Page 1

Opleidingen Bio-Farmaceutische Wetenschappen | Biologie | LST | MST

Come to your senses

Zintuigen

Oktober 2014  jaargang 9

#1

Superzintuigen Culinaire Chemie met

prof. dr. Carel ten Cate


NIEUWS

2  ORIGIN # 1

jaargang 10, oktober 2014

Prijzen:

Spinozapremie uitgereikt aan Dirk Bouwmeester Tijdens een feestelijke uitreiking op 9 september heeft de natuurkundige Prof.Dr. Dirk Bouwmeester in het bijzijn van koning Willem-Alexander een Spinozapremie in ontvangst genomen. De Spinozapremie is de hoogste Nederlands onderscheiding in de wetenschap en wordt ook wel de ‘Nederlandse Nobelprijs’ genoemd. Er waren dit jaar vier Nederlandse wetenschappers die de premie van 2,5 miljoen voor wetenschappelijk onderzoek in ontvangst mochten nemen. Naast Dirk Bouwmeester was er nog een tweede Leidse winnaar, de archeologe Prof.Dr. Corinne Hofman. Bouwmeester wil het geld gebruiken om in samenwerking met een groep wetenschappers aan het LUMC verder onderzoek te doen naar een therapie voor Duchenne Spierdystrofie. Daarnaast wil hij ook een deel gebruiken om te onderzoeken hoe kwantummechanica verbonden kan worden met de relativiteitstheorie.

Mr. K.J. Cathprijs voor studentondernemer Wouter Bruins Wouter Bruins kreeg tijdens de opening van het academisch jaar de Mr. K.J. Cath-prijs. Deze prijs wordt eens in de twee jaar uitgereikt aan studenten en/of medewerkers van de Universiteit Leiden. Wouter Bruins kreeg de prijs omdat hij met zijn bedrijf In Ovo en het oprichten van het platform ‘Vrijplaats’ , die beide in de vorige editie van de Origin in het nieuws waren, de universiteit op een positieve manier onder de aandacht brengt.

Openingen Prins Constantijn opent Leiden Centre of Data Science

Het academisch jaar is geopend De jaarlijkse opening van het academisch jaar vond 1 september plaats in de Pieterskerk. Er werd onder andere een toespraak gegeven door staatssecretaris Dekker van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Daarnaast was er ook aandacht voor de Massive Open Online Courses (MOOCs) die tegenwoordig op veel universiteiten, waaronder Universiteit Leiden, worden gegeven. Naast de universitaire opening vond dit jaar voor het eerst ook een facultaire opening plaats op 2 september met onder andere een goochelshow en improvisatietoneel, onder leiding van Peer Mascini. Dit was een groot succes. Foto facultaire opening: Pim Rusch

Op 4 september heeft Prins Constantijn van Oranje het Leiden Centre of Data Science geopend. Het centrum stimuleert onderzoek naar data en samenwerkingen tussen verschillende wetenschappers uit verschillende disciplines op dit gebied. Met de grote toename in de hoeveelheid data die verzameld wordt is dit soort onderzoek steeds belangrijker. Na de openingsceremonie vonden een demomarkt en miniconferentie plaats waar de rol van grote hoeveelheden data in onderzoek centraal stond.


inhoud #3

special:

Universiteit Leiden 

3

The Super-sense Olympics 4 studenten: (On)beperkt 8 

A Sweet Foot 10  Column: Kunstkenners schijten binnenstad onder  11  bètavraagbaak: Zintuigen 12  boekrecensie: Dry store room no. 1 14  centrefold: Fish-eye 16  Instituten: The goldilocks problem 18  Ouden Doosch: Een huis in Leiden 20  Fotoreportage: Superzintuigen 22  culinaire chemie: prof. dr. Carel ten Cate 24  Mystery Object 28  boekrecensie: Brein in Brand  29  Column: Becoming Iceman 30  agenda colofon volgende nummer : 31 Special:

The Super-sense Olympics  4 The animal kingdom is filled with extraordinary senses. Some creatures have senses that are so advanced, they’re almost superpowers! Origin went on a mission to find the most ‘super’ animal senses on the planet.

Fotoreportage

Superzintuigen  22 Van 2012 tot januari 2016 is in Naturalis de interactieve tentoonstelling ‘Superzintuigen’ te bezoeken. Voor dit nummer heeft de redactie van de Origin ook een bezoekje gebracht aan de tentoonstelling.

Culinary Chemistry:

Ecce Origin! Kijk eens, een nieuwe Origin! Misschien zag je hem liggen op de faculteit, of hoorde je van een medestudent dat hij er weer lag. En toen je hem opensloeg voelde je het papier langs je vingertoppen gaan. Misschien rook je de geur van papier. Al deze waarnemingen doe je grotendeels onbewust, maar je hersenen zijn de hele dag druk bezig alles wat binnenkomt te verwerken. In deze Origin nemen we onze zintuigen onder de loep. Hoe zit dat proces eigenlijk in elkaar, en wie zijn de beste ‘waarnemers’? In de special gaan we op zoek naar kandidaten voor de SuperSense Olympics – wij mensen zijn helaas niet genomineerd. En in de bètavraagbaak komen we zintuigen tegen die wij niet eens bezitten! Gelukkig zijn we nog wel speciaal in dat we als enige diersoort een taal hebben… of niet? Prof. dr. Ten Cate van het IBL vertelt er meer over in Culinaire Chemie. Ook worden we in het studentenartikel meegenomen in de wereld zoals die eruit ziet als één zintuig niet goed werkt. Dus adem de geur van deze vers gedrukte Origin in, strijk met je vingers langs de pagina’s… en om al je zintuigen te gebruiken maak je het af met een likje aan de voorpagina. You know, for science.

Carel ten Cate  24 In plaats van de gebruikelijke woning zoeken wij Ten Cate op bij zijn weekendhuisje aan de Reeuwijkse Plassen voor een wel heel comfortabel interview in de 'achtertuin'.

Marieke Vinkenoog Hoofdredacteur Origin Bachelorstudent Biologie


SPECIAL

4  ORIGIN # 1

jaargang 10, oktober 2014

Assuming you’re a perfectly healthy, completely standard-issue Homo sapiens, you probably have some pretty good senses, right? Your ears stop you from walking in front of a tram and let you listen to beautiful music, your sense of smell helps you appreciate flowers and freshly baked bread. Bread which your sense of taste allows you to enjoy. You can feel stuff like pain, heat, cold or touch. To top it all off, you have a set of working eyes that allow you to see great things, like this magazine.

Auteur: Wouter van Dijke Bachelorstudent Biologie

“In a nutshell” The animal kingdom is filled with extraordinary senses. Some creatures have senses that are so advanced, they’re almost superpowers! Origin went on a mission to find the most ‘super’ animal senses on the planet in the Super Sense Olympics.


DOSSIER Zintuigen

Universiteit Leiden 

That’s all very cute, but compared to some animals you're basically blind and deaf. Across the animal kingdom there are super-senses hidden in animals that can hear, see, smell, touch or taste so well that it’s almost scary. Origin went on a mission to find the best of the best and organised the supersense Olympics. Keep reading to find out who take home the gold medals!

Why mantis shrimps have such an elaborate visual system is not clear. Possible explanations include that it helps them see transparent prey or detect predators. It might also play a part in their mating rituals, which would also explain the fact that the shrimps themselves are brightly coloured.

Sight

These animals have the most advanced visual system on earth

There’s a few animals with pretty good eyesight. Horses, for instance, can see almost everything around them: their field of vision covers 350 degrees. This allows them to see predators from far away. Birds of prey, such as hawks or falcons, can see amazing detail from great distances. Their eyesight is about eight times better than that of a human and they can spot a prey on the ground from a kilometre and a half in the sky! But the true champion of eyesight might be unexpected: it’s the mantis shrimp. These animals, that are also known as Stomatopods, have the most advanced visual system on earth. For starters, their eyes are mounted on stalks and can move independently. They can move up to at least seventy degrees in every direction, allowing them to scan their environment without moving their head. Where humans have four different photoreceptors that allow us to see colours, mantis shrimps have sixteen. This means they can see colours we can’t even imagine. Outside of the human colour range, they can also see ultraviolet light and even distinguish different kinds of polarised light. Each eye is divided into three areas, which can be used separately and simultaneously. That way, a mantis shrimp can see depth with only one eye.

5

Hearing

How do you decide what animal has the best hearing? If you look at the largest distance from which an animal can still hear sounds, whales would be certain champions. Their calls can make it across oceans and be heard from thousands of kilometres away. But then again, whales cheat. Sound travels through water much faster than it does through air, so its reach is much larger in sea than on land. How about bats, then? They can hear ultrasonic sounds well beyond the hearing range of humans. Some bat species can hear and produce sounds of up to 120 kilohertz, which they use for echolocation and to detect insects. The highest sound a human can hear is about 20 kHz, and our ability to hear high-pitched sounds diminishes rapidly with age. But no animal, young or old, matches the sonic range of the greater wax moth (Galleria mellonella). This creepy crawler can hear and produce sounds


6  ORIGIN # 1

jaargang 10, oktober 2014

to a frequency of about 300 kHz, well surpassing the ultrasonic hearing talents of bats. That’s probably the entire point: not only can the greater wax moth hear a bat coming and try to escape, it can also use the high frequency to communicate with other moths without being detected.

Smell

Don’t go swimming in the ocean if you’re bleeding! Sharks will smell you from miles away and eat you up for lunch. Bears, too. A polar bear can smell a seal through a metre of ice and even smell a sexually receptive female from hundreds of kilometres away. But they’re not the best sniffers in the world. A bloodhound’s nose is much keener. They can follow a scent trail even after a number of days and are better at detecting smells than man-made odour detecting machines. These dogs can even smell certain types of cancer! It’s no wonder dogs are used for detecting everything from drugs through money and explosives to missing people.

