Page 1

Leergang

“De ondernemer & jaarrekening� bepalen bestendig ondernemersinkomen


Inleiding Deze leergang leert je op basis van beschikbare (financiële) informatie een bestendig inkomen te bepalen van je klant, de ondernemer. In Nederland zijn ongeveer 1.600.000 ondernemers actief. Ten opzichte van het totaal aan werkende personen in Nederland bedraagt dit 17%. Kijken we naar het percentage gezinnen waar een of beide partners een inkomen hebben uit een zakelijke activiteit, dan is dit zelfs ruim 20%. Ook de ondernemer wil graag in een mooie (koop)woning wonen en heeft dus net als iemand in loondienst, behoefte aan een goed advies. Dit advies heeft hij ook nodig wanneer hij het inkomensrisico van arbeidsongeschiktheid wil verzekeren. Om deze ondernemer goed bij te kunnen staan heb je wel gedegen kennis nodig om zijn of haar ondernemersinkomen te kunnen bepalen. Deze leergang gaat je hierbij helpen. Na het volgen van deze leergang kun je je klant beter te woord staan en ben je een nog betere gesprekspartner voor zijn accountant. Tevens kun je analyses maken van de cijfers van de onderneming, knelpunten opsporen en financiële ratio’s berekenen en beoordelen.

Bedrijfseconomie is dan niet zo moeilijk, het is een kwestie van gezond boerenverstand gebruiken en logisch kunnen redeneren. Deze leergang is bedoeld voor iedere adviseur die een bestendig inkomen moet onderbouwen in het adviestraject. Of dit bestendige inkomen nodig is voor een hypotheekadvies, het adviseren van een consumptief krediet of AOV maakt dan niet uit, de onderbouwing zal steeds dezelfde zijn. Je krijgt tevens de beschikking over speciale software die je ondersteunt om het bestendige ondernemersinkomen op een juiste manier vast te stellen. Het gebruik van deze software hoort bij deze leergang en wordt ook gebruikt tijdens de praktijkdag om diverse casuïstiek uit te werken. Na het volgen en met succes afronden van deze leergang ben je als adviseur in staat om middels een kwalitatief goede onderbouwing de betreffende bank of verzekeraar aan te kunnen geven welk bestendig inkomen de ondernemer heeft. Tevens kun je dan, daar waar nodig, toelichting geven op afwijkende zaken en onderbouwen waarom jij vindt dat deze afwijkingen op een bepaalde manier moeten worden beoordeeld.

Bij het beoordelen van de financiële positie van een bedrijf, ten behoeve van ondersteuning in de advisering van de klant, is het noodzakelijk om ook de financiële risico’s goed in kaart te brengen en te bespreken met de klant.

In de adviespraktijk kun je vervolgens jouw toegevoegde waarde bewijzen richting jouw klant middels een gedegen rapportage en analyse en zorg je er zo voor dat het traject meer kans van slagen heeft, korter duurt en volledig in jouw grip blijft.

In de leergang behandelen we daarom ook de financiële risico’s die uit de analyse van de jaarrekening en bijbehorende gesprekken met de klant naar boven komen. Uiteraard zijn er binnen een onderneming meer risico’s aanwezig dan uitsluitend financieel georiënteerde risico’s. Vraag jezelf hierbij altijd af of andere aspecten qua risico’s wel tot jouw kerntaak behoren.

Wij wensen je dan ook heel veel plezier met deze leergang en complimenteren je met de keuze om jouw kennis en kunde van de beoordeling van de jaarrekening meer diepgang te geven!

Achtereenvolgens neemt deze leergang je mee door de diverse bedrijfseconomische onderwerpen en leert je hoe je bepaalde zaken moet lezen en vervolgens moet beoordelen. We doen dit op een praktische manier en met die informatie die voor jou belangrijk is.

Team overviewz Vincent Laan

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


SOORTEN RECHTSPERSONEN Ik beperk me hier tot de rechtspersonen die in Nederland worden gebruikt. Per rechtspersoon geef ik aan wat de specifieke kenmerken zijn, wanneer deze met name wordt gebruikt en wat de fiscale en juridische consequenties van een keuze voor deze rechtspersoon zijn. Rechtspersonen buiten Nederland hebben veelal vergelijkbare werking, echter een andere naam en vaak ook andere juridische en fiscale consequenties. De rechtspersonen kunnen verdeeld worden in twee groepen:

Natuurlijke (Rechts)personen

Eenmanszaak Vennootschap onder Firma (VoF) Commanditaire Vennootschap (C.V.) Maatschap

Rechtspersonen Besloten vennootschap (B.V.) Naamloze Vennootschap (N.V.) Coöperatie Vereniging Stichting

De natuurlijke rechtspersonen zijn juridisch en fiscaal transparant. Dit betekent dat alles wat hier gebeurt uiteindelijk fiscaal afgerekend wordt in privé en dat er in principe een privé aansprakelijkheid geldt. Hoe dat per rechtsvorm werkt lees je hieronder.

Eenmanszaak De eenmanszaak (het woord zegt het al) is een bedrijfsvorm bestaande uit één eigenaar. Deze eigenaar is in alle opzichten alleen verantwoordelijk voor de onderneming. De eenmanszaak heeft, bijvoorbeeld in tegenstelling tot een BV, geen eigen rechtspersoonlijkheid. Dit houdt in dat de eenmanszaak een economische activiteit is van een natuurlijk persoon, waarbij er geen onderscheid wordt gemaakt tussen bedrijfs- en privévermogen. Het resultaat is daarmee dus onderhevig aan het IB (inkomstenbelasting) regiem en niet aan het Vpb (vennootschapsbelasting) regiem. De fiscale winst van een

eenmanszaak is gelijk aan het uitgangspunt voor de berekening van het belastbaar inkomen van de ondernemer. Of de eigenaar van een eenmanszaak ook daadwerkelijk wordt gezien als ondernemer in de zin van IB, hangt af van een aantal factoren. Naast het aantal klanten dat de onderneming dient te hebben, moet er ook sprake zijn van een ondernemersrisico. Vaak wordt ook gekeken of de onderneming zich als onderneming laat zien (website, reclamevoering etc.) en of er investeringen worden/zijn gedaan. Daarnaast dient aan het urencriterium te worden voldaan (1.225 uur per jaar of na rato bij gedeelte van een jaar). Naast de eigenaar/ondernemer kunnen er wel degelijk mensen in dienst zijn van een eenmanszaak, dit in tegenstelling tot een zogenaamde ZZP’er (zelfstandige zonder personeel) of freelancer. De keuze voor een eenmanszaak in plaats van bijvoorbeeld een BV heeft veelal een aansprakelijkheidsreden. Bij een eenmanszaak staat het volledige privévermogen van de betreffende ondernemer garant voor de door de ondernemer aan te gane zakelijke verplichtingen/schulden (let op: indien de ondernemer gehuwd is in gemeenschap van goederen is het volledige privévermogen, dus ook van de partner, aanspreekbaar). Indien het risico hiervan te overzien, c.q. verwaarloosbaar is, dan geeft de eenmanszaak ten opzichte van een BV een aantal voordelen. Deze voordelen bestaan uit een aantal belastingfaciliteiten (oudedagsreserve, zelfstandigenaftrek, startersaftrek, meewerkaftrek, en tot slot de MKB winstvrijstelling), die bij een minder hoge winst ervoor zorgen dat er netto meer in de privé portemonnee van de ondernemer overblijft. Hierna leg ik uit hoe deze fiscale regelingen eruitzien en hoe ze werken.

Oudedagsreserve: De oudedagsreserve (OR) is niet zozeer een fiscale aftrekpost, maar een mogelijkheid voor de ondernemer om fiscaal gunstig te sparen voor zijn oudedagsvoorziening. Het bedrag dat als kostenpost mag worden afgetrokken bedraagt 9,44% van de winst met een maximum van

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


€ 8.775 (2018). De toevoeging aan deze reservering mag daarnaast niet meer zijn dan het surplus aan ondernemingsvermogen einde boekjaar ten opzichte van de oudedagsreserve begin boekjaar. Voor de exacte en actuele fiscale regelingen en de hoogte hiervan in een bepaald jaar, verwijs ik je naar de site van de belastingdienst. Op dit moment zien deze fiscale regelingen er als volgt uit:

Zelfstandigenaftrek: Onder voorwaarde dat de persoon zich kwalificeert als ondernemer en dus ook voldoet aan het urencriterium, geldt er vanaf 2012 een vaste aftrek van € 7.280 onafhankelijk van de winst. Voor 2012 was de hoogte van de zelfstandigenaftrek afhankelijk van de in dat jaar behaalde winst.

Startersaftrek: Indien de onderneming nog in de startfase verkeerd mag zij een zogenaamde startersaftrek toepassen. Deze startersaftrek bedraagt een vast bedrag van € 2.123 en mag maximaal drie keer worden toegepast. De voorwaarden om in aanmerking te komen voor deze aftrekpost zijn: • •

in de laatste 5 jaar minimaal 1 jaar geen ondernemer zijn geweest; in de laatste 5 jaar maximaal 2 keer startersaftrek toegepast.

Meewerkaftrek: Indien de partner van de ondernemer ‘om niet’ meewerkt in de onderneming is er een mogelijkheid om een percentage van de winst onbelast (dus geen IB) af te trekken van de winst. De hoogte van het percentage hangt vervolgens af van het aantal uren dat de partner heeft besteed aan werkzaamheden voor de onderneming. Het aantal uren dient deugdelijk te worden vastgelegd.

Voor de te hanteren percentages zie onderstaande tabel: van…uur tot…uur meewerkaftrek 525 875 875 1.225 1.225 1.750 1.750

1,25% van de winst 2% van de winst 3% van de winst 4% van de winst

MKB winstvrijstelling: Nadat de winst is verminderd met de ondernemersaftrek (de ondernemersaftrek bestaat uit de zelfstandigenaftrek plus de eventueel van toepassing zijnde meewerkaftrek en startersaftrek) mag de ondernemer van de dan overgebleven winst nog een percentage aftrekken van 14%. De MKB winstvrijstelling verlaagt dus de belastbare winst, net zoals de ondernemersaftrek. Voorwaarde om gebruik te kunnen maken van de MKB winstvrijstelling is een inschrijving KvK en het doen van een IB winst aangifte, de voorwaarden van de ondernemersaftrek gelden dus niet.

Vennootschap onder Firma (VoF) De vennootschap onder firma (VoF) kan worden opgericht door natuurlijke personen (privé personen) en/of rechtspersonen (bijvoorbeeld BV). Net als bij de eenmanszaak is tussenkomst van een notaris niet noodzakelijk. De VoF bestaat altijd uit meer dan één (natuurlijke) rechtspersoon. De verdeling van de firma wordt hierbij vastgelegd in een overeenkomst, waarin ook de verdeling van werkzaamheden wordt beschreven. Het is daarbij niet toegestaan een vennoot van de VoF volledig uit te sluiten van enig winstdeel. Elke vennoot binnen een VoF is volledig hoofdelijk aansprakelijk voor de aangegane verplichtingen c.q. gemaakte schulden (dus niet naar rato van haar deelnemingspercentage). Dit vloeit voort uit het feit dat de VoF geen zelfstandig rechtssubject is, ofwel niet bestaat in de zin van winstbelasting en aansprakelijkheidstechnisch volledig transparant. Andersom kan de privéschuld van een

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


vennoot niet worden verhaald op het vermogen van de VoF, in feite is dit logisch omdat het anders zou kunnen voorkomen dat de schuld van de ene vennoot in privé wordt verhaald op het kapitaal in de VoF van de andere vennoot. De gerealiseerde winst binnen de VoF wordt, conform de verdeelsleutel, toegekend aan de vennoten en daar fiscaal belast. Is de vennoot een natuurlijk persoon dan volgt de IB-belastingmethodiek, is de vennoot een rechtspersoon, dan valt de winst als omzet in bijvoorbeeld de BV en leidt dan uiteindelijk tot een fiscale afrekening middels Vpb. De fiscale voordelen voor de (IB) vennoten zijn bij een VoF gelijk aan de eenmanszaak. De keuze voor een VoF- of een BV-constructie zit vervolgens dan enerzijds op aansprakelijkheidsniveau (juridische afweging) en anderzijds op winstpotentie (fiscale afweging). Veelal wordt er een VoF gekozen wanneer dit een tijdelijk karakter heeft, bijvoorbeeld voor een bepaald project, uit te voeren door meerdere partijen. In Nederland is de bekendste VoF de man/vrouw VoF die met name een fiscaal voordeel als uitgangspunt heeft ten opzichte van een eenmanszaak. Door de verdeling over partners van de winst, hebben beide een lager inkomen voor de IB dan wanneer de volledige winst op één persoon wordt geboekt. De meest gunstige verdeling tussen beide levenspartners vanuit fiscaal oogpunt bedraagt 50/50, hierbij genieten beiden van alle fiscale voordelen en wordt er in totaal minder belasting betaald. Dit houdt dus in dat de fiscus hierbij een kleinere vordering zal hebben. De consequentie hiervan is dan dat het aannemelijk gemaakt moet worden dat beide partners evenveel input in de onderneming hebben. Concreter: er dienen door beide partners kwalificeerbare en vergelijkbare werkzaamheden te worden uitgevoerd.

Commanditaire Vennootschap Een speciale vorm van een VoF is de zogenaamde commanditaire vennootschap (CV). Bij een CV wordt onderscheid gemaakt tussen de beherende vennoot en de stille of commanditaire vennoot. De beherende vennoot is bevoegd te handelen voor de onderneming, de stille of

commanditaire vennoot is dat niet (mag geen beheersactiviteiten verrichten). Indien de stille of commanditaire vennoot toch dit soort handelingen verricht, dan verspeelt hij hiermee zijn status en is daardoor een beherend vennoot geworden en net als de beherende vennoot aansprakelijk voor de verplichtingen/schulden in de CV. Deze constructie wordt gekozen wanneer een vennoot wel als geldschieter wil optreden voor de vennootschap, echter dit ter hoogte van zijn investering begrensd wil hebben. Veel voorkomende CV’s zijn bijvoorbeeld scheeps CV’s: een investeringsvehikel waarbij de belegger geld belegt in de CV, zonder aansprakelijk te kunnen worden gehouden voor eventueel ontstane schuldposities. Het risico is daarmee beperkt tot de ingelegde gelden. De beherende vennoten van een CV hebben dezelfde rechten, plichten en aansprakelijkheden als de vennoten bij een VoF. De CV behoeft net als de VoF een contractuele onderbouwing van werkzaamheden en winstrecht. Indien deze niet is gemaakt, wordt de winst gelijkelijk verdeeld onder de vennoten. De commanditaire vennootschap brengt dus ook een gevaar met zich mee. Daar waar de betreffende commanditaire vennoot zich als het ware veilig voelt voor eventuele schuldposities van de CV zal een partij of persoon die een claim heeft op de CV, bij een betalingsonmacht van de CV, trachten aan te tonen dat de commanditaire vennoot een beheersactiviteit heeft gepleegd en daarmee dus beherend geworden is, met alle juridische consequenties van dien. Net als de VoF is de CV geen rechtspersoon en wordt de behaalde winst naar rato van deelneming onbelast naar de vennoot getransporteerd waar belastingheffing plaats vindt. Bij zowel de eenmanszaak, de VoF alsook de CV vindt er dus geen winstbelasting bij de onderneming plaats maar wel bij de ondernemer (fiscaal transparant). Er wordt wel omzetbelasting geheven (BTW) indien sprake is van (BTW-) belaste prestaties.

Maatschap Als twee of meer (rechts)personen (de maten) een sa-

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


menwerking aangaan, is er sprake van een maatschap. De inbreng van de maten heeft tot doel samen voordeel te behalen. De maatschap is geen rechtspersoon. De onderlinge afspraken worden vastgelegd in een maatschapscontract (inbreng, winstverdeling en verdeling van de bevoegdheden). Het uitsluiten van een van de maten is wettelijk niet toegestaan voor wat betreft de behaalde winst. Overigens kan uitsluiting wel plaatsvinden bij verlies van de onderneming. Er bestaan twee soorten maatschappen: 1. De stille maatschap; ieder werkt onder eigen naam, waarbij bijvoorbeeld inkoop en aanname van personeel gezamenlijk plaats vindt. 2. De openbare maatschap; werken onder één naam, werking lijkt veel op die van een VoF. Verschil met de VoF is dat de maten in beginsel slechts gedeeltelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de maatschap en er meer flexibiliteit is met betrekking tot de winstverdeling.

Besloten Vennootschap De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (BV) is een rechtspersoon, waarbij het maatschappelijk kapitaal is verdeeld in aandelen die niet vrij overdraagbaar zijn. De aandelen staan op naam. In het aandeelhoudersregister staat vermeld welke aandelen van wie zijn. In de statuten van de BV kan worden geregeld aan welke voorwaarden moet worden voldaan om aandelen te kunnen overdragen aan een ander (toetredingsregeling of blokkeringsregeling). Zoals in de naam vastgelegd, hebben de aandeelhouders een beperkte aansprakelijkheid, dit in tegenstelling tot natuurlijke personen (eenmanszaak / VoF). Een BV dient te zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel in de regio waar de BV statutair is/wordt gevestigd. Daarnaast heeft een BV de wettelijke plicht jaarlijks haar financiële gegevens te publiceren in een publicatieverslag. Het hoogste orgaan van een BV is de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AVA) welke minimaal eenmaal per jaar bij elkaar dient te komen. Het dagelijkse bestuur van de BV ligt in handen van het bestuur (veelal de direc-

tie als Raad van Bestuur; RvB). Meestal is het benoemen en ontslaan van het bestuur voorbehouden aan de AVA, die hiervoor in voorkomende gevallen ook een Raad van Commissarissen (RvC) kan installeren. Tot aan het moment van definitieve oprichting is de BV nog in oprichting (io). Dit betekent dat tot aan oprichting de beoogde aandeelhouders/bestuur volledig aansprakelijk zijn. Na oprichting is de aansprakelijkheid beperkt. Mogelijk is er dan nog wel bestuurdersaansprakelijkheid, ingeval er sprake is van wanbeleid. Indien wanbeleid aangetoond kan worden vervalt de beperkte aansprakelijkheid en is er sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid. De winst in een BV valt onder de vennootschapswetgeving. Momenteel is de Vpb (winstbelasting voor rechtspersonen) bij een winst tot € 200.000 20,0%, daarboven 25,0%. Na belastingheffing beslist de AVA wat er met de netto winst na belasting gebeurt. De keuze is hierbij of de winst in het bedrijf te laten en toe te voegen aan de overige reserve van het bedrijf (eigen vermogen), of de winst uit te keren aan de aandeelhouders (dividend, belastingtarief thans 15%, door de BV in te houden en af te dragen aan de fiscus plus 10% die bij de belastingaangifte van de ontvanger afgedragen dient te worden in box 2 van de IB aangifte; aanmerkelijk belang belasting).

Fiscale eenheid: Op verzoek kan een moedermaatschappij samen met een of meer dochtermaatschappijen aangemerkt worden als een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (Vpb). Voorwaarde is dat er sprake dient te zijn van een aandeelbelang van minimaal 95%, daarnaast dienen de boekhoudkundige jaren gelijk te lopen en dienen alle bedrijven in de fiscale eenheid gevestigd te zijn in Nederland en dienen alle bedrijven dezelfde winstbepalingen te hanteren. De 95% eis geldt tevens voor het winstrecht, aandeel in vermogen en stemrecht in de dochtermaatschappij. Het voordeel van een fiscale eenheid in de zin van de Vpb is dat de verliezen van de een verrekend kunnen worden met de winsten van de ander, voordat er vennootschapsbelasting betaald dient te worden. Nadeel is dat men aansprakelijk is voor elkaars vennootschapsbelasting schul-

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


den en dat het opstaptarief (20%) slechts eenmaal wordt toegekend. Naast een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (Vpb) is het ook mogelijk een fiscale eenheid te vormen voor de BTW vanaf een belang van 50%; er dient dan sprake te zijn van economische verwevenheid (zelfde klantenkring, aansluitende activiteiten), in de BTW eenheid dient minimaal één rechtspersoon te zitten en alle bedrijven dienen in Nederland gevestigd te zijn en ondernemer zijn in de zin van de BTW. Let op: een fiscale eenheid betekent ook dat alle deelnemende bedrijven in de eenheid 100% aansprakelijk zijn voor de belastingafdracht van de ander, de fiscus ziet namelijk maar één verantwoordelijke voor de aangifte en afdracht: de eenheid. Onder bepaalde voorwaarden is het (binnen de EU) mogelijk om een fiscale eenheid te vormen met een buitenlandse onderneming. De fiscus bepaalt in voorkomend geval of een eenheid kan worden gevormd.

Aanmerkelijk belang: Vanaf een deelneming (of optierecht op deelneming) van 5% in een BV is er sprake van aanmerkelijk belang, deze 5% wordt berekend door het directe en indirecte belang van fiscale partners bij elkaar op te tellen. Onder indirect belang vallen ook de aandelen die de rechte lijn in familieverband hebben: ouders – kinderen - kleinkinderen. Heeft iemand een aanmerkelijk belang en wordt door deelverkoop of uitbreiding van aandelen dit belang kleiner dan 5%, dan nog kan er sprake zijn van aanmerkelijk belang. Het is dus raadzaam dit in voorkomende situaties goed uit te laten zoeken. Een aanmerkelijk belang betekent dat de wetgever er van uitgaat dat er een mogelijke sturing is ten aanzien van het beleid. Bij een aanmerkelijk belang kunnen de winsten na belasting tussen BV’s zonder fiscale afrekening worden overgemaakt (deelnemingsvrijstelling). Indien de winst van BV naar een natuurlijk persoon gaat is er wel IB verschuldigd (aanmerkelijk belang belasting, thans 25%). Indien een aandeelhouder geen aanmerkelijk belang heeft (dus een aandeel kleiner dan 5%), dan gaat de wetgever er van uit dat er geen sturing mogelijk is en zijn de winsten onbelast te ontvangen door een natuurlijk persoon.

Dividend uitkering: Een dividenduitkering (geldt alleen voor rechtspersonen, bij niet rechtspersonen spreekt men over privéopname) kan alleen plaatsvinden ten laste van positieve overige reserves of positieve onverdeelde winst. Deze reserves mogen niet negatief worden als gevolg van een dividenduitkering. Een dividenduitkering vanuit het kapitaal van de rechtspersoon kan dus niet. Het is toegestaan om de dividenduitkering te verwerken (balans na winstbestemming) of niet te verwerken (balans voor winstbestemming). In de overige gegevens moet te allen tijde de winstbestemming worden vermeld. Dividenden uitgekeerd aan natuurlijke personen, met een aanmerkelijk belang van >=5%, worden met totaal 25% aanmerkelijk belang belasting belast. Dividenden uitgekeerd aan rechtspersonen aandeelhouders die een aanmerkelijk kapitaalbelang hebben, zijn vrijgesteld van dividendbelasting (deelnemingsvrijstelling). Natuurlijke personen zonder een aanmerkelijk belang betalen uiteindelijk geen dividendbelasting. Hoe gaat dit? In de situatie van wel aanmerkelijk belang houdt de onderneming bij uitkering van het dividend 15% in en draagt dat direct af aan de belastingdienst. Vervolgens wordt bij IB aangifte over het jaar waarin de uitkering heeft plaatsgehad, aangegeven in box 2 dat er een bedrag is ontvangen aan dividend en wordt er 10% belasting geheven over het bruto bedrag aan dividend. Totaal betaald iemand met aanmerkelijk belang derhalve 25% aanmerkelijk belang belasting. In de situatie dat er geen sprake is van aanmerkelijk belang is het eerste deel van de route gelijk: het bedrijf berekent 15% dividendbelasting over het bruto bedrag en draagt dit direct bij uitkeren af aan de belastingdienst. Vervolgens wordt bij de IB aangifte geconstateerd dat betreffende persoon geen aanmerkelijk belang heeft, dus ook geen box 2, echter wel hierin belasting heeft betaald (de 15% afgedragen door het bedrijf). Aangezien er geen sprake is van aanmerkelijk belang, dus ook geen box 2, is deze betaalde belasting onterecht en wordt bij de IB aangifte derhalve teruggevorderd. Uiteindelijk houdt de per-

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


soon zonder aanmerkelijk belang dus 100% van het bruto bedrag netto over. Wet vereenvoudiging en flexibilisering BV recht Op 12 juni 2012 heeft de eerste kamer de Wet vereenvoudiging en flexibilisering BV recht aangenomen, welke per 1 oktober 2012 van kracht is gegaan. Onderstaand een korte opsomming van de belangrijkste wijzigingen en consequenties. Voor meer informatie verwijs ik je graag naar de site van de belastingdienst, overheid of overkoepelende organisatie van notarissen. Doelstelling van deze wetswijziging is om met de wijzigingen van het BV-recht de BV soepeler, moderner en daarmee ook internationaal aantrekkelijker te maken. De wetswijziging geeft meer vrijheid van inrichting van de BV en een evenwichtiger systeem om crediteuren te beschermen. Deze nieuwe wet geldt vervolgens zowel voor nieuwe alsook voorbestaande BV’s, kortom alle BV’s kennen nu dezelfde wetgeving. Het is hierbij raadzaam om bij bestaande BV’s te bezien of aanpassing van de statuten noodzakelijk c.q. gewenst is vanuit juridisch en/of fiscaal oogpunt. Naast de wijziging, die al was ingegaan voorafgaand aan deze datum, dat er in tegenstelling tot voorheen geen verklaring van geen bezwaar van het Ministerie van Justitie nodig is, zijn de belangrijkste wijzigingen binnen deze wet:

Kapitaal en overdracht 1. Het verplichte minimum kapitaal van € 18.000 is afgeschaft. Er is nu slechts minimaal één aandeel van € 0,01 nodig bij oprichting. Het is overigens niet echt raadzaam om met slechts één aandeel een BV te starten. Dit beperkt namelijk de flexibiliteit in mogelijke samenwerking in de toekomst; één aandeel kun je niet delen. Beter is het derhalve om minimaal € 1,00 aandelenkapitaal te nemen, welke wel gedeeld kan worden. 2. Ook de accountantsverklaring bij de storting in natura is afgeschaft. 3. Maatschappelijk kapitaal is niet langer verplicht.

4. De BV heeft ruimere mogelijkheden dan voorheen om eigen aandelen in te kopen. 5. De thans verplichte blokkeringsregeling is niet langer verplicht. 6. Overdracht van aandelen kan statutair voor een bepaalde periode worden uitgesloten.

Uitkeringen Een BV mag uitkeringen doen vanuit haar reserves, mits dit er niet toe leidt dat de BV niet langer kan voldoen aan haar betalingsverplichtingen van haar opeisbare vorderingen (m.n. op basis van liquiditeitspositie / liquiditeitstoets). Indien door uitkeringen de situatie ontstaat dat vorderingen niet langer betaald kunnen worden en aantoonbaar gemaakt kan worden dat de bestuurders dit ten tijde van uitkering wisten of redelijkerwijs behoorden te weten, zijn deze bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort dat is ontstaan door deze uitkeringen. Dit geldt overigens ook voor degenen die de uitkering hebben ontvangen en dit wisten of redelijkerwijs behoorden te weten. De ingehouden dividendbelasting op een terug te betalen uitkering zal niet worden gerestitueerd in het geval van moeten terugstorten.

Stemrecht/geschillen 1. Het verstrekken van aandelen zonder winstrecht of stemrecht is flexibeler. 2. In de statuten kan worden bepaald of verkrijging van bepaalde aandelen aan voorwaarden zijn verbonden (bijvoorbeeld onder voorwaarde dat er een financiering beschikbaar wordt gesteld aan de BV). 3. De geschillenregeling op basis waarvan een aandeelhouder uit de vennootschap kan treden of een medeaandeelhouder uit de vennootschap kan stoten is eenvoudiger geworden.

Aandachtspunt: Het verstrekken van winstaandelen of stemrechtloze aandelen kan van invloed zijn op het aandeelpercentage vallende onder de deelnemingsvrijstelling, de mogelijkheid van een fiscale eenheid en het bepalen van een aanmerkelijk belang.

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


Naamloze Vennootschap De naamloze vennootschap (NV) is een rechtspersoon waarbij de aandelen in beginsel vrijelijk overdraagbaar zijn. Van oorsprong is een NV een rechtspersoon waarbij in de naamvoering de namen van aandeelhouders niet voorkomen (vandaar de naam: naamloze vennootschap), de aandeelhouders blijven dus in principe buiten beeld. De oprichting van een NV werkt in principe gelijk aan die van een BV, met dien verstande dat het minimaal benodigd startkapitaal bij een NV € 45.000 bedraagt. De NV is de enige rechtspersoon die een beursnotering kan verkrijgen, de voorwaarden hiervoor zijn vastgelegd in het burgerlijk wetboek. Dit is natuurlijk ook logisch; bij de overdracht van aandelen in een NV is dan tussenkomst van een notaris niet noodzakelijk wat een vrije verhandelbaarheid op de beurs ondersteunt. Het bestuur van een NV werkt in beginsel gelijk aan die van een BV (AVA, RvC, RvB). In veel gevallen is deze structuur echter wel beter beschreven en zal een RvC vaker voorkomen. Ook de aansprakelijkheid van een NV is gelijk aan die van een BV evenals de fiscale wetgeving met betrekking tot winst, deelnemingsvrijstelling en mogelijkheden voor een fiscale eenheid.

Coöperatie De coöperatie is een soort van zelforganisatie van producenten of gebruikers, gericht op het behalen van schaalvoordelen. De coöperatie komt hierbij op voor de belangen van haar leden. De meest bekende coöperatie in Nederland is de Rabo bank. De coöperatie mag winst uitkeren aan haar leden. In Nederland voorkomende coöperaties kunnen worden ingedeeld in: 1. Bedrijfscoöperaties; leden voeren bedrijf, de coöperatie regelt overkoepelende zaken. 2. Consumentencoöperatie; hierbij kopen de leden goe-

deren of diensten van de coöperatie; schaalvoordeel. 3. Producten- of dienstencoöperatie; hierbij zijn de leden tegelijkertijd werknemer van de coöperatie. 4. Eigenarencoöperatie; hierbij zijn de leden primair eigenaar van de coöperatie. De coöperatie wordt opgericht door minimaal twee personen bij notariële akte en is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Qua aansprakelijkheid werkt de coöperatie als rechtspersoon en is er in beginsel een beperkte aansprakelijkheid. Deze aansprakelijk wordt gelijkelijk verdeeld over de leden (wettelijke aansprakelijkheid), of beperkt tot een maximum bedrag (beperkte aansprakelijkheid), of uitgesloten (uitgesloten aansprakelijkheid; UA). Deze aansprakelijkheid dient vastgelegd te zijn in de statuten. Fiscaal werkt de coöperatie hetzelfde als een rechtspersoon (zoals een BV), met dien verstande dat er geen dividendbelastingsplicht is. Ook kan een coöperatie een fiscale eenheid met andere rechtspersonen aangaan, onder dezelfde regels als bij de BV en NV.

Vereniging Een vereniging is een verzameling mensen die zich met een bepaald doel georganiseerd heeft. Binnen de wet is een vereniging een rechtspersoon, waarvan de rechten en plichten in de wet zijn geregeld. In het algemeen wordt een vereniging opgericht bij notariële akte, echter dit is niet noodzakelijk. Indien er geen notaris betrokken is bij oprichting heeft de vereniging slechts een beperkte rechtsbevoegdheid en is er sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid. Indien de oprichting met tussenkomst van een notaris is gedaan, zijn er tevens statuten waarin geregeld is wat het doel van de vereniging is en wat de verplichtingen van haar leden zijn. De vereniging kent geen winstoogmerk. Dit wil overigens niet zeggen dat een vereniging geen winst mag maken, echter deze mogelijke winst dient weer ten doel te staan van de doelstelling van de vereniging, zoals beschreven in de statuten.

