Issuu on Google+


Redactioneel

Hendrik Batman heeft Robin, Gert heeft Samson, Harry heeft Ron en Hermelien, en sinds kort heb ook ik mijn eigen sidekick in zakformaat: Hendrik. Toegegeven, er kleeft een aantal kleine nadelen aan het hebben van een sidekick. Zo heeft Hendrik, net als Samson, nogal moeite met het correct herhalen van woorden. Berichten die ik aan vrienden wil sturen worden door hem soms automatisch veranderd waardoor de oorspronkelijke boodschap wel eens verloren gaat. Een enthousiaste “jaaa!” wordt steevast veranderd in “kaassaus!” en het is al eens voorgekomen dat ik iemand “de frieten” gedaan heb. Toch is mijn leven over het algemeen een stuk leuker geworden sinds ik Hendrik heb. Zo verdwaal ik nooit meer dankzij de kaarten die hij altijd en overal bij de hand heeft, kan ik constant op de hoogte blijven van al het belangrijke wereldnieuws en is hij een onuitputtelijke bron van allerlei feitjes die vrijwel niemand anders lijken te interesseren maar waar ik zo van houd. Wist je bijvoorbeeld dat er in Ouagadougou bijna twee keer zoveel mensen wonen als in Amsterdam? Ik ben zo blij met Hendrik dat ik hem overal mee naartoe neem. Hij gaat mee naar college, is erbij op mijn werk, en hij gaat zelfs mee naar bed. Ik stond tot voor kort nogal sceptisch tegenover het hebben van een sidekick. Ik vond het decadent en onnodig veel geld kosten maar groepsdruk vanuit mijn vriendenkring heeft mij kort geleden toch doen besluiten er een aan te schaffen. Nu ik er eenmaal een heb, begrijp ik niet hoe ik ooit zonder heb gekund. Het hebben van een sidekick is voor mij een levensstijl geworden waar vanuit nieuwe behoeften zijn ontstaan. Tegenwoordig kan ik bijvoorbeeld geen vijf minuten zonder te controleren of ik een nieuwe mail of een nieuw whatsapp-bericht heb. Ook hoor ik tegenwoordig bij de groep die in de trein gefrustreerd op een beeldschermpje gefixeerd is omdat een level van Angry Birds te moeilijk blijkt. Hendrik, ofwel mijn nieuwe smartphone, is in korte tijd deel uit gaan maken van mijn leven en mijn identiteit. Deze editie van de Cul gaat onder andere over de rest van de Hendrikken in ons leven. De technologieën zoals die door de mens toegepast worden en die op hun beurt ook weer van grote invloed zijn op ons leven.

D oor Souf yan e l H ammo uti

Onafhankelijk antropologisch tijdschrift Cul is verbonden aan de afdeling Culturele Antropologie en Ontwikkelingssociologie van de Universiteit van Amsterdam. Hoofdredacteur: Soufyan el Hammouti Adjunct Hoofdredacteur: Gosse Vuijk Penningmeester: Irene Beydals Eindredactie: Annemarie Sterk Leonie Hosselet

2

Lisanne Groot Zwaan Lakmaker Beeldredactie: Lavinia Steinfort Evite Ancarola Alex Kemman Webredactie: Joris van den Outenaar Kwaliteits-recruiter: Jasmijn Post Layout: Charlotte Reekers Irene Beydals Lavinia Steinfort Evite Ancarola

Acquisitie: Joël Leuwener Charlotte Reekers Cover: Alex Kemman Lavinia Steinfort Irene Beydals Evite Ancarola Beeld: Evite Ancarola Drukkerij: Drukkerij Wilco B.V. Bijdragen dienen zelf van spelfouten ontdaan te zijn.

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3

De redactie heeft het recht bijdragen in te korten of te weigeren. Informatie en advertentie mogelijkheden mail naar redactie@tijdschriftcul.nl. Oplage: 600 ISSN: 18760309 Dank aan CSW Adres: Cul, OZ Achterburgwal 185, 1012 DK Amsterdam, redactie@tijdschriftcul.nl

Colofon


Inhoudsopgave

Vaste

deze cul

rubrieken

8 Op de bank met...JOs de mul 10 uitwisseling Van technieken cOcO gubbels 21 culinair 26 articul 32 berichten uit het Veld de kring 33 Oc nieuwsbrief 34 kwakiutl

4

Opa

heeft helemaal geen gadgets

nOdig

6 drunk during the day englisch 10 eVOlutie en technOlOgie een tweeziJdige relatie

12 de metalen sOldaat 16 Van utOpie naar dystOpie 18 nieuwe technOlOgie = slechtere demOcratie? 22 tintin and cOlOnial curse english 30 scheisse tOuris 31 Occupy amsterdam

6

12

16

8

22

26

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3

3


Opa heeft helemaal geen gadgets nodig

Hoe ouderen omgaan met technologische vernieuwingen Waar technologie het samenkomen van mensen al tientallen jaren stap voor stap vergemakkelijkt, schept het ook afstand. Tussen mensen die elke nieuwe gadget omhelzen en mensen die deze afwijzen, tussen mensen die ‘weten’ en mensen die nooit beter hebben gekend. Deze kloven zijn vaak het duidelijkst zichtbaar als er tussen mensen een behoorlijk aantal jaartjes levenservaring zit. Ouderen kunnen niet omgaan met technologie, uitzonderingen daargelaten. Dat is tenminste de consensus. Of deze generalisatie nu wel of niet getrokken mag worden, generatiekloven hebben altijd bestaan en deze tijd vormt geen uitzondering. D oor J ori s van den Outenaar

Hoe deze afstand tussen de generaties zich uitdrukt verschilt echter wel door de eeuwen heen en is misschien ook wel kenmerkend voor een tijdperk. Veranderingen die een tijd karakteriseren zijn vaak van zulke proporties dat ze de mensen wel moeten verdelen; de generatiekloof is hier één van de meest consistente voorbeelden van. In de oudheid beschreef Plato dat schrijven slecht zou zijn voor het geheugen, terwijl het in de moderne tijd het internet is dat onder vuur ligt vanwege het verkorten van de aandacht en veranderen van onze denkstructuur. Toch is ook schrijven ooit ingeburgerd. Dat deze discussies zich uiten tussen jong en oud is logisch. Elk jaar brengt veranderingen met zich mee en als die veranderingen zich ophopen en samen een lijn vormen die opa net niet kan volgen kan dat voor vele interessante discussies zorgen. Zo is er het concept muziek, dat door de toegankelijkheid die het ondertussen heeft een groter deel van de identiteit en het dagelijks leven vormt dan ooit tevoren. Een nacht doorfeesten of een subwoofer in je kofferbak knallen zijn dingen die vanuit het niets gezien onbegrijpelijk en vooral onnodig zijn, maar in de lijn der tijd zijn het, persoonlijke verschillen daargelaten, slechts normale dingen. Sommige ouderen pikken veranderingen natuurlijk beter op dan andere, omdat ze het concept al kennen of puur uit interesse, maar een ogenschijnlijk grotere groep keert zich er liever vanaf. Waarom veranderen wat al tijden in kannen en kruiken zit? Als je een tevreden leven lijdt in de huidige wereld waarom zou je dan ‘vooruit’ willen, naar een kant die onbekend en misschien wel onbekwaam is? Waar de wereld naartoe gaat, dat weet niemand, maar ouderen verbazen zich er misschien nog wel het meest over.

