zorgen voor hoge kwaliteit in de oplevering.

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

25


De doorlooptijd of kostenefficiëntie van de rapportages kan verbeterd worden Er zijn een aantal mogelijkheden om het probleem van lange doorlooptijden op te lossen. In de praktijk wordt vaak gezocht naar optimalisatie van het proces. Daar zijn een aantal mogelijkheden voor. Een paar voorbeelden zijn: • verdere automatisering, zodat tijdrovende handmatige handelingen komen te vervallen; • aanpassing van de IT-structuur om runtijden te verkorten; • besluitvorming (gedeeltelijk) baseren op oudere informatie, bijvoorbeeld die van een maand eerder; • het inzetten van meer mensen om doorlooptijden te verkorten; Een oplossing die dicht tegen het aanpassen van de systemen aan ligt is het optimaliseren van de gebruikte programmatuur: code optimalisatie. Veel programmatuur die wordt gebruikt voor bijvoorbeeld kapitaalsberekeningen betreft modellering in een enduser omgeving door actuarissen en econometristen. In de ontwikkeling ligt de nadruk daarbij vaak vooral op de juistheid van de modellen. Daarbij komt dat deze veelal ontwikkeld zijn door mensen die weliswaar veel affiniteit hebben met programmeren, maar geen professionele programmeurs zijn. Dit kan betekenen dat er mogelijkheden zijn om de broncode te optimaliseren en op die wijze de runtijden, soms aanzienlijk, te verkorten. Dit soort oplossingen kunnen zeker een bijdrage hebben aan het versnellen van het proces. Echter lang niet in alle gevallen leidt dit tot een oplossing die vanuit doorlooptijd, kosten en kwaliteit de beste oplossing is. In dit artikel kijken we naar andersoortige oplossingen, die eveneens kunnen bijdragen aan het versnellen van het managementinformatie proces. In plaats van een wijziging in het proces, kan er ook gekozen worden om het onderliggende model te veranderen. Dit kan door voor de tussentijdse managementinformatie het benodigd kapitaal niet te berekenen met behulp van het volledige en complexe model, maar een eenvoudigere model te hanteren. Een alternatief is de werking van het complexe model aan te passen, waardoor minder berekeningen nodig zijn. Bij beide oplossingen is van belang dat de uitkomsten van de alternatieve modellen van voldoende kwaliteit blijven om adequate besluitvorming mogelijk te maken. Dit betekent dat de schattingen zorgvuldig gemaakt moeten worden.

De werking van de modellen verbeteren De technieken die hiervoor gebruikt worden zijn erop gericht de variantie van de stochastische uitkomsten te reduceren, zodat ofwel robuustere resultaten ontstaan

26

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

bij hetzelfde aantal simulaties, ofwel even robuuste uitkomsten gegenereerd kunnen worden met minder simulaties en dus in minder tijd. Om dit te kunnen bereiken zijn verschillende methoden mogelijk. Wij beperken ons in dit artikel tot een korte beschrijving van enkele belangrijke methoden als illustratie. De methode die het meest bekend is en al gebruikt wordt, is gestratificeerd simuleren. Dit is niets anders dan het construeren van een set representatieve modelpoints. Doordat niet de hele portefeuille wordt betrokken bij de simulatie, maar slechts een (representatief!) deel wordt de doorlooptijd beperkt. Bij teveel verschillende soorten individuele waarden werkt deze methode niet zo goed. Gebruik van antithetische variaten voor variantie reductie is gebaseerd op het eenvoudige principe dat de variantie van een schatter kleiner wordt wanneer de onderliggende variabelen negatief gecorreleerd zijn. Dus wanneer we niet alleen de uitkomst die volgt uit de random trekking {x1, .., xN} meenemen, maar ook de uitkomst die resulteert op basis van de antithetische waarden {-x1, .., -xN} verlagen we de variantie in de uitkomsten en hebben we dus gelijke kwaliteit in de schatting bij een kleiner aantal simulaties.

De kapitaalberekeningen kosten dus een behoorlijke doorlooptijd. Een alternatieve methode is gebruik maken van zogenaamde control variates om de variantie van de uitkomsten en daarmee het benodigde aantal simulaties te verkleinen. De basisgedachte achter control variates is het feit dat je kennis van bekende, gecorreleerde grootheden gebruikt om de schatting van onbekende variabelen te verbeteren. Dit werkt het beste wanneer beide grootheden zo hoog mogelijk positief of negatief gecorreleerd zijn. In het berekening is een correctiefactor nodig, waarvan de optimale waarde eenvoudig afgeleid kan worden uit de berekeningen. In de praktijk worden als control variates vaak financiële instrumenten gebruikt waarvan de prijs middels closed form oplossing kan worden vastgesteld en die tegelijkertijd zo sterk mogelijk gecorreleerd zijn met de verzekeringstechnische verplichtingen. Hiertoe dient men eerst per scenario het verschil vast te stellen tussen de marktwaarde van de control variate en de waarde ervan onder de verschillende scenarios. Vervolgens kan deze informatie gebruikt worden bij de waardering van de (gecorreleerde) verplichtingen. Hierdoor resulteert een schatter die een kleinere schattingsfout heeft of – gegeven een acceptabele schattingsfout- kan men toe met minder scenarios. Besparingen in looptijden kunnen oplopen tot boven de 95 %.


Een andere methode waarvan bekend is dat bij een aantal soorten problemen de convergentie van de uitkomsten sneller bereikt kan worden is Quasi Monte Carlo simulatie. Deze methodiek gebruikt de waarden uit een zogenaamde low discrepancy reeks in plaats van de bij gewone Monte Carlo simulatie gebruikte pseudorandom trekkingen. In tegenstelling tot de pseude-random trekkingen binnen de kansverdeling, worden de waarden in een dergelijke reeks zo geconstrueerd dat deze de kansruimte zo goed mogelijk opvullen. Er ontstaat dan ook een ordelijke structuur over het kansinterval, waardoor er minder overlap tussen de gebruikte waarden ontstaat. Dit versnelt de convergentie van de simulatie. Om

De modellen vervangen door alternatieve modellen Er zijn ook methoden die er niet op gericht zijn om simulaties met minder berekeningsstappen te kunnen doorlopen. Deze zijn in meer gevallen inzetbaar, omdat ze uitgaan van de uitkomst van de berekening en niet van een onderliggend simulatiemodel. Het doel van de methoden is om de mogelijke uitkomsten van de berekeningen zo goed mogelijk te schatten in relatie tot een aantal inputgegevens, zo mogelijk in een closed form formule. Dit betekent dat de modellen voor in ieder geval de managementinformatie als alternatief worden gebruikt voor de basismodellen.

In wezen is curve fitting vergelijkbaar aan het gebruik van replicating portfolios alleen is de vorm van de replicerende instrumenten volledig vrij. deze techniek toe te kunnen passen moet de random generator dus vervangen worden door een algoritme dat voor het gegeven aantal simulaties een dergelijke reeks genereert. Een andere methode die verder afstaat van de veel gebruikte Monte Carlo simulaties is het toepassen van transformaties om het aantal berekeningen te beperken. Zo kan door middel van Fourier transformatie in combinatie met versnellingsalgoritmes die bekend zijn voor het uitvoeren van Fourier transformaties het optellen van kansverdelingen sneller worden uitgevoerd. Wanneer op individueel niveau de kansverdelingen zijn gemaakt, kost het minder tijd om dit te vertalen naar een kansverdeling op collectief of portefeuille niveau. Volledigheidshalve merken wij overigens op dat deze laatste methode geen schattingsmethode is, maar een exacte berekeningsmethode. Deze methodieken hebben als voordeel dat ze dicht bij het basismodel blijven. Dat betekent dat het model dat in de besluitvorming wordt gebruikt ook daadwerkelijk hetzelfde model is, als dat wordt gebruikt voor de jaarlijkse bepaling van het benodigd kapitaal. Het is daarmee eenvoudiger aan te tonen dat voldaan wordt aan de Use Test vereisten. Een nadeel van deze methoden is dat (nog) niet precies bekend is hoe een statistisch verantwoorde bovengrens afgeleid kan worden voor de fout die wordt gemaakt door het reduceren van de runtijd. Een ander nadeel is dat de tijdswinst niet altijd voldoende is – zeker niet wanneer er sprake is van een projectie van marktwaarde balansen. In de basis verandert er immers zeer weinig aan het model en daarmee aan het onderliggende proces. Om echt winst te behalen is bij gebruik van deze methoden dan ook een combinatie nodig met proces verbeterende activiteiten.

Een veel voorkomend voorbeeld van dit soort methoden is gebruik van de duration van een serie cash flows om de effecten van een (kleine en lineaire!) wijziging van de rente op de contante waarde te schatten. Zoals bekend zijn er veel nadelen aan deze benadering bij grotere en niet lineaire verschuivingen van de rentecurve. Het is echter een goed voorbeeld van dit principe. Complexere varianten zijn Replicating Portfolio’s en Curve Fitting. Bij replicating portfolio’s wordt de waarde van een portefeuille verzekeringsverplichtingen zo goed mogelijk benaderd met een portfolio van financiële instrumenten. Dit kan op drie manieren: • Construeer een portefeuille van financiële instrumenten waarvan de cash flows zo exact mogelijk passen bij de cash flows van de portefeuille verzekeringsverplichtingen, in verschillende scenario’s en rekening houdend met de bijbehorende risico’s; • Construeer een portefeuille van financiële instrumenten waarvan de contante waarde zo exact mogelijk gelijkt op die van de portefeuille verzekeringsverplichtingen in verschillende (economische) scenario’s. • Construeer een portefeuille van financiële instrumenten waarvan de marktwaarde en de marktgevoeligheid zo exact mogelijk gelijken op die van de portefeuille verzekeringsverplichtingen in verschillende (economische) scenario’s. De gedachte daarachter is dat van een dergelijke replicerende portefeuille de marktwaarde van elk van deze instrumenten ofwel eenvoudig afgelezen kan worden in de markt, ofwel eenvoudig berekend kan worden aan de hand van onderliggende marktparameters. Dit betekent dan dat de actuele marktwaarde van de

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

27


portefeuille verzekeringsverplichtingen opgebouwd kan worden uit de actuele waarden van de set financiële instrumenten die als benadering daarvan is samengesteld. De vervangende portfolio zorgt er op deze manier voor dat portefeuille verzekeringsverplichtingen sneller zowel te herwaarderen, als ook te projecteren is. Replicating portfolio’s kunnen overigens ook als control variate worden toegepast. Bij curve fitting wordt met behulp van een wiskundige functie een relatie gelegd tussen uitkomsten van volledige runs van de modellen en de onderliggende drivers van de uitkomsten. In wezen is dit vergelijkbaar aan het gebruik van replicating portfolios alleen is de vorm van de replicerende instrumenten volledig vrij. De wiskundige schattingsformule die zo ontstaat, kan gebruikt worden om de kansverdeling (en daarmee het benodigd kapitaal) direct vanuit de gewijzigde onderliggende uitgangspunten te benaderen. Een belangrijk aandachtspunt van deze methodes is dat zeer goed geanalyseerd moet worden onder welke voorwaarden en in welke situaties de gemaakte schatting nog voldoet. Net zoals bij de ORSA moet er dan beleid gemaakt worden over ‘triggers’ die het nodig maken een nieuwe replicerende portefeuille of een nieuwe wiskundige schattingsformule op te stellen om de kwaliteit van de tussentijdse berekeningen te waarborgen. Anders loopt de organisatie het risico besluiten te baseren op verkeerde informatie. Gebruik van deze alternatieve modellen voor de besluitvorming betekent dat er een extra stap nodig is om te komen tot het gebruikte benodigde kapitaal. Dit heeft twee nadelen: • De extra stap betekent dat op een indirecte wijze aan de Use Test vereisten wordt voldaan. In geval van gebruik van Interne Modellen betekent dit dat ook die stap gevalideerd moet worden en goedgekeurd moet worden door de toezichthouder, wat zware eisen ten aanzien van de kwaliteit en onderbouwing van die schatting zal stellen. • Daarnaast wordt er door de alternatieve aanpak extra schattingsonzekerheid in het model geïntroduceerd, waarvan aangetoond moet worden dat de eind uitkomsten van voldoende kwaliteit zijn. Hier zou echter wel tegenin gebracht kunnen worden dat momenteel veel verzekeraars noodgedwongen met eigenlijk te weinig scenario’s werken om statistische relevante uitkomsten te genereren. De vraag is dan of alternatieve technieken niet altijd tot betere uitkomsten leiden!

28

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

Conclusie Om risicomanagement volgens de Solvency II normen in te richten, krijgen verzekeraars te maken met een uitdagende behoefte aan risicogeoriënteerde managementinformatie. Met name de snelheid en frequentie waarmee informatie over het benodigd kapitaal en de bijbehorende risicodrivers beschikbaar moet zijn, zorgt voor een spanningsveld tussen de nu benodigde tijd en capaciteit, de kosten en de kwaliteit van de benodigde informatie uit het kapitaalsmodel. De huidige doorlooptijd van veel van die modellen is te lang om werkbaar te zijn. Het proces kan verbeterd worden door bijvoorbeeld het wegwerken van handmatige elementen en het verbeteren van de onderliggende IT-systemen. Dit soort inspanningen leiden echter slechts tot een beperkte winst, die niet altijd voldoende is om de risicogeoriënteerde managementinformatie adequaat op te kunnen leveren. Om die reden hebben we ons in dit stuk gericht op het veranderen van de modellen zelf, zoals bijvoorbeeld gedaan kan worden met behulp van control variates, low discrepancy reeksen, replicating portfolio’s en curve fitting. Dergelijke aanpassingen kunnen een blijvende en forse besparing van de benodigde tijd betekenen, maar zijn niet zonder risico’s. Er wordt immers een nieuw schattingselement geïntroduceerd, waarvan de verzekeraar voldoende kennis moet hebben om de kwaliteit ervan in verschillende situaties te kunnen beoordelen en aantonen.


Solvency II, sealed with a QIS door: Drs. Hans Heintz

New European legislation will be established for the capital adequacy of insurance companies. The framework is known as Solvency II (SII). Before SII comes into effect, its impact is analyzed via impact studies. Most recently, a fifth study (QIS5) was executed. This article summarizes its results.

Solvency II

Quantitative Impact Studies (QIS)

The European Union aims at facilitating the development of a single insurance market, whilst at the same time securing an adequate level of consumer protection. To harmonize the current patchwork of regulatory requirements across the EU, SII will be established. SII refers to regulatory requirements for insurance firms in the European Union. It will come into effect on 1 January 2013. The SII framework is risk based. It uses the mark to market value of assets and liabilities. Under SII, insurance companies are allowed to use internal models to determine their solvency capital requirements (SCR). The SCR is the capital required to ensure that the (re)insurance company will be able to meet its obligations over the next 12 months with a probability of at least 99.5% (1 in 200 year). The appropriate stress level is, if allowed by the supervisor, determined by internal models. Else, pre-defined standard models must be applied. In addition to the SCR a Minimum Capital Requirement (MCR) must be calculated which represents the minimum level of capital the breach of which results in supervisory action.

EIOPA1 is an independent advisory body to the European Union. As such it consults the insurance industry and, partly based on the outcomes, it provides advice on the introduction of SII. EIOPA2 was requested to provide insight into the quantitative impact of SII through a series of quantitative impact studies (QIS) of which the first in 2005. In Q4-2010, the fifth study was launched. To have consistent feedback, technical specifications for the calculations were issued at the start. EIOPA published a report on the QIS5 results in March 2011.

Drs. Hans Heintz Hans joined ING Barings in 1995 to work within Market Risk (Basel I). In 2000, Hans joined Deutsche Bank Corporate Finance. In 2006 Hans moved back to ING, to set up a model validation department for all internal risk models (credit, market, insurance). In 2008, Hans together with 3 partners, established RiskQuest, an Amsterdam based consultancy firm specialised in risk models for the financial sector.

30

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

QIS5 QIS5 is the last comprehensive exercise prior to the implementation of the legislation. The short period until implementation of SII does not allow for large changes to the system. Fine-tuning however may still be applied. The QIS analysis is essential to ensure that SII is designed most appropriately. Specific areas of interest for QIS5 were: • • • • •

Design and valuation of the system, Calibration and impact in terms of capital, Feasibility and complexity of the new legislation, Preparedness, i.e. how much work is there to be done, Transition, i.e. what transitional measures need to be taken.

3,680 of the 4,573 European (re)insurers (or 77%) will be affected by SII. In total 2,520 (re)insurers (68%) have participated in QIS5 (results in table 1 on the next page).

1. European Insurance and Occupational Pensions Authority 2. Formerly known as CEIOPS


Total in Europe

Affected by SII

QIS5 participants

888

799

610

2,681

1,879

1,284

Reinsurance

203

182

111

Captive

393

353

175

Composite

588

467

335

Life Non-life

Table 1. QIS5 level of participation

For the Netherlands, 206 out of the 246 insurers in scope of SII participated in QIS5. The Dutch participation level (83%) exceeds the European level (68%).

Key QIS5 Results Overall financial impact The capital requirement, SCR, using the standard formula totaled more than € 1,300 billion. Despite the recent financial crisis, the capital buffer indicates a comfortable surplus. Own funds in excess of the regulatory capital requirements are about € 400 billion. This surplus is about € 60 billion less than under the prevailing SI regime. It may be an indication of more efficient use of capital under SII.

For the Dutch participants, the surplus amounts to € 17 billion under SII (versus currently € 25 billion). About 15% of all participants did not have a surplus. This would cause regulatory action under SII. The Dutch participants with a shortage, have a gap of approximately € 0.9 billion. For solo companies, differences between internal models and the standard formula, were modest. For insurance groups the SCR based on internal model amounts to about 80% of that based on the standard model. This may be a reflection of diversification. The main drivers of SCR are market and non-life underwriting risk. Figure 1 below provides the model weights3 for the various risk categories (market risk in dark grey). On average, market risk amounts to 60% of SCR while non-life underwriting risk amounts to almost 13% of SCR. This is also true for the Dutch QIS5 participants. For health and general insurance4, the market risk weight is lower, i.e. about 20% and 40% respectively. For both segments insurance risk represents the largest component of SCR with weights of about 60% (health) and 80% (general insurance). Design and valuation of the system QIS5 (including participant comments) indicates that SII receives broad support. However, consistency and comparability need to be enhanced, e.g. in the field of valuation of technical provisions, including the application of an illiquidity premium.

Figure 1. Weight in SCR (all QIS 5 participants)

3. QIS5 also applied a more advanced method to re-allocate diversification benefits to the individual risk categories. 4. Health is defined as “receiving 80% of contributions from health insurance”. Note that general insurance may also include health.

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

31


We like calculated risks! RiskQuest is een Nederlands advieskantoor gespecialiseerd in risicomodellen voor banken, pensioenfondsen en verzekeraars (bijvoorbeeld in het kader van Basel II&III en Solvency II). RiskQuest helpt bij alle modelgerelateerde vraagstukken, zoals strategische vragen maar ook vragen betreffende de ontwikkeling en het gebruik van modellen. RiskQuest is ervan overtuigd dat modellen, mits effectief gebruikt, een onderscheidende concurrentiefactor vormen in de financiĂŤle sector. Wij lichten onze visie graag nader toe in een persoonlijk onderhoud.

Weesperzijde 29 1091 EC Amsterdam www.riskquest.com T 020-6932948 E info@riskquest.com


Furthermore, a clear need was identified for anti-cyclical mechanisms. “Dampeners”5 should address the volatility inherent to SII. Feasibility and complexity QIS5 has identified some areas for improvement, for example as to the calculation of counterparty default risk and the loss absorbing capacity of technical provisions and deferred taxes, as to the design of catastrophe risk and as to the look-through approach for funds. Preparedness The participation level provides comfort with regards to the approach that the sector is taking towards SII. However, there is still work to be done. This is particularly true for data and internal models. Transition Transitional measures are needed, particularly to ensure sound competition based on a level playing field and to allow for a smooth transition from SI to SII. However, too many transitional measures on too many topics as well as too much time will strongly disincentivise the shift towards SII or have adverse effects on competition. The review of each transitional measure by EIOPA will have to indicate whether a transitional measure is still justified.

Way ahead QIS5 was the last opportunity before the implementation of SII, in January 2013. Further improvements to the system have to be done on the basis of ad hoc work. QIS5 has identified a number of areas where further work is needed. However, based on the QIS5 results, EIOPA remains fully committed to advance towards a SII framework that can be applied by all insurers.

!

e 29 dam om 948 om 5. A sharp decline in asset prices may imply breaches of solvency requirements, triggering fire sales. This further depresses prices. However, due to the long-term nature of insurance companies’ investments, solvency requirements should not take such temporary declines into account. This can be achieved by using a dampener (applied in QIS4). The “dampener” ensures that the probability of an increase in equity index is small when the index value is high, and high when this value is low. The value of an equity index is split into a trend component and a cyclical component (the difference between the mean of the value of the equity index in the last X trading days and the mean of the value of the equity index in the last say year).

