Page 1

rV nito mo 201 ed e a rmo Vla se A to r am on i Vla r em nito ed itor emo Armo oed mse a Vla

r e s o t i m n a o a l V dem e o m r A

4 1 20


VLAAMSE ARMOEDEMONITOR Studiedienst van de Vlaamse Regering Juni 2014


Samenstelling Diensten voor het Algemeen Regeringsbeleid Studiedienst van de Vlaamse Regering Jo Noppe Verantwoordelijke uitgever JosĂŠe LemaĂŽtre Administrateur-generaal Boudewijnlaan 30 bus 23 1000 Brussel Depotnummer D/2014/3241/137 http://www.vlaanderen.be/svr


VOORWOORD Beste lezer, Ook dit jaar presenteren we trots onze Vlaamse Armoedemonitor. Trots, niet omwille van de cijfers, maar omdat we met deze gedetailleerde gegevens ons armoedebeleid beter kunnen afstemmen op de noden van onze samenleving en van mensen in armoede in het bijzonder. In

de

nieuwe

Armoedemonitor

lezen

we

dat

680.000

Vlamingen

onder

de

armoederisicodrempel leven. Dat brengt ons op een percentage van 10,9% van de bevolking waarmee we weer op het niveau van 2007 belanden. De helft van deze mensen is langdurig arm (minimum drie jaar in de vier meest recente jaren). Het armoedecijfer blijft de laatste jaren vrij constant. Opvallend is wel dat zonder sociale zekerheid de armoede in Vlaanderen 38% zou bedragen. Een sterke sociale zekerheid vormt dus een duidelijke buffer tegen armoede. Vlaanderen heeft de crisis relatief goed overleefd en behoort in de Europese Unie nog steeds bij de beste leerlingen van de klas: op dit moment doen enkel TsjechiĂŤ en Nederland beter. Hiermee behalen we nu al de doelstelling van het Pact 2020 dat het aandeel inwoners dat in Vlaanderen in armoede leeft in 2020 laag moet liggen in vergelijking met de best presterende EU-landen. Ter vergelijking: Duitsland klokt af op 16% mensen in armoede. Een andere doelstelling van het Pact 2020 is dat de inkomensongelijkheid tegen 2020 merkbaar moet dalen. In Europees perspectief halen we de top 5 van de best presterende EUlanden, zowel op basis van de inkomenskwintielverhouding (vergelijking tussen het inkomen van de 20% rijksten en de 20% armsten), als op basis van de Gini-coĂŤfficiĂŤnt (maat die aangeeft hoe het inkomen verdeeld is over alle inkomensgroepen). Om de vicieuze cirkel van armoede te doorbreken, zette de Vlaamse Regering de afgelopen jaren sterk in op kinderarmoede. Kinderarmoedebestrijding bestrijkt alle mogelijke domeinen van huisvesting, gezondheid, onderwijs, vrijetijdsparticipatie, tot werk en scholing van de ouders, gezinsondersteuning enz. Op al deze domeinen moeten we overkoepelend blijven inzetten zodat toekomstige ouders en toekomstige kinderen uit de armoede geraken en vooral blijven. Het percentage kinderen onder de armoederisicodrempel schommelde de voorbije jaren tussen 10 en 11%. We hebben nog een heel eind af te leggen willen we tegen 2020 ons engagement voor de Europa 2020-strategie en het Vlaams Hervormingsprogramma halen. De Vlaamse Regering heeft zich er immers toe verbonden om het aantal kinderen in een gezin met een inkomen onder de armoederisicodrempel tussen 2008 en 2020 met 50% te verminderen.

1


De nieuwe cijfers tonen aan dat 140.000 kinderen in armoede leven. Tegen 2020 mogen dat er nog 60.000 zijn. De problematiek mag dus niet geminimaliseerd worden, het is een schande dat 280.000 kinderen in Vlaanderen zich geen week vakantie kunnen veroorloven en dat 1 kind op 5 in een gezin waar weinig of niet wordt gewerkt gezondheidszorg moet uitstellen om financiële redenen. De cijfers die nu voorliggen zijn gebaseerd op EU-SILC-enquête van 2012 (inkomens 2011). De impact van het Vlaamse kinderarmoedebeleid zou in de volgende jaren meer zichtbaar moeten worden. Naast deze doelgroep, zijn er nog andere groepen die we niet uit het oog mogen verliezen. Kijken we naar welke groepen het grootste risico lopen op om in armoede terecht te komen, dan komen we terecht bij gezinnen waar weinig of niet gewerkt wordt (bijna de helft heeft nu al een armoederisico), laaggeschoolden (armoederisico drie keer hoger dan hooggeschoolden), huurders (drie keer hoger dan eigenaars, 1/3 van de gezinnen in het laagste kwintiel besteedt meer dan 40% van hun inkomen aan woonkosten) en personen geboren buiten de EU (vier keer hoger dan personen geboren in de EU). Ook eenoudergezinnen, oudere koppels en personen geboren buiten de EU hebben het extra moeilijk. Zo leeft 40% van de personen in een eenoudergezin in een huis met structurele problemen. 130.000 65-plussers kampen met een te zware woonkost en 6% van hen leeft sociaal geïsoleerd. 100.000 mensen geboren buiten de EU (of 35% van deze groep) leven onder de armoedegrens. De schulden van de Vlaming blijven stijgen: 6% van de Vlamingen leeft in een gezin met minstens één achterstallige betaling in het afgelopen jaar voor huur of hypotheek, elektriciteit, water, gas of een andere lening. Dat komt overeen met ongeveer 380.000 personen. Daar waar de afsluitingen voor gas en elektriciteit min of meer stabiel blijven, blijven die voor water stijgen. In 2012 werden meer dan 5.000 mensen afgesloten van water, nochtans een basisbehoefte. De Armoedemonitor is hard en legt de armoedeproblematiek onomwonden bloot. Een maatschappij die zichzelf respecteert, moet met deze kostbare gegevens aan de slag. Hopelijk geeft de Armoedemonitor moed en ‘incentives’ om de armoedeproblematiek nog efficiënter aan te pakken, met een extra focus op kinderarmoede. Want de kinderen van vandaag zijn de ouders van morgen.

Ingrid Lieten Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding

2


Inleiding Dit is de vierde editie van de Vlaamse Armoedemonitor. Deze monitor wordt jaarlijks opgemaakt ter ondersteuning van het Vlaamse armoedebeleid en wil op een bevattelijke en overzichtelijke manier de armoedesituatie en –evolutie in Vlaanderen in kaart brengen en opvolgen. Waar mogelijk wordt de Vlaamse armoedesituatie vergeleken met de situatie in de 28 lidstaten van de Europese Unie. De Vlaamse Armoedemonitor is een omgevingsmonitor. Dat betekent dat niet de maatregelen van het armoedebeleid zelf in beeld worden gebracht, maar wel de bestaande armoedesituatie waaraan dat beleid iets wil veranderen. Op inhoudelijk vlak wordt uitgegaan van de multi-aspectualiteit van de armoedeproblematiek. Armoede is meer dan een tekort aan inkomen. Het verwijst naar een geheel van onderling verbonden vormen van uitsluiting op verschillende domeinen van het individuele en sociale leven. Financiële moeilijkheden zijn tegelijk vaak oorzaak en gevolg van achterstelling op het vlak van tewerkstelling, onderwijs, huisvesting, gezondheid en maatschappelijke participatie. Voor elk van deze levensdomeinen zijn indicatoren opgenomen. Aangezien de strijd tegen armoede bij kinderen een belangrijke prioriteit vormt van het Vlaamse armoedebeleid, bevat deze monitor ook een aantal indicatoren die specifiek focussen op de armoedesituatie van deze groep. De Vlaamse Armoedemonitor brengt verschillende armoede-indicatoren samen die gebruikt worden in Europese, federale of andere Vlaamse monitorrapporten. Het gaat onder meer om indicatoren uit het Pact 2020, de EU2020-strategie, de Interfederale Armoedebarometer en de Armoedebarometer van Decenniumdoelen 2017. Deze worden aangevuld met eigen accenten en aandachtspunten gebaseerd op de prioriteiten van het Vlaamse armoedebeleid. Dat uit zich onder meer in de visualisering en bespreking van de verschillende armoededoelstellingen die door de Vlaamse Regering in het kader van het Pact 2020 en het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie werden geformuleerd. De indicatoren in de Vlaamse Armoedemonitor zijn deels gebaseerd op gegevens uit administratieve databanken. Het gaat om gegevens van de VREG over energiearmoede, van de Nationale Bank van België over betalingsachterstand, van de FOD Sociale Zekerheid en POD Maatschappelijke Integratie over sociale bijstandsuitkeringen, van de VDAB over nietwerkende werkzoekenden, van het Steunpunt Studie en Schoolloopbanen over ongekwalificeerde uitstroom en van Kind en Gezin over geboorten in kansarme gezinnen. De meeste indicatoren zijn echter gebaseerd op de resultaten van enquêtes. Het gaat ten eerste om de ‘European Union Statistics on Income and Living Conditions’ (EU-SILC). De EUSILC is een door Eurostat gecoördineerde jaarlijkse enquête die sinds 2004 in alle lidstaten van de Europese Unie de inkomenssituatie en levensomstandigheden in kaart brengt. De EU-SILC

3


wordt voor België uitgevoerd door de Algemene Directie Statistiek (ADSEI) van de FOD Economie. Voor de indicatoren over tewerkstelling en onderwijs wordt daarnaast gebruik gemaakt van de ‘Enquête naar de Arbeidskrachten – Labour Force Survey’ (EAK-LFS), het ‘Programme for the International Assessment of Adult Competencies’ (PIAAC) en het ‘Programme for International Student Assessment’ (PISA). Net als de EU-SILC is de EAK een door Eurostat gecoördineerde en voor België door ADSEI uitgevoerde enquête die erop gericht is om op Europees vlak vergelijkbare indicatoren te generen. PIAAC en PISA zijn door de OESO opgezette internationaal

gestandaardiseerde

beoordelingen

van

de

cognitieve

vaardigheden

van

respectievelijk de totale volwassen bevolking en de 15-jarigen. Voor de indicatoren rond maatschappelijke participatie wordt ten slotte gebruik gemaakt van de resultaten van de ‘Survey Sociaal-Culturele Verschuivingen in Vlaanderen’ (SCV-survey) van de Studiedienst van de Vlaamse Regering. Deze survey wordt jaarlijks afgenomen bij een representatief staal van de meerderjarige Nederlandstalige inwoners van het Vlaamse en Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Wij willen hierbij SVR-collega Guy Pauwels bedanken voor de berekening van de indicatoren gebaseerd op de SCV-survey. In deze editie van de Vlaamse Armoedemonitor wordt bij de presentatie van de EU-SILC-cijfers geen opdeling gemaakt naar huidige nationaliteit zoals in de vorige edities, maar naar geboorteland. Door enkel te kijken naar de huidige nationaliteit, blijft namelijk een behoorlijk grote groep buiten beeld: de vreemdelingen die in de loop der jaren de Belgische nationaliteit hebben verworven. De cijfers in deze editie van de Armoedemonitor naar geboorteland en die uit de vorige edities naar nationaliteit zijn daardoor niet vergelijkbaar. Ten slotte dient opgemerkt te worden dat in surveyonderzoek bepaalde kwetsbare bevolkingsgroepen (zoals personen in collectieve huishoudens, personen zonder wettige verblijfsvergunning of dak- en thuislozen) niet of nauwelijks vertegenwoordigd zijn. Daarmee moet rekening gehouden worden bij de interpretatie van de armoedecijfers in deze monitor. De surveyresultaten zijn eveneens onderhevig aan de gebruikelijke statistische foutenmarge. Deze foutenmarge is groter naarmate de steekproef waarop de cijfers berekend worden, kleiner is. Daarom worden in deze Vlaamse Armoedemonitor enkel de gegevens voor de gehele Vlaamse

bevolking

tot

op

1

cijfer

na

de

komma

weergegeven.

De

gegevens

per

bevolkingsgroep worden afgerond tot op het procentpunt. Wanneer de percentages worden geëxtrapoleerd naar bevolkingsaantallen wordt om dezelfde reden afgerond op het niveau van 10.000 eenheden. Voor de belangrijkste armoede-indicatoren en voor de meest recente jaren worden ten slotte ook de bijhorende betrouwbaarheidsintervallen gevisualiseerd. Alle opmerkingen en suggesties over deze monitor kan u kwijt via jo.noppe@dar.vlaanderen.be.

4


Vlaamse armoedesituatie en -evolutie De Vlaamse Regering heeft van de strijd tegen armoede een topprioriteit gemaakt. Zij wil de inkomenssituatie van de armste gezinnen verbeteren en ervoor zorgen dat alle Vlamingen volwaardig aan alle domeinen van de samenleving kunnen participeren. Er wordt in deze Vlaamse Armoedemonitor achtereenvolgens aandacht besteed aan de inkomensarmoede, de materi毛le deprivatie en inkomensverdeling, de betalingsachterstand en de sociale bijstand. Daarna komt de sociale uitsluiting aan bod op het vlak van tewerkstelling, huisvesting, onderwijs, gezondheid en maatschappelijke participatie. Tot slot wordt ingezoomd op de armoede bij kinderen.

1.

Financi毛le armoede en inkomensverdeling

1.1. Bevolking onder de armoederisicodrempel Om zicht te krijgen op de armoedesituatie van een land of regio wordt traditioneel aangegeven hoeveel mensen moeten rondkomen met een inkomen onder de armoederisicodrempel. Deze drempel is bepaald op 60 procent van het mediaan netto beschikbare gestandaardiseerde huishoudinkomen in het land. Er wordt vanuit gegaan dat personen die leven in een huishouden dat moet rondkomen met een inkomen onder de armoederisicodrempel een verhoogd risico op armoede lopen. Door het huishoudinkomen te standaardiseren wordt rekening gehouden met de grootte en samenstelling van het huishouden. De Belgische armoederisicodrempel lag volgens de EU-SILC-survey van 2012 voor een alleenstaande op 12.025 euro per jaar of 1.002 euro per maand. Omgerekend is dat voor een gezin met 2 volwassenen en 2 kinderen 2.104 euro per maand. Iets meer dan 1 op de 10 Vlamingen (11%) moest in 2012 zien rond te komen met een inkomen onder deze armoederisicodrempel (zie indicator I1). Dat komt overeen met ongeveer 680.000 personen. Het armoederisicopercentage (= het aandeel personen onder de armoederisicodrempel) is de afgelopen jaren vrij stabiel gebleven, al lijkt er na een beperkte daling tussen 2010 en 2011 weer sprake van een stijging tussen 2011 en 2012. Deze schommelingen zijn echter statistisch niet significant. Een vergelijking met de periode v贸贸r 2004 is moeilijk wegens een wijziging in de databron. Wel is het zo dat tussen 1994 en 1997 het armoederisicopercentage licht daalde, waarna het tussen 1997 en 2001 stabiel bleef. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering zich

ertoe

verbonden

om

het

aantal

personen

met

een

inkomen

onder

de

armoederisicodrempel tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal personen met een huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel gedaald moet zijn tot maximaal 430.000 personen.

5


Het verschil in armoederisico tussen vrouwen en mannen blijft beperkt (zie indicator I2). Naar leeftijd scoren de leeftijdsgroepen tussen 18 en 64 jaar het best. Vooral personen ouder dan 65 jaar scoren opvallend minder goed. De minder goede positie van de Vlaamse ouderen blijkt tegelijk uit het feit dat bijna 1 op de 3 van het totale aantal personen onder de armoederisicodrempel 65 jaar of ouder is. Dit kan deels verklaard worden door het feit dat het armoederisicopercentage enkel rekening houdt met het ontvangen huishoudinkomen uit arbeid, vermogen, eigendom en sociale transfers, niet met de volledige waarde van eventueel beschikbare

spaartegoeden

of

eigendommen

of

met

de

eventuele

afwezigheid

van

woonuitgaven doordat de eigen woning al is afbetaald. Maar ook in Europees opzicht scoren de Vlaamse ouderen niet goed. Terwijl Vlaanderen bij de leeftijdsgroepen tot 50 jaar telkens de top haalt van de Europese rangschikking, zakt ze bij de personen van 65 jaar en ouder naar een 19de plaats in de ranglijst (zie indicator I5). Personen in eenoudergezinnen en oudere koppels lopen een hoger risico op armoede dan gemiddeld (zie indicator I2). Bij beide groepen moet ongeveer een vijfde zien rond te komen met een inkomen onder de armoederisicodrempel. Naar aantal vormen de oudere koppels de grootste

groep

bij

de

personen

onder

de

armoederisicodrempel,

gevolgd

door

de

alleenstaanden. Werk vormt een belangrijke buffer tegen armoede. Het armoederisicopercentage ligt bij werkenden een pak lager dan bij werklozen, gepensioneerden en andere niet-actieven (zie indicator I2). Naar aantal vormen de niet-actieven de grootste groep onder de armoederisicodrempel,

kort

gevolgd

door

de

gepensioneerden.

Als

gekeken

wordt

naar

de

werkintensiteit op gezinsniveau blijkt het risico op armoede het hoogst te liggen bij leden van gezinnen waar niet of slechts zeer beperkt wordt gewerkt (werkintensiteit < 0,2). Bijna de helft van de personen in deze gezinnen loopt een verhoogd risico op armoede. Een job vormt echter geen sluitende bescherming tegen armoede. Dat blijkt uit het feit dat 90.000 Vlamingen die werken toch moeten rondkomen met een huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel. Naast

tewerkstelling

beperkt

ook

scholing

het

armoederisico

(zie indicator

I2).

Het

armoederisicopercentage van personen met een diploma hoger onderwijs ligt bijna 3 keer lager dan dat van personen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs. Het armoederisicopercentage ligt bij huurders goed 3 keer hoger dan bij eigenaars. Ten slotte ligt het armoederisico bij personen geboren buiten de EU 4 keer hoger dan bij personen geboren in de EU (inclusief BelgiĂŤ). Het Vlaamse armoederisicopercentage (11%) lag in 2012 duidelijk lager dan het EU28gemiddelde (17%) (zie indicator I4). Vlaanderen haalt daarmee een derde plaats in de EUrangschikking na TsjechiĂŤ en Nederland. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering zich als doelstelling gesteld dat het aandeel inwoners in Vlaanderen dat leeft in armoede in 2020 laag

6


moet liggen in vergelijking met de best presterende EU-landen. Die doelstelling is vandaag al gehaald. Het is opvallend dat verschillende Oost- en Centraal-Europese landen (Tsjechië, Slovakije, Slovenië en Hongarije) niet beduidend slechter scoren dan de West- en Noord-Europese landen, terwijl de levensstandaard in die eerste groep landen toch lager ligt. Dat heeft te maken met het feit dat het hier gaat om een relatieve armoedemaat, berekend op basis van het mediaaninkomen in elk land afzonderlijk. Dat gebeurt vanuit de redenering dat een minimaal aanvaardbare levensstandaard - en dus ook de armoederisicodrempel - afhankelijk is van de specifieke sociaaleconomische situatie van het land in kwestie. Als de inkomenssituatie van de bevolkingsgroepen die in het Vlaamse Gewest een hoger risico lopen op armoede vergeleken wordt met de situatie van deze groepen in de 28 EU-lidstaten, dan blijkt een diffuus beeld (zie indicator I5). Bij de meeste groepen haalt Vlaanderen een plaats binnen de top 5 van de EU-rangschikking. Bij de oudere bevolkingsgroepen (65-plussers en leden van koppels waarvan minstens 1 partner ouder is dan 65 jaar) zakt Vlaanderen met een score onder het EU-gemiddelde weg naar de (lagere) middenmoot. Ook bij de personen geboren buiten de EU valt Vlaanderen ver terug in de Europese rangschikking. Bij de berekening van het armoederisicopercentage wordt traditioneel gebruik gemaakt van een armoederisicodrempel van 60% van het mediaan gestandaardiseerde netto beschikbare huishoudinkomen. Dat is een arbitraire keuze. Wie net boven deze 60%-drempel zit, komt hierdoor niet in beeld. Tegelijk is het zo dat wie beschikt over een inkomen dat maar net onder de armoederisicodrempel ligt, zich in een andere positie bevindt dan zij die moeten rondkomen met een inkomen dat een pak lager ligt dan de 60%-drempel. Om zicht te krijgen op de spreiding van de inkomens rond de armoederisicodrempel kan men daarom de hoogte van de drempel laten variëren. In 2012 bleek 19% van de Vlamingen te beschikken over een inkomen lager dan 70% van het nationaal mediaaninkomen, 6% over een inkomen lager dan 50% van het mediaaninkomen en 3% over een inkomen lager dan 40% van het mediaaninkomen (zie indicator I6). Die aandelen bleven de laatste jaren vrij stabiel. In Europees opzicht scoort Vlaanderen in de 3 gevallen telkens op het niveau van de best presterende lidstaten (zie indicator I7). Doordat de EU-SILC-survey werkt met een roterend panel – gezinnen worden verschillende jaren na elkaar bevraagd –, is het mogelijk om de inkomenssituatie van gezinnen over een aantal jaren heen te volgen. In 2011 (cijfers voor 2012 zijn nog niet beschikbaar) leefde 5% van de Vlamingen in een gezin met een inkomen onder de armoederisicodrempel en in minstens 2 van de 3 voorgaande jaren (zie indicator I8). Dat komt overeen met ongeveer 310.000 personen. Als dat vergeleken wordt met het totale aandeel personen onder de armoederisicodrempel

in

2011

dan

blijkt

dat

de

helft

van

de

personen

onder

armoederisicodrempel in Vlaanderen zich in een positie van langdurige armoede bevindt.

7

de


Net als bij het totale aandeel personen onder de armoederisicodrempel haalt Vlaanderen ook bij het aandeel personen in langdurige armoede een 3de plaats in de EU-rangschikking (zie indicator I9). Het procentueel aandeel van de langdurige armoede in de totale armoede ligt in Vlaanderen wel iets hoger dan in de andere landen met een relatief lage score op het aandeel personen in langdurige armoede.

1.2. Subjectieve armoede In bovenstaande cijfers wordt op een objectieve manier nagegaan of het inkomen waarover mensen

beschikken

al

dan

niet

boven

een

bepaalde

drempel

ligt.

Maar

de

inkomensgerelateerde verwachtingen en behoeften verschillen van mens tot mens. De objectieve vergelijking van het beschikbare inkomen met de armoederisicodrempel wordt daarom best aangevuld met een subjectieve inschatting van het inkomen door de betrokkenen zelf. In 2012 leefde 15% van de Vlamingen in een huishouden dat zelf aangeeft (zeer) moeilijk rond te komen met het beschikbare inkomen (zie indicator I10). Dat komt overeen met ongeveer 960.000 personen. Deze cijfers liggen de laatste jaren duidelijk hoger dan in de periode 20062007. De evolutie op het vlak van subjectieve armoede wijkt dus enigszins af van de evolutie van het percentage personen met een inkomen onder de armoederisicodrempel. In tegenstelling tot de objectieve armoederisicopercentages zijn de verschillen tussen de leeftijdsgroepen bij deze indicator niet zo groot (zie indicator I11). En terwijl het bij de armoederisicopercentages vooral de ouderen zijn die minder goed scoren, zijn het hier eerder de jongere leeftijdsgroepen. Ook alleenstaanden en zeker leden van eenoudergezinnen geven vaker dan andere huishoudtypes aan (zeer) moeilijk rond te komen. Wat socio-economische positie, opleiding en geboorteland betreft, lopen de resultaten van deze indicator grotendeels gelijk met de resultaten van de objectieve armoederisicopercentages. Personen die niet werken (zonder gepensioneerden) en leden van gezinnen waar niet of beperkt wordt gewerkt, hebben het moeilijker om rond te komen, net als laagopgeleiden, huurders en personen geboren buiten de EU. Het is ten slotte weinig verwonderlijk dat het aandeel personen in subjectieve armoede afneemt naarmate het inkomensniveau stijgt. Tegelijk geven de scores per inkomenskwintiel aan

dat

subjectieve

armoede

niet

beperkt

blijft

tot

de

personen

onder

de

armoederisicodrempel (die allen in het laagste inkomenskwintiel zitten). Ook in het 2de kwintiel geeft een relatief grote groep aan (zeer) moeilijk rond te komen. Er zijn in Vlaanderen relatief gezien minder personen die hun inkomenssituatie negatief beoordelen dan in de meeste EU-landen (zie indicator I13). Het Vlaamse Gewest haalt in de Europese rangschikking een 8ste plaats na de Scandinavische landen, Duitsland, Luxemburg,

8


Nederland en Oostenrijk. De verschillen tussen de lidstaten zijn opvallend groter dan bij de objectieve armoederisicopercentages. In Zweden en Finland leeft maar 7% van de inwoners in een huishouden dat moeite heeft om financieel rond te komen. In Griekenland en Bulgarije loopt dat op tot meer dan 65%. De Zuid-, Centraal- en Oost-Europese landen scoren op deze indicator, in tegenstelling tot bij de objectieve armoederisicopercentages, wel duidelijk minder goed dan de West- en Noord-Europese landen.