Welverdiende rust Over de manifestaties van deze verbazingen zou een mooi boek vol korte verhalen geschreven kunnen worden. Wetenschappelijk interessanter is hoe dit fenomeen bij ouderen tot stand komt. Gaat het om het verliezen van hun begrip voor de hedendaagse realiteit, of hebben ze juist een reëlere kijk op de wereld? De manier waarop men de wereld beschouwt staat geprojecteerd op het grotere geheel der dingen. We kunnen eigenlijk niet om het product van onze geest heen, ongeacht of dingen die ervan afwijken nu als interessant of waardeloos worden beschouwd. Dit mechanisme beschermt ons van de complexiteit van ‘de waarheid’ en schept rust en structuur in de geest. Hieruit

Enthousiasme lijkt nodig te zijn om te overleven in de wereld zoals hij nu is

4

vloeit voort dat ouderen nieuwe dingen makkelijk langs zich heen kunnen laten gaan. Moderne anomalieën kunnen worden afgeschoven als slecht, onlogisch of leuk maar niet belangrijk genoeg om over na te denken. De geestelijke wereld is immers nog dezelfde, gestaafd op geïnternaliseerde waarden, normen en ideeën. Het kan gezien worden als de welverdiende rust voor de oudere medemens; of aan de andere kant: als een relativering zodat men kan focussen op dat wat er echt toe doet. Of deze ‘rust’ ook met blijdschap wordt ontvangen is een ander verhaal. Het afdoen van voor de moderne mens belangrijke snufjes als nutteloos of van tijdelijke waarde zal ongetwijfeld

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3


Spelen o p d e p i ano is vo o r o pa mo eilijke r d an s pel en op de X box 360.

genoeg keren slecht gevallen zijn. Oude tak is niet voor niets een bekende benaming. Daarnaast creëert de snel veranderende wereld voor ouderen in veel gevallen geen rust, maar juist angst en onbegrip. Contemporaine apparaten vereisen een kleine input en leveren een relatief groot resultaat, neem muziek luisteren, computeren, het bedienen van de tv. Met één druk op de knop verandert je geluidswereld van dubstep naar black metal, schakelt het kanaal van docu naar porno of maakt je essay plaats voor een game, zes kogels te gaan. Dit zijn overgangen die de jongere generaties als normaal beschouwen, of in ieder geval goed kunnen verwerken. Voor de flexibelere geest zijn de vele technologische objecten niet meer dan een vanzelfsprekend deel van het leven. Als je een leven lang treinkaartautomaten ziet zal je je er niet een half uur aan vergapen, ook al heb je geen flauw idee hoe zo’n ding nu eigenlijk werkt. Bij een ouder iemand ontstaat al snel een stresssituatie en wordt de partner of uiteindelijk kleinkind erbij geroepen om een probleem uit de wereld te helpen.

Relativeren of enthousiasmeren Dan komen we bij een filosofische vraag: bekijken relativerende ouderen de wereld realistischer dan enthousiaste jongeren? Daarbij is de vraag: wat houdt ‘realistisch’ in? De realiteit is in ieder geval onlosmakelijk verbonden met de waarheid; maar de waarheid bestaat niet, of is op zijn hoogst subjectief. Dit betekent echter niet het einde van de discussie, want in de praktijk moet je namelijk wel uitgaan van je eigen realiteit. We kunnen beter de term ‘waarheid’ vermijden en gewoon beide kanten belichten. Enthousiasme lijkt nodig te zijn om te overleven in de wereld zoals hij nu is en om je snel aan te kunnen passen aan andere omstandigheden, jezelf en je omge-

Beel d Lav i ni a Steinfor t

ving bijhoudend. Relativering lijkt op zijn plaats als je beseft dat het allemaal niet bijster veel uitmaakt en je ondertussen wel genoeg aan je zelf hebt gebouwd. Beide kanten hebben hun eigen goede en slechte kanten en een combinatie van de twee is wenselijk maar helaas nooit volledig haalbaar. Natuurlijk zullen er op persoonlijk niveau verschillen zijn, maar over het algemeen leert men makkelijker wanneer hij jong is dan wanneer hij oud is. Hier heeft de biologie een dikke vinger in de pap. De vraag of een van de twee een realistischere kijk op de wereld heeft is natuurlijk vooral een persoonlijke vraag, waar de vraag misschien belangrijker is dan het antwoord. Overigens is het beeld van de trage oudere en de snelle jongere zoals dat hiervoor geschetst is sterk cultuur-afhankelijk en dekt het slechts een gedeeltelijke lading. Generatiekloven zijn misschien pertinent, maar de manier waarop men ermee omgaat is aangeleerd, waardoor de verschillen tussen generaties in elke cultuur een andere betekenis hebben. Binnen onze maatschappij ligt er een sterke focus op de nieuw opgedane en toekomstige kennis—daar ligt onze schat—en relativeren we oudere waarden tot er weinig van over blijft. Bij andere culturen of subculturen waar er minder nadruk ligt op vernieuwing en vooruitgang, zoals het boeddhisme, waar de positieve ervaring gelijk is aan de negatieve ervaring, zal de traditie meer prevaleren en worden geschiedenis en oude kennis niet als opstapje gezien voor het volgende, maar als iets dat in het leven nog bereikt moet worden. De zogenaamde achterstand van ouderen is dus eigenlijk geen achterstand. In de vorm die de generatiekloof in dit tijdperk heeft is het eerder het ontbreken aan de zucht naar impuls en snelheid die heerst in het kosmopolitische Westen. Ouderen hebben minder behoefte aan nieuwigheid en dat is misschien ook wel terecht.

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3

5


English

Drunk during the day A proper rite of passage

A rite of passage is one of the first concepts that anthropology students get familiar with. Everyone can think of examples of such rites, like funerals and weddings. In this article, I will analyze another proper rite of passage with all its hardships, suffering and tests: getting drunk during the day. D oor Soufyan e l H ammo uti

‘Een persoon wordt altijd beïnvloed door zijn omgeving, een samenleving bestaat nooit uit een groep individuen.’ [A person is always influenced by his surroundings, a society never consists of a group of individuals.] This idea, stated by Professor Alex Strating, is one of the things that I remember best from the course Introduction to Cultural Anthropology. After hearing this, I have been thinking a lot about whether or not I am being influenced by, for example, friends and family. More often than not, I had to come to the conclusion that in most of the situations I found myself in, I was being influenced by either one of the two or even both. Some actions can be considered perfectly appropriate at a given moment, but they can be regarded as highly inappropriate at any other time. This phenomenon of contextual behavior will be a guiding line in this article. Using Arnold van Gennep’s writings on the rites of passage (1960) and Victor Turners addition to the subject of liminality in rituals (1969), I will propose a theoretical framework to analyze a celebration which I was a part of not too long ago. My own birthday.

6

The phase of liminality is often characterized by hardships, temporal suffering and tests (Eriksen 2001: 63). In my case, one of the tests was drinking my beer as fast as possible, which was directly followed by the suffering of not having a full glass of beer anymore. After a couple of other tests, which were all based on the same principle of consuming a large amount of

The celebration of my birthday provided a context for me to get drunk during the day on a weekday without being frowned upon. If I were to do this on any other regular weekday during a lecture, for example, others would probably tell me not to drink or would have made sure I stopped doing it because it would be considered inappropriate. This is exactly the contextual behavior I adverted to in the introduction of this essay. During the liminal phase of the ritual of celebrating my birthday, I had a special, ambiguous role because I became a part of my own communitas. The ‘normal’ rules of the bigger society, regarding appropriate behavior, did not apply to me on that particular day. However, an opposite scenario might also be argued for and is most certainly worth considering. It might just be the case that the people in my surrounding had a much greater influence on me that day than they would normally have. If it weren’t for my friends and family, I would not even have had to organize a party in the first place. Another way in which I might have been influenced by my surrounding is the fact that I did do something, drink during the day, which I normally would not have done. Maybe my exceptional drinking was just another task that had to be performed: a way of creating stories that are to be told many years from now, and with that, granting my party the status of a proper rite of passage. Eri ksen, T. H. 2001 S mall P laces, Lar g e Issues: An intr oduction to S ocial and Cultur al Anth r opolog y . London: Pl uto Press Turner, V. 1969 Th e R itual: S tr uctur e and Anti- S tructure . Ch i cag o: Al di ne Publ i sh i ng Com pany McCal l , G 2010 Lecture of 27 Apri l on Arnol d van Genneps i dea s on ri tes of passag e. D uri ng th e cour se Ath ropol og y of Cel ebrati on at th e Uni ver sity of New South Wal es (Sydney)

