__MAIN_TEXT__

Page 1

Antropologisch Tijdschrift | Jaargang 28 | Nummer 2

cul

Het verzonnen verleden van LARP’ers Angst voor vliegende baarmoeders Geen feminisme zonder socialisme

Tijdschrift Cul

1


Colofon Onafhankelijk antropologisch tijdschrift Cul is verbonden aan de afdeling Culturele Antropologie en Ontwikkelingssociologie van de Universiteit van Amsterdam. Hoofdredacteur Adjunct-hoofdredacteur

Roos Metselaar Lucca de Ruiter

Vormgeving Daniëlle Kronenburg Beeldredactie Eva van Gelder Sam van den Nieuwenhof Jolin Ordelman Oscar Slagveer Eindredactie Cosima Bas Floor van der Wulp Tess Zondervan Reis- en eventcoördinator Wineke Brans Penningmeester & acquisitie Eva Frijns Webredacteur Hannah Visser Multimedia- Manpreet Brar redactie Marije Nieuwland Cover Oscar Slagveer Jolin Ordelman Met speciale dank aan: Gyllion Böhm, Date Nieuwland, Sanne Schweers, Jaspal Singh Brar, Miriam Verhage, Oskar Verkaaik, Eefje Schipper, Silvia Schilder-de Jong, Neeltje Zeeman-Uidam, Luutje Geertje de Waart, Neeltje Anita Roos-Schipper, Aaltje Trijntje Zondervan-Schouten, Petronella Boneveld, Neeltje Alice Janssen-Schipper Tijdschrift Cul is altijd op zoek naar nieuw schrijftalent. De redactie heeft het recht bijdragen in te korten of te weigeren. Voor informatie en advertentiemogelijkheden, mail naar: redactie@tijdschriftcul.nl Drukkerij Ziezoprint Oplage: 250 ISSN: 18760309 Tijdschrift Cul Nieuwe Achtergracht 166 1018 WV Amsterdam redactie@tijdschriftcul.nl www.tijdschriftcul.nl Volg ons nu ook op Facebook en Instagram! @tijdschriftcul

2

Tijdschrift Cul

Hoofdredactioneel Volgens de Franse filosoof Luc Ferry leven

we ons hele leven tussen herinneringen en projecten, tussen nostalgie en hoop. Als nostalgie inherent is aan het mens-zijn, is het bij uitstek een onderwerp dat antropologen eens onder de loep zouden moeten nemen. In tijden van crisis kunnen onze gedachten afdwalen naar tijden waarin alles beter leek te zijn, of kunnen we vooruitkijken, en ons afvragen hoe we kunnen leren van het verleden. In deze editie over nostalgie gaan onze redacteuren terug naar de tijd van cassettebandjes en analoge filmcamera’s, wordt er kritisch gekeken naar virtuele hobby’s van vijftien jaar geleden en worden verhalen uit het verleden verteld. Van Dubai tot Friesland, van Marken tot het hippe Amsterdam-Noord: overal lijkt het verleden onlosmakelijk met ons verbonden te zijn. Zelfs de gebouwen om ons heen hebben een verhaal. Uit de Griekse woorden nostos, terugkeer, en algos, lijden, waaruit de term ‘nostalgie’ bestaat, kun je afleiden dat nostalgie leed is dat gevoeld wordt als er een verlangen is om terug te keren dat niet vervuld kan worden. Maar in deze editie van Tijdschrift Cul laten de redacteurs zien dat nostalgie niet alleen maar kommer en kwel is. Zo interviewt Cosima Bas de LARP’er Gyllion Böhm, voor wie het verleden een uitlaatklep is, en verlangt Eva van Gelder terug naar de plasticvrije supermarkten uit haar grootmoeders tijd. Terugblikken op het verleden is geen slechte zaak: het is de eerste stap in de zoektocht naar een betere toekomst.

Roos Metselaar Hoofdredacteur

Lucca de Ruiter

Adjunct-hoofdredacteur


Inhoud Achtergrond Een barst in mijn plafond 4 Jolin Ordelman

Column ‘Nee, die film heb ik niet gezien’ 19 Eva Frijns

Column 6 Collectieve foutjes Daniëlle Kronenburg

Essay 20 Angst voor het nieuwe is niets nieuws Lucca de Ruiter

Beeldreportage

Interview 22 Geen ridder zonder naaimachine Cosima Bas

7

Onthaasten in tijden van technologische oneindigheden Sam van den Nieuwenhof

Achtergrond 10 We delen een doel Wineke Brans Interview 12 Curry in Dubai Manpreet Brar Essay 14 De Sims 2: een geslaagde uitvinding

van de maakbare samenleving Floor van der Wulp

Interview 16 Op je knieën voor de radio Tess Zondervan

Achtergrond 24 Opgeleukte versies van gewone meisjes Roos Metselaar Column In de hyperloop naar Londen 26 Hannah Visser Achtergrond 27 De rijksdaalder van mijn opa Marije Nieuwland Essay 30 De tint van het verleden Oscar Slagveer Achtergrond Zero-waste uit grootmoeders tijd 32 Eva van Gelder 34

Alumni aan het woord

Sanne Schweers en Miriam Verhage Hannah Visser

Column Een betoverende dans 36 Manpreet Brar Column 37 Thank God for Daisy Bates Oskar Verkaaik 38

Studievereniging Kwakiutl

Tijdschrift Cul

3


Achtergrond

Een barst in mijn plafond Wat gebouwen ons proberen te vertellen

De muren hebben oren. De vensterbank leent zich als schouder om op te leunen. Het kleinste kamertje slaat een beschermende arm om ons heen. Door de ramen kijken we onze ogen uit. Plots zet een gure tocht mijn nekharen overeind en sta ik wankel in mijn schoenen door het kraken van de vloer. Hoe komt het dat we het schudden van een gebouw als rillingen door ons lichaam kunnen voelen? Tekst & beeld Jolin Ordelman

E

en bakstenen muur is de huid die ons beschermt tegen snijdende wind en regen. Volgens Dylan Trigg, professor filosofie aan de universiteit van Wenen, bouwen lichaam en plek door de jaren heen een relatie met elkaar op. Hij oppert dat ons lichaam – met name onze zintuigen – een plek vormen. Nergens zien we dit beter dan in architectuur. Deuren zijn niet voor niets twee meter hoog, ogen vragen om ramen, en zonder trap halen onze benen de volgende verdieping niet. Onze lichamen zijn onlosmakelijk verbonden met de gebouwen die ze huisvesten. Naast haar vorm, koestert een ruimte ook de herinneringen die ons lichaam opbouwt. Door te spelen op koude tegels, te koken in een keuken met beslagen ruiten en de trap op te rennen met twee treden tegelijk, worden deze ruimtes extensies van ons lichaam en worden gebouwen deel van onze identiteit. Onzelfzuchtig bewaren ze deze herinneringen voor ons, zodat we ze op een dag weer kunnen bezoeken. In alle drukte geeft een plek ons de ruimte om de schoenen uit te trekken, de koude tegels onder onze voeten te voelen, en weer even kind te zijn. Verlangen naar een tijd en plek die ergens anders is.

Versleten gebouwen herinneren ons aan onze sterfelijkheid en kwetsbaarheid Houvaste huizen vervallen Nostalgie is een verraderlijk gevoel. Ze doft zich op als een romantische roes en verleidt je met verhalen over vroeger die je het hier en nu doen vergeten. Terwijl je aan haar lippen hangt, twijfel je over wat je zou doen als je het moment waarnaar je zo verlangt ook echt zou krijgen. Onhaalbaarheid geeft leven aan nostalgie. Nostalgie is enkel aanwezig in de afwezigheid van iets anders: een identiteit of herinnering die je door de vingers glipt, terwijl je nog even aan het moment

4

Tijdschrift Cul

wil vasthouden. Terwijl nostalgie zich voordoet als geworteld in het verleden, is ze door en door verstrengeld met het heden. Opeens mis ik de splinters in de oude houten vloer van de woonkamer, terwijl het laminaat me toch pleisters bespaart. Als meisje tekende ik met mijn vingers de route naar school op de voegen tussen de badkamertegels. De weg fiets ik niet meer, maar de tegels onthouden hem voor me. Op die momenten dat we uit het nu willen stappen, zijn het plekken die ons tot andere tijden toegang geven. Maar wat gebeurt er als deze ruimtes, die ongeroerd andere tijden horen te waarborgen, veranderen? Wat gebeurt er als er scheuren komen in de huid van gebouwen die standvastig horen te zijn, ons beschermen tegen weer en wind en een deel van onze identiteit bewaren? Wat gebeurt er als gebouwen vallen? Professor Trigg onderzoekt het aftakelingsproces van gebouwen onder de noemer ‘moderne ruïnes’. Een moderne ruïne verschilt volgens hem van een klassieke ruïne, zoals het Colosseum, doordat het onderdeel is van ónze tijd. In een moderne ruïne maken we teloorgang mee door rottend hout, afbrokkelende muren, scheuren in de ramen en de natuur, die langzaam zijn weg naar binnen vindt. Een moderne ruïne maakt ons daarmee bewust van het verval om ons heen: we worden geconfronteerd met het onontkoombare voortbewegen van die verdoemde tijd. Daarnaast huisvest een moderne ruïne nog flarden van het verleden; een versleten drempel draagt de voetstappen van zijn bewoners, oud behang piekt vanuit de hoek naar binnen, en ergens op een muur in mijn ouderlijk huis staat mijn favoriete rekensom gekrast. Dit is de nostalgische kracht van moderne ruïnes: ze schenken ons een inkijkje in het verleden, maar laten door hun verval ook zien dat we nooit meer toegang krijgen tot hoe ze ooit waren. Zo bewegen wij onvermijdelijk voort met de tijd. Dit kan pijn doen als de ruïnes gebouwen zijn die beloofden onze herinneringen en identiteit op te slaan. Je kunt je verraden voelen door een ouderlijk huis dat verandert, terwijl je het zelf bent ontgroeid.


Achtergrond Met welke blokken bouw je? Als nostalgie ons eerder een spiegel voorhoudt dan een inkijkje in het verleden geeft en moderne ruïnes een broedplaats zijn voor nostalgie, wat zegt de manier waarop we moderne ruïnes behandelen dan over ons? Steden worden volgebouwd en elk tikkeltje verval wordt vervangen. Moderne ruïnes krijgen geen plek in deze kapitalistische tijden. We vullen de rimpels van een gebouw met plamuur, om haar zo jong mogelijk te doen lijken. Jeremiah Moss, auteur van Vanishing New York, ziet dat zijn stad versleten gebouwen verstoot. Ze herinneren ons aan onze eigen sterfelijkheid en kwetsbaarheid. Door gebouwen af te breken en nieuwe op te bouwen, sluiten we onze ogen voor de tijd die wegtikt. De constant draaiende motor achter het kapitalisme gunt ons geen pauze om stil te staan bij het ouder worden van de gebouwen om ons heen, misschien zelfs van onszelf. Toch ruilen we niet alle ruïnes in. Sommige gebouwen zijn ons blijkbaar zo dierbaar dat we ze een speciale naam geven: monumenten. Deze gebouwen bewaren delen van onze identiteit en herinneringen die we niet willen vergeten. Het Paleis op de Dam bewaart bijvoorbeeld een koninklijke trots en een welvarend verleden, terwijl ze ondertussen ook een slavernijverleden verstopt. Volgens politicoloog Callum Ingram kan je bouwen met oog op het verleden of een blik op de toekomst. De tussenweg is het meest bewandeld: een selectief gebruik van historische elementen in herontwikkelingsprojecten. Hij benadrukt hiermee dat architectuur verre van objectief is. Een oud herenhuis waarin een literair genie woonde, zal eerder gerestaureerd worden dan een sociale huurwoning in de buitenwijken. De keuzes die we maken in het behouden van herinneringen en identiteit in gedeelde ruimtes zijn doordrenkt met machtsongelijkheid. Nostalgie is

volgens Ingram wezenlijk ‘geschiedenis zonder schuldgevoel’. Niet iedereen krijgt de ruimte om nostalgie te voelen door de gebouwen die worden behouden. Architecten nemen verantwoordelijkheid. Bouwen betekent kiezen wie je het woord geeft en wie je de mond snoert; wiens identiteit je tentoonstelt en wie je in een hoekje weg stopt; wie je de ruimte geeft te herinneren. Een echte durfal legt zijn kaarten open op tafel, zodat bewoners zich kunnen afvragen: over welke herinneringen zwijmelt het gebouw en welke slikt ze in? Met elke herinnering die we vormen, gaan we een band aan met de plek die ze voor ons bewaart. Een gebouw kan ons de mogelijkheid geven even te ontsnappen aan de realiteit. Maar op het moment dat zij het moeilijk heeft, vervangen we haar, omdat ze ons dingen over onszelf vertelt die we weigeren te horen. De realiteit is dat gebouwen, net als wij, worden meegenomen door de tijd. Slechte dagen, fouten, teleurstellingen, trauma’s, dilemma’s en crisissen, gebouwen maken ze met ons mee. Die lasten hoeven we niet alleen te dragen.

Tijdschrift Cul

5


Column

Tekst Daniëlle Kronenburg Beeld Eva van Gelder

Herinner jij je de film Shazaam uit de jaren 90, waarin ko-

miek Sinbad een geest speelt die wensen uitdeelt aan kinderen? Je bent niet de enige. Mensen van over de hele wereld vonden elkaar op online discussieforum Reddit om hun herinneringen over deze film te delen. Het vreemdste was: de film is nooit gemaakt. Internetgebruikers die elkaar nog nooit hebben gesproken delen dezelfde herinneringen van Shazaam, de film die nooit bestaan heeft. Shazaam is slechts een enkel voorbeeld van een veel groter fenomeen waarbij een grote groep mensen dezelfde valse herinnering heeft. Zo herinneren veel mensen zich de kleur chartreuse als rood, terwijl het groen is, en kunnen mensen het niet eens worden over de naam van Sex and/in the City. Toen Nelson Mandela in 2013 overleed werd het fenomeen van collectieve valse herinneringen in de schijnwerpers gezet. Een groot aantal mensen, over de hele wereld, herinnerde zich levendig dat Mandela in de jaren 80 in de gevangenis was overleden. Zij waren zich allemaal niet bewust van het feit dat Mandela na zijn gevangenschap nog vijf jaar president is geweest van Zuid-Afrika. Naar aanleiding van deze vreemde gebeurtenis verkreeg dit fenomeen haar naam: het Mandela Effect. Als je het Mandela Effect googelt, zul je je verbazen over het aantal voorbeelden van dit verschijnsel. Complottheorieën luiden dat het effect is ontstaan door het reizen tussen verschillende dimensies. Zo zou de film Shazaam wél bestaan hebben in een alternatieve, parallelle realiteit. Degenen die zich herinneren dat Shazaam bestaan heeft, komen slechts uit dezelfde alternatieve realiteit, waarin de film wél bestond. Zo

6

Tijdschrift Cul

zou er ook een andere realiteit zijn waarin Mandela in de jaren 80 overleed en weer een ander waarin chartreuse een rode kleur is. Interdimensionaal reizen is voor veel mensen niets meer dan een vergezochte complottheorie. Wat zou een andere verklaring kunnen zijn voor dit bizarre fenomeen? Psychologen hebben zich hierover gebogen maar zijn niet tot een harde conclusie gekomen. Het Mandela Effect wordt gekoppeld aan valse herinneringen. Dit zijn herinneringen die niet overeenkomen met de realiteit. Uit psychologisch onderzoek blijkt dat het vrij makkelijk is om het menselijk geheugen zo te manipuleren dat een individu zich iets anders herinnert dan hoe het daadwerkelijk is waargenomen. Dit zou een hele simpele uitleg kunnen zijn voor het Mandela Effect. Echter, de vraag blijft, hoe kunnen zoveel verschillende mensen dan dezelfde herinneringen hebben over iets dat nooit gebeurt is of zelfs nooit bestaan heeft? Of het Mandela Effect nou voortkomt uit een oneindig multiversum van alternatieve realiteiten, of uit een simpele vorm van geheugen-manipulatie, het impliceert hoe dan ook dat we onze herinneringen niet onvoorwaardelijk kunnen vertrouwen. Er zijn schijnbaar hogere krachten aan het werk die het aardse leven kunnen beïnvloeden buiten onze controle. Wie weet word ik morgen doorgestuurd naar een realiteit waar ik dit artikel nooit heb geschreven. Zijn de woorden die ik nu opschrijf dan nog echt? Wat betekent een waarheid die zo aan verandering onderworpen is? Als simpel, aards wezen is het misschien maar beter om hier niets over te weten. Helaas is het voor ons te laat.


