Tilburgs Hogeschoolblad jaargang 4
maandblad
mei 1967
nummer
Redactie; F. Th. M. de Charro P. J. M. L. Tieleman L. M. Moerings B. Af. ƒ. Pauw
/. ƒ. M. de Bont (Hoofd Bureau Senaat) Redactie-adres: Hogeschoollaan 225, Tilburg
In m e m o r i a m m r. dr. B. J . M. v a n S p a e n d o n c k Niet lang geleden weid ia dit blad melding gemaakt van het afscheid van Mi. Barend van Spaendonck als cuiator van de hogeschool in velband met het bereiken van de zeventigjarige leeftijd. Nu, enkele maanden latei, is het een afscheid voorgoed van deze indiukwekkende persoonlijkheid geworden. Hij behoorde tot de werkers van het eerste uur en is idus bijna veertig jaar een van de onzen geweest. D e verscheidenheid van kwaliteiten, waarin hij aan de hogeschool gelieerd was — als nederig loonslaaf, zoals hij de secretarisfunktie placht te kwalificeren, als cuiatoi en als doctot honoris causa — verlevendigt het beeld van die jarenlange verbondenheid. Vooral het eredoctoraat lag hem na aan het hart. Hij was ei trotser op dan op de commandeurskruisen die, vier in getal, toch niet geringe reden gaven tot gloriëren. Al die onderscheidingen hebben hem zijn natuurlijke eenvoud niet ontnomen, al was hij er nog zo verguld mee. Hij vond dat veel van hetgeen door hem tot stand was gebracht, mede het werk was van zijn medewerkers en hij liet geen gelegenheid voorbijgaan hiervan te getuigen. Ik kreeg, alweer twee decennia geleden, een kans in dit elite-corps. Wie in die sfeer terecht kwam gevoelde zelden behoefte aan „eens iets anders" — een behoefte die overigens *o gezond en vanzelfsprekend is dat er een verklaring moet zijn voor het feit dat op zijn bureau zo velen worden aangetroffeo die nog steeds in hun eerste betrekking zijn. Die verklaring ligt in de „ruimte" die men krijgt Men kan er zichzelf zijn. Je wordt minder geleid dan begeleid en meer geïnspireerd dan gerequireeid. Die kunst, tegelijk meerdere en gelijke te zijn, vindt een parallel in de paradoxale dubbelrol waarin hij van nature verkeerde: Mr. Van Spaendonck was in een en zelfde positie evenveel meerdere als mindere, evenveel werkgever als werknemer. Als secretaris, directeur, gedelegeerde, vertrouwensman, of hoe het ook heette, liet hij altijd zijn dienende taak prevaleren, maar met een charme en bonhommie die zijn eigenlijke werkgevers het gevoel gaven dat het een voorrecht was gelijk met hem te kunnen optiekkW«"SlP«é».
diepere ondeigiond van deze gelijkschakeling met een ondergeschikte was mijns inziens het gevoel zelf ondergeschikt te zijn aan zijn grote gaven van hoofd en hart. Was het letterlijk al niet moeilijk in zijn schaduw te staan, ook figuurlijk schaamde niemand zich daarvoor. Was hij dus veelzijdig en veelzijdig de nederige dienaar van velen, hij kon dit alleen door een uniek werkgeversschap. Het „Bureau Van Spaendonck", een dienstenapparaat van ongekende omvang en kwaliteit, is zijn creatie. Ook „het secretariaat van curatoren van de hogeschool" was er tot 1962 ondergebracht, aldus profijt trekkend van een diversiteit, waaraan ik nog dikwijls met verbazing en waardering, maar ook met spijt aan terug denk. Met spijt, omdat de werksfeer zo eigen en boeiend was. Bij het schrijven van het bovenstaande is herhaaldelijk de gedachte bij mij opgekomen om te getuigen van wat ik in die sfeer en van zijn inspiiatoi heb opgestoken. Maai ik aarzel, omdat ik de waardering voor hetgeen de leermeester wist te modelleren niet graag in zijn schaduw in model breng. Wat deze levenskunstenaal ook voor iemand heeft betekend, hij heeft het niet gepresteerd zijn gelijke te kweken en dat strekt niemand tot schande. Nog in zijn laatste jaren leverde hij een bewijs van zijn grandeur. Door een zware physieke handicap hebben deze jaren niet de avondzon gekend, waarin verdiensten zich zo graag laten koesteren. Hij schertste er altijd overheen, maar voor wie hem beter kende, was duidelijk hoe zwaar hij te lijden had. Echter niet alleen hiervan. Ik heb persoonlijk altijd de indruk gehad, dat het afscheid van zijn funkties veel zwaarder is aangekomen. Het niet meer rechtstreeks betrokken zijn bij het gebeuren in de vele maatschappelijke organisaties waaivan hij hoofd en hart was, onderging hij mijns inziens als een zwaarder lot dan de immobiliteit, waartoe lichamelijke slijtage hem veroordeelde. Zijn geest was tot een te beperkte aktiviteit gedwongen, om daarin genoeg levensvreugde te vinden. Werken en dienen waren de wortels van zijn bestaan. De eik, die vele stormen had getrotseerd, moest, van die levenssappen afgesneden, onherroepelijk vallen.
Kastnr.
T
Of.fr H. l.nevendie
B'UIOTHEEK KATHOLIEKE HOGrSCHOOL
Mr.
Studentenhuisvesting Op 8 mei a.s. om 17.00 uur zal de voorzitter van ds Stichting Studentenhuisvesting, Prof. J. E. A. M. van Dijck, de eerste spade steken voor de bouw van een complex van vijf studentenflats. Degenen, die deze plechtigheid wensen bij te wonen, worden om 16.45 uur in het Eigen Huis verwacht. Na de plechtigheid zal de architect van het project, de heer H. Postel, een nadere toelichting geven en eventuele vragen beantwoorden, waarna een verfrissing zal worden aangeboden. Op verzoek van de Stichting Studentenhuisvesting en In overleg met de redactie van het TAS-blad, heeft de redactie gemeend, omwille van de actualiteit, dit gedeelte van het „Hogeschoolblad" te moeten plaatsen In het kader van de Studentenhuisvesting.
2
Studentenhuisvesting in Tilburg in historisch perspectief Aan de georganiseerde huisvesting van studenten in Nederland lag niet alleen een kwantitatief tekort aan kamers ten grondslag. Een van de doeleinden van de inmiddels opgeheven Landelijke Centrale Stichting Studentenhuisvesting, welke instelling de stoot heeft gegeven tot de bouw van studentenkamers op grote schaal, was zeker ook het verschaffen van kamers die aan bepaalde kwaliteitsnormen zouden moeten voldoen en aldus een bijdrage tot zowel de wetenschappelijke- als de persoonlijkheidsvorming van de studenten zouden leveren.
Op 27 april I960 werd een officiële brief gericht aan het gemeentebestuur terzake van de aankoop van de grond.
Hoewel het voor sommigen nog wel mogelijk bleek een zolderkamer te huren en te transformeren in een romantische studentenkast, voor het overgrote gedeelte van de nieuw aankomende studenten bleken op de duur slechts zeer bekrompen kamertjes beschikbaar te zijn; in het bijzonder d? te geringe vloeroppervlakte van de kamer maakte bet uitnodigen van vrienden en het samenstuderen als buitengewoon bezwaarlijk, hetgeen als een van de ernstigste euvels van de kamernood kan worden aangemerkt.
Intussen bad op 26 februari I960 met enig feestelijk vertoon de officiële opening van het pand Wilhelminapark 108 plaatsgevonden, waarvoor ook vertegenwoordigers van bet Departement en van het bestuur van de Centrale Stichting Studentenhuisvesting waren overgekomen. In augustus van dat jaar deed zich de mogelijkheid voor het pand Prof. Dondersstraat 2 te verwerven, hetwelk conform de eerder gehouden loting aan het dispuut Floret werd verhuurd. De eveneens feestelijke opening vond plaats op 1 november I960.
De wenselijkheid van de oprichting van een Stichting voor Studentenhuisvesting in Tilburg — zulks in navolging van hetgeen reeds in andere academiesteden was gerealiseerd — werd in eerste instantie besproken in het bestuur van de Stichting „Nostrorum Sanitas". Deze instelling nam het initiatief tot een gedachtenwisseling hierover met het Curatorium van de hogeschool en op 29 mei 1939 werd voor notaris Van Spaendonck de oprichtingsakte gepasseerd. De oprichting van de Stichting werd verhaast door bet aanbod van professor Kaag om zijn buis aan het Wilhelminapark voor de huisvesting van onze studenten ter beschikking te stellen.