1.3. Ernstige materiële deprivatie Op Europees niveau werd enkele jaren geleden een armoede-indicator ontwikkeld die niet zozeer focust op het inkomen zelf, maar op het feit of men mede dankzij dit inkomen kan genieten van een minimale levensstandaard. Dat gebeurt door na te gaan hoeveel items uit een lijst van 9 basisitems elk gezin moet missen omwille van financiële redenen. Vervolgens wordt per land of regio het percentage individuen berekend dat leeft in een gezin dat niet beschikt over minstens 4 van deze 9 items. Volgens de EU-SILC van 2012 leefde 4% van de Vlamingen in een ernstig materieel gedepriveerd gezin (mist minstens 4 van 9 basisitems om financiële redenen) (zie indicator I14). Dat komt overeen met ongeveer 240.000 personen. Het aandeel ernstig gedepriveerden is tegenover 2010 duidelijk gestegen. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal personen in een ernstig materieel gedepriveerd gezin tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal personen dat leeft in een ernstig materieel gedepriveerd gezin moet dalen tot maximaal 120.000 personen. Als wordt gekeken naar de afzonderlijke items van de deprivatiemaat dan blijkt dat de items ‘een week vakantie per jaar kunnen betalen’ en ‘een onverwachte uitgave aankunnen,’ voor de meeste problemen zorgen (zie indicator I18). Groepen die minder goed scoren bij de objectieve armoederisicopercentages en de subjectieve armoede, doen dat ook op vlak van ernstige materiële deprivatie (zie indicator I15). Het gaat om leden van eenoudergezinnen, werklozen, gezinnen waar niet of slechts beperkt wordt gewerkt, huurders, de laagste inkomensgroepen en personen geboren buiten de EU. In Europees opzicht scoort Vlaanderen op het vlak van ernstige materiële deprivatie behoorlijk goed (zie indicator I17). Het haalt een 6de plaats na Luxemburg, Nederland en de Scandinavische landen. De hoogste deprivatiescores worden opgetekend in de EU-lidstaten uit Centraal- en Oost-Europa.

9


1.4. Armoede volgens de EU2020-definitie In 2010 werd door de Europese Unie een plan opgesteld om van de Unie tegen 2020 een slimme, duurzame en inclusieve economie te maken: de zogenaamde EU2020-strategie. Daarbij werden 5 centrale doelstellingen naar voor geschoven op 5 verschillende domeinen. Eén van die doelstellingen heeft betrekking op armoede en sociale inclusie. De bedoeling is om tegen 2020 het aantal armen of sociaal uitgeslotenen in de hele Unie met 20 miljoen te verminderen. Daarvoor werd ook een nieuwe armoede-indicator uitgewerkt. Deze indicator beschouwt iemand als arm of sociaal uitgesloten als hij voldoet aan minstens 1 van volgende voorwaarden: 1. hij of zij leeft in een gezin met een inkomen onder de nationale armoederisicodrempel; 2. hij of zij leeft in een gezin met ernstige materiële deprivatie (het gezin mist minstens 4 items uit een lijst van 9 basisitems omwille van financiële redenen); 3. hij of zij is jonger dan 60 jaar en leeft in een gezin met een zeer lage werkintensiteit. Gemeten aan de hand van deze samengestelde EU2020-indicator leefde in 2012 16% van de Vlaamse bevolking in armoede of sociale uitsluiting (zie indicator I19). Dat komt neer op ongeveer 1 miljoen personen. Daarmee haalt Vlaanderen een 3de plaats in de Europese rangschikking (zie indicator I22). Een deel van de personen in armoede of sociale uitsluiting voldoet tegelijk aan 2 of 3 van de genoemde voorwaarden. Goed 1% van de Vlamingen (80.000 personen) scoort negatief op alle 3 de criteria (zie indicator I23). Dat wil zeggen dat ze leven in een huishouden met een inkomen onder de armoededrempel, dat ernstig materieel gedepriveerd is en waar sprake is van een zeer lage werkintensiteit. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal personen in armoede of sociale uitsluiting volgens de EU2020-definitie tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal personen in armoede of sociale uitsluiting in Vlaanderen moet gedaald zijn tot maximaal 650.000 personen. Tegelijk gaat de Vlaamse Regering voor een 30%-reductie tegen 2020 op de 3 subindicatoren van de EU2020-indicator afzonderlijk. Dat betekent dus een 30%-reductie van het aantal personen met een huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel (zie indicator I1), een 30%-reductie van het aantal personen in ernstige materiële deprivatie (zie indicator I14) en een 30%-reductie van het aantal personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit (zie indicator A9).

1.5. Inkomensverdeling Bovenstaande gegevens hebben vooral betrekking op de situatie van de minst gegoede groepen maar zeggen weinig over de wijze waarop het beschikbare inkomen verdeeld is over de gehele bevolking. Een vaak gebruikte maat om de inkomensverdeling in een land of regio in

10


kaart te brengen, is de inkomenskwintielverhouding die het aandeel van het inkomen van de 20% rijksten in het totale inkomen vergelijkt met dat van de 20% armsten. Deze verhouding lag in Vlaanderen in 2012 op 3,6 (zie indicator I24). Dat betekent dat het totale inkomen van de 20% rijksten 3,6 keer hoger ligt dan het totale inkomen van de 20% armsten. Een andere maat voor de inkomensongelijkheid is de gini-coëfficiënt. Deze coëfficiënt kijkt niet enkel naar de inkomens van de 20% rijksten en armsten, maar brengt de inkomens van de gehele bevolking in rekening. De maat geeft een waarde tussen 0 en 100 waarbij 0 staat voor een samenleving waar iedereen een gelijk inkomen heeft en 100 voor een samenleving waar al het inkomen toekomt aan 1 persoon. Vlaanderen haalde in 2012 een waarde van 24,9 (zie indicator I26). In het Pact

2020 heeft de Vlaamse Regering zich als doelstelling gesteld dat de

inkomensongelijkheid

tegen

2020

merkbaar

moet

dalen.

Sinds

2004

is

noch

de

inkomenskwintielverhouding, noch de gini-coëfficiënt significant gestegen of gedaald. In Europees perspectief blijft de Vlaamse inkomensongelijkheid beperkt. Vlaanderen haalt zowel op basis van de inkomenskwintielverhouding als op basis van de gini-coëfficiënt een plaats in de top 5 van best presterende EU-landen (zie indicatoren I25 en I27). 1.6. Betalingsproblemen en schulden Betalingsproblemen en schuldoverlast vormen vaak een belangrijk probleem voor mensen met een laag inkomen. Eind 2013 stonden 130.848 Vlamingen met afbetalingsmoeilijkheden geregistreerd bij de Centrale voor Kredieten aan Particulieren van de Nationale Bank van België (zie indicator S1). Deze Centrale registreert alle kredieten die door natuurlijke personen worden afgesloten en de eventuele wanbetalingen met betrekking tot deze kredieten. Het aantal geregistreerde personen met betalingsachterstand is de afgelopen jaren duidelijk toegenomen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat in deze cijfers enkel rekening wordt gehouden met kredieten (voor consumptie of hypotheek), maar niet met andere schulden zoals schulden voor huur, energiefacturen, gezondheidskosten, telefoon/internet of fiscale schulden. In de EU-SILC-survey wordt jaarlijks gevraagd naar achterstallige betalingen voor huur of hypotheek, elektriciteit, water of gas of aankopen op afbetaling of een andere lening. In 2012 leefde 6% van de Vlamingen in een gezin met minstens 1 achterstallige betaling in het afgelopen jaar (zie indicator S2). Dat komt overeen met ongeveer 380.000 personen. In tegenstelling tot de bovenstaande cijfers van de Nationale Bank wordt hier niet alleen rekening gehouden met kredieten maar ook met andere mogelijke schulden. Het percentage personen in een huishouden met achterstallen gaat de laatste jaren in stijgende lijn.

11


Het aandeel personen met achterstallige betalingen verschilt beperkt naar geslacht (zie indicator S3). Betreffende leeftijd is er een opvallende afname naarmate de leeftijd stijgt. Grote

gezinnen

hebben

vaker

achterstallige

betalingen

dan

personen

uit

andere

huishoudgroepen. Werklozen en niet-actieven (exclusief gepensioneerden) hebben vaker achterstallen dan gepensioneerden. Personen in gezinnen waar niet of beperkt wordt gewerkt, hebben vaker achterstallen dan personen in andere gezinnen, laagopgeleiden vaker dan hoogopgeleiden, huurders vaker dan eigenaars, de lagere inkomensgroepen vaker dan de hogere inkomensgroepen en personen geboren buiten de EU vaker dan personen geboren binnen de EU. In

vergelijking

met

de

andere

Europese

landen

blijft

het

aandeel

personen

met

betalingsproblemen in Vlaanderen eerder beperkt (zie indicator S4). Luxemburg, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Nederland scoren nog iets beter dan Vlaanderen. Sinds 1999 bestaat de juridische procedure van collectieve schuldenregeling. Deze procedure werd in het leven geroepen om mensen die hun schulden niet meer de baas kunnen, de kans te geven om in de mate van het mogelijke hun schulden te betalen en tegelijk een menswaardig leven te leiden. Eind 2013 stonden er in Vlaanderen (inclusief het gerechtelijke arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde) in totaal 62.434 berichten van 'toelaatbaarheid van collectieve schuldenregeling' uit (zie indicator S1). Dat aantal is de voorbije jaren telkens met ongeveer 3.000 tot 5.000 eenheden toegenomen. De cijfers kunnen gezien worden als een aanwijzing van de meest extreme vorm van overmatige schuldenlast. 1.7. Sociale uitkeringen Sociale transfers spelen een belangrijke rol bij de bestrijding van armoede. Zonder sociale uitkeringen zou 38% van de Vlaamse bevolking onder de armoederisicodrempel terecht komen (zie indicator U1). Als de pensioenen gezien worden als primaire inkomens en niet als transfers, gaat het nog steeds om 22% van de bevolking. Die aandelen blijven de laatste jaren min of meer stabiel. De sociale zekerheid zorgt onder meer voor een vervangingsinkomen bij loonverlies door pensionering, werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. Begin 2013 ontvingen goed 1,1 miljoen Vlamingen een pensioenuitkering (zie indicator U3). Het is gezien de vergrijzing van de bevolking weinig verwonderlijk dat dit aantal jaarlijks gestaag toeneemt. Het aantal door de RVA vergoede werklozen ligt sinds 2011 net onder de 300.000 personen. In 2009 en 2010 lag dat aantal iets boven die grens. Begin 2012 ontvingen bijna 110.000 Vlamingen een uitkering voor arbeidsongeschiktheid (incl. arbeidsongevallen en beroepsziekten). Dat aantal neemt de afgelopen jaren gestaag toe.

12


Naast de klassieke sociale uitkeringen (pensioenen, werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en kinderbijslag), probeert de overheid via de sociale bijstandsuitkeringen de inkomenssituatie van de minst gegoede groepen te verbeteren. Het gaat in eerste instantie om het leefloon dat men ontvangt in het kader van het Recht op Maatschappelijke Integratie (RMI) en het equivalent leefloon in het kader van het Recht op Maatschappelijke Hulp (RMH). Het RMH is er voor mensen die niet in aanmerking komen voor het RMI omdat ze niet voldoen aan bepaalde voorwaarden betreffende leeftijd, nationaliteit en arbeidsbereidheid. In de praktijk gaat het vooral om kandidaat-vluchtelingen en vreemdelingen met een verblijfsvergunning die niet ingeschreven zijn in het bevolkingsregister. In 2012 ontvingen in Vlaanderen per maand gemiddeld 23.230 personen een leefloon (zie indicator U4). Dat aantal is na een duidelijke stijging in 2009 en 2010 sinds 2011 weer iets gedaald. Nog eens gemiddeld 8.897 personen per maand ontvingen in 2012 een equivalent leefloon. Naast het (equivalent) leefloon kan het RMI en het RMH ook ingevuld worden via een tewerkstellingsmaatregel met tussenkomst van het OCMW. Het aantal tewerkstellingsmaatregelen is de voorbije jaren gestaag gestegen tot gemiddeld 5.593 per maand in 2012. Het aantal leefloontrekkers ligt bij vrouwen duidelijk hoger dan bij mannen (zie indicator U5). Het aantal 18-24-jarigen met een leefloon ligt niet veel lager dan het aantal leefloontrekkers bij de 45- tot 64-jarigen, ondanks het grote verschil in omvang van de 2 leeftijdsgroepen. Naar huishoudtype valt het grote aantal alleenstaande leefloontrekkers op. Dat is ook het geval bij het equivalent leefloontrekkers. De cijfers bevestigen ten slotte dat het equivalent leefloon vooral toegekend wordt aan niet-EU-burgers. Slechts een beperkt aantal 65-plussers ontvangt een leefloon omdat zij aparte regelingen kennen: het Gewaarborgd Inkomen voor Bejaarden (GIB) dat sinds 2002 geleidelijk vervangen wordt door de Inkomensgarantie voor Ouderen (IGO). Meestal gaat het om een toeslag bovenop het pensioen, zodat men een bedrag bekomt dat vergelijkbaar is met het leefloon. Het wordt toegekend aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt maar die door omstandigheden geen of geen voldoende loopbaan hebben kunnen opbouwen. Begin 2013 ging het samen om 58.906 ouderen (zie indicator U6). Personen met een handicap kunnen een beroep doen op een Inkomensvervangende Tegemoetkoming (IVT) indien zij geen arbeid kunnen verrichten en/of een Integratietegemoetkoming

(IT) indien

zij

bijkomende kosten

te dragen

hebben

vanwege

een

vermindering van hun zelfredzaamheid. Begin 2013 werd in Vlaanderen aan 79.102 personen een IVT en/of een IT uitgekeerd (zie indicator U6). Het aantal personen met een IVT en/of IT neemt de laatste jaren opvallend toe. Factoren die hierin mogelijk een rol spelen zijn de vergrijzing van de bevolking, een betere bekendheid van het stelsel en een snellere behandeling van de aanvragen.

13


De gewaarborgde gezinsbijslag ten slotte is bedoeld voor gezinnen die op basis van hun beroepsactiviteit geen enkel recht kunnen doen gelden op kinderbijslag of slechts een recht genieten op een bedrag dat lager ligt dan de gewaarborgde gezinsbijslag. Begin 2013 ging het om 4.838 rechtgevende kinderen (zie indicator U6).

2.

Sociale uitsluiting

Armoede uit zich niet alleen op financieel vlak maar gaat veelal gepaard met uitsluiting en achterstelling op heel wat andere domeinen. Er wordt achtereenvolgens ingegaan op de bestaande achterstelling op het vlak van tewerkstelling, huisvesting, gezondheid, onderwijs en maatschappelijke participatie.

2.1. Achterstelling op de arbeidsmarkt Werk vormt ontegensprekelijk een belangrijke buffer tegen armoede. Het risico om in armoede terecht te komen, ligt bij personen met een job beduidend lager. Dat bleek al uit de armoederisicopercentages van werkenden en niet-werkenden (zie indicator I2). De Vlaamse werkzaamheidsgraad schommelt sinds 2007 rond 72% (zie indicator A1). Bepaalde groepen â&#x20AC;&#x201C; vooral ouderen, personen met een handicap, personen geboren buiten de EU en laaggeschoolden â&#x20AC;&#x201C; blijven echter moeilijk toegang vinden tot de arbeidsmarkt. De lage werkzaamheidsgraad bij ouderen blijft een probleem. De Vlaamse arbeidsmarkt wordt gekenmerkt

door

een

specifiek

leeftijdsgebonden

arbeidspatroon.

Een

erg

hoge

arbeidsdeelname tussen 25 en 49 jaar zorgt in combinatie met een beperkte deelname bij jongeren en ouderen voor sterk samengedrukte loopbanen. De arbeidsdeelname van de 55tot 64-jarigen is de voorbije jaren wel duidelijk gestegen, waardoor nu 4 op de 10 personen in deze groep aan het werk is. Bij de laaggeschoolden en personen geboren buiten de EU is er de laatste jaren eerder sprake van een afname van de arbeidsdeelname. Bij de personen met een handicap gaat de arbeidsdeelname sinds 2010 weer vooruit. Uit de Europese vergelijking blijkt duidelijk dat de lage werkzaamheidsgraad bij ouderen en personen geboren buiten de EU de voornaamste pijnpunten blijven op de Vlaamse arbeidsmarkt (zie indicator A2). De afgelopen jaren kende de ILO-werkloosheidsgraad in Vlaanderen een fluctuerend verloop (zie indicator A3). De werkloosheidsgraad lag het hoogst in de periode 2004-2005. Het laagste niveau werd bereikt in 2008. In 2009 en 2010 steeg de werkloosheidsgraad sterk ten opzichte van 2008. In 2011 daalde de werkloosheidsgraad weer waarna hij in 2012 opnieuw licht steeg. De beperkte arbeidsdeelname van bovengenoemde kansengroepen vertaalt zich niet alleen in een lagere werkzaamheidsgraad, maar veelal ook in een hogere ILO-werkloosheidsgraad (zie indicator A4). Het verschil tussen de vrouwelijke en de totale werkloosheidsgraad is sinds 2009

14


nagenoeg volledig verdwenen. Bij de laaggeschoolden is er wel nog steeds sprake van een behoorlijk verschil. Maar het grootste verschil is te vinden bij de personen geboren buiten de EU. De werkloosheidsgraad lag in 2012 bij deze laatste groep bijna 4 keer hoger dan de totale werkloosheidsgraad. De werkloosheidsgraad van jongeren tussen 15 en 24 jaar is sinds 2011 na een sterke stijging in 2009 en 2010 weer gedaald. Ook de werkzaamheidsgraad van deze groep is relatief laag (28% in 2012), maar dat hangt voornamelijk samen met de lange schoolloopbaan van de jonge Vlamingen en is dus niet echt problematisch. De werkloosheidsgraad van jongeren is dat wel. Gebrek aan werkervaring speelt de jongeren parten. Daarenboven worden ze vaker aangeworven met een tijdelijk contract of als uitzendkracht zodat ze geregeld weer in de werkloosheid terechtkomen. De ouderen die niet werken, zitten voornamelijk in de inactiviteit en dus minder in de werkloosheid. Daardoor ligt de werkloosheidsgraad bij de 55- tot 64-jarigen - ondanks hun beperkte arbeidsdeelname - niet hoger dan de totale werkloosheidsgraad. Door de relatief lage totale werkloosheidsgraad in Vlaanderen ligt ook de werkloosheidsgraad van de verschillende groepen met een lagere arbeidsdeelname veelal ver onder het EUgemiddelde (zie indicator A5). De enige uitzondering hierop is de werkloosheidsgraad van personen geboren buiten de EU. Daar ligt de werkloosheidsgraad ongeveer op hetzelfde niveau als het EU-gemiddelde. Wat

de

langdurige

werkloosheidsgraad

betreft,

scoort

Vlaanderen

zeer

behoorlijk

in

vergelijking met de EU-lidstaten. Het haalt samen met Oostenrijk de eerste plaats in de EUrangschikking (zie indicator A6). De administratieve gegevens van de VDAB over het aantal niet-werkende werkzoekenden (NWWZ) bevestigen grotendeels bovenstaande bevindingen (zie indicatoren A7 en A8). Onder invloed van de economische crisis liep het aantal NWWZ in 2009 en 2010 aanzienlijk op. In 2011 daalde het aantal NWWZ waarna dat aantal in 2012 weer licht steeg. De meest recente cijfers tonen aan dat die stijging zich in 2013 heeft doorgezet. In 2012 leefde 9% van de Vlamingen tot 60 jaar in een gezin met een zeer lage werkintensiteit (zie indicator A9). Dat komt overeen met ongeveer 450.000 personen. Dat aandeel lijkt tussen 2004 en 2008 gedaald maar tussen 2010 en 2012 weer iets gestegen. Deze schommelingen zijn echter statistisch niet significant. Net bij de gezinnen waar niet of slechts beperkt wordt gewerkt, worden de hoogste armoederisicopercentages gemeten. In 2012 beschikte 48% van de leden van gezinnen met een zeer lage werkintensiteit over een inkomen onder de armoederisicodrempel (zie indicator I2). In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal personen in een gezin met zeer lage werkintensiteit tussen

15


2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 dat aantal gedaald moet zijn tot maximaal 250.000 personen. Bij het percentage personen in gezinnen met een zeer lage werkintensiteit bezet Vlaanderen in de Europese rangschikking een plaats in de betere middenmoot (zie indicator A11). Tewerkstelling mag dan wel een belangrijke buffer vormen tegen armoede, toch is het geen sluitende bescherming. Dat blijkt uit het feit dat 3% van de werkende Vlamingen (ongeveer 90.000

personen)

in

2012

moest

rondkomen

met

een

huishoudinkomen

onder

de

armoederisicodrempel (zie indicator A12). Dat aandeel ligt in Europees opzicht wel laag (zie indicator A14). Het armoederisicopercentage ligt duidelijk hoger bij laaggeschoolde werkenden, bij deeltijds werkenden (minder dan 30 uur per week), bij zelfstandigen en bij werkenden met een tijdelijk contract (zie indicator A13). 2.2. Huisvestingsproblemen Door Eurostat wordt de grens voor een te zware woonkost gelegd op 40% van het beschikbare huishoudinkomen. In 2012 leefde 8% van de Vlamingen in een huishouden met een te zware woonkost (zie indicator H1). Dat komt overeen met ongeveer 510.000 personen. Het aandeel en aantal personen met te zware woonkosten is sinds 2010 jaarlijks licht gestegen. Te zware woonkosten komen relatief vaker voor bij ouderen, alleenstaanden en leden van eenoudergezinnen, werklozen, gepensioneerden en andere niet-actieven, leden van gezinnen met lage werkintensiteit, laaggeschoolden, huurders, de laagste inkomensgroep en personen geboren buiten de EU (zie indicator H2). In Europees perspectief haalt Vlaanderen voor het probleem van te zware woonkosten een plaats in de betere middenmoot (zie indicator H3). Dat de woonkost behoorlijk kan doorwegen op het gezinsbudget blijkt ook uit het feit dat een aanzienlijke groep gezinnen problemen heeft met het betalen van de elektriciteits- of gasfactuur (zie indicator H4). Een klant die zijn energiekosten niet tijdig betaalt, krijgt een herinneringsbrief in de bus. Wie daarop binnen een bepaalde termijn niet reageert, krijgt een aangetekende ingebrekestelling. Reageert de klant ook hier niet op of komt hij de in een afbetalingsplan gemaakte afspraken niet na, dan mag de commerciÍle leverancier het contract met zijn klant opzeggen. Als de klant geen nieuwe commerciÍle leverancier vindt, dan neemt de netbeheerder in zijn rol van sociale leverancier de levering van elektriciteit en/of gas over. Eind 2013 ging het om 80.295 huishoudens voor elektriciteit en 58.421 voor gas. Het aantal door de netbeheerders van elektriciteit en gas voorziene huishoudens nam in 2012 voor het eerst in lange tijd weer af. Bij wanbetaling bij de sociale leverancier plaatst de netbeheerder een budgetmeter die de klant verplicht om vooraf te betalen voor de levering van elektriciteit en/of gas. Indien de klant niet vooraf betaalt, valt de stroomlevering terug op een minimale levering van 10 ampère. Het

16


wordt dan moeilijk om meerdere toestellen tegelijk te gebruiken. Bij gas wordt in het geval van

niet-betaling

via

de

budgetmeter

de

levering

helemaal

afgesloten.

Het

aantal

budgetmeters voor elektriciteit lag in 2013 iets lager dan in 2012. Eind 2013 verbruikte bijna 43.000 huishoudens stroom via een budgetmeter. In de loop van 2009 werden ook de eerste budgetmeters geplaatst voor de levering van gas. Eind 2013 ging het om 27.554 huishoudens. Dat aantal lag ongeveer op hetzelfde niveau als in 2012. Bij blijvende wanbetaling kan een vraag tot volledige afsluiting voorgelegd worden aan de Lokale Adviescommissie (LAC) van de gemeente. In de wintermaanden worden in dergelijke situatie elektriciteit en gas niet afgesloten. In de loop van 2012 werden na LAC-advies 1.150 afnemers volledig afgesloten van de elektriciteitsvoorzieningen en 1.809 gezinnen van aardgastoevoer. Het aantal afgesloten afnemers voor elektriciteit en gas lag in 2013 respectievelijk beperkt hoger en ongeveer op hetzelfde niveau als in 2012. Het aantal gezinnen waarvan de watertoevoer is afgesloten (met en zonder LAC-advies), is in de meest recente jaren wel sterk gestegen. In 2012 ging het in totaal om 5.074 gezinnen. Bij 4.202 gezinnen gebeurde de waterafsluiting na LAC-advies. Bijna een vijfde van de Vlaamse bevolking leefde in 2012 in een huis met structurele gebreken aan het dak, de ramen, deuren en muren, zonder adequate verwarming, met een gebrek aan elementair comfort of met een gebrek aan ruimte (zie indicator H5). Dat komt overeen met goed 1,2 miljoen personen. Dat aandeel is na een stijging in 2010 en 2011, in 2012 weer iets gedaald. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal personen dat woont in een huis met een gebrekkige kwaliteit tussen 2006 en 2020 met 50% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal bewoners van dergelijke huizen gedaald moet zijn tot maximaal 690.000 personen. Het aandeel personen met huisvestingsproblemen neemt af met de leeftijd (zie indicator H6). Daarnaast zijn er meer problemen bij groepen die ook minder goed scoren op de andere indicatoren: de eenoudergezinnen, grote gezinnen en alleenstaanden, de werklozen en nietactieven (exclusief de gepensioneerden), de gezinnen waar slechts beperkt wordt gewerkt, de laaggeschoolden, de huurders, de laagste inkomensgroepen en de personen geboren buiten de EU.

