Inspirerende publicatie van het Verbond van Belgische Ondernemingen



![]()
Inspirerende publicatie van het Verbond van Belgische Ondernemingen





LASTEN OP ARBEID
DE OVERHEID, UW BEST BETAALDE WERKNEMER?











MINDER COMPLEX, MINDER CONFLICT
Jan Jambon (minister Financiën)




















across Belgium
• Easily accessible and large parking lots

• Technical support







• Conferences and seminars
• Exhibitions and fairs
• Product launch
• Business meetings & small events
• Private movie screenings





• Live events with or without movie screenings
• Catering, animation & teambuilding








• Adapted spaces for any size event - up to 35.000 seats































Breng fiscaliteit ter sprake, en je ziet de gezichten meteen al een beetje vertrekken. Het onderwerp is technisch en weegt, zowel letterlijk als figuurlijk, op ieder van ons.
Belastingen zijn niet alleen een last voor individuele belastingplichtigen, maar ooken vooral - voor onze bedrijven. Zij zijn niet alleen verantwoordelijk voor het betalen van hun eigen belastingen, maar ook voor het innen van tal van andere heffingen die essentieel zijn voor de goede werking van onze maatschappij. Fiscaliteit is de prijs die we betalen voor de democratie.
Traditioneel onderscheiden we twee belangrijke pijlers in de Belgische staatsbegroting. Enerzijds is er de fiscaliteit, die voornamelijk de goede werking van de regale bevoegdheden financiert, en anderzijds de sociale zekerheid, die de belangrijkste sociale risico's dekt.
De financiering van de sociale zekerheid, die in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog werd uitgebouwd, steunt in hoofdzaak op de sociale bijdragen van werknemers en zelfstandigen. Dat historische onderscheid in financieringsbronnen wordt echter al lang ondermijnd door een structurele behoefte aan alternatieve financieringsmogelijkheden. Met andere woorden: ondertussen wordt een groot deel van de sociale zekerheid ook met belastinginkomsten gefinancierd.
De voornaamste heffingen zijn die op arbeid, de btw, de vennootschapsbelasting en de belastingen op vermogen en inkomsten uit vermogen.
Ik citeer enkele belangrijke cijfers uit de Belgische staatsbegroting1:
• Van de 263 miljard euro aan inkomsten zijn 172 miljard afkomstig van belastingen en 91 van sociale bijdragen.
• Van de 288 miljard euro aan uitgaven gaat 147 miljard naar de sociale zekerheid. De rest wordt verdeeld over:
o dotaties aan de gemeenschappen, gewesten en de EU: 88 miljard euro;
o de werking van de federale staat: 42 miljard euro;
o de schuldenlast: 11 miljard euro.
• Resultaat: een begrotingstekort van ongeveer 25 miljard euro, waardoor onze staatsschuld elk jaar een stukje groter wordt.
De houdbaarheid van de overheidsfinanciën blijft een enorme uitdaging die ons allemaal, en ook de toekomstige generaties, aangaat. Beleidsmakers hebben de verantwoordelijkheid om die situatie aan te pakken. Het federalisme maakt de taak er uiteraard niet eenvoudiger op en veronderstelt een dialoog tussen alle bestuursniveaus.
Ondanks die moeilijke context is het mogelijk om optimistisch te blijven en ambitie te tonen. Daarvoor is een kader nodig dat stoelt op een langetermijnvisie voor onze samenleving. Fiscaliteit geeft te vaak aanleiding tot slogans en veralgemeningen, terwijl het vooral belangrijk is het vertrouwen te herstellen en voor voorspelbaarheid en rechtszekerheid te zorgen. Dat kan door een economisch haalbare belastingdruk te handhaven die rekening houdt met de internationale context waarin onze bedrijven actief zijn. Meer economische activiteit betekent immers meer overheidsinkomsten, maar omgekeerd geldt dat niet.
Het VBO steunt in de eerste plaats maatregelen die bedrijven in staat stellen de toekomst positief en sereen tegemoet te zien, want de investeringen van vandaag blijven essentieel voor de jobs van morgen en voor onze toekomstige welvaart.
Veel leesplezier!
Pieter Timmermans CEO VBO FEB
1 Bron: BOSA, 2025 https://bosa.belgium.be/nl/themas/begroting-en-boek-houding/begrijpbare-begroting/initiaal-begroting


EXECUTIVE INSIGHT FISCAAL LANDSCHAP

04
BEDRIJVEN ZIJN ONMISBARE HELPERS VOOR DE FISCUS
Rodolphe de Pierpont,
VBO FEB:
“Twee van elke drie euro aan belasting wordt geïnd door bedrijven.”
06

VENNOOTSCHAPSBELASTING LASTEN OP ARBEID

10
FISCALE KEUZES BEPALEN ECONOMIE EN AANTREKKINGSKRACHT
Niet alleen hoeveel belastingen u betaalt is van tel, maar ook hoe ze worden geheven.
NAAR EEN BELASTING DIE STIMULEERT, NIET AFREMT
Stimuleer economische activiteit zodat belastinginkomsten automatisch stijgen.
12

IS DE OVERHEID UW BEST BETAALDE WERKNEMER?
Hoge loonlasten kapen bij werkgevers opties om werken te belonen.
INTERVIEW

16
JAN JAMBON, MINISTER VAN FINANCIËN
“Je kunt geen vereenvoudiging, efficiëntie en transparantie eisen en tegelijk elke uitzondering willen behouden.”
DATA, DATA, DATA - REFLECT OKTOBER 2026
Data vormen vandaag het belangrijkste immateriële bedrijfsmiddel. Maar wat schuilt er allemaal achter de term ‘data’? En hoe kunt u die strategische technologie überhaupt beveiligen? Welke strategie moet u hanteren om AI binnen uw onderneming te implementeren, en welk HR beleid past daarbij? Hoe krijgt u de nieuwe Europese regelgeving onder de knie? En zet u AI – dat meer dan ooit data vereist en verwerkt – in als een strategische tool? U komt het allemaal te weten in de volgende editie van REFLECT.
BELEGGEN
20

PRAGMATISCHE, REALITISCHE VISIE
CEO feat. VOORZITTER

22
WELKE FISCALE BEHANDELING WACHT MIJN BELEGGING?
e e ne rd stilaan onverteerbaar, toch?
RECEPT VOOR EEN EVENWICHTIGE FISCALITEIT
Stop met politiek of budgettair gedreven kortetermijnbeslissingen.
24

PIETER TIMMERMANS & JAN VANDER STICHELE
“Durf verder te kijken dan behouden wat we hebben.”
30 THEMA’S Een selectie van dossiers waarop onze experts vandaag actief zijn.
42 SOCIALE RECHTSPRAAK
44 VBO ONDERNEEMT
48 VBO AGENDA
Rodolphe de Pierpont en Robbe Reyns van het competentiecentrum Fiscaliteit & Investeringen verzorgden de redactionele inhoud van dit nieuwe REFLECT-nummer.





Executive Manager van het competentiecentrum
Fiscaliteit & Investeringen
In zowat de hele wereld is het vanzelfsprekend dat overheden de bijdrage van bedrijven aan de goede werking van de staat berekenen op basis van hun winst – uiteraard voor zover die er is. In ons land gebeurt dat via de vennootschapsbelasting, maar dat is lang niet de enige bijdrage van bedrijven aan de begroting. erre n n er e e d rd e r e dee n de Belgische belastinginkomsten – om nog te zwijgen van de sociale bijdragen – berekend en geïnd door bedrijven.
“TWEE VAN ELKE DRIE EURO AAN BELASTING WORDT GEÏND DOOR BEDRIJVEN”
Ontbreekt het nog te vaak aan erkenning voor de cruciale maatschappelijke rol die ondernemingen op die manier vervullen?
“Dat is een understatement. Laten we bij het begin beginnen. Alle ondernemingen die georganiseerd zijn als vennootschap moeten vennootschapsbelasting betalen. Die belasting wordt berekend op basis van de winst in de jaarrekening, na een aantal fiscale behandelingen. Over het algemeen geldt een belastingtarief van 25%, maar onder bepaalde voorwaarden kan dat tarief voor kmo’s worden verlaagd tot 20% op de eerste schijf van 100.000 euro winst. Vanuit het standpunt van de aandeelhouder moet de te betalen belasting vóór de uitkering van het nettodividend in eerste instantie rekening houden met de vennootschapsbelasting en vervolgens met de bedrijfsvoorheffing die van toepassing is op de uitkering. Met een vennootschapsbelasting van 25% en een belasting van 30% op het dividend bedraagt de cumulatieve belastingdruk 47%. Het zijn de bedrijven zelf die zowel de vennootschapsbelasting als de bedrijfsvoorheffing op de dividenden berekenen en betalen. Zelfstandigen – ondernemers die natuurlijke personen zijn – zijn niet
onderworpen aan de vennootschapsbelasting, maar aan het progressieve tarief van de personenbelasting, waarvan ze vooraf hun kosten aftrekken. Als we rekening houden met de vooruitbetalingen en de ingekohierde vennootschapsbelasting, komen we voor de 1,1 miljoen ondernemingen die in België zijn ingeschreven uit op een bedrag van 26 miljard euro.”
Betalen bedrijven ook belastingen voor hun medewerkers via de bedrijfsvoorheffing?
“Inderdaad. De bedrijfsvoorheffing is een voorschot op de personenbelasting. Ze houdt rekening met de progressieve tarieven die daarop van toepassing zijn. De werknemer ontvangt een maandloon vrij van belastingen, maar moet één keer per jaar de ontvangen bedragen aangeven. De werkgevers zijn verantwoordelijk voor het berekenen en inhouden van de bedrijfsvoorheffing op het loon, die een voorschot vormt op de uiteindelijk verschuldigde belasting. In 2025 werd via de bedrijfsvoorheffing 60 miljard ingehouden.”
En dan is er nog de verbruiksbelasting: de btw?
“Btw wordt geïnd in elk stadium van de economische keten. Ook hier zijn het de btw-plichtige ondernemingen die de btw berekenen en aan de staat afdragen. Afgezien van een paar specifieke uitzonderingen zijn alle economische activiteiten – goederenverkoop en dienstverlening – onderworpen aan btw. Hoewel de btw bij uitstek de belasting op verbruik is, is ze niet de enige: andere belastingen, zoals accijnzen op energie en dranken, komen daar nog bovenop. In 2025 bedroegen de totale btw-inkomsten ongeveer 38 miljard euro.”
De roerende voorheffing is dan weer specifiek voor beleggers en kredietverstrekkers?
“De roerende voorheffing is de belasting die van toepassing is op inkomsten uit roerende goederen, dat wil zeggen inkomsten die vooral voortkomen uit financiële investeringen. Voor dividenden en rente geldt over het algemeen een afzonderlijk
tarief van 30%, al bestaan er verschillende specifieke regelingen. Vanaf 2026 worden bepaalde meerwaarden op aandelen belast tegen een tarief van 10%. Die voorheffing wordt ingehouden door de onderneming-schuldenaren of financiële tussenpersonen. In 2025 werd meer dan 7 miljard aan roerende voorheffing geïnd.”
Moeten we aan de vier voorgaande categorieën niet nog twee soorten ‘onzichtbare’ lasten toevoegen?
“Inderdaad. Veel sectoren en activiteiten worden onderworpen aan specifieke taksen en heffingen die voor consumenten en het grote publiek vaak onzichtbaar blijven. Die lasten, die in totaal enkele miljarden bedragen, zijn wel degelijk zeer reëel. De eerste soort betreft lasten die bedrijven benadelen in hun concurrentie met actoren, vooral in het buitenland, die niet aan die lasten onderworpen zijn. Daarnaast werd de laatste decennia een lawine aan nieuwe procedurele, rapportage- en controleregels opgelegd aan bedrijven, soms met een twijfelachtige toegevoegde waarde voor de fiscus. Al blijft het moeilijk om die fiscale ‘compliance’ (de tweede soort) precies in cijfers uit te drukken, het is en blijft een echte last en een zware verantwoordelijkheid voor bedrijven.”
Kunnen we besluiten dat het gros van de belastingen door de bedrijven wordt geïnd en betaald?
“Een goede honderd miljard van de 151 miljard aan belastinginkomsten uit de belangrijkste belastingcategorieën wordt berekend, ingehouden en betaald door ondernemingen.1 Onze ondernemingen, die een essentiële schakel zijn in de belastinginning, verdienen dan ook meer erkenning voor die rol. Los van de cruciale vraag of het heffingsniveau adequaat is, is het voor ondernemingen ook essentieel om te kunnen opereren in een omgeving die rechtszekerheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid biedt.”
1 We houden geen rekening met de bedrijfsvoorheffing die door andere werkgevers dan bedrijven wordt ingehouden. Eenvoudigheidshalve en bij gebrek aan precieze gegevens nemen we hier aan dat de helft van het bedrag van de bedrijfsvoorheffing wordt ingehouden door bedrijven.

In onze toekomstvisie voor een beter België pleiten we voor een nieuwe fiscale cultuur die duidelijk en evenwichtig de rechten en plichten van ondernemingen en belastingadministraties vastlegt, en gericht is op het herstel van een klimaat van respect en wederzijds vertrouwen. Een toename van verantwoordelijkheden en verplichtingen moet gepaard gaan met een serener fiscaal klimaat om te ondernemen.
Download ons toekomstplan op www.vbo-feb.be > publicaties > Horizon België 2030. Versie 2.
Belastingen sturen het gedrag van ondernemingen, investeerders en burgers. Ze geven ademruimte aan nderne er e er en d e Ze stimuleren investeringen, bijvoorbeeld in onderzoek en ontwikkeling, of proberen de CO2 e dr en de e een compagnon de route op weg naar welvaart en groei? Of vormt ze een blok aan het been van iedereen die werkt, onderneemt en investeert?
Belastingen betaalt u overal: op de winst van de vennootschap, op het loon van medewerkers, op inkomsten uit aandelen, op aankopen in de supermarkt. Waar een overheid haar inkomsten haalt, is nooit willekeurig en zelden neutraal. Maar wat als de overheid met haar belastingen niet het verhoopte of zelfs een averechts resultaat bereikt? Overbelasten fnuikt de economische activiteit. Hoge lasten op arbeid maken inactiviteit aantrekkelijker. Belastingen op kapitaalinkomsten temperen de bereidheid om te investeren.
COMPAGNON DE ROUTE OF BLOK AAN HET BEEN?
Als er één vorm van gedrag cruciaal is voor de uitbouw van onze welvaart, dan is het wel ondernemen, werken en investeren. Het is de rol van de overheid om dat gedrag te stimuleren en zo onze maatschappelijke welvaart te garanderen.
Daarbij is het niet alleen belangrijk hoeveel belastingen u betaalt, maar ook hoe ze worden geheven. Zijn ze op een neutrale en evenwichtige manier gespreid over de verschillende inkomstenbronnen? Laat de Belgische fiscaliteit voldoende ruimte voor ondernemerschap? Moedigt ze burgers aan om aan de slag te gaan en te blijven? Zorgt ze voor een klimaat dat binnen- en buitenlandse investeerders aantrekt om mee hun schouders onder de economie te zetten? Waar ligt de grens die bepaalt of de fiscaliteit een motor of een rem vormt voor onze welvaart?





