Menyala - De buitengewone geschiedenis van de Molukkers in Drenthe

Page 1

De buitengewone geschiedenis

van de Molukkers in Drenthe

Gloria Lappya Verrijk

Molukse wijken verrijken het Drentse landschap waar vliegers zweven boven het circuit en treinen hebben stilgestaan waar de tijd soms nog steeds stilstaat maar tegelijkertijd rekbaar is waar de vraag soms blijft zweven wat een Molukker nou eigenlijk is

de Molukse identiteit valt niet te identificeren we zijn allemaal anders maar van anders kan je leren de één zal eeuwig zijn grootouders eren terwijl de ander zich losrukt om in andere gemeenschappen te verkeren

niets is verkeerd

zolang je je eigen pad volgt je eigen grenzen respecteert dus laat je niet kennen wees jezelf want hoe je het ook wendt of keert alles wat jij doet zal ik voelen alles wat zij hebben gedaan raakt ook mij alles wat ik nu zeg zal bij mijn nakomelingen terechtkomen dus wees je bewust van de kracht van je daden gebruik je kracht voor de strijd

we zijn het niet altijd met elkaar eens maar in goede en slechte tijden vinden we rust in ons samenzijn we zijn verschillend komen van verschillende dorpen en kampen onze basis sterkt onze banden we zijn misschien geen eenheid maar we zijn wel een geheel

onze verschillen verrijken de wijken en de heiden de kanalen en de stranden de eiken en de palmen wij verrijken samen

het Drentse landschap

Vick Tupan en Jenny Kersten met hun zoon Harry in Hoogeveen, 1959. Team van FC Tunas uit Hoogeveen in het opvallende witte tenue.

VOORWO

De witte shirts van FC Tunas

algemeen directeur Harry Tupan

De Zuiderweg vormde de grens tussen de straat waar wij woonden en de Molukse wijk. Die wijk in Hoogeveen werd in de jaren zestig van de vorige eeuw steevast het ‘Ambonezenkamp’ genoemd, waarschijnlijk omdat de Molukkers eerder in kampen woonden. Veel kinderen uit de Molukse wijk gingen naar de hervormde school in Hoogeveen. Maar er waren er ook die naar de openbare lagere school gingen, net zoals ik. Ik herinner mij nog goed hoe verzorgd mijn klasgenootjes uit de wijk eruitzagen en wat voor prachtige kleren ze droegen. En wat konden die jongens voetballen! Hun vaders en oudere broers speelden voor de Molukse voetbalclub uit Hoogeveen, FC Tunas. Hun outfit was smetteloos wit en maakte een onuitwisbare indruk op mij.

Een andere herinnering aan de Molukse gemeenschap dateert van een kleine tien jaar later. Ik liep op dat moment stage in het Drents Museum. Op maandag 13 maart 1978 moest ik naar Amsterdam om een pakketje bij onze vormgever af te leveren. Toen ik 's middags weer in Assen terugkwam en het treinstation uitliep, zag ik tot mijn verbazing een auto rondrijden met het logo van het tijdschrift Panorama erop. Wat zou die nou in Assen doen, vroeg ik mij nog af. Dat werd al snel duidelijk toen ik even later voor de dichte deur van ons museum stond. Het provinciehuis bleek bezet te zijn door een aantal jonge Molukkers en alle provinciale gebouwen waren gesloten, zo ook het museum.

De Molukse acties hadden een enorme impact in Drenthe. Niet alleen omdat ze in Drenthe plaatsvonden, maar ook omdat het vooral jonge Drentse Molukkers waren die de acties uitvoerden. Inmiddels hebben de geschiedenis van de woonoorden, de verhuizing naar de Molukse wijken en de acties in de jaren zeventig een plek gekregen in het collectieve geheugen van Drenthe. En daarmee is deze geschiedenis ook onlosmakelijk verbonden met het Drents Museum.

In 1996 maakten fotoverzamelaar Otis Polnaya en conservator Peter Schonewille de fototentoonstelling Kamp Schattenberg; Een Moluks verhaal in foto's, waarbij een boek met

dezelfde titel verscheen. Dit succesvolle project bracht destijds veel Molukkers naar het museum. In de tentoonstelling haalden de bezoekers herinneringen op aan goede en slechte tijden in het kamp. Na meer dan vijfentwintig jaar is er dan eindelijk een overzichtstentoonstelling: Menyala –De buitengewone geschiedenis van de Molukkers in Drenthe.

Vanaf 1950 staan er in de Provinciale Drentsche en Asser Courant regelmatig berichten over het lot van zo’n vierduizend Molukse beroepsmilitairen in Indonesië. Ze vochten tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog (1945-1949) aan de kant van Nederland. Na de oorlog verblijven de militairen met hun gezinnen in vijf kazernes op Java. Hun toekomst is onzeker. Gaan ze over naar het Indonesische leger, zwaaien ze af op Indonesisch grondgebied of vertrekken ze naar de pas uitgeroepen Republiek der Zuid-Molukken?

Het antwoord staat op 19 februari 1951 in de krant: ‘Ambonezen krijgen bevel zich in te schepen.’ Wie nog niet is afgezwaaid of overgestapt naar de Indonesische krijgsmacht, gaat naar Nederland. Een week later bevestigt de krant het gerucht dat onder andere woonoord Schattenberg bij Hooghalen wordt ontruimd om plek te bieden aan Molukkers. Op 22 maart arriveren de eerste Molukkers in Drenthe. Vrijwel iedereen denkt dan nog dat het verblijf tijdelijk zal zijn. De Nederlandse regering verwacht dat de Molukkers wel terug zullen gaan naar Indonesië zodra de situatie daar enigszins is gestabiliseerd, zelf hopen de meeste Molukkers terug te keren naar een vrije Republiek der Zuid-Molukken. Het loopt uiteindelijk allemaal anders.