Beeldreportage

Onthaasten in tijden van technologische oneindigheden Filmfotografie in het digitale tijdperk Tekst & beeld Sam van den Nieuwenhof Waarom willen mensen toch zo graag met die oude filmcamera’s schieten? De hype rond de ‘camera’s met rolletjes’ was voor mij altijd een onbegrijpelijk fenomeen. Het kost immers bakken met geld en veel tijd. Je moet een camera aanschaffen, filmrolletjes kopen bij de camerawinkel op de hoek en ze er vervolgens weer heen brengen om ze te laten ontwikkelen. Voordat je überhaupt je foto’s kan aanschouwen, ben je al vergeten waar je eigenlijk foto’s van hebt gemaakt. Toch was er iets dat me aantrok, maar wat?

D

e transitie van digitale fotografie naar filmfotografie is bij mij een recente gebeurtenis. Sinds juni 2020 ben ik me steeds meer gaan verdiepen in het technische aspect dat komt kijken bij het maken van een foto. Wanneer ik mijn foto’s digitaal schiet kan ik direct op de achterkant van de camera bekijken wat ik heb vastgelegd. Vervolgens laad ik de serie foto’s in mijn laptop om ze in alle kleuren en stijlen te bewerken. Technologische ontwikkelingen hebben de pure werkzaamheden van de fotograaf doen verbloemen. Ik wilde de ware aard van het beestje begrijpen, en filmfotografie bood een uitkomst.

Afgelopen juli heb ik mijn eerste analoge camera aangeschaft: een klein formaat Pentax uit het jaar 1976. Elk rolletje dat ik erin stop bevat 36 shots. Bij mijn middenformaat camera, die ik anderhalve maand later aanschafte, kan ik maar tien keer op de ontspanknop drukken voordat ik deze voor twee tientjes laat ontwikkelen en scannen, bij die ene camerawinkel op de hoek. Het kostbare van deze vorm van fotograferen zorgt voor een bepaalde economische druk bij elke druk op de knop. Hierdoor ben je constant bezig met het perfectioneren van de compositie, de lichtinval en andere variabelen die komen kijken bij het maken van ‘het perfecte plaatje’.

Tijdschrift Cul

7


Beeldreportage

Dat perfecte plaatje is nog niet zo makkelijk geschoten als ik vooraf dacht. Het werken met mijn klein formaat Pentax gaat me vrij goed af. Met zijn grote broer heb ik echter veel meer moeite. Het falen van de eerste vier rollen was dan ook, op zijn zachts gezegd, geen prettige bijkomstigheid. De kosten van die mislukte rolletjes hebben er wel voor gezorgd dat mijn bewijsdrang met rasse schreden is toegenomen. Het resultaat van de laatste paar rollen is dan ook een flinke vooruitgang. Door veel te oefenen en geduld te hebben beginnen de resultaten langzaamaan te verbeteren en hoop ik uiteindelijk met deze prachtige, robuuste machine de plaatjes te schieten die ik al tijden voor ogen heb.

8

Tijdschrift Cul


Beeldreportage Wat mij in ieder geval wel duidelijk is geworden, is dat het bovenal goed is om soms wat rustiger aan te doen in deze veel te ‘snelle’ wereld. Even wat onthaasten in tijden van constante vooruitgang. Echt in je opnemen wie en wat zich in je omgeving bevindt. Ik zie het fotografieproces als een soort roadtrip. In principe kan je naar bijna elke bestemming in de wereld vliegen. Maar het gevoel en de ervaring zijn compleet anders als je je pas gekochte camper instapt om juist aan die onvoorspelbare reis te beginnen. Het rijden naar de bestemming, de onwetendheden onderweg en het uiteindelijk bereiken van de bestemming maken de reis juist zo bijzonder. Het bepalen van de compositie, het zorgvuldig ‘meteren’ van het licht, het wegbrengen van de filmrollen en uiteindelijk de verrassing nadat de foto’s ontwikkeld bij je terugkomen, vormen eenzelfde soort proces. Het niet weten wat de uitkomst is of gaat worden, is voor mij een prachtige eigenschap van het leven. Filmfotografie heeft mij weer doen beseffen dat al het zorgvuldige en onvoorspelbare in deze wereld toch eigenlijk gewoon het mooiste is.

Technologische ontwikkelingen hebben de pure werkzaamheden van de fotograaf doen verbloemen

Tijdschrift Cul

9


Achtergrond

We delen een doel Feministische verlangens naar socialistische principes

The future is female – een veelgebruikte feministische slogan die er op duidt dat de vrouw jarenlang onderdrukt is geweest, maar dat het toekomstperspectief er beter uitziet. Dit progressieve gedachtegoed past in het plaatje van doorsnee feministische ideeën. Er zijn echter ook feministen die hun idealen niet in de toekomst, maar in het verleden vinden. Een specifiek verleden welteverstaan: feministen die terugverlangen naar het socialisme in de Sovjet-Unie.

F eminisme en socialisme, je hoort de twee niet vaak in dezelfde zin. Behalve

Tekst Wineke Brans Beeld Jolin Ordelman

dat het één als progressief en het ander als reactionair beschouwd wordt, zijn er meer redenen om de twee niet in hetzelfde rijtje te plaatsen. Het socialisme zoals we dat van de Sovjet-Unie kennen hangt samen met onderdrukkende regimes die de vrijheid waar feministen voor vechten juist beperken in plaats van bevorderen. Feminisme staat in lijn met het strijden voor de autonomie van de vrouw terwijl er onder leiding van de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken (USSR) maar weinig keuzes zelf gemaakt konden worden. De staat bepaalde waar je werkte, wat je in de krant las en welke idealen je behoorde te hebben. Door controle over de zeer beperkte productie van cosmetica en kleding beïnvloedde de staat ook hoe je voor de dag kwam. Binnen het socialisme gold: uniformiteit boven expressie van vrouwelijke identiteit. De staat maakte keuzes voor zijn burgers en daarbij was geen ruimte voor individuele belangen. Ruimte om je tegen dit strikte bewind uit te spreken was er niet, ook niet in de privésfeer. De geheime dienst hield de bevolking nauw in de gaten en wie in verzet kwam of slecht sprak over het regime werd opgepakt.

Binnen het socialisme gold: uniformiteit boven expressie van vrouwelijke identiteit Feministisch walhalla Toch werd de val van het socialisme in 1989 door bepaalde feministen gezien als een stap terug in de strijd voor gendergelijkheid. Een van deze feministen is Magdalena Sroda, die betoogt dat er sinds 1989 in Polen een sterke terugkeer is naar traditionele vrouwenrollen en een enorme afkeer is tegen het nastreven van gelijkheid. De vrouw moest terug naar het aanrecht en het principe van gelijkheid verdween sneller dan dat de Berlijnse Muur was afgebroken. Sroda is niet de enige met deze mening. Meer feministen beschouwen de Sovjet-Unie, ondanks de structurele onderdrukking, als een

10

Tijdschrift Cul

van de eerste maatschappijen waarin werd gestreefd naar gendergelijkheid en emancipatie van vrouwen: een feministische mijlpaal dus. De Bolsjewieken, de socialisten die de stem vormden van de onderdrukte arbeidersklasse, kwamen in 1917 aan de macht in Sovjet-Rusland. Zij maakten het voor vrouwen mogelijk om hun leven in de keuken in te ruilen voor een leven op de arbeidsmarkt en lieten ze participeren in het politieke en sociale leven. Want, zoals Lenin zei: ‘Geen natie kan vrij zijn wanneer de halve bevolking als slaaf werkt in de keuken.’ Ook werd de Zhenotdel opgericht, een vrouwenafdeling van de partij van de Bolsjewieken. De Zhenotdel faciliteerde kinderopvang om vrouwen meer te laten werken, legaliseerde abortus (vierenzestig jaar eerder dan in Nederland!) en ging de strijd aan tegen analfabetisme onder vrouwen om hun maatschappelijke betrokkenheid te vergroten. Volledige gelijkheid werd gezien als de sleutel voor het ultieme doel van de klasseloze samenleving en dus mochten vrouwen net als mannen deelnemen aan het publieke leven. Dit klinkt nagenoeg als een feministisch walhalla en je zou je bijna gaan afvragen waarom niet elke feminist meer onder de indruk is van deze periode. Het leven van de werkende vrouw in tijden van het socialisme was echter niet zo rooskleurig als bovenstaande doet vermoeden. De Zhenotdel heeft geen lang leven gekend en werd na elf jaar afgeschaft toen Stalin aan de macht kwam. Rechten en voorzieningen voor vrouwen werden ingetrokken en de Sovjet-vrouw kreeg te maken met een dubbele werklast: zij deed zwaar industrieel werk én was verantwoordelijk voor alle huishoudelijke taken en het opvoeden van de kinderen. Historicus Melanie Illič, die gespecialiseerd is in de Sovjet-Unie, stelt daarom ook dat het Sovjetregime niet voor de bevrijding van vrouwen heeft gezorgd, maar juist voor een vergroting van de uitbuiting van vrouwen. Geen socialisme zonder feminisme Deze bedroevende keerzijde van het socialisme maakte niet dat aanhangers van de in 1977 opgerichte Fem-Soc, een soci-


Achtergrond alistisch-feministische beweging, minder fanatiek waren. Zij benadrukten dat onderdrukking een feit is voor vrouwen uit alle klassen. Voormalige Dolle Mina’s en Vlaamse feministen verenigden zich om hun gedeelde mening dat feminisme en socialisme hand in hand gaan en stelden het Manifest van ’77 op. Hierin werd gesteld dat de kapitalistische maatschappij zowel een patriarchale- als klassenmaatschappij is. De onderdrukking van de vrouw zou verweven zijn met het algemene uitbuitings- en onderdrukkingssysteem van het kapitalisme. Socialisme en feminisme zijn volgens de Fem-Soc dus onlosmakelijk verbonden en hun leus luidde dan ook: ‘Geen feminisme zonder socialisme, geen socialisme zonder feminisme!’. Deze aandacht voor meer dan de witte vrouw uit de middenklasse staat in lijn met een term die steeds vaker gebruikt wordt: intersectionaliteit. De term, die in 1989 werd geïntroduceerd door rechtsgeleerde Kimberlé Crenshaw, wordt tegenwoordig massaal gebruikt als Instagram-hashtag en op bordjes tijdens de Amsterdamse Women’s March in maart 2020. Gebruikers van de term geven erkenning aan het feit dat er verschillende categorieën zijn waarop ongelijkheden zijn gebaseerd en dat deze categorieën elkaar beïnvloeden en versterken. Mensen kunnen op meerdere vlakken afwijken van de norm en, naast genderongelijkheid, moeten onder andere racisme, xenofobie en transfobie in acht worden genomen om discriminatie en ongelijkheid te kunnen analyseren en tegengaan. Intersectioneel feminisme is ook het soort feminisme waar Anja Meulenbelt, ex-lid van de Fem-Soc, voor pleit. Zij ziet deze manier van denken als een beweging die een

nieuwe Fem-Soc zou kunnen worden. Zowel intersectioneel feminisme als socialistisch feminisme biedt een kritische blik op het feminisme dat zich richt op witte vrouwen uit de middenklasse, en stelt dat ongelijkheden verband houden met andere ongelijkheden. Daarbij komen ze ook overeen in de overtuiging dat feminisme voor elke vrouw zou moeten zijn. In die zin hebben het socialistisch feminisme en het modern intersectioneel feminisme veel met elkaar gemeen en zou de leus van deze volgens Meulenbelt nieuwe Fem-Soc ‘Geen feminisme zonder intersectionaliteit, geen intersectionaliteit zonder feminisme!’ kunnen zijn. Belangrijk om te benadrukken is dat nostalgische socialistische feministen een systeem aanhangen dat gepaard gaat met onderdrukking. De USSR legde gelijkheid op aan de bevolking en een ieder werd beperkt in zelfexpressie en autonomie. Gedwongen gelijkheid is onderdrukking, en waar man en vrouw in bepaalde opzichten gelijker werden behandeld dan elders ter wereld, ontbrak het ze aan vrijheid. Qua intenties en streven gaan socialisme en feminisme op veel fronten goed samen en lijkt socialistisch feminisme op modern intersectioneel feminisme. Toch zouden nostalgische socialistische feministen zich nog meer kunnen laten inspireren door the future is female-feministen die vooruitkijken in plaats van nostalgisch te zijn naar een tijd waarin het nastreven van gelijkheid werd gepraktiseerd door een onderdrukkend systeem. Dit mag hun intenties echter niet ondermijnen en zoals Anja Meulenbelt zei: ‘De ene feminist is de andere niet, maar we delen een doel: ongelijkheid tegengaan.’

Gedwongen gelijkheid is onderdrukking

Tijdschrift Cul

11


Interview

Curry in Dubai Mijn vader, Jaspal, groeide op in het dorp Patto Hira Singh in de deelstaat Punjab, gelegen in het noordwesten van India. Samen blikken wij terug op de eerste keer dat hij India verliet en ging werken in Dubai. Hij vertelt over Bollywood films, het gemis van het eigen land en de onofficiële wegen, de hera pheri, die hij nam op zijn reis.

M ijn vader was negentien jaar oud toen hij in 1975 een brief ontving van zijn oudere broer Jagjeet. ‘Mijn broer die

Punjab al had verlaten om in Dubai te werken, schreef dat ik en mijn andere broer Harjeet ook moesten komen. We konden niet met zijn allen op het land gaan werken. Iedere jongeman ging zijn eigen weg in India, maar we wilden vooral weg uit Punjab.’ Jaspal ging aan het werk in Sharjah en Fujairah, twee van de zeven Verenigde Arabische Emiraten, maar hij beschrijft het als Dubai, zoals iedereen om hem heen toen ook deed. Wanneer mijn vader over zijn reis vanuit India naar Dubai vertelt, gebruikt hij de term hera pheri, een term die naar het Nederlands of Engels lastig te vertalen is, maar die je zou kunnen beschrijven als ‘vals spel’ of ‘monkey business’. Dit dekt echter niet de volledig lading van het woord. Hera pheri verwijst naar een actie die niet volgens de officiële wegen plaatsvindt. Iets dat niet helemaal loopt zoals het hoort, maar soms toch noodzakelijk en zelf sociaal geaccepteerd lijkt.

‘Iedere jongeman ging zijn eigen weg in India’ Vele wegen leiden naar geluk Op zowel zijn ervaringen in Dubai als op de weg ernaartoe, blikt mijn vader positief terug. Ik spreek hem omdat ik zijn verhaal op wil schrijven, maar wanneer hij nostalgisch terugblikt op het werken zonder papieren, voel ik een zekere wrijving. Het is alsof ik twee delen van mijzelf niet met elkaar kan laten rijmen. Terwijl ik zoek naar een vertaling van de term hera pheri, peins ik over hoe ik de complexiteit ervan kan overbrengen op de lezer en hoe ik het stereotype van een ‘gelukszoeker’ dat deze term wellicht oproept, kan vermijden. Dat kan misschien door te schrijven dat mijn vader uitein-

12

Tijdschrift Cul

Tekst Manpreet Brar Beeld Jolin Ordelman

delijk wel een toekomst wilde in Punjab, maar vanwege de politieke onrust en onveiligheid toch besloot zijn dorp achter zich te laten. Misschien heeft de wrijving meer te maken met de context waarin ik mijn vader spreek. Als dit verhaal tussen de muren van mijn ouderlijk huis zou blijven, zou ik deze spanning misschien niet voelen, omdat het verhaal dan alleen beroep doet op het Punjabi deel van mijn identiteit. Wanneer ik mijn vaders verhaal echter probeer over te brengen aan buitenstaanders, voel ik een spanning tussen geleefde complexe migratieverhalen, zoals die van mijn vader, en de categorisering van goed-fout en legaal-illegaal die ik in Nederland leerde. Het plaatsen van een moreel oordeel over onofficieel aan het werk gaan voor een veiligere en stabiele toekomst, doe ik vanuit een westerse luxepositie terwijl het voor mijn vader destijds de normale gang van zaken was. Dagen die jaren worden Via aannemers was het mogelijk om met een contract van één tot twee jaar te gaan werken in het warme Dubai, maar dan kreeg je onderbetaald en moest je in tenten overnachten. ‘Wij hebben het op een andere manier gedaan, namelijk met een bezoekersvisum voor drie of vier dagen. Onze paspoorten moesten we achterlaten op het vliegveld en konden we ophalen wanneer we na drie à vier dagen weer terug zouden keren naar India.’ Maar drie à vier dagen veranderden in jaren. Uiteindelijk had de overheid van de Emiraten deze hera pheri door: ‘Ze kondigden via kranten en op televisie aan dat er bijna tienduizend paspoorten lagen op het vliegveld van Dubai, voornamelijk van mensen uit India of Pakistan.’ Het lukte Jaspal om via zijn bedrijf een contract te regelen, en samen met zijn broer ging hij na zijn werkdag naar het vliegveld om hun paspoorten op te halen. Eenmaal daar aangekomen, zagen zij een rij van twee kilometer, waarin zij door het lange


Interview

wachten in slaap vielen. ‘We waren pas in de ochtend aan de beurt, maar kregen wel een visum voor drie jaar.’ De broers werkten als timmermannen mee aan het bouwen van ziekenhuizen, scholen en hotels. ‘We leerden het vak door te kijken naar anderen. Er waren geen diploma’s, papieren of iets dergelijks nodig. Je moest het werk gewoon kunnen uitvoeren, dat was het.’ De hedendaagse moderne handelsstad die ik voor me zie als ik denk aan Dubai, was toendertijd nog in ontwikkeling. Door de bouw van de nieuwe instituties was er veel vraag naar arbeiders in die tijd. ‘Als je het werk niet leuk vond, kon je de volgende dag weer ergens anders aan de slag. Niemand zat thuis: er was een overvloed aan werk.’