In de bestuursvergadering van 22 maart 1961, toen derhalve enige ervaring was opgedaan met studentenhuizen, heeft het bestuur zich nog eens uitdrukkelijk op het standpunt gesteld, dat bij deze vorm van studentenhuisvesting moet worden uitgegaan van een zeer grote mate van zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid voor de bewoners, terwijl het Stichtingsbestuur zich zo weinig mogelijk wenst in te laten met de interne gang van zaken binnen het huis. Na acht jaar kan worden vastgesteld, dat zowel het Stichtingsbestuur als de onderscheidene vriendenclubs zich op een voortreffelijke wijze aan deze principiële opzet hebben gehouden.
Uit de notulen van de eerste officiële bestuursvergadering, gehouden op 23 juli 1959, blijkt dan ook de aankoop van dit pand het belangrijkste agendapunt te zijn naast de verdeling van de functies, waarbij professor Scheffer bet voorzitterschap aanvaardde.
In deze periode hebben de leden van het Stichtingsbestuur zich ook op de hoogte gesteld van vormen van studentenhuisvesting in andere universiteitssteden. In de loop van het jaar 1961 werd het pand Wilhelminapark 27 aangekocht, terwijl het eerste afbraakpand aan de Bosscheweg van de gemeente werd gehuurd en eveneens aan een dispuut tijdelijk ter beschikking werd gesteld.
In de tweede vergadering van het bestuur werd de grondslag gelegd voor een belangrijke beleidslijn en wel in die zin dat besloten werd om door de Stichting te verwerven panden slechts te verhuren aan vriendenclubs in de materiële zin van het woord. Op 18 november meldden zich de disputen Black and White, Floret en Kater als candidaten voor het huis van professor Kaag. De toenmalige praeses van bet Corps verrichtte de loting, waardoor het dispuut Black and White als pionier van de georganiseerde studentenhuisvesting in Tilburg kon gaan optreden. In dezelfde vergadering attenteerde de toenmalige secretaris, de heer Jaspers, bet bestuur reeds op een perceel grond van het uitbreidingsplan „de Reit", hetwelk in aanmerking zou kunnen komen voor de bouw van studentenhuizen. Op 4 januari I960 had hierover de eerste bespreking plaats in het gebouw van Publieke Werken. Daarbij werd gesteld dat een te verwerven perceel grond woongelegenheid zou moeten bieden aan ongeveer 250 studenten. Het was betzelfde perceel waarop thans de studentenflats zijn geprojecteerd en waarvan de situering
ideaal genoemd kan worden, gelegen nabij de mensa, sporthal, sociëteit en studentenkerk aan de ene zijde en de hogeschoolgebouwen aan de andere zijde. In diezelfde weken bleek ook de burgemeester van Tilburg zijn steun te verlenen aan de suggesties van het Stichtingsbestuur.
In de vergadering van 5 februari 1962 had een uitvoerige gedachtenwisseling plaats over de juiste afbakening van het perceel grond aan de Prof. Verbernelaan, zulks in verband met de plannen van het Conservatorium, met het bestuur van welke instelling overigens uitdrukkelijk werd overeengekomen, dat eventueel aan de Prof. Verbernelaan te projecteren studentenflats geen geluidshinder zouden mogen ondervinden van het annex te situeren Conservatoriumgebouw. In dezelfde vergadering werd besloten architect Postel te verzoeken met het bestuur van gedachten te wisselen over de bouwplannen. Deze bespreking had plaats op 19 maart 1962, nadat het Departement accoord was gegaan met de aankoop van de grond. In overleg met de architect werd het aantal te projecteren kamers, hetwelk reeds was verhoogd van 250 tot 286, andermaal verhoogd tot 325, zulks om de investeringskosten per kamer beneden de door de over-
3
beid gestelde normen te drukken. Als belangrijk uitgangspunt formuleerde bet bestuur voorts dat de kamers zoveel mogelijk in afzonderlijke units zouden moeten worden ondergebracbt, opdat een eigen sfeer en leefgemeenschap zouden kunnen ontstaan.
het Departement met betrekking tot het schetsplan en wefd aan de architect verzocht te bevorderen dat het definitieve ontwerp op zo kort mogelijke termijn aan de verschillende instanties zou. kunnen worden toegezonden.
Op H februari 1963 en daarna op 6 maart 1963 werd het eerste ontwerp van architect Postel uitvoerig doorgesproken. Dit eerste plan muntte uit door een zeer gedifferentieerde vorm van kamers, die rond korte gangen waren gesitueerd. De verspringende bouwlagen, de aanwezigheid van balkons en de situering van keuken en natte ruimten maakten het gehele plan bijzonder aantrekkelijk, boewei van meet af aan vrees bestond dat het boven de financiële normen zou uitgaan. Ia een aantal daarna gehouden bijeenkomsten werd besloten dit plan verder te laten uitwerken en aan het Departement voor te leggen.
Eind 1965 heeft het bestuur van de Stichting zich bezig gehouden met de huisvesting van gehuwde studenten in besprekingen waarbij ook de studentenpastores en andere personen, die op een of andere wijze hierbij betrokken waren, werden uitgenodigd. Het resultaat van deze gedachtenwisselingen bestond hierin dat het Stichtingsbestuur zich bereid verklaarde in incidentele gevallen steun te verlenen bij het verkrijgen van een woonruimte. Het bestuur stelde zich overigens op het standpunt dat gehuwde studenten woonruimte moeten trachten te vinden temidden van de burgerij en dat het voorshands nog niet op zijn weg lag om zelf huisvesting voor gehuwde studenten te realiseren.
Intussen had de gemeenteraad van Tilburg besloten de grond aan de Prof. Verbernelaan in erfpacht aan de Stichting over te dragen. Op 8 mei 1964 droeg professor Scheffer het voorzitterschap van het bestuur over aan professor Van Dijck, die al spoedig geconfronteerd werd met het feit dat het Departement niet bereid bleek zijn goedkeuring te hechten aan het eerste plan van architect Postel en wel op grond van het feit dat, met alle waardering voor de opzet, het plan niet beantwoordde aan de financiële normen. Op 1 oktober 1964 — derhalve 2 % jaar na het eerste contact met de architect — werd deze situatie concreet onder ogen gezien en besloten een nieuw plan te laten ontwerpen op basis van de op dat moment goedgekeurde plannen voor de studentenflats in de Krakeelpolder te Delft. Uit die periode is overigens nog vermeldenswaard, dat de Stichting overging tot het huren van een gedeelte van het Fratershuis aan de Bosscheweg, waarin na enige verbouwing 20 studenten konden worden ondergebracht. Op 6 november 1964 werd door architect Postel een tweede schetsplan ter tafel gebracht waarin het principe van de korte gang gehandhaafd bleef. In de daarna gehouden bouwvergaderingen kreeg dit plan verder gestalte tot de vorm welke thans gerealiseerd zal worden. Op 2 april 1965 was het tweede schetsplan zo ver uitgewerkt dat het kon worden toegezonden aan het Departement. In de bestuursvergadering van 4 november 1965 werd besloten tot de aankoop van de panden Wilhelminapark 119 en Leo XHI-straat 51a, waarmede het totaal van in studentenhuizen wonende studenten op 85 kwam. Tevens werd kennis genomen van de goedkeuring van
4
In de loop van het jaar 1966 had een zeer groot aantal technische besprekingen plaats, waarin zeer diep werd ingegaan op tal van details ia het definitieve ontwerp en waarbij uiteraard ook dankbaar gebruik werd gemaakt van de ervaringen welke intussen bij de exploitatie van andere studentenflats waren opgedaan. In het bijzonder gold dit de indeling van de centrale wasgelegenheid en de eetkeuken. Intussen werd ook toestemming verkregen van het Departement om voor de nieuwbouw een lening te sluiten van ƒ6.000.000,—. Aangezien de nieuwbouw zijn schaduwen inmiddels vooruit wierp, heeft bet bestuur zich in dat jaar ook uitvoerig bezig gehouden met de als bijzonder noodzakelijk gevoelde behoefte om een full-time medewerker voor de studentenhuisvesting aan te trekken. Als zodanig werd per 1 september 1966 de heer J. G. van den Bergh benoemd. Op 10 februari 1967 werd eindelijk de lang verwachte brief van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen ontvangen, waarin ook de goedkeuring werd verleend voor het definitieve ontwerp en waarin eveneens accoord werd gegaan met het voornemen de bouw van de studentenflats, waarvan het aantal kamers inmiddels was gestegen tot 432, aan te besteden. De aanbesteding zelve heeft plaatsgevonden op 13 april 1967, d.w.z. vijf jaar na de eerste gedachtenwisseling tussen bestuur en architect. Gelet op de wel zeer intensieve voorbereiding mag verwacht worden dat de bouw van de studentenflats zonder veel moeilijkheden zal verlopen en dat de Katholieke Hogeschool over twee jaar een bijzonder interessant, goed doordacht en fraai gebouwencomplex rijker zal zijn.
