2
Je krijgt makkelijker een bloedneus op een hoge berg.
IN
N
Over- en onderdruk
D
VA
OPDRACHT 19
Bestudeer de drie afbeeldingen.
H/L
2
H/L
3
aa r©
1
H/L
H/L
Waar is er een hoge druk (H) en waar een lage druk (L)? Duid aan.
2
Teken met een pijl hoe de deeltjes bewegen.
3
Hoe ontstaat er stroming?
ex em
pl
1
H/L
H/L
in
ki
jk
In het luchtledige of vacuüm zijn er geen gasdeeltjes. De druk is nul. Zodra er deeltjes zijn en T > 0 K, ontstaat er een gasdruk.
Absolute druk is gemeten ten opzichte van het absolute luchtledige. De normdruk (p0 = 1 013 hPa) is een absolute druk.
Relatieve druk is de gasdruk in vergelijking met een andere gasdruk. • •
overdruk: De gasdruk is groter dan de druk in de omgeving.
De relatieve druk is positief.
onderdruk: De gasdruk is kleiner dan de druk in de omgeving.
De relatieve druk is negatief.
Vaak wordt de druk vergeleken met de normdruk. Als er een over- of
onderdruk is in een systeem en de verbinding open is, ontstaat er stroming. THEMA 03
HOOFDSTUK 1
211