‘Onze paspoorten moesten we achterlaten op het vliegveld’ Herinneringen aan thuis De broers waanden zich van de ene op de andere dag in een omgeving waar mensen met allerlei diverse achtergronden samenkwamen. ‘Wij kwamen er in Dubai eigenlijk pas achter wat andere mensen aten. Vrienden met een Iraanse achtergrond maakten een curry met alleen tomaat en ui en wij keken dan toe terwijl zij het klaarmaakten. Het was heel raar, maar ook écht lekker.’ De broers hadden India verlaten, maar kwamen juist in Dubai meer te weten over de eetgewoonten van hun landgenoten. ‘Vrienden uit Kerala, gelegen in het

zuiden van India, aten vooral rijstgerechten. Wij hadden nog nooit rijst gegeten. Nog nooit, alleen kheer [een Indiaas rijstdessert]. Wij aten roti [platbrood].’ Het populaire Indiase gerecht biryani aten de broers dus voor het eerst in de Verenigde Arabische Emiraten, ‘en wij vonden het zó lekker’. Al deze mensen met verschillende achtergronden vonden onder andere samen ontspanning in Bollywood films. Er was zoveel vraag naar Indiase films dat één film wel drie weken achter elkaar draaide.’ Er was één film die mijn vader vooral is bijgebleven: de film Sholay die uitkwam in 1975, geregisseerd door Ramesh Sippy. De broers konden de film niet altijd meteen in de bioscoop bekijken: ‘Eerst ging je de film beluisteren via cassetterecorders en pas later kregen wij hem te zien. Alleen ernaar luisteren was al genoeg, zo mooi is Sholay.’ De film zorgde ook voor een gevoel van verbondenheid met India. ‘Ik miste mijn ouders en mijn zus. Het sturen van brieven was de makkelijkste manier om met hen in contact te blijven, maar een briefwisseling kon zo’n twee weken duren.’ Het luisteren en kijken naar films bleek een manier om in contact te blijven met Punjab. Ondanks het zware werk dat mijn vader verrichtte in Dubai en de moeite die het hem kostte om er te komen, kijkt hij met een warm gevoel terug op deze tijd. Nog steeds citeert hij gepassioneerd passages uit de film Sholay. En ook de hera pheri duurt voort. Zijn reis ligt dan misschien in het verleden, maar voor vele anderen uit landen in het Globale Zuiden vormt dit nog steeds een groot onderdeel van hun heden en toekomst.

Tijdschrift Cul

13


Essay

De Sims 2: een geslaagde uitvinding van de maakbare samenleving Tekst Floor van der Wulp Beeld Eva van Gelder

Haalde jij het trapje van het zwembad weg zodra er iemand in zwom? Had jij al acht kinderen opgevoed vóór je tiende verjaardag? Of waren je Sims poppetjes verdacht rijk en gelukkig doordat jij af en toe vals speelde met geheime codes zoals motherlode en maxmotives? Het digitale simulatiespel De Sims bracht een hele generatie veel plezier, maar demonstreert ook hoe maakbaarheid en een obsessieve drang naar controle centraal staan in onze maatschappij.

Voor de leken onder ons: De Sims is een digitaal simulatiespel dat ook wel vergeleken wordt met een virtueel poppenhuis. Het spel is ontwikkeld door Will Wright en op de markt gebracht in 2000, waarna het vervolg, De Sims 2, in 2004 uitkwam. Je kan de levens van je Sims, een soort mensen met een fictieve taal, besturen en aanpassen door onder andere hun uiterlijk, kleding, meubels, huizen, relaties en werk te kiezen. Je bouwt voor je Sims een compleet leven op en kijkt toe hoe dat leven zich ontvouwt op basis van de keuzes die jij voor ze maakt. De Sims was een van de best verkochte spellen aller tijden en een echte pionier in het huidige genre van simulatiespellen. Het wist zowel mannelijke als vrouwelijke spelers te werven, een bijzondere prestatie in een tijd waarin computerspellen vaak gendergericht waren. Incest en andere jeugdherinneringen aan de Sims Ik genoot vroeger ontzettend van het spelen van De Sims 2. Als jong kind maakte ik zo kennis met aspecten van het leven waar ik in de echte wereld nog helemaal geen toegang toe had. Bij De Sims kon ik als kind een volwassene spelen zonder de consequenties van het echte volwassen leven. Ik had zoveel tijd geïnvesteerd in mijn Sims familie dat de kinderen van mijn Sims uit huis waren gegaan en zelf weer kinderen hadden gekregen, waarna zij vervolgens óók weer kinderen hadden gekregen. Dit leidde tot een stad die praktisch één grote familie was. Toen ik met mijn moeder over dit artikel

sprak, en haar vertelde over mijn ‘Familie Eigeel’, merkte ze iets op dat ik me nog niet eerder had gerealiseerd: ik had als achtjarig kind een incestueuze fantasiewereld opgebouwd. Naast het plezier dat ik haalde uit het uitvoeren van sociale experimenten die in het echte leven niet zo snel zouden plaatsvinden, was het ook fijn om tijdelijk in een fantasiewereld te kunnen verdwijnen. Het Sims leven was vaak wat minder gecompliceerd dan de werkelijkheid. Een kind baren hoefde je niet, de ooievaar kwam je kind gewoon brengen. Werken? Nee joh, laat je hond gewoon model worden en dan verdient hij genoeg voor het hele gezin. Ook psychologische stoornissen, overgewicht en liefdesrelaties met grote leeftijdsverschillen kan ik me niet herinneren. Helaas heb je in het echte leven geen levenselixer, geldbomen, geheime codes en een melodie na de seks die aangeeft dat je zwanger bent geworden.

Ik had als achtjarig kind een incestueuze fantasiewereld opgebouwd

14

Tijdschrift Cul


Essay

Ik heb vreugdevolle herinneringen aan de vele uren die ik als kind aan mijn digitale hobby heb besteed. De Sims leerde mij hoe belangrijk het is om in mijn eigen behoeften te voorzien door middel van zes overzichtelijke behoefte-balkjes die van groen naar rood verschoven naarmate mijn Sim honger kreeg, naar de wc moest of snakte naar sociaal contact. Nu nog steeds, in drukke tijden, herinner ik mezelf eraan dat ik tijd vrij moet maken om in die basisbehoeften te voorzien. De Sims leerde mij ook de beginselen van de leer om vriendschappen op te bouwen, liefde te vinden, carrière te maken en de dood te accepteren. Toch zet ik mijn vraagtekens bij één specifieke les die ik uit De Sims heb gehaald.

Helaas heb je in het echte leven geen melodie na de seks De valkuilen van onze focus op controle De Sims is gecreëerd in een bepaalde tijd, op een bepaalde plaats en beïnvloed door de ideeën van de tijd van toen. Het spel was niet zomaar een daverend succes: het viel op de vruchtbare bodem van een tijdsgeest waarin maakbaarheid centraal stond. Het is deel van een groter idee waarin ons wordt aangeleerd dat we overal controle over kunnen - en dus moeten - hebben. Het idee van maakbaarheid stelt dat bijna alles mogelijk is, zolang jij maar de juiste keuzes maakt. Voor de hand liggende voorbeelden zijn schoolprestaties en carrière: al vanaf jonge leeftijd krijg je te horen dat je succesvol kan zijn zolang je maar hard werkt. Maar ook in andere aspecten van het leven sijpelt de nadruk op maakbaarheid door, bijvoorbeeld bij zwangerschappen. Door middel van vruchtwaterpuncties krijgen ouders de optie zwangerschappen waarbij de baby genetische afwijkingen vertoont, vroegtijdig af te breken. Als we kijken naar De Sims zien we dat je niet alleen controle hebt over je poppetjes, maar dat je ook continu keuzes maakt die invloed hebben op hoe succesvol ze kunnen worden. Je bepaalt wanneer ze eten, wat ze doen in hun vrije tijd en met wie ze relaties aangaan. Alles ligt in jouw handen, en dit is leuk en bevrijdend, maar ook een grote verantwoordelijkheid. Zo kan het gebeuren dat jeugdzorg je kind weghaalt als je niet goed voor je Sim zorgt óf je Sim kan een minder plezierige kennismaking hebben met Magere Hein, de geest van de dood.

In de werkelijkheid zal je kind niet gelijk weggehaald worden als je twee keer vergeet een luier te verschonen en dood gaan zal je al helemaal niet zo snel overkomen, maar er zitten wel degelijk haken en ogen aan deze wijdverspreide gedachtegang waarbij maakbaarheid en controle centraal staan. Als je namelijk alles kan zijn en worden en het je toch niet lukt om je doel te behalen, heb je volgens deze ideologie gefaald. Het is je eigen schuld dat het je niet is gelukt, want je hád alles kunnen doen en zijn. De mate waarop we de verantwoordelijkheid voor eigen succes, en dus ook eigen falen, benadrukken in deze maatschappij, leidt tot prestatiedruk, (chronische) stress, perfectionisme, faalangst en depressie. Ik zie de invloed van deze verhoogde verantwoordelijkheid bij mezelf terug als ik kijk naar mijn obsessieve drang naar productiviteit, waarbij de to-do lijstjes me dagelijks om de oren vliegen.

Het spel was niet zomaar een daverend succes

Er zitten gelukkig ook positieve aspecten aan maakbaarheid, misschien was het concept anders ook nooit zo populair geworden. De maakbare samenleving benadrukt ieders potentie, stimuleert doorzettingsvermogen en hard werken, en moedigt een proactieve houding in je leven aan. Op zich niks mis mee. Het probleem zit hem in het doortrekken van deze maakbaarheid tot ieder aspect van je leven. De oplossing voor onze obsessie met controle en maakbaarheid ligt allereerst in het doorprikken van de illusie van perfectie. Als we met z’n allen wat eerlijker kunnen zijn over onze worstelingen, wat minder streng voor onszelf kunnen zijn en wat meer controle los kunnen laten, zou het een stuk helpen. En als we dan toch een enorme neiging hebben naar controle, hoeven we alleen nog onze laptop te openen en De Sims 2 te spelen.

Tijdschrift Cul

15


Interview

Op je knieën voor de radio

Tekst Tess Zondervan Beeld Eefje Schipper

Elke vrijdagmiddag klaarzitten met je cassetterecorder, samen zingen op verjaardagen, singeltjes uitwisselen en teksten ontrafelen. De jongeren van nu kunnen het zich niet meer voorstellen, maar in de tienerjaren van mijn moeder en haar vriendinnen was het een intensieve opgave om je favoriete muziek te kunnen beluisteren. YouTube? Spotify? Dat was er niet. Met een groep van acht vriendinnen tussen de 52 en 55 jaar, ga ik terug naar de tijd waarin cassettebandjes, de Hitkrant en LP’s nog heel gewoon waren.

Van de Dolly Dots tot André van Duin, en van Michael Jackson tot Abba en Luv, de acht vriendinnen zijn nog altijd niet van de dansvloer af te slaan. Tijdens vele dorpsfeestjes heb ik hier vaak getuige van mogen zijn. Swingend op de pakkende muziek van Meat Loaf en Grease, heb ik me vaak afgevraagd waarom deze vrouwen zo enthousiast worden van de muziek uit hun tienerjaren. Achter dit enthousiasme zitten verhalen en herinneringen. Ik nodigde de vriendinnen uit in mijn ouderlijk huis op Marken, om te praten over wat de muziek uit hun jeugd voor hen betekent, wat voor rol het in hun leven speelt en waarom het hen zo enthousiast maakt.

Zingend ramen lappen Op verjaardagen werd er altijd gezongen met alle verjaardagsgasten. Zij zongen dan niet ‘lang zal hij leven’, maar liedjes uit het liedboekje van De Zingende Boertjes. ‘Onze generatie heeft het zingen thuis nog echt meegekregen’, vertelt een van de vrouwen. Niet in alle gezinnen was het gebruikelijk om te zingen in huis, maar bij alle acht vriendinnen was dit wel het geval. Zingen in huis gebeurde vaak bij feestelijke gelegenheden, maar ook op een doorsnee dag werden de liedboekjes regelmatig tevoorschijn gehaald. Zo vertelt een van de vriendinnen dat haar ouders altijd samen zongen tijdens het afwassen. Dan kwam het liedboekje erbij en werd er vol-

16

Tijdschrift Cul

op gezongen. Andere moeders zongen tijdens het stofzuigen, ramen lappen, en noem maar op. Als er gewerkt werd, werd er gezongen, en dat is de vriendinnen zeker bijgebleven. ‘Mijn moeder zong soms: “Ik mis m’n slippie’’ [op de melodie van Mississippi]. Nou, dan schaamde ik me dood’, vertelt een van hen. ‘Èchte oude nummers, van onze ouders’, zoals ze deze zelf omschrijven, worden nog steeds door de vriendinnen gezongen, bijvoorbeeld wanneer ze samen oud en nieuw vieren. Het doet hen denken aan hun ouders en hun jeugd.