Beschrijving van het complex studentenflats PKOF. VER&etKB STl/OEftTCM
i.AAM
FiATS
SPORT
GE&OUM
Tk> ^ b ^> f5b f^b iocieTC/r
M£HSA
PKor. COBBeHHAG£<V CAAA/
Op een stuk terrein langs de Prof. Verbernelaan van ongeveer 260 X 56 meter, gaat de Stichting Studentenhuisvesting een complex van 432 kamers realiseren. Bij de eerste besprekingen, nu reeds enkele jaren geleden, is er in het Stichtingsbestuur uitvoerig gediscussieerd over de vraag hoe de vormgeving van een te bouwen complex van studentenkamers zou kunnen worden aangepast aan de structuur en het karakter van de Tilburgse studentengemeenschap. Een belangrijk gegeven hierbij vormde de onmiddellijke aansluiting van het terrein op de gebouwen ten behoeve van de Mensa en de sportbeoefening en eveneens de verenigings- en sociëteitsruimten. Bovendien ligt het terrein op geringe afstand van de gebouwen van de hogeschool. Op het eerste gezicht zou de ontwikkeling in de richting van een campus wellicht als een mogelijk alternatief gezien kunnen worden. Het Stichtingsbestuur heeft echter gemeend deze vorm definitief te moeten »fwij zen en een zodanige vorm te kiezen dat de openheid en de vrijheid van de studenten wordt gegarandeerd. Ook een lang hoog gebouw zoals in de woningbouw veelal wordt gerealiseerd leek geen aanvaardbare oplossing. Een ander probleem waarvoor de Stichting zich gesteld zag was de indeling en de grootte van de wooneenheden. Enerzijds hangt dit probleem samen met de vormgeving van het gebouw, doch ook de structuur van de studentengemeenschap en zeker niet op de laatste plaats de norm voor de investeringskosten spelen hierbij een belangrijke rol.
Een belangrijk uitgangspunt voor de Stichting is daarom ook geweest dat er een aansluiting zou dienen te komen op de bestaande structuur van de disputen en vtiendenclubs in de gezelligheidsverenigingen. Dit alle» heeft geleid tot een oplossing die naar onze mening uniek mag heten. Besloten werd om vijf gescheiden gebouwen neer te zetten met elk een kelder, parterre en vier etages. De woonheden per etage worden gevormd door drie „blokjes" van telkens ze» zit-slaapkamers, die in stervorm ten opzichte van elkaar gesitueerd zijn, zodat de gehele etage één woon-unit vormt van achttien kamers Door deze opzet worden de gangen zeer kort en in het „opgevulde" gedeelte tussen de woonblokjes liggen de eetkeuken/dispuutkamer» en de wasgelegenheid centraal tussen de kamers. In deze middenkern ligt eveneens een open trappenhuis met balcon op de zuidzijde. Door deze opzet krijgen de units op elke etage een eigen toegangsdeur, zodat deze unit een echte eigen behuizing voor een dispuut c.q. vriendenclub kan gaan vormen. De indeling van de parterre is enigszins anders dan van de bovenste vier etages. Hier zijn namelijk drie woningen geprojecteerd voor de beheerders en de concierge. Daarnaast is de parterre „opgevuld" met in totaal twaalf units bestaande uit zes zit-slaapkamers, met per unit een kleine keuken en wasgelegenheid. De kelders bevatten naast de rijwielstallingen nog een superette, een wasserette, vergaderzaal, ketelhuis en ruimten ten behoeve van de huishoudelijke diensten.
5
Stichting studentenhuisvesting
De studentenhuisvesting wordt in Tilburg behartigd door de Stichting Studentenhuisvesting. Het Stichtingsbestuur bestaat uit de volgende personen: Prof. J. E . A . M. van Dijck, voorzitter; Mej. Mr. H. J. M. Pieck, vice-voorzitster; Drs. H. J. E. M. Veraart, secretaris; Drs. J. W. Kurstjens, penningmeester;
D n . J. A. Rijpkema, lid; C. G. H. J. Janssen, lid; F. J. H. H. L. Muyres, lid; Drs. M. A. F. Th. Jaspers, adviseur.
Als medewerker van de Stichting werd op 1 september 1966 benoemd de heer J. G. van de Bergh. Hij is o.a. belast met het toezicht op de huizen, die de Stichting in eigendom heeft. De heer Van de Bergh, wonende Arezzostraat 19 te 's-Hertogenbosch, is 54 jaar oud. Voorheen was hij majoor bij de Commandotroepen. Het devies, dat hij gedurende die jaren op de mouw heeft mogen dragen, alsmede zijn deskundigheid op bouwkundig en organisatorisch gebied, vormen een garantie voor een doortastende en deskundige uitoefening van zijn functie. De redactie maakt van deze gelegenheid gebruik om de Stichting haar gelukwensen aan te bieden bij het bereiken van deze mijlpaal in de geschiedenis van de Tilburgse studentenhuisvesting. 6
Onderzoek Tilburgse Studentenhuisvesting collegejaar 1966 -1967 Hieronder nemen we een aantal saillante punten over uit het rapport, dat h«t I.V.A., in opdracht van de Stichting Studentenhuisvesting, heeft opgesteld naar aanleiding van het onderzoek naar de studentenhuisvesting in Tilburg voor het jaar 1966—1967.
De gegevens werden verkregen door middel van een vragenlijst, die aan alle studenten bij hun inschrijving voor het collegejaar 1966—1967 ter schriftelijke beantwoording werden voorgelegd.
1, Aantal in 1966 aan de Katholieke Hogeschool ingeschreven studenten naar jaar van eerste inschrijving:
Jaar van eerste inschrijving 1966 1965 1964 196} 1962 1961 1960 1959 en eerder onbekend
^1
Totaal ingeschreven studenten
Aantal
Procent
482 353 257 197 167 115 67 51 5
28.5 20.8 15.2 11.6 9.8 6.8 4.0 3.0 0.3
1694
100
2. Het aantal aan de Katholieke Hogeschool ingeschreven studenten is van 1964 tot 1966 toegenomen van 1222 tot 1694, een stijging van 40 %.
3. Het percentage van de eerstejaars, dat op kamers woont, bedraagt 77,2 % (= 372); voor de ouderejaars was dit 81,9 % ( = 993).
In diezelfde periode vertoonde het aantal op kamers wonende studenten een stijging van 44 % .
Het totale aantal op kamers wonende studenten bedraagt dus 1365.
4. Reden geen kamer, alle niet kamerbewonende studenten, eerstejaars en ouderejaars.
eerstejaars
%
geen geen geen geen
kamer kunnen vinden 11.1 kamer gezocht, ben Tilburger 34.3 kamer gezocht, ben spoorstudent 54.6 antwoord 0.0 100 (N=108)
ouderejaars
%
3.2 42.6 51.9 2.3 100 ( N = 216)
7
5. De relatief belangrijkste informatiebron voor het vinden van een kamer blijkt voor eerstejaars het Bureau Studentenbelangen te ajn; dezelfde bron is voor ouderejaars veel minder belangrijk.
eerstejaars Bureau Studentenbelangen Vrienden Kennissen/Familie Advertentie V.V.V. Eigen initiatief Anders
%
%
44.1 12.1 26.6 3.0 4.6 8.6 1.0
J1.7 34.7 12.1 3.0 3.7 14.2 0.6
100 <N-=372) 3ele- 2ejaars jaars jaars
% Bureau Studentenbelangen Vrienden Familie/Kennissen Anden
44.1 12.1 26.6 17.2 100
6.
ouderejaars
100 (N = 993)
4ejaars en ouder
%
%
%
38.5 27.7 13.9 9.9
37.2 31.2 11.5 20.1
25.0 40.5 11.3 23.2
100
100
100
eerstejaars
ouderejaars
47.6 50.8 1.6
67.7 31.5 0.8
Het totaal aantal kamers met pension bedraagt 38: eerstejaars: 10, ouderejaars 28.