33

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011


Risicomanagement perspectieven voor de actuaris door: Drs. Margreet Haandrikman AAG

John Adams, een emeritus hoogleraar van de University College London, schreef onderstaande qoute in een essay dat in 2006 bekroond werd met een prijs van de Association of Insurance and Risk Managers. Als belangrijke reden waarom risicomanagement zo ingewikkeld is, voert hij aan dat het managen van risico’s weer kan leiden tot nieuwe risico’s: het is niet zo als het voorspellen van het weer. De wolken reageren echt niet op de voorspelling. Ook het besluit om al of niet je paraplu mee te nemen zal geen enkele invloed hebben op het weer.

“ Risk management is not rocket science, it is much more complicated!” John Adams Het kwantificeren van risico’s, en het op basis daarvan managen van risico’s, kan echter wel degelijk leiden tot een “verandering in het weer”. Immers, risicomanagement leidt tot het nemen van acties die vaak de risico’s zelf beïnvloeden. Een eenvoudig voorbeeld is het installeren van sprinklers om brand te voorkomen: hierdoor zal de kans op een ernstige brandschade minder worden. De werkelijkheid vóór en ná het managen van risico’s kan daarmee dus heel anders zijn. De beweging van de wolken kan veranderen, ofwel dat wat je gemeten hebt, en het feit dat je een paraplu had meegenomen, bij wijze van risicomanagement, blijkt ook ineens van invloed te zijn. Dit is vooral het geval als het een en ander ook nog in wet- en regelgeving wordt vastgelegd. Bij een toename van het aantal ondernemingen dat op dezelfde wijze risico’s managet, zal de werkelijkheid steeds meer beïnvloed worden. Nu al gaan geluiden op dat de nieuwe wet- en regelgeving rond Solvency II zal leiden tot wezenlijke veranderingen in

Drs Margreet Haandrikman AAG

Margreet is partner bij Sprenkels & Verschuren actuarissen en consultants. Sprenkels & Verschuren helpt pensioenfondsen, verzekeraars en ondernemingen ‘in control te komen’ en te blijven met pensioen en financiële risk management vraagstukken. Margreet is verantwoordelijk voor insurance risk management consulting. Daarnaast is zij actief betrokken bij het AG als lid van de Johan de Wit jury en de commissie Solvency II, Pillar 2 en 3 van de Groupe consultatif.

34

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

het beleggingsbeleid van financiële instellingen. Hierdoor zal de waarde van bepaalde categorieën beleggingen daadwerkelijk kunnen gaan veranderen. Solvency II laat verzekeraars meer of minder kapitaal aanhouden voor de risico’s binnen de instelling. Het meten van het risico met betrekking tot het beleggen in bijvoorbeeld vastgoed en de wijze waarop dit onder Solvency II plaatsvindt, zou instellingen ertoe kunnen aanzetten om dit risico collectief te willen mitigeren door minder te beleggen in vastgoed met een waardedaling als gevolg. Ook het feit dat de lange rente gedaald is, wordt door sommigen toegeschreven aan dit verschijnsel: het collectief willen afdekken van het renterisico om daarmee te voorkomen dat buffers of solvabiliteit in gevaar komen, heeft geleid tot een toenemende vraag naar bijpassende beleggingsinstrumenten. Actuarissen zijn veelal betrokken bij de ontwikkeling van modellen die risico’s kwantificeren op basis waarvan risico’s dan daadwerkelijk gemanaged zouden moeten worden. In dat kader is besef en inzicht in de complexiteit hiervan cruciaal. Naast een solide technische basis als het gaat om kwantificeren, zal dit in de toekomst nog meer onlosmakelijk verbonden moeten worden met inzicht in de complexiteit van de daadwerkelijke uitwerking van risicomanagement. In dit artikel zullen enkele perspectieven als het gaat om risicomanagement nader worden beschreven. Hierbij zal het eigen perspectief, namelijk dat van de actuaris, ook aan de orde komen. De actuaris is wellicht degene die veel bijdraagt aan het risicomanagement, maar kan wel degelijk zelf ook een risicofactor zijn!


Er is geen eenduidige oplossing voor de bovengenoemde complexiteit, maar tijd en aandacht besteden hieraan leidt in elk geval tot beter inzicht en “informed” risicomanagement voor financiële instellingen.

Perspectieven In de dagelijkse praktijk van risicomanagement van een onderneming of pensioenfonds spelen modellen waarin risico’s gekwantificeerd worden een belangrijke rol. Vaak is echter sprake van een kwantificering vanuit een enkel perspectief of uitgangspunt. Dit is één van de belangrijkste valkuilen in risicomanagement voor actuarissen: de wens om de complexiteit in het kwantificeren zo eenvoudig mogelijk te kunnen presenteren, leidt meestal ook tot verlies van het besef van de beperkingen. Om te komen tot een getal dat een maatstaf is voor een risico, wordt vaak een veelvoud aan expliciete maar vooral ook impliciete aannames gemaakt. De interpretatie van de maatstaf is dan ook eigenlijk niet mogelijk zonder dat er gedegen inzicht is in deze aannames. Door expliciet het kwantificeren van risico’s vanuit verschillende perspectieven mee te nemen, ontstaat in elk geval een completer beeld en diepgaander inzicht. Perspectief 1: de verschillende stakeholders De wijze waarop risicomanagement wordt vormgegeven zou een rechtstreeks gevolg moeten zijn van de strategie en doelstellingen van de onderneming en eventuele andere partijen die daar invloed op hebben. Daarnaast is er een veelvoud aan stakeholders, van klant tot herverzekeraar, van individuele medewerker tot leverancier, die direct danwel indirect verbonden zijn aan de onderneming. Het kan zelfs gekoppeld worden aan het beleid dat de onderneming voert ten aanzien van maatschappelijk verantwoord ondernemen door ook minder obligate stakeholders in de analyse te betrekken. Adequaat risicomanagement zou voor al deze stakeholders, en niet alleen de onderneming zelf, de blootstelling aan risico’s en mogelijke impact bij verschillende scenario’s inzichtelijk dienen te maken en mee te wegen. Dit betekent

dat dus niet alleen de impact van ‘slecht weer’ scenario’s voor de onderneming duidelijk moet zijn, maar ook voor alle andere directe en indirecte stakeholders. Een goede analyse van de impact van risicomanagement is alleen mogelijk als er duidelijk inzicht is wat de invloed hiervan is op andere relevante partijen. Stel de onderneming kan kiezen tussen strategie A en strategie B met de volgende uitkomsten: Strategie A heeft hierbij dan dus duidelijk de voorkeur. Basis

Scenario Slecht weer Mooi weer

Strategie A

10

-1

50

Strategie B

10

-5

40

Tabel 1: Verschillende uitkomsten strategie A en B

Vanuit dit eenzijdige perspectief lijkt de analyse klaar en kan het besluit worden genomen. De vraag is echter, wat er gebeurt als ook de perspectieven van andere stakeholders hierin worden betrokken. In onderstaand figuur 1 worden de twee risicomanagement strategieën weer met elkaar vergeleken, maar dan ook voor andere stakeholders. In de figuur wordt het resultaat ten opzichte van het basis scenario relatief getoond per partij. Hoewel strategie A vanuit de onderneming op het eerste gezicht dus een goede strategie lijkt, laat de analyse zien dat vanuit het perspectief van een van de stakeholders deze strategie zeker niet de voorkeur heeft. In het geval van slecht weer wordt namelijk partij B wel relatief zwaar benadeeld. En dat, terwijl deze partij relatief minder meedeelt in ‘mooi weer’-scenario’s. De vraag is derhalve of dit voor de onderneming dan nog een aanvaardbare strategie is. Wat een eenduidig besluit lijkt, blijkt dus te leiden tot een dilemma. In hoeverre is het eigen belang er wel mee gediend, zeker op de lange termijn, om een van de stakeholders in zo’n positie te plaatsen? En als je dit toch zou willen, is het dan wel reëel te veronderstellen dat in een ‘slecht weer’scenario partij B de benodigde draagkracht zou hebben? Kan dit niet leiden tot nieuwe risico’s?

Figuur 1: de twee risicomanagement strategieën met elkaar vergeleken

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

35


Dit klinkt abstract maar is zeker direct te vertalen naar de praktijk. Er bestaan veel voorbeelden van situaties waar dit soort analyses wel gemaakt worden. In de discussie rond het pensioenstelsel worden dit soort analyses wel zichtbaar en wordt er over onderhandeld. Maar dit is echter niet altijd het geval, zeker niet op voorhand: de producten van de banken, de CDO’s, die toch als belangrijke trigger van de crisis worden gezien, zouden bij zo’n analyse wellicht tot andere inzichten op voorhand hebben geleid. Ook als we kijken naar de discussie rond bepaalde verzekeringsproducten is pas achteraf de discussie opgelaaid.

binnen de financiële sector leidt tot collectief ander gedrag. Dit hebben we gezien als het gaat om het renterisico. Er kan beargumenteerd worden dat hierdoor daadwerkelijk de markt en prijzen veranderd zijn. Een ander, meer algemeen tot de verbeelding sprekend voorbeeld, is de transparantie in beloningen: De beloningen van topbestuurders moesten transparant in het jaarverslag worden opgenomen. In de jaren die daarop volgden was er een aanzienlijke stijging in de beloningen te zien: immers, geen enkele raad van commissarissen wilde haar bestuur in het onderste deel van de sector belonen.

In risicomanagement is het vaak de kunst onderscheid te maken tussen incidenten en verschuivingen. Perspectief 2: event versus trend In risicomanagement is het vaak de kunst onderscheid te maken tussen incidenten en verschuivingen. Veel kwantitatieve analyses gaan immers uit van de aanname dat risico’s zich voordoen op dezelfde manier als in het verleden. Dit geeft immers een duidelijk anker. Gemiddelden en afwijkingen daarvan geven duidelijk houvast maar kunnen vandaag ook ineens schijnwerkelijkheid zijn. Het analyseren en zo mogelijk kwantificeren van ontwikkelingen en nieuwe risico’s is echter een sleutelelement in adequaat risicomanagement. Het erkennen en herkennen hiervan en het kunnen vertalen naar de eigen onderneming is een van de belangrijkste onderdelen van risicomanagement waarbij zichtbaar toegevoegde waarde wordt geleverd. Als voorbeeld kan hier het zogenaamde “langlevenrisico” genoemd worden: dit is geen “event” maar de aanzet tot een trend. Uiteraard kan er vanuit risicomanagement in het heden actie worden ondernomen maar daarnaast, door dit te koppelen aan bijvoorbeeld de verwachte vergrijzing zal de analyse van dit risico leiden tot een strategische discussie. De lange(re) termijn strategie bepaalt immers of de onderneming dit risico adequaat kan managen. Perspectief 3: actie en reactie Het managen van risico’s betekent maatregelen treffen of het aangaan van transacties met als doelstelling het risicoprofiel te veranderen. Soms is het echter de vraag of de beoogde maatregel wel het gehoopte c.q. veronderstelde effect heeft of dat, door het aangaan van een transactie, ineens nieuwe risico’s zich kunnen gaan voordoen. Hier zijn meerdere voorbeelden van te noemen. Eén hiervan is Asset Liability Management. Met behulp van modellen wordt bepaald wat de beste beleggingsstrategie is voor de onderneming. Het is van belang te onderkennen dat hier risico’s aan verbonden zijn: immers, het gaat om modellen die leiden tot een bepaald gedrag. Massaal gebruik van dezelfde methodologieën

36

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

Perspectief 4: preventie en mitigatie Vanuit dit vierde perspectief gaan we uit van twee mogelijkheden voor risicomanagement: proberen te voorkomen dat een gebeurtenis zich zal voordoen of proberen te voorkomen dat de gevolgen van een gebeurtenis de onderneming niet of nauwelijks zullen raken. Veel voorbeelden van de eerste mogelijkheid zijn te vinden in operationeel risico management: er worden maatregelen genomen om bijvoorbeeld fraude zo moeilijk mogelijk te maken of er worden sprinklers geïnstalleerd om brandschade zo veel als mogelijk te beperken. In financieel risicomanagement zijn veel voorbeelden te vinden van mitigatie van de gevolgen: het aankopen van derivaten om de aandelen of valuta exposure te verlagen. Deze vorm van risicomanagement doet niets aan het onderliggende risico. Het belang van het maken van dit onderscheid is gelegen in het feit dat bij mitigatie het niet gaat om het verminderen van het onderliggende risico, maar om het ruilen met risico’s die de onderneming minder hard zullen raken. Door het aangaan van bijvoorbeeld een derivatentransactie om marktrisico te beperken, krijgt de onderneming een verhoging van haar tegenpartijrisico en mogelijkerwijze ook van haar liquiditeitsrisico.

Slotperspectief: de actuaris zelf Nigel Taylor, een Engelse actuaris, schreef ooit een mooi artikel met de titel: “Making actuaries less human”. De strekking van zijn betoog, gebaseerd op de principes uit behaviourial finance, laat zien dat actuarissen óók mensen zijn. Kwantitatief ingestelde mensen gaan er vaak vanuit dat ze rationeel zijn en dat ze rechttoe rechtaan de wetten van de stochastiek in hun werk toepassen. Daarnaast is er nog het uitgangspunt dat gedrag voorspelbaar is én besluitvorming plaatsvindt op basis van rationele criteria. Niets is echter minder waar.


Met name de ontwikkelingen in de afgelopen jaren, de crisis en het verlies van vertrouwen in de financiële sector, zouden ons toch hebben moeten laten inzien dat het niet zo eenvoudig is. Het eigen perspectief en de risico’s die daaraan verbonden zijn, zijn de moeite waard om bij stil te staan. Als het dan gaat om besluitvorming zijn veel actuarissen zich wel degelijk bewust dat veel van de gebruikers van hun werk niet altijd rationeel te werk gaan. Eén van de aspecten is dat besluitvorming plaatsvindt vanuit het referentiekader van de beslisser. De voorbeelden of vergelijkingen die actuarissen maken hoeven dan voor een ander absoluut niet hetzelfde te betekenen. Ook statistiek is voor velen een te abstract middel: mensen hebben de neiging onderliggende kansverdelingen te “vergeten”. Gunstige uitkomsten worden vaak overschat terwijl, de in risicomanagement zo belangrijke, ongunstige uitkomsten worden onderschat. Een actuaris moet niet de illusie hebben dat hij daarboven staat en altijd rationeel is. Een te groot zelfvertrouwen en gebrek aan het vermogen te relativeren is per definitie de grootste valkuil. Vaak werken actuarissen met modellen waaraan veronderstellingen ten grondslag liggen. En, als er periodiek dezelfde berekeningen gemaakt worden, vormen de veronderstellingen van de vorige keer het vertrekpunt. De methodiek wordt vaak zondermeer weer gevolgd, en dient dus als anker voor het heden.

Referenties Adams, J. (2007), Risk management is not rocket science, it is much more complicated, public risk forum, 2 (pp. 9-11) Taylor, N (2000), Making actuaries less human, Staple Inn Actuarial Society, 15 Smith, Y (2010), ECONned, Basingstoke: Palgrave Macmillan

Mensen hebben de neiging onderliggende kansverdelingen te “vergeten”. Ook als het gaat om bijvoorbeeld het vaststellen van kosten van een product, de pensioenpremie voor werknemers of de voorziening van een verplichting, zetten actuarissen vaak al hun creativiteit in om op het gewenste resultaat (lees: hetzelfde) uit te komen of de impact van een eventuele kostenstijging te beperken. Dit is allemaal menselijk maar betreft tegelijkertijd belangrijke valkuilen. Vroeg of laat kan immers een verkeerde keuze leiden tot ongewenste en, soms zelfs, onaanvaardbare consequenties. De kracht van statistiek en modellen wordt versterkt of verzwakt door het gebruik ervan. Hierbij hoort ook de constatering dat het gebruik ervan in risicomanagement kan leiden tot nieuwe risico’s. De juiste mix van een solide technische basis koppelen aan diepgaand inzicht van de verschillende perspectieven, zal op alle fronten bijdragen aan beter risico management.

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

37


Aenorm

Editie 2010

Over het Actuariaatcongres

38

AENORM

Het Actuariaatcongres van de VSAE wordt ieder jaar op een bijzondere locatie gehouden. Hier kon de bijzondere 10e editie van dit congres natuurlijk niet bij achterblijven. Het congres werd daarom dit jaar gehouden in het monumentale kerkgebouw “De Duif”. Dit zorgde voor een speciale en uiteraard serene sfeer voor de gehele dag.

AAG (PWC). De dag sloot af met panelleden drs. Mohamed Lechkar (DNB), drs. Jan-Willem Wijckmans AAG (PGGM), drs. Hans de Mik AAG (Ernst&Young) en drs. Lex Geerdes (aon), over de besproken oplossingen en problemen die tijdens de presentaties aan bod kwamen maar ook met maatschappelijke discussies rond de actuele opinie over de pensioenleeftijd en verhoging

De locatie, het monumentale kerkgebouw “De Duif”, zorgde voor een speciale en uiteraard serene sfeer voor de gehele dag. Het onderwerp ‘Leven’ werd in de kerkelijke ambiance deze dag niet besproken in christelijke zin, maar werd onderworpen aan de de rationele analytische blik van de moderne actuaris. Bekende sprekers uit de actuariële wereld kwamen hun visie geven op het begrip “Langlevenrisico”, de problemen die daar bij komen kijken, de recente discussies die over dit onderwerp zijn losgebarsten en ook eventuele oplossingen werden besproken. Sprekers die daarbij aan bod kwamen waren drs. Richard Plat AAG RBA (Eureko/Achmea Holding), drs. Hans de Mik AAG (Ernst&Young), drs. Egbert Kromme AAG (Towers Watson), drs. Sylvain de Crom (AEGON), drs. Dennis de Vries AAG (Milliman), drs Adrian Jones

hiervan. Dit alles gebeurde onder het toezicht van dagvoorzitster drs. Lenneke RoodenburgBerkhout AAG (Achmea). Na de discussie kon iedereen genieten van een drankje en nog even na praten over de toekomst van ons pensioenstelsel. Aan het eind van de dag werd het altaar weer op zijn plek geschoven en besloot de commissie in het teken van het thema van de dag het er maar even van te nemen en het geslaagde congres met een welverdiend etentje te vieren.

De Aenorm is een magazine om studenten en andere geïnteresseerden op de hoogte te houden van recente ontwikkelingen in de Actuariële wetenschappen, Econometrie en Operationele Research. Aenorm laat hen de diversiteit zien van de toepassing van deze verschillende gebieden. Op deze manier vormt de Aenorm een platform voor studenten, docenten en mensen uit het bedrijfsleven. Naast artikelen bevat de Aenorm ook andere dingen. Er staan in iedere uitgave één of twee interviews van hoogleraren uit binnen- en buitenland en andere mensen die gespecialiseerd zijn in één van de vakgebieden. Daarnaast staat er in iedere Aenorm een samenvatting van een klassiek, meestal baanbrekend, artikel en worden

er reacties van professoren op controversiële stellingen gepubliceerd. De artikelen in de Aenorm variëren van bachelorniveau tot PhD-niveau. De Aenorm is een samenwerking tussen VSAE en Kraket, de studieverenigingen van econometrie op respectievelijk de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit. Een abonnement op de Aenorm is helemaal gratis en u kunt zich inschrijven op de website www.aenorm.eu. Voor vragen of opmerkingen kunt u een e-mail sturen naar aenorm@vsae.nl. Als u graag een artikel wilt publiceren in de Aenorm, neemt u ook contact op met bovenstaand e-mailadres.

SPECIAL

Augustus 2011

Namens de Commissie Actuariaatcongres 2010, Tara Douma, coordinator 2010


de Duif

hoedenmakerij, tegenwoordig een bruisend bijeenkomstencentrum. De dag is elk jaar volledig verzorgd en tijdens de koffiepauzes, lunch en borrel is er uitgebreid de gelegenheid om te praten met (collega) actuarissen en (collega) studenten. De doelgroep is dan ook enerzijds het bedrijfsleven en anderzijds de studenten. Voor gecertificeerde actuarissen is er daarom de mogelijkheid om PE punten te verdienen door aanwezig te zijn op het congres. Ook dit jaar is het congres weer geaccrediteerd met 6 PE punten. Voor actuarieel gefocuste studenten is deze dag een bijzondere kans om naast de theoretische opleiding kennis te maken met de praktijk. Het poogt te tonen hoe het werk van de actuaris er in de praktijk aan toegaat en laat zien hoe de theoretische studiestof terug te vinden is in de praktijk. Verder krijgt het werkzame deel van de bezoekers een kans om zich te laten bijpraten over een belangrijk thema binnen het actuariaat. Op het congres is het mogelijk om vragen te stellen aan de aanwezige sprekers. Maar het meedenken begint al voor de dag van het congres, met de keuze voor de interactieve onderdelen. Wordt het een update van de Nederlandse Bank, of gaat de interesse meer uit naar een spraakmakende case? Aan het einde van de dag is er tijdens een gezellige borrel altijd de gelegenheid om door te praten over de aangeboorde onderwerpen. Het leuke van dit congres is dat een actuaris die tegen zijn pensioen aan zit, zomaar in gesprek kan raken met een eerstejaars student. Veel bijzondere gesprekken zijn al gevoerd na afloop van het congres. Met het Actuariaatcongres hoopt de VSAE haar bijdrage te kunnen leveren aan actuele discussies en vraagstukken binnen de actuariële wetenschap en wil daarbij zo veel mogelijk (toekomstige) actuarissen betrekken.