2.3. Onderwijs Opleiding speelt een belangrijke rol in de strijd tegen armoede. Dat bleek al herhaaldelijk uit de uiteenlopende scores van hoog- en laagopgeleiden op de verschillende armoedeindicatoren.

17


Uit de resultaten van het grootschalige PISA-onderzoek van de OESO blijkt vooreerst dat Vlaanderen in vergelijking met andere Europese landen behoorlijk scoort als het gaat om leesvaardigheid en wiskundige prestaties van 15-jarigen. Wel nam het aantal laaggeletterde leerlingen tussen 2000 en 2012 licht toe (zie indicator O2). Bovendien valt een groot verschil op tussen meisjes en jongens: meisjes scoren beter dan jongens. Bij wiskundige geletterdheid draait de verhouding tussen jongens en meisjes om. Hier scoren jongens net iets beter dan meisjes. Ook het percentage laagpresteerders inzake wiskundige geletterdheid is de voorbije jaren toegenomen. Sinds kort volgt de OESO niet alleen de lees- en cijfervaardigheid van 15-jarigen maar ook de lees- en cijfervaardigheid van de volledige bevolking van 16 tot 65 jaar. Dat gebeurt via de PIAAC-survey. Ook Vlaanderen nam aan deze survey deel. Uit de eerste resultaten blijkt dat in 2012 15% van de Vlamingen van 16 tot 65 jaar beschouwd kunnen worden als laaggeletterd (zie indicator O1). Een gelijkaardig aandeel Vlamingen (14%) kan beschouwd worden als â&#x20AC;&#x2DC;laaggecijferdâ&#x20AC;&#x2122;. Als vergeleken wordt met het IALS-onderzoek uit 1996 blijkt dat de laaggeletterdheid in Vlaanderen sindsdien nagenoeg stabiel gebleven is. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering er zich toe verbonden om de laaggeletterdheid in Vlaanderen tegen 2020 te doen dalen tot 3% van de bevolking. Het totale aandeel schoolverlaters zonder diploma in Vlaanderen

daalde volgens de

administratieve SSL-gegevens de afgelopen jaren gestaag. De gegevens van de EAK-enquĂŞte tonen een iets ander beeld (zie indicator O3). Beide bronnen maken wel duidelijk dat mannen beduidend minder goed scoren dan vrouwen als het gaat om het vroegtijdig verlaten van de schoolbanken. In Europees opzicht haalt Vlaanderen een 9de plaats in de EU-rangschikking (zie indicator O4). 2.4. Gezondheid en zorg Het aandeel Vlamingen van 16 jaar en ouder dat zijn gezondheid als (zeer) slecht omschrijft, ligt de laatste jaren iets hoger dan in de periode 2006-2008 (zie indicator G1). In 2012 ging het om 7% van de Vlaamse bevolking. Bepaalde groepen zijn duidelijk minder tevreden over de eigen gezondheid (zie indicator G2). Dat de gezondheidssituatie verslechtert met de leeftijd lijkt voor de hand te liggen. Daaruit volgt ook een mindere score bij oudere koppels en gepensioneerden. De slechtere situatie van alleenstaanden houdt ten dele verband met leeftijd aangezien er in deze groep relatief veel ouderen zitten. Andere groepen die de eigen gezondheid vaker als (zeer) slecht omschrijven, zijn niet-actieven, leden van gezinnen met een zeer

lage

werkintensiteit,

laaggeschoolden,

huurders,

personen

uit

de

laagste

inkomensgroepen en personen geboren buiten de EU. Het geeft aan dat de gezondheidssituatie van een individu samenhangt met diens sociaaleconomische situatie. In de Europese rangschikking scoort Vlaanderen met een 5de plaats relatief goed (zie indicator G3).

18


Er bestaat voor een beperkt deel van de bevolking nog steeds een probleem van toegang tot de gezondheidszorg. In 2012 leefde 3% van de Vlamingen in een gezin dat in het voorbije jaar minstens 1 keer een bezoek aan de arts of tandarts heeft moeten uitstellen omwille van financiĂŤle redenen. Dat komt overeen met ongeveer 190.000 personen (zie indicator G4). Dat aandeel is tegenover 2011 weer licht gedaald. Ook hier scoren enkele groepen opvallend minder goed: leden van eenoudergezinnen, werklozen, leden van gezinnen met lage werkintensiteit, huurders, personen uit de laagste inkomensgroep en personen geboren buiten de EU (zie indicator G5).

2.5. Maatschappelijke participatie Armoede en bestaansonzekerheid gaan ten slotte ook gepaard met achterstelling op het vlak van maatschappelijke integratie en participatie. Zo participeren de meest kwetsbare groepen minder aan cultuur, aan sport en aan het verenigingsleven. In 2013 nam bijna een kwart van de volwassen Vlamingen niet deel aan culturele activiteiten (zie indicator M1). Dat komt overeen met goed 1,1 miljoen Vlamingen. Het aandeel nietparticipanten ligt in 2013 op hetzelfde niveau als in 2011 en 2012, maar is sinds 2006 wel gestegen.

De

niet-participatie

aan

cultuur

ligt

beduidend

hoger

bij

ouderen

en

gepensioneerden, alleenstaanden, samenwonenden zonder kinderen, laaggeschoolden en personen uit de laagste inkomensgroepen (zie indicator M2). Een gelijkaardige situatie doet zich voor op het vlak van sportparticipatie. Ook daar zijn het vooral

de

ouderen

en

gepensioneerden,

alleenstaanden

en

alleenstaande

ouders,

laaggeschoolden en personen uit de laagste inkomensgroepen die minder participeren (zie indicator M4). Nochtans wordt sport hier ruim opgevat en omvat het ook activiteiten zoals wandelen en fietsen. Het totale aandeel Vlamingen dat niet sport, lag in 2013 op 43% van de volwassen bevolking (zie indicator M3). Het gaat om ongeveer 2,2 miljoen Vlamingen. Het aandeel niet-sporters is na een duidelijke stijging in de jaren daarvoor sinds 2012 weer afgenomen. Op het vlak van actieve deelname aan het verenigingsleven zien we min of meer hetzelfde beeld: werklozen, laagopgeleiden, huurders en personen uit de laagste inkomensgroepen zijn minder actief (zie indicator M6). In totaal blijkt iets minder dan de helft van de volwassen Vlamingen geen actief lid van 1 of meer verenigingen (zie indicator M5). Dat komt overeen met 2,4 miljoen personen. Het aandeel niet-participanten lag de voorbije jaren steeds net onder de helft van de Vlamingen, uitgezonderd in 2009 en 2011. De verschillen tussen groepen zijn minder uitgesproken - of lopen in een aantal gevallen zelfs in de andere richting - bij de intensiteit van sociale contacten met buren, familie en vrienden of kennissen (zie indicator M8). Het zijn niet de 65-plussers die het hoogste risico lopen op sociale isolatie, wel de 25- tot 49-jarigen. Er blijkt ook geen duidelijk verschil te zijn naar opleidings- en inkomensniveau. Werklozen scoren wel opvallend slechter dan de andere

19


groepen. Bijna 9% van de volwassen Vlamingen had in 2013 minder dan wekelijks contact met buren, familie, vrienden of kennissen (zie indicator M7). Het gaat om ongeveer 420.000 personen. Het aandeel Vlamingen dat risico loopt op sociale isolatie is na een opvallende stijging tussen 2010 en 2012, in 2013 weer gedaald. Het aandeel Vlamingen dat geen of zeer zelden gebruik maakt van internet daalt de laatste jaren behoorlijk snel, al lijkt de intensiteit van die daling in de meest recente jaren af te zwakken. Maar in 2013 maakt toch nog steeds een kwart van de volwassen Vlamingen niet regelmatig gebruik van internet (zie indicator M9). Dat komt overeen met ongeveer 1,2 miljoen personen. Het verschil naar leeftijd is zeer groot (zie indicator M10). Bij de jongste groep gaat het om een te verwaarlozen aandeel, bij de oudste groep om 70%. Daarmee verbonden is ook de hoge score van gepensioneerden en alleenstaanden. Er zijn daarnaast duidelijke verschillen naar geslacht, opleiding en inkomensniveau: de niet-participatie ligt bij mannen lager dan bij vrouwen, bij hoogopgeleiden lager dan bij laagopgeleiden en bij de hogere inkomensgroepen lager dan bij de lagere inkomensgroepen.

3.

Kinderarmoede

Aangezien kinderen een belangrijke aandachtsgroep vormen voor het Vlaamse armoedebeleid, zijn in de Vlaamse Armoedemonitor een aantal indicatoren opgenomen die specifiek focussen op de situatie van deze groep. Als het huishoudinkomen afgezet wordt ten opzichte van de Belgische armoederisicodrempel, blijkt de situatie van de Vlaamse kinderen niet opvallend af te wijken van de situatie van de totale bevolking (zie indicator K1). In 2012 woonde 11% van de Vlamingen van 0 tot 17 jaar in een huishouden met een inkomen onder de armoederisicodrempel. Dat komt overeen met ongeveer 140.000 kinderen. Dat aandeel schommelt de voorbije jaren tussen 10% en 11%. In Europees opzicht scoort Vlaanderen op dit vlak zeer goed (zie indicator K3). In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering er zich toe verbonden om het aantal kinderen in een gezin met een inkomen onder de armoederisicodrempel tussen 2008 en 2020 met 50% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal kinderen onder de armoederisicodrempel gedaald moet zijn tot maximaal 60.000 kinderen. Om een opdeling te kunnen maken binnen de groep kinderen naar onder meer leeftijd, huishoudsamenstelling,

werkintensiteit

van

het

huishouden

en

geboorteland

en

opleidingsniveau van de ouders, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de 3 meeste recente edities van de EU-SILC-survey (EU-SILC 2010, EU-SILC 2011 en EU-SILC 2012) werden samengevoegd. Dat verhoogt het aantal kinderen opgenomen in de steekproef en vergroot de betrouwbaarheid van de resultaten voor kleinere subgroepen.

20


Uit deze oefening blijkt er op vlak van armoederisicopercentages bij de Vlaamse kinderen geen verschil naar geslacht en leeftijd (zie indicator K2). Naar huishoudtype zijn vooral de kinderen in eenoudergezinnen er minder goed aan toe. Dat geldt zeker ook voor kinderen in gezinnen waar niet of slechts beperkt wordt gewerkt. Ook kinderen die leven in een gezin waar geen van de volwassenen minstens een diploma hoger secundair onderwijs heeft, kinderen in een gezin dat de eigen woning huurt en kinderen in een gezin waarvan minstens 1 volwassene geboren is buiten de EU, scoren duidelijk minder goed. Het aandeel kinderen in een gezin dat zelf aangeeft moeilijk rond te komen, ligt beperkt hoger dan bij de totale bevolking (zie indicator K4). Het zijn dezelfde groepen kinderen als bij de objectieve armoederisicopercentages die minder goed scoren: kinderen in eenoudergezinnen, kinderen in gezinnen waar niet of slechts beperkt wordt gewerkt, kinderen in laagopgeleide gezinnen, kinderen in gezinnen die huren en kinderen in niet-EU-gezinnen. Ook bij de cijfers over ernstige materiële deprivatie gaat het om dezelfde groepen kinderen die zich in een mindere positie bevinden (zie indicator K5). Het aandeel Vlaamse kinderen dat leeft in een gezin in ernstige materiële deprivatie blijft beperkt. Het gaat om 4% van de Vlaamse kinderen. Dat komt overeen met ongeveer

50.000 kinderen. De totaalscore op de

samengestelde ernstige materiële deprivatiemaat mag dan wel relatief laag liggen, toch leven 280.000 Vlaamse kinderen in een gezin dat zich geen week vakantie buitenshuis kan veroorloven of dat een onverwachte uitgave van 900 euro niet aankan (zie indicator K6). Bij de woonsituatie valt vooral op dat kinderen vaker in huizen wonen van mindere kwaliteit dan de totale bevolking (zie indicator K8). Op het vlak van woonkosten blijft het verschil met de totale bevolking beperkt (zie indicator K7). Betreffende woonkosten en kwaliteit van de huisvesting zijn het weer dezelfde groepen kinderen die minder goed scoren: kinderen in eenoudergezinnen, kinderen in gezinnen waar niet of slechts beperkt wordt gewerkt, kinderen in laagopgeleide gezinnen, kinderen in gezinnen die huren en kinderen in niet-EU-gezinnen. Ten slotte blijkt er weinig verschil tussen het aandeel kinderen en het aandeel in de totale bevolking dat leeft in een gezin dat medische zorg moet uitstellen omwille van financiële redenen (zie indicator K9). Ook hier duiken weer dezelfde groepen kinderen op die zich in een mindere positie bevinden. Een alternatieve indicator die verschillende van de hierboven behandelde aspecten van de armoedesituatie bij kinderen tegelijk in rekening tracht te brengen, werd begin jaren 1990 ontwikkeld door Kind en Gezin (zie indicator K10). Aan de hand van het maandinkomen van het gezin, de opleiding en de arbeidssituatie van de ouders, de ontwikkeling van de kinderen, de huisvesting en de gezondheidssituatie van het gezin, wordt nagegaan hoeveel kinderen geboren worden in een kansarm gezin. Een gezin

21


wordt als kansarm beschouwd als het op minstens 3 van de voorgenoemde criteria zwak scoort. Sinds 2010 wordt niet meer gewerkt met jaarcijfers maar met het gemiddelde van het jaar en de 2 voorgaande jaren. Dat zorgt voor robuustere resultaten. Om de verandering in de berekening te accentueren, spreekt Kind en Gezin nu van een kansarmoede-index. In 2013 haalde de index een score van 11,2. Dat betekent dat 11,2% van de geboorten in de periode 2011-2013 in het Vlaamse Gewest plaatsvond in een kansarm gezin. Ook voor de voorgaande jaren werd een indexscore berekend volgens de nieuwe formule. Daaruit blijkt dat de kansarmoede-index sinds 2005 behoorlijk sterk is toegenomen. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal kinderen dat geboren wordt in armoede tussen 2008 en 2020 met 50% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het percentage geboorten in kansarme gezinnen gedaald moet zijn tot maximaal 4%.

22


INDICATOREN

23


24


INDICATORENSET VLAAMSE ARMOEDEMONITOR Inkomensarmoede en inkomensverdeling I 1-5 Bevolking onder de armoederisicodrempel I 6-7 Diepte van de inkomensarmoede I 8-9 Bevolking in langdurige armoede I 10-13 Subjectieve beoordeling van de inkomenssituatie I 14-18 Ernstige materiële deprivatie I 19-23 Bevolking in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie I 24-25 Inkomenskwintielverhouding (S80/S20) I 26-27 Gini-coëfficiënt Schulden en betalingsachterstand S1 Betalingsachterstand en collectieve schuldenregeling S 2-4 Achterstallige betalingen voor wonen, nutsvoorzieningen en leningen Uitkeringen sociale zekerheid en bijstand U 1-2 Impact sociale transfers op armoederisicopercentage U3 Sociale zekerheid: vervangingsinkomens U 4-6 Sociale bijstand Arbeid A 1-2 A 3-5 A6 A 7-8 A 9-11 A 12-14

Werkzaamheidsgraad Werkloosheidsgraad (ILO) Langdurige werkloosheidsgraad (ILO) Niet-werkende werkzoekenden (VDAB) Zeer lage werkintensiteit Arme werkenden

Huisvesting H 1-3 Te zware woonkost H4 Energiearmoede: klanten sociale leveranciers, budgetmeters en afsluitingen H 5-6 Kwaliteit van de huisvesting Onderwijs O1 Laaggeletterdheid bij de totale bevolking O2 Laaggeletterdheid en zwakke wiskundige prestaties bij jongeren O 3-4 Ongekwalificeerde uitstroom Gezondheid en zorg G 1-3 Subjectieve beoordeling van de gezondheidssituatie G 4-5 Uitstel gezondheidszorg om financiële redenen Maatschappelijke participatie M 1-2 Niet-participatie aan cultuur M 3-4 Niet-participatie aan sport M 5-6 Niet-participatie aan verenigingen M 7-8 Risico op sociale isolatie M 9-10 Geen internetgebruik Kinderarmoede K 1-3 Kinderen onder de armoederisicodrempel K4 Kinderen in subjectieve armoede K 5-6 Kinderen in ernstige materiële deprivatie K7 Kinderen in een gezin met te zware woonkost K8 Kinderen met slechte woningkwaliteit K9 Kinderen in gezin dat gezondheidszorg moet uitstellen om financiële redenen K 10 Kansarmoede-index van Kind en Gezin

25


26


Indicator I1

Bevolking onder de armoederisicodrempel: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 99 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2012, doelstelling 2020

1.600.000

18

15 1.200.000 12 1.000.000

800.000

9

600.000 6 400.000

% personen onder armoederisicodrempel

Aantal personen onder armoederisicodrempel

1.400.000

3 200.000

0

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Aantal personen 640.000 670.000 690.000 660.000 610.000 620.000 650.000 610.000 680.000 % personen 10,8 11,3 11,4 10,9 10,0 10,1 10,4 9,8 10,9

2020

0

430.000

Toelichting De Belgische armoederisicodrempel (= 60% van het mediaan gestandaardiseerde huishoudinkomen) lag volgens de EU -SILC-survey van 2012 voor een alleenstaande op 12.025 euro per jaar of 1.002 euro per maand. Voor elke bijkomende volwassene in het huishoude n wordt dat bedrag verhoogd met een factor 0,5, voor elk kind met een factor 0,3. Voor een gezin met 2 volwassenen en 2 kinderen (1 + 0,5 + 0,3 + 0,3) ligt de armoederisicodrempel zo op 2.104 euro per maand (= 1.002 euro x 2,1). Er wordt vanuit gegaan dat personen die le ven in een huishouden dat moet rondkomen met een inkomen onder die drempel, een verhoogd risico lopen op armoede. Iets meer dan 1 op de 10 personen (11%) moest volgens de cijfers van de EU-SILC-survey van 2012 in Vlaanderen zien rond te komen met een inkomen onder deze armoederisicodrempel. Dat komt overeen met ongeveer 680.000 personen. Deze indicator wordt berekend op basis van het beschikbare huishoudinkomen in het jaar v贸贸r de survey. De cijfers van de survey van 2012 hebben dus eigenlijk betrekking op het huishoudinkomen van 2011. Het armoederisicopercentage is de afgelopen jaren vrij stabiel gebleven, al lijkt er na een beperkte daling tussen 2010 en 20 11 weer sprake van een stijging tussen 2011 en 2012. Deze schommelingen zijn echter statistisch niet significant (zie de betrouwbaarheidsint ervallen aangegeven in de figuur). De vergelijking maken met de periode v 贸贸r 2004 is moeilijk wegens een breuk in de tijdreeks (overgang van de ECHP-survey naar de EU-SILC-survey). Wel is het zo dat tussen 1994 en 1997 het armoederisicopercentage licht is gedaald waarna h et tussen 1997 en 2001 min of meer stabiel is gebleven. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering er zich toe verbonden om het aantal personen met een inkomen onder de armoederisicodrempel tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 h et aantal personen met een huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel gedaald moet zijn tot maximaal 430.000 personen.

27


Indicator I2

Bevolking onder de armoederisicodrempel: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage en aantal personen met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus (16+), werkintensiteit van het huishouden (0-59), opleiding (18+), bewonerstitel en geboorteland (18+)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2012

Percentage personen met huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel

% personen onder armoederisicodrempel 0

10

Totaal

11

Man

10

Vrouw

12

0-17 jaar

11

18-24 jaar

9

25-49 jaar

9

50-64 jaar

9

65 jaar en ouder Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw., jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin

22

11

Werkend

3

Werkloos

27

Gepensioneerd

15

Anders niet-actief

19

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit*

48

met lage werkintensiteit

30 14

met hoge werkintensiteit

2

met zeer hoge werkintensiteit

2 19

Middengeschoold

9

Hooggeschoold

6

Lid van gezin dat huis bezit

7

Lid van gezin dat huis huurt

24

Geboren in EU

60

20

6

Geboren buiten EU

50

13

Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen

Laaggeschoold

40

8

8

met middelmatige werkintensiteit

30

17

Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

20

9 35

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85).

28


Aantal personen met huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel

Aantal personen onder armoederisicodrempel x 1.000 0

100

Man

320

Vrouw

360

0-17 jaar

140

18-24 jaar

50

25-49 jaar

190

50-64 jaar

120

65 jaar en ouder

190

Alleenstaande

110

Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar

70 50

Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen

60

Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

80

Werkend

90

500

90

Gepensioneerd

170

Anders niet-actief

200

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit *

220

met lage werkintensiteit

80

met middelmatige werkintensiteit

70

met hoge werkintensiteit

20 50

Laaggeschoold

280

Middengeschoold

160

Hooggeschoold

400

70

Lid van eenoudergezin

met zeer hoge werkintensiteit

300

150

Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind

Werkloos

200

90

Lid van gezin dat huis bezit

350

Lid van gezin dat huis huurt

330

Geboren in EU

430

Geboren buiten EU

100

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85).

29


Indicator I3

Bevolking onder de armoederisicodrempel: evolutie situatie risicogroepen

Omschrijving

Percentage personen met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers, bij die groepen waarvan het armoederisicopercentage in 2012 minstens 1,5 keer hoger ligt dan het algemene armoederisicopercentage

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2008-2012

% personen onder armoederisicodrempel 0

10

20

30

40

50

10

Totaal 11

2008 2009

19

65 jaar en ouder

2010 17

2011 2012 19

Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar 20 29

Lid van eenoudergezin 22

20

Werkloos 27

16

Anders niet-actief 19

37

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit 48

17

Laaggeschoold 19

20

Lid van gezin dat huis huurt 24

25

Geboren buiten EU 35

30

60


Indicator I4

Bevolking onder de armoederisicodrempel: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de nationale armoederisicodrempel na sociale transfers en hoogte van de nationale armoederisicodrempel voor een alleenstaande in euro (bedrag per jaar)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2012

21 21 20

15

10

13 13 13 10 10

14 14 14 14 14

15 15 15 15 15

16 16

17 17

18 18

22

23 23

19 19 19

50.000

40.000

30.000

11 20.000

Griekenland

Spanje

Roemenië

Bulgarije

Italië

Kroatië

Letland

Portugal

Litouwen

Polen

Estland

VK

EU28

Ierland*

% personen onder armoederisicodrempel (linkse as)

Duitsland

Malta

Luxemburg

België

Cyprus

Zweden

Oostenrijk

Frankrijk

Hongarije

Finland

Slovenië

Slovakije

Denemarken

0 Vlaams Gewest

0 Tsjechië

10.000

Nederland

5

Hoogte van de armoederisicodrempel in euro

% personen onder armoederisicodrempel

25

Hoogte van de armoederisicodrempel in euro (rechtse as)

* Cijfer voor 2011.

Toelichting Het Vlaamse armoederisicopercentage (11%) lag in 2012 duidelijk lager dan het EU28-gemiddelde (17%). Vlaanderen haalde daarmee in 2012 een derde plaats in de EU-rangschikking, na Tsjechië en Nederland. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering zich als doelstelling gesteld dat het aandeel inwoners in Vlaanderen dat leeft in armoede in 2020 laag moet liggen in vergelijking met de best presterende EUlanden. Die doelstelling is vandaag al gehaald. Het is opvallend dat verschillende Oost- en Centraal-Europese landen (Tsjechië, Slovakije, Slovenië en Hongarije) niet beduidend slechter scoren dan de West- en Noord-Europese landen, terwijl de levensstandaard in die eerste groep landen toch lager ligt. Dat heeft t e maken met het feit dat het hier gaat om een relatieve armoedemaat, berekend op basis van het mediaaninkomen in elk land afzonderlij k. Dat gebeurt vanuit de redenering dat een minimaal aanvaardbare levensstandaard - en dus ook de armoederisicodrempel - afhankelijk is van de specifieke sociaaleconomische situatie van het land in kwestie. In de grafiek is op de rechteras de hoogte van de armoederisicodrempel in elk land af te lezen. Daaruit blijkt dat de armoederisicodrempel sterk verschilt van land tot land. Daarmee moet bij de i nterpretatie van de armoederisicopercentages zeker rekening gehouden worden.

31


Indicator I5

Bevolking onder de armoederisicodrempel: Europese vergelijking risicogroepen

Omschrijving

Percentage personen met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de nationale armoederisicodrempel na sociale transfers, bij die groepen waarvan het armoederisicopercentage in het Vlaamse Gewest in 2012 minstens 1,5 keer hoger ligt dan het algemene armoederisicopercentage

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2012

65-plussers

Leden van gezin met 2 volw., minstens 1 > 65 jaar 80

70

70

60

60

50

50

40

40

30

30

20

20

10

10

0

0 LU HU NL SK SE FI FR LT EE IE* RO DK PL SI AT EU28 DE IT LV UK GR ES PT BE VL BG MT HR CY

NL CZ HU LU SK FR IE* LV PL DK EU28 ES DE AT RO UK IT EE GR VL MT PT SE BE FI LT SI HR BG CY

80

Werklozen

Leden van een eenoudergezin 80

70

70

60

60

50

50

40

40

30

30

20

20

10

10

0

0 DK VL CY IE* BE NL FR PT SE PL HR IT SK AT FI GR ES CZ SI EU28 MT BG HU LU LV RO UK LT EE DE

CY DK VL FI SI PL SK NL AT HU UK PT CZ IE* EE BE SE EU28 FR ES DE LT RO HR IT LV BG LU MT GR

80

Leden van gezin met zeer lage werkintensiteit

Niet-actieven excl. werklozen/gepensioneerden 80

70

70

60

60

50

50

40

40

30

30

20

20

10

10

0

0 CZ SI CY SK VL LU NL MT HU IE* AT DE LT FI BE PL BG IT EU28 ES LV FR PT UK HR DK EE SE GR RO

NL DK IE* LU CY UK RO VL AT PT CZ SI IT GR FR EU28 BE PL FI HU HR MT ES LT DE SK LV BG SE EE

80

* Cijfer voor 2011. BG IT EU28 ES LV

32


Laaggeschoolden

Leden van gezin dat huis huurt 80

70

70

60

60

50

50

40

40

30

30

20

20

10

10

0

0 PL CZ NL DK SK AT VL UK HR EE RO MT FR DE HU EU28 FI IE* CY PT LT GR SE BG LU LV IT SI BE ES

NL MT CZ FR IE* PT VL LU DK AT FI SK UK BE IT EU28 SE DE ES HU EE CY SI PL LV GR LT RO HR BG

80

Personen geboren buiten de EU 80 70 60 50 40 30 20 10 SK* IE* PL HU MT LV PT LT BG DE NL CZ EE SI UK AT FR HR EU28 SE IT DK CY VL LU FI BE ES GR

0

* Cijfer voor 2011.