Dit boek beschrijft de geschiedenis van de Molukkers in Drenthe en volgt inhoudelijk de lijn van de tentoonstelling. Vijf auteurs met heel verschillende achtergronden gaan dieper in op de thema's die in de tentoonstelling aan de orde komen: oorsprong, samen, integratie, idealen en identiteit. Tussen de artikelen door vind je interviews van journalist Victor Joseph met de zeven leden van de werkgroep

ORD

Menyala, die de gelijknamige tentoonstelling samen met de medewerkers van het Drents Museum hebben bedacht en gemaakt. Het boek begint en eindigt met een gedicht van de jonge, talentvolle Molukse spoken word artist Gloria Lappya uit Bovensmilde. Het boek is rijk geïllustreerd met meer en minder bekend beeldmateriaal uit de collecties van het Drents Archief, het Drents Museum, Herinneringscentrum Kamp Westerbork, Museum Maluku en uit verschillende particuliere collecties.

Als het gaat om de geschiedenis van de Molukkers in Drenthe zijn er tot nu toe eigenlijk alleen publicaties verschenen over deelonderwerpen. Dat is opmerkelijk. Want een kwart van de Molukkers kwam in Drenthe terecht, bij Hooghalen lag een van de twee grootste Molukse woonoorden van Nederland, de meest spraakmakende Molukse acties vonden plaats in Drenthe (en werden uitgevoerd door jonge Drentse Molukkers) en de grootste Molukse wijken van Nederland zijn nog altijd te vinden in deze provincie. Genoeg te vertellen dus. En wie de geschiedenis van de Molukkers in Drenthe nader bekijkt, komt al snel tot de conclusie dat er nog heel veel onderwerpen onderbelicht zijn gebleven.

In dit boek bekijken de auteurs de Molukse geschiedenis vanuit een aantal interessante, nieuwe gezichtspunten. Zo blijkt uit het artikel van historicus Jan van Zijverden dat de band tussen Drenthe en de Molukkers al van ver voor 1951 dateert. Zo waren er in de 18de eeuw al vele tientallen Hoogeveners die als soldaat dienstnamen bij de VOC. En in Drenthe volgde men de verrichtingen van ons koloniale leger op de voet. In het artikel over Han Kainama door geograaf Anis de Fretes, maak je kennis met de bijzondere maar tot nu toe vrijwel onbekende levensgeschiedenis van Han Kainama, de eerste Molukker in Drenthe. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte hij als arts in het Wilhelmina-ziekenhuis in Assen, na afloop van de oorlog keerde hij op voorspraak van prins Bernhard als KNIL-militair via Londen en Australië terug naar Ambon, om vervolgens nauw betrokken te raken bij het uitroepen van de Republik Maluku Selatan en een leidende rol te spelen binnen de Molukse gemeenschap in Nederland. In zijn artikel over de zeven Drentse woonoorden laat De Fretes de lezer niet alleen kennismaken met kamp Schattenberg, maar ook met de zes andere woonoorden die elk een compleet eigen karakter hadden. Interessant is dat het een komen en gaan was van mensen, waardoor je gaat twijfelen of er wel zoiets bestaat als een Drentse Molukker. In het artikel over de Molukse acties zoomt politicoloog Peter Bootsma in op de gijzeling van de kinderen in de openbare school in Bovensmilde. Deze spraakmakende actie staat vaak in de schaduw van de treinkaping bij De Punt, maar had een enorme impact op het Drentse dorp. Conservator Guido Abuys

van Herinneringscentrum Kamp Westerbork laat in zijn artikel zien hoe de Molukkers al snel integreerden, terwijl dit zowel van Nederlandse als Molukse kant aanvankelijk helemaal niet de bedoeling was. En tenslotte gaat cultureel antropologe Rachelle Houtman dieper in op de dynamische ontwikkeling van de Molukse identiteit. Omdat sommige Molukse families inmiddels meer dan zeventig jaar in Drenthe wonen, waagt de auteur zich zelfs aan een korte bespiegeling over mogelijk specifieke karaktereigenschappen van de Drentse Molukker. De bijzondere grafische vormgeving van Jan Timorason zorgt ervoor dat het begrip Menyala – dat schitteren, glanzen of schijnen betekent – een heel eigen betekenis krijgt.

Veel dank bij dit project geldt Lilian Eefting, Anis de Fretes, Reïnda Hully, Herman Keppy, Stefanie Klerks, Jan Timorason, Winnie Urban, Marloes Waanders en de collega’s van Museum Maluku. Een speciaal woord van dank geldt onze conservator geschiedenis Jan van Zijverden, die met nimmer aflatende inspanning en met grote kennis en inzicht dit project maakte tot wat het is. Ook de werkgroep Menyala, waarmee ons museum voor het eerst in zijn historie een tentoonstelling in co-creatie maakte, geldt veel dank. Onder de bezielende leiding van medewerker publieksparticipatie en naoberschap Jonathan van der Meulen leverde de werkgroep een formidabele en onmisbare bijdrage aan de tentoonstelling.