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3

Be e ld uit u it ei e ig g en e n c o ll lle ecc t ie

According to Van Gennep, a rite of passage consists of three main phases. The first one being the separational phase, which is the phase in which a person is being separated from normal life and the status they have (Van Gennep 1960 in McCall 2010). The separation for me at my birthday began on a beautiful spring day when my doorbell rang, a sign that the first guests to my party just arrived. From that moment on, and only for that day, I was to be a little bit different from all of the other people in my house. I was to be the center of the ritual that is called celebrating your birthday and was separated from the rest of the people attending the party because from that point on there were certain aspects of the ritual that would involve me being the center of attention. The separation was almost instantly followed by the second phase, liminality. If I were to pick a moment to point out the start of this phase, it would be the moment the first person congratulated me and by doing so, acknowledging the fact that I had a special position in the group, different from anyone else’s. This transient personal experience of togetherness is what Victor Turner labeled as a communitas (Turner 1969:132). My special position was emphasized by me being the only one receiving gifts and that people where singing songs of celebration and prosperity to me.

alcohol in the shortest period possible, the real hardships began. I have never had so much trouble walking in a straight line to get wherever I wanted to go. You can imagine the amount of suffering I went through when I was not even capable anymore of finding my own bathroom at the time I felt the biggest urge to go in my life so far. But the biggest challenge came when everybody left the party and it was time to clean up and make myself ready to go to bed. With a lot of effort, I managed to accomplish these tasks and rewarded myself for it by going to bed and sleep. The third and final phase of my rite of passage, reintegration, started when I woke up the next morning. From that point on, I was no longer celebrating my birthday and was granted a new status in my society, that of a twenty year old.


TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 20 - NUMMER 3

7


Op de bank met...

Op de bank met...

Jos de Mul

‘Roddelen’ over de rol van god en technologie Do o r Jasm i j n Pos t

Jos de Mul is een wijsgerig antropoloog die zich veel bezig houdt met de filosofie van technologie. Onlangs verscheen er een stuk in het NRC waarin hij bepleitte dat technologie de rol van God heeft overgenomen. Ik vertrek naar zijn kantoor op de Erasmus Universiteit in Rotterdam om hem hierover te interviewen. Hij heeft twee filosofische boeken geschreven waarin technologie het onderwerp is: ‘Cyberspace Odyssee’ (2002) en ‘De domesticatie van het noodlot. De wedergeboorte van de tragedie uit de geest van de technologie’ (2006). We praten over zijn vak, zijn boeken, de technologie en de invloed die het heeft op onze levens en denkwijzen.

Wijsgerige antropologie

8

Wat betekent het precies om ‘wijsgerig antropoloog’ te zijn? “In de klassieke Griekse teksten komen we het woord antropologos al tegen: antropos betekent mens, logos betekent spreken. Spreken over de mens dus, roddelen eigenlijk”, zegt de Mul. “In zekere zin roddel ik dus ook, ik vertel namelijk niet alleen mooie verhalen over mensen, maar ook over hun kwalijke zijde.” Antropologie is volgens hem een tak van de filosofie die zich bezig houdt met de mens. De Mul: “Je hebt uiteenlopende subdisciplines binnen de filosofie, zoals de ethiek, de studie van goed en kwaad. Je hebt de wetenschapsfilosofie, die zich bezint op de aard en methode van de wetenschappen. En de wijsgerige antropologie houdt zich bezig met de filosofische bezinning van de mens. De vraag naar wat de mens nu precies tot mens maakt”. “Ik ben een filosoof, geen empiricus” vervolgt hij. “Een filosoof doet zelf geen empirisch onderzoek, maar hij dient wel goed op de hoogte te zijn van de empirische menswetenschappen, zoals de culturele antropologie, de psychologie, de sociologie, de medische antropologie etcetera. Filosofen proberen op basis van het heterogene materiaal van de empirische menswetenschappen te komen tot een samenhangend mensbeeld”. Filosofen denken dus vanuit de empirie naar meer omvattende structuren. Dit denken in omvattende structuren komt volgens de Mul voort uit de eindigheid van de mens: we hebben niet genoeg tijd om alles zelf uit te vinden, dus we zijn altijd aangewezen op tradities. We bouwen voort op wat er al is. “In de biologische evolutie geldt: ‘If it ain’t broke, don’t fix it’”. Dit mechanisme geldt

volgens hem ook voor culturen. “Mensen zeggen niet ‘nou, nu zijn de middeleeuwen afgelopen, laten we nu eens iets heel nieuws ontdekken’”. Kijken vanuit de continuïteit zorgt voor een beter begrip, dat zien we ook bij zijn ideeën over technologie en de maakbaarheid van de mens.

Continuïteits-denken

In zijn boek ‘De domesticatie van het noodlot’ beschrijft de Mul dat culturen proberen het noodlot te sturen. “Er kunnen ons een heleboel dingen overkomen: ziekte, dood, honger. Culturen zijn pogingen om dat soort noodlottigheid te bedwingen en dat kan op heel verschillende manieren gebeuren. In de Westerse traditie kun je drie grote strategieën onderscheiden. De eerste is de tragische strategie van de Grieken: een poging om het noodlot op een heroïsche manier op je te nemen. De tweede strategie is de Christelijke, waarin je, als je vertrouwt

We zijn bang dat technologie onbeheersbaar zal worden op Gods liefde, in de hemel komt. Dat maakt het noodlottige leven draaglijk en dat kunnen we zien als een soort symbolische beheersing van het noodlot. Binnen de laatste strategie, die in het Westen in de 16e en 17e eeuw opkomt met de moderne natuurwetenschappen, proberen we zelf het lot hand te nemen door middel van technologisch ingrijpen.” Wat de Mul met zijn boek wil vertellen, is dat er een logica in de verschillende strategieën te herkennen is. “Iedere strategie begint niet op het nulpunt, maar is een transformatie van een voorafgaand systeem.” In het moderne denken zijn concepten overgenomen uit het Grieks en Christelijk denken. “Er is toch nog een sturende

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3


Jos de Mu l

beel d www. 4 en5mei.nl

macht, zoals bijvoorbeeld te zien bij Adam Smith’s sturende invisible hand, die dezelfde functie heeft als God. Het idee dat hieruit spreekt, is dat alles goed zal komen, zolang we vertrouwen hebben. Ook Karl Marx, een filosoof en econoom, gelooft dat we niets hoeven te doen om tot het communisme te komen. Het kapitalisme zal namelijk aan zijn eigen tegenstellingen ten onder gaan. We kunnen gewoon achterover leunen en wachten. We hoeven er niets voor te doen. Een heerlijke ideologie.” Een groot vertrouwen in de goede afloop dus, dat we kennen uit het Christendom. En wat doen we als we de ideale toestand hebben bereikt? De Mul lacht: “Marx zei: ‘Als de communistische heilstaat bereikt is, gaan we ‘s ochtends vissen en ’s avonds jagen’”. Een ander idee uit het Christelijk denken is dat van een God met twee gezichten: belonend en bestraffend. Dit zien we ook bij de technologie. “Ten aanzien van de technologie hebben we aan de ene kant een onvoorwaardelijk vertrouwen, tegelijkertijd zijn we er heel bang voor. We zijn bang dat technologie onbeheersbaar zal worden en ons zal vernietigen. Genetica en kernenergie, bijvoorbeeld, zijn onderwerpen waar we ons zorgen over maken, want het zijn onderwerpen die de kern van het leven raken”. “Kijk, van het uitvinden van een nieuwe blikopener zullen we niet wakker liggen”, besluit de Mul.