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


Het bestuur van de vereniging ligt binnen de algemene (leden) vergadering (ALV). Elk lid van de vereniging heeft in deze ALV een plaats en stem. De ALV komt minimaal eenmaal per jaar bijeen en beslist dan over beleid, bestuur en de gedane financiële huishouding (meestal in de vorm van een kascommissie). Bij zeer grote verenigingen (zoals bijvoorbeeld de ANWB en de Consumentenbond) wordt meestal een afvaardiging gekozen voor de ALV, zodat dit orgaan makkelijker kan opereren. Het bestuur van een vereniging kent (meestal) drie functies: een voorzitter, een secretaris en een penningmeester. Een vereniging is in de regel niet belastingplichtig. Als de vereniging deelneemt in het economisch verkeer is in beginsel wel sprake van omzet- en wellicht vennootschapsbelasting.

Stichting Een stichting is een rechtspersoon. Grofweg zijn er twee soorten stichtingen: 1. Een stichting ten behoeve van een ideëel of sociaal doel 2. De stichting administratie kantoor (StAK). Stichting ten behoeve van ideëel of sociaal doel Deze stichting wordt opgericht met behulp van vermogen om een bepaald (ideëel of sociaal) doel te realiseren. Dit doel dient beschreven te staan in de statuten van de stichting, waarbij de gerealiseerde winst ten goede moet komen aan het hierin beschreven ideëel of sociaal doel. De stichting wordt opgericht bij notariële akte of testament (door één of meerdere natuurlijke of rechtspersonen). Het feit dat de stichting een rechtspersoon is en dus zelfstandig bevoegd, impliceert dat de bestuurders van deze stichting niet aansprakelijk gesteld kunnen worden anders dan de aansprakelijkheid zoals bij een BV is geregeld (bestuurdersaansprakelijkheid bij wanbeleid).

dienst voor specifieke situatie). Uitkeringen aan het in de statuten omschreven ideëel of sociaal doel kunnen netto gedaan worden (geen schenkingsrecht). In principe zijn de bestuurders van een stichting niet in loondienst. De stichting kan overigens wel werknemers in loondienst hebben. Stichting administratiekantoor De stichting administratiekantoor (van aandelen) wordt opgericht als beschermingsconstructie voor bijvoorbeeld een BV. Deze stichting heeft als doel het besturen van de onderliggende BV en het eventueel uitgeven van certificaten. Hierbij is de stichting administratiekantoor houder van de aandelen van de BV en daarmee ook stemgerechtigd voor die aandelen. Door het uitgeven van certificaten wordt het bestuur (zeggenschap) en winstrecht gesplitst, waardoor de situatie ontstaat dat de stichting administratiekantoor het zeggenschap heeft (bestuur), echter het winstrecht over gaat aan de houder(s) van de certificaten. Het uitgeven van certificaten is voorbehouden aan het bestuur van de stichting administratiekantoor. Door bovenstaande constructie is gewaarborgd dat bij eventueel overlijden van de ondernemer de onderliggende BV gewoon blijft functioneren en in dat geval door het bestuur van de stichting administratiekantoor de certificaten aan een ander kunnen worden uitgegeven (te regelen bij testament). Vaak wordt er een stichting binnen een familieverband opgericht. De stichting mag enkel datgene doen wat is beschreven in de statuten. Omdat de stichting geen eigenaar kent is het daarmee de perfecte methode om onderliggende entiteit(en) te beschermen tegen een (vijandige) overname. Het kan zelfs zo worden geregeld dat er een stichting met een blokkerende stem inzake vervreemding van aandelen slapend aanwezig is en pas actief wordt in het geval zo’n mogelijke (vijandige of niet gewenste) overname speelt.

Indien de stichting een onderneming drijft dient er Vpb betaald te worden over de winst. Of de omzet van de stichting BTW-plichtig is, hangt af van de situatie (zie belasting-

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


Organogram Als er sprake is van meerdere entiteiten behorende tot een groep, wordt er in een organogram aangegeven wat de onderlinge verhouding is van deze entiteiten. Bij de Kamer van Koophandel kunt u zo’n organogram vinden, waarbij naast de aandeelverhouding onderling tevens wordt aangegeven of er een bestuurlijke verbinding is. Je vraagt dan een overzicht van concernrelaties op bij de Kamer van Koophandel waarmee je dan kunt controleren met welke andere rechtspersonen een onderneming direct is verbonden, inzicht krijgt in aansprakelijkheidsrelaties en kunt vaststellen wie de moedermaatschappij is. In veel gevallen is er sprake van een zogenaamde holdingstructuur. Hierbij is er sprake van een holding (of beheer) BV, die enerzijds (al dan niet volledig) aandeelhouder is van de onderliggende werkmaatschappij waar de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden en anderzijds vanuit de holding een zogenaamde managementfee in rekening brengt bij de werkmaatschappij. Deze managementfee is daarmee omzet voor de holding en dient voor het betalen van (onder andere) een salaris richting de privé persoon(en) die eigenaar is van de betreffende holding. Het beoordelen van enkel de holding is daarmee niet voldoende; de werkmaatschappij dient in deze gevallen voldoende financieel gezond te zijn om de managementfee (omzet holding) nu en in de toekomst te kunnen betalen. Indien je deze structuur tegenkomt, dien je dus naast de beoordeling van de holding ook te kijken of de werkmaatschappij, die de managementfee moet betalen, dit ook daadwerkelijk kan betalen. Ook wanneer er sprake is van een structuur waarbij de personal holding eigenaar is van een tussenholding, die op haar beurt weer aandeelhouder is van de werkmaatschappij, is beoordeling van de uiteindelijke werkmaatschappij noodzakelijk. Van belang is te beoordelen of vennootschappen onderling zakelijke transacties leveren alvorens een werkmaatschappij te beoordelen. Nog beter is het om de gehele groep te bekijken. Een geconsolideerde jaarrekening, waarin de gehele groepsstructuur is opgenomen, is dan een belangrijk “vertrekpunt”.

“In dit hoofdstuk over de soorten rechtspersonen in Nederland heb ik de kenmerken beschreven van zowel de natuurlijke- als ook rechtspersonen in fiscaal en juridische zin. Ik heb mij hierbij beperkt tot de meest belangrijke zaken die je moet weten als adviseur. Uiteraard is er nog meer te vertellen over deze ondernemingen, maar dat gaat te ver voor deze leergang. Wil je iets specifieks weten en staat het niet beschreven in deze leergang, dan kun je dit in de meeste gevallen vinden op de site van de belastingdienst.”

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


DE JAARREKENING

Waar moet een jaarrekening aan voldoen?

In dit hoofdstuk behandel ik de jaarrekening als geheel. In de volgende hoofdstukken ga ik dieper in op de onderdelen balans, Winst-en-verliesrekening en de financiële ratio’s die je daaruit kunt berekenen.

In het burgerlijk wetboek staat exact beschreven waar een jaarrekening aan moet voldoen en welke rechtspersonen een verplichting van een jaarrekening kennen. Dit houdt in dat de niet rechtspersonen in principe geen verplichting kennen van een jaarrekening (bijv. eenmanszaak en VOF).

De financiële huishouding van een bedrijf wordt vastgelegd in de (verplichte) jaarrekening. De jaarrekening is verplicht voor alle rechtspersonen en dient in principe binnen 13 maanden na afloop boekjaar gedeponeerd te worden bij de KvK. Voor verenigingen, stichtingen en buitenlandse ondernemingen gelden afwijkende regels, deze vind je terug op de site van de Kamer van Koophandel. De jaarrekening wordt veelal opgesteld door de (externe) accountant van het bedrijf. Als de onderneming een bepaalde grootte heeft dient de jaarrekening ook via vaste richtlijnen opgesteld te zijn en dient de accountant (extern) een goedkeurende verklaring af te geven. Een onderneming moet hieraan voldoen als in twee opeenvolgende jaren minimaal twee van de drie criteria voor het bedrijf gelden: • • •

Grootte balanstotaal (in 2015 > € 4.400.000) Hoogte netto omzet (in 2015 > € 8.800.000) Aantal medewerkers (gemiddeld over een jaar, in 2015 > 50 FTE)

Grofweg kennen we in Nederland een aantal soorten accountants / boekhoudkundige kantoren: 1. Register accountant (RA). 2. Certificerend accountant (AA: Accountant Administratieconsulent, te onderscheiden in wel of niet certificeringsbevoegd). 3. Administratiekantoren. 4. Belastingadviseurs verenigd in de Orde Fiscaal Recht, of Register Belastingadviseur (fusie tussen Federaal Belastingadviseur en College van Belastingadviseurs).

De jaarrekening bestaat o.a. uit de balans, de VW en waarderingsgrondslagen. De stichting en vereniging kennen geen VW maar een exploitatieoverzicht. Omdat de indeling van een jaarrekening wettelijk is geregeld, zien alle jaarrekeningen er in feite hetzelfde uit. De balans wordt hierbij onderverdeeld in activa (bezittingen) en passiva (schulden) van het bedrijf. De VW kent omzet en kosten, waaruit logischerwijs een resultaat resulteert. De jaarrekening dient volgens goed koopmansgebruik te worden opgesteld. In de wetgeving worden hierbij woorden gebruikt als getrouw, duidelijk, maatschappelijk aanvaardbaar en stelselmatig. Kortom het moet een voor iedereen duidelijk leesbaar en begrijpelijk geheel vormen, bestaande uit alles wat in een bepaalde periode (meestal kalenderjaar) bekend is. Met name de stelselmatigheid is hierbij belangrijk, een eenmaal ingezette weg dient de erop volgende jaren vervolgd te worden. Afwijken van deze weg mag wel, maar dan moet het voor de lezer van de jaarrekening duidelijk zijn wat de wijziging is en wat hiervan de consequentie is op financieel vlak.

Principes voor de jaarrekening Bij het vervaardigen van een jaarrekening dienen de volgende principes te worden gehanteerd:

Voorzichtigheidsbeginsel: Het voorzichtigheidsbeginsel is het belangrijkste principe en gaat voor alle andere principes. In feite houdt het voorzichtigheidsbeginsel in dat verliezen genomen worden op datum dat zij bekend zijn, te voorzien zijn en de winsten worden opgenomen als die daadwerkelijk gerealiseerd zijn. Er is namelijk altijd nog een (klein) risico dat de winst

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


niet gerealiseerd wordt, dus voorzichtigheidshalve wachten met winstneming.

Realisatieprincipe: Het realisatieprincipe volgt in feite het voorzichtigheidsbeginsel. Winsten mogen pas worden bijgeschreven wanneer de prestatie is geleverd, ofwel na het leveren van de prestatie en de factuur is opgemaakt en verstuurd, dan zijn de winsten ook reëel verdiend.

Matchingsbeginsel: Het matchingsbeginsel betekent dat uitgaven en ontvangsten moeten worden toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben. In het geval van een aanschaf van een materieel vast actief (bijvoorbeeld een machine) die meerdere jaren gebruikt gaat worden, wordt het deel van de aanschaf van die machine die als het ware “gebruikt” wordt in het lopende jaar, als kostenpost in dat jaar genomen en het restant in volgende jaren. Dit gebeurt via de post afschrijvingen.

Continuïteitsbeginsel: Het continuïteitsbeginsel houdt in dat de activa en passiva van een bedrijf in de balans gewaardeerd dienen te worden vanuit de veronderstelling dat het bedrijf continueert. Dus waardering van voorraad niet tegen executieprijzen maar tegen aanschafprijs minus eventuele normale afschrijving. Zodra deze verwachting ophoudt te bestaan (naderend faillissement), dient er bijvoorbeeld tegen liquidatiewaarde te worden gewaardeerd. In de laatste situatie houdt dit dus in dat het voorzichtigheidsbeginsel zwaarder weegt.

Stelselmatigheidsbeginsel: Het stelselmatigheidsbeginsel of bestendigheidsprincipe houdt in dat de grondslagen voor de waardering van de balansposten over de jaren heen gelijk dienen te zijn. Alleen bij gegronde redenen kan hiervan worden afgeweken (onderbouwd). Indien er sprake is van een afwijkende lijn dan dient dit voor de lezer van de jaarrekening inzichtelijk gemaakt te worden, inclusief de financiële consequenties

hiervan. Binnen het stelselmatigheidsbeginsel is het ook regel om gelijksoortige posten op de balans op gelijkwaardig wijze te waarderen.

Materialiteitsbeginsel: Binnen het materialiteitsbeginsel hoeft een onderneming alleen informatie te verstrekken wanneer dit van belang is voor de gebruikers van de jaarrekening. Kleine bedragen hebben weinig invloed en hoeven dus niet nader te worden gespecificeerd.

Substance-over-form beginsel: Het substance-over-form beginsel houdt in dat de inhoud van de jaarrekening (economische realiteit – de substance) gaat boven de juridische vorm (de form) van de jaarrekening.

Uit welke onderdelen bestaat een jaarrekening? In de meest uitgebreide vorm bestaat een jaarrekening uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4. 5.

Directieverslag Balans (activa – passiva) Winst-en-verliesrekening (VW) Waarderingsgrondslagen Toelichting op balans en VW

Bovengenoemde onderdelen zijn allen van belang om een gedegen analyse te kunnen maken.

Directieverslag In het directieverslag geeft de directie een toelichting op het afgelopen jaar, de jaarcijfers alsmede een onderbouwde visie op de toekomst. De volgende twee situaties kunnen zich voordoen: er is wel een directieverslag opgenomen in de jaarrekening(en) of er is geen directieverslag opgenomen.

Geen directieverslag Indien het directieverslag niet aanwezig is in een jaarreke-

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


ning, is het de taak van de adviseur om hier in een gesprek met de ondernemer een goed beeld over te vormen. Dit gesprek, en de vastlegging daarvan, kan vervolgens de functie van het directieverslag vervangen. Voor de opbouw van dit gesprek is het raadzaam allereerst de jaarrekeningen te analyseren. Het beeld wat hierbij ontstaat naar verleden, heden en toekomst (indien aanwezig in cijfermateriaal) geeft een goed inzicht in de financiële ontwikkeling. Vervolgens toets je dit beeld aan wat de branchegegevens je vertellen over deze branche en ga je met deze informatie in de hand het gesprek aan met de ondernemer.

Het is tenslotte belangrijk om het geconstateerde en besprokene goed vast te leggen in het adviesdossier. Wij adviseren je hierbij een afschrift van jouw analyse c.q. adviesdossier aan je klant te overhandigen, zodat voor een ieder duidelijk is wat er is besproken.

Directieverslag wel aanwezig

Branchegerelateerde informatie

In de situatie waarin er wel een directieverslag aanwezig is, leg je deze in chronologische volgorde en neem je deze aandachtig door. Door deze vervolgens jaar na jaar te lezen ontstaat er een beeld bij de ontwikkeling van het bedrijf vanuit het oogpunt van de directie. In deze gevallen zal er naar alle waarschijnlijkheid geen directieverslag aanwezig zijn bij prognosecijfers. Daar waar er ook geen toelichting is op welke basis deze zijn gevormd, dient dit in een gesprek met de ondernemer, en eventueel diens accountant, helder te worden.

Tot slot adviseren wij je, vóórdat je het gesprek aangaat inzake de ontwikkelingen van het bedrijf, de ontwikkelingen van de desbetreffende branche tot je te nemen. Zowel op de website van ABN AMRO Bank, Rabobank en ING bank tref je een specifieke branche informatie pagina, waar je met enkele muisklikken de informatie van de betreffende branche op je beeldscherm hebt.

Daarnaast zal in de achtereenvolgende directieverslagen een beeld worden gevormd of, en zo ja in hoeverre, het verwachtingspatroon van de directie reëel is geweest, lees: is uitgekomen. Dit geeft dan een positief of negatief gevoel bij de toekomstverwachtingen en kan derhalve aanleiding zijn om over de toekomstverwachting dieper het gesprek aan te gaan. Het gesprek met de ondernemer aangaande het ‘directieverslagbeeld’ zal dan worden gevoerd aan de hand van het verleden; waarom is een en ander niet conform verwachting uitgekomen? Zijn er meevallers of tegenvallers geweest? Is er tijdig bijgestuurd daar waar de financiële positie door een te positief verwachtingspatroon negatiever is uitgevallen? Hierbij is er in het gesprek een logische verbinding met datgene wat uit het cijfermatige deel is gehaald qua beeld en ontwikkelingen.

Het directieverslag geeft dus een waarde aan de toekomstvisie van het bedrijf. In hoeverre heeft de directie getoond op basis van oude directieverslagen en de daarop gerealiseerde cijfers, of de toenmalige inschatting van de toekomst realistisch was.

Logischerwijs vergelijk je het beeld uit de directieverslagen en/of de gesprekken met de ondernemer met datgene wat algemeen verwacht wordt binnen zijn branche. Daar waar er sprake is van discrepantie tussen het beeld van de ondernemer en die van de algemene branche verwachtingen, bespreek je dit met de ondernemer om zodoende te kunnen onderbouwen waarom zijn specifieke bedrijf een andere ontwikkeling kent dan gebruikelijk in zijn branche. In het kader van risicomanagement is met name het laatste punt belangrijk: hoe reëel is het verwachtingspatroon van de klant, daar waar de branche een afwijkend beeld schetst. Daarnaast kun je in specifieke situaties ook risico’s constateren in het directieverslag, ook wanneer dit gelijk is aan de branche verwachtingen. Het voordeel hierbij is dan wel dat de betreffende ondernemer deze risico’s ook zelf al heeft geconstateerd. Het enige wat dan nog moet plaatsvinden is of deze verwachtingen ook verwerkt zijn in de financiële toekomstverwachting, lees: prognosecijfers. Balans, VW, Toelichting en Waarderingsgrondslagen In de balans staan de bezittingen en hoe deze zijn gefi-

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


nancierd met eigen en vreemd vermogen. Om de waarde van de bezittingen goed in te kunnen schatten is het noodzakelijk te weten hoe deze zijn gewaardeerd, welke methodiek hier is gebruikt. Dit staat beschreven in de waarderingsgrondslagen. Daar waar de balans een optelsom is van alles wat er binnen het bedrijf is gebeurd vanaf de start van het bedrijf, geeft de VW (Winst-en-verliesrekening) het overzicht van inkomsten en uitgaven gedurende een verslagjaar, meestal kalenderjaar. De toelichting op balans en VW geeft tenslotte per post aan uit welke deelposten die bestaat en hoe de waarde totaal tot stand is gekomen per post. In een toelichting staat ook nog interessante informatie over bijvoorbeeld de zekerheden die de bancaire instelling bij het verstrekken van een financiering heeft bedongen. Kortom in de jaarrekening staan veel belangrijke zaken die informatie verschaffen over de financiële positie van het bedrijf en hoe dit tot stand is gekomen. Noodzakelijke informatie om te kunnen bepalen wat een bestendig inkomen van de ondernemer is. In de volgende twee hoofdstukken komen deze afzonderlijke onderdelen uitvoerig aan bod.

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


BALANS EN BALANSPOSTEN In dit hoofdstuk behandel ik de balans en de posten die daarop voorkomen. De balans geeft aan welke bezittingen het bedrijf heeft en hoe deze bezittingen zijn gefinancierd. We noemen dit activa (bezittingen = debet) aan de linkerkant van de balans en passiva (schulden = credit) aan de rechterkant van de balans. De volgorde waarop de bezittingen en schulden zijn gerangschikt op een balansweergave is wettelijk voorgeschreven. Dit betekent dat je in een jaarrekening elke keer eenzelfde opzet ziet. Dit maakt het makkelijker om een en ander te kunnen lezen en beoordelen. Schematisch ziet een balans er als volgt uit:

activa. Bij de fiscale balans worden hierop afschrijvingen en waardeverminderingen verdisconteerd, wat uiteindelijk resulteert in een lagere belastbare winst. Voor kleine rechtspersonen is het toegestaan om fiscale waarderingsgrondslagen toe te passen in de jaarrekening. Let op: je hebt dus commerciële jaarrekeningen, die proberen een reële waarde van de activa weer te geven (actuele waarde) en fiscale jaarrekeningen, die uit gaan van fiscale boekhoudregels (bijvoorbeeld aankoopwaarde pand minus afschrijvingen). De waardering van beide jaarrekeningen is dan anders, omdat deze voor een zelfde bedrijf er heel anders uitzien. Weet dus goed of de jaarrekeningen die je beoordeeld wel of niet commercieel zijn. Het is aan te raden dat het beoordelen van een bedrijf over meerdere jaren op een zelfde grondslag gebeurt; of fiscaal of commercieel. Banken zullen met name kijken naar de fiscale balans, aangezien hierbij de ondernemer van nature geneigd zal zijn de winst zo laag mogelijk te houden en daarmee meer zekerheid biedt voor de bank. Bij de fiscale balans is het belangrijk te weten welke waarderingsgrondslagen worden gehanteerd, lees; op welke manier worden er bijvoorbeeld afschrijvingen op activa toegepast. Deze waarderingsgrondslagen staan bij een goed jaarverslag in de eerste pagina’s vermeld. Bij de beoordeling van een balans en VW is het derhalve raadzaam hier goede notie van te nemen.

Voordat ik inga op de afzonderlijke posten die je hier ziet, eerst nog wat andere zaken. Zo kan de balans die je voor je hebt liggen een commerciële balans zijn of een fiscale balans.

Commerciële en fiscale balans De commerciële balans laat zien hoe het bedrijf er bedrijfseconomisch voor staat. Hierbij wordt er geen rekening gehouden met de fiscale mogelijkheden. De balans die door rechtspersonen moet worden gedeponeerd is de fiscale balans. Bij een fiscale balans wordt er berekend wat de belastbare winst is in enig boekjaar. Deze is daarmee bij uitstek bedoeld voor de fiscus. Het grootste verschil met de commerciële balans is dus de waardebepaling van de

Waarderingsgrondslagen In elk jaarrapport staat vermeld welke waarderingsgrondslagen zijn gebruikt bij de samenstelling van de balansposten en de VW. Om een bepaalde post op de balans te kunnen beoordelen is het daarom zeker aan te raden de waarderingsgrondslagen door te nemen. Hierin staat vermeld op welke manier bijvoorbeeld de vaste activa zijn gewaardeerd, gebruik makende van de afschrijvingsmethodiek waarvoor is gekozen (lineair of degressief op basis van restwaarde en economische levensduur). Ook wordt hierbij vermeld of er bijzondere waardeverminderingen zijn verdisconteerd. Op een zelfde manier wordt tevens beschreven op welke manier de andere posten op balans

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


en VW zijn gewaardeerd. Let op, want in de praktijk kijkt niemand naar de grondslagen, maar vormt zich wel een beeld van de jaarrekening en met name van de jaarrekening en het vermogen. Als je het vermogen bij een eenvoudige jaarrekening bekijkt moet je bijvoorbeeld weten of een pand gewaardeerd is tegen actuele waarde of tegen historische kostprijs, verminderd met afschrijvingen. Als je iets van het resultaat wilt vinden, moet je weten of er wordt afgeschreven (of niet) over actuele waarde of over kostprijs, of er een ondernemersbeloning is opgenomen etc.

Vraag de ondernemer naar de waardebepaling en onderbouwing van de boekhoudkundige (commerciële) waarde van de goodwill en wijs hem er op dat indien deze in realiteit lager is dan de opgenomen waarde, bij de waardering van zijn bedrijf door bijvoorbeeld een bank, gecorrigeerd zal worden. Consequentie hiervan is dan dat de bank een lagere solvabiliteit zal hanteren dan op basis van enkel het eigen vermogen berekend kan worden (zie berekening aansprakelijk vermogen).

Ik behandel nu de afzonderlijke posten die op de balans kunnen voorkomen.

Dit item dient enkel ter bewustwording van de ondernemer, helaas is het niet mogelijk hier iets aan te doen. Jouw taak in deze beperkt zich dan ook tot het bewustmaken van de wijze waarop derden naar de onderneming kijken in geval van overname of financiering.

Immateriële vaste activa

Materiële vaste activa

De meest bekendste soorten immaterieel vaste activa zijn (betaalde) goodwill en kosten van onderzoek en ontwikkeling.

De meest voorkomende materiële vaste activa zijn: bedrijfsgebouwen, machines en installaties en andere vaste bedrijfsmiddelen. De vaste activa kenmerken zich door het niet verbonden zijn, in directe zin, aan de omzet.

De meeste banken kennen de richtlijn om goodwill direct in mindering te brengen op het vermogen. Hierbij is het voor de bank niet van belang of deze goodwill commercieel of fiscaal is. Denk eraan dat er fiscaal aftrekbare goodwill (activa en passiva transactie) en fiscaal niet aftrekbare goodwill (aandelen transacties) bestaan. Op betaalde goodwill mag maximaal 10% per jaar fiscaal worden afgeschreven. Normaal gesproken zal er een lineaire afschrijving plaatsvinden op geactiveerde goodwill. De vraag hierbij is of deze goodwill wel een reële waarde weergeeft. Daar waar de goodwill eigenlijk een hogere waarde betreft dan de actuele boekwaarde kun je niet hiermee de balansposities verbeteren; het ligt namelijk niet in de lijn der verwachting dat deze goodwill te gelde wordt gemaakt (verkocht), hierdoor zou namelijk het bedrijf na verkoop geen operationele waarde meer hebben. Anders is het wanneer de reële waarde lager is dan de boekwaarde, dit zal namelijk zeker in een situatie waarin extra liquiditeit noodzakelijk is ertoe leiden dat een bank (financier) deze goodwill volledig corrigeert.

De gangbare waardering van de vaste activa is op basis van verkrijgingprijs minus de gedane afschrijving, op basis van geschatte economische levensduur. Afschrijvingen kunnen lineair (elk jaar een vast bedrag) of degressief (ieder jaar een vast percentage van de boekwaarde van dat moment) gedaan worden. Dit dient te worden vastgelegd in een zogenaamde afschrijvingsstaat en is onderhevig aan fiscale regels. Pand De waarde van het pand op de balans wordt bepaald aan de hand van verkrijgingsprijs minus de gedane afschrijvingen. Het kan natuurlijk zo zijn dat het pand een hogere waarde heeft dan de fiscale boekwaarde. Afhankelijk van de situatie en de uitkomsten van de diverse ratio’s van het bedrijf, kan het noodzakelijk zijn dat je enkele ratio’s als het ware herberekent. Hierbij verhoog je de waarde van de materieel vaste activa (in dit geval het pand), onder gelijktijdige verhoging van zowel het balanstotaal alsook het eigen vermogen. De verhoging van het eigen vermogen dient dan nog wel gecorrigeerd te

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


worden met de belastingdruk die ontstaat indien het pand daadwerkelijk voor een hogere waarde dan de huidige boekwaarde op de balans wordt opgenomen. Veiligheidshalve neem je 25% van de verhoging op onder de post voorzieningen latente belastingen. Je neemt een latente belastingdruk van 25% op, uitgaande van een winst die boven de € 200.000 ligt. Zou de winst aantoonbaar minder zijn dan die € 200.000, waarbij je de meerwaarde van het pand meeneemt in deze winst, dan zou een percentage van 20% afdoende zijn. Om hierin geen risico te nemen is 25% fiscale druk aan te raden. Door dit te doen wordt de solvabiliteit eigen vermogen en aansprakelijk vermogen beter en kan er voor zorgen dat de financiële haalbaarheid van het product wordt gerealiseerd. Ter onderbouwing van de reële waarde gebruik je een taxatierapport, of WOZ bepaling, wees voorzichtig om dit te doen uitsluitend op basis van eigen inschatting of inschatting van de ondernemer zelf. Het omgekeerde kan uiteraard ook spelen; een lagere reële waarde dan de opgenomen boekwaarde. Zeker daar waar de onroerend goed markt een dalende tendens vertoont, kan dit spelen. In dit geval wijs je de ondernemer op dit gevaar, je zorgt er daarmee voor dat hij zich niet “rijk rekent”.

Financiële vaste activa De financiële vaste activa betreffen in de regel deelnames in andere (groeps) maatschappijen of effecten en langdurige vorderingen. De waardering hiervan is op basis van netto vermogenswaarde (bij overwegende zeggenschap) of nominale waarde (verkrijgingprijs). Het grote verschil is dat waardeveranderingen (bijvoorbeeld jaarlijkse winst) bij de netto vermogenswaarde wel worden meegenomen en bij verkrijgingprijs niet. De deelnemingen in andere bedrijven geven richting de eigen vermogenspositie een verbetering c.q. verslechtering. De vraag is echter in hoeverre de resultaten van de deelneming daadwerkelijk een financiële overboeking tot gevolg hebben. Daarnaast dien je hierbij te kijken naar de waarderingsgrondslagen die hierbij gebruikt worden (afhankelijk van deelnemingspercentage). Daar waar er

sprake is van een negatief resultaat in de deelname is de volgende vraag aan de ondernemer legitiem: hoe financiert het onderliggende bedrijf zijn noodzakelijke liquiditeit? Wordt hierbij verwacht dat aandeelhouders (in casu het bedrijf welke je beoordeelt) hier liquiditeit beschikbaar stellen in de vorm van een lening (al dan niet in rekening courant verhouding)? Indien in dat geval op de tweede vraag bevestigend wordt geantwoord, moet je je afvragen of de verstrekte lening wel terugbetaald kan worden en zo niet of je deze lening in dat geval als oninbaar dient te bestempelen. De risico’s liggen dan op het vlak van de noodzakelijke liquiditeit van de dochteronderneming, te financieren door de aandeelhouders, waardoor de liquiditeitspositie van de aandeelhouder onder druk komt te staan. Daarnaast speelt dan ook het risico dat de aandeelhouder zijn geïnvesteerde vermogen (in de vorm van lening of rekening courant verhouding) wel terug krijgt. Daar waar deze liquiditeit verstrekt is in de vorm van een lening u/g (uitgeleend geld, opgenomen bij de financieel vaste activa) heeft dit geen directe consequenties op de liquiditeitspositie van de onderneming, anders dan de gedane storting. Indien deze liquiditeit is verstrekt in een rekening courant verhouding, en dus onderdeel uitmaakt van de vlottende activa, dan is bij een hoog risico van niet terug kunnen krijgen van deze liquiditeit het aan te raden om deze positie te elimineren uit de vlottende activa (lees: als oninbaar aan te merken), waardoor zowel de current als ook de quick ratio zal dalen (voor uitleg current en quick ratio zie hoofdstuk financiële ratio’s). Het verdient aanbeveling de ondernemer te vragen welke afspraken en zekerheden inzake het verstrekte bedrag aan dochteronderneming zijn vastgelegd. Fiscaal gezien is het raadzaam voor de onderneming hier een zakelijke positie in te nemen (lees: zekerheden, rentepercentage en aflossingsschema), zodat bij het eventueel niet meer terug kunnen krijgen van de lening, deze kan worden afgetrokken van de winst. Tot slot nog dit: je mag de financiële deelneming opnemen op de balans met de daadwerkelijke waarde (intrinsiek) of nominale waarde. Bij het opnemen tegen nominale

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


waarde wijzigt deze waarde niet door winsten of verliezen van de deelneming. Bij intrinsieke waarde wordt in de Winst-en-verliesrekening de nettowinst horende bij het aandeel opgenomen en zorgt ervoor dat de waarde op de balans hoger wordt, of dat deze hetzelfde blijft in de situatie dat dochterbedrijf het aandeel in de winst daadwerkelijk overboekt. Bij verlies betekent dit dan dat het verlies in mindering gebracht wordt op de nettowinst na belasting en daarmee in het vermogen terecht komt. In dit laatste geval, zo heeft de rechter besloten, loopt de moeder het risico aansprakelijk gesteld te worden voor de verliezen van de dochter, een risico welke je natuurlijk niet wilt lopen. Doordat hier nu jurisprudentie over bestaat dat dit risico daadwerkelijk aanwezig is, heeft ertoe geleid dat veel accountants de financiële deelneming op nominale, lees verkrijgingsprijs, op de balans opnemen.