Een overheid heeft inkomsten nodig. Belastingen zijn noodzakelijk om haar werking te financieren, de interne en externe veiligheid van het land te garanderen en de opgebouwde welvaart gericht te herverdelen. Wat opvalt, is dat de Belgische overheden uitzonderlijk veel inkomsten nodig hebben om in al die taken te voorzien. België behoort tot de meest gulzige overheden ter wereld (zie grafiek hiernaast).
Deze cijfers vertellen natuurlijk niet het hele verhaal, maar ze tonen wel aan dat we geen al te gunstige startpositie hebben. Tenzij je ze positief leest: ondanks de zeer hoge belastingdruk, laten we in de jaarlijkse International Tax Competitiveness Index van de Tax Foundation1 nog altijd een aantal OESO-landen achter ons.
Met andere woorden: er zijn heel wat OESO-landen die minder belastingen heffen dan België, en toch minder aantrekkelijk zijn, zoals Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Portugal, Spanje, Polen. Tegelijk is ook het omgekeerde waar: sommige landen heffen meer belastingen dan België, maar zijn fiscaal toch aantrekkelijker, zoals Denemarken en Oostenrijk. Hoe valt dat te verklaren?
Met de nieuwe Barometer van de Belgische Fiscaliteit (https://belgiantaxbarometer.be) brengt het VBO meer klaarheid in het verhaal.
Competitiveness score International Tax Competitiveness Index 2025
Evolutie belastingdruk als % van het bbp (inclusief sociale bijdragen)
Frankrijk DuitslandNederlandOECD gemiddelde
Naast de zuivere belastingdruk spelen immers nog andere factoren mee die beter of aantrekkelijker kunnen, met name de complexiteit van het systeem en de manier waarop de verschillende belastingen zich onderling tot elkaar verhouden.
EstlandLetlandNieuw-ZeelandZwitserlandLitouwenLuxemburgAustraliëIsraëlHongarijeTsjechiëZwedenTurkijeCanadaSlowakijeVerenigdeStatenNederlandCostaRicaMexicoOostenrijkDuitslandNoorwegenJapanGriekenlandFinlandSloveniëKoreaDenemarkenChiliIJslandBelgië IerlandVerenigdKoninkrijk PortugalSpanjePolenColombiaItaliëFrankrijk
1 https://taxfoundation.org/
“NIET ALLEEN HOEVEEL
BELASTINGEN U BETAALT IS VAN TEL, MAAR OOK HOE ZE WORDEN GEHEVEN”
In België ziet de structuur van de belastingen – de zogenaamde ‘tax mix’ – er als volgt uit:
Verdeling van elke 100 euro geïnde belasting
Personenbelasting
Personenbelasting Sociale bijdragen
Sociale bijdragen
Vermogensbelasting Consumptiebelasting
Vennootschapsbelasting
Elk stuk van de taart heeft zijn tekortkomingen én zijn troeven. We lichten ze stuk voor stuk kort toe (de sociale bijdragen komen aan bod bij de ‘personenbelasting’).
1. De vennootschapsbelasting is de belasting die vennootschappen betalen op hun winst. Het standaardtarief bedraagt 25%, maar voor kmo’s wordt dat onder bepaalde voorwaarden verlaagd tot 20% op de eerste 100.000 euro winst per jaar. De vennootschapsbelasting snijdt rechtstreeks in de middelen die ondernemingen ter beschikking hebben om in latere jaren te herinvesteren of uit te keren aan hun investeerders. Ze is eveneens een sleutelfactor voor internationale ondernemingen bij hun keuze om hun economische activiteiten al dan niet in België te ontwikkelen of voort te zetten.
Hoewel er veel verbeterpunten zijn, doen we het op het vlak van vennootschapsbelasting in België al bij al niet slecht. Ons standaardtarief is niet uitzonderlijk hoog, en we hebben een aantal gerichte prikkels die bijvoorbeeld kmo’s of bedrijven actief in onderzoek en ontwikkeling, ondersteunen. Ook ons brede netwerk aan dubbelbelastingverdragen dat vermijdt dat dezelfde inkomsten in twee landen worden belast, is een troef die we in een internationale context kunnen uitspelen.
Lees ook 'Naar een vennootschapsbelasting die stimuleert, niet afremt', p. 10
2. De personenbelasting is de belasting die natuurlijke personen betalen vooral op de inkomsten uit hun beroep, maar ze heeft bijvoorbeeld ook betrekking
op huurinkomsten, dividenden of meerwaarden op aandelen. De totale ‘lasten op arbeid’ – de optelsom van de personenbelasting en de sociale bijdragen –zijn waarschijnlijk het meest heikele punt van de Belgische fiscaliteit in brede zin: nergens ter wereld liggen de lasten op arbeid hoger dan in België. Ons land staat, jammer genoeg, al jarenlang op nummer één in het klassement van de OESO inzake de lasten op arbeid. Hier is veel ruimte voor verbetering.
Die vaststelling maakt drie grote slachtoffers. In de eerste plaats de werknemer zelf, die in veel gevallen meer dan de helft van zijn loon wegbelast ziet. Maar ook werkgevers ondervinden schade: de hoge lasten op arbeid drijven hun loonkosten tot bij de hoogste op wereldniveau. In tijden van ‘war for talent’ wordt het daardoor moeilijk werknemers een aantrekkelijk nettoloon aan te bieden. Tot slot lijdt, paradoxaal genoeg, ook onze begroting indirect onder de zware lasten op arbeid. De lage activiteitsgraad – het gevolg van werken dat vaak onvoldoende loont – betekent immers grote gemiste inkomsten voor de schatkist.
Lees ook 'Is de overheid uw best betaalde werknemer?', p. 12
3. De vermogensbelastingen vormen een minder strak omlijnde groep, maar ze hebben wel een significante impact op de bedrijfsvoering van ondernemingen en de aantrekkelijkheid voor investeerders. In de eerste plaats denken we aan de roerende voorheffing en de nieuwe meerwaardebelasting op aandelen, maar ook de effectentaks, beurstaks, erfrechten, onroerende voorheffingen enzovoort vormen mee het Belgische investeringsklimaat. In tegenstelling tot wat sommigen zouden verwachten, is dit een van de domeinen waarin België – alles inbegrepen – het minst competitief is. Het kan, met andere woorden, een stuk beter en minder complex.
Lees ook 'Welke fiscale behandeling staat mijn belegging te wachten?', p. 20
4. De consumptiebelastingen ten slotte omvatten in essentie de btw en de accijnzen. Sommigen vinden dat de meest rechtvaardige vormen van belasting, anderen de minst rechtvaardige. Vaak wordt gezegd dat de economische impact van dit type belastingen minder verstorend is dan bij de andere types. Tegelijk valt niet te ontkennen dat ze een remmend effect hebben op de consumptie – en dus op de economie in haar geheel –en dat ze elk gezin rechtstreeks in de portefeuille raken. Bovendien zijn de landsgrenzen nooit ver weg: België kan niet blind zijn voor de buurlanden die met een voordeliger btw-tarief consumenten verleiden over de grens te gaan inkopen.
Het is de taak van beleidsmakers om de juiste evenwichten te vinden, zowel tussen als binnen bovenstaande belastingcategorieën. Correcte klemtonen zorgen voor concrete resultaten. Fiscaliteit is immers meer dan de totale belastingdruk; het is vooral een krachtig instrument om onze toekomstige welvaart in de juiste richting te sturen.



De voorzitterswissel bij het VBO is meer dan een ceremonieel moment: het bepaalt mee de richting van het economische debat. Voor Kinepolis is dat een logische plek om aanwezig te zijn.
“Door dit evenement te ondersteunen, tonen we ons geloof in ondernemerschap als fundament van ons land”, zegt CEO Eddy Duquenne.
Duquenne pleit voor meer waardering en vertrouwen in ondernemers.
“We vergeten soms hoeveel welvaart Belgische bedrijven creëren, en hoeveel risico aandeelhouders nemen om die groei mogelijk te maken.” Een stabiel fiscaal kader en vertrouwen zijn volgens hem noodzakelijke voorwaarden om dat ondernemerschap te laten bloeien.

Ondernemen is het krachtigste instrument
“Ondernemerschap draait om verantwoordelijkheid nemen. Dat doen we bij Kinepolis.”

Ondernemen als DNA
Kinepolis leeft die visie zelf. Met een recente Amerikaanse acquisitie en een sterke innovatiecultuur blijft de groep wendbaar en in lijn met hedendaagse omwentelingen. “De uitdagingen in onze sector vragen dat je initiatief neemt, creëert en durft. Ondernemen is het antwoord, altijd.” Dat geldt ook voor de samenwerking met partners en klanten, die Kinepolis beschouwt als bondgenoten in hetzelfde economische verhaal.
Business-to-business = strategische pijler
B2B is uitgegroeid tot een strategische kernpijler van Kinepolis Group: goed voor 15% van de totale omzet in België. De bioscoopinfrastructuur — overdag minder intens gebruikt — vormt een krachtig platform voor zakelijke events. Van congressen en productlanceringen tot avantpremières en privévertoningen: door de combinatie van state-of-the-artaudiovisuele technologie, comfortabele infrastructuur en sterke beleving, brengt Kinepolis Business mensen samen in een setting die zowel professioneel als inspirerend is.
Wordt een evenement op meerdere locaties georganiseerd, dan neemt één account manager de leiding over het volledige project. Zo krijgen bedrijven een uniforme aanpak en maximale (kosten)e ciëntie.
Kinepolis België in cijfers (2025)
• Omzet: 152,4 miljoen euro
• Bezoekers: 5,15 miljoen
• 11 bioscopen, 138 zalen (Kinepolis Group wereldwijd: 122 bioscopen en 1314 zalen)
• België = 27% van de wereldwijde groepsomzet
Benjamin Franklin, Founding Father van de Amerikaanse Grondwet en dus niet de eerste de beste, zag twee zekerheden in het leven: belastingen en de dood1. Dat is niet alleen zo voor natuurlijke personen, maar evengoed voor vennootschappen die worden opgericht, bestaan en verdwijnen. En ook zij moeten via belastingen bijdragen aan de werking van de samenleving en haar infrastructuur.


De vennootschapsbelasting vergelijken met de personenbelasting heeft echter weinig zin. Wie het probeert, raakt doorgaans niet verder dan sloganeske conclusies. Het is normaal en zelfs wenselijk dat een bedrijf in economische problemen of dat massaal investeert, weinig of geen belastingen betaalt om zijn financieringsbasis niet aan het wankelen te brengen en zo snel mogelijk opnieuw een gezonde en duurzame rentabiliteit te verzekeren. De medewerkers zijn trouwens de eerste begunstigden van die continuïteit.

In de personenbelasting worden de ‘tellers’ elk jaar op nul gezet. De belasting wordt berekend aan progressieve tarieven van 25 tot 50%, rekening houdend met de inkomsten – in hoofdzaak beroepsinkomsten – van het kalenderjaar.
Het tarief van de vennootschapsbelasting ligt vast op 25% van de winst. Daarnaast speelt er van het ene jaar op het andere een ‘revolving’-effect, aangezien sommige elementen – zoals verliezen – overdraagbaar zijn van jaar tot jaar. Wanneer een onderneming in het ene jaar een belangrijk verlies lijdt en vervolgens opnieuw winst maakt, zal ze daarop relatief minder belastingen betalen door de verrekening van dat verlies. Ondertussen kon het echter de lonen van medewerkers en andere operationele kosten blijven betalen. Als het in financiële problemen was gekomen, had het bedrijf zijn activiteiten gewoonweg moeten stopzetten.
In een context van grote uitdagingen, met name op digitaal en energetisch vlak, moet de vennootschapsbelasting ertoe bijdragen die evoluties voor alle bedrijven zo vlot mogelijk te laten verlopen.
1 “In this world nothing can be said to be certain, except death and taxes”: citaat van Benjamin Franklin uit een brief die hij in november 1789 richtte aan een Franse wetenschapper.
Om de jaarlijks verschuldigde belasting van een vennootschap te bepalen, wordt eerst en vooral gekeken naar de jaarrekening. In België geldt het Belgische boekhoudrecht. De ‘Belgian GAAP’-norm (Generally Accepted Accounting Principles), die voortvloeit uit het vennootschapsrecht, vormt de basis voor de belastingbepaling.
Zonder volledig te zijn, enkele voorbeelden van verschillen tussen de boekhoudkundige winst en de belastbare winst:
• Het opnieuw opnemen van ‘verworpen uitgaven’ (of ‘VU’): zaken die boekhoudkundig werden afgetrokken, maar waarvan een belastingaftrek niet of slechts gedeeltelijk is toegestaan, zoals bepaalde brandstofof restaurantkosten.
• De aftrek van bijkomende elementen die niet als zodanig werden afgetrokken in de boekhouding, zoals de investeringsaftrek die bepaalde specifieke aankopen moet bevorderen. Dat instrument is uitdrukkelijk bedoeld om de energie- en digitale transities te ondersteunen.
• De vrijstelling van dividenden overeenkomstig de moeder-dochterrichtlijn (definitief belaste inkomsten of DBI), die de fiscale neutraliteit waarborgt in geval van een structuur met meerdere vennootschappen en dividenden in een cascadesysteem.
De belastbare winst, zoals bepaald na die verschillende fiscale behandelingen, zal pas daadwerkelijk worden belast als er geen overgedragen verlies of andere aftrek meer kan worden toegepast.
Die technische handelingen tonen het praktische belang van een goede samenwerking tussen experts in boekhouding en fiscaliteit. Functies als CFO en Head of Tax zijn essentieel in grote bedrijven. In kmo’s is het vaak de boekhouder die beide rollen opneemt, idealiter in nauwe tandem met de bedrijfsleider. De boekhouding, en de fiscale implicaties ervan, blijft een centraal dashboard voor het goede beheer van elke onderneming.
REALITEIT: DE DIGITALE
Binnen de Europese Unie impliceert het vrij verkeer van kapitaal de mobiliteit van gelden en de vrijheid om overal binnen de Unie te ondernemen. Voor een klein land met een open economie zoals België is een gematigde en aantrekkelijke belastingdruk essentieel. Het is verstandiger om de economische activiteit te stimuleren zodat de belastinginkomsten automatisch stijgen, dan de belastingen te verhogen, wat vaak contraproductief is, ook in budgettaire termen.
NOOTSCHAPSBELASTING?
Strategische investeringsbeslissingen en de risicobereidheid van investeerders en bedrijvengroepen worden in de eerste plaats gestuurd door economische overwegingen. Maar ook de fiscale context heeft een grote impact.
Het VBO pleit al lang voor het behoud en de invoering van fiscale instrumenten met een positieve impact. De investeringsaftrek kwam al aan bod, maar er zijn nog bijkomende mechanismen die zeker moeten worden overwogen. Versnelde afschrijvingen bijvoorbeeld zijn een conceptueel eenvoudig en doeltreffend middel om productieve investeringen te stimuleren. Ook fiscale consolidatie, die het mogelijk maakt om de resultaten van verschillende afzonderlijke juridische entiteiten die deel uitmaken van dezelfde groep te bundelen, draagt bij aan een betere fiscale neutraliteit.
We mogen in 2026 niet op onze lauweren rusten en simpelweg wachten tot de belastinginkomsten de staatskas binnenlopen. Integendeel, we moeten samen nadenken over de uitdagingen waar we voor staan en de beste weg inslaan om lokale en duurzame economische activiteit te stimuleren als motor voor kwaliteitsvolle werkgelegenheid, budgettaire gezondheid en het welzijn van onze samenleving op lange termijn.
“TE HOGE BELASTINGEN ONDERGRAVEN BELASTINGEN.
DAT GELDT ZEKER VOOR DE FISCALE DRUK OP BEDRIJVEN”
In 2021 kwamen 135 jurisdicties overeen de zogenaamde ‘Pijler 2’-regels in te voeren, waardoor grote vennootschapsgroepen wereldwijd minimaal 15% winstbelasting moeten betalen. Hoewel de intentie goed lijkt, is de uitvoering volledig ontspoord, zozeer dat de regeling contraproductief wordt.
De OESO ontwikkelde op vraag van de G20 namelijk een bijzonder complex en vaag regelgevend kader. Onder de grootste economieën zijn China en India niet mee met de lijn van de volledige implementatie van het regime. Inmiddels stapten ook de Verenigde Staten uit het kader door een interne regeling als gelijkwaardig te laten erkennen, ook al verschillen de vereisten.
In België publiceerde de FOD Financiën in 2025 een circulaire van meer dan 400 pagina's vol technische overwegingen, die de grenzen blootlegt van de goede bedoelingen waarmee het project initieel werd opgestart. Pijler 2 is van een complexiteit die slechts geëvenaard wordt door zijn ondoeltreffendheid.
Europa moet dringend wakker worden en een einde maken aan die schijnvertoning. Onafhankelijk van de vraag of het wenselijk is om een minimumtarief voor de vennootschapsbelasting vast te stellen, doet de Europese Unie er goed aan eerst haar interne huishouding op orde te brengen door te zorgen voor een betere coördinatie tussen de belastingautoriteiten.

Een werknemer met een nettoloon van om en bij de 4.000 euro, kost zijn werkgever 10.000. Drie vijfden van het loon dat een werkgever betaalt, betaalt hij dan aan de overheid. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de lasten op arbeid r n e ee e e e n n n de e e e r ne het schoentje?

D•
•
•
•

• De klassieke personenbelasting; De bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid;
De gemeentelijke opcentiemen; De sociale werknemersbijdragen; De sociale werkgeversbijdragen.