Technologie als weg naar het heilige Het boek ‘Cyberspace Odyssee’ ging vooraf aan ‘De domesticatie van het noodlot’ en gaat over hoe informatietechnologie onze wereld verandert. Het idee dat technologie de rol van God heeft overgenomen heeft de Mul vooral in dit boek ontwikkeld. “God heeft in de Christelijke traditie drie kenmerken die hem worden toegeschreven: alwetend, alomtegenwoordigheid en almachtig. Het internet wordt door die drie dingen ook gedreven. We kunnen alles weten, alle informatie is beschikbaar. Het internet is ook alomtegenwoordig: ik kan bijvoorbeeld een bibliotheek in New York raadplegen, maar ik kan ook door Second Life tegelijkertijd in andere werelden aanwezig zijn. De almachtige rol van het internet bestaat erin dat ik in cyberspace kan zijn wie ik wil, me kan vormen hoe ik wil: hoe ik eruit zie, welke vaardigheden ik heb.” Max Weber stelt dat we rationeler worden en religie geen rol

meer zal spelen in de samenleving; dat er een Entzauberung zal plaatsvinden. De Mul vindt dat dit niet klopt: “We zijn rationeel en religieus tegelijk. We kunnen Goddelijke ervaringen creëren door middel van onze technologieën en dan wordt rationaliteit dus de weg naar het heilige.” Een interessante groep mensen die sterk geloven dat technologie de weg naar het heil is, zijn de transhumanisten. Transhumanisten geloven dat technologie hen onsterfelijk zal maken. Een aantal van hen laten zich invriezen in de hoop dat ze over honderd jaar ontdooid kunnen worden en weer tot leven gewekt. Hun vertegenwoordiger Hans Moravec zegt dat mensen zwakke, eindige wezens zijn, kwetsbaar en vol gebreken. Technologie kan dat volgens hen veranderen. De Mul: “Een mooi glanzend robotlijf, bijvoorbeeld, is veel handiger volgens Moravec. Een robotlijf heeft veel voordelen: het is sterker, je kunt de onderdelen vervangen het kent de menselijke gebreken niet.” Veel transhumanistische ideeën zijn niet onzinnig. Een aantal van de zaken die ze noemen zijn al mogelijk of in ontwikkeling. Het is niet uitgesloten dat we de levensduur enorm kunnen oprekken. Er schuilt volgens de Mul echter een enorme denkfout achter de transhumanistische manier van denken. “Mijn filosofisch punt is dat wij dan ‘wij’ niet meer zijn. Wanneer we het menselijk bouwplan op een fundamentele wijze gaan veranderen kunnen we niet meer zeggen dat wij als mens voortleven. Het probleem van de transhumanisten is dat ze denken dat de geest een structuur is onafhankelijk van de drager.” Ook praktisch gezien zijn er grenzen aan de maakbaarheid van zo’n nieuwe levensvorm: “Elke technische handeling brengt onvoorzienbare neveneffecten met zich mee. Denk bijvoorbeeld aan overbevolking en of we niet aan een enorme verveling gaan lijden als ons leven een stuk langer gaat duren.” Dat technologie de rol van God heeft overgenomen hebben we nu gezien. Ten eerste hebben we gezien dat het Christelijk denken ook in het moderne denken continueert. Zo zien we bijvoorbeeld dat technologie net als God zowel een belonende als bestraffende taak heeft. Ten tweede hebben we gezien dat technologie ons niet alleen rationeler maakt, maar ons ook Goddelijke ervaringen kan geven. God speelt dus ondanks het wijdverbreid atheïsme nog zeker een rol in het technologisch tijdperk.

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3

9


COCO GUBBELS UITWISSELING VAN TECHNIEKEN In de onderzoeksjournalistiek maak je verbazingwekkend veel gebruik van technieken: data-analyse, archiefonderzoek, interviews, internetresearch. Maar er wordt zeer weinig gebruik gemaakt van de typisch antropologische onderzoekstechniek participerende observatie. Meer journalisten zouden deze techniek eens moeten toepassen om zo tot een gedegen resultaat te komen. Zo was ik laatst bij een hogeschool waar Journalistiek gegeven wordt en waar ook het vak Antropologie een onderdeel is van de opleiding. Navraag leerde dat de docente geen antropologe was en verder eigenlijk ook weinig met het vak ondernam, behalve de basiskennis overdragen. Studenten lieten me weten heel graag meer te willen leren over antropologie en antropologische onderzoekstechnieken. In gesprek met de studiecoördinator bleek dat de docente het vak in haar takenpakket had gekregen omdat er uren in haar rooster gevuld moesten worden. Een betoog dat er een echte antropoloog het vak zou moeten komen geven, kreeg wel gehoor, maar resulteerde niet in actie. Zonde, want journalisten zouden zo veel kunnen leren over ons vak. Niet alleen het participerend observeren, maar vooral de manier van kijken naar groepen mensen en de dynamiek daarvan zou een welkome toevoeging zijn aan het onderwijs van de jonge studenten. De journalistieke branche is onder te verdelen in verschillende takken van sport: hard nieuws (journaal), achtergrond, reportage en geschreven, radio of televisie. Gelukkig zijn er naast de ‘grazers’ die slechts nieuwsfeiten verzamelen en daarover berichten ook vakgenoten die langer onderzoek doen. Ook film- en documentairemakers uit de journalistiek nemen meer tijd voor hun onderwerp. Journalisten die zich bezighouden met duiding en achtergrond zitten daar ergens tussenin. Onlangs sprak ik met een docent Visuele Antropologie die sinds kort ook enkele journalisten in opleiding heeft. Hij kon mij vertellen dat zijn studenten het een hele ervaring en vooral een bijzondere toevoeging vonden om gewoon eens een dag of twee bij hun onderwerp door te brengen. Urenlang observeren en verder niets. Met die informatie konden zij naar eigen zeggen veel meer inhoud geven aan de reportage die zij er later over maakten. De vraag is ten slotte of de opleidingen Antropologie en Journalistiek een band aan durven en willen gaan om elkaar te versterken. Want niet alleen de journalistiek is gebaat bij meer antropologische kennis, ook onze wetenschap zou best iets mogen leren van de media. Hoe ga je om met de resultaten van je onderzoek en hoe kun je deze het beste onder het voetlicht brengen van het publiek? Social media, bloggen en persberichten lijken weggelegd voor de letterkunstenaars, maar wie zegt dat wij antropologen dat niet kunnen leren? Ik ben zelfs van mening dat, net zoals de journalisten een gedegen aanvulling zouden moeten krijgen over antropologie, ook schrijven en media een verplicht onderdeel zouden moeten zijn binnen de opleiding antropologie. De oplossing is dichterbij dan gedacht: nog heel even wachten en er komt een onafhankelijke academie die de journalistiek en antropologie dichter bij elkaar brengt. Ik hou u op de hoogte!