Rats can sniff in stereo: each nostril works independently, they can smell two things at the same time But dogs aren’t the only animals that are used for their exceptional sense of smell. Giant pouched rats (Cricetomys) are being trained to detect land mines. They’re lighter than dogs, so they’re less likely to set off a mine, and when it does go wrong they’re a lot cheaper to replace. Rats can sniff in stereo: each

nostril works independently, which means they can smell two things at the same time. A team of rats can check 200 square meters of land for mines in about thirty minutes. A human with a metal detector would take about three days. They are already being used to clear the last hidden mines in Mozambique.

Touch

One of the animals that has the best sense of touch is the star-nosed mole (Condylura cristata). Whether it also has the most feelings is as of yet unknown. The moles star-shaped nose consists of 22 short tentacles, which are covered in about 25 thousand touch receptors each. While digging through the ground, the tentacles can each touch up to twelve objects every second. The mole has receptors that are sensitive to the electrical fields of aquatic animals moving


DOSSIER ZINTUIGEN

through water and even a unique type of receptor that can sense microscopic textures. But the best sense of touch belongs to jewel beetles (Buprestidae), because they can sense fire. You might think: ‘well I can do that too’, but can you sense a fire from 80 kilometres away? Jewel beetles mate and lay their eggs in burned pine trees, so when a forest is set ablaze, rather than flee these beetles flock towards the fire. They have a kind of infra-red sensor in their chest that is so effective that it has attracted the attention of researchers, hoping to mimic the detectors to prevent forest fires or even create military hardware. Most jewel beetles bite, too. As if you needed another reason to stay away from forest fires.

Universiteit Leiden 

7

Taste

Imagine you had to taste all your food with your feet. That is the daily struggle of a butterfly. These colourful insects can taste if a flower is edible using chemoreceptors on their feet, before unrolling their long tongue and sucking up the nectar. Octopi have taste receptors on their feet, too. There are ten thousand taste receptors on each of its suckers and almost 200 suckers on each of its eight legs. That’s sixteen million taste buds! A human only has about ten thousand at most. With their multitude of receptors, octopi can detect changes in concentrations of chemicals in the seawater. But the true winners are snakes. They can taste smells using their forked tongues. Snakes ‘lick’ the air and as air particles collect on their tongue they analyse these with a special chemically sensitive organ. They use this to detect both prey and predators, but also to find potential mates during mating season.

Supersupersenseman!

I hereby propose the creation of a new super hero: supersupersenseman! A superhero who can taste smells, feel forest fires, smell bombs, hear ultrasonic sounds and see 4 times as many colours. I’m really not sure how that would help him fight villains and he’d probably go crazy from the amount of stimuli, but hey, he would be a gold medal winner on every category of our super-sense Olympics! Obviously having all these super-senses would be hugely impractical, but apparently these senses on their own have contributed hugely to the evolutionary success of the animals that possess them. Because their senses helped them find food, reproduce or not get eaten themselves, they evolved until they were improbably advanced, to the point where we’re not even sure how they work. One thing is certain: the way you see the world depends hugely on what kind of animal you are. Just imagine what a rainbow would look like to a mantis shrimp!

Photo credits: Mantis Shrimp: CC-BY Silke Baron Jewel Beetle: CC-BY Sindhu Ramchandran Rat: CC-BY-SA Derek Keats Moth: CC-BY Andy Reago & Chrissy McClarren

Snake: public domain


STUDENTEN

8  ORIGIN # 1

jaargang 10, oktober 2014

(On)beperkt Wat vind je ervan als je een motorzaag, slijpmachine of passerende vrachtwagen hoort? Best een herrie toch? Het is niet goed om er lang naar te luisteren, en je moet er waarschijnlijk niet aan denken dat je constant naar een motorzaag of slijpmachine moet luisteren. Ik kan niet anders. Ik kan niets horen onder een geluidssterkte van 100 decibel, dus pas als het geluid minimaal zo hard is als een motorzaag, slijpmachine of passerende vrachtwagen. Ter vergelijking: jij hoort het ruisen van de bomen, gefluister, het tikken van een klok, de ventilator van je PC en achtergrondgeluiden in het huis. Ik niet; voor mij is het stil. Verder ben ik niet veel anders en is er geen verschil tussen jou en mij: ik studeer, geniet van het leven en ben van plan er alles uit te halen.

Eva Voogd. Bachelorstudent Biologie

‘Je kunt pas spreken van een beperking, als je je laat beperken.’ Deze uitspraak is laatst tegen mij gedaan, en inmiddels heb ik er mijn motto van gemaakt. Ik heb een functiebeperking, maar desondanks de mogelijkheid om te kunnen studeren in Leiden. Ik ben sinds mijn geboorte zeer ernstig slechthorend met een verlies van meer dan 100 decibel, en start in september met mijn tweede jaar Biologie. Een gehoorverlies van meer dan 80 decibel houdt in dat je een officiële doofheidsverklaring hebt. In de praktijk betekent het dat ik zonder hoortoestellen door vuurwerk heen kan slapen. Gelukkig zijn er geavanceerde hoortoestellen, wat maakt dat ik ongeveer 30% van een gesprek kan verstaan. Verder vul ik wat ik versta aan met liplezen en het afleiden van zinconstructies. Het is voldoende voor mij om met succes te kunnen functioneren in een horende wereld: ik heb hele lieve mensen om mij heen, studeer in het reguliere onderwijs, woon op kamers in een studentenhuis, ben lid van een studentenvereniging én dispuut en geniet met volle teugen van al mijn mogelijkheden. Hoe het komt dat ik met een officiële doofheidsverklaring zo kan functioneren is voor velen een raadsel. Onder het mom van ‘dat ga ik zelf uitzoeken’ ben ik in 2012 eerst gestart met Biomedische Wetenschappen. Het was erg jammer dat ik tijdens deze studie mijn gehoorverlies onvoldoende kon compenseren, wat heeft geleid tot een switch naar Biologie. Achteraf is het een goede keuze geweest: ik heb mijn propedeuse gehaald en nu de keuze gemaakt


DOSSIER ZINTUIGEN

voor microbiologie zodat ik hopelijk alsnog dezelfde richting op kan gaan. Om te kunnen studeren maak ik gebruik van SOLO-apparatuur. De SOLO is een speciale microfoon die in directe verbinding staat met mijn hoortoestellen. Deze microfoon geef ik bij hoorcolleges aan de spreker, wat maakt dat ik het goed kan volgen. Ideaal, al moet ik niet vergeten om de SOLO in de pauzes terug te vragen of op afstand uit te zetten. De SOLO heeft namelijk een groot bereik en sommige mensen vergeten hem uit te doen. Zo heb ik het al eens meegemaakt dat een docent naar het toilet ging met de apparatuur aan, dat hoor ik liever niet. De SOLO is voor mij onmisbaar en ik kan hem op vele manieren toepassen, dankzij de Bluetoothverbinding kan ik de SOLO ook gebruiken om te telefoneren. Daarnaast kan ik hem via een USB-poort ook aansluiten op mijn computer en op deze manier maak ik gebruik van de SOLO om de tijdens het college getoonde filmpjes (zonder ondertiteling) thuis terug te kijken. Ondertiteling heb ik echt nodig om films of programma’s te kunnen volgen. Ik zit dan ook bijna niet voor de televisie, want buiten de publieke omroep is het niet mogelijk om Nederlandstalige programma’s te ondertitelen met teletekst. Op de computer een serie of film kijken gaat beter, maar als ik mag kiezen doe ik liever andere dingen. Om dezelfde reden is het voor mij ook niet mogelijk om muziek te luisteren of met vrienden naar een festival te gaan. Het

Universiteit Leiden 

9

is moeilijk om met drukke situaties of luide muziek, zoals in de kroeg, om te gaan. Mijn hoortoestellen kunnen voor mijn gehoordrempel namelijk niet het onderscheid maken tussen hoofd- en bijgeluiden met als gevolg dat alle omgevingsgeluiden versterkt binnenkomen. Gesprekken worden overschaduwd door bijgeluiden en alles komt versterkt binnen in mijn oren. In de praktijk komt het er op neer dat ik alle binnenkomende geluiden zelf moet filteren om in mijn hoofd een onderscheid te kunnen maken van ‘dit is gezegd’ en ‘dit was de muziek’. Het is erg inspannend om dit de hele tijd te doen en geeft ook vaak hoofdpijn. Desondanks laat ik me er niet door tegenhouden, sterker nog, ik vind het erg leuk om met mensen af te spreken en zoek graag de gezelligheid op. Vooral in de zomer ben ik in mijn element, wanneer we veel buiten zijn of op terrasjes zitten, de akoestiek is buiten namelijk veel prettiger dan binnen. Het missen van ‘oren’ vergt ook in het dagelijks leven enige aanpassing, want hoe zet je een wekker als je door vuurwerk heen slaapt? Hiervoor heb ik een trilplaat, gelegen onder mijn kussen, waarvan ik elke ochtend op tijd wakker schrik. Er zijn ook vele voorzieningen in huis mogelijk , zoals een flitslicht wanneer de deurbel gaat. Ik maak er zelf (nog) geen gebruik van, bekenden sturen mij een whatsapp bericht wanneer ze voor de deur staan. Elk nadeel heeft zijn voordeel, zo ook slechthorendheid. Ik woon in een studentenhuis en slaap ’s nachts zonder problemen door de feestjes van de bovenburen heen. In een luidruchtige tentamenzaal of studiezaal in de UB zet ik gewoon mijn hoortoestellen uit, in de stilte kan ik me dan prima concentreren. Liplezen gaat me goed af, wat maakt dat ik bijvoorbeeld tijdens de WK voetbalwedstrijden fungeer als vertaler, wat zegt Louis van Gaal in de dug-out? Kortom: hoewel ik in theorie ernstig beperkt ben, sta ik er in de praktijk niet bij stil. Het is voor mij gewoon geworden, het is zoals ik ben, ik ben ik. Iedereen heeft zijn unieke eigenschappen zoals rode haren, blauwe ogen, een bril of in mijn geval hoortoestellen. Het hoeft geen beperking te zijn maar kan juist als aanvulling worden gezien en zo kijk ik er naar. Ik ben blij dat ik met de juiste hulpmiddelen de mogelijkheden heb om te kunnen studeren. Ik hoop hier dan ook nog veel gebruik van te kunnen maken in het vervolg van mijn studie.