Toelichting Als de inkomenssituatie van de bevolkingsgroepen die in het Vlaamse Gewest een hoger risico lopen op armoede (minstens 1,5 keer het gemiddelde armoederisico) vergeleken wordt met de situatie van deze groepen in de 28 EU-lidstaten, dan blijkt een diffuus beeld. Bij de meeste groepen haalt Vlaanderen een plaats binnen de top 10 van de EU-rangschikking. Bij de oudere bevolkingsgroepen (65-plussers en leden van koppels waarvan minstens 1 partner ouder is dan 65 jaar) zakt Vlaanderen met een score onder het EU -gemiddelde weg naar de (lagere) middenmoot. Ook bij de personen geboren buiten de EU valt Vlaanderen ver terug in de Europese rangschikking.

33

FR PT UK HR DK EE SE GR RO

PL CZ NL DK SK AT VL UK HR EE RO MT FR DE HU EU28


Indicator I6

Diepte van de inkomensarmoede: evolutie

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder 40%, 50% en 70% van het nationaal mediaan gestandaardiseerd huishoudinkomen na sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2006-2012

25

% personen onder drempel

20

15

10

5

0

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Onder 70%-drempel

18,9

17,8

17,9

18,2

18,4

18,5

18,8

Onder 50%-drempel

5,9

5,3

4,9

4,8

4,9

5,0

5,7

Onder 40%-drempel

2,3

2,6

2,0

2,5

2,6

1,8

2,9

Toelichting Om zicht te krijgen op de spreiding van de inkomens rond de armoederisicodrempel en dus de diepte van de inkomensarmoede kan men de hoogte van de armoederisicodrempel (normaal 60% van het nationaal mediaaninkomen) laten variĂŤren. In 2012 bleek 19% van de Vlamingen te beschikken over een inkomen lager dan 70% van het nationaal mediaaninkomen, 6% over een inkomen lager dan 50% va n het mediaaninkomen en 3% lager dan 40% van het mediaaninkomen. Die aandelen bleven de laatste jaren vrij stabiel. Net als bij de klassieke armoededrempel (60% van het nationaal mediaanikomen) scoort Vlaanderen ook bij de 40% -, bij de 50%- en bij de 70%-drempel op hetzelfde niveau als de best presterende EU-landen (zie indicator I7).

34


Indicator I7

Diepte van de inkomensarmoede: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder 40%, 50% en 70% van het nationaal mediaan gestandaardiseerd huishoudinkomen na sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2012

30

5

5

5

6

6

8

IT

5

7

EE

4

LT

4

7

PT

FR

4

PL

CY

4

7

EU28

FI

4

AT

MT

3

SE

3

SK

3

DE

3

HU

3

SI

3

BE

3 CZ

3

LU

2

VL

10

IE*

20

NL

% personen onder 40%

40

8

9

10 11 11

8

9

SK

BE

CY

HU

AT

UK

DE

ES

8

GR

8

BG

8

LV

8

HR

DK

UK

8

12 12 10 10 11 11 11

IE*

0

30

7

7

7

8

8

DK

SE

FI

7

SI

6

MT

6

FR

5

LU

5

VL

10

CZ

20

NL

% personen onder 50%

40

16 14 14 15 15

ES

GR

BG

HR

LV

IT

PT

LT

EE

PL

EU28

0

% personen onder 70%

40

30

20

24 24 24 25 25 25 25 25 25 22 22 22 22 22 23 21 21 19 20 17 18

29 30 27 27 27 27 28 28

10

* Cijfer voor 2011.

35

RO

ES

BG

LV

HR

LT

IT

EE

PL

PT

LU

UK

MT

EU28

CY

BE

DE

SE

IE*

FI

FR

AT

HU

SI

DK

SK

VL

CZ

NL

0


Indicator I8

Bevolking in langdurige armoede: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 99 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers tijdens jaar x en tijdens minstens 2 van de 3 voorgaande jaren

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2007-2011

600.000

8

Aantal personen in langdurige armoede

7 500.000

400.000 5

300.000

4

3 200.000

% personen in langdurige armoede

6

2 100.000 1

0 Aantal personen % personen

2007

2008

2009

2010

2011

300.000

290.000

360.000

420.000

310.000

5,0

4,7

5,9

6,7

4,9

0

Toelichting Doordat de EU-SILC-survey een panelsurvey is â&#x20AC;&#x201C; gezinnen worden verschillende jaren na elkaar bevraagd â&#x20AC;&#x201C; is het mogelijk om de inkomenssituatie van gezinnen over een aantal jaren heen te volgen. In 2011 (cijfers voor 2012 zijn nog niet beschikbaar) leefde 5% van de Vlamingen in een gezin met een inkomen onder de armoededrempel in 2011 en in minstens 2 van de 3 voorgaande jaren. Dat komt overeen met ongeveer 310.000 personen. Als dat vergeleken wordt met het totale aandeel personen onder de armoededrempel in 20 11 dan blijkt de helft van het totaal aantal personen in armoede in Vlaanderen zich in een positie van langdurige armoede te bev inden.

36


Indicator I9

Bevolking in langdurige armoede: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de nationale armoederisicodrempel na sociale transfers tijdens jaar x en tijdens minstens 2 van de 3 voorgaande jaren en procentueel aandeel van de langdurige armoede in het totaal aantal personen onder de armoederisicodrempel in jaar x

DIMENSIES

Ruimte

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie (geen cijfers beschikbaar voor Frankrijk, Ierland en Kroatië) 2011

Tijd

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/245.htm

BRON Voor meer informatie

20

80

15

60

14 12

50

11 11 11 11 11 10 10 10

10

9 8 7 6

5

8

8

8

8

40

9

8

7

30

6

5 4

70

20

4

Procentueel aandeel in totale armoede

% personen in langdurige armoede

17 17

10

% personen in langdurige armoede (linkse as)

Bulgarije

Roemenië

Italië

Portugal

Malta

Spanje

Cyprus

Griekenland

Estland

Polen

Duitsland

EU28

Letland

België

Hongarije

Slovakije

Finland

Nederland

Slovenië

Litouwen

VK

Luxemburg

Denemarken

Oostenrijk

Vlaams Gewest

Zweden

0 Tsjechië

0

Procentueel aandeel in totale armoede (rechtse as)

Toelichting Net als bij aandeel personen onder de armoededrempel (zie indicator I4) haalt Vlaanderen ook bij het aandeel personen in lang durige armoede een derde plaats in de EU28-rangschikking. Het procentueel aandeel van de langdurige armoede in de totale armoede ligt in Vlaanderen wel iets hoger dan in de andere landen met een relatief lage score op het aandeel personen in langdurige armoede.

37


Indicator I10

Subjectieve beoordeling van de inkomenssituatie: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huishouden dat volgens de referentiepersoon (zeer) moeilijk rondkomt met het beschikbare inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/245.htm

Vlaams Gewest 2004-2012

1.400.000

18 16 14

1.000.000 12 800.000

10

600.000

8 6

400.000 4 200.000

0 Aantal personen % personen

% personen dat (zeer) moeilijk rondkomt

Aantal personen dat (zeer) moeilijk rondkomt

1.200.000

2

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

790.000

750.000

710.000

580.000

900.000

930.000

870.000

930.000

960.000

13,1

12,5

11,7

9,6

14,9

15,2

14,1

15,0

15,3

0

Toelichting Bij de indicatoren I1 tot I9 wordt op een objectieve manier nagegaan of het inkomen waarover mensen beschikken al dan niet on der een bepaalde drempel ligt. Maar de inkomensgerelateerde verwachtingen en behoeften verschillen van mens tot mens. De objectieve vergelijking van het beschikbare inkomen met de armoederisicodrempel wordt daarom best aangevuld met een subjectieve inschatt ing van het inkomen door de betrokkenen zelf. In 2012 leefde 15% van de Vlamingen in een huishouden dat zelf aangeeft (zeer) moeilijk rond te komen met het beschikbare ink omen. Dat komt overeen met ongeveer 960.000 personen. Deze cijfers liggen de laatste jaren duidelijk hoger dan in de periode 2006 -2007. In tegenstelling tot het percentage personen onder de armoederisicodrempel dat berekend wordt op basis van het totale huishou dinkomen in het jaar voorafgaand aan de survey (bij de EU-SILC-survey van 2012 gaat het dus om het inkomen uit 2011), heeft de subjectieve armoedemaat betrekking op de situatie op het moment waarop de survey wordt afgenomen (de EU-SILC-survey van 2012 werd afgenomen medio 2012).

38


Indicator I11

Subjectieve beoordeling van de inkomenssituatie: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage en aantal personen dat leeft in een huishouden dat volgens de referentiepersoon (zeer) moeilijk rondkomt met het beschikbare inkomen, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus (16+), werkintensiteit van het huishouden (0-59), opleiding (18+), bewonerstitel, huishoudinkomen en geboorteland (18+)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/245.htm

Vlaams Gewest 2012

Percentage personen dat (zeer) moeilijk rondkomt

% personen dat (zeer) moeilijk rondkomt 0

10

Totaal

15

Man Vrouw

15 16

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

18 15 16 13 13

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

21 9 12 38 16 8 18

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

10 33 13 22

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

48 35 21 14 8

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

21 15 8

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

10 34

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

36 22 11 7 2

Geboren in EU Geboren buiten EU

13 38

20

30

40

50

60

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

39


Aantal personen dat (zeer) moeilijk rondkomt

Aantal personen dat (zeer) moeillijk rondkomt x 1.000 0

100

Man Vrouw

460 500

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

230 80 340 160 150

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

180 80 90 120 100 90 130

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

260 100 150 230

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

210 90 110 140 200

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

300 270 130

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

490 470

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel Geboren in EU Geboren buiten EU

200

300

400

500

600

700

450 270 140 80 20 600 110

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

40


Indicator I12

Subjectieve beoordeling van de inkomenssituatie: evolutie situatie risicogroepen

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in een huishouden dat volgens de referentiepersoon (zeer) moeilijk rondkomt met het beschikbare inkomen, bij die groepen waarvan het subjectieve armoedepercentage minstens 1,5 keer hoger ligt dan het algemene subjectieve armoedepercentage

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/245.htm

Vlaams Gewest 2008-2012

% personen dat (zeer) moeilijk rondkomt 0

10

20

30

40

50

15

Totaal 15

2008 2009 2010

40

2011

Lid van eenoudergezin 38

2012

22

Werkloos 33 23

Anders niet-actief 22

35

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit 48

27

Lid van gezin dat huis huurt 34

37

Lid van gezin in laagste inkomenskwintiel 36 19

Lid van gezin in 2de inkomenskwintiel 22

41

Geboren buiten EU 38

41

60


Indicator I13

Subjectieve beoordeling van de inkomenssituatie: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huishouden dat volgens de referentiepersoon (zeer) moeilijk rondkomt met het beschikbare inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/245.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2012

73 70

66

60 50 50

50 40 28 29

30 20 20

7

7

9

Luxemburg

10

10 11

Duitsland

20

22

31 32

34 34 35

38

52

55

58

42 40 41

24

15 13 14

42

Bulgarije

Griekenland

Kroatië

Hongarije

Letland

Roemenië

Malta

Cyprus

Portugal

Italië

Litouwen

Polen

Spanje

Slovakije

Tsjechië

Ierland*

EU28

Slovenië

België

Estland

VK

Frankrijk

Vlaams Gewest

Oostenrijk

Nederland

Denemarken

Finland

0 Zweden

% personen in huishouden dat (zeer) moeilijk rondkomt

80


Indicator I14

Ernstige materiële deprivatie: evolutie samengestelde maat

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huishouden dat minstens 4 van volgende 9 items mist omwille van financiële redenen: 1 week vakantie buitenshuis per jaar, een maaltijd met vis, vlees, kip of vegetarisch alternatief om de 2 dagen, een wasmachine, een kleuren-tv, een telefoon/GSM, een auto, de rekeningen voor huur, hypotheek, nutsvoorzieningen of andere aankopen kunnen betalen, het huis degelijk kunnen verwarmen, beperkte onverwachte financiële uitgave (900 euro) kunnen doen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Aantal personen600.000

2004

2005

2006

2007

2008

2009

758.000

822.000

813.000

807.000

777.000

725.000

12,6

13,7

13,6

13,4

12,8

11,8

6

500.000

5

400.000

4

300.000

3

200.000

2

100.000

1

0

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Aantal personen 130.000 160.000 180.000 130.000 170.000 130.000 100.000 180.000 240.000 % personen 2,2 2,6 2,9 2,0 2,7 2,1 1,6 2,9 3,8

2020

% personen in ernstige materiële deprivatie

Aantal personen in ernstige materiële deprivatie

% personen

Vlaams Gewest 2004-2012, doelstelling 2020

0

120.000

Toelichting Op Europees niveau werd enkele jaren geleden een armoede-indicator ontwikkeld die niet zozeer focust op het inkomen zelf, maar op het feit of men mede dankzij dit inkomen kan genieten van een minimale levensstandaard. Dat gebeurt door na te gaan hoeveel items uit een lijst van 9 basisitems elk gezin moet missen omwille van financiële redenen. Vervolgens wordt per land of regio het percentag e individuen berekend dat leeft in een gezin dat niet beschikt over minstens 4 van de 9 items. Volgens de EU-SILC van 2012 leefde 4% van de Vlamingen in een ernstig materieel gedepriveerd gezin (mist minstens 4 van 9 basisi tems om financiële redenen). Dat komt overeen met ongeveer 240.000 personen. Het aandeel ernstig gedepriveerden is tegenover 2010 dui delijk gestegen. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal personen in een ernstige materieel gedepriveerd gezin tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal personen dat leeft in een ernstig materieel gedepriveerd gezin moet dalen tot maximaal 120.000 personen.

43


Indicator I15

Ernstige materiële deprivatie: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in een huishouden dat minstens 4 van 9 items mist omwille van financiële redenen (zie indicator I14), naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus (16+), werkintensiteit van het huishouden (0-59), opleiding (18+), bewonerstitel, huishoudinkomen en geboorteland (18+)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2012

Percentage personen in huishouden in ernstige materiële deprivatie % personen in ernstige materiële deprivatie 0

5

Totaal

4

Man Vrouw

4 4

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

5 5 5 3 2

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

6 1 1 9 2 3 6

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

2 11 1 7

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

23 11 5 3 1

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

10

15

20

25

7 2 1

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

1 14

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

12 5 1 1 <1

Geboren in EU Geboren buiten EU

2 20

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieën: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

44


Aantal personen in huishouden in ernstige materiĂŤle deprivatie

Aantal personen in ernstige materiĂŤle deprivatie x 1.000 0

50

Man Vrouw

120 110

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

70 20 100 30 20

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

50 10 10 30 10 30 40

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

50 40 10 70

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

100 30 30 30 40

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

100 40 20

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

50 190

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

150 60 10 10 < 10

Geboren in EU Geboren buiten EU

110 60

100

150

200

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

45


Indicator I16

Ernstige materiële deprivatie: evolutie situatie risicogroepen

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in een huishouden dat minstens 4 van 9 items mist omwille van financiële redenen (zie indicator I14) bij die groepen waarvan het percentage minstens 1,5 keer hoger ligt dan het algemene percentage

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2008-2012

% personen in ernstige materiële deprivatie 0

5

10

15

20

25

3

Totaal 4

2008 2009

4

2010

Alleenstaande 6

2011 11

2012

Lid van eenoudergezin 9

5

Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen 6

4

Werkloos 11 6

Anders niet-actief 7

10

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit 23

7

Lid van gezin dat huis huurt 14

9

Lid van gezin in laagste inkomenskwintiel 12

21

Geboren buiten EU 20

46


Indicator I17

Ernstige materiële deprivatie: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huishouden dat minstens 4 van volgende 9 items mist omwille van financiële redenen: 1 week vakantie buitenshuis per jaar, een maaltijd met vis, vlees, kip of vegetarisch alternatief om de 2 dagen, een wasmachine, een kleuren-tv, een telefoon, een auto, de rekeningen voor huur, hypotheek, nutsvoorzieningen of andere aankopen kunnen betalen, het huis degelijk kunnen verwarmen, beperkte onverwachte financiële uitgave (900 euro) kunnen doen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2012

50

40

30

30 26 26 20 20

20

7

9

9

9

Malta

7

8

Estland

7

8

Portugal

Frankrijk

6

Tsjechië

5

Slovenië

5

Duitsland

3

4

Oostenrijk

3

4

Vlaams Gewest

2

Finland

1

Denemarken

1

Zweden

10

België

14

Luxemburg

% personen in ernstige materiële deprivatie

44

10

15 15 15

11

* Cijfer voor 2011.

47

Bulgarije

Hongarije

Roemenië

Letland

Litouwen

Griekenland

Cyprus

Kroatië

Italië

Polen

EU28

Slovakije

VK

Ierland*

Spanje

Nederland

0


Indicator I18

Ernstige materiële deprivatie: score op afzonderlijke items

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huishouden: 1. dat zich per jaar geen week vakantie buitenshuis kan veroorloven 2. dat zich geen maaltijd met vlees, kip, vis of vegetarisch alternatief kan veroorloven om de 2 dagen 3. dat niet beschikt over een wasmachine omwille van financiële redenen 4. dat niet beschikt over een kleuren-tv omwille van financiële redenen 5. dat niet beschikt over een telefoon of GSM omwille van financiële redenen 6. dat niet beschikt over een auto omwille van financiële redenen 7. dat tijdens het afgelopen jaar minstens 1 achterstallige betaling had inzake hypotheek/huur, nutsvoorzieningen (gas, elektriciteit, water) en leningen (aankopen op afbetaling of andere leningen) 8. dat het huis niet degelijk kan verwarmen omwille van financiële redenen 9. dat een onverwachte noodzakelijke uitgave (900 euro) niet uit eigen middelen kan betalen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2012

Percentage personen % personen 0 Geen week vakantie per jaar

5

10

15

20

19

Geen vis, vlees, kip of vegetarisch om de 2 dagen

3

Geen wasmachine

1

Geen TV

<1

Geen telefoon of GSM

<1

Geen auto

4

Achterstallige betalingen

6

Geen degelijke verwarming

4

Geen onverwachte uitgave aankunnen

15

Aantal personen Aantal personen x 1.000 0 Geen week vakantie per jaar Geen vis, vlees, kip of vegetarisch om de 2 dagen Geen wasmachine

200 1.200 170 70

Geen TV

20

Geen telefoon of GSM

< 10

Geen auto

280

Achterstallige betalingen

380

Geen degelijke verwarming

230

Geen onverwachte uitgave aankunnen

970

48

400

600

800

1.000

1.200

1.400


Indicator I19

Bevolking in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 99 jaar dat voldoet aan minstens 1 van 3 onderstaande voorwaarden: 1. leeft in een gezin met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de nationale armoederisicodrempel na sociale transfers (zie indicator I1) 2. leeft in een gezin dat ernstig materieel gedepriveerd is (= mist minstens 4 van 9 items omwille van financiĂŤle redenen) (zie indicator I14) 3. is niet ouder dan 59 jaar en leeft in een gezin waarvan de totale werkintensiteit lager ligt dan 0,20 (zie indicator A9)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2012, doelstelling 2020

20 18

1.400

16 1.200 14 1.000

12

800

10 8

600

6 400 4 200

0

% personen in armoede of sociale uitsluiting

Aantal personen in armoede of sociale uitsluiting x 1.000

1.600

2

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Aantal personen x 1.000 1.000 % personen 16,6

1.010

990

970

930

900

17,0

16,5

15,9

15,2

14,6

2010

2011

2012

2020

910

940

1.020

650

14,8

15,0

16,3

0

Toelichting De Europese Unie stelt zich in haar EU2020-strategie tot doel om het aantal personen in armoede of sociale uitsluiting tegen 2020 met 20 miljoen te verminderen. Het gaat om personen die leven in een huishouden met een gestandaardiseerd inkomen onder de nationale armoederisicodrempel en/of leven in een huishouden dat ernstig materieel gedepriveerd is en/of jonger zijn dan 60 jaar en lev en in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit. In 2012 ging het om 16% van de Vlamingen. Dat komt overeen met goed 1 miljoen personen. Tussen 2005 en 2009 is het aantal per sonen in armoede of sociale uitsluiting licht gedaald. Tot 2011 is dat aantal min of meer constant gebleven. Tussen 2011 en 2012 lijkt er weer sprake van een stijging. Deze schommelingen zijn echter statistisch niet significant. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering er zich toe verbonden om het aantal personen in armoede of sociale uitsluiting tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 in Vlaanderen het aantal personen in armoede of sociale uitsluiting volgens de EU2020-definitie gedaald moet zijn tot maximaal 650.000 personen. Tegelijk gaat de Vlaamse Regering voor een 30%-reductie tegen 2020 op de 3 subindicatoren van de EU2020-indicator afzonderlijk. Dat betekent dus een 30%-reductie van het aantal personen met een huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel (zie indicator I1), een 30% -reductie van het aantal personen in ernstige materiĂŤle deprivatie (zie indicator I14) en een 30%-reductie van het aantal personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit (zie indicator A9).

49


Indicator I20

Bevolking in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage en aantal personen in armoede of sociale uitsluiting (zie indicator I19), naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus (16+), werkintensiteit van het huishouden (0-59), opleiding (18+), bewonerstitel, huishoudinkomen en geboorteland (18+)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2012

Percentage personen in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie % personen in armoede of sociale uitsluiting 0

20

Totaal

16

Man Vrouw

16 17

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

16 13 14 19 18

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

23 15 21 36 11 7 16

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

5 51 17 33

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

28 14 9

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

11 36

Geboren in EU Geboren buiten EU

60

80

100

100 36 17 4 4

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

40

63 10 5 3 1 14 46

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

50


Aantal personen in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie

Aantal personen in armoede of sociale uitsluiting x 1.000 0

100

Man Vrouw

490 540

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

210 70 300 250 200

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

190 140 150 110 70 80 120

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

130 160 190 340

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

450 90 90 40 90

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

410 250 150

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

520 500

200

300

400

500

600

700

800

900

Lid v

Werk

Werk

Gepen

Ander

Lid va

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel Geboren in EU Geboren buiten EU

met la

met m

met h

790 120 60 30 10 670 130

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

Gebo

51


Indicator I21

Bevolking in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie: evolutie situatie risicogroepen

Omschrijving

Percentage personen in armoede of sociale uitsluiting (zie definitie indicator I19) bij die groepen waarvan het percentage minstens 1,5 keer hoger ligt dan het algemene percentage (personen in een gezin met zeer lage werkintensiteit halen per definitie een score van 100% op deze indicator)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2008-2012

% personen in armoede of sociale uitsluiting 0

20

40

60

80

15

Totaal 16

2008 2009

39

2010

Lid van eenoudergezin

2011

36

2012

41

Werkloos 51

31

Anders niet-actief 33

24

Laaggeschoold 28

27

Lid van gezin dat huis huurt 36

59

Lid van gezin in laagste inkomenskwintiel 63

46

Geboren buiten EU 46

52

100


Indicator I22

Bevolking in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar in armoede of sociale uitsluiting (zie indicator I19)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2012

49

50

% personen in armoede of sociale uitsluiting

42 40 35 32 32 30

27 27

20 15 15

16 16

17

18

19 19 19

20 20

21

22

23 23

24

28

29

36

33

30

25 25

10

* Cijfer voor 2011.

53

Bulgarije

Letland

Roemenië

Litouwen

Griekenland

Kroatië

Hongarije

Italië

Ierland*

Spanje

Cyprus

Polen

EU28

Portugal

VK

Estland

Malta

België

Slovenië

Slovakije

Frankrijk

Duitsland

Oostenrijk

Denemarken

Finland

Luxemburg

Zweden

Vlaams Gewest

Tsjechië

Nederland

0


Indicator I23

Bevolking in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie: diagram

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 99 jaar dat voldoet aan slechts 1 of tegelijk aan 2 of 3 van de voorwaarden om te behoren tot de groep personen in armoede of sociale uitsluiting (zie indicator I19)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2012

Armoederisico Ernstige materiĂŤle deprivatie 7,0% 440.000

0,4% 30.000

2,1% 130.000

1,3% 80.000

1,7% 110.000

0,3% 20.000

3,4% 210.000

Zeer lage werkintensiteit

Toelichting In het Vlaamse Gewest leefden in 2012 volgens de EU2020-definitie 16% van de Vlamingen in armoede of sociale uitsluiting (zie indicator I19). Dat komt overeen met goed 1 miljoen personen. Het gaat om de personen die leven in een huishouden met een gestandaardis eerd inkomen onder de nationale armoederisicodrempel en/of leven in een huishouden dat ernstig materieel gedepriveerd is en/of jon ger zijn dan 60 jaar en leven in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit. Een deel van deze personen voldoen tegelijk aan 2 of 3 van de genoemde criteria. Goed 1% van de Vlamingen (80.000 personen) s coort negatief op alle 3 de criteria. Dat wil zeggen dat ze leven in een huishouden met een inkomen onder de armoededrempel, dat er nstig materieel gedepriveerd is en waar sprake is van een zeer lage werkintensiteit.