‘Mijn neef draaide ouwe lullen muziek van de bovenste plank’ Singeltjes en cassettebandjes Vrijdagmiddag moest je thuis zijn. Daar was geen twijfel over mogelijk, want dan zond TROS Radio de wekelijkse Top 40 uit. Er was maar één radio in huis en die stond midden in de huiskamer, dus je moest maar hopen dat je broers niet iets anders wilden luisteren. Oortelefoontjes in en luisteren naar waar je zelf zin in had, was er niet bij. Een van de vriendinnen vertelt hoe ze toegang kregen tot de nieuwste hits: ‘Zoals jullie dat tegenwoordig downloaden, namen wij de muziek van-


Interview af de radio op, op een cassettebandje. Dan moest je wachten totdat die man klaar was met de aankondiging, en dan drukte je hem in. Het voorstukje miste je dus. En dan begon hij tijdens het allerlaatste stukje weer te kletsen, dus dat laatste stuk had je dan weer net niet. Dus je had uiteindelijk alleen het middenstuk. Het was altijd wel een sport om dat er op te krijgen. Misschien is dat wel waarom wij die muziek veel meer waardeerden. Wij konden niet even snel via YouTube iets afspelen.’ De tijd en energie die het in de tienerjaren van de vriendinnen vergde om hun favoriete muziek ongelimiteerd te beluisteren, maakt dat zij een heel sterke connectie hebben met deze muziek. Muziek was lang niet zo toegankelijk als tegenwoordig. ‘Omdat we er veel intensiever mee bezig

by. ‘Je was toen veel meer bezig met die muziek. Jullie horen gewoon een lekker nummer, maar wij moesten er echt moeite voor doen.’ Ook singeltjes werden uitgewisseld. Iedereen had een platenspeler, maar een singeltje kostte vijf gulden. Zo vertelt een van de vriendinnen: ‘Als je een singeltje kocht, dan ging je zakgeld eraan. Dan kon je niet meer naar de Zonnewijzer [de jongerensoos op Marken]. Je moest dus kiezen’. Daarom zorgden de vriendinnen ervoor dat ze allemaal een ander singeltje kochten, en die met de cassetterecorder van elkaar opnamen, van het begin tot het einde, zonder dat de radio-dj het onderbrak. Muziek was hierdoor ook een verbindende factor. Door het delen van muziek konden vriendschappen ontstaan of worden versterkt. Onderling komen er herinneringen op.

waren, hebben we er ook veel meer herinneringen aan’, vertelt een van de vriendinnen. Als je een mooi nummer hoorde, kon je niet even googelen naar de tekst. Je moest het dan opnemen op een cassettebandje, en het vervolgens stukje voor stukje afspelen om de tekst te ontrafelen en op te schrijven. ‘Maar… als je de tekst met zoveel moeite hebt verkregen, vergeet je hem ook nooit meer’, zegt een van de vriendinnen. Later verscheen één keer per maand de Hitkrant met alle songteksten erin. Die werden dan uitgeknipt en uit het hoofd geleerd. ‘Dan ging je dat meezingen, en dan dacht je: “oh, zingt hij dát?!” Wij liepen natuurlijk altijd iets anders te brullen.’ Teksten opschrijven, opnemen, stoppen, weer doorspoelen, terugspoelen, proberen een nummer fatsoenlijk op een cassettebandje te krijgen; dat alles zodat je het de rest van het weekend of op een feestje kon luisteren. Op feestjes nam iedereen een eigen cassettebandje mee, en dat moest dan gedraaid worden. Kortom, muziek was een tijdrovende hob-

Zo zegt iemand tegen de vriendin tegenover haar: ‘Ik weet nog dat jij de LP van Donna Summer had. Ik zie hem nog zo liggen op jouw kamer, rechts op het kastje.’ Op verjaardagen verzorgde de jarige de muziek, en dan moest je maar hopen dat het een beetje goede muziek was. Zo vertelt een van de vriendinnen dat haar neef altijd The Cats en Fleetwood Mac draaide, en zij vond deze muziek als meisje van tien jaar zo vreselijk, dat ze eigenlijk weinig zin had om op zijn verjaardag te komen. Haar neef draaide ‘ouwe lullen muziek van de bovenste plank’, zoals ze dit zelf grinnikend omschrijft. Die muziek herinnert haar nu heel sterk aan die verjaardagen. Vanaf 1970 verscheen wekelijks het tv-programma AVRO’s Toppop op de buis. Dit was een enorme hit. Zowel nationale als internationale grootheden traden op in de studio bij Ad Visser. Zelfs artiesten als Queen kwamen hier optreden. Danseres Penney de Jager verzorgde het achtergrond entertainment met pakkende dansjes, die de vriendinnen op

Tijdschrift Cul

17


Interview hun slaapkamer allemaal oefenden. Tijdens feestjes en de jaarlijkse Toppop-voorstelling van de zesde klas op school, voerden ze deze dansjes dan uit. Toppop en de wekelijkse Top 40 op de radio waren het enige wat de vriendinnen hadden qua toegang tot nieuwe muziek, en daarom heeft het ook een enorme impact op hen gehad. Ze konden hun platen wel grijs draaien, maar niet Spotify op repeat zetten. Ze konden wel klaarzitten voor de wekelijkse Top 40, maar hadden geen keuze tussen talloze radiozenders. ‘De muziek van tegenwoordig is vaak helemaal niet duurzaam’, zegt een van de vriendinnen. ‘Snelheid is hierin een grote factor. Je hoort zo’n hit nu meerdere keren per dag. Dat hadden wij niet. Een nummer kon heel lang op nummer 1 staan, omdat je het maar één keer per week hoorde’. Dansen tot de zon opkomt ‘Een keer in de zoveel tijd was er een disco in de Zonnewijzer, en daar moest je ècht heen’, vertellen de vriendinnen. ‘Dat was zo gezellig. Alle stoelen waren dan aan de kant, en echt iedereen ging dansen! We waren dan met 120 tot 150 man in de Zonnewijzer, douwen maar, hutje mutje, past best.’ Op vrijdagavond bij de repetitie van het orkest spraken de vriendinnen af om elkaar zaterdag om half negen in de Zonnewijzer te ontmoeten. ‘We konden niet, zoals onze kinderen tegenwoordig doen, even appen van “gaan we nou wel of gaan we nou niet?” of “gaan we in schoenen of in laarzen?”. Aan dat soort geneuzel deden wij niet. Je was gewoon om half negen in de Zonnewijzer. Punt.’

Jeugdigheid lijkt op deze vriendinnengroep een eindeloos effect te hebben ‘Ik denk dat muziek alléén maar herinnering is’, zegt een van de vrouwen: ‘Muziek krijgt pas een persoonlijke betekenis als je het aan een herinnering kunt linken.’ Herinneringen worden bewaard in muziek, waardoor muziek je helpt te herinneren. De herinneringen die de vriendinnen, binnen hun thuissituatie of als vriendinnengroep, aan muziek hebben, verklaren tegenwoordig ook het grote enthousiasme

18

Tijdschrift Cul

bij het horen van een nummer uit hun jeugd. De muziek en het dansen hebben dan ook een grote rol ingenomen in de vriendschap van de vrouwen: ‘Toen ik een feest gaf stonden jullie al te dansen toen de band nog aan het stemmen was. Als wij dansen, zijn we echt “aan het dansen”. ’ Op de vele feestjes waar ik samen met deze vrouwen gedanst heb, heeft hun enthousiasme mij gefascineerd. Wanneer er een nummer uit hun jeugd gedraaid wordt, lijkt er een soort telepathische zender door de zaal te gaan, die deze vrouwen naar de dansvloer trekt. Zij willen dan alleen maar dansen, met volle overgave. De wereld om hen heen lijken ze dan even vergeten te zijn, en ze trekken zich van niemand meer iets aan. Het is alsof iedere vrouw een boek is, waarvan ik enkel de kaft kan lezen. Een van hen zegt: ‘Als ik dan met jullie bijvoorbeeld een nummer hoor, dan zijn we echt samen over vroeger aan het mijmeren. We zitten allemaal in dezelfde herinnering.’ Uiteraard zijn de vrouwen niet alleen maar bezig met vroeger en herinneringen, maar het dansen op de muziek uit de ‘goede oude tijd’ maakt de vriendinnen blij, haalt hen uit de sleur van het dagelijks leven en laat hen zich weer even jong voelen. ‘Bij sommige nummers hebben we allemaal dezelfde herinnering’, zegt een van de vriendinnen. ‘Bijvoorbeeld bij Tatata, van André van Duin’, waarop zij tijdens oud en nieuw in gekke kostuums de polonaise liepen. Zodra André begint te zingen over meneer en mevrouw Osseworst, duiken de vriendinnen samen terug in de tijd en liggen ze gierend van het lachen op de bank. Maar ook als er op een feestje een nummer van ABBA of de Dolly Dots wordt gedraaid, zijn de vriendinnen niet meer te stoppen. ‘Als wij met de jaarlijkse Marker havenfeesten met z’n allen in de feesttent staan, en er komt zo’n nummer op waarbij wij allemaal als een speer naar het podium rennen om te dansen, dan herbeleef ik echt weer de feestjes waar we als tieners samen waren.’ Jeugdigheid zal dan misschien iets tijdelijks zijn, maar op deze vriendinnengroep lijkt het een eindeloos effect te hebben. Als deze dames op de dansvloer staan, kan de avond niet meer stuk. De muziek neemt het voortouw, en de herinneringen nemen iedereen op sleeptouw. De fles wijn gaat nog eens rond, en we proosten op een nostalgische avond.


Column

‘Nee, die film heb ik niet gezien’ Over de collectieve herinnering van populaire films, en het ontbreken daarvan

Vraag elke willekeurige twintiger naar de favoriete films uit

hun jeugd en grote kans dat er minstens één Disney of Harry Potter film wordt genoemd. Een hele generatie groeide op met deze films, die een grote invloed hebben gehad op de collectieve herinnering. Het is dan ook vanzelfsprekend dat een 23-jarige deze films minstens één keer heeft gezien. Toch? Drie jaar oud was ik toen ik met mijn moeder in de bioscoopzaal zat om de film Ice Age te zien. Wat bedoeld was als een leuk uitstapje voor mijn moeder en mij, bleek al snel het tegenovergestelde te zijn. Nadat, in het begin van de film, de hoofdpersoon iets ergs overkwam, was ik ontroostbaar. Mijn moeder probeerde me stil te krijgen door mij vol te proppen met snoepjes, maar toen die voorraad op was, was er geen houden meer aan. Nog voor de pauze hadden we de zaal alweer verlaten. Dit Ice Age drama herhaalde zich ook bij de Lion King, de laatste Disneyfilm die ik, ook niet volledig, in mijn jeugd heb gezien. Als tiener was het natuurlijk de beurt aan de Harry Potter films. Tenminste, dat zou je denken: in werkelijkheid zijn ook deze films compleet langs mij heengegaan. De korte fragmenten die ik voorbij had zien komen, joegen mij de stuipen op het lijf. Ook toen ik over de eerste schrik heen was, kon een jongen met een toverstaf mij niet overtuigen om de acht lange films te kijken. Ik had de boot gemist met het kijken van Harry Potter en dacht: ‘Ach, een leven zonder Harry Potter, zo erg kan dat toch niet zijn?’. Maar vertel dat maar eens aan je vrienden, of eigenlijk iedere twintiger die je tegenkomt. Het is bijna alsof ik een bekentenis moet doen, alsof ik, als ik het niet zou benoemen, niet ‘eerlijk’ zou zijn. Bovendien komt het vaak

Ach, een leven zonder Harry Potter, zo erg kan dat toch niet zijn?

Tekst Eva Frijns Beeld Oscar Slagveer

al vrij snel in een vriendschap aan bod omdat de Disney en Harry Potter referenties je om de oren vliegen. Wanneer er eentje mijn kant op komt, is mijn reactie vaak niet meer dan een glazige blik. Mijn huisgenoten konden zich niet neerleggen bij mijn onwetendheid en hadden een heuse Harry Potter week in het leven geroepen, waarin ik alle films samen met hen zou gaan kijken. Bij elk fragment in de film, was er wel een huisgenoot die schreeuwde dat ik op een bepaald detail moest letten. Het kijken van de films was voor mij geen succes en halverwege de eerste film was ik al naar mijn kamer geglipt. De eindstand was dat mijn huisgenoten enthousiast alle films voor de zoveelste keer hadden gezien en ik uiteindelijk twee halve Harry Potter films heb gekeken. Waar de meeste kinderen met deze films zijn opgegroeid, ben ik dat juist niet. Veel van mijn vrienden zijn opgehouden met de vraag ‘heb jij deze film gezien?’, omdat ze weten dat het antwoord hoogstwaarschijnlijk ‘nee’ is. Misschien mis ik dan wel een deel van het collectieve geheugen van de twintiger, maar het zorgt wel altijd voor een leuk gespreksonderwerp.

Tijdschrift Cul 19


Essay

Angst voor het nieuwe is niets nieuws Technofobie in historische context Tekst Lucca de Ruiter Beeld Oscar Slagveer

Toen de eerste films in de bioscopen draaiden, en er op een dag een snel rijdende trein op het witte doek te zien was, sprintte het publiek massaal de zaal uit, bang dat de trein door het doek zou scheuren en hen zou verpletteren. Sinds jaar en dag maken we ons zorgen over uitvindingen die ons leven veranderen. Ook nu zijn angstverhalen over technologie alomtegenwoordig. Maar achter ‘technofobie’ schuilt vaak meer dan uit de hand gelopen hysterie.

A

chttien jaar geleden, op 11 maart 2002, besloot een buschauffeur uit Uithoorn iets krankzinnigs te doen. Zeven uur lang hield John R. achttien mensen gegijzeld in de Amsterdamse Rembrandttoren. Gewapend met explosieven, een pistoolmitrailleur en een handvuurwapen betrad hij wat hij dacht dat het kantoor van Philips was. Philips bleek een half jaar eerder verhuisd te zijn naar de naastgelegen Breitnertoren. Maar voor John maakte dat niets uit. Hij plande deze actie omdat hij grote angst had voor de breedbeeldtelevisie, die een paar jaar eerder was geïntroduceerd. Al vanaf 1998 schreef hij brieven naar de Consumentenbond en het Algemeen Dagblad waarin hij beargumenteerde dat de zwarte balken op het scherm hem beeld zouden ‘ontnemen’ en dat hierdoor informatie achtergehouden werd. Ook zouden de zwarte stroken een pressiemiddel zijn van ‘de moderne industrie’ om consumenten te dwingen dure breedbeeld-tv’s aan te schaffen. Rond vier uur ‘s middags vertelde John de politie dat hij zich in afzondering wilde bezinnen. In een toilet beroofde hij zich vervolgens van het leven.

Vliegende baarmoeders De angst van buschauffeur John R. was zó sterk, dat hij bereid was zijn eigen leven, en dat van anderen, op het spel te zetten om de ontwikkeling van een bepaalde technologie tegen te gaan. Het is makkelijk om John weg te zetten als een uitzondering, als een gekke man die vatbaar was voor waanbeelden. Maar gedurende de geschiedenis zijn er talloze voorbeelden te vinden van technofobie, de angst voor nieuwe technologie. In de vijftiende en zestiende eeuw dook er in Europa eenzelfde soort angstverhaal op: mensen begonnen te geloven dat zij gemaakt waren van glas. Een bekend slachtoffer van deze waan was Koning Karel VI van Frankrijk, die bang was dat onverwachte bewegingen in zijn buurt ertoe konden leiden dat hij zou breken als glas. Historici schrijven het fenomeen toe aan het feit dat doorzichtig glas in die tijd een relatief nieuw materiaal was, wat vruchtbare grond was voor waanbeelden. Aan het begin van de negentiende eeuw ging de trein als transportmiddel een steeds belangrijkere rol spelen in

In de zoektocht naar daadkracht, houden mensen zich vast aan complottheorieën

20

Tijdschrift Cul


Essay het dagelijks leven. Mensen waren toen bang dat het menselijk lichaam de grote snelheid waarmee de trein zich voortbewoog niet aan zou kunnen. Volgens antropologe Genevieve Bell geloofden ze dat hun lichaam zou smelten, of dat ledematen er af zouden vallen. Er zouden zelfs mensen zijn geweest die ervan overtuigd waren dat een snelheid van vijftig kilometer per uur ervoor zou zorgen dat de baarmoeders van vrouwen eruit zouden vliegen. Dergelijke angsten zijn niet alleen stadslegendes. In 1877 lanceerde de gerenommeerde krant The New York Times een aanval op Alexander Graham Bell’s uitvinding, de telefoon, vanwege een vermoede inbreuk op privacy. Een redacteur schreef: ‘We zullen binnenkort niets anders voor elkaar zijn dan transparante hopen gelatine.’ Toen Guglielmo Marconi aan het einde van de negentiende eeuw draadloze audioverbinding uitvond, schreef hij een brief naar het Ministerie van Post om subsidie aan te vragen. Hierop kreeg hij geen antwoord. In plaats daarvan refereerde een medewerker van het ministerie hem naar een gesticht.