7. Van het aantal kamers in de huizen van de Stichting wordt 90 % bewoond door ouderejaars en 10 % door eerstejaars. 8. Kamerbeoordeling, alle kamerbewonende studenten, eerstejaars en ouderejaars.
%
1. Kamer 12 m 2 en groter Kamer kleiner dan 12 m2 Onbekend
100
%
100
( = 372) ( = 993) 2. Kamer voldoende daglicht Kamer onvoldoende daglicht Onbekend
91.4 93.8 4.6 7.6 1.6 1.0 100 100 ( - 372) ( = 993)
3 Kan bad/douche nemen Kan geen bad/douche nemen Onbekend
70.2 25.3 4.5
68.4 30.0 1.6
too loo (= 372) (= 993) 4. Wasgelegenheid op eigen kamer 39.5 Wasgelegenheid niet op eigen kamer 59.1 Onbekend 1.4 100 ( = 372) 22.1 14 5 37.6 16.7 4.8 4.3
Centrale verwarming Kolen-, olie-, gaskachel Petroleum-, butagaskachel Elektrische kachel Andere verwarming Onbekend
100 • 372) Kookgelegenheid in keuken Kookgelegenheid op eigen kamer Kookgelegenheid elders in huis Geen kookgelegenheid Onbekend
39.2 28,0 6.7 23.1 3.0 100 ( = 372)
49.1 50.1 0.8 100 ( = 993) 18.4 21.8 45.2 7.1 6.2 1.3 100 ( = 993) 47.7 34.7 6.2 99 1.5 100 ( = 993)
9, Kamerhuur, alle kamerbewonende studenten, eerstejaars en ouderejaars.
ƒ 35 — of minder ƒ 40,— ƒ 45 — ƒ 50 — ƒ 55.— ƒ 60,— ƒ 65 — ƒ 70ƒ 75 — ƒ 80,— ƒ 85,— ƒ 90,— ƒ 95,— ƒ 100,— of meer onbekend
eerstejaars
ouderejaars
%
%
2.1 3.0 32 17.7 10.2 22.8 12.4 7.5 8.1 3.8 1.9 1.1 0.0 38 2.4
3.6 4.9 7.7 22 2 17.2 18.4 96 5.2 5.3 1.5 0.7 0.0 0.2 1.0 2.5
100 100 ( N - 372) ( N - 995) 10. Vanzelfsprekend blijkt, dat bij een stijging van de huurprijs ook de kwaliteit van de kamer toeneemt. 11. Kamerkwaliteit en situering. In Noord, Oost, Zuid-West en Noord-West is een relatief groot aandeel in goede kamers gesitueerd. Noord-West herbergt de meeste op kamers wonende stu-
denten, ld. 382. Van deze kamers is, in vergelijking met de andere stadsdelen, het geringste percentage van slechte kwaliteit. Noord-Oost is het stadsdeel met de minste kamers. Van deze kamers is, invergelijking met de andere stadsdelen, het grootste percentage slecht.
9
12. Aantal verhuizingen, alle kamerbewonende ouderejaars studenten, tweede-, derde-, vierdejaars en ouder, 1966. 3e4e- oudere 2ejaars jaars |aars jaars niet verhuisd 1 maal verhuisd 2 maal verhuisd 3 maal verhuisd 4 maal verhuisd 5 maal verhuisd meer dan 5 maal verhuisd
%
%
%
%
60.1 19.0 16.9 3.0 0.7 0.3 0.0
42.7 17.0 27.5 8.7 2.7 1.4 0.0
23.6 8.8 31.3 23.6 8.5 2.3 1.9
38.7 13.6 26.2 14.2 4.9 1.5 0.9
100 (N= 479)
100 (N = 993)
100 100 (N= (N= 296) 218)
Reden van verhuizen, alle één- of meermalen verhuisde ouderejaars studenten, 1966. I e ver- 2e ver- Je verhuizing huizing huizing kamer kreeg andere behuizing kamer beviel niet (te klein, te duur) situering beviel niet (te ver weg, buurt) medebewoners, hospes, hospita andere reden geen antwoord
%
%
%
10.7
8.4
5.1
42.9
21.7
17.7
9.3 10.6 18.3 8.2
2.3 8.4 14.0 45.2
3.3 6.5 13.1 M.5
100 (N = 609)
100 (N= 474)
100 (N= 214)
13. Woonvoorkeur, alle kamerbewonende studenten, eerstejaars en ouderejaars, 1966. eerstejaars
ouderejaars
45.4 31.2 4.6 0.0 18.8
22.7 43.6 25.1 1.0 7.6
%
kamer in studentenflat kamer in de stad (met hospes) kamer in dispuutshuis anders geen antwoord
100 (N = 372)
Eerstejaars (jongerejaars in het algemeen) spreken zich het meest uit voor een kamer in een studentenflat. Als motivatie wordt hier genoemd gemakkelijker en frequenter contact met andere studiegenoten. Ouderejaars wonen in het algemeen liever in de stad, hun motivatie legt meer nadruk op rust, vrijheid en meer mogelijkheid tot studie.
10
%
100 (N=993)
Het percentage dat een kamer in een dispuutshuis als ideaal ziet is vanaf de tweedejaars tot ouder dan vierdejaars constant 25 %. Voor de overige percentages geldt dat zij geleidelijk toeof afnemen met de anciënniteit der studenten.
Foto: Remmers Met ingang van 1 mei hebben mej. H. M. A. Vermeer en mej. B. M. A. van Dijl haar functie als secretaresse van het Bureau Studentenbelangen neergelegd. Vanwege het vele, dat zij, vooral voor studenten, gedaan hebben, heeft de redactie gemeend, hieraan enige aandacht te moeten besteden. Zij heeft hen daarom gevraagd twee van haar redacteuren een kort gesprek toe te staan. De inhoud daarvan, met de nadruk op hun persoonlijke visie op de taak. van een medewerkster van het Bureau Studentenbelangen, wordt hieronder weergegeveo. Mej. Vermeer en mej. Van Dijl, Leny en Ine voor de vrienden, vingen haar werkzaamheden op het Bureau Studentenbelangen aan in 1959 respectievelijk 1964. Alhoewel, zoals reeds werd opgemerkt, haar de functie van secretaresse was toegedacht, bleek een ruimere interpretatie noodzakelijk. Haar taak lag veeleer in het sociale vlak. Allerlei moeilijkheden, van zeer persoonlijke, maar ook van zakelijke aard, werden haar voorgelegd. Uiteraard, studentenbelangen zijn immers van zowel persoonlijke als zakelijke aard. Mej. Vermeer en mej. Van Dijl hebben de indruk, dat een aanvankelijk luisterende houding de in moeilijkheden verkerende student het spreken gemakkelijker maakt. Ook voor het kunnen geven van informaties is het nodig de oren voortdurend open te houden: wat bijvoorbeeld de een om 10.00 uur komt vertellen, kan de ander om 11.00 uur als informatie nodig hebben. Zij hebben het gevoel, dat de critische opmerkingen van studentenzij de in vele opzichten een positieve uitwerking niet gemist hebben. Het doet ons een genoegen te mogen vermelden, dat de tijd, die mej. Vermeer en mej. Van Dijl op de hogeschool hebben doorgebracht, bij haar een zeer plezierige herinnering heeft achtergelaten. Wij zijn ervan overtuigd namens het merendeel der studenten te spreken, wanneer wij haar dank zeggen voor het vele, dat ze in het belang van de studenten gedaan hebben en haar het allerbeste voor de toekomst toewensen: mej. Vermeer in haar nieuwe werkkring bij de S.S.G.Z. in Amsterdam en mej. Van Dijl aan de zijde van haar aanstaande echtgenoot. De nieuwe medewerksters van het Bureau Studentenbelangen zijn: mej. A. A. J. M. Beljaars en mej. J. W. A. M. Scholman, die we veel succes in haar nieuwe werkkring toewensen. 11
Hearing medische faculteit Op donderdag 11 mei zullen Prof, Dr. H, O. Goldschmidt, de rector-magnificus en Prof. Dr. R. A. te Moor, lid van de commissie inzake vestiging van de achtste medisch» faculteit in Tilburg, om 14-00 uur in C 3 een toelichting geven op het rapport „Van Hogeschool tot Universiteit", waarna de aanwezigen de gelegenheid zal worden geboden vragen te stellen. Vooruitlopend hierop wordt hieronder een samenvatting van dit rapport gegeven.