54


Indicator I24

Inkomenskwintielverhouding (S80/S20): evolutie

Omschrijving

Verhouding van het aandeel van het inkomen ontvangen door de 20% van de bevolking met het hoogste inkomen (hoogste kwintiel) in het totale inkomen tot het aandeel van het inkomen ontvangen door de 20% van de bevolking met het laagste inkomen (laagste kwintiel) in het totale inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/240.htm

Vlaams Gewest 2004-2012

6

Inkomenskwintielverhouding

5

4

3

2

1

0 S80/S20

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

3,6

3,5

3,7

3,5

3,6

3,5

3,6

3,5

3,6

Toelichting Er bestaan verschillende maten om de inkomensverdeling in een land of regio in kaart te brengen. Een in de Europese armoedepl annen vaak gebruikte maat is de inkomenskwintielverhouding (S80/S20) die het totale inkomen van de 20% rijksten vergelijkt met dat van de 20% armsten. Deze verhouding lag in Vlaanderen in 2012 op 3,6. Dat betekent dat het inkomen van de 20% rijksten 3,6 keer hoger li gt dan het inkomen van de 20% armsten. Dat cijfer blijft de voorbije jaren nagenoeg stabiel.

55


Indicator I25

Inkomenskwintielverhouding (S80/S20): Europese vergelijking

Omschrijving

Verhouding van het aandeel van het inkomen ontvangen door de 20% van de bevolking met het hoogste inkomen (hoogste kwintiel) in het totale inkomen tot het aandeel van het inkomen ontvangen door de 20% van de bevolking met het laagste inkomen (laagste kwintiel) in het totale inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/240.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2012

10

Inkomenskwintielverhouding

8 7,2

6

4

3,6 3,6 3,7 3,7 3,7 3,4 3,5

4,3 4,1 4,2 3,9 3,9 4,0

4,7 4,5 4,5 4,6

4,9

5,1

5,5 5,3 5,4 5,4 5,4

5,8

6,1

6,3

6,5 6,6

2

* Cijfer voor 2011.

56

Spanje

Letland

Griekenland

Roemenië

Portugal

Bulgarije

VK

Italië

Kroatië

Estland

EU28

Litouwen

Polen

Cyprus

Ierland*

Frankrijk

Duitsland

Denemarken

Oostenrijk

Luxemburg

Malta

Hongarije

België

Finland

Zweden

Slovakije

Vlaams Gewest

Tsjechië

Nederland

Slovenië

0


Indicator I26

Gini-coëfficiënt: evolutie

Omschrijving

Synthetische maat van het cumulatieve aandeel van het equivalent inkomen dat opgenomen wordt door de cumulatieve percentages van het aantal individuen. De waarde van de coëfficiënt varieert van 0 (volledige inkomensgelijkheid) tot 100 (volledige ongelijkheid).

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/239.htm

Vlaams Gewest 2004-2012

40

35

30

Gini-coëfficient

25

20

15

10

5

0 Gini-coëfficiënt

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

24,9

24,5

24,9

23,9

25,3

24,4

24,9

24,5

24,9

Toelichting De gini-coëfficiënt is een maat die inzicht geeft in de wijze waarop het inkomen verdeeld is tussen de inwoners van een land of regio. Deze maat varieert van 0 (volledige inkomensgelijkheid) tot 100 (volledige ongelijkheid). De gini-coëfficiënt is de voorbije jaren niet significant gestegen of gedaald in Vlaanderen. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering zich als doelstelling gesteld dat de inkomensongelijkheid en dus de gini -coëfficiënt tegen 2020 merkbaar zou dalen. Voorlopig is er in de cijfers geen sprake van een duidelijke daling.

57


Indicator I27

Gini-coëfficiënt: Europese vergelijking

Omschrijving

Synthetische maat van het cumulatieve aandeel van het equivalent inkomen dat opgenomen wordt door de cumulatieve percentages van het aantal individuen. De waarde van de coëfficiënt varieert van 0 (volledige inkomensgelijkheid) tot 100 (volledige ongelijkheid).

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/239.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2012

50

Gini-coëfficient

40

30

30 24

25 25 25 25 25

26

27 27 27

31 31 31 31 31

32 32

33 33 33

34 34

35 35

36

28 28 28 28

20

10

58

Letland

Spanje

Portugal

Griekenland

Bulgarije

Roemenië

VK

Estland

Italië

Litouwen

Polen

Cyprus

EU28

Kroatië

Ierland*

* Cijfer voor 2011.

Frankrijk

Duitsland

Denemarken

Oostenrijk

Luxemburg

Malta

België

Hongarije

Finland

Nederland

Tsjechië

Slovakije

Zweden

Vlaams Gewest

Slovenië

0


Indicator S1

Betalingsachterstand en collectieve schuldenregeling: evolutie

Omschrijving

Aantal geregistreerde personen met betalingsachterstand en aantal uitstaande berichten van toelaatbaarheid van collectieve schuldenregeling, telkens op 31 december

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Nationale Bank van België www.nbb.be

Vlaams Gewest 2007-2013

150.000

125.000

100.000

75.000

50.000

25.000

0

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Personen met betalingsachterstand

107.421

110.258

116.284

119.619

124.066

127.732

130.848

Berichten collectieve schuldenregeling*

38.315

41.197

45.595

50.909

55.425

59.096

62.434

* Cijfers inclusief het gerechtelijke arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde.

Toelichting Schuldoverlast is vaak een belangrijk probleem voor mensen in armoede. Eind 2013 stonden 130.848 Vlamingen met afbetalingsmoeilijkheden geregistreerd bij de Centrale voor Kredieten aan Particulieren van de Nationale Bank van België. Dez e Centrale registreert alle kredieten die door natuurlijke personen (voor privé doeleinden) worden afgesloten evenals de eventuele wanbe talingen met betrekking tot deze kredieten. Kredietgevers zijn verplicht de centrale te raadplegen vooraleer ze een krediet toekennen. Het aantal geregistreerde personen met betalingsachterstand is de afgelopen jaren duidelijk toegenomen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat in deze cijfers enkel rekening wordt gehouden met kredieten (voor consumptie of hypothe ek), maar niet met andere schulden zoals schulden voor huur, energiefacturen, gezondheidskosten, telefoon/internet of fiscale schulden. Wie geconfronteerd wordt met overmatige schuldenlast of ernstige financiële moeilijkheden kan een beroep doen op de procedure van collectieve schuldenregeling. Eind 2013 stonden er in Vlaanderen (inclusief het gerechtelijke arrondissement Brussel -Halle-Vilvoorde) in totaal 62.434 berichten van 'toelaatbaarheid van collectieve schuldenregeling' uit. Dit cijfer kan gezien worden als een aanw ijzing voor de meest extreme vorm van overmatige schuldenlast.

59


Indicator S2

Achterstallige betalingen voor wonen, nutsvoorzieningen en leningen: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huishouden met minstens 1 achterstallige betaling inzake hypotheek/huur, nutsvoorzieningen (gas, elektriciteit, water) en leningen (aankopen op afbetaling of andere leningen) tijdens het afgelopen jaar

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2012

600.000

8

7 500.000

400.000 5

300.000

4

3 200.000

% personen met achterstallen

Aantal personen met achterstallen

6

2 100.000 1

0 Aantal personen % personen

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

290.000

270.000

290.000

250.000

290.000

270.000

290.000

320.000

380.000

4,8

4,5

4,7

4,1

4,8

4,5

4,7

5,2

6,0

0

Toelichting In 2012 leefde 6% van de Vlamingen in een gezin met minstens 1 achterstallige betaling in het afgelopen jaar voor huur of hyp otheek, elekticiteit, water of gas of een andere lening. Dat komt overeen met ongeveer 380.000 personen. In tegenstelling tot de cijf ers van de Centrale voor Krediet aan Particulieren van de Nationale Bank over het aantal geregistreerde personen met betalingsachterstan d (zie indicator S1) wordt hier niet alleen rekening gehouden met kredieten maar ook met andere mogelijke schulden (huur, nutsvoorzieningen...).

60


Indicator S3

Achterstallige betalingen voor wonen, nutsvoorzieningen en leningen: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in een huishouden met minstens 1 achterstallige betaling (zie indicator S1), naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus (16+), werkintensiteit van het huishouden (0-59), opleiding (18+), bewonerstitel, huishoudinkomen en geboorteland (18+)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2012

Percentage personen met achterstallen

% personen met achterstallen 0

5

Totaal

6

Man Vrouw

7 5

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

10 9 7 3 2

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

5 3 2 6 4 4 17

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

4 13 1 10

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

18 25 10 7 4

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

10

15

20

25

30

7 5 3

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

3 16

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

13 10 5 1 1

Geboren in EU Geboren buiten EU

4 26

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

61


Aantal personen met achterstallen

Aantal personen met achterstallen x 1.000 0

50

Man Vrouw

210 170

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

120 50 160 30 20

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

200

250

10 20 30 40 120 110 40 10 100 80 60 50 70 90 110 90 50

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

160 220

Geboren in EU Geboren buiten EU

150

40 30

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

100

160 130 60 20 10 170 70

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

62


Indicator S4

Achterstallige betalingen voor wonen, nutsvoorzieningen en leningen: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huishouden met minstens 1 achterstallige betaling inzake hypotheek/huur, nutsvoorzieningen (gas, elektriciteit, water) en leningen (aankopen op afbetaling of andere leningen) tijdens het afgelopen jaar

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2012

45 39

35 30

30

31

32 32

26 24

25 20

20

6

7

7

8

8

Slovakije

VK

6

Zweden

4

5

Nederland

4

5

Duitsland

5

Luxemburg

10

Denemarken

15

Oostenrijk

% personen met achterstallen

40

9

10 10

11 11 11

12

13 13

14

21

15

* Cijfer voor 2010. * Cijfer voor 2011.

63

Cyprus

Griekenland

Bulgarije

Roemenië

Kroatië

Hongarije

Letland

Slovenië

Polen

Ierland*

Italië

Litouwen

EU28

Estland

Malta

Spanje

Finland

Portugal

Frankrijk

België

Tsjechië

Vlaams Gewest

0


Indicator U1

Impact sociale transfers op armoederisicopercentage: evolutie

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel voor alle sociale transfers, na pensioenen en voor andere sociale transfers, na alle sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2012

50

% personen onder armoederisicodrempel

40

30

20

10

0

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Voor alle sociale transfers

37,5

37,7

36,7

36,0

36,9

36,5

36,9

37,7

38,2

Na pensioenen, voor andere transfers

22,6

23,1

21,7

21,2

21,0

21,2

20,8

21,9

22,2

Na alle sociale transfers

10,8

11,3

11,4

10,9

10,0

10,1

10,4

9,8

10,9

Toelichting Sociale transfers spelen een belangrijke rol bij de bestrijding van armoede. Zonder sociale uitkeringen zou 38% van de Vlaams e bevolking onder de armoederisicodrempel terecht komen. Als de pensioenen gezien worden als primaire inkomens en niet als transfers, gaa t het nog steeds om 22% van de bevolking. Die aandelen blijven de laatste jaren min of meer stabiel.

64


Indicator U2

Impact sociale transfers op armoederisicopercentage: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de nationale armoederisicodrempel voor alle sociale transfers, na pensioenen en voor andere sociale transfers, na alle sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2012

% personen onder armoederisicodrempel

60 50 50 50 51

50 37 38 38 38 38

40

45 45 45 45 45 46 46 46 43 43 44 44 44 42 42 42 42 40 41 41

34 30 20 10

IE*

RO

HU

LU

GR

HR

ES

PT

UK

LT

LV

IT

FR

AT

PL

Voor alle sociale transfers

EU28

DE

SI

SE

BG

FI

BE

EE

DK

SK

CZ

MT

VL

CY

NL

0

Na alle sociale transfers

% personen onder armoederisicodrempel

60 50 40

40 30 20

18

30 30 28 28 28 28 29 26 26 26 26 27 27 27 27 25 25 25 24 24 24 24 24 22 23 20 21

32

10

Na pensioenen, voor andere transfers * Cijfer voor 2011.

65

IE*

UK

HR

ES

LU

RO

LT

BE

Na alle sociale transfers

DK

FI

SE

HU

AT

GR

LV

BG

EU28

SI

PT

EE

CY

MT

IT

FR

DE

PL

VL

NL

SK

CZ

0


Indicator U3

Sociale zekerheid: vervangingsinkomens

Omschrijving

Aantal personen met een pensioenuitkering (inclusief IGO/GIB), aantal door de RVA vergoede werklozen en aantal begunstigden van een uitkering voor arbeidsongeschiktheid, telkens bij het begin van het jaar

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ) http://www.rva.be https://www.ksz-bcss.fgov.be/

Vlaams Gewest 2005-2013

1.200.000 1.100.000 1.000.000

Aantal begunstigden

900.000 800.000 700.000 600.000 500.000 400.000 300.000 200.000 100.000 0

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

1.054.628

1.056.208

1.067.617

1.084.082

1.088.736

1.104.440

1.124.973

1.147.780

Door RVA vergoede werklozen

334.604

311.011

293.241

312.307

312.942

298.202

290.910

295.545

Arbeidsongeschiktheid

86.209

88.582

92.928

95.907

99.199

104.251

107.723

Pensioentrekkenden

Toelichting Sociale transfers spelen een belangrijke rol bij de bestrijding van armoede. Zo zorgt de sociale zekerheid voor een vervangin gsinkomen bij loonverlies door pensionering, werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. Begin 2013 ontvingen goed 1,1 miljoen Vlamingen een pensioenuitkering. Het is gezien de vergrijzing van de bevolking weinig v erwonderlijk dat dit aantal jaarlijks gestaag toeneemt. Het aantal door de RVA vergoede werklozen ligt sinds 2011 net onder de 300.000 personen. In 2009 en 2010 lag dat aantal iets boven die grens. Naast de vergoede werklozen keert de RVA ook nog uitkeringen uit voor de ondersteuning van werknemers bij tijdelijke werkloosheid, opleiding of deeltijdse tewerkstelling met behoud van rechten en uitkeringen voor werknemers die met de steun v an de RVA de werktijd aanpassen via loopbaanonderbreking of tijdskrediet (in de figuur zijn enkel de door de RVA vergoede werklozen opg enomen). Begin 2012 ontvingen bijna 110.000 Vlamingen een uitkering voor arbeidsongeschiktheid (incl. arbeidsongevallen en beroepsziek ten). Dat aantal neemt de afgelopen jaren gestaag toe.

66


Indicator U4

Sociale bijstand: Recht op Maatschappelijke Integratie en Maatschappelijke Hulp - evolutie

Omschrijving

Gemiddeld maandelijks aantal begunstigden van het (equivalent) leefloon en van tewerkstellingsmaatregelen in het kader van het Recht op Maatschappelijke Integratie (RMI) en het Recht op Maatschappelijke Hulp (RMH)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

POD Maatschappelijke Integratie http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2685.htm

Vlaams Gewest 2005-2012

30.000

25.000

Aantal begunstigden

20.000

15.000

10.000

5.000

0

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Leefloon

21.891

22.232

21.863

22.349

24.933

25.859

24.167

23.230

Equivalent leefloon

16.516

13.955

11.411

7.707

7.479

9.396

9.960

8.897

Tewerkstelling

4.014

4.312

4.395

4.217

4.458

5.078

5.480

5.593

Toelichting Naast de klassieke sociale uitkeringen (pensioenen, werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en kinderbijslag), probeert de overheid via de sociale bijstand de armoedesituatie van de minst gegoede groepen te verbeteren . Het gaat vooreerst om het leefloon dat men ontvangt in het kader van het Recht op Maatschappelijke Integratie (RMI) en het eq uivalent leefloon dat men ontvangt in het kader van het Recht op Maatschappelijke Hulp (RMH). Het RMH is er voor mensen die niet in aa nmerking komen voor het RMI omdat ze niet voldoen aan bepaalde voorwaarden inzake leeftijd, nationaliteit en arbeidsbereidheid. In de praktijk gaat het vooral om kandidaat-vluchtelingen en vreemdelingen met een verblijfsvergunning die niet ingeschreven zijn in het bevolkingregister. In 2012 ontvingen in Vlaanderen per maand gemiddeld 23.230 personen een leefloon. Dat aantal is na een duidelijke stijging tu ssen 2008 en 2010 in de meest recente jaren weer iets gedaald. Nog eens gemiddeld 8.897 personen per maand ontvingen in 2012 een equivalen t leefloon, een lichte daling tegenover 2011. Het gaat hier niet om het aantal personen dat recht heeft op het (equivalent) leefloon maar om het aantal personen dat het (e quivalent) leefloon effectief ontvangt. Om uiteenlopende redenen maakt een bepaald deel van de personen die recht hebben op het (equival ent) leefloon in de praktijk geen gebruik van dat recht. Hoe groot dat aandeel is, is echter moeilijk te schatten. Naast het (equivalent) leefloon kan het RMI en het RMH ook ingevuld worden via een tewerkstellingsmaatregel met tussenkomst v an het OCMW. Het aantal tewerkstellingsmaatregelen is de voorbije jaren gestaag gestegen.

67


Indicator U5

Sociale bijstand: Recht op Maatschappelijke Integratie en Maatschappelijke Hulp - situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Gemiddeld maandelijks aantal begunstigden van het (equivalent) leefloon in het kader van het Recht op Maatschappelijke Integratie (RMI) en het Recht op Maatschappelijke Hulp (RMH), naar geslacht, leeftijd, huishoudtype en nationaliteit

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

POD Maatschappelijke Integratie http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2685.htm

Vlaams Gewest 2012

Aantal uitkeringstrekkers

0 Man

Vrouw

0-17 jaar

5.000

10.000

15.000

9.961 5.315 13.269 3.583

90 121

18-24 jaar

6.364 1.871

25-44 jaar

9.064 4.515

Leefloon

45-64 jaar

6.851 1.942

Equivalent leefloon

65 jaar en ouder

Alleenstaande

880 448

10.138 4.082

Samenwonende

6.609 2.193

Persoon met gezin ten laste

6.484 2.555

Belg

16.204 37

EU-burger (excl. Belg)

1.729 92

Niet-EU-burger

5.281 8.798

68

20.000


Indicator U6

Sociale bijstand: uitkeringen voor ouderen, personen met een handicap en kinderen

Omschrijving

Aantal begunstigden van de Inkomensgarantie voor Ouderen (IGO) of het Gewaarborgd Inkomen voor Bejaarden (GIB), de Inkomensvervangende Tegemoetkoming aan Personen met een Handicap (IVT) en/of de Integratietegemoetkoming voor Personen met een Handicap (IT) en het aantal op de gewaarborgde gezinsbijslag rechtgevende kinderen (tot 24 jaar), telkens bij het begin van het jaar

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON

Rijksdienst voor Pensioenen, FOD Sociale Zekerheid Directie-generaal Personen met een Handicap, Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/254.htm http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/256.htm

Voor meer informatie

Vlaams Gewest 2006-2013

100.000

Aantal begunstigden

80.000

60.000

40.000

20.000

0

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

IGO-GIB

50.936

50.228

53.187

55.407

55.078

56.231

56.902

58.096

IVT-IT

62.848

64.369

66.188

68.534

73.280

76.229

77.158

79.102

Gezinsbijslag

4.387

4.469

4.087

3.673

3.973

4.914

4.971

4.838

Toelichting Slechts een beperkt aantal 65-plussers ontvangt een leefloon omdat zij aparte regelingen kennen: het Gewaarborgd Inkomen voor Bejaarden (GIB) dat sinds 2002 geleidelijk vervangen wordt door de Inkomensgarantie voor Ouderen (IGO). Meestal gaat het om e en toeslag bovenop het pensioen, zodat men een bedrag bekomt dat vergelijkbaar is met het leefloon. Het wordt toegekend aan pers onen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt maar die door omstandigheden geen of geen voldoende loopbaan hebben kunnen opbouwen. Op 1 januari 2013 ging het samen om 58.096 ouderen. Het aantal uitgekeerde GIBâ&#x20AC;&#x2122;s gaat sinds 2002 elk jaar achteruit . Het aantal IGOâ&#x20AC;&#x2122;s schommelde tot 2007 rond 40.000, maar gaat sinds 2008 in stijgende lijn. Personen met een handicap kunnen een beroep doen op een Inkomensvervangende Tegemoetkoming (IVT) indien zij geen arbeid kunne n verrichten en/of een Integratietegemoetkoming (IT) indien zij bijkomende kosten te dragen hebben vanwege een vermindering van hun zelfredzaamheid. Begin 2013 werd in Vlaanderen aan 79.102 personen een IVT en/of een IT uitgekeerd. Het aantal personen met e en IVT en/of IT neemt de laatste jaren opvallend toe. Factoren die hierin mogelijk een rol spelen zijn de vergrijzing van de bevolki ng, een betere bekendheid van het stelsel en een snellere behandeling van de aanvragen. De gewaarborgde gezinsbijslag ten slotte is bedoeld voor gezinnen die op basis van hun beroepsactiviteit geen enkel recht kun nen doen gelden op kinderbijslag, of slechts een recht genieten op een bedrag dat lager ligt dan de gewaarborgde gezinsbijslag. Begin 2013 ging het om 4.838 rechtgevende kinderen.

69


Indicator A1

Werkzaamheidsgraad: evolutie en situatie van bevolkingsgroepen met lagere arbeidsdeelname

Omschrijving

Percentage werkenden (= personen die in de referentieweek van de bevraging minstens 1 uur arbeid hebben verricht) in de totale bevolking van 20 tot 64 jaar en in verschillende bevolkingsgroepen met een lagere arbeidsdeelname

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EAK, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/3456.htm http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/3461.htm

Vlaams Gewest 2004-2012

80 70 60

% werkenden

50 40 30 20 10 0

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Totaal

69,7

70,4

70,6

71,9

72,3

71,5

72,1

71,8

71,5

Vrouwen

61,5

62,8

63,4

64,9

66,1

65,7

66,7

66,4

66,2

55 tot 64 jaar

29,5

30,7

31,4

34,2

34,3

35,8

38,2

38,9

40,5

Laaggeschoolden*

52,4

52,3

52,2

54,2

53,3

52,5

53,3

52,0

51,7

49,2

51,2

51,4

56,3

53,4

53,4

53,0

51,8

37,5

33,5

38,6

38,7

Geboren buiten EU** Personen met handicap***

42,7

* Personen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs bij 25-64 jarigen. ** In 2005 en 2006 gaat het om EU25, vanaf 2007 EU27. *** Personen die hinder ondervinden in dagelijkse bezigheden door handicap, langdurige ziekte of aandoening. In 2007 cijfers voor 2de kwartaal, vanaf 2009 jaarcijfers.

Toelichting Sinds 2007 schommelt de totale werkzaamheidsgraad in Vlaanderen rond 72%. Een aantal groepen blijft echter ondervertegenwoord igd op de Vlaamse arbeidsmarkt: ouderen, personen met een handicap, personen geboren buiten de EU, laaggeschoolden en vrouwen. De lage werkzaamheidsgraad bij ouderen vormt een van de voornaamste pijnpunten op de arbeidsmarkt. De Vlaamse arbeidsmarkt wo rdt gekenmerkt door een specifiek leeftijdsgebonden arbeidspatroon. Een erg hoge arbeidsdeelname tussen 25 en 49 jaar zorgt in co mbinatie met een beperkte deelname bij jongeren en ouderen voor sterk samengedrukte loopbanen. De arbeidsdeelname van de 55 - tot 64-jarigen is de voorbije jaren wel duidelijk gestegen, waardoor nu 4 op de 10 personen in deze groep aan het werk is. Ook de arbeidsdee lname van vrouwen gaat er gestaag op vooruit. Bij de laaggeschoolden en personen geboren buiten de EU is er eerder sprake van een afnam e. Bij de personen met een handicap gaat de arbeidsdeelname sinds 2010 weer vooruit.

70


Indicator A2

Werkzaamheidsgraad: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage werkenden (= personen die in de referentieweek van de bevraging minstens 1 uur arbeid hebben verricht) in de bevolking van 20 tot 64 jaar naar verschillende bevolkingsgroepen met een lagere arbeidsdeelname

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EAK - LFS, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/3456.htm http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/3461.htm

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie (zonder KroatiĂŤ) 2012

Vrouwen

55- tot 64-jarigen 85

75

75

65

65

55

55

45

45

35

35

25

25 SE DE DK EE NL FI VK LV LT CY CZ IE EU27 PT BG FR ES AT SK RO LU VL IT BE PL HU GR MT SI

SE FI DK NL DE AT EE VK LT LV VL FR CY SI LU PT CZ EU27 BE BG IE PL SK HU RO ES IT MT GR

85

Geboren buiten de EU**

Laaggeschoolden* 85

75

75

65

65

55

55

45

45

35

35

25

25 CZ CY HU PT EE MT LT VK AT SI LU PL IT LV SK NL SE EU27 FI DK IE FR ES VL GR BE

SE PT LU NL DK CY DE VK AT FR FI RO EU27 LV VL IT EE MT ES GR BE SI IE CZ PL HU BG LT SK

85

* Personen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs van 25 tot 64 jaar. ** In 2005 en 2006 gaat het om EU25, vanaf 2007 EU27.