1 0  ORIGIN # 1

A  Sweet Foot Marieke Vinkenoog Bachelorstudent Biologie

jaargang 10, oktober 2014

Butterflies are one of the most colourful groups of animals. It might therefore not surprise you that their eyesight is pretty good, and they see more colours than we do in the UV spectrum. But one of their senses differs from ours in a very striking way: butterflies taste with their feet. Imagine tasting food without actually putting it in your mouth; just holding it in your hands tells you what it tastes like. That’s what butterflies do: they test whether something is edible just by standing on the food, and then decide whether or not to suck it up through their long proboscis (tongue), which itself has no taste receptors. The chemoreceptors on their feet are most sensitive to dissolved sugars, which enables the butterfly to recognize fermented fruit. When a butterfly is looking for nectar, which can be hidden deep in flowers, it uses a roundabout way of detecting the edible liquids. While standing on a flower, the butterfly will tap its feet on the petals, which incites the plant to release species-specific chemicals. These chemicals bind to the chemoreceptors and let the butterfly know whether or not the plant has any nectar to give. These chemoreceptors on the butterfly’s legs are not just convenient for finding food: females are also thought to use them to determine the optimal place to lay their eggs. Whole genome sequencing has shown that genes for these gustatory and olfactory chemoreceptors are turned on more often in females than in males, which supports this theory. This skill is particularly useful in the evolutionary arms race between plants and butterflies. After all, after a butterfly lays her eggs on a certain host plants, the caterpillars that emerge from the eggs will damage the plant. The plant can develop defence mechanisms against these caterpillars, which the adult butterflies will want to avoid when laying her eggs.


DOSSIER ZINTUIGEN

Universiteit Leiden 

11

‘Kunstkenners schijten binnenstad onder’ Een zintuig is een orgaan dat de mogelijkheid geeft een bepaald gedeelte van de werkelijkheid waar te nemen. Een kunstenaar schept zijn eigen werkelijkheid. Hoe nemen dieren kunst waar? Zien ze wat wij zien? Misschien zijn ze wel meer kenner dan we denken? Hierover gaat het experimentele werk van de Japanner Shigeru Watanabe. “Dit was Duncan Kennedy van de ‘Bee-Bee-C’.” Een geniale afsluiting door de presentator bij een item over een net zo geniaal onderzoek naar bijen. Het BBC-filmpje had de intrigerende titel: ‘Bees can tell a Picasso from a Monet’. Eén van Picasso’s bekendste tekeningen is zijn duif. Naar duiven heeft Watanabe twintig jaar geleden al vergelijkbaar onderzoek gedaan. Deze professor in de psychologie leerde duiven het verschil tussen Picasso en Monet. Op een scherm verschijnen schilderijen en wanneer de duiven dit aantikken bij een Monet krijgen ze eten. Wat pizza voor mij is, is graan voor duiven: daar doen ze alles voor. Ook leren over kunst: pikken bij Monet, -pik-, was het een Monet? Ja. Graan! Want wanneer ze een standaardset van 20 werken hebben leren onderscheiden, dan snappen ze ook het verschil bij werken die ze nog nooit hebben gezien. Ze groeperen zelfs schilderijen die qua stijl op elkaar lijken. De duiven zien de overeenkomst tussen figuratief werk van Monet, Cezanne en Renoir, tegenover de abstractere Picasso, Braque en Matisse. Stap voor stap sloten de onderzoekers een factor uit die voor de herkenning van belang zou kunnen zijn; zoals kleur of formaat. Dit maakte geen verschil, maar een Monet op z’n kop snapten de duiven niet. Werk van Picasso werd onder elke hoek herkend. Zes jaar later publiceert Watanabe opnieuw een studie naar kunstkennerduiven. Ook werken van Chagall en Van Gogh (die zijn vriendin beschreef als ‘tamme duif’) halen de vogels uit elkaar. In dit onderzoek vergelijkt hij bovendien het leerproces van duiven met dat van zijn studenten. De vogels pikten weer een graantje mee, maar de studenten kregen geen pizza: zij moesten genoegen nemen met het signaal van een lampje. Hoe dan ook, de resultaten kwamen overeen! Watanabe concludeerde dat deze cognitieve functies van de duif mogelijk door dezelfde selectiedruk zijn gevormd als die van de mens.

Maar duiven en mensen zijn niet altijd vergelijkbaar. Wanneer je moeder vroeger werkelijk al je tekeningen trots op de koelkast plakte, biedt een duif wellicht uitkomst: die is heel wat kritischer. Want voor een volgende publicatie van Watanabe werden kindertekeningen als een ware ‘kunst & kitsch’-aflevering gekeurd door... jawel: duiven. Een serie tekeningen van leerlingen van een basisschool om de hoek werd door een panel gesplitst in mooi en lelijk werk. Na oefenen met tweeëntwintig tekeningen snapten de duiven waar de grens lag en pikten uit nooit eerder geziene tekeningen zo de mooie eruit. En dat zonder pizza! "The experiments demonstrated the ability of discrimination, not the ability to enjoy painting," vertelt Watanabe. Standaard zit een groepje duiven vóór de Lakenhal, het Leidse kunstmuseum. Ik vraag daar of ze wel eens binnen komen. “Nee”, luidt het antwoord, maar de baliemedewerker bekent: “Het lijkt me wel gezellig”. Bronnen:

- Watanabe, S., Sakamoto, J., & Wakita, M. (1995). Pigeons’ discrimination of paintings by Monet and Picasso. Journal of the experimental analysis of behavior, 63(2), 165-174. - Watanabe, S. (2001). Van Gogh, Chagall and pigeons: picture discrimination in pigeons and humans. Animal Cognition, 4(3-4), 147-151. - Watanabe, S. (2010). Pigeons can discriminate “good” and “bad” paintings by children. Animal cognition, 13(1), 75-85. - Wu, W., Moreno, A. M., Tangen, J. M., & Reinhard, J. (2013). Honeybees can discriminate between Monet and Picasso paintings. Journal of Comparative Physiology A, 199, 45-55.

Lithografie: Picasso’s ‘Colombe Bleue’ Foto: Duif in een Skinner box

© Auke-Florian Hiemstra

Auke-Florian Hiemstra is student biologie, werkt in Naturalis en schrijft naast zijn vaste columns in het Leidsch Dagblad voor velerlei andere media en stond in Mare, Bionieuws en Volkskrant. Je leest zijn werk op: www.aukeflorian.nl


1 2  ORIGIN # 1

jaargang 10, oktober 2014

Bètavraagbaak

Zintuigen zijn organen die we elke dag gebruiken, en die we, zo lang ze goed werken, als vanzelfsprekend zien. Ze stellen ons in staat om de wereld om ons heen waar te nemen, door stimuli uit de omgeving om te zetten in prikkels die in onze hersenen een betekenis krijgen. De vijf klassieke gewaarwordingen die horen bij zintuigen zijn bij mensen zien, horen, ruiken, proeven en voelen. Hiermee vormen wij ons beeld van de wereld. Maar als we andere zintuigen hadden, zou de wereld er heel anders uitzien. Welke andere zintuigen zijn er, en welke informatie uit de wereld lopen wij mis?

Marieke Vinkenoog Bachelorstudent Biologie

Zicht Mensen hebben ogen, en kunnen daarmee licht waarnemen uit het elektromagnetisch spectrum. Dit spectrum deelt elektromagnetische straling in aan de hand van de frequentie. Aan het ene uiteinde vinden we radiostraling, met een golflengte van meer dan 10000 km. Aan het andere uiteinde staat kosmische straling, met een golflente van minder dan 0,01 pm (10-12 m). Zichtbaar licht beslaat maar een heel klein deel van het spectrum: van 380 tot 780 nm (10-9 m). Maar er zijn ook dieren die infrarood of ultraviolet licht waar kunnen nemen. Bijen zien bijvoorbeeld wel ultraviolette straling. Zo zien zij bepaalde nectarmerken op bloemen die mensen niet kunnen zien. Echolocatie Echolocatie wordt door vleermuizen en sommige walvissen gebruikt om prooi of roofdieren waar te nemen. Het mechanisme hiervan werkt als volgt: het dier zendt een geluid uit, en vangt de echo op die terugkaatst van de prooi. Met behulp van het Dopplereffect kan het dier vervolgens bepalen of de prooi zich naar hem toe of juist van hem af beweegt. Het bekende klikgeluid van dolfijnen wordt gebruikt voor echolocatie. Het geluid dat vleermuizen produceren voor echolocatie is ultrasoon en kunnen we (meestal) niet

Zintuigen zonder hulpmiddelen waarnemen. Ook sommige spitsmuizen gebruiken echolocatie, maar in tegenstelling tot vleermuizen en walvissen gebruiken zij het niet om te jagen, maar om nieuwe habitats te onderzoeken. Magnetoceptie De aarde heeft een magnetisch veld dat ons beschermt tegen schadelijke straling van buitenaf. Maar zonder hulpmiddelen is dit veld voor ons niet waar te nemen. Gemiste informatie dus. Andere dieren gebruiken deze informatie wel. Bij sommige dieren, zoals bepaalde slakkensoorten, wordt magnetoceptie gebruikt om het lichaam te oriĂŤnteren langs een bepaalde as. Zo is het opgevallen dat koeien en andere kuddedieren vaak in dezelfde richting staan: noord-zuid. Maar andere diersoorten is magnetoceptie onderdeel van een complex navigatiesysteem. Postduiven zijn hiervan een goed voorbeeld. In een experiment waarbij een magneet aan de snavel van duiven werd vastgemaakt bleek dat hun richtingsgevoel ernstig verstoord werd. Misschien hebben mensen ook potentie tot magnetoceptie: in onze neus zitten magnetische botjes, en in het menselijk oog is een magnetosensitief eiwit gevonden. Er is een experiment uitgevoerd waarbij een groep mensen met en een groep mensen zonder magneet