Ik hoop dat het boek en de tentoonstelling een aanzet vormen tot veel meer onderzoek naar en gesprekken over de bijzondere geschiedenis van de Molukkers in Drenthe.

Menyelami sejarah!

Voorwoord | 6
Inhoudsopgave | 7 2 Verrijk Gloria Lappya 4 De witte shirts van FC Tunas Voorwoord Harry Tupan 116 Mena Muria! Over idealen en acties Peter Bootsma 112 Matheus Pattinasarany Portret Victor Joseph 130 Alycia Schiphof Portret Victor Joseph 150 Zoë Nunumete Portret Victor Joseph 154 Paars Gloria Lappya 156 + Noten Fotoverantwoording Meer lezen? Colofon 8 Miguell Kaidel Portret Victor Joseph 12Een reis door de geschiedenis Achtergronden bij de komst van de Molukkers naar Drenthe Jan van Zijverden 30 Rachelle Houtman Portret Victor Joseph 50 Merantau Zeven Molukse dorpen in Drenthe Anis de Fretes 96Papeda en patat met mayonaise Molukkers in Drenthe Guido Abuys 92 Demi Terinathe Portret Victor Joseph 34 De eerste Molukker in Drenthe Kolonel-arts Han Kainama Anis de Fretes 46 Gloria Lappya Portret Victor Joseph 134 Wel in ’t bootie zit, möt varen De dynamiek van de Molukse identiteit Rachelle Houtman

Zelfstandig

een mening vormen op grond van wat je ziet en hoort.

Miguell Kaidel

Rustig en introvert, zo ziet dj Miguell Kaidel zichzelf. Samenwerken hoort erbij, ‘maar zelfstandig mijn eigen ding doen ligt me meer.’ De in Assen geboren en getogen Miguell (26) woont nu bijna vijf jaar in Amsterdam. Op 22-jarige leeftijd verhuisde hij naar de hoofdstad. Hij noemt het een van zijn beste beslissingen: ‘In Assen had ik alles. Mijn familie, mijn vrienden. Ik zat op de basisschool met Molukse kinderen. Vanuit mijn slaapkamer keek ik uit op het gebouw van stichting Pattimura. Maar eenmaal in Amsterdam, uit mijn comfortzone, ging een wereld voor me open. Nieuwe ervaringen met nieuwe inzichten.’ In the big city nam hij wel het advies van zijn ouders ter harte: ‘Wat je ook doet, blijf jezelf en bij jezelf. Wees zelfstandig en neem je eigen beslissingen.’

Zijn moeder is een Kaidel van het eiland Aru in de ZuidoostMolukken. Ze is half Nederlands. De vader van Miguell is een Muskita uit het dorp Naku op Ambon. Zijn oma van vaderskant is een Haurissa uit het dorp Nalahia op het eiland Nusalaut. Miguell draagt de naam van zijn moeder, omdat zijn ouders niet getrouwd zijn. ‘Wel gebruik ik op mijn socials een extra M van Muskita waar dat kan.’

Twee keer in de maand doet hij Assen aan om zijn familie en vrienden op te zoeken. Hier zette hij zijn eerste stappen in de wereld van de dj’s. ‘Assen was het epicentrum voor dj’s in Drenthe. Ik heb de provincie platgespeeld.’ Als hij op zijn carrière als dj terugkijkt, vertelt hij over de feesten van mensen afkomstig van het eiland Aru waar hij als zevenjarig jochie drumsolo’s speelde. Daar werd de basis gelegd. ‘Van mijn ouders moesten we – ik en mijn twee zusjes – een instrument kiezen.

Maar op mijn veertiende was ik wel klaar met drummen, jaren later lonkte de draaitafel. Eigenlijk delen de draaitafel en drummen dezelfde basis: ritme. De draaitafel als percussie-instrument. Mijn drumsolo’s als het begin van het dj’en.’ De samenwerking met dj’s in Drenthe ervoer hij als hartelijk en vriendschappelijk. ‘Wanneer we elkaar zien, zijn we collega’s. In Amsterdam is dat heel anders, daar zijn dj’s concurrenten van elkaar. Dat misgunnen en de valse openheid in Amsterdam, daar moest ik in het begin enorm aan wennen.’ In 2018 won hij de FUNX DJ Battle in Rotterdam. Dat bracht zijn carrière in een stroomversnelling. Meer dan vier jaar werkt hij nu voor de radiozender NPO FunX. Elke werkdag om negen uur is zijn ochtendshow ‘Get started met Miguell Kaidel’ te beluisteren. Miguell draait op grote festivals en in clubs door heel Nederland. Internationaal draaide hij onder meer in Suriname, Dubai, Mallorca en Indonesië. Hij heeft zelfs op Aru gedraaid, dat was op het Pesona Aru Festival. ‘Daar ging ik scholen langs. Dat was zo intens, zo mooi. De dag werd afgesloten met danspasjes. Het is zeker voor herhaling vatbaar.’ Verder werkte hij als redacteur bij NU.nl en als content creator bij het Museum Maluku in Den Haag. Op dit moment werkt hij op de redactieburelen van de NPO in Hilversum. Zijn ambities als dj reiken ver: ‘Wanneer ze me vragen waar mijn grenzen liggen? Dan zeg ik: geen idee. Want dat maakt de toekomst juist interessant, uitdagend. De toekomst als een plek zonder beperkingen.’