Al die zaken drukken op het loon, en de optelsom ervan is al snel groter dan wat er netto overblijft.
In dit artikel focussen we in de eerste plaats op de klassieke personenbelasting, maar omdat de sociale bijdragen qua economische impact voor werkgevers en werknemers nog boven op de fiscaliteit komen, kunnen we daar uiteraard niet om heen.
Loonlastenverdeling
Loonkost
Door de hoogte van de belastingtarieven en de heel steile progressiviteit hoort de belasting op arbeid in België bij de zwaarste ter wereld. Al vanaf een relatief laag loon worden werknemers onderworpen aan zeer hoge belastingen.
Een vergelijking met onze buurlanden maakt dat pijnlijk duidelijk: in België wordt het hoogste belastbaar tarief al bereikt vanaf een belastbaar inkomen van om en bij de 50.000 euro per jaar, in Frankrijk en Duitsland is dat pas vanaf respectievelijk 177.000 euro en 278.000 euro. Bovendien is dat maximumtarief ook gevoelig lager dan het Belgische maximumtarief dat al van toepassing is vanaf 50.000 euro (zie grafiek hieronder).
Tel daar de sociale bijdragen en gemeentelijke opcentiemen bij, en dan kunnen we alleen maar vaststellen dat de lasten op arbeid op veel vlakken nergens hoger zijn dan in België. Vooral op het niveau van de loonwig is het verschil vaak flagrant. Die wig is het verschil tussen de loonkost voor de werkgever en het nettoloon van de werknemer, en geeft dus aan welk deel van de loonkost naar de overheid gaat. Afhankelijk van het inkomensniveau klimt de loonwig in België al snel richting de 60%, en steekt daarmee al haar buitenlandse concurrenten voorbij.
Bruto 4.000 € Bruto 8.000 €
Nettoloon Personenbelasting
Werknemersbijdragen Werkgeversbijdragen
Wettelijk tarief personenbelasting
Verschillende regeringen deden al pogingen om die enorme belastingdruk te verlagen, in de eerste plaats voor de laagste lonen. De grootste inspanning daarbij wordt geleverd door de verhoging van de belastingvrije som en de toepassing van de zogenaamde werkbonus, die de sociale bijdragen van werknemers vermindert.
Voor de allerlaagste lonen betaalt de werkbonus de sociale bijdragen volledig terug. Naarmate je meer verdient, vermindert het voordeel.
Duitsland
Nederland
Ondanks zijn nobele doelstelling, creëert de bonus een pervers effect: werknemers met een laag loon die meer gaan verdienen door opslag, promotie of een dagje meer werken, worden twee keer benadeeld. Door de progressiviteit van de personenbelasting worden hun inkomsten meteen al relatief zwaar belast. Daarbovenop verliezen ze ook nog eens een deel van het voordeel van de werkbonus. Die samenloop maakt dat een derde van de werknemers die voltijds tewerkgesteld zijn, onderworpen is aan een marginale heffingsdruk boven de 83%1. Van elke euro opslag die ze krijgen, blijft met andere woorden maar 17 cent over, met een zeer grote promotieval tot gevolg (zie verder).
Kortom, drie van de belangrijkste pijnpunten van de Belgische personenbelasting zijn:
1. De hoogte van de wettelijke tarieven en de zeer steile progressiviteit;
2. Het deel van de loonkost dat de overheid int, dat snel richting 60% klimt;
3. De astronomische marginale belastingtarieven, waardoor opslag vaak aan 83% wordt belast.
WAAROM DOET HET PIJN?
De opties die werkgevers ter beschikking hebben om tewerkstelling te stimuleren, worden sterk afgevlakt door de lasten die erop wegen. Het grote verschil tussen wat een werknemer bruto verdient en wat hij of zij er netto van overhoudt, maakt het nastreven van een inkomen uit arbeid vaak onvoldoende aantrekkelijk. Het relatief kleine verschil tussen werken en nietwerken zorgt voor een belangrijke werkloosheidsval. Behalve de fiscaliteit zorgen ook bepaalde uitkeringen en werkgerelateerde kosten (zoals vervoer en kinderopvang) ervoor dat de financiële prikkel vaak onvoldoende groot is.
Als de horde van de werkloosheidsval dan toch genomen is, volgt al snel de volgende: de promotieval. Voor zij die hun weg naar de arbeidsmarkt hebben gevonden, wordt promotie of zelfs simpelweg de stap van deeltijds naar voltijds maar al te vaak ontmoedigd door de fiscaliteit. Door de marginale tarieven tot 83% (zie hierboven) lonen opslag, promotie of zelfs gewoonweg de stap van deeltijds naar voltijds nauwelijks.
De opwaartse druk van de fiscaliteit op de loonkosten beïnvloedt uiteraard ook de keuzes van de werkgevers.
“DRIE PIJNPUNTEN VAN DE PERSONENBE -
LASTING ZIJN:
DE STEILE PROGRESSIVITEIT, DE LOONWIG
TOT 60%, EN
TOT 83% BELASTINGDRUK
OP OPSLAG”
In een steeds meer geglobaliseerde economie, krijgen ondernemingen steeds meer vrijheid om te bepalen waar ze werkgelegenheid willen creëren. Zelfs wanneer er toch werkgelegenheid in ons land wordt gecreëerd of behouden, zorgt onze loonkostenhandicap ervoor dat Belgische bedrijven maar met moeite kunnen concurreren met onze buurlanden.
Die internationale grensvervaging geldt trouwens net zo goed voor de werknemers. In de ‘war for talent’ zien Belgische werkgevers al te vaak potentieel verdwijnen naar buitenlandse werkgevers, die met een gelijkaardig budget een aantrekkelijker nettoloon kunnen bieden.
De optelsom van al die elementen leidt tot een vicieuze cirkel: hoe groter de opwaartse druk van de fiscaliteit op de loonkosten, hoe lager de economische activiteit en werkgelegenheid. Hoe minder mensen worden aangemoedigd om die werkgelegenheid in te vullen, hoe kleiner de groep om de lasten te verdelen.
Beleidsmakers hebben er dus alle belang bij om te vermijden dat de fiscaliteit te hard weegt op de economische motor en activiteitsgraad, in de eerste plaats in het belang van de schatkist.
WAAR MOET HET NAARTOE?
Er moet fundamenteel worden gesleuteld aan de manier waarop arbeid wordt belast. De regering-De Wever besliste alvast om de komende jaren de belastingvrije som stapsgewijs fors op te trekken, maar er zal meer nodig zijn om het tij te doen keren.
Tegelijk moeten we focussen op de grootste pijnpunten. De voorbije jaren nam de overheid al een aantal maatregelen om de lagere lonen te ondersteunen, waardoor we op dat vlak beter aligneren met de buurlanden. Maar we zijn er nog niet. Vooral het probleem van de marginale belastingdruk, die grotendeels het gevolg is van de manier waarop de werkbonus vormgegeven wordt, speelt ons land (en de werkgevers) nog parten.
We zullen dus wezenlijk moeten ingrijpen op de tariefstructuur. Het is immers vanaf de gemiddelde lonen dat de progressiviteit van de belastingen écht begint te wegen, waardoor het verschil tussen netto en loonkost buitensporig wordt.
1 Aldus de Hoge Raad voor Financiën in zijn antwoord op adviesaanvragen van de Minister van Financiën - In het bijzonder omtrent de werkloosheids- en promotieval en de verschillen in belastingdruk naargelang de ondernemingsvorm.


Op 9 juni 2026 nodigenAP Hogeschool en Trends Z u uit in Kinepolis Brussel voor de 27ste editie van Video Experience Day. Ontdek de beste Belgische corporate video’s, doe nieuwe inspiratie op en leg waardevolle contacten met vakgenoten.Als structurele partner zet het VBO sterke videocommunicatie mee in de kijker als een essentieel instrument voor het Belgische bedrijfsleven.
De Video Experience Day biedt een unieke kans voor wie bezig is met corporate video enstorytelling.Tijdenshetevenementkrijgen de beste producties in negen thematische categorieën, zoals HR, Employer Branding en Corporate Image, een award. Daarnaast wordt dit jaar ook vakmanschap bekroond met een award in craftsmanshipcategorieën zoals LiveAction enAnimation.
De Video Experience Day biedt elke bezoeker verschillende troeven:
Inspiratie opdoen: Bekijk de beste creatieve videocases uit België op het grote bioscoopscherm.
Netwerken: Leg waardevolle contacten met professionals uit de video- en communicatiesector.
Leren van experts: Hou via inspirerende keynotes de vinger aan de pols van de nieuwste trends in videoproductie en -communicatie.
Mis deze unieke kans niet.Ticketverkoop binnenkort via videoexperienceday.be




De fiscaliteit vormt de ruggengraat van de overheidsfinanciën. Met een federaal begrotingstekort dat in 2025 meer dan 25 miljard euro bedroeg, staat het systeem echter zwaar onder druk. Vicepremier en minister van Financiën en Pensioenen Jan Jambon schetst hoe stevige hervormingen op termijn moeten zorgen voor meer eenvoud, rechtszekerheid en een fiscaliteit die werken en ondernemen opnieuw beloont.




e e en e de e dr en de n er de er n n de er e d en de e e er e d e n n eren n den r n de en van de overheid veel groter zijn dan de inkomsten, de e er nen nder dr e federale niveau overstegen de uitgaven in 2025 de inkomsten met een goede 25 miljard euro. Een overheid die permanent onder druk staat om meer inkomsten e nden e r d rend n d e dr nnen weerstaan om dat tekort te dichten via allerlei nieuwe of verhoogde belastingen.
SPEERPUNTEN
Ons fiscaal stelsel kent zijn sterktes en zwaktes.
Welke SWOT-analyse maakt u?
“De zwaktes van ons fiscaal stelsel zijn bekend. De belastingdruk op arbeid is uitzonderlijk hoog, terwijl niet-werken te veel wordt beloond. Die scheeftrekking zorgt ervoor dat meer werken – of überhaupt werken –te weinig oplevert, waardoor de werkloosheidsval groot blijft. Daarnaast houdt het systeem te sterk vast aan het klassieke gezinsmodel. Alleenstaanden en gescheiden gezinnen worden benadeeld door onder meer het huwelijksquotiënt. Een neutrale fiscaliteit moet elk individu, ongeacht de gezinssamenstelling, evenwaardig behandelen. Ons systeem kent uiteraard ook troeven. We zijn, ondanks onze zwaktes, in Europa nog altijd competitief op het vlak van bepaalde regimes, zoals de sterke ondersteuning van onderzoek en ontwikkeling.”
Ook de complexiteit blijkt een neverendingstory?
“De administratieve lasten en het grote aantal fiscale uitzonderingen blijven inderdaad te hoog. Een gunstregime kan nuttig zijn voor een sector, maar vandaag spenderen bedrijven soms meer tijd en geld aan het navigeren door uitzonderingen dan ze ermee winnen. We moeten het stelsel verder vereenvoudigen. Tegelijk moeten we erkennen dat de fiscaliteit op consumptie slimmer kan. De btw wordt te vaak ingezet als korting of sociale ondersteuning, terwijl lastenverlaging via de personenbelasting veel gerichter het werken kan laten lonen. Zo kan een echte shift van belasting op arbeid naar consumptie worden gerealiseerd – op voorwaarde dat ze in één grote, samenhangende hervorming gebeurt.”
De Regering-De Wever staat een jaar in de steigers. Welke fiscale speerpunten krijgen vorm?
“Het afgelopen jaar was bijzonder intens. Na lange onderhandelingen moest de hervormingstrein van Arizona op volle snelheid vertrekken. We hebben al
stevige hervormingen doorgevoerd en er komen er nog bij. De kern is dat werken, ondernemen en investeren beter moeten lonen dankzij een lagere fiscale druk. Het huidige systeem moet eenvoudiger en minder uitzonderingen tellen. Daarnaast is het een must om de bloedrode overheidsfinanciën onder controle te krijgen. Dat gebeurt hoofdzakelijk via besparingen én structurele hervormingen.
We namen in eerste instantie vooral maatregelen om de overheidsfinanciën meer op orde te krijgen. Die zijn niet altijd populair, maar we hebben ook positieve stappen gezet: een beter expatregime, een versterkte investeringsaftrek, de Wet Lagere Kosten waarmee verschillende taksen zijn geschrapt, enzovoort. Daarnaast moet de hervorming van de personenbelasting ervoor zorgen dat werken netto meer oplevert. Met fiscale stimuli voor flexi jobs, studentenarbeid en overuren maakten we het bovendien aantrekkelijker om extra te werken.”
Wat mogen de bedrijven nog verwachten?
“Dit jaar starten we nog enkele nieuwe werven. Met een investeringswet willen we het investeringsklimaat versterken. We zetten verder in op meer horizontaal toezicht en bouwen aan een modern complianceprogramma dat de digitalisering van de FOD Financiën versnelt. Vereenvoudiging blijft daarbij een prioriteit.”
“WERKEN, ONDERNEMEN EN INVESTEREN MOETEN BETER LONEN DANKZIJ EEN LAGERE ALGEMENE FISCALE DRUK”