DOSSIER ZINTUIGEN

op hun hoofd de weg moesten vinden. Mensen zonder magneet bleken hier beter in te zijn, wat erop zou wijzen dat we toch een beetje het magnetisch veld gebruiken voor navigatie. Helaas verkregen andere onderzoekers tegenstrijdige resultaten, en kunnen we niet met zekerheid zeggen dat mensen magnetoceptie als zintuig hebben. Elektroceptie Kraakbeenvissen (haaien, roggen en chimera’s) hebben unieke zintuigen waarmee ze elektrische velden in het water kunnen waarnemen. Deze organen heten de ampullen van Lorenzini. Het zijn kleine poriën (ampullen) waarin zich een kanaal met geleiachtige substantie bevindt. De ampullen meten het verschil tussen het voltage in de huid en het voltage in de receptorcel. Hiermee kunnen ze heel lage verschillen al waarnemen. Waarom is dat handig? Alle dieren produceren een elektrisch veld als hun spieren samentrekken. Dankzij de ampullen van Lorenzini kunnen haaien bewegende prooien lokaliseren, zelfs als ze onder het zand verstopt zijn. Stromingsdetectie Vissen hebben nog een zintuigorgaan dat wij niet hebben: het zijlijnorgaan. Dit orgaan is vaak te zien als een streep op beide lichaamszijden, die loopt van

Universiteit Leiden 

de kieuwdeksels tot aan de staartbasis. In deze lijn liggen receptoren die neuromasten heten. Het mechanisme lijkt op dat in het oor van gewervelden: er is een geleiachtige substantie waar haarcellen in zitten. Als de gelei beweegt door de beweging van het water beweegt de haarcel mee. De beweging van de haarcel produceert een elektrisch signaal dat door de hersenen geïnterpreteerd wordt. Op deze manier worden veranderingen in de stroming van het water geregistreerd, en kan een vis zich op de waterstroom oriënteren. Ook kunnen met behulp van het zijlijnorgaan prooien worden gelokaliseerd. Veel van de informatie waar andere dieren zintuigen voor hebben kunnen mensen alsnog indirect waarnemen. Van het elektromagnetisch spectrum worden bijna alle delen gebruikt in de wetenschap of het dagelijks leven. Zo gebruiken we ver-infraroodstraling in magnetrons om ons eten op te warmen, en Röntgenstraling voor radiotherapie. Sonar is een techniek die gebaseerd is op echolocatie, en wordt gebruikt voor militaire, civiele en wetenschappelijke toepassingen. Zo werken torpedo’s met sonar, maar ook visserijen maken er gebruik van. In de wetenschap wordt sonar onder andere gebruikt om biomassa te schatten, en om waterdieptes in kaart te brengen.

13

Het magnetisch veld is noodzakelijk voor het kompas, waarop de werking van veel navigatiesystemen berust. Ook voor de wetenschap is het magnetisch veld nuttig: paleomagnetisme gebruikt veranderingen in het magneetveld om gesteentes te dateren, en heeft bewijs geleverd voor oceanische spreiding. De wereld biedt meer informatie dan wij mensen kunnen verwerken. Een deel van deze informatie kunnen we indirect waarnemen met behulp van apparatuur. Sommige technieken kijken we af van dieren die bepaalde stimuli wel kunnen waarnemen. Naarmate de techniek zich verder ontwikkelt is het waarschijnlijk dat we steeds meer stimuli kunnen gebruiken – zelfs als we ze met onze eigen vijf zintuigen niet waarnemen.

Bron afbeeldingen: http://commons.wikimedia.org/ wiki/File:Lorenzini.jpg http://commons.wikimedia.org/wiki/ File:EM_spectrum.svg http://blog.nus.edu.sg/lsm1303student2014/2014/03/26/moo-to-thenorth-magnetic-sixth-sense-in-cattles/ http://commons.wikimedia.org/ wiki/File:Atlantic_cod.jpg


1 4  ORIGIN # 1

jaargang 10, oktober 2014

Dry store room no. 1 - Richard Fortey

The secret life of the Natural History Museum Een aantal jaar geleden ben ik naar Londen geweest, naar het Natural History Museum en daar heb ik mijn ogen uitgekeken. Er waren hele mooie objecten te zien en het gebouw zelf vond ik ook heel bijzonder. Ik was heel benieuwd hoe het er allemaal achter de schermen aan toe ging: hoe de collectie beheerd wordt, wie er voor zorgt wat er in het museum komt en hoe de wetenschappers hun onderzoek doen.

In de zesde klas middelbare school mocht ik ergens een week stage lopen. Dit heb ik toen gedaan bij een geoloog in Naturalis. Ik heb niet alleen geleerd hoe wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd wordt, maar heb ook de collectie voor een deel mogen bezichtigen. Ook heb ik veel andere belangrijke mensen ontmoet die er voor zorgen dat de onderzoekers hun werk kunnen doen. Het boek van Richard Fortey genaamd “Dry store room no. 1”, gaat over het Natural History Museum in Londen. Fortey heeft daar een lange tijd gewerkt als onderzoeker, met als specialisatie trilobieten. In dit boek beschrijft hij hoe het is om achter de schermen van het museum te werken en wat je er allemaal kan vinden. Hij vertelt onder andere over Dry store room no. 1, een onbekende opslag ruimte waar bijzondere voorwerpen liggen. In

dit boek heeft hij zijn eigen Dry store room no. 1 gemaakt. Hij vertelt over bijzondere objecten in de collectie en verhalen die hij heeft meegemaakt in dat museum. Dit waren precies die dingen die ik al lang wilde weten. Wat me het meest van dit boek aansprak is dat hij sommige stukken vertelt alsof je hem volgt door het museum. Hij loopt door de gangen en doet deuren open waarvan hij niet weet wat erachter zit. Als hij dan in een nieuw ontdekte kamer een lade open trekt, vindt hij de meest boeiende objecten met interessante verhalen. Deze manier van vertellen zorgt er voor dat het verhaal boeiend blijft. En de verhalen zorgen er voor dat de lezer de objecten eenvoudiger onthoudt. Ook krijg je door de verhalen die hij vertelt over zijn medewerkers en medeonderzoekers


DOSSIER ZINTUIGEN

een goed beeld van wat al zijn collega’s doen en hoe ze samenwerken. Daarnaast waren het niet alleen verhalen over geweldige mensen, maar ook verhalen over oplichters, dieven en aparte relaties. Dit geeft op een leuke manier weer hoe de sfeer vroeger was en hoe die nu is. De omgang tussen mensen verandert met de tijd mee. De verschillende exemplaren van soorten die je door het hele boek tegen komt zijn erg interessant en dat is nog maar een klein deel van de hele collectie. De uitleg van de soortnaam en de wetenschapper, die hem onderzocht heeft, geeft de soort meer achtergrond. Zoals de Agathidium vaderi, een kleine zwarte kever die door onderzoeker Quentin Wheeler naar Darth Vader uit Star Wars werd vernoemd. Fortey legt op een fijne manier uit hoe taxonomie in elkaar zit,

Universiteit Leiden 

zodat je een indruk krijgt hoe opwindend, maar ook lastig het voor een onderzoeker kan zijn om aan een nieuwe soort een naam te geven. De naam mag niet al gebruikt zijn en moet wel goed aangeven om wat voor soort het gaat. Dit brengt af en toe wel verwarring met zich mee, zo zijn er een paar voorbeelden van planten en dieren met dezelfde naam. Soms worden soorten ook wel vernoemd naar een wetenschapper, een belangrijk persoon of naar de vinder van de nieuwe soort. Fortey brengt met deze manier van schrijven op een leuke en interessante wijze de essentie van het verhaal op de lezer over. Als lezer ga je de objecten in de collectie waarderen en vind je het steeds belangrijker dat de collectie behouden blijft. In het voorlaatste hoofdstuk vertelt Fortey hoe het museum en de collectie de twee wereldoor-

logen heeft overleefd. Op dat moment begin je te beseffen hoe belangrijk je de collectie eigenlijk vindt. De collectie is belangrijk en moet behouden blijven, ook al staat tegenwoordig alles op internet. De collectie is een natuurwetenschappelijk archief, het zijn echt bewaarde objecten en niet zomaar plaatjes op je beeldscherm. In het laatste hoofdstuk wordt beschreven hoe een wetenschapper tegenwoordig te werk gaat. Onderzoekers lijken geen aandacht meer te hebben voor het object, maar alleen voor het DNA van het object. Het is een andere manier van onderzoeken die ook erg goed functioneert, maar de "ouderwetse manier" van naar een voorwerp kijken is en blijft van belang. Met het DNA kan er veel informatie over een soort onthuld

15

worden en zou er zelfs een gedetailleerde reconstructie gemaakt kunnen worden. Echter, dat zal nooit zo echt aanvoelen als het echte exemplaar, dat na al die jaren nog bewaard is gebleven, fossiel, opgezet, op sterk water of gedroogd. Dit boek heeft mijn ogen verder geopend voor hoe belangrijk collectie behoud is. En ik zou zelf er graag aan mee willen werken om een wetenschappelijke collectie uit te bereiden en uit te pluizen. Dit boek heeft voor mij weer op een rijtje gezet wat nou het leuke is aan onderzoek doen en aan de wereld ontdekken. Er zijn nog steeds zoveel mooie objecten verspreid over de wereld die nog gevonden moeten worden. En daar aan kunnen deelnemen, vind ik eigenlijk heel speciaal.