Victor Joseph

Na het behalen van zijn havodiploma maakte hij samen met zijn neef plannen om naar Maluku te gaan. In 2016 was zijn eerste keer, hij zocht familie van vaders- en moederskant op. ‘Ik bezocht de Molukken eerder dan mijn eigen opa Noké Kaidel, die de eilanden zelf nog nooit had bezocht. Het was trouwens ook de eerste keer dat ik ging vliegen.’

Hij zag zowel de witte stranden als het open riool op de Molukken. ‘Ik ben niet iemand die de Molukken wil romantiseren. Je moet wat je ziet in de juiste context en tijdsperiode plaatsen. Hoe vaker ik daarnaartoe ging, hoe beter ik het land leerde begrijpen. Bijvoorbeeld dat het politieke ideaal niet zo aanwezig is zoals je dat in Nederland ervaart. Die ontwikkelingen ben ik ook kritischer gaan bekijken. Zelfstandig een mening vormen op grond van wat je ziet en hoort.’

Om zijn Drentse roots te duiden, maakt hij even een uitstapje naar Amsterdam. Bij een autorit met Amsterdamse vrienden naar Duitsland was hij de enige die de auto instapte met een broodje kaas. ‘Ik word hier regelmatig op aangesproken. Ze moeten er soms om lachen. Maar voor mij is het basic. Dat is mijn Drentse nuchterheid. Waarom van die dure broodjes meenemen of kopen wanneer het ook eerlijk en simpel kan?’ Over een andere ervaring uit zijn beginperiode in Amsterdam vertelt hij: ‘Een vrouw die ik pas vijf minuten kende, begon met “Hé, schat”. Je moet niet overdrijven, denk ik dan.’

Bij het zoeken naar de objecten voor de tentoonstelling houdt Miguell rekening met de inrichting: ‘Ik maak graag gebruik van de ruimte. Spandoeken, een kruis en vliegers passen goed bij de opzet.’ Verder spelen bij deze keuzes zijn beide opa’s, opa Noké Kaidel en opa Johannes Muskita, een rol. Zo bleek er nog een koffer met vechtvliegers van opa Noké Kaidel te zijn. In de jaren tachtig was er zelfs een eenmalige happening met vliegers op het TT-circuit in Assen. ‘Hoe Drents is het om als Molukker te vliegeren op het TT-circuit!’

Opa Noké staat ook op een foto van de lichting van pakweg vijftig jongeren die in 1970 belijdenis deed in de kerk van Assen. ‘Het gaat niet alleen om opa en zijn lichting, maar ook om het kruis en het spandoek op de achtergrond. Wat er precies op het spandoek staat is onleesbaar, maar duidelijk is dat het spandoek een politieke boodschap uitdraagt. Het spandoek werd volgens de overlevering ook meegenomen tijdens RMS-demonstraties. Geloof en politiek gingen hand in hand, dat was typisch voor die tijd.’ Miguell benadrukt dat deze protesten op een vreedzame manier de RMS-strijd onder de aandacht brachten: ‘Dit was lang voordat de treinkapingen plaatsvonden.

Hoeveel keren hebben opa’s en oma’s petities overhandigd in Den Haag? Die kant wil ik ook laten zien.’

Van opa Johannes Muskita vond hij de reisdocumenten uit september 1962. De familie Muskita kwam in dat jaar vanuit Nieuw-Guinea naar Nederland. ‘In 2022 was het zestig jaar geleden dat die groep Molukkers in Nederland arriveerde. Ze woonden daar onder meer in de plaatsen Biak, Sorong, Merauke en Hollandia. De Molukse gemeenschap uit het voormalig Nederlands Nieuw-Guinea vormde een vrij hechte gemeenschap, maar het is een onderbelicht deel van de geschiedenis van Molukkers in Nederland. Hun geschiedenis is anders, maar maakt wel degelijk deel uit van de komst van Molukkers naar Nederland.’

Van de eerste generatie leerde hij hoe belangrijk de connectie is met familie en met de Molukse gemeenschap in het algemeen. Dit geldt zowel in Nederland als op de Molukken. Hij ziet een interessante ontwikkeling bij jonge Drentse Molukkers: ‘Mensen van mijn generatie weten elkaar te vinden. Iets waar de eerste generatie trots op kan zijn. Die generatie heeft gestreden voor de kansen die wij met beide handen aan moeten grijpen. Dat is mijn boodschap aan de nieuwe generatie: pak je kansen. Dat is een van de mooiste manieren om de vorige generaties te eren. Ervoor zorgen dat de pijn die zij hebben gevoeld niet voor niets is geweest. Laat je talenten zien aan de wereld.’

PORTRET
PORTRET Miguell Kaidel | 10 Miguell samen met zijn opa Noké Kaidel, 2000. Opa Noké Kaidel poseert samen met Miguell voor een foto waarop het stuk land te zien is dat de familie Kaidel bezit op de Aru-eilanden, 2022. Foto Elizar Veerman.

PORTRET

Een bijzondere kleurenfoto waarop de vele tientallen jongeren te zien zijn die in 1970 sidi (belijdenis) doen in de Rehoboth-kerk. Op de achtergrond hangt een politiek spandoek.

Kist met vechtvliegers van Noké Kaidel. De paradijsvogel op de koffer is hét symbool van Aru, omdat deze vogel op de Molukken alleen op Aru voorkomt.

De reisdocumenten van Johannes Muskita, die in 1962 met het vliegtuig vanuit Nieuw-Guinea naar Nederland komt. Het gezin van Noké Kaidel (links) en Hennie Bleijleven (rechts), 1975. Dochter Rina - de moeder van Miguell - zit in het midden. Kaart van de Molukken door François Halma, omstreeks 1705.

Achtergronden bij de komst van de Molukkers naar Drenthe

Een reis door de geschie denis

Jan van Zijverden

De Provinciale Drentsche en Asser Courant doet op 6 januari 1951 uitgebreid verslag van de situatie in de vijf kazernes op Java, waar een kleine vierduizend Molukse militairen van het Koninklijk NederlandschIndisch Leger in onzekerheid verkeren over hun toekomst. ‘De toestand in de kampen der Ambonezen is volkomen onhoudbaar geworden’, lezen de inwoners van Drenthe, en: ‘De Nederlandse regering wil nu definitief en zo spoedig mogelijk een einde maken aan deze moeilijkheden’. Op 19 februari kopt de Provinciale Drentsche en Asser Courant : ‘Ambonezen krijgen bevel zich in te schepen’. En iets meer dan een week later bevestigt de krant het gerucht dat woonoord Schattenberg bij Hooghalen zal worden ontruimd om plek te bieden aan ‘repatriërende Ambonezen’. Een ruime maand later arriveert de eerste groep Molukkers in Drenthe: mannen, vrouwen en kinderen. Om te begrijpen wat de achtergrond is van de komst van de Molukkers naar Drenthe, maken we een reis door de geschiedenis.

GEWELDDADIGE KENNISMAKING

Nederlanders en Molukkers hebben een lang gezamenlijk verleden. Dat begint in 1599 als Wybrand van Warwijck en Jacob van Heemskerck handelsposten openen op Ambon en Banda. Kort daarna richten Nederlandse kooplieden de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) op. Met veel geweld verovert deze handelsonderneming de Molukken of ‘specerijeilanden’ op de Portugezen. Hun eerste wapenfeit is de inname van fort Victoria op Ambon door admiraal Steven van der Haghen in 1605. In de jaren daarna veroveren en bouwen de Nederlanders forten op verschillende eilanden in de Molukken, van waaruit ze lokale

Een reis door de geschiedenis | 14

machthebbers dwingen om de in Europa zeer gewilde specerijen tegen eenzijdig vastgestelde prijzen te leveren. Dat gaat met harde hand. Zo moordt Jan Pieterszoon Coen bijna de hele bevolking van de Banda-eilanden uit om het monopolie op de handel in nootmuskaat en foelie te bemachtigen. En gouverneur Arnold de Vlamingh van Outshoorn voert vijf jaar lang een harde militaire campagne tijdens de Grote Ambonse Oorlog (1651-1655) om een monopoliepositie in de kruidnagelhandel te krijgen. Planters en smokkelaars op andere eilanden die proberen om het monopolie te ontduiken, worden tijdens zogenoemde

hongi-tochten gestraft. Tijdens deze ‘inspecties’ vernietigen de Nederlanders illegale plantages en voorraden, huizen van planters gaan in vlammen op en smokkelaars brengen het er vaak niet levend vanaf. Onder deze Nederlanders bevinden zich ook veel Drenten. Recent onderzoek toont aan dat in de 18de eeuw alleen al uit Hoogeveen ruim honderdzeventig mensen dienstnamen bij de VOC, vooral als matroos, busschieter en soldaat.1

Tijdens de hongi-tochten verleent de bevolking van Ambon op grote schaal verplichte hand-en-spandiensten, het is een van de zogenoemde ‘herendiensten’ die het Nederlandse gezag hen oplegt. VOC-chirurgijn Wouter Schouten beschrijft in zijn Oost-Indische Voyagie de vloot van vijf Nederlandse schepen en vierenveertig kora-kora’s (grote prauwen met meerdere zeilen en tientallen roeiers) die in 1659 een hongi-tocht uitvoeren: ‘Deze korrokorren, of oorloogh-schepen der Indianen van de d’Oosterse Eylanden, die met de Nederlanders in vrientschap leefden, krioelden alle door veelheyt des volcks; altemael swarten, met schilt en swaerden, musquetten, piecken, spatten, assagayen, en ander wapen-tuygh voorsien.’ Vervolgens vertelt hij hoe de vloot naar Ceram vaart waar het dorp Aracky wordt overvallen. De inwoners worden weggejaagd, tot slaaf gemaakt of gedood. Schouten vervolgt: ‘kapten toen alle vrucht-dragende boomen onder de voet: en ruineerden Aracky door het vuur.’ Bijna twee eeuwen lang deelt de VOC de

lakens uit in het eilandenrijk, een van de weinige gebieden in Nederlands-Indië 2 die ook daadwerkelijk door de compagnie wordt bestuurd. Als de VOC in 1795 failliet gaat en wordt genationaliseerd, volgt een rommelige tijd die wordt afgesloten met de Engelse bezetting van Nederlands-Indië in 1811. Bij het Verdrag van Londen op 13 augustus 1814 krijgt Nederland zijn kolonie terug. Engeland heeft geen belang bij het gebied en ziet graag dat Nederland het weer inneemt als buffer tegen het vijandige Frankrijk. Omgekeerd kan Nederland het rijk nooit alleen verdedigen; het rekent bij een aanval van buiten voortaan op de steun van de Engelsen. Om als vreemde overheerser de kolonie te kunnen besturen, wordt regelmatig geweld gebruikt of ermee gedreigd. Nog voordat Nederland de kolonie terugkrijgt, is koning Willem I al bezig met plannen voor herbezetting van Nederlands-Indië door een sterk, nog op te richten Indisch leger. Vanaf 1816 neemt de Nederlandse overheid de kolonisatie van Nederlands-Indië actief ter hand. Het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) zal samen met de Koninklijke Marine de verschillende delen van de archipel onder Nederlands gezag brengen en zo onbewust de basis leggen voor de toekomstige eenheidsstaat Indonesië.

OPSTAND

In de kolonie zelf zit de bevolking helemaal niet zo te wachten op een terugkeer van de Nederlandse bestuurders. Vooral niet op Ambon, de hoofdvestiging van de Nederlanders op de Molukken. Daar hebben de Engelsen namelijk het aantal zogenoemde ‘herendiensten’ verminderd, ze betalen betere prijzen voor producten dan de VOC, laten de vrije handel in kruidnagel oogluikend toe en richten een Ambonees soldatenkorps op waarvan de leden goed betaald krijgen. Als de Nederlanders aangeven het korps niet over te willen nemen, wordt het door de Engelsen ontbonden. De ontevreden militairen wijken uit naar het

Portret van Jacob van Heemskerck, gemaakt in de tweede helft van de 18de eeuw door Jacob Houbraken. Van Heemskerck is vooral bekend van zijn overwintering in het Behouden Huys op Nova Zembla in de winter van 1596-1597.
De inwoners worden weggejaagd, tot slaaf gemaakt of gedood.

Nederlandse schepen beschieten het Portugese fort op het eiland Ambon in mei 1605. De lokale bevolking vlucht. Simon Fokke maakt deze prent in de 18de eeuw.

Een reis door de geschiedenis | 15

Op 19 juli 1599 keren vier schepen in Amsterdam terug van een expeditie naar de Indische archipel. Hendrik Vroom legt deze belangrijke gebeurtenis meteen vast. Enkele maanden later komen ook de schepen van Wybrand van Warwijck en Jacob van Heemskerck terug. Ze brengen kruidnagel, nootmuskaat en foelie mee van de Molukken.

Plattegrond van het fort op Ambon in 1607, gemaakt omstreeks 1645.

Laurens Bruiten uit Hoogeveen treedt op 15 januari 1726 bij de VOC in dienst als soldaat. Met het schip Berkenrode komt hij op 30 juli 1726 aan in Batavia. Bruiten overlijdt op 4 augustus 1732 in Azië.

Overwinning van de Nederlanders op de Portugezen bij Tidore, 1605.

EN VERDEELHEERS

De rede van Banda en het fort Belgica. Aquarel van Maurits Ver Huell, gemaakt tussen 1820 en 1835. Nederlanders en Molukkers in gevecht voor de kust van Saparua tijdens de Pattimura-opstand in 1817. Aquarel van Maurits Ver Huell, gemaakt tussen 1820 en 1835.
Een
door de geschiedenis | 16
De bloemen van de kruidnagelboom uit Het Amboinsche kruidboek van Georg Rumphius (1627-1702). Deze onderkoopman voor de VOC op Ambon bestudeert jarenlang de planten- en dierenwereld van de Molukken. Zijn werk is nog altijd belangrijk voor de wetenschap.
reis

Een afbeelding van nootmuskaat uit Het Amboinsche kruidboek van Georg Rumphius (1622-1702).

Gezicht op een berghelling op het eiland Lontor, een van de Bandaeilanden. Slaafgemaakten zijn bezig met de oogst van muskaatnoten. Aquarel van Maurits Ver Huell, gemaakt tussen 1820 en 1835.

eiland Saparua, waar ze twee maanden na de terugkeer van de Nederlanders een bloedige opstand beginnen die start op 15 mei 1817. Een dag later veroveren de opstandelingen fort Duurstede en vermoorden de 29-jarige resident Johannes Rudolf van den Berg en zijn gezin. Alleen de zesjarige Johan Lubbert overleeft de moordpartij. De dood van de resident en zijn gezin is het startsein voor een opstand tegen het koloniale gezag, die overslaat van Saparua naar Hitu (het noordelijk deel van Ambon) en de eilanden Nusalaut en Ceram. Een gezamenlijke Nederlandse troepenmacht van vloot en leger gaat de strijd aan met de goed bewapende rebellen, die onder leiding staan van sergeant-majoor Thomas Matulesia, beter bekend als Pattimura. Ooggetuige en marineofficier Maurits Ver Huell beschrijft zijn tegenstander niet al te vleiend als ‘een man van ongeveer vier-en-dertig jaren oud, rijzig van gestalte, schraal van wezen, van een duister uitzigt, dat evenwel niet veel sprekends of vernuftigs had’.3 De eerste slag wordt gewonnen door de rebellen, de eerste grote nederlaag van het Indische leger. Een poging tot onderhandelen mislukt vervolgens. Ver Huell schrijft: ‘Het werd derhalve eene dure verpligting, om door dadelijk werkende, voorbeeldige, straffen, de verdwaalde Indianen te toonen, dat zij het eenmaal over hun verkregen gezag niet konden vernietigen’.4 Als vice-admiraal Arnold Buyskes ten tonele verschijnt met vijf oorlogsschepen en een contingent mariniers is het gezag over de Molukken al snel weer in handen van de Nederlanders, met als gevolg honderden doden aan Molukse kant en enkele tientallen KNIL-militairen die de bloedige gevechten niet overleven. Nederland zet vervolgens ruim vijftienhonderd inheemse hulptroepen in - afkomstig van Ternate en Tidore op de Noord-Molukken - om wraak te nemen, waarbij dorpen, boomgaarden en oogsten systematisch worden vernietigd. De verwoestingen zijn zo groot dat de schade in 1824 nog steeds duidelijk zichtbaar is. Gouverneur-generaal C.A.G.Ph. baron van der Capellen is zelfs van mening dat het

buitensporige geweld van het koloniale leger de suggestie wekt alsof men voor altijd oorlog met de Molukkers zocht. 5 Pattimura wordt op 16 december 1817 in het bijzijn van de kleine Johan Lubbert met de strop ter dood gebracht, ‘zijn ontzield ligchaam zoude ten eeuwigen dage in eene ijzeren kooi hangen, opdat het, al ware hetzelve tot stof vergaan, nog ten afschrik zoude dienen voor zijne gruweldaden’.6 Hij zal later de geschiedenisboekjes ingaan als held van de republiek Indonesië, die als een van de eersten in opstand kwam tegen het koloniale gezag. De strijd op de Molukken is de vuurdoop voor het koloniale leger, dat daarna nog een eeuw lang intensief betrokken is bij het ‘pacificeren’ van de archipel.

VERDEEL EN HEERS

Het KNIL is een Nederlands vreemdelingenlegioen, dat verhoudingsgewijs maar weinig Nederlanders telt. De officieren komen uit heel Europa en zijn in Nederland opgeleid. Ongetwijfeld zitten daar ook Drenten bij, want het KNIL adverteert met grote regelmaat in de Provinciale Drentsche en Asser Courant. De manschappen en onderofficieren komen voor het grootste deel uit de Indische archipel zelf en dan vooral van Java. De militairen worden bij hun werk ondersteund door een omvangrijke groep contract- en dwangarbeiders. Deze zogenoemde ‘kettingberen’ worden ingezet voor het transport van geschut en voeding, voor corveetaken en voor het aanleggen van paden en wegen.

Tot 1885 is het aantal Molukkers dat dienst neemt bij het KNIL vrij klein: enkele honderden. Immers, wie wil er nu een laskar kompania worden, een soldaat van de compagnie? Dat verandert als eind 19de eeuw de kruidnagelmarkt instort en de Nederlandse overheid steeds meer ambtenaren, zendelingen, militairen en leraren in de archipel nodig heeft.7 Vooral de christelijke ‘Ambonezen’ – zoals men ze noemt – zijn zeer gewild bij het KNIL.

Een reis door de geschiedenis | 17

Men dicht hen namelijk net als de Menadonezen en later de Timorezen een grotere betrouwbaarheid toe en stelt soms zelfs dat het betere militairen zijn. Waarschijnlijk heeft het vertrouwen in de christelijke Molukkers vooral te maken met het feit dat ze geloofsgenoten zijn en zich niet bemoeien met de strijd om de macht in het centrum van de archipel. Daar komt bij dat de Molukkers voor het koloniale gezag geen enkele bedreiging vormen, omdat het om een kleine etnische groep gaat met een zwakke sociaaleconomische positie.8 Dit alles leidt ertoe dat met name Molukse militairen steeds betere arbeidsvoorwaarden krijgen ten opzichte van de bewoners van andere eilanden: ze krijgen een hoger handgeld, ze dragen schoenen, ze krijgen hogere beloningen bij medailles, ze bereiken hogere posities, er komen scholen voor christelijke soldatenkinderen op Java en ze krijgen een pensioen. Om een voorbeeld te geven: een ‘Ambonese’ fuselier (geweerschutter) ontvangt ƒ 10,19 bij de medaille voor ‘Moed & Trouw’, een Javaanse fuselier krijgt bij dezelfde medaille slechts ƒ 6,39. 9 Maar ze krijgen altijd nog minder dan hun Europese collega's. In 1921 wordt formeel een einde gemaakt aan de discriminerende onderlinge ongelijkheid tussen de beloning van de inheemse militairen bij het KNIL, maar in de praktijk blijven er toch grote verschillen bestaan. Het leidt tot blijvende scheve verhoudingen, waarbij de Molukkers zich door hun bevoorrechte positie en het benadrukken van hun grotere betrouwbaarheid steeds meer betrokken gaan voelen bij het Nederlandse gezag. De goede arbeidsvoorwaarden en het grote aanzien van de Molukse KNIL-militairen binnen de koloniale gemeenschap maken ook dat steeds meer mannen op de Molukken zich aanmelden voor een contract van twee, vier of zes jaar als beroepsmilitair bij het KNIL.10 In 1929 dienen er al 4.314 ‘Ambonezen’ bij het KNIL. Daarmee vormen ze 11,19 procent van de sterkte van het KNIL, terwijl de inwoners van de Molukken in die tijd maar 0,38 procent van de bevolking van Nederlands-Indië uitmaken.11

Overigens verdient het merendeel van de

Molukkers op dat moment zijn brood nog altijd in de landbouw of visserij.12 En wanneer men de keuze heeft, gaat de voorkeur uit naar een functie als ambtenaar, leraar of dominee. Alleen de laagst opgeleiden kiezen voor een militaire carrière.13

Pas rond het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog treden ook de eerste moslimMolukkers in dienst bij het KNIL, gedreven door armoede, gelokt door het avontuur en vooral aangemoedigd door resident Hermen Jan Jansen.14

Stukje bij beetje brengen het KNIL en de Koninklijke Marine de Indische archipel onder Nederlands gezag. Jaar in jaar uit worden expedities uitgerust om nieuwe gebieden te veroveren of om opstandige vorsten en sultans tot de orde te roepen. Vaak lijdt het KNIL eerst een nederlaag, waarna een grotere troepenmacht naar het oorlogsgebied wordt gestuurd om de strijd alsnog in het voordeel van Nederland te beslissen.15 De strijd om een koloniaal imperium te realiseren, gaat gepaard met veel geweld. Bloedig dieptepunt is de Atjehoorlog van 1873 tot 1914, waarbij naar schatting 100.000 inwoners van Atjeh het leven laten en kampongs, voorraden, boomgaarden en oogsten stelselmatig worden vernietigd.

Met de inlijving van Korintji en Djambi op Sumatra en met de eilanden Ceram, Flores en Sumbawa is begin 20ste eeuw heel Nederlands-Indië eindelijk onder controle gebracht. Dat is ook noodzakelijk, want de internationale gemeenschap erkent de soevereiniteit van Nederland over de kolonie pas wanneer er sprake is van daadwerkelijk bestuur op de verschillende eilanden. Dat was zo bepaald bij de conferentie van Berlijn in 1885.16 Nederland speelt de verschillende bevolkingsgroepen feilloos tegen elkaar uit bij het vestigen van zijn gezag in de archipel, net als in de VOC-tijd. De verschillende etnische groepen binnen het KNIL worden namelijk als het even kan niet ingezet in de eigen regio en herkomst is bepalend voor beloning en carrièremogelijkheden.17

Een wervingsadvertentie voor het KNIL uit de Provinciale Drentsche en Asser Courant van 29 maart 1897.

bevolkingsgroepen
tegen
Nederland speelt de verschillende
feilloos
elkaar uit.
Een reis door de geschiedenis | 18
De aankomst van de Tidorese en Ternataanse oorlogsvloot in de baai van Ambon, 1817. Aquarel van Maurits Ver Huell, gemaakt tussen 1820 en 1835. Wervingsaffiche van het KNIL, 1912.
Een reis door de geschiedenis | 19
De executie van radja Paulus Tiahahu op Nusalaut na de Pattimura-opstand in 1817. Op de voorgrond wordt zijn dochter Christina Martha weggeleid. Aquarel van Maurits Ver Huell, gemaakt tussen 1820 en 1835.

pang! pang! pang!

Verslag van de strijd

In Drenthe volgt men het nieuws over de strijd in de kolonie op de voet. De Provinciale Drentsche en Asser Courant doet in ronkende taal verslag van de strijd. Op donderdag 30 september 1897 neemt de krant een bericht over uit de Semarang Courant over de mars van een colonne naar het binnenland van Segli (Sigli): ‘Klokslag één vielen pang! pang! pang! de eerste vijandelijke schoten! Ontegenzeggelijk was dit een groote teleurstelling voor den colonnecommandant Van Heutsz; hij schikte zich echter welgemoed in den toestand, de artillerie kwam in batterij en deed een 15tal schoten op Tjaleuh en Blang Sepeng en kort daarna kon alles weer doormarcheren, thans recht naar het Noorden. Maar een uurtje daarna kregen we het weer te kwaad: het vuur nam in heftigheid toe, de infanterie breidde zich uit, een compagnie nestelde zich in een kampongrand, een andere, van nabij bestookt, stormde, de artillerie speelde weer een deuntje, kortom, de Atjeher deinsde met gevoelige verliezen af, en wij kwamen goddank in open sawahterrein, waar we de handen vrij kregen. Wij zeggen goddank, omdat werkelijk een moment de toestand kritiek was: door ’t langdurige wachten en talmen hadden de Atjehers – en dit konden we met ’t bloote oog zien – gelegenheid om ons heen te trekken en ’t vuur van alle kanten op ons te openen. Twee bataljons met artillerie ingesloten! ’t Was te gek. Zware donderbusschoten, snerpende repeteer-salvo’s, nijdige artillerie-losbarstingen, gehuil der Amboineezen, geschetter der hoorns en tusschen dat alles de bevelen van den kalmen Van Heutsz en de aanwijzingen van den leuken stafchef Van Daalen. Hun uitstekende maatregelen brachten alles in het reine: een laatste artillerieschot, een laatste tegenaanval op den opdringenden vijand en om half vier was alles gedaan. Ze lieten ruim honderd dooden liggen, de kranige kerels, die met hun voorlaadgeweren, verroeste pieken en lansen, den strijd dorsten bestaan tegen een snelvurende overmachtige tegenpartij. Intusschen was de korte, dikke, gezellige controleur Palmer v.d.

Militairen van het KNIL bij de benteng Lampeneroet in Atjeh, omstreeks 1880. Brigade van het Korps Marechausse te voet op Atjeh rust uit, de wachtposten staan in de ‘alarmhouding’, omstreeks 1930. Broek bezig met het nemen van kiekjes!’ Marechaussees poseren tien minuten na de verovering van Sukun tussen de lijken van de Atjehers voor fotograaf C.B. Nieuwenhuis, 6 augustus 1897. Aan de Atjehse kant vallen 57 doden, de ‘Ambonese’ marechaussee Manongga sneuvelt aan de Nederlandse kant. Luitenant-kolonel Jo van Heutsz leidt de aanval.
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.