Dat is goed nieuws, want de relatie met de fiscus (aangiftes, rapportage, controles ...) vertaalt zich in steeds hogere compliancekosten en -risico’s. Wat mogen we concreet verwachten op het vlak van het charter van de belastingplichtige?
“Onze ambitie is duidelijk: de relatie tussen belastingplichtigen en de fiscus hertekenen. We willen evolueren naar een samenwerkingsmodel waarin goede trouw het uitgangspunt is. De wetgevende agenda is immens druk en houdt ons nog even zoet. We zullen in de loop van de legislatuur de focus steeds meer verschuiven naar de operationele uitvoering. We zetten sterk in op digitalisering en willen de stap maken van fiscale controles en correcties achteraf naar actieve ondersteuning vooraf, zodat belastingplichtigen meteen correct handelen. Ook horizontaal toezicht moet worden versterkt, zodat meer ondernemingen kunnen deelnemen.”
Er is dus nog marge voor een efficiënter en eenvoudiger fiscaal kader?
“Zeker. De overheid geeft jaarlijks meer dan de helft van het bbp uit. De helft van alle welvaart die bedrijven en inwoners creëren, wordt afgeroomd en uitgegeven –daarmee behoort België tot de Europese top. We moeten minder uitgeven, zodat er budgettair ruimte vrijkomt voor schuldenafbouw én belastingverlaging. Op arbeid moeten de lasten omlaag, de fiscaliteit moet neutraler en de regeldruk kleiner. Minder fiscale koterij is absoluut wenselijk. In een land zoals België,
waar altijd een compromis moet worden gevonden tussen verschillende partijen, is dat uiteraard niet altijd evident.”
België heeft een heel open economie en botst op sterke fiscale concurrentie binnen Europa. Niet in het minst met de buurlanden. Welke good practices adviseert u de bedrijven in een internationale context?
“We willen bedrijven maximaal ondersteunen om zeker te zijn dat ze vooraf aan alle fiscale regels voldoen. Zo vermijden we onzekerheid en situaties waarin de overheid geen andere keuze heeft dan boetes op te leggen. De rulingdienst functioneert in dat opzicht uitstekend: via voorafgaande beslissingen krijgen bedrijven rechtszekerheid. Ook multinationals raad ik aan om deel te nemen aan het Cooperative Tax Compliance Programme (CTCP)1 . Ook dat moet zorgen voor meer compliance en minder arbeidsintensieve controles. Dat is positief voor zowel de fiscus als het bedrijfsleven en is veel beter dan onaangename verrassingen achteraf – problemen die ondernemers kunnen missen als kiespijn.”
1 https://financien.belgium.be/sites/default/files/downloads/125-brochure-ctcp-nl.pdf
“MEN KAN NIET ROEPEN OM VEREENVOUDIGING, EFFICIËNTIE EN TRANSPARANTIE EN TEGELIJK ELKE UITZONDERING WILLEN BEHOUDEN”
De Belgische industrie lijdt onder internationale uitdagingen (arbeids- en energiekosten, transitieuitdagingen, artificiële intelligentie ...).
Hoe kan een fiscaal beleid de concurrentiekracht van onze bedrijven ondersteunen?
“De uitdagingen zijn groot, maar dat zijn ze altijd. Het is aan de regering om, ondanks de moeilijke budgettaire omstandigheden, antwoorden te bieden. We verlagen de loonkosten, onder meer via de centenindex1. De minister van Energie werkt aan lagere energiekosten. Vanuit Financiën zorg ik voor een ondernemingsvriendelijk klimaat met onder andere soepelere overuren, een verhoogde investeringsaftrek, het afschaffen van de quasi-automatische belastingverhoging van 10% bij fiscale controles, enzovoort.”
Ook door de fiscale incentives voor innovatie en investeringen te versterken en niet af te bouwen?
“Innovatie is de ruggengraat van onze economie. Ze creëert de welvaart van morgen. Dus ja: fiscale incentives voor innovatie en investeringen blijven noodzakelijk. We hebben groei nodig en die komt van een economie die toegevoegde waarde creëert. Dat gebeurt niet vanzelf. We moeten wel durven bekijken wat efficiënter kan.”
GEVEN EN NEMEN
De recente bevriezing van de enveloppe van de kortingen-bedrijfsvoorheffing veroorzaakt onrust bij de bedrijven. Nochtans helpt het systeem arbeidsintensieve sectoren om competitief te blijven. Kunt u de bedrijven geruststellen?
“De bevriezing van de kortingen-bedrijfsvoorheffing is inderdaad een moeilijke maatregel uit de Programmawet van 2026, dat beseffen we. Wie denkt dat je 40 miljard kan besparen zonder één pijnlijke maatregel, dwaalt. De budgettaire opdracht is enorm en iedereen moet bijdragen – bedrijven, burgers én overheid. Elke hervorming is een kwestie van geven en nemen. Het is volgens mij ook niet correct één maatregel uit zijn context te lichten. Dankzij de centenindex, de verlaging van de loonkost en het plafond op de hoogste sociale bijdragen probeert de regering de loonkost te temperen. De maatregel staat helder in de Programmawet en het traject is duidelijk voor deze legislatuur.”
Behalve de klassieke belastingen kent België een reeks specifieke, vaak onzichtbare (o.a. sectorale) belastingen. Die staan haaks op een level playing field binnen Europa en zijn interne markt. Is er ruimte voor een transparanter en efficiënter beleid?
“Een terechte vraag. Onze fiscaliteit is een lappendeken van uitzonderingen, aftrekposten en vrijstellingen die historisch ontstonden, soms op vraag van belangengroepen. Achter elke sectorale belasting schuilt ook vaak een sectorale uitzondering of vrijstelling. Men kan niet pleiten voor eenvoud, efficiëntie en transparantie, en tegelijk de eigen uitzondering willen behouden. Er moeten nu eenmaal keuzes worden gemaakt.”
Binnen de fiscaliteit is er nog veel ruimte voor administratieve vereenvoudiging. Wat zijn uw prioritaire werven op dit domein?
“Ik besef heel goed dat ondernemers willen ondernemen, niet verdrinken in administratie. Daarom bouwen we aan een transparant, efficiënt en ondernemingsvriendelijk fiscaal klimaat. We moeten af van goldplating: we moeten Europese regels volgen, maar niet structureel méér doen dan wordt gevraagd. Alle voorstellen voor verdere fiscale en financiële vereenvoudiging blijven welkom in de Wetstraat 12.”
Welke hoopvolle boodschap hebt u voor ondernemend België?
“Wij bouwen aan een fiscaliteit die werken en ondernemen opnieuw meer beloont. Minder complex, minder conflict, meer in partnerschap en samenwerking. Met lagere lasten op arbeid, een sterke ondersteuning voor investeringen en innovatie, een moderner compliancekader en minder administratie willen we ruimte creëren voor ondernemers om te doen waar ze goed in zijn: waarde creëren, jobs scheppen en groeien. De voorbije jaren waren moeilijk en de komende worden dat ook, zeker in woelige geopolitieke tijden. Maar blijf vooral investeren, innoveren en het verschil maken. Op lange termijn moeten we absoluut blijven streven naar een begroting op orde, een dalende belastingdruk en een fiscaal kader dat investeren en werken beloont.”
“WE BOUWEN AAN EEN FISCALITEIT
DIE WERKEN EN ONDERNEMEN
OPNIEUW MEER BELOONT”
1 De centenindex is een federale maatregel die de automatische loonindexering beperkt voor brutolonen boven €4.000. In plaats van een procentuele verhoging op het volledige loon, wordt de indexering afgetopt (maximaal 2% van €4.000).

Traditioneel maken we een onderscheid tussen sparen en investeren. Sparen is de risicovrije belegging die kapitaal beschermt en in principe slechts beperkte inkomsten (rente) oplevert. Investeren impliceert een hoger risico, maar ook de hoop op een hoger rendement. Die hoop wordt ondermijnd door de extreme complexiteit en het gebrek aan r n r n e n de e re e

Beide beleggingsvormen zijn nuttig voor de economie, omdat ze bijdragen aan de financiering – en dus aan de goede werking – van onze bedrijven. Die moeten niet alleen kunnen rekenen op eigen vermogen, maar ook op bankkredieten en andere financieringsvormen zoals leasing.
In beide gevallen is de fiscaliteit die op onze beleggingsportefeuille van toepassing is, bijzonder complex en veelzijdig. In de meeste gevallen worden niet alleen de inkomsten belast, maar komt de belasting op het kapitaal zelf daar nog bovenop. Daarbij kan het gaan om een eenmalige belasting bij een bepaalde verrichting of om belastingen op regelmatige basis.
Merk ook op dat de beleggingsfiscaliteit kosten veelal buiten beschouwing laat en over het algemeen bruto-inkomsten belast, zonder rekening te houden met de inflatie. De verschillende belastingen duwen het werkelijke rendement voor de belegger dan ook niet zelden in het rood.


Ten slotte bestaan er grote conceptuele verschillen tussen de belasting op financiële beleggingen en die op beleggingen in onroerende goederen. Inkomsten uit onroerende goederen worden tegenwoordig belast aan een forfaitair tarief, dat voornamelijk gebaseerd is op het kadastraal inkomen. Die relatief archaïsche methode leidt tot nogal ongelijke heffingen naargelang de situatie, en in elk geval tot een zeer verschillende behandeling voor beleggingen in financiële producten en beleggingen in onroerende goederen.



De eerste belasting waar we aan denken is de roerende voorheffing, die in principe 30% bedraagt op zowel rente als dividenden. Niettemin bestaan er, onder voorwaarden, talrijke uitzonderingsregelingen en specifieke tarieven. Een eerste schijf dividenden is bovendien vrijgesteld, maar alleen op aanvraag.
Over het algemeen wordt risicokapitaal fiscaal weinig aangemoedigd in vergelijking met sparen en risicovrije beleggingen. Daarbij moet worden benadrukt dat een vennootschap voor elk uitgekeerd dividend vooraf vennootschapsbelasting heeft betaald. Samen vertegenwoordigen beide heffingen 47% van de belastingen (als we uitgaan van 25% vennootschapsbelasting en 30% roerende voorheffing op het dividend).
Zij die beleggen via een financiële instelling moeten doorgaans beurstaks betalen. Die taks is, al naargelang het geval, verschuldigd op de aankoop, doorverkoop of terugkoop van financiële producten. De tarieven bedragen 0,12% (obligaties), 0,35% (aandelen) of 1,32% (terugkoop van deelbewijzen van bepaalde fondsen).
Bij een transactie waarbij aandelen worden gekocht en doorverkocht, is in totaal 0,70% van de waarde van de aandelen verschuldigd, ongeacht het rendement – of het gebrek aan rendement – van de belegging.
Voor beleggingsproducten in de vorm van verzekeringen, bedraagt de belasting op verzekeringspremies 2% van het bedrag van de betaalde premies, zowel in tak 21 als in tak 23.
Enkele jaren geleden kwam daar nog de taks op de effectenrekeningen bij. Hoewel deze taks alleen van toepassing is op effectenrekeningen met een waarde van meer dan een miljoen euro, knaagt ze momenteel elk jaar 0,15% af van het kapitaal (en dus het economisch rendement). Als gevolg van de laatste begrotingsbeslissingen wordt dat binnenkort 0,30%.
Financiële tussenpersonen, die verplicht zijn om de taksen ten laste van beleggers te berekenen en in te houden, betalen ook andere taksen die minder zichtbaar zijn voor de belegger, voornamelijk op de in deposito gegeven volumes. Hoewel financiële instellingen die taksen juridisch gezien dragen, blijven ze op economisch vlak een negatieve invloed hebben op het rendement dat aan beleggers kan worden aangeboden. Dat is des te problematischer in een interne markt met buitenlandse marktdeelnemers die niet aan dezelfde lasten worden onderworpen.
Last but not least voorzag de regering in 2026 in de invoering van een nieuwe meerwaardebelasting1 die al heel wat ophef veroorzaakte. Die belasting heeft een uitgebreide reikwijdte en bedraagt 10%. Hoewel er wel twee specifieke uitzonderingsregelingen bestaan – vrijstelling van een eerste schijf ‘beleggers’ en een regeling voor ‘ondernemers’ –, blijft ze een bijkomende last op een al bijzonder complex en zwaar belastingstelsel.
AANTREKKELIJK MAKEN
Het lappendeken van belastingen op beleggingen is het resultaat van een lange historische evolutie en weerspiegelt verschillende beleidsafwegingen. De fiscale lasagne wordt stilaan echter onverteerbaar.
Het zou de prioritaire doelstelling van de wetgever moeten zijn om elke belegger en spaarder in staat te stellen te anticiperen op en inzicht te krijgen in de belastingen die op elke vorm van belegging van toepassing zijn, en tegelijkertijd te voorkomen dat er verstoringen tussen vergelijkbare soorten beleggingen ontstaan.
Die fiscale overwegingen zouden overigens hand in hand moeten gaan met juridische en financiële regels, want te veel kandidaat-beleggers worden momenteel volledig uitgesloten van de financiële markten zodra ze aangeven te twijfelen om enig risico te nemen. De bescherming van spaargelden kan nochtans perfect gepaard gaan met een productieve investering in redelijke proportie, overeenkomstig het basisprincipe van diversificatie.
Natuurlijk spelen ook economische factoren: we moeten durven lokaal te investeren, of het nu gaat om particuliere, professionele of institutionele beleggers (pensioenfondsen). Door de zwaarte en complexiteit van de regels wordt ons spaargeld maar al te vaak naar grote exotische fondsen gesluisd, die veraf staan van de uitdagingen waarmee lokale economische actoren worden geconfronteerd.
We moeten in deze steeds complexere wereld dringend het gezond verstand terugvinden en voor duidelijkheid zorgen, zodat onze investeringen kunnen bijdragen aan ons welzijn en aan een duurzame groei.
“DE FISCALE LASAGNE WORDT STILAAN ONVERTEERBAAR”
1 We willen benadrukken dat de invoering van die nieuwe meerwaardebelasting niet betekent dat de belasting op beveks, die we al twintig jaar kennen, verdwijnt. Dat maakt het systeem er natuurlijk niet eenvoudiger op, aangezien in sommige gevallen verschillende belastingen parallel zullen worden toegepast op verschillende ‘schijven’ van dezelfde belegging.
De verschillende bijdragen in deze editie van ons REFLECTne nen n e eer n e e n de der jaren in complexiteit en onduidelijkheid is toegenomen. Het is zelfs zover gekomen dat we ons kunnen afvragen of het niet d n e e e e n een r nd e er en r e e n red n en e en e n d een re e e en r n e nd er nd en d e re end e d n e de en n eren e er en de ee
“Trop d’impôt tue l’impôt” of vrij vertaald: te veel belastingen ondergraven belastingen. Het is een nogal clichématige uitspraak, maar ze herinnert ons er wel aan dat ook op fiscaal gebied alles draait om de juiste dosering. Te hoge belastingen brengen onvermijdelijk een reeks min of meer legale kunstgrepen met zich mee om te proberen aan die belastingen te ontsnappen. Dat kan zich vertalen in fraude, in handelingen of aankopen in het buitenland of in verschillende min of meer legale of agressieve vormen van fiscale optimalisatie.
De Franse staatsman Colbert stelde dat “de kunst van het belasten erin bestaat de gans zo te plukken, dat je zoveel mogelijk pluimen krijgt met zo weinig mogelijk gesis”. Een redelijkere manier om dat te verwoorden is dat belastingen moeten voortkomen uit het zoeken naar de ‘beste prijs’ om de goede werking van de staat te financieren. Dat is ook de gangbare methode in situaties van volkomen concurrentie of bij de toekenning van openbare aanbestedingen. Die ‘prijs’ moet in de eerste plaats in verhouding staan tot het niveau en de kwaliteit van de infrastructuur en openbare diensten.

De Arizona-regering legt een zekere vastberadenheid aan de dag, met name om de concurrentiepositie van onze bedrijven te verbeteren en werken lonender te maken dan inactiviteit. In de komende jaren moeten we die weg vervolgen en ons richten op het belangrijkste knelpunt, namelijk de tarievenstructuur van de personenbelasting.
Daarnaast mogen we, als klein land met een open economie te midden van een eenheidsmarkt, niet blind zijn voor wat elders in de Europese Unie gebeurt, en in het bijzonder bij onze buren. De 'Barometer van de Belgische fiscaliteit'van het VBO1 is een praktische tool die daarover meer duidelijkheid verschaft.
1 De Barometer van de Belgische fiscaliteit (https:// belgiantaxbarometer.be) schetst de hoofdlijnen van de Belgische ondernemingsfiscaliteit in haar internationale context. Hij biedt handvaten om de verschillende aspecten van de Belgische ondernemingsfiscaliteit kritisch tegen het licht te houden en verbeterpunten te identificeren.
Bedrijven en bedrijfsleiders moeten de regels van het spel waar ze aan meedoen op voorhand kennen. Ze hebben nood aan een duidelijk, eenvoudig en voorspelbaar kader.
Wanneer een investering over een termijn van 10 of 20 jaar wordt gepland, is het vanzelfsprekend dat rekening wordt gehouden met de fiscale lasten – in al hun dimensies – bij het berekenen van de rentabiliteit van het project. Het is echter extreem moeilijk om met zekerheid ver vooruit te kijken, wat een ernstig – soms zelfs blokkerend – obstakel vormt voor veel projecten.
Het is daarom essentieel om zoveel mogelijk tegemoet te komen aan die nood aan zekerheid van onze bedrijven. Als het gaat om fiscaliteit is dat vooral een nood aan rechtszekerheid die zich vertaalt in verschillende complementaire aspecten:
• Helderheid en eenvoud: de regels moeten meteen begrijpelijk zijn en toepasbaar op de realiteit in de praktijk. Als uiteenlopende interpretaties mogelijk zijn of als een nieuwe wet een circulaire van honderden pagina’s vereist om ze te kunnen begrijpen, moet de wet zelf in vraag worden gesteld.
• Stabiliteit en voorspelbaarheid: de regels mogen niet voortdurend veranderen en in geval van een verandering moet iedereen kunnen anticiperen en voldoende tijd krijgen alvorens de nieuwe regels van kracht worden.
• Operationele haalbaarheid en evenredigheid: de praktische invoering van de regels moet gebeuren binnen een kader dat gericht is op efficiëntie.
Bedrijven dragen bij aan de berekening en inning van de meeste belastingen. Het is dus legitiem dat ze worden geraadpleegd en gehoord om de praktische implementatie van de regels doeltreffend te organiseren.
Die principes zijn natuurlijk een aanvulling op de grondwettelijke regels met betrekking tot de wettigheid van de belasting en de gelijke behandeling in fiscale zaken. Bij het opstellen van fiscale normen zou de wetgever die altijd in het achterhoofd moeten houden. We stellen echter vast dat dat in de praktijk vaak niet het geval is, iets waar ook de Raad van State al herhaaldelijk op wees.
In een globale context waarin onzekerheid de norm wordt, zou een hoger niveau van zekerheid op het vlak van fiscale regelgeving een welgekomen adempauze bieden.
De afgelopen twintig jaar zagen we een tsunami aan nieuwe procedurele regels en fiscale verplichtingen. Veel van die regels zijn er gekomen om fraude te bestrijden. Dat is uiteraard een lovenswaardige doelstelling, aangezien fraude concurrentieverstoringen veroorzaakt ten nadele van eerlijke belastingbetalers.
De regels zijn echter vaak niet goed afgesteld om fraude doeltreffend te bestrijden. De fiscaliteitsverantwoordelijken van bedrijven worden zo steeds meer ‘risicomanagers’ bij de toepassing van die opeenstapeling van fiscale regels.
Technologische evoluties zoals de digitalisering moeten een gelegenheid zijn om processen diepgaand te herdenken en te vereenvoudigen. En niet alleen om verplichtingen van het ene formaat in het andere om te zetten, laat staan om de lasten en verantwoordelijkheden van belastingplichtigen uit te breiden, bijvoorbeeld wat betreft de gegevens die moeten worden verzameld en doorgegeven aan de fiscus.
Ook wat de modus operandi betreft, roept het VBO op tot meer realisme en pragmatisme.
Het merendeel van de relevante fiscale regels voor onze bedrijven wordt bepaald op federaal niveau. De federale regering en de parlementaire meerderheid bestaan echter noodzakelijkerwijs uit een coalitie van partijen met soms zeer uiteenlopende visies.
Het VBO pleit voor een gecoördineerde aanpak, waarbij elke wijziging van de regels zo veel mogelijk bijdraagt aan de structurele hervormingen die we nodig hebben, zonder een revolutie of ontwrichting te veroorzaken. Het is tijd om af te stappen van geïsoleerde beslissingen die hoofdzakelijk voortvloeien uit politieke en budgettaire motieven voor de korte termijn, en die niet bijdragen aan een samenhangende globale visie. Hoewel vaak wordt gezegd dat de nacht raad brengt, blijken geïmproviseerde nachtelijke beslissingen helaas te vaak ontoereikend, en zelfs contraproductief.
“STOP MET POLITIEK OF BUDGETTAIR GEDREVEN KORTETERMIJNBESLISSINGEN ZONDER GLOBALE VISIE”






Jan Vander Stichele is de nieuwe voorzitter van het VBO. Zijn aantreden is het ideale moment om met CEO Pieter Timmermans in gesprek te gaan over hoe we kunnen bouwen aan een land dat niet bang is van verandering, maar de verandering zélf durft te leiden.