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

Algemeen

Dit jaar wordt het Actuariaatcongres voor de 11e keer georganiseerd door studievereniging VSAE (Vereniging voor Studenten Actuariële wetenschappen, Econometrie en Operationele Research aan de Universiteit van Amsterdam). Elk jaar wordt een actueel thema binnen de actuariële wetenschappen belicht. Vaak zijn dat thema’s die terug te vinden zijn in politieke discussies. Daarnaast wordt er een magazine uitgegeven dat geheel in het teken staat van het thema van het congres. De opzet van het congres is in de loop der jaren veranderd van een Actuariaatdag jaarlijks afgewisseld met een Actuariaatdebat, tot een combinatie die de dag completer maakte, tot de huidige vorm waarbij er een plenaire bijeenkomst wordt afgewisseld met kleinschalige interactieve sessies. De sprekers komen uit de top van het bedrijfsleven en het toezicht. Het is een traditie geworden om bijzondere, chique locaties te bezoeken bij het congres. In de voorgaande jaren zijn onder andere het congrescentrum West-Indisch Huis, de hotels NH Barbizon Palace, Hotel Okura en het Amstel Hotel en de speciale locaties theater Tuschinski en de monumentale kerk de Duif aangedaan. Ook dit jaar hebben wij weer een bijzondere plaats gevonden voor het congres, namelijk de Rode Hoed, vroeger een schuilkerk achter een

39


Op de volgende twee pagina’s stellen wij graag de sprekers aan u voor. Op deze pagina vindt u de sprekers die in het plenaire deel een presentatie houden. Op de tweede pagina vind u de mensen die het interactieve gedeelte van het congres gaan verzorgen.

Drs. Pieter Bouwknegt AAG Pieter is hoofd ALM & Capital Management bij Nationale – Nederlanden. Na een studie econometrie in Rotterdam voltooide hij de opleiding tot actuaris. Hij is lid van het Actuarieel Genootschap. Voor het Actuarieel Instituut en de Universiteit van Amsterdam verzorgt hij diverse cursussen. Hij is geïnteresseerd in beleggingsbeleid, risicobeheer en solvabiliteitsmanagement voor verzekeraars.

Dr. André van Vliet André (1967) heeft econometrie gestudeerd aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. In 1995 ontving hij zijn PhD graad in Operations Research. Naast zijn academische carrière, begon hij in 1988 zijn professionele carrière bij Ortec in de logistic optimization. In 2000 veranderde hij van werkomgeving door van de logistics naar de finance over te stappen. Sinds 2006 is hij managing director van de business unit Insurance Risk Management.

Drs Margreet Haandrikman AAG Drs Margreet Haandrikman AAG is partner bij Sprenkels & Verschuren actuarissen en consultants. De dienstverlening van Sprenkels & Verschuren is erop gericht om pensioenfondsen, verzekeraars en ondernemingen te helpen ‘in control te komen’ en bovenal te blijven als het gaat om pensioen en financiële risk management vraagstukken. Margreet is verantwoordelijk voor insurance risk management consulting. Daarnaast is zij een actief betrokken bij Actuarieel Genootschap als lid van de Johan de Wit jury en de commissie Solvency II, Pillar 2 en 3 van de Groupe consultatif.

Sabijn Timmers-Janssen AAG MBA Sabijn is als voorzitter van de commissie Solvency II van het AG nauw betrokken bij de toekomstige rol van de actuaris. Zij is 20 jaar werkzaam in de financiële industrie, als CRO van DBV, Directeur Insurance Risk Management bij SNSREAAL en Business Executive Solvency II bij Nationale-Nederlanden. Allemaal mooie titels maar uiteindelijk gaat er om wat we er daadwerkelijk aan toevoegen.

40

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011


Drs. Agnes Joseph AAG Agnes Joseph is werkzaam bij Syntrus Achmea Vermogensbeheer, de Universiteit van Amsterdam en het Actuarieel Instituut. Ze heeft Econometrie, Actuariaat en Economie gestudeerd en is gespecialiseerd in risicomanagement voor pensioenfondsen.

Drs. Harold Malaihollo CIA Harold is Director binnen Deloitte Financial Risk Management en heeft meer dan 10 jaar ervaring met advisering en implementaties op het gebied van risk management, risk governance en internal control. Harold is gespecialiseerd in het begeleiden van complexe en grootschalige risk management projecten bij banken, verzekeraars, vermogensbeheerders en pensioenfondsen. Momenteel is hij nauw betrokken bij diverse Solvency II implementaties, waarbij zijn focus vooral ligt op Pillar II.

Drs. Wouter Elshof AAG

Drs. Bas van de Pas AAG

Wouter werkt sinds 2010 bij Milliman, hij is verantwoordelijk voor de adviespraktijk op het gebied van risicomanagement. Voordat Wouter bij Milliman in dienst trad, heeft hij acht jaar gewerkt als actuarieel consultant bij Towers Watson en B&W Deloitte. In 2001 studeerde hij af in Econometrie en Operationele Research aan de Rijksuniversiteit Groningen gevolgd door zijn afgeronde opleiding tot actuaris aan de Universiteit van Amsterdam en het Actuarieel Instituut.

Bas is sinds 2010 één van de partners van Pensions, Actuarial en Insurance Services (PAIS). Dit is de actuariële adviesgroep binnen PwC. Hij heeft meer dan 16 jaar ervaring in de verzekeringswereld. Bas heeft zich gespecialiseerd in risicomanagement en waardesturing. Zijn opdrachten liggen veelal op het gebied van economische kapitaal modellen, risicomanagement, ALM, kapitaal management, replicating portfolios, EEV en EC review activiteiten, Solvency II, actuariële appraisals en M&A.

Drs. ir. Erwin Bramer

Ferko Spits

Erwin studeerde Toegepaste Wiskunde aan de Universiteit Twente en Actuariële Wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Sinds 1998 is Erwin werkzaam in het toezicht op verzekeraars. Na een aantal jaren afdelingshoofd op het toezicht op Zorgverzekeraars, is hij per 1 januari 2011 gestart met het opzetten en inrichten van een nieuwe afdeling: het expertisecentrum Actuariaat & Risicobeheer.

Ferko werkt als Senior Manager bij Accenture en heeft de leiding over de Risk Management service line in Nederland. Hij werkt sinds 1999 in de management consultancy, aan nationale en internationale projecten in verschillende branches. Zijn focus ligt vooral op Solvency II en data management problemen bij verzekeraars. Verder heeft hij brede ervaring op het gebied van strategisch risk management (vooral COSO FRM), financiële transformaties en reorganisaties.

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

41


Commissie

Roel de Waal Malefijt (voorzitter) Roel (22) is de voorzitter van de Actuariaatcommissie 2011. Hij studeert, opmerkelijk genoeg, zelf geen Actuariaat. Op dit moment bevindt hij zich in het derde jaar van de opleiding Operationele Research en Management aan de UvA. Door de organisatie van het congres heeft hij echter wel meer feeling met de actuariële wereld gekregen, om deze reden heeft hij enkele keuzevakken opgevuld met typische actuariële vakken. Hij sluit op dit moment dan ook niet uit dat hij in de toekomst in dit boeiende vakgebied terecht kan gaan komen, een opvallende bijzaak van de organisatie van het AC 2011! Kees Vermunt Kees Vermunt (22) is derdejaars bachelorstudent aan de UvA. In 2008 begonnen met Econometrie, maar na een jaar overgestapt naar Actuariële Wetenschappen. Hij is op dit moment bezig met een scriptie over het solvalibiteitskader (Solvency I) conform de Wet op Financieel Toezicht. Onderzocht wordt wat de invloed is van de duur van de premiebetaling op de uitkomst van de toereikendsheidtoets. Na afronding van de bachelor, zal hij doorstuderen aan de masteropleiding Actuarial Science and Mathematical Finance. Kees Vermunt is binnen de organisatie van het congres verantwoordelijk voor de acquisitie. Joep Lustenhouwer Joep Lustenhouwer (22) is een econometriestudent, woonachtig in Amsterdam. Hij was tot februari bezig met zijn derde studiejaar, maar is momenteel gestopt met studeren om als secretaris deel uit te maken van het bestuur van de VSAE. Naast zijn functie als secretaris begeleidt hij onder andere de AEO.pdf, het Actuariaatcongres en het Consultancy Event. Zijn bestuursjaar loopt tot februari 2012 waarna hij in een half jaar zijn bachelor zal afronden. Vervolgens zal hij in september 2012 aan de master Econometrie aan de UvA beginnen. In zijn vrije tijd gaat Joep graag racefietsen en speelt hij gitaar. Bas Koolstra Bas Koolstra (20) is tweedejaars student Econometrie en Operationele Research aan de Universiteit van Amsterdam. In september 2009 begon hij met deze studie. Al snel besloot hij de vakken van de richting OR achter zich te laten en zich te richten op zowel Econometrie als Actuariële wetenschappen. Momenteel is hij er nog niet uit in welk vakgebied zijn toekomst ligt en hij hoopt door het organiseren van dit congres een beter beeld te krijgen van de actuariële wereld. Binnen de commissie is Bas hoofdzakelijk verantwoordelijk voor de contacten met de meeste sprekers op het congres. Marc van der Houdt Marc van Houdt(19) is tweedejaars student econometrie en actuariële wetenschappen. Binnen de VSAE is hij in verschillende commissies actief geweest, bijvoorbeeld in de eerstejaarscommissie en als voorzitter van de wintersportcommissie. Hij heeft voor de actuariaatcongrescommissie gekozen om een beter idee te krijgen over de mogelijkheden binnen actuariaat. Buiten de studie is Marc een begenadigd golfer, hij speelt op nationaal top niveau wedstrijden en heeft een handicap van 2.9. Binnen de commissie is Marc verantwoordelijk voor de website. Linda Pieper - de Koter Linda (23) heeft in april 2011 de de bachelor Actuariële Wetenschappen behaald aan de UvA. Daarbij heeft ze de bachelorscriptie geschreven over de mogelijkheden van een AOW pensioen gebaseerd op werktijd. Het idee is dat iemand, ongeacht startleeftijd, na 45 dienstjaren met pensioen zou kunnen gaan. In september studeert zij verder aan de UvA met de master Actuarial Sciences and Mathematical Finance. Linda is werkzaam bij Cordares Holding NV, onderdeel van APG group. Binnen de commissie is Linda de redactrice van het magazine dat nu voor u ligt.

42

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011


De Rode Hoed, geschiedenis. Tot 1629 was er achter de panden Keizersgracht 102 t/m 106 een hoedenmakerij gevestigd. Op de gevel van pand 104, naast de ingang van de Grote Zaal, prijkt nu nog het rode hoedje, waaraan het gebouw zijn naam ontleent. In 1629 kochten wijnkoper Antoni de Lange en doctor Jan van Hartoghvelt namens de Remonstrantse Gemeenschap de hoedenmakerij, voor het houden van haar diensten. Officieel waren deze diensten verboden. In 1630 verrees op de fundamenten van de hoedenmakerij een echt kerkgebouw, met ingangen op nummer 102 en 108 van de Keizersgracht. Het ontwerp van de kerk werd bepaald door de eenvoud en de rechtzinnigheid van de Remonstrantse beginselen. De kerk werd een zogenaamde galerijkerk, met een houtskelet en tongewelven, waarschijnlijk naar het model van een Hugenotenkerk bij Parijs. Het originele orgel is rond 1719 gebouwd door de Duitser Thomas Weidtmann. Het huidige orgel dateert uit 1862 en is van de Amsterdamse orgelbouwer P. Flaes. Tot 1957 heeft het gebouw dienst gedaan als Remonstrantse kerk. De voormalige schuilkerk is de grootste en oudste bewaarde schuilkerk van Nederland. Op 14 september 1990 werd De Rode Hoed officieel geopend als debatcentrum.

Oorsprong van De Rode Hoed In 1989 zocht pastor, dichter en schrijver Huub Oosterhuis een vaste plek voor zijn Studentenekklesia en tevens een ruimte voor discussie over zingeving. De voormalige schuilkerk beantwoordde uitstekend aan beide doelstellingen. Het baksteenrode hoedje in de gevelsteen van Keizersgracht 104 bepaalde de naam van het cultureel centrum: De Rode Hoed. Op 14 september 1990 vond de officiële

Locatie

opening plaats. Vanaf 1995 wordt samengewerkt met de Vereniging AG, voortkomend uit de Woodbrookers, die een plek zochten voor het plaatsen van hun gedachtegoed - de erfenis van hun grote voormannen Banning en Van Biemen - in deze tijd. Directeur Huub Oosterhuis ging in 1998 met pensioen en Anneke Groen volgde hem op. De zaal kon vanaf het begin ook gehuurd worden voor andere activiteiten. Onder andere de talkshow ‘Sonja’ en het programma Het Lagerhuis werden in De Rode Hoed opgenomen.

Waar staat de Rode Hoed voor? Stichting De Rode Hoed is een cultureel debatcentrum, gevestigd in een monumentaal pand aan de Keizersgracht in Amsterdam. Wij organiseren debatten, lezingen, symposia, literaire- en muzikale programma’s voor een breed publiek, maar ook andere organisaties zijn regelmatig in De Rode Hoed te vinden. Tevens is De Rode Hoed te huur voor zowel zakelijke als feestelijke bijeenkomsten. Zo is De Rode Hoed ook een erkende trouwlocatie. Met haar debatten wil De Rode Hoed kritisch volger en aanjager van de maatschappelijke en politieke discussie zijn. Tevens wil De Rode Hoed mensen inspireren en de kans geven een mening te vormen en te formuleren, maar ook een podium bieden aan kunstenaars. De sfeer van de Grote Zaal, de oudste en grootste bewaard gebleven schuilkerk van Nederland, draagt in hoge mate bij aan de bijeenkomst. De programma-afdeling van De Rode Hoed heeft een onafhankelijke positie en is eindverantwoordelijk voor alle programma`s die vanuit De Rode Hoed worden gemaakt. Jaarlijks terugkerende programma’s zijn de Abel Herzberglezing en de uitreiking van de VSB Poezieprijs. Om de programma`s te financieren moet steeds worden gezocht naar fondsen en subsidies. Er wordt regelmatig samengewerkt met organisaties als Berenschot, de Baak Managementcentrum VNO/NCW, FORUM, Elsevier, en dagbladen als de Volkskrant, NRC Handelsblad, Trouw, Het Financieele Dagblad en het Parool. Deze tekst is met toestemming onleend aan de website van De Rode Hoed: www.derodehoed.nl

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

43


Solvency II - De laatste grote test van het raamwerk door: Drs. ir. Miguel van den Heuvel en drs. ir. Erwin Bramer

Solvency II is het nieuwe, risicogebaseerde Europese toezichtraamwerk voor verzekeraars. Door nadruk te leggen op het eigen risicoprofiel van de verzekeraar wordt goed risicobeheer beloond en wordt slecht risicobeheer snel duidelijk voor verzekeraar, toezichthouder èn polishouders.

Gedurende het ontwikkelproces van Solvency II worden de kwantitatieve eisen periodiek getoetst door middel van quantitative impact studies. Hierin worden de onder Europees toezicht staande verzekeraars op vrijwillige basis gevraagd op basis van de huidige stand van het raamwerk hun kapitaaleis door te rekenen en te becommentariëren. De vijfde impact studie (QIS5) is eind 2010 uitgevoerd. Maar liefst 203 Nederlandse verzekeraars hebben de impact van Solvency II op hun solvabiliteit berekend. Uit deze impactstudie bleek dat de nieuwe kapitaaleisen beter aansluiten bij de gelopen risico’s, en dat vrijwel alle Nederlandse verzekeraars aan de toekomstige kapitaaleisen kunnen voldoen.

Modernisering solvabiliteitsregelgeving De bestaande solvabiliteitsregelgeving voor verzekeraars, Solvency I, voldoet niet meer aan de moderne standaarden voor het financiële toezicht. De huidige kapitaaleis wordt namelijk vastgesteld als een vast percentage van het premieinkomen of de technische voorzieningen. Hierdoor wordt nauwelijks rekening gehouden met de daadwerkelijke risico’s die de verzekeraar loopt en of deze een adequaat systeem voor risicobeheer heeft. Daarom heeft de Europese Commissie besloten om een nieuwe richtlijn voor Europese verzekeraars te ontwikkelen: Solvency II.

44

AENORM

Het belangrijkste kenmerk van Solvency II is dat het risicogebaseerd is: de kapitaaleis wordt gekoppeld aan het risicoprofiel van een verzekeraar. Hierbij leiden alle risico’s die een verzekeraar op zich neemt, zoals marktrisico of verzekeringtechnisch risico, tot een kapitaaleis. Tegelijkertijd leidt risicomitigatie door de verzekeraar, bijvoorbeeld door een adequate spreiding van de uitzettingen of door het inkopen van herverzekeringsdekking, tot een reductie van de eis. Door deze risicogevoeligheid verkrijgen verzekeraar, toezichthouder èn polishouder een beter inzicht in de risico’s die de onderneming loopt. Een tweede kenmerk van het Solvency II raamwerk is dat in beginsel alle activa en passiva op marktconsistente wijze worden gewaardeerd. Dit houdt in dat alle beschikbare informatie over de toekomst in de balans wordt verwerkt. Hiermee wordt een actueel beeld van de financiële positie van de verzekeraar verkregen en wordt daarmee de transparantie vergroot. Ten derde biedt Solvency II flexibiliteit en maatwerk. Verzekeraars die in staat zijn om hun risico’s op basis van een intern model te modelleren, kunnen hier bijvoorbeeld gebruik van maken. Voor kleinere verzekeraars die onvoldoende data of middelen hebben om soms geavanceerde Solvency II berekeningen te maken, biedt het raamwerk vereenvoudigingen en benaderingen.

Drs. ir. Miguel van den Heuvel

Drs. ir. Erwin Bramer

Miguel is werkzaam als beleidsmedewerker bij De Nederlandsche Bank op de afdeling Verzekeraars & Pensioenfondsen. Miguel is lid van de Europese Solvency II-Pilaar I werkgroep. Deze werkgroep ontwerpt de waarderingsregels en de solvabiliteitseisen voor Solvency II. Ook was hij lid van de Europese QIS5 Task Force en medeverantwoordelijk voor het Europees eindrapport.

Erwin studeerde Toegepaste Wiskunde aan de Universiteit Twente en Actuariële Wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Sinds 1998 is Erwin werkzaam in het toezicht op verzekeraars. Na een aantal jaren afdelingshoofd op het toezicht op Zorgverzekeraars, is hij per 1 januari 2011 gestart met het opzetten en inrichten van een nieuwe afdeling: het expertisecentrum Actuariaat & Risicobeheer.

SPECIAL

Augustus 2011


Complexe regelgeving in een complex onderhandelingsproces In 2009 is de Europese richtlijn Solvency II aangenomen (2009/138/EC1). De richtlijn kent een ‘Lamfalussy structuur’ en wordt daarom sindsdien zowel uitgewerkt in de vorm van uitvoeringsmaatregelen (‘level 2-maatregelen’) als in de vorm van technische standaarden en overige, niet-bindende, toezichtregels (level 3-regelgeving). Het Europese onderhandelingsproces is complex geworden vanwege een combinatie van drie zaken. Ten eerste de genoemde Lamfalussy structuur, die maakt dat belangrijke details soms pas in een laat stadium, of op lager niveau van regelgeving, worden ingevuld. Ten tweede het feit dat de financiële crisis de komst van het risicogebaseerde toezichtkader in een nieuw perspectief heeft geplaatst, waarbij ook verzekeraars onder druk staan en er meer duidelijkheid is over de gevolgen van introductie van marktwaardering voor de verzekeringsbranche. Ten derde en laatste is er sprake van een institutionele noviteit: het Solvency II raamwerk is door de Europese

Financiële impact Gezien de grote impact van Solvency II, moet voordat het raamwerk definitief wordt ingevoerd dit goed worden getest. Eind 2010 is de vijfde impact studie, QIS5, uitgevoerd. QIS5 was meer omvattend dan vorige studies (QIS4 of RiSK). Met name de voorschriften waren fors uitgebreid en ook de uitvraag was gedetailleerder. De studie had als voornaamste doelstelling om een beeld te krijgen van de financiële impact van Solvency II voor verzekeraars. Tevens konden verzekeraars en toezichthouders alvast kennismaken met de praktische aspecten van Solvency II en de werkbaarheid van de onderdelen van het raamwerk toetsen. Het aantal Nederlandse deelnemers aan QIS5 is een succes. Van de 246 Nederlandse verzekeraars die onder de reikwijdte van Solvency II vallen, hebben 203 verzekeraars meegedaan aan QIS5. Het Nederlandse deelnamepercentage van 83% overtreft zowel deelname aan QIS4 (51%) als de Europese deelname aan QIS5 (68%). Daarnaast hebben 19 Nederlandse verzekeringsgroepen een groepsberekening opgestuurd.