VAN HOGESCHOOL T O T UNIVERSITEIT Samenvatting rapport inzake de vestiging van de medische faculteit in Tilburg, * Niet alleen de stichting van een achtste medische faculteit, ook de plaats van haar vestiging is een aangelegenheid die men moet plaatsen in het raam van de nationale zorg voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Bij de keuze van een vestigingsplaats moet men met name beseffen, dat daaruit beslissende gevolgen zullen voortvloeien voor de structuur van het wetenschappelijk onderwijs in een bepaald landsdeel. Met inachtneming hiervan is de Structuurcommissie van de Tilburgse hogeschool op grond van beschikbare gegevens en voorzichtige berekeningen tot de conclusie gekomen, dat een achtste medische faculteit het best in Tilburg kan worden gevestigd en een negende (nog vóór 1980) in het oosten van het land. * De Tilburgse hogeschool heeft thans drie faculteiten, te weten die van de economische wetenschappen, die van de sociale wetenschappen en die van de rechtsgeleerdheid. Zij verwacht dat de zozeer wenselijke uitbreiding van de faculteit van de sociale wetenschappen met een subfaculteit voor de psychologie binnenkort haar beslag kan krijgen. Bovendien is de oprichting van een theologische faculteit in zicht gekomen dank zij een concentratie in de theologische opleiding van priesterstudenten. Een uitbreiding met een faculteit van de geneeskunde is actueel geworden, nu de minister van Onderwijs en Wetenschappen een commissie heeft ingesteld om hem te adviseren over de vestigingsplaats van een achtste medische faculteit. * Of op korte termijn een nieuwe medische faculteit moet worden gesticht, hangt voornamelijk af van het antwoord op de vraag of de opleidingscapaciteit van de bestaande medische faculteiten kan worden vergroot. Berekeningen die mede betrekking hebben op de behoefte aan artsen en het aanbod van studenten, leiden tot de slotsom, dat een achtste medische faculteit waarschijnlijk uiterlijk omstreeks 1972 moet gaan functioneren. Het zal daarom zaak zijn, dat de vestigingsplaats van een achtste medische faculteit zo spoedig mogelijk wordt aangewezen en dat rekening wordt gehouden met de vermoedelijke vestigingsplaats van een negende. Inmiddels zal men moeten proberen de gemiddelde oplei12
dingscapaciteit van de bestaande medische faculteiten te vergroten. Terzelfdertijd zal men in de beide bedoelde vestigingsplaatsen een zodanig ziekenhuisbeleid moeten voeren, dat met de stichting van een medische faculteit aldaar rekening wordt gehouden. • De voornaamste vestigingsvoorwaarden voor een nieuwe medische faculteit zijn: voldoende en gunstig gelegen bouwgrond, een toereikende hoeveelheid „onderwijsbedden" en een aantal overige medische voorzieningen. Voor zover het deze vestigingsvoorwaarden betreft stelt Tilburg zijn candidatuur terecht. Bouwgrond is er naat keuze. En de twee algemene ziekenhuizen zullen tegelijk met andere reeds aanwezige medische voorzieningen aan het academisch onderwijs dienstbaar kunnen worden gemaakt. Gunstige omstandigheden zijn daarbij, dat het ene ziekenhuis aan vernieuwing toe is, dat het andere, onlangs geopende, ziekenhuis nog slechts half voltooid is en dat bovendien tot 1980 nog ongeveer 640 tot 740 bedden nodig zullen zijn. Het overkoepelende bestuur van al deze instellingen (Stichting het R.K. Gasthuis) is tot volledige medewerking bereid. De voorgenomen samenwerking tussen het bestuur van de Stichting het R.K. Gasthuis en het college van curatoren van de hogeschool houdt de garantie in, dat een eventuele belangenstrijd tussen de academische en de overige vormen van gezondheidszorg wordt voorkomen. * Bij de keuze van een vestigingsplaats moet worden voldaan aan de eis van een zo evenwichtig mogelijke spreiding van het wetenschappelijk medisch onderwijs. Moet ook wat dat betreft de keuze op Tilburg vallen? Om daarover te kunnen oordelen moet men de ligging en het inwonertal kennen van de studententoevoergebieden (rayons) van de bestaande instellingen van wetenschappelijk onderwijs. Een onderzoek — met name voor zover bet de rayons van de Nijmeegse en de Groningse universiteit betreft — leidt alvast tot de conclusie, dat een achtste medische faculteit in het zuiden en een negende in het oosten van het land moet worden gevestigd. In het zuiden lijken op het eerste gezicht drie steden in aanmerking te komen: Tilburg, Eindhoven en Maastricht. Het rayon van een faculteit, te Maastricht zou zich hoofdzakelijk beperken tot zuidelijk Limburg, hetgeen betekent dat te weinig studenten zullen worden aangetrokken. Blijven over Tilburg en Eindhoven. Bij een keuze tussen deze twee is het van groot belang, de gevolgen van deze keuze voor het rayon van de Nijmeegse medische faculteit te voorzien. De meeste studenten plegen naar de dichtstbijgelegen universiteit te gaan, zolang deze althans niet verder dan ongeveer 80 km van hun woonplaats verwijderd ligt. Dit betekent dat door vestiging van een medische faculteit in Eindhoven ni^t alleen Brabant, maar ook het grootste deel van Limburg aan het Nijmeegse rayon zou worden onttrokken. Hierdoor zou de medische faculteit van de Nijmeegse universiteit ongeveer de helft van haar studenten verliezen. Tilburg daarentegen zou een geringere aantrekkingskracht uitoefenen op de Limburgse studenten.
• Niet alleen het criterium van een evenwichtige regionale spreiding, ook het enterium vitt eventueel wenselijke betrekkingen tussen een medische faculteit en andere faculteiten dient in de beschouwing te worden betrokken. Een critische beoordeling van deze betrekkingen laat echter zien, dat daaraan geen doorslaggevende argumenten te ontlenen zijn voor de keuze van de vestigingsplaats van een achtste medische faculteit.
* Door de noodzakelijke uitbreiding van het wetenschappeiijk onderwijs zullen hogescholen in het zuiden en het oosten van het land op den duur tot universiteiten kunnen uitgroeien. Hierbij mag het zuiden als eerste aanspraak maken op een subfaculteit van de psychologie, een faculteit van de letteren en, indien nodig, een faculteit van de wis- en natuurkunde.
De traditionele banden van de medische faculteit met die van de wis- en natuurkunde worden steeds losser, ook al zijn de natuurwetenschappen op zich van groeiend belang voor de geneeskunde. Nog minder zullen de mogelijke relaties met de faculteiten die de technische of de menswetenschappen verzorgen — ook al zijn deze van toenemende betekenis — van beslissende invloed zijn op de vestiging van een medische faculteit.
* Indien de achtste medische faculteit in het zuiden wordt gevestigd, zal alleen bij de keuze van Tilburg als vestigingsplaats een nieuwe universiteit kunnen ontstaan. Mocht Tilburg niet de vestigingsplaats worden, dan verspeelt men voor de toekomst de kans het wetenschappelijk onderwijs in het zuiden volgens universitair patroon te structureren. Er zullen dan slechts „scholen" ontstaan met enkele, al dan niet aan elkaar verwante, faculteiten.
Dit alles neemt niet weg, dat, zoals algemeen wordt erkend, een geregeld contact tussen onderzoekers en studenten van uiteenlopende wetenschapsgebieden van grote betekenis is. Eveneens wordt vrij algemeen erkend, dat de universitaire structuur daarvoor de beste kansen biedt
* In het licht hiervan is het duidelijk, dat de toekomstige uitbreiding van het wetenschappelijk onderwijs zich niet mag voltrekken via incidentele beslissingen waarbij men zou vergeten, dat de ene beslissing bepalend is voor de daaropvolgende. Alleen een weloverwogen beleid ia een zo ruim mogelijk kader kan heilzaam zijn.