Annabelle de Vries Bachelorstudent Biologie


1 6  ORIGIN # 1

jaargang 10, oktober 2014


DOSSIER ZINTUIGEN

Universiteit Leiden 

Fish-eye Een fish-eye lens vervormt de wer kelijkheid, en laat ons op een nieuwe manier naar de wereld kijken. Auke-Floria n Hiemstra fotografeerde deze klei ne krabbenschaar voor een metershoge klif in Luc-sur-Mer in Normandië.

17


Institute

1 8  ORIGIN # 1

jaargang 10, oktober 2014

The goldilocks problem of synthesizing artificial extracellular matrices: making it ‘just right’ Roxanne Kieltyka

The demand for organs worldwide continues to rise with the global aging population, yet the number of donors continues to stay the same. Currently in the Netherlands, it is estimated that approximately 50% of all patients on the waiting list receive organ donation. However, receiving an organ is only half the battle. Those who do receive one often face difficult transplantation-related medical complications, such as recovery from invasive surgeries, infection, and rejection, among others. On the other hand, a more sobering fact is that the other 50% of patients on this waiting list will be left without.

To address this need, the field of regenerative medicine strives to regain normal organ function through replacing or regenerating failing human tissues. Moreover, it is anticipated that these therapies will have great impact on how chronic diseases associated with the heart and vascular system, inflammation, immune response, neurological conditions and cancer are currently treated in hospitals. A future scenario would involve a patient with a failing organ. The patient would visit the hospital to have cells of a particular type associated with the organ (or not) removed from healthy tissue, cultured and grown ex vivo. Once the desired tissue-engineered product is obtained, the patient would then be treated with this biological substitute. Alternatively, one would equally envision an approach where an injectable material containing the correct biological factors or cells stimulates the homing of specific cell types to the injury site, thus promoting a healing response to occur at the site of injury in vivo. In both cases, the patient’s own cells or native bodily response would be used, therefore overcoming many of the problems commonly associated with organ transplantation. These are only two clinical possibilities, but other future treatment scenarios involving both cells and materials can be envisioned to direct the innate healing response. In order to further guide the development of materials-based therapies, a clear understanding of the biology of

the cell (both inside and out), its native environment, and how the two interface become highly relevant. More specifically, roughly 1/3 of the cell surface is covered in transmembrane proteins resulting in a protein density of approximately 30,000 molecules per square micrometer, in addition to numerous biomolecules that may play important roles in recognition. On the other hand, the 3D environment that cells naturally bind to, known as the natural extracellular matrix, is a very complex chemical environment composed of numerous proteins, glycans, and occasionally minerals, that are arranged in a hierarchical 3D environment to provide both biophysical and biochemical cues to direct cellular behavior. Furthermore, the exact composition of this environment is extremely variable depending on its bodily location. To recreate the natural extracellular matrix exactly is a very daunting, if not impossible task, due to its inherent complexity. However, a more attainable goal may be to prepare a simplified, chemically attainable basis set that elicits the necessary cues. Over the last few decades in biomaterials design, there has been growing awareness and advances in recreating features of the natural cellular environment in a biomaterial. First generation biomaterials, developed in the 1960s and 70s, revolved around industrial materials that merely lacked inflammatory responses, such as Dacron and PMMA (polymethylmethacrylate). The 1980s and 90s marked the


DOSSIER ZINTUIGEN

transition into the second generation of materials that were engineered to have a therapeutic effect through specific bioactive responses at the implant interface in host tissues, such as bioactive glasses and ceramics, hormone delivery devices and drug-eluting stents. This generation also saw the development of resorbable materials that have tunable degradation rates. Major advances in the understanding of cell biology over the last decade, enabled the development of the current third generation materials that are simultaneously resorbable and bioactive. The goal of these third generation materials is to trigger specific cellular responses at the molecular level to guide regeneration and not solely repair. This generation of materials inspired a paradigm shift in the way such materials can be synthesized and used clinically, opening the door for new ideas in early stage intervention and thus, the delay or prevention of organ replacement. Fast forward to the present, this decade is witnessing the rise of the fourth generation of biomaterials based on state-ofthe-art materials that show biomimetic or smart character. These materials can be likened to biological tissues in their capacity to generate hierarchical architectures that mimic the inherent biological complexity, mechanical and dynamic character of the natural extracellular matrix. In this area, supramolecular materials hold much promise for this upcoming round of biomaterials due to their facile conversion of simple biocompatible building blocks

Universiteit Leiden 

into complex, dynamic, 3D-hierarchical architectures based on non-covalent interactions. A seminal example of how these materials can be applied in vivo has been recently demonstrated by the group of Sam Stupp at Northwestern University. They found that when peptide amphiphiles, peptides bearing a hydrophobic alkyl tail that self-assemble into hierarchical materials, are injected within 24 hours at the site of spinal cord injury in mice, glial scar formation is averted and the mice regain partial use of their legs. This impressive application of a supramolecular material in vivo has sparked much interest in the use of these materials for a wide range of biological targets in the regenerative medicine. Although we cannot at the present moment synthesize an artificial extracellular matrix that is identical to the native ECM, we have made significant advances. The last three generations of biomaterials witnessed the development of wide range of bioinert polymers of varied mechanical character, degradability and bioactivity, thus eliminating the need for animal-

19

derived products. Moreover, chemically defined artificial matrices are becoming a reality, with researchers trying to connect these matrices with the appropriate biological application. In our group, we seek to design chemically defined matrices and to contribute to the rise of the fourth generation of biomaterials through the synthesis of novel bioactive supramolecular materials. These materials are composed of organic molecule building blocks or polymers that can be easily synthesized, are bioinert and once introduced to water, self-assemble to form hierarchical 3D macroscale materials. With these materials we aim to answer highly relevant questions to the biomaterials field today, such as: how can one prepare a material with the correct mechanical character and stability? How can one introduce specific bioactivity into such scaffolds? More specifically, should these materials be functionalized with peptides or proteins? Once the specific bioactive groups are selected, what is the correct ratio, and distribution and positioning of such elements within the material? Finally, how will a cell perceive and react to such a material? In striving to answer these fundamental questions, our goal is to arrive to the ideal artificial matrix that is chemically accessible, yet can provide the necessary environment to foster cell growth and development. A longer-term goal for these matrices is to be applied as therapeutic protein-delivery devices or cell carriers to avert end-stage organ failure through promoting regeneration at the injury site in vivo.

Roxanne Kieltyka Assistant professor Supramolecular & Biomaterials Chemistry, Leiden Institute of Chemistry


20  ORIGIN # 1

jaargang 10, oktober 2014

Uit den oud ouden en Do Doosch osch

Een huis in Leiden Toen ik enkele jaren geleden in mijn stamcafé zat te wachten op een vriendin, nam ik een kopie ter hand van de ‘Hart van de StadKrant’, een uitgave van de wijkvereniging aldaar. Gedachteloos bladerde ik door de zwart-witte pagina’s met interessante en minder interessante verhalen, totdat mijn oog viel op een zinsnede over Albert Einstein. Ik wist dat hij wel eens in Leiden was geweest en ongetwijfeld bevriend moest zijn geweest met andere natuurkundige denkers van zijn tijd. En dat Leiden in het begin van de twintigste eeuw al een ontzettend belangrijke plaats vervulde op het gebied van natuurkundig onderzoek. Tot zover reikte mijn kennis. Een korte zoektocht naar aanleiding van het stukje in deze wijkkrant bracht voor mij echter een fantastische geschiedenis aan het licht.

Arnout le Clercq masterstudent geschiedenis aan de Universiteit Leiden (gastredacteur in deze uitgave van Origin)

Net iets ten zuiden van het centrum staat een kasteeltje. Wellicht niet voor iedereen een bekend gezicht, maar bewoners van de studentenflat op de Rijn en Schiekade weten wel waar ik het over heb. Het is een statige villa, met een klein torentje. Ik stel me dan graag voor dat daar boven een kleine bibliotheek is met dichtbundels van Gerrit Achterberg, een ebbenhouten schaakspel, een lederen pornofauteuil en een klein waterpijpje gevuld met hasjiesj. Het zal wel niet. Enfin, de geïnterviewde in de wijkkrant vertelde over zijn jeugd in Leiden en zijn tante die in deze wijk, de Tuinstadwijk, woonde. Als hij bij haar uit logeren ging, speelde hij op straat en zag de kaalgeschoren feuten ronddwalen voor het begin van het collegejaar. Het gerucht ging dat in het kasteeltje op de Jan van Goyenkade studentes woonden die ’s ochtends naakt voor de ramen plachten te staan. Zo zie je maar dat de villa tot de verbeelding spreekt. Achter dit grote gebouw bevond zich een verlaten tuin, de tuin van het huis op de Witte Rozenstraat nummer 57. De geïnterviewde vertelde hoe hij hier speelde en pas jaren later erachter kwam dat dit het huis was van Paul Ehrenfest. Zelf wist ik niet precies wie dat was. Google is je vriend: ‘Paul Ehrenfest (1880-1933) was a Austrian and Dutch theoretical physicist’. Toen ik me Ehrenfesthuis op de Witte Rozenstraat 57