Het Solvency II raamwerk is door de Europese Commissie aangegrepen om gebruik te maken van een nieuw instrument, te weten ‘Delegated Acts’. Commissie (EC) aangegrepen om bij het ontwerpen en laten goedkeuren van de uitvoeringsmaatregelen, gebruik te maken van een nieuw instrument, te weten ‘Delegated Acts’. Dit houdt in dat er niet langer via trilogen tussen Europese Raad, Parlement en EC wordt onderhandeld, maar dat deze wetgeving ineens ter goedkeuring wordt ingediend bij het Europees Parlement2 als ware het een soort ‘Algemene Maatregel van Bestuur’ behorend bij de Richtlijn. In de praktijk zitten er in de Delegated Acts ook beleidskeuzes, zoals ten aanzien van de hoogte van schokken (mate van risicobeprijzing), de definitie van het verzekeringscontract, van het eigen vermogen, etc., waardoor het EP de uitvoeringsmaatregelen mogelijk nog eens tegen het licht zal houden. Ter verdere complicatie is per 2011 de Europese verzekeringstoezichtautoriteit EIOPA opgericht, als opvolger van CEIOPS. In een afzonderlijke richtlijn, Omnibus 2, worden de bevoegdheden van deze autoriteit bepaald en wordt ook de infasering van Solvency II geregeld.

De hamvraag van elke impactstudie is: wat zijn de gevolgen voor de solvabiliteit? De solvabiliteitratio is echter niet het hele verhaal, zeker niet wanneer de grondslagen wijzigen. Als het beschikbaar vermogen (de teller) en de kapitaalvereiste (de noemer) met hetzelfde bedrag toenemen, daalt de ratio van deze twee vanzelf, en is een daling niet alarmerend. Dit kunnen we illustreren aan de hand van het volgende voorbeeld. Stel de verzekeraar heeft € 40 mln. beschikbaar vermogen en een kapitaalvereiste van € 15 mln, en dus een solvabiliteitsratio van 40/15 = 273%. Als het aanwezige vermogen met € 8 mln. stijgt (doordat de technische voorzieningen dalen) en de kapitaaleis eveneens met € 8 mln. toeneemt, daalt de solvabiliteitsratio naar (48 / 23 =) 209%. De facto is er in dit voorbeeld echter alleen kapitaal verschoven van de voorzieningen naar de kapitaaleis. De inzendingen van Nederlandse solo-entiteiten geven een globaal beeld van het financiële effect van Solvency II op basis van cijferstanden ultimo 2009. Het kapitaalsurplus komt voor Nederland in QIS5 uit op 17½ mrd euro. Dit is het verschil

1. De leden van EIOPA zijn de toezichthouders op verzekeraars en pensioenen uit alle EU-lidstaten. Tot de taken van EIOPA valt ondermeer het adviseren van de Europese Commissie over de uitvoering en intra-Europese consistentie van de nieuwe richtlijn voor het solvabiliteitsraamwerk voor verzekeraars. 2. TFEU artikel 290

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

45


tussen het beschikbare kapitaal van 47½ mrd euro en de kapitaaleis voor Nederlandse verzekeraars van in totaal 30 mrd euro (afgeronde bedragen). Het kapitaalsurplus ligt ongeveer 7½ mrd euro lager dan onder het huidige regime. Op de Europese markt is een vergelijkbare ontwikkeling in het surplus waar te nemen. Onder Solvency II neemt de kapitaaleis, de Solvency Capital Requirement (SCR), toe van 15 mrd naar 30 mrd euro. Tegelijkertijd stijgt het beschikbare kapitaal van 39½ naar 47½ mrd euro, grotendeels als gevolg van verschuiving van ‘prudentie’ in technische voorzieningen naar het beschikbare kapitaal. Een beperkt aantal Nederlandse verzekeraars zou niet direct voldoen aan de nieuwe kapitaaleis en daarom meer kapitaal moeten aantrekken of het risicoprofiel aanpassen. Voor deze verzekeraars is in totaal 0,9 mrd euro van de kapitaaleis nog niet gedekt.

Werkbaarheid van het raamwerk Het tweede doel van de QIS5 impact studie betrof een toets van de werkbaarheid van de onderdelen van het raamwerk. Naast alle berekeningen werd verzekeraars ook gevraagd om commentaar op en suggesties voor het Solvency II raamwerk. DNB heeft veel nuttig commentaar ontvangen van de Nederlandse deelnemers. Dit commentaar had zowel betrekking op de calibratie van diverse parameters als de achterliggende methodiek van de verschillende berekeningen. Op hoofdlijnen kan worden gesteld dat de uitgangspunten van het raamwerk goed functioneren en dat de gevolgen van invoering kunnen worden gedragen door de Nederlandse verzekeringsector. Uit QIS5 resulteert een aantal gewenste aanpassingen in het Solvency II raamwerk. Een verbeteringsslag is wenselijk zowel op lastige punten die bij vorige QIS studies al zijn gesignaleerd, als bij zaken die nieuw zijn uitgevraagd tijdens QIS5. Onderwerpen als bijvoorbeeld contractsgrenzen, segmentatie en de berekening van het verliesabsorberende vermogen van

Standaard formule Aanwezig kapitaal Beschikbaar kapitaal Kapitaaleis (SCR) Minimumkapitaaleis (MCR) Kapitaalsurplus Solvabiliteitsratio (marco)

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

40 39 ½ 14 ½ 25 273%

QIS 5 48 47 ½ 30 11 17 ½ 158%

Tabel 1: Uitkomsten QIS5 versus Solvency I (ultimo 2009 standen)

uitgestelde belastingen moeten daarom nader worden gespecificeerd of worden uitgezocht. De contractsgrenzen bepalen tot welk moment kasstromen moeten worden meegenomen bij de waardering van een contract. Voor QIS5 werd gesteld dat de grens van een contract ligt bij het punt dat de verzekeraar het eenzijdige recht heeft om het contract te beëindigen of de premies te weigeren of de premies of dekking aan te passen - waarbij dan de verplichtingen van de verzekeraar verdwijnen. Dit speelt bijvoorbeeld wanneer een contract tegen dezelfde voorwaarden verlengd kan worden. Het is dan de vraag of je de kasstromen en dus eventueel toekomstige winsten na dat verlengingsmoment ook meeneemt. Naar aanleiding van QIS5 zijn er heel veel vragen over de definitie ontvangen.

Het verliesabsorberende vermogen van uitgestelde belastingen kan als volgt worden bezien. Mochten de risico’s, zoals weerspiegeld in de scenario’s om de kapitaalseis te bepalen, zich daadwerkelijk voordoen, dan kan dat een wijziging met zich brengen in de fiscale positie van de verzekeraar. Deze fiscale positie kan een verliesabsorberend vermogen hebben. Hiermee mag rekening worden gehouden bij de bepaling van de uiteindelijke kapitaaleis. Uit de QIS5 inzendingen werd duidelijk dat veel verzekeraars een uiteenlopende methodiek hebben gehanteerd voor de bepaling van de dit verliesabsorberend vermogen. In Europees verband wordt gewerkt aan nadere richtlijnen.

Figuur 1: Samenstelling SCR voor levensverzekeraars en schadeverzekeraars op macroniveau

46

S1


Op Europees niveau kwam vooral de volatiliteit van waardering van lange termijn verzekeringsverplichtingen als zorg naar voren. Hierom heeft de Europese Commissie een werkgroep geïnstalleerd om problemen samenhangend met de waardering van lange termijn verplichtingen te adresseren. In deze werkgroep nemen afgevaardigden van zowel de sector als de verschillende lidstaten deel. De belangrijkste voorstellen van deze werkgroep hebben betrekking op aanpassingen van de rentetermijnstructuur. De werkgroep gekomen met een voorstel voor de methodiek om de curve voorbij het

QIS5 heeft veel nuttige resultaten en suggesties opgeleverd. EIOPA en de Europese Commissie kunnen dan ook op basis van de resultaten het raamwerk verder aanscherpen . Als lid van EIOPA spant DNB zich in om de geïdentificeerde aandachtspunten te verbeteren. Al met al kan QIS5 voor de Nederlandse sector een succes genoemd worden.

Op Europees niveau kwam vooral de volatiliteit van waardering van lange termijn verzekeringsverplichtingen als zorg naar voren. laatste liquide punt te bepalen. Ook heeft de werkgroep voorgesteld om de illiquiditeitspremie te vervangen door twee andere opslagen. Op hoofdlijnen is het voorstel de illiquiditeitspremie om te vormen tot een anticyclische premie. Voor langlopende producten, die aan bepaalde voorwaarden voldoen, moet echter in plaats van de anticyclische premie een zogenaamde ‘matching premium’ worden toegepast.

Conclusie Al met al blijkt uit de resultaten dat de QIS5 voorschriften de risico’s die een verzekeraar loopt beter in kaart kunnen brengen dan het huidige raamwerk. Deze risico’s worden nu immers expliciet zichtbaar gemaakt. Daarmee geeft het nieuwe raamwerk verzekeraars meer inzicht in de invloed van het risicobeleid op hun financiële positie. Ook vergroot het de transparantie. Vanzelfsprekend komen uit QIS5 ook een aantal verbeterpunten van het raamwerk naar voren, die in de komende periode zullen worden opgepakt. Solvency II nadert voltooiing. De Nederlandse verzekeringsbranche is zich hier goed van bewust. Aan QIS5 hebben opnieuw méér verzekeraars deelgenomen dan aan eerdere impactstudies. Dit geeft verzekeraars de mogelijkheid om zich het nieuwe toezichtraamwerk eigen te maken én om de ontwikkeling van de rekenwijzen te toetsen en waar nodig te beïnvloeden. Uit de inzendingen blijkt dat veel verzekeraars op de goede weg zijn. De kwaliteit van de bijdragen is vergeleken met eerdere impact studies opnieuw toegenomen. Er is dan ook zeker sprake van een leereffect.

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

47


De onmisbare Actuaris? door: Sabijn Timmers - Janssen AAG MBA

Met zijn allen vragen we ons of af wat Solvency II voor de financiële industrie gaat betekenen. Wat is de impact voor bijvoorbeeld de klant, voor de kapitaaleisen, voor de organisatie structuur en voor de processen? En last but not least, hoe zorgen we er voor dat het risk management verbetert? Want daar is het voornamelijk om te doen.

In het kader van dit congres wil ik graag focussen op wat er verandert in de wet- en regelgeving en wat dat betekent voor het werkveld van de actuaris. Hierop wordt door het Actuarieel Genootschap ingespeeld door een visie op deze rol te ontwikkelen. Daarnaast zien we ook een rol in de praktijk die zich uit in het schreeuwende tekort dat er nu is. Waar komt dat vandaan en hoe gaan we daar mee om? Momenteel hebben actuarissen vooral de naam van tovenaars die iets met een blackbox moeten doen, wat heel ingewikkeld is, heel veel tijd kost en vooral niet door iemand anders kan worden gedaan. Maar de vraag is of dat zo is.

Risk Management & de actuaris Om te starten met de techniek: risk management is een combinatie van de juiste mensen en de juiste modellen. Het Actuarieel Genootschap houdt zich hier - onder andere - mee bezig, om mensen op te leiden die de juiste modellen kunnen maken en die die vervolgens op een juiste manier toepassen. En zoals alles in de financiële industrie is ook dit aan veel veranderingen onderhevig. Onze meningen over wat juiste modellen zijn veranderen, we ontwikkelen nieuwe inzichten over verbanden tussen waarnemingen, door nieuwe technologieën zijn we in staat om ander soort modellen te gebruiken. Vanuit de organisaties worden er andere vragen gesteld aan de risk manager. Daarmee verandert de rol van de actuaris

Sabijn Timmers-Janssen AAG MBA Sabijn is als voorzitter van de commissie Solvency II van het AG nauw betrokken bij de toekomstige rol van de actuaris. Zij is 20 jaar werkzaam in de financiële industrie, als CRO van DBV, Directeur Insurance Risk Management bij SNSREAAL en Business Executive Solvency II bij Nationale-Nederlanden.

48

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

en gaat de focus van een verzekeringswiskundige naar een breed inzetbare risk manager die van vele markten thuis moet zijn. En intussen verandert ook de rol van de actuaris in de wet- en regelgeving. Reden genoeg voor het AG om een werkgroep te vragen om zich te buigen over deze ontwikkelingen en een visie te ontwikkelen op de toekomst van de actuaris. Deze werkgroep heeft de naam Marsroute gekregen om aan te geven dat het hier gaat om het neerzetten van een visie en de weg daarnaar toe. In maart is het consultatie document opgeleverd dat de basis vormt van dit artikel. Juist ook de nieuwe generatie actuarissen wordt om input gevraagd omdat het over hun rol gaat, over hun toekomstige baan en in welke mate hun opleiding daarbij aansluit.

Ontwikkelingen in Solvency II Aan de basis van de veranderingen staat de Solvency II wetgeving. Deze introduceert een nieuw toezichtkader, dat vanaf 1 januari 2013 van toepassing is op (her)verzekeraars. Op deze ontwikkeling wordt door de centrale banken in Europa toegezien, en die zijn verenigd in EIPOA (The European Insurance and Occupational Pensions Authority). In Nederland gebeurt dat door De Nederlandse Bank. De belangrijkste doelstelling van Solvency II is een betere bescherming van de positie van de polishouders. Dat wil men realiseren door het stimuleren en belonen van effectief risicomanagement in de verzekeringsbranche gekoppeld aan gerichte kapitaaleisen. Door de introductie van Solvency II verandert veel in de wijze waarop verzekeraars de verzekeringsverplichtingen dienen te waarderen, de wettelijk vereiste solvabiliteit moeten vaststellen, het wettelijk beschikbaar kapitaal ter dekking van de solvabiliteit moeten bepalen, het risicomanagement in de organisatiestructuur moeten implementeren en hoe zij over deze aspecten moeten rapporteren. Daardoor neemt onder Solvency II per saldo de complexiteit


NEW GENERATION EXECUTIVE MASTER OF ACTUARIAL SCIENCE

E M A S

The demand for skilled actuarial professionals is still growing. Actuaries are the leading professionals in finding ways to manage risk and managing risk requires knowledge of several disciplines. Understanding how businesses operate, how legislation may impact and how financial economics can affect values are vital skills for an actuary. Distinguish yourself from other risk professionals 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2

Developed in collaboration between the Dutch Actuarial Institute (AI) and TiasNimbas 4 to 5-semester, part-time programme in English State-of-the-art training towards full actuarial qualification Shortest route to become actuary AG (AAG) after completing BSc Lectures are mixed with case-based learning Central training location in Utrecht International recognition Directly applicable in your working environment Exchange of experience and ideas amongst fellow students A major contribution to your network

Transition programme

2 2 2 2

For admission to the EMAS programme, the minimum level of prior education required is the equivalent of a bachelor’s degree awarded by a university of applied sciences, which includes a significant number of exact, quantitative subjects. 6 clusters (15 modules): Financial Economics; Quantitative Methods 1 and 2; Actuarial basic techniques 1 and 2; (Dutch) Law 4 semester, part-time programme in Dutch, starting in September and January Lectures in Utrecht on Monday (afternoon/evening) or Friday Exemptions based on previous degree and/or preliminary education

More information can be obtained from the websites of the two partner organisations, the Dutch Actuarial Institute (www.ag-ai.nl) and TiasNimbas Business School (www.TiasNimbas.edu).


van vereiste kwantitatieve analyses bij het bepalen van de verzekeringstechnische voorzieningen en de benodigde solvabiliteit sterk toe. Hierdoor wordt de rol van de actuaris belangrijker en breder. Het is dan ook positief dat in de Europese Solvency II regelgeving is opgenomen dat een verzekeraar over een actuariële functie dient te beschikken. Naast de actuariële functie wordt in Solvency II ook een risicomanagement functie gedefinieerd. Het AG is van mening dat de actuaris een cruciale schakel vormt in het gehele risicomanagement van een verzekeraar. Het beroep van en de opleiding tot actuaris heeft zich de afgelopen jaren nadrukkelijk meer en meer ontwikkelt

expertise die nodig is voor een adequate invulling van de actuariële en risicomanagement functie. De link tussen de benodigde expertise en het opleidingspakket wordt in het kader van Solvency II expliciet gemaakt.

Toekomstige wettelijke rol van de actuaris De externe wettelijke certificeerrol van de actuaris AG, zoals die in Nederland momenteel geldt, komt in andere Europese landen niet altijd voor. Dit heeft ertoe geleid dat in de Solvency II wetgeving op Europees niveau de certificeerrol niet als wettelijke verplichting is

Zodra er echter specifieke kennis van de onderliggende portefeuille nodig is zal de actuaris weer nadrukkelijk om de hoek komen kijken in de richting van deskundige op het gebied van financieel risicomanagement voor verzekeraars en pensioenfondsen.

Impact op werkzaamheden actuaris De voornoemde veranderingen hebben consequenties voor actuarissen die werkzaam zijn in de verzekeringsindustrie, zowel voor actuarissen die in dienst zijn bij verzekeraars als voor actuarissen die als externe adviseur (dan wel reviewer) werkzaam zijn. Voorbeelden van de voor actuarissen in dit kader relevante aspecten zijn: • door het op actuele waarde waarderen van verzekeringsverplichtingen en andere balansposten neemt de complexiteit daarvan toe • bij de bepaling van het wettelijk vereiste kapitaal wordt een veelheid van risico’s in aanmerking genomen, ook risico’s die van oudsher niet onder de ‘scope’ van de actuaris vallen • de vertaling van de uitkomsten van solvabiliteitsanalyses, actuele waarde bepalingen naar financiële beleidbeslissingen en de implementatie en het monitoren daarvan wordt belangrijker • er moet op een heldere en begrijpelijke manier extern worden gerapporteerd • de huidige in de wet vastgelegde certificerende rol van actuarissen in het kader van de jaarrekening moet worden herzien. Hiervoor moeten onder Solvency II alternatieven in de vorm van een (externe) review ontstaan. De huidige praktijk laat zien dat actuarissen een belangrijke en leidende rol spelen binnen de huidige actuariële en risicomanagement functies van verzekeraars. Ook de opleiding van actuarissen sluit goed aan bij de

50

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

voorgeschreven. Dit neemt niet weg dat er behoefte blijft bestaan aan externe review van de verzekeringstechnische verplichtingen en andere onder Solvency II verplichte openbare en niet-openbare rapportages. Een dergelijke invulling is vanuit het toezicht uiterst belangrijk omdat daarmee meer zekerheid wordt verkregen over de betrouwbaarheid en juistheid van de rapportages. Om de wijzigende rol van de actuaris onder Solvency II te ondersteunen, worden vanuit het Actuarieel Genootschap activiteiten ontplooid om invulling te geven aan een nieuw (actuarieel) normenkader waarbinnen de actuaris AG kan komen tot adequate invulling van de vereisten onder Solvency II. De onderwerpen die hierbij ter hand worden genomen onderstrepen vooral ook het brede palet van de expertise van de actuaris. Omdat het over Europese regelgeving gaat, wordt waar mogelijk samengewerkt met de International Actuarial Association (IAA) en Groupe Consultatif Actuariel Europeen (GC) of gebruik gemaakt van internationaal ontwikkelde standaarden en/ of guidance. Met Solvency II wordt een nieuw wettelijk toezichtkader ingevoerd waarmee de complexiteit van de vereiste kwantitatieve analyses bij het bepalen van verzekeringstechnische voorzieningen en de benodigde solvabiliteit sterk zal toenemen. Het werkveld voor de actuaris als deskundige op het gebied van financieel risicomanagement van verzekeraars, wordt daarmee belangrijker en groter. Stelling vanuit het AG is dat goed risicomanagement van een verzekeraar niet kan zonder de actuaris.

Rol actuaris bij implementatie van Solvency II De praktijk lijkt dit te onderschrijven, we zien immers dat er bij de implementatie van Solvency II een schreeuwend tekort is aan goede actuarissen waardoor andere


oplossingen en invullingen gevonden moeten worden. Hoe komt dat? Zijn we echt zo onmisbaar of hebben we ons onmisbaar gemaakt? Wat vragen we eigenlijk van de actuaris? Laten we eens kijken of we daar wat meer grip op kunnen krijgen. Als basis voor het Solvency II proces gaan we van het ontsluiten van de bron bestanden, de samenwerking met IT en de single source of truth via de kasstroom modellen en de replicerende portefeuilles naar de SCR berekeningen en de bijbehorende analyses. En waar komen we dan de actuaris allemaal tegen? Solvency II gaat ons veel goede dingen brengen, en aan de basis daarvan staat beter inzicht in de risico’s die wij lopen. Dat betekent om te beginnen dat we administratieve systemen moeten ontsluiten. Vaak zijn dat administratiesystemen die al vele decennia prima functioneren en waar eens per kwartaal of eens per jaar een download uit gehaald wordt als input voor de verslaglegging. Straks moet dat echter vaker gebeuren, waarschijnlijk iedere maand. De kwaliteit van de data in deze oude bronsystemen is niet altijd voldoende of volledig om tegemoet te komen aan de eisen die straks gesteld wordt. Denk daarbij bijvoorbeeld aan slapende portefeuilles die al lang niet meer gesloten worden en die in een verouderd systeem zit, of verzekeringen die op basis van een doorsnee premie verzekerd werden en waarvan geen geslacht bekend is, of oude winstdelingsmethoden die op polisniveau bijgehouden moeten worden. Om te komen tot maandelijkse projecties van alle kasstromen, en dat is de basis van de nieuwe rapportage eisen, zullen deze data op een snellere manier, en dus vaak automatisch, ontsloten en verrijkt moeten worden. Dat betekent dat deskundigen die weten wat er precies in de administratie zit, welk dataveld wat is en welke polissen het behelst, samen moeten gaan werken met de IT-ers om dit voor elkaar te krijgen. Het is een uitdaging om twee deskundigen en zeer verschillende disciplines die vaak verschillende talen spreken dit samen op een efficiënte manier op te laten lossen. Dit vraagt, naast de kennis die tot de standaard uitrusting van de actuaris mag worden gerekend, van de inhoudelijk deskundige een basis aan IT kennis, inzage in hoe een systeemlandschap er uit zou moeten zien, welke bewerkingen in wat voor een soort systemen plaats kunnen vinden en bereidheid om de taal van de IT wereld te spreken. En dat is niet voor alle actuarissen even makkelijk.