13
Het economisch instituut Tiiburg a. Opbouw In juni 1929 werd een commissie ingesteld, die onder leiding van Mgr. Prof. Dr. Th. Goossens, rector-magnificus van de R.K. Handelshoogeschool te Tilburg, de oprichting moest voorbereiden van een wetenschappelijk instituut dat als doel had de bevordering van de studie van economische en technische vraagstukken. Het werk van deze commissie resulteerde in de oprichting op 3 november 1930 van het Economisch Technologisch Instituut onder directie van Prof. H. A. Kaag en Prof. Dr. I. M. Gelissen. Ofschoon dit instituut een sterke binding met de toenmalige R.K. Handelshoogeschool had, zoals blijkt uit het f a t dat haar bestuur gedeeltelijk door het curatorium van de hogeschool werd benoemd, en haar directie bestond uit hoogleraren van de hogeschool, was haar doel in belangrijke mate gericht op onderzoekingswerk ten behoeve van het bedrijfsleven. Het Tilburgse initiatief vond spoedig in andere provincie» navolging, als eerste in Limburg, waar in 1931 het Economisch Technologisch Instituut voor Limburg werd opgericht. Het huidige Economisch Technologisch Instituut voor Noord-Brabant heeft zich ontwikkeld uit de afdeling Noord-Brabant, die in 1934 binnen het Tilburgse instituut werd opgericht en in 1937 in een afzonderlijke stichting werd ondergebracht. Gedurende een lange periode van haar bestaan heeft het instituut onder directie van Prof. Dr. P. P. van Berkum en Prof. H. A, Kaag gestaan, die het o.m. door de moeilijke oorlogsjaren van 1940—1945 wisten heen te loodsen en die de uitbreiding van het instituut in de na-oorlogse jaren ter hand namen. Sedert het vertrek van Prof. Dr. I. M. Gelissen in 1934 was op het instituut geen technisch onderzoekingswerk meer verricht. De toetreding van Prof. Dr. W . R. Heere tot de directie in 1946 gaf de stoot tot omvangrijke sociologische research. In verband met deze ontwikkelingen werd in 1947 besloten de naam van het instituut te wijzigen in Economisch Sociologisch Instituut, waarmee tevens een einde kwam aan de verwarring met het Economisch Technologisch Instituut voor NoordBrabant. b. Reorganisatie In de volgende jaren breidden de werkzaamheden van het instituut zich steeds meer uit. Opdrachten op verschillende gebieden werden aangenomen. Ook had zich een afdeling Studieleiding binnen het instituut ontwikkeld, die zich bezig hield met het geven van directe leiding aan hogeschoolstudenten bij hun Studie. Zowel de hogeschool als het instituut waren evenwel van mening dat deze taak eigenlijk niet op het arbeidsveld van het instituut lag. Derhalve werd in 1954 besloten deze afdeling in hogeschoolverband onder te brengen. Deze overplaatsing vormde het begin van een verdergaande reorganisatie van het instituut in de jaren 1954— 1956, welke in oktober 1956 werd voltooid.
14
Het bestuur van het instituut werd uitgebreid teneinde het instituut te funderen op een zo breed mogelijke basis van verschillende maatschappelijke groeperingen. Er werd een afdeling Interne Research opgericht, waarvan de wetenschappelijke leiding in handen werd gelegd van een Raad van Advies. Deze Raad werd samengesteld uit hoogleraren die tot dat tijdstip de directie van het instituut hadden gevormd. Prof. Dr. W. R. Heere,Trof. Dr. D. B. J. Schouten en Dr. J. A. Geertman. De dagelijkse leiding van het instituut kwam in handen van een nieuw benoemde directie: Prof. Dr. C. F. Scheffer, die in april 1956 als opvolger van Prof. Dr. P. P. van Berkum in de directie van het instituut was opgenomen, en Dr. A. C. M. van Keep, sinds 1949 directie-secretaris van het instituut. In de periode 1956—1962 bestonden binnen het instituut zowel een afdeling Interne Research als een afdeling Opdrachten. De assistenten in de eerstgenoemde afdeling namen echter ook deel aan onderzoekingswerk in het kader van verleende opdrachten. Binnen de hogeschool kwam echter steeds sterker de wens naar voren in deze afdeling de basis te zien van een faculteitsinstituut alwaar onder leiding van hoogleraren van de Economische Faculteit op de verschillende gebieden van de economische wetenschap onderzoekingswerk zou worden verricht. Daarbij zou dit onderzoekingswerk meer dan voorheen direct ten dienste van het onderwijs aan de hogeschool moeten geschieden. De afdeling Interne Research werd hierdoor in 1963 het centrum van nieuwe reorganisatiemaatregelen, waarbij de gehele wetenschappelijke staf van deze afdeling naar de hogeschool werd overgeplaatst. In 1964 werd de naam van het instituut gewijzigd. Sinds de oprichting van het Instituut voor Arbeidsvraagstukken door de sociale afdeling van de hogeschool in 1955 waren de typisch sociologische vraagstukken tot het arbeidsterrein van dit nieuwe instituut gaan behoren. De argumenten welke in 1947 pleitten voor wijziging van de naam van het instituut waren dus wederom aanwezig. Met ingang van 1 april 1964 werd de naam van het instituut gewijzigd in Economisch Instituut
Tilburg.
In feite vormde de overplaatsing van de afdeling Interne Research echter slechts het begin van een meer algemene herstructurering, welke in de jaren 1964—1966 werd doorgevoerd. Door deze overplaatsing was namelijk de mogelijkheid van het instituut om wetenschappelijke onderzoekers te vormen, die de aangenomen opdrachten konden uitvoeren, aanzienlijk beperkt. De beoefening van research is hiertoe immers het middel bij uitstek. Achter de schermen werd daarom aan verdergaande hervormingen gewerkt. Een en ander resulteerde in 1966 in de volgende maatregelen. De oriëntering van het instituut op onderwijs en wetenschapsbeoefening werd versterkt door het instituut te plaatsen onder een bestuur van hoogleraren van de Economische Faculteit van de hogeschool, door de opdrachten alvorens deze te aanvaarden, meer nog dan
voorheen te toetsen op aspecten die voor het onderwijs en de wetenschapsbeoefening van betekenis zijn en door de vorming van research-afdelingen, voor afzonderlijke gebieden van de economische wetenschap binnen het instituut. In de vergadering van 9 mei 1966 droeg de voorzitter van het «ftredende bestuur. Prof. Dr. P. P. van Berkum, het mandaat over aan het college van hoogleraren dat bet nieuwe bestuur van liet instituut vormde. In december d.a.v. werd Prof. Dr. C. F. Scheffer gekozen als voorzitter van het bestuurscollege en werd Prof. Dt. J. J. J. Dalmulder benoemd tot directeur van het instituut. c. De huidige
activiteiten
Het Economisch Instituut Tilburg heeft in zijn huidige vorm de volgende functies: -— het verrichten van research; — het uitvoeren van opdrachten van buiten; — de organisatie van cursussen; — een administratieve en rechtspersoonlijkheidsfunctie voor andere research-afdelingen. De cursussen, die door het instituut worden georganiseerd, zijn. — de cursus Ziekenhuisbeleid; — de cursussen A.M.B.I. *; — cursussen in het kader van de commerciële organisatie. De cursus Ziekenhuisbeleid, welke sinds 1961 elk jaar wordt georganiseerd, is bestemd voor functionarissen die betrokken zijn bij de leiding van instellingen voor curatieve gezondheidszorg en staat onder leiding van Prof. Dr. J. B. Stolte. De cursussen A.M.B.I. worden gegeven in verband met de groeiende automatisering en mechanisering in het bedrijfsleven en zijn gericht op de vorming van functionarissen, die leiding kunnen geven aan informatieverwerkende afdelingen. De cursussen zijn in het leven geroepen door de Stichting Studiecentrum voor Administratieve Automatisering en worden sinds 1964 door het instituut georganiseerd voor cursisten in de provincies Noord-Brabant en Limburg. Ze staan onder leiding van de heer A. Meeuwis, adjunct-directeur van de afdeling Administratieve Organisatie van de N.V. Philips' Gloeilampenfabrieken te Eindhoven. De cursussen in het kader van de commerciële organisatie worden sinds 1960 door het instituut georganiseerd en staan rechtstreeks onder leiding van de directie van het instituut. De laatste jaren zijn zij steeds nieuw van opzet. Voor 1967 staan de cursussen „Marketing" en „Computer en onderneming" op het programma. De administratieve en rechtspersoonlijkheidsfunctie wordt door het instituut uitgeoefend ten behoeve van research-afdelingen van de hogeschool, indien deze functie voor het verrichten van bepaalde onderzoekingen vereist is en de betreffende afdeling hiervoor een beroep doet op het Economisch Instituut Tilburg.
