Page 1

NL

de sint-gorikshallen,

stille getuige van het dagelijkse leven en de handel


O

ntstaan

Het gebouw van de Sint-Gorikshallen, dat u hier te zien krijgt, dateert van het einde van de 19de eeuw, zoals de ankers aan de vier uithoeken van het gebouw aangeven (anno 1881). De vraag luidt echter hoe dit gebouw is ontstaan? U bevindt zich op de plek waar zowel de aloude legende als de eerste economische activiteiten van de stad zijn ontstaan, als het ware, de bakermat van Brussel. Beide verhaallijnen hebben echter weinig met elkaar gemeen. Vanaf de 11de eeuw (ten minste) wordt er een kapel opgericht die aan Sint-Gorik, patroonheilige van de parochie en voormalig bisschop van Cambrai, is gewijd met de bedoeling de kleine leefkern die zich daar heeft ontwikkeld, verder te versterken. Daarna is het in verband met dit cultusgebouw gissen naar de waarheid. Het verhaal gaat dat de relieken van Sint-Goedele er een tijdje onderdak vinden vooraleer zij naar de kerk — die vandaag, althans gedeeltelijk, nog haar naam draagt — in het hogere gedeelte van de stad verhuizen. De aanwezigheid van een castrum op deze plek, die lange tijd als gegrond werd beschouwd en vandaag nog op een op het gebouw aangebrachte plaat staat vermeld (wij verwijzen naar de kleine voorgevel die op het stadscentrum uitgeeft), maakt allicht ook deel uit van het sprookje. Ook al is het moeilijk om er zich vandaag een mentaal beeld van te vormen, moet u zich, in dit middeleeuwse tijdperk, een waterloop voorstellen, de Zenne, met hier en daar dwangmolens — maar liefst vier rond wat, vanaf de tweede helft van de 12de eeuw, het Groot Eiland wordt genoemd, het gevolg van de aanleg van de rivier —, met andere woorden, hertogelijke eigendommen waar alle inwoners die er nood aan hadden, verplicht gebruik van moesten maken, en dan nog wel tegen betaling. Soortgelijke context zorgt uiteraard voor een bloeiende economische activiteit (brouwers, vollers, ververs, enz.).

In de 16de eeuw wordt de kapel verheven tot parochiekerk en wordt er een ruimer gebouw van gemaakt in flamboyant gotische stijl. Tijdens de Franse Revolutie en het daaropvolgende bezettingsbewind wordt het gotische gebouw en het omringende kerkhof aan het einde van de 18de eeuw (1796) gesloopt. Op die plek legt de Stad een openbaar plein aan. In het midden komt er in 1802 — ter vervanging van een ouder exemplaar — een piramidale fontein (daterend uit 1767), afkomstig van de hoofdbinnenplaats van de abdij van Grimbergen. Dit plein, dat aanvankelijk Fonteinplein wordt genoemd, verwelkomt eerst een markt waar “ruwe en gewassen weefsels, linnen, ruwe en gewassen garen” worden verkocht. Vanaf 1813 is er sprake van een project dat een permanente overdekte vierkante markt voorziet. Daar wordt echter geen gevolg aan gegeven.