Risk management is een combinatie van de juiste mensen en de juiste modellen Vervolgens vraagt Solvency II impliciet om One Single Source of Truth, een bak met uniform gedefinieerde gegevens waar iedereen het over eens is dat het de waarheid is. Hier komt de actuaris goed van pas, hij is

meestal degene die precies kan vertellen wat waar staat en wat de inhoud van het desbetreffende veld behelst. We zien dat de berekeningen die gemaakt worden inmiddels al een stuk complexer zijn geworden. Waar we ooit met een tabel met commutatietekens uit de voeten konden staan nu allerlei soorten modellen aan de basis van ogenschijnlijk de meest simpele berekening. Basis is meestal een kasstroom model dat in- en uitgaande kasstromen van de bestaande polissen weergeven. Deze kasstromen zijn op maandbasis beschikbaar tot aan het verwachte einde van de polis, het gaat hier dus om miljarden gegevensvelden. En die moeten allemaal goed zijn! Typisch iets waar je de actuaris bij inschakelt, maar op zich is dat niet perse nodig. Het gaat immers om het contant maken van kasstromen en daar een prijs voor uitrekenen, en dat staat aan de basis van vele economische handelingen. Je mag dus verwachten dat hier ook andere disciplines een steentje aan bij kunnen dragen. Zodra er echter specifieke kennis van de onderliggende portefeuille nodig is zal de actuaris weer nadrukkelijk om de hoek komen kijken.

Zijn we echt zo onmisbaar of hebben we ons onmisbaar gemaakt? Dat geldt ook als er gebruik wordt gemaakt van een replicerende portefeuille voor het berekenen van allerlei marktgevoeligheden. In dat geval wordt de portefeuille van verzekeringstechnische verplichtingen vertaald in een portefeuille van beleggingen waarvoor marktprijzen aanwezig zijn. Deze portefeuille moet goed geijkt worden voordat hij als stuurinstrument gebruikt kan worden, zeker omdat er vaak vooral in tijden van stress en dus complexe markten, een beroep op gedaan zal worden. Hier zullen de belegger en de actuaris nauw samen moeten werken om tot goede resultaten te komen. Vervolgens worden er op basis van de kasstromen allerlei aanvullende berekeningen gemaakt, bijvoorbeeld voor de SCR en voor de stress testen van de ORSA. Basis voor deze berekeningen zijn meestal onderzoeken van de maatschappijen zelf waarin zij de meeste juiste voorspelling voor bijvoorbeeld sterfte en afkoop afleiden uit de ontwikkelingen van de waarnemingen in het verleden. Dit is zeer technische en complexe materie omdat deze voorspellingen in allerlei delen uiteenvallen. Neem bijvoorbeeld sterfte waarbij bevolkingssterfte onder meer beïnvloed wordt door ontwikkelingen in de medische zorg en portefeuille sterfte beïnvloed wordt door medische acceptatie. En alleen al over de afrondingsmethodieken zijn boeken vol geschreven. Kortom, typisch een onderwerp voor de echte technische actuaris.

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

51


Werken bij Mn Services

Mn Services is met regelmaat op zoek naar nieuwe collega’s. Klant- en resultaatgerichte professionals, net zo ambitieus als wij. Al tientallen jaren is Mn Services toonaangevend in institutioneel vermogensbeheer en pensioenuitvoering. En het kan hard gaan bij Mn Services; in de afgelopen vier jaar steeg ons beheerd vermogen van 18 naar maar liefst 70 miljard euro. Met 1000 medewerkers voeren we ook de pensioenadministratie uit voor ruim 2 miljoen Nederlanders en meer dan 35.000 werkgevers. Mn Services is in Nederland de snelst groeiende beheerder van institutioneel vermogen en een van de

grotere onafhankelijke uitvoerders van vermogensbeheer en pensioenadministratie. Je vindt ons in Rijswijk (ZH), Amsterdam en Londen. Instappen en met ons meegroeien? Werken bij Mn Services gaat verder dan een goed salaris; we bieden je een uitdagende werkomgeving met eigen verantwoordelijkheden en mogelijkheden om snel een persoonlijke groei door te maken. Jaarlijks nemen wij voor diverse businessunits ook startende academici aan. Houd onze website in de gaten voor onze vacatures.

www.mn.nl

Advertentie Erasmus.indd 1

17-02-11 15:33


Tenslotte komen er uit al die berekeningen rapportages die geanalyseerd en uitgelegd moeten worden. Hoe meer variabelen er in de berekeningen zitten, hoe complexer de analyse wordt. Met de overgang naar marktwaarde en dus een rentecurve die per maand verschillend is en per maand verandert hebben we een grote boosdoener te pakken. Daarnaast zal in de analyse de totale balans in ogenschouw genomen moeten worden. Er zal onderscheid moeten worden gemaakt tussen verwachte en onverwachte verschillen, gewenste en ongewenste verschillen. Hierbij zal er een nauwe samenwerking moeten zijn met de medewerkers van de finance afdelingen die daar inzage in hebben. Complexe zaken moeten op een heldere manier uitgelegd worden. Voor alle werkterreinen van de actuaris geldt dat de documentatie en presentatie eisen sterk zijn toegenomen en dat er ook op dat vlak veel nadrukkelijkere eisen worden gesteld.

Toekomstige rol van de actuaris in de praktijk Heeft de actuaris zich hiermee onmisbaar gemaakt? Ja, voor de implementatie van Solvency II ontkomen we er niet aan om veelvuldig van zijn kennis gebruik te maken. Actuarissen hebben van oudsher aan de basis gestaan van de producten, ze hebben veelal zelf de systemen ontwikkeld en de rapportages opgezet. Daardoor hebben wij hun kennis nodig om de systemen en processen om te zetten naar een werkwijze die meer in lijn is met de eisen die er in de toekomst aan gesteld worden. Is daarmee de actuaris in de toekomst ook onmisbaar? Ja, voor onder meer het analyseren van de portefeuille en voor het bouwen van de modellen zijn zij van grote waarden. Bij het managen van de risico’s leveren zij ontegenzeggelijk belangrijke input, maar kunnen zij niet zonder hun kompanen met financiÍle- en beleggingskennis. Dat betekent dat de actuaris van de toekomst meer moet kunnen dan goed sommetjes maken. En zijn actuarissen tovenaars die met een blackbox werken? Ja, voor veel mensen wel. Het is een complex vakgebied waar veel ingewikkelde berekeningen worden gemaakt die niet voor iedereen te volgens zijn. Net als in alle andere vakgebieden. Maar de actuaris heeft wel de verantwoordelijkheid om de blackbox inzichtelijker te maken voor de buitenwereld, om meer vast te leggen, meer te analyseren en beter te kunnen uitleggen wat er precies gebeurt. Dat zal de samenwerking met de andere disciplines binnen het verzekeringsbedrijf ten goede komen. En gelukkig zie je dat ook in de opleiding terugkomen. Veel meer dan 15 jaar geleden zijn alle aanverwante kennisgebieden inmiddels onderdeel van de opleiding en is de set aan vaardigheden behoorlijk uitgebreid. Daarmee is de actuaris in mijn ogen een van de potentiÍle kandidaten voor het invullen van de risk management functie bij een verzekeraar. Net als dat je steeds meer actuarissen als CFO ziet is het veelal een kwestie van het doorontwikkelen van de kennis die je in je opleiding krijgt aangereikt om op een geschikte plek in de organisatie te komen.

AENORM 15:33

SPECIAL

Augustus 2011

53


Solvency II: wait for FTK II and think twice! door: Alec Balledux AAG Dit artikel is geschreven op persoonlijke titel Als pensioenactuaris lijkt het me nuttig om eens wat dingen te roepen over de ervaringen die we in Nederland opdeden met een toezichtstelsel dat de blauwdruk lijkt te zijn van Solvency II, namelijk het Financieel Toetsingskader, het op 1-1-2007 ingevoerde FTK. Een toezicht gebaseerd op marktwaarde van bezittingen en verplichtingen “als meest eerlijke waardering” en een kans van 97,5% om over 1 jaar gemeten “niet door de buffers te zijn gezakt”. Kortom, Solvency II lijkt sterk gebaseerd te zijn op het framework dat voor het FTK is bedacht. Een aardig stukje export?

Belangrijke nadelen van het FTK framework Afgezien van pensioentechnische nadelen, zoals het ontbreken van een reële component in het toezicht, kunnen de volgende nadelen worden geformuleerd: 1. De maatstaf van de dekkingsgraad is eenzijdig. 2. De maatstaf is bovendien zeer volatiel en marktsentimentafhankelijk. 3. De maatstaf wordt zeer beïnvloed door de overheid (rentebeleid). 4. De gehanteerde rentetermijnstructuur is voor hogere looptijden twijfelachtig. 5. De benadering van risico’s heeft in combinatie met de nominale maatstaf tot nadelig handelen geleid van de pensioenfondsen. 6. De complexiteit is ernstig vergroot. Een korte toelichting op deze punten. Dat de maatstaf eenzijdig is, maakt dat er weinig nuances zijn. Een dekkingsgraad tekort van 10 procentpunten is voor een pensioenfonds met een gemiddeld oudere deelnemer veel ernstiger dan voor een pensioenfonds met een gemiddeld

Alec Balledux AAG Alec is automatiserend actuaris bij Innovact BV. Hij is lid van het Actuarieel Genootschap en actief binnen de Kring van Pensioenspecialisten (KPS), onder meer in de FTK werkgroep. Hij publiceerde eerder in Aenorm en De Actuaris over onder meer een algemeen pensioenfondsmodel voor uitkeringsstroomprognoses en diverse keren op FDSelections over de pensioen- en FTK problematiek.

54

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

Figuur 1: Procentuele kwartaal veranderingen TV pensioenfondsen sinds FTK invoering

jongere deelnemer, hierna aan te duiden als “Oud” en “Jong” fonds. Toch speelt deze rijpheid van een fonds geen enkele rol. Dat de technische voorzieningen (TV) en, daarmee de maatstaf, sterk schommelen mag wel blijken uit figuur 1, een grafiek van de procentuele verandering in de TV over de 17 kwartalen die verstreken zijn sinds de invoering van het FTK. Deze veranderingen zijn overigens berekend via ons algemeen pensioenfondsmodel waarover ik eerder in de De Actuaris en Aenorm schreef. Bedacht dient wel te worden dat de dekkingsgraad niet deze zelfde sprongen maakte vanwege obligaties en constructies ter afdekking van het renterisico, maar het geeft een goede indicatie van de grote sprongen die op zijn getreden. Dat de maatstaf ook afhankelijk is van het marktsentiment mag duidelijk zijn. Er zijn fondsen die van dag tot dag hun dekkingsgraad bijhouden. De gehanteerde rentetermijnstructuur voor de discontering vertoont de invloed van de centrale bank en dat van het marksentiment, zo valt b.v. in te zien door er grafisch naar te kijken, voor de vijf kwartalen per 31 maart 2007 t/m 2011.


er allerlei herstelplannen geschreven dienden te worden (nog meer kosten) en korting van pensioenaanspraken (het zogenaamde afstempelen) dreigde (goodwill verlies). Niet dat de pensioenfondsen ruim in de jas zaten, integendeel. Alleen het FTK heeft de problemen ernstig uitvergroot. Daar kwam recent ook nog eens bij dat de levensduur van de Nederlander nog eens aanzienlijk bijgesteld diende te worden. Enige gevolgen van deze omstandigheden: Figuur 2: Rentetermijnstructuren tussen 2007 en 2011

In figuur 2 zijn de bovenste twee rentetermijnstructuren van 31-3-2008 en 31-3-2007. Een flink stuk lager komen die van 31-3-2011, 31-3-2010 en 31-3-2009. We zien dat de overheid de korte termijn rentes flink omlaag heeft getrokken. Maar niet alleen dat, we zien ook dat de gehele rentestructuur omlaag is getrokken. Sommigen beschouwen dat als een onderdeel van een lange termijn trend maar anderen zijn van mening dat het hier eerder gaat om marktsentiment. Wat nog verder opvalt is de versterkte daling van de curve na ongeveer 20 jaar. Op zich is zo’n daling bij hogere looptijden opmerkelijk te noemen en hangt vermoedelijke samen met een gebrekkige marktwerking voor deze zeer lange looptijden. Het belang om niet met nominale maar met reële pensioenen te werken is wellicht het eenvoudigste in te zien als men de twee uitkeringsstromen uit figuur 3 met elkaar vergelijkt (oud pensioenfonds). Indien men de nominale verplichtingen (onderste lijn) probeert te matchen, is dat duidelijk anders dan wanneer men de reële verplichtingen (bovenste lijn) probeert te matchen. De benadering van risico’s in het FTK heeft ertoe geleid dat veel fondsen hun renterisico zijn gaan afdekken in tijden van historisch lage rentestanden, waarmee winsten werden weggegeven bij toekomstig hogere rentestanden. Tot slot zijn de pensioenfondsen opgezadeld met complexe regelgeving (waardoor extra kosten) en volgens FTK normen ernstig in de problemen gekomen waarna Figuur 3: De uitkeringsstroomprognose (cash flow) met en zonder indexatie

1. Verkeerde aandacht in de politiek en de media. De goodwill van pensioenfondsen is ernstig door beiden aangetast. In het economische golfdal wordt de pensioentanker al als verloren beschouwd. Allerlei lieden en instanties die nauwelijks verstand van zaken hebben roepen maar wat, zoals dat de Besturen van pensioenfondsen sterk verzuimd hebben, te riskant hebben belegd, hoge commissies hebben genoten, er voor eeuwig geld verloren is gegaan etc. 2. Veel hogere kosten in de uitvoering en de opbouw van pensioenen. 3. De solidariteit tussen de generaties is in gevaar gekomen. 4. Het aantal pensioenfondsen is sterk dalend en men stapt regelmatig over naar DC regelingen en/of verzekeraars (die deze nadelige effecten nog niet kennen). 5. Men overweegt nationaal een geheel ander soort pensioencontract af te sluiten, het zogenaamde pensioenakkoord waarbij de FTK regelgeving zo veel mogelijk wordt omzeild door de toezegging veel minder hard te maken en mee te laten waaien met het marktsentiment. 6. De overheid wil sterk gaan ingrijpen in de fiscale ruimte. Niet alleen door de pensioenleeftijd te verhogen, maar ook door de opbouwpercentages extra te verlagen. 7. Ook is de overheid bezig met een FTK II met mogelijk een demping van de dekkingsgraden c.q. rentetermijnstructuur met een gedeeltelijke aanpassing van de laatste en benevens een alternatief reëel kader.

Conclusie Toezicht uitvoeren op volkomen marktwaarde basis is in Nederland in feite een bijna mislukt experiment. Als zodanig wordt dit nog niet erkend. Feit is dat het FTK ten onrechte heeft geleid tot veel goodwill verlies en serieus wordt overwogen om het beste pensioensysteem ter wereld aan te tasten om maar aan de FTK regelgeving te voldoen. De overheid ziet aan de andere kant ook steeds meer in dat het FTK doorgeschoten regelgeving is en probeert de scherpe kantjes er alsnog vanaf te slijpen in een FTK II. Deze lessen zou men mee moeten nemen voordat men overstapt op een Solvency II regime dat in feite voornamelijk gebaseerd is op het Nederlandse FTK.

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

55


ORSA: Onze Risico’s Samen Aanpakken door: Drs. Céline van Asselt

De ORSA wordt wel het kloppend hart van de Solvency wetgeving genoemd. Toch roept de implementatie ook veel vragen op. Wat is de ORSA nu precies? Wat betekent ORSA implementatie voor de organisatie, welke uitdagingen zijn er? Wat is er al dat gebruikt kan worden? Wat zijn de valkuilen? In dit artikel wordt een tipje van de ORSA sluier opgelicht. Het artikel is gebaseerd op de uitgangspunten van de ‘ORSA Good Practise’ release 1 van de Verbondswerkgroep ORSA.

Wat houdt de ORSA in?

Figuur 1: Article 45 Own risk and solvency assessment

De ORSA beoogt primair een management proces te ontwikkelen dat de realisatie van de business strategie ondersteunt. De manier waarop dit wordt gedaan is door rendement, risico en kapitaal op een consistente wijze met elkaar te verbinden. Alles wordt uitgevoerd binnen de context van de business strategie van het bedrijf: op dit moment en in de toekomst. ORSA maakt onderdeel uit van Pilaar 2 van Solvency II, waarin de kwalitatieve eisen worden gesteld waaraan verzekeraars moeten voldoen. Deze eisen in de Richtlijn op het gebied van System of Governance, een beheerste en integere bedrijfsvoering, zijn principle based geformuleerd. De verzekeraar moet als onderdeel van zijn risicobeheersysteem een zogeheten ‘Own Risk and Solvency Assessment’ (ORSA) uitvoeren. In de Solvency II Directive wordt in artikel 45 (zie figuur 1) melding gemaakt van het uitvoeren van een ORSA. Voor de ORSA zijn geen verdere verplichte uitvoeringsmaatregelen van de Europese Commissie voorzien. EIOPA zal hiervoor Level 3 guidance opstellen. (Sinds 1 januari 2011 is European Insurance and Occupational Pensions Authority (EIOPA) de vervanger van Committee of European Insurance and Occupational

Drs. Céline van Asselt Céline heeft een universitaire graad in bedrijfseconomie aan de UvA en vervolgopleidingen gedaan aan INSEAD en IMD. Zij heeft een brede management carrière in de financiële sector, in institutioneel vermogensbeheer, private banking en verzekeringen. Céline van Asselt is adjunct directeur Risk Management bij ASR Nederland waar ze momenteel verantwoordelijk is voor het Solvency II programma.

56

AENORM

SPECIAL

Article 45 As part of its risk-management system every insurance undertaking and reinsurance undertaking shall conduct its own risk and solvency assessment. The undertaking concerned shall have in place processes to conduct the ORSA. The own-risk and solvency assessment shall be an integral part of the business strategy. The insurance and reinsurance undertakings shall inform the supervisory authorities of the results. The own-risk and solvency assessment shall not serve to calculate a capital requirement. Pensions Supervisors (CEIOPS)). Door de vereisten van Solvency II worden heldere eisen gesteld aan de inrichting van geïntegreerd risicomanagement bij verzekeraars. Voor de vereisten van ORSA komt meer kijken. De verzekeraar moet kunnen aantonen dat de continuïteit van de bedrijfsuitoefening is gewaarborgd en dat de verzekeraar toereikende middelen heeft voor de geplande business, ook met tegenspoed. Het is van belang daarom de samenhang tussen risico’s, kapitaal en rendement, binnen de kaders van de business strategie, te onderkennen. In het implementatiedocument van De Nederlandsche Bank, d.d. maart 2010, staat dat de ORSA een integraal onderdeel is van de strategie van de verzekeraar en moet worden betrokken bij strategische beslissingen. De ORSA moet regelmatig worden uitgevoerd en in ieder geval bij elke belangrijke wijziging in het risicoprofiel van de verzekeraar.

Augustus 2011

Bo


Jij hebt een scherp oog voor ontwikkelingen in de markt Wij hebben een scherp oog op jouw ontwikkeling Actuaris met veranderkracht! Meer weten? Kijk snel op www.werkenbijasr.nl

Wij zijn

Boe_advertentie_A4_Actuaris.indd 1

Jij ook?

Daarna nog vragen? Bel dan met Walter Doorduin 06 512 376 66 Hij staat je graag te woord.

14-06-11 08:25


De ORSA kernprincipes: a. de ORSA moet regelmatig door de leiding van de verzekeraar worden herzien en goedgekeurd, b. de ORSA dient alle materiële risico’s te omvatten die impact kunnen hebben op de mate waarin de verzekeraar aan zijn verzekeringsverplichtingen kan voldoen, c. de ORSA moet gebaseerd zijn op adequate procedures betreffende het meten en beoordelen van risico’s, en de ORSA moet een integraal onderdeel zijn van het besluitvormingsproces binnen de verzekeraar, d. de ORSA is toekomstgericht, rekening houdend met de ondernemingsplannen van de verzekeraar, e. het ORSA proces en de uitkomsten van de ORSA moeten voldoende zijn onderbouwd en gedocumenteerd, en f. het ORSA proces moet onafhankelijk worden beoordeeld (bijvoorbeeld door de Interne Auditfunctie). Figuur 2: De ORSA kernprincipes

Verder maken weliswaar kwalitatieve uitkomsten van risico identificatie en scenario planning onderdeel uit van de ORSA, maar deze zullen moeten worden vertaald naar kwantitatieve uitkomsten: de combinatie van inschattingen (van waarschijnlijkheid en impact) en rekenmodellen (accumulatie / diversificatie) zal uiteindelijk in een risico/kapitaal profiel resulteren. Om meer duidelijkheid te verschaffen over de ORSA heeft CEIOPS hierover in 2008 een Issues Paper uitgebracht. In dit document staat een korte opsomming van een aantal kernprincipes, deze staan in bovenstaand kader. De uitkomst van het ORSA proces leidt ertoe dat de eindverantwoordelijke directie van een verzekeraar naar toezichthouders kan aantonen dat de business doelen kunnen worden gehaald op basis van de risk appetite1. Hiermee wordt bedoeld dat de ORSA toont dat het beschikbare kapitaal, gebaseerd op de risk appetite, voldoende is om het benodigde risicoprofiel af te dekken, mede gebaseerd op een aantal business en stress scenario’s. Binnen het ORSA proces wordt naar ontwikkelingen in de komende jaren gekeken. Dit wordt gedaan door business scenario’s te ontwikkelen, met kleine veranderingen, maar ook met meer pessimistische ontwikkelingen en omvat ook stress situaties2. Stress testing is een essentieel element van iedere ORSA. De uitkomsten van de ORSA zullen management besluiten en acties moeten triggeren om mogelijke risico’s buiten de risk appetite weer op acceptabele niveau’s te brengen. De management acties kunnen worden onderverdeeld in: risico transfer (reinsurance, co-insurance), afbouwen van het risico (desinvestering), of het risico mitigeren door beheersmaatregelen te implementeren die de waarschijnlijkheid en/of impact verminderen. Samenvattend beoogt ORSA primair een management proces te ontwikkelen dat de realisatie van de business strategie ondersteunt. Door ORSA wordt met een ‘risicobril’ naar de gehele onderneming gekeken en daarmee vormt de ORSA een integraal onderdeel van de sturing van de business.