Vlottende activa: voorraad De voorraden van een bedrijf bestaan uit de goederen die bij verkoop leiden tot de bedrijfsomzet. Deze voorraden worden in de balans opgenomen tegen (historische) kostprijs. Bij einde boekjaar worden de voorraden normaal gesproken geteld en gewaardeerd tegen de kostprijs op de balans. Een eventueel voorraadverschil (bijvoorbeeld door diefstal) en mogelijke incourantheid worden ten laste van het resultaat gebracht middels het treffen van een voorziening. Mocht uiteindelijk blijken dat de incourantheid van de voorraad incorrect was, dan valt deze voorziening weer vrij bij definitieve verkoop van de voorraad. Bij de beoordeling van de balans is de post voorraad een van de zaken waar specifiek naar gekeken wordt. Hierbij wordt enerzijds de omloopsnelheid berekend en anderzijds gekeken of de waardering van de voorraad realistisch is geweest, aangezien dit direct invloed heeft op het resultaat van het bedrijf (zie ook waarderingsgrondslagen 3.2.). De meest gebruikte manieren om voorraad op de balans te waarderen zijn:

1. FIFO methodiek 2. LIFO methodiek 3. Gewogen gemiddelde methodiek FIFO De meest voorkomende methodiek is de FIFO (First In First Out). Hierbij wordt er boekhoudkundig vanuit gegaan dat de oudste voorraad het eerst verkocht wordt. Er wordt gekeken naar de oudste inkoopfactuur, voor zover hier nog voorraad van aanwezig is, vervolgens de op een na oudste factuur etc. Door gebruik van deze methodiek kan het dus zijn dat de inkoopwaarde varieert in hoogte, zelfs bij één uit te leveren order. Een en ander staat overigens geheel los van het feit of een oude voorraad daadwerkelijk eerst wordt verkocht, de waarderingsmethodiek is namelijk een puur boekhoudkundige berekening. Een hierop lijkende methodiek is die van FEFO (First Expiry First Out) waarbij die voorraad het eerst verkocht wordt die het dichtst bij haar houdbaarheidsdatum ligt, voor een gezonde bedrijfsvoering op zich een logische manier als dit ook daadwerkelijk zo gebeurt. De FIFO methodiek wordt het meest gebruikt. LIFO Een minder gebruikelijke methodiek is de LIFO (Last In First Out). Hierbij wordt in tegenstelling tot de FIFO methodiek de inkoop gewaardeerd tegen de meest recente inkoopprijs, en mocht deze voorraad boekhoudkundig “op” zijn, tegen de daarvoor liggende inkoopprijs. Zowel de FIFO als ook de LIFO methodiek heeft derhalve te maken met (sterk) fluctuerende inkoopprijzen en vergt in feite bij elke order een aparte berekening. Gewogen gemiddelde Bij de waardering tegen het gewogen gemiddelde wordt er over een bepaalde periode berekend wat de gemiddelde kostprijs is geweest van de voorraad. Het woordje gewogen in deze methodiek houdt in dat naast de kostprijs per voorraad product meegewogen wordt hoeveel hiervan op voorraad is. Middels deze methodiek is er minder fluctua-

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


tie van de inkoopwaarde per product. Uiteindelijk zal er geen verschil zijn in de marge die wordt gemaakt onafhankelijk van welke waarderingsgrondslag voor de voorraad gebruikt wordt, echter kunnen er wel (grote) verschillen zijn per methode die gebruikt wordt. De behaalde brutomarge is namelijk afhankelijk van de inkoopwaarde van de omzet en wordt direct beïnvloed door de manier van waarderen. Het is dus belangrijk om de waarderingsgrondslagen hierbij te weten (LIFO, FIFO, gemiddelde waarde), maar ook in gesprek met de ondernemer te bepalen, of in de voorraadpositie een bepaalde mate van incourantheid aanwezig is. Uiteraard wordt middels de financiële ratio: Quick Ratio, de liquiditeitspositie bepaald, zonder hierin de voorraadpositie mee te nemen, echter om hierbij een goed gevoel te krijgen is bovenstaande wel degelijk van belang. Voor uitleg van de quick ratio zie hoofdstuk financiële ratio’s. Afhankelijk van het soort bedrijf is de voorraad ook onderhevig aan waardeschommelingen. Indien dit speelt is het belangrijk te bepalen wat de omlooptijd van de voorraad is. Middels deze rekensom bepaal je hoeveel voorraad er gemiddeld in de onderneming aanwezig is in vergelijk tot datgene wat op basis van de jaaromzet noodzakelijk is. De uitkomst hiervan, in een factor die aangeeft hoeveel keer de gemiddelde voorraadpositie noodzakelijk is om de jaaromzet te kunnen genereren, geeft dan omgerekend aan hoe lang de onderneming op de gemiddelde voorraad kan draaien. Is de uitkomst dan bijvoorbeeld 4, dan betekent dit dat 12/4 = 3 maanden voorraad aanwezig is. Je begrijpt dat een voorraad voor een langere periode risico’s met zich mee brengt. Zeker in het geval van waardeschommelingen loopt de onderneming een bedrijfsmatig risico, welke niet tot de normale bedrijfsvoering behoort. Daarnaast slokt een grote voorraadpositie ook liquide middelen op, die vervolgens niet gebruikt kunnen worden om crediteuren of andere schulden te betalen. Dit is dan ook de reden dat naast de current ratio ook de quick ratio van belang is om de liquiditeitspositie van een onderneming te kunnen beoordelen. Indien door bovenstaande situatie blijkt dat de liquiditeit-

spositie van de onderneming onder druk staat, kan de onderneming dit vrij gemakkelijk oplossen door het beleid te wijzigen aangaande de inkoop van voorraad. Het argument dat bij grotere inkoop een scherpere prijs kan worden bedongen snijdt slechts in zeer beperkte mate hout. Ook het op voorraad houden van voorraad kost geld (opslag, rente, waardeschommelingen, niet tijdig kunnen betalen van crediteuren en andere schuldeisers, etc.). Ik adviseer je dan ook dit met de ondernemer te bespreken en hem inzichtelijk te maken wat de consequenties van een hoge voorraadpositie zijn.

Vlottende activa: onderhanden werk Bij langdurige projecten is het gebruikelijk dat er nog werk in uitvoering is per balansdatum. Indien er werkzaamheden zijn verricht, echter de factuur hiervoor nog niet verstuurd is, spreken we over onderhanden werk (mits hiervoor een opdracht is gegeven). Indien er meer gefactureerd is dan dat er aan werk is geleverd (vooruit betaald), vallen deze nota’s onder kortlopende schulden in plaats van onder de bezittingen van het bedrijf: je moet tenslotte nog presteren voordat je wettelijk recht hebt op dit geld. Ook deze post bevat een groot risico op resultaat manipulatie. Voor de positie onderhanden werk dient een projectadministratie aanwezig te zijn.

Vlottende activa: debiteuren Bij de beoordeling van de post debiteuren dien je naar een aantal zaken te kijken. Een van deze zaken is of er in deze post een afwaardering heeft plaatsgevonden inzake dubieusheid van enkele debiteuren. De vraag is hierbij of dit voldoende reëel is gedaan. Bij de berekening van de debiteuren omloopsnelheid wordt op basis van de balanswaarde een gemiddelde berekend. Dit gemiddelde kan echter bestaan uit deels zeer korte termijnen en deels zeer lange termijnen. Om hier achter te komen zou u in feite een uitdraai van de post debiteuren moeten kunnen inkijken (30-60-90 dagen overzicht). De vraag is of je deze specificatie ter beschikking hebt c.q. krijgt. Indien dit niet ter beschikking staat vraag je de ondernemer of er wellicht debiteuren zijn waarvan de factuurdatum al lang zijn

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


verstreken en of er een kans bestaat dat deze gelden niet meer binnen komen. Het risico van een te hoge boekhoudkundige debiteurenpositie, lees: te weinig in voorziening dubieus gezet, is dat jouw beoordeling van zowel de current als de quick ratio op een verkeerde uitgangspositie is gebaseerd. Gezien het belang van deze ratio’s verdient dit extra aandacht. Voor een goed beeld zou het dan ook beter zijn wanneer in de cijfers een reële correctie plaatsvindt van deze post (door de accountant), zodat de liquiditeitsbepaling van het bedrijf op een zuivere manier plaatsvindt.

Vlottende activa: RC directie De balanspost rekening courant directie kan zowel aan activa- als passivazijde voorkomen. Indien deze post bij de activa onder vlottende activa is opgenomen, betekent dit dat de onderneming een vordering heeft op betreffend directielid. Hierbij is er dus sprake van het feit dat de directie meer heeft opgenomen uit de onderneming dan datgene waar hij recht op heeft. Deze post wordt door de fiscus nauwlettend in de gaten gehouden. Een jaar in jaar uit oplopend saldo kan door de fiscus worden aangemerkt als netto inkomen met alle fiscale gevolgen van dien (progressieve IB belasting). Meestal zal er in de balans sprake zijn van een op activazijde opgenomen rekening courant directie, echter in sommige gevallen komt deze post ook wel eens voor op de passivazijde. Hierbij is er dan sprake van een vordering vanuit de directie op de onderneming. Bij de beoordeling van een onderneming door bijvoorbeeld een bank, zal de activa RC een negatief gevolg hebben voor de solvabiliteitspositie en de passiva RC een positieve.

Vlottende activa: overige vorderingen en overlopende activa Bij de overige vorderingen kom je posten tegen als vorderingen op de fiscus (bijvoorbeeld BTW vorderingen). De overlopende posten zijn posten die al wel opgenomen zijn echter behoren tot een volgend boekjaar. Dit kan bijvoorbeeld splelen bij langdurige opdrachten die het fiscale jaar overstijgen.

Liquide middelen Na de totaaltelling van de vlottende activa komen we op de actief-zijde van de balans als laatste de post liquide middelen tegen. Op de balanspost liquide middelen worden alle saldi opgenomen van kas en bankrekeningen, waarbij er tevens wordt vermeld in hoeverre deze saldi al dan niet vrijelijk ter beschikking staan. Indien het totale saldo uiteindelijk negatief is, dan wordt deze niet onder liquide middelen opgenomen maar normaal gesproken onder de kortlopende schulden aan passivazijde van de balans. Ondanks dat de liquide middelen post apart wordt opgenomen op de balans, behoort deze wel tot het totaal van de vlottende activa. Bij het berekenen van diverse (liquiditeits)ratio’s waarbij de vlottende activa onderdeel zijn van de berekening, dien je dus de post liquide middelen hierin mee te nemen.

Eigen vermogen De passiva balanspost eigen vermogen is afhankelijk van de gekozen rechtsvorm. Zo is het eigen vermogen bij een niet rechtspersoon (eenmanszaak, VOF, CV of Maatschap) kapitaal, gesplitst opgenomen per vennoot of maat. Het eigen vermogen van een rechtspersoon bestaat uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4. 5.

gestort en opgevraagd kapitaal agio of diagio reserve herwaarderingsreserve wettelijke en statutaire reserves overige reserves en onverdeelde winst (nog ter beoordeling van de AVA)

De achtereenvolgende eigen vermogensposities van rechtsperosnen dienen te worden bekeken in relatie tot de netto winst na Vpb. Indien hier sprake is van dividenduitkeringen kan dit tot gevolg hebben dat de belangrijke ratio’s solvabiliteit en liquiditeit onder druk komen te staan. Het verdient dan ook aanbeveling om bij elke beoordeling na te gaan of er sprake is geweest van dividenduitkerin-

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


gen en wat de financiële positie zou zijn geweest indien deze niet was uitgekeerd. Daar waar er sprake is van een al dan niet actief dividendbeleid binnen de onderneming, kun je in voorkomende gevallen dit gebruiken om een onderbouwing te geven waarom je van mening bent dat een niet aan de norm voldoen van de solvabiliteit en/of liquiditeit dit toch als acceptabel beoordeeld dient te worden, aangezien dit een gevolg is geweest van die dividend uitkering(en). Je zult begrijpen dat een situatie van niet voldoen aan bijvoorbeeld een solvabiliteit norm door het uitkeren van gemaakte winst middels dividend heel anders voelt dan wanneer dit is gekomen door een verlieslatende exploitatie. Het gevolg van een dividenduitkering is dat volgende balansposten worden verminderd met de bruto dividenduitkering: 1. liquide middelen 2. balanstotaal 3. eigen vermogen Door deze verlaging zullen de liquiditeitsratio’s (current, quick en netto werkkapitaal) en de solvabiliteitsratio’s (eigen vermogen en aansprakelijk vermogen) dalen. Of er sprake is geweest van dividend uitkeringen bepaal je vrij eenvoudig als volgt: eigen vermogen (y) = eigen vermogen (y-1) + winst na belasting (y) - uitgekeerd dividend Jouw advies aan de ondernemer zou dan moeten zijn om bij het uitkeren van dividend rekening te houden met de solvabiliteit en liquiditeit positie van het bedrijf, welke met een dividenduitkering beide dalen. In extreme vorm kan dit zelfs leiden tot een continuïteitsgevaar voor de onderneming. Met het nieuwe BV-recht (ingegaan 1 oktober 2012) loopt de ondernemer daarnaast nog het liquiditeitsrisico, beoordeeld in de liquiditeitstoets (zie hoofdstuk 1 Rechtsvormen). Ook in een situatie waar geen sprake is geweest van di-

videnduitkeringen kan de eigen vermogenspositie aanleiding geven tot bedrijfsrisico’s. Een lage eigen vermogenspositie ten opzichte van het aanwezige balanstotaal geeft een lage solvabiliteit eigen vermogen, waardoor tegenslagen minder goed opgevangen kunnen worden. Uiteindelijk zal dit dan kunnen leiden tot faillissement van het bedrijf, met alle gevolgen van dien. Wat kan de ondernemer hier aan doen? In het geval van dividend onttrekkingen is het antwoord vrij simpel: even wachten met dividend uitkeringen of in ieder geval niet meer uitkeren dan mogelijk is op basis van liquiditeit en solvabiliteit. Indien er geen dividend uitkeringen hebben plaats gevonden is het antwoord helaas niet zo simpel. Uiteindelijk wordt de positie in dit geval bepaald door de vorming van de post overige reserves; een optelsom van de winsten na belasting van afgelopen jaren. Bij verlieslatendheid over meerdere jaren zal deze post zelfs er voor kunnen zorgen dat het eigen vermogen als totaal ook negatief is. Deze situatie zal in de meeste gevallen leiden tot een faillissement. Het enige dat de ondernemer dan kan doen is zeer strak letten op alle kosten en te snijden daar waar mogelijk in die posten die niet direct consequenties hebben voor de operationele gang van zaken. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan de eventueel aanwezige flexibele arbeidsschil, het later vervangen van vaste activa door nieuwe, strakke budgettering met betrekking tot alle kostensoorten en hiervoor draagvlak creëren binnen de onderneming zodat deze ook gehandhaafd worden. Kan er niet verder worden bezuinigd, dan rest enkel nog een omzet- of bruto marge verhoging. De vraag die je hierbij kunt stellen is of dit enerzijds op korte termijn wel mogelijk is en anderzijds of hier geen extra kosten mee gepaard gaan (bijvoorbeeld extra personeel in de sales afdeling).

Agio en disagio Een agioreserve (of disagio) ontstaat wanneer er een aandelenemissie (aandelenuitgifte) is gedaan tegen een waarde die boven (of onder) de nominale waarde ligt (boven of onder pari). De meerwaarde boven de nominale waarde wordt dan vervolgens onder de post agioreserve

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


opgenomen. Bij disagio werkt dit precies andersom; er wordt dan minder dan nominaal betaald.

Aansprakelijk vermogen Naast het eigen vermogen wordt door een bank ook vaak gekeken naar het aansprakelijk vermogen (ook wel garantievermogen genoemd) van een bedrijf. Hierbij wordt er berekend wat de buffer is bij een eventueel faillissement. De meeste banken berekenen het aansprakelijk vermogen door bij het totaal eigen vermogen de volgende posten op te tellen: • • • •

voorzieningen pensioen eigen beheer / stamrechtverplichtingen; voorzieningen latente belastingen; achtergestelde leningen; rekening courant directie aan passief zijde van de balans.

Vervolgens worden er mogelijk twee activa posten afgetrokken van dit bedrag: • •

goodwill; rekening courant directie aan actief zijde van balans.

Het bedrag wat dan is gevormd noemen we het aansprakelijk (buffer) vermogen.

Voorzieningen De volgende posten worden opgenomen onder de balanspost voorzieningen: pensioenen eigen beheer en stamrechtverplichtingen, latente belastingen en overige voorzieningen. Voorzieningen kunnen slechts worden opgevoerd indien er sprake is van een reële verplichting, waarvan de oorzaak in het betreffende boekjaar ligt en de hoogte redelijkerwijs in te schatten/onderbouwen is. Indien niet aan die voorwaarden kan worden voldaan, mag betreffende verplichting niet onder voorzieningen worden opgenomen.

Voorziening pensioen binnen bedrijf Op de passivazijde van de balans zul je regelmatig de

voorziening pensioen tegenkomen. Er is hierbij een groot verschil tussen natuurlijke personen en rechtspersonen. Deze post op de balans verdient altijd extra aandacht, gezien met name de fiscale risico’s die aan deze post zijn verbonden.

Voorziening pensioen voor natuurlijke rechtspersonen Op de fiscale balans staat deze post onder het kopje OR (Oudedagsreserve en betreft pensioen van de ondernemer) en is een fiscaal vriendelijke manier om te sparen voor een oudedagsvoorziening. De hoogte van de dotatie die je elk jaar hierbij kunt doen is gebonden aan fiscale regels (zie hoofdstuk 1 rechtsvormen). Deze voorziening is in tegenstelling tot het pensioen in eigen beheer bij rechtspersonen vormvrij. Dit houdt in dat er geen pensioenovereenkomst (vroeger pensioenbrief) aanwezig hoeft te zijn, waarin is geregeld wat er aan pensioen ten opzichte van inkomen opgebouwd wordt, welk nabestaanden en wezenpensioen er toegezegd is en of er een arbeidsongeschiktheid clausule is opgenomen. Op het moment dat de ondernemer komt te overlijden, zal de OR tot uitkering moeten komen middels het aankopen van een verzekering die het pensioen richting nabestaande uitkeert, c.q. bij bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd het pensioen voor de ondernemer verzorgt. Belangrijk hierbij is wel dat het opgebouwde bedrag in de OR ook daadwerkelijk binnen het bedrijf aanwezig is. Een ander voordeel van de OR ten opzichte van het pensioen eigen beheer bij rechtspersonen is dat deze in principe makkelijker kan vrijvallen in de winst. Hierbij dien je dan overigens wel rekening mee te houden dat er fiscaal dient te worden afgerekend.

Voorziening pensioen voor rechtspersonen Bij een rechtspersoon heet deze voorziening pensioen in eigen beheer (betreft DGA met minimaal 10% aandelen). Daar waar bij natuurlijke personen de dotatie gebonden is aan fiscale regels in verhouding tot de gemaakte winst en het aanwezige vermogen, staat bij een rechtspersoon de

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


dotatie in relatie tot het genoten bruto loon. Er bestaan grote verschillen tussen een pensioen in eigen beheer op basis van fiscale regels of op basis van commerciële regels. De commerciële waardering benadert het reële bedrag dat nodig is als “pensioenpot”. De fiscale waardering is slechts een aftrekfaciliteit en zegt weinig over de reële waarde. Kleine rechtspersonen mogen pensioen in eigen beheer fiscaal waarderen, waardoor het eigen vermogen te hoog wordt gepresenteerd. Bij een pensioen eigen beheer dient er een zogenaamde pensioenovereenkomst getekend aanwezig te zijn. In deze overeenkomst (harde toezegging) wordt het toegezegde pensioen beschreven: • • •

hoeveel pensioen er jaarlijks wordt opgebouwd ten opzichte van genoten bruto loon; is er een weduwe- en wezenpensioen; is er een nabestaande overbruggingspensioen (bij overlijden van de ondernemer voor pensioengerechtigde leeftijd); is er een arbeidsongeschiktheidspensioen opgenomen.

Op het moment dat de pensioentoezegging tot uitkering dient te komen dient deze pensioenovereenkomst overlegd te worden aan de fiscus. De benodigde gelden dienen dan ook aanwezig te zijn om hiertoe de pensioenuitkering te kunnen aankopen. Vaak is dit echter niet het geval. Indien het bedrijf op moment dat er een uitkering dient te komen dit geld niet heeft, vervalt daarmee in principe de gehele pensioentoezegging en kan ook het wel aanwezige geld niet omgezet worden in een pensioenregeling. Het dan vrijvallende geld uit de voorziening wordt dan in de zwaarste IB categorie belast met daarbovenop een boete (revisierente) voor het in feite oneigenlijke gebruik van de voorziening. Bovenstaand geval komt met name voor in de situatie dat de betreffende ondernemer overlijdt voor pensioendatum en er een weduwe/wezen pensioentoezegging is gedaan. Het op dat moment financieren van deze toezegging zal een forse storting vergen die in de meeste gevallen niet aanwezig zal zijn. Ook in het geval dat de ondernemer de pensioenleeftijd

wel haalt zou dit probleem zich kunnen voordoen. Pensioenopbouw geschiedt aan de hand van een bepaald opbouwpercentage over het bruto loon, de waarde hiervan is als voorziening op de balans opgenomen. Op pensioendatum is een bepaalde pensioenuitkering opgebouwd, die niet kan worden verlaagd. Kan dit pensioen niet worden uitgekeerd doordat er te weinig geld is, dan geldt eveneens de zware fiscale sanctie zoals hierboven genoemd. Om te kunnen beoordelen of de ondernemer hier een risico loopt is derhalve inzage noodzakelijk in de pensioenovereenkomst. De hierbij aanwezige risico’s kunnen overigens vrij eenvoudig afgedekt worden met bijvoorbeeld een door het bedrijf te sluiten overlijdensrisicoverzekering. Bij de post voorziening pensioen c.q. stamrecht verplichting is specifieke pensioenkennis noodzakelijk van de pensioenadviseur. Met name moet er worden bekeken of de verplichtingen zijn afgedekt en of er voldoende wordt gedaan aan liquiditeitsvorming om het benodigde kapitaal uiteindelijk bij elkaar “gespaard” te hebben. Is er sprake van een rechtspersoon, waar de post voorziening pensioen eigen beheer niet vormvrij is, dan ligt hier een potentieel groter risico dan bij een OR voorziening bij een natuurlijk rechtspersoon. In 2017-2018-2019 kan de ondernemer er voor kiezen om de voorziening pensioen eigen beheer af te kopen of olm te zetten naar een oudedagsverplichting. Verder opbouwen van de voorziening pensioen eigen beheer is niet meer mogelijk. Hoe dit precies werkt en wat er dan aan fiscale consequenties zijn is specialistenwerk. Raadpleeg dan ook hiervoor een pensioendeskundige.

Voorziening voor latente belastingen De bekendste vorm van een voorziening voor latente belasting wordt gevormd na herwaardering van onroerende goederen. In de praktijk varieert deze latente verplichting bij een vennootschap tussen 0 en 25%. Dit lees je terug in de waarderingsgrondslagen. Hoe lager het percentage, des te meer vermogen is toegerekend aan het eigen vermogen. Hoe werkt dit nu? Stel een bedrijfspand staat op de balans tegen een boek-

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


waarde van € 100.000. De (aantoonbare) waarde van dit pand is echter € 500.000, oftewel € 400.000 meer dan de opgenome boekwaarde. Om aan een derde (bijvoorbeeld bank) inzichtelijk te maken dat het bedrijf meer waarde aan bezittingen heeft dan de (fiscale) balans aangeeft, wordt de boekwaarde van het bedrijfspand op de realistische echte waarde aangegeven. De consequentie hiervan is dat hiermee de balanstotaal waarde ook € 400.000 stijgt en er dus aan passief zijde van de balans ook een meerwaarde ontstaat van € 400.000. Deze meerwaarde zou zonder dat daarvoor fiscaal moet worden afgerekend terecht komen in de eigen vermogenspositie, maar wordt deze herwaardering ook daadwerkelijk fiscaal gedaan, dan betekent dit een winst van € 400.000 waarover een Vpb tarief moet worden betaald van 20% tot 25% (indien hier geen verekenbare verliezen aanwezig zijn). Om nu te laten zien wat de daadwerkelijke vermeerdering van de eigen vermogenspositie is, schrijven we van de meerwaarde bijvoorbeeld 25% (in dat geval maakt het bedrijf bestendig meer winst dan € 200.000) op de post latente belastingplicht, een belastingdruk die ontstaat als de meerwaarde fiscaal wordt verantwoord. Wat kun jij hier nu mee als adviseur? Stel bij de beoordeling van een post ontdek je dat de verhouding tussen eigen vermogen en balanstotaal (solvabiliteit eigen vermogen) niet voldoet aan de norm die de betreffende bank stelt, maar er is een aantoonbare meerwaarde aanwezig (stille reserve) op het bedrijfspand, dan kun je hier dus redeneren dat deze waarde ertoe leidt dat het eigen vermogen toeneemt met deze meerwaarde minus latente belastingplicht, onder gelijktijdige toename voor het gehele bedrag van het balanstotaal. Wanneer je dan de verhouding opnieuw uitrekent zul je zien dat deze zich verbetert ten opzichte van daarvoor en er dus in feite sprake is van een op dit vlak gezond financieel bedrijf.

Langlopende schulden Het verschil tussen langlopende en kortlopende schulden zit in de looptijd welke de betreffende schuld kent. Het deel van de schuld dat een langere looptijd kent dan 1 jaar wordt als langlopend aangemerkt, het deel wat een looptijd kent van korter dan een jaar kortlopend.

Bovenstaande impliceert dat de aflossingsverplichting gedurende het jaar volgend op de balansdatum dus als kortlopend wordt aangemerkt. Naast de splitsing in kort of lang wordt in de balans tevens vermelding gemaakt daar waar de looptijd langer is dan 5 jaar (middellange lening) en worden de aflossingsverplichting en rentepercentage opgenomen (zie toelichting in jaarrapport bij deze passiva post). In de praktijk komt vaak voor dat langlopende schulden als kortlopend worden gepresenteerd, waardoor liquiditeit ratio’s en bijvoorbeeld de inschatting van “technisch failliet” verkeerde signalen opleveren. Bijvoorbeeld een rekening courant schuld aan een moeder of aandeelhouder zal in de praktijk niet kortlopend zijn, maar op basis van de titel RC onder kortlopend worden gerubriceerd. Daarnaast is het bij groepsmaatschappijen van belang of het opeisbare schulden zijn of dat de schulden in werkelijkheid een achtergesteld karakter dragen. Als adviseur is het van wezenlijk belang te weten of een langlopende of kortlopende schuldpositie een achtergesteld karakter kent. Daar waar een schuld een achtergesteld karakter kent (meestal van gelieerde onderneming of eigenaar) geeft dit meer ademruimte in liquiditeit en solvabiliteit. Komt het namelijk in een bepaald jaar niet uit dat rente en aflossing wordt betaald op deze achtergestelde schuld, dan kunnen die naar een volgend jaar worden geschoven. Dit kan dus een goede onderbouwing opleveren in die situaties dat een solvabiliteit of liquiditeit ratio niet aan de norm voldoet die de betreffende bank hanteert in de beoordeling.

Kortlopende schulden: crediteuren Daar waar op de actiefzijde van de balans de post debiteuren staat (personen en bedrijven die de onderneming hun factuur nog moeten betalen) staat aan passiefzijde de post crediteuren. Hier is het een optelsom van alle nog openstaande facturen die het bedrijf aan derden moet betalen. Net als de post debiteuren is ook deze post als bedrag inclusief BTW. Met het oplopen van de gemiddelde crediteurentermijn kan een bedrijf zichzelf (deels) financieren. Je begrijpt dat je dit niet te lang en te vaak kunt doen, de crediteuren zullen dit (vaak) niet accepteren.

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


Kortlopende schulden: aflossingsverplichtingen Kortlopende schulden kenmerken zich door een looptijd die korter is dan 1 jaar. Dit houdt dus in dat de aflossingsverplichtingen van een langlopende schuld die komende 12 maanden dient te worden betaald, opgenomen worden bij kortlopende schulden onder de titel aflossingsverplichtingen. Ter verduidelijking een voorbeeld: stel een bedrijf sluit een langlopende lening van € 400.000 met een aflossingsschema van 10 jaar lineair, maandelijks te betalen. Bij het begin van deze lening wordt de lening op de balans opgenomen met een bedrag van € 360.000 als langlopende schuld en € 40.000 als kortlopend deel van die langlopende schuld: de aflossingsverplichting komende 12 maanden. Een balanspositie van bijvoorbeeld 6 maanden later (tussentijds) laat dan een langlopende schuld zien van € 340.000 en wederom € 40.000 aan kortlopend deel (er is tenslotte al € 20.000 afgelost). Het kortlopende deel wijzigt dus gedurende een jaar niet, er wordt namelijk altijd vanaf datum opmaak balans gekeken wat het kortlopende deel is voor de 12 maanden volgend op die balansdatum.

Balanstotaal Tot slot van dit hoofdstuk het balanstotaal. Zoals het woord al zegt dient dit bedrag in “balans” te zijn, oftewel het totaal aan bezittingen/activa dient gelijk te zijn aan het totaal aan schulden/passiva. Dit betekent dus ook dat een waardewijziging aan de bezittingen kant een direct gevolg heeft voor het balanstotaal en dat deze waardewijziging dus ook aan de schulden kant gevolgen heeft. In diverse kengetallen of ratio’s ter beoordeling van de financiële positie van het bedrijf komt het balanstotaal in de berekening voor. Het balanstotaal kan dan ook het totaal aan bezittingen of het totaal aan schulden genoemd worden, we spreken dan steeds over hetzelfde bedrag. Met het balanstotaal is dit hoofdstuk aan haar einde gekomen. Je hebt geleerd hoe een balans in elkaar zit en tot stand komt. Wat de werking is van de diverse posten die op een balans kunnen voorkomen en waar je specifiek wat nader naar moet kijken op een balans om daarmee nog beter een beoordeling en onderbouwing te kunnen doen. In het volgende hoofdstuk gaan we nader in op de Winst-en-verliesrekening.

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


WINST-EN-VERLIESREKENING (VW)

In het vorige hoofdstuk heb ik balans en de daarop voorkomende posten behandeld. De balans geeft een beeld van de financiële positie van het bedrijf welke is opgebouwd uit alles wat er is gebeurd vanaf de start van het betreffende bedrijf. Het is weliswaar een momentopname, maar wel een die beïnvloed is door alles wat er in het verleden is gebeurd. Dit in tegenstelling tot de Winst-en-verliesrekening (afgekort VW). Deze opstelling geeft aan wat de opbrengsten en kosten zijn geweest binnen de periode van een (fiscaal) boekjaar. De VW, resultatenrekening, staat van baten en lasten of exploitatierekening maakt onderdeel uit van de jaarrekening. De enkelvoudige VW geeft het resultaat weer van één entiteit over een bepaalde periode (meestal boekjaar). Het saldo van de VW over deze periode is de winst (positief saldo) of verlies (negatief saldo), welke het bedrijf in de periode behaald heeft. Indien de VW meerdere entiteiten betreft (veelal in een fiscale eenheid) dan spreken we over een geconsolideerde VW. Het grote verschil tussen de VW en de balans is dus dat in de balans het hele verleden van het bedrijf te zien is, terwijl de VW het bedrijf toont zoals dit het afgelopen jaar heeft gedraaid. Hierdoor is de VW een belangrijk onderdeel voor de financieringsmaatschappij, naast de balansposities en de diverse financiële ratio’s die we daaruit kunnen afleiden en beoordelen. Meerdere VW naast elkaar van opeenvolgende jaren kunnen meer inzage verschaffen in de ontwikkeling van bijvoorbeeld behaalde marge per product, omzetontwikkeling en de ontwikkeling van de diverse kostenposten.

Schematisch ziet een VW er als volgt uit:

Winst-en-verliesrekening (VW) Omzet Inkoopwaarde omzet

_______________

Bruto winst Bedrijfskosten Afschrijvingen Financiële baten & lasten _______________ Netto winst voor belasting Resultaat deelname Belasting _______________ Nettowinst na belasting _______________ _______________

Note: bij een niet rechtspersoon eindigt in de regel de VW opstelling bij de post nettowinst voor belasting aangezien belastingheffing over de behaalde winst in de IB sfeer plaatsvindt.