10

Evolutie en Een tweezijdige relatie

Niet iedereen doet mee met de nieuwste rages op het gebied van techniek. Dit is als een vorm van uitsluiting te beschouwen. Hoe kunnen we verklaren dat sommige mensen bewust voor deze uitsluiting kiezen? D oor A l ex Kem m an Er klinkt een zacht zoemend geluid en landschappen schieten voorbij. Naast je zit een jongen met twee witte touwtjes uit zijn oren zachtjes met zijn hoofd heen en weer te bewegen. Daar tegenover kijkt iemand geconcentreerd naar een zwart glanzend doosje in zijn hand. Af en toe drukt hij met zijn vinger op het dingetje waarna zijn gezichtsuitdrukking verandert. Aan de andere kant van de langwerpige smalle ruimte, waar je gezamenlijk zit, is iemand hardop aan het praten. Ze vertelt hoe het met de kinderen is en dat ze wel wat moe is van de lange werkdag. En dat terwijl er niemand naast haar zit! Ineens klinkt een vreemd melodieus geluid, een soort muziekje, waarna iemand uit het niets roept ‘ja, ik zit in de trein!’

Uitsluiting als bewuste keuze De bovenstaande situatie lijkt wereldvreemd, maar is niet ondenkbaar. Niet iedereen is even goed op de hoogte van de nieuwste technologie. Iemand kan de technologische kennis missen om te begrijpen wat in de omgeving gebeurt, waardoor deze niet actief mee kan doen. Of iemand kan om financiële redenen de nieuwste technologie niet aanschaffen. Op deze manier kan je niet helemaal meedraaien in de samenleving. Een vorm van uitsluiting dus. Maar interessanter is te zien waarom mensen die wel toegang hebben tot technologische ontwikkelingen zichzelf buitensluiten. Sommige mensen kopen bewust geen smartphone, waardoor ze afgezonderd worden van een wereld waarin termen als pingen en apps de norm lijken. Het lijkt vreemd om niet met de laatste ontwikkelingen in de samenleving mee te doen. Waarom zou je ervoor kiezen om niet meer alles bij te houden wat er gebeurt? Een verklaring voor deze zelfgekozen uitsluiting is mogelijk te vinden in technologie en haar relatie tot cultuur. In de meest brede zin betekent technologie gereedschap; het gebruiken van een middel om een bepaald doel te bereiken. Door technologie kan de mens zich aanpassen aan de omgeving, en de uitvindingen worden zo deel van een cultuur. Deze aanpassing van mens aan omgeving is deel van haar evolutie en evolutie is te delen in biologische aanpassing en culturele aanpassing. Biologische aanpassing is een passief proces, maar culturele aanpassing hangt sterk samen met technologie. Door te innoveren past de mens zich aan. Hierbij is het cruciaal dat bepaalde vaardigheden worden doorgegeven, het vermogen om te leren dus. Eerder werd dit vermogen als inherent aan de mens gezien, wat mensen van dieren onderscheidt. Nu blijkt dat de mensapen ook het vermogen hebben om te leren, wordt dit vooral als mogelijk bewijs gezien van een gedeelde evolutionaire oorsprong. Dit versterkt het idee dat technologie bijdraagt aan de evolutie van de mens. Want apen gebruiken misschien wel technologie, maar niet in dezelfde mate van complexiteit. Dit zet de mens hoger op de evolutionaire ladder, waardoor al snel de relatie wordt getrokken dat meer technologie verbonden is aan meer geëvolueerd.

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3


Beel d A l ex Kem m an

technologie

Gunstige en ongunstige effecten van cultuur Het klopt dat technologie noodzakelijk is voor de ontwikkeling van de mensheid. De Inuit zouden nooit op de Noordpool kunnen wonen zonder technologische aanpassingen die deel zijn geworden van hun cultuur. Ook in Nederland zouden we het niet overleven zonder dijken. De technologische vaardigheden die we doorgeven laten ons in barre omstandigheden verkeren. Toch hoeft cultuur en dus ook technologie niet per se positieve gevolgen te hebben. Cultuur kan gunstige (adaptieve) gevolgen of ongunstige (maladaptieve) gevolgen hebben in relatie tot de evolutie van de mens. Bepaalde ontwikkelingen die deels gunstig zijn, kunnen op andere niveaus ongunstig uitpakken. Zo is een computer ontzettend handig om te schrijven, maar kan het ook RSI veroorzaken. Op andere niveaus zijn ook beide facetten te zien. Zo stelt op sociaal niveau technologie ons in staat om met iedereen te communiceren, maar iemand kan juist ook sociaal gehandicapt zijn doordat hij zijn computer niet meer verlaat. Op het niveau van de overheid lijken technologische ontwikkelingen vooral toegejuicht te worden. Informatie moet gecentraliseerd worden en alles moet efficiënt worden opgeslagen in databases. Maar dezelfde informatiesystemen kunnen ook gebruikt worden om controle over burgers uit te oefenen en zelfs je identiteit kan gestolen worden. Tenslotte is de mondiale dimensie van technologie tekenend over hoe technologie evolutie in de weg kan staan. Technologische innovaties hebben ervoor gezorgd dat we overal heen kunnen reizen en allerlei exotische producten kunnen eten. Maar aan de andere kant hebben we nu wel te maken met klimaatverandering en ongelijke verdeling van grondstoffen. De één overconsumeert terwijl de ander crepeert. Zoals we zien zijn er tig redenen om nou juist wel of niet een technologische ontwikkeling te accepteren. Soms is het duidelijk of een uitvinding positief uitpakt en in welk opzicht, maar vaker liggen de oorzaken en gevolgen ver uit elkaar. Onder bepaalde omstandigheden kan dit er voor zorgen dat mensen zichzelf uit bepaalde ontwikkelingen uitsluiten. Of dit nu bewust of onbewust is, lijkt een onderzoek waard. In dit stuk is vanuit een cultureel aanpassingsperspectief verklaard wat de reden kan zijn dat sommige mensen zichzelf bewust uitsluiten op het gebied van nieuwe technologische snufjes. Want hoewel op het eerste gezicht technologie een bijdrage aan de menselijke ontwikkeling lijkt te geven, kan technologie juist ook contraproductief voor de evolutie van de mens zijn.

Dezelfde computer die zo handig is, veroorzaakt ook RSI

Kottak , Ph i l i p C o nra d 2 0 0 8 Cu l t u r a l A n thr o po l o g y. M c G raw -H ill Compani e s Sc haik , C ar e l van 20 0 4 Am o n g O r an g u tan g s : Re d Ape s an d th e R ise of H u m a n Cu l tu r e . P reside nt a nd Fellow s of Ha r vard Co l l e ge TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3

11


Technologie

De metalen soldaat Toen Iran in de jaren tachtig in oorlog was met Irak werden kinderen vanaf twaalf jaar het mijnenveld ingestuurd. Zo kon voorkomen worden dat de echte soldaten te snel zouden overlijden. Dit soort nare maatregelen zijn nu niet meer nodig. Door het gebruik van robots en andere technologische vernieuwingen kan zonder het verlies van mensenlevens een mijnenveld onschadelijk worden gemaakt. Technische vernieuwingen beschermen zo de levens van de soldaten. Oorlogen worden ‘schoner’; er sterven minder mensen. D o or I re ne B ey dals