De tijd dat we volle controle hadden over wat binnen onze grenzen gebeurde, is voorbij. België moet beseffen dat onze problemen niet de problemen van de wereld zijn, maar dat de problemen van de wereld wél die van ons worden. Geopolitieke schokken bepalen vandaag de wereldhandel. En dat is slecht nieuws voor een open economie waarin een op de drie jobs afhankelijk is van internationale handel en waarin de exportwaarde 84% van het bbp bedraagt. Daarom moeten België én Europa hun plaats in de wereldhandel hertekenen, met respect voor de economische belangen van de partners.
De huidige ontwikkelingen in de wereld maken het vinden van een gezond evenwicht tussen groei en duurzaamheid niet eenvoudig. En al zeker niet voor de maakindustrie. Hoe kijken jullie naar de toekomst van onze Europese en bij inbreiding, Belgische industrie?
Jan Vander Stichele (JVS): "Europa verloor de jongste jaren honderden productiesites en tienduizenden jobs. En ook ons land voelt de klappen. Zeven op de tien sectoren draaien onder hun normale niveau, de industriële bezettingsgraad zakt naar 76%, en het uitvoervolume krimpt al voor het derde jaar op rij. Onze uitvoer naar Duitsland daalde met 1%. Dat is beperkt, maar wijst op een broze industriële omgeving in Europa’s grootste economie. De uitvoer naar Nederland nam dan weer af met 3,6%. Het meest uitgesproken is de daling van onze uitvoer naar Frankrijk: -7%. Tegelijk wordt de internationale handelsomgeving complexer. De Belgische uitvoer naar landen buiten de EU daalde fors met zo’n 9,1%. Die alarmbel wijst op een afnemende concurrentiekracht en veranderende mondiale waardeketens – risico’s die België onmogelijk kan negeren.”
Pieter Timmermans (PT): “Met de Europese Green Deal sloeg de slinger te ver door – ongeacht de finaliteit van het nobele doel – en ze raakte onze industrie, een fundament van onze welvaartsstaat, midscheeps. De vorige Europese Commissie liep als een generaal voorop, maar vijf jaar later blijkt dat de troepen niet konden volgen. Vandaag is het zaak om die troepen weer te doen aansluiten en de duurzaamheidstransitie op een haalbare en zinvolle manier uit te rollen. Zowel voor de industrie als voor het volledige financiële ecosysteem dat de financiering van de transitie moet kunnen faciliteren1. Hoog tijd dus voor een nieuw, realistisch evenwicht tussen Green Deal, Industrial Deal en de financiële markt.”
Hebben familiale bedrijven specifieke troeven om de hedendaagse uitdagingen het hoofd te bieden?
JVS: “Ik sta mee aan het hoofd van een internationaal familiebedrijf. En ook wij voelen de druk op ons concurrentievermogen. Toch durf ik stellen dat we dankzij onze familiale inborst beter tegen een stootje kunnen. Familiebedrijven hebben unieke troeven: ze denken in generaties, niet in kwartalen. Ze zijn betrokken, waardengedreven en blijven investeren – ook in moeilijke tijden – altijd met het oog op duurzame groei op lange termijn. ‘Care for Today, Respect for Tomorrow’, ons bedrijfsmotto, betekent dat we er zorg voor dragen onze middelen vandaag niet uit te putten om morgen beter te kunnen blijven doen. Het langetermijndenken is cruciaal, duurzaamheid vormt de ruggengraat.”
PT: “Die visie moet een speerpunt worden richting het behoud van de economische basis van ons land. We hebben, net als een familiebedrijf, nood aan generaties die elkaar triggeren en dus ook verder durven kijken dan het louter verdedigen van wat we hebben.”
“DE BOUWSTENEN VOOR EEN
CONCURRENTIEKRACHTIGER
EUROPA LIGGEN
KLAAR, TIJD OM TE LANDEN”
Pieter Timmermans
CEO VBO FEB
1 Luister vanaf woensdag 6 mei naar onze Let’s Talk-podcast met Karel Baert, CEO van Febelfin, over de impact en het belang van de financiële sector voor de duurzaamheidstransitie.


JVS: “Een gezonde kapitaalstructuur, zoals Pieter aanhaalde, vormt een onvermijdelijke voorwaarde. Ons familiebedrijf beschikt over wat ik ‘silent capital’ noem: in moeilijke tijden zal de familie beslissen zichzelf achter te stellen op de andere stakeholders en bijvoorbeeld banken voorrang te geven op een dividend. Heb respect voor dat silent capital. Steun het, moedig het aan. Ga het zeker niet belasten, want zo ontmoedigen we alleen maar de verankering.”
PT: “In een vandaag zo uitdagende internationale context is die verankering immers niet langer zo vanzelfsprekend. Bovendien, wie de verankering van de eigen, binnenlandse kampioenen bestraft, geeft ook aan de potentiële buitenlandse investeerders een negatief signaal.”
Hoe bouw je klimaatneutraal ondernemen uit tot een concurrentievoordeel in een wereld waar ondernemen een bikkelharde strijd is geworden om toegang, invloed en relevantie?
PT: “Zoals ik al zei, het streven naar een duurzaam businessmodel mag de leefbaarheid van een onderneming niet hypothekeren. Daarnaast is en blijft het bereiken en verdedigen van een level playing field het ultieme doel. Laten wij, België, niet heiliger willen doen dan de paus. Stop gold-plating. Stop met naïef te zijn en steun de concurrentiekracht van onze ondernemers. Onze economie draait goed als we onze producten en diensten internationaal kunnen vermarkten en exporteren, als we een overschot hebben op onze handelsbalans. En daar verliezen we vandaag marktaandeel, want onze uitvoer groeit niet meer mee met de wereldhandel.”
Vrijhandelsakkoorden, zoals met Mercosur en India, zijn een levensnoodzakelijke hefboom voor onze bedrijven voor wie internationaal handelen en ondernemen noodzakelijk zijn om te groeien. En toch wachten twaalf akkoorden nog altijd op goedkeuring door de Belgische parlementen. Wat is er aan de hand?
JVS: “Een handelsakkoord creëert waarde als het goed is voor iedereen. Dat krijgt het beleid onvoldoende uitgelegd. Net zoals ze maar niet kunnen duidelijk maken dat er naar oplossingen wordt gezocht voor de potentiële risico’s. We mogen het debat niet laten leiden door foute framing en dogma’s. Europa zal zijn hoogwaardige invoerstandaarden niet aanpassen om een akkoord te kunnen sluiten.”
PT: “Los van die misverstanden, moet Europa beseffen dat het niet langer met een belerend vingertje zijn regels en standaarden kan opleggen aan de rest van de wereld. Gezien de gespannen relatie met de Verenigde Staten, is het een verstandige strategie om onze handelsrelaties optimaal te diversifiëren. Wetende dat elk akkoord een verhaal is van ‘geven en nemen’. Wie twijfelt aan de positieve impact van zo’n akkoord, hoeft slechts te kijken naar het CETA, het handelsverdrag met Canada waarvan men dacht het onze landbouw ging torpederen. Sinds 2017 steeg de bilaterale handel met 71% en werden leveringsketens gediversifieerd. Het zijn vooral de Europese en Belgische kmo’s die daarvan de vruchten plukken. De feiten bevestigen: doordachte vrijhandelsakkoorden werken, ze genereren maximale voordelen en minimale risico’s.”
“KERNENERGIE IS DEEL VAN EEN GEÏNTEGREERD ENERGIEMODEL DAT SCHAALBAAR, BETAALBAAR EN HAALBAAR IS”
Jan Vander Stichele Voorzitter VBO FEB
Concurrentiekracht is deel geworden van het Europese narratief. De informele Europese top in Alden Biesen was een keerpunt. Klinkt dat niet als muziek in de oren?
PT: “Hopelijk kunnen we binnen tien jaar stellen dat de top in Alden Biesen Europa opnieuw in de plooi heeft gelegd. In de hoofden van staats- en regeringsleiders is de switch alvast gemaakt. En de acties moeten op korte termijn volgen. Er is geen tijd voor nog meer uitgebreide analyses en rapporten. We weten heel goed wat er moet gebeuren: de energiebevoorrading verzekeren tegen haalbare prijzen; administratief vereenvoudigen – dat kost weinig en brengt veel op – en onze eenheidsmarkt verdiepen en versterken. De bouwstenen liggen klaar, tijd om te landen.”
JVS: “Europa telt heel wat intelligente koppen, maar ze krijgen hun plannen niet uitgewerkt op een A4’tje. Wie het eenvoudig kan uitleggen, kan het ook makkelijker uitrollen en vooruitgang boeken. Ursula von der Leyen weet wat te doen: keep it simple!”
Een van de belangrijkste hefbomen om de concurrentiekracht te verhogen is de interne markt verdiepen en versterken. Hoe zit dat precies?
JVS: “Meer dan 43% van het Belgische bbp hangt af van de intra-Europese handel in goederen. Dat is veel meer dan het Europese gemiddelde van 20% en maakt van ons land een van de sterkst geïntegreerde economieën in die interne markt. Neem de nog bestaande belemmeringen weg en de winst voor de EU kan tegen eind 2029 oplopen tot liefst 713 miljard euro, berekende de


Europese Commissie. Het IMF berekende dat verborgen protectionisme de EU evenveel kost als een intern importtarief van 44% op alle goederenhandel1. Volgens een studie van BNP Paribas Fortis missen Belgische bedrijven hierdoor 10 miljard aan export2.”
Wat houdt de verdieping tegen?
PT: “Tientallen regeltjes versnipperen de Europese interne handel. Een van de meest frappante voorbeelden: vrachtwagens tot 44 ton zijn in meerdere lidstaten toegelaten, maar bij grensoverschrijding wordt dat tonnage plots beperkt tot 40 ton. Als het Europa menens is, maakt het beter komaf met dat soort overlast en realiseert het een werkbaar level playing field tot ver in alle uithoeken van het continent.”
Een sterkere interne markt is één doel, van een eengemaakte kapitaalmarkt (de zgn. ‘Savings & Investments Union’) staan we nog veel verder af. Waarom is een kapitaalmarktunie zo belangrijk?
JVS: “Veel bedrijven – zeker kmo’s – zijn sterk afhankelijk van bankkredieten. Een geïntegreerde kapitaalmarkt geeft toegang tot alternatieve financieringsbronnen (risicokapitaal, obligaties, crowdfunding …), verlaagt de kosten om kapitaal op te halen en maakt financiering sneller en minder administratief. Vooral jonge innovatieve bedrijven, die vanwege de hogere risico’s vaak geen klassieke banklening krijgen, hebben daar voordeel bij.”
PT: “Het thema ligt al lang op de Europese plank en zou een pijler moeten worden binnen het Alden Biesenverhaal. Ik vind de tijd rijp dat men over zijn eigen schaduw springt en het belang van de eigen financiële centra (Frankfurt, Parijs, Amsterdam …) durft loslaten. Tegelijk moet het beleid in België stroken met dat streven naar zo’n eengemaakte kapitaalmarkt en de concurrentiekracht van onze eigen financiële sector niet verzwakken door ze steeds meer taksen en belastingen op te leggen.”
JVS: “Omgekeerd worden we met een sterke financiële sector ook aantrekkelijker voor Europese investeerders. Dat maakt onze bedrijven minder afhankelijk van niet Europese financiering (zoals VS-risicokapitaal). Fragmentatie van de Europese kapitaalmarkt kost bovendien groei. Die versnippering werkt als een verborgen handelsbarrière van 45 tot 110%, volgens analyses van Draghi en Letta (2024)3. Een eengemaakte kapitaalmarkt vergroot de schaal, maakt de EU aantrekkelijker voor grote investeringsfondsen en versterkt de strategische autonomie.”
“MET EEN STERKE FINANCIËLE
SECTOR WORDT ONS LAND AANTREKKELIJKER
VOOR EUROPESE INVESTEERDERS”
Jan Vander Stichele
Voorzitter VBO FEB
1 Regional Economic Outlook 2024 (Europe) en IMF working paper (2025/40)
2 https://newsroom. bnpparibasfortis.be/belgischeexport-naar-eu-landen-looptachter-bnp-paribas-fortisbrengt-groeipotentieel-inkaart
3 https://www. epicenternetwork.eu/wpcontent/uploads/2025/09/ Draghis-Dilemma_EPICENTER. pdf
De oorlog in het Midden-Oosten drukt ons nogmaals op de harde realiteit dat het huidige onsamenhangende energiebeleid in Europa levensbedreigend is voor de ondernemingen. Het VBO maakt er een speerpunt van om ook ons land tot een geïntegreerde energievisie te bewegen.
PT: “In 2017 al stelde het VBO dat ons land minstens nood had aan twee tot vier kernreactoren. Men heeft ons niet gevolgd. Integendeel en met alle gevolgen van dien. Vandaar het belang om asap in te zetten op de SMR’s. Deze compacte, modulaire kernreactoren combineren veiligheid, flexibiliteit en een lagere investeringsdrempel. Ze kunnen complementair aan hernieuwbare energieproductie worden ingezet. Hopelijk kunnen we in België daarmee landen tegen 2030. Het VBO kan daar een hefboomrol in opnemen omdat we zowel producenten als consumenten, zowel groot- als kleinverbruikers, zowel klassieke energieproducenten als alternatieve energievoorzieners in onze rangen tellen.”
JVS: “Samen met de stakeholders ontving het VBO Mathieu Bihet, de federale minister van Energie. Het draagvlak is er. Ook Europa maakte de switch richting kernenergie. Maar nu moet het ook effectief gebeuren, wetende dat de doorlooptijd een zaak is van jaren. Tegelijk moeten we de twee actieve reactoren koesteren en blijven inzetten op complementaire bronnen zoals zonne- en windenergie. Kernenergie is deel van een geïntegreerd energiemodel dat schaalbaar, betaalbaar en haalbaar is.”
Behalve het energiebeleid, moet ook ons sociaal en economisch model (arbeidsmarkt, pensioenen, mobiliteit, fiscaliteit …) grondig worden hervormd. Volstaan de ambitieuze hervormingsplannen van de regering-De Wever?
PT: “Na bijna 25 jaar opboksen tegen het status-quo, komt er eindelijk beweging. Er is ook geen ontkomen meer aan, want we staan met onze rug tegen de muur. Ik begrijp de onrust, want alle hervormingen komen nu tegelijk. Maar besef goed: dit zijn geen hervormingen om de bedrijven of de burgers te pesten, maar om het welvaartsmodel waarop we allemaal trots zijn, betaalbaar en in stand te kunnen houden. Bovendien zijn het allemaal maatregelen die de omringende landen al decennialang toepassen.”
JVS: “Die daadkrachtige aanpak schudt de sociale partners wakker: louter bestaande belangen verdedigen en behouden wat je hebt, volstaan niet meer. Je flexibel aanpassen aan de nieuwe realiteit is cruciaal. Niet alleen voor bedrijven, maar voor alle stakeholders.”