Omzet De omzet geeft weer hoeveel een bedrijf bedrijfseconomisch heeft “verkocht”. Dit bedrag is daarmee onafhankelijk of de (gefactureerde) omzet al op de rekening binnen is gekomen in het boekjaar. Feitelijk is bij het opmaken van een factuur de omzet in dat jaar te rekenen. Het deel van de omzet dat nog niet in geld binnen is gekomen, komt in de balanspositie debiteuren terug. We spreken hierbij over bruto omzet, aangezien bij de berekening naar netto de teruggenomen goederen en eventuele schadevergoedingen nog moeten worden afgetrokken. De omzet wordt opgenomen als omzet exclusief

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


eventuele BTW. Naast de omzetontwikkelingen is het belangrijk te weten hoe deze omzet is opgebouwd. Vragen als hoeveel klanten maken deze omzet, zijn er klanten bij met een groot percentage van de omzet, of is de inschatting dat er klanten verloren kunnen gaan, zijn hierbij legitiem. Als de situatie zo is dat bijvoorbeeld de omzet “slechts” door een drietal klanten wordt gegenereerd, is het belangrijk te weten of de onderneming de flexibiliteit heeft om het verlies van een van deze klanten qua kosten op te kunnen vangen (flexibele arbeidsschil, flexibele kostenschil). In die situaties dat je hier risico’s constateert bespreek je dit met je klant en maakt hem bewust van deze risico’s. De klant kan zich dan voorbereiden middels het flexibel maken c.q. houden van een aantal kosten, die in de situatie dat er een flink deel van de omzet wegvalt, geëlimineerd kunnen worden. Daarnaast is het goed om als bedrijf te budgetteren op kostenniveau. Hierdoor wordt het sneller inzichtelijk voor de ondernemer wanneer een en ander uit de pas dreigt te gaan lopen. Hoe sneller dit inzicht er is, des te sneller kan de ondernemer hierop acteren. De vraag bij dit soort risico constateringen is wel hoe ver ga je als adviseur, waar houdt jouw adviseursrol op? Je kunt hier stellen dat een adviseur die bijvoorbeeld een inkomen moet bepalen ten behoeve van een hypothecaire verstrekking, slechts een signalerende rol heeft. Hij maakt het voor zijn klant inzichtelijk wat hij heeft geconstateerd, een oplossing bieden voor het geconstateerde hoort echter niet bij zijn expertise. Kortom je kunt datgene wat je hebt gezien bespreken, maar veel verder dan dat adviseer ik niet te gaan. Geef je klant dan het advies om dit eens met zijn accountant te bespreken.

Inkoopwaarde van de omzet De inkoopwaarde van de omzet laat zich berekenen als een optelsom van de grondstoffen, halffabricaten en eindproducten die het bedrijf heeft ingekocht om te kunnen komen tot een omzet. Bij beoordeling van de VW zal hierbij gekeken worden wat de ontwikkeling is van het percentage benodigd als inkoop voor de omzet (bruto marge). De waarde van de inkoop die moet worden afgetrokken van

de omzet om te komen tot een brutowinst wordt bepaald door het aantal te vermenigvuldigen met de waarde per product. De waarde per product is hierbij weer afhankelijk van de waarderingsmethodiek waarvoor is gekozen: LIFO, FIFO of gemiddelde waarde.

Bruto winst De bruto winst is dan vervolgens een rekensom waarbij de omzet wordt verminderd met de inkoopwaarde van de omzet. Het bedrag wat hier dan uitkomt dient ter dekking van alle bedrijfskosten. Om een goed beeld te krijgen van de ontwikkeling van deze brutowinst (eurobedrag) wordt deze afgezet tegen de daarbij behorende omzet en uitgedrukt in een percentage. Dit percentage kun je vervolgens vergelijken met het percentage van voorgaande of volgende jaren. Zie je hier een grote wijziging, dan is dit zeker iets waar je met je klant over spreekt. Hoe is dit gekomen, wat is er gebeurd?

Bedrijfskosten Bedrijfskosten zijn kosten die zijn gemaakt om de omzet te kunnen genereren. Een grove tweedeling in de bedrijfskosten is: 1. De kosten van de aan de klant geleverde goederen en diensten (directe kosten) 2. De kosten van de bedrijfsvoering, ook wel overhead genoemd (indirecte kosten). Bij de eerste categorie staan bijvoorbeeld de personeelskosten, telefoon en energiekosten. Bij de tweede categorie valt met name te denken aan huisvestingskosten, directiekosten en administratiekosten. De hoogte van de tweede categorie is namelijk niet afhankelijk, tot een bepaald niveau, van de hoogte van de omzet, terwijl bij de eerste categorie hier een directe link ligt. De opgenomen kosten moeten, net als alle andere kosten, betrekking hebben op het boekjaar waarover verslag wordt gedaan. Dit betekent bijvoorbeeld bij personeelskosten dat opgebouwde vakantietoeslag opgenomen moet worden en de waardevermindering door het gebruik in dat jaar van de vaste activa (afschrijvingen).

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


Naast de verdeling van de kosten in direct en indirect kunnen deze ook worden onderverdeeld in: • • • • • •

huisvestingskosten; personeelskosten; kantoorkosten; vervoerskosten; verkoopkosten; algemene kosten.

Hierbij wordt er dus gekeken naar het soort kosten en gerangschikt in een aantal hoofdgroepen. Het is overigens niet een vaste indeling die ik hier heb aangegeven. De soorten hoofdgroepen in kostensoorten zijn ook afhankelijk van het soort bedrijf en de keuze die de accountant hierbij heeft gemaakt.

Afschrijvingen Afschrijvingen zijn kosten die de economische waardevermindering weergeven van materieel vaste activa (bijvoorbeeld machine), gedurende de economische levensduur. Afschrijvingen kunnen lineair of degressief toegepast worden. Meest toegepast is de volgende berekening: aanschafwaarde minus restwaarde na de economische levensduur gedeeld door het aantal jaren van de economische levensduur (= lineair). Tevens bestaat er de mogelijkheid om willekeurige afschrijving toe te passen, waarbij de afschrijving in twee jaar mag geschieden. Er zijn hierbij echter wel enkele uitzonderingen waarop willekeurige afschrijving fiscaal niet is toegestaan: gebouwen, grondwerken, dieren, immateriële activa (zoals bijvoorbeeld software) en voertuigen. Bij auto’s mag er op dit moment echter wel weer willekeurig afgeschreven worden wanneer deze voldoen aan bepaalde (milieu)eisen, een en ander afhankelijk van het soort auto en de CO2 uitstoot. Je ziet dat de mogelijkheden binnen deze post ook een politieke rol kunnen hebben; daar waar de overheid graag ziet dat er bepaalde keuzes worden gemaakt bij aanschaf, kan dit gestimuleerd worden door hiervoor ruimere afschrijvingsmethodieken toe te staan.

Afschrijvingen kunnen lineair worden gedaan waarbij er elk jaar een vast eurobedrag in mindering wordt gebracht op de boekwaarde, of degressief waarbij elk jaar een vast percentage op de resterende boekwaarde in mindering wordt gebracht. Bij de tweede methodiek wordt in euro’s dus elk jaar minder afgeschreven op het betreffende vaste actief.

Financiële baten/lasten De financiële baten/lasten is het saldo van enerzijds de opbrengsten uit overtollige gelden zoals spaarrente (baten) en anderzijds de rentelast van de in de onderneming aanwezige korte en langlopende financiering en bankkosten (lasten). Het zal dan ook niet voorkomen dat de financiële last nihil is, aangezien er altijd bankkosten voor de rekening zullen zijn. Bij de beoordeling van de rentelast is het belangrijk te kijken of hier een dalende tendens waar te nemen is of een stijgende. Bij een stijgende rentelast kan dit een indicatie zijn dat er meer krediet is afgenomen (al dan niet in rekening courant) of dat indien de langlopende lening niet uitgebreid is, er meer volatiliteit is geweest op de rekening courant faciliteit. Met name een hogere kredietbehoefte van het bedrijf verdient dan speciale aandacht; waarvoor is dit nodig geweest, is hiermee ook de aflossingsverplichting toegenomen, is er een vaste afbouw afgesproken op de rekening courant faciliteit. Dit is belangrijk om te weten, omdat hiermee de liquiditeitsbehoefte wordt beïnvloed. Investeringen in de onderneming horen er uiteraard bij, echter hierbij dient er scherp op gelet te worden dat de kosten worden goedgemaakt door de extra te behalen marge. Normaal gesproken gaan de kosten voor de baten uit, een situatie die op zich begrijpelijk is en niet afwijkt van het normale beeld. In de situatie van investeringen is het vanuit bedrijfseconomisch oogpunt echter wel belangrijk om op basis van onderbouwde prognoses te bepalen of binnen afzienbare tijd de betreffende investering rendabel wordt. Het niet hebben van deze blik richting de toekomst is zeker in het geval van extra investeringen niet raadzaam en ook niet gebruikelijk.

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


In je gesprek met de ondernemer is dit dan ook een aandachtspunt. Indien je constateert dat er extra is geïnvesteerd, dan is de vraag naar toekomstverwachtingen (lees: prognoses) legitiem. In een normale situatie zullen deze prognosecijfers er dan ook zijn.

Nettowinst voor belasting De nettowinst voor belasting wordt berekend door de omzet te verminderen met alle voornoemde kostenposten in een periode. Voor een niet rechtspersoon is dit het inkomen (eventueel verdeeld over de vennoten naar rato van hun aandeel) dat vervolgens bij de IB aangifte als startpunt wordt genomen. Voor rechtspersonen (zoals de BV) wordt over deze winst nog het toe te passen Vpb tarief berekend om te komen tot de nettowinst na belasting. Om vervolgens vermogen over te hevelen naar privé is in het geval van het hebben van een aanmerkelijk belang belasting verschuldigd van totaal 25%.

Resultaat deelname Bij het resultaat deelname wordt het deel van het resultaat (winst c.q. verlies) opgenomen, welke voortvloeit uit de financiële deelname in een ander bedrijf. Is er sprake van een deelnemingsvrijstelling dan wordt over deze post geen belasting geheven (en dus ook niet teruggevorderd). Belangrijk hierbij is te weten dat dit opgenomen bedrag niet daadwerkelijk van de deelname naar de houdster van de aandelen hoeft te worden geboekt. Of het resultaat van de deelname daadwerkelijk naar het moederbedrijf is geboekt kun je zien door de betreffende waardering van de deelname binnen de post financiële vaste activa van vorig jaar te vergelijken met het betreffende jaar. Indien hier het eurobedrag niet is gewijzigd, gelijk is gebleven dan houdt dat in dat de waarde van de deelneming niet is veranderd. Wordt het winstaandeel niet naar moeder uitgekeerd en blijft het dus binnen het dochterbedrijf, dan zal de waarde van het aandeel hiermee stijgen: de eigen vermogenspositie van het dochterbedrijf is tenslotte hoger geworden. Dus bij een gelijkblijvende waarde van de deelneming is het winstaandeel uitgekeerd (het de

eigen vermogenspositie van dochter gelijk gebleven). Het opnemen van een verliesdeel van het dochterbedrijf in de winst- en verliesrekening is overigens vanuit aansprakelijkheidsoptiek gevaarlijk. Jurisprudentie laat zien dat hiermee de moeder een aansprakelijkheid accepteert richting dochter. Vanuit dit gevaar zal een accountant niet zo snel meer een resultaat deelname opnemen in de winst-en-verliesrekening (en daarmee vermogenspositie) van moederbedrijf.

Belasting Zoals reeds vermeld wordt bij natuurlijke personen (eenmanszaak, VOF etc.) het aandeel bepaald toekomende aan elke vennoot en wordt vervolgens conform de IB methodiek belast. De winst van een eenmanszaak kan dus worden gezien als het inkomen welke de eigenaar met zijn onderneming verdient als loon, terwijl bij een rechtspersoon het loon als personeelskostenpost opgenomen is in de bedrijfskosten van de onderneming. Om de winst van een niet rechtspersoon te analyseren, wordt geadviseerd rekening te houden met een marktconforme arbeidsbeloning. Zeker in vergelijking tot de beoordeling van een wel rechtspersoon zou anders de niet rechtspersoon er in een gelijke situatie positiever uitzien, terwijl ook hier de betreffende ondernemer in privé moet leven. Bij een rechtspersoon wordt hier het te betalen Vpb bedrag opgenomen. Dit bedrag is tot een winst van € 200.000 als een soort opstaptarief 20,0% en betaalt de onderneming over alles daarboven 25,0%.

Verrekenen van verliezen Indien in enig jaar verlies geleden wordt, is het mogelijk dit verlies zowel terugwerkend als naar voren te verrekenen. Dit noemen we carry back en carry forward. Bij de carry back mag de onderneming haar verlies verrekenen met de gemaakte winst in het voorgaande jaar (dus 1 jaar terugwerkend) en daarmee het vorig jaar betaalde bedrag aan winstbelasting terugvorderen. Is dit niet (voor het gehele bedrag) mogelijk, dan mag (het resterende deel) ook verrekend worden naar voren toe. Het geleden verlies mag hierbij voor een periode van 9 jaar meegenomen worden,

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


totdat het geheel is verrekend. Is na die 9 jaar geen volledige verrekening mogelijk geweest, dan verliest de onderneming de verrekenbaarheid van het restant verlies. Het komt niet zo vaak voor, maar de mogelijkheid om verlies te verrekenen kan op de balans geactiveerd worden. Dit gebeurt dan op de post latente belastingen aan activa (bezittingen) kant. Het is dan wel raadzaam goed te kijken of het wel realistisch is dat dit bedrag ook daadwerkelijk verrekend zal gaan worden met toekomstige winsten.

BTW Naast dat de belastingdienst over de gemaakte winst belasting heft (in IB of Vpb sfeer), dient er ook BTW afgedragen te worden. In Nederland kennen we momenteel 3 belastingtarieven: 0%, 6% en 21%. Daarnaast zijn er situaties waar geen BTW heffing van toepassing is (en dus ook niet het 0% tarief). Deze laatste situatie noemen we vrijgesteld van BTW. In de situatie dat een bedrijf vrijgesteld is van BTW (bijvoorbeeld financieel dienstverleners, opleidingsinstituten, gezondheidszorg etc.) betekent dit dat ook de verrekenbaarheid van betaalde BTW niet mogelijk is. Hierbij wordt er eerst gekeken in hoeverre de omzet bestaat uit omzet waarover wel BTW in rekening is gebracht (kan ook het 0% tarief zijn) en kan er naar rato betaalde BTW worden terug gevorderd. Stel een onderneming heeft 80% BTW vrijgestelde omzet en 20% BTW plichtige omzet, dan kan dus ook maar 20% van de betaalde BTW worden terug gevorderd. Voor dit soort bedrijven is de inkoop dan 6 of 21% hoger. Het 0% tarief wordt met name toegepast op leveringen buiten Nederland maar binnen de EU: intracommunautaire transacties. Ook leveringen buiten de EU landen kunnen worden belast met het 0% BTW tarief, of dit in een bepaald geval mogelijk is hangt af van de situatie en kent bepaalde voorwaarden van administreren. Voor deze leergang gaat het te ver om dit verder te verdiepen, wil je er toch meer van weten, kijk dan eens op de site van de belastingdienst. Het 6% tarief is met name van toepassing op goederen en diensten die behoren tot de primaire levensbehoeftes. Alle andere goederen en diensten worden vervolgens met 21% BTW belast.

Tussen BTW plichtige bedrijven worden leveringen en inkopen uiteindelijk zonder een BTW last verkocht en ingekocht, doordat deze ondernemingen de BTW per periode (meestal kwartaal of maand) kunnen verrekenen. Uiteindelijk wordt de BTW dus betaald door de niet BTW plichtige bedrijven (vrijgesteld) en consumenten.

Nettowinst De nettowinst van een bedrijf is de winst die overblijft na alle kosten, resultaat deelname en belasting, die door het bedrijf betaald moet worden. De nettowinst van een natuurlijk rechtspersoon is de nettowinst voor belasting, aangezien hier de fiscale regelgeving stopt voor het bedrijf.

Dividendbelasting Tot slot heeft het bedrijf eventueel nog te maken met (een deel van) de dividendbelasting. Hoe werkt dit? Op het moment dat in de AVA wordt besloten dat van een behaalde winst een dividenduitkering wordt gedaan, dan moet het bedrijf dit via een speciaal formulier kenbaar maken aan de belastingdienst. Bij het insturen van dit document en het uitkeren van het bedrag, dient het bedrijf 15% aan dividendbelasting af te dragen. Dit moet gebeuren binnen één maand nadat het bedrag beschikbaar is gesteld. Latere afdracht kan een boete tot gevolg hebben. Indien het dividendbedrag wordt uitgekeerd aan een moedermaatschappij die een deelnemingsvrijstelling heeft (minimaal 5% aandeel of de aandelen worden niet als belegging gebruikt) dan kan de uitkerende vennootschap dit bij de aangifte aangeven waarmee er een vrijstelling is van het inhouden van dividendbelasting. Wordt het dividend ontvangen door een natuurlijk persoon dan volgt daarna bij de aangifte IB in het geval van het hebben van een aanmerkelijk belang nog een restantbetaling aan aanmerkelijk belang belasting van 10% over het bruto bedrag (totaal aan aanmerkelijk belang belasting derhalve 25%). Heeft de betreffende persoon geen aanmerkelijk belang dan is de conclusie dat er ook geen box 2 bij deze persoon actief is en het betaalde dividendbelasting bedrag (de ingehouden 15%) onterecht is ingehouden en teruggevorderd kan worden. Uiteindelijk is het bruto

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


dividend in deze situatie gelijk aan het netto dividend wat overgehouden wordt.

Budgetteren Het verdient aanbeveling om jaarlijks een budget vast te stellen. Deze budgettering wordt dan gedaan op alle posten in de Winst-en-verliesrekening op basis van inschattingen van de ondernemer. Voor het goed kunnen sturen van een onderneming geeft deze budgettering (liefst op maandbasis) snel inzicht in waar zaken uit de pas (dreigen te) lopen. Het sturen op basis van een budgetoverzicht is daarmee veel directer dan wanneer dit enkel op basis van jaarrekeningen gebeurt. De accountant vervult hierin een belangrijke rol; zowel in het opstellen van dit budgetoverzicht als ook in het maandelijks vergelijk met de gerealiseerde cijfers. Tijdig bijsturen wordt een stuk eenvoudiger. Heeft je klant een strakke budgetplanning dan geeft dit aan dat hij er bovenop zit. De ondernemer kan dan snel ingrijpen en de onderneming beter sturen. Uiteindelijk heeft hij dan dus meer grip op zijn zaak, wat een positieve bijdrage levert aan de beoordeling van zijn onderneming. Dit aspect kun je dus meenemen in je onderbouwing van je oordeel en zal de bank meer gevoel geven met wat voor een soort onderneming zij te maken heeft.

Hiermee eindigt het hoofdstuk Winst-en-verliesrekening. Ik heb je laten zien uit welke posten een Winst-en-verliesrekening is opgebouwd, wat je hierbij moet weten om een goede beoordeling te doen en welke fiscale spelregels er gelden. In het volgende hoofdstuk ga ik dieper in op het onderdeel toelichting balans en Winst-en-verliesrekening en zal ik summier wat meer vertellen over de regels van IFRS.

Leergang “De ondernemer & jaarrekening� bepalen bestendig ondernemersinkomen Š copyright overviewz


TOELICHTING OP BALANS & WINST-EN-VERLIES REKENING EN DE IFRS REGELS In dit hoofdstuk behandel ik wat je moet weten om een goede beoordeling te kunnen doen van de informatie die je tegenkomt in de toelichting op de balans en Winst-en-verliesrekening, als vast onderdeel in een jaarrekening. Tot slot geef ik in dit hoofdstuk een summiere weergave van wat IFRS betekent en wat voor consequenties dit heeft. Met betrekking tot dit laatste onderwerp is er veel meer te vertellen, maar dit gaat te ver voor het doel van deze leergang.

Toelichting op de balansposten Naast de hierboven genoemde waarderinggrondslagen is het verstandig enkele posten op de balans qua toelichting goed door te nemen.

Voorraad

Enkele zaken binnen de toelichting verdienen hierbij speciale aandacht vanuit financieel risicomanagement gedachte.

Hoe is de voorraadwaarde bepaald (LIFO, FIFO, gemiddelde waarde), is een voorziening getroffen inzake mogelijke incourantheid en zo nee zou dit dan niet reëel zijn? Hoe groot is de voorraadpost in relatie tot de jaarlijkse inkoopwaarde omzet, lees hoeveel maanden voorraad ligt er in het magazijn? Door dit goed te bestuderen krijg je meer gevoel bij de onderneming en de strategie die de ondernemer hierbij voert. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de ondernemer graag veel voorraad heeft, zodat hij zijn klanten nooit “nee” hoeft te verkopen. Dat hier vervolgens ook een financiële en risicotechnische consequentie aanzit is niet altijd helder voor de ondernemer. Liquiditeiten kunnen, als ze eenmaal zijn in voorraad, niet worden gebruikt voor andere kosten of investeringen en grote voorraadposities lopen ook een hoger risico dat bepaalde voorraad incourant worden.

Waarderingsgrondslagen

Debiteuren

In de waarderingsgrondslagen staat aangegeven op welke manier de activa zijn gewaardeerd. Hierbij spelen bijvoorbeeld afschrijvingsmethodieken een (grote) rol. In de wet staat dat een jaarrekening onder andere stelselmatig moet zijn. Dit betekent dat een eenmaal gekozen waarderingsmethodiek ook de navolgende jaren zo gehanteerd dient te worden. Voor een goed beeld van een bedrijf is het daarom noodzakelijk kennis te nemen van de waarderingsgrondslagen. Is in een bepaald jaar een andere weg gekozen in de waarderingsmethodiek, dan dient dit onderbouwd te worden en dienen de vergelijkende cijfers in een jaarrekening aangepast te worden op deze nieuwe methodiek. Hierdoor kan de lezer zien wat de financiële consequentie is van een andere weg en is er weer sprake van een juiste vermogensaansluiting van het voorgaand jaar (vergelijkende cijfers) naar het verslagjaar.

Ook hier geldt speciale aandacht voor de post dubieuze debiteuren. De berekende omloopsnelheid debiteuren geeft namelijk alleen een gemiddelde aan op balanswaarde, terwijl het zo kan zijn dat hier erg oude debiteuren bijzitten. De vraag is dan legitiem of deze “oude” debiteuren nog wel zullen betalen. Tevens geeft een beter inzicht in de debiteurenopbouw aan hoe de onderneming de debiteurenportefeuille beheert. Een strak debiteurenbeleid geeft uiteraard een positiever gevoel dan wanneer er geen enkel inzicht is in de debiteurenstand en de leeftijd van de debiteurenposten.

Een beoordeling van een jaarrekening en de diverse posities die je hier uit kunt bepalen heeft pas zin als je ook de toelichting ter beschikking hebt. De toelichting zorgt ervoor dat een beter beeld ontstaat inzake de opgenomen posten binnen de balans en VW.

Voorzieningen in pensioensfeer (pensioen eigen beheer, stamrechtverplichtingen) Naast de waardering van deze post is het zeker raadzaam te kijken of de hierin opgesloten risico’s voldoende zijn afgedekt en of het benodigd eindkapitaal behaald gaat wor-

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


den. Als je hier dan constateert dat deze voorziening naar verwachting in een uitkeringsfase een probleem zal geven, omdat er niet voldoende cashflow is om de uitkering die is toegezegd te kunnen doen, of dat de risico’s bij overlijden en/of arbeidsongeschiktheid niet of niet afdoende zijn afgedekt, dan attendeer je je klant hierop. Het mogelijk repareren hiervan laat je natuurlijk over aan de pensioenspecialist die dat in samenspraak met de accountant zal oppakken. Je hebt hier dus alleen een signalerende rol.

Langlopende leningen Zeker wanneer deze post externe financiers betreft adviseer ik je de achtereenvolgende jaren qua toelichting goed door te nemen. Met name speciale aandacht voor de bedongen zekerheden door de externe financier. Als je deze in de achtereenvolgende jaren leest en constateert dat de zekerheden richting toekomst groter en meer worden, dien je jezelf af te vragen waarom dit is. In dit laatste geval zou het zelfs zo kunnen zijn, dat de betreffende onderneming als risicovol gezien wordt door de bank en wellicht zelfs is ondergebracht bij bijzonder beheer, met alle gevaren van dien. Constateer je dit, bespreek dit dan met de ondernemer en vraag naar zijn toekomstverwachting op dit vlak.

Kortlopende financiering vanuit de bank Indien er een kortlopende financiering door een bank is verstrekt aan het bedrijf is het raadzaam te kijken naar de voorwaarden hiervan. Enerzijds kijk je hierbij naar de bedongen zekerheden, is de maximale krediethoogte van de rekening courant faciliteit wellicht gekoppeld aan de hoogte van een activa post, zoals voorraad en anderzijds naar de vergoeding die de bank hiervoor vraagt. Naast een bedongen rentepercentage (variabel met opslag) wordt er vaak ook een bereidstellingsprovisie geheven over de hoogste debetstand c.q. de afgegeven limiet. Deze bereidstellingsprovisie tikt hierbij behoorlijk door, waarbij het maar de vraag is of de limiet wel operationeel noodzakelijk is. Daarnaast kan het voorkomen dat van de kredietruimte steeds een fors bedrag is opgenomen (ijzeren stand), welke duurder is voor de onderneming in rekening courant dan in een vaste langlopende lening. Tot slot kijk je naar een eventueel aanwezige afbouw op de kredietlimiet,

die in feite als aflossingsverplichting gezien kan worden en daarmee dus betaald moet worden uit de beschikbare cashflow.

Toelichting op de VW Ook hier raad ik je aan de toelichting, in ieder geval van het laatste jaar, aandachtig door te nemen voor een goede beeldvorming van de financiële positie van het bedrijf. Speciale aandacht hierbij voor incidentele (omzet of kosten) posten. Incidentele posten zijn posten die soms voorkomen op een Winst-en-verliesrekening, maar die eigenlijk niet veel te maken hebben met de normale operationele activiteiten. Het beeld dat je krijgt op basis van de cijfermatige opzet zou door deze incidentele posten positiever of negatiever kunnen zijn door de aanwezigheid van een incidentele bate of last. In dat geval beoordeel je de cijfers zonder deze incidentele bate of last en geef je aan dat er in betreffende boekjaar een incidentele post zit. Ook de post afschrijvingen verdient speciale aandacht. Deze post, gevormd door de afschrijvingen op vaste activa, zou in principe voldoende groot moeten zijn om vanuit deze post de aflossingsverplichtingen te kunnen voldoen. Indien dit niet zo is, dan betekent dit dat er vanuit de nettowinst liquiditeiten noodzakelijk zijn om aan de aflossingsverplichtingen te kunnen voldoen (zie ook relatie met de cashflow ratio). Bij een afschrijving is de insteek dat middels de cumulatieve afschrijvingen over de jaren heen als het ware gespaard wordt om het betreffende actief te kunnen vervangen als de technische of economische leeftijd voorbij is. De financiering zou idealiter dezelfde looptijd hebben als de afschrijving en daarmee matchen qua bedrag. Vaak is dit helaas niet het geval en moet een deel van de nettowinst hiervoor worden gebruikt. Bij natuurlijke (rechts)personen betekent dit dan minder netto inkomen om van te leven. Tot slot nog speciale aandacht voor de post resultaat deelneming. Ondanks het feit dat de eigen vermogens positie gevormd wordt door enerzijds het eigen vermogen van voorgaand jaar en anderzijds de netto winst na belasting (daar waar er geen dividend is onttrokken) hoeft het niet zo te zijn dat het resultaat van de deelneming daadwerkelijk is geboekt naar de moeder. Ditzelfde geldt dan dus ook

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


voor een eventueel verlies. Moeder- en dochterbedrijf staan in relatie tot elkaar middels het organogram. De vraag die hierbij gesteld dient te worden is dan ook in hoeverre liquiditeitsbehoefte van de dochter “opgehoest” moet worden door moeder, met alle liquiditeitsconsequenties van dien. Als je bovenstaande op een gedegen manier hebt geanalyseerd, heb je voldoende kennis over de financiële positie en ontwikkeling van het bedrijf en daarmee ook voldoende stof om een gedegen analyse aan het papier toe te vertrouwen. Afhankelijk van datgene wat je constateert breng je de daarbij behorende risico’s in beeld, bespreek deze met de klant en mogelijk zijn accountant. Tot slot zorg je ervoor dat je analyse, aangevuld met datgene wat je met je klant in deze hebt besproken, op een goede manier in het klantdossier vastligt. Ik adviseer je daarnaast je uitgebreide analyse ook aan je klant te verstrekken, zodat er later nooit onduidelijkheden kunnen ontstaan of je wel of niet iets hebt geconstateerd en besproken. Het blijft te allen tijde een kwestie van gezond verstand gebruiken, bedrijfseconomie lijkt moeilijk maar is het eigenlijk niet.

IFRS (INTERNATIONAL FINANCIAL REPORTING STANDARDS) Tot slot in dit hoofdstuk wat summiere informatie inzake de werking en regels IFRS. Sinds 2005 zijn beursgenoteerde bedrijven verplicht hun jaarrekening conform de IFRS standaard op te stellen. Deze verplichting rust niet op niet beursgenoteerde bedrijven, echter zij hebben wel de keuze het via de IFRS standaarden te doen. IFRS heeft als doel een beter vergelijk te kunnen maken tussen diverse vennootschappen binnen de EG. Door deze set van afspraken binnen de IFRS is de opbouw van elke jaarrekening die aan deze standaard voldoet gelijk. Overigens accepteert de Amerikaanse autoriteit vanaf 2008 jaarrekeningen conform de IFRS standaard als deponeringsstuk.

De IFRS standaarden zijn nog niet af. Dit betekent dat er regelmatig een update is voor wat betreft de wijze waarop de jaarrekening dient te worden opgesteld en de manier van waarderen van de diverse balans en Winst-en-verliesrekening posten. De discussies die hierover worden gevoerd gaan vooral over de vraag of bepaalde wijzigingen wel een beter en zuiverder beeld geven van de betreffende onderneming. IFRS is een voortzetting van de International Accounting Standards (IAS). Uitgangspunt zijn de regels van het IAS, waarbij de IFRS wijzigingen en uitbreidingen heeft toegevoegd. Een belangrijk uitgangspunt bij de IFRS is dat hierbij niet is toegestaan om slechts een deel van de standaarden te gebruiken. Indien de jaarrekening opgesteld is conform IFRS standaarden, dan dient de gehele jaarrekening (enkelvoudig en geconsolideerde balans en Winst-en-verliesrekening, toelichting en directieverslag) overeen te komen met de IFRS standaarden. Het voert te ver om in deze leergang de gehele IFRS standaarden te verwoorden, ik beperk me daarom tot een aantal zaken die voor jou belangrijk zouden kunnen zijn bij de beoordeling van een voorliggende jaarrekening.

Activa posten balans Immateriële vaste activa, waaronder goodwill De immateriële vaste activa, zoals geactiveerde ontwikkelingskosten en goodwill (al dan niet daadwerkelijk betaald) mogen conform de IFRS niet meer worden hergewaardeerd. Daarnaast is de afschrijvingsduur op goodwill toegestaan tot maximaal 10 jaar of korter als de levensduur van de goodwill ook korter is. Ontwikkelingskosten die in de richtlijnen van de Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ) nog mochten worden geactiveerd, dienen binnen de IFRS direct als kostenpost te worden opgenomen in de Winst-en-verliesrekening.

Financiële vaste activa Deelnemingen in een ander bedrijf worden gewaardeerd tegen kostprijs of actuele waarde, inclusief een eventueel van toepassing zijnde goodwill hierop. Indien er

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


sprake is van een negatieve goodwill (badwill) op deze deelnemingen dient deze negatieve goodwill direct in de Winst-en-verliesrekening te worden opgenomen.

Voorraad Daar waar in de RJ de LIFO methodiek toegestaan is, is dit bij de IFRS niet meer toegestaan en dient de voorraad gewaardeerd te worden tegen kostprijs of lagere directe opbrengstwaarde minus de normale marge.

Passiva posten balans Dividend In de RJ is het toegestaan nog uit te keren dividend op te nemen onder de kortlopende schulden. Binnen de IFRS dient, ook als dit na balansdatum gebeurt, het uit te keren dividend als onderdeel van het eigen vermogen te worden opgenomen.

