Issuu on Google+

12 september 2015

Magazine van de Technische Universiteit Eindhoven

De Opdracht: Hoe kan technologie ons helpen gezonder te leven?

David Gianotten ‘Een goede architect moet meer in huis hebben dan bouwkundig inzicht’

Van hoorcollege naar MOOC : zestig jaar onderwijs aan de TU/e


02

Josien Pluim (1971), hoogleraar Medische Beeldanalyse. Haar intreerede ‘Passen en meten’ hield ze op 26 juni.

j.pluim@tue.nl

Tekst Tom Jeltes Foto Bart van Overbeeke

Boek

‘Ik ben begonnen met bedrijfskunde in Groningen, maar na een jaar vond ik dat ik te weinig specialistische kennis had opgedaan. Daarom ben ik naar informatica overgestapt. Het eerste jaar kregen we daar alleen maar wiskunde; heerlijk vond ik dat. Toen ik op zoek was naar een afstudeer­ project zag ik bij mijn docent een boek in de kast staan over medische beeldanalyse. Het was een openbaring voor me dat je dat met informatica kunt doen. Met het kleine beetje internet dat je eind jaren negentig had, vond ik informatie over de editor van het boek. Die bleek te werken bij het Image Sciences Institute van het UMC Utrecht en ik heb daarheen gebeld om te vragen of ik langs mocht komen.’

Omgekocht

‘Ik grap weleens dat mijn afstudeerbegeleider me met een etentje heeft omgekocht om te gaan promo­ veren. Voor het geld hoefde je het destijds niet te doen. Ik had nooit gedacht dat ik wetenschapper - laat staan hoogleraar - zou worden, maar door mijn afstudeerproject kwam ik erachter dat ik onderzoek doen heel leuk vind. Ik heb destijds nog wel gesolliciteerd bij bedrijven, maar ook daaruit bleek dat promoveren sowieso een goede keuze was. Daarom ben ik na mijn afstuderen in Utrecht gebleven.’

Beeldregistratie Breed ‘Ik ben gepromoveerd op beeldregistratie. Dat is het aan elkaar koppelen van twee of meer beelden, zodanig dat je beelden van twee verschillende scanners, of op verschillende momenten gemaakte scans, pixel voor pixel met elkaar kunt vergelijken. Beeldregistratie is onder meer belangrijk om te kunnen zien of een tumor gegroeid is, en om complementaire informatie van bijvoorbeeld MRI en CT te kunnen combineren. We hebben voor deze problemen software ontwikkeld; die is open source en dus gratis.’

‘Ik ben breed geïnteresseerd. Voordat ik in Groningen ging studeren, heb ik een jaar vakken gevolgd aan de toenmalige Oxford Polytechnic; Japans, fotografie en Engelse geschiedenis. Inhoudelijk heb ik daar niets meer mee gedaan, maar een dergelijke buitenlandervaring kan ik iedereen aanraden, al was het maar om echt goed Engels te leren. Sinds mijn promotie heb ik een reputatie opgebouwd op het gebied van beeldregistratie. In die fase van je loopbaan moet je je wel specialiseren, anders blijf je onzichtbaar. Zodra je een groep hebt opgebouwd, kun je weer wat breder gaan kijken.’

Groep Op pagina 47 backward / met Cees Midden

‘Door mijn aanstelling als hoogleraar ben ik nu hoofd van de groep Medical Image Analysis, die een tijd zonder groepshoofd had gedraaid. Er was geen fulltime vaste staf meer, maar gelukkig liep het onderzoek van de promovendi en postdocs nog erg goed. Een belangrijke taak voor mij is om er weer een echte groep van te maken. En op onderwijsgebied is er nog veel te doen, zoals het aanpassen van onze vakken aan het Bachelor College en de Graduate School. Ik wil dat we studenten een goede opleiding mee kunnen geven, zodat ze een basis hebben om elders in de wereld zelf iets op te bouwen.’


nr.12 september 2015 / MAGAZINE VAN de

no.12 september 2015

04

08

De architect van OMA

colofon Slash is het magazine voor externe relaties en alumni van de Technische Universiteit Eindhoven en verschijnt drie keer per jaar. Gehele of gedeeltelijke overname van artikelen uit Slash is alleen toegestaan na overleg met de redactie en met bronvermelding. Voor het gebruik van foto’s of illustraties is toestemming van de maker nodig. www.tue.nl/slash

14

Onderwijs aan deTU/e: van strak in ‘t pak naar korte broek met slippers

Redactieadres Technische Universiteit Eindhoven, Commu­nicatie Expertise Centrum, Postbus 513, 5600 MB Eindhoven, e-mail slash@tue.nl, Tel +31(0)40 247 33 30/247 4020 Hoofdredacteur Han Konings Eindredactie en coördinatie Brigit Span Bladconcept Maters & Hermsen Journalistiek, CEC. Vormgeving Natasha Franc

22

24/29 Special

32/35 De vonk

Smart Mobility

Antonio Liotta

30/31 Alumni

38/39 Planner/ verkenner

Alumni als coach

Van scheikunde naar dierenbescherming

Algoritmen in de strijd tegen kanker

Redactieadviesraad drs. Steef Blok, prof.dr. Carlijn Bouten, mr.drs. Ben Donders, prof.dr.ir. Maarten Steinbuch Drukwerk Schrijen-Lippertz, Voerendaal Adverteren in Slash? Meer informatie bij H&J Uitgevers, Tel (010) 451 55 10 Slash ontvangen? Meld je aan op www.tue.nl/slash ISSN: 2212-8468

Gamen met de magische Manus Machina

keep in touch Interesse in samenwerking met de TU/e, in ­studeren, werken of promoveren aan de TU/e, of het contact onderhouden als alumnus? ­Alsjeblieft, onze contact­gegevens.

Samenwerking (strategisch ­partnership, contract research) TU/e Innovation Lab, +31 (0)40 247 48 22, Innovationlab@tue.nl Werken of promoveren Dienst Personeel en Organisatie +31 (0)40 247 20 90, jobs@tue.nl Ontwerpers­opleidingen Stan Ackermans ­Institute +31 (0)40 247 24 52, sai@3tu.nl Studeren (bachelor, master) Onderwijs en Studenten Service Centrum, +31 (0)40 247 47 47,

studeren@tue.nl Alumni +31 (0)40 247 34 90, alumninet@tue.nl Persvoorlichting en Communicatie Communicatie ­ Expertise Centrum +31 (0)40 247 48 45, cec@tue.nl, www.tue.nl


04 05

NU/

Gamen

met de magische Manus Machina Met je handen door een virtuele wereld navigeren. Dat is het idee achter de Manus Machina, kortweg de Manus. Een datahandschoen die controller, muis en toetsenbord vervangt. Ontwikkeld door een groepje Eindhovense (ex-)studenten die met hun handschoen inspringen op de razendsnelle opkomst van virtual reality.

Huis-tuin-en-keukencomponenten In twee weken van idee naar prototype Het was juni 2014 en virtual reality was hot. Vooral de hype rondom Oculus Rift had grote vormen aangenomen. Maar terwijl er van alles gebeurde op het gebied van brillen en loopbanden, bleef het rondom controllers opvallend stil. Bob Vlemmix, net klaar met de Fontysopleiding communicatie, vroeg zich af waarom er eigenlijk niks met handen gebeurde. Het idee voor de Manus was geboren. Er volgde een telefoontje naar Tim van Veenendaal, medelid van studenten­ rollengenootschap Knights of the Kitchen Table. De student Software Science knutselde binnen twee weken een werkend prototype in elkaar.

Hoewel ze hun deelname aan crowdfundingplatform Kickstarter voortijdig stopzetten, leverde het zoveel publiciteit op dat ze geselecteerd werden voor de StartupBootcamp HighTechXL. Tijdens het acceleratorprogramma voor hightech-startups ontwikkelde het inmiddels vijfkoppige team in een paar maanden tijd een alfaversie van de Manus. Sindsdien is het team gegroeid naar elf man, waaronder (fashion) designers en programmeurs. De ‘huis-tuin-en-keukencomponenten’ uit de beginfase zijn definitief verleden tijd. Vlemmix: ‘Zo zat de gyroscoop nog op de handschoen gelijmd en moest de handschoen met klittenband vastgezet worden omdat de behuizing zo groot was. Inmiddels kunnen we de producten en machines aanschaffen die we nodig hebben’.


Tekst Freke Sens Foto Manus Machina

nr.12 september 2015 / MAGAZINE VAN de

Mechanische hand De draadloze handschoen bevat vijf flexsensoren die onder meer de buiging van de vingers en de rotatie en positie van de hand meten. De handschoen is daarmee muis, toetsenbord en controller ineen. De technologie zit deels verborgen in een behuizing van 1,5 millimeter en is deels geïntegreerd in de handschoen van lycra.

Honderd euro per stuk De Manus is niet de eerste datahandschoen. ‘Maar wel de eerste die betaalbaar is’, stelt Industrial Design-alumnus Stijn Stumpel. Eén handschoen mag niet meer dan honderd euro kosten, maximaal tweehonderd euro voor een set.

 at in de markt G versus toekomstvisie De datahandschoen heeft voor iedereen zijn eigen aantrekkingskracht. Stumpel is, naast in het draagbaar maken van technologie, vooral geïnteresseerd in het zetten van nieuwe stappen op het gebied van virtual reality. ‘VR en de Manus maken deel uit van een toekomstbeeld dat een stuk dichterbij is dan veel mensen denken.’

Meer dan VR De Manus is in eerste instantie ontwikkeld om personages binnen VR-games aan te sturen. Desondanks wil het team alle opties openhouden wat betreft de toepassing van de handschoen. Vlemmix: ‘Als augmented reality straks groot wordt, willen we ook daarop kunnen inspelen.’ Ook het besturen van een drone of het bedienen van huishoudelijke apparatuur behoort tot de mogelijkheden. ‘En denk aan het bedienen van machines in een fabriek, in zo’n omgeving kan een handschoen heel waardevol zijn’, vult Stumpel aan.

www.manusmachina.com


06 07

memo/

TU/edecaan rector in Tilburg Emile Aarts, tot afgelopen juni decaan van TU/efaculteit Wiskunde & Informatica, is rector magnificus geworden van Tilburg University. Aarts heeft lange bestuurlijke ervaring bij zowel Philips Research Laboratories als bij de Eindhovense universiteit en wordt door studenten en collega’s geroemd om zijn innovatieve manier van denken op het gebied van management.

Jakob de Vlieg wordt per 1 september de nieuwe decaan van Wiskunde & Informatica en hoogleraar Applied Data Science aan de TU/e. De Vlieg was onder meer werkzaam als R&D-topmanager bij Bayer, Organon en Schering-Plough. Tevens was hij deeltijdhoogleraar computa­tional chemistry in Nijmegen.

Nieuwe ijskoude uitdaging: Da Vinci-brug van ijs Na een ijskoepel en een ijskerk gaat een inter­ nationale groep studenten komende winter een ijsbrug bouwen in het Finse Juuka. Het wordt een honderd meter lange brug, met een vrije overspanning van vijftig meter. Het team heeft zich laten inspireren door een ontwerp van Leonardo da Vinci. In totaal gaan zo’n honderd studenten en vrijwilligers komende winter vanuit Nederland naar de Finse plaats Juuka om de enorme brug te bouwen. Eind december begint in Finland het aanleggen van de bodemlaag, en medio februari 2016 zal de brug klaar zijn. Naast de TU/e zijn ook de universiteiten van Delft, Twente, Leuven,

Aalto (Helsinki), Gent, Bath, Edinborough en Sint Peterburg betrokken bij de bouw van de enorme ijsbrug. www.facebook.com/bridgeinice

Spinozapremie voor TU/e-prof René Janssen Universiteitshoogleraar René Janssen heeft de prestigieuze Spinozapremie toegekend gekregen van NWO. De Spinozapremie, die sinds 1995 jaar­ lijks wordt uitgereikt, is de hoogste Nederlandse wetenschappelijke onderscheiding en omvat 2,5 miljoen euro, vrij te besteden aan onderzoek. René Janssen is een expert op het gebied van organische (‘plastic’) zonnecellen en elektronica. Hij verwacht een deel van het geld te steken in zijn voornaamste onderzoekslijn: plastic zonnecellen. Daarnaast wil hij investeren in zijn onderzoek naar het maken van zonnebrand­ stoffen, en naar zonne­ cellen op basis van perovskiet.


nr.12 september 2015 / MAGAZINE VAN de

DIFFER aan de Dommel Het Dutch Institute for Fundamental Energy Research (DIFFER) heeft in mei zijn intrek genomen in een splinternieuw onderkomen op de TU/e-campus. De fysieke nabijheid vergemakkelijkt de al bestaande samenwerking tussen het instituut en de TU/e. Zo hebben fusieexperts Marco de Baar en Tony Donné al een aanstelling als deeltijdhoogleraar aan de TU/e, net als DIFFER-directeur Richard van de Sanden. Daarnaast kunnen mede­ werkers van DIFFER gebruikmaken van TU/e-faciliteiten. Omgekeerd staan ook de experimentele opstellingen en de werk­ plaats van DIFFER open voor TU/e’ers. Het onderzoek binnen DIFFER valt op te delen in twee thema’s: kernfusie en zonnebrandstoffen (‘solar fuels’). Het instituut draagt op diverse manieren bij aan de voorbereidingen van ITER, de experimentele kernfusiereactor die momenteel in het Zuid-Franse onderzoekscentrum Cadarache verrijst.

Dutch Engineers Alumni Nordic Tour

4.408 kilometer, meer dan 1.000 lokale alumni, 160 deelnemers, 8 sprekers + 4 steden = de Dutch Engineers Alumni Nordic Tour. In mei 2015 vonden er verschillende activiteiten in Scandinavië plaats voor alumni van TU Delft, UTwente en de TU/e. Deze Dutch Engineers Alumni Nordic Tour werd georganiseerd door de drie Nederlandse universiteiten in samenwerking met de lokale Nederlandse ambassades in Denemarken, Finland, Zweden en Noorwegen. Op het programma stonden activiteiten in Stockholm, Kopenhagen, Oslo en Helsinki. Een van de belangrijkste doelen was het versterken van de band tussen de universiteit en haar alumni. Bijvoorbeeld door hen te stimuleren hun alma mater te bezoeken als ze in Nederland zijn. In totaal namen ongeveer honderdzestig alumni waaronder dertig van de TU/e - deel aan de Dutch Engineers Alumni Nordic Tour. Zij zijn verenigd in een speciale LinkedIn-groep.