Koken kost echter geld. De Belgische budgettaire gezondheid is zacht uitgedrukt zorgwekkend. Wat moet er gebeuren? Welke klemtonen leggen de werkgevers?
JVS: “De Belgisch fiscale druk behoort tot de hoogste ter wereld. Ruimte voor extra belastingen is er dus niet meer. Wie droomt van een bijkomend salvo belastingen op de bedrijven, zal dat binnen twee à drie jaar cash terugbetalen in minder toegevoegde waarde, minder welvaart. Daarnaast moet de complexe administratieve lasagne, het gevolg van o.a. de complexe staatsstructuur en de Europese regeldrift, eenvoudiger.”
PT: “Hoe moeilijk administratief vereenvoudigen ook is, het brengt veel op en kost niets! De beste manier om in ons land te vereenvoudigen, is een aantal dingen niet beslissen. Ik ben ervan overtuigd dat wanneer de structurele hervormingen hun resultaat bereiken, ons land in 2030 budgettair gezonder zal ogen. Met die ‘bémol’: niemand kan de geopolitieke evolutie voorspellen. Als de energiekosten uitermate blijven stijgen en parallel ook de lonen via de automatische loonindexering, dan verliezen we gegarandeerd concurrentiekracht. Met in fine minder jobs en minder inkomen.”
Volgend jaar kondigen zich opnieuw interprofessionele loononderhandelingen aan. Kunnen de werkgevers en vakbonden hun historische rol terug opnemen en claimen?
PT: “Het sociaal-economisch overleg zal zich de komende jaren kunnen bewijzen, of niet bewijzen. We staan voor een gouden kans om een aantal hete hangijzers op het vlak van stakingsrecht, index, loonvorming enzovoort eindelijk af te kloppen. In alle discretie en zonder verborgen agenda’s. En daar reken ik op Jan om die dialoog in goede banen te leiden.”
JVS: “Als de sociaal-economische partners hun historische rol terug willen opnemen, moeten we samen de Mont Ventoux over, hoe sterk de wind er ook kan waaien net voor je de top bereikt. Die wind zullen we moeten trotseren.”
“HOE MOEILIJK
ADMINISTRATIEF VEREENVOUDIGEN OOK IS, HET BRENGT VEEL OP EN KOST NIETS!”
Pieter Timmermans
CEO VBO FEB
Luister ook naar de Let’s Talk Special ‘Stilstand kost welvaart’ met Jan Vander Stichele en Pieter Timmermans



“Privaat kapitaal mobiliseren en het volledige financiële ecosysteem versterken, zijn cruciaal voor de concurrentiekracht.”
Karel Baert CEO Febelfin



Financiële concurrentiekracht




Beluister de podcasts op Spotify & Apple Podcasts. Onze gast spreekt in het Nederlands.

Beste lezer, Graag houden we voor u in REFLECT ook de vinger aan de pols van de actualiteit. In elke uitgave krijgt u een overzicht van voor het bedrijfsleven belangrijke thema’s die onze experts nauw en secuur aansturen, onderhandelen en opvolgen op zowel economische, sociale, juridische als fiscale domeinen.
In de nu volgende bladzijden van REFLECT vindt u een selectie van dossiers waarop onze experts vandaag actief zijn om de belangen van onze lidfederaties en de aangesloten bedrijven maximaal te behartigen, dit zowel op federaal, Europees als internationaal niveau. Per thema krijgt u een status van het dossier, de positionering van het VBO en lichten we ook de ‘next steps’ toe. Op die manier hebt u een 360°-kijk op dossiers met een mogelijke belangrijke impact op uw business.
Een totaaloverzicht van alle dossiers en thema’s die onze experts opvolgen, vindt u op www.vbo.be.
32
Gezonde ondernemingen beschermen
33
E-invoicing wordt de norm: België als Europese voortrekker
34
Europese Klimaatdoelstelling: van Fit for 55 naar Fit for 90
36
MILIEU-OMNIBUS
Goede start, maar bijsturing noodzakelijk
Mentaliteitswijziging vereist eenvoudiger kader 38
40
EUROPESE INDUSTRIE
Industrial accelerator act: wat moet u weten?
39
Historische evolutie van de e e e n n en hoeveel gewicht dragen ondernemingen?
41
FISCALITEIT
VBO lanceert Barometer Belgische Fiscaliteit
Het VBO steunt initiatieven die erop gericht zijn een gezond bedrijfsweefsel, met actieve en transparante ondernemingen en eerlijke concurrentie, te vrijwaren. Dat er nog steeds zogenaamde ‘spookbedrijven’ bestaan, of juridische entiteiten die inactief lijken maar in werkelijkheid gebruikt worden voor frauduleuze constructies (witwassen, btwcarrousel), rechtvaardigt dergelijke initiatieven des te meer.
Sinds 2017 kan een rechter een vennootschap die geen jaarrekeningen neerlegt na één boekjaar al ontbinden. Het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) maakt het ook mogelijk om de rechtbank te waarschuwen wanneer bepaalde signalen optreden.
Vandaag kan de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden al een dossier overdragen aan de ondernemingsrechtbank als:
• de vennootschap ambtshalve geschrapt werd uit de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO);
• de vennootschap niet reageert op oproepingen en niet verschijnt voor de bevoegde kamer;
• de bestuurders niet beschikken over de wettelijk vereiste kwalificaties om de activiteit uit te oefenen.
Die instrumenten verloren echter aan kracht door de afschaffing van de vereisten rond de basiskennis bedrijfsbeheer in alle drie de gewesten en bepaalde beroepsbekwaamheden in Vlaanderen. Bij bepaalde vennootschapsvormen die weinig informatie publiceren, is het dus moeilijk om snel in te grijpen.
Tegen die achtergrond werd zopas een nieuw wetsvoorstel ingediend bij het parlement.
Het doel is om de strijd tegen inactieve of misleidende vennootschappen te versterken om concurrentieverstoringen te vermijden en de continuïteit van gezonde activiteiten te garanderen.
Het VBO steunt dat initiatief: het biedt concrete antwoorden in overeenstemming met het WVV-kader.
Het nieuwe wetsvoorstel beoogt drie doelstellingen:
• Ondernemingen die de regels naleven beschermen;
• Schuldeisers en consumenten beter beschermen;
• De rechtstaat versterken door misbruik te bestrijden.
De drie voorgestelde maatregelen (in het kort):
1. De ontbinding versnellen van vennootschappen die duidelijk in moeilijkheden zitten De procedure zou worden vereenvoudigd: de rechter zou geen twee oproepingen met dertig dagen tussentijd moeten afwachten alvorens de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden kan ingrijpen. Doel: termijnen verkorten en misbruiken via spookbedrijven terugdringen.
2. Nieuwe ‘alarmsignalen’ toevoegen die de rechter in staat stellen om actie te ondernemen Het voorstel komt met nieuwe redenen die kunnen leiden tot een gerechtelijke ontbinding bij ernstige nalatigheden, bijvoorbeeld:
• UBO: nalatigheden in het register van uiteindelijk begunstigden;
• Oproepingen: uitblijven van reactie op oproepingen van de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden;
• Verbod: beroepsverbod voor bestuurders;
• Bijdrage: twee jaar niet-betaling van de jaarlijkse bijdrage;
• KBO: geschrapt of onbestaand adres bij de Kruispuntbank van Ondernemingen;
• Herhaling: herhaalde inbreuken op het WVV, de openbare orde of de statuten.
3. Meer efficiëntie, zonder af te doen aan garanties Een ‘automatische’ ontbinding is niet mogelijk. De vennootschap kan reageren en, naargelang het geval, opnieuw orde op zaken stellen. Het dossier wordt behandeld door de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden en vervolgens, indien nodig, door de ondernemingsrechtbank.
Contact
Nathalie Ragheno Competentiecentrum
Recht & Onderneming nr@vbo-feb.be
ZOEKEN OP VBO.BE Cyberjustitie

Wat het VBO betreft, gaat de tekst de goede richting uit: het wetsvoorstel maakt het mogelijk om inactieve of misleidende vennootschappen sneller uit te sluiten en bonafide bedrijven beter te beschermen. Het VBO benadrukt evenwel dat een snelle toepassing gepaard moet gaan met voldoende middelen voor het gerecht.
Het wetsvoorstel maakt het mogelijk om inactieve of misleidende vennootschappen sneller uit te sluiten en bonafide bedrijven beter te beschermen.



Met het aflopen van de tolerantieperiode voor verplichte b2b e-invoicing eind maart, zet België een beslissende stap in de modernisering van zijn facturatieprocessen, wat de voortrekkersrol van ons land binnen het Europese ViDA kader (VAT in the Digital Age) bevestigt.
De Belgische verplichting tot gestructureerde elektronische facturatie tussen ondernemingen kadert in een decennialang streven naar vereenvoudiging en digitalisering van financiële processen, én in een bredere Europese hervorming van het btw-systeem.
Met ViDA wil de Europese Unie administratieve lasten verlagen, toewerken naar meer realtime en digitale rapportering en zo ook de btw-kloof als gevolg van fraude en vergissingen bestrijden. België anticipeert hierop door resoluut te kiezen voor e-invoicing via het Peppol-netwerk, een open en interoperabele Europese standaard.
De invoering van verplichte b2b e-invoicing ging gepaard met een tijdelijke tolerantieperiode voor ondernemingen die nog niet volledig operationeel waren. Die overgangsfase gaf bedrijven, softwareleveranciers en overheden de nodige ruimte om de laatste technische en organisatorische aanpassingen door te voeren. Het voorbereidende en sensibiliserende werk, ondersteund door intens overleg met de stakeholders (onder meer binnen de VBO Business Expert Group e-invoicing) en een duidelijke technische standaard, wierp zijn vruchten af. De implementatie verliep globaal vlot, zonder grote operationele incidenten. De focus verschuift nu van voorbereiding naar de realisatie van concrete efficiëntiewinsten in de financiële processen.
Dat succes vertaalt zich ook in de cijfers. Begin maart 2026 waren bijna één miljoen ondernemingen aangesloten op het Peppol-netwerk, goed voor een officiële adoptiegraad van zo’n 83% over het hele land. Dat percentage vormt naar alle waarschijnlijkheid echter nog een aanzienlijke onderschatting. Van het totaal van 1,2 miljoen btw-plichtige vennootschappen zijn er immers ook tienduizenden slapende (eenmans-) vennootschappen zonder reële economische activiteit, maar ook nog niet geschrapt werden door
de oprichter-eigenaar. En daarnaast zijn er ook nog wat vennootschappen onder een vrijstellingsregime die uitsluitend in b2c actief zijn. Wanneer met die realiteit rekening wordt gehouden, ligt de effectieve adoptiegraad bij actieve ondernemingen quasi op 100%, wat België internationaal positioneert als koploper in e-invoicing.
De Belgische aanpak geniet bovendien internationale aandacht. Zo ontving het VBO in maart een delegatie van de Franse Direction générale des Finances publiques, onder leiding van de Directeur-generaal, in het kader van een 'factfinding mission'. Frankrijk toonde daarbij expliciet interesse in de Belgische ervaring met e-invoicing, gezien de rol die België vandaag speelt als referentie binnen Europa.
Tegelijk is het belangrijk om realistisch te blijven. Ondanks de hoge adoptiegraad zijn er nog enkele aandachtspunten. In het bijzonder 'self billing' vraagt verdere verduidelijking, zowel technisch (bij de leveranciers van boekhoud- of ERP-systemen) als juridisch. Ook bepaalde uitzonderingssituaties en sectorale specificiteiten vergen nog afstemming. Die resterende issues worden opgevolgd binnen de bestaande overlegstructuur tussen overheid en bedrijfsleven met name de BEG e-invoicing van het VBO.
België toont dat e-invoicing geen loutere administratieve verplichting is, maar een cruciale hefboom voor eenvoudigere en efficiëntere financiële processen en een transparanter btw-systeem, in lijn met de Europese ambities onder ViDA.
Contact
Nathan Peeters
Attaché Digitaal en Innovatief ondernemen npe@vbo-feb.be
ZOEKEN OP VBO.BE E-facturatie b2b
Met bijna één miljoen aangesloten ondernemingen en het einde van de tolerantieperiode wordt elektronische facturatie definitief de norm.


Begin maart keurde de Europese Raad de 2040 klimaatdoelstelling goed. Grootteorde van de uitdaging: een reductie van 90% van de koolstofuitstoot ten opzichte van 1990. Men verzekert zo de opvolging van de Fit for 55-doelstelling: een emissiereductie van 55% tegen 2030.
Een opvolger voor het Fit For 55-pakket
In het kader van de Europese Green Deal werd in 2021 het Fit for 55-pakket gepresenteerd door de Europese Commissie. Dit betrof een reeks wetten die de EU in staat moest stellen haar uitstoot van broeikasgassen met 55% terug te dringen ten opzichte van het jaar 1990.
Die doelstelling wordt nu opgevolgd door een emissiereductie van 90% tegen 2040. Dat akkoord betreft weliswaar maar een eerste stap. De volgende stap is de herziening van het hele wetgevende pakket die deze doelstelling moet ondersteunen. De kans is groot dat de commissie opnieuw bindende targets voor energie-efficiëntie en verplichte minimumtargets voor het gebruik van specifieke vormen van energie, zoals hernieuwbare energie en groene waterstof, zal opleggen.
EU klimaatgovernance
Voor het VBO is het belangrijk dat deze herziening wordt aangegrepen om de huidige aanpak grondig tegen het licht te houden. De afgelopen jaren zagen we namelijk dat te specifieke doelstellingen voor specifieke energievectoren en technologieën al snel onrealistisch bleken. Dit soort scenario’s zorgt helaas voor investeringen in, en subsidies voor suboptimale oplossingen. We pleiten dan ook voor een technologieneutrale aanpak, waarbij de lidstaten en sectoren het vertrouwen wordt geschonken zelf uit te maken wat de meest kostenefficiënte manier is om hun activiteiten te decarboniseren. Dit belet niet – het is zelf wenselijk – dat de Commissie steun biedt voor bepaalde oplossingen, maar niet in de vorm van strikte en onrealistische bindende doelstellingen. Een alternatief is flankerend beleid, o.a. in de vorm van harmonisatie, begeleiding en ondersteuning bij het creëren van een markt.
Noodzakelijke randvoorwaarden
Daarnaast kan deze emissiereductiedoelstelling alleen worden nagestreefd als aan een aantal noodzakelijke randvoorwaarden wordt voldaan. Zonder competitieve koolstofarme energie, de ontwikkeling van de nodige infrastructuur – denk aan elektriciteitsnetten en pijpleidingen voor CO2 en waterstof – en het bewaken van een internationaal gelijk speelveld met een waterdichte Europese koolstofgrenstaks, dreigt namelijk een scenario waarin decarbonisatie gelijk komt te staan aan deïndustrialisatie.
Competitiviteitstoets
In de klimaatwet staat opgenomen dat de Europese Commissie elke twee jaar een evaluatie uitvoert, daarbij rekening houdend met het concurrentievermogen van de Europese Unie. Het VBO ijvert ervoor dat deze tweejaarlijkse evaluatie wordt aangegrepen als competitiviteitstoets, op basis van indicatoren zoals:
• het verschil in energieprijzen tussen de EU en internationaal concurrerende markten;
• de ontwikkeling van nieuwe CO2 en waterstofnetwerken;
• de capaciteit van elektriciteitsnetwerken om de elektrificatie van industrieën mogelijk te maken;
• de CO2 prijzen en de werking van de Europese koolstofgrenstaks (CBAM).
Als bovenstaande indicatoren niet in de juiste richting evolueren, wordt het voor veel ondernemingen moeilijk om een positieve businesscase op te zetten. In dat geval kunnen we niet verwachten dat investeringen om te decarboniseren worden gemaakt, met het risico dat deze industrieën Europa verlaten.
Contact
Maarten Van Eeckhoute
Competentiecentrum
Energie, Klimaat & Mobiliteit
mve@vbo-feb.be ZOEKEN OP VBO.BE Klimaatdoelstelling
Het VBO ijvert ervoor dat de tweejaarlijkse evaluatie wordt aangegrepen als competitiviteitstoets.



Een uniek podium voor uw duurzaamheidsrapportering 2025

Jubileum Jaar
25e editie

Voor wie is BAS 2026?