Het oude is per definitie iets dat we beter begrijpen dan het nieuwe Hysterie of gezond scepticisme? Technologie die het leven simpeler maakt door meer functies te introduceren, maakt het leven tegelijkertijd ingewikkelder, doordat het moeilijker wordt de technologie goed te begrijpen. Dit is wat cognitieve wetenschapper en ingenieur Don Norman de ‘paradox van technologie’ noemt. Zo bekeken is technofobie dus een gevolg van een gebrek aan heldere informatie. Een dergelijk gebrek creëert ruimte voor fabels om betekenis te geven aan een snel veranderende wereld. Technofobie is geen fobie in de klassieke zin van het woord: het hoeft niet altijd compleet irrationeel te zijn. Enerzijds heeft technofobie te maken met een natuurlijke drang om vast te willen houden aan het oude, het bekende. Dat is logisch, want het oude is per definitie iets dat we beter begrijpen dan het nieuwe. Ook is technofobie een uiting van scepticisme tegenover ontwikkelingen die wel degelijk grote impact op ons leven kunnen hebben. Volgens socioloog Christopher Bader zijn we het meest bang voor technologie waar we afhankelijk van zijn, maar geen controle over hebben. Toen een New York Times redacteur in 1877 schreef dat telefoons er-

voor zouden zorgen dat het concept van privacy op zou houden te bestaan, overdreef hij wellicht. Maar uit onderzoeken van verschillende Amerikaanse universiteiten blijkt dat ongeveer de helft van de bevolking van de Verenigde Staten zich inmiddels zorgen maakt over inbreuk op hun privacy via hun smartphone, technologie die is voortgevloeid uit de uitvinding van de telefoon in 1877. Ondertussen is wel duidelijk dat die zorgen niet geheel onterecht zijn. Kankerverwekkende zendmasten Vandaag de dag domineert een andere boeman het nieuws: 5G, de nieuwste technologie-standaard voor draadloze netwerken. Over de hele wereld protesteren mensen tegen de komst van 5G. De verbinding wordt een stuk sneller, maar het bereik van de antennes is kleiner, met als gevolg meer antennes in het straatbeeld. Volgens sommige complottheorieën zou er straling van deze antennes afkomen die schadelijk is voor de mens. Hiervoor is geen wetenschappelijk bewijs gevonden. Ook hier gaat het om een technologische ontwikkeling die ingrijpt in ons leven, maar waar we weinig controle over hebben: de infrastructuur komt er, of we dat nou willen of niet. De discussie gaat dus niet alleen over zogenaamde straling, maar ook over het feit dat mensen het gevoel hebben geen invloed uit te kunnen oefenen op wat er om hen heen gebeurt. In de zoektocht naar daadkracht, houden mensen zich daarom vast aan complottheorieën. Een 5G-samenleving is bovendien wel degelijk kwetsbaar. Het zal makkelijker worden grote hoeveelheden data te verkrijgen, waardoor er een kloof kan ontstaan tussen mensen die er wel en geen toegang toe hebben. Je hoeft dus niet te geloven in een pseudowetenschappelijk doemscenario om je zorgen te maken over de nieuwe technologie. Het is daarom belangrijk groepen die sceptisch zijn over technologie niet op één hoop te gooien. Juist als beweringen op het eerste gezicht onzinnig lijken, is het de moeite waard ze onder de loep te nemen en nuance aan te brengen waar nodig. Als alles zomaar gelabeld wordt als technofobie, wordt het immers steeds lastiger grote techbedrijven ter verantwoording te roepen voor de schade die zij toebrengen. Het is niet eenvoudig om nu te bepalen of ons scepticisme tegenover huidige technologische ontwikkelingen terecht is, of dat we er later, zoals bij de breedbeeldgijzeling, grinnikend op terug zullen kijken. Wat wel duidelijk is, is dat in een wereld waarin alles verandert, paniek over het nieuwe één van de weinige constanten is.

Tijdschrift Cul

21


Interview

Geen ridder zonder naaimachine LARPen als ontsnapping naar een verzonnen verleden Tussen de smeulende brokstukken van haar eens zo majestueuze koninkrijk staat de prinses. Haar fluwelen jurk is doordrenkt met bloed, maar de strijd heeft ze gewonnen. Overspoeld door angst roept ze om hulp. Niemand hoort haar. Zij is de enige die gespaard bleef van de vuurregen die de draak over het koninkrijk spuwde. In de verte hoort ze zijn zware voetstappen wegebben. Dit is geen scène uit een gruwelijk sprookje, dit is een spel.

G etooid in middeleeuwse gewaden en met zwaarden in de hand, komen de spelers van een Live Action Role Playing

(LARP) spel samen in verlaten bossen in Nederland, weg van de moderne wereld en weg van wie ze daarin zijn. Als ervaren acteurs nemen ze voor een aantal dagen een zelf verzonnen karakter aan. Er zijn tovenaars, ridders, dieven en prinsessen. Wat LARPen zo fascinerend maakt, is dat het zo ver kan gaan als je verbeelding je kan brengen. Samen drinken ze, genieten ze, improviseren ze en spelen ze in een toneelstuk met een bevreemdend realistisch karakter het verleden na. Men zit er vast in een rol, maar toch voelt het voor velen als een bevrijding. Uiteindelijk gaat het de LARPers om het samenzijn. In de setting van een vervlogen tijd vluchten zij gezamenlijk van de soms harde realiteit.

‘Ik ken veel spelers die hun LARP hobby geheim houden’ Eenzame reiziger Ik sprak de 21-jarige LARPer Gyllion Böhm over de bijzondere hobby waar hij vier jaar geleden mee begon. Gyllion groeide op in Uitgeest, een klein dorp in de buurt van Amsterdam, en heeft zijn ouderlijk nest nog niet verlaten. ‘Als klein jongetje was ik bezeten van Vikingen en speelde ik met niets liever dan stokken en zwaarden. Op een bepaalde manier is dat al een vorm van LARPen’, zegt hij. Die drang om te vechten zit nog steeds in hem. Zijn stokken verving hij door videogames en naast LARPen, droomt Gyllion er sinds kort ook van het leger in te gaan. Zijn eerste ontmoeting met LARP was via YouTube-fimpjes. ‘Ik zat toen nog op de middelbare school, en vond het er heel leuk uitzien, maar was eerlijk gezegd gewoon te verlegen en beschaamd om er in te willen duiken.’ Gyllion’s enthousiasme kwam terug toen zijn buurjongen hem meenam naar diens eerste verklede LARP evenement. ‘Dat moment herinner ik me nog goed. Het was alsof ik een eenzame reiziger was die naar een magisch land vertrok. Ik kon zijn wie ik wilde.’ LARPen is een manier van niet-digitaal gamen en verloopt zonder script of publiek. In Nederland is het groot-

22

Tijdschrift Cul

Tekst Cosima Bas Beeld Gyllion Böhm

ste deel van de LARPs gebaseerd op een middeleeuwse fantasiewereld die doet denken aan Tolkien’s The Lord of the Rings. Er zijn vele soorten LARPs: soms is het een groepje van twintig vrienden dat in een verhaal samenkomt, soms is het een evenement met honderden deelnemers. Het merendeel van die deelnemers zijn twintigers. ‘Toen ik zelf net begon, verbaasde ik me erover hoeveel mensen met verschillende achtergronden en leeftijden eraan meedoen. Jongeren vormen nog steeds het grootste deel, maar er zitten ook artsen en soldaten in de LARP community.’ De spelers bedenken hun eigen personage met een eigen naam en levensverhaal. Aangezien zij zichzelf zo vaak transformeren tot iemand anders, worden de karakters nooit hun tweede identiteit. Gyllion beschrijft de


Interview verschillende personages die hij door de jaren heen speelde als ‘vrienden met wie ik grootse avonturen beleefde’. Het zijn figuren waaraan mooie herinneringen vasthangen, maar ook figuren die de speler uiteindelijk moet loslaten.

‘Ik kon zijn wie ik wilde’ Wereld van verschil ‘Ik krijg natuurlijk vreemde blikken van mensen die mij zien in mijn middeleeuwse kostuums. Het is ook wat gek als er plots iemand voor je staat in een lederen pantser, een schapenwollen kraag en Viking-laarzen. En dan draag ik er soms ook nog een schild en wapen bij. Dat ruige kan mensen afschrikken.’ Ondanks de blikken voelt Gyllion geen schaamte meer voor wat hij doet. Zijn familie en vrienden steunen hem en reageren positief op zijn hobby. Hij is nu vooral trots, met name op de kostuums die hij helemaal zelf ontwerpt en maakt. ‘Een naaimachine is de beste investering die je als LARPer kan doen.’ Het kostuum waar hij het meest trots op is, bestaat uit allerlei gescheurde stoffen van jurken, jassen en laarzen die hij aaneennaaide. ‘Ik ben vaak zo blij met het eindresultaat dat ik mijn zelfgemaakte kostuums soms ook thuis draag of er foto’s in maak. Maar ik ga er natuurlijk niet mee naar de Jumbo.’ Gyllion merkt dat er ‘in de buitenwereld’ veel vooroordelen bestaan over LARPers. ‘Men heeft het idee dat het een erg onvolwassen wereld is. Alsof verbeelding enkel bij kinderen past.’ Het tegenovergestelde is waar: man en vrouw, jong en oud, zwart en wit, in de LARP community komt iedereen samen. Gyllion ziet zijn medespelers als slimme, volwassen en emotioneel ontwikkelde mensen. ‘Zij zijn erg goed in het herkennen en spelen van emoties en nemen dit ook mee naar wie ze zijn buiten LARP.’ Soms lopen emoties in het spel ook hoog op. ‘Mensen nemen frustraties uit het echte leven mee in het spel, en dan gebeurt het wel eens dat er drama ontstaat.’ Toch bestaan er strenge regels: enkel foam wapens zijn toegelaten en zowel in het vechten als op romantisch vlak zijn er duidelijke grenzen en gedragscodes vastgelegd. Ook telefoons en WiFi zijn uit den boze. ‘Het is een andere realiteit. Hoewel het er van op afstand uitziet als een ruige wereld, zitten achter al die vechtende karakters de aardigste mensen die ik ken.’

‘Achter die vechtende karakters zitten de aardigste mensen die ik ken’ Schaamtevolle ontsnapping Stoere mannen in een prinsessenjurk, vrouwen als ridders met zwaarden. Aan LARPers is geen stereotype vast te kleven. Toch is de buitenwereld hard voor mensen die buitengewone

dingen doen. ‘Ik ken veel spelers die hun LARP hobby geheim houden. Die mensen hebben goede banen of een afkeurende omgeving waarvoor ze hun imago intact willen houden. Schaamte is dan niet ver te zoeken.’ Ondanks het imago is deze wereld voor velen ook een veilige plek. Een toevluchtsoord dat zij opzoeken wanneer het echte leven niet meezit. ‘Het mooie aan LARPen vind ik dat het niet uitmaakt wie je voor of na het spel bent. Vanaf het moment dat je een andere wereld betreedt, word je herboren als persoon.’ Wat iedereen in de community met elkaar deelt, is de drang om af en toe te ontsnappen naar een andere wereld, naar een verzonnen verleden waarin het soms makkelijker lijkt te gaan.

‘Alsof ik een eenzame reiziger was die naar een magisch land vertrok’ ‘Als magie met het blote oog waargenomen kon worden, dan zag je het bij LARP’, concludeert Gyllion. De vrijheid in wie je kan zijn binnen de gemeenschap is enorm. Toch komt er ook een moment dat je terug moet naar de echte wereld. ‘Dan kom ik terug van zo’n evenement en leef ik nog een paar dagen in een waan. Je vraagt je dan af wie je eigenlijk echt bent.’

Tijdschrift Cul

23


Achtergrond

Opgeleukte versies van gewone meisjes Onzekere tieners en uitvergrote sociale normen op GoSupermodel Tekst Roos Metselaar Beeld Oscar Slagveer

Tijdens pauzes op scholen zie je ze overal: kinderen die dansjes nadoen om op TikTok te plaatsen en die zichzelf met een filter zo mooi mogelijk op de foto zetten voor Instagram. De eerste verschijnselen van deze groeiende invloed van sociale media waren een decennium geleden ook al te zien. Zo’n tien jaar terug was ik zelf al onderdeel van een virtuele wereld die gekenmerkt werd door dezelfde onzekerheid en influencers : de ‘meiden community ’ GoSupermodel.

T oen ik in 2009 een account aanmaakte op GoSupermodel, bestond de Nederlandse site nog

maar net, maar waren er maandelijks al zo’n tweehonderdtot tweehonderdvijftigduizend bezoekers. Deze bezoekers, meestal meisjes tussen de tien en zestien jaar, gebruikten de site niet alleen voor het oorspronkelijke doel: spelletjes spelen, om zo virtueel geld, genaamd GoMoney, te verdienen en vervolgens kleding te ‘kopen’. Veel belangrijker was het om onderdeel te zijn van de ‘meiden community’. Terugdenkend, zie ook ik mijn gebruik van de website steeds meer veranderen. Hoewel het aantal onbekenden in mijn vriendenlijst langzaam groeide, wilde het toch niet direct lukken nieuwe vriendschappen te sluiten. Ik stond voor een raadsel: hoe word je onderdeel van deze online gemeenschap? En aan welke regels moet je voldoen om je vriendenaantal te laten stijgen?

De vergelijkingsdrang wordt versterkt door het ontwerp van de websites De eerste influencers De naam van mijn account op GoSupermodel koos ik als tienjarig meisje samen met mijn ouders: Roos1999, overduidelijk een verwijzing naar mijn naam en geboortejaar. Ook in de keuze van mijn avatar besloot ik dicht bij mezelf te blijven: blond haar en een spijkerbroek. Op mijn profielpagina stonden mijn hobby’s en favoriete films. Het leek allemaal niet zo

24

Tijdschrift Cul

belangrijk. Een korte zoektocht leidt me echter naar een WikiHow-pagina, die aan het licht brengt dat er regels waren die ik toen niet kende. Om echt populair te worden op GoSupermodel is het belangrijk dat je bij het aanmaken van een nieuw account aan bepaalde eisen voldoet. In de eerste opdracht had ik al gefaald: je naam mag absoluut geen nummers bevatten. Als dit wel het geval is, is het voor iedereen meteen duidelijk dat ze met een ‘noob’ te maken hebben. Voor de outfit geldt hetzelfde: zo uniek mogelijk en zeker niet iets wat je naar school zou aandoen. En tot slot het maken van vrienden: hierbij is vooral de kwaliteit belangrijk. Volgens de WikiHow-pagina moet je eerst de populaire groep identificeren en die vervolgens het volgende berichtje sturen: ‘Hoe is het? Je bent zo knap!’. Het uiteindelijke doel is om vrienden te worden met de ‘moderators’, de door de website aangestelde beheerders van de orde op de site; zij zijn het populairst. Toen ik een paar jaar actief was op de website drong ik eindelijk door tot de populaire groep. Als snel stroomden berichtjes binnen van meiden met cijfers in hun naam met de vraag of ik hun vriendin wilde worden. Soms boden ze me zelfs een ‘abo’ aan in ruil voor het accepteren van hun vriend-


Achtergrond schapsverzoek. Zo’n abonnement, waar zij dan echt geld voor moesten betalen, leverde mij weer extra populariteit op. Zo hielpen we elkaar om langzaam omhoog te klimmen in de GoSupermodel-hiërarchie. En dat had resultaat: de items die wij als populaire leden aanhadden, waren al snel uitverkocht in de virtuele winkel. Je zou kunnen zeggen dat ik toen al een van de eerste influencers was.

Ik was toen al een van de eerste influencers Op jacht naar vrienden Waarom vonden zoveel meisjes populair zijn in een virtuele wereld zó belangrijk dat ze er soms zelfs echt geld voor neerlegden? Het antwoord is makkelijk: tieners willen online om dezelfde reden populair zijn als op de middelbare school. Ze hebben een enorme drang om erbij te horen. Het kiezen van een hippe gebruikersnaam past in hetzelfde rijtje als het kopen van FILA sneakers die de hele klas heeft en het verven van je rode haar omdat je ermee gepest wordt. Toch is er ook een belangrijk onderscheid tussen een schoolklas en een online gemeenschap: in virtuele werelden worden de sociale regels versterkt en uitvergroot. De vergelijkingsdrang, die bij tieners al sterk aanwezig is, wordt op een platform als GoSupermodel alleen maar groter. Dit is geen natuurlijk proces, maar komt voornamelijk doordat de websites en apps op een manier ontworpen zijn die dit stimuleert. Het populair worden op GoSupermodel bestond voor mij vooral uit het eindeloos scrollen door de vriendenlijsten van moderators. Andere moderators waren in die lijst snel te herkennen; ze stonden bovenaan en hadden een blauwe bloem naast hun naam. Stuk voor stuk bekeek ik hun andere vrienden: zijn zij cool genoeg om toegang te bieden tot de populaire groep, maar niet zo cool dat ze onbereikbaar zijn? Dat was vooral afhankelijk van het vriendenaantal, dat duidelijk op hun pagina vermeld stond. De manier waarop de website ingericht was, stimuleerde deze zoektocht naar vrienden en het ontstaan van een hiërarchische structuur. De duidelijke vermelding van het vriendenaantal bevestigde bijvoorbeeld het idee dat het maken van vrienden de hoogste prioriteit was.