Voorzieningen In de RJ zijn de voorzieningen opgenomen als aparte passiva categorie tussen het eigen vermogen en de schulden. Volgt de jaarrekening de IFRS standaard dan dienen de voorzieningen te worden opgenomen als deel van de korte en langlopende verplichtingen, waarbij de situatie op balansdatum beslissend is. Specifiek wordt ingegaan op de voorziening pensioenen, welke binnen de RJ op basis van een benaderde waarde van de verplichtingen opgenomen worden en bij de IFRS als vaste toezegging bijdrage c.q. vaste pensioentoezegging. De voorziening latente belastingen mogen binnen de IFRS alleen nog tegen nominale waarde worden opgenomen in tegenstelling tot een mogelijkheid binnen de RJ om deze tegen contante waarde op te nemen.

Winst-en-verliesrekening De grootste wijziging ten opzichte van de RJ binnen de IFRS is het niet meer kunnen activeren van kosten zoals bijvoorbeeld rente. Deze kosten dienen direct en volledig te worden opgenomen binnen de Winst-en-verliesrekening. Zoals hierboven aangegeven is de IFRS een dynamisch geheel en is daarmee continu onderhevig aan wijzigingen, alles met het doel de conform deze standaard opgestelde jaarrekeningen zo transparant mogelijk te maken en vergelijkbaar met andere ondernemingen. Gezien het veranderende karakter van de IFRS adviseer ik je op internet na te lezen of in voorkomende gevallen een bepaalde balans of Winst-en-verliesrekening post op een andere manier opgenomen c.q. gewaardeerd dient te worden in een conform IFRS opgestelde jaarrekening. Uiteindelijk is het als adviseur goed te weten of een jaarrekening is opgesteld middels de regels van de IFRS of niet en daar melding van te maken in je rapport, welke je meestuurt naar de bank, zodat ook zij de cijfermatige opstelling van balans en Winst-en-verliesrekening op juiste wijze interpreteren. Hiermee is dit hoofdstuk klaar. Je hebt geleerd waarom het belangrijk is om de toelichting op de balans en de Winst-en-verliesrekening goed te lezen en welke meerinformatie je hieruit kunt halen. Tot slot heb ik in dit hoofdstuk je wat verteld over de regels van IFRS. In het volgende hoofdstuk ga ik dieper in op de financiële kengetallen, hoe je die kunt berekenen en beoordelen.

Tot slot dient een jaarrekening volgens de IFRS altijd te beschikken over een kasstroom overzicht, welke opgenomen dient te worden volgens de indirecte methodiek. Een uitleg van het kasstroom overzicht tref je in het volgende hoofdstuk aan.

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


Hoofdstuk 6 Financiële ratio’s In dit hoofdstuk vertel ik je welke verhoudingsgetallen, financiële ratio’s, je kunt berekenen uit de balans en/of winst-en-verliesrekening en hoe je deze moet beoordelen. Daarnaast laat ik je zien hoe een liquiditeitsbegroting en exploitatiebegroting wordt opgesteld en wat de verschillen zijn tussen die twee. Tot slot vertel ik iets meer over de verschillende branches in Nederland en waar je hier meer informatie over kunt vinden en wat je daarmee kunt doen. De financiële ratio’s worden berekend uit de diverse balans en winst-en-verliesrekening posten en geven een schematische weergave van hoe het bedrijf er op verschillende vlakken voor staat. Het uiteindelijke doel is om daarmee de financiële gegoedheid van een bedrijf weer te geven. Onderstaand worden de meest voorkomende ratio’s uitgelegd en geef ik aan hoe je deze kunt berekenen. Deze financiële analyse van een onderneming heeft betrekking op een viertal deelgebieden: 1. rentabiliteit; de winstgevendheid van (het vermogen van) de onderneming; 2. liquiditeit; het tijdig kunnen voldoen aan de financiële verplichtingen; 3. solvabiliteit; het volledig kunnen voldoen aan alle financiële verplichtingen, dus ook de langlopende; 4. activiteit; de effectiviteit waarmee het vermogen van de onderneming ingezet/gebruikt wordt. Aansluitend behandel ik nog een aantal andere vaak voorkomende termen. De belangrijkste waarschuwing die ik hier mee wil geven is dat ratio’s een eigen leven gaan leiden. Voordat je ratio’s gaat berekenen, moet je eerst de cijfers analyseren op de gebruikte waarderingsgrondslagen, wel of geen ondernemingsbelang, wel of geen afschrijvingen, wel of geen arbeidsbeloning voor de ondernemer etc. Zorg er in ieder geval voor dat je altijd appels met appels vergelijkt. In zijn algemeenheid dien je de financiële ratio’s te beoordelen in ontwikkeling gedurende de jaren. Een ratio beoordelen van slechts één jaar is weinig zinvol. Hierbij kijk je

naar een stijgende of dalende tendens of een afwijking in de ontwikkelingslijn gedurende een jaar. Naast de hier te constateren tendens, is het ook belangrijk te kijken naar de onderlinge samenhang van de diverse ratio’s. Met name de grafische weergave van de ontwikkeling van de diverse ratio’s, en de bijbehorende uitleg, geeft de ondernemer/ onderneming een sterk gevoel van toegevoegde waarde die je als adviseur hebt. Deze grafische weergave wordt namelijk door bijna geen enkele accountant gegeven. Bij de beoordeling van de uitkomst van de diverse ratio’s kijk je ook hier naar een waar te nemen tendens. De hoogte van een uitkomst zal namelijk sterk afhankelijk zijn van zaken zoals hoe groot is het bedrijf, wat voor een soort bedrijf is het, is het bedrijf een natuurlijke of rechtspersoon? Kortom, een vergelijking van de uitkomst met andere bedrijven is niet gemakkelijk. Om je hierbij te helpen heb ik bij een aantal ratio’s, waar dat mogelijk is, aangegeven welke uitkomsten goed zijn. Daarbij geef ik ook aan wat de bandbreedte van deze ratio’s is voor het grootste gedeelte van de branches. De laagste grens geeft dan aan dat betreffende ratio in feite niet goed is, tenzij je daar een goede verklaring voor kunt geven. Vandaar dat ik hier de term: “in feite niet goed” heb gebruikt. in feite niet goed

branche afhankelijk

Let op: financiële ratio’s kunnen soms op verschillende manieren worden berekend. Op zich maakt het niet zoveel uit welke formule je hanteert, zolang je maar consequent over elk vergelijkingsjaar dezelfde formule gebruikt. Hierdoor maak je de betreffende ratio vergelijkbaar tussen de verschillende jaren. Overigens ga ik bij een vergelijking er vanuit dat, indien deze vergelijking gebeurt tussen een natuurlijk (rechts)persoon en een rechtspersoon, je het effect van loon bij beiden hetzelfde maakt. Anders is een vergelijking op verkeerde gronden gedaan. Uiteindelijk beoordeel je altijd ratio’s op basis van cijfers van meerdere jaren. Je ziet dan een dalende, stabiele of stijgende tendens en tracht deze te verklaren. Je hebt geleerd dat bedrijfseconomie niet moeilijk is, maar meer een kwestie van gezond boerenverstand. Aan dit uitgangspunt kun je nu toevoegen dat wanneer je iets ziet, een bepaalde ontwikkeling of een niet verwachte grootte van

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz

goed


een bepaalde post, je jezelf altijd de “waarom” vraag moet stellen. Trap niet in de val dat je gelijk een oordeel vormt over wat je ziet, maar dwing jezelf eerst tot het uitzoeken van waarom je iets ziet, waar dat aan ligt of gelegen heeft. Verderop in dit hoofdstuk zal ik aan de hand van een voorbeeld laten zien dat je gevoel heel anders wordt als je de waarom vraag hebt beantwoord.

Rentabiliteitsratio’s

mer. Indien deze verklaring niet aannemelijk is, ligt het risico op de loer dat in een volgend jaar de niet juist weergegeven voorraadpositie als het ware wordt gecorrigeerd, de aanwezige aantallen weer correct worden weergegeven, met als gevolg in ieder geval boekhoudkundig een slechter bedrijfsresultaat.

Zoals je zult begrijpen is de winstgevendheid van een onderneming belangrijk. Wordt er namelijk verlies geleden, dan wordt er ingeteerd op het eigen vermogen van de onderneming, wat uiteindelijk kan leiden tot een faillissement. Vandaar dat het belangrijk is om inzage te hebben in de rentabiliteit van het geïnvesteerde vermogen, het eigen vermogen en het totale vermogen. Probeer ook daarnaast een logische verklaring te vinden voor de ontwikkeling die je hierbij ziet en als deze logische verklaring er niet is, ga dan in gesprek met de ondernemer en vraag of hij de verklaring kan geven.

Bruto winstmarge Hierbij wordt de brutowinst gezien als de resultante van totale omzet minus inkoopwaarde omzet en wordt als volgt berekend:

brutowinst x 100% omzet De bruto winstmarge geeft aan hoeveel marge er is gemaakt ter dekking van alle bedrijfsmatige kosten. Een sterke stijging in een bepaald jaar kan aanleiding zijn te kijken naar de verhouding tussen de current ratio en quick ratio om te beoordelen of de voorraadpositie wel een reële waardering heeft gehad in het gestegen jaar: de waarom vraag. Wat er kan spelen is bijvoorbeeld dat er bij verkoop van voorraad deels vergeten is die af te boeken van de voorraadpositie, of dat er bepaalde voorraad gestolen is. Beide situaties leiden dan tot een te hoge voorraadpositie op de balans (teveel in aantal), welke bij het tellen van de voorraad wordt gecorrigeerd. Een hogere bruto marge kan overigens natuurlijk ook een andere logische verklaring hebben, deze dien je dan te bespreken met de onderne-

Daarnaast is de bruto marge afhankelijk van de wijze waarop de voorraad wordt gewaardeerd en daarmee de inkoopwaarde omzet wordt bepaald. Indien hierbij geen afwijkende zaken zijn, dan nog kan er een risico in zitten. In een normale bedrijfsvoering heeft een bedrijf te maken met concurrenten. Dit kan er toe leiden dat de nu behaalde bruto marge, wellicht in de toekomst bijgesteld moet worden om concurrenten buiten de deur te houden. Vaak zie je al een dalende tendens in de grafische weergave van de brutomarge.

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


Met name dit laatste punt is iets wat je met je klant bespreekt. Hoe ziet zijn concurrentieveld eruit, zijn er nieuwe spelers op komst, waardoor onderscheidt zijn bedrijf zich van de andere spelers in de markt. In feite spreek je hier dus over een SWOT analyse. Een goed geleid bedrijf heeft deze SWOT analyse paraat en up to date. Het aansturen van een bedrijf zonder deze SWOT analyse is anders erg lastig. De SWOT analyse beperkt zich hierbij overigens niet tot enkel een concurrentie vergelijk, ook de interne bedrijfsvoering staat hier, als het goed is, in verwoord. Het verdient dan ook aanbeveling om de ondernemer hiernaar te vragen. De inhoud van de aanwezige SWOT analyse geeft je daarnaast veel input om je analyse meer diepgang te geven.

Een netto marge van een bepaald jaar zegt vervolgens niet zoveel. Uiteraard kun je deze vergelijken met branchegemiddeldes, maar zonder een helder beeld van de branchegemiddeldes geeft het getal weinig tot geen beeld. Wel is het belangrijk de netto marge over meerdere jaren met elkaar te vergelijken; is hier een stijgende of dalende tendens waarneembaar en waardoor komt dit? Is er sprake van een incidenteel karakter (positief dan wel negatief) die de netto marge heeft beïnvloedt? Uiteindelijk geeft de netto winst voor belasting vermeerderd met de post afschrijvingen (cashflow) aan wat de onderneming aan ruimte heeft om enerzijds aan zijn aflossingsverplichtingen te voldoen en anderzijds of er voldoende ruimte is om investeringen uit eigen middelen te kunnen doen. Bij een dalende tendens in de netto marge adviseer ik je dit te bespreken met de ondernemer; waar heeft dit aan gelegen? Is de omzet lager, zijn de kosten hoger of een combinatie van beide? Bij hogere kosten kan het zijn, dat er (onderbouwd) sprake is van een of meerdere incidentele kosten. Als dit niet het geval is, dan ligt het in de lijn der verwachtingen dat dit beeld zich gaat voortzetten. Om de ondernemer in dit geval te helpen, bespreek je met hem of er op kostenniveau sprake is van budgettering. Meestal worden budgetten op de omzet gemaakt, maar het is zeker ook belangrijk deze op kostenniveau te zetten en gedurende het boekjaar te monitoren. Bijsturen wordt dan een stuk eenvoudiger.

Netto winstmarge Bij de netto marge (netto operationele winst in relatie tot de behaalde omzet) dien je allereerst bewust te zijn van het verschil tussen een Vpb of IB onderneming . Zo zit in de Vpb onderneming al een ondernemersinkomen in de kostenopzet, terwijl bij de IB onderneming dit niet het geval is. In vergelijk tussen de ene onderneming met de andere dien je dit verschil te elimineren.

Daarnaast is de vraag legitiem of er binnen de operationele gang van zaken binnen de onderneming gestuurd kan worden op variabele kosten, kosten die qua niveau snel kunnen worden aangepast aan de behaalde omzet en bruto marge.

nettowinst x 100% omzet

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


Rentabiliteit van totale vermogen Bovenstaande ratio’s zeggen iets over de rentabiliteit van het geïnvesteerde vermogen. Wanneer we de rentabiliteit van het totale in de onderneming aanwezige vermogen berekenen, ziet dit er als volgt uit:

nettowinst x 100% totale vermogen Dit getal geeft aan hoeveel rendement er is behaald (als netto winst na belasting) ten opzichte van het totaal geïnvesteerde vermogen (balanstotaal). De reden dat hierbij gekeken wordt naar de winst na belasting is dat het resultaat op financiële deelnemingen wordt meegenomen, deze is tenslotte gefinancierd vanuit de balans. Daarnaast is er een directe verbinding tussen de post nettowinst na belasting op de winst-en-verliesrekening en de post eigen vermogen op de balans. Deze winst wordt namelijk toegevoegd aan het eigen vermogen. Er zijn meerdere berekeningsmethodieken om de rentabiliteit van het totale vermogen te berekenen. Boekhoudkundig wordt ook vaak de EBIT genomen als verhoudingsgetal ten opzichte van het balanstotaal. Ook deze berekeningsmethodiek is juist. Belangrijk is wel dat de gehanteerde methodiek over de jaren heen steeds dezelfde is om een goed vergelijk tussen de afzonderlijke jaren zinvol te maken.

Om redenen zoals hierboven genoemd hanteer ik de methodiek van netto winst na belasting, ten opzichte van balanstotaal voor het berekenen van het rendement op (eigen – vreemd – totaal) vermogen.

Rentabiliteit van eigen vermogen: Zoals hierboven beschreven dient dit percentage mede voor de bepaling van het vraagstuk financieren vanuit eigen of vreemd vermogen. Daarnaast geeft dit een zuiver beeld over wat het totaal rendement is op het door de aandeelhouders geïnvesteerde vermogen in de onderneming. Bij beide percentages is het belangrijk te kijken naar de ontwikkeling hiervan. Aandachtspunt hierbij is de wijze van financieren binnen de onderneming. Normaal gesproken worden vaste activa gefinancierd met lang vreemd vermogen en vlottende activa met kort vreemd vermogen. Indien hier sprake is van een mismatch dan beïnvloedt dit in hoge mate de liquiditeitspositie in positieve of negatieve zin. Indien de vaste activa (deels) gefinancierd zijn met kort vreemd vermogen dan zullen de liquiditeitradio’s lager zijn (en andersom). In de rechter afbeelding (mismatch) komt dan wel één van de twee pijlen voor en niet alle twee, zouden ze namelijk beide voorkomen, dan zou ook het linkerplaatje (normaal) kunnen gelden.

De uitkomst kan in relatie tot het netto rendement eigen vermogen een goed beeld geven of een additionele financiering (inclusief het daarbij behorende rentepercentage) beter vanuit eigen vermogenspositie of middels het aantrekken van vreemd vermogen kan worden gedaan. Hierbij kijk je wat de rentedruk is op het aangetrokken vreemde vermogen (kostenvoet vreemd vermogen) ten opzichte van het behaalde rendement op het eigen vermogen. Hierbij dien je er wel bewust van te zijn dat bij het financieren vanuit eigen vermogen, ten opzichte van het aantrekken van lang vreemd vermogen, de liquiditeitspositie van de onderneming negatief wordt beïnvloed.

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


Current ratio Hiermee wordt berekend of de kortlopende vorderingen voldoende zijn om de kortlopende schulden te kunnen aflossen.

vlottende activa kort vreemd vermogen

Het gevaar van zo’n mismatch is evident; een lage liquiditeitspositie van een onderneming brengt deze in gevaar. De vraag is of dit kan worden “hersteld”, hier zullen de vreemd vermogen verstrekkers het mee eens moeten zijn. Jouw taak als adviseur in deze is het signaleren van een eventuele mismatch, het bespreken hiervan met de ondernemer en zijn accountant en het onderzoeken van de mogelijkheden om dit te herstellen. De rol van de accountant in deze is een grote, zorg er dan dus voor dat ook hij aan tafel zit.

Liquiditeitsratio’s Bij liquiditeit gaat het om de vraag of de onderneming op dit moment in staat is op tijd aan alle verplichtingen te kunnen voldoen. Simpel gezegd moet er voldoende liquiditeit aanwezig zijn of moet er voldoende geld op korte termijn vrijgemaakt kunnen worden om aan alle kortlopende schulden te kunnen voldoen. Zodra dit niet meer mogelijk is, staat de continuïteit van het bedrijf onder druk. Bij het berekenen van liquiditeitsratio’s is het van belang dat de balans op juiste wijze is gerubriceerd in vorderingen en schulden op korte en lange termijn. Daarnaast is het van belang te onderkennen dat niet alle kortlopende schulden ook daadwerkelijk op korte termijn betaald moeten worden. Bijvoorbeeld een rekening courant positie bij een bank hoeft niet afgelost te worden zolang dit binnen de kredietfaciliteit blijft. Ditzelfde geldt meestal ook voor een rekening courant schuld aan een groepsmaatschappij.

Alle liquiditeitsratio’s zijn belangrijk om te kunnen bepalen of de onderneming al dan niet gevaar loopt niet aan haar (kortlopende) verplichtingen te kunnen voldoen. De meest bekende ratio hierbij is de current ratio, die de verhouding aangeeft tussen het totaal aan vlottende activa en het totaal aan kortlopende schulden. In de markt worden normaal gesproken de volgende grenzen van wat wel of niet voldoet aan de classificatie gezond bedrijf gehanteerd: 1,00

1,00 - 1,50

Als absolute ondergrens wordt hierbij de uitkomst 1,0 gehanteerd. Zie je vervolgens in de ontwikkeling van deze ratio een dalende tendens met als uitkomst in het laatste jaar van net boven de 1,0, dan is de vraag legitiem of in het komende jaar de current ratio niet daalt beneden de ondergrens van 1,0.

Naast de uitkomst, en nog belangrijker de ontwikkeling

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz

1,50


van de current ratio, dien je bij alle liquiditeitsratio’s en solvabiliteitsratio’s, zeker in het geval dat deze beneden de ondergrens liggen, te beoordelen of de financiering van de activa middels de passiva wel op een logische manier is ingericht. Zijn de vlottende activa ook kort gefinancierd en de vaste activa lang, of is dit niet zo? Een kruislingse financiering kan er namelijk voor zorgen dat zowel liquiditeit alsook solvabiliteit of veel hoger liggen dan verwacht of veel lager (zie ook de uitleg bij de post netto rendement eigen vermogen - mismatch). Daarnaast kan een lagere current ratio ook ontstaan door een actief dividend beleid; hierdoor neemt de post vlottende activa af onder gelijkblijvende kort vreemd vermogen en daarmee wordt de deling dus kleiner. Indien het gevaar optreedt dat de current ratio daalt beneden de 1,0 als absoluut minimum, dan bespreek je dit met de ondernemer. Afhankelijk van de reden waarom dit optreedt, kan de ondernemer hier wat aan doen. Binnen de post vlottende activa is dit alleen mogelijk door een hogere omzet/winst te genereren of door investeringen in vaste activa uit te stellen. Andere wijzigingen betreffen namelijk enkel een verschuiving van de ene post naar een andere post binnen de vlottende activa. Is de daling een gevolg van dividenduitkeringen, dan wijs je de ondernemer op de risico’s van dit dividendbeleid. Het is hierbij wel een groot verschil of de daling het gevolg is van verlieslatendheid of bij winstgevendheid door dividendonttrekking. Zie je deze tendens en weet je waarom die is opgetreden, onderbouw dan in je rapport wat de reden van daling is geweest. Wat zou de ondernemer kunnen doen aan een dalende, of niet aan de norm voldoen van een liquiditeitsratio? Een mogelijke oplossing zou kunnen zijn om, indien aanwezig, vervoermiddelen in eigendom om te zetten naar een financiële of operationele leaseconstructie. Het hieruit vrijkomende geld zal de post vlottende activa positief beïnvloeden en daarmee dus ook de liquiditeitspositie. Vraag hierbij is wel wat de extra maandelijkse last voor een gevolg heeft op de winst-en-verliesrekening. Bij de kortlopende schulden zou een mogelijke oplossing

kunnen zijn, in geval van een mismatch in de externe financieringsopzet, om kort vreemd vermogen om te zetten naar lang vreemd vermogen. Jouw taak als adviseur is het signaleren van deze negatieve ontwikkeling en deze te bespreken met de ondernemer. Vraag naar zijn visie hierop en de acties die genomen worden om deze ontwikkeling ten positieve te wijzigen. Leg dit ook goed vast in je dossier, aangezien dit een zeer belangrijk onderdeel is van je analyse naar de financiële positie van de onderneming.

Quick ratio

Vaak wordt aangehouden dat de voorraden in de bepaling van de liquiditeit niet mogen worden meegenomen. Er is immers voorraad nodig om het bedrijf te laten draaien en daarnaast is het snel verkopen van de gehele voorraad meestal niet mogelijk.

vlottende activa - voorraad kort vreemd vermogen In de markt worden normaal gesproken de volgende grenzen van wat wel of niet voldoet aan de classificatie gezond bedrijf gehanteerd: 0,75

0,75 - 1,25

De beoordeling is daarmee grotendeels gelijk aan de beoordeling van de current ratio, met dien verstande dat hier een minimum gesteld kan worden van 0,75 in plaats van 1,0 (let wel bij de beoordeling van de quick ratio geldt dat dan ook de current ratio beoordeeld dient te worden). Daar waar de current ratio boven norm ligt en de quick ratio beneden de norm, is het raadzaam te bekijken of de voorraad positie een aparte financiering kent. Dit komt in een aantal branches voor. Een goed voorbeeld hiervan is de automobiel branche. Hier wordt de voorraad meestal gefinancierd door een kortlopende financiering vanuit bank of importeur, gekoppeld aan (een deel van) de voorraadpositie. In een zuivere beoordeling is het raadzaam, als dit speelt, om naast de activa correctie van de voorraadpositie ook

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz

1,25


de kortlopende gekoppelde financiering handmatig uit de kortlopende schulden te elimineren. De quick ratio die dan ontstaat dient vervolgens te voldoen aan de gestelde norm.

door vergelijk tussen verschillende bedrijven in feite niet mogelijk is.

Als de quick ratio vervolgens nog steeds onder norm ligt, dan bekijk je de absolute waarde van de activa post voorraad. Op basis van die waarde kun je berekenen wat de omloopsnelheid van de voorraad is (jaar inkoopwaarde omzet gedeeld door de voorraadpositie op de balans). De uitkomst hiervan geeft aan hoeveel keer de betreffende voorraadpositie in een jaar noodzakelijk is. Is de uitkomst van deze rekensom 6, dan houdt dat in dat de aanwezige voorraadpositie in totaal 6 keer nodig is om de jaaromzet te kunnen draaien. Anders gezegd ligt er dan dus voor 2 maanden voorraad in het bedrijf. De vraag is hierbij of dit enerzijds noodzakelijk is en anderzijds bedrijfseconomisch geen risico’s met zich mee brengt.

Het alleen beoordelen van de current en quick ratio in het kader van liquiditeit geeft wel de verhoudingen in de balans weer, echter nog geen gevoel over de grootte van deze ratio’s. Het netto werkkapitaal, als uitkomst van de vlottende activa minus de kortlopende schulden, geeft dan lading aan de gescoorde current ratio.

Dit laatste zal zeker het geval zijn als de voorraad onderhevig is aan waardeschommelingen door marktontwikkelingen. Dit is in hoge mate afhankelijk van de branche waarin het bedrijf zit.

In de markt worden normaal gesproken de volgende grenzen van wat wel of niet voldoet aan de classificatie gezond bedrijf gehanteerd:

In het gesprek met de ondernemer vraag je naar zijn beeld en visie en bespreek je of het wellicht niet verstandiger is een lagere, up to date, voorraad aan te houden (mede afhankelijk van de snelheid van levering). Door een lagere voorraadpositie zal de post liquide middelen normaal gesproken evenredig stijgen met de afname van de voorraad, waardoor de current ratio gelijk blijft en de quick ratio stijgt. Het belang van een goede current en quick ratio is duidelijk. Als een van deze twee in gevaar komt, lees beneden de norm, dan kan de consequentie hiervan zijn dat de onderneming niet aan haar kortlopende verplichtingen kan voldoen. Leg het geconstateerde derhalve goed vast, inclusief de visie van de ondernemer hierop.

Netto werkkapitaal

vlottende activa - kort vreemd vermogen

Bij de beoordeling hiervan is met name de ontwikkeling over de jaren heen belangrijk; is hier een dalende tendens waarneembaar, dan is de vraag legitiem wat er gaat gebeuren in een volgend jaar. Overigens is een negatief netto werkkapitaal logischerwijs tevens een current ratio kleiner dan 1,0.

0<

0

Als normering voor het netto werkkapitaal hanteer je dus dat deze positief dient te zijn. Hoeveel positief is niet aan te geven, aangezien dit mede afhankelijk is van de omvang van het bedrijf, is deze groot dan zal er een hogere netto werkkapitaal positie aanwezig dienen te zijn, dan wanneer de onderneming qua omvang klein is. De uitkomst van het netto werkkapitaal geeft aan hoeveel “overwaarde” er zit tussen de vlottende activa en kortlopende schulden als buffer om tegenvallers op te kunnen vangen binnen de vlottende activa (bijvoorbeeld failliet gaan van een openstaande debiteur, incourantheid van een deel van de voorraad etc.). Op bovenstaande wijze beoordeel je dan ook het netto werkkapitaal en bespreek je dit met de ondernemer.

Om zicht te krijgen op de liquiditeitspositie van een bedrijf wordt ook vaak de formule voor netto werkkapitaal gehanteerd. Het netto werkkapitaal is een absoluut getal, waar-

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz

>0


Solvabiliteitsratio’s Solvabiliteitsratio’s tonen of een bedrijf geheel kan voldoen aan alle externe financiers (die partijen die het vreemd vermogen van de onderneming hebben verstrekt).

Solvabiliteit eigen vermogen De eerste solvabiliteitsratio laat zien wat de verhouding eigen vermogen ten opzichte van vreemd vermogen is als deelsom van eigen vermogen op totaal aan activa en geeft een soort buffer aan.

eigen vermogen balanstotaal In de markt worden normaal gesproken de volgende grenzen van wat wel of niet voldoet aan de classificatie gezond bedrijf gehanteerd: 15%

15% - 30%

30%

Dit heeft alles met waarde en waardering te maken. Belangrijker is het een oordeel te vellen over in welke mate de buffer voldoende is, in de continuïteitsgedachte, om een aantal slechte jaren te kunnen overbruggen. In de regel kan een bedrijf wel de kosten beïnvloeden (tering naar de nering zetten) maar niet of nauwelijks de omzet, marge of de markt. Daarom wordt het solvabiliteitspercentage ook wel uitgedrukt ten opzichte van de (vaste) exploitatiekosten door het eigen vermogen te delen op de (vaste) exploitatiekosten. In de beoordeling van de solvabiliteit eigen vermogen is naast het absolute berekende percentage ook de ontwikkeling van de afgelopen jaren erg belangrijk. Wordt een daarbij geconstateerde dalende tendens doorgezet en brengt het daarmee beneden de norm? De solvabiliteit eigen vermogen geeft aan of de onderneming voldoende reserves heeft om mindere jaren te kunnen doorstaan, zonder dat de onderneming in gevaar van faillissement komt.

Indien je hier constateert dat er een dalende tendens in de solvabiliteit eigen vermogen zit en wellicht nog erger deze richting het absolute minimum als norm ontwikkelt, dan dien je te onderzoeken waardoor dit komt. De “waarom” vraag. In het geval van dividend onttrekking wijs je de ondernemer op de consequenties en de hieruit voortvloeiende gevaren van dit beleid. Daarnaast wordt het in dat geval nog belangrijker te kijken naar de toekomstige financiële ontwikkelingen van het bedrijf, welke onderbouwd door de accountant in samenwerking met het bedrijf worden opgesteld.

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


Waarom vraag - voorbeeld Stel je ziet een dalende tendens in de solvabiliteit eigen vermogen. De eerste waarom vraag die je jezelf stelt is: komt deze daling door een dalende eigen vermogenspositie, een stijgende balanstotaalpositie of een combinatie van beide? Vervolgens ontdek je dat dit in een bepaald geval komt door een dalende eigen vermogenspositie. Wederom ben je scherp en vraag je jezelf af waardoor deze daling komt. Is dit doordat het bedrijf verlieslatend is of heeft het bedrijf wel winst gemaakt, maar wordt er ook dividend onttrokken? Jouw gevoel over de onderneming in het geval van dividendonttrekking versus een verlieslatende onderneming zal, neem ik aan, heel anders zijn. De waarom vraag is dan ook altijd zeer belangrijk, dwing jezelf om deze diepgang aan te brengen in datgene wat je van de onderneming en ondernemer weet.

Solvabiliteit vreemd vermogen Een andere solvabiliteitsratio laat zien of het vreemd vermogen betaald kan worden door de verkoop van alle activa, dus zonder rekening te houden met een correctie door eigen vermogen.

totale activa vreemd vermogen Hoe groter de uitkomst van deze deling is (dus hoe groter het eigen vermogen), hoe groter de buffer om verlies op de verkoop van activa te kunnen opvangen.

Debt ratio Ook kun je de term Debt Ratio tegenkomen. Hierbij wordt gekeken naar de mate waarin het totale vermogen is gefinancierd met vreemd vermogen.

vreemd vermogen totaal vermogen Let op: het vreemd vermogen vermeerderd met het eigen vermogen is meestal niet gelijk aan het balanstotaal; de post die hierbij buiten beschouwing wordt gelaten is de

post voorzieningen (pensioen gerelateerd, latente belastingen en overige voorzieningen zoals groot onderhoud). Normaal gesproken is een dalende tendens van de debt ratio positief te noemen; het deel aan vreemd vermogen daalt dan. Zoals hiervoor al aangegeven bij de rentabiliteit is de beoordeling hiervan met name een keuze van de onderneming een extra financiering te doen middels vreemd of eigen vermogen, afhankelijk van rendement en de te betalen rentevoet. In de beoordeling van de financiële positie van het bedrijf is deze ratio van beperkt belang. In je analyse vestig je de aandacht in hogere mate op de solvabiliteit eigen en aansprakelijk vermogen.