DeBASishetenigeplatforminBelgiëwaarin organisatiesinverschillendecategorieënzich kunnenmetenmetelkaaromtrentde relevantieengeloofwaardigheidvanhun duurzaamheidsrapportering.
VoorU-alsuworganisatiein2026duurzaamheidsinformatiepubliceertover2025,endit ongeacht uw grootte of juridische vorm.
Hoe meedoen?
Uploaduwduurzaamheidsrapport(ofrelevantesectie vanhetjaarverslag)enlaatu beoordelen.
Meer info en inschrijvingen www.ibr-ire.be/en/bas
Georganiseerd door:
Founding partner: Instituut van de Bedrijfsrevisoren (IBR) en Stichting Informatiecentrum voor het Bedrijfsrevisoraat (ICCI)



Op 10 december 2025 stelde de Europese Commissie haar achtste omnibuspakket voor. Deze keer aan de beurt: de milieuwetgeving. De tekst bundelt zes wetgevingsvoorstellen rond industriële emissies, circulaire economie, milieueffectenbeoordelingen en geospatiale gegevens. Het doel van het initiatief ligt in lijn met dat van de andere omnibuspakketten: de wetgeving vereenvoudigen om de doelstellingen op een doeltreffendere en financieel minder belastende manier te bereiken.
Industriële emissies en circulaire economie
In het pakket wordt onder meer voorgesteld om de richtlijn inzake industriële emissies (Industrial Emissions Directive of IED) te vereenvoudigen. Die richtlijn vormt het EU-kader voor het terugdringen van de emissies en afvalproductie van grote industriële installaties.
De voorgestelde herzieningen hebben helaas enkel betrekking op bepalingen die nog niet zijn ingevoerd, terwijl de fundamentele elementen van de richtlijn ongewijzigd blijven. Die belangrijkste onderdelen houden evenwel onvoldoende rekening met de economische haalbaarheid van de investeringen en droegen in zekere mate bij tot het deindustrialisatieproces dat zich in Europa aftekent.
Gezien die elementen is een ‘stop the clock ’-mechanisme voor die richtlijn noodzakelijk. De invoering en omzetting van de richtlijn moeten tijdelijk worden opgeschort om te vermijden dat ondernemingen worden onderworpen aan mogelijk onsamenhangende verplichtingen nog voor de post-omnibusonderhandelingen duidelijke en stabiele resultaten hebben opgeleverd.
Het pakket voorziet ook in een wijziging in de kaderrichtlijn inzake afvalstoffen om de SCIP-databank voor zorgwekkende stoffen in producten af te schaffen. Die databank vervangen door meer performante digitale tools, zoals het digitaal productpaspoort, vormt een belangrijke stap in de richting van de gewenste vereenvoudiging.
1 Een gemachtigde vertegenwoordiger is een natuurlijke of rechtspersoon gevestigd in de Europese Unie en officieel aangewezen door een niet-EU-producent om compliancetaken uit te voeren.
Wat de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) betreft, moet het pakket de administratieve lasten verlichten, onder meer door de regels voor de aanduiding van gemachtigde vertegenwoordigers1 in verschillende Europese wetgevingen (batterijverordening, WEEE, ‘Single-Use Plastics’-richtlijn) op te schorten.
Milieueffectbeoordelingen en afgifte van vergunningen
Een ander voorstel in het pakket is om een globaal kader op te zetten om de snelheid en kwaliteit van milieueffectbeoordelingen, die nodig zijn om vergunningen te verlenen, te verhogen. Om een concreet effect op te leveren zal dat initiatief deel moeten uitmaken van een samenhangende benadering van procedures die steunt op gemeenschappelijke principes voor alle industriële projecten.
Snelle, samenhangende en voorspelbare implementatie
Het VBO is tevreden met de opzet van het pakket. De vereenvoudigingsmaatregelen bieden – deels –een antwoord op de concrete en dringende oproep van de bedrijfswereld.
De onderhandelingen en de toekomstige implementatie van het pakket zullen beslissend zijn. We roepen de Europese instellingen op om snel vooruitgang te boeken in de onderhandelingen en de industrie ten volle te betrekken in elke stap. Een samenhangende omzetting door de lidstaten is vervolgens noodzakelijk om fragmentatie van de interne markt te vermijden. De vereenvoudiging van de wetgeving kan enkel slagen als ze gepaard gaat met echte rechtszekerheid voor ondernemingen.
Contact
Rodolphe Mouriau
Competentiecentrum
Sustainability & Circulaire economie
rm@vbo-feb.be
ZOEKEN OP VBO.BE Milieu-omnibus
Het VBO is tevreden met de opzet van het omnibuspakket. De vereenvoudigingsmaatregelen bieden – deels – een antwoord op de concrete en dringende oproep van de bedrijfswereld.



PMD op het werk, net zoals thuis.
Sluit een PMD-contract af met een aangesloten afvalophaler en ontvang een welkomstpremie. Zo kom je de verplichting na om PMD te sorteren op je werkplek en draag je samen met je bedrijf bij aan de circulaire economie.
Opgelet, bedrijfsmatige plastic folie hoort thuis in de foliezak en niet bij het PMD.
Meer info en gratis communicatiemateriaal op sorterenophetwerk.be
Samen goed sorteren, beter recycleren
In het regeerakkoord werd bepaald dat het mobiliteitsbudget systematisch door werkgevers zal worden aangeboden aan werknemers die recht hebben op een bedrijfswagen. Via die maatregel wil de regering de gedragsverandering die met de invoering van het mobiliteitsbudget in 2019 werd ingezet versnellen en een echte modal shift bevorderen.
Weinig draagvlak
Het mobiliteitsbudget werd ontworpen als een innovatief instrument dat werkgevers en werknemers in staat stelt om voor duurzamere en flexibelere vormen van mobiliteit te kiezen die beter aansluiten op de individuele behoeften. Het is een instrument met echt potentieel dat van groot belang is voor werkgevers. Het aantal bedrijven dat het mobiliteitsbudget aanbiedt, neemt dan ook elk jaar toe.
Toch verloopt die toename te traag met het oog op de doelstellingen van de transitie naar een duurzamere mobiliteit. In 2024 boden 1.488 werkgevers het mobiliteitsbudget aan en gingen 18.386 werknemers op dat aanbod in.1 Het gebruik blijft dus zeer beperkt: minder dan 0,5% van alle werknemers en minder dan 3% van de werknemers met een bedrijfswagen is gewonnen voor het mobiliteitsbudget.2
De vraag is of het verplicht aanbieden van het mobiliteitsbudget het gebruik ervan daadwerkelijk zal doen toenemen.
Eerst kader vereenvoudigen, dan pas verplichten
Het mobiliteitsbudget opleggen aan werkgevers dreigt te leiden tot een louter formele, onvoldoende doordachte en ondersteunde invoering die uiteindelijk contraproductief en duur zal blijken aangezien de beoogde modal shift niet zal kunnen worden bereikt. Een wettelijke verplichting alleen is geen garantie voor een verandering in het gedrag of de houding van werknemers, of voor het bereiken van de gewenste modal shift .
Alvorens het mobiliteitsbudget verplicht te maken, is het essentieel om het te vereenvoudigen, de betrokken actoren voldoende te begeleiden en in de nodige infrastructuur te voorzien om een echte verandering mogelijk te maken.
Het VBO is ervan overtuigd dat elke verandering aan het mobiliteitsbudget moet beginnen met een structurele vereenvoudiging van het bestaande kader. De regeling is zowel administratief als technisch te complex geworden en is op sommige vlakken vatbaar voor interpretatie. Die complexiteit zet een rem op het gebruik en tast de geloofwaardigheid van het systeem aan.
Nieuwe uitbreidingen of verplichtingen overwegen kan pas als het instrument operationeel, voorspelbaar en administratief beheersbaar is. Daarvoor zijn duidelijke regels, een begrijpelijke methodologie, concrete voorbeelden en passende tools en documentatie van de bevoegde autoriteiten noodzakelijk.
Het mobiliteitsbudget blijft een belangrijke hefboom in de transitie naar meer duurzame en verantwoorde mobiliteit. Maar dan moet het wel eenvoudig en begrijpelijk blijven en in lijn liggen met de oorspronkelijke doelstelling. Vereenvoudiging is geen bijzaak: het is een essentiële voorwaarde om de doeltreffendheid van het instrument, het vertrouwen van de actoren en het succes op lange termijn te waarborgen, binnen een klimaat van constructieve sociale dialoog.
Contact
Marie-Lise Pottier
Competentiecentrum Werk, Klimaat & Sociale zekerheid mlp@vbo-feb.be
ZOEKEN OP VBO.BE Mobiliteitsbudget
1 RSZ-monitoring vergroening salariswagenpark 2024
2 Het aantal bedrijfswagens in België stagneert: een primeur in bijna 20 jaar
Elke verandering aan het mobiliteitsbudget moet beginnen met een structurele vereenvoudiging van het bestaande kader.


Eind 2023 overschreden de schuldgraad en het begrotingstekort van België de kritieke drempels van 60% en 3% van het bbp.1 In het kader van de nieuwe begrotingsregels, die in 2024 in werking traden, kreeg België een referentiepad opgelegd om de overheidsfinanciën op middellange en lange termijn opnieuw op een houdbaar spoor te brengen. De Arizonaregering was dan ook nauwelijks aangetreden of ze kondigde al een stevige begrotingssanering aan, wat het debat over de in te zetten hefbomen meteen op gang bracht.
Aan de ontvangstzijde werden snel verschillende maatregelen voorgesteld: een taks op effectenrekeningen, btw- en accijnsbijsturingen, nieuwe werkgeversbijdragen via de ‘centenindex’-loonmatigingsbijdrage …
Het is binnen die context zinvol om de historische evolutie en de verdeling van de verschillende belastingen onder de loep te nemen om de gevolgen van die nieuwe begrotingsfase voor ondernemingen beter te begrijpen.
Vooreerst herinneren we eraan dat de overheidsinkomsten hoofdzakelijk bestaan uit fiscale en parafiscale ontvangsten (85%), aangevuld met nietfiscale ontvangsten (15%) zoals inschrijvingsgelden voor universiteiten of verkeersboetes.
We stellen vast dat de samenstelling van de fiscale en parafiscale ontvangsten sinds 1995 vrijwel stabiel bleef. De overheidsfinanciering steunt voor het overgrote deel op vier pijlers: de belastingen op productie en invoer (btw, accijnzen ...), de personenbelasting (PB), de effectieve sociale bijdragen en de vennootschapsbelasting (VenB). In 2024 vertegenwoordigden die inkomstenposten respectievelijk 28%, 28%, 31% en 10% van het totaal.
Als we kijken naar de bijdrage van ondernemingen, dan zien we dat het aandeel dat de werkgeversbijdragen en de vennootschapsbelasting (VenB) samen vertegenwoordigen binnen de fiscale en parafiscale ontvangsten in de loop der jaren licht is toegenomen. Die evolutie is hoofdzakelijk toe te schrijven aan de VenB, waarvan het aandeel sinds 1995 bijna verdubbelde, ondanks de daling van de tarieven.
Belastingen op productie en invoer en PB als historische pijlers van de overheidsinkomsten sinds 1995
Verschillende hervormingen – waaronder de VenBhervorming op nationaal niveau en de BEPS-/MLI- en ATAD-hervormingen op internationaal niveau –brachten, ofwel door een rechtstreekse verbreding ofwel door een verminderde erosie, immers een verruiming van de belastbare basis met zich mee.
In 2024 namen bedrijven 29% van de fiscale en parafiscale ontvangsten in de overheidsfinanciën voor hun rekening. Het totaal van de door hen afgedragen belastingen kwam in 2024 neer op 12% van het bbp, oftewel 75,5 miljard euro.
1 Hoge Raad van Financiën, afdeling ‘Financieringsbehoeften van de overheid’. (2024, juli). Advies voor de verdeling van het door de Europese Commissie aan België overgemaakte referentiepad voor de periode 2025-2028/2031. https://hogeraadvanfinancien.be/nl/publications https://hogeraadvanfinancien.be/sites/default/files/publications/hrf_ fin_advies_2024_07.pdf
Contact Edward Roosens
Chief economist Competentiecentrum Economie & Conjunctuur er@vbo-feb.be
In samenwerking met Coline Robin ZOEKEN OP VBO.BE Belgische fiscale ontvangsten

In 2024 namen bedrijven in de overheidsfinanciën 29% van de fiscale en parafiscale ontvangsten voor hun rekening.



De Europese Commissie stelde op 4 maart de nieuwe Industrial Accelerator Act (IAA) voor. Die verordening moet de industriële ruggengraat van Europa versterken, het industrieel aandeel richting 20% van het bbp duwen en productie in Europa aantrekkelijker maken. DeAct bundelt drie ambities: vraag stimuleren, waardevolle investeringen en vergunningen versnellen.
Waarom komt die verordening er?
De Europese industrie staat al jaren onder druk door hoge kosten, scherpe internationale concurrentie en kwetsbare waardeketens. Vooral energie intensieve sectoren worden getroffen. De IAA wil die kwetsbaarheden aanpakken door productiecapaciteit op te schalen en strategische supplychains te versterken.
Nieuwe regels openbare aanbestedingen
Een van de meest ingrijpende elementen van de IAA is de hervorming van openbare aanbestedingen. Voor strategische materialen, zoals staal, cement, aluminium en bepaalde ‘net-zero’-technologieën stelt de Commissie voor om bindende minimumnormen te introduceren. Zo moet onder meer:
• minstens 25% van het staal laag CO₂ zijn;
• minstens 5% van het beton en de mortel laag CO₂ én van EU oorsprong zijn;
• minstens 25% van het aluminium laag CO₂ én van EU oorsprong zijn.
De EU blijft echter een open markt: landen die EU -bedrijven gelijke toegang geven tot hun eigen aanbestedingen via WTO-regels of een handelsakkoord behouden die toegang ook in Europa.
Vergunningen sneller en voorspelbaarder
De IAA wil ook een structurele oplossing voor het chronische probleem van trage vergunningen. Daarom:
• een digitaal systeem invoeren met één toegangspunt voor bedrijven;
• minstens één ‘industrial acceleration area’ aanduiden waar projecten sneller groen licht kunnen krijgen.
De complexiteit en duur van vergunningen vormen ook in België een rem op cruciale investeringen. Maar omdat de IAA nog door de wetgevingsprocedure moet, is een snelle oplossing niet onmiddellijk te verwachten.
Buitenlandse investeringen: voorwaarden strategische sectoren
Voor investeringen van meer dan 100 miljoen euro in sectoren zoals batterijen, auto’s, zonne-energie of kritieke grondstoffen komen specifieke toetsingscriteria. Die gelden wanneer een derde land meer dan 40% van de wereldwijde capaciteit in zo’n sector controleert. Het gaat niet om een verbod, maar om een bijkomende economische analyse. Coherentie met bestaande Europese wetgeving blijft cruciaal.
Samengevat
De IAA bevat ingrijpende bepalingen die voelbaar zullen zijn in tal van sectoren: strengere vereisten in aanbestedingen, nieuwe criteria voor buitenlandse investeringen en potentieel snellere vergunningstrajecten. Het uiteindelijke resultaat hangt echter af van de onderhandelingen tussen Parlement en Raad.
Het voorstel bevat daarnaast verschillende uitvoeringsen gedelegeerde handelingen waarmee de Commissie de bevoegdheid krijgt om de wetgeving verder uit te werken. Het is belangrijk dat deze stappen nauwlettend worden opgevolgd, omdat ze vaak weinig zichtbaar zijn maar grote impact kunnen hebben op ondernemingen.
Het VBO zal erop toezien dat de EU een goed evenwicht bewaart tussen het versterken van industriële activiteiten in Europa en het open houden van de economie voor handel en investeringen. We volgen het dossier actief op en blijven in overleg met de betrokken sectoren.
Contact
Torre Van de Walle Competentiecentrum Europa & Internationaal tvw@vbo-feb.be
ZOEKEN OP VBO.BE Industrial Accelerator Act
De EU wil haar industrieel aandeel tegen 2035 richting 20% van haar bbp brengen.