DOSSIER ZINTUIGEN

v.l.n.r. Paul Ehrenfest, Albert Einstein, Harm Kamerlingh Onnes. Aquarel van Marijke Kamerlingh Onnes verder in zijn biografie verdiepte, was ik Einstein eigenlijk al vergeten. Ehrenfest sprak me als historicus aan vanwege zijn diverse achtergrond: geboren in Oostenrijk in een Joodse familie, opgegroeid in Tsjechslowakije. Na de eeuwwisseling reist hij door het Europa van het Interbellum, van aanstelling naar aanstelling. Hij belandde via Göttingen in St. Petersburg, waar hem veel werd misgund vanwege zijn Joodse afkomst en Oostenrijkse paspoort. De zoektocht naar een nieuwe aanstelling aan een Europese universiteit verliep niet heel voorspoedig, totdat in 1912 de positie van Hendrik A. Lorentz vrijkwam als hoogleraar natuurkunde in Leiden en Ehrenfest tot zijn opvolger werd benoemd. Ehrenfest en zijn vrouw, de uit Kiev afkomstige wiskundige Tatjana Afanasjewa, lieten een huis bouwen in de nieuwe Tuinstadwijk in het zuidwesten van Leiden. Tatjana ontwierp het huis in de strakke maar wat sobere stijl van het Russisch laat-classicisme. Rechte hoeken, perfecte verhoudingen en geen frivoliteiten. Een uitstapje naar het stadsarchief vertelt me dat er later tegen haar zin in het interieur een aantal Art Nouveaux-decoraties zijn aangebracht. Op een grijze vrijdagochtend pak ik de fiets en begeef me richting het huis. Ik fiets achter de UB langs en kom door een verdomd mooi stukje Leiden wat ik doorgaans oversla omdat ik niemand ken die er woont. Het huis staat er mooi bij. Mag ook wel, want het staat op de monumentenlijst. Tot de jaren tachtig was het pand in handen van de nazaten van Ehrenfest. Op de gevel bevinden zich twee plakkaten, een voor Ehrenfest zelf en een voor zijn vrouw Tatjana. Ik fiets op mijn terugweg nog langs het kasteeltje en zie tot mijn grote teleurstelling niet eens de geestverschijning van een naakte studente. Wat speelde zich af achter de ramen van de Witte Rozenstraat 57? Het artikel dat ik las in de buurtkrant onthulde daar het een en ander over. De geïnterviewde vertelt dat Einstein regelmatig langskwam en dat er dan ook muziek werd gemaakt. Einstein op viool, Ehrenfest op piano. De jonge Harm Kamerlingh Onnes (neef van de beroemde natuurkundige) was daar ook kind aan huis en speelde cello. Van dit

Universiteit Leiden 

Portret van Albert Einstein door Harm Kamerlingh Onnes

Portret van Paul Ehrenfest door Harm Kamerlingh Onnes

drietal bestaat een aquarel, gemaakt door de zus van Harm, Marijke. Harm was zelf ook een begenadigd schilder en maakte een groot aantal portretten van onder andere Ehrenfest, Einstein en andere natuurkundigen die daar over de vloer kwamen. Ehrenfest had de gewoonte om veel natuurkundigen uit te nodigen voor de colloquia van het dispuut Christiaan Huygens op de woensdagavonden. Veel van zijn gasten kwamen uit het buitenland en mochten vervolgens van zijn gastvrijheid gebruik maken. Zo werd het huis in de jaren tien en twintig een bijenkorf van wetenschap, een plek waar men van gedachten wisselde over tal van vernieuwende theorieën, waaronder de kwantumtheorie. Niet alleen Einstein, maar ook Niels Bohr verbleef hier regelmatig. In de loop der jaren verbleven maar liefst vijftien Nobelprijswinnaars kort of lang op de Witte Rozenstraat en bij wijze van gastenboek lieten zij hun handtekening op de muren van de logeerkamers achter. Ehrenfest hielp Einstein ook met het vergaren van een positie als bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Leiden in 1920; dit terwijl Einstein in 1908 nog was afgewezen voor een promotieplaats aan dezelfde faculteit. De verhalen, foto’s en schilderijen van de taferelen in het huis getuigen van een opgewekte sfeer en intense discussies over de fundamenten van de natuurkunde. Paul Ehrenfest kwam echter tragisch aan zijn eind. Hij werd geplaagd door zware depressies, zodanig dat Einstein zich ernstig zorgen maakte en herhaaldelijk aan de universiteit schreef dat ze zijn werklast moesten verlichten. In september 1933 was Ehrenfest met zijn zoon Vasili, die het syndroom van Down had, in het Vondelpark in Amsterdam. Hij schoot eerst Vasili dood en daarna zichzelf. Een einde in mineur voor iemand die niet alleen zelf heeft bijgedragen aan de natuurwetenschappen, maar ook zijn huis in Leiden openstelde voor andere briljante geesten van zijn tijd en zo ook op die wijze een enorme positieve invloed heeft uitgeoefend op het academische leven in Leiden. Ik zal nog eens aan hem denken als  ik weer langsfiets.

21


2 2  ORIGIN # 1

jaargang 10, oktober 2014

On the origin of Van 2012 tot januari 2016 is in Naturalis de interactieve tentoonstelling ‘Superzintuigen’ te bezoeken. Voor dit nummer heeft de redactie van de Origin ook een bezoekje gebracht aan de tentoonstelling.

Van het proberen te herkennen van vogelgeluiden of proberen temperaturen te schatten; de superzintuigententoonstelling is heel divers. En zo ook onze zintuigen. Je ogen zijn makkelijk voor de gek te houden door streepjes en cirkeltjes die op een bepaalde manier bij elkaar staan, en natuurlijk de bekende tekeningen van Escher. Bij sommige zoogdieren is het visuele zintuig veel minder goed ontwikkeld, of juist veel beter.


DOSSIER ZINTUIGEN

Universiteit Leiden 

23

Superzintuigen Naast de ‘standaard’ vijf zintuigen die wij bij onszelf kennen (ruiken, zien, voelen, horen en proeven) zijn op de tentoonstelling ook andere zintuigen vertegenwoordigd. Er zijn ook dieren die gebruik maken van elektrische, magnetische en thermische zintuigen. Deze originele zintuigen zijn natuurlijk veel leuker om te onderzoeken, zeker als je de standaardtestjes een beetje ontgroeid bent. Je kan nu eens ontdekken hoe goed je bent met echolocatie (vast niet zo goed als een vleermuis op jacht naar een nachtvlinder), en of je misschien talent hebt voor het met infrarood licht vangen van ratten. Omdat deze talenten supernuttig zijn: jullie hebben nog een jaar om langs te gaan bij de Naturalis tentoonstelling Superzintuigen! Veel plezier!


24  ORIGIN # 1

jaargang 10, oktober 2014

Culinaire Chemie met

prof. dr. Carel ten Cate

Carel's Menu

beien G eitenkaas en aard G evulde bonentomatensoep met d salade en stokbroo de Nagerecht: fruitsala

Na een lange treinreis komen wij enigszins vermoeid aan op station Bodegraven. Hier staat prof.dr. Carel ten Cate ons op te wachten. In plaats van de gebruikelijke woning zoeken wij Ten Cate op bij zijn weekendhuisje aan de Reeuwijkse Plassen voor een wel heel comfortabel interview in de 'achtertuin'. Auteur: Linda Poppe Naast zijn functie als wetenschappelijk directeur leidt Ten Cate de onderzoeksgroep Behavioural Biology aan het Instituut Biologie Leiden. Samen met onderzoekers van onder andere het Leiden Instituut voor Brein en Cognitie (LIBC) onderzoekt hij de vocale en cognitieve vermogens van vogels als vergelijkend model om inzicht te krijgen in de ontwikkeling en evolutie van taal. Hiermee slaat hij een brug tussen de biologie en linguĂŻstiek. Wij horen natuurlijk graag meer over dit interessante onderzoeksge-


DOSSIER ZINTUIGEN

Universiteit Leiden 

25

bied. Zeker gezien het gesprek vergezeld wordt door eten dat net zo lekker als fotogeniek is.

Waarom taal?

Wat taal zo'n aantrekkelijk onderwerp maakt, is volgens Ten Cate de evolutionaire achtergrond; waar veel eigenschappen ook bij andere soorten terug te vinden zijn, lijkt taal een vrij uniek verschijnsel. Alleen mensen bezitten taal met complexe regels en structuur - zelfs bij onze verwanten (de primaten) reikt taal niet verder dan een beperkte set niet - geleerde geluidssignalen. Ook het idee dat taal pas zo'n 100.000 jaar oud is, en dus evolutionair gezien vrij abrupt verschenen is, vindt Ten Cate fascinerend. Maar Ten Cate is niet altijd bezig geweest met taal: 'Voordat ik vergelijkend onderzoek naar zang en taal deed, werkte ik uitsluitend aan vogelzang.' zegt Ten Cate. 'Daar kwam verandering in toen ik samen met de Leidse linguist Arie Verhageneen onderzoekssubsidie kreeg van het NWOprogramma Evolutie en Gedrag.' Tijdens dit eerste onderzoek werkten een promovendus en postdoc samen aan de veranderingen van taalpatronen en of deze vergelijkbaar waren met de veranderingen in zangdialecten van Europese vinken.

Voordat ik vergelijkend onderzoek naar zang en taal deed, werkte ik uitsluitend aan vogelzang Gezamenlijk onderzochten ze deze patronen bij geografische dialecten van Europese vinken en bij historische veranderingen in de Duitse en Nederlandse woorden. Het bleek mogelijk om, gebaseerd op een model dat culturele verandering in zang simuleert, ook een model te maken dat taalveranderingen beschrijft. Bijzonder was dat er overeenkomsten te vinden waren; het ene model was deels toepas-

baar op de andere soort. Dit intrigeerde Ten Cate genoeg om er op door te bouwen. Zodoende is vergelijkend onderzoek naar spraakperceptie en taalontwikkeling een centraal thema binnen zijn onderzoeksgroep geworden.