Hoe oorlogen gevoerd worden heeft door de tijd heen een ontwikkeling doorgemaakt. En dit gaat nog altijd door. Wapens zijn dodelijker geworden en legers efficiënter. Zo werden tijdens de Tweede Wereld Oorlog hele steden platgebombardeerd om de vijand te raken. Nu gebeurt dat veel minder. Aanvallen waarbij zoveel burgerslachtoffers vallen worden niet meer geaccepteerd. Het publiek wordt door de media veel meer en veel sneller geïnformeerd. Oorlogen die veel onschuldige mensenlevens kosten leveren nare plaatjes op, die via allerlei wegen terugkomen bij mensen die invloed kunnen uitoefenen op de strijdende machten. Zo zorgde de foto van het meisje Phan Thi Kim Phuc, dat geraakt werd door een napalmbom in de Vietnamoorlog, voor een enorme golf van kritiek jegens de Verenigde Staten. De massamoorden in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila zorgden

voor eenzelfde kritiek jegens Israël. En de ontwikkeling van kleurentelevisie zorgde ervoor dat het grote publiek al het leed veel grafischer onder ogen krijgt. Oorlogen waar veel burgers sterven worden als barbaars gezien, waardoor het moeilijker is om succesvolle oorlogspropaganda te maken. Ook zijn dit soort oorlogen erg traumatiserend voor zowel de betrokken bevolking als voor de soldaten. Daarnaast kunnen aanvallen nu veel preciezer worden uitgevoerd. Het aantal bommen dat gebruikt moet worden om een doelwit te raken is sterk gedaald en hiermee ook het aantal onbedoelde slachtoffers. Als een bepaald huis gebombardeerd moet worden, hoeft het huis daarnaast daar geen schade van te ondervinden en ook de infrastructuur in steden ondervindt veel minder problemen van oorlogsvoering. Dit zorgt ervoor dat het leven van burgers die in een oorlog leven veel minder beïnvloed wordt door die oorlog. Ze kunnen naar hun werk zonder in constante angst te leven dat bij terugkeer hun huis verdwenen of hun familie gestorven is.

Minder slachtoffers

Bee ld Nic k Ut

12

Tijdens de Eerste Wereld Oorlog bijvoorbeeld bleven Duitse troepen veel langer in leven dan voorheen. Dit door wat James Scott in zijn boek ‘Seeing Like a State’ het technocratische wonder van de oorlog noemde. De hele Duitse economie was ingezet om zo efficiënt mogelijk goederen naar het front te brengen en zo de soldaten zo lang mogelijk in leven te houden. Dit werd gerealiseerd door een ‘geadministreerde massaorganisatie’. Bedrijven, de staat en technocraten werkten samen om alles zo precies mogelijk te plannen. Door het succes dat hiermee was geboekt ten tijde van oorlog, zijn dezelfde technologieën later in vele andere velden ingezet om economische en sociale problemen op te lossen en armoede tegen te gaan. Kennis die wordt opgedaan in tijden van oorlog kan dus meewerken aan positieve processen buiten de oorlogstijd om. Maar technologische ontwikkelingen zorgen ook voor minder doden onder de soldaten. Doordat deze van een afstand al kunnen schieten hoeven ze zelf veel minder in de vuurlinie te

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3


In de to e ko m s t ge e n so lda ten bij de t anks?

staan. Sterker nog, door het gebruik van onbemande vliegtuigen worden nu doelwitten in Afghanistan en Irak op een hele precieze wijze geraakt. Diegene die de vliegtuig bestuurt zit zelf veilig in een kantoor in bijvoorbeeld de Verenigde Staten en kan tussen de beschietingen door nog een hapje gaan eten met familie of vrienden. Deze afstand van het gevechtsterrein zorgt ervoor dat de bestuurder zich veel minder door irrationele gevoelens zal laten leiden. Gevoelens van woede, wraak en angst komen namelijk meer voor wanneer iemand zich middenin het oorlogsgeweld bevindt. Hierdoor kunnen inhumane vormen van oorlogsvoering zoals marteling verminderen. De afstand zorgt voor minder doden en gewonden onder de soldaten, maar ook voor minder trauma’s. Maar door diezelfde distantie van de soldaat ten opzichte van het oorlogsterrein wordt het schieten en het doden van mensen zelf ook minder moeilijk zegt onder meer Keith Shurtleff, een advocaat die werkt voor het Amerikaanse leger. Wanneer je via een scherm op doelwitten moet schieten door middel van een joystick verandert oorlog in iets onwerkelijks. Het wordt net een schietspelletje waarbij telt ‘hoe meer je raakt hoe beter’. Hoe verder je emotioneel en fysiek van je vijand vandaan staat, hoe makkelijker het wordt om te schieten en te doden. Zo schieten ook bijvoorbeeld scherpschutters vaker en dodelijker dan soldaten die oog in oog met hun vijand staan. Door de afstand verliest de vijand zijn menselijkheid en hierdoor wordt er ook niet gestopt met vuren als op het scherm te zien is dat de vijand gewond is, maar nog wel in leven. De soldaat die schiet verliest zijn binding met de ander. De distantie van de oorlog zorgt misschien wel voor minder stress, gevoelens van verlies en angst, maar de distantie zorgt ook voor andere nare aspecten. Op het ene moment heb je het gevoel boven Irak te vliegen en mensen neer te schieten. Het

Beel d Al ex Kemman

volgende moment zit je een hamburger te eten en wordt er gevraagd of je nog een kop koffie wilt. Dit zorgt ervoor dat twee verschillende rollen door elkaar heen aanwezig zijn, de rol van piloot in Irak en die van veilige burger, zonder dat er een ‘rite de passage’ is die dit kan overbruggen. Verschillende onderzoeken geven aan dat dit kan leidden tot een onverenigbare tweestrijd in de psyche van de individuele soldaten.

De Terminator Steeds vaker worden robots gebruikt bij gevechten, zo is één derde van alle vliegende voorwerpen van het Amerikaanse leger nu al onbemand en worden er steeds meer robots ingezet op de grond. Het Amerikaanse leger wil minder soldaten op de grond om zo het dodenaantal onder eigen troepen te verminderen en om ‘collateral damage’ tegen te gaan. Robots zouden autonoom moeten opereren en zelf beslissingen moeten maken. Want deze robots zouden niet uit zelfbehoud en woede handelen. Ze zouden zich niet op eenzelfde manier distantiëren van het oorlogsgeweld als de huidige bestuurders van robotten dit wel doen. Robots zouden niet, zoals mensen wel, het doden van mensen kunnen verwarren met het spelen van een spelletje aangezien ze zo niet worden geprogrammeerd. Robots hoeven niet gevoerd te worden, ze worden ook niet moe en volgen commando’s altijd op. Prima soldaten dus. Maar hoe ziet een robot het verschil tussen een vijandige strijder en een vriend? Hoe maakt het onderscheid tussen een kind met een neppistool en een volwassen strijder? Hoe weet het wanneer wel en wanneer niet te schieten? En hoe herkent het signalen van overgave? En wie is er eigenlijk verantwoordelijk als een robot de verkeerde dood? De ontwerper van de robot? De staat? Of de robot zelf? Daarnaast mist er binnen de ontwikkeling van deze nieuwe

Een robot verwart het doden van een mens niet met een computerspelletje

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3

13


Het Amerikaanse leger wil minder soldaten op de grond om zo het dodenaantal onder eigen troepen te verminderen en om ‘collateral damage’ tegen te gaan

manier van oorlogsvoering een fase. Dat wat Scott ‘métis’ noemt. Métis is de specifieke kennis en handigheid van mensen die ervoor zorgen dat een bepaald project werkt. Dus ook oorlogen. Robots zijn geen mensen en beschikken dus niet over deze specifieke, lokale kennis. Ze kunnen zich hier niet hieraan aanpassen en kunnen dit niet meenemen tijdens een gevecht. Doordat staten geen rekening houden met métis zijn veel projecten in het verleden gefaald. Dit zal dus nog meer het geval zijn in een oorlog waarin geen métis aanwezig is. Daarnaast is de vraag hoe het gebruik van robots eigenlijk ontvangen wordt door de mensen die ermee te maken krijgen. Misschien zorgt het voor een verlies van respect ten opzichte van in dit geval het Amerikaanse leger, aangezien deze zich zo wil verschuilen achter technische snufjes. Niet alleen de Amerikaanse soldaat verliest zijn verbintenis met de vijand waarmee die in gevecht is, ook diezelfde vijand verliest de menselijkheid van zijn vijand uit het oog. Het onbegrip en de miscommunicatie tussen beiden kan hierdoor sterk vergroten. Oorlog kan nooit schoon worden en zal altijd overbodige slachtoffers met zich mee brengen. Maar dat neemt niet weg dat ieder persoon, die door technologische ontwikkelingen tijdens oorlog in leven blijft, telt.