Solvabiliteit aansprakelijk vermogen In veel gevallen wordt ook gekeken naar het aansprakelijk vermogen. Hierbij wordt op basis van de solvabiliteit eigen vermogen een aantal correcties in die formule doorgevoerd. Het aansprakelijk vermogen laat zien welke buffer aanwezig is binnen het bedrijf, stel dat het in staat van faillissement is. Het garantievermogen of aansprakelijk vermogen wordt bepaald door het eigen vermogen te corrigeren met een aantal posten. De posten die hierop worden gecorrigeerd zijn: Activazijde balans: goodwill (negatieve correctie) RC Directie (negatieve correctie) Passivazijde: voorzieningen in de pensioensfeer (positieve correctie) latente belasting (positieve correctie) achtergestelde leningen (positieve correctie) RC Directie (positieve correctie)

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


Uitleg waarom positief of negatief wordt gecorrigeerd: Goodwill: redenering hier is dat als het bedrijf failliet gaat, er ook geen waarde meer toegekend kan worden aan de goodwill. Daarnaast is goodwill niets tastbaars, niet zomaar te verkopen aan een ander. RC Directie: daar waar deze post aan actiefzijde staat, lees de directie een schuld heeft aan de onderneming, wordt er voorzichtigheidshalve van uit gegaan dat bij een faillissement de directie waarschijnlijk zelf ook niet veel vermogen meer heeft om deze vordering te kunnen betalen. In het geval dat deze post aan passiefzijde staat, lees de directie heeft een vordering op het bedrijf, nemen we het bedrag positief mee in de berekening van het aansprakelijk vermogen omdat, zeker vanuit de bank optiek, er waarschijnlijk ook een borgstelling speelt. Voorzieningen pensioensfeer: ook deze post wordt, in ieder geval door de bank, meegenomen in het buffervermogen. Uiteraard is het wel zo dat hier een (harde) toezegging door het bedrijf is gedaan aan de betreffende ondernemer, maar aflossing van schulden gaat hier voor.

tere reële waarde hebben dan de waarde die in de balans staat. We spreken hierbij dan van stille reserves die in voorkomende gevallen een verhoging geven van de eigen (aansprakelijk) vermogen positie en met hetzelfde bedrag een hoger balanstotaal. Indien deze hogere waarde meegenomen dient te worden bij de beoordeling, zal een goede objectieve onderbouwing gevraagd worden. Een voorbeeld hierbij is het zakelijk onroerend goed, welke middels een afgegeven WOZ waarde aantoonbaar meer waard is dan de vermelde balanswaarde. Let op dat je dan rekening houdt met belasting (latentie) invloeden, zodat je laat zien verstand van zaken te hebben. De solvabiliteit aansprakelijk vermogen kan als onderbouwing dienen, daar waar de solvabiliteit eigen vermogen te klein is, mits er een ruime overwaarde in het aansprakelijk vermogen zit ten opzichte van de norm voor een gezond bedrijf, welke minimaal 20% dient te bedragen. In de markt worden normaal gesproken de volgende grenzen van wat wel of niet voldoet aan de classificatie gezond bedrijf gehanteerd: 10%

Voorzieningen latente belasting: latente belastingen dienen pas te worden betaald, wanneer de belastinglatentie eraf is. Aangezien de meerwaarde van een actief pas later wordt gerealiseerd, is er ten tijde van het uitwinnen van de diverse bezittingen, ten einde de schulden te kunnen betalen, nog geen formele belastingschuld. Nadat de schulden zijn betaald, zal de belastingdienst wel kijken of er nog wat te halen valt, maar de kans is dan niet zo groot meer.

10% - 20%

De bank gebruikt de uitkomst van het aansprakelijk vermogen als risico inschatting daar waar sprake is van een financieringslijn. Hierbij worden de risico’s bepaald inzake de terugbetaling van de verstrekte financiering in het geval van een dreigend faillissement. Hoe hoger het percentage van het aansprakelijk vermogen, hoe kleiner het risico dat de positie richting de bank niet kan worden afgelost ingeval van faillissement.

Achtergestelde leningen: daar waar leningen een achtergesteld karakter kennen, worden deze sowieso pas afgelost nadat alle andere schuldeisers zijn voldaan waarvoor deze achterstelling geldt. Daar waar er sprake is van een negatieve correctie (ingeval deze aan activazijde staan), dient in de berekening van de solvabiliteit op basis van aansprakelijk vermogen een gelijke correctie te worden doorgevoerd op het balanstotaal (wordt dan dus ook minder). Tenslotte kan het zo zijn dat enkele activa posten een gro-

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz

20%


Omlooptijd:

365 dagen omloopsnelheid Omlooptijd debiteuren (tijd die verstrijkt vanaf het moment dat u de factuur verstuurt totdat deze betaald wordt):

debiteuren x 365 omzet op rekening Omlooptijd crediteuren (de snelheid waarmee de onderneming de binnenkomende facturen betaalt):

Een ander risico dat speelt is dat als het aansprakelijk vermogen lager is dan de gehanteerde norm van de betreffende bank en zij meer zekerheden willen vanuit de privé situatie van de klant of zelfs overwegen de kredietlijn sneller te laten inlossen tot zelfs het opzeggen hiervan. De gevolgen van een dergelijk strak beleid van de bank kan er toe leiden dat de overlevingskans van het bedrijf sterk verkleint.

Activiteitsratio’s Deze ratio’s zeggen iets over de effectiviteit waarmee een onderneming omgaat met de in de onderneming aanwezige middelen. Hierbij worden balansposten gekoppeld aan activiteiten. Veel voorkomende begrippen in dit kader zijn: omlooptijd en omloopsnelheid.

Omlooptijd

De omlooptijd geeft aan hoe lang het duurt (in dagen) vanaf het moment van het ontstaan van een schuld, vordering of voorraad tot aan het beëindigen van deze balanspositie.

Omloopsnelheid

Deze ratio geeft aan hoe vaak zo’n bepaald traject van ontstaan tot beëindiging in een jaar gebeurt. Een aantal formules hiervoor is:

crediteuren x 365 inkoop op rekening Let op: zowel de debiteuren als ook de crediteuren worden in de balans opgenomen inclusief BTW, echter in de winst-en-verliesrekening exclusief BTW. Een juiste berekening van de omlooptijd dient hiermee rekening te houden. Ik kies er echter voor deze BTW verschillen niet mee te nemen (deze kunnen namelijk 0/6/21% bedragen of een percentage daartussen als meerdere BTW tarieven spelen). Voor de beoordeling van de omlooptijd is het belangrijker de ontwikkeling over meerdere jaren te analyseren en steeds op dezelfde wijze te berekenen. Daarnaast dien je er bewust van te zijn dat de berekende waardes gebaseerd zijn op een momentopname qua hoogte debiteuren-, crediteuren- en voorraadpositie. Aangezien geen enkel bedrijf een gelijkblijvende omzet heeft over alle maanden, onderhevig is aan seizoensinvloeden, geeft de uitkomst daarmee niet een zuiver gemiddelde aan qua omlooptijd of omloopsnelheid. Je bekijkt dus hier de tendens die je ziet, waarbij de berekening van de omlooptijd of omloopsnelheid steeds op dezelfde datum in een jaar is gedaan. Omloopsnelheid totale activa (hoeveel omzet wordt er gemaakt ten opzichte van de totale waarde van de activa):

jaaromzet totale activa

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


Deze laatste ratio kan ook worden bepaald als omloopsnelheid van de voorraad of alleen van de vaste activa. De formule is dan gelijk aan boven met dien verstande dat de totale activa vervangen wordt door voorraad of vaste activa. De belangrijke activiteitsratio’s zijn de omlooptijd debiteuren en crediteuren. Het aantal dagen dat hieruit wordt berekend geeft aan wat de gemiddelde doorlooptijd is van een crediteur c.q. debiteur op basis van de balanswaarde. Wees voorzichtig met een waardeoordeel over de berekende absolute waarde vanwege de BTW problematiek (debiteuren en crediteuren inclusief BTW, omzet en inkoopwaarde exclusief BTW) en de seizoensinvloeden. De beoordeling van deze twee ratio’s dient dan ook over meerdere jaren plaats te vinden, waarbij de vergelijkingsdatum steeds dezelfde dient te zijn voor een zuiver vergelijk (bijvoorbeeld steeds op 31 december van enig jaar). Naast de hieruit komende tendens is het vooral belangrijk de debiteuren- en crediteurentermijn qua ontwikkeling met elkaar te vergelijken.

In normale omstandigheden zal in tijden van voortschrijdende economische crisis bij beiden een stijgende tendens waarneembaar zijn en omgekeerd in tijden van voortschrijdende economische groei een dalende tendens. Daar waar er een tegengestelde beweging te zien is tussen de debiteuren- en crediteurentermijn, dien je na te gaan wat er aan de hand is. Zo zal bij een stijgende crediteurentermijn bij gelijktijdige dalende tendens van de debiteurentermijn de onderneming waarschijnlijk in zware liquiditeitsproblemen zitten; er wordt hard gejaagd op de debiteuren, terwijl de crediteuren moeten wachten op betaling. Overigens kan dit beeld ook een meer logische reden hebben. Vraag de ondernemer of er een bepaald beleid wordt gevoerd en waarom. Gebruik vervolgens je gezonde boerenverstand om zijn uitleg te beoordelen op realiteitsgehalte.

In de vastlegging van je analyse beschrijf je hier de afwijkende zaken en hoe de onderneming hiermee om gaat, c.q. welk beleid er wordt gevoerd. De hierboven beschreven tegengestelde beweging kan aanleiding zijn om grote voorzichtigheid te betrachten bij je advies inzake de hypothecaire lening.

Tot slot nog enkele andere vaak voorkomende termen en hun uitleg: EBIT De afkorting EBIT staat voor Earnings Before Interest en Taxes. Letterlijk vertaald betekent dit dus dat hiermee de winst voor belasting en rentelast wordt berekend.

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


De EBIT is een maatstaf voor de operationele winst van een onderneming voor aftrek van rente en belasting waarbij de uitkomst wordt gebruikt om de interest-coverage ratio te kunnen berekenen.

EBITDA De afkorting EBITDA staat voor Earnings Before Interest, Taxes, Depreciation en Amortization. Letterlijk vertaald betekent dis dus dat hiermee de winst voor rentelast, belasting, afschrijvingen en waardeverminderingen (afwaarderingen) wordt berekend. De EBITDA is een maatstaf voor de brutowinst van een onderneming. De EBITDA wordt gebruikt om de cashflow ratio te kunnen berekenen. Zowel de EBIT alsook de EBITDA geven een uitkomst in een euro bedrag. Hiermee ontstaat er een gevoel voor de grootte van de interest-coverage ratio en de cash flow ratio. Qua bedrag is hier dan ook geen echte beoordeling van te doen.

Interest-coverage ratio:

Het kan zijn dat een deel hiervan de rente op de RC directie en/of eigen financieringslijnen betreft (concern). De hier weergegeven “interne” rentelast zal in tijden van mindere resultaten niet zo snel leiden tot een faillissementsgevaar, dan wanneer de rentelast uitsluitend externe financiers betreft. Indien de uitkomst van deze berekening beneden de gestelde norm ligt, dan bespreek je dit met de ondernemer, kijk je naar verhouding externe en interne rentelast en beoordeel je samen met de ondernemer of de toekomstverwachting aanleiding geeft tot risico’s voor de bedrijfsvoering.

Cashflow ratio De cashflow ratio geeft aan of de cashflow (nettowinst voor belastingen, rentelast plus afschrijvingen en afwaarderingen = EBITDA) voldoende is om aan de financiële verplichtingen te kunnen voldoen van het vreemde vermogen; rente en aflossingsverplichtingen. totaal resultaat + jaarlijkse afschrijvingen + rentelasten

De interest-coverage ratio (letterlijk vertaald het rentedekkingspercentage) geeft aan hoeveel keer een onderneming de rentelast verdient. Hiermee wordt bepaald hoeveel de omzet kan dalen, alvorens de onderneming niet meer aan haar financiële verplichtingen, zijnde de rentelast, kan voldoen. Hierbij wordt het bedrijfsresultaat berekend als winst voor belasting en rentelast oftewel de EBIT. De rentelast of beter gezegd de financiële last bestaat hierbij uit betaalde rente plus de in rekening gebrachte bankkosten (bijvoorbeeld kosten gebruik rekening) en kan dus nooit nihil zijn.

resultaat voor belasting + rentelast (EBIT) rentelast Deze ratio, met name belangrijk voor de financier, moet men beoordelen vanuit het risico dat, indien het bedrijf niet kan voldoen aan haar (externe) renteverplichting, de kans groot is dat kredietlijnen worden opgezegd, met als uiteindelijk gevolg een faillissement.

rentelasten + aflossingsverplichting op vreemd vermogen

Vanuit de rentabiliteitsgedachte is de cashflow ratio een belangrijke ratio. Als deling van de EBITDA door de financiële verplichtingen (rente en aflossingsverplichtingen), geeft deze ratio aan hoeveel keer een bedrijf in operationele zin (dus zonder deelnemingsresultaat) kan voldoen aan haar financiële verplichtingen. Een norm van minimaal 1,5 tot 2,0 wordt hierbij doorgaans gehanteerd. Ook hier ligt de logische minimale norm op 1, anders komt het bedrijf in acuut gevaar. In de markt worden normaal gesproken de volgende grenzen van wat wel of niet voldoet aan de classificatie gezond bedrijf gehanteerd:

1,00

1,00 - 2,00

Indien de interest-coverage ratio beneden de 1,0 ligt, is het raadzaam te kijken naar de opbouw van de rentelast.

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz

2,00


Je kunt in het geval je enkel historische cijfers hebt over de afgelopen drie boekjaren, berekenen of deze extra last de afgelopen drie jaar betaald had kunnen worden, ter onderbouwing van een passend advies, passend in de zin van betaalbaar. Y3 Y2 Y1

-> -> ->

correctie X3 correctie X2 correctie X1

Hierbij staat Y voor Year (jaar).

Een extra financiële last in het bedrijf uit hoofde van de kosten van het geadviseerde financiële product heeft daarmee directe consequenties voor zowel de interestcoverage ratio als ook de cashflow ratio, de winst voor belasting wordt tenslotte minder door een extra kostenpost. Gezien de gevaren die hierin zitten in de relatie tussen klant en zijn bank, een risico welke verstrekkende gevolgen kan hebben. Het verdient dan ook aanbeveling te berekenen of de extra last niet als consequentie heeft dat beide ratio’s onder norm komen, daar waar die extra last een zakelijke last betekent. Deze handmatige berekening voer je als volgt uit: Bij de cashflow ratio wordt de EBITDA gedeeld door de optelsom van rente en aflossingsverplichtingen. Door het geadviseerde product zal er een extra bedrijfslast ontstaan van euro x, welke in mindering moet worden gebracht op de EBITDA, de extra last heeft namelijk tot consequentie dat de kosten hoger en daarmee de winst lager zal zijn. Vervolgens deelt u de nieuw berekende EBITDA weer op de financieringslast (rente en aflossing).

Overigens kan het zijn dat er wel winst wordt gemaakt, maar toch de cashflow ratio een getal geeft welke kleiner is dan 1. Dit komt dan doordat de aflossingsverplichtingen in een jaar de afschrijvingen overstijgen. In dat geval is er in feite sprake van een niet gelijklopende financieringsopzet versus de lineaire of degressieve afschrijvingsmethodiek die het bedrijf hanteert. In samenspraak met de accountant is dit een punt van aandacht welke wellicht met een andere aflossingscomponent te repareren valt. Hierbij is dan de medewerking van de (externe) financier noodzakelijk, waarbij geldt dat vroeg signaleren en bespreken beter is dan afwachten totdat de aflossing niet meer kan worden betaald. Bij zowel de interest-coverage ratio alsook de cashflow ratio is met name de ontwikkeling belangrijk, waarbij een neergaande tendens in een volgend jaar er niet toe moet leiden dat er een score minder dan 1,0 resulteert.

Vrije cashflow De vrije cashflow, als som van winst na belasting plus afschrijvingen minus de aflossingsverplichting, geeft een euro bedrag welke resteert voor het doen van investeringen. Overigens wordt dit getal ook veel gebruikt in de vrije beroepensector ter bepaling van het te besteden “inkomen”. Vrije beroepers zullen vaak een maatschap kiezen als ondernemingsvorm. Daar waar er sprake is van een beginnende maat in zo’n maatschap zal deze maat in de eerste jaren vaak een negatief belastbaar inkomen laten zien, door de hogere afschrijving van de lening welke noodzakelijk was om maat te worden, versus de dan lagere aflossingsverplichting vanuit die lening. De situatie

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


is dan dat er over een kortere periode wordt afgeschreven dan dat de aflossingsverplichtingen lopen. De vrije cashflow geeft dan aan welk besteedbaar “inkomen” de maat ter beschikking staat. In die situaties dat je een financieel product adviseert waarvoor een bepaald inkomen noodzakelijk is, zoals een hypothecaire lening, wordt dit inkomen dan mede onderbouwd met het aanwezige bedrag van de vrije cashflow. Het fiscale inkomen zal in de meeste situaties gedurende de eerste jaren klein of misschien wel negatief zijn, terwijl dit later als de afschrijvingen zijn gedaan een stuk hoger zal zijn. De vrije beroeper zal in samenspraak met zijn accountant dan trachten om gedurende de jaren een zo stabiel mogelijk besteedbaar inkomen te genereren door te beginnen als natuurlijk persoon in de maatschap en later dit om te zetten naar een rechtspersoon.

FTE’s Tot slot is het raadzaam om het verloop in FTE’s te bekijken. Personeelsleden in vaste dienst zorgen voor een hogere directe kostenpost. Daar waar het rendement onder druk staat, c.q. minimaal is, verdient het aanbeveling te kijken of er een flexibele arbeidsschil (dus ook kostenschil) aanwezig is. Een hogere vaste kosten positie geeft een hoger risico, daar waar er mindere tijden zijn. In feite beoordeel je dan hier in hoeverre de onderneming in staat is zich aan te passen op kostenniveau in de situatie dat de omzet wegvalt, sterk vermindert.

Kasstroomoverzicht

vesteringskasstroom geeft een overzicht van de investeringen en desinvesteringen in een bepaalde boekperiode en de financieringskasstroom laat tenslotte zien wat het saldo is van aangetrokken vreemd vermogen versus aflossingen en dividenduitkeringen. Uiteindelijk blijft dan de netto kasstroom over die de verklaring van de mutatie van de post liquide middelen op de activa zijde van de balans geeft. Deze netto kasstroom kan hierbij op twee manieren worden berekend :

Directe methode Hierbij worden de operationele ontvangsten en uitgaven gesaldeerd met als uitkomst het verschil in liquide middelen van het voorgaand jaar naar het huidig jaar.

Indirecte methode Bij de indirecte methode wordt geredeneerd vanuit de winst, met hierop de correctie van bijvoorbeeld afschrijvingen, mutaties in voorzieningen, werkkapitaal en boekwinsten. Kortom hierbij komen alle balansposten aan bod. De indirecte methode wordt in de jaarrekening het meest gebruikt. Hiertoe wordt er een zogenaamde mutatiebalans opgesteld, die aangeeft welke mutaties er zijn geweest op alle overige balansposten met daarbij als sluitpost de liquide middelen. De mutatie hierop is dan de kasstroom van betreffende periode. Onderstaand een voorbeeld hoe een kasstroom berekend kan worden op de indirecte manier:

In een jaarrekening wordt vaak een overzicht geplaatst van de kasstroom. Het kasstroomoverzicht bestaat uit drie soorten kasstroom, die samen leiden tot de netto kasstroom. Deze drie kasstroom onderdelen zijn: 1. operationele kasstroom; 2. investeringskasstroom; 3. financieringskasstroom. Bij de operationele kasstroom kijk je in hoeverre de onderneming erin is geslaagd de behaalde operationele winst om te zetten in een groei van de liquide middelen. De in-

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


Leergang â&#x20AC;&#x153;De ondernemer & jaarrekeningâ&#x20AC;? bepalen bestendig ondernemersinkomen Š copyright overviewz


Liquiditeitsbegroting en Exploitatiebegroting plotatiebegroting weergegeven. Bij een liquiditeitsbegroIn de voorgaande hoofdstukken heb ik de balans en winst-en-verliesrekening geanalyseerd met als doel het verleden te analyseren. Belangrijk is uiteraard ook het analyseren van de toekomst, waarbij begrotingen (prognoses) onontbeerlijk zijn. Let echter op dat papier “geduldig” is. Om prognoses te beoordelen wordt de lijn van kengetallen uit het verleden doorgezet naar de toekomst tenzij de ondernemer hier een goede onderbouwing kan geven van zijn verwachting. Stel je vraagt aan de ondernemer wat zijn verwachting naar de toekomst is, waarbij volgend beeld uit de historie blijkt:

ting wordt er een overzicht gemaakt van de ontvangsten en uitgaven over een bepaalde periode. Voor de (middel) lange termijn gebruik je jaarprognoses, om schommelingen binnen een boekjaar aan te geven wordt meestal de liquiditeitsbegroting op maandbasis berekend. Hiermee kan een bedrijf inzichtelijk maken of het aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen. Bij een exploitatiebegroting (ook wel resultatenbegroting genoemd) wordt er een overzicht gemaakt van de opbrengsten en de kosten binnen een bepaalde periode. De verschillen tussen een liquiditeits- en exploitatiebegroting zijn:

Liquiditeitsbegroting inkomsten en uitgaven bedragen inclusief BTW geen afschrijvingen rente alleen als dit betalingen zijn prive inkomsten en uitgaven aflossingen van leningen overige kosten als dit betalingen zijn Wat denk je dat een ondernemer dan zal aangeven? Hij is tenslotte een ondernemer en het zou vreemd zijn als hij wat anders verwacht dan een positieve kentering:

De vraag die je jezelf hierbij dan wel moet stellen is hoe hij deze kentering gaat bewerkstelligen en is dat wel realistisch? Wederom gebruik hier je gezond boerenverstand. Toekomstbeelden worden vaak in een liquiditeits- of ex-

Exploitatiebegroting kosten en opbrengsten bedragen exlcusief BTW afschrijvingen rentekosten geen prive kosten/inkomsten geen aflossingen overige kosten (loon, algemeen etc.) Het verschil tussen inkomsten en uitgaven versus kosten en opbrengsten zit in het feit dat bij inkomsten en uitgaven er daadwerkelijk geld binnenkomt of geld uitgaat, terwijl bij kosten en opbrengsten dit gerelateerd is aan versturen of ontvangen van facturen, los van het feit of deze betaald zijn of ontvangen. Bedrijven kunnen van slecht tot goed scoren. Bij slechte bedrijven is het in dit kader van belang om de term

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


“technisch failliet” te introduceren.

We kennen de volgende hoofdgroepen qua branches:

Een bedrijf is technisch failliet wanneer ze niet aan haar kortlopende verplichtingen kan voldoen en de mogelijkheid om liquiditeiten vrij te maken (nagenoeg) onmogelijk is.

1. bouwnijverheid; 2. detailhandel en ambachten; 3. groothandel; 4. horeca, recreatie en catering; 5. industrie; 6. kinderopvang en onderwijs; 7. kunst, cultuur en amusement; 8. landbouw, veeteelt en visserij; 9. vervoer en opslag; 10. zakelijke dienstverlening; 11. zorg.

Bij bedrijven waar de continuïteit in het geding is, moet de jaarrekening hierover uitleg geven en zal de accountant dit vermelden in zijn verklaring. In de praktijk wordt hier zeer verschillend mee omgegaan, met name in het MKB.

Branches en branche informatie Een goede financiële analyse kan niet zonder inzage in branche gegevens. Daar waar een ratio bij het ene bedrijf als niet voldoende wordt gezien, zal bij een ander bedrijf uit een andere branche wel als financieel gezond aangemerkt worden. Er kunnen dus grote verschillen zijn tussen de ratio’s bij verschillende branches. Zo zal het ene bedrijf zeer kapitaalsintensief zijn (dus veelal ook veel vreemd vermogen hebben), terwijl het andere bedrijf in een andere branche zich kenmerkt door een relatief hoge voorraadpositie. Om te kunnen beoordelen of de berekende ratio’s aanleiding geven de financiële positie als onvoldoende te kwalificeren, is het daarin nodig deze af te zetten tot de specifieke branche. Om meer beeld te krijgen bij een bepaalde branche en haar toekomstverwachting, is het raadzaam om voor de bij deze branche specifieke informatie op te zoeken. Websites waar je (zij het soms summier) branche-informatie vrijelijk kunt bekijken zijn o.a.: de site van de Rabobank, ABN AMRO bank en ING bank. Meer diepgaande informatie over een branche is overigens (tegen betaling) ook vrij gemakkelijk te vinden op internet. Naast de branche-informatie is hierbij een goed gesprek met de ondernemer zeker ook van toegevoegde waarde.

Tip: lees eerst de vrij toegankelijke branche-informatie

over de branche alvorens je het gesprek met de ondernemer aangaat; hierdoor kom je meer beslagen ten ijs en zal de ondernemer een positievere indruk van je hebben en je meer vertrouwen geven. Uiteindelijk zal dit vertrouwen zich uitbetalen in de vorm van het verkrijgen van de opdracht tot dienstverlening. Hiermee is dit hoofdstuk ten einde gekomen. Ik heb hier laten zien op welke wijze je de cijfers in een jaarrekening goed kunt beoordelen aan de hand van financiële kengetallen. Belangrijk hierbij is, naast het gebruik van je gezonde boerenverstand, jezelf steeds de waarom vraag te stellen in die situaties waar je een vreemde ontwikkeling ziet of wanneer er een (sterke) positieve of negatieve tendens waarneembaar is. Probeer hierbij je oordeel pas te geven als je het spreekwoordelijke naadje van de kous weet. Met dit hoofdstuk heb ik de gehele jaarrekening behandeld en zal ik in het volgende, tevens laatste, hoofdstuk laten zien hoe je nu op basis van alle beschikbare informatie een bestendig ondernemersinkomen bepaalt.

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


Bepalen bestendig ondernemersinkomen In de vorige hoofdstukken heb ik je uitgelegd welke ondernemingsvormen er zijn in Nederland en hoe deze ondernemingsvormen fiscaal en juridisch werken. Vervolgens heb je kunnen zien hoe een balans en winst-en-verliesrekening is opgesteld, uit welke posten die bestaat en hoe deze posten tot stand zijn gekomen. In het laatste hoofdstuk heb ik vervolgens uitgelegd hoe je de financiële positie van een bedrijf kunt bepalen aan de hand van diverse financiële kengetallen, hoe je deze kunt berekenen en beoordelen. Tot slot ga ik je in dit hoofdstuk uitleggen op welke manier je, op basis van de opgedane kennis, een bestendig ondernemersinkomen kunt bepalen en welke gegevens je daarvoor nodig hebt. Uiteraard zal ik je ook laten zien hoe je in voorkomende situaties, daar waar de financiële situatie van het bedrijf ogenschijnlijk niet voldoet aan de norm die is opgelegd, een onderbouwing kunt geven om de verkregen uitkomsten toch als acceptabel te beoordelen. Het bepalen van het bestendige zakelijke inkomen is noodzakelijk voor een goede advisering van hypotheek, AOV en/of consumptief krediet. Wat de insteek ook is, de berekening van het inkomen zal steeds dezelfde zijn. Het enige verschil tussen de advisering in hypotheek en consumptief krediet enerzijds en AOV anderzijds is dat bij de advisering van AOV je naar de verschillende onderdelen van het zakelijk inkomen kijkt en bepaald welke van die onderdelen wegvallen bij arbeidsongeschiktheid. Naast de uitleg die ik je nu ga geven, is het belangrijk steeds bewust te zijn dat bedrijfseconomie een kwestie is van gezond boerenverstand. Blijf steeds logisch nadenken en je zult zien dat het antwoord op je vraag vanzelf zal komen. Ook zul je steeds een kritische blik moeten houden, ga niet te snel oordelen op iets wat je ziet, maar stel jezelf de waarom vraag, zodat jouw oordeel gebaseerd is op de realiteit en niet alleen op de uitkomst van een berekening.

Beoordelen van een bedrijf Een cijfermatige beoordeling van een bedrijf wordt op

basis van drie assen gedaan. Deze drie assen zijn: 1. Solvabiliteit; kan een bedrijf aan al haar verplichtingen voldoen? 2. Liquiditeit; kan een bedrijf aan haar kortlopende verplichtingen voldoen? 3. Winstontwikkeling; wat is het rendement van een bedrijf? Of je deze beoordeling nu doet met als doel een bestendig inkomen te berekenen, of een onderbouwing wil geven van de betaalbaarheid van een geadviseerd product, zoals bijvoorbeeld een collectieve pensioenregeling, of een krediet wil verstrekken, de beoordeling zal altijd gebeuren aan de hand van deze drie assen. Bij de solvabiliteit zal dan gekeken worden naar de solvabiliteit eigen vermogen (welke deel van het balanstotaal bestaat uit eigen vermogen) of de solvabiliteit van het aansprakelijk vermogen (welke buffer is er binnen het bedrijf aanwezig, stel het zou nu failliet gaan?). De solvabiliteit aansprakelijk vermogen zal met name door een bancaire instelling worden gevraagd om te berekenen wat de kans is dat het verstrekte krediet geheel kan worden terugbetaald. Bij de liquiditeit zal gekeken worden naar de current ratio of quick ratio. Beide ratio’s geven een beeld of het bedrijf snel geld kan genereren om de verplichtingen die ze snel moet betalen ook te kunnen betalen. Het alleen beoordelen van een quick ratio, waarbij de voorraadpositie is geëlimineerd, is weinig zinvol als ik tegelijkertijd niet ook de waarde van de current ratio in mijn oordeel meeneem. Tot slot kijken we naar de winstontwikkeling. Hierbij wordt vaak de cashflow ratio als deling van de EBITDA op de financiële verplichting genomen als ratio op basis waarvan je een zakelijk product qua haalbaarheid kunt beoordelen. In het geval dat het doel het berekenen van een bestendig ondernemersinkomen is, is de winstontwikkeling in feite opgesloten in de inkomenspositie per jaar. Zo is bij natuurlijke (rechts)personen de winst het uitgangspunt voor het berekenen van het belastbaar inkomen van een jaar, terwijl bij een rechtspersoon de winst wordt toegevoegd aan het eigen vermogen en daar zijn werking heeft op solvabi-

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


liteit en liquiditeit, echter ook kan dienen om te berekenen of er ruimte is binnen het bedrijf om het inkomen omhoog te brengen. Om een bestendig ondernemersinkomen te kunnen berekenen heb je veel en diverse informatie nodig. Deze informatie dien je vervolgens te beoordelen op eigen inhoud en in relatie tot elkaar. Op het moment dat je dan tot een voldoende inkomen komt, noodzakelijk om het product zoals een hypothecaire lening te kunnen betalen, kun je volstaan met de relatief standaard onderbouwing. Echter, indien een of meerdere te beoordelen posities negatief afwijken van de normstelling en je vindt dat deze afwijking toch acceptabel is, zul je een gedegen onderbouwing moeten geven waarom jij vindt dat een niet aan de norm voldoende berekening, toch acceptabel is. Het alleen roepen dat de klant dit vindt is dan geen onderbouwing, zoals je zult begrijpen.