In 1965 verkreeg Prof, Dr. L. H. Janssen voor het Instituut voor Ontwikkelingsvraagstukken de mogelijkheid enige onderzoek-projecten op het gebied van de ontwikkelingsproblematiek voor derden uit te voeren. Aangezien het Instituut voor Ontwikkelingsvraagstukken zelf geen rechtspersoonlijkheid bezit en de hogeschool voor een opdracht Tia derden geen verantwoordelijkheid kan aanvaarden, verklaarde bet Economisch Instituut Tilburg zich bereid de aan de betrokken opdrachten verbonden verplichtingen van administratieve en juridische aard op zich te nemen. Omtrent de uitvoering van opdrachten kunnen in verband met het vertrouwelijke karakter van de projecten weinig meer dan enkele opmerkingen worden gemaakt. Voor een belangrijke sector van het economisch leven van Nederland wordt een structuuronderzoek uitgevoerd, waarin speciaal wordt onderzocht of het kleine bedrijf in deze sector zich in de toekomst zal kunnen handhaven en aan welke voorwaarden daartoe zal moeten worden voldaan. Voor een instelling op het gebied van het reclamewezen wordt de betekenif van de verschillende vormen van reclame onderzode, waarbij speciaal aandacht wordt geschonken aan die vormen van reclame waarvan tot op heden weinig of geen studie is gemaakt. Een marktonderzoek voor een artikel in de sector levensen genotmiddelen wordt uitgevoerd, waarbij voornamelijk getracht wordt een prognose op te stellen van het in de toekomst te verwachten verbruik. Bovendien zijn nog enige onderzoekprojecten in voorbereiding. Onderzoekingswerk zonder opdracht van buiten wordt op het instituut door meerdere afdelingen verricht, waarvan enige nog in het stadium van oprichting verkeren. Reeds zijn de afdelingen Vericeersonderzoek en Motievenonderzoek gestart met de bestudering van diverse vraagstukken op hun gebied. Afdelingen voor algemeen-economisch, bedrijfseconomisch en wiskundig onderzoek zullen volgen. De afdeling Verkeersonderzoek werd binnen het instituut opgericht teneinde de snelle ontwikkeling van de verkeerssituatie en de vraagstukken die zich hierbij voordoen aan een diepgaande studie te onderwerpen. De concurrentie-situatie tussen openbaar en particulier vervoer, de consequenties van het groeiende autopark in Nederland, de voor- en nadelen verbonden aan verschillende vormen van voorrangsregeling, zijn de problemen waarmee deze afdeling zich bezighoudt. In de afdeling Motievenonderzoek wordt met inschakeling van moderne psychologische methoden vraagstukken van marktonderzoek en reclame onder de loupe genomen. Binnen deze afdeling vindt een samengaan van economische en psychologische research plaats. Vragen
* Automatisering en Mechanisering van Bestuurlijke Informatieverwerking.
15
omtrent de motieven van het gedrag van de mens bij zijn economisch handelen, bijvoorbeeld zijn reactie op reclame, zijn neiging tot sparen, de motieven voor investeren, vormen in deze afdeling onderwerp van studie. Hierbij vindt tevens evaluatie van bestaande en ontwikkeling van nieuwe onderzoek-methoden plaats. d. D0 toekomst De opbouw van research-afdelingen binnen het instituut is nog pas begonnen en zal voortgang vinden naarmate duidelijker wordt dat het onderzoekingswerk op de verschillende gebieden van economische wetenschap niet meer volkomen door de staf van aan de afzonderlijke hoogleraren toegewezen wetenschappelijke assistenten kan worden verricht. In het bijzonder moet hief worden gedacht aan die onderzoek-projecten, welke meerdere
16
gebieden van de economische wetenschappen bestrijken en waar een enkele hoogleraar met zijn staf niet aan toe komt. Om dergelijke research-projecten te kunnen uitvoeren, zal het instituut moeten beschikken over een vaste kern van wetenschappelijke onderzoekers. Deze moeten niet alleen bekend zijn met de moderne literatuur in hun wetenschapsgebied, doch daarnaast in staat zijn een onderzoek zelfstandig of in teamverband uit te voeren en de resultaten in een publicatie neer te leggen. Eerst dan, als de research-afdelingen een vaste plaats binnen het instituut hebben en regelmatig door publicaties van him activiteiten blijk geven, a d het instituut een functie in het belang van onderwijs en wetenschapsbeoefening binnen de hogeschool hebben verkregen.
Mededelingen Economische Faculteit SCRIPTIES KANDIDAATSEXAMEN
KANDIDAATSEXAMEN
Ik deel u mede, dat de faculteit der economische wetenschappen besloten heeft met onmiddellijke ingang een wijziging aan te brengen in de vereisten ten aanzien van het maken van scripties voor het kandidaatsexamen. Deze wijziging zal voor het eerst gelden voor hen, die binnenkort met hun kandidaatstentamens beginnen. Daaronder worden ook begrepen zij, die toestemming hebben gekregen opnieuw met de reeks tentamens te beginnen.
Te uwer oriëntering deel ik u mede, dat de faculteit der economische wetenschappen heeft besloten het kandidaatsexamen te splitsen in twee delen, af te nemen aan het einde van het tweede (of het begin van het derde) studiejaar, respectievelijk aan het einde van het derde studiejaar.
Voortaan zal voor één vak een scriptie moeten worden gemaakt in de tot dusver gebruikelijke betekenis (waarvoor uiteraard ook de stagescriptie financiewezen of statistiek kan gelden). Voor één ander vak dienen een tweetal korte notities te worden gemaakt. Deze notities van bijvoorbeeld drie a vijf blz. dienen er in hoofdzaak toe dat de student zich oefent in het samenvatten met eigen woorden van gelezen artikelen, waarbij uiteraard nauw kontakt met de betreffende wetenschappelijke medewerkers dient te worden gehouden. Indien de notities vroegtijdig worden gemaakt, wat met het oog op het eenvoudige karakter ook zeker mogelijk kan worden geacht, komt er voor de laatste voorbereiding van de tentamens meer tijd beschikbaar. Het verschil met de tot dusver geldende praktijk is dus, dat de beide notities in de plaats komen van één scriptie (met de bedoeling dat hierdoor een verlichting wordt bereikt, benevens een betere oefening in het rapporteren), terwijl de beperking dat één scriptie voor een economisch vak moet worden gemaakt, komt te vervallen. De secretaris van de faculteit der economische wetenschappen
In het eerste deel zullen worden opgenomen de vakken: sociale vijsbegeerte; economische geschiedenis', algemene leer der economie; en geld-, krediet- en bankwezen. In het tweede deel: financiewezen van de onderneming; organisatie van de onderneming; en burgerlijk- en handelsrecht. De nieuwe regeling zal voor het eerst gelden voor hen die thans eerstejaars zijn. De regeling moet op enkele punten en ten aanzien van de opleiding der econometristen nog worden uitgewerkt. Zodra dit heeft plaatsgevonden kom ik hierop terug. De secretaris van de faculteit der economische wetenschappen. Prof. Dr. H. W. J. Bosman T.E.F.-EXCURSIE Het bestuur van de T.E.F, deelt mede, dat voor doctoraal-studenten in de bedrijfseconomische richting op donderdag 11 mei een excursie naar de Kon. Shell gehouden zal worden. Het programma voor deze ontvangst vermeldt de volgende lezingen: — Computertoepassingen in Raffinaderij - informatieen controlesystemen. — Informatieverwerking in de Kon. Shell-groep. —• Planning en de computer. De aankomst in Rijswijk is gepland op 10.00 uur. Verdere mededelingen zullen naderhand volgen. Daarnaast wordt op donderdag 18 mei en vrijdag 19 mei een excursie naar Brussel gehouden, waarvoor het programma op dit moment nog niet geheel vaststaat. In ieder geval wordt er een bezoek gebracht aan de General Motors, Banque de Belgique en de Beurs van België. Deze excursie it opengesteld voor alle studenten van de economische faculteit. We hopen evenwel dat er een voldoende belangstelling mag bestaan, opdat het mogelijk zal blijven deze buitenlandse excursies doorgang te laten vinden. Het T.E.F,-bestuur
17
Algemene Mededelingen STICHTING „NOSTRORUM SANITAS"
BEURZEN
Het bestuur van de Stichting „Nostrorum Sanitas" heeft onlangs enige wijzigingen ondergaan:
Hierdoor deel ik u mede, dat de Ierse regering een studiebeurs beschikbaar stelt voor een Nederlandse student of pas afgestudeerde, die zijn studie gedurende het akademisch jaar 19^7—1968 aan een universiteit of hogeschool in Ierland wil voortzetten.