Vóór zijn overwelving stroomt de Zenne af en toe over. Zo bijvoorbeeld in 1820 treedt zij buiten haar oevers en veroorzaakt zij een bijzonder indrukwekkende overstroming door een plotselinge dooi na een lange periode van vrieskou. Nadat de inwoners van de stad — zoals toen gebruikelijk was — door een paar kanonschoten worden gewaarschuwd, worden de sluisdeuren stroomopwaarts opengezet en raast het water met een uitzonderlijke furie naar de stadsruimte; er wordt zelfs gevreesd dat de overstroming de Grote Markt zou treffen… Het Sint-Goriksplein wordt geheel door het water verzwolgen. Het plein maakt geleidelijk aan werk van zijn aanvankelijke bestemming en verwelkomt een fruitmarkt en daarna, in 1867, een markt waar vlees, melk, eieren, kaas en andere zuivelproducten aan de man worden gebracht — die markt had oorspronkelijk plaats in de Recollettenmarkt (of “Botermarkt”), een gebouw dat in 1869 met de grond gelijk wordt gemaakt om plaats te ruimen voor het huidige Beursgebouw. De activiteiten vestigen zich in een tijdelijke loods, waar allerhande producten worden verkocht, met uitzondering van vlees, dat buiten wordt aangeboden op door het gemeentebestuur ter beschikking gestelde slagersbanken. De omvang van de markt zet de stadsbestuurders ertoe aan een permanente infrastructuur te bouwen. De stadsbestuurders zetten hun sanerings- en verfraaiingspolitiek van de stad door — omvangrijke overwelvingswerken van de Zenne (eind van de werken in 1871) en de aanleg van brede centrale lanen —, vaak ten koste van de meest behoeftige burgers. In deze omstandigheden, en ook gelet op de omvang van de marktactiviteiten, gaat in 1880 de bouw van de Hallen van start, een ontwerp van architect Adolphe Vanderheggen dat twee jaar later voleindigd is. Gedurende de werkzaamheden gaat de verkoop door in een loods die in alle haast wordt opgericht op een stuk grond langs de toekomstige Van Praetstraat. De eerste inhuldiging, die van de benedenverdieping die voor slagers is voorbehouden, vindt in augustus 1882 plaats. “De hele buurt was in een feestelijke stemming, vlaggen hingen voor de ramen. Langs het hele gebouw liepen slingers waarin takken en vlaggen in de nationale kleuren met elkaar verweven waren. Vanuit een orchestrion op de hoger gelegen galerij weergalmden elegante en zwierige walsritmes tot groot jolijt van het gezelschap.” Bij de lancering van de boter- en eierenmarkt, amper een maand later, wordt echter al snel duidelijk dat de ruimte veel te klein is, vandaar “het tafereel van boterhandelaars die hun goederen vóór de omringende huizen uitstallen en verkopen en in zekere mate het verkeer verhinderen”.

A

rchitectuur en interieur

Het gebouw in eclectische stijl — die in de tweede helft van de 19de eeuw dominant aanwezig is — is een prachtig architecturaal staaltje van de overdekte markthallen van toen, met een façade in Vlaamse neorenaissancestijl en aan de binnenkant, een opmerkelijke stalen geraamte. En ook al verleent de buitenarchitectuur van de Hallen vooral aan de Vlaamse renaissance — de gevels met afwisselend baksteen en blauwe steen, en de getrapte puntgevels zijn elementen die onmiddellijk in het oog springen —, beroept het interieur zich integendeel op nieuwe materialen die door hun lichtheid tegen het metselwerk afsteken: metalen structuur, zinken dakbedekking en glazen dakraam. De rechthoekige constructie meet 42m op 21,75m. Het zweeft als het ware doordat het van de grond is afgezonderd door een stenen omtrek. Merk op dat de hoeken van het gebouw zijn afgesneden om plaats te maken voor de toegangsdeuren die uitgeven op de op het Sint-Goriksplein uitlopende straten. Als u uw blik richt op de onderste travee van de twee kleine gevels ziet u een voorstelling van Sint-Michiel, patroonheilige van Brussel, die de draak verslaat. Het is geheel niet ondenkbaar dat architect Vanderheggen zich voor zijn ontwerp heeft laten beïnvloeden door de stijl van de Centrale Hallen, die zes jaar eerder door Léon Suys en Edmond Legraive werden opgericht, en in 1956 gesloopt en vervangen door de “Parking 58”. In deze vochtige omgeving, voorziet men onder de tegelvloer van de benedenverdieping een gotensysteem dat het gebouw vrijwaart tegen opstijgend vocht. Op de kelderverdieping doet een ruime zaal dienst als ijskelder, omgeven door met kelderramen geventileerde kelders. Het interieur, dat de oude fontein integreert die al 80 jaar op het plein staat, biedt ruimte aan 96 winkeltjes, eveneens ontworpen door architect Vanderheggen, en verdeeld langs twee loodrechte assen die elkaar kruisen ter hoogte van de obelisk/fontein. Op de eerste verdieping is het gebouw omringd door een galerij zonder winkeltjes maar wel met 42 banken (die vandaag niet meer bestaan). Het interieur van de winkels is uitgerust met al het nodige materiaal: verkoopstandaarden met haken, marmeren uitstaltafels, houten kasten, enz.