08 09

kopstuk/

Hij ergert zich aan de hokjesgeest die hij hier soms tegenkomt. De wereld is namelijk niet zo zwart-wit als mensen graag geloven, zo ervoer hij tijdens vijf jaar leidinggeven aan de Aziatische afdeling van OMA (Office of Metropolitan Architecture) in China. TU/e-alumnus David Gianotten is weer terug in Rotterdam en inmiddels managing partner-architect van OMA. Gezeten voor een traditionele kast uit Hong Kong vertelt hij waarom een goede architect veel meer in huis moet hebben dan bouwkundig inzicht. ‘Ik wil de mensen met wie ik om de tafel zit begrijpen.’ David Gianotten Managing partner-architect van OMA


10 11

kopstuk/

Tekst Enith Vlooswijk foto’s Vincent van den Hoogen

D

David Gianotten doet niet zijn best om zijn fouten te verbergen. ‘Natuurlijk ben ik wel eens op mijn bek gegaan’, zegt hij rustig. ‘Ons succesverhaal is mede gebaseerd op fouten maken.’ De managing partner-architect van ‘s lands beroemdste architectenbureau kan zoiets gerust zeggen, want de feiten spreken nogal voor hem: in de vijf jaar dat hij leiding gaf aan de vestiging van OMA in China groeide het aantal werknemers er van twaalf naar ongeveer honderd. Het bedrijf bouwde een portfolio op met spraakmakende gebouwen als het Performing Arts Centre in Taipei en hij coördineerde de afbouw van het hoofdkwartier van de Chinese staatstelevisie in Beijing. Dat hij af en toe een steek heeft laten vallen, zal dus niemand hem kwalijk nemen. Zelf leerde hij er vooral van. ‘We hadden een ontwerp gemaakt voor het West Kawloon Cultural District in Hong Kong’, vertelt hij ter illustratie. ‘Ons ontwerp was heel erg grassroots, gericht op de gebruikers van het gebied, waardoor we de publieke opinie ervoor hadden gewonnen. Zelfs onze concurrenten vonden ons voorstel het beste. Toch kregen we de opdracht niet, omdat we de belangen van de politieke opdrachtgevers fout hadden ingeschat. Voor hen was dit project een echte showcase, wat ook uit het ontwerp moest blijken. Foster&Partners en lokale concurrenten die dat wél begrepen kregen de opdracht. Als we meer oog hadden gehad voor die politieke kant van de zaak, had dat ons vijftien jaar werk opgeleverd. Zo’n fout maak je niet nog een keer.’

SPRAAKMAKEND ‘Ik denk dat veel mensen hun geloof zijn verloren in de architectuur als kritische bijdrage aan de samenleving. Architectuur is veel meer dan een soort decorum.’

Gianotten is alweer een goed halfjaar terug in Nederland. In de hoek van zijn Rotterdamse kantoor staat een houten, zwart met rode kast die vreemd contrasteert met de strakke maquettes die erop staan. ‘Die heb ik meegenomen uit Hong Kong. Ik kocht hem daar om ook Chinese elementen in ons kantoor te hebben. Voor klanten was dat belangrijk.’ Het illustreert zijn visie op het vakgebied: om goede architectuur te kunnen ontwerpen, moet de architect zich bovenal inleven in de verwachtingen en behoeften van de opdrachtgevers. Een ontwerp van OMA moet méér bieden dan wat de opdrachtgever vraagt. ‘Wij zoeken altijd naar de vraag achter de vraag. Bij het Taipei Performing Arts Centre kregen we bijvoorbeeld het verzoek om drie grote theaters naast elkaar te ontwerpen. Toen we op de plaats gingen kijken, viel op dat de meest gebruikte nachtmarkt van de stad daar lag. Die levendige plaats van ‘lage cultuur’ moest volgens de opdrachtgevers wijken voor ‘hoge cultuur’. Wij hebben echter een ontwerp gemaakt dat die twee werelden aan elkaar verbindt. Iedereen kan nu het gebouw binnen gaan en het functioneren zien, ook zonder kaartje.’ Inzicht krijgen in de behoeften van de opdrachtgevers vereist veel meer dan technische vaardigheden en oog voor architectonische vormgeving. Al tijdens zijn studietijd in Eindhoven liet hij zich leiden door de wens om die aanvullende vaardigheden op te doen. In plaats van simpelweg het curriculum van de faculteit Bouwkunde te volgen, trok hij zijn eigen plan.

‘Inventiviteit en kritiek horen onlosmakelijk bij elkaar. Als alles altijd van een leien dakje gaat, word je niet kritisch en ook niet inventief.’

Altijd op zoek naar de vraag áchter de vraag

‘Niets is onmogelijk. Dat is wat anders dan the sky is the limit. Het gaat erom dat je vol moet gaan voor je ideeën.’

‘Voor mijn ontwikkeling is het heel belangrijk geweest dat ik ook vakken kon volgen aan allerlei andere faculteiten, dingen die volgens mij belangrijk waren voor mijn vakgebied: businessprincipes van bedrijven, de sociale aspecten van ontwerpen, de manier waarop mensen een ruimte gebruiken, talenkennis. Ik wil namelijk de mensen met wie ik om de tafel zit begrijpen. Opdrachtgevers zijn vaak niet voor die taak geschoold, maar hebben ideeën die gehoord moeten worden. Je hebt sociale vaardigheden nodig om op die ideeën te reflecteren.’ Dat gaat zeker op in China, waar de opdrachtgever meestal nauw betrokken is bij het ontwerpproces.


nr.12 september 2015 / MAGAZINE VAN de

Loopbaan David Gianotten David Gianotten (1974) is managing partnerarchitect van het Office for Metropolitan Architecture (OMA), opgericht door de architect Rem Koolhaas. Sinds 2009 tot begin dit jaar gaf Gianotten leiding aan Aziatische OMA-projecten vanuit de vestiging in Hong Kong. Onder zijn verantwoordelijkheid bouwde OMA een portfolio op van indrukwekkende bouwwerken in China, zoals

‘Als ik iets ontwerp voor Shell, komt de voorzitter van de raad van bestuur zelden aan mijn tafel zitten. Maar toen we de Shenzhen Stock Exchange ontworpen, schoof de baas wekelijks aan om cruciale beslissingen in het project in de vergadering te nemen. De westerse benadering is om specialisten veel verantwoordelijkheid te geven en pas tegen het einde mee te praten over het ontwerp. In Azië heeft specialisme en expertise veel minder betekenis, daar gaat het om je ideeën en hoe je die wilt realiseren.’ Dat heeft niet alleen gevolgen voor het ontwerpproces, maar ook voor de besluitvorming die aan de opdracht voorafgaat. Zo kent Azië geen ingewikkelde aanbestedingsprocedures zoals in Europa. ‘In het westen vinden we het belangrijk dat iedereen evenveel kans heeft om de opdracht te krijgen. Opdrachtgevers kijken daarbij vooral naar ervaring: wat heb je in het verleden al gebouwd? In Azië kan die ervaring handig zijn om aan de tafel te worden uitgenodigd, maar je wordt er niet op beoordeeld. Het gesprek zal gaan over je ideeën: wat heb je te bieden?’ De afwezigheid van gereguleerde aanbestedingsprocedures maakt het Aziatische systeem wel vatbaar voor corruptie, geeft Gianotten toe. Toch velt hij er liever geen oordeel over. Sterker nog, hij ergert zich zichtbaar aan westerlingen die dat wél doen. ‘Ik heb zes jaar lang keihard geprobeerd om de cultuur te begrijpen en daar een rol in te vinden. Dat is gelukt. Er zijn genoeg bedrijven die daarin niet slagen, omdat ze alleen vanuit hun eigen modus operandi willen werken. De wereld is niet zo zwart-wit: democratie of niet-democratie, oosten of westen, noorden of zuiden. Ik snap dat mensen eraan vasthouden, maar zo zit de wereld niet in elkaar.”

het Performing Arts Centre in Taipei, het Handelsgebouw van Shenzhen en het hoofdkwartier van de Chinese staatstelevisie in Beijing. Voordat hij zich in 2008 aansloot bij OMA, was hij onder andere managing director van SeArRC. Hij studeerde Bouwkunde aan de TU/e, waar hij in 1998 afstudeerde. Gianotten is getrouwd en heeft twee kinderen.

Bovendien heeft de Aziatische aanpak een belangrijk voordeel waar Europa nog iets van kan leren: ook jonge mensen zonder indrukwekkend portfolio krijgen er kansen om hun ideeën te realiseren. Dat maakt de bouwwereld innovatiever. ‘De context is zo anders: in Europa kijken we naar wat we al gepresteerd hebben. In Azië gaat het over wat er nú nodig is: ze hebben er heel veel in te halen, dus de innovatie moet er sneller gaan. Ik zeg niet dat een van de twee werkwijzen beter is, maar gewoon anders.’

‘Innovatie gaat veel sneller in de Chinese bouwwereld’

Zijn promotie tot managing partner van OMA bracht hem van ‘bouwput-China’ terug naar ‘bouwcrisis-Nederland’. Hij moet weer opnieuw integreren. Daarbij laat hij zich niet ontmoedigen door de mineurstemming in de bouw. ‘We zijn een land van klagers’, zegt hij lachend, ‘dat is nu niet anders dan toen ik vertrok. Het onderwerp is alleen veranderd.’ Gianotten ziet vooral kansen voor verandering, vooral jonge mensen die niet denken in rolpatronen. Doorbouwen op wat tot nu toe is gedaan, werkt immers niet meer. ‘Procedures hebben hier de overhand, die sturen alle verwachtingen. In plaats van bij voorbaat ideeën als onmogelijk terzijde te schuiven, denk ik dat je eerst uit volle overtuiging voor een idee moet gaan en het eventueel later pas moet aanpassen.’ Op de vraag welke in Azië opgedane leerlessen hij hier zou kunnen gebruiken, moet hij even nadenken. ‘Ik heb in Azië geen truc geleerd, geen methode die ik elders kan toepassen’, zegt hij langzaam, ‘maar ik ben wel veel rijker geworden in mijn manier van zoeken naar een oplossing.


3

NUMMERS VOOR

10

Ga naar www.newscientist/ slash

New Scientist verandert je kijk op de wereld met fascinerende ideeën uit de wetenschap. Het van oorsprong Engelse magazine is het grootste weekblad .... ter wereld op het gebied van wetenschap en technologie. De Nederlandstalige editie verschijnt maandelijks met diepgaande achtergrondartikelen en opinie. Het combineert de beste internationale artikelen met eigen kopij, waarin de focus ligt op Nederlands en Belgisch toponderzoek.

Ideeën die de wereld veranderen


13

kopstuk/

Als je wilt innoveren, moet je je openstellen voor andere denkwijzen en daar iets mee doen.’ Die open houding mist hij in Nederland soms. ‘Mensen die bijvoorbeeld zeggen dat nieuwkomers zich moeten aanpassen, vergeten dat iedereen zich moet aanpassen aan de samenleving zoals die is.’ Architectuur kan bij dat integratie­ proces een rol spelen, denkt Gianotten. ‘Architectuur heeft een verbindende functie. Architecten kunnen publieke ruimten en gebouwen creëren waar mensen uit alle culturen en alle lagen van de bevolking elkaar kunnen ontmoeten. Interactie is de sleutel voor integratie.’

Welkom terug in het land van klagers Aan de Hong Kong University was hij een aantal jaren visiting professor. Binnen het schoolse Chinese systeem stimuleerde hij studenten te zoeken naar wat hun eigen unieke bijdrage aan de architectuur zou kunnen zijn. Nu hij weer hier is, zou hij graag een vergelijkbare rol vervullen voor Nederlandse studenten, wellicht in Eindhoven. Hoewel zijn keuze voor de TU/e indertijd voornamelijk praktisch was - zijn familie komt uit Brabant en hij kon op hoog niveau blijven voetballen - kijkt hij zeer positief terug op zijn studieperiode. ‘Mensen zagen dat ik een eigen agenda had: ik wilde architect worden, maar wilde veel meer in mijn tasje hebben dan ontwerptechnieken. Decanen en docenten hielpen me daarbij en dat was ontzettend leuk. Een universiteit is niet een verlenging van school, maar een plek waar je ideeën en kennis vormt. In Eindhoven was dat vanzelfsprekend.’

nr.12 september 2015 / MAGAZINE VAN de


14 15

alumni/

Tekst Norbine Schalij en Tiny Poppe Foto’S Bart van Overbeeke, privÊ-archieven en archief tu/e

Zestig jaren onderwijs aan de TU/e Van eenrichtingsverkeer van professor naar student tot ontwerpgericht onderwijs tot doorgeluste colleges in het Bachelor College. De onderwijsvormen aan de TU/e zijn in de loop van zestig jaren flink veranderd. En ook de wijze waarop studenten dit onderwijs tot zich nemen, is met de tijd meegegaan; van strak in het pak tot in korte broek en teenslippers. Slash sprak zeven alumni over knijpcolleges, lessen Italiaans en de opkomst van de digitalisering.


nr.12 september 2015 / MAGAZINE VAN de

Frans van Empel (1943) Afgestudeerd in: 1971 Studie: Elektrotechniek

‘Hoogleraren waren een soort halfgoden’ ‘Een dag op de universiteit begon ‘s ochtends met een hoorcollege dat werd gegeven door een hoogleraar, gevolgd door een practicum of instructie ’s middags dat door een wetenschappelijk medewerker werd verzorgd’, herinnert Frans van Empel zich uit de tijd dat hij Elek­ trotechniek studeerde aan de toen nog Technische Hogeschool. ‘Tijdens het hoorcollege zaten we met wel honderd studenten in de collegezaal te luisteren naar de hoogleraar. Bij instructie kreeg je nadere uitleg over de inhoud van het college. Dat was soms ook hard nodig omdat deze soms wel, maar soms ook niet goed waren. Aan de hand van opgaven kon je de stof uit het hoorcollege oefenen, het waren meer voorproefjes van tentamens. Tijdens het practicum moest je een voorgeschreven experiment uitvoeren en daarvan een verslag maken.’

Hij herinnert zich de grote afstand tussen de hoogleraar en de studenten in die tijd. ‘Als de hoogleraar binnenkwam dan stond iedereen op, het was muisstil in de zaal. Het was zeker niet de bedoeling dat je een vraag stelde en je sprak hem nooit met de voornaam aan. De omgang was heel formeel en afstandelijk. Hoogleraren waren een soort halfgoden. Als je als student mondeling tentamen moest doen, dan kwam je in een blauw pak. Iedereen wist dan: die heeft het zwaar nu.’ Hij kijkt met veel plezier terug op zijn tijd als student-assistent waar hij bij prof.dr. J.A. Poulis het prototype van de voorloper van de huidige ‘clickers’ ontwierp. De hoogleraar wilde met deze zogenaamde ‘onbegripsmeter’ achterhalen of de stof aansloeg bij de studenten. Hij wilde zo voorkomen dat de studenten nog een tweede keer tentamen moesten doen. Lachend denkt hij terug aan het eerste prototype. ‘Dat bestond uit houten wasknijpers met elektroden die door middel van een snoer met elkaar verbonden waren. Nadat de hoogleraar een ‘ondubbelzinnige’ vraag had gesteld waar alleen met ja of nee op geantwoord kon worden, moesten de studenten de wasknijper indrukken en zo kreeg hij zijn ‘feedback’. Ja, dat was een leuke tijd.’