14

Beeld Alex Kemman

Keith S h u r t l e f f , D . 2 00 2 T h e e f fe c t s o f te c hno lo g y o n o ur h u m ani t y Pa r a m ete r s , Summe r 2 0 0 2 , p p. 10 0 - 1 2. Scott, J. 1 99 8 Seei n g L ike a S tate , H ow c e r t a in sc h e m e s to i m prove human c o nd it io n h ave f ai l e d , N ew H ave n: Ya le U niver sit y P re s s .

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3


(advertentie)


Technologie

Van utopie naar dystopie Mislukte technologische idealen in de socialistische stad

De communisten in de Sovjet-Unie van de jaren dertig geloofden sterk in vooruitgang door technologie. Het streven was om in alle anders te zijn dan de kapitalisten. Technologie zou hen daarbij helpen. D oor Jasmi j n Post

In dit essay zal ik de ideologie rondom de communistische arbeid behandelen, en tevens die van de stad waarin de arbeider woont. Geloof in vooruitgang door technologie kan resulteren in utopische plannen. Het kan echter gebeuren dat deze plannen eindigen in een dystopie: een maatschappij waarin men beslist niet zou willen leven. De bloeddorstige jongetjes uit William Golding’s ‘Lord of the Flies’, en de bemoeizieke overheid uit ‘1984’ van George Orwell vertegenwoordigen het beeld van een onleefbare samenleving. Ook de socialistische steden zijn uiteindelijk, ondanks de utopische plannen, als een dystopie geëindigd. Het vrolijke, idealistische zusje van dystopie is utopie. Utopie ontstaat in mogelijkheid, dat wil zeggen: op de kruising tussen datgene wat zou kunnen zijn en datgene dat zal zijn ontstaan utopische ideeën (Shklar 1973: 406). In mogelijkheid schuilen dromen over een ideale samenleving, die in sommige gevallen tot een bijna utopisch beeld worden gevormd. Onder het communistisch bewind werd er in de Sovjet-Unie ook van de mens zelf een utopisch beeld geschapen: de communistische mens moest heel anders worden dan de kapitalistische mens. De Sovjetleiders zagen het kapitalisme als een systeem waar uitbuiting onlosmakelijk mee verbonden was. De arbeider moest immers telkens harder werken om winst te kunnen creëren. De moderne tijd werd in kapitalistische landen gekenmerkt door een gevoel van ‘shock’. Dat was in de stad zichtbaar, maar nog duidelijker in de fabrieken, waar het constante werk met de machines zoveel ‘shock’ veroorzaakte dat de mens zich moest gaan afsluiten om dit aan te kunnen. De arbeid verlamde zogezegd de verbeelding van de arbeider (Buck-Morrs 2000: 104), waardoor diens gevoelens werden afgestompt. Lenin wilde de kapitalistische productiemethoden overnemen, maar dan zonder dit shock-effect. Er moest echter wel genoeg geproduceerd worden om het razende proces van modernisering bij te houden. Als we kijken naar de houding ten opzichte van arbeid, zien we

16

radicale verschillen tussen kapitalistische en communistische overtuigingen. Deze houding wordt onder het communisme gekenmerkt door een geloof in een oplossing. De oplossing die de communisten voor dit probleem vonden, was dat de mens als in een dans moest samengaan met de machine (ibid.: 107). De mens zelf zou volgens dit idee bijna een machine worden en volledig opgaan in de regelmaat die het werk met de machines met zich meebrengt. Zo zou hij beschermd zijn tegen de ‘shock’ van de machinale arbeid. Op die manier werd industriële arbeid in de Sovjet-Unie als een utopie verheerlijkt. Het inspireerde fotografen, filmmakers en dichters en werd gezien als de ultieme vorm van lichamelijk discipline. Competitie moest de arbeiders prikkelen om hun werk nog beter te doen. Er waren speciale wedstrijden waarvoor de prijzen bestonden uit een hoger loon of media-aandacht. Maar de fysieke moeite die deze manier van productie kostte, kan vergeleken worden met die van topatleten en leidde op de lange duur tot permanente uitputting (ibid: 111). In die zin is het idee van Lenin dus mislukt. Nu we dit weten over het productieproces, kunnen we begrijpen hoe hele steden in een kwestie van een paar maanden uit de grond konden worden gestampt.

Het mislukte arbeidersparadijs Voor de communisten moest ook het wonen een utopische aangelegenheid worden. Hoe de communistische stad eruit moest gaan zien, wist niemand. Maar dat het anders moest worden dan de kapitalistische stad was zeker. Magnetic Mountain uit de Sovjet-Unie van de jaren dertig is een voorbeeld van een plan voor een socialistische stad van de toekomst. De ijzermijnen en de belofte van geld en werk lokten per dag treinladingen vol arbeiders. Er was op dat punt nog niets in het dorre binnenland van de Sovjet-Unie. Als je uit de trein stapte bij Magnetic Mountain was er nog niets dat op een stad leek. De enorme toename van de populatie vereiste een snelle bouw van de stad, de arbeiders moesten natuurlijk ergens wonen. Een razend tempo

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3


Beeld Lav i ni a Ste i nfo r t

was nodig om een hele stad uit de grond te stampen, die bovendien aansloot bij de communistische idealen. Het zou het tegenovergestelde worden van kapitalistische steden met hun smalle, donkere steegjes, misdaad en alcoholisme. Magnetic Mountain moest open, brede straten krijgen en het symbool worden van cultuur, educatie en wetenschap (Kotkin 1997: 108). Het utopische idee van de projectontwikkelaars was om een linear city te maken, die in één lijn tegenover de fabrieken ligt. Deze opstelling maakte het gemakkelijk om naar het werk te gaan en zo kon het hele leven van de arbeider in het teken komen te staan van de utopische arbeid. In de binnenplaatsen van de superblocks, die de linear city moesten vormen, zou er een gemeenschappelijke ruimte komen om elkaar te ontmoeten en te eten. Het volledige plan mislukte echter hopeloos. De projectontwikkelaars konden het tempo van de arbeiders niet bijhouden, omdat ze voor elke nieuwe stap toestemming van Moskou nodig hadden. De arbeiders gingen op eigen houtje verder en bouwden op de verkeerde oever van de rivier, recht onder de rook van de fabrieken. Ze bouwden bovendien niet de geplande superblocks, maar begonnen aan een groot aantal tijdelijke gebouwen. Zodoende werd het resultaat allesbehalve utopisch: permanente ‘tijdelijke’ gebouwen onder enorme smogwolken, nauwelijks openbaar vervoer, waardoor het soms uren duurt om op het werk te komen, buitensluiting door slechte communicatiemiddelen, technische problemen in de huizen. De utopische plannen zijn catastrofaal mislukt. Het verlangen naar technologische superieuriteit over de kapitalistische landen heb ik in dit stuk op twee vlakken behandeld: de arbeiders en de stad.In het geval van Magnetic Mountain hebben we gezien hoe enerzijds het geloof in technologie de utopische plannen schiep, maar anderzijds deze plannen juist door de technologie mislukten. Want de dromen van de bouw van een utopische stad kwamen voort uit het geloof in de mogelijkheden die de technologie bood, maar de uitwerking van de plannen mislukte omdat de arbeiders te snel werkten. Zo bouwden ze in plaats van een utopie een dystopie: een vreselijk lelijke, onleefbare stad.