Lettergrepen

Taal is uniek voor mensen. Maar dat de cognitieve vermogens waar taal op gebaseerd is ook uniek voor mensen zijn, wordt steeds meer in twijfel getrokken. 'De harde grenzen tussen mens en dier worden steeds vager. De mens lijkt niet meer zo uniek. Zo komt de manier waarop wij spraakklanken herkennen en onderscheiden sterk overeen met hoe andere zoogdieren en vogels dat doen,' stelt Ten Cate. Hij wijst vogels aan als uitstekende kandidaten voor onderzoek hieraan. De zang van vogels is vaak zeer complex, en wordt geleerd van ouders en andere soortgenoten zoals ook wij taal leren van onze omgeving. Zodoende was het los van menselijke taal al interessant, maar blijven ze ook relevant wanneer blootgesteld aan de menselijke spraakklanken of grammaticale constructies: 'We hebben onderzoek gedaan naar de herkenning van klank-

volgordes, zoals ba-bi-ba of bi-bi-ba. Hoewel dit menselijke spraak betreft, bleken onze zebravinken in staat deze patronen uit elkaar te houden.' De resultaten van het onderzoek van Ten Cate worden vergeleken met de bevindingen van onderzoeken naar de herkenning van lettergreepvolgorde bij mensenbaby's. Deze worden op het moment uitgevoerd in samenwerking met de groep van prof. dr. Claartje Levelt aan hetLIBC. Ook het onderzoek naar baby's kent meerdere insteken: 'Het is bijvoorbeeld interessant wat de voorkeur van baby's voor bepaalde klanken veroorzaakt. Zo herkennen die eerder de spraakklanken


2 6  ORIGIN # 1

die ze vaak horen, maar ook sommige klanken die ze minder horen, maar wel wereldwijd universeel in talen te vinden zijn en waar dus een ongeleerde voorkeur voor lijkt te bestaan. Dat zijn vaak klanken die makkelijker zijn om te maken. Voor het woord 'mama' hoef je bijna alleen je mond open en dicht te doen. Dit hoor je baby's dan ook al spoedig oefenen. Maar bij mensen is lastig te onderzoeken hoe de interactie van ervaring en ongeleerde

Maar kunnen de baby's het verschil in structuur tussen ma-ma-mi of mami-ma al ontdekken? voorkeuren aan spraakontwikkeling bijdragen. Wij hebben daarom bij zebravinken experimenteel onderzocht hoe die interactie er uit zou kunnen zien.’

jaargang 10, oktober 2014

Maar kunnen de baby's het verschil in structuur tussen mama-mi of ma-mi-ma al ontdekken? Onderzoekers in de VS hebben dit laten zien en Levelt en Ten Cate doen bij baby’s en zebravinken onderzoek naar hoe ze dat precies doen. Zebravinken kunnen leren beide structuren te onderscheiden.Ten Cate benadrukt echter dat we hieruit niet kunnen concluderen dat de zebravinken taal kunnen verwerken zoals wij dat doen: 'We moeten uitkijken bij de interpretatie van de resultaten. Hoewel de zebravinken patronen uit elkaar konden houden, konden ze deze truc niet toepassen op nieuwe informatie. Als je een vergelijkbaar patroon maar samengesteld uit onbekende klanken laat horen, weten ze niet wat ze er mee moeten. Laat je deze aan baby's horen, dan weten die wat ze geleerd hebben ook op het nieuwe voorbeeld toe te passen. Het verschil tussen de vogels en de mensen zit dus in het vermogen tot abstractie' Het is echter nog lang niet uitgesloten dat er geen andere soorten in staat zijn tot deze verder gevorderde patroonherkenning. Sterker nog: er lijkt er een gevonden. 'Een van mijn promovendi werkt nu aan parkieten. Deze vogels lijken wél in staat om wat ze bij het ene patroon leren ook op nieuwe geluiden toe te passen.' zegt Ten Cate. De exacte resultaten van dit onderzoek zijn ons voorlopig niet bekend, maar we zijn zeer benieuwd.

De oorsprong van taal

Ook onderzoek aan taalontwikkeling kan in een groter kader geplaatst worden. Zo

is het onder de onderzoekers die zich met de ontwikkeling en evolutie van taal bezig houden nog een groot vraagstuk of we met taal geboren worden of niet. Heeft de mens een ingebouwde taalcomputer, of is het misschien een cultureel fenomeen? Het eerdergenoemde onderzoek duidt aan dat patroonherkenning niet per se iets uniek menselijks is. Maar niet voor alle mechanismen is bekend of andere soorten het kunnen. En hoewel we patroonherkenning ook bij baby's kunnen testen, zijn de opties voor experimentele onderzoeken aan baby’s logischerwijs beperkt. Gelukkig is er genoeg ruimte voor andere projecten, welke volgens Ten Cate overigens nog geen zekerheid hebben kunnen bieden: 'De waarheid zal ergens in het midden liggen,' meldt Ten Cate, 'Er is in ieder geval ondersteuning voor beide hypothesen.' Als voorbeeld van aanwijzingen van genetische aanleg voor taal noemt Ten Cate het bestaan van het FOXP2 gen: 'Het gen, een transcriptiefactor, werd ontdekt in een familie in Engeland waarbinnen een taalontwikkelingsstoornis veelvoorkomend was. Men trof bij het onderzoeken van de oorzaak een afwijking in een van de nucleotides van het DNA aan, wat de


DOSSIER ZINTUIGEN

oorzaak van de stoornis lijkt te zijn.' Na het constateren van het belang van FOXP2 werd ook het DNA van andere soorten aan onderzoek onderworpen. 'Terwijl het gen er bij mensapen en muizen hetzelfde uitzag, bleek de menselijke variant van de rest te verschillen,' zegt Ten Cate hier over, 'Maar daarnaast lijkt het ook bij vogels invloed uit te oefenen. Vogels waarbij experimenteel een ‘knockdown’ van het FOXP2 gen is uitgevoerd in hersenkernen die bij het leren van zang zijn betrokken hebben problemen bij de zangontwikkeling.'

Er werd vroeger verondersteld dat het vogelbrein en mensenbrein een totaal andere structuur hadden. Ook neurologisch hebben vogels meer van mensen weg dan gedacht: 'Er werd vroeger verondersteld dat het vogelbrein en mensenbrein een totaal andere structuur hadden.' zegt prof. Ten Cate. Immers, mensen bezitten een neocortex, die de gecompliceerde functies als waarneming

Universiteit Leiden 

en spraak voor zijn rekening neemt. Deze komt echter enkel bij zoogdieren voor – vogels hebben er geen. 'Neurobiologisch werk heeft hier verandering in gebracht,' meldt Ten Cate: 'Ondanks de oppervlakkige morfologische verschillen blijkt dat een groot deel van de vogelhersenen evolutionair dezelfde oorsprong heeft als de cortex en ook in detailstructuur verassende overeeenkomsten vertoont – een voorbeeld van wat ‘deep homology’ wordt genoemd. Cognitief onderzoek aan vogelgedrag, zoals dat met de zebravinken, laat zien dat ook de werking van zoogdier en vogelhersenen verrassend veel op elkaar lijkt.' Hij verwacht veel van dit soort onderzoek, en geeft toe ook zelf plannen te hebben er mee te werken. Ondertussen zijn wij stiekem verbaasd dat de diertjes in een scanner kunnen.

Het weekendhuisje

De hele avond hebben wij in stilte kunnen genieten van het eten, enkel onderbroken door een loeiende koe in het naburige weiland. Het is te danken aan de locatie: het huisje ligt zo afgelegen als in de regio te vinden zal zijn. 'We waren aan het wandelen hier en zagen de huisjes staan. Het was niet de eerste keer dat we zeiden: “wat zou dat toch mooi zijn om te hebben,” maar die keer stond er eentje te koop.' stelt Ten Cate. Ook zijn vrouw was verkocht: 'Het huisje is gebouwd in de jaren zestig, en er is daarna nauwelijks meer iets aan gebeurd. Sommige dingen zijn zo ouderwets dat ze wel weer charmant zijn.' zegt ze. Als voorbeeld wijst ze de

27

tafel aan: het driepotige gele tafeltje stamt uit de tijd dat het huisje geel was. We zijn het er allen over eens dat groen het gebouwtje toch beter staat. Als gevolg van de ouderdom is het huisje niet meer in top conditie: 'We willen er nog een keer een nieuw huisje neer zetten, maar het is lastig om hier te komen.' Het grote voordeel van de locatie blijkt inderdaad ook een nadeel; het is tien minuten lopen naar de dichtstbijzijnde weg. Af- en aanvoer geschiedt in de regio nog met de boot of boerenkar. Na een laatste kop koffie en chocolade genieten we nog even van een wandeling voor we de treinwerkzaamheden weer moeten trotseren. Uitgeruster dan we aankwamen nemen wij afscheid van prof.dr. Ten Cate. We bedanken hem voor de hartelijke ontvangst en natuurlijk het heerlijke eten.


2 8  ORIGIN # 1

Mystery object Many objects that were once common are nowadays obsolete and hardly seen anymore. Other objects are obscure, used for a very specific purpose, and therefore unknown to most. The Boerhaave Museum in Leiden is the Dutch National Museum for the History of Science and Medicine, and has a large collection of curious instruments. Some of the items in the collections appear mysterious to us in this day and age. In each edition of Origin Magazine, we show you one of these ‘mystery objects’. Do you know what object is shown on the picture? Don't hesitate to send an email to originredactie@gmail.com. The best answer receives a mystery prize!

jaargang 10, oktober 2014

Mystery object ? Sometimes you see an object and have no idea what it is. In Leiden we're fortunate enough to have a museum full of them! Help us in our quest to identify some of the mysterious objects found in Museum Boerhaave. Do you know what object is shown on the picture? Don't hesitate to send an email to originredactie@gmail.com. The best answer receives a mystery prize!