Toelichting Bij de vrouwen ligt de werkzaamheidsgraad in Vlaanderen hoger dan het EU-gemiddelde en bij de laaggeschoolden op nagenoeg hetzelfde niveau als het EU-gemiddelde waardoor Vlaanderen voor deze groepen een plaats in de middenmoot van de EU-lidstaten inneemt. Bij de andere groepen blijkt een ander beeld. Dat de lage werkzaamheidsgraad bij ouderen een van de voornaamste pijnpunten is op de Vlaamse arbeidsmarkt is, blijkt duidelijk uit de vergelijking met de scores van de EU-lidstaten. Vlaanderen scoort met een werkzaamheidsgraad van 41% heel wat minder dan de meeste EU-lidstaten en het EU-gemiddelde. Hetzelfde geldt voor de situatie van de personen geboren buiten de Europese Unie. Ook bij deze groep scoort Vlaanderen niet goed in vergelijking met het gros van de EUlidstaten.

71


Indicator A3

Werkloosheidsgraad (ILO): evolutie van totale en (zeer) langdurige werkloosheid

Omschrijving

Percentage werklozen in de beroepsbevolking (= werkenden en werklozen) van 15 tot 64 jaar gemeten volgens de criteria van de International Labour Organization (ILO) (geen werk hebben, de afgelopen 4 weken specifieke stappen hebben ondernomen om werk te vinden en binnen de 2 weken beschikbaar zijn voor werk), percentage langdurige werklozen (langer dan 1 jaar) in de beroepsbevolking, percentage zeer langdurige werklozen (langer dan 2 jaar) in de beroepsbevolking

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EAK, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/394.htm

Vlaams Gewest 2004-2012

7

6

ILO-werkloosheidsgraad

5

4

3

2

1

0

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Totaal

5,4

5,5

5,0

4,4

3,9

5,0

5,2

4,3

4,6

Langdurig

2,2

2,3

2,1

1,6

1,4

1,5

1,9

1,6

1,5

Zeer langdurig

1,4

1,5

1,5

1,1

1,0

1,3

1,1

0,9

0,9

Toelichting De afgelopen jaren kende de ILO-werkloosheidsgraad in Vlaanderen een fluctuerend verloop. De werkloosheidsgraad lag het hoogst i n de periode 2004-2005. Het laagste niveau werd bereikt in 2008. In 2009 en 2010 steeg de werkloosheidsgraad sterk ten opzichte van 2 008. In 2011 daalde de werkloosheidsgraad weer waarna hij in 2012 opnieuw licht steeg. De langdurige werkloosheidsgraad volgt met enige vertraging grotendeels hetzelfde patroon als de totale werkloosheidsgraad en lag het hoogst in 2005. In 2012 ging het om 1,5% van de Vlaamse beroepsbevolking. De zeer langdurige werkloosheidsgraad ligt sinds 20 11 onder 1% van de beroepsbevolking.

72


Indicator A4

Werkloosheidsgraad (ILO): situatie van bevolkingsgroepen met lagere arbeidsdeelname

Omschrijving

Percentage werklozen in de beroepsbevolking (= werkenden en werklozen) van 15 tot 64 jaar gemeten volgens de criteria van de International Labour Organization (ILO) (geen werk hebben, de afgelopen 4 weken specifieke stappen hebben ondernomen om werk te vinden en binnen de 2 weken beschikbaar zijn voor werk) en in verschillende bevolkingsgroepen met een lagere arbeidsdeelname

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EAK, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/393.htm http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/395.htm

Vlaams Gewest 2004-2012

25

% werklozen

20

15

10

5

0

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Totaal

5,4

5,5

5,0

4,4

3,9

5,0

5,2

4,3

4,6

Vrouwen

6,6

6,3

5,8

5,1

4,2

5,0

5,1

4,4

4,5

15 tot 24 jaar

13,6

14,2

12,5

11,7

10,5

15,7

15,6

12,7

12,8

55 tot 64 jaar

3,5

3,8

4,6

3,5

3,6

4,3

4,0

3,4

3,0

Laaggeschoolden*

7,6

8,6

8,1

6,7

6,6

7,7

9,0

8,0

7,9

19,7

19,4

15,7

14,8

16,9

17,7

15,0

17,4

Geboren buiten EU**

* Personen tussen 20 en 64 jaar met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs. ** In 2005 en 2006 gaat het om EU25, vanaf 2007 EU27.

Toelichting De mindere arbeidsdeelname van vrouwen, laaggeschoolden en personen geboren buiten de EU vertaalt zich niet alleen in een lag ere werkzaamheidsgraad (zie indicator A1), maar ook in een hogere ILO-werkloosheidsgraad. Het verschil tussen de vrouwelijke en de totale werkloosheidsgraad is sinds 2009 nagenoeg volledig verdwenen. Bij de laaggesc hoolden is er wel nog steeds sprake van een behoorlijk verschil. Het grootste verschil is echter te vinden bij de personen geboren buite n de EU. De werkloosheidsgraad lag in 2012 bij deze laatste groep bijna 4 keer hoger dan de totale werkloosheidsgraad. De werkloosheidsgraad van jongeren tussen 15 en 24 jaar is sinds 2011 na een sterke stijging in 2009 en 2010 weer gedaald. Oo k de werkzaamheidsgraad van deze groep is relatief laag (28% in 2012), maar dat hangt voornamelijk samen met de lange schoolloopba an van de jonge Vlamingen en is dus niet echt problematisch. De werkloosheidsgraad van jongeren is dat wel. Gebrek aan werkervaring speelt de jongeren parten. Daarenboven worden ze vaker aangeworven met een tijdelijk contract of als uitzendkracht zodat ze geregeld we er in de werkloosheid terechtkomen. De ouderen die niet werken, zitten voornamelijk in de inactiviteit en dus minder in de werkloosheid. Daardoor ligt de werkloo sheidsgraad bij de 55- tot 64-jarigen - ondanks hun beperkte arbeidsdeelname - niet hoger dan de totale werkloosheidsgraad.

73


Indicator A5

Werkloosheidsgraad (ILO): Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage werklozen in de beroepsbevolking (= werkenden en werklozen) van 15 tot 64 jaar gemeten volgens de criteria van de International Labour Organization (ILO) (geen werk hebben, de afgelopen 4 weken specifieke stappen hebben ondernomen om werk te vinden en binnen de 2 weken beschikbaar zijn voor werk) en in verschillende bevolkingsgroepen met een lagere arbeidsdeelname

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EAK - LFS, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/393.htm http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/395.htm

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie (zonder KroatiĂŤ) 2012

Totaal

Vrouwen

50

40

40

30

30

20

20

10

10

0

0 AT VL NL DE LU RO FI MT BE UK DK SE CZ EE SI FR EU27 HU BG PL IE CY LT IT LV SK PT ES GR

60

50

AT VL LU NL DE MT CZ RO BE DK FI UK SE SI FR PL EE EU27 IT HU CY BG LT SK IE LV PT GR ES

60

55- tot 64-jarigen

15- tot 24-jarigen 60

50

50

40

40

30

30

20

20

10

10

0

0 DE AT NL VL DK MT LU FI CZ BE SI EE UK RO EU27 SE FR LT PL CY BG HU LV IE SK IT PT ES GR

AT VL RO BE NL UK SE IT DK CZ DE FI EE FR EU27 PL HU CY BG IE SK LT PT GR LV ES

60

Geboren buiten de EU**

Laaggeschoolden* 60

50

50

40

40

30

30

20

20

10

10

0

0 NL RO LU VL MT AT DK UK FI IT DE CY BE SE FR SI PT EU27 PL EE HU LV IE GR CZ BG ES LT SK

CZ AT UK SI NL LU CY EE IT LT IE DK VL FR LV FI SE EU27 PT BE GR ES

60

* Personen tussen 20 en 64 jaar met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs. ** In 2005 en 2006 gaat het om EU25, vanaf 2007 EU27.

Toelichting Door de relatief lage totale werkloosheidsgraad in Vlaanderen in vergelijking met de lidstaten van de EU ligt ook de werkloos heidsgraad van de verschillende groepen met een lagere arbeidsdeelname veelal (ver) onder het EU-gemiddelde. De enige uitzondering hierop is de werkloosheidsgraad van personen geboren buiten de Europese Unie. Daar ligt de werkloosheidsgraad ongeveer op hetzelfde niveau als het EU-gemiddelde.

74


Indicator A6

Langdurige werkloosheidsgraad (ILO): Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage langdurige werklozen (langer dan 1 jaar) in de beroepsbevolking van 15 tot 64 jaar

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie (zonder Kroatië) 2012

EAK - LFS, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2290.htm

20

15

9

9

Slovakije

Bulgarije

8

Letland

7

8

Portugal

7

Litouwen

6

Italië

5

6

Estland

5

Hongarije

België

4

EU27

3

4

Slovenië

3

4

Polen

3

4

Frankrijk

3

Roemenië

Denemarken

3

Malta

Finland

3

Tsjechië

2

VK

2

Duitsland

2

Nederland

2

Zweden

1

2

Luxemburg

1

Oostenrijk

5

Cyprus

10

Ierland

11

Vlaams Gewest

75

Griekenland

0 Spanje

% langdurig werklozen

15


Indicator A7

Niet-werkende werkzoekenden (VDAB): evolutie van totale en (zeer) langdurige werkloosheid

Omschrijving

Gemiddeld maandelijks aantal bij de VDAB ingeschreven niet-werkende werkzoekenden (NWWZ) van 18 tot 65 jaar, aantal langdurige NWWZ (langer dan 1 jaar) en aantal zeer langdurige NWWZ (langer dan 2 jaar)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

VDAB http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2171.htm

Vlaams Gewest 2004-2013

250.000

Aantal NWWZ

200.000

150.000

100.000

50.000

0

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

NWWZ

225.633

235.344

216.762

180.396

168.890

202.808

208.242

195.008

204.437

221.901

Langdurige NWWZ

92.761

101.318

104.049

84.121

71.683

79.003

89.734

85.534

86.207

92.619

Zeer langdurige NWWZ

48.840

57.851

62.207

57.663

48.536

47.618

51.300

52.536

52.641

54.198

Toelichting Net als de ILO-werkloosheidsgraad (zie indicator A3) kende ook het aantal niet-werkende werkzoekenden (NWWZ) ingeschreven bij de VDAB de laatste 10 jaar een fluctuerend verloop. Het totale aantal NWWZ lag het hoogst in 2005 en het laagst in 2008. Onder i nvloed van de economische crisis liep het aantal NWWZ in 2009 en 2010 aanzienlijk op en bleef tot 2012 min of meer constant. In 2013 is het aantal NWWZ nog verder gestegen. Het aantal langdurige en zeer langdurige NWWZ lag in 2013 nagenoeg even hoog als in de periode 2010 -2012.

76


Indicator A8

Niet-werkende werkzoekenden (VDAB): situatie van bevolkingsgroepen met lagere arbeidsdeelname

Omschrijving

Gemiddeld maandelijks aantal bij de VDAB ingeschreven niet-werkende werkzoekenden (NWWZ) van verschillende bevolkingsgroepen met een lagere arbeidsdeelname

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

VDAB - Arvastat http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/433.htm http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/421.htm

Vlaams Gewest 2004-2013

150.000

125.000

Aantal NWWZ

100.000

75.000

50.000

25.000

0

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Vrouwen

120.211

126.563

116.008

96.402

88.144

97.257

100.086

95.129

96.702

102.655

Jonger dan 25 jaar

57.971

56.373

47.335

36.842

34.868

45.344

45.349

41.090

44.940

49.140

Ouder dan 50 jaar

27.435

39.988

45.962

45.592

45.315

49.323

52.439

51.788

50.919

52.910

Laaggeschoolden*

115.064

120.789

111.563

93.531

88.903

103.651

105.131

97.693

100.098

104.483

Allochtonen**

36.372

38.310

36.004

35.447

34.926

43.768

47.514

47.405

52.287

56.767

Arbeidsgehandicapten

24.172

27.788

28.022

27.520

28.488

30.788

29.880

27.858

26.623

29.220

* Personen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs. ** V贸贸r 2007 gebaseerd op nationaliteit, vrijwillige registratie en een door de VDAB ontwikkeld naamherkenningsprogramma; na 2007 gaat het om personen met een huidige of vorige nationaliteit van buiten de EU27.

Toelichting Na een daling tussen 2005 en 2008 is het aantal NWWZ bij alle groepen gestegen tussen 2008 en 2009. Deze groepen volgen daarm ee de daling van het totaal aantal NWWZ in dezelfde periode (zie indicator A7). In 2010 lag het aantal NWWZ bij alle groepen nageno eg op hetzelfde niveau als in 2009. In 2011 nam het aantal NWWZ bij alle groepen af, al is die daling niet bij alle groepen even gr oot. Vooral bij de vrouwen, jongeren en laaggeschoolden nam het aantal NWWZ duidelijk af. Bij de ouderen en de allochtonen gaat het slechts om e en (zeer) beperkte daling. In 2012 en 2013 is er bij de meeste groepen weer sprake van een stijging, behalve bij de ouderen en bij de p ersonen met een arbeidshandicap.

77


Indicator A9

Zeer lage werkintensiteit: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 59 jaar dat leeft in een gezin waarvan de totale werkintensiteit lager ligt dan 0,20. De werkintensiteit is de verhouding van het aantal gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden van 18 tot 59 jaar tot het aantal maanden dat alle volwassen leden van het huishouden van 18 tot 59 jaar zouden kunnen werken.

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Aantal personen800.000

2004

2005

2006

2007

2008

2009

758.000

822.000

813.000

807.000

777.000

725.000

12,6

13,7

13,6

13,4

12,8

11,8

12

10 600.000 8

400.000

6

4 200.000 2

0

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Aantal personen 500.000 470.000 460.000 470.000 360.000 380.000 370.000 410.000 450.000 % personen

10,4

10,0

9,7

9,9

7,7

8,0

7,7

8,5

2020

% personen in gezin met zeer lage werkintensiteit

Aantal personen in gezin met zeer lage werkintensiteit

% personen

Vlaams Gewest 2004-2012, doelstelling 2020

0

250.000

9,3

Toelichting In 2012 leefde 9% van de Vlamingen tot 60 jaar - goed voor ongeveer 450.000 personen - in een gezin met een zeer lage werkintensiteit. Dat aandeel lijkt tussen 2004 en 2008 gedaald maar tussen 2010 en 2012 weer gestegen. Deze schommelingen zijn echter statisti sch niet significant. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering er zich toe verbonden om het aantal personen in een gezin met zeer lage werkintensiteit tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 dat aantal personen gedaald moet zijn tot maximaal 250.000 personen.

78


Indicator A10

Zeer lage werkintensiteit: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 59 jaar dat leeft in een gezin waarvan de totale werkintensiteit lager ligt dan 0,20 (zie indicator A9), naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus (16+), opleiding (18+), bewonerstitel, inkomen en geboorteland (18+)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2012

Percentage personen in gezin met zeer lage werkintensiteit

% personen in gezin met zeer lage werkintensiteit 0

10

Totaal

9

Man

8

Vrouw

10

0-17 jaar

8

18-24 jaar

5

25-49 jaar

7

50-59 jaar

19

Alleenstaande

22

Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar

13

Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind

26 5

Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

2 5

Werkend

<1

Werkloos

57

Anders niet-actief

26

Laaggeschoold

23

Middengeschoold

7

Hooggeschoold

6

Lid van gezin dat huis bezit

6

Lid van gezin dat huis huurt

21

Lid van gezin in laagste kwintiel*

41

2de kwintiel

9

3de kwintiel

5

4de kwintiel hoogste kwintiel Geboren in EU Geboren buiten EU

20

2 1 9 22

* Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

79

30

40

50

60

70


Aantal personen in gezin met zeer lage werkintensiteit

Aantal personen in gezin met zeer lage werkintensiteit x 1.000 0

100

Man

200

Vrouw

240

0-17 jaar

100

18-24 jaar

30

25-49 jaar

160

50-59 jaar

170

Alleenstaande

90

Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar

90

Lid van eenoudergezin

80

Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind

30

Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen

30

Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

30

Werkend

< 10

Werkloos

120

Anders niet-actief

220

Laaggeschoold

160

Middengeschoold

110

Hooggeschoold

80

Lid van gezin dat huis bezit

220

Lid van gezin dat huis huurt

230

Lid van gezin in laagste kwintiel*

300

2de kwintiel

70

3de kwintiel

50

4de kwintiel

20

hoogste kwintiel

10

Geboren in EU

280

Geboren buiten EU

60

* Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

80

200

300

400


Indicator A11

Zeer lage werkintensiteit: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 59 jaar dat leeft in een gezin waarvan de totale werkintensiteit lager ligt dan 0,20. De werkintensiteit is de verhouding van het aantal gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden van 18 tot 59 jaar tot het aantal maanden dat alle volwassen leden van het huishouden van 18 tot 59 jaar zouden kunnen werken.

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2012

24

25

20 16

Roemenië

8

8

9

Finland

Polen

Slovakije

8

9

Estland

7

9

Malta

7

9

Nederland

7

9

Vlaams Gewest

7

Slovenië

7

Cyprus

6

Tsjechië

6

Zweden

10

Oostenrijk

15

Luxemburg

% personen in gezin met zeer lage werkintensiteit

30

10 10 10 10

11 11

12

13 13 13

14 14 14

5

* Cijfer voor 2011.

81

Ierland*

Spanje

Kroatië

België

Griekenland

VK

Bulgarije

Letland

Hongarije

Litouwen

Denemarken

Italië

EU28

Portugal

Duitsland

Frankrijk

0


Indicator A12

Arme werkenden: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 16 jaar en ouder dat als werkend wordt beschouwd met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2012

5

125.000

4

100.000 3 75.000 2 50.000

1

25.000

0 Aantal werkenden % werkenden

% werkenden onder armoederisicodrempel

Aantal werkenden onder armoederisicodrempel

150.000

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

80.000

70.000

90.000

80.000

100.000

80.000

90.000

80.000

90.000

3,3

3,0

3,8

3,1

3,9

3,2

3,5

3,1

3,4

0

Toelichting Uit de armoederisicopercentages bleek al dat werk een belangrijke buffer vormt tegen armoede (zie indicator I2). Het risico o p armoede ligt bij personen met een job beduidend lager dan bij werklozen, gepensioneerden en andere niet -actieven. Maar al lijkt het hier te gaan om een laag percentage (3% in 2012), dit komt overeen met een behoorlijk grote groep: ongeveer 90.000 Vlamingen moeten ondanks het feit dat ze aan het werk zijn toch zien rond te komen met een huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel. Omgekeerd betekent dit dat een vrij grote groep van de personen onder de armoederisicodrempel al aan he t werk is.

82


Indicator A13

Arme werkenden: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen van 16 jaar en ouder dat als werkend wordt beschouwd met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers, naar geslacht, leeftijd, opleiding, aantal werkuren per week, statuut en type contract

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2012

Percentage werkenden met huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel % werkenden onder de armoederisicodrempel 0

2

Totaal

3

Man Vrouw

4 3

16-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar

1 4 3

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

9 3 2

Werkweek van 30 uur of meer Werkweek van minder dan 30 uur

3 6

Werknemer Zelfstandige

4

6

8

10

12

14

2 13

Vast arbeidscontract Tijdelijk arbeidscontract

2 8

Aantal werkenden met huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel Aantal werkenden onder de armoederisicodrempel x 1.000 0 Man Vrouw 16-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar

20

40

50 40 < 10 70 20

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

30 30 20

Werkweek van 30 uur of meer Werkweek van minder dan 30 uur

60 20

Werknemer Zelfstandige

50 30

Vast arbeidscontract Tijdelijk arbeidscontract

40 10

83

60

80


Indicator A14

Arme werkenden: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 16 jaar en ouder dat als werkend wordt beschouwd met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de nationale armoederisodrempel na sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2012

20

19

15

15 12 11 8

Estland

9

EU28

8

9

VK

8

Oostenrijk

Litouwen

8

Cyprus

8

Frankrijk

8

Duitsland

6

Zweden

6

7

Bulgarije

6

7

Slovenië

Malta

Hongarije

6

Slovakije

5

Kroatië

5

Ierland*

5

Denemarken

5

België

5

5

7

9

Letland

10 10 10

10

Nederland

% werkenden onder armoederisicodrempel

25

4 3

* Cijfer voor 2011.

84

Roemenië

Griekenland

Italië

Spanje

Polen

Luxemburg

Portugal

Finland

Tsjechië

Vlaams Gewest

0


Indicator H1

Te zware woonkost: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huishouden waar de totale woonkost (huur of aflossing van de lening, verzekering, taksen, onderhoud en nutsvoorzieningen) meer dan 40% bedraagt van het beschikbare huishoudinkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2012

1.000.000

12

10

Aantal personen met te zware woonkosten

8 600.000 6 400.000 4

200.000

0 Aantal personen % personen

% personen met te zware woonkosten

800.000

2

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

570.000

370.000

420.000

420.000

580.000

360.000

400.000

440.000

510.000

9,9

6,6

7,5

7,3

9,5

5,9

6,5

7,1

8,2

0

Toelichting Door het Europese statistiekbureau Eurostat wordt de grens voor een te zware woonkost gelegd op 40% van het beschikbare huishoudinkomen. Daarbij wordt niet alleen rekening gehouden met de 'naakte' woonkosten (betalingen voor de lening en huur) m aar ook met uitgaven voor verzekeringen, verplichte lasten, regulier onderhoud en herstellingen, belastingen en betalingen voor nutsvoorzieningen (water, elektriciteit, gas en verwarming). In 2012 leefde 8% van de Vlamingen in een huishouden met een te zware woonkost. Dat komt overeen met ongeveer 510.000 persone n. Het aandeel en aantal personen met te zware woonkosten is sinds 2009 weer licht gestegen.

85


Indicator H2

Te zware woonkost: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage en aantal personen dat leeft in een huishouden waar de totale woonkost (huur of aflossing van de lening, verzekering, taksen, onderhoud en nutsvoorzieningen) meer dan 40% bedraagt van het beschikbare huishoudinkomen, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus (16+), werkintensiteit van het huishouden (0-59), opleiding (18+), bewonerstitel en geboorteland (18+)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2012

Percentage personen met te zware woonkosten % personen met te zware woonkosten 0

10

Totaal

8

Man Vrouw

8 9

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

6 7 8 8 12

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

23 6 9 20 6 3 4

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

5 18 12 11

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

27 16 5 3 4

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

11 9 6

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

3 26

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel Geboren in EU Geboren buiten EU

20

30

40

30 8 3 1 <1 8 14

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

86


Aantal personen met te zware woonkosten

Aantal personen met te zware woonkosten x 1.000 0

100

Man Vrouw

240 270

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

80 40 170 100 130

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

190 50 70 60 30 30 30

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

130 50 140 110

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

120 40 30 30 110

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

170 170 100

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

160 350

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

370 100 30 10 < 10

Geboren in EU Geboren buiten EU

390 40

200

300

400

500

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

87


Indicator H3

Te zware woonkost: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huishouden waar de totale woonkost (huur of aflossing van de lening, verzekering, taksen, onderhoud en nutsvoorzieningen) meer dan 40% bedraagt van het beschikbare huishoudinkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2012

33

30

25

20 17 17 14 14 14

8

8

8

8

Estland

Italië

Slovenië

7

Zweden

5

7

VK

5

7

Oostenrijk

5

6

Kroatië

5

Frankrijk

3

Finland

3

Luxemburg

5

Malta

10

Vlaams Gewest

15

Cyprus

% personen in huishouden met te zware woonkosten

35

8

8

9

10

18

15

11 11 11 11

* Cijfer voor 2011.

88

Griekenland

Duitsland

Denemarken

Bulgarije

Roemenië

Spanje

Nederland

Letland

Hongarije

EU28

België

Polen

Tsjechië

Slovakije

Litouwen

Portugal

Ierland*

0


Indicator H4

Energiearmoede - klanten sociale leveranciers, budgetmeters en afsluitingen: evolutie

Omschrijving

Het aantal huishoudelijke afnemers van elektriciteit en gas dat wordt beleverd door de netbeheerders in hun rol van sociale leverancier, het aantal ingeschakelde budgetmeters en stroombegrenzers, telkens op 31 december en het aantal van de elektriciteit-, gas- en watertoevoer afgesloten huishoudelijke afnemers in de loop van het jaar (bij gas en elektriciteit na LAC-advies, bij water met en zonder LAC-advies)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

VREG en VMM www.vreg.be

Vlaams Gewest 2008-2013

www.vmm.be

Elektriciteit

Gas

100.000

80.000

60.000

40.000

20.000

0

Klanten sociale leverancier

Budgetmeters

Stroombegrenzers

Klanten sociale leverancier

2008

60.026

36.059

2.728

41.521

2009

72.978

40.341

2.509

50.721

4.488

2010

76.575

41.200

2.790

54.680

18.190

2011

82.287

43.999

1.661

59.069

24.220

2012

80.571

44.039

2.081

58.028

27.232

2013

80.295

42.891

2.175

58.421

27.554

Budgetmeters

Afgesloten huishoudelijke afnemers* 10.000

8.000

6.000

4.000

2.000

0

Elektriciteit

Gas

Water

2008

1.429

3.387

381

2009

923

3.122

791

2010

1.857

2.836

2.362

2011

1.169

1.865

4.888

2012

981

1.809

5.074

2013

1.150

1.695

* Bij gas en elektriciteit enkel afsluitingen na LAC-advies, bij water afsluitingen met en zonder LAC-advies.