16 17

alumni/

De onderwijsvormen die Van de Ven zich herinnert, zijn colleges, instructies en practica. Practica voor Elektro vonden plaats in de E-hoog-laboratoria. Maar de natuurkundepractica zoals lichtproeven en lichtmetingen kreeg hij het Hoofdgebouw.

Mari van de Ven (1945) Afgestudeerd in: 1973 Studie: Elektrotechniek

Tentamens in parochiehuizen Mari van de Ven was Elektrostudent ten tijde van de opening van het Auditorium (27 april 1966). Het in gebruiknemen van dat gebouw maakte een eind aan het ruimtegebrek voor colleges aan de Technische Hogeschool. Elektrostudenten hadden in 1965 colleges in E-hoog en het Paviljoen, maar ook in het centrum van Eindhoven: het oude Augustinianum en de Kapel, beide aan de Kanaalstraat. Van de Ven had in zijn eerste jaar tentamens in allerlei locaties in de stad, bijvoor­ beeld in de danszaal van dansschool Need aan de Biesterdwarsweg, schouwburgzaal Katholiek Leven aan de Wal en verschillende parochiehuizen. ‘Na de opening van het Auditorium werden de tentamens - op zaterdagochtenden - daar afgenomen en de colleges en instructies ook.’

Geen haast om af te studeren ‘Ik vond mijn studie ontzettend leuk’, zegt Magdaleen Kroese. Het eerste jaar bestond voor de helft uit praktijkopdrachten en voor de helft uit colleges. Die colleges volgde ze iedere ochtend in het Auditorium, de ontwerp- en tekenopdrachten deed ze ’s middags in het Paviljoen.

‘Colleges werden in de ochtend gegeven. Na een ‘academisch kwartiertje’ startte de professor een twee uur durend hoorcollege. Na een kwartier pauze volgde het volgende vak. De prof droeg zijn college voor en de studenten dienden te luisteren, althans stil te zijn. De dictaten waren uitstekend; de prof volgde die bijna letterlijk. Daarmee kon je je college voorbereiden of zelfstandig doornemen, als je er niet meer in mocht wanneer je te laat was. Want als je te laat was dan moest je buiten of in de kantine wachten tot je in de pauze weer kon aansluiten. Soms hield een portier de wacht.’ De elektro-alumnus noemt zijn docenten op vakgebied deskundig. ‘Aan didactische kennis ontbrak het soms wel. Er waren professoren bij die in de getrapte collegezalen alleen naar hun wetenschappelijk medewerkers keken die op de eerste rij zaten. Ze hadden geen oog voor de studenten die vaak iets hogerop zaten.’ Die studenten droegen voornamelijk pakken of combinaties van pantalon en colbert. ‘Er waren professoren die opmerkingen maakten wanneer een student in trui kwam. Binnen de afdeling Bouwkunde, die een jaar later startte, was alternatieve kleding eerder in zwang.’ Na zijn vooropleiding aan de HBS-B moest Mari van de Ven vooral wennen aan het tempo en de vaktermen. Gelukkig kreeg hij veel steun van studiegenoten. ‘Bij Elektro was een mentorensysteem waarbij circa tien studenten regelmatig samenkwamen met twee begeleiders. Daardoor leerden we elkaar kennen en we hielpen elkaar. Twee weten meer dan één.’

Magdaleen Kroese (1959) Afgestudeerd in: 1988 Studie: Bouwkunde

Bouwkundestudenten werden verdeeld in groepen van twintig studenten; achttien jongens en twee meiden. Die groep bleef het hele jaar bij elkaar onder de naam P-atelier met daarachter de naam van de begeleidende docent. Kroese zat in het P-atelier van Harrie Janssen. Na het halen van haar propedeuse koos Kroese de hoofdrichting voor haar kandidaats; architectonisch ontwerpen. ‘We deden twee projecten

per jaar waar we alle middagen in de week aan besteedden. De opdracht was bijvoorbeeld ‘ontwerp een nieuwe winkelstrip’ en je koos er dan zelf een vakgroep bij.’ Kroese koos bijvakken als filosofie, Italiaans (véél studiepunten) en psychologie van de gebouwde omgeving.


nr.12 september 2015 / MAGAZINE VAN de

‘De practica ’s middags waren veel interactiever. Het samen met je medestudenten in kleine groepen aan de slag gaan met opdrachten vond ik veel leerzamer en interessanter. Ik leerde samenwerken en als ik vragen had, kon ik die direct stellen. Dat doe je niet zo gauw in een college. Ik leer het beste als ik met de stof bezig kan zijn, alleen theorie werkt niet voor mij.’

Frietjhof Croon (1970) Afgestudeerd: 1995 Studie: Technische Bedrijfskunde

‘Ik heb nooit een drempel ervaren’ De onderwijsvorm in de periode dat Frietjhof Croon Technische Bedrijfskunde studeerde bestond uit ’s ochtends colleges en ’s middags practica. ‘De ochtend­ colleges, soms met wel driehonderd man, woonde ik niet zo heel vaak bij, enerzijds omdat het de avond ervoor vaak laat werd en anderzijds omdat over het algemeen de syllabus werd voorgelezen. Dat voegde niet zo heel veel toe voor mij. Deze vorm van onderwijs vond ik erg veel zenden en passief’, vertelt Frietjhof Croon ruim twintig jaren nadat hij de deur van de TU/e achter zich sloot.

Het onderwijs was in het Nederlands, een enkele keer gebruikten ze een Engels boek. ‘We maakten sommen onder begeleiding van student-assistenten bij het wiskunde­ practicum, we tekenden wel eens een naakt­ model bij het practicum handtekenen van Slothouber en Dubbelman en bij architec­ tonisch ontwerpen moesten we uit een bonk klei een huis maken waarin het begrip massa tot uitdrukking kwam.’Veel opdrachten werden volgens Kroese filosofisch benaderd. ‘Mijn begeleider bij ontwerpen was professor Gerard van Zeijl en hij sprak met opzet cryptisch. Hij ging er vanuit dat je de architectuurtheorie wel beheerste.’ ‘Voor het kandidaats stond drie jaar en daarna zou je in één jaar kunnen afstuderen. Dat gebeurde niet vaak.’ Studenten hadden

Hij herinnert zich dat vanaf het derde jaar ook de colleges in de keuze­ vakken zoals Internationale Productie en Logistiek en Inkoopmanage­ ment van Arjan van Weele een stuk kleinschaliger, interactiever en interessanter werden. Dat sprak me erg aan dus die volgde ik wel altijd.’ Met groot plezier denkt hij terug aan het strategische BRAVO-project (Brabants Vervoer en Verlader Onderzoek) tijdens zijn afstuderen. Twintig studenten uit diverse studierichtingen, 8 wetenschappers, 150 verladers en 150 logistieke dienstverleners waren erbij betrokken. ‘Het was voor het eerst dat er zoveel partijen deelnamen aan een afstudeerproject. Daar heb ik ontzettend veel van geleerd: vooral van het samenwerken met een grote groep mensen afkomstig uit verschillende bedrijven en studierichtingen. Vanwege die grote groep en het strategisch belang van het project, voelde ik me veel verantwoordelijker; anderen waren tenslotte ook afhankelijk van mij. Dit was niet alleen een erg leuke tijd, maar ook een heel goede manier van afstuderen én tegelijkertijd een goede voorbereiding op mijn werk.’ Croon is lovend over het prettige en open contact tussen studenten en docenten aan de TU/e. ‘Ik kon altijd bij iedereen aankloppen; of het nu ging om vakken en practica of om stages en afstuderen. Ik heb nooit een drempel ervaren, ook niet bij hoogleraren. Die waren wel altijd heel druk en regelmatig afwezig maar je kon er toch goede afspraken mee maken.’

door dat er in de jaren tachtig in de bouwwereld weinig banen voor het oprapen lagen. ‘Misschien hadden we daarom geen haast.’ De aansluiting op de praktijk had in de ogen van de architect beter gekund. ‘Ik mocht me na het afstuderen meteen architect noemen en aan ’t werk. Maar ik had nooit geleerd wat het betekent om in opdracht van iemand te werken. Dat je te maken hebt met tijdsdruk, budget en gebruikers. Ik zou bijna zeggen dat ik ben opgeleid als kunstenaar, niet als iemand die betaald wordt en daarvoor een tegenprestatie moet leveren. Ik had geen idee hoe ik een honorarium berekende. Dat heb ik uiteindelijk geleerd uit een brochure van de BNA, de branchevereniging voor Nederlandse architecten.’


18 19

alumni/

Van floppy naar TU/e-notebook

Sander Holm (1972) Afgestudeerd in: 2000 Studie: Bouwkunde

Toen Sander Holm in 1990 aan zijn studie begon, was hij de trotse bezitter van een XT-computer met een harde schijf van maar liefst 20 MB. Computers die aan de TU/e werden gebruikt werkten nog met floppies en bezaten geen harde schijf. De meeste studenten schreven verslagen met de hand. Slechts een paar jaar later had iedereen een veel snellere eigen pc en was het normaal om verslagen geprint in te leveren. ‘Ik heb het omslagpunt in digitalisering meegemaakt. Het begon met een kleine rol voor computers en eindigde met hun volledige overheersing. Vanaf 1997 werd het zelfs standaard voor eerstejaars gebruik te maken van een notebook via de TU/e. En de eerste mailadressen waren er pas in 1994.’ De snelheid van de digitalisering vond Holm fantastisch. ‘Ik besefte hoe hard het ging. Geweldig! Ik houd van innovatie.’ Er veranderde wel meer in de jaren die Holm aan de TU/e beleefde. Hij zag de OV-kaart komen, de prestatiebeurs werd ingesteld en zijn eigen studiepad werd verlengd met een extra collegejaar. ‘Ik begon aan een vierjarig curriculum maar omdat ik dingen niet op tijd af had, kwam ik in het nieuwe curriculum van vijf jaar terecht. De computergerelateerde vakken als AutoCAD die ik al gehaald had, moest ik opnieuw doen in een nieuwe versie. Het aanpassen van mijn curriculum was wel eens onduidelijk. Maar ik kon naar een studieadviseur voor overzicht.’

Holm hoorde bij de laatste lichting vóór de prestatiebeurs. Hij kreeg, zonder verplichtingen anders dan in twee jaren zijn propedeuse te halen, zes jaren lang studiefinanciering. ‘Wij hadden meer tijd om uit te zoeken wat we wilden in het leven. Het was makkelijker om te wisselen van studie, we hadden tijd voor bestuursfuncties. Niet dat het alleen ‘lang leve de lol’ was, hoor.’ Het gaf de Bouw­ kundestudent tijd om met anderen studenten­ buitensportvereniging All Terrain op te richten en in verschillende commissies bij SSRE actief te zijn. De beste onderwijsvorm vond Holm het teamwerk zoals hij dat bij Building Technology deed. ‘Je had te maken met groepsleden die het anders deden dan de meerderheid wenste. Dan moet je beslissen wat te doen met de inbreng van die persoon. En ik weet nu dat dat dicht bij de werkelijkheid komt wanneer je een baan in de bouw hebt.’


nr.12 september 2015 / MAGAZINE VAN de

Carlijn Compen (1983) Afgestudeerd in: 2007 Studie: Industrial Design, eerste lichting

‘Heerlijk om een proefkonijn te zijn’ Carlijn Compen hoorde bij de eerste zeventig studenten die startten met de opleiding Industrial Design. In het Studiolab op de begane grond van het Hoofdgebouw leerden ze elkaar goed kennen en zagen ze de faculteit fysiek groeien. ‘Er kwamen steeds meer verdiepingen bij.’ Compen vond het prima om een proefkonijn te zijn. ‘We hadden geen colleges en geen tentamens maar veel projectwerk en individuele opdrachten. Er waren zeer veel coaches uit het bedrijfsleven. Vanaf dag 1 werkte ik aan een project voor een concrete klant. Dat was het Rotterdamse Museum Boijmans Van Beuningen.’ Ze heeft het gevoel in het diepe te zijn gegooid en noemt de overgang van haar gestructureerde en zeer theoretische middelbare school in België naar de TU/e een cultuurschok, ‘maar wel een positieve. Ik zocht een praktische studie. Bij de open dag was er eigenlijk nog niets te zien en het Studiolab was nog een bouwput, maar ik zag er wel interessante mensen.’ Tussen ID en andere faculteiten was nauwelijks interactie, alleen met Bouwkunde werd in Vertigo het atelier gedeeld. Compen vindt het jammer dat ze nooit colleges bij andere opleidingen heeft kunnen volgen. ‘Het had me heel interessant geleken. Ik denk dat het ook andersom goed werkt; dat Werktuigbouwde-studenten bij ID bijvoor­ beeld leren hoe je gebruikersbehoeftes naar boven haalt. Ik begrijp dat dat nu in het Bachelor College wel kan.’

Compen heeft nooit een wiskundeles gehad aan de TU/e. ‘Die heb ik ook niet gemist. Als ik het nodig had gehad, dan had ik het kunnen regelen. Ik heb het gevoel dat ik geen nutteloze zaken heb geleerd, maar puur de dingen die ik nodig had.’ Alles deed ID anders dan andere faculteiten. Compen benadrukt dat ze alleen over haar eigen studie-ervaringen kan vertellen, ‘want er is vaak veel veranderd.’ Het beoordelingssysteem bijvoorbeeld. Daar was een competentieframework voor bedacht. Je kreeg na een half jaar projectonderwijs en assignments geen cijfer maar een letter. Voor de eerste lichting ID’ers was dat een P (van pass; door), een Q (questionable), of een N (not pass; betekende een half jaar helemaal overdoen). Later kwam er een N* bij, voor studenten die het niet gehaald hadden, maar toch nog een kans kregen. ‘Ik zat in de faculteitsraad en herinner me dat het beoordelingssysteem vaak op de agenda stond.’ Wat ook veranderde was het idee om studenten vakantiedagen te geven. ‘We werden junior employee genoemd en er werd een veertig­ urige werkweek van ons verwacht. Dat laatste was inderdaad praktijk, maar vakantiedagen geven werkte niet.’