Veel ORSA elementen zijn al aanwezig De ORSA werkgroep van het Verbond van Verzekeraars heeft een Good practise document opgesteld. Het uitgangspunt was om de ORSA te ontdoen van de mystiek en van de complexiteit, en de insteek was om dubbel werk te voorkomen. Belangrijke stap daarbij is te onderkennen welke zaken al aanwezig zijn in de organisatie die goed bruikbaar zijn voor het inrichten van een ORSA. Beschouw de ORSA als een ketting van de juiste schakels. Bepaal dan welke schakels al aanwezig zijn en welke de ontbrekende schakels vormen. 1. Maak de ORSA onderdeel van het business planning proces. Als het gaat om de impact op de business en het aan te houden kapitaal, dan moet de ORSA verder kijken dan een jaar. Het is belangrijk dat deze termijn in lijn is met de business planning cyclus, 3 tot 5 jaar in de toekomst. 2. De ORSA moet input zijn voor besluitvorming en geen rapportage feestje worden. De ORSA zal management besluiten en acties triggeren. Van belang is dat de besluitvorming goed wordt onderbouwd om de stappen en elementen daarbinnen expliciet te maken. 3. De ORSA rapportage vereisten moeten zijn afgestemd op de Pillar 3 vereisten. Ook hier moet overlap voorkomen worden. 4. Maak gebruik van de bestaande risico identificatie instrumenten. Voeg daaraan toe wat nodig is uit hoofde van ORSA, omdat de ORSA alle materiële risico’s moet bevatten, die een impact hebben op de verzekeraar. 5. Het ORSA proces en de uitkomsten moeten voldoende gedocumenteerd zijn. Documentatie moet passen bij het ORSA proces, bij het management karakter ervan, het aantonen dat management er echt mee werkt, en acties heeft ondernomen.

1 Met het risk appetite raamwerk stelt een verzekeraar de risico’s vast die genomen, verwijderd en vermeden moeten worden, gegeven de strategie en de gerelateerde business doelen. 2 Scenario analyse wordt gedefinieerd als het inschatten van de impact van een combinatie van factoren, terwijl stress testing gaat over een extreme vorm van scenario analyse.

58

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011


Wat betekent de implementatie van de ORSA voor de organisatie? Een veelgehoorde veronderstelling is dat om de ORSA goed te implementeren een grootschalige verandering moet worden doorgevoerd. Is dat werkelijk zo? Is het niet mogelijk binnen de huidige organisatie een ORSA uit te voeren? Het is niet mogelijk hier een eenduidig antwoord op te geven. Of het een meer/ minder grootschalige verandering betekent, hangt zeer af van de situatie per organisatie. Een belangrijke graadmeter vormt de mate van volwassenheid van de gebruikte risico modellen. Maar minstens zo belangrijk is de mate van volwassenheid van het Enterprise Risk Management (ERM), van de inrichting van financieel en niet-financieel risico management. Is bijvoorbeeld een heldere ‘three lines-of-defence’ scheiding aangebracht, zijn er risico comités en functioneren ze naar behoren? Bij de implementatie van de ORSA is het goed een aantal vuistregels te hanteren. Geen terughoudendheid. Zoals ook geldt voor de Solvency II gehele regelgeving, zo geldt ook voor de ORSA dat de definitieve wetteksten nog niet beschikbaar zijn. Ondanks dat de regelgeving nog niet definitief is, zullen al wel de voorbereidingen moeten worden gestart. Daarom is het van belang om terughoudendheid te voorkomen.

Management speelt een cruciale rol. Let erop dat het gehele management de verantwoordelijkheid gaat nemen, de ORSA mag nooit het speeltje zijn van de risk manager. Het senior management moet de ORSA als een belangrijk element zien van de business. Dit betekent o.a. een heldere risk appetite. Omdat hiermee de piket palen worden geslagen voor het nemen van risico’s, voor acceptabele risico’s. De ORSA moet dus doorleefd worden in de organisatie, ingebed zijn in de organisatie. Het proces versus de uitkomsten van het proces. Voorts is het cruciaal te beseffen dat de ORSA een proces is, waarbij het proces zelf even belangrijk is als de uitkomst van het proces. Hiermee vertoont de ORSA overeenkomsten met ERM, hetgeen ook een proces is. Kenners van ERM en COSO ERM (Committee of Sponsoring Organizations of the Treadway Commission) zullen een voorsprong hebben bij de implementatie van ORSA. . Betrek alle relevante personen dus in een vroeg stadium bij het proces, en wacht daar niet mee tot de uitkomsten beschikbaar zijn. Afstemming met de toezichthouder. De ORSA is een verplicht onderdeel en verzekeraars zullen de toezichthouder op de hoogte moeten stellen van de resultaten van elke uitgevoerde ORSA in het kader van de informatieverstrekking aan de toezichthouder ingevolge artikel 45 van de Richtlijn. Ook voor de toezichthouder

Figuur 3: De ORSA

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

59


netspar: network for creating high-quality solutions to aging-related issues Netspar, Network for Studies on Pensions, Aging and Retirement is a network connecting two main groups: pension practice and pension science. Netspar endeavors to bring the pension debate to a high level of sophistication and to create high-quality solutions for present and future challenges with respect to an aging society. Would you like to join the Netspar network? Check the website for our partners in science and practice: www.netspar.nl

reconciling short-term risks and long-term goals for retirement provisions This Netspar Research Theme aims to provide a scientific framework for the difficult decisions that must be made by insurance companies and pension funds in the wake of the financial crisis. To do so, researchers from the universities of Amsterdam, Tilburg and Twente cooperate with partners in pension funds and insurance companies while working on subthemes such as longevity risk, solvency requirements, the use of derivatives, illiquid assets, contract design and risk measurement.


De belangrijkste aanbevelingen bij de implementatie van de ORSA. • •

De ORSA is voor het hele management, voorkom dat het een speeltje wordt van de financiële kolom. Het gehele management neemt de verantwoordelijkheid, inclusief commercie, productontwikkeling, operations en finance & risk. De ORSA is niet primair bedoeld als een extra rapportage voor de toezichthouder. Dat zou zonde zijn. Zowel toezichthouder als verzekeringsindustrie moeten er met elkaar voor zorgen, dat de ORSA een instrument wordt ten behoeve van beter management met betere besluitvorming en daarmee leidt tot betere besluiten op langere termijn. Dat is goed voor het bedrijf, voor klanten, voor aandeelhouders en voor toezichthouders. Houd rekening met de situatie van kleinere verzekeraars. De essentie van de ORSA is dat het een risk management proces is, geen wiskundige oefening. Het gaat erom het gebruik van risico modellen te bevorderen, zonder dat het leidt tot ‘risk management bling’ (= alleen ontwikkeld om indruk te maken). Zorg ervoor dat de “risk modeling push” in toom wordt gehouden en dat de ORSA een hulpmiddel wordt bij het realiseren van de business strategie. Het ORSA rapport moet toegankelijk, bondig en actiegericht zijn. De focus in het rapport moet liggen op de management overwegingen en acties.

Figuur 4: De belangrijkste aanbevelingen bij de implementatie van de ORSA.

is de ORSA nieuwe materie. Zoek daarom de afstemming met de toezichthouder en leer samen hoe de ORSA het beste in te richten. Zorg ervoor dat ORSA een management instrument blijft, dat het vooral gaat om de toepassing, dat management structuur op de eerste plaats komt en daarna de juridische structuur. In 2011 voert De Nederlandsche Bank de free format ORSA pilot uit met een zo gevarieerd mogelijke groep van een tiental verzekeraars. Om zoveel mogelijk ervaringen te delen is de Verbondswerkgroep daarom uitgebreid met alle deelnemers van deze DNB ORSA pilot 2011. De toekomst in beeld. De ORSA is toekomstgericht. De verzekeraar moet kunnen aantonen dat de continuïteit van de bedrijfsuitoefening is gewaarborgd en dat de verzekeraar toereikende middelen heeft voor de geplande business, in voor- en tegenspoed. In de steeds sneller veranderende markten is het werken met scenario analyses een goed middel om beter voorbereid te zijn om wat mogelijk komen gaat. Of het nu gaat om interne of externe veranderingen. Voor raden van bestuur van verzekeraars is het van belang om niet bezig te zijn met brandjes te blussen en de waan van de dag. Wat er mogelijk op het bedrijf afkomt op de (middel)lange termijn is belangrijk te onderkennen, om de veerkracht van het bedrijf te vergroten. De ORSA kan daartoe een belangrijk instrument zijn. Verwachtingsmanagement. Tot slot is de implementatie van de ORSA pas echt succesvol wanneer het aansluit bij de impliciete en expliciete verwachtingen van gebruikers, opdrachtgever, en overige stakeholders. Om dit te realiseren, moeten allereerst de verwachtingen van de betrokkenen helder worden gemaakt en in de richting van de benodigde verandering geleid worden. Maak helder welk soort van impact de ORSA kan hebben en ook wat de consequenties zijn als de ORSA niet wordt ingevoerd. Hiermee worden de verwachtingen van de ORSA gemanaged wat latere teleurstellingen zal voorkomen.

Tot slot In dit artikel is een tipje van de ORSA sluier opgelicht, over hoe we Onze Risico’s Samen Aanpakken. Toegelicht is dat met het juiste gebruik van bestaande middelen en de gefaseerde toevoeging van een aantal ontbrekende schakels, de ORSA een toegevoegde waarde heeft in de sturing van ieder verzekeringsbedrijf. Voor meer informatie, zie Verbondsnet van het Verbond van Verzekeraars, ‘ORSA Good Practise’ release 1 van de Verbondswerkgroep ORSA, http://www.verzekeraars.org/home.aspx voor leden van het Verbond van Verzekeraars.

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

61


Nederlandse pensioenfondsen anno 2011 door: Drs. Agnes Joseph AAG

Pensioenfondsen zijn in beweging. De pensioencontracten gaan veranderen, het Nederlandse pensioentoezicht gaat veranderen en er wordt momenteel gewerkt aan een Europees toezichtregime voor pensioenfondsen gebaseerd op de drie pijlers van Solvency II. Deze opeenstapeling van veranderingen zorgt voor veel vragen: hoe ziet ons toekomstig arbeidspensioen er uit?

Eind 2011 verwachten we hierover meer duidelijkheid te krijgen. Dit artikel geeft een kort overzicht van de nut en noodzaak van aanpassingen van (het toezicht op) de arbeidspensioencontracten zoals we die nu kennen.

De pensioencontracten gaan veranderen De huidige vormgeving van de Nederlandse arbeidspensioenen kent vele voordelen, onder andere collectiviteit, solidariteit en verplichte deelneming. Toch moet het beter. Een voorbeeld is de communicatie over de risico’s en onzekerheid van het opgebouwd pensioen, dit is nog niet voldoende. Ook is het pensioenscontract nog niet compleet, waardoor het onduidelijk is wie het risico loopt bij tekorten en wie profiteert bij overschotten. Communicatie Door de kredietcrisis, lage rentestanden en de stijgende levensverwachting zijn de dekkingsgraden van pensioenfondsen flink gedaald. De dekkingsgraad is hierbij gedefinieerd als het vermogen gedeeld door de op marktrente gebaseerde contante waarde van de

Drs. Agnes Joseph AAG Agnes Joseph is werkzaam bij Syntrus Achmea Vermogensbeheer, de Universiteit van Amsterdam en het Actuarieel Instituut. Ze heeft Econometrie, Actuariaat en Economie gestudeerd en is gespecialiseerd in risicomanagement voor pensioenfondsen.

62

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

verplichtingen. Dit is de indicator waarop ook het huidige Nederlandse toezicht op pensioenfondsen is gebaseerd. Bij een erg lage dekkingsgraad kan de toezichthouder een pensioenfonds zelfs dwingen om de reeds opgebouwde pensioenrechten te korten. Een aantal pensioenfondsen heeft dan ook afgelopen jaar de toekomstige rechten en al ingegane uitkeringen van hun deelnemers gekort. De pensioenrechten, waarvan iedereen altijd dacht dat ze ‘gegarandeerd’ en ‘zeker’ waren, bleken dit dus niet te zijn.

De pensioenrechten, waarvan iedereen altijd dacht dat ze ‘gegarandeerd’ en ‘zeker’ waren, blijken dit niet te zijn Er zal in de toekomst dus beter gecommuniceerd moeten worden over de onzekerheid in pensioengelden. Daarbij kunnen we nog onderscheid maken naar verschillende soorten onzekerheid: de ‘nominale’ onzekerheid en de ‘koopkracht’ onzekerheid. In de huidige contracten is meestal sprake van ‘nominale’ zekerheid. Je bouwt nu bijvoorbeeld € 100,pensioen op en dat wordt over 40 jaar uitgekeerd. Die € 100,- kan gegarandeerd zijn, maar het is dan nog wel onzeker wat je er tegen die tijd voor kan kopen in verband met inflatie. Er kan dus worden betoogd dat in de huidige contracten sprake is van een ‘schijnzekerheid’. Je krijgt gegarandeerd een bepaald bedrag als pensioenuitkering, er is ‘nominale’ zekerheid, maar het is onduidelijk wat je hiermee kan kopen, er is dus onzekerheid met betrekking tot de koopkracht van je pensioenuitkering.


Compleetheid contracten In tijden van zeer lage dekkingsgraden zal het pensioenfonds maatregelen moeten nemen om de financiële positie weer op orde te krijgen. Meestal is in de huidige contracten echter niet opgenomen wie mogelijke tekorten dient aan te vullen. Alleen de premiebetaler? Misschien alle deelnemers, of maken we een uitzondering voor de reeds gepensioneerden? Met andere woorden, de huidige contracten zijn over het algemeen niet ‘compleet’. De wet schrijft overigens wel voor dat er altijd sprake moet zijn van evenwichtige belangenafweging, maar hoe je dit moet vormgeven is in de praktijk niet altijd duidelijk. Ook de stijging van de levensverwachting heeft vragen opgeroepen. Pensioentoezeggingen worden gebaseerd op een inschatting van de levensverwachting. Als mensen steeds langer leven dan vooraf werd geschat dan gaat de contante waarde van de pensioenrechten omhoog terwijl daar geen premie tegenover stond. Er is in de huidige contracten echter geen duidelijkheid over de vraag aan wie deze extra lasten kunnen worden toegerekend. Hiermee is het besef gekomen dat de huidige contracten niet toekomstbestendig zijn en is de tijd rijp voor veranderingen aan het pensioencontract. In de uitwerking van het pensioenakkoord van de Stichting van de Arbeid (9 juni 2011) wordt ingezet op nieuwe contracten waarin goede communicatie, koopkracht gerelateerde ambities, en volledigheid van contracten voorop staan.

Nederlands toezichtkader gaat veranderen Naast hervorming van de huidige pensioencontracten wordt er momenteel ook gekeken naar hervorming van het huidige toezichtkader. Onder het huidige toezicht moeten pensioenfondsen buffers aanhouden om financiële tegenvallers op te kunnen vangen. Er is een standaardmodel waarmee de hoogte van de vereiste buffer kan worden berekend. Zo moet een gemiddeld pensioenfonds een dekkingsgraad aanhouden van minimaal 120%: 100% om alle toegezegde ‘nominale’ (dat wil veelal zeggen toezeggingen exclusief koopkrachtbehoud) uitkeringen te kunnen voldoen, en 20% buffer om in 97.5% van de gevallen tegenslagen op voornamelijk financiële markten op te kunnen vangen. De buffer is afhankelijk van de beleggingsstrategie van het pensioenfonds. Hoe ‘veiliger’ belegd wordt, in de zin dat de nominale toegezegde rechten met grote zekerheid uitgekeerd kunnen worden, hoe lager de vereiste buffer. Zeker in tijden van crises zijn pensioenfondsen, onder invloed van het huidige toezichtkader, geneigd om erg ‘veilig’ te beleggen zodat de ‘gegarandeerde’ nominale rechten uitgekeerd kunnen worden. Maar veilig beleggen houdt daarmee ook in dat er kleinere kansen zijn op toekomstige overrendementen, terwijl die overrendementen belangrijk zijn voor koopkrachtbehoud.

Het huidige toezichtkader lijkt dus verstikkend te werken voor de koopkracht en als er niets gaat veranderen aan de huidige pensioencontracten kan dit effect nog worden versterkt. Want gezien de recente marktomstandigheden en de toegenomen beweeglijkheid van beleggingen, is het nu de vraag of die buffer van 20% wel hoog genoeg is om 97.5% zekerheid te bieden. Het ziet er naar uit dat de vereiste buffer in de toekomst hoger zal worden bij ongewijzigde pensioencontracten, hetgeen, naar verwachting, koopkrachtbehoud van pensioenrechten nog meer zal belemmeren.

Lang heeft de Nederlandse pensioensector zich succesvol verweerd tegen het Solvency II regime Gezien de aangekondigde veranderingen van de pensioencontracten door de Stichting van de Arbeid, waarin een pensioenfonds geen harde ‘gegarandeerde’ toezeggingen meer zal doen, maar meer zal sturen op een koopkrachtgerelateerde pensioenambitie, is er ook een grote kans dat het huidige toezicht grotere veranderingen zal ondergaan dan slechts een bufferverhoging. Hoe het toezicht er dan precies uit zal zien is nog niet duidelijk. Uiteraard zal er veel nadruk liggen op de communicatie naar de deelnemers. In geval van onzekere pensioenen (geen garanties maar slechts ambities) zullen deelnemers zeer goed geïnformeerd dienen te worden zodat er geen verkeerde verwachtingen ontstaan.

Europees pensioentoezicht wordt vormgegeven Bij de opzet van nieuw Nederlands toezicht zal er ook rekening gehouden moeten worden met Europa. Lang heeft de Nederlandse pensioensector zich succesvol verweerd tegen het Solvency II regime dat voor verzekeraars geldt. De Europese commissie wil echter wel dat er ook voor pensioenfondsen een nieuw regime komt op basis van de drie pijlers van Solvency II (quantitative requirements, supervisor review en disclosure). Een eerste analyse in de pensioensector levert op dat Nederlandse pensioenfondsen al aan de eisen in de tweede en derde pijler zouden voldoen. In dat geval zou er alleen nog aan de eerste pijler gesleuteld moeten worden. De vraag is echter of dit bewaarheid wordt: onlangs is er bijvoorbeeld een discussie aangewakkerd met betrekking tot de informatie over kosten die gemaakt worden door pensioenfondsen, dit is een aspect uit de derde pijler. Het is interessant om te beseffen dat de Nederlandse discussie (Pensioenen zijn onzeker, daar moet je eerlijk over zijn. Laten we afstappen van hoge buffers en weer efficiënt gaan beleggen) in groot contrast staat met de Brusselse roep om meer zekerheid, grotere

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

63


buffers en armoedebestrijding. Een zeker verschil in kapitaalvereisten tussen pensioenfondsen en verzekeraars kan echter wel gerechtvaardigd worden door de mogelijkheid van pensioenfondsen om rechten te korten. De uitspraak ‘same risks - same rules’ voor verzekeraars en pensioenfondsen gaat dus niet op. Aangezien er een nieuw Solvency regime voor pensioenfondsen zal komen, moet de Nederlandse sector proberen het initiatief te houden door zelf de pen te voeren en een Solvency regime bij de Europese commissie en toezichthouder EIOPA neer te leggen waarmee de sector uit de voeten kan.

De uitspraak ‘same risks - same rules’ voor verzekeraars en pensioenfondsen gaat niet op Hoewel er nog weinig over Solvency gesproken wordt in pensioenland, is ook dit een van de grote uitdagingen in de pensioensector de komende tijd.