Wie er niet dagelijks mee bezig is ziet soms de bomen niet meer door het fiscale bos. Wie dat wel doet, verliest waarschijnlijk regelmatig het overzicht. Bovendien zorgen de nationale bijzonderheden van elk land ervoor dat de verschillende systemen maar moeilijk met elkaar te vergelijken zijn. Op die problemen probeert het VBO een antwoord te bieden met de ontwikkeling van de eerste Barometer van de Belgische Fiscaliteit.


belgiantaxbarometer.be
De Barometer van de Belgische Fiscaliteit is een nieuw instrument dat de grote lijnen van onze ondernemingsfiscaliteit in kaart brengt. En op maat van de geïnteresseerde lezer die niet dagelijks bezig is met de fiscaliteit. We vergelijken we België met onze buurlanden en met de OESO, zodat wie onderneemt, investeert of beleid maakt, in één oogopslag ziet waar we sterk staan en waar het beter kan. Het is een praktisch kompas dat het fiscale debat op feiten baseert.
Belang van de barometer?
De Belgische fiscaliteit is bijzonder complex. Ondernemingen, investeerders en werknemers worden er elke dag mee geconfronteerd, maar een helder overzicht ontbrak. De barometer biedt precies die kapstokken, objectief en vanuit een ondernemingsoogpunt: hoe competitief is ons land op vlak van vennootschapsbelasting, arbeid, consumptie en vermogen? Waar duwt fiscaliteit onze economie vooruit … waar remt ze af?
Kortom, de barometer plaatst de fiscaliteit opnieuw in het centrum van het debat.
Hoe is de barometer opgebouwd?
De barometer steunt op vier grote thema’s: vennootschap, arbeid, consumptie en vermogen. Per thema leggen we uit hoe het systeem werkt, hoe België scoort tegenover andere landen, en wat de impact is op ondernemingen en de economie. Alles is gebaseerd op recente OESO-data en internationale rapporten.
Naast die vier grote blokken, krijgt u nog één bonus-blok met een wat budgettaire achtergrond. Want zonder gezonde begroting geen gezonde fiscaliteit. Mits de fiscaliteit de belangrijkste inkomstenbron is voor de overheid, kon een budgettair luik dus niet ontbreken.
Achter elk blok bieden we heel wat informatie, gebracht in behapbare inhoudelijke fiches. Daarin leggen we de belangrijkste kenmerken en de sterktes en zwaktes van de Belgische fiscaliteit in mensentaal uit.
De belangrijkste conclusies?
Opvallend (maar niet echt verbazend): ons land doet het echt niet super. Op bijna alle vlakken bengelen achter in het OESO-peloton. Er is dus nog veel ruimte voor verbetering. Is er dan geen positief nieuws? In elk blok zitten ook wel elementen die ons land vooruithelpen. Ook daar gaan we dieper op in.
De Barometer maakt vooral duidelijk dat fiscaliteit en fiscale concurrentiekracht veel meer is dan puur de algemene belastingdruk. Er kan veel gewonnen of verloren worden door de manier waarop de fiscaliteit wordt gestructureerd. Bijvoorbeeld door haar complexiteit of nog in welke mate het ondernemerschap afremt.
Een gezonde, concurrentiële en moderne fiscaliteit is geen luxe, het is een voorwaarde voor groei, jobs en investeringen. Wie wil begrijpen hoe ons systeem in elkaar zit, vindt hier een heel duidelijk vertrekpunt.
Contact Robbe Reyns
Competentiecentrum
Fiscaliteit & Investeringen rr@vbo-feb.be
ZOEKEN OP VBO.BE
Barometer van de Belgische fiscaliteit belgiantaxbarometer.be


Een gezonde, concurrentiële en moderne fiscaliteit is een voorwaarde voor groei, jobs en investeringen. Check de barometer!



Beschermde werknemer – Ouderschapsverlof –Voldoende reden
Onder voldoende reden moet worden verstaan, een door de rechter als zodanig bevonden reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst of de vermindering van de arbeidsprestaties vanwege de uitoefening van het recht op ouderschapsverlof.
Vormen een voldoende reden, het feit dat de werkneemster heeft geweigerd zich te integreren in een nieuwe structuur, evenals het feit van onvoldoende prestaties die hebben geleid tot twee negatieve jaarlijkse evaluaties.
Het recht van de werknemer om na afloop van het ouderschapsverlof terug te keren in zijn oude functie of, indien dit niet mogelijk is, in een gelijkwaardige of vergelijkbare functie die in overeenstemming is met zijn arbeidsovereenkomst, zoals gewaarborgd bij artikel 14 § 1 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 64, doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de werkgever, zoals erkend bij artikel 15 § 1 van deze collectieve arbeidsovereenkomst, om de arbeidsverhouding eenzijdig te beëindigen om een dringende reden of een voldoenden reden.
Hof van Cassatie, 24 maart 2025, JTT, 2025, 310
ONTSLAG
Dringende reden – Verhouding fout en gevolgen
De verhouding tussen de rechtsgevolgen verbonden aan een ontslag om dringende reden en de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmogelijk maakt, is zonder verband met het begrip dringende reden in de wetsbepaling van artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet.
Dat de rechter de door een partij aangevoerde wanverhouding tussen de door haar begane fout en de gevolgen van het ontslag om dringende reden dient te betrekken in zijn beoordeling van de rechtmatigheid van het ontslag en meer in het bijzonder van het ernstig karakter van de tekortkoming en van de onmiddellijke en definitieve onmogelijkheid van de professionele samenwerking, berust op een onjuiste rechtsopvatting.
Hof van Cassatie, 22 september 2025, S.240029.N, www.juportal.be
ONTSLAG
Dringende reden – Bewijslast – Diefstal
Diefstal maakt een dringende reden uit, aangezien dit het vertrouwen aantast dat vooropstaat in de arbeidsrelatie, ook al gaat het om geïsoleerde feiten, gelet op hun aard of de mate waarin zij meespelen bij de beoordeling van de onkreukbaarheid van de werknemer.
Met toepassing van artikel 8.5 van het Burgerlijk Wetboek moet het bewijs met een redelijke graad van zekerheid geleverd worden.
Wanneer de werkgever die de bewijslast heeft, het bewijs levert met een redelijke grond van zekerheid, is het aan de werknemer om het bewijs te leveren dat hij geen enkele intentie had om die daad te stellen.
Het is dan niet voldoende om zijn goede bedoeling of de afwezigheid van een slechte bedoeling te bevestigen, of zich te beroepen op een vergetelheid, een vergissing, of een verstrooidheid, zonder enig objectief en zeker bewijs (met voldoende graad van zekerheid) van positieve omstandigheden of zonder enig objectief en meer dan waarschijnlijk bewijs van negatieve omstandigheden.
Arbeidshof Luik, afdeling Luik, 23 oktober 2024, JTT, 2025, 276
Dringende reden – Interne verificaties
Het feit dat een werkneemster herhaaldelijk en gedurende meerdere maanden, zonder dat dit noodzakelijk was voor de uitvoering van haar arbeidsovereenkomst, de bankbewegingen van haar schoonfamilie heeft geraadpleegd, vormt een dringende reden voor ontslag.
Een bankinstelling die, op verdenking van een schending van de beroeps- en deontologische regels door een van haar werkneemsters, interne controles uitvoert zonder dat het personeel dat daarmee is belast de titel van privédetective draagt, heeft geen inbreuk gemaakt op de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privédetective, noch op die van 25 april 2014 betreffende het statuut en de controle van kredietinstellingen.
Evenzo, wanneer de gegevensverzameling is uitgevoerd voor welbepaalde, uitdrukkelijke en legitieme doeleinden en niet heeft geleid tot een verdere verwerking die onverenigbaar is met deze doeleinden, en bovendien de werkgever de werkneemster een klachtenprocedure en een ad-hoc formulier ter beschikking heeft gesteld, schendt hij de GDPR niet.
Arbeidshof Bergen, 29 augustus 2024, JLMB, 2025/38
Dringende reden – Bewijs – Onderzoeksrapport opgesteld door advocaat
Ook al schrijft artikel 35 van de wet van 3 juli 1978 niet voor dat het onderzoek, dat de werkgever instelt om over het feit dat als dringende reden tot ontslag een voldoende zekerheid te hebben, onverwijld en snel gevoerd moet worden, toch moet dit onderzoek binnen een redelijke termijn gevoerd worden.
Het bewijs van de dringende reden moet op grondige en nauwkeurige wijze geleverd worden, aangezien het recht op plotse beëindiging een uitzonderlijke manier is om een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst en een extreem zware sanctie voor de werknemer uitmaakt.
Een onderzoeksrapport dat werd opgesteld door een advocaat op vraag van de werkgever moet met de nodige omzichtigheid benaderd worden, aangezien het is opgesteld door een persoon die speciaal daartoe is aangesteld en betaald door één van de partijen die een rechtstreeks belang heeft bij het geschil en er geen enkele reglementering bestaat voor dergelijke praktijken (in tegenstelling tot de hypothese waarbij een beroep wordt gedaan op een privédetective).
Arbeidshof Brussel, 28 maart 2025, JTT, 2025, 357
Bestuurder van een vennootschap
De uitoefening van een mandaat van bestuurder van een handelsvennootschap is een activiteit die voor eigen rekening wordt uitgeoefend in de zin van artikel 45, eerste lid, 1° Werkloosheidsbesluit.
De omstandigheid dat het mandaat geen inkomsten genereert, volstaat niet om uit te sluiten dat het geen winstgevende activiteit omvat.
Toch kan de werkloze aantonen dat, hoewel hij houder is van een bestuurdersmandaat, hij dit mandaat niet heeft uitgeoefend en dat hij bijgevolg geen enkele reële activiteit heeft verricht en dus ook geen activiteit in de zin van voormeld artikel.
Arbeidshof Bergen, 19 juni 2024, JTT, 2025, 291

Contact
Antoine
Vanden Abeele
Geassocieerd advocaat, IUXTA Legal avandenabeele@iuxta.legal www.iuxta.legal
16 MAART 2026
Op maandag 16maart nam Jan Vander Stichele, voorzitter van Lotus Bakeries, officieel zijn mandaat op als nieuwe voorzitter van het VBO. Meer dan 600 CEO’s, captains of industry, beslissers, academici en beleidsmakers woonden de ceremonie bij.



Vander
is een captain of industry met internationale ervaring, diepgaande kennis van het Belgische bedrijfsweefsel en de uitgesproken wil om te streven naar een constructieve dialoog met de vakbonden en de verschillende regeringen. Kortom, een sterke en visionaire voorzitter ”, aldus Pieter Timmermans, CEO van het VBO.
Tijdens het event ging eerste minister Bart De Wever in debat met Isabel Albers, algemeen hoofdredacteur van De Tijd en L’Echo, over het versterken van de concurrentiekracht van onze economie in een Europese en internationale context.

Vice-eersteminister en minister van Werk en Economie David Clarinval bracht in naam van de federale regering hulde aan de uittredende voorzitter.



We bedanken onze partners DDMC, Kinepolis, Chant d’Eole en Auvicom om van de voorzitterswissel een impactvol en onvergetelijk event te hebben gemaakt!

CEO van het VBO Pieter Timmermans overhandigde aan uittredend voorzitter René Branders een album gewijd aan zijn drie jaar als voorzitter.
De nieuwe VBO-voorzitter wil onafgebroken inzetten op drie strategische prioriteiten:
1. Het concurrentievermogen van bedrijven nieuw leven inblazen.
2. Een open en strategische internationale handel verdedigen.
3. De sociaal-economische dialoog heropstarten, onder andere via de Groep van Tien.
Jan Vander Stichele: “Laat ons samen bouwen aan een land dat niet bang is van verandering, maar dat verandering zélf durft te leiden. Laat ons samen bouwen aan een land dat innoveert, ondernemerschap stimuleert en vooruitgang ambieert.”

MATHIEU BIHET OP HET VBO ENERGIE CENTRAAL IN HET DEBAT
Het VBO ontving Mathieu Bihet, federaal minister van Energie, voor een uitwisseling over de energieuitdagingen voor Belgische bedrijven.betrokkenheid en impact bij het bevorderen van diversiteit binnen bestuur in België.
https://www.vbo-feb.be/nl/persberichten/mathieu-bihet-op-het-vboenergie-centraal-in-het-debat/
ONTMOETING ‘DIPLOMATEN - ONDERNEMERS’

DERDE EUROPESE INDUSTRIETOP IN ANTWERPEN
Het VBO organiseerde, in samenwerking met de regionale werkgeversorganisaties Voka, AKT en BECI, het jaarlijkse netwerkevenement Ontmoeting ‘Diplomaten-Ondernemers’ in het kader van de Diplomatieke dagen.

V.l.n.r. René Branders (uittredend voorzitter VBO FEB), Maxime Prévot (vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) en Theo Francken (minister van Defensie, belast met Buitenlandse Handel).
https://www.vbo-feb.be/nl/nieuws/ontmoeting-diplomaten-ondernemers-2/

De voorbije maanden werkte het VBO achter de schermen bijzonder hard om de stem van onze bedrijven luid en duidelijk te laten doorklinken in de aanloop naar de derde Europese Industrietop in Antwerpen (11 februari) en de informele Europese top in Alden Biesen (12 februari).

De Europese Industry Summit in Antwerpen zette concurrentiekracht bovenaan de Europese agenda. www.vbo-feb.be/nl/nieuws/alden-biesen-heeft-noodkreet-van-ondernemers-begrepenfocus-en-snelheid/




























ELEKTRIFICATIE / DECARBONISATIE
• Dinsdag 16 juni 2026 (TBC)
Sterke schommelingen in de energieprijzen zetten de weerbaarheid van veel kmo’s zwaar onder druk. De energietransitie dringt zich op als een noodzakelijke én strategische keuze.
Aan de hand van concrete casestudy’s, inzichten van netbeheerders en toelichting bij ondersteuningsinstrumenten krijgen kmo’s een helder en realistisch beeld van hún mogelijke transitiepad.
• Eind juni 2026
Informatiesessie met het oog op de voorlopige inwerkingtreding van het EU-Mercosurhandelsakkoord begin mei. Het doel van de sessie is tweeledig:
1. Het bewustzijn vergroten rond de inhoud en het belang van het akkoord en de kansen die het biedt voor Belgische bedrijven.
2. Praktisch advies geven zodat ondernemingen het akkoord optimaal kunnen toepassen, bijvoorbeeld inzake markttoegang, het wegnemen van barrières en begeleiding.
• Vooruitgangsrapport circulaire economie (september)
• Phishing (datum nog te bepalen)
Info
Fanny Leplat
T. 02 515 08 91 events@vbo-feb.be
Meer info www.vbo.be > Evenementen
Info
Fanny Leplat T. 02 515 08 91 events@vbo-feb.be
Meer info www.vbo.be > Evenementen
Info events@vbo-feb.be
Meer info www.vbo.be > Evenementen
REFLECT Trimestriële uitgave van het Verbond van Belgische Ondernemingen
Redactie Rodolphe de Pierpont, Robbe Reyns, Johan Van Praet Redactie thema’s Rodolphe Mouriau, Marie-Lise Pottier, Nathan Peeters, Nathalie Ragheno, Robbe Reyns, Edward Roosens, Torre Van de Walle, Maarten Van Eeckhoute Redactie Sociale Rechtspraak Antoine Vanden Abeele Eindredactie Hilde De Brandt, Anne Michiels Vertaling Vertaaldienst VBO FEB
Publicatieverantwoordelijke Stefan Maes Opmaak Landmarks Fotografie Jacques De Neyer (Triptyque), Toon Coussement, Kinepolis, Michel Verpoorten, VBO Illustraties Peter Willems (Vec-star) Druk Drukkerij Van der Poorten Verantwoordelijke uitgever Stefan Maes, Ravensteinstraat 4, 1000 Brussel Reclameregie ADeMar, Graaf de Fienneslaan 21, 2650 Edegem (Antwerpen), Contact: Nele Brauers, Tel. + 32 495 29 01 74, nele.brauers@ademaronline.com
Publicatiedatum April 2026
Cette publication est également disponible en français. Deze publicatie kunt u ook lezen op www.vbo.be > Publicaties > REFLECT ISSN: 2684-1851
Vraag over uw abonnement, (adres)wijzigingen doorgeven, nummer niet ontvangen? Stuur een mail naar reflect@vbo-feb.be









































































tinyurl.com/ys7bwjny































Valipac is de eerste Europese organisatie die erin geslaagd is de bestemming van het bedrijfsmatig plastic verpakkingsafval in kaart te brengen en de recycleurs te controleren. Een initiatief dat de effectieve recyclage van jouw verpakkingsafval verzekert. Goed voor jou en de planeet!
Meer info op valipac.be