Wie ben ik? Op websites als GoSupermodel lijkt deze competitiedrang nog enigszins onschuldig. Het zijn slechts avatars die met elkaar vergeleken worden. Wanneer we kijken naar moderne sociale media zien we ernstigere gevolgen. In het artikel UnFriend my Heart uit 2011 beschrijft antropologe Ilana Gershon hoe het design van Facebook jongeren aanmoedigt zichzelf te vergelijken met anderen. Op Facebook kan je precies zien hoeveel connecties iemand heeft en welke evenementen iemand bijwoont. Zo speelt het medium in op de onzekerheid van jongeren: ze hebben steeds vaker het gevoel dat ze niet genoeg doen of zijn. Dezelfde verhalen zijn, misschien wel in grotere mate, bekend over Instagram. In Gouden Bergen: Portret van een Digitale Generatie laat journaliste Doortje Smithuijsen verschillende meisjes en vrouwen aan het woord die de kost verdienen als influencer. Het doel om op te vallen in het Instagram-algoritme is altijd in hun gedachten aanwezig: bij de keuze van een restaurant, bij het kopen van een nieuw paar schoenen en zelfs bij het bepalen van een vakantiebestemming. De influencers uit het boek van Smithuijsen zitten zoveel op Instagram dat ze soms vergeten wie ze zijn zonder deze technologie. In die laatste opmerking zit de crux: als jonge meisjes op GoSupermodel hadden mijn vriendinnen en ik nog door dat we in een virtuele wereld speelden. De online ervaring was gescheiden van ons ‘echte’ leven, omdat we wisten dat we op GoSupermodel slechts een avatar vormgaven. Voor tieners die op dit moment opgroeien met Instagram en Snapchat is dat anders. Ze denken dat ze op Instagram realistische levens zien, maar dat Instagram-leven komt helemaal niet overeen met het echte leven. Zo geeft influencer Marlot Willems toe dat ze wel eens vrolijke reisfoto’s plaatste, terwijl ze in werkelijkheid met een depressie op de bank zat. De influencers van vandaag lijken dus net zo min op hun virtuele persoonlijkheid als ik vroeger leek op mijn avatar op GoSupermodel; het zijn slechts opgeleukte versies van meisjes in spijkerbroeken.

Tijdschrift Cul

25


Column

In de

hyperloop naar Londen Tekst Hannah Visser Beeld Sam van den Nieuwenhof

M ijn moeder bezoek ik niet veel. Ik heb het vaak te druk. Hoe de nieuwste Highspeed contactlens werkt snapt ze niet, dus we hebben weinig contact. Eens in de zoveel tijd stuur ik een hologram van mezelf naar haar toe, maar laatst ging ik eens langs. Toen ik er was vond ik haar, zittend in haar YouForm-stoel, waar ze overigens een hekel aan heeft, bladerend in een fotoboek uit haar jeugd. Toen Amber, de virtuele verpleegster van mijn moeder, vertelde dat het tijd was voor haar middagdutje, gaf ze het fotoboek aan me mee, ‘om te zien hoe het vroeger was’. Hoewel ik vaak geen tijd of zin heb om te mijmeren over andere tijden, sla ik vandaag in de hyperloop naar Londen toch uit nieuwsgierigheid even het fotoboek open. Op de eerste foto zie ik mijn moeder als klein meisje. ‘2008’, staat erbij. Dat was dus twaalf jaar voor de coronacrisis. Ze zit buiten in een ouderwets jurkje, in een soort bak met zand te spelen. Haar ouders staan ernaast te kletsen met andere ouders. Een bladzijde verder zit mijn moeder met haar ouders en zus rond een tafel. Ik vind het raar om te zien hoe mensen vroeger met elkaar konden kletsen en dicht bij elkaar zaten, en hoe ze met dertig mensen in dezelfde ruimte stonden. Er staan ook foto’s in van haar met haar vrienden en vriendinnen, arm in arm. Verderop in het fotoboek, toen mijn moeder wat ouder was, staan foto’s van haar in de keuken. Maakten ze vroeger nog zelf eten klaar? Ook kan ik me niet meer voorstellen dat de auto’s nog op de grond reden; mijn moeder poseert met dezelfde vriendinnen op een andere foto bij een grote, gele auto. Daarmee gingen ze op vakantie naar Frankrijk: hoe lang deden ze daar wel niet over? Ze namen enorme koffers mee, die mijn moeder vast heeft op een foto. Ook staan er foto’s in van haar studententijd, toen ze naar Londen ging, precies zoals ik nu doe, maar dan met de trein. Bij de trein poseert ze samen met mijn oma. Ik fantaseer over hoe langzaam het leven vroeger moest gaan, hoe ze nog communiceerden via een mobiele telefoon. Maar het gekste wat ik me realiseer als ik de foto’s van mijn moeder zie, is dat mensen vroeger, voor de coronapandemie, avonden met elkaar konden praten. Mensen raakten elkaar nog aan. De rillingen lopen over mijn rug.

26

Tijdschrift Cul

De rest van de dag kan ik het fotoboek moeilijk loslaten. Ik zal mijn moeder eens vragen of ze wat meer over vroeger vertelt. Ik denk aan de nieuwste Dinnerbot die ik voor haar heb aangeschaft en de virtuele verpleegster Amber. Hoe raar moet het voor haar zijn dat de wereld er nu zo anders uitziet? Misschien moet ik toch maar zorgen dat ik de Highspeed contactlens voor haar aan de praat krijg.


Achtergrond

De rijksdaalder van mijn opa Een verhaal over de opkomst en het verval van Fries socialisme Tekst Marije Nieuwland Beeld Eva van Gelder

Op het eikenhouten bureau van mijn opa, Date Nieuwland (87), staat een spaarpot waar maar één munt in zit: een zilveren rijksdaalder. Het is zijn meest dierbare bezit. De rijksdaalder heeft hij geërfd van zijn vader, samen met een brief waarin zijn vader hem opdraagt het muntstuk in de familie te bewaren. De brief is zo gevouwen dat hij precies in de spaarpot past. Mijn opa leest de eerste woorden voor: ‘een ware geschiedenis’.

A

an het eind van de negentiende eeuw was Friesland de armste provincie van Nederland. De werkloosheid was hoog en de lonen waren laag. Een wereldwijde economische crisis had de vele boerenbedrijven in Friesland hard getroffen. Landarbeiders werden uitgebuit en konden nauwelijks in hun basisbehoeften voorzien. De ijskoude winters gingen de boeken in als ‘hongerwinters’. Toen het kwik het laagste punt had bereikt, was er in het dorp Witmarsum een arbeider die opstond voor zijn rechten en het loon dat hij kreeg ter discussie stelde. Hier kon een mens toch niet van leven? Hoe was deze arbeidsverhouding moreel te verantwoorden? Zijn baas, een welvarende boer, luisterde naar zijn verhaal en haalde vervolgens twee rijksdaalders uit zijn zak. De arbeider bekeek de muntstukken: het hoofd van koning Willem II stond er nauwkeurig in gegraveerd. Toen hij zijn hand uitstak om ze aan te nemen, gooide de boer ze over zijn schouder de vaart in en sprak: ‘Ik geef deze rijksdaalders nog liever aan de kikkers.’ De arbeider stond met lege handen, maar voelde zich niet terneergeslagen. Op zijn weg naar huis zag hij in het dorp Witmarsum een rode vlag wapperen. De socialistische beweging won aan terrein op het Friese platteland.

‘Ik geef deze rijksdaalders nog liever aan de kikkers’ Dertig jaar later hoorde mijn overgrootvader over het verhaal van de moedige arbeider. Als dorpsmythe was de historie van generatie tot generatie overgedragen. Toen op oudejaarsdag 1922 de vaart van Witmarsum werd uitgebaggerd, trok hij zijn regenlaarzen aan. De modder uit de vaart was over de weilanden verspreid, waardoor het landschap een bijna zwarte kleur had gekregen. De hele dag zocht hij samen met zijn broer naar de bijzondere muntstukken. Terwijl de

zon daalde tot de horizon en de broers de zoektocht nagenoeg wilden opgeven, merkten ze een subtiele glinstering op in het grauwe landschap. Een van de rijksdaalders was boven water. Uniek Fries socialisme Wanneer mijn opa de brief weer zorgvuldig in elkaar vouwt om hem in de spaarpot te stoppen, beginnen we een gesprek over de opkomst van het socialisme. We bespreken hoe opmerkelijk het was dat in zijn geboortestreek in de negentiende eeuw een massale arbeidersbeweging opkwam. Van industrialisatie was in het agrarische Nederland in die tijd namelijk nog geen sprake, waardoor een belangrijke basisvoorwaarde voor het socialisme leek te ontbreken: een klasse van bezitloze arbeiders werkzaam in gemechaniseerde fabrieken. De internationale arbeidersbeweging, geleid door filosoof Karl Marx, was gebaseerd op economische theorieën over mensonterende omstandigheden in de fabrieksindustrie. De industriële klassenstrijd tegen de machtige fabriekseigenaren, waar Marx voor pleitte, kon op het Friese platteland niet worden gevoerd. De boerenbedrijven waar de landarbei-

Tijdschrift Cul 27


Achtergrond ders voor werkten hadden een veel kleinere omvang. Arbeiders waren niet vanzelfsprekend met elkaar verenigd door een gedeelde werkgever, en toch gingen zij zichzelf meer en meer als groep zien. Strijd werd gevoerd, maar op kleine schaal. ‘Er is in Friesland het eerst en het meest op de trommel geslagen’, sprak propagandist Rindert van Zinderen over de opkomst van de Friese arbeidersbeweging. Propagandisten, waaronder Van Zinderen, speelden een belangrijke rol bij het organiseren van partijbijeenkomsten, lezingen en manifestaties. Gedachtegoed kon worden gedeeld en gevormd. In 1887 werd de ‘collectieve arbeidersidentiteit’ omarmd met de oprichting van de Friese Volkspartij, een partij die al snel groter was dan de landelijke Sociaal-Democratische Bond. De partijleden van de Friese Volkspartij brachten de waarheid van het landarbeidersleven aan het licht. In de hele provincie werden enquêtes afgenomen om een beeld te kunnen schetsen van de arbeidsomstandigheden. De conclusies waren aangrijpend: ‘Kersverse landarbeiders begaven zich op een marktdag naar Leeuwarden of een andere marktplaats om zichzelf te verhuren. De ontmoetingsplaatsen hadden veel weg van een slavenmarkt. De arbeiders werden door de boeren bekeken, gemonsterd, beoordeeld en toegesproken op een wijze die zelfs een ongevoelig mens het bloed naar het hoofd jaagt.’ De rode driehoek Hoewel de Friese Volkspartij en de propagandisten Friesland tot het brandpunt van socialisme in Nederland maakten, was de aanhang in de provincie niet overal even groot. ‘Friesland was erg verdeeld in die tijd’, vertelt mijn opa: ‘Wij woonden in een rood dorp, maar drie kilometer verderop lag Achlum en daar was men streng gereformeerd.’ Feitelijk was het gereformeerd protestantisme in het merendeel van de Noordelijke steden en dorpen van belangrijke invloed. De meeste Friezen waren dan ook aangesloten bij de gereformeerde protestantse kerk. De geboortestreek van mijn opa was dan ook een

uitzondering op de regel. De dorpen Witmarsum, Pingjum en Arum vormden een rode driehoek binnen een religieuze cirkel. Het socialisme was in deze drie dorpen zo groots dat er mensen waren die zich in een rode kist lieten begraven in hun achtertuin. In het boek Op Zoek naar Nieuwe Vrijheid heeft historicus T. Van der Wal de Friese arbeidersbeweging van 1870 tot 1895 gepoogd te omschrijven. De analyse van Van der Wal start merkwaardig genoeg bij de grondkwaliteit van het platteland. Het viel hem op dat de beste bodem voor socialistisch activisme gevonden kon worden in gebieden met vruchtbare grond. Een rijke grond was ideaal voor akkerbouw, ofwel seizoensgebonden arbeid. Landarbeiders werkten met pieken in de zomer en dalen in de winter. Ze werden ingehuurd voor een korte tijdsperiode of een bepaalde taak. In de periode dat arbeiders niet aan een baas gebonden waren, was er enige ruimte om hun onvrede te laten blijken. Op het akkerland waren dan protesten en manifestaties, terwijl het op de minder rijke grond van de veeteelt stil bleef. Dat het socialistisch activisme uitbleef bij de veeteeltarbeiders is volgens Van der Wal goed te verklaren. Veeteeltarbeiders waren in vaste dienst bij een boer. Als ‘lijfeigenen’ waren ze volledig afhankelijk van hun baas en durfden ze hun stemmen nauwelijks te laten horen. Zuidwest-Friesland was een kleistreek en had weinig vruchtbare grond, op een klein stuk land na: de rode driehoek. Zomers kleurde het landschap hier geel van het koren. Maar het warme kleurenpalet vervaagde wanneer de arbeiders de laatste aardappelen oogsten. In de winter was het akkerland grijs. Zo nu en dan werd het grauwe landschap gevuld met rode vlaggen.

Mensen lieten zich in een rode kist begraven Roep naar verlossing Manifestaties trokken in Friesland duizenden mensen. Het moet iets buitengewoons geweest zijn: propagandisten die midden in een weiland op stellages boven een grote menigte uit stonden te spreken. Er werd gesproken met een poëtische, meeslepende en emotionele retoriek. De manier waarop de socialistische boodschap door de sprekers gebracht werd, was wellicht nog belangrijker dan de kerngedachte zelf. Het gesproken woord was een kunstvorm die de aanwezigen in het hart raakte en bij hen een gevoel van verbintenis opriep. Een spreker die in het bijzonder werd vereerd was Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Dit was opvallend, want Nieuwenhuis was geen Fries maar een Amsterdamse predikant. Hij was van het geloof afgestapt omdat hij geen vertrouwen had in het vermogen van de kerk om maatschappelijke verandering te bewerkstelligen. Nieuwenhuis verdiepte zich in de filosofie van Marx. Hij schreef de Nederlandse vertaling van Marx’ Das Kapital en begon zich af te zetten tegen kapitaal, koning, kerk, kroeg en kazerne.

28

Tijdschrift Cul


Achtergrond

De Friese arbeiders vatten zijn pleidooi op als een nieuwe levensinvulling en een vervanging van religie. Nieuwenhuis werd vereerd als een heilige. De religieuze verering van de predikant die de kerk verafschuwde, komt mijn opa bekend voor: ‘Op de open haard van mijn ouders stond een kopje waar Nieuwenhuis eens koffie uit had gedronken, onaangetast en ongewassen.’ In de volksmond werd Nieuwenhuis in het Fries ‘us ferlosser’, onze verlosser, genoemd. De hoop die de Friezen hadden gevestigd op verlossing kwam naar voren tijdens de landelijke verkiezingen in 1888. Nieuwenhuis had met zijn toespraken een groep ‘middenstanders’, bestaande uit voornamelijk ambachtslieden, in het hart geraakt. Deze groep deed wat de arbeiders op dat moment niet konden: ze zetten hun stemrecht in om de strijd van Nieuwenhuis te steunen. De eerste socialist in de Tweede Kamer was door de Friezen gekozen.

De eerste socialist in de Tweede Kamer, was door de Friezen gekozen Nieuwenhuis vocht in het parlement voor algemeen kiesrecht, gratis en godsdienstloos onderwijs, invoering van het minimumloon en de oprichting van ziekte- en pensioenfondsen. Daarnaast vocht hij voor het afschaffen van de Nederlandse koloniën. In zijn pleidooien gebruikte hij regelmatig het menselijk lichaam als metafoor voor de maatschappij: ‘Als één lid lijdt, al is het ook het kleinste, dan lijdt het hele lichaam. Men kan niet enkelen onderdrukken, zonder dat allen onderdrukt worden.’ Verlossing leek nabij.