W © Collection Belfius Banque-Académie royale de Belgique © ARB-SPRB Verzameling Belfius Bank-Académie royale de Belgique © ARB-GOB avec la collaboration du CDAATL

egen en omwegen

Er wordt verteld dat tijdens de legendarische verhuis van de relieken van Sint-Goedele van de Sint-Gorikskapel naar de Sint-Michiels- en Sint-Goedelekerk, een handvol vrouwen zich fel kant tegen het vertrek van de heilige. Gewapend met riet dat zij op de oevers van de Zenne plukken, scheppen zij verwarring te midden van de processie. Daarna besluiten zij hun huizen met riet te versieren, een traditie die iedere 11de augustus — de dag waarop Sint-Gorik wordt gevierd — tot in de 18de eeuw wordt voortgezet: soms hangen er aan de riettakken zelfs onderbroeken ter symbolische herinnering aan de moed van de vrouwen van de Sint-Goriksbuurt… Tijdens de Eerste Wereldoorlog voorziet de markt in de bevoorrading van de bevolking. “Elke dag, van 9 uur ’s morgens tot 7 uur ’s avonds verkoopt het Nationaal Voedingscomité in de Sint-Gorikshallen kip aan de inwoners van Brussel en de omliggende buurtwijken. Een rij van verschillende honderden mensen, soms tot aan de Anspachlaan, vereist de aanwezigheid van meerdere agenten, terwijl vier personeelsleden, eveneens met de hulp van een agent, toezicht houden op de vier deuren die toegang verlenen tot de Sint-Goriksmarkt, om te voorkomen dat weerbarstige klanten binnen geraken zonder in de rij te staan.” Politieverslag van 24 juni 1917, Stadsarchief van Brussel Aan het einde van de jaren 60 voorziet een waanzinnig project een volledige verbouwing van de hallen die simpelweg gepaard zou gaan met de vernietiging van de markt, en ook van de nabijgelegen herberg In de Gulden Leeuw (voormalig postrelais uit de 17de eeuw, het oudste intact gebleven gebouw van de buurt, bekend voor zijn “zaal van de Gulden Leeuw” waar in het begin van de 20ste eeuw talrijke politieke bijeenkomsten plaatsvinden) en het voormalige Rijke Klarenklooster. Enkel de geklasseerde kerk, die dezelfde naam draagt, zou worden gehandhaafd. De plek zou plaats ruimen voor een benzinestation, waarboven een gebouw met maar liefst 20 verdiepingen zou worden opgericht, inclusief hotel, winkelcentrum en parking, dit alles namens de vastgoedspeculatie en een nieuwe architectuurtrend die zogezegd definitief wil afrekenen met het verleden… Gelukkig komt daar niets van in huis! Beter nog, sinds 21 januari 1987 behoren de voormalige markthallen tot de talrijke geklasseerde monumenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Tijdens de renovatie van het gebouw — van begin 1988 tot juni 1989 — worden sommige delen gesloopt maar het gaat hier voornamelijk om binnenhuiselementen, zo bijvoorbeeld de slagerskraampjes. Na de Tweede Wereldoorlog trekken de handelaars geleidelijk aan weg uit de Sint-Gorikshallen, en uiteindelijk sluit het gebouw op 28 februari 1977 zijn deuren. Samen met de Dansaertwijk wordt de Sint-Goriksbuurt sinds de jaren 90 nieuw leven ingeblazen, mede dankzij zijn talrijke trendy cafés en restaurants. Sinds 1999 verwelkomen de Sint-Gorikshallen een informatie- en tentoonstellingsruimte, met stedenbouw, erfgoed en stadsvernieuwing als centraal thema, dit alles onder voogdij van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Overdag en ‘s avonds heerst er een gezellige sfeer: u kunt er iets eten of drinken, kaartspelen of schaken.

www.visit.brussels copyright: Archives de la Ville de Bruxelles

Erfgoed brochure - De Sint-Gorikshallen  
Erfgoed brochure - De Sint-Gorikshallen