De arbeiders gingen op eigen houtje verder en bouwden aan de verkeerde kant van de rivier Buc k - Morr s, S. 2000 D r eamwor ld and Catas tr oph e. The Passi ng of Mass Utopi a i n East and West. Cam bri dg e: MA: MIT Press. Kotki n, S. 1997 Mag netic Mountain. Stal i ni sm as a Ci v i l i zati on. Berkel ey, Los Ang el es, L ondon: uni ver si ty of Cal i forni a Press. Sh kl ar, J. 1973 T h e Pol i ti cal th eor y of Utopi a. From Melanch olia to Nos talg ia in City Cult ure Reader p 404- 41 2.

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3

17


Technologie

Nieuwe technologie = slechtere democratie? Snellere communicatiemiddelen, zoals Twitter, worden meestal beschouwd als winst voor de democratie. Maar leidt dit soort technologische ontwikkelingen wel tot een positieve ontwikkeling van de democratie? Wat als deze het belang van expertise en moraliteit ondermijnen? D oor G osse Vu i j k

In zijn boek “Je hebt het niet van mij maar... “ beschrijft Joris Luyendijk onder andere de rol van journalisten op het Binnenhof. Via de journalisten proberen de politici zichtbaar te zijn voor ‘het publiek’. Luyendijk beschrijft precies hoe de journalisten en politici om elkaar heen dansen. De eerste groep wil scoops, zoals de Miljoenennota voordat deze vrijgegeven wordt, en de tweede groep wil exposure, bijvoorbeeld een interview bij Pauw en Witteman. Het is voor politici belangrijk om ‘genoemd’ te worden. Alleen als mensen weten wie je bent stemmen ze op je, is de redenatie. Media-optredens zijn voor politici momenten om hun carrière een boost te geven. Andersom is het voor elk medium gunstig om de juiste mensen aan het woord laten om daarmee de concurrentie af te troeven Volgens Luyendijk is vooral deze concurrentiestrijd een belangrijke drijfveer voor journalisten om op zoek te gaan naar een scoop. Omdat het voor beiden goed is voor de carrière, sluiten politici en journalisten deals: “Jij krijgt een scoop als ik exposure krijg”. Om als journalist dit soort deals te krijgen, moet je een goede verhouding hebben met de juiste politici. Lastige vragen maken een dergelijke relatie moeilijk. Om die reden onderhandelen journalisten vaak met politici over de onderwerpen die besproken zullen worden tijdens een interview. De journalist krijgt dan de volksvertegenwoordiger die hij wil in zijn programma en de politicus krijgt aandacht op de manier die hij wil. Een win-winsituatie. Tijdens de uitreiking van de Sonja Barend Award 2011 typeerde Paul Witteman dit gegeven als ‘onderhandelings-journalistiek’. Hierop reageerde Barend later dat zij zich niet voor kon stellen dat je als journalist zo te werk zou gaan. Zij zou nooit onderhandelen over de vragen die ze zou stellen aan een politicus. Zij ziet het als de ethische plicht van de journalistiek om het bestuur, en daarmee de politiek, kritisch te controleren. En wie gevoelige onderwerpen mijdt, kan niet kritisch zijn. Het verschil tussen de gepensioneerde Barend en de nog werkende Witteman is tekenend voor de ontwikkelingen van de afgelopen twintig jaar. De status en rol van zowel journalisten als politici zijn veranderd. Barend hoefde politici nooit te vragen om bij haar in de studio te komen, omdat de televisie in haar tijd het belangrijkste communicatiemiddel was. Politici hadden dus het best bekeken programma nodig om zoveel mogelijk kiezers te bereiken. Tegenwoordig heeft internet het belang van televisie grotendeels overgenomen. Met deze verschuiving is dus de positie van de journalist veranderd. De expertise van journalisten is minder belangrijk geworden, omdat kritisch interviewen niet echt meer bestaat. Daarmee is een deel van

18

de controle bij iemand anders komen te liggen. Is daarmee de kwaliteit van de controle op de macht afgenomen in Nederland? Ik denk het wel. Maar is dat dan ook het gevolg van technologische ontwikkelingen? Ik denk niet dat dit per definitie gesteld kan worden. Technologie verandert onze leefwereld niet. De invloed van techniek op onze leefwereld wordt bepaald door het discours van het veld waarbinnen de techniek bestaat. Onze parlementaire democratie heeft te lijden onder onze ideeën en niet onder technologische ontwikkeling. Maar hoe beïnvloeden deze nieuwe technologieën dan onze parlementaire democratie? Het begint bij controle op de macht.

Het volk controleert het volk De controle op de macht is een essentieel onderdeel van een goed functionerende parlementaire democratie. Een parlementaire democratie is namelijk gebaseerd op een gelijkheidsprincipe. Omdat elk mens dezelfde rechten en plichten heeft, heeft ook niemand intrinsiek meer recht om individueel te besluiten wat goed is voor een samenleving, dan een ander. Daarom bestaat er in een parlementaire democratie ook geen formele scheiding tussen de elite en het volk, waarbij de elite het recht heeft om over het volk te regeren. Een democratisch land heeft alleen een volk. Uit dat volk worden de bestuurders gekozen door het volk en de belangrijkste taak van deze bestuurders is het behartigen van de belangen van het volk. Een selecte groep van het volk krijgt van de rest van het volk de verantwoordelijkheid en het vertrouwen om voor het hele volk keuzes te maken. Om goed te kunnen kiezen wie dit vertrouwen krijgt van het volk, is het belangrijk dat het volk kan controleren welke keuzes er door de parlementariërs gemaakt worden. Daarom is het belangrijk dat er in een democratie informatie beschikbaar is voor de burgers over de keuzes die in het parlement gemaakt worden. Het beschikbaar maken van deze informatie is de controlerende taak van de journalistiek.

Techniek, controle en feiten De journalistiek is voor het uitvoeren van haar taak afhankelijk van de informatie- en communicatietechnieken die de samenleving ter beschikking heeft. Met het ontstaan van de telegrafie werd het nieuws dat door de journalistiek verspreid werd opeens veel actueler, omdat de informatie sneller van A naar B kon worden gecommuniceerd. Zeker de uitvinding van de radio had grote gevolgen voor de journalistiek, omdat dit voor het eerst live-uitzendingen mogelijk maakte die in de wijde omtrek te ontvangen waren. Dit had tot gevolg dat meer mensen over

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3


Beleid is altijd ideologisch geladen, maar over de ideologie achter het beleid wordt nooit gediscussieerd

meer onderwerpen meer informatie konden ontvangen. Deze trend is voortgezet met de uitvinding van de televisie en zeker met de uitvinding van het internet. De invloed van deze technologische ontwikkelingen op de parlementaire democratie is niet eenduidig. Omdat het bereik van de journalistiek en de politici groter wordt, is de eerste gedachte dat dit goed is voor de democratie omdat controle makkelijker wordt. Meer informatie over de politici stelt mensen beter in staat om te oordelen over deze politici. Maar de vraag is dan waarop de politici precies worden beoordeeld. Een debat is pas zinvol als men het in ieder geval eens is over de feiten. Als er over het waarheidsgehalte van de ‘feiten’ nog gediscussieerd moet worden, is discussie over hoe we met die feiten om moeten gaan zinloos. Daarom heeft de parlementaire democratie in Nederland een relatief technocratische insteek. Er zijn allerlei instanties rondom het parlement gecreëerd die het parlement van ‘objectieve’ feiten moet voorzien, op basis waarvan de discussie plaats kan vinden. De afgelopen jaren is het objectieve karