Page 1

1


2


3


4


Vos en Haas Vos schept op


Vos en Vos  


Haas schept op Sylvia Vanden Heede met tekeningen van ThĂŠ Tjong-Khing


Haas zit bij de haard. Ze leest een dik boek. Vos zit ook bij de haard. Maar hij leest niet. Hij zit alleen maar. Af en toe zucht Vos diep.

9


Haas kijkt op. ‘Wat is er aan de hand, Vos? Waarom zucht jij zo?’ ‘Ik verveel me’, zegt Vos sip. ‘Ik weet niet wat ik moet doen.’ ‘Pak dan ook een boek’, zegt Haas. En ze leest nog wat verder. Vos wil best een boek lezen. Maar welk boek? Het mag niet te dik zijn. En niet te saai. Er moeten plaatjes in staan. Heel veel plaatjes!

10


Vos kijkt in de boekenkast. Hij zoekt een goed boek met veel plaatjes. Een dun boek. Een leuk boek. Een boek dat hij nog niet kent!

Vos zoekt en kijkt en kijkt en zoekt. Er zijn heel veel boeken. Daar zit vast een boek bij voor Vos. En ja hoor! Vos vindt wat!

11


‘Kijk, Haas! Kijk wat ik vond!’ ‘Maar dat is het kookboek!’ roept Haas uit. Vos knikt blij. ‘Dat weet ik wel. Maar het is net wat ik wou. Want het is niet dik en er staan plaatjes in. Op elke bladzij één. En het gaat over lekkere dingen. Dus is het niet saai!’

12


Haas krabt zich achter het oor. Dan zegt ze: ‘Een kookboek moet je niet gewoon lezen. Met een kookboek moet je iets doen.’ ‘Wat dan wel?’ vraagt Vos. ‘Koken natuurlijk’, zegt Haas. ‘O’, zegt Vos. Hij krabt zich ook achter het oor. Nu snapt hij het. Haas heeft een leesboek. Want zij leest zo graag. En hij heeft een doeboek. Dat is handig! Met een doeboek weet hij altijd wat te doen!

13


‘Ik ga koken!’ roept Vos. ‘Ik kook iets voor jou. ‘Dit en dit en dit en dat ook nog!’

lekkers

Vos wijst de plaatjes aan. Er is een plaatje van pudding. En een plaatje van ijs. En een plaatje van worst met appelmoes. En ook een plaatje van bietjespuree. Maar dat kookt Vos niet. Want bietjespuree vindt hij vies.

14


Haas kijkt naar de plaatjes. Het ziet er allemaal heerlijk uit. ‘Ik begin met ijs’, zegt Vos. Maar Haas zegt dat dat niet kan. Want ijs is het toetje. En het toetje komt nooit aan het begin. ‘Het toetje is het nagerecht’, legt ze uit. ‘Het komt na het hoofdgerecht. En het hoofdgerecht komt na het voorgerecht. Dat zijn drie gangen.’

15


Vos fronst zijn wenkbrauwen. ‘Een gang kun je toch niet opeten? Een gang is iets waar je doorheen loopt!’

‘Dat klopt’, zegt Haas. ‘Maar een gang is ook een deel van een maaltijd. En het toetje is de laatste gang. Altijd.’

16


Vos denkt een poosje na. Het toetje is het lekkerste. En toch is het niet het hoofdgerecht. Het komt helemaal achteraan! Dat is niet eerlijk. Maar zo is het nu eenmaal!

Vos zet een kookpot op het vuur.

17

9789401418645  

http://www.lannoo.be/sites/default/files/books/issuu/9789401418645.pdf