DOSSIER ZINTUIGEN

Universiteit Leiden 

Brein in Brand Door Rebecca van Rijn Wanneer je de achterkant van dit boek leest, lijkt het meer op een fictief drama dan op een waar gebeurd verhaal, maar niets is minder waar. Van gezonde, jonge vrouw, naar aan verpleegsters overgeleverde patiënte en weer terug naar gezonde journalist. De kans dat dit soort dingen je overkomen, is erg klein (er waren maar ongeveer 200 patiënten tot dan toe gediagnosticeerd) en de wetenschap erover was ook nog maar beperkt, maar Cahalan heeft als een journalist in hart en nieren alle bronnen nagetrokken, iedereen geïnterviewd en zo het verhaal begrijpend en aantrekkelijk op papier gezet. Het boek begint met de kleinste signalen, die voor de omgeving van de 24-jarige Susannah alleen maar lijken op overspannenheid, mogelijk veroorzaakt door haar drukke baan bij de New York Post. De eerste symptomen zijn onder andere vergeetachtigheid en paranoia, daarna wordt het heftiger: ze begint aanvallen te krijgen die lijken op epileptische aanvallen en verbeeldt zich dat haar vader haar stiefmoeder vermoordt. Inmiddels begint haar directe omgeving zich enorme zorgen te maken, dus dit is het begin van het medische circus. Door alle anekdotes over huilbuien op de redactie (van iemand die eigenlijk nooit huilt) en hallucinaties (caissières die lijken te fluisteren dat iedereen tegen Susannah is) krijg je ontzettende medelijden met haar. Ook begin je op dat moment af te vragen wat dit in hemelsnaam veroorzaakt. Omdat Susannahs geheugen haar op veel momenten in deze periode in de steek heeft gelaten, is het grootste deel van het verhaal gebaseerd op haar eigen dagboekfragmenten, die van haar vader en de aantekeningen van de verschillende dokters. Ook heeft Cahalan gebruik gemaakt van de filmfragmenten die gemaakt zijn met de EEGs. Ondanks de losse flarden die ze

had om een verhaal van te schrijven, is ze er goed in geslaagd om er een duidelijk en goed te volgen verhaal van te maken. Ook alle ingewikkelde, medische termen van de dokters zijn op heldere manier in het verhaal verwerkt, waarschijnlijk op de manier zoals de dokters haar ouders de auto-immuunziekte en andere (incorrecte) diagnoses hebben uitgelegd. Hoe heftig het ziekteverloop ook is, wat ik het sterkste vind aan dit boek, is de hoeveelheid aandacht die het revalidatieproces krijgt. Als Susannah uit het ziekenhuis is ontslagen, heeft ze ongeveer het vermogen van een verstandelijk beperkte. Dit komt vooral omdat Susannah niet in staat is om wat er in haar hoofd gebeurt, goed naar de buitenwereld te communiceren. Op barbecues en bruiloften zorgt dit voor vervelende situaties, omdat ze op een heel ander niveau communiceert dan ze deed voor haar ziekte. Dit maakt haar onzeker en de manier waarop Susannah dit aan de lezer overbrengt is bewonderenswaardig. ‘Brein in brand’ is heel vlot geschreven en zeker als Susannah eenmaal in het ziekenhuis is beland, wil je het boek in één zucht uitlezen. Dit boek is een echte aanrader en zeker als je geïnteresseerd bent in geneeskunde. Dit boek wordt de ‘Surprise-bestseller uit de Verenigde Staten’ genoemd; ik kan het hier alleen maar mee eens zijn! veel leesplezier!

Wat ik het sterkste vind aan dit boek, is de hoeveelheid aandacht die het revalidatieproces krijgt.

29

Recensic Auteur

Susannah Cahalan Over de auteur: Al op de kleuterschool wist Susannah Cahalan dat ze schrijfster wilde worden. Met een duidelijke voorliefde voor kranten greep ze de kans op een stageplek bij New York Post meteen aan.. Ze begon daar als ‘copy kid’, maar inmiddels heeft ze al heel wat artikelen in haar archief. In 2009 kwam het artikel ‘My Mysterious Lost Month of Madness’ uit, waar dit boek op gebaseerd is.

Omslag

Origin Suggests: ‘Why Zebra Don’t Get Ulcers’ by Robert M. Sapolsky

Recente besprekingen


COLUMN

30  ORIGIN # 1

jaargang 10, oktober 2014

Becoming Iceman Meet Wim Hof, a self-styled superman with the ability to control his immune system and tolerate extraordinary cold. Unique? He does not think so, claiming that anyone can boost his body by following his methods. Most know him as "Iceman". Wim Hof, aged 55, earned his heroic name by performing some unusual feats. He climbed the Mount Everest up to a freezing 7400 meters, ran a chilly marathon in arctic Finland and swam 70 meters under the ice in the frigid waters of the North Pole. All dressed in nothing but his shorts and sandals. How does he accomplish this? Simply by combining special breathing techniques with exposure to cold. “Something anyone is capable of” according to Wim.

cal team examined whether humans are capable of willingly influencing their sympathetic nervous system and immune response. Twelve of the 24 random individuals were trained by Wim Hof before the intervention. All were then injected with endotoxin, a strong elicitor of the immune response. To the great surprise of the researchers, flulike symptoms were reduced in the group trained by Wim. This demonstrates that the training made it possible to voluntarily activate the sympathetic nervous system resulting in a suppression of the innate immune response. In other words, they had learned how to influence their immune response.

‘The training made it possible to voluntarily activate the sympathetic nervous system’

Some think Wim owes his exceptional abilities to his enormous willpower. But it is not through discipline that he is able to cope with the cold. Instead of pushing his body to its limits in a case of mind over matter, Wim established a more intimate connection through the use of “tummo”, an ancient yoga practice first developed in Tibet. One of the effects of his practices, Wim says, is that he can “consciously influence his immune system”, something nobody has ever thought possible. Naturally there is a lot of skepticism around the "Iceman" phenomenon. Some even accuse Wim of being a charlatan profiting from his "circus acts". That is why Wim has turned to Science, hoping his claims could be corroborated. The Radboud Medical Center in Nijmegen answered his call. Its mediThe "Iceman" in action during a TED meeting in Amsterdam. "Wim Hof / The Iceman" by Marco Derksen is licensed under CC BY NC 2.0

The great thing about Wim's methods is their simplicity. Although the road to becoming an iceman or icewoman requires discipline, it is certainly not impossible. Taking a cold shower after you have finished your regular cleanup is a good way to start. Then, gradually build up your resistance to cold by swapping warm showers for cold ones. If you insist on going all the way to proper icemanship, doing power breaths, body scans and tummo exercises are all part of the package. It may not be extremely pleasant, but you will certainly cut down on your heating costs during winter, making the Iceman phenomenon environmentally friendly as well. Auteur: Dylan van Gerven



References: Kox, M., van Eijk, L. T., Zwaag, J., van den Wildenberg, J., Sweep, F. C. G. J., van der Hoeven, J. G., et al. (2014). Voluntary activation of the sympathetic nervous system and attenuation of the innate immune response in humans. Proceedings of the National Academy of Sciences. Kozhevnikov, M., Elliott, J., Shephard, J., & Gramann, K. (2013). Neurocognitive and Somatic Components of Temperature Increases during g-Tummo Meditation: Legend and Reality. [doi:10.1371/journal.pone.0058244]. PLoS ONE, 8(3), e58244. NTR Academie. (2014). Wim Hof alias The Iceman. NTR.


DOSSIER ZINTUIGEN

Universiteit Leiden 

AGENDA Vrijdag 31 oktober 2014

Physics Ladies’ Day Deze dag is speciaal voor de vrouwelijke studiekiezers. Je bent te gast bij de opleiding Natuurkunde en krijgt daarbij uitgebreid de kans om te praten met onze studentes Natuurkunde en in het laboratorium aan de slag te gaan. Meer informatie zal worden geplaatst op studereninleiden. nl/natuurkunde. Zaterdag 8 november 2014

Universitaire Open Dag Bacheloropleidingen Maak kennis met alle bachelor opleidingen van de Universiteit Leiden in en om de Pieterskerk. Meer informatie op opendageninleiden.nl. Vrijdag 28 november 2014

Proefstuderen

Geïnteresseerd in onze opleidingen? Schrijf je dan in voor het proefstuderen: www.proefstuderen.leidenuniv.nl. Je bent een dagdeel te gast bij de opleiding en gaat actief aan het onderwijs deelnemen in de vorm van een hoor- en/of werkcollege. Zo kun je voor jezelf vaststellen of je voorlopige studiekeuze wel de juiste is. Elke dinsdag

VOLGEND NUMMER

This Week’s Discoveries Korte presentaties van onze eigen onderzoekers over hun recente ontdekkingen (12h30 - 13h15), gevold door een gezamelijke lunch (13h15 - 13h45). Locatie: De Sitterzaal, Oortgebouw.

Tijd: een mysterieus onderwerp, dat tegelijkertijd zo alledaags is. Deze vierde dimensie onderscheidt zich van de rest doordat je je er niet vrij in kunt bewegen; we kunnen alleen vooruit. De volgende Origin staat helemaal in het teken van tijd en alles daaromheen.

Elke donderdag

Science Club borrel Verschillende verenigingen of onderzoeksafdelingen staan achter de bar om vanaf 16h00 een drankje met elkaar te drinken. Van harte aanbevolen!

COLOFON Oplage 5.700 Redactieadres Origin Magazine Einsteinweg 55 2333 CC Leiden originredactie@gmail.com www.originmagazine.nl 071 527 4538

Aan deze Origin werkten mee Eva Voogd Annabelle de Vries Auke-Florian Hiemstra Roxanne Kieltyka Arnout le Clercq Redactie eindredactie

Anne Hommelberg hoofdredactie

Marieke Vinkenoog

redactie Rembrandt Donkersloot, Jessica Elferink, Annette Emerenciana, Dylan van Gerven, Linda Poppe, Rebecca van Rijn, Marieke Vinkenoog, Joris Voorn, Rob van Wijk, Wouter van Dijke.

ISSN 2352-0051

Productie Drukkerij De Bink Ontwerp en vormgeving Balyon, Zoeterwoude Origin en al haar inhoud © Faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen, Universiteit Leiden. Alle rechten voorbehouden.

31


Proef st 28 no uderen op v embe

r 201

www.opendageninleiden.nl/wiskunde-ennatuurwetenschappen/

Bij ons leer je de wereld kennen

4!

20142015 origin#1  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you