Welke informatie is er nodig? Om een bestendig ondernemersinkomen te kunnen bepalen heb je naast de informatie die je hebt verkregen van de ondernemer inzake de ontwikkeling van het bedrijf, hoe zijn markt eruit ziet, of er veel concurrenten zijn etc. de volgende zaken nodig: 1. De volledige jaarrekeningen van de afgelopen drie jaar. Ik noem hier expres de volledige jaarrekeningen omdat een jaarrekening zonder een toelichting op de balans en winst-en-verliesrekening en zonder de waarderingsgrondslagen en eventueel aanwezige directieverslag eigenlijk niet te beoordelen valt. Uit alle onderdelen haal je informatie waardoor jouw beeld over het bedrijf wordt gevormd. Daarnaast kun je bepaalde posten, door de toelichting die je daarop hebt gekregen, beter beoordelen en haal je uit het directieverslag het beeld dat de ondernemer over zijn onderneming heeft en wat hij richting de toekomst wil gaan doen. 2. IB aangiftes en liever nog aanslagen over de afgelopen drie jaar. Zowel in de situatie van een natuurlijk (rechts)persoon als bij een rechtspersoon is het natuurlijk belangrijk wat het inkomen is geweest van jouw klant. Bij een rechtspersoon neem je hier, net als bij

iemand in loondienst, het bruto salaris. Bij een natuurlijk (rechts)persoon kijk je naar het getal wat genoemd wordt in de IB aangifte als saldo fiscale winstberekening. In beide gevallen dien je scherp te zijn op de aanwezigheid van een eventuele bijtelling uit hoofde van een zakelijke auto die privé wordt gereden. Daar waar er in het inkomen een bijtelling vanwege een zakelijke auto is geweest, trek je dit fictieve inkomensdeel van het bedrag af. 3. Indien aanwezig, tussentijdse cijfers. Tussentijdse cijfers helpen je een beeld te geven over de resultaten in een jaar als dat jaar al ver is gevorderd, maar nog niet is afgelopen. Belangrijker bij tussentijdse cijfers is dat je hiermee een beweging welke je in het bedrijf ziet, of wilt zien, kunt onderbouwen. Stel een bedrijf is de laatste jaar minder gaan draaien, de ondernemer heeft echter aangegeven dat alles weer veel beter gaat, dan kan het beeld uit de tussentijdse cijfers je helpen om datgene wat de ondernemer heeft gezegd te onderbouwen. Ook in het geval je te maken hebt met een startende ondernemer en je nog geen drie jaarrekeningen kunt beoordelen, kan het helpen om op basis van tussentijdse cijfers te beoordelen of de ingezette weg een voortgang kent in de tussentijdse cijfers. Het mooiste is natuurlijk dat je naast tussentijdse winst-en-verliesrekening ook een tussentijdse balans ter inzage krijgt. Let wel op dat bepaalde posities binnen de winst-en-verliesrekening en balans tussentijds een ander beeld geven dan per ultimo boekjaar. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld de debiteurenlooptijd; je kunt je voorstellen dat een bedrijf in skispullen een andere debiteurenlooptijd laat zien in december dan bij tussentijdse cijfers per juli van enig jaar. In feite gebruik je tussentijdse cijfers in die situaties waar het nodig is iets te onderbouwen, een tendens sterker te maken of af te buigen van negatief naar positief, of om aan te tonen dat een ingeslagen weg wordt vervolgd. Kortom tussentijdse cijfers beoordelen doe je als het nodig is. 4. Uittreksel kamer van koophandel en organogram. Om te kunnen bepalen waar een inkomen wordt verdiend heb je inzage nodig in hoe het door jou beoordeelde bedrijf in verbinding staat met andere bedrijven. Zo’n organogram kun je opvragen bij de kamer van koophandel waarbij je concernrelaties opvraagt, maar

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


deze informatie kun je uiteraard ook direct bij je klant opvragen. Het nadeel van een uittreksel kamer van koophandel, al dan niet zijnde concernrelaties, is dat hier de aandeelhouders alleen getoond worden als er maar één aandeelhouder (100%) is. Zodra er meer aandeelhouders, wordt geen enkele aandeelhouder in beeld gebracht voor wat betreft het percentage aandeel. Deze informatie haal je dus bij de ondernemer of haal je uit de jaarrekeningen waar dit normaal gesproken ook in staat. Naast de aandeelbelangen in elkaar wordt er tevens getoond wie bestuurder is. In een normale situatie zal een bovenliggende moederbedrijf bestuurder zijn van het dochterbedrijf. In een concernrelatie overzicht van de kamer van koophandel zie je dit middels een afbeelding van een hamer. Maak van het organogram voor jezelf een afbeelding en licht toe welke rol en welk aandeel de verschillende vennootschappen in elkaar hebben. Daar waar je te maken hebt met meerdere vennootschappen die in verbinding met elkaar staan en de ondernemer middels een Holding constructie met management fee hier aan het hoofd staat (al dan niet samen met anderen), heb je de gegevens nodig van zijn Holding om daaruit een inkomen te kunnen bepalen en beoordeel je de bestendigheid op basis van de vraag of de onderliggende bedrijven voldoende financieel gezond zijn om de management fee die betaald moet worden (dus van alle Holdingbedrijven die hierboven staan) bestendig kan worden betaald. Een extra inkomensdeel halen uit een dochterbedrijf kan, maar alleen als je er 100% van overtuigd bent dat de betreffende ondernemer geheel zelfstandig kan beslissen of er dividend vanuit de dochter betaald kan worden aan de moeder (zijnde de Holding). In feite heb je hier alleen 100% zekerheid als er een 100% belang is in de dochter, zeker nadat in oktober 2012 een nieuwe wetgeving van kracht is geworden voor BV’s (flexibilisering BV recht) die het mogelijk maakt een splitsing aan te brengen tussen stem- en winstaandelen. Zo zou het zelfs in een extreem geval kunnen zijn dat iemand met 99% aandeel in een bedrijf, nog steeds geen uiteindelijke zeggenschap heeft in de betreffende vennootschap. Het gaat tenslotte over de zeggenschap en niet over het winstdeel.

Ondernemersinkomen op basis van NHG en op basis van niet NHG Wat zegt NHG over het bepalen van een inkomen uit een zakelijke activiteit? Op de site van de NHG zien we volgende tekst staan (bron: www.nhg.nl): (begin citaat paragraaf 6.3) ”Indien inkomen wordt genoten uit een zelfstandig beroep of bedrijf dient uit ditzelfde bedrijf met dezelfde bedrijfsactiviteiten minimaal de laatste 3 kalenderjaren aaneengesloten inkomen genoten te zijn. Het inkomen is de gemiddelde nettowinst van de afgelopen 3 kalenderjaren tot maximaal de nettowinst genoten in het laatste kalenderjaar. Ter bepaling van de nettowinst is het onderdeel “saldo fiscale winstberekening” van de aangifte IB leidend. Het inkomen van een directeur-grootaandeelhouder dient te worden beschouwd als inkomen uit zelfstandig beroep of bedrijf, met dien verstande dat bij de toetsing dient te worden uitgegaan van het gemiddelde bedrag van de inkomsten uit arbeid van de afgelopen 3 kalenderjaren, tot maximaal het bedrag van de inkomsten uit arbeid genoten in het laatste kalenderjaar. Indien uiterlijk per 1 juli van enig jaar gegevens van het afgelopen kalenderjaar niet beschikbaar zijn, dient te worden uitgegaan van de 3 kalenderjaren voorafgaande aan het afgelopen jaar. Toelichting: Gewijzigd is dat het inkomen van een zelfstandige niet meer 3 volledige kalenderjaren hoeft te zijn. Wel blijft gehandhaafd dat het inkomen uit een zelfstandig beroep of bedrijf minimaal drie kalenderjaren uit hetzelfde bedrijf met dezelfde bedrijfsactiviteiten dient te zijn genoten. Dit betekent dat het jaar waarin het bedrijf is gestart, in het vervolg ook meetelt. De drie kalenderjaren zijn noodzakelijk om de bestendigheid en continuïteit van het inkomen aan te tonen. Aan de hand van deze drie jaren wordt het gemiddelde inkomen vastgesteld. Indien het inkomen in het laatste kalenderjaar lager is dan het gemiddelde inkomen van de drie kalenderjaren, geldt het inkomen van het laatste kalenderjaar

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


als toetsinkomen. Rekenvoorbeeld: Inkomen 2013: € 24.000,Inkomen 2012: € 31.000,Inkomen 2011: € 28.000,Toetsinkomen (€ 28.000,- + € 31.000,- + € 24.000,-)/3 = € 27.667,- gemaximeerd op € 24.000,Tevens komt het voor dat een zelfstandige in de voorgaande drie kalenderjaren tijdelijk een inkomensvervangende uitkering heeft ontvangen, zoals een WAZ-uitkering in verband met ziekte. Indien hiervan sprake is, kan dit inkomen als een (sociale) uitkering worden meegeteld om het gemiddelde inkomen van de laatste drie kalenderjaren vast te stellen. Sommige zelfstandigen hebben geen jaarrapporten, zoals freelancers, deelvissers, predikanten, raadslieden en personen met inkomsten als zorgverlener uit een persoonsgebonden budget. Voor deze personen is een apart onderdeel opgenomen in de aangifte IB, te weten “inkomsten uit overige werkzaamheden”. Op basis hiervan kan het inkomen conform deze Norm worden vastgesteld. In het kader van een lening met Nationale Hypotheek Garantie is een aanvrager Directeur/Grootaandeelhouder (DGA), indien het aandeel in de B.V. meer dan 50% bedraagt. Het toetsinkomen wordt vastgesteld op basis van het onderdeel “inkomsten uit arbeid” van de aangifte IB van de laatste drie kalenderjaren conform norm 6.3. Bedraagt het aandeel in de vennootschap 50% of minder, dan wordt het toetsinkomen vastgesteld aan de hand van de werkgeversverklaring conform Norm 6.1 of 6.2. (einde citaat paragraaf 6.3)”. Note: paragraaf 6.1. op de site van NHG betreft Inkomen uit een arbeidsovereenkomst – bepaald – onbepaald paragraaf 6.2. op de site van NHG betreft Inkomen uit een flexibele en/of overige arbeidsrelatie

lijke auto privé rijdt en daardoor een bijtelling krijgt die in het saldo van de fiscale winstberekening zit en tot slot dat er pas sprake is van een ondernemer in de zin dat je hiervoor een aparte inkomensberekening moet doen, indien die ondernemer meer dan 50% aandeel in een rechtspersoon heeft. Ook zie je dat het inkomen van een ondernemer in de ogen van de NHG uitsluitend bestaat uit een inkomen dat je uit arbeid haalt, verwoord bij de IB aangifte in box 1. Een eventueel inkomen dat jouw klant kan halen of gehaald heeft uit box 2 wordt niet genoemd. Ook een eventueel box 3 inkomen wordt niet meegenomen bij het vaststellen van het inkomen. Hiermee zal in de meeste gevallen het berekend inkomen van de DGA lager uitvallen, dan wanneer er geen sprake is van NHG regels. Kun je de onderbouwing van een ondernemersinkomen beperken tot datgene wat aan inkomen op basis van bovenstaande kan worden bepaald? Aangezien NHG geen bank is, en je dus de hypothecaire lening bij een bancaire instelling moet gaan halen, heb je ook nog te maken met de normering die de betreffende bank hanteert. Hierbij zal er in alle situaties wel worden gekeken naar de financiële positie van het bedrijf, aan de hand van de solvabiliteit en liquiditeit. Dus ook als jouw zakelijke klant een hypothecaire lening wenst onder NHG-condities, zal er een gedegen onderbouwing moeten worden gemaakt van de bestendigheid van het inkomen, op basis van de financiële positie van het bedrijf. De mogelijkheden worden nog groter als de verstrekking niet op basis van NHG normen wordt gedaan. De bancaire instelling zal dan, mits gedegen onderbouwd, genegen zijn inkomensbestanddelen uit box 2 en 3 mee te nemen en daarmee een hogere verstrekking goedkeuren. Hoe werkt dit dan? Mits het bedrijf voldoet aan de liquiditeit en solvabiliteit welke de bank zelf als norm hanteert voor een financieel gezond bedrijf, kun je het ondernemersinkomen opbouwen uit de deelinkomensposities van box 1, 2 en 3.

Als je deze tekst van NHG bestudeert dan valt op dat niets wordt gezegd over de financiële positie van het bedrijf (solvabiliteit en/of liquiditeit), er klaarblijkelijk geen correctie hoeft plaats te vinden indien de ondernemer een zake-

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


Box 1 Het box 1 inkomen is qua berekening gelijk aan wat we bij een hypothecaire financiering hanteren welke onder NHG regels moet worden verstrekt. Je telt de inkomens (loonstrook gerelateerd of zijn saldo fiscale winstberekening bij natuurlijke (rechts)personen) van de laatste drie jaar op en deelt het totaal door drie. Het berekende gemiddelde mag dan niet meer zijn dan het inkomen van het laatste jaar. Sommige banken hanteren hier andere normen, echter de meeste volgen bovenstaande berekening, zoals die ook door de NHG wordt gehanteerd. Zo kan het voorkomen dat een bank het inkomen van het laatste jaar zwaarder laat wegen in het gemiddelde dan het inkomen van een ouder jaar. Exact aangeven wie wat hanteert is helaas niet mogelijk, omdat de normering ter bepaling van het inkomen in beweging is. Vraag bij de betreffende instelling hoe zij deze berekening hanteren.

Box 2 Is er sprake van een ondernemer met een aanmerkelijk belang in een onderneming, dan betekent dit dat bij de aangifte IB er ook een actieve box 2 is. De ondernemer kan hier zijn inkomen verhogen door het uitkeren van dividend. Het nettobedrag dat hij hier de afgelopen drie jaar heeft ontvangen, gedeeld door drie (het gemiddelde) kan bij het inkomen worden opgeteld. Het nettobedrag aan dividend is gelijk aan het bruto bedrag minus 25% dividendbelasting (15% plus 10%). De redenering dat er te weinig wordt meegenomen omdat je “slechts” het nettobedrag meeneemt gaat helaas niet op, over dit bedrag is er namelijk ook geen renteaftrek mogelijk. Naast het nettobedrag dat de ondernemer de afgelopen drie jaar gemiddeld heeft genoten kun je ook nog kijken of er in de betreffende balans, waar de ondernemer grip heeft op het dividendbeleid, ruimte is om een bruto bedrag uit te keren als dividend, waarna na uitkering nog steeds sprake is van een liquiditeits- en solvabiliteitspositie welke voldoet aan de gestelde norm. In feit kijk je of het geld dat de ondernemer heeft laten staan in zijn bedrijf, omdat hij nog geen behoefte had om dit naar privé uit te keren, kan worden uitgekeerd zonder het bedrijf in financieel gevaar

te brengen. Na aftrek van het dividendbelasting percentage van 25% kun je vervolgens bepalen wat het gemiddelde netto dividend hiervan over de afgelopen drie zou kunnen zijn geweest. Als je dit doet, laat dan zien wat de positie is van het bedrijf (balans) na onttrekking van het bruto dividend.

Hoe doe je dat? Het bedrag welke je als bruto dividend (fictief) onttrekt leidt tot een wijziging in de volgende balansposten: 1. aan actiefzijde balans worden de liquide middelen minder, het dividend wordt tenslotte betaald met euro’s; 2. doordat er aan actiefzijde iets gebeurt, zal het balanstotaal (uiteraard zowel aan actiefzijde alsook aan passiefzijde) met hetzelfde bedrag worden aangepast; 3. aan passiefzijde balans wijzigt vervolgens de sluitpost het eigen vermogen, wederom met hetzelfde bedrag. Bovenstaande wijzigingen hebben invloed op de liquiditeit en solvabiliteit. Bij de liquiditeit wordt de post vlottende activa verminderd met het bruto dividend (de post liquide middelen valt hier namelijk onder), aan de passiefzijde bij de kortlopende schulden wijzigt er niets. De solvabiliteit kent een wijziging in het eigen vermogen, welke vervolgens gedeeld wordt door een eveneens gewijzigd balanstotaal. De hieruit berekende waarden laten zien dat ondanks dat er (fictief) een dividend wordt onttrokken er nog steeds sprake is van een financieel gezond bedrijf.

Box 3 In box 3 kijk je naar de inkomsten uit vermogen. Deze kunnen zitten in het (realistisch) rendement van spaargelden en effecten. Let erop dat je hier daadwerkelijk kijkt naar het realistische rendement, waarbij een maximum van 3% wordt gehanteerd. Naast het rendement op spaargelden en effecten kan er ook sprake zijn van verhuur onroerend goed vanuit een privésituatie. Binnen de bancaire instellingen wordt hierbij een vaste rekensom gemaakt om het overschot verhuur exploitatie te berekenen, die als volgt luidt:

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


• • •

baten: het totaal van de bruto huurinkomsten; lasten: standaard 15% exploitatiekosten verhuur; lasten: de realistische aflossingsverplichtingen, met een minimum van 4% van de oorspronkelijke hoofdsom; lasten: de realistische te betalen rentelast.

Het resultaat van bovenstaande berekening geeft dan vervolgens aan wat het overschot is van de exploitatie verhuur, welke meegenomen kan worden als inkomen. Hierbij maak je inzichtelijk wat de hoofdsom lening was en is, en geef je een opsomming in de onderbouwing van dit inkomensdeel wie de huurders zijn en hoe lang de betreffende huurcontracten nog lopen, om daarmee de bestendigheid van dit onderdeel aan te tonen. Het totale ondernemersinkomen, wanneer je buiten NHG regels om de financiering regelt, is dan een optelsom van de berekende inkomensbestanddelen uit box 1,2 en 3. Indien je het zakelijk inkomen bepaalt ten behoeve van een AOV dan hebben NHG regels uiteraard geen functie en bepaal je het inkomen op basis van de verschillende inkomensbestanddelen uit box 1,2 en 3. Vervolgens beoordeel je dan welke van deze bestanddelen wegvallen ingeval van arbeidsongeschiktheid. Zo zal het inkomen uit vermogen (box 3) niet wegvallen als de ondernemer arbeidsongeschikt wordt en kan dus buiten beschouwing gelaten worden bij de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Een inkomen in box 2 (aanmerkelijk belang) ligt in deze wat genuanceerder; wat gebeurt er als de ondernemer arbeidsongeschikt wordt, draait de onderneming, of dochterbedrijf ingeval van een Holding BV, dan gewoon door, of is de omzet volledig gekoppeld aan de werkzaamheden van de betreffende ondernemer. Afhankelijk van de situatie neem je dit inkomensbestanddeel wel of niet mee in het te verzekeren inkomen bij arbeidsongeschiktheid.

Al met al een hele berekening dus, maar het resultaat is dan ook een juiste en gedegen onderbouwing van het ondernemersinkomen. Om je hierbij te helpen kun je gebruik maken van een (gratis) web-based applicatie BOi geheten. BOi staat voor: Bepalen Ondernemersinkomen en genereert, na invoer van de diverse cijfermatige gegevens, een gedegen rapportage die zijn meerwaarde toont aan de ondernemer en de bancaire instelling waar je de aanvraag onderbrengt. Tevens heb je in BOi de ruimte om je eigen analyse te schrijven, welke wordt meegenomen in het te genereren rapport. In de volgende paragraaf leg ik uit hoe je op een simpele manier een goede en reproduceerbare analyse en inkomensbepaling kunt schrijven.

Opbouw resumé bepaling ondernemersinkomen Ik raad je aan om bij de onderbouwing en samenvatting van een ondernemersinkomen steeds een zelfde opbouw te hanteren. Het geheel wordt hierdoor enerzijds efficiënter, maar een ander voordeel is dat het ook een reproduceerbaar geheel wordt. Je zou hier bijvoorbeeld een sjabloon kunnen maken, welke je per klant aanpast al naar gelang de situatie. Welke onderdelen volgen elkaar dan hierbij op?

Startzin Allereerst start je met een zin waarin je aangeeft dat jouw analyse is gedaan op basis van informatie die je van de ondernemer hebt gekregen. Heb je namelijk foutieve informatie gekregen dan is het berekende inkomen hier wel op gebaseerd. Het is goed om dit aan het begin van je analyse kenbaar te maken. Bijvoorbeeld: “Op basis van de van u en uw accountant verkregen (financiële) informatie en de gesprekken die wij hierover hebben gevoerd, heb ik het inkomen bepaald welke u realistisch genereert uit uw zakelijke activiteiten. Hierbij is een analyse van de ontwikkeling van uw bedrijf uiteraard tevens belangrijk. Onderstaand treft u mijn samenvatting hiervan aan”.

Analyse historische cijfers Vervolgens beschrijf je de ontwikkeling van het bedrijf,

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


vanuit de historie tot nu op basis van de gerealiseerde cijfers. Het is overigens niet de bedoeling dat je elke ratio en elke minieme beweging beschrijft, analyseert en toelicht, het gaat hierbij om de grote zichtbare lijnen. Het volstaat als je analyse hier in een paar woorden aangeeft of er sprake is van een stijgende, dalende, stabiele of wisselende tendens. waarbij je dan ook kunt aangeven of deze tendens een lichte of sterke tendens is. Dit doe je dan voor de waarneembare tendens qua omzet, rentabiliteit, liquiditeit en solvabiliteit. Je hoeft hier dus geen beschrijving of analyse te geven van één afzonderlijke grafiek, tenzij deze ene grafiek sterk afwijkt van datgene dat je ziet in de andere tot die groep behorende grafieken. Bij de omzet beschrijf je wat je qua ontwikkeling ziet. De rentabiliteit wordt in dit geval met name de brutomarge en netto marge als percentage ten opzichte van de omzet. De liquiditeit wordt hierbij met name gevormd door het beeld van de current en quick ratio en de solvabiliteit, door de solvabiliteit eigen en aansprakelijk vermogen.

Beschrijving toekomstige ontwikkelingen Naast de beschrijving van de historische ontwikkeling van het bedrijf, is het natuurlijk ook nodig te beschrijven wat de verwachtingen zijn richting de toekomst. Helaas zal er niet altijd een set prognosecijfers voor handen zijn; het opmaken hiervan kost namelijk geld en wordt alleen dan door de ondernemer gedaan in die situaties waar het noodzakelijk is, bijvoorbeeld bij het aanvragen van een zakelijke financiering. Zijn deze cijfers wel voor handen, dan kun je hier hetzelfde doen zoals is beschreven bij de analyse van de historische cijfers. In de prognosecijfers is namelijk het verwachtingsbeeld van de ondernemer, na cijfermatige controle door de accountant, verwoord. Zijn de prognosecijfers er niet, en dat is meestal het geval, dan schrijf je hier datgene wat je van de ondernemer hebt gehoord over zijn toekomstverwachtingen naar de toekomst. Bij beiden geldt dat het uitkomen van de verwachtingen onzeker is, zeker in die situatie waar een tendens een andere richting opgaat in de verwachtingen dan de historie laat zien. Indien dit speelt bespreek je dit als adviseur met je klant, je vraagt hem eigenlijk hoe hij denkt een neergaande tendens om te buigen naar een opgaande tendens.

Speciale aandacht hierbij voor die ratio’s die de betreffende bancaire instelling hanteert met de daarbij behorende normering. Geef weer of qua liquiditeit (current en/of quick ratio) en qua solvabiliteit (eigen en/of aansprakelijk vermogen) de betreffende klant voldoet aan de gestelde norm. Indien dit niet het geval is leg je goed onderbouwd uit waarom je toch vindt dat de behaalde score acceptabel is.

Aanbevelingen Daar waar je risico’s hebt geconstateerd binnen de beoordeling van de balans en winst-en-verliesrekening geef je deze in je samenvatting weer. Indien mogelijk en passend binnen de scope van jouw functie als adviseur kun je de ondernemer aanbevelingen doen. Een mogelijke aanbeveling zou kunnen zijn dat je de ondernemer wijst op de mogelijke risico’s welke in de voorziening pensioen eigen beheer of oudedagsvoorziening zitten en hem verwijst naar een ter zake deskundige pensioenadviseur. Ook kan een eventueel aanwezig actief dividendbeleid ertoe leiden dat je de ondernemer wijst op de liquiditeits- en solvabiliteitsrisico’s die hierdoor mogelijk ontstaan. In de meeste gevallen zul je je hierbij beperken tot een signalerende rol, de uiteindelijke beslissing om wijzigingen in beleid aan te brengen liggen uiteraard op het bordje van de ondernemer.

Conclusie ondernemersinkomen Het laatste deel van je analyse is jouw slotconclusie voor wat betreft het bestendige ondernemersinkomen van je klant. In feite is dit een optelsom van het berekende inkomen uit box 1, 2 en 3: 1. box 1: gemiddelde inkomen (saldo fiscale winstberekening bij natuurlijke (rechts)personen), met een maximum van het laatste jaar; 2. box 2: het gemiddeld reeds genoten netto dividend en, indien de balans dit qua ruimte toestaat, het berekende potentieel nog te onttrekken netto dividend; 3. box 3: inkomen uit sparen en beleggen van een gerealiseerd rendement met een maximum van 3%, plus het eventuele aanwezige overschot exploitatie verhuur, conform de standaard berekeningsmethodiek.

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


Op bovenstaande wijze behandel je alle wezenlijke onderdelen en kom je op een gedegen manier tot een bestendig ondernemersinkomen. Ik adviseer hierbij om de analyse in een standaard vorm te gieten, die ervoor zorgt dat binnen het kantoor iedereen een zelfde manier hanteert in berekening en beschrijving om te komen tot het ondernemersinkomen. Zo zijn alle rapporten reproduceerbaar en is er geen sprake van willekeurigheid. Let op: zie je een plotselinge stijging (of daling) van bijvoorbeeld de hoogte van de omzet, dan kan er sprake zijn van een incidenteel karakter. Herken dit en wees voorzichtig om dit incidentele karakter als “normaal” te beoordelen en mee te nemen in de inkomensbepaling. Dit werkt dus twee kanten op; bij een positieve werking neem je dit niet mee in inkomen en bij een negatieve werking beschrijf je ook het incidentele karakter en neem je de negatieve consequentie hiervan middels een gedegen onderbouwing ook niet mee in de bepaling van het ondernemersinkomen. Naast dat je in de opstelling die je van je klant hebt gekregen incidentele posten kunt tegenkomen, is het natuurlijk ook belangrijk te weten hoe je iets onderbouwd dat eigenlijk niet voldoet aan de norm van een financieel gezond bedrijf, maar met jouw gedegen onderbouwing wel als acceptabel beoordeeld kan of moet worden. In de volgende paragraaf geef ik je aan de hand van een aantal voorbeelden aan hoe je dit zou kunnen doen.

Voorbeelden voor een gedegen onderbouwing van afwijkende zaken Nadat je hebt berekend welk inkomen de ondernemer bestendig uit de onderneming kan halen, is het goed te weten dat dit gebeurt op basis van een financieel gezond bedrijf. De NHG normering zegt hier dan wel niets over, maar aangezien de lening uiteindelijk wordt verstrekt door een bank of andere financieringsmaatschappij, heb je te maken met de normering die de betreffende bank hiervoor hanteert. Ook ingeval het een AOV advies betreft, kijk je naar de financiële positie van het bedrijf om het te verzekeren inkomen te bepalen. Het gaat hier dan over het bestendige karakter van het inkomen. Bestendig is een inkomen wat komt uit een financieel gezond bedrijf, dus een bedrijf met een acceptabele solvabiliteit en liquiditeit.

Norm Alle banken hanteren een norm voor liquiditeit en solvabiliteit om daarmee te bepalen hoe de financiële positie van het bedrijf is. Voor de liquiditeit gebruiken ze de berekende current en/of quick ratio. De current ratio kent een generieke minimale norm van 1,0 terwijl de quick ratio daaronder mag liggen met een norm van 0,8. De solvabiliteit wordt vaak bekeken aan de hand van de solvabiliteit eigen vermogen met een minimale norm van 30% en/of de solvabiliteit aansprakelijk vermogen met een minimale norm van 20%. Het makkelijkste is dan om alle vier de ratio’s tegen de hierboven genoemde norm te beoordelen en te beschrijven. Je hebt dan voor de meeste banken de berekende ratio’s tegen het licht gehouden conform de daar gehanteerde norm. Deze generieke norm kun je ook hanteren om het inkomen te bepalen ten behoeve van een AOV. Bij een natuurlijk (rechts)persoon dien je wel rekening te houden met de fiscale transparantie die hier speelt. Dit betekent dat privé posities in met name box 3 (vermogensbox) als het ware meegenomen moeten worden in de bepaling van de ratio’s, zeker wanneer deze als norm worden gebruikt. Stel: een klant heeft een positief saldo vermogen in box 3 (sparen, beleggen en/of verhuurd onroerend goed), dan heeft dit de volgende consequenties in de doorrekening hiervan in de balans: toename met het positief saldo van het vermogen op balanstotaal en kapitaalspositie. Maar wat nu als een van de vier ratio’s niet voldoet aan de gestelde norm? Houdt het dan op, of kun je een goede en gedegen onderbouwing geven waarom de betreffende ratio toch als acceptabel kan worden beschouwd? Onderstaand geef ik je een aantal (niet limitatief) voorbeelden op basis waarvan je een en ander zou kunnen bekijken. Om dit onderdeel goed in de vingers te krijgen is het nodig dat je je gezonde boerenverstand op volle toeren laat draaien en je bij gegeven waardes jezelf altijd de waarom vraag stelt. De voorbeelden behandel ik per ratio voor het geval dat deze niet voldoet aan de norm die daarvoor geldt.

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


Current ratio 1. Er wordt dividend onttrokken. Omdat daardoor liquide middelen uit het bedrijf verdwijnen en daarmee de vlottende activa verminderen, zonder dat de kortlopende schulden minder worden, zal de current ratio dalen. Dat deze waarde nu beneden de norm ligt door onttrekking van dividend geeft een heel ander gevoel dan wanneer dit gebeurt doordat het bedrijf teveel kortlopende schulden heeft ten opzichte van de vlottende activa vanuit de normale exploitatie. Daarnaast wordt dividend pas uitgekeerd nadat de jaarrekening is opgemaakt en dus alle kosten zijn betaald. De oorzaak vanuit dividendonttrekking is daarmee niet zo erg en kan als acceptabel worden beschouwd, zeker als je de ondernemer van de risico’s op de hoogte hebt gebracht. 2. Er is een opgaande tendens. Stel het bedrijf is herstellende maar heeft de gestelde norm nog (net) niet gehaald. Dan zou je op basis van tussentijds cijfermateriaal kunnen onderbouwen dat een ingeslagen weg in een lopend boekjaar verder doorgezet zal worden en daarmee de current ratio zich naar een voldoende niveau zal herstellen. 3. Er is een neergaande tendens. Ook dan kan middels een overzicht van tussentijdse cijfers worden onderbouwd dat die neergaande tendens is doorbroken (trendbreuk) en zich weer zal herstellen. 4. Er is sprake van een achtergestelde lening. Het karakter van de achtergestelde lening is dat rente en aflossing pas plaatsvinden wanneer dit financieel mogelijk is. Dit betekent dat in het kader van de current ratio of anders gezegd de mogelijkheid van het bedrijf te kunnen voldoen aan de kortlopende schulden er wat ademruimte is als het spannend wordt. Dit kan het beeld van een niet aan de norm voldoende current ratio wat minder zwaar laten wegen. 5. Er is een rekening courant faciliteit van de bank. Indien deze post bij de kortlopende schulden wordt opgevoerd kun je kijken naar de toelichting op deze post in de jaarrekening. Is hier bijvoorbeeld sprake van een doorlopend karakter, anders gezegd is (een deel van) deze faciliteit te beoordelen met een langlopend karakter, ondanks dat ze is opgenomen bij de kortlopende schulden? De current ratio berekening wordt dan

wel niet anders, maar geeft wel een ander gevoel dan wanneer de kortlopende schulden bijvoorbeeld alleen bestaan uit crediteuren. 6. Er zijn kortlopende schulden aan groepsmaatschappijen; deze post geeft aan of er tussen de bedrijven in het organogram een kortlopende schuldverhouding aanwezig is. Indien dit speelt kijk dan ook naar de activa kant want ook daar zou een vlottend actief een vordering op een groepsmaatschappij kunnen zijn. Alleen de ene kant meenemen in je redenering en de andere buiten beschouwing laten is niet echt eerlijk en geeft dan ook een verkeerd beeld. De betreffende post zal qua karakter niet een kortlopend karakter kennen als de financiële positie van het bedrijf dit niet toelaat, anders gezegd kent een vergelijkbare werking als bij een achtergestelde lening. 7. Mismatch in financiering. Indien vaste activa zijn gefinancierd met een kortlopende financiering spreken we van een mismatch in de financieringslijn. Deze mismatch heeft tot gevolg dat de liquiditeitsratio’s zwaar onder druk komen te staan. Toch kan het voor een bedrijf financieel gezien een gunstiger krediet zijn dan een langlopende lening, daar waar het bedrijf over een grote cashflow beschikt. Indien dit speelt licht dit dan goed toe.

Quick ratio Naast de hierboven beschreven mogelijke onderbouwingen, die uiteraard ook voor de quick ratio gelden, komt hier nog een specifieke onderbouwing bij. De quick ratio geeft een verhouding aan tussen de vlottende activa minus de post voorraden, versus het totaal aan kortlopende schulden. Je begrijpt dat daar waar de voorraadpositie van nature verhoudingsgewijs groot is binnen de balans, hierdoor het gevaar aanwezig is dat de quick ratio niet zal voldoen aan de norm. Bijvoorbeeld bij een automobielbedrijf, waar de vlottende activa vaak vrijwel volledig bestaan uit voorraad (waarde). Is dit dan erg? Eerst vraag je je af hoe zo’n dure voorraad wordt gefinancierd. Er zijn hier twee mogelijkheden: of de bank financiert deze of de importeur waar het merkgebonden dealers betreft. Beiden kennen hiervoor een

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


financieringsopzet die gelijk is: op basis van verpanding van de voorraad auto’s wordt een percentage van de totale waarde vrijgegeven binnen de afgesproken limiet van de rekening courant faciliteit. Hiermee is dus een directe verbinding tussen de hoogte van de voorraadpositie en de hoogte van de bijbehorende kortlopende rekening courant faciliteit. Daar waar je voorzichtigheidshalve in de quick ratio de voorraad elimineert, zou je handmatig ook de daarbij lopende en gekoppelde rekening courant faciliteit moeten elimineren; is de voorraad namelijk nihil, dan zal de rekening courant faciliteit ook nihil zijn. De dan herberekende waarde quick ratio moet dan wel voldoen aan de daarvoor gestelde norm.

Solvabiliteit eigen vermogen 1. Er is een achtergestelde lening. Deze post leidt ertoe dat er ruimte is in de aflossingsverplichting van deze lening. In feite verhuis je deze positie naar de positie eigen vermogen, zonder dat daarmee een wijziging optreedt van het balanstotaal. De solvabiliteit zal dan in je onderbouwing verbeteren. 2. Er zijn stille reserves in het bedrijf. Je kunt hierbij bijvoorbeeld denken aan een stille reserve in het binnen het bedrijf aanwezige onroerend goed. Indien de balanswaarde van het bedrijfspand aantoonbaar in realiteit hoger ligt, dan kun je hiermee een solvabiliteit eigen vermogen dat niet aan de norm voldoet, als acceptabel onderbouwen. Je doet dit door de aantoonbare waarde te vergelijken met de (fiscale) balanswaarde en de meerwaarde die hier is toe te voegen aan het balanstotaal. Vervolgens voeg je dit tevens toe op het eigen vermogen, waarbij je wel rekening houdt met een latente belastingplicht die hieruit ontstaat. Deze latente belastingplicht (meestal tussen de 20% en 25%) komt dan bij de voorzieningen te staan en verhogen het eigen vermogen niet. Door te laten zien dat je weet dat er een latente belastingdruk ontstaat, laat je aan de bank zien verstand van zaken te hebben. Het verhoogde eigen vermogen en verhoogde balanstotaal geven vervolgens een herberekende solvabiliteit eigen vermogen die beter aan de norm zal voldoen. 3. Stijgende tendens. Indien er sprake is van een stijgende tendens kun je deze, onderbouwd met tussen-

tijdse cijfers, gebruiken om deze als het ware door te trekken naar de toekomst, waarmee een waarde solvabiliteit eigen vermogen, die nog (net) niet voldoet, minder zwaar weegt. Zie ook dit item bij current ratio, hetzelfde geldt dan voor het doorbreken van een dalende tendens. 4. Dividendbeleid. Bij een (actief) dividendbeleid wordt door uitkeren van liquide middelen het balanstotaal met hetzelfde bedrag verminderd en als sluitpost zal dan ook het eigen vermogen met deze bruto dividend uitkering verminderen. Daalt hierdoor de solvabiliteit eigen vermogen tot beneden de norm, dan geeft de uitleg waarom dit is gebeurt een heel ander gevoel bij de financiële positie van het bedrijf, dan wanneer dit is gebeurt door een verlieslatende exploitatie. Dit bewijst maar eens te meer dat de waarom vraag stellen belangrijk is, trap niet in het gevaar een oordeel te hebben alvorens te weten waarom iets is gebeurd. 5. Aansprakelijk vermogen. Daar waar alleen het berekende getal van de solvabiliteit eigen vermogen door de bank wordt, en deze voldoet in een bepaalde casus niet, kan het zijn dat een berekende waarde van de solvabiliteit aansprakelijk vermogen je op het goede spoor zet om een gedegen onderbouwing te kunnen doen. Als deze waarde namelijk fors beter is dan de solvabiliteit eigen vermogen, kijk je waarom dit is, welke posten hebben ertoe geleid dat het aansprakelijk vermogen groot is. Dit kan liggen aan een achtergestelde lening (zie punt 1). Indien de waarde geen soelaas biedt, kijk je of er langlopende leningen zijn die door een groepsmaatschappij zijn verstrekt. Er kan dan wel geen achterstelling voor geregeld zijn, maar vaak heeft zo’n lening een vergelijkbare werking. 6. Balansverlenging. Het kan ook zo zijn dat de solvabiliteit eigen vermogen niet aan de norm voldoet doordat er sprake is van een (forse) balansverlenging. Zo kan het zijn dat het bedrijf een (forse) financiering heeft geregeld voor het bouwen van een nieuw bedrijfspand. Bij zo’n financiering wordt vaak een eigen inbreng gevraagd van een bepaald percentage van de totale investering, maar wanneer deze (duidelijk) minder is dan de gestelde norm voor de solvabiliteit eigen vermogen, zal deze balansverlenging een daling in de solvabiliteit tot gevolg hebben. Het sterke in deze situatie is echter dat klaarblijkelijk een bank of andere

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


financier het ziet zitten met het bedrijf en wel dusdanig dat er een (grote) financiering is verstrekt. Een feite dus een zeer positieve situatie.

Solvabiliteit aansprakelijk vermogen In feite spelen dezelfde mogelijke onderbouwingen als bij de solvabiliteit eigen vermogen. Generiek kan daarnaast in die situaties waarin de bank alleen naar het aansprakelijk vermogen kijkt een onderbouwing gezocht worden in de waarde van de solvabiliteit eigen vermogen. Met deze (limitatieve) opsomming van mogelijke onderdelen waarmee je kunt onderbouwen dat een bepaalde ratio die (nog) niet voldoet aan de daarvoor gestelde norm toch als acceptabel beoordeeld kan worden, zijn we bij het einde gekomen van deze leergang. In de komende masterclass gaan we aan de hand van diverse casusposities oefenen in het bepalen van het ondernemersinkomen, het onderbouwen van diverse afwijkingen en het genereren van een reproduceerbaar, gedegen rapport, met een toegevoegde waarde voor de klant en de instelling waar je de financiering gaat regelen of de AOV gaat onderbrengen. In de dagelijkse praktijk ga je zorgen dat door dit veel te doen je ervaring gaat krijgen en in de markt wordt gezien als de specialist waar de klant met een zakelijk inkomen heengaat om zijn wens, het droomhuis of AOV, te regelen. Met verstand van zaken zul je deze positie ook verwerven richting de bank en verzekeringsmaatschappij; jij bent degene die het inkomen op juiste wijze weet te onderbouwen, waarbij de bank bij de hypotheekaanvraag alleen maar hoeft te beslissen of ze het met jou eens zijn of (onderbouwd) niet. De discussie die je dan gaat voeren is een inhoudelijke, op niveau. Doe je dit en steek je er voldoende tijd en energie in om die expertrol te pakken, dan ligt er een advieswereld voor je open!

Inkomensverklaringondernemer.nl Voor hypotheekprofessionals die het ondernemersinkomen (inkomensverklaring) door overviewz willen laten vaststellen, heeft overviewz een speciale webmodule ontwikkeld. Op basis van ‘straight through processing’ wordt alle benodigde informatie online aan overviewz verstrekt, die binnen 2 dagen na ontvangst van het complete dossier een inkomensverklaring afgeeft. De webmodule kent eveneens een zgn. ‘Klantinlog’. Wat betekent dat de adviseur zijn klant een persoonlijke inlog verstrekt waarmee de klant zelf kan inloggen, om vervolgens alle benodigde informatie online te verstrekken. Ook voor hypotheken met NHG kan de adviseur bij overviewz terecht! Ga naar inkomensverklaringondernemer.nl en meld je aan, zonder kosten of verplichtingen, en start met het aanvragen van een professionele inkomensverklaring.

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


De 4 stappen

om te komen tot een bestendig ondernemersinkomen; praktische samenvatting met voorbeelden Dit laatste hoofdstuk geeft een praktische samenvatting van hetgeen hiervoor is beschreven en behandeld de vier stappen in het bepalen van het bestendig ondernemersinkomen. Tot slot worden enkele voorbeelden behandeld. Achtereenvolgens wordt hierbij beschreven: 1. Welke route geadviseerd wordt daar waar u een ondernemer aan het bureau krijgt voor een hypothecaire lening. 2. Welke vier stappen er zijn bij het bepalen van een bestendig ondernemersinkomen en per stap toegelicht hoe dit te doen. 3. Enkele voorbeelden welke veel in de praktijk voorkomen en hoe hier mee om te gaan.

Route advies ondernemer inzake hypotheek Een ondernemer is naast ondernemer ook een “normale” consument met een woonwens. Het verschil met iemand in loondienst ligt op het vlak van inkomen. Een ondernemer weet niet, of niet juist, wat zijn inkomen is waarmee hij een hypothecaire lening kan krijgen. Daar waar iemand met een loondienst inkomen op diverse sites kan berekenen wat zijn hypothecaire mogelijkheden zijn, loopt de ondernemer tegen het probleem aan van welk inkomen hij hierbij moet uitgaan. Dit betekent dat een eerste stap bij een ondernemer zou moeten zijn een antwoord te krijgen wat nu precies zijn bestendig inkomen is. Op basis van dit inkomen besluit de ondernemer vervolgens of hij daarmee zijn woonwens kan vervullen, of niet. Ons advies aan u als adviseur is dan ook om eerst helderheid te krijgen over zijn bestendig ondernemersinkomen en daarna pas een verder traject in te zetten richting het invullen van een hypotheekadvies en bemiddeling traject. Uiteraard kost het bepalen van een bestendig ondernemersinkomen tijd en daarmee geld. Ons advies hierbij is

deze factuur voor alleen de analyse separaat in rekening te brengen en daarna pas een “normale DVO” te sluiten aangaande het hypotheek advies- en bemiddelingstraject. Zo voorkomt u teleurstellingen en lastige discussies. Dit advies is mede ingegeven vanuit een in 2016 gedane uitspraak van het KiFiD waarin werd bepaald dat de gesloten overeenkomst voor het gehele traject (dus inclusief advies en bemiddeling) niet in rekening gebracht mocht worden, aangezien de betreffende onafhankelijke adviseur vooraf had kunnen en moeten vaststellen dat het inkomen niet bestendig was. Uiteindelijk heeft het KiFiD besloten om de afgesproken kosten met 50% te verlagen omdat ook de klant wel een plicht had de adviseur te wijzen op de slechte financiële positie van zijn bedrijf. Of u deze analyse zelf doet of door een derde laat uitvoeren is dan een keuze. Heeft u de kennis en kunde om dit zelf op juiste wijze te doen of heeft u die niet? Kunt u vragen vanuit uw klant inzake uw beoordeling van de zakelijke cijfers beantwoorden of heeft u hier moeite mee, voelt u zich hiertoe niet in staat?

Welke 4 stappen zijn er in het bepalen van ‘n bestendig ondernemersinkomen? Hoe bepaalt u nu het bestendig ondernemersinkomen van uw klant? Op zich is dit niet zo heel erg moeilijk, als u over voldoende bedrijfseconomische kennis beschikt. Voor uzelf is het dan handig om hier een vaste route te kiezen die u loopt, om zo uiteindelijk de slotconclusie te kunnen trekken wat het bestendig ondernemersinkomen is. Deze route zou dan kunnen zijn (ons advies aan u):

Stap 1: Opvragen/verzamelen van benodigde informatie Om een beeld te krijgen van de onderneming en de financiële positie is volgende informatie noodzakelijk: 1. Jaarrekeningen van afgelopen drie jaar 2. IB aangiftes en aanslagen van afgelopen 3 jaar 3. Indien aanwezig en noodzakelijk tussentijdse cijfers en/ prognoses (denk hierbij ook aan OB aangiftes)

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


4. Uittreksel KvK van alle te beoordelen entiteiten en indien van toepassing een organogram. 5. Huidige stand vermogen box 3 van de betreffende ondernemer. 6. Indien de onderneming een Vpb onderneming is, dan per kalenderjaar de december loonstrook van de ondernemer ter bepaling van de bijtelling auto. 7. Indien de onderneming een IB onderneming is, dan ook de vermogensstand per ultimo laatste boekjaar (let op dit staat niet in de IB aangifte, dat is namelijk de stand per 1 januari van het laatste boekjaar). 8. Uiteraard informatie van de ondernemer zelf en eventueel zijn boekhouder of accountant. Denk hierbij aan toekomstverwachtingen, eventuele incidentele posten etc.

Stap 2a: Bepalen soort onderneming(en) Het is belangrijk te weten met welke rechtsvorm u te maken heeft. Is dit een IB onderneming of valt de onderneming onder het Vpb regime. Wanneer het bijvoorbeeld een eenmanszaak is, dan toont de bedrijfsmatige balansopstelling de verhoudingen van de bezittingen en schulden, maar dan alleen van het bedrijf. Aangezien de eenmanszaak transparant is betekent dit dat u met die balans slechts de halve waarheid in beeld heeft. U zult dan moeten kijken naar de privé positie van de ondernemer om te beoordelen wat de totale situatie is. Is er bijvoorbeeld sprake van privé vermogen, buiten de bedrijfsmatige balans, dan heeft dit tot consequentie dat deze vermogenspositie als het ware “ingerekend” moet worden in die balans (zie verderop bij de voorbeelden). Of een onderneming een natuurlijk (rechts)persoon is (IB) of een Rechtspersoon (Vpb) ziet u in onderstaande tabel.

Stap 2b: Lezen branche informatie Bij diverse sites van banken (ING bank, ABN Amro bank en RABO bank) heeft u vrije toegang tot branche informatie. In deze informatie vindt u hoe de afgelopen tijd is geweest, waar heeft een specifieke branche mee te maken gehad en wat voor een consequenties heeft dit gehad op de financiële positie (liquiditeit en solvabiliteit). Daarnaast wordt er een beeld gegeven van de verwachtingen voor de komende periode. Met deze informatie komt u beter voorbereid bij uw klant, weet u waar zijn bedrijf mee te maken heeft gehad en welke ontwikkelingen voor de deur staan en beperkt uw gesprek zich dus niet tot enkel het opvragen van informatie.

Stap 3: Berekenen van het ondernemersinkomen Op basis van de beschikbare cijfers (jaarrekeningen, IB aangiftes) kunt u zuiver berekenen wat het potentiële inkomen is per positie. Een ondernemersinkomen splitst zich uit in vijf mogelijke onderdelen: 1. Inkomen in box 1: hierbij worden de inkomens van de laatste drie jaar bij elkaar opgeteld en gedeeld door drie. Het laatste jaar geeft hierbij dan wel aan wat het maximum is. Betreft het een IB ondernemer, dan berekent u het inkomen op basis van de saldo fiscale winstberekening (staat in de IB aangifte), waarbij u een eventuele bijtelling privégebruik bedrijfsauto in mindering brengt. 2. Inkomen in box 2: box 2 geeft aan of er een inkomen is geweest uit een aanmerkelijk belangpositie. Dit betekent dus dat de betreffende onderneming een rechtspersoon moet zijn.

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


Hierbij zijn er twee mogelijke inkomensbronnen: a.

Inkomen uit reeds genoten dividend: hierbij kijkt u of er de afgelopen drie jaar dividend is ontvangen, waarbij u het totale nettodividend neemt welke gemiddeld over de afgelopen 3 jaar is ontvangen.

b.

Inkomen uit nog te onttrekken dividend: wanneer de onderneming dusdanig gezond is dat er balanstechnisch (solvabiliteit en liquiditeit) en ook VW technisch (gemiddelde nettowinst) ruimte is om een bedrag te onttrekken én de ondernemer heeft ook de bewustheid, bereidheid en mogelijkheid om dit te beslissen, dan kan deze “overwinst” ruimte leiden tot een extra potentieel in inkomen. U berekent dan wat de financiële positie is van het bedrijf, nadat u in het laatste boekjaar dit bedrag heeft onttrokken aan de balans en toetst die nieuwe positie aan de normering die hiervoor geldt. Het totale bruto bedrag welke u dan kunt onttrekken vermindert u vervolgens met de dividendbelasting (totaal 25%) en deelt u door drie om zodoende een gemiddelde te bereken wat mogelijk zou zijn geweest in de afgelopen drie jaar.

3.

Inkomen in box 3: ook in box 3 zijn er twee mogelijke inkomensbronnen te berekenen:

a.

Inkomen uit sparen en beleggen: heeft de ondernemer een rendement uit privé gelden en beleggingen welke na aftrek van vermogensrendementsheffing nog steeds positief is dan kunt u op basis van een maximum van netto 3% hieraan een inkomen toekennen.

b.

Inkomen uit verhuurd onroerend goed: het kan ook voorkomen dat de ondernemer in privé verhuurd onroerend goed heeft. Het inkomen welke u hieruit kunt berekenen gaat als volgt: huurpenningen

per jaar, te verminderen met 15% exploitatiekosten, met minimaal 4% als aflossing op de lening en met de daadwerkelijke te betalen rente over de lening. Blijft er dan een positief bedrag over (overschot) dan kunt u dit als inkomen zien.

Stap 4: Bepalen bestendigheid van berekende inkomen In stap 3 heeft u berekend welke inkomensbestanddelen er in een specifieke situatie zijn. Maar dan bent u er nog niet, u zult moeten bepalen of deze inkomensbestanddelen een bestendig karakter kennen. U bepaalt dan per inkomenspositie of en zo ja in welke mate u deze inkomenspositie meeneemt in de bepaling van het bestendig ondernemersinkomen. Bij het inkomen uit box 1 gaat het er dan om of het bedrijf financieel gezond is op basis van solvabiliteit en liquiditeit en of de omzet afhankelijk is van andere tot de groep horende bedrijven (holding versus werkmaatschappij) en zo ja of deze andere bedrijven als gezond beoordeeld kunnen worden (solvabiliteit en liquiditeit). Ingeval de ondernemer een IB ondernemer is dient u ook nog te kijken naar de hoogte van de post afschrijvingen in relatie tot de verplichte aflossingen die jaarlijks gedaan moeten worden. De consequentie van een hogere aflossingsverplichting versus een lagere afschrijvingspost is hoger dan alleen het verschil aangezien het verschil betaald moet worden uit netto inkomen na belastingen. Dezelfde methodiek kunt u hanteren voor de inkomensbestanddelen in box 2, waarbij een aantal extra vragen belangrijk zijn: a. Worden winsten van de dochteronderne ming daadwerkelijk uitgekeerd aan het moederbedrijf? b. Zijn er voldoende liquide middelen om in ieder geval de dividend (bron)belasting te kunnen betalen, daar waar er potentieel dividend wordt uitgekeerd? c. Is er een bewustheid en bereidheid van de

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


ondernemer dat dit extra inkomen nodig is om de lasten te kunnen betalen en een extra dividend of loonsverhoging noodzak lijk is (keuze ondernemer)? d. Kan de ondernemer in geval van dividend zelfstandig beslissen dat er dividend wordt uitgekeerd? Bij box 3 inkomen stelt u zich de volgende vragen om te beoordelen of dit inkomen als bestendig kan worden gezien: a. b.  

Worden eventueel aanwezige spaar en/of beleggingsgelden gebruikt, of niet? Ingeval van verhuurd onroerend goed: wie zijn de huurders, hoe lang lopen de huurcontracten en wat is de positie van de huurmarkt in dat specifieke segment en specifieke locatie?

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


Casus Eenmanszaak Eigen Geld

Uitkomst:

Dhr Jansen heeft een eenmanszaak Eigen Geld. Hij wil graag weten wat de mogelijkheden zijn met betrekking tot een hypothecaire lening. Op basis van de beschikbare informatie bepaalt u welk inkomen u kunt toekennen en of dit inkomen bestendig is.

Het toetsinkomen box 1:

Balans

Winst-en-verliesrekening

Activa imm.vast actief -goodwill pand overig materiële vaste activa financieel vast actief totaal vaste activa voorraad debiteuren RC directie overig vlottende activa liquide middelen totaal vlottende activa balanstotaal

Passiva EV/kapitaal voorziening pensioen e.d. voorziening latente belasting overige voorzieningen totaal voorzieningen achtergestelde leningen langlopende leningen totaal langlopende leningen RC directie crediteuren aflossingsverplichtingen overig kortlopende schulden totaal kortlopende schulden balanstotaal

2016 36.828 36.828 10.958 8.995 19.953 56.781

2015 38.914 38.914 9.864 3.450 6.211 19.525 58.439

2014 43.757 43.757 9.294 1.254 10.548 54.305

2016 7.132 25.000 7.500 32.500 3.258 3.750 10.141 17.149 56.781

2015 10.895 25.000 11.250 36.250 2.562 3.750 4.982 11.294 58.439

2014 -1.137 25.000 15.000 40.000 2.992 3.750 8.700 15.442 54.305

De uitgangspunten bij de beoordeling zijn: 1. 2. 3. 4.

Liquiditeit: current ratio groter of gelijk aan 1,0 Liquiditeit: quick ratio groter of gelijk aan 0,8 Solvabiliteit eigen vermogen groter of gelijk aan 30,0% Solvabiliteit aansprakelijk vermogen groter of gelijk aan 20,0%

optellen van de saldo fiscale winstberekening exclusief bijtelling auto (€ 71.664 + € 72.189 + € 68.239 = € 212.092 ) gedeeld door 3 is € 70.697

omzet inkoopwaarde omzet bruto winst financiële last afschrijvingen overige bedrijfskosten nettowinst voor belasting resultaat deelneming belasting (Vpb) nettowinst na belasting

2016 193.239 66.124 127.115 1.719 8.394 45.338 71.664 71.664

2015 189.913 64.006 125.907 1.906 8.123 43.689 72.189 72.189

2014 183.611 61.813 121.798 2.513 8.280 42.766 68.239 68.239

2016 77.901 -6.237 71.664

2015 78.426 -6.237 72.189

2014 74.476 -6.237 68.239

Saldo fiscale winstberekening conform IB aangifte elimineren bijtelling auto toetsinkomen per jaar

Box 3 positie huidige stand stand ultimo laatste boekjaar

47.548 45.000

(mag niet hoger zijn dan laatste jaar, wat in dit geval ook niet zo is).

Bestendigheid: De bedrijfsmatige ratio’s voldoen niet allen aan de gestelde norm (solvabiliteit eigen vermogen is slechts 12,56%), echter aangezien er een vermogen aanwezig is in box 3, welke per ultimo boekjaar 2016 € 45.000 bedroeg, kan dit bedrag “ingerekend” worden in de balans. Dit betekent dat in de balans de volgende posten wijzigen: liquide middelen, balanstotaal en kapitaal. Na deze wijziging voldoen alle ratio’s aan de gestelde norm (zie onderstaande tabel) en kan het berekende inkomen als bestendig worden gezien. Het aanwezige vermo-

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


gen in box 3 geeft geen aantoonbaar nettorendement, dus deze nemen we dan ook niet mee. Het totaal bestendig inkomen van de heer Jansen betreft derhalve: € 70.697,00.

Ratio's op basis van informatie voor correctie vermogen box 3 Current ratio Quick ratio Solvabiliteit eigen vermogen Solvabiliteit aansprakelijk vermogen na correctie vermogen box 3 Current ratio Quick ratio Solvabiliteit eigen vermogen Solvabiliteit aansprakelijk vermogen

2016 1,16 1,16 12,56 % 56,59 % 2016 3,79 3,79 51,22 % 75,78 %

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


Casus Dividend BV

Het onttrokken dividend in 2016 bedraagt derhalve € 50.000 (bruto).

De Dividend BV keert elk jaar dividend uit. Hoe kun je zien of en zo ja hoeveel dividend wordt onttrokken? Bij de balansopstelling constateer je dat de Dividend BV niet voldoet aan de gestelde maatschappij norm. Wat is dan de redenatie en welke bedrijfseconomische consequenties heeft dat?

Op het moment dat je dan constateert dat het bedrijf niet voldoet aan de gestelde normen en er is sprake van een zogenaamd actief dividendbeleid, dan zou je kunnen berekenen wat de financiële positie van het bedrijf was, vlak voordat er dividend werd uitgekeerd.

Balans Activa imm.vast actief -goodwill pand overig materiële vaste activa financieel vast actief totaal vaste activa voorraad debiteuren RC directie overig vlottende activa liquide middelen totaal vlottende activa balanstotaal

Passiva EV/kapitaal voorziening pensioen e.d. voorziening latente belasting overige voorzieningen totaal voorzieningen achtergestelde leningen langlopende leningen totaal langlopende leningen RC directie crediteuren aflossingsverplichtingen overig kortlopende schulden totaal kortlopende schulden balanstotaal

Uitkomst:

2016 22.052 229.448 251.500 12.736 14.101 26.364 176.392 229.593 481.093

2015 27.054 161.674 188.728 12.787 12.389 18.982 131.190 175.348 364.076

2014 32.212 127.689 159.901 12.647 15.131 2.306 81.212 111.296 271.197

2016 225.892 16.148 16.148 764 238.289 239.053 481.093

2015 111.278 14.092 14.092 725 237.981 238.706 364.076

2014 20.450 12.389 12.389 683 237.675 238.358 271.197

De hoeveelheid dividend kun je berekenen door de volgende formule te gebruiken: Eigen Vermogen (y) = Eigen Vermogen (y-1) + Nettowinst na Vpb (y) – Dividend (y) Voor het jaar 2016 betekent dit: 225.892 = 111.278 + 164.614 – dividend

Winst-en-verliesrekening omzet inkoopwaarde omzet bruto winst financiële last afschrijvingen overige bedrijfskosten nettowinst voor belasting resultaat deelneming belasting (Vpb) nettowinst na belasting

2016 126.791 126.791 224 5.329 100.188 21.050 147.774 4.210 164.614

2015 128.603 128.603 202 5.311 95.788 27.302 168.986 5.460 190.828

Gehanteerde maatschappij normen Current ratio Quick ratio Solvabiliteit eigen vermogen Solvabiliteit aansprakelijk vermogen

1,0 0,8 30,0 % 20,0 %

Dividend (anders gezegd: winstuitkering) wordt enerzijds alleen uitgekeerd op het moment dat er ook daadwerkelijk winst wordt/is gemaakt (er zijn positieve reserves binnen het eigen vermogen) en anderzijds gebeurt dit nadat de winst is bepaald, oftewel wanneer alle bedrijfsmatige kosten zijn betaald. Het bedrijf wordt dus niet extra belast maar keert slechts uit wanneer dit kan. Indien er namelijk niet uitgekeerd zou zijn, dan zijn de volgende posten op te hogen met het bruto dividend bedrag (in deze casus voor 2016 € 50.000): liquide middelen, balanstotaal en eigen vermogen. In deze casus was de current ratio (liquiditeit) over het laatste boekjaar 2016: 229.593 / 239.053 = 0,96 (net beneden de norm van 1,0), nemen we de consequentie mee in het geval het dividend in 2016 niet was uitgekeerd, dan berekent zich de current ratio tot: 279.593 / 239.053 = 1,17 (en voldoet daarmee aan de gestelde norm).

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz

2014 127.119 127.119 191 5.238 93.984 27.706 209.589 5.541 231.754


Casus Onroerend Goed BV U beoordeelt de Onroerend Goed BV en zet uw berekening af tegen de gestelde normering. De Onroerend Goed BV heeft een bedrijfspand in eigendom. Van dit bedrijfspand heeft u de laatst bekende WOZ beschikking opgevraagd. Uit deze beschikking blijkt dat er een hogere commerciële waarde is dan de fiscale boekwaarde. Kunt u hier iets mee en zo ja wat dan (inclusief berekeningen)?

Balans Activa imm.vast actief -goodwill pand overig materiële vaste activa financieel vast actief totaal vaste activa voorraad debiteuren RC directie overig vlottende activa liquide middelen totaal vlottende activa balanstotaal

Passiva EV/kapitaal voorziening pensioen e.d. voorziening latente belasting overige voorzieningen totaal voorzieningen achtergestelde leningen langlopende leningen totaal langlopende leningen RC directie crediteuren aflossingsverplichtingen overig kortlopende schulden totaal kortlopende schulden balanstotaal

2016 2015 420.244 424.618 129.348 195.810 549.592 620.428 560.318 647.428 177.034 120.980 492.903 363.658 1.230.255 1.132.066 1.779.847 1.752.494

2014 428.052 190.887 618.939 273.365 96.448 5.083 374.896 993.835

2016 2015 458.896 323.348 83.311 72.911 83.311 72.911 320.000 360.000 320.000 360.000 76.409 65.638 40.000 40.000 801.231 890.597 917.640 996.235 1.779.847 1.752.494

2014 255.377 62.511 62.511 70.781 605.166 675.947 993.835

Uitkomst: Allereerst berekent u de ratio’s zoals ze zijn conform de bedrijfsmatige fiscale balans:

Ratio's op basis van informatie Current ratio Quick ratio Solvabiliteit eigen vermogen Solvabiliteit aansprakelijk vermogen

1,34 1,34 25,78 % 25,78 %

De constatering hierbij is dat de solvabiliteit eigen vermogen met een waarde van 25,78% niet voldoet aan de daaraan gestelde normering van 30,0%. Echter u weet dat de daadwerkelijke waarde van het bedrijfsmatig onroerend goed niet € 420.244 (fiscale waarde 2016) bedraagt maar een overwaarde kent op basis van de afgegeven WOZ waarde (€ 608.276) van € 188.032.

Winst-en-verliesrekening omzet inkoopwaarde omzet bruto winst financiële last afschrijvingen overige bedrijfskosten nettowinst voor belasting resultaat deelneming belasting (Vpb) nettowinst na belasting

2016 2015 2014 3.011.143 3.028.893 3.081.890 654.277 732.641 823.119 2.356.866 2.296.252 2.258.771 6.831 5.667 1.524 90.414 124.249 101.501 1.877.970 1.729.309 1.610.177 381.651 437.027 545.569 86.103 99.056 126.392 295.548 337.971 419.177

Gehanteerde maatschappij normen Current ratio Quick ratio Solvabiliteit eigen vermogen Solvabiliteit aansprakelijk vermogen

1,0 0,8 30,0 % 20,0 %

WOZ waarde pand ultimo laatste boekjaar fiscale boekwaarde pand WOZ waarde (aantoonbaar) Overwaarde pand

€ 420.244 € 608.276 € 188.032

Wanneer we deze “overwaarde” in de fiscale balans willen tonen (hiermee wordt het op dat item een commerciële balans), dan stijgt de waarde van het pand naar € 608.276, en gaat daarmee de balanswaarde met € 188.032 omhoog tot € 1.967.879. Deze stijging zal niet geheel te zien zijn in de eigen vermogenspositie, aangezien deze stijging een latente belastingclaim kent. Want als we daadwerkelijk verkopen of fiscaal herwaarderen, dan ontstaat er een “extra winst” van € 188.032 en zal hierover winstbelasting betaald moeten worden (Vpb).

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


Uitgaande van het hoge Vpb tarief van 25% betekent dit een te nemen voorziening in latente belastingen van € 47.008 en daarmee een stijging van het eigen vermogen met € 141.024 tot een herberekend niveau van € 599.920. Als we deze wijzigingen in de balans meenemen en de norm ratio’s opnieuw berekenen, dan zien we het volgende beeld:

Hiermee heeft u aangetoond dat de daadwerkelijke financiële positie van de Onroerend Goed BV gezond is en daarmee het inkomen een bestendig karakter heeft.  

Ik hoop hiermee meer (in)zicht te hebben gegeven in de wijze waarop je een ondernemer kunt bedienen en meer specifiek hoe er een gedegen onderbouwing gegeven kan worden voor een te bepalen bestendig ondernemersinkomen. Veel succes gewenst in de dagelijkse praktijk met deze mooie en zeer grote en uitdagende doelgroep! overviewz Vincent Laan

Leergang “De ondernemer & jaarrekening” bepalen bestendig ondernemersinkomen © copyright overviewz


Anthonie Fokkerstraat 14a 3772 MP Barneveld 085 04 100 66 info@overviewz.nl www.overviewz.nl & www.inkomensverklaringondernemer.nl

De ondernemer en zijn jaarrekening  

Een theoretische leergang waarmee je leert het bestendig onderenemersinkomen vast te stellen. Bestemd voor financieel adviseurs en anderen d...

De ondernemer en zijn jaarrekening  

Een theoretische leergang waarmee je leert het bestendig onderenemersinkomen vast te stellen. Bestemd voor financieel adviseurs en anderen d...

Advertisement