Verlossing bleef uit Mijn opa herinnert zich de verhalen die zijn ouders hem vertelden over de verkiezingen: ‘Toen Nieuwenhuis naar Den Haag vertrok, waren er feestelijke optochten in de rode dorpen. De winst werd groots gevierd.’ In Friesland waren de arbeiders hoopvol dat Nieuwenhuis via de parlementaire weg de stembus toegankelijk kon maken. Algemeen kiesrecht werd gezien als de belangrijkste voorwaarde voor maatschappelijke omwenteling: zodra de arbeidersklasse zeggenschap kreeg in de politiek, zouden de ketenen worden gebroken. Nieuwenhuis ging daarom elk kamerdebat vurig aan. Helaas slaagde hij er niet in zijn socialistische idealen tot beleid te maken. In Den Haag stond hij alleen. Eén socialist in de Tweede Kamer bracht weinig verandering. De politieke carrière van Nieuwenhuis kwam in 1891 ten einde. Hij werd niet herkozen, maar dat deed hem geen verdriet. Hij had geen enkel vertrouwen meer in de parlementaire weg van de sociaaldemocraten. Om gelijk te krijgen in de Tweede Kamer was namelijk een meerderheid nodig en dat betekende dat er concessies moesten worden gedaan. De sociaaldemocraten zouden in hun streven naar politieke macht de socialistische droom uit het oog verliezen. In zijn blad Recht voor Allen schreef Nieuwenhuis: ‘De zegepraal van de sociaaldemocratie, zal de nederlaag van het socialisme zijn.’ Of de Amsterdamse socialist met Friese achterban gelijk heeft gekregen, is een lastige vraag. Socialistische politici hebben in de jaren die volgden grote successen behaald, waaronder het algemeen kiesrecht en een betere arbeidswetgeving. Voor deze successen moest wel een prijs betaald worden. Het woord ‘klassenstrijd’ verdween uit het woordenboek van de sociaaldemocraten. Kapitalistische machtsverhoudingen moesten in bedwang worden gehouden, maar er werd niet meer zo hard tegen gestreden. Als gevolg van deze ontwikkelingen keerden vele arbeiders zich teleurgesteld af van het socialisme. In die zin zat Nieuwenhuis bij het juiste eind: er lijkt een kloof te zijn ontstaan tussen socialistische politieke partijen en de arbeidersklasse. Zeker in Friesland is het activistische arbeiderssocialisme niet meer wat het geweest is. Na een lange reis door een tastbare geschiedenis, keren we terug bij het eikenhouten bureau. Mijn opa legt de rijksdaalder in mijn handen. Het Fries socialisme dat langzaam in de vergetelheid is geraakt, bestaat nog in de verhalen en relikwieën van families die ooit deel uitmaakten van de arbeidersklasse. De rijksdaalder herinnert ons te allen tijde om ons te verzetten tegen ondergeschikt zijn.

Tijdschrift Cul 29


Essay

De tint van het verleden

Hoe diverse utopieën en racisme samenkomen Tekst & beeld Oscar Slagveer Tegenwoordig spreken veel mediafiguren over een nieuw tijdperk binnen de entertainment industrie. Mensen van allerlei verschillende achtergronden zouden eindelijk vertegenwoordigd zijn in films, muziek en modebladen. Toch kan niet iedereen zich vinden in in het uitroepen van een zogenaamd nieuw tijdperk. Vanuit verscheidene niet-witte gemeenschappen klinken geluiden dat colorisme, het meer waarderen van een lichtere huidskleur, sinds de jaren 90 alleen maar erger is geworden binnen de entertainment industrie.

Op 25 September 2018 bekritiseerde Anika Noni Rose, de

stemactrice van de eerste donkere Disney-prinses genaamd Tiana, hoe haar personage in de film Ralph Breaks the Internet werd neergezet met een lichtere huidskleur, een smallere neus en lossere haartextuur dan haar originele uiterlijk. Daarnaast leek het alsof de prinsessen Pocahontas en Mulan een vergelijkbare transformatie hadden ondergaan in hun films. Niet alleen de filmindustrie leek hierdoor te zijn aangetast: er doemden ook al snel verhalen op van muzikanten die van verscheidene producenten te horen hadden gekregen dat ze te donker waren voor een succesvolle muziekcarrière. Al gauw werd duidelijk dat de vooroordelen en discriminatie voornamelijk vrouwelijke figuren binnen de entertainment industrie leken te treffen. Actrice Viola Davis beschrijft haar ervaring met colorisme in een interview met The Wrap: ‘Als je donkerder bent dan een papieren zak, dan ben je niet sexy. Dan ben je geen vrouw.’ De huidige entertainment industrie zit vol met colorisme. Veel van de claims baseren zich ook op een betere vorm van representatie die mensen hebben meegemaakt tijdens hun jeugd in de jaren 90. Er kwamen bijvoorbeeld verscheidene posts naar boven van mensen die beweerden dat er in de jaren 90 meer representatie was dan tegenwoordig. Eén Reddit-gebruiker stelt dat de jaren 90 niet alleen de piekjaren waren voor diversiteit, maar ook voor gelijke representatie voor alle minderheidsgroepen. Op deze manier nam de discussie plotseling een interessante wending en werd de kritiek omtrent het huidige colorisme binnen de entertainment industrie geuit door middel van nostalgische verwijzingen naar het verleden. Utopische Herinneringen In de jaren 90 was er inderdaad een enorme golf van representatie voor donkere mensen te zien. Grote shows met een donkere cast als The Cosby Show, The Fresh Prince of Bel-Air, Martin en Family Matters waren populair onder zowel een donker als een wit publiek. In de modewereld werd de ‘exotische look’ razend populair, waardoor veel donkere modellen

30

Tijdschrift Cul

vaker geboekt werden voor modeshows en tijdschriftcovers. Toch hield dit tijdperk van diversiteit niet lang stand. De verandering waar men over spreekt kan worden geplaatst bij het aanbreken van de 21ste eeuw. Rond deze tijd verdwenen veel donkere beroemdheden weer uit de schijnwerpers en vonden designers een nieuwe rage waarbij modellen het

liefst weer allemaal op elkaar leken. De diverse representatie van niet-witte mensen, die er in de jaren 90 was, leek uit te sterven en werd vervangen door iets anders. Diversiteit nam een nieuwe gedaante aan die getypeerd zou kunnen worden als de opkomst van de ‘gemixte’ beroemdheid. Terwijl donker getinte artiesten zoals Whitney Houston, Laurynn Hill en Missy Elliot van de hitlijsten verdwenen, kwamen licht getinte vrouwelijke artiesten met een ‘gemixt’ uiterlijk steeds meer in de spotlight. Licht getinte artiesten, met vaak blond haar en smalle neuzen, vervingen geleidelijk aan het diverse beeld van de Afro-Amerikaanse beroemdheid, waardoor het beeld van de zwarte vrouwelijke beroemdheid ook een stuk eenvoudiger werd dan het eerst was. Binnen een paar jaar werd het


Essay

beeld van de vrouwelijke Afro-Amerikaanse beroemdheid getypeerd door deze nieuwe gezichten van schoonheid en faam. Hoewel sommige donkere beroemdheden als Naomi Campbell en Whitney Houston ondanks de ontwikkelingen hun kop boven het zand wisten te houden, kon men ook hen later zien poseren met blonde pruiken of gekleurde lenzen om de ‘gemixte look’ te accentueren.

‘Als je donkerder bent dan een papieren zak, dan ben je niet sexy’ Colorisme en exotisme Toch is het ideaalbeeld van representatie tijdens de jaren 90 niet helemaal juist. In het begin van de jaren 90 was er misschien inderdaad wel meer representatie voor mensen met een donkere huid, maar dit had ook te maken met externe factoren zoals tokenisme en exotisme. Zo is in de modellenwereld bijvoorbeeld zichtbaar hoe veel van de donkere modellen in die tijd niet werden ingehuurd voor hun talent of de diversiteit die zij brachten, maar puur voor het exotische aspect dat hun ‘look’ toevoegde aan de show. Model Imaan Abdulmajid herinnert zich een moment in haar carrière toen een fotograaf naar haar verwees als een ‘prachtige witte vrouw gedipt in chocolade’. Hoe donker je bent speelde hier daarom ook vrijwel geen rol in, aangezien dit juist kon worden gezien als ‘exotisch’ en ‘anders’. Deze trend laat dus zien hoe gekleurde modellen tijdens de jaren 90 juist enkel werden gezien als een huidskleur of een exotische look. ‘Blackness’ werd gezien als een trendy decoratie waarmee designers hun show een extra rafelrandje konden geven. Zoals met veel andere trends verdween deze rage van ‘exotische’ modellen daarom ook weer snel zodra er iets anders populair werd. Het ging hier dus niet om representatie of diversiteit maar puur om hoe huidskleur gebruikt kon worden om een product te verkopen.

Daarnaast ging deze representatie ook vaak gepaard met een vorm van tokenisme. Dit houdt in dat donkere mensen enkel als een waardevolle aanvulling worden gezien op basis van de diversiteit die ze zouden leveren. Voor veel shows was het nog steeds de norm dat zij zich richtten op een witte doelgroep, die ook gerepresenteerd werd in hun selectie van de modellen. Er was daarom vaak geen plaats voor meer dan één ‘exotisch’ meisje omdat de show het contrast tussen het normatieve en exotische anders zou kunnen verliezen. Tokenisme vormt als het ware een quotum voor hoeveel exotisme wenselijk is binnen een groep en werkt diversiteit daarom juist tegen. Over het algemeen was deze representatie dus ook niet gericht op de waarden van gelijkheid en inclusiviteit die de media nu hanteert. De focus lag niet op vertegenwoordiging, maar op het verkopen van producten en het genereren van aandacht voor het merk, waardoor er ook geen behoefte was om deze representatie levend te houden zodra er een nieuwe trend opdook die dit zou kunnen overnemen. In de handen van onoprechte zakenlui ontstond en takelde representatie af vanwege dezelfde reden: haar vermogen om winst te genereren. Het vonnis Uit deze discussie blijkt hoe multidimensionaal concepten als colorisme en racisme kunnen zijn binnen onze maatschappij. We verlangen vaak terug naar ‘de goeie ouwe tijd’ maar zijn blind voor andere vormen van problematiek die toen ook al heersten. Colorisme is nooit verdwenen, maar heeft zich door de jaren heen alleen maar aangepast aan de veranderingen van de maatschappij. Hoewel dit zogenaamde nieuwe tijdperk van inclusie en representatie dan misschien nog steeds niet is verlost van colorisme, biedt het ons wel ruimte om erover te praten en het probleem te ontmantelen. Het gaat er dus uiteindelijk niet om in welke tijd colorisme zichtbaarder was, maar in welke tijd men bereid is om het racisme en de discriminatie te erkennen en te bestrijden.

Tijdschrift Cul 31


Achtergrond

Zero-waste uit grootmoeders tijd Oude oplossingen voor nieuwe plastic afvalproblemen Tekst & beeld Eva van Gelder Het gebruik van plastic wegwerpverpakkingen voelt voor weinig mensen aan als een groot probleem. Vele Nederlanders scheiden trouw hun plastic afval opdat dit weer gerecycled kan worden. Toch wordt er maar zo’n tien procent van al het ingezamelde plastic afval uiteindelijk gerecycled. Het is een langdurig en duur proces waarbij CO2-uitstoot vrijkomt. Daarnaast is nieuw geproduceerd plastic goedkoper en volgens sommigen van betere kwaliteit. Wat kunnen wij van het verleden leren om het afvalprobleem tegen te gaan?

P

lastic, een van de producten die het meest in de vuilnisbak belandt, is een vrij recente uitvinding. De aanleiding hiervoor was een tekort aan ivoor in de negentiende eeuw. Ivoor was een veelgebruikt materiaal waar onder andere biljartballen van werden gemaakt. Dit was toendertijd zo’n populaire sport onder de hogere klassen in Europa en de Verenigde Staten, dat een leverancier van biljartballen in 1863 een prijs van tienduizend dollar uitloofde voor de persoon die een vervangend materiaal kon ontwikkelen. Na jaren experimenteren, produceerde de jonge uitvinder John Wesley Hyatt in 1869 het product celluloid: een natuurlijk plastic gemaakt van de cellulose, oftewel celwand, van katoen. Dit materiaal kon flinterdun geperst worden en was geschikt om in verschillende vormen te gieten. Voor biljartballen was celluloid iets minder bruikbaar: wanneer de ballen tegen elkaar kaatsten, gaf het een harde knal die leek op een geweerschot. De eigenaar van een saloon in Colorado schreef Hyatt dat hij het niet erg vond, maar iedere keer dat de ballen botsten, trok elke man in de saloon zijn pistool.

Shampoo en haarspray kwamen in glazen flessen en werden telkens bijgevuld Hyatt polijstte zijn celluloid-recept en het resultaat bood enorm veel nieuwe mogelijkheden. Het was goedkoper, sneller en kon verschillende vormen en texturen aannemen. Schaarse luxeproducten van bijvoorbeeld ivoor konden nu makkelijker vervangen worden door een goedkopere variant, waardoor zowel de consumptie als de welvaart van de middenklasse groeiden.

32

Tijdschrift Cul

Schappen vol maaltijdsalades De uitvinding van plastic veranderde de wereld. Gebruiksvoorwerpen konden nu veel goedkoper gemaakt en gekocht worden. Na de Tweede Wereldoorlog begonnen families uit de groeiende middenklasse steeds meer te consumeren. Vanaf de jaren 70 streefde bijna ieder huishouden naar het bezitten van een eigen koelkast, televisie en auto. Ook de inhoud van schappen in de supermarkten veranderde met de tijd. Steeds meer snacks en kant-en-klaar maaltijden kwamen in de rekken te liggen. Vanaf de jaren 90 werd ook de maaltijdsalade in de supermarkt geïntroduceerd. De gedachte erachter was dat mensen makkelijk en snel een gezonde maaltijd konden eten zonder te veel groenten te verspillen. Het probleem met de maaltijdsalades was wel dat ze, net als veel andere producten in Nederlandse supermarkten, verpakt werden in plastic wegwerpverpakkingen. Vlees, kaas, brood - zelfs losse komkommers en wortels zijn in de Albert Heijn verpakt in plastic. Ook salades, toetjes, drankjes, beleg en snacks worden in plastic verpakt. Deze vorm van voedsel verpakken is een relatief nieuw fenomeen. Vóór de jaren zestig zagen de verpakkingen in de supermarkten er heel anders uit. Ook is het plastic afvalprobleem iets van de laatste paar


Achtergrond decennia. Hoe deed men het vroeger dan en wat kunnen wij daar van leren? Melkfles aan de deur Vóór de jaren zestig bestonden de gebruikte verpakkingsmaterialen voor voedsel vooral uit glas, papier, blik en stof. Bijna geen enkel huishouden had toen een koelkast, waardoor boodschappen vaak dagelijks gedaan werden. Het was vanzelfsprekend om je eigen stoffen boodschappentas mee te nemen, en ook de voedselwaren in de winkel zelf werden in papieren of stoffen zakken verpakt. Veel voedsel werd nog lokaal geproduceerd en seizoensgebonden verkocht. De melkboer kwam elke dag aan de deur om een fles melk af te leveren. De fles van de vorige dag nam hij dan mee om weer opnieuw te gebruiken. Bier, sap en andere drankjes waren ook in glazen flessen te verkrijgen. Geconserveerde groenten en fruit werden in glazen potjes verpakt. Wanneer consumenten deze lege flessen en potjes weer terug brachten, kregen zij een kleine vergoeding. Ook vloeibare verzorgingsproducten zoals shampoo en haarspray kwamen in glazen flessen en potten. Die konden in de supermarkt bijgevuld worden. Zeep was verkrijgbaar in blokvorm. Zero waste en juten zakken Sinds het begin van deze eeuw is er een nieuwe beweging op komst die de enorme afvalproductie van plastic wil tegengaan. Deze beweging heet de zero-waste movement en haar uitgangspunt is om zo min mogelijk afval te creëren om de persoonlijke voetafdruk te verkleinen. De beweging is een tegenreactie op de toenemende afvalproductie vanaf de jaren 60. In Europa en de Verenigde Staten is de beweging vooral populair onder jonge mensen. De manieren waarop men vroeger voedsel verpakte, zoals in herbruikbare glazen potten en flessen, zijn een grote inspiratie voor deze beweging. Aanhangers van de zero-waste movement gaan dan ook vaak naar verpakkingsloze supermarkten of nemen hun eigen verpakkingen mee.

afvalprobleem tegen willen gaan of slechts een reclame-stunt uithalen is nog de vraag.

De keuze voor duurzame verpakkingsmaterialen ligt uiteindelijk bij de consument

Voor de toekomst Voedselverpakkingen zijn met de tijd geëvolueerd voor het kortstondige gemak van de consument. Terugbrengen is niet meer nodig, lege verpakkingen kunnen nu na gebruik direct in de vuilnisbak. Met de tijd is duidelijk geworden dat deze eenmalig bruikbare verpakkingen voor een groeiend plastic afvalprobleem zorgen. Waarom zouden wij plastic verpakkingen recyclen wanneer het gebruik ervan gemakkelijk vermeden kan worden? Op de lange termijn kost het alleen maar veel geld en grondstoffen, en zorgt het voor meer CO2-uitstoot.