20

alumni/

Leren samenwerken tijdens Honors Academy

Onno Kuip (1988) Afgestudeerd in: 2012 Studie: Technische Bedrijfskunde (Master Innovation Management)

In Onno’s studietijd was OGO, ofwel Ontwerp Gericht Onderwijs, het toverwoord. Bij deze nieuwe vorm van onderwijs die rond 2000 werd ingevoerd, werken studenten samen aan ontwerpopgaven in multidisciplinaire teams, zodat ze deze ervaring na hun studie als creatieve professionals kunnen toepassen in de praktijk. Het traditionele onderwijsmodel met hoorcolleges, werkcolleges en practica leverde niet meer de door het bedrijfsleven gewenste ingenieurs op. Naast veel colleges, vooral in het eerste jaar, zelfstudie en begeleide werkuren bracht Kuip als gevolg van deze nieuwe onderwijsmethode vele uren door in groepen. ‘Door de opdrachten leerde je de stof toe te passen op cases uit de praktijk. Een goed voorbeeld is de logistieke optimalisatie van een bierbrouwerij, waarbij de aanvoer van producten afgestemd is op de vraag uit de markt. Ik heb inmiddels ervaren dat samenwerken in een groep in de beroepspraktijk heel anders verloopt. Collega’s kun je, in tegenstelling tot je mede-studenten, gemakkelijker ter verantwoording roepen. Tijdens mijn periode in de Honors Academy heb ik het meest geleerd over samenwerking met andere disciplines; meer dan tijdens OGO. Zo heb ik samen met een natuurkundestudent een scheikundig probleem opgelost. Communiceren met iemand uit een ander vakgebied en goed kunnen schakelen heb ik daar pas echt ervaren en ontwikkeld.’

Doorlussen colleges van basisvakken

Terugkijkend prijst Kuip de TU/e vanwege haar goede onderzoek en onderwijs, maar ziet wel verbeterpunten. ‘Je wordt er analytisch erg sterk ontwikkeld, maar je leert (te) weinig over jezelf, waar je goed in bent, wat je graag wilt, wat je drijfveren zijn, waar je talenten liggen. Wat dat betreft begin je na je studie bij nul. Persoonlijke ontwikkeling zou een integraal onderdeel van je studie moeten zijn. Ook als je in een groep werkt, zou je moeten reflecteren op wat goed en minder goed ging. Zo ontwikkel je jezelf als mens en dat heb je als ingenieur minimaal net zo hard nodig in je loopbaan. Dat merk ik nu goed als trainee bij ORMIT.’ De docenten straalden volgens Kuip gezag uit vanwege hun kennis , maar het contact onderling was goed en gemakkelijk. ‘Met professoren was de afstand groter. Als je met een professor een gesprek moest voeren, wilde je goed voorbereid zijn. Als ze merkten dat je je goed had verdiept in de stof, dan waren ze erg behulpzaam en hartelijk. Wij als studenten gingen overigens niet al te respectvol met de docenten om, omdat we meestal meer aandacht hadden voor onze laptops en mobiele telefoons dan voor de collegestof.’

In het Bachelor College krijgen alle zien hoe hij met pijl en studenten basisvakken: boog een Wiskunde, bal lon door midden spiets Natuurwetenschappen, t. Modelleren, Ontwerpen, User, Socie ty & EnterVoor de massale colleg prise en Professionele vaa es zijn de rdigheden. zal en in het Auditorium te Deze vakken verzorgen klein; voor 1.400 in 2014 is een miljoen eur (2012) of 1.700 (2014) o geïnves­ eerstejaars teerd om colleges digitaa vergt een hele organisat l do or ie. Toegepaste te lus sen naar tweede zalen Natuurwetenschappen wa ar werd studenten en docent elk bijvoorbeeld in 2012 ges aar via tart met een scherm kunnen zie een proef door docent n. Richard Engeln in de open ruimt e van het Auditorium, waar 700 studenten (de eerste portie) tegelij k konden


3TU. School for Technological Design

STAN ACKERMANS INSTITUTE

Op zoek naar een innovatieve oplossing voor een technisch en/of logistiek vraagstuk binnen uw organisatie? Doe een beroep op de expertise van 3TU.School for Technological Design, Stan Ackermans Institute.

Resultaten boeken met innovatieve oplossingen Wordt uw organisatie geconfronteerd met een uitdagend technisch of logistiek vraagstuk dat opgelost moet worden? Dan is een Professional Doctorate in Engineering (PDEng) trainee of technologisch ontwerper van 3TU.School for Technological Design, Stan Ackermans Institute (3TU.SAI) voor u een aantrekkelijke optie. Over ons 3TU.SAI verzorgt tweejarige post-master technologische ontwerpersopleidingen die leiden tot een Professional Doctorate in Engineering (PDEng) graad. Het instituut is een samenwerkingsverband van de Technische Universiteit Delft, de Technische Universiteit Eindhoven en Universiteit Twente. Resultaten In het tweede jaar van de opleiding voert de PDEng trainee een ontwerpopdracht uit, zowel voor als binnen het bedrijfsleven. De PDEng trainee wordt daarbij uiteraard begeleid door universitaire experts van 3TU.SAI. Dankzij hun vooropleiding als ingenieur en de aanvullende scholing binnen de ontwerpersopleidingen zijn onze PDEng traineess uitstekend in staat een technologisch vraagstuk in goed overleg met u als opdrachtgever zelfstandig op te lossen. Programma’s en tracks Voor een compleet overzicht van de programma’s en tracks aangeboden door 3TU.SAI, zie www.3tu.nl/programmes. Voor een brochure of meer informatie kunt u contact opnemen met 3TU.SAI, 040 - 247 2452 of sai@3tu.nl. www.3tu.nl/sai/corporate


22 23

ingezoomd/

Weefselcoupe Tekst Tom Jeltes Beeld UMC Utrecht / Biomedical Image Analysis

Om een prognose en optimale behandeling te kunnen bepalen voor kankerpatiĂŤnten wordt een stukje weefsel (een biopt) weggenomen, waarvan een plakje van enkele micrometers dik, de zogeheten coupe, onder de microscoop wordt gelegd. De coupe wordt gekleurd met speciale kleurstoffen om de lichaamscellen beter zichtbaar te maken. Op de gedigitaliseerde microscopische afbeelding kan nog verder worden ingezoomd (zie de inzet). Een patholoog probeert vervolgens aan de hand van weefselkarakteristieken zoals de grootte en de vorm van de cellen, en aan de mate van celdeling,

de ernst van de tumor te bepalen. In de groep Medische Beeldanalyse van de TU/e worden computer­ algoritmen ontwikkeld die deze analyse sneller en nauwkeuriger kunnen uitvoeren. In het groen zijn de automatisch gevonden celkernen aangegeven. Aan de hand hiervan kan ook de grootte van de cellen worden vastgesteld. Computers kunnen veel sneller grote hoeveel­ heden informatie analyseren dan de arts en zijn bovendien objectiever in staat om diverse soorten informatie combineren tot een afgewogen prognose.


40

keer

is er digitaal ingezoomd op de inzet


24 25

Smart mobility/

Smart Mobility: slimmer, veiliger, beter


Tekst Nicole Testerink Foto’S Bart van Overbeeke en Smart Mobility

nr.12 september 2015 / MAGAZINE VAN de

Mobiliteit geeft ons veel vrijheid en kwaliteit van leven. Maar er kleven ook negatieve aspecten aan het verplaatsen van mensen en goederen: ongelukken, verstoppingen van het verkeersnetwerk en vervuiling. Volgens Carlo van de Weijer, kartrekker van de TU/e strategic area Smart Mobility, kunnen we door het gebruik van technologie die nadelen al in de nabije toekomst richting nul krijgen. En kan het nog slimmer, veiliger en beter.

Z

olang er auto’s zijn, dromen we al van autonoom rijden. Op de Wereld­ tentoonstelling in 1917 werd geroepen dat binnen twintig jaar de eerste zelfrijdende auto op de weg zou verschijnen. En dat beeld is nog niet veranderd. Want ook recent met de berichten over de Google Car werd weer voorspeld dat we op korte termijn in een robotauto zonder stuur zouden kunnen stappen. ‘Autonoom rijden spreekt enorm tot de verbeelding’, zegt Carlo van de Weijer, directeur van de TU/e strategic area Smart Mobility en tevens vice-president Traffic Solutions van TomTom. ‘Ik denk ook zeker dat we binnen een paar jaar al grote stukken met de handen los kunnen rijden; dat helpt om de mobiliteit nog veiliger en schoner te maken.’ Maar er zijn andere vervoerssystemen waardoor de mobiliteit momenteel sterk aan het veranderen is. Bijvoorbeeld het toegenomen gebruik van de fiets en de komst van diensten zoals Uber, dat volgens Van de Weijer nog meer impact heeft dan de robotauto. Waarmee hij nog maar eens benadrukt dat Smart Mobility veel meer is dan de altijd genoemde autonome auto. ‘De strategic area Smart Mobility is maat­ schappelijk zeer relevant. Juist door verschillende competenties te combineren, zijn we innovatief met probleemoplossende research bezig. Inderdaad zijn we als TU/e op het gebied van autonoom rijden heel sterk en wordt er uitgebreid onderzoek verricht naar autonome vervoersystemen, voertuigcommunicatie en omgevingsperceptie. Smart Mobility is het minimaliseren van nadelige effecten van mobi­ liteit op meerdere fronten. Veiligheid is een belangrijk thema; het feit dat auto’s ongelukken maken, is een groter probleem dan de dagelijkse files, nog los van het feit dat de vervelendste files door ongevallen worden veroorzaakt. We werken aan efficiëntere logistiek: minder lege vrachtwagens, slimmere planning, betere

routeinformatie. Een besparing van één procent tikt aan als we praten over een industrie van Europees gezien - zevenhonderd miljard omzet per jaar. En we doen onderzoek naar nieuwe brandstoffen en het verminderen van uitstoot zodat auto’s steeds groener worden. Maar Smart Mobility houdt zich ook bezig met de vraag hoe we de toepassing van nieuwe technologie kunnen versnellen en een transitie op gang kunnen brengen. Of bekijken hoe je een stad moet inrichten om mobiliteitsproblemen te voorkomen. Zo’n model biedt voor huidige steden meer zicht op aanpassingen die gedaan kunnen worden.’

‘Mensen fietsen dankzij e-bikes dubbel zo ver’ ‘We zien dat er een verschuiving gaande is richting individuele mobiliteit. In de toekomst wordt autorijden steeds goedkoper en door technologische verbeteringen minder schade­ lijk voor mens en milieu. Individuele mobiliteit hoeft niet per se ‘alleen in de auto’ te betekenen, het kan ook een taxi met chauffeur zijn. We moeten ons niet te veel vasthouden aan een bepaald concept, soms kan omdenken heel verfrissend zijn. Wat te denken van bijvoorbeeld de e-bike? Dankzij de elektro­ motor zijn mensen geneigd om tot zo’n twaalf kilometer naar hun werk te fietsen, meer dan twee keer zo ver als zonder bekrachtiging. Daarmee bespaar je ook op maatschappelijke kosten omdat mensen gemiddeld fitter blijven. De huidige toename in fietsongelukken kunnen we mogelijk ondervangen door technieken te lenen uit de automotive industrie. Ook daar werken we op dit moment aan. Daarnaast leggen we steeds meer kilometers af; door de geschiedenis heen is er op logaritmische schaal een constante stijging te zien.

Volgens mobiliteitsexperts zit de groei in de vliegvaart, front runners leggen nu al meer kilometers per vliegtuig af dan met de auto. Als TU/e kunnen we daar op inspelen met ons onderzoek naar duurzame brandstoffen.’ ‘Security en privacy zijn ook in ons werkveld grote uitdagingen. Door digitalisering veranderen dingen veel sneller dan mensen kunnen bijhouden. Alles wat een IP-adres heeft, is hackable, dus ook de auto die steeds meer in een rijdende computer verandert. Als uni­ versiteit hopen we leidend te zijn in onzekere tijden en innovatieve ideeën te genereren.’

‘De doorbraak van morgen is het rare idee van vandaag’ ‘Als er ergens frisse ideeën vandaan komen, is het van de nieuwe generatie. Ik zie het als koepel­ beheerder van de TU/e Studententeams. Gedreven studenten met veel talent en ambitie, en vooral met ‘rare’ ideeën. Maar pas op: de doorbraak van morgen is het rare idee van vandaag, dus we staan daar heel erg voor open. Zo’n team is een fantastisch vehikel om onze missie uit te dragen en tevens een uitgelezen kans voor samenwerking met het bedrijfsleven. Voor hen is het een link naar de toekomstige realiteit. Ik roep bedrijven dan ook op om op de een of andere manier bij zo’n team betrokken te raken. Of het nu gaat om directe sponsoring of het testen van componenten, het is een kwadratische win-win situatie. Binnen Smart Mobility gaan de komende tijd kaders omgestoten worden, dan zijn jonge mensen die daar nog niet in vastgeroest zitten essentieel.’


26 27

Smart mobility/

In de vakgroep Dynamics & Control van hoogleraar Henk Nijmeijer wordt veel onderzoek gedaan naar nieuwe vormen van autorijden. Denk daarbij aan de autonome auto, maar in de nabije toekomst ziet Nijmeijer meer mogelijk­heden voor het coöperatieve rijden.

V

raag op straat naar autorijden in de toekomst, en het merendeel komt met de Google Car of een vergelijk­ bare robot-auto. Niet vreemd, zegt Nijmeijer. ‘De auto staat heel dicht bij de mens, en het beeld van zo’n robotauto blijft heel sterk hangen. Toch denk ik dat het autonome rijden, dan hebben we het over robotauto’s, nog wel toekomstmuziek is. Op dit moment zijn veel ontwikkelingen gaande in het coöperatieve rijden. Zie dat als treintje rijden op de weg, zoals een platoon van vrachtwagens met een voorste bestuurder en waarvan de rest

‘Onze auto wordt steeds meer een rijdende computer’ na het aanhaken niets meer hoeft te doen. Zulke systemen kunnen in potentie sneller de markt op. Er zijn al automerken met cooperative adaptive cruise control waarbij twee auto’s draadloos met elkaar verbonden zijn; remt de voorste dan reageert de auto erachter in een fractie van een seconde.’

‘Voor veiligheid of mobiliteit wordt niet betaald’ ‘Ook in Nederland zou op de openbare weg prima coöperatief gereden kunnen worden, ik zie grote voordelen. Door de snellere reactie­ tijd van verbonden auto’s creëren we een stuk extra veiligheid voor de bestuurder. Ook kunnen de voertuigen dichter op elkaar rijden wat zorgt voor een betere doorstroming en daarmee een vermindering van filevorming. En, met name belangrijk voor de transportsector, het brand­ stofverbruik en de uitstoot van schadelijke stoffen is veel lager. Ik verwacht dan ook dat coöperatief rijden het eerst zijn intrede doet in de transportwereld. ‘s Nachts vrachtwagens in colonne de snelweg over, dat is de investering waard. Voor veiligheid of mobiliteit wordt niet betaald, maar brandstofvermindering is meteen in de portemonnee te voelen. Afhankelijk van wat de overheden gaan doen, moeten we inzetten op een interessante casus voor de

transportsector. Vanuit daar kan nieuwe techno­ logie overwaaien richting personenvervoer.’ ‘Aan de TU/e zijn we al lang met coöperatief rijden bezig. We focussen ons nu op een aantal aspecten zoals het automatische sturen. We kunnen de bestuurder als het ware al zijn benen afknippen, maar stuurbewegingen zijn veel complexer. Daarnaast is voertuigcommu­ nicatie natuurlijk heel belangrijk, maar moet ook rekening gehouden worden met de wegkant. Camera’s en beeldanalyse spelen daarin een essentiële rol. En we zien dat de auto steeds meer een rijdende computer wordt. Hoe ga je om met een uitvallende wifi en hoe voorkom je dat men op afstand je auto kan beïnvloeden? Internationaal zijn we met een aantal grote projecten bezig om coöperatief rijden de weg op te krijgen, zoals de Grand Cooperative Driving Challenge. En hier in de regio hopen we in samenwerking met het bedrijfsleven en de gemeentes op termijn een treintje elektrische stadsauto’s tussen de TU/e, het station en de Automotive Campus in Helmond te laten rijden. Het beeld van de bestuurder al krantenlezend achter het stuur kennen we nu wel, hoe mooi zou het zijn als dat straks vervangen wordt door onze autotrein?