89


Toelichting Het aantal door de netbeheerders van elektriciteit en gas voorziene huishoudens nam in 2012 voor het eerst in lange tijd weer af. Het gaat enkel om klanten van wie het leveringscontract werd opgezegd door de commerciële leverancier omwille van wanbetaling die geen nieuwe commerciële leverancier hebben gevonden en die zoals wettelijk bepaald verder worden beleverd door de netbeheerders in hun ro l van sociale leverancier. Eind 2013 ging het om 80.295 huishoudens voor elektriciteit en 58.421 voor gas. Dat komt overeen met res pectievelijk 3,0% en 3,4% van het totaal aantal huishoudelijke afnemers. Bij de meeste van de door de netbeheerder van elektriciteit voorziene huishoudens werd een budgetmeter geplaatst. Tot en met 2006 vereiste de regelgeving dat bij klanten van de netbeheerder dadelijk een budgetmeter geïnstalleerd werd. Begin 2007 werd de w etgeving aangepast waardoor enkel nog een budgetmeter geplaatst wordt bij afnemers die hun facturen ook bij de netbeheerders niet corr ect betalen. Het aantal budgetmeters voor elektriciteit lag in 2013 iets lager dan in 2012. Eind 2013 verbruikte bijna 43.000 hui shoudens stroom via een budgetmeter. In de loop van 2009 werden ook de eerste budgetmeters geplaatst voor de levering van gas. Eind 20 13 ging het om 27.554 huishoudens. Dat aantal lag ongeveer op hetzelfde niveau als in 2012. Eind 2013 verbruikten nog 2.175 Vlaamse g ezinnen elektriciteit via een stroombegrenzer. Hun verbruik werd daardoor begrensd tot een vermogen van 10 ampère. Bij wanbetaling bij de netbeheerder dient een vraag tot afsluiting van een klant voorgelegd te worden aan de Lokale Adviescom missie van de gemeente (LAC). Het aantal na LAC-advies afgesloten afnemers voor elektriciteit en gas lag in 2013 respectievelijk beperkt ho ger en ongeveer op hetzelfde niveau als in 2012. Het aantal van de watertoevoer afgesloten gezinnen daarentegen is in de meest recen te jaren wel sterk gestegen. Bij de waterafsluitingen gaat het om cijfers over afsluitingen met en zonder LAC-advies. In 2012 gebeurde 4.202 van de 5.074 waterafsluitingen na LAC-advies. Cijfers over waterafsluitingen na LAC-advies voor de voorgaande jaren zijn niet beschikbaar.

90


Indicator H5

Kwaliteit van de huisvesting: evolutie

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huis met ĂŠĂŠn of meerdere van volgende problemen: gebrek aan elementair comfort (bad of douche, warm stromend water, een toilet met waterspoeling in de woning zelf), gebrek aan ruimte (minder dan 1 kamer per lid van het gezin), minstens 1 van 4 mogelijke structurele problemen (lekkend dak, geen adequate verwarming, schimmel en vocht, rottende ramen en deuren)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2012, doelstelling 2020

28

24 1.500 20

16 1.000 12

8 500

% personen met huisvestingsproblemen

Aantal personen met huisvestingsproblemen x 1.000

2.000

4

0

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2020

Aantal personen x 1.000

1.130

1.320

1.370

1.460

1.310

1.100

1.410

1.480

1.260

690

% personen

18,8

22,0

22,9

24,7

21,4

19,5

22,9

23,8

20,1

0

Toelichting Bijna een vijfde van de bevolking in het Vlaamse Gewest (19%) leefde in 2012 in een huis met structurele problemen, een gebre k aan basiscomfort en/of een gebrek aan ruimte. Dat aandeel is na een stijging in 2010 en 2011, in 2012 weer iets gedaald. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering er zich toe verbonden om het aantal personen dat woont in een huis met een gebrekk ige kwaliteit tussen 2006 en 2020 met 50% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal bewoners van dergelijke huizen geda ald moet zijn tot maximaal 690.000 personen.

91


Indicator H6

Kwaliteit van de huisvesting: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in een huis met gebrekkige kwaliteit (zie indicator H5), naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus (16+), werkintensiteit van het huishouden (0-59), opleiding (18+), bewonerstitel, inkomen en geboorteland (18+)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2012

Percentage personen met huisvestingsproblemen

% personen 0

10

Totaal

20

Man Vrouw

20 20

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

26 22 21 16 15

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

26 12 13 40 15 18 25

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

17 27 16 24

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

37 41 26 22 15

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

24 18 14

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

15 37

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

34 27 19 12 9

Geboren in EU Geboren buiten EU

17 39

20

30

40

50

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

92


Aantal personen met huisvestingsproblemen

Aantal personen x 1.000 0

200

Man Vrouw

620 640

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

320 120 450 200 170

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

210 110 90 130 90 200 180

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

440 90 190 250

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

170 110 140 220 380

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

350 330 230

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

750 510

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

420 340 230 150 110

Geboren in EU Geboren buiten EU

800 110

400

600

800

1.000

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

93


Indicator O1

Laaggeletterdheid bij de totale bevolking: evolutie

Omschrijving

Percentage personen van 16 tot 65 jaar die onder niveau 2 scoren op de geletterdheidsschaal van de International Adult Literacy Survey (IALS 1996) en het Programme for the International Assessment of Adult Competencies (PIAAC 2012)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

IALS & PIAAC, OESO http://www.piaac.ugent.be/over-piaac

Vlaams Gewest 1996-2012, doelstelling 2020

20

% laaggeletterden

15

15,0

14,8

10

5 3,0

0 IALS 1996

PIAAC 2012

2020

Toelichting In 2012 is in Vlaanderen 15% van de volwassenen tussen 16 en 65 jaar laaggeletterd. Het gaat om personen die scoren onder niv eau 2 op de PIAAC-geletterdheidsschaal. Dat niveau wordt beschouwd als de drempel voor functionele geletterdheid. Volwassenen die onder dit niveau presteren, beschikken niet over de vaardigheden om volwaardig deel te nemen aan de moderne maatschappij. Het opnemen van vragen uit eerdere geletterdheidsonderzoeken in de PIAAC-testen maakt het mogelijk om de Vlaamse PIAAC-resultaten van 2012 te vergelijken met die van IALS uit 1996. De verdeling van de Vlaamse bevolking overheen de leesvaardigheidsniveaus veranderde niet tussen beide onderzoeken: zowel in 1996 als in 2012 bereikt 15% van de ondervraagden de benchmark van niveau 2 niet en k an dus beschouwd worden als laaggeletterd. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering er zich toe verbonden om de laaggeletterdheid in Vlaanderen tegen 2020 te doen dal en tot 3% van de bevolking.

94


Indicator O2

Laaggeletterdheid en zwakke wiskundige prestaties bij jongeren: evolutie

Omschrijving

Percentage leerlingen van 15 jaar die onder niveau 2 scoren op de gecombineerde leesvaardigheidschaal en de gecombineerde wiskundige geletterdheidschaal van het Programme for International Student Assessment (PISA)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

PISA, OESO http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/992.htm

Vlaams Gewest 2000-2012

% leerlingen onder niveau 2

Leesvaardigheid 20 15 10 5 0

2000

2003

2006

2009

2012

Totaal

11,6

12,4

14,1

13,4

13,7

Meisjes

8,0

9,8

9,8

9,7

9,9

Jongens

14,8

14,8

18,0

16,9

17,4

Wiskundige geletterdheid*

% leerlingen onder niveau 2

20 15 10 5 0

2003

2006

2009

2012

Totaal

11,4

11,9

13,5

15,4

Meisjes

11,8

12,5

15,3

15,9

Jongens

11,1

11,4

11,9

14,8

* Geen cijfers voor 2000 beschikbaar.

Toelichting Hoewel Vlaanderen in vergelijking met andere Europese landen behoorlijk scoort qua geletterdheid van 15 -jarigen, nam het aantal laaggeletterde leerlingen (leerlingen onder niveau 2 op de gecombineerde leesvaardigheidsschaal) tussen 2000 en 2012 licht to e. Bovendien valt het grote verschil op tussen meisjes en jongens: meisjes scoren beter dan jongens. Bij wiskundige geletterdhei d draait de verhouding tussen jongens en meisjes om. Hier scoren jongens het best. Ook het percentage laagpresteerders inzake wiskundige geletterdheid is de voorbije jaren toegenomen.

95


Indicator O3

Ongekwalificeerde uitstroom: evolutie

Omschrijving

Percentage jongeren van 18 tot 24 jaar met maximaal een diploma lager secundair onderwijs dat geen verder onderwijs volgt en tijdens de afgelopen 4 weken niet deelgenomen heeft aan een opleiding (EAK-gegevens) en percentage 22-jarigen dat niet beschikt over een kwalificatie van het niveau secundair onderwijs en zich niet meer in het leerplichtonderwijs bevindt (SSL-gegevens)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON

EAK, Algemene Directie Statistiek Steunpunt Studie en Schoolloopbanen (SSL) http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2290.htm http://www.steunpuntloopbanen.be

Voor meer informatie

Vlaams Gewest 2004-2012

EAK-gegevens

% jongeren

20

15

10

5

0

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

Totaal

11,0

10,7

10,0

9,3

8,6

8,6

9,6

9,6

2012 8,7

Mannen

13,3

13,2

11,9

10,9

9,6

9,9

11,4

12,1

10,5

Vrouwen

8,7

8,0

8,1

7,6

7,5

7,2

7,7

7,0

6,8

2011*

2012*

SSL-gegevens

% jongeren

20

15

10

5

0

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

Totaal

13,6

13,6

14,1

14,4

14,1

13,4

12,7

Mannen

16,9

16,7

17,6

17,9

17,6

16,4

15,5

Vrouwen

10,2

10,3

10,5

10,6

10,4

10,2

9,9

* Nog geen cijfers beschikbaar voor 2011 en 2012.

Toelichting Het aandeel vroegtijdige schoolverlaters kan worden gemonitord op basis van surveygegevens (EAK -gegevens) of administratieve gegevens (SSL-gegevens). De EAK-gegevens geven aan dat het aandeel schoolverlaters zonder diploma in Vlaanderen in 2012 iets lager ligt d an in 2010 en 2011. Het gaat om 9% van de 18- tot 24-jarigen. Vrouwen scoren duidelijk beter dan mannen. De administratieve gegevens verzameld door het Steunpunt Studie en Schoolloopbanen (SSL) geven hogere cijfers. Dat is mogelij k een gevolg van het feit dat bij de SSL-gegevens geen rekening wordt gehouden met opleidingen buiten het leerplichtonderwijs en dat er in tegenstelling tot bij de EAK-gegevens niet gewerkt wordt met een bevraging van de betrokkene zelf maar met gegevens gebaseerd op administratieve databanken. Volgens de SSL-gegevens is er in 2010 sprake van 13% vroegtijdige schoolverlaters in Vlaanderen. Dat aandeel neemt de laatste jaren beperkt af. Net als bij de EAK-gegevens valt ook hier het grote verschil op tussen vrouwen en mannen.

96


Indicator O4

Ongekwalificeerde uitstroom: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage jongeren (18-24 jaar) met maximaal een diploma lager secundair onderwijs dat geen verder onderwijs volgt en tijdens de afgelopen 4 weken niet deelgenomen heeft aan een opleiding

DIMENSIES

Ruimte

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie (zonder Kroatië)

Tijd

2012

BRON Voor meer informatie

EAK - LFS, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2290.htm

Totaal 40

21

23

25

17 18 8

9

9

9

6

8

9

6

8

5

7

4 Slovenië

Tsjechië

Polen

Litouwen

Zweden

Oostenrijk

Luxemburg

Vlaams Gewest

Nederland

Finland

Denemarken

20

Slovakije

% jongeren

30

10

14 12 12 12 13 13 10 11 11 11 11 11

Malta 18

Malta

Spanje

Portugal 17

Roemenië

Italië

Roemenië

VK

Bulgarije

EU27

België

Frankrijk

Hongarije

Cyprus

Letland

Griekenland

Estland

Duitsland

Ierland

0

Vrouwen 40

21

Zweden

Vlaams Gewest

Cyprus

Estland

Nederland

9

Italië

Letland

8

Portugal

Luxemburg

8

Bulgarije

Tsjechië

7

VK

Slovakije

7

Hongarije

7

EU27

7

Frankrijk

7

15

11

12

14

10

11

13

10

Duitsland

6

België

6

Griekenland

6

Ierland

5

10

Finland

5

7

4 Polen

10

Oostenrijk

20

Denemarken

% jongeren

30

Spanje

0

Mannen 40 29 27 28 21

8

8

8

9

Litouwen

Zweden

6

Oostenrijk

6

Polen

5

Tsjechië

10

Slovakije

20

Slovenië

14 14 14 15 15 15 12 12 13 10 10 11 11 11 11 11

17 18

Spanje

Malta

Portugal

Italië

Roemenië

VK

Cyprus

Letland

EU27

België

Estland

Frankrijk

Griekenland

Hongarije

Ierland

97

Bulgarije

Duitsland

Denemarken

Luxemburg

Vlaams Gewest

Finland

0 Nederland

% jongeren

30


Indicator G1

Subjectieve beoordeling van de gezondheidssituatie: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 16 jaar en ouder dat zijn of haar gezondheidstoestand als slecht tot zeer slecht omschrijft

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2012

600.000

8

6 400.000

300.000

4

200.000 2

% personen met (zeer) slechte gezondheid

Aantal personen met (zeer) slechte gezondheid

500.000

100.000

0 Aantal personen % personen

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

320.000

280.000

270.000

270.000

280.000

330.000

310.000

340.000

330.000

6,6

5,7

5,4

5,4

5,5

6,5

6,2

6,7

6,5

0

Toelichting In 2012 omschreven bijna 7% van de Vlamingen van 16 jaar en ouder hun gezondheidstoestand als slecht of zeer slecht. Dat komt overeen met ongeveer 330.000 personen. Dat aandeel ligt in de periode 2009-2011 iets hoger dan in de periode 2006-2008.

98


Indicator G2

Subjectieve beoordeling van de gezondheidssituatie: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen van 16 jaar en ouder dat zijn of haar gezondheidstoestand als slecht tot zeer slecht omschrijft, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus (16+), werkintensiteit van het huishouden (0-59), opleiding (18+), bewonerstitel, inkomen en geboorteland (18+)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2012

Percentage personen met (zeer) slechte gezondheid

% personen met (zeer) slechte gezondheid 0

5

Totaal

7

Man Vrouw

6 8

16-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

1 3 9 13

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

11 6 10 6 3 2 1

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

1 8 12 12

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

21 12 4 2 1

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

12 6 3

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

5 12

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

13 10 5 3 2

Geboren in EU Geboren buiten EU

6 12

10

15

20

25

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

99


Aantal personen met (zeer) slechte gezondheid

Aantal personen x 1.000 0

100

Man Vrouw

140 190

16-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

< 10 70 110 140

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

90 50 80 10 10 10 < 10

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

40 20 140 120

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

80 30 10 20 20

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

170 100 50

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

190 140

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

130 100 50 30 20

Geboren in EU Geboren buiten EU

300 30

200

300

400

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

100


Indicator G3

Subjectieve beoordeling van de gezondheidssituatie: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 16 jaar en ouder dat zijn of haar gezondheidstoestand als slecht tot zeer slecht omschrijft

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2012

30

25 21 20

18 15 15

15

9

9

9

9

9

Frankrijk

België

Oostenrijk

Griekenland

8

Duitsland

8

VK

7

8

Spanje

7

Finland

3

7

Luxemburg

3

7

Cyprus

5

Malta

6

Vlaams Gewest

10

Denemarken

12 12 12

Ierland*

% personen met (zeer) slechte gezondheid

26

16 16

13 13

10 10

4

* Cijfer voor 2011.

101

Kroatië

Litouwen

Estland

Portugal

Letland

Hongarije

Polen

Tsjechië

Slovakije

Italië

Slovenië

EU28

Bulgarije

Roemenië

Zweden

Nederland

0


Indicator G4

Uitstel gezondheidszorg om financiële redenen: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huishouden waarvan één van de leden in het voorbije jaar een bezoek aan de arts of tandarts heeft moeten uit- of afstellen om financiële redenen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2012

6

400.000

4 300.000

200.000 2

100.000

0 Aantal personen % personen

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

150.000

90.000

80.000

70.000

110.000

110.000

120.000

250.000

190.000

2,5

1,5

1,3

1,2

1,8

1,7

1,9

4,0

3,0

% personen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen

Aantal personen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen

500.000

0

Toelichting In 2012 leven 3% van de Vlamingen (ongeveer 190.000 personen) in een huishouden dat gezondheidszorgen heeft moeten uitstellen om financiële redenen. Dat aandeel is tegenover 2011 weer licht gedaald.

102


Indicator G5

Uitstel gezondheidszorg om financiële redenen: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in een huishouden waar één van de leden in het voorbije jaar een bezoek aan de arts of tandarts heeft moeten uit- of afstellen om financiële redenen, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus (16+), werkintensiteit van het huishouden (0-59), opleiding (18+), bewonerstitel, inkomen en geboorteland (18+)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2012

Percentage personen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen

% personen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen 0

5

Totaal

3

Man Vrouw

3 3

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

4 4 4 2 1

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

4 2 1 6 3 3 4

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

2 10 1 5

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

16 13 4 2 1

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

6 3 1

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

1 9

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel Geboren in EU Geboren buiten EU

10

15

20

8 5 2 1 <1 2 7

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieën: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

103


Aantal personen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen

aantal personen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen x 1.000 0 Man Vrouw

20

40

60

80

100

120

140

100 90

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

50 20 70 30 10

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

30 20 10 20 20 30 30

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

50 30 10 50

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

70 30 20 20 30

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

80 50 20

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

60 130

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

90 60 30 10 < 10

Geboren in EU Geboren buiten EU

110 20

* * Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

104


Indicator M1

Niet-participatie aan cultuur: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 18 jaar tot 85 jaar dat niet participeert aan cultuur. Het gaat om personen die niet minstens 1 keer per jaar 1 van volgende cultuuractiviteiten ondernemen: het bijwonen van een opera of klassiek concert, een pop- of rockconcert, een jazz- of bluesconcert, een folkoptreden of traditioneel concert, een dans- of balletvoorstelling, een theatervoorstelling, museumbezoek, bibliotheekbezoek en bioscoopbezoek.

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/629.htm

Vlaamse Gemeenschap 2004-2013

2.000

30

1.500 20

1.000

15

10 500 5

0

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Aantal personen x 1.000

920

930

850

910

950

1.040

1.010

1.130

1.130

1.130

% personen

19,4

19,7

17,8

19,0

19,6

21,4

20,6

22,9

22,7

22,7

Toelichting In 2013 namen 23% van de Vlamingen van 18 tot 85 jaar (ongeveer 1,1 miljoen personen) niet deel aan culturele activiteiten. Het aandeel niet-participanten ligt in 2013 op hetzelfde niveau als in 2011 en 2012, maar is sinds 2006 wel duidelijk gestegen.

105

0

% niet-cultuurparticipanten

Aantal niet-cultuurparticipanten x 1.000

25


Indicator M2

Niet-participatie aan cultuur: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 18 tot 85 jaar dat niet participeert aan cultuur (zie indicator M1), naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus, opleiding, bewonerstitel en inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/629.htm

Vlaamse Gemeenschap 2013

% niet-cultuurparticipanten 0

10

Totaal

23

Man

22

Vrouw

23

18-24 jaar

<1

25-49 jaar

10

50-64 jaar

26

65 jaar en ouder

46

Alleenstaand

33

Met partner zonder kinderen

31

Alleenstaande ouder

26

Met partner en kinderen

14

Inwonend bij ouders

3

Werkend

10

Werkloos

26

Gepensioneerd

43

Anders niet-actief

21

Laaggeschoold

47

Middengeschoold

17

Hooggeschoold

4

Eigenaar

22

Huurder

27

Lid van gezin in laagste kwintiel*

37

2de kwintiel

34

3de kwitiel

22

4de kwintiel

14

hoogste kwintiel

20

9

* Laagste kwintiel: 20% armste gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste gezinnen.

106

30

40

50


Indicator M3

Niet-participatie aan sport: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 18 tot 85 jaar dat niet aan sport doet (inclusief fietsen en wandelen)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2515.htm

Vlaamse Gemeenschap 2004-2013

3.500

60

50

2.500 40 2.000 30 1.500 20

% personen dat niet sport

Aantal personen dat niet sport x 1.000

3.000

1.000

10

500

0

2004

2005

2006

Aantal personen x 1.000

1.810

2.000

% personen

38,3

42,1

2007*

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2.010

2.050

2.340

2.310

2.470

2.230

2.150

42,1

42,4

48,2

47,3

50,0

44,9

43,1

0

* Niet bevraagd in 2007.

Toelichting In 2013 deed 43% van de Vlamingen van 18 tot 85 jaar (ongeveer 2,2 miljoen personen) niet aan sport. Sport wordt hierbij ruim opgevat: ook wandelen en fietsen wordt als sportbeoefening beschouwd. Het aandeel niet-sporters is na een duidelijke stijging tot 2011 in 2012 en 2013 weer afgenomen.

107


Indicator M4

Niet-participatie aan sport: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen van 18 tot 85 jaar dat niet aan sport doet (inclusief fietsen en wandelen), naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus, opleiding, bewonerstitel en inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2515.htm

Vlaamse Gemeenschap 2013

% personen dat niet sport 0

10

Totaal

43

Man

38

Vrouw

48

18-24 jaar

27

25-49 jaar

37

50-64 jaar

40

65-85 jaar

61

Alleenstaand

53

Met partner zonder kinderen

45

Alleenstaande ouder

53

Met partner en kinderen

42

Inwonend bij ouders

28

Werkend

36

Werkloos

46

Gepensioneerd

55

Anders niet-actief

38

Laaggeschoold

59

Middengeschoold

41

Hooggeschoold

29

Eigenaar

41

Huurder

51

Lid van gezin in laagste kwintiel*

57

2de kwintiel

53

3de kwitiel

44

4de kwintiel

33

hoogste kwintiel

29

20

* Laagste kwintiel: 20% armste gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste gezinnen.

108

30

40

50

60

70


Indicator M5

Niet-participatie aan verenigingen: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 18 tot 85 jaar dat van geen enkele vereniging actief lid is

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/634.htm

Vlaamse Gemeenschap 2004-2013

60

3.000

50

2.500 40 2.000 30 1.500 20 1.000 10

500

0

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Aantal personen x 1.000

2.230

2.340

2.240

2.390

2.290

2.450

2.260

2.640

2.370

2.430

% personen

47,2

49,4

46,9

49,8

47,4

50,5

46,1

53,6

47,7

48,8

% personen dat van geen enkele verenigng actief lid is

Aantal personen dat van geen enkele vereniging actief lid is x 1.000

3.500

0

Toelichting In 2013 was 49% van de Vlamingen van 18 jaar tot 85 jaar (ongeveer 2,4 miljoen personen) van geen enkele vereniging actief li d of bestuurslid. Het aandeel Vlamingen dat niet participeert aan verenigingen lag de voorbije jaren steeds net onder de helft, ui tgezonderd in 2009 en 2011.

109


Indicator M6

Niet-participatie aan verenigingen: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen van 18 tot 85 jaar dat van geen enkele vereniging actief lid is, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus, opleiding, bewonerstitel en inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/634.htm

Vlaamse Gemeenschap 2013

% personen dat van geen enkele vereniging actief lid is 0

10

Totaal

49

Man

45

Vrouw

53

18-24 jaar

43

25-49 jaar

50

50-64 jaar

44

65-85 jaar

54

Alleenstaand

56

Met partner zonder kinderen

48

Alleenstaande ouder

56

Met partner en kinderen

45

Inwonend bij ouders

46

Werkend

45

Werkloos

68

Gepensioneerd

53

Anders niet-actief

45

Laaggeschoold

56

Middengeschoold

51

Hooggeschoold

39

Eigenaar

46

Huurder

61

Lid van gezin in laagste kwintiel*

59

2de kwintiel

52

3de kwitiel

51

4de kwintiel

44

hoogste kwintiel

39

20

30

* Laagste kwintiel: 20% armste gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste gezinnen.

110

40

50

60

70

80


Indicator M7

Risico op sociale isolatie: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 18 tot 85 jaar dat minder dan wekelijks contact heeft met buren, met nietinwonende familie of met vrienden/kennissen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1069.htm

Vlaamse Gemeenschap 2004-2013

12

10 600.000 8

400.000

6

4 200.000

% personen met risico op sociale isolatie

Aantal personen met risico op sociale isolatie

800.000

2

0 Aantal personen % personen

2004*

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

370.000

390.000

320.000

310.000

370.000

340.000

440.000

540.000

420.000

7,9

8,2

6,7

6,5

7,7

6,9

8,9

10,8

8,5

0

* Niet bevraagd in 2004.

Toelichting In 2013 had 9% van de Vlamingen van 18 tot 85 jaar (ongeveer 420.000 personen) minder dan wekelijks contact met zijn of haar buren, niet-inwonende familie en/of vrienden of kennissen. Deze groep loopt een verhoogd risico op sociale isolatie. Het aandeel Vlamin gen dat risico loopt op sociale isolatie is na een opvallende stijging tussen 2010 en 2012, in 2013 weer gedaald.