Reguliere supermarkten laten zo nu en dan aan de buitenwereld zien dat ook zij hun best doen om het afvalprobleem tegen te gaan. Met de katoenen en jute boodschappentassen en de herbruikbare nylon ‘vers zakjes’ probeert de Albert Heijn een groen en duurzaam imago aan te nemen. Op hun website schrijven zij expliciet over hoe wij allemaal samen moeten werken aan een duurzamere toekomst. Uiteindelijk ligt de keuze voor deze duurzame verpakkingsmaterialen echter wel bij de consumenten, want zij zijn degenen die ervoor moeten betalen. Of supermarkten daadwerkelijk het

De een heeft meer hoop voor de toekomst dan een ander. Maar de zero-waste levensstijl heeft impact op het afvalprobleem, een probleem van ons allemaal. Als alle Nederlandse consumenten een eigen herbruikbare boodschappentas en drinkfles zouden gebruiken, dan zou de Nederlandse afvalproductie al drastisch verkleinen. Door zich te laten inspireren door het verleden kunnen consumenten en supermarkten samenwerken om de afvalproductie te verminderen. Door soms een stapje terug te nemen en dan weer een stapje vooruit te zetten, kunnen wij samen een meer zorgeloze wereld mogelijk maken voor toekomstige generaties.

Tijdschrift Cul

33


Alumni

Alumni aan het woord: Sanne Schweers

Miriam Verhage

&

Antropologen zetten de mens centraal in de ouderenzorg Tekst Hannah Visser Beeld Sanne Schweers en Miriam Verhage

‘Hoe kan ik als afgestudeerde antropoloog een steentje bijdragen in de samenleving?’ Sanne Schweers en Miriam Verhage vonden hun antwoord op deze vraag in de ouderenzorg. De ouderen waar Sanne en Miriam mee werken, voelen zich vaak niet gehoord of worden ten onrechte ‘beschermd’. Met hun antropologische kennis en achtergrond hebben Sanne en Miriam oog voor de mens in de ouderenzorg in al zijn diversiteit.

I

n de verpleeghuiszorg in Nederland ligt vaak de focus op efficiëntie en op het medische: feiten, protocollen en regels. Ouderen worden vaak gezien als een groep en niet als individu. ‘Daar komt veel weerstand tegen. Je hoort veel mensen zeggen: “Ik voel me een nummer, ik voel me niet gezien.” Er zijn mensen die heel boos worden als ze niet het gevoel hebben goed behandeld te worden. Er is weerstand tegen, alleen weten veel instanties niet hoe ze daarmee om moeten gaan’,

34

Tijdschrift Cul

vertelt Sanne. Antropologen en andere sociale wetenschappers zijn dan ook heel belangrijk om deze mensen een stem te kunnen geven en dit te vertalen naar beleid. Bij de Leyden Academy on vitality and ageing, een kennisinstituut gevestigd in Leiden, werken mensen vanuit diverse disciplines die zich bezighouden met de kwaliteit van leven van ouderen. Sanne en Miriam zijn nu tweeënhalf jaar werkzaam bij de Leyden Academy.


Alumni Het Leefplezierplan Beiden kwamen niet gelijk na hun afstuderen bij de Leyden Academy terecht. Sanne studeerde antropologie aan de Universiteit van Amsterdam, met een specialisatie in medische antropologie, en had na haar afstuderen verschillende baantjes in de ziekenhuiswereld. In die ‘diehard medische wereld’, aldus Sanne, was er voor haar niet genoeg aandacht voor de menselijke kant van de zorg. In de langdurige zorg bij ouderen, chronisch zieken of gehandicapten is daar wel aandacht voor. ‘Dan is de vraag: “Hoe leer ik leven met mijn beperking?” veel belangrijker dan de vraag “Hoe word ik beter?”, je wordt immers niet beter. Bij die eerste vraag zijn de sociale wetenschappen hartstikke belangrijk. Wat maakt het leven de moeite waard? Wie wil ik zijn? Met wie wil ik leven? Vragen waar de antropologie, sociologie en filosofie veel beter mee om kunnen gaan dan de medische wetenschappen’, aldus Sanne. Momenteel werkt ze bij de Leyden Academy aan het ‘Leefplezierplan’ voor liefdevolle zorg in verpleeghuizen. Het huidige Zorgplan is vooral gericht op medische informatie van een bewoner. Met het project Leefplezierplan komt er ook aandacht voor wie een bewoner is. Zo zegt Sanne: ‘Als zorgverleners alleen medische informatie hebben, dan zullen zorgverleners zich ook alleen maar richten op de medische kant van de persoon. Als je ook weet dat iemand een enorme Feyenoordfan is, ben je veel eerder geneigd daar iets mee te doen in je werk.’ Miriam Verhage rondde haar bachelor antropologie af in Nijmegen en volgde de onderzoeksmaster in Utrecht. Ook zij had verschillende (vrijwilligers)baantjes, vooral met mensen met een migratieachtergrond, voordat ze solliciteerde bij de Leyden Academy. Miriam legt uit dat oud zijn en de ouderenzorg in de samenleving vaak als negatief worden gezien. De focus ligt teveel op de kwetsbaarheid en aftakeling van ouderen en niet op wat ze nog wel kunnen. Dit is ook te zien in de coronacrisis, waar ouderen worden neergezet als de kwetsbare groep die ‘beschermd’ moet worden. Miriam doet momenteel een evaluatieonderzoek over eenzaamheidsinterventies voor, door en met ouderen en ze werkt aan een onderzoek naar hoe ouderen de coronacrisis ervaren aan de hand van interviews en een media-analyse.

Ze legt uit dat het lastig is dat ouderen als homogene groep worden gezien en merkt in haar onderzoek dat sommige ouderen zelf willen beslissen hoe zij omgaan met corona. ‘Een aantal ouderen heeft zoiets van: ik heb al mijn hele leven zelf keuzes gemaakt, waarom mag ik dat nu ineens niet meer? Waarom mag mijn buurman van 68 wel naar buiten en ik niet?’ In de laatste fase van het leven van ouderen moet goede kwaliteit van de zorg centraal staan. Daarbij zijn de wensen en behoeften van de ouderen essentieel, vinden Sanne en Miriam. Bij een goed afscheid van het leven, leggen ze uit, hoort soms naast het herinneren van positieve herinneringen ook juist het erkennen van verdriet en trauma. Miriam legt uit dat dit verschillende positieve effecten heeft: ‘Nostalgie wordt vaak weggezet als iets wat een negatieve connotatie heeft. Je kan het ook omdraaien: nostalgie kan ook iets heel moois zijn. Uit onderzoek is gebleken dat bij eenzaamheid nostalgie kan zorgen voor een hoger zelfvertrouwen en een beter, positiever zelfbeeld, als je het op een goede manier inzet en er op een goede manier over weet te praten. Het herinneren van mooie dingen uit het verleden, kan juist zorgen voor een betere gemoedstoestand op dit moment.’ De antropoloog in de zorg Het zorglandschap bestaat uit veel verschillende ‘eilandjes’, zoals bijvoorbeeld de verzorgenden, de familie en het management, die elk hun eigen sociale context hebben. ‘Er wordt vaak gedacht dat de verschillende groepen vanzelf bij elkaar komen’, maar, zegt Sanne, ‘dat is een enorme onderschatting’. De antropoloog kan tussen deze eilandjes een verbindende factor vormen, kan zich inleven in de ander, heeft oog voor mensen die buitengesloten worden, is nieuwsgierig en soms zelfs avontuurlijk. Om goede persoonsgerichte zorg te kunnen bieden zijn er mensen nodig die goed kunnen luisteren, die diep in gesprek kunnen gaan en een brug kunnen slaan tussen verschillende partijen. Mensen die niets gek vinden en een nieuwe visie op zorg kunnen ontwikkelen. Sanne en Miriam hopen dan ook dat er meer antropologen de zorg in zullen gaan.

KOM BIJ DE KRING! Afgestudeerd! En dan? Antropologen belanden na hun studie in zeer diverse beroepen die niet altijd (direct) gerelateerd zijn aan de studie. De kans is groot dat je na verloop van tijd de binding met je vakgebied en de academische wereld kwijtraakt. Zonde, nietwaar? Wil je na je studie graag op de hoogte blijven van de ontwikkelingen in jouw vakgebied? In contact blijven met studiegenoten en docenten? Word dan lid van de Kring Antropologie/Amsterdams Netwerk Cultureel Antropologen (ANCA)

Wat heb ik aan mijn lidmaatschap? - Gratis toegang tot activiteiten van de Kring Antropologie (borrels, lezingen, filmavonden). - Gratis lenerspas voor de UvA-universiteits-bibliotheken. - Gratis toegang tot de jaarlijkse alumnidag van de UvA. - Flinke korting op UvA-voorzieningen (zoals: Universitair Sport Centrum en UvA-colleges).

Kijk voor meer informatie op: www.uva-alumni.nl/antropologie

Tijdschrift Cul

35


Column

Een betoverende dans Tekst Manpreet Brar Beeld Sam van den Nieuwenhof

Het hypnotiserende effect van de opzwepende ritmes van

The Mauskovic Dance Band brengen mij in een trance terwijl ik in de drukke menigte dans in Garage Noord. Ik weet niet hoe lang ik al dans, hoe lang de band al speelt en wanneer ik de laatste slok van mijn biertje nam. Het enige wat ik weet, is dat ik geen controle heb over het dansen. Het gaat vanzelf. Stilstaan is geen optie: zolang de band speelt, dans ik. Op de eerste rij staat een vriendin en ik zie ook haar lekker gaan. Ik sluit mijn ogen en beweeg door. Het geluid van een WhatsApp-melding doet me uit mijn fantasie ontwaken. Ik sta niet in Garage Noord, maar zit achter het bureau in mijn kamer, te staren naar een essay. Door een gebrek aan fysieke colleges en de schaarste aan studieplekken in de bieb en in mijn favoriete cafés, verschuil ik me in een wereld van verbeelding. Ik ben altijd al een dagdromer geweest, maar nu fantaseer ik bijna voortdurend over pre- en post-corona feestjes. Sinds de eerste weken van de ‘intelligente lockdown’ was de wens om terug te keren naar ‘het normale’, bij mij sterk aanwezig. Het verlangen naar de tijd voordat het virus ons dagelijks leven omgooide, doet mij denken aan een film die ik zag gedurende corona: L’illusionniste. Deze melancholische, mooie tekenfilm is gebaseerd op een onuitgegeven script dat acteur, regisseur en komiek Jacques Tati in 1956 schreef, en dat onder regie van Sylvain Chomet werd uitgebracht in 2010. In de zwijgende film volgen wij een oudere man: een goochelaar die vanuit Parijs naar Engeland en Schotland reist, op zoek naar publiek dat hij nog kan vermaken met zijn authentieke goocheltrucs. De opkomst van Roc k-’n-Rol l en ander modern vermaak, maakte zijn kunst rond de jaren 50 overbodig bij het publiek in Parijs. Op zijn reis ontmoet hij echter een jonge vrouw die nog gelooft in zijn magie, en zonder overleg gaat zij met hem mee. Door de reis heen ontwikkelen ze een soort vader-dochter relatie, gebaseerd op

36

Tijdschrift Cul

hun gedeelde geloof in de illusie dat magie het leven net wat mooier maakt. De man lijkt terug te verlangen naar een tijd waarin zijn passie, het goochelen, het publiek nog wist te betoveren. Ik begrijp het verlangen van de oude goochelaar maar al te goed, omdat ook ik met mijn eigen fantasieën het leven wil omtoveren. Ik zou even niet na willen hoeven te denken over de invloed van de pandemie op onze levens en terug willen gaan naar een tijd waarin ik zonder zorgen kon dansen in een volle zaal. Uitgaan is net als een truc van de goochelaar: niet passend in de tijd van nu, maar net als de jonge vrouw geloof ik in de magie van het samen dansen en probeer ik het leven toch een beetje om te toveren. De film leert ons dat dit niet kan, maar dat je de nostalgie en het gemis wel mag voelen en vervolgens een weg moet vinden met wat er wel is. Het leven vraagt ons noodgedwongen mee te varen met onverwachte veranderingen. Het meevaren doet iedereen op zijn eigen manier, en ik doe dat door te ontsnappen in fantasieën van anderen of van mijzelf, daar in Garage Noord.


Column

Thank God for Daisy Bates Tekst Oskar Verkaaik Beeld Sam van den Nieuwenhof

L ast year I discovered Julia Blackburn. She had published a novel of sorts entitled Time Song about Doggerland, the

Oskar Verkaaik is an associate professor at the anthropology department of the University of Amsterdam. He is part of the programme group ‘Globalising Culture and the Quest for Belonging’. Currently, he is working on a research project about religious architecture.

lost land that once connected England to the European continent. She was interviewed on Dutch television, speaking poetic English and a bit of Dutch. Time Song turned out to be a multi-layered book about how barriers are created when the climate changes, about Protestant fishermen believing in Genesis finding bones of long extinct species in their nets, about the melancholic landscape of East Anglia, and also – since her husband is Dutch and she is English – about their life histories on either side of the North Sea and how they had always remained two separate persons. After work I like to read well-written books regardless of the topic so I continued with Thread, a biography of an obscure painter and embroider whose name I have forgotten. This book, too, was written in the same slow and open-ended style that I liked so much about Time Song. I tried other authors but none of them made me forget Blackburn. I returned to her and discovered The Three of Us, a memoir about her father who was a poet and an alcoholic, her mother who liked men a lot, and how Julia herself grew up, sometimes with them, sometimes without them. It also told the tale of how she met her husband Herman, a Dutch sculptor, with whom she parted after a few years. Then came Thin Lines that starts with how she meets Herman again after more than twenty years and how they go and live in the Ligurian mountains of Northern Italy. She goes on to describe how she meets the old people of the village and how they tell her about their lives, the war mainly, about fascists and partisans, about the mountains and chestnut trees and animals who used to live in the forests, and how in the old days the people used to go hungry most of the time because the padrone would take half of the fruit of their work. It reminded me that some of the best ethnographers are not trained as anthropologists. The old village people also relate how they never went to the coast when they were younger even though you can see the Mediterranean from the village, a small hazy triangle in between the slopes of the mountains. Blackburn’s books have a particular nostalgic quality, but a subtle one, without self-indulgence. It is not in what she writes. It is true that Blackburn writes a lot about the past, but the nostalgia is rather in how she writes. There is always a mild sadness in her sentences, or rather, about her sentences. The longing is more like an aura, evoked by her language, but no longer in it. Or maybe it is just the knowledge that with every page you come nearer to the moment you are no longer reading the book, but it has become a book you have read. I have just bought an early book by Blackburn called Daisy Bates in the Desert in a second-hand bookshop, a book about an Irish woman who went to live with the Aborigines of Australia more than a hundred years ago.

Tijdschrift Cul

37


Kwakiutl

Dear reader, Despite the COVID situation, the anthropological student association Kwakiutl has been trying to organise all kinds of events. We started this year with amazing borrels at Cafe Czaar, where we were really glad to see a lot of your faces every week. We had an awesome first year’s trip that we were still allowed to organize on site. We went biking through Amsterdam to show our favourite spots and organized an exam training to help all future anthropologists. With going online, we organized a super fun 00’ pub quiz where we danced and sang along to 2000 hits, and we’ve watched a dystopian movie together through Netflix party. Even though we are only allowed to see you online at this moment, we hope we can connect with you through a screen, and hopefully we can start organizing real life events in the near future. With getting accustomed to a different year of being the board of a study association we still had a blast and were very happy to see you at our events. We have some things planned as you can see on the agenda and if you’re intrigued you can go to our social media to see more details. And if you’re not a member yet but still like to know what’s going on, go to our website to become one! We’d love to see you soon (online or on site).

Lots of Love, The 34th board of Kwakiutl

38

Tijdschrift Cul


Podcast

‘Dat zijn mantra’s’

‘Waarom luisteren we naar varkens?’

‘Aliens in de supermarkt’

De Cul krijgt stem!

‘De leefbarometer schiet omhoog in de cularo’

Antropologisch Podium Met Manpreet en Marije Luister via Slim Radio op Soundcloud, iTunes of Spotify Prikkelende interviews en spraakmakende artikelen. Kortom: een podcast waar nieuwsgierigheid de vrije loop krijgt.

Tijdschrift Cul

39


Meer verhalen lezen in de toekomst? Steun tijdschrift Cul! Word abonnee! Ontvang 4 exemplaren per jaar voor slechts €15! Ga naar www.tijdschriftcul.nl

40

Tijdschrift Cul

Profile for Tijdschrift Cul

Cul Nostalgie  

Cul Nostalgie  

Advertisement