Voor meer informatie over de Grand Cooperative Driving Challenge, zie http://www.gcdc.net/


nr.12 september 2015 / MAGAZINE VAN de

Om een autonoom of coöperatief voertuig op de juiste manier te laten voort­ bewegen, is het waarnemen van de omgeving essentieel. Aan de faculteit Electrical Engineering onderzoekt Gijs Dubbelman hoe je op basis van camerabeelden een omgevingsbeeld opbouwt.

Slimme camera­beelden wijzen autonome auto de weg

R

egelmatig rijdt Gijs Dubbelman met speciale camera-apparatuur rond op de snelweg, in de stad of op de TU/e-campus. De opgenomen camerabeelden, gekoppeld aan nauwkeurige voertuiginformatie en gps-coördinaten vormen de basis om de omgevingswaarneming van een voertuig te verbeteren. Een autonoom of coöperatief

Door een camera gedetecteerd beeld van fietsers, werk van Dubbelman en Willem Sanberg.

voertuig maakt aan de hand van die waar­ nemingen een digitaal wereldmodel zodat het zelf kan redeneren op welke manier het van A naar B moet rijden. Dat betekent niet alleen een juiste route kiezen, maar ook welke obstakels er ontweken moeten worden. Je kunt je voorstellen dat een rondje Eindhoven zo een zeer complexe dataset oplevert. ‘De kunst is om steeds meer betekenisvolle informatie uit de auto-sensoren te halen’, legt Dubbelman uit. ‘Een opgebouwd omgevingsbeeld moet driedimensionale informatie bevatten zodat onderlinge afstanden tussen obstakels duidelijk zijn en of dat obstakel een boom, auto of fiets is. En het liefst wil je dat een voertuig ‘begrijpt’ dat een fietser met uitgestoken linkerarm de weg gaat oversteken om linksaf te slaan. We praten dan al snel over complexe patroonherkenning algoritmes, waarvoor nog veel onderzoek nodig is voordat ze betrouwbaar kunnen worden ingezet. Op dit gebied hopen we binnenkort in een groot project diverse samenwerkingen te starten. Waar we nu zelf voornamelijk mee bezig zijn, is het waarnemen tijdens moeilijkere omstandig­ heden. Een voertuig moet zich kunnen redden in een zware regen- of sneeuwbui, maar ook op slechtere wegen zonder belijning. Zo komen we steeds een stapje verder.’


28 29

Smart mobility/

Stella Lux: onbezorgd rijden in de gezinsauto van de toekomst

Een kleine twee jaar fulltime volledige inzet van 22 TU/e-studenten resulteerde begin juli in Stella Lux, de energie-positieve gezinsauto. Solar Team Eindhoven (STE) wil hiermee laten zien dat zonneauto’s en comfortabel rijden heel goed samen gaan. Dit najaar zijn ze met hun ontwerp op wereldtournee, met als start de World Solar Challenge in Australië.

N

ooit meer bang hoeven zijn dat je ergens onderweg strandt dankzij een innovatief systeem dat zelf de energieverdeling over de dag kan bepalen; een connectie met de digitale agenda zodat het systeem weet waar je de volgende dag moet zijn en hoe ver de accu geladen moet zijn. Een touchpad met tastbare balk zodat je aandacht op de weg gericht blijft. Centrale deurontgrendeling aan de hand van smartphonedetectie. Volgens Solar Team Eindhoven zijn dit enkele features die Stella Lux de gezinsauto van de toekomst maken. Een stuk duurzaamheid gecombineerd met intelligentie en comfort. Maar het meest revolutionaire aan hun nieuwste zonne-auto is het feit dat deze energie-positief

is: hij wekt meer energie op dan hij verbruikt. ‘Een nieuwe manier van denken over transport’, zegt Liselotte Kockelkoren, accountmanager van STE. ‘Het is niet meer puur van A naar B rijden, maar ook extra energie opwekken die aan het stroomnet geleverd kan worden. De berekeningen zijn voor Nederland gedurende een heel jaar uitgevoerd, dus een extreme hoeveelheid zonne-uren is geen vereiste om in de plus te rijden.’ ‘Hoewel het voor de World Solar Challenge belangrijk is een snel voertuig te ontwerpen, was het voor ons duidelijk dat we in de lijn van Stella, onze vorige vierpersoons zonne-auto, verder moesten. Natuurlijk heeft een platte wagen met twee koepeltjes een grotere

winkans, maar wij willen het verschil maken. Een volgende stap laten zien binnen het concept zonne-rijden en daarom hebben we een betrouwbare, comfortabele gezinsauto gebouwd.’ Met het winnen van een Crunchie de Oscar van de Technologie - voor zonne-auto Stella begin dit jaar, wist STE dat zij met deze keuze een juiste beslissing hadden gemaakt. ‘Er zit toekomst in onze auto. En ondanks dat er gedegen concurrentie is binnen onze klasse in de World Solar Challenge, maken we zeker een goede kans onze wereldtitel te verdedigen. En daarnaast hopen we in ieder geval veel mensen te kunnen inspireren door het laten zien van nieuwe mogelijkheden.’


nr.12 september 2015 / MAGAZINE VAN de

Het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek komt tot bloei binnen de automotive studententeams. Zij ontwikkelen en bouwen verschillende voertuigen waarmee ze internationaal de strijd aangaan met teams van andere universiteiten. De TU/e telt op dit moment zes actieve Automotive Student Teams. 1

Smart Mobility & studententeams

2

3

4

5

1. InMotion: een doorlopende leerlijn combineert mbo, hbo en wo in een project. InMotion heeft zichzelf als doel gesteld een elektrische raceauto te bouwen en zich te plaatsen voor de Garage 56-competitie tijdens de 24hours van Le Mans in 2017. Deze wedstrijd gaat over topsnelheid en is een platform voor de allernieuwste technologie die in de racerij net zo bekend is als de SuperBowl. Helaas zijn de ambitieuze studenten niet door naar de kwalificatie voor de 24hours. Het team bekijkt andere mogelijkheden om de auto alsnog te laten rijden.

2. Solar Team Eindhoven: De publiekslieveling en een game changer in de tweejaarlijkse World Solar Challenge in Australië. Als eerste gezinsauto op zonne-energie kwam Solar Team Eindhoven in 2013 met een vierpersoons auto om mee te doen in de klasse voor gezinsauto’s tijdens de wedstrijd die dwars door de outback voert. Met een indrukwekkende visie en realisatie van een auto in slechts één jaar stond het team vanuit het niets op een wereldpodium. Het nieuwe team staat inmiddels klaar om de titel in oktober 2015 met Stella Lux te verdedigen. 3. TU/ecomotive: de zuinige stadsauto van TU/ecomotive doet jaarlijks mee aan de Shell Ecomarathon. Studenten met een missie: aandacht voor schonere, zuinigere en slimmere auto’s. In mei 2015 presenteerde het team Nova, de schoonste stadsauto, tijdens de AutoRAI.

4. URE: Elektrisch racen, dat is wat University Racing Eindhoven (URE) doet. Ieder jaar bouwt een nieuw team studenten een raceauto om mee te doen aan een internationale studentencompetitie in Duitsland, Spanje, Oostenrijk en Engeland.

5. STORM: in 80 dagen de wereld rond op een elektrische motor. Studenten van STORM treden in de voetsporen van Jules Verne en gaan meedoen aan de 80DR in 2017.

FAST (niet op de foto): De jongste en misschien wel meest bijzondere telg in de studententeams op het gebied van automotive. Zij hebben namelijk het idee opgevat om een auto op mierenzuur te bouwen.

Liselotte Kockelkoren


30 31

alumni/

Alumni

als coach voor studenten Als alumnus studenten en jonge alumni helpen bij vragen over hun carrière? Sinds kort kan dat via het Alumni Coach Network, een online community waarbij masterstudenten en jonge alumni aan ervaren TU/e-alumni worden gekoppeld. Daarnaast worden bij Werktuigbouwkunde sinds vorig collegejaar alumni ingezet die tweedejaars bachelorstudenten laten kennismaken met het werkveld van de ingenieur.

Studente Ria Sijabat in een videoskypegesprek met haar coach Ard Koeken.


Tekst Judith van Gaal Foto Bart van Overbeeke

Z

al ik het bedrijfsleven ingaan of ga ik voor een promotietraject? Welke vakken kan ik het beste kiezen en welke vaardigheden zijn belangrijk op de arbeidsmarkt? Vragen waar je als student vast mee rondliep en waar ook de huidige studenten mee zitten. Bij Scheikundige Technologie is in maart een pilot gestart waarbij alumni als vraagbaak dienen voor studenten en ze helpen bij hun carrière-oriëntatie. Die pilot is nu TU/e-breed uitgerold. Via een online netwerk (tue.nl/coachnetwork) maken studenten zelf een keuze uit de alumni die zich online als coach hebben aangemeld. De alumnus coacht de student volgens afspraken die ze onderling maken. Volgens Ingrid de Kort, senior communi­ catieadviseur Alumni Relaties, was het idee van het Alumni Coach Network al eerder geboren, maar kreeg het vastere vormen toen vorig jaar het projectteam Coaching, guidance & professional skills binnen de opzet voor de Graduate School van start ging. ‘Alumni zijn waardevolle ambassadeurs die de nieuwe generaties studenten - dus de toekomstige ingenieurs - kunnen inspireren. Zij weten als geen ander hoe het is om aan de TU/e te studeren en te gaan werken met een ingenieursdiploma op zak. Het Alumni Coach Network is een laagdrempelige manier om alumni als coach in te zetten voor onze studenten.’

Sparren met een ervaringsdeskundige Ard Koeken is een van de alumni die zich heeft aangemeld als coach bij de pilot. Hij studeerde van 1997 tot 2003 Scheikundige Technologie, deed aansluitend een promotie­ traject en van 2007 tot 2009 was hij postdoconderzoeker aan de TU/e. Hij werkt nu als research engineer bij Dow Chemical. Koeken: ‘Het leek me erg leuk om te doen; voor de afwisseling en om mijn ‘mentorkant’ te ontwikkelen. Ik heb altijd binding gehouden met de academische wereld en ben geïnteresseerd in wat studenten beweegt. Ik heb nu verschillende keren contact gehad met twee studenten en heb het idee dat ik ze goed op weg heb kunnen helpen.’

nr.12 september 2015 / MAGAZINE VAN de

Ria Sijabat is een van die twee studenten. Ze koos Ard Koeken als mentor omdat hij ervaring heeft als promovendus en postdoc in de wetenschappelijke wereld en nu actief is in het bedrijfsleven. ‘Ik twijfel tussen een wetenschappelijke carrière of gaan werken in een bedrijf. Dat vind ik een erg moeilijke beslissing en Ard helpt me stap voor stap om te bedenken wat ik zelf wil in plaats van te kijken naar waar mensen me goed in vinden. Een van die stappen was aanschuiven bij een bedrijfsdiner en ik heb ook met mijn professor gesproken. Het belangrijkste doel is om zoveel mogelijk voor- en nadelen op een rijtje te zetten van het bedrijfsleven ingaan of te promoveren. Omdat Ard in Terneuzen woont, hebben we vooral via videoskype contact gehad. Het mentor­ programma heeft me meer opgeleverd dan ik had verwacht. Zo heeft Ard me met mijn cv geholpen en hij heeft me goed op weg geholpen met nadenken over wat ik wil.’ Bart Hendriks wilde vooral eens sparren met een ervaringsdeskundige over zijn vakkeuzes voor de master. Tussen de alumni­ profielen in het online netwerk zocht hij naar gemeenschappelijke interesses en de match bleek er te zijn met Ard Koeken. ‘We bleken beiden geïnteresseerd in katalyse, polymeren en procestechnologie. We hebben eerst gemaild en vervolgens vier keer een Skype-gesprek gehad van meer dan anderhalf uur per keer. Ard heeft me goed kunnen helpen in het kiezen van mijn vakken. Ik vind het namelijk moeilijk om een goed idee te krijgen van welke vakken goed zijn voor mijn toekomst. We hebben het ook gehad over hoe het is om in een bedrijf te werken. Wat wordt van een chemisch ingenieur verwacht, welke taken voer je uit en welke verschillen zijn er tussen bedrijven? We hebben het meeste besproken, maar met vragen kan ik hem altijd mailen.’ Ook bij Werktuigbouwkunde zijn alumni ingezet als coach, maar dan voor tweedejaars en op een andere manier. Initiatiefnemer Corinne Jongeneelen, opleidingsdirecteur bij Werktuigbouwkunde, vertelt: ‘We wilden vooral meer bewustzijn creëren bij studenten: wat voor banen zijn er voor werktuigbouwkundigen, hoe kunnen ze zich ontwikkelen en hoe belangrijk is het om een netwerk te

hebben? Uit de Nationale Studenten Enquête bleek dat studenten zich onvoldoende voorbereid voelen op het werkveld. Dit initiatief zorgt voor een extra ondersteuning in het keuzeproces in de Bachelor en maakt het toekomstperspectief concreter.’ In totaal deden 40 alumni hieraan mee en rond de 130 studenten. Tijdens een speeddate zijn studenten en alumni aan elkaar gekoppeld.

Lascursus en bijles Later hadden de meeste studenten via Skype contact met hun coach en sommigen live. Aan het eind van het traject wisselden studenten hun ervaringen uit. Bram Lomans, een van de deelnemende studenten, was aanvankelijk sceptisch over het nut van de exercitie, maar kijkt er nu heel positief op terug. Tijdens de speeddate koos hij TU/ealumnus Jasper Winkes als coach, oprichter van het bedrijf Fistuca bv. ‘Je krijgt er in je studie weinig van mee hoe het is om je eigen bedrijf op te starten. Wat wordt er van je verwacht in het bedrijfsleven, wordt er naar cijfers gekeken? We hebben op de campus afgesproken en Jasper heeft me meegegeven hoe belangrijk het is om je tijdens je studie te verbreden. Als je bijvoorbeeld lassers moet aansturen, is het handig als je daar meer van weet. Ik ben nu van plan een lascursus te volgen en wil bijles geven om mijn presentatievaardigheden op te schroeven. Het heeft me net dat extra zetje gegeven.’