Conclusie De komende tijd zijn veel veranderingen te verwachten op pensioengebied. Dat de pensioenleeftijd voor de AOW gaat veranderen staat al volop in het nieuws, maar ook de arbeidspensioenen en het toezicht daarop zullen naar verwachting volledig anders ingericht gaan worden. Dit brengt kansen met zich mee, maar ook risico’s: gaat het bijvoorbeeld lukken om alle reeds opgebouwde pensioenrechten ook onder de nieuwe contracten te plaatsen? Komt er meer uniformiteit tussen de pensioenregelingen, of juist niet? Komende jaren zullen het moeten uitwijzen. Wel is duidelijk dat interessante tijden zijn aangebroken op pensioengebied en dat er ook op Europees niveau beslissingen genomen moeten gaan worden waar iedere Nederlander mee te maken krijgt.

64

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

1150


Wat doe je? als je als actuaris steeds meer invloed hebt op het maken van beleid Bij het realiseren van de doelstellingen van de grootste verzekeraar van Nederland, speelt het actuariaat een belangrijke rol. Wat zijn de financiële effecten van weten regelgeving? En wat betekent dit voor de prijs en premiestelling van producten? Jij bent als actuaris de aangewezen persoon om dit te berekenen en uit te leggen. En niet alleen achteraf, maar al vanaf de start van het maken van beleid.

Het actuariaat Overal waar besluiten worden genomen binnen Achmea speelt het actuariaat een cruciale rol. Actuariële rapportages staan elk kwartaal op de agenda van de Raad van Bestuur. Maar ook het topmanagement van de divisies buigt zich hier regelmatig over. In feite zit je als actuaris in de kern van het verzekeringsbedrijf. Op holdingniveau kijk je naar het beleid en geef je adviezen. Op de actuariaatafdelingen van de divisies gaat je aandacht uit naar productontwikkeling, businessondersteuning en berekeningen rondom risicomanagement. Ook kun je je bezighouden met actuarial reporting.

Loopbaanmogelijkheden Het actuariaat binnen Achmea bied je veel mogelijkheden in je vakgebied op verschillende locaties. Zowel voor starters als ervaren professionals. Daarbij kun je werken op het gebied van schade, leven of pensioenen. Maar je kunt je bijvoorbeeld ook bezighouden met zorg of sociale zekerheid. Het actuele financiële vacatureaanbod vind je op onze website www.werkenbijachmea.nl.

Wat we bieden Wij bieden een afwisselende baan in een moderne en enthousiaste organisatie. De arbeidsvoorwaarden zijn uitstekend: bijvoorbeeld een 13e maand, een pensioenvoorziening en een marktconform salaris. Bovendien kun je rekenen op veel mogelijkheden tot persoonlijke en professionele ontwikkeling.

Achmea Het motto van Achmea luidt: Achmea ontzorgt. Om dat waar te kunnen maken, hebben we medewerkers nodig die verder kijken dan hun eigen bureau. Die oog hebben voor wat er speelt. Maar vooral: mensen die zich inleven in onze klanten en dat weten te vertalen naar originele oplossingen. AV É R O A C H M E A

Meer weten?

CENTRA AL BEHEER ACHMEA

Kijk voor meer informatie op onze website www.werkenbijachmea.nl. Je vindt daar onder meer ons

FBTO

actuele vacatureaanbod, de sollicitatieprocedure, informatie over onze merken en contactgegevens.

INTERPOLIS

Maar ook interviews met medewerkers zodat jij kunt ervaren hoe het is om bij Achmea te werken.

Z I LV E R E N K R U I S A C H M E A

Ontzorgen is een werkwoord 11501469_Almanak_VSAE_210x297.indd 1

14-09-10 13:15


Effectief gebruik van kapitaal in een Solvency II context door: Drs. Wouter Elshof AAG

Solvency II lijkt in eerste instantie voornamelijk de focus te leggen op het beheersen en managen van risico’s zonder veel nadruk te leggen op het rendement. Voor verzekeraars is rendement echter een zeer belangrijk onderdeel van de dagelijkse bedrijfsvoering. Hierbij speelt natuurlijk het behalen van een rendement voor de aandeelhouders een grote rol. Maar ook waar winst niet het hoogst mogelijke doel is, zoals bij Onderlinge Verzekeraars, zijn rendementen van evident belang voor indexatie van toekomstige uitkeringen of het verlagen van premies.

Bij voorkeur wordt een hoog rendement behaald zonder dat hier een risico tegenover staat. Helaas is dit niet aannemelijk. In het algemeen geldt dat het realiseren van een hoog rendement nagenoeg uitsluitend kan door het nemen van risico’s. In zeer bijzondere situaties, zoals bij arbitrage, kan heel kortstondig een hoog rendement worden gehaald bij een gering risico. Op zich is dat prima want risico’s nemen is toch de core business van verzekeraars. Daarbij moet wel een goede analyse plaatsvinden om te bepalen welke risico’s acceptabel zijn en welk rendement kan worden verwacht bij het aangaan van deze risico’s zodanig dat de bedrijfsdoelstellingen worden behaald. In Solvency II worden o.a. de volgende hoofdcategorieën van risico’s onderscheiden: • Marktrisico’s • Verzekeringtechnische risico’s • Operationele risico’s Bij de laatste categorie is het zaak om risico’s zo veel mogelijk te minimaliseren. De eerste twee zijn echter typisch risicocategorieën waarbij een verzekeraar bewust risico’s kan aanvaarden om het verwachte rendement te vergroten. De vraag hierbij is natuurlijk hoe een

Drs. Wouter Elshof AAG Wouter werkt sinds 2010 bij Milliman, hij is verantwoordelijk voor de adviespraktijk op het gebied van risicomanagement. Voordat Wouter bij Milliman in dienst trad, heeft hij acht jaar gewerkt als actuarieel consultant bij Towers Watson en B&W Deloitte. In 2001 studeerde hij af in Econometrie en Operationele Research aan de Rijksuniversiteit Groningen gevolgd door zijn afgeronde opleiding tot actuaris aan de Universiteit van Amsterdam en het Actuarieel Instituut.

66

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

verzekeraar het meest effectief kan omgaan met het kapitaal dat tot haar beschikking staat.

Rendement versus risico Er zijn in het verleden al diverse maatstaven gedefinieerd op basis waarvan het risico kan worden gemeten. Bij het vaststellen van een optimale beleggingsportefeuille wordt veelal gebruik gemaakt van de standaard deviatie van het rendement (zoals bijvoorbeeld toegepast in de Modern Portfolio Theory). Deze maatstaf is echter veel minder intuïtief om toe te passen op verzekeringstechnische risico’s waardoor de verschillende risico’s die de verzekeraar in de portefeuille heeft minder goed vergelijkbaar zijn. In Solvency II wordt een duidelijke maatstaf voor risico’s gedefinieerd: de Solvency Capital Requirement (SCR). Dit is een eenduidige maatstaf die voor alle geïdentificeerde risico’s hetzelfde is, namelijk de daling van de marktwaarde van het eigen vermogen dat binnen 1 jaar met een kans van 0,5% kan plaatsvinden. Dit geeft een goed kader om verschillende risico’s, die in eerste instantie behoorlijk van elkaar kunnen verschillen (zoals marktrisico’s ten opzichte van verzekeringstechnische risico’s), met elkaar te vergelijken. Dit geeft dan ook meteen de mogelijkheid om de verwachte rendementen af te zetten tegen de risico’s om zodoende een effectieve combinatie van risico’s te bepalen. Behalve dat veel discussie kan ontstaan over de wijze waarop risico kan worden gemeten, ontstaat veelal een nog grotere discussie wanneer wordt gesproken over de definitie van rendement. In het beginsel zijn de meesten het er over eens dat in ieder geval waarde dient te worden gecreëerd; maar welke waarde dan? Er zijn diverse maatstaven die de waarde van een verzekeringsbedrijf representeren zoals: IFRS eigen vermogen en/of


resultaat, marktwaarde van het eigen vermogen in de Solvency II balans of bijvoorbeeld de (Market Consistent) Embedded Value of Appraisal Value. Het is belangrijk om als verzekeraar een duidelijke strategie te hebben op basis van welke waarde primair wordt gestuurd. Hierbij moet worden opgemerkt dat de externe omgeving er waarschijnlijk voor zal zorgen dat meerdere waarderingsgrondslagen een rol blijven spelen.

De marktprijs voor risico is er nog niet Wanneer we naar het Solvency II raamwerk kijken, lijkt het voor zich te spreken om als rendementsmaatstaf de verandering van het marktconsistente eigen vermogen te nemen. Het verwachte rendement per eenheid risico is dan de verwachte toename van het eigen vermogen gedeeld door het (intern) vereiste aan te houden kapitaal. Omdat de marktprijs voor risico er nog niet is (en er waarschijnlijk ook niet snel zal komen), kan voor een zelfde hoeveelheid aan te houden kapitaal een ander verwacht rendement voor verschillende risico’s worden behaald. Het is dan natuurlijk zaak om de krenten uit de pap te selecteren. Hierbij dient in ieder geval rekening te worden gehouden met een aantal belangrijke zaken: • •

Diversificatie voordelen tussen verschillende risico’s Sommige risico’s kunnen moeilijk stand-alone worden bekeken.

In de optimalisatie van het rendement op vereist kapitaal zijn de verschillende risico’s en rendementen onlosmakelijk met elkaar verbonden. Hieronder staat een aantal voorbeelden om te illustreren dat een onjuiste interactie tussen risico en rendement kan leiden tot foutieve conclusies en wellicht verkeerde beleidsbeslissingen. Voorbeeld 1: cross selling Veel verschillende producten worden in samenhang verkocht. Wanneer dan wordt gekeken naar het verwachte rendement ten opzichte van het vereiste kapitaal is het belangrijk deze producten niet stand-alone te analyseren. Stel er is een verzekeraar waar het verwachte rendement op kapitaal voor de autoverzekering heel laag is maar voor de - via cross selling aangeboden - brand- of rechtsbijstandverzekering heel hoog. Het verlagen van de productie van autoverzekeringen vanwege het lage rendement, beïnvloedt dan direct de verkoop van het zeer winstgevende product. Met waarschijnlijk een daling van het totale rendement op kapitaal tot gevolg. Sterker nog, het is goed mogelijk dat wanneer de marginale toename van het rendement op kapitaal van de autoverzekering wordt beschouwd gegeven de overige producten, deze vanwege de diversificatie voordelen tussen de kapitalen, zelfs een positieve bijdrage oplevert.

Voorbeeld 2: verzekeringstechnische risico’s en marktrisico’s Een ander duidelijk voorbeeld is een levensverzekering tegen koopsom. De verzekeraar die bij verkoop van de polis een verzekeringstechnisch risico heeft binnengehaald, kan er voor kiezen deze risico’s uit te breiden met marktrisico’s door de koopsom (deels) te beleggen in zakelijke waarden. Zakelijke waarden kenmerken zich door dat zij naar verwachting een hoger rendement genereren dan (illiquide) vastrentende waarden. Aangezien de algemene verwachting is dat de risico’s behorende bij de belegging in zakelijke waarden een diversificatie voordeel opleveren ten opzichte van de verzekeringstechnische risico’s, kan er een hoger verwacht rendement per eenheid risico worden behaald. Dit is een belangrijke reden om dit soort producten niet alleen te analyseren op de verwachte winstgevendheid aan de verzekeringstechnische kant (zoals bijvoorbeeld het geval is in een MCEV benadering) maar dat alle risico’s integraal worden benaderd. Voorbeeld 3: illiquiditeitspremie risico In Solvency II wordt gebruik gemaakt van een illiquiditeitspremie voor het verdisconteren van de verzekeringsverplichtingen. Hierdoor worden de marktconsistente voorzieningen verlaagd en dat resulteert in eerste instantie in een hoger eigen vermogen. Verdisconteren op basis van een yield curve inclusief een illiquiditeitspremie laat dus gunstigere cijfers zien voor de verzekeraar in de marktconsistente balans en de waardering van nieuwe productie. Er moet dan wel kapitaal worden aangehouden vanwege het risico op een mogelijke daling van de illiquiditeitspremie. Echter, indien er niet daadwerkelijk kan worden belegd in vastrentende waarden met dezelfde illiquiditeitspremie zonder aanvullende risico’s te lopen, dan laat de verzekeraar een vertekend beeld zien. Als er namelijk wordt belegd in risicovrije obligaties zonder illiquiditeitspremie dan daalt naar verwachting het eigen vermogen in de toekomst omdat de verplichtingen naar verwachting harder zullen stijgen dan de beleggingsportefeuille. Er is dan een negatief verwacht rendement terwijl er ook nog extra kapitaal moet worden aangehouden. Een mogelijke – en voor de hand liggende – oplossing zou zijn om wel te beleggen in de illiquide obligaties. Echter als deze niet zijn te vinden in de markt (ze zijn immers illiquide) zal de verzekeraar andere manieren moeten vinden om enerzijds de risico’s te verminderen en anderzijds het verwachte rendement te vergroten. Een mogelijkheid is het beleggen in bedrijfsobligaties waar een hoger rendement op wordt gehaald en waarbij door de (verwachte) correlatie met de illiquiditeitspremie, het illiquiditeitspremie risico wordt gemitigeerd. Dit heeft wel tot gevolg dat de verzekeraar een extra risico loopt, zijnde spreadrisico.

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

67


Mogen wij ons even voorstellen Wie zijn we? Wij zijn een jong adviesbureau, bestaande uit ongeveer 25 werknemers. Onderdeel van het wereldwijde Milliman netwerk, maar economisch zelfstandig. Gevestigd in zowel Amsterdam als Baarn. Leuk werk vinden wij erg belangrijk. Wij zijn wat minder gericht op de meer traditionele actuariële werkzaamheden. Onze aandacht gaat juist uit naar veel relatief nieuwe gebieden, zoals variable annuities, life settlements, financial risk management, pricing en hedging van opties en garanties in verzekeringsproducten, bestuursadvisering van pensioenfondsen en health consultancy. Creativiteit, inhoudelijke diepgang en research staan bij ons hoog in het vaandel. Ook qua organisatie zijn wij heel anders dan de meer traditionele actuariële bureaus. Wij stimuleren ondernemerschap en een zelfregulerende organisatie. Ons verdienmodel is dan ook gebaseerd op een vergaande vorm van winstdeling.

Wat zoeken we? We zoeken altijd getalenteerde, gemotiveerde en ondernemende mensen die ons team willen komen versterken. Creativiteit, technische vaardigheid en gevoel voor ondernemerschap zijn voor ons belangrijke eigenschappen. We zoeken mensen met een drive. Een stage behoort ook tot de mogelijkheden.

Wat bieden we? Lokale inhoudelijke opleiding in Amsterdam of Baarn. Persoonlijke coaching door één van onze consultants. Mogelijkheden voor internationale trainingen o.a. in New York en Chicago. Nauw contact met collega-actuarissen en consultants over de hele wereld. Jaarlijks Millimancongres op steeds wisselende locaties. Een goed basissalaris, een goed bonusperspectief en carrièremogelijkheden. Maar bovenal: leuk werk.

Meer weten? Wil je meer weten neem dan contact op met Martijn Fonville, 035 – 54 88 010 of 06 – 30 09 78 72.

Geïnteresseerd? Stuur een e-mail naar martijn.fonville@milliman.com met je motivatie en CV.

Meer informatie: www.milliman.com


rk, wat we in ng ële op

Risk Appetite De hoeveelheid risico dat een verzekeraar wil lopen, hangt af van de zogenoemde risk appetite. De risk appetite geeft het kader aan van de risico’s die een verzekeraar wil lopen. Dit kan betrekking hebben op de soort risico’s die men wil lopen maar kan ook bijvoorbeeld een kwantitatieve maatstaf zijn die een beperking aangeeft van het vereiste solvabiliteitskapitaal ten opzichte van het aanwezige eigen vermogen (de solvabiliteitsratio). In veel gevallen maken verzekeraars een link tussen de hoeveelheid kapitaal die ze willen aanhouden en de rating die ze willen nastreven van externe rating agencies zoals Moodys, Standard & Poors of Fitch. De redenering hierbij is dat hoe hoger het kapitaal dat wordt aangehouden, des te lager de kans op default en dus hoe hoger de rating. Dit kan weer voordelen opleveren in het geval de verzekeraar externe financiering wil bewerkstelligen. Maar ook voor klanten kan dit in sommige gevallen een aantrekkingskracht hebben, er is immers een hogere mate van zekerheid dat de verzekeraar niet failliet gaat en dus kan uitkeren wanneer jij het nodig hebt. Een hogere interne kapitaaleis betekent echter ook dat het rendement per eenheid kapitaal zal dalen. Hierin moet dus een evenwicht worden gezocht en wat zal samenhangen met het verwachte rendement dat een verzekeraar wenst te behalen op het kapitaal. Kader 1: Risk Appetite

Kader 2: Interne kapitaaleis versus standaard model

Interne kapitaaleis versus standaard model Er zijn verschillende methoden om het risico te meten. Een van de maatstaven is het verlies dat een verzekeraar kan dragen gegeven een bepaalde tijdsperiode. Zo wordt er in Solvency II gebruik gemaakt van de 1-jaars 99,5% Value at Risk (VaR). Een verzekeraar kan er echter voor kiezen om voor de interne aansturing te kiezen voor een andere maatstaf. Zo maken veel verzekeraars gebruik van een eigen kapitaalmodel om beter inzicht te krijgen in de hoeveelheid kapitaal die ze wensen aan te houden gegeven de risico’s die ze lopen en hun eigen specifieke risk appetite (risicoprofiel). Hierbij zijn ze niet gebonden aan de methoden die worden voorgeschreven in Solvency II maar kunnen ze gebruikmaken van een methodologie die zij zelf het best vinden passen bij hun risicoprofiel.

eit, met

en de en

Figuur 2: vergelijken interne eis met de SCR

Het hebben van een eigen kapitaalmodel kan grote voordelen met zich mee brengen, o.a. omdat op basis hiervan een betere inschatting van de risico’s kan worden verkregen ten opzichte van een standaard model. Een betere inschatting van de risico’s stelt de verzekeraar beter in staat de goede risico’s (hoog rendement ten opzichte van risico) te selecteren ten opzichte van een concurrent die alleen het standaard model hanteert.

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

69


Criterium Impact op vereist kapitaal Implementatietijd Flexibiliteit Risico’s Beschikbaarheid Transparantie Kosten Rendement Volatiliteit winst en verliesrekening

Beschrijving Grootte van impact op de solvabiliteit Verwachte doorlooptijd om maatregelen te realiseren Indicatie in hoeverre de verzekeraar de voorgestelde maatregel ongedaan kan maken / verder kan uitbreiden Overzicht van de risico’s die mogelijk worden gecreëerd door de management actie Indicatie of de management actie toepasbaar is in verschillende economische situaties Mate van transparantie van de condities van de management actie Verwachte implementatiekosten Verwachte impact op het rendement Verwachte impact op de volatiliteit van de winst en verliesrekening

Tabel 1: Verschillende beschouwbare criteria

Management acties In de afweging tussen risico en rendement zoals hierboven beschreven, is dus de cruciale vraag: hoe kan het totale verwachte rendement worden verhoogd op het kapitaal dat de verzekeraar tot haar beschikking heeft? Voor deze optimalisatie heeft een verzekeraar verschillende mogelijkheden tot haar beschikking, zoals: • Aanpassingen in de beleggingsportefeuille • Hedgen van risico’s door middel van inzet van derivaten • Herverzekering • Prijsbepaling van nieuwe productie (winstgevendheid vs. omzet) • Securitisatie of verkoop van delen van de verzekeringsportefeuille • Het toepassen van leverage (bijvoorbeeld het uitgeven van een achtergestelde lening) • Etc. Natuurlijk zijn er meer zaken waarmee rekening dient te worden gehouden bij het managen van de risico’s.

breiden dan wel te mitigeren in een Solvency II context. Zo kan op relatief korte termijn de aandelen exposure worden teruggebracht of een put-optie worden gekocht op de aandelenportefeuille om het neerwaartsrisico te mitigeren. Vanwege diversificatie kan het effect op de totale SCR wel eens veel lager zijn dan in eerste instantie gedacht, vooral wanneer de exposure al relatief laag is. Voor veel andere maatregelen zijn de effecten echter minder voorspelbaar, zeker wanneer ze worden beschouwd in samenhang met de andere risico’s die op de balans staan.

Inzicht krijgen in rendement versus risico De voorgaande paragrafen maken duidelijk dat voor het verkrijgen van een goed beeld van rendement ten opzichte van risico, mogelijke beleidsmaatregelen integraal moeten worden bezien. Wanneer de definitie van het rendement is vastgesteld, kan de verwachting hiervan worden afgezet tegen het vereiste kapitaal. Vervolgens kan worden geanalyseerd op welke wijze het kapitaal het beste kan worden ingezet.

Vanwege diversificatie kan het effect op de totale SCR wel eens veel lager zijn dan in eerste instantie gedacht Management acties moeten idealiter minimaal worden beoordeeld op een aantal van tevoren vastgestelde criteria. In tabel 1 wordt een aantal criteria weergegeven die kunnen worden beschouwd. Vooral als het gaat om het verhogen of verlagen van het marktrisico is het niet heel moeilijk om een paar management acties te bedenken om snel risico’s uit te

70

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

Een goede manier om hiernaar te kijken is een scenario analyse waarbij de impact van een beleidsmaatregel op de gehele (Solvency II) balans en het vereiste kapitaal wordt geanalyseerd. In figuur 1 op de volgende pagina is een voorbeeld weergegeven waarin zowel het effect van een prijsverlaging voor de nieuwe productie (inclusief wijziging van volumes) evenals een aanpassing in


Figuur 1: voorbeeld scenario analyse: nieuwe productie en beleggingsmix

de beleggingsmix wordt bepaald op het verwachte rendement en vereiste kapitaal. Even eenvoudig kan hiermee bijvoorbeeld de impact worden geanalyseerd van het veranderen van de risk appetite (zie kader 1 en 2) of het uitgeven van een achtergestelde lening op het verwache rendement op het eigen vermogen.

Tot slot Hoewel Solvency II voornamelijk is geÍnt op het managen en beheersen van de risico’s, biedt dit een enorme kans om op basis van een meer uniform kader voor het bepalen van de verschillende risico’s, het risicoprofiel van een verzekeraar en de daarbij behorende verwachte opbrengsten beter integraal in kaart te brengen. Hierbij is het van groot belang dat de verzekeraar voldoende inzicht heeft in de mogelijke managementacties die zij tot haar beschikking heeft en welk effect deze hebben op de verwachte ontwikkeling van de marktwaardebalans. Door middel van het uitvoeren van scenario analyses waarbij verschillende management acties worden vertaald naar een impact op het verwachte rendement en het hierbij behorende kapitaal kan meer inzicht worden verkregen in de effectiviteit van de inzet van het beschikbare kapitaal.

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

71


ORSA and Economic Modeling Choices door: Dr. Bert Kramer, Dr. André van Vliet and Drs. Wendy Montulet RBA The introduction of the new European Solvency II regulation for insurance companies is expected at the end of 2012. These new rules are markedly different from the current Solvency I rules. Therefore, insurance companies started preparing for these changes long before the introduction date. The current Solvency I rules are only based on the characteristics of the liabilities where the technical reserves are based on book value accounting. Furthermore, the Solvency I requirements do not depend on the risks taken. In contrast, the forthcoming Solvency II requirements are based on a total balance sheet approach with all relevant balance sheet items valued at economic (market) value. Furthermore, Solvency II looks at a wide range of risks and applies a Value at Risk approach to determine capital requirements.

Introduction With the Solvency I rules, supervisors only look at the current solvency level of an insurance company. No prospective long-term analysis is required. As a consequence, decision making is generally based on short horizons. In contrast, within Solvency II insurance companies are required to perform an Own Risk and Solvency Assessment (ORSA), which is a prospective analysis with a three to five year horizon. This forces insurance companies to shift their focus to longer

Dr. Bert Kramer

72

AENORM

horizons. The prospective nature of the ORSA also implies that insurance companies have to apply risk models to generate prospective scenarios for possible developments of the relevant risk factors. A major risk factor for insurance companies is economic or market risk. In this article, we will discuss the influence of economic modeling choices on the ORSA within Solvency II. But before we come to that, we will first discuss the link between ORSA and Asset Liability Management (ALM).

ORSA and ALM

Bert (1968) studied econometrics at the University of Groningen. In 1996, he received a PhD degree in Management. Bert joined Ortec Finance in 1995. His current position is team manager Research. His fields of expertise are ALM for non-life insurance companies, housing corporations and property investors. From 1997 – 2000 Bert also was Assistant Professor of Finance at Tilburg University.

Under Solvency II Pillar 2, all insurance companies are required to undertake an ORSA. The ORSA should provide a forward-looking perspective of the long-term solvency development based on the integral strategy of the company. The time horizon of the ORSA must be identical to the time horizon used in the business planning process, which is usually three to five years. The focus is not (only) on the expected solvency development, but specifically on the uncertainty and risks with respect to the solvency development. That is, a risk-based view is expected. Furthermore, all balance sheet projections

Dr. André van Vliet

Drs. Wendy Montulet RBA

André (1967) studied econometrics at Erasmus University Rotterdam. In 1995 he received a PhD degree in Operations Research. Parallel with his academic work, he started his professional career at Ortec on logistic optimization in 1988. In 2000 he changed his working environment from logistics to finance. Since 2006 he is managing director of the business unit Insurance Risk Management.

Wendy (1974) studied econometrics at Maastricht University. She joined Ortec Finance in 1997 and completed the post-doctoral study for Financial and Investment analyst at the VU University Amsterdam in 2004. At Ortec Finance she is heading projects on ALM, Solvency II, and market value modeling of insurance contracts. Wendy is team manager of the Insurance Risk Management department.

SPECIAL

Augustus 2011

Jez


Jezelf overtreffen-staand.indd 1

15-6-2011 12:06:40


should be on market value. The ORSA should take into account the insurer’s business plans and projections; and all material risks that may impact the insurer’s ability to meet its obligations under the insurance contracts should be evaluated. Therefore, an integrated stress and scenario testing framework should be used. The recommended frequency is (at least) annually, with an update if the risk and solvency profile has changed significantly. Performing an ORSA is very similar to performing an ALM study. Both have a long-term perspective and take into account all material risks. Both include a forwardlooking balance sheet (Capital and Solvency) projection over the business planning period. Both look at future

• Term structure of risk and return: Risk and return

properties such as means, volatilities, correlations and distributions vary with the investment horizon. For instance: the correlation between equity returns and inflation is around zero for short horizons, but it increases to over 0.5 on a 30 year horizon. • Business cycle dynamics: For example, stock prices tend to lead the business cycle (in GDP) while unemployment typically lags the business cycle. • Volatility dynamics: Volatility itself is volatile and shows dynamics and correlations. Typically, the correlation between the actual return and volatility is negative for equity (high volatility and bad returns tend to happen together).

Therefore ALM software can be used to perform the quantitative analyses required within an ORSA. capital and solvency levels under different (base, best and worst case) scenarios. The main difference is, that an ORSA also requires more qualitative descriptions of issues like the governance processes, the legal and organizational structure, risk management strategy, risk appetite, risk management process, etceteras. Therefore, in our opinion, ALM software can be used to perform the quantitative analyses required within an ORSA. So within an ORSA, an insurance company can use ALM software to monitor whether given the current integral strategy and business projections their own funds held are adequate given the policy horizon, given the risks they face and given their risk tolerance and risk limits.

Economic modeling within ORSA One of the main risk categories for insurance companies is that of market risk. This includes risk related to the uncertain return on investments (equity, bonds, credits, real estate …) and risk related to changing interest and discount rates. Within an ORSA, scenarios have to be generated and analyzed for these and other risk factors. Scenarios are future trajectories modeling the external insecurities that decision makers must take into account in their policy determination and evaluation. With the use of a corporate model of the insurance company we can calculate, for every year and each scenario, what the consequences of the policy intentions are. The scenarios used within an ORSA can be obtained from a scenario model. The scenarios generated by such a model should be realistic. That is, scenarios generated by the model should contain all known real world features and dynamics. Examples of well known real world features as reported by the academic literature are:

74

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

• Tail risk: Correlations increase in the left tails of the distribution. Consequently, the benefits of diversification disappear during crises at times when it is needed most. • Non-normal distributions: Distributions typically do not resemble the Normal distribution, but are skewed and have fatter tails. Ignoring one or more of these real world features may impact the outcome of an ORSA, resulting in incorrect conclusions and actions. To consistently model the economic risks within an ORSA, we propagate the use of frequency domain techniques as described in, for example, Steehouwer (2010); combined with (non-Normal) factor models for high dimensional processes. The frequency domain methodology consists of a number of statistical and econometric techniques such as spectral analysis, frequency decomposition (filtering) and frequency restricted stochastic processes. The aim is to describe all the aspects of the time series behavior of economic variables at the same time, rather than focusing on a subset of aspects (e.g. only the long term properties). The basic idea underlying the methodology and frequency decomposition in particular is illustrated in Figure 1. Figure 1: Frequency decomposition of the Dutch long interest rate


Figure 2: 1,000 scenarios for the solvency ratio. Left panel: set 1; right panel: set 2.

Figure 1 (on the previous page) illustrates how a long term interest rate series can be decomposed into a long term (low frequency) and short term (business cycle) component using filtering techniques. The filtered components are orthogonal (uncorrelated) and add up to the original series. Spectral analysis techniques can be used to further analyze the (multivariate) dynamic behavior of the filtered time series. A frequency based decomposition has the following advantages:

• There is no loss or suppression of long term

information (as happens when modeling based on returns): both long and short term fluctuations are visible Appropriate data can be used for the relevant aspects of the series behavior: for example, long term (annual) series for long term behavior and higher frequency (monthly, weekly or even daily) short term series for short term behavior. Empirical behavior at all horizons can be modeled simultaneously due to separate modeling of the various components. Because they are uncorrelated, separate models for the various components can be devised. In the end the results from the component models can then be brought together again. Time varying (i.e., stochastic) volatility can also integrated in this decomposition framework by using long term realized volatility time series. This enables high dimensional modeling of long and short term volatility dynamics including mutual and return correlations.

With this methodology it is possible to construct time series models that give a better joint description of the empirical long term behavior of economic and financial variables, bring together the empirical behavior of these

variables at different horizons and get insight in and understanding of the corresponding dynamic behavior. In the next section we will show an example of the impact of different economic modeling choices on ORSA outcomes.

ORSA example We will show the impact of different economic modeling choices on the ORSA results for the stylized case of a Dutch healthcare insurer without supplementary health insurance. That is, this insurance company only sells the standard package of essential healthcare as determined by the Dutch government (i.e., the mandatory basic health insurance). Due to a settlement system via a central fund, the insurance risk run by Dutch health insurance companies is relatively low. Therefore, the main risk factor is investment risk. The return on investment should at least keep up with medical inflation. The asset mix of this insurance company consists of 12.5% worldwide equity, 50% Euro government bonds, 10% Euro credits, 25% cash and 2.5% commodities. We use the Ortec Finance ALM model to generate and analyze 1,000 scenarios for the relevant economic and financial variables. These scenarios are generated using the frequency domain techniques as described above, taking into account the real world features of these variables as reported by the academic literature. We will compare the results for two different scenario sets:

• Scenario set 1 is based on annual data with constant volatility and no explicit modeling of tail risk;

• Scenario set 2 is based on monthly data with

stochastic volatility and explicit modeling of tail risk (via non-Normal factors).

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

75


LeanApps LIFE INSURANCE SOLUTIONS

Werken op het snijvlak van (international) business, Insurance en ICT?

www.leanapps.com Wie zijn wij? LeanApps is een snel groeiende, gespecialiseerde en professionele organisatie die zich richt op het ontwikkelen van standaard webbased software voor nationale en internationale levensverzekeraars. Deze software vormt het hart van de polisadministratie; van product ontwikkeling, offerte tot het volledige polisbeheer. Met LeanApps Life is de verzekeraar in staat via straight through processing haar operational excellence te bereiken. Sinds 2001 is LeanApps inmiddels uitgegroeid tot een solide organisatie met circa 85 eigen medewerkers. Hoogwaardige IT en actuariële kennis vormen de basis voor onze bedrijfskritische oplossing LeanApps Life. De service organisatie van LeanApps begeleidt onze klanten bij de implementatie van onze oplossing. De komende jaren verwachten wij niet alleen in Nederland, maar ook in het buitenland forse groei door te maken. Belangrijke thema’s voor onze organisatie zijn: • Klantgerichtheid • Lange termijn partnership • Kwaliteit • Groei & internationalisatie • Optimalisatie Kijk op onze website voor de mogelijkheden www.leanapps.com

Gooimeer 1D • 1411 DC Naarden • Tel. 035 695 60 10 • info@leanapps.com


Set 1 (no stochastic vol. and no tail risk) P(solvency ratio SCR < 120%) P(solvency ratio SCR < 125%) VaR 95% solvency ratio SCR VaR 97.5% solvency ratio SCR VaR 99% solvency ratio SCR

2011

Set 2 (stochastic vol. and tail risk)

2011

2012

3.8 22.7 120.7 118.9 117.0

P(solvency ratio SCR < 120%) P(solvency ratio SCR < 125%) VaR 95% solvency ratio SCR VaR 97.5% solvency ratio SCR VaR 99% solvency ratio SCR

2.2 11.8 122.4 120.3 117.5 2012

6.8 27.1 119.0 117.9 115.9

3.3 14.2 121.3 119.2 117.1

2013 0.8 5.1 125.0 123.3 120.5 2013 0.7 5.1 124.9 122.8 120.3

Table 1: Numerical results ORSA based on 1,000 scenarios

Both sets are based on data up to 31 December 2010 and have the same expected (average) values for all variables. The results are summarized in Figure 2 and Table 1. In Figure 2, the differences are not very clear, but at least you can see that in set 2 the downside risk is somewhat larger that in set 1, especially for the first year (2011). That is, taking into account stochastic volatility and tail risk increases the total risk in this case. The differences between the two sets become clearer when one looks at Table 1. Here we see that the probability that the solvency ratio drops below 120% within one year significantly increases from 3.8% to 6.8% when stochastic volatility and tail risk are taken into account. The second year (2012) also shows higher risks with Set 2. By 2013, the differences are negligible. So the modeling choices shown in this example mainly influence the ORSA results for short horizons. However, these differences in the first two years can significantly impact the conclusions for the company and for the supervisor. These differences can lead to risk limits being violated in one case and not in the other. Therefore, in our opinion this example reemphasizes the need to carefully consider how economic risks are and should be modeled when performing an ORSA.

References Steehouwer, H. (2010), â&#x20AC;&#x153;A Frequency Domain Methodology for Time Series Modelingâ&#x20AC;?, in Berkelaar, A. J., Coche, J. and Nyholm, K. (2010), Interest Rate Models, Asset Allocation and Quantitative Techniques for Central Banks and Sovereign Wealth Funds, Basingstoke: Palgrave Macmillan.(pp. 280-324)

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011

77


Routebeschrijving

Openbaar vervoer De Rode Hoed ligt in het centrum van Amsterdam, ongeveer 10 minuten lopen van het Centraal Station. Door haar centrale ligging is De Rode Hoed goed bereikbaar per openbaar vervoer. Het openbaar vervoer biedt diverse mogelijkheden: tweede stop vanaf het Centraal Station, halte Nieuwezijds Kolk, met tramlijn 1, 2, 5, 13 en 17. Met lijn 13 en 17 is uitstappen ook mogelijk bij de halte Westermarkt. De looproute is ingetekend op het kaartje. (via Korte Lijnbaanssteeg)

Eigen vervoer Vanuit Den Haag Via A4 richting Amsterdam. Kies bij Amsterdam A10 richting Zaanstad. Vervolgens afslag S103 richting Haarlem. Onderaan afslag rechts richting centrum, Haarlemmerweg. U blijft de weg volgen, via Haarlemmerplein, richting Centraal Station. Vanuit Amersfoort Via A1 richting Amsterdam. Kies bij Amsterdam voor de Ring Amsterdam Oost (richting Zaandam). Vervolgens afslag S114 Artis. Onderaan afslag links richting centrum, via Piet-Heintunnel, richting Centraal Station. Na de Piet-Heintunnel rechtsaf de Piet-Heinkade op, daarna de weg volgen richting Centraal Station. Vanuit Utrecht Via A2 richting Amsterdam. Kies bij Amsterdam voor de Ring Amsterdam Oost. Vervolgens afslag S114 Artis. Onderaan afslag links richting centrum, via Piet-Heintunnel, richting Centraal Station. Na de Piet-Heintunnel rechtsaf de Piet-Heinkade op, daarna de weg volgen richting Centraal Station.

Parkeren Op loopafstand van De Rode Hoed bevinden zich de parkeergarages De Kolk aan de Nieuwezijds Voorburgwal en de ANWB parking bij het Centraal Station. De looproute is ingetekend op het kaartje.

Looproutes 1: Halte Nieuwezijds Kolk. Vanaf CS met tramlijn 1, 2, 3, 13 en 17 2: Halte Westermarkt.Vanaf CS met tramlijn 13 en 17 P1: Parkeergarage De Kolk P2: Parkeergarage ANWB parking Centraal Station raadpleeg ook de internetsite www.naaramsterdam.nl

78

AENORM

SPECIAL

Augustus 2011


Einsteins raadsel Het volgende raadsel is bedacht door Einstein. Hij beweerde dat 98% van de mensen het niet kan oplossen. Hoor jij bij die overige 2%?

En nog een paar aanwijzingen: • De man die in het middelste huis woont drinkt melk. • De Noor woont in het eerste huis. • De man die Blends rookt woont naast degene die katten heeft. • De man die een paard heeft woont naast degene die Dunhill rookt. • De persoon die Blue Master rookt, drinkt bier. • De Duitser rookt Prince. • De Noor woont naast het blauwe huis. • De man die Blends rookt heeft een buurman die water drinkt.

Puzzel

Op deze pagina staat twee uitdagende puzzels. Probeer deze op te lossen voor een leuke prijs. Met elk goed antwoord vergroot je de winkans. Antwoorden kunnen tot 20 september 2011 worden naar actuariaatcongres@vsae.nl. Na het congres wordt de oplossing op de website bekend gemaakt

82 Dit is een beroemd probleem uit 1882 waarbij voor de beste oplossing een prijs van $1000 werd uitgeloofd. De opgave is om de zeven cijfers 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 0 en acht punten zodanig te rangschikken dat een optelling het getal 82 zo dicht mogelijk benadert. Elk van de cijfers mag slechts éénmaal gebruikt worden. De punten mogen op twee manieren worden gebruikt: als decimaalteken (op zijn engels dus!) en als symbool voor een repeterende breuk. Bijvoorbeeld: de breuk 1/3 mag als

. .3

Er zijn vijf huizen in vijf verschillende kleuren. In ieder huis woont iemand met een verschillende nationaliteit. De vijf personen drinken ieder iets verschillend, roken allemaal een ander type sigaar en hebben ieder een verschillend huisdier.

geschreven worden. De punt boven de drie geeft aan dat dit cijfer eindeloos herhaald wordt. Als je een groep cijfers wilt herhalen, worden er twee punten gebruikt: één om het begin van het repeterende deel aan te geven en één voor het eind ervan. De breuk 1/7 mag dus als

. . .1 4 2 8 5 7

worden geschreven. Merk op dat ‘0.5’ wordt geschreven als ‘.5’.

Een iemand heeft een vis. De vraag is: wie? Aanwijzingen: • De Brit woont in het rode huis. • De Zweed heeft honden als huisdier. • De Deen drinkt thee. • Het groene huis staat naast en links van het witte huis. • De eigenaar van het groene huis drinkt koffie. • De man die Pall Mall rookt houdt vogels. • De eigenaar van het gele huis rookt Dunhill.

AENORM

SPECIAL SPECIAL Augustus 2011

79


Inschrijven

Hoe kan ik mij inschrijven voor het congres? Heeft dit blad uw interesse gewekt en wilt u naar het congres komen dat op 20 september 2011 gehouden wordt? Aarzel dan niet langer om in te schrijven. Inschrijven kan op twee manieren: Via www.actuariaatcongres.nl/inschrijven of per post, vul onderstaand formulier in zijn geheel in en stuur het op naar: Studievereniging VSAE Roeterstraat 11, kamer E2.02-E2.04 1018 WB Amsterdam

Inschrijfformulier Voornaam:

Achternaam:

Straatnaam en huisnummer:

Postcode en woonplaats:

(Mobiel) telefoonnummer:

E-mailadres:

Geslacht:

Ik draag de AAG titel en wil graag 6 PE-punten ontvangen voor deelname aan het congres o ja o nee

o o

man vrouw

Voor de interactieve sessies ligt mijn voorkeur bij de volgende sprekers, (geef de onderdelen cijfers 1 t/m 3):

Sessie 1 Drs. Agnes Joseph AAG Drs. ir. Erwin Bramer Drs. Wouter Elshof AAG

(Achmea) (DNB) (Milliman)

Sessie 2 Ferko Spits Drs. Harold Malaihollo CIA Drs. Bas van de Pas AAG

Ik ben (kies één van de volgende mogelijkheden): o student aan de Universiteit van Amsterdam o fulltime docent aan de Universiteit van Amsterdam o parttime docent aan de Universiteit van Amsterdam o alumni van de VSAE o werknemer van een sponsorend bedrijf met recht op kortingskaarten Dit kunt u navragen bij de VSAE, via actuariaatcongres@vsae.nl o werknemer van een niet-sponsorend bedrijf Werkgever:

(Accenture) (Deloitte) (PWC)

kosten deelname: € 0,€ 0,€ 212,50 € 212,50 € 175,€

250,-

Rekeningnummer

Hierbij machtig ik de VSAE om het verschuldigde inschrijfgeld van bovenstaande rekening te incasseren. Datum:

80

AENORM

SPECIAL

Handtekening

Augustus 2011


Actuariaatcongres 2011 Presentaties van:

Drs. P. Bouwknegt AAG Drs. M. Haandrikman AAG S. Timmers AAG MBA Dr. A. van Vliet Dagvoorzitster:

Drs. E. Lamerikx AAG 20 september 2011 De Rode Hoed, Amsterdam Deelname: € 250,- (excl. btw) Verder zullen interactieve sessies onderdeel van het programma zijn. In twee rondes van elk drie mogelijke keuzes wordt een volledig beeld van de recente ontwikkelingen rondom “Solvency II en Riskmanagement” gegeven, op het programma staan onder meer:

Risk management game ORSA workshop Actuele achtergronden

Ga voor meer informatie naar www.actuariaatcongres.nl



Actuariaatcongres Magazine 2011