111


Indicator M8

Risico op sociale isolatie: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen van 18 tot 85 jaar dat minder dan wekelijks contact heeft met buren, met nietinwonende familie of met vrienden/kennissen, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus, opleiding, bewonerstitel en inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1069.htm

Vlaamse Gemeenschap 2013

% personen met risico op sociale isolatie 0

3

Totaal

9

Man

8

Vrouw

9

18-24 jaar

9

25-49 jaar

11

50-64 jaar

7

65-85 jaar

6

Alleenstaand Met partner zonder kinderen Alleenstaande ouder Met partner en kinderen Inwonend bij ouders

6

9

10 7 14 9 10

Werkend

9

Werkloos

19

Gepensioneerd

6

Anders niet-actief

9

Laaggeschoold

7

Middengeschoold

9

Hooggeschoold

9

Eigenaar

7

Huurder

14

Lid van gezin in laagste kwintiel*

10

2de kwintiel

6

3de kwitiel

8

4de kwintiel

9

hoogste kwintiel

8

* Laagste kwintiel: 20% armste gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste gezinnen.

112

12

15

18

21


Indicator M9

Geen internetgebruik: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 18 tot 85 jaar dat tijdens de laatste 3 maanden geen internet heeft gebruikt

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2915.htm

Vlaamse Gemeenschap 2004-2013

50

2.500

40

2.000 30 1.500 20 1.000

10

500

0

% personen dat geen internet gebruikt

Aantal personen dat geen internet gebruikt x 1.000

3.000

2004*

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Aantal personen x 1.000

1.850

1.900

1.660

1.610

1.380

1.340

1.300

1.230

1.220

% personen

39,1

39,9

34,7

33,3

28,5

27,4

26,3

24,7

24,5

0

* Niet bevraagd in 2004.

Toelichting In 2013 had 25% van de Vlamingen van 18 tot 85 jaar en ouder (ongeveer 1,2 miljoen personen) in de laatste 3 maanden voor de bevraging geen gebruik gemaakt van het internet. Het aandeel niet-internetgebruikers neemt de voorbije jaren duidelijk af.

113


Indicator M10

Geen internetgebruik: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen van 18 tot 85 jaar dat tijdens de laatste 3 maanden geen internet heeft gebruikt, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus, opleiding, bewonerstitel en inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2915.htm

Vlaamse Gemeenschap 2013

% personen dat geen internet gebruikt 0

10

Totaal

25

Man

20

Vrouw

29

18-24 jaar 4

50-64 jaar

18

65-85 jaar

70

Alleenstaand

47

Met partner zonder kinderen

36

Alleenstaande ouder

21

Met partner en kinderen

6

Inwonend bij ouders

3

Werkend

5

Werkloos

19

Gepensioneerd

61

Anders niet-actief

19

Laaggeschoold

54

Middengeschoold

15 4

Eigenaar

24

Huurder

27

Lid van gezin in laagste kwintiel*

46

2de kwintiel

42

3de kwitiel

23

4de kwintiel

11

hoogste kwintiel

30

1

25-49 jaar

Hooggeschoold

20

5

* Laagste kwintiel: 20% armste gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste gezinnen.

114

40

50

60

70

80


Indicator K1

Kinderen onder de armoederisicodrempel: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 17 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

300.000 Aantal personen

2004

2005

2006

2007

2008

2009

758.000

822.000

813.000

807.000

777.000

725.000

12,6

13,7

13,6

13,4

12,8

11,8

16

250.000 12 200.000

150.000

8

100.000 4

%kinderen onder armoederisicodrempel

Aantal kinderen onder armoederisicodrempel

% personen

Vlaams Gewest 2004-2012, doelstelling 2020

50.000

0 Aantal kinderen % kinderen % totale bevolking

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

130.000 140.000 120.000 140.000 120.000 120.000 140.000 130.000 140.000 10

12

10

11

10

10

11

10

11

10,8

11,3

11,4

10,9

10,0

10,1

10,4

9,8

10,9

2020

0

60.000

Toelichting In 2012 leefde 11% van de Vlaamse kinderen van 0 tot 17 jaar in een gezin met een huishoudinkomen onder de armoederisicodremp el. Dat komt overeen met ongeveer 140.000 kinderen. Dat aandeel schommelt de voorbije jaren tussen 10% en 11%. Deze schommelingen zij n statistisch niet significant. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering er zich toe verbonden om het aantal kinderen in een gezin met een inkomen onder de armoederisicodrempel tussen 2008 en 2020 met 50% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal kinderen met een huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel gedaald moet zijn tot maximaal 60.000 kinde ren.

115


Indicator K2

Kinderen onder de armoederisicodrempel: situatie per groep

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 17 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, werkintensiteit van het huishouden, bewonerstitel, opleidingsniveau en geboorteland van de ouders

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Gepoolde dataset EU-SILC 2010-2012, Algemene Directie Statistiek (berekeningen SVR) http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2010-2012

% kinderen onder de armoederisicodrempel

% personen onder armoederisicodrempel 0

10

0-99 jaar

10

0-17 jaar

11

Jongens

11

Meisjes

11

0-2 jaar

12

3-5 jaar

13

6-11 jaar

10

12-17 jaar

10

Kind in eenoudergezin

24

Kind bij koppel met 1 kind

7

Kind bij koppel met 2 kinderen

5

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

12

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

66

met lage werkintensiteit

33

met middelmatige werkintensiteit

22

met hoge werkintensiteit

30

40

50

60

70

6

met zeer hoge werkintensiteit

Kind in laagopgeleid gezin**

20

2

40

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

8

Kind in gezin dat woning bezit

5

Kind in gezin dat woning huurt

31

Kind in EU-gezin***

7

Kind in niet-EU-gezin

35

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

116


Aantal kinderen onder de armoederisicodrempel

Aantal kinderen onder armoederisicodrempel x 1.000 0

20

0-17 jaar

140

Jongens

70

Meisjes

70

0-2 jaar

30

3-5 jaar

30

6-11 jaar

40

12-17 jaar

40

Kind in eenoudergezin

40

Kind bij koppel met 1 kind

10

Kind bij koppel met 2 kinderen

20

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

50

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

50

met lage werkintensiteit

20

met middelmatige werkintensiteit

40

met hoge werkintensiteit

10

met zeer hoge werkintensiteit

20

Kind in laagopgeleid gezin**

50

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

80

Kind in gezin dat woning bezit

50

Kind in gezin dat woning huurt

90

Kind in EU-gezin***

80

Kind in niet-EU-gezin

60

40

60

80

100

120

140

160

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

Toelichting Om een opdeling te kunnen maken binnen de groep kinderen naar onder meer leeftijd, huishoudsamenstelling, werkintensiteit van het huishouden en opleidingsniveau en geboorteland van de ouders, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de 3 meeste recente edities van de EU-SILC-survey (EU-SILC 2010, EU-SILC 2011 en EU-SILC 2012) werden samengevoegd. Dat verhoogt het aantal kinderen opgenomen in de steekproef en vergroot zo de betrouwbaarheid van de resultaten voor kleinere subgroepen.

117


Indicator K3

Kinderen onder de armoederisicodrempel: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 17 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de nationale armoederisicodrempel na sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2012

40

% kinderen onder armoederisicodrempel

35 30

30 26 21 21 20

17 17 17 13

10

10

14 14 14

18

22 22 22 22

23 23 23

27

28

24

19 19

15 15

11 11

* Cijfer voor 2011.

118

Roemenië

Spanje

Bulgarije

Griekenland

Italië

Malta

Letland

Hongarije

Luxemburg

Kroatië

Portugal

Slovakije

Polen

EU28

Litouwen

VK

Frankrijk

Oostenrijk

Estland

Ierland*

België

Zweden

Duitsland

Cyprus

Tsjechië

Slovenië

Finland

Nederland

Denemarken

Vlaams Gewest

0


Indicator K4

Kinderen in subjectieve armoede

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 17 jaar dat leeft in een huishouden dat volgens de referentiepersoon (zeer) moeilijk rondkomt met het beschikbare inkomen, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, werkintensiteit van het huishouden, bewonerstitel, opleidingsniveau en geboorteland van de ouders

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Gepoolde dataset EU-SILC 2010-2012, Algemene Directie Statistiek (berekeningen SVR) http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2010-2012

% kinderen in subjectieve armoede

% personen in subjectieve armoede 0

10

0-99 jaar

15

0-17 jaar

17

Jongens

17

Meisjes

17

0-2 jaar

17

3-5 jaar

16

6-11 jaar

17

12-17 jaar

17

Kind in eenoudergezin

43

Kind bij koppel met 1 kind

14

Kind bij koppel met 2 kinderen

30

40

50

60

7

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

17

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

55

met lage werkintensiteit

44

met middelmatige werkintensiteit

25

met hoge werkintensiteit

20

met zeer hoge werkintensiteit

20

8

Kind in laagopgeleid gezin**

46

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

13

Kind in gezin dat woning bezit

10

Kind in gezin dat woning huurt

43

Kind in EU-gezin***

14

Kind in niet-EU-gezin

35

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

119


Aantal kinderen in subjectieve armoede

Aantal kinderen in subjectieve armoede x 1.000 0

50

0-17 jaar

210

Jongens

100

Meisjes

110

0-2 jaar

40

3-5 jaar

30

6-11 jaar

60

12-17 jaar

70

Kind in eenoudergezin

60

Kind bij koppel met 1 kind

20

Kind bij koppel met 2 kinderen

30

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

60

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

40

met lage werkintensiteit

20

met middelmatige werkintensiteit

40

met hoge werkintensiteit

40

met zeer hoge werkintensiteit

60

Kind in laagopgeleid gezin** Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

100

150

200

250

60 150

Kind in gezin dat woning bezit

90

Kind in gezin dat woning huurt

120

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden in een jaar door de volwassen leden van het huishouden ten opzichte Kind in EU-gezin*** 150 van het aantal maanden dat de volwassen leden zouden kunnen werken. ** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van hebben EU-nationaliteit; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene heeft Kindhet in gezin niet-EU-gezin 60 nationaliteit van buiten de EU. *** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. * Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

Toelichting Om een opdeling te kunnen maken binnen de groep kinderen naar onder meer leeftijd, huishoudsamenstelling, werkintensiteit van het huishouden en opleidingsniveau en geboorteland van de ouders, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de 3 meeste recent e edities van de EU-SILC-survey (EU-SILC 2010, EU-SILC 2011 en EU-SILC 2012) werden samengevoegd. Dat verhoogt het aantal kinderen opgenomen in de steekproef en vergroot zo de betrouwbaarheid van de resultaten voor kleinere subgroepen.

120


Indicator K5

Kinderen in ernstige materiële deprivatie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 17 jaar dat leeft in een huishouden dat minstens 4 van 9 items mist omwille van financiële redenen (zie indicator I14), naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, werkintensiteit van het huishouden, bewonerstitel, opleidingsniveau en geboorteland van de ouders

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Gepoolde dataset EU-SILC 2010-2012, Algemene Directie Statistiek (berekeningen SVR) http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2010-2012

% kinderen in ernstige materiële deprivatie

% personen in ernstige materiële deprivatie 0

5

0-99 jaar

3

0-17 jaar

4

Jongens

4

Meisjes

4

0-2 jaar

3

3-5 jaar

4

6-11 jaar

4

12-17 jaar

4

Kind in eenoudergezin

9

Kind bij koppel met 1 kind

1

Kind bij koppel met 2 kinderen

1

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

6

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

19

met lage werkintensiteit

10

met middelmatige werkintensiteit

6

met hoge werkintensiteit

5

met zeer hoge werkintensiteit

1

Kind in laagopgeleid gezin**

10

15

20

13

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

3

Kind in gezin dat woning bezit

1

Kind in gezin dat woning huurt

15

Kind in EU-gezin***

3

Kind in niet-EU-gezin

10

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieën: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

121


Aantal kinderen in ernstige materiĂŤle deprivatie

Aantal kinderen in ernstige materiĂŤle deprivatie x 1.000 0

10

0-17 jaar

50

Jongens

30

Meisjes

20

0-2 jaar

10

3-5 jaar

10

6-11 jaar

10

12-17 jaar

20

Kind in eenoudergezin

10

Kind bij koppel met 1 kind

20

30

40

50

60

< 10

Kind bij koppel met 2 kinderen

10

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

20

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

20

met lage werkintensiteit

10

* Werkintensiteit (W): het aantal gewerkte maanden in een met werkelijk middelmatige werkintensiteit 10 jaar door de volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal maanden dat de volwassen leden zouden kunnen werken. met hoge werkintensiteit 10 ** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin hebben EU-nationaliteit; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene heeft nationaliteit van buiten de EU. met zeer hoge werkintensiteit 10

*** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. Kind in laagopgeleid gezin**

20

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

30

Kind in gezin dat woning bezit

10

Kind in gezin dat woning huurt

40

Kind in EU-gezin***

30

Kind in niet-EU-gezin

20

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

Toelichting Om een opdeling te kunnen maken binnen de groep kinderen naar onder meer leeftijd, huishoudsamenstelling, werkintensiteit van het huishouden en opleidingsniveau en geboorteland van de ouders, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de 3 meeste recent e edities van de EU-SILC-survey (EU-SILC 2010, EU-SILC 2011 en EU-SILC 2012) werden samengevoegd. Dat verhoogt het aantal kinderen opgenomen in de steekproef en vergroot zo de betrouwbaarheid van de resultaten voor kleinere subgroepen.

122


Indicator K6

Kinderen in ernstige materiële deprivatie: score op afzonderlijke items

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 17 jaar dat leeft in een huishouden: 1. dat zich per jaar geen week vakantie buitenshuis kan veroorloven 2. dat zich geen maaltijd met vlees, kip, vis of vegetarisch alternatief kan veroorloven om de 2 dagen 3. dat niet beschikt over een wasmachine omwille van financiële redenen 4. dat niet beschikt over een kleuren-tv omwille van financiële redenen 5. dat niet beschikt over een telefoon of GSM omwille van financiële redenen 6. dat niet beschikt over een auto omwille van financiële redenen 7. dat tijdens het afgelopen jaar minstens 1 achterstallige betaling had inzake hypotheek/huur, nutsvoorzieningen (gas, elektriciteit, water) en leningen (aankopen op afbetaling of andere leningen) 8. dat het huis niet degelijk kan verwarmen omwille van financiële redenen 9. dat een onverwachte noodzakelijke uitgave (900 euro) niet uit eigen middelen kan betalen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2012

Percentage kinderen

% personen 0

5

10

15

22 19 4 3 2 1 <1 <1 <1 <1 4 4 10 6 5 4 22 15

Geen week vakantie per jaar Geen vis, vlees, kip of vegetarisch om de 2 dagen Geen wasmachine Geen TV Geen telefoon of GSM Geen auto Achterstallige betalingen Geen degelijke verwarming Geen onverwachte uitgave aankunnen

20

25

Kinderen Totale bevolking

Aantal kinderen Aantal kinderen x 1.000 0 Geen week vakantie per jaar Geen vis, vlees, kip of vegetarisch om de 2 dagen

100 280 50

Geen wasmachine

20

Geen TV

< 10

Geen telefoon

< 10

Geen auto Achterstallige betalingen Geen degelijke verwarming Geen onverwachte uitgave aankunnen

50 120 60 280

123

200

300

400


Indicator K7

Kinderen in een gezin met te zware woonkost

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 17 jaar dat leeft in een huishouden waar de totale woonkost (huur of aflossing van de lening, verzekering, taksen, onderhoud en nutsvoorzieningen) meer dan 40% bedraagt van het beschikbare huishoudinkomen, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, werkintensiteit van het huishouden, bewonerstitel, opleidingsniveau en geboorteland van de ouders

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Gepoolde dataset EU-SILC 2010-2012, Algemene Directie Statistiek (berekeningen SVR) http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2010-2012

% kinderen met te zware woonkost

% personen met te zware woonkost 0

10

0-99 jaar

7

0-17 jaar

6

Jongens

5

Meisjes

6

0-2 jaar

7

3-5 jaar

8

6-11 jaar

7

12-17 jaar

3

Kind in eenoudergezin Kind bij koppel met 1 kind

5 3

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

4

met lage werkintensiteit

40

31 12

met middelmatige werkintensiteit

4

met hoge werkintensiteit

4

met zeer hoge werkintensiteit

3

Kind in laagopgeleid gezin**

30

19

Kind bij koppel met 2 kinderen

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

20

14

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

5

Kind in gezin dat woning bezit

2

Kind in gezin dat woning huurt

18

Kind in EU-gezin***

5

Kind in niet-EU-gezin

12

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

124


Aantal kinderen met te zware woonkost

Aantal kinderen met te zware woonkost x 1.000 0

20

0-17 jaar

70

Jongens

30

Meisjes

40

0-2 jaar

20

3-5 jaar

20

6-11 jaar

20

12-17 jaar

10

Kind in eenoudergezin

30

Kind bij koppel met 1 kind

10

Kind bij koppel met 2 kinderen

10

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

10

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

20

met lage werkintensiteit

10

met middelmatige werkintensiteit

10

met hoge werkintensiteit

10

met zeer hoge werkintensiteit

20

Kind in laagopgeleid gezin**

20

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

50

Kind in gezin dat woning bezit

20

Kind in gezin dat woning huurt

50

Kind in EU-gezin***

50

Kind in niet-EU-gezin

20

40

60

80

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

Toelichting Om een opdeling te kunnen maken binnen de groep kinderen naar onder meer leeftijd, huishoudsamenstelling, werkintensiteit van het huishouden en opleidingsniveau en geboorteland van de ouders, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de 3 meeste recente edities van de EU-SILC-survey (EU-SILC 2010, EU-SILC 2011 en EU-SILC 2012) werden samengevoegd. Dat verhoogt het aantal kinderen opgenomen in de steekproef en vergroot zo de betrouwbaarheid van de resultaten voor kleinere subgroepen.

125


Indicator K8

Kinderen met slechte woningkwaliteit

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 17 jaar dat leeft in een huis met een gebrekkige kwaliteit (zie indicator H5), naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, werkintensiteit van het huishouden, bewonerstitel, opleidingsniveau en geboorteland van de ouders

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Gepoolde dataset EU-SILC 2010-2012, Algemene Directie Statistiek (berekeningen SVR) http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2010-2012

% kinderen met huisvestingsproblemen

% personen met huisvestingsproblemen 0

10

0-99 jaar

21

0-17 jaar

28

Jongens

26

Meisjes

29

0-2 jaar

30

3-5 jaar

27

6-11 jaar

29

12-17 jaar

26

Kind in eenoudergezin

42

Kind bij koppel met 1 kind

18

Kind bij koppel met 2 kinderen

15

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

32

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

49

met lage werkintensiteit

53

met middelmatige werkintensiteit

41

met hoge werkintensiteit

31

met zeer hoge werkintensiteit

18

Kind in laagopgeleid gezin**

54

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

25

Kind in gezin dat woning bezit

21

Kind in gezin dat woning huurt

52

Kind in EU-gezin***

24

Kind in niet-EU-gezin

52

20

30

40

50

60

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

126


Aantal kinderen met huisvestingsproblemen

Aantal kinderen met huisvestingsproblemen x 1.000 0

100

0-17 jaar

350

Jongens

170

Meisjes

180

0-2 jaar

70

3-5 jaar

60

6-11 jaar

110

12-17 jaar

110

Kind in eenoudergezin

60

Kind bij koppel met 1 kind

30

Kind bij koppel met 2 kinderen

70

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

40

met lage werkintensiteit

40

met middelmatige werkintensiteit

70

met hoge werkintensiteit

60

Kind in laagopgeleid gezin**

300

400

120

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

met zeer hoge werkintensiteit

200

130

70

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

280

Kind in gezin dat woning bezit

200

Kind in gezin dat woning huurt

140

Kind in EU-gezin***

260

Kind in niet-EU-gezin

90

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

Toelichting Om een opdeling te kunnen maken binnen de groep kinderen naar onder meer leeftijd, huishoudsamenstelling, werkintensiteit van het huishouden en opleidingsniveau en geboorteland van de ouders, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de 3 meeste recent e edities van de EU-SILC-survey (EU-SILC 2010, EU-SILC 2011 en EU-SILC 2012) werden samengevoegd. Dat verhoogt het aantal kinderen opgenomen in de steekproef en vergroot zo de betrouwbaarheid van de resultaten voor kleinere subgroepen.

127


Indicator K9

Kinderen in gezin dat gezondheidszorg moet uitstellen om financiële redenen

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 17 jaar dat leeft in een huishouden waarvan één van de leden in het voorbije jaar een bezoek aan de arts of tandarts heeft moeten uit- of afstellen om financiële redenen, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, werkintensiteit van het huishouden, bewonerstitel, opleidingsniveau en geboorteland van de ouders

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Gepoolde dataset EU-SILC 2010-2012, Algemene Directie Statistiek (berekeningen SVR) http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2010-2012

% kinderen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen

% personen 0

5

0-99 jaar

3

0-17 jaar

4

Jongens

4

Meisjes

4

0-2 jaar

4

3-5 jaar

6

6-11 jaar

4

12-17 jaar

3

Kind in eenoudergezin

6

Kind bij koppel met 1 kind

2

Kind bij koppel met 2 kinderen

2

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

5

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

21

met lage werkintensiteit

20

met middelmatige werkintensiteit

6

met hoge werkintensiteit

3

met zeer hoge werkintensiteit

1

Kind in laagopgeleid gezin**

10

15

20

25

30

11

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

3

Kind in gezin dat woning bezit

2

Kind in gezin dat woning huurt

14

Kind in EU-gezin***

3

Kind in niet-EU-gezin

9

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieën: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

128


Aantal kinderen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen

Aantal kinderen x 1.000 0

10

0-17 jaar

50

Jongens

30

Meisjes

20

0-2 jaar

10

3-5 jaar

10

6-11 jaar

20

12-17 jaar

10

Kind in eenoudergezin

10

Kind bij koppel met 1 kind

20

30

40

50

60

< 10

Kind bij koppel met 2 kinderen

10

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

20

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

10

met lage werkintensiteit

10

met middelmatige werkintensiteit

10

met hoge werkintensiteit

10

met zeer hoge werkintensiteit

10

Kind in laagopgeleid gezin**

10

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

40

Kind in gezin dat woning bezit

10

Kind in gezin dat woning huurt

40

Kind in EU-gezin***

40

Kind in niet-EU-gezin

10

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

Toelichting Om een opdeling te kunnen maken binnen de groep kinderen naar onder meer leeftijd, huishoudsamenstelling, werkintensiteit van het huishouden en opleidingsniveau en geboorteland van de ouders, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de 3 meeste recent e edities van de EU-SILC-survey (EU-SILC 2010, EU-SILC 2011 en EU-SILC 2012) werden samengevoegd. Dat verhoogt het aantal kinderen opgenomen in de steekproef en vergroot zo de betrouwbaarheid van de resultaten voor kleinere subgroepen.

129


Indicator K10

Kansarmoede-index van Kind en Gezin: evolutie

Omschrijving

Aantal kinderen geboren in een kansarm gezin volgens de criteria van Kind en Gezin in jaar X en de jaren X-1 en X-2 en die wonen in het Vlaams Gewest op 31 december van jaar X gedeeld door het totaal aantal kinderen geboren in die 3 jaar en die wonen in het Vlaams Gewest op 31 december van jaar X (in percentages)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Kind en Gezin http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/259.htm

Vlaams Gewest 2001-2013, doelstelling 2020

12 11,2 10,5 9,8

10

Kansarmoede-index

8,6 7,9

8

8,2

7,4 6,9 6,0

6,3

6,4

6,4

6,5

6

4,0

4

2

0 2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2020

Toelichting Kind en Gezin ontwikkelde begin jaren 1990 een indicator die verschillende aspecten van de sociaaleconomische situatie van pa sgeborenen tegelijk in rekening tracht te brengen. Aan de hand van het maandinkomen van het gezin, de opleiding en de arbeidssituatie van de ouders, de ontwikkeling van de kinderen, de huisvesting en de gezondheidssituatie van het gezin, wordt nagegaan hoeveel kinderen gebo ren worden in een kansarm gezin. Een gezin wordt als kansarm beschouwd als het op minstens 3 van de voorgenoemde criteria zwak sc oort. Sinds 2010 wordt niet meer gewerkt met jaarcijfers maar met het gemiddelde van het jaar en de 2 voorgaande jaren. Dat zorgt v oor robuustere resultaten. Om de verandering in de berekening te accentueren, spreekt Kind en Gezin nu van een kansarmoede -index. In 2013 haalde de index een score van 11,2. Dat betekent dat 11,2% van de geboorten in de periode 2011 -2013 in het Vlaamse Gewest plaatsvond in een kansarm gezin. Ook voor de voorgaande jaren werd een indexscore berekend volgens de nieuwe formule. Daaruit blijkt dat de kansarmoede-index sinds 2005 behoorlijk sterk is toegenomen. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal kinderen dat geboren wordt in armoede tussen 20 08 en 2020 met 50% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het percentage geboorten in kansarme gezinnen gedaald moet zijn tot max imaal 4%.

130


rV nito mo 201 ed e a rmo Vla se A to r am on i Vla r em nito ed itor emo Armo oed mse a Vla

r e s o t i m n a o a l V dem e o m r A

4 1 20

Vlaamse armoedemonitor 2014