Wil jij ook coach worden? Ben jij een ervaren alumnus/alumna (tot ca. 25 jaar geleden afgestudeerd) en wil je een masterstudent coachen en daarmee ook je eigen coachings­ vaardig­heden ontwikkelen? Meld je dan aan via tue.nl/coachnetwork. Jonge alumni mogen zich aanmelden om gecoacht te worden.

Belangstellende alumni van Werktuigbouwkunde die tweedejaars bachelor­ studenten willen coachen kunnen zich wenden tot Corinne Jongeneelen via c.j.m.jongeneelen@tue.nl.


32 33

VONK/

Waar werd de kiem gelegd voor de liefde voor techniek bij hoogleraren van de TU/e: de Vonk.

Tekst JOEP HUISKAMP Foto’s Bart van Overbeeke

Hoe het internet der dingen

géén onvoorspelbaar zootje wordt

Antonio Liotta (47) bekleedt sinds 2008 de leerstoel Communication Network Protocols aan de faculteit Electrical Engineering. Liotta werd geboren in Messina in Italië, maar verliet zijn geboorte-eiland Sicilië om te gaan studeren in Pavia en Milaan. Vanuit daar maakte hij de overstap naar University College London voor zijn promotieonderzoek. In Eindhoven doet hij onderzoek naar slimme communicatieprotocollen voor massive-scale networks. Hij voorziet dat het alsmaar uitdijende internet (der dingen) ten onder gaat als er niet gauw nieuwe communicatiemechanismen worden geïmplementeerd die zijn geïnspireerd op de natuur.

‘Ik wilde al wetenschapper worden toen ik nog een tiener was. Om te begrijpen hoe dingen werken, moet je allereerst nieuwsgierig zijn. Ik haalde radio’s uit elkaar en probeerde ze dan weer in elkaar te zetten. Ik had een leraar met een passie voor computers die ons na school leerde programmeren in BASIC. Sicilië mag dan de geboortegrond zijn van Archimedes, toch zijn de Siciliaanse universiteiten niet al te relevant op bètagebied. Dat heeft niks te maken met kwaliteit, maar het financieringsbeleid van de overheid maakt het niet gemakkelijk om een wetenschappelijke carrière op te bouwen. Daarom ben ik destijds in Noord-Italië gaan studeren. Een van mijn hoogleraren raadde

me aan te kiezen: óf promoveren in een ander land en daar gaan wonen, óf in Italië blijven. Het idee in Italië te blijven vond ik niet erg aanlokkelijk.

‘We werken met protocollen uit de jaren zestig terwijl het internet zich razendsnel ontwikkelt’ In Eindhoven werk ik nu aan slimme communicatie ten behoeve van de toekomst

van het internet. Iedereen heeft het over ‘het internet der dingen’. Er zitten tegenwoordig overal sensors in, van tennisrackets tot intelligent textiel. Alles kan meten en data verzamelen. In de toekomst zal het gaan om een triljoen objecten. Welke protocollen zijn nodig om al die triljoen dingen met elkaar te verbinden? Internet is een uitvinding uit de jaren zestig en verbindingen liepen toen via kabels. Nu werken we nog steeds met die oude protocollen, terwijl communicatie al tijden draadloos en alomtegenwoordig is. Het internet herprogrammeert zichzelf veel sneller dan wij kunnen bijhouden en zo ontstaan er onvoorspelbare patronen. Waarom dat een probleem is? Omdat een


34 35

VONK/

communicatiesysteem staat of valt met de voorspelbaarheid van de bron, de bestemming, de vorm en het volume van het dataverkeer. We willen niet dat het internet een onvoorspelbare, draadloze wirwar wordt, dus wachten ons flinke uitdagingen. Met een triljoen knooppunten heb je een kernractor nodig om genoeg energie op te wekken om ze te kunnen laten communiceren. En dan zit je nog met interferentie. Met de huidige protocollen beoordelen knooppunten de situatie om vervolgens om beurten signalen uit te zenden. Dat werkt echter niet als er zich duizend sensoren in één kamer bevinden. Al hun tijd en energie zou dan gebruikt worden om te bepalen op welk moment ze mogen communiceren.

‘We laten ons inspireren door netwerken uit de natuur’ We bekijken nieuwe protocollen die zijn gebaseerd op automatisch leren en laten ons daarbij inspireren door netwerken uit de natuur. Er bestaat misschien geen compleet model van de hersenen, maar sommige technieken die de hersenen gebruiken, zijn wel degelijk bekend. Neem automatisch leren. Als je wilt honkballen, moet je een bal kunnen raken met een honkbalknuppel. Je hersenen zijn niet snel genoeg om de precieze route die de bal aflegt te berekenen. Dus leer je door schade en schande. Je oefent en mist net zo lang tot je raak slaat - het moment dat je hersens hebben geleerd te anticiperen op het ingewikkelde actiereactie-element van het spel. Hedendaagse communicatiesystemen zijn net zo complex als biologische systemen zoals onze hersenen. En ze moeten efficiënt werken in voorspelbare situaties. Automatisch leren is het soort wiskunde dat aansluit bij deze aanpak. Het is een manier van leren die zeer efficiënt zou zijn in een complex netwerk. Het is een beetje als de Darwinistische revolutie:

als je kúnt leren, kun je je aanpassen aan een constant evoluerend systeem. Ik heb ‘The Cognitive Net is Coming’ geschreven, een artikel in IEEE Spectrum Magazine. Ik zeg daarin dat het internet ten onder gaat als we niet met een routing komen die geïnspireerd is op de biologie. Dat bleek een controversieel onderwerp. De reacties varieerden van ‘fantastisch idee’ tot ‘klinkklare nonsens’. Blijkbaar heb ik een gevoelige snaar geraakt die een paradigmaverschuiving blootlegde. De huidige internetprotocollen zijn heel simpel, maar werken niet goed als de data­overdracht onbetrouwbaar is.

‘We moeten af van die typische ingenieursaanpak’ Het internet der dingen draait niet alleen om meer verbindingen en meer data. De uitdaging is om betrouwbare verbindingen te realiseren met onbetrouwbare communicatielinks, en liefst ook nog energiezuinig en met hoge efficiëntie. We moeten af van die typische ingenieursaanpak, die vaak pragmatisch is in plaats van visionair. Om het internet te verbeteren wordt er tegenwoordig voornamelijk geïnvesteerd in extra servers of netwerkcapaciteit. En als dat tot nu toe altijd heeft gewerkt, waarom zou je het systeem dan omgooien en er een lerend netwerk van maken? Nou, als je van een miljard naar een triljoen knooppunten gaat en van voorspelbare naar onvoorspelbare netwerkpatronen, dan bereik je een fysieke grens. Het huidige internet kan niet omgaan met complexe netwerken. Dan stort het in. Als we dat willen voorkomen, moeten we een nieuwe set protocollen ontwikkelen die samenwerken in plaats van elkaar in de weg zitten en zich autonoom kunnen aanpassen als er nieuwe dataverkeerpatronen ontstaan. We werken nu aan tastbare projecten om

die nieuwe netwerkconcepten te bewijzen en ons idee de goede kant op te sturen. We blijven natuurlijk een technische universiteit! We hebben een piepklein, standaard sensortje volledig geherprogrammeerd met een automatisch leerprogramma van maar 20KB. We hebben het de anomaliedetector gedoopt. Het kan licht en temperatuur in zijn directe omgeving meten en registreert


a.liotta@tue.nl

communicatieproblemen zoals interferentie. In slechts een korte observatieperiode leert het patronen herkennen en normale en abnormale situaties van elkaar onderscheiden, allemaal zonder voorkennis. Hightech bedrijven zijn misschien niet per se geïnteresseerd in automatisch leren, maar als we ze een werkend prototype laten zien, vinden ze de technologie toch ontzettend boeiend.

nr.12 september 2015 / MAGAZINE VAN de

De TU/e is een fijne werkplek, maar we moeten meer derde-geldstromen aanboren. De universiteit moet ideeën genereren, want ideeën trekken geldmiddelen aan. Ik vind dat Europa meer moet investeren in fundamentele, kleinere projecten. Ik heb allerlei project­ ideeën. Over tien jaren weet ik waarschijnlijk veel beter hoe complexe netwerken functioneren. En ik zou heel graag samenwerken

met biologen en neurowetenschappers, zodat ik automatisch leren ook in andere vakgebieden kan toepassen. We weten niet hoe de miljarden neuronen in de hersenen met elkaar zijn verbonden, maar we kunnen wél bepalen welke neuronen cruciaal zijn. Er is al een algoritme dat dat snel kan berekenen. Ik hoop dat ik neurowetenschappers die techniek in de toekomst kan laten zien.”


36 37

5x1/

Groener purschuim Purschuim (poly­urethaan) wordt onder meer gebruikt in matrassen en om woningen mee te isoleren. Een van de belangrijkste bouwstenen van purschuim is propeenoxide. Bij de productie van dit molecuul komen echter schadelijke chloorhoudende stoffen vrij. Dulce Perez Ferrandez onderzocht nieuwe katalysator­ deeltjes met goud waarmee propeenoxide op een eenvoudigere manier kan worden gemaakt. Omdat water het voornaamste bijproduct is, is deze alternatieve productie­ methode veel milieuvriendelijker dan conventionele methoden.

De activiteit van eiwitten reguleren met DNA Antilichamen zijn eiwitten die steeds vaker worden gebruikt voor de behandeling van ziektes zoals kanker en chronische ontstekings­ reacties. Een groot nadeel is dat deze therapieën vaak gepaard gaan met bijwerkingen, omdat het betreffende ‘target’-eiwit ook bij gezonde cellen aanwezig is. Brian Janssen onderzocht hoe je de activiteit van antilichamen kunt controleren door een op DNA gebaseerde blokker te gebruiken. Deze blokker hecht aan het antilichaam en maakt deze onschadelijk. Via toediening van een zogeheten ‘trigger’ kan het antilichaam selectief worden geactiveerd. De methode maakt op een bijzondere manier gebruik van DNA: niet als drager van genetische informatie, maar als moleculaire bouwsteen.

5X1 minuut

Slash spitte door de stapel meest recente proef­schriften en licht er vijf uit. Dat is in vijf minuten informatie opnemen waar je anders uren aan had ­moeten besteden.


nr.12 september 2015 / MAGAZINE VAN de

Levensduur van accu’s in hybride voertuigen Hybride elektrische voertuigen bevatten zowel een verbran­ dingsmotor als een elektrische accu. De Toyota Prius en Mitsubishi Outlander zijn bekende voorbeelden van personen­ auto’s met deze technologie, maar er worden ook hybride trucks ontwikkeld met een accu. Hoe lang deze accu meegaat, is essentieel voor het welslagen van deze technologie, die ertoe moet bijdragen dat we in 2020 twintig procent minder CO2 uitstoten dan in 1990. Thinh Hong Pham ontwikkelde een regel­ strategie, onder meer met een extra koppe­ ling, om een optimale balans te bereiken tussen brandstofgebruik en levensduur van de accu. Dat moet de aanschaf van hybride trucks rendabel maken.

Algen automatisch herkennen Algen zijn belang­ rijker dan mensen denken, al was het maar omdat het merendeel van de zuurstof die we inademen door hen wordt geproduceerd. Metingen aan algen in water helpen ons daar­ naast om de veiligheid van zwemwater te waarborgen, en om gevaarlijke algenbloei in een vroeg stadium te herkennen. Het identificeren, tellen en sorteren van algen gebeurt nu nog handmatig, maar Allison Schaap ontwikkelde een klein apparaatje dat dit goedkoper en sneller kan doen. Het ‘hart’ van het apparaat is een kleine glazen chip met piepkleine kanaaltjes en (licht)golfgeleiders, die hierin zijn aangebracht met een speciale laser.

Veiliger en comfor­ tabeler rijden Comfort en veiligheid zijn twee essentiële eigenschappen van een auto. Tom van der Sande droeg zijn steentje bij aan beide aspecten door regelaars te ontwikkelen voor semi-actieve ophanging en zogeheten ‘steerby-wire’. Hij zocht hierbij naar een gulden middenweg tussen de deinende demping van een typisch Amerikaanse auto, en een ‘harde’ demping zoals in een snelle sportwagen. Bij ‘steer-by-wire’ neemt de auto het stuur in noodsituaties over, bijvoorbeeld om te voorkomen dat de auto over de kop slaat. Ook toonde hij aan dat de veiligheid nog verder kan worden vergroot door het dempingssysteem te koppelen aan de stuurregelaar.


38 28 39

Planner/Verkenner

Beiden rondden aan de TU/e een studie af. De planner koos het pad dat het meest in lijn is met zijn opleiding. De verkenner waagde zich buiten de grenzen van zijn opleiding. Buiten het boekje Als kind al een echte bèta? Mwah, ik had geen chemiesetje of telescoop. Ik was wel een goede leerling en sterk in rekenen. Ook hield ik van eindeloos bouwen met lego, nieuwe dingen scheppen. Ik combineerde alle sets tot ik een volledig werkende kermisattractie of robot had, en volgde nooit het boekje. Ik heb drie studies overwogen: natuurkunde, geneeskunde en scheikundige technologie. Het werd een combi: biomedische technologie. Al moest ik wennen aan mijn nieuwe leven in Eindhoven; qua opleiding wist ik meteen dat het goed zat. Met name de exacte vakken op het gebied van modellering, stromingsleer en regeltheorie vond ik geweldig.

Voor de klas Na mijn opleiding wilde ik docent worden op de middelbare school; tijdens mijn afstuderen had ik als invalkracht ook al voor de klas gestaan. De herhaling stond me echter tegen. Ik vond mijn afstudeeronderzoek en stage - bij één van de grote mannen op MRI-gebied, professor Marc Haacke in Michigan zó leuk en ik besefte dat ik nog niet uitgeleerd was. Dus wilde ik graag promoveren. Een mede-afstudeerder wees me op een project in Nijmegen rond het schatten van rekken in de hartwand met 3D-echografie. Ik wilde eigenlijk in Eindhoven blijven, maar heb de stap gewaagd - achteraf een gouden zet. Daar ben ik van ‘jonge belofte’ opgeleid tot een volwaardige en volwassen onderzoeker.

Tekst Monique van de Ven foto Bart van Overbeeke

Kansen Tijdens een promotiezitting in Maastricht raakte ik aan de praat met Frans van de Vosse, mijn huidige leidinggevende, hoofd van de groep Cardiovascular Biomechanics. Hij zocht een postdoc voor een tijdelijke positie in Maastricht, waar hij deeltijdhoogleraar was. Uiteindelijk ben ik met Frans naar zijn eigen groep verhuisd. Tijdens deze postdoc ben ik begonnen met het opzetten van een aantal studies en het schrijven van mijn eerste projectaanvraag - met een Veni-subsidie als resultaat.