In de plaats van de in verband met afstuderen afgetreden bestuursleden de heren A. M. E. Rottier en J. I. C. M. Daniels, zijn door het Dagelijks Bestuur van de Algemene Tilburgse Studentenorganisatie benoemd de heren W. G. Kester en E. E. de Mul. Voorts is Prof. Dr. D . B. J. Schouten, na 12 jaar in bet bestuur zitting te hebben gehad, opgevolgd door Prof. Mr. Ch. P. A. Geppaart. Tenslotte is het bestuur uitgebreid met twee leden, te weten Mej. Mr. H. J. M. Pieck, als afgevaardigde van het Curatorium, en een vierde studentlid, de beer 9. E. J. Boort. Drs. J. W. H. Hendriks is Drs. M. F. A. Th. Jaspers opgevolgd als adviseur. Het bestuur is momenteel als volgt samengesteld: Drs. C. Th M. Roorda, voorzitter; Mej. Mr. R J . M . Pieck; Prof. Dr. M. G. Plattel o.p.; Prof. Mr. Ch. P. A. Geppaart; C. J. M. R. Roevers, secretaris; F. E. J. Boost, penningmeester, afdeling Mensa; W . G. Kester, academiale gezondheidszorg', E. E. de Mul, afdeling sport; Drs. J, W . H. Hendriks, adviseur. Voor het bestuur der Stichting, C. ƒ. M. R. Roovers, h.t. secretaris
De beurs loopt van oktober 1967 tot juni 1968, heeft een duur van negen maanden en bedraagt f 350,— per maand. Voor deze beurs kunnen in aanmerking komen studenten, die tenminste het kandidaatsexamen hebben afgelegd of pas afgestudeerden. Sollicitaties kunnen vóór 1} mei 1967 gericht worden tot de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 te 's-Gravenhage. Deze dienen te geschieden op een formulier dat te verkrijgen is bij bovengenoemde afdeling. (Ministerie van O. en W.)j Mej. Mr. E. Taisma,
Hierbij deel ik u mede, dat de Belgische regering drie beurzen voor het volgen van de universitaire zomercursus „Langue et littérature fran^aises" voor Nederlandse studenten ter beschikking heeft gesteld. De cursus zal gehouden worden aan de Vrije Universiteit van Brussel van 1 tot 25 augustus 1967. ledere beurs bedraagt Blfrs.' 5.000,— plus inschrijfgelden. Sollicitaties voor deze beurs dienen vóór 31 mei 1967 gericht te worden tot de afdeling Internationale Culturele Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 4 te 's-Gravenhage. De sollicitaties moeten de volgende gegevens bevatten: naam, voornaam, adres, geboortedatum, verrichte studie en reden waarom men de zomercursus wil volgen. Tevens moet worden overgelegd een aanbeveling van een bij de; studie betrokken hoogleraar, alsmede een pasfoto. Mej. Mr. E. Taisma, (Ministerie van O. en W.]
18
Benoemingen en onderscheidingen
Tot lid van het College van Curatoren van de Katholieke Hogeschool te Tilburg is benoemd Mr. ]. R. H. van Schaik, president-directeur van Shell Nederland N.V. te Rotterdam. De heer Van Schaik is geboren in 1917. Hij heeft rechten gestudeerd in Nijmegen en werkte enkele jaren in de advocatuur en vervolgens als directeur van het Rechtsherstel in Indonesië. In 1949 werd hij lector in het handelsrecht aan de Rechtshogeschool te Djakarta. In 1950 trad Mr. Van Schaik in dienst van N.V. De Bataafsche Petroleum Maatschappij. Na funkties te hebben vervuld in Venezuela, Iran en Londen werd hij in 1961 overgeplaatst naar het centrale kantoor van de maatschappij in Den Haag. In 1965 werd hij benoemd tot president-directeur van Shell Nederland N.V.
Air. ƒ. R. H. van Schaik
Shell-Foto
Curatoren van de Katholieke Hogeschool te Tilburg hebben op voordracht van de Academische Senaat benoemd tot gewoon hoogleraar in de economische geschiedenis Dr. ]oh. de Vries te Amstelveen. De heer De Vries is in 1927 geboren. Hij studeerde economie aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij in 1959 promoveerde tot doctor in de economische wetenschappen op een proefschrift „De economische achteruitgang der Republiek in de achttiende eeuw".
Prof. Dr. Joh. de Vries
Van de hand van Dr. De Vries is een groot aantal economisch-historische publikaties verschenen, waaronder gedenkboeken van de Kamer van Koophandel en van de Volksuniversiteit in Amsterdam. Samen met Prof. Dr. G. W . Ovink en Drs. D. de Boer publiceerde hij in 196} het boek „Wij samen onder de Oranjes, 150 jaar Nederlandse samenleving".
19
Curatoren van de Katholieke Hogeschool te Tilburg hebben op voordracht van de Academische Senaat benoemd tot buitengewoon hoogleraar in het belastingrecht Dr. D. Briill. De heer Briill is in 1922 te Nürnberg in Duitsland geboren. Hij studeerde economische wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij in 1964 cum laude promoveerde op een proefschrift „Objectieve en subjectieve aspecten van het fiscale winstbegrip". Het proefschrift werd in 1965 bekroond met de Kluwerprijs. De heer Brüll is sinds 1953 werkzaam als belastingconsulent (medewerker van de firma Loyens en Volkmaars te Haarlem) en sinds 1966 buitengewoon lector aan de Nederlandse Economische Hogeschool te Rotterdam. Het belastingrecht is onder meer opgenomen in de doctorale studie in de economische wetenschappen en de rechtsgeleerdheid, in de fiskaal-economische en de fiskaal-juridische studierichting, alsmede in de postdoctorale opleiding voor belastingkundige. Prof. Dr. D. Briill
Nadat aan het eind van dit studiejaar Pro/. Dr. M.. ]. H. Smeets wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zijn werkzaamheden aan de hogeschool zal hebben beëindigd, zijn voor het vak belastingrecht aan de hogeschool verbonden de gewoon hoogleraren J. E. A. M. van Dijck en Mr. Ch. P. A. Geppaart en de buitengewoon hoogleraar Dr. D. Brüll.
Zijne Heiligheid Paus Paulus de Zesde heeft Prof. Dr. J. M. Pieters, hoogleraar in de bestuurswetenschappen aan de Katholieke Hogeschool te Tilburg, benoemd tot Commandeur in de Orde van Sint Silvester. De versierselen, behorende bij deze onderscheiding, Zijn door Mr. P. M. H. van Boven, president-curator van de Katholieke Hogeschool, aan hem uitgereikt.
Dr. G. ]. M. Vlak, wetenschappelijk medewerker van de Katholieke Hogeschool in Tilburg, is met ingang van 1 september a.s. benoemd tot gewoon lector voor de staathuishoudkunde, in het bijzonder voor het geld-, krediet- en bankwezen ia de faculteit der economische wetenschappen van de Nederlandse Economische Hogeschool.
De onderscheiding is verleend als een uitdrukking van erkentelijkheid voor de bijzondere verdiensten, die Prof. Pieters zich voor de Katholieke Hogeschool heeft verworven. Van 1963 tot 1966 is Prof. Pieters opgetreden als. (eerste) voorzitter van de juridische faculteit, waarvan de oprichting en uitbouw grotendeels zijn werk zijn geweest. Prof. Pieters is sinds 1947 hoogleraar aan de Katholieke Hogeschool. Hij is altijd nauw betrokken geweest bij het ontwikkelen van de toekomstplannen van de hogeschool; hij is lid van de bouwcommissie, die zowel het bestaande als het geplande nieuwe gebouw heeft voorbereid, en van de structuurcommissie, die het onlangs gepubliceerde rapport „Van Hogeschool tot Universiteit; medische faculteit in Tilburg" heeft opgesteld. Prof. Pieters is sinds 1964 lid van de Academische Raad.
20