Ultrasound Ultrageluid is en blijft, naast röntgen, één van de werkpaarden in de kliniek. Voor cardiovasculaire toepassingen is het juist beter dan ándere methodes. In eerste instantie was ik meer gefocust op de analyse van de ultrasoundsignalen en -beelden voor verschillende toepassingen: het hart, bloedvaten en skeletspieren. Nu ben ik veel fundamenteler. Mijn onderzoekslijnen hebben twee gezichten: enerzijds de fundamentele ontwikkeling van nieuwe imaging-technieken, anderzijds het ontwikkelen van nieuwe methodes gebaseerd op de combi van - mechanische modellen met 2D-4D ultrasound-data. Belangrijk zijn hierbij experimentele validatie en de vertaling naar de kliniek. Na mijn vaste aanstelling als UD ben ik begonnen aan de inrichting van een echt ultrageluidslab, PULS/e - het eerste binnen BMT. Daar ben ik ontzettend trots op. Verder wil ik mijn ‘clubje’ op organische wijze laten groeien tot een volwaardige onderzoeksgroep.

PLANNER RICHARD LOPATA Leeftijd 35 Functies • Universitair docent TU/e-faculteit Biomedische Technologie, gespecialiseerd in Cardiovascular Ultrasound & Modeling • Postdoc TU/e • Postdoc Maastricht University • Promotietraject Radboud Universitair Medisch Centrum, ‘2D & 3D Ultrasound Strain Imaging (Methods & In Vivo Applications)’ Studie • 1998-2004 Biomedische Technologie, TU/e


Tekst BRIGIT SPAN foto BART VAN OVERBEEKE

nr.12 september 2015 / MAGAZINE VAN de

Erin rollen en doorrollen Mijn studie en carrière zijn nooit uitgestippelde paden geweest. Ik was goed in scheikunde, maar ook in wis- en natuurkunde. Wat me over de streep trok, was dat alles is te herleiden tot scheikunde. Zonder al teveel hobbels haalde ik in vijf jaar mijn TU/e-diploma. Toen realiseerde ik me: ‘En nu? Ik wil geen technoloog worden bij Shell, wat moet ik?’

Bezinning Die vraag bleef knagen na diverse banen. Toen ik na een reorganisatie weg moest, besloot ik een periode van bezinning in te lassen. Het eerste dat ik deed, was me aanmelden als vrijwilliger bij de meldkamer van de Dierenbescherming. Dierenwelzijn heb ik altijd belangrijk gevonden, maar met een drukke baan en een jong gezin was daar weinig tijd voor. Nu had ik de kans.

Galgo We kregen een reality check toen een vriend van ons plotseling overleed. Mijn man en ik realiseerden ons: ‘Het leven is kort, wat wil je nog écht doen?’ Hij wilde een eigen zaak opzetten en ik wilde graag een hond. Hij ging aan de slag met EigenEnergie.net, een bedrijf in advies, verkoop en plaatsing van zonnepanelen. Ik ging ondertussen op zoek naar een rustige hond die bij ons gezin paste. Na googelen kwam ik uit op de Galgo. Ik verdiepte me in het ras en leerde over het trieste lot dat elk jaar 50.000 van deze windhonden in Spanje treft nadat ze zijn afgedankt voor de jacht. Er heerst daar een mythe onder de jagers dat hoe meer je huidige hond lijdt, hoe beter je volgende hond wordt. Dat betekent een vreselijke dood voor de afgedankte honden. Ik besloot dat ik een Galgo wilde adopteren. De eerste hond was Lizzy, zij zat al in Nederland bij een pleeggezin. Het bleef niet bij één hond; Odin volgde al snel vanuit Sevilla. Hierna ben ik betrokken geraakt bij de Stichting Galgo Support Holland. Ik organiseer mede activiteiten, ga af en toe mee op werkbezoek naar asiels in Spanje en zit in het pleegteam.

Ik help hiermee honden op weg naar hun definitieve baasje. Tot nu toe hebben we vier honden in de pleeg gehad. Ik sta er nuchter en realistisch in: we nemen ze op in ons gezin, maar we houden ze niet. Het goede gevoel dat je meerdere honden kunt helpen weegt zwaarder dan er zelf nog een permanent bij nemen.

Bewustwording Terugkijkend had geneeskunde of diergeneeskunde misschien beter bij me gepast, maar ik heb geen spijt van mijn studiekeuze; het heeft me gebracht waar ik nu ben. Ik hoop dat we onze kinderen kunnen meegeven dat ze bewuster kiezen voor een studie en wat ze willen in het leven. Voor de nabije toekomst hoop ik dat ons eigen bedrijf, - waarvoor ik inmiddels bijna drie jaren werk - goed blijft lopen, maar ik kijk niet verder dan een paar jaar vooruit. Het gaat hartstikke goed; naast de particuliere sector zijn we nu ook actief in het bedrijfsleven. We hebben grote klanten binnengehaald zoals Mars en AH XL en hebben inmiddels zeven mensen in dienst. Daar haal ik zeker voldoening uit, maar als ik eerlijk ben, gaat mijn hart pas écht sneller kloppen als ik een hond aan een gouden mandje kan helpen.

VERKENNER Franka van den Boomen-Thijssen Leeftijd 39 Functies • Financiële administratie / verkoop binnendienst / medewerker backoffice EigenEnergie.net • Vrijwilliger bij Stichting Galgo Support Holland • Vrijwilliger Dierenbescherming • Handhaver gemeente Best • Inspecteur arbeidsomstandigheden in de industrie bij de Arbeidsinspectie • Engineer bij Xerox Studie • 1994 - 1999 Scheikundige Technologie, TU/e


40 41

Apps, wearables en swallowables hoe kan technologie ons helpen gezonder te leven?


Tekst Nicole Testerink foto’s Bart van Overbeeke ILLUSTRATIES Anabella Meijer

nr.12 nr.1september november 2015 2011 / MAGAZINE VAN de

In de strijd tegen welvaartsziektes als diabetes en obesitas, maar ook qua gezondheid in het algemeen zijn er steeds meer digitale hulpmiddelen te vinden. Denk aan serious games, apps die ons helpen om gezond te leven of wearables die allerlei lichaamsfuncties en -waardes registreren. Preventie is een hot topic, met een groeiende doelgroep die graag zelf de touwtjes in handen wil houden. Maar is gezond leven niet slechts een feel goodonderwerp en spelen ontwikkelaars met hun digitale hulpmiddelen niet in op de zoveelste hype? Of zorgen technologische trends juist voor een omwenteling in de gezondheidszorg?


42 43

ij binnenkomst legt Peter Portheine een futuristisch ogend apparaatje op tafel. Diverse wenkbrauwen gaan omhoog. Het blijkt de Scanadu Scout, een scanner die in enkele seconden diverse vitale functies - hartslag, bloeddruk, temperatuur en zuurstofsaturatie - kan meten door hem tegen het voorhoofd te houden. Het is een mooi voorbeeld van waar het hem deze discussiemiddag om draait: hoe krijgen we de samenleving bereid om technologie in het dagelijkse leven toe te laten? Portheine is een van de zes Opdracht-deelnemers die in de sporthal van het Studentensportcentrum bijeen zijn gekomen. En hoewel discussieleider Lucas Asselbergs wat volley- en basket­ ballen heeft klaargelegd om zijn groep ook letterlijk tot actie aan te zetten, lijkt dat zich te beperken tot verhitte tafelgesprekken over technologie, life style en gezondheid. ‘Wat is gezondheid?’, gooit Hans Brands in de groep. ‘Als ziekenhuis zijn we steeds meer een kenniscentrum dat niet alleen bezig is met doen waarin we goed zijn - mensen beter maken - maar juist steeds meer zichtbaar aan de voorkant om ziekte te voorkomen. Dan gaan we er dus vanuit dat gezondheid meer is dan niet-ziek zijn.’ ‘We moeten ook de chronische aandoeningen niet vergeten’, zegt Portheine. ‘Volgens de definitie van de WHO is gezondheid een toestand van volledig lichamelijk, geestelijk en maatschappelijk welzijn. In dat licht zou een groot deel van de bevolking niet gezond zijn, alleen al omdat meer dan de helft een chronische aandoening heeft. We kunnen gezondheid daarom beter zien als het vermogen zich aan te passen en een eigen regie te voeren, in het licht van de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven.’ ‘En we hebben te maken met een ageing society’, valt Loe Feijs bij. ‘Mensen worden steeds ouder waardoor bepaalde condities vaker voorkomen. Aangezien preventie over het algemeen goedkoper is dan medische interventie, denk ik dat we

steeds meer die richting op gaan.’ Brands: ‘Vroegdiagnostiek en thuisbehandeling vallen ook in dat rijtje. Maar het heeft wel allemaal te maken met de bereidheid van mensen te veranderen en hierin mee te groeien. Bij ons ligt een stuk verantwoordelijkheid om nieuwe technologie op een juiste manier toe te passen.’

Nieuwe technieken kunnen ook óngezonder maken

Als er over nieuwe technologie in de zorg gepraat wordt, vindt Joost van Hoof dat de nadruk teveel op ict ligt. En dat is jammer, want juist aan lowtech hulpmiddelen valt nog veel te verbeteren en hun invloed op de gebruiker kan groots zijn. ‘Nieuwe technieken kunnen mensen ook ongezonder maken. Denk aan automatische gordijnen. Heel handig dat je die met een druk op de knop kunt laten sluiten, maar het resulteert ook in minder beweging en mogelijk verlies van functie. Zo’n noviteit is niet altijd de oplossing. Met een aangepaste deurgreep van een paar tientjes kan iemand langer zelf de deur open blijven doen, daar heb je geen dure automatische deurontgrendeling voor nodig. Misschien minder sexy, maar wel heel doeltreffend.’ Anne Maas knikt instemmend. ‘Simpele oplossingen werken vaak het beste.’


nr.12 september 2015 / MAGAZINE VAN de

Al snel deelt Asselbergs een stapel felgekleurde memoblaadjes uit voor een brainstormronde. Het is niet de vraag of, maar hóe technologie ons leven gezonder kan maken en wat moeten we daar dan voor doen? Er wordt een tijd in stilte nagedacht en vooral veel geschreven. Dan pakt Asselbergs een papiertje op dat van Hoof lachend terzijde heeft geschoven. Slechts een enkel woord, dubbel onderstreept: fiets. Van Hoof licht toe: ‘Mensen moeten op meerdere vlakken in beweging komen, dan denk ik meteen aan de fiets. Lowtech.’ ‘Maar jouw lowtech-oplossingen gaan wel hand in hand met hightech’, wijst Feijs hem direct terecht. ‘Ik kom bijna altijd op de fiets naar mijn werk dankzij websites zoals Buienradar. Daar zit een aardig stukje technologie achter. Maar het maakt wel dat ik nu een gezondheids­ritueel in mijn dagelijkse leven heb ingebouwd. En wat te denken van de elektrische fiets?’

Hans Brands

Een ander punt dat ter sprake komt, is de automatisering van diagnostiek. Specialisten zitten vaak eindeloos te diagnosticeren, terwijl ze met deze tijd ook iets beters zouden kunnen doen, meent Chris Snijders. ‘Er zijn veel modelmatige manieren om diagnostiek op een grootschalige manier te bedrijven. Het is een kwestie van simpelweg implementeren van wat we weten, daar hoeven we niets nieuws voor te maken. Bovendien kost het minder en zullen er minder fouten gemaakt worden. Daar valt een enorme slag te maken.’ Maas ziet daar zeker voordelen van. ‘Het instellen van medicatie bij diabetespatiënten gebeurt vaak op basis van trial and error. Terwijl er in de literatuur beschreven staat: bij een patiënt met die en die waardes, doorloop deze stappen. Dat zou een computer bij wijze van spreken meteen kunnen voorschrijven.’ Ook op het vlak van polyfarmacie en de bijwerkingen die kunnen ontstaan bij

Loe Feijs

inname van meerdere medicijnen zou een dergelijke aanpak op wereldwijde schaal voordelig zijn, meent van Hoof. Toch blijft Snijders hameren op het zetten van een stap verder. ‘Er zijn zoveel medicijnen en we verwachten niet dat een huisarts alle kruisproducten uit z’n hoofd weet. Iedereen snapt dat je dat beter in een computer kunt implementeren dan in huisartsen. Maar het gaat mij ook om het stellen van een diagnose op basis van waardes, dat kan voor een groot deel gemodel­leerd.’ Portheine: ‘Denk aan Spotify en Airbnb; ook in de gezondheidsbranche zijn er dergelijke bedrijven die op de loer liggen om deze sector volledig te veranderen. Met de komst van de smartphone groeien de mogelijkheden exponentieel. Het is een kwestie van tijd tot thuisdiag­ nostiek net zo betrouwbaar is als in een ziekenhuis. En preventie: twee keer per dag doorlichten, even een app erbij halen voor een stukje interpretatie en voorspellingen.

Peter Portheine

Directeur Health Innovation Campus Veldhoven.

Hoogleraar Industrial Design of Embedded Systems aan de faculteit Industrial Design, TU/e.

Programmamanager Health Brainport Development en directeur SlimmerLeven 2020.

‘Bij het toepassen van nieuwe technologie draait het om willen, kunnen, mogen en het uiteindelijke doen’

‘Datastromen nemen toe door apps die van alles registreren en daar ligt onze uitdaging: hoe geven we betekenis aan deze informatie?’

‘Bewustzijn rondom gezondheid is maatwerk, elke doelgroep vraagt zijn eigen specifieke benadering’


44 45

Nu meten we nog aan de zieke mens en aan topatleten, maar straks is dat voor iedereen.’ Van Hoof huivert: ‘Heel mooi, al die apps, wearables en swallowables, maar wanneer mijn smartphone me gaat vertellen hoe ik moet leven, verdwijnt hij direct de prullenbak in.’

Baas over eigen data Willen we inderdaad wel alles meten en weten, en is alles wel relevant wat je meet? En wie wil alles weten, ben je dat zelf of is dat eigenlijk iemand anders? De discussie verschuift richting big data, veiligheid en privacy. ‘We verzamelen straks een enorme berg aan data, wat gebeurt daarmee? Als ik iets weet over mezelf, en ik ben de eigenaar van die data is dat oké. Maar als jan en

alleman daarmee aan de haal kan, vind ik dat niet oké. Er zijn genoeg gladjanussen die met die data kwade bedoelingen hebben en er geld mee willen verdienen. Datamining wordt steeds belangrijker’, stelt Feijs. ‘Toch weet de burger niet wat ze daarmee aan moet’, zegt Maas. ‘Smartwatches worden

een paar keer gebruikt en verdwijnen dan in een la. Er valt iets voor te zeggen om deze data te verzamelen, ze liggen er toch. Misschien kun je er zelf niets nuttigs mee, maar iemand anders wel.’ Feijs, geagiteerd: ‘Ja, geld aan mij verdienen.’ Maas nuanceert. ‘Een grote diabetespompfabrikant verzamelt

Anne Maas

Chris Snijders

Hoofd Expertisecentrum Gezondheidszorg en Technologie Fontys Hogescholen.

PhD-student aan de faculteit Biomedische Technologie en Technische Natuurkunde en bezig met serious gaming voor patiënten met Diabetes Type II.

Hoogleraar Sociologie van Techniek en Innovatie aan de faculteit IE&IS, TU/e, en medeontwerper van de app OddSpot dat voorstadia van huidkanker herkent.

‘We moeten af van het stigma rondom gezondheid; bied producten aan als consumer goods in plaats van zorghulpmiddelen’

‘Om nieuwe technologie te laten aanslaan, moeten we ons niet zozeer focussen op groundbreaking technology maar meer voortborduren op het bestaande’

‘Apps kunnen ervoor zorgen dat gezond gedrag leuk wordt en leuk werkt beter’

Joost van Hoof


nr.12 september 2015 / MAGAZINE VAN de

nu al - vaak ongemerkt - allerhande data. Mensen vinken ‘accept’ aan als ze het apparaat met bijbehorende software in huis krijgen zonder dat ze precies weten wat en hoe. Vaak kunnen ze ook niet anders, want ze willen die pomp toch gebruiken. Het bedrijf gebruikt hun data om specifieke problemen op te sporen en de pomp te verbeteren. Wordt de patiënt daar slechter van? Nee, in dit geval juist beter.’ Brands heeft met name moeite met het verliezen van de regie over jezelf. ‘Het heeft te maken met het open­ stellen van data en je autonomie. Moet je er wel of niet in mee? Maar ook de data die ik wel vrijgeef kunnen gemixt een profiel van mij geven. Dat wordt mij op een gegeven moment voorgehouden: dit ben jij. Dan kan ik wel roepen dat ik dat helemaal niet ben, maar klaarblijkelijk is het wel zo. We kunnen wel denken dat we autonoom zijn, maar ondertussen...’

‘Een stappenteller bij een Big Mac Menu, Dat moet toch niet mogen!’ Verantwoord datagebruik is een heet hangijzer, vat Asselbergs samen. Als we het vanuit een positieve invalshoek bekijken, hoe kan technologie ons dan helpen om gezonder te leven? Feijs: ‘Ik denk dat we het echt in de preventiekant moeten zoeken. En ervoor zorgen dat een ongezonde levensstijl ons minder wordt opgedrongen. Een combinatie van sociologie, wetgeving en technologie. De voedingsindustrie speelt daar een grote rol. Het meest cynische voorbeeld vind ik de stappenteller die je bij een Big Mac Menu cadeau krijgt. Dat moet toch niet mogen!’ ‘Mensen lijken gelukkig te worden van de ellende van een ander’, zegt Brands. ‘Neem

al die vergelijkende apps: ‘ik doe het beter dan de rest’, maar ook reality series op tv. Verbazingwekkend.’ Maas ziet mogelijk­ heden: ‘Als we in dat soort programma’s een stukje educatie kunnen laten doorschemeren, bereiken we een heel grote groep.’ Studies laten echter zien dat dergelijke voorlichting niets uithaalt, weet Snijders. ‘Programma’s over gezond eetgedrag zetten juist aan tot het tegenovergestelde. Daar ligt volgens mij een grotere uitdaging dan op technologisch vlak: hoe zorgen we dat het aanslaat?’ Portheine: ‘Niet voortdurend alle keuzes openhouden, dan houdt iedereen vast aan het bestaande. We moeten geen hybride wereld creëren. Is een nieuwe technologie bewezen, dan een kruis door het oude.’ Er zijn ook andere belangrijke vraagstukken bij verdere introductie van technologie in de zorg, kaart Brands aan. ‘Hoe houden we het

in de lucht; hoe garanderen we continuïteit en veiligheid? We hebben nu al te weinig verpleegkundige handen aan het bed, maar straks ook te weinig technische handen.’ Van Hoof roept op eens een kijkje te nemen in de varkenssector waar ze tien jaar voorlopen op de humane situatie. ‘Dieren worden gemonitord, krijgen hun natje en droogje en worden beziggehouden. Hoe zij vooruitlopen met registreren en automatiseren, daar kunnen wij nog wat van leren.’ De vraag ‘hoe kan technologie ons helpen bij een gezonder leven?’ suggereert iets groots, zegt Snijders ‘en volgens mij moeten we juist veel kleiner denken. Al het grote is klein begonnen.’ Dan pakt hij een van de basketballen en werpt deze vlekkeloos door de ring. Asselbergs glimlacht, het is gelukt. Zo blijft het deze middag toch niet alleen bij praten over gezondheid.


46

september

agenda/

oktober

23 15  Expositie World Press Photo op TU/e-campus Is het een filmstill of een nieuwsfoto? Dit jaar koos de jury voor een foto van de Deense fotograaf Mads Nissen. Het laat Jon en Alex zien, een homostel in Sint Petersburg in Rusland. ‘De foto heeft een grote esthetische kracht en hij is menselijk,’ aldus Michele McNally, fotografiechef van The New York Times en voorzitter van de World Press Photo. Dit jaar werden er 97.912 foto’s ingestuurd door 5.692 fotografen uit 131 verschillende landen. In de tentoonstelling zijn de ruim 150 winnende beelden te zien. De meeste foto’s hebben geen uitleg nodig, ze zijn een verhaal op zichzelf. De beelden zijn zo vol zeggingskracht dat het niet mogelijk is om je aan de gebeurtenissen uit het wereldnieuws van het afgelopen jaar te onttrekken. De tentoonstelling confronteert je, laat je nadenken over je eigen leven en daagt je uit te blijven kijken. Locatie: Vertigo, TU/e-campus Tijd: m  aandag t/m vrijdag: 9.00 - 18.00 uur zaterdag en zondag: 12.00 - 17.00 uur

oktober

20

Alumni Netwerkborrel tijdens Dutch Design Week

Net als vorig jaar zijn alumni van de TU/e ook dit jaar weer uitgenodigd voor een netwerkborrel op de TU/e-expositie in de Dutch Design Week. Het grote, internationale design event vindt plaats van 17 t/m 25 oktober. De TU/e is vertegenwoordigd in het Klokgebouw op Strijp S met de expositie ‘Mind the Step’. Deze expo toont zo’n zestig studenten- en onderzoeksprojecten van verschillende TU/e-faculteiten en -instituten en Design United (3TU). Projecten waarbij technologie en design hand in hand gaan en die ons een kijkje in de toekomst geven. Nieuwsgiering? Bezoek dan de speciale avondopenstelling voor alumni op dinsdag 20 oktober en ontvang bij binnenkomst een DDW passe-partout waarmee je de rest van de week gratis toegang hebt tot DDW-exposities en -activiteiten. Locatie: Klokgebouw, Strijp S, Eindhoven Tijd: vanaf 17.00 uur Meer info en aanmelden: www.tue.nl/alumni

/gesteld

‘Met de huidige overheidsregels zou het niet opladen van een plug-in hybride auto gezien moeten worden als een vorm van belastingontduiking.’ Stelling bij het proefschrift ‘Control of semi-active suspension and steer-by-wire for comfort and handling’ van Tom van der Sande.

‘Hoewel we dankzij GPS-apparatuur steeds gemakkelijker onze weg kunnen vinden, was de kans op verdwalen nog nooit zo groot.’ Stelling bij het proefschrift ‘Republiek van beelden: de politieke werkingen van het ontwerp in regionale planvorming’ van Bart de Zwart.

‘Naast het delen van succes, zou het delen van belangrijke fouten of mislukkingen een waardevolle toevoeging zijn voor de wetenschap.’

‘It can be quite difficult to make a mathematical statement that is both appealing to mathemati­ cians (accurate) and to a general audience (short).’

Stelling bij het proefschrift ‘Coupling spectra land finite elements for fluid-structure interaction’ van Anna Catharina Verkaik.

Stelling bij het proefschrift ‘Finiteness properties of varieties with large group actions’ van Rob Eggermont.

Stelling bij het proefschrift ‘Evolution Equations for Systems Governed by Social Interactions’ van Joep Evers.

‘Perfectionisme is een deugd, maar ook een handicap.’

‘De nakende komst van het internet der dingen is een grote stap voorwaarts, ook voor cybercriminelen.’ Stelling bij het proefschrift ‘Experimental Study of Homogeneous Water Nucleation in a Pulse-Expansion Wave Tube’ van Maurice Fransen.


47

Cees Midden (1950), hoogleraar Human Technology-Interaction (Industrial Engineering & Innovation Sciences). Houdt zijn uittreerede op 30 oktober tijdens het symposium ‘Persuasive Technology for a Sustainable Society’.

c.j.h.midden@tue.nl

Tekst Norbine Schalij foto Bart van Overbeeke

Kruisvlak psychologie en technologie

‘In 1991 kwam ik naar de TU/e als hoogleraar bij de opleiding Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschap. Ik heb psychologie gestudeerd in Leiden en ben daar ook gepromoveerd. Mijn baan als gedragspsycholoog bij ECN in Petten gaf me de nodige ervaring met techneuten. Toch was het wel wennen in Eindhoven. Ik zag de TU/e als goede, maar conservatieve universiteit. Hoog technologisch, maar de maatschappelijke kant was marginaal. De opleiding Techniek en Maatschappij (TEMA) kreeg weinig waardering en ik vroeg me wel eens af waar ik aan begonnen was. Gelukkig ben ik erin geslaagd een goede groep op te bouwen; eind jaren negentig begon Human Technology-Interaction profiel te krijgen. Bij de invoering van het Bachelor College is met de bachelor Psychology and Technology een volledig onderwijsprogramma ontstaan.’

Sociale beïnvloeding

‘De afgelopen jaren heb ik met veel plezier gewerkt aan persuasive technology, vooral op het gebied van milieu en veiligheid. Dat gaat over het gebruik van slimme systemen om het gedrag van mensen te beïnvloeden. We ontwikkelden interfaces van apparaten als was­ machine, thermostaat, vriezer en computer, die, zodra mensen keuzes moeten maken, feedback geven over de energiegevolgen van die beslissing. Dat werkte verbijsterend goed. Dit onderzoek loopt nog steeds.’

Japan

‘Ik ben een enthousiast reiziger. Ben vaak in Azië geweest en vooral veel in Japan voor onderzoek. De Japanse samenleving is misschien niet ideaal, maar alles is wel perfect geregeld en er is weinig criminaliteit. Ook de manier waarop wetenschap­ pers met elkaar omgaan, is anders. Er is meer collectief perspectief, Japanners opereren meer als groep dan dat ze het individuele succes verheerlijken zoals in onze cultuur gebeurt.’

Op pagina 2 forward/ met Josien Pluim

Espressoapparaat

‘Ik houd van gadgets en het meest blij ben ik met mijn mooie espresso-apparaat. Ik ben een koffieliefhebber en brand mijn eigen bonen. Bonen uit Indonesië hebben een chocoladeachtige smaak, Ethiopische smaken bloemig, die uit Guatemala fruitig en kruidig. Ik heb zelfs diploma’s: een barista-diploma en een koffiebranddiploma. In het IPO-gebouw drink ik koffie uit een Douwe Egberts­ apparaat, en je zult mij daar nooit over horen klagen, maar thuis drink ik dus heel speciale koffie.’

Na 30 oktober

‘Het leven gaat door. Mijn werk houdt na mijn afscheids­rede niet meteen op. Ik begeleid nog afstudeerders en promo­ vendi en blijf in enige mate betrokken bij het onderzoek. Verder doe ik advieswerk voor gemeentes, over onder andere afvalscheiding. En het boek over persuasive technology moet ook nog af.’


48

Lab-on-a-chip

nr.12 september 2015 / MAGAZINE VAN de

Tekst Tom Jeltes foto Bart van Overbeeke

Wellicht associëren we het woord ‘laboratorium’ in de toekomst niet langer met een werkruimte met speciale apparaten, bediend door mensen met veiligheids­ brillen en witte labjassen, maar met een ‘device’ dat op een creditcard past en middenin de Afrikaanse jungle met een smartphone kan worden uitgelezen. Met het vernieuwde Microfab lab hoopt de TU/e haar rol in het onderzoek naar dergelijke ‘labs-on-chips’ te versterken. 1979 Onderzoekers van Stanford University ontwikkelen de eerste lab-on-a-chip in de vorm van een geminiaturiseerde gaschromatograaf. Het apparaatje bevat een anderhalf meter lange, spiraalvormige kolom, die met behulp lithografische technieken uit de computerindustrie is aangebracht op een siliciumplaatje met een doorsnede van vijf centimeter.

Ca. 1990 Diverse Europese onderzoeksgroepen ontwikkelen onder meer micropompen en stromingssensoren die later zullen dienen als basis voor complete microfluïdische laboratoria, waarin vloeistoffen worden geanalyseerd in kanaaltjes met een doorsnede van minder dan een millimeter.

1998 Wetenschappers van Harvard University laten zien dat je het transparante en gasdoorlatende polymeer PDMS kunt gebruiken om een lab-on-a-chip te maken, zonder een cleanroom met dure apparatuur. 2009 Onderzoekers van Functional Organic Materials and Devices (Scheikundige Technologie, TU/e) ontwikkelen minuscule flapjes op basis van plastic vloeibare kristallen, die onder invloed van licht in beweging komen. Deze vinding kan in labs-on-a-chip worden gebruikt om vloeistoffen te transporteren en mengen.

2010 Om op grote schaal labs-on-a-chip te kunnen produceren d.m.v. spuitgieten, wordt ingezet op thermoplastics onder meer door grote spelers zoals Sony en Philips, die ervaring hebben met spuitgieten bij de productie van cd’s en dvd’s.

2013 Geïnspireerd door de natuur ontwikkelen onderzoekers in de Microsystems-groep (Werktuigbouwkunde, TU/e) kunstmatige cilia. Dit zijn trilhaartjes die met een magnetisch veld kunnen worden bewogen en die geïntegreerd kunnen worden in microfluïdische chips; met behulp hiervan kan vloeistof worden voortbewogen en gemengd in de chip.

2015 De TU/e opent het vernieuwde Microfab lab. Onderzoekers beschikken hier over cleanroomfaciliteiten, lithografische apparatuur, 3D-printers en lasersnijders om snel prototypes te maken van labs-on-a-chip. Ook is er een cellaboratorium voor biologische experimenten.

2015 De TU/e is medeoprichter van het nieuwe Nederlandse instituut hDMT, waarbinnen wordt geprobeerd om medicijnen te ontwikkelen met behulp van microtechno­logie, onder meer door mini-organen te kweken op chips.

2014 Onderzoeker Maarten Merkx (Biomedische Technologie, TU/e) krijgt een Europese Proof of Concept-subsidie om een eiwitsensor te ontwikkelen waarmee infectieziektes zichtbaar kunnen worden gemaakt door het verkleuren van een strookje papier. Deze extreem simpele variant op de ‘lab-on-a-chip’ kan met een smartphone worden uitgelezen, en moet zo goedkoop worden dat hij ook geschikt is voor ontwikkelingslanden.


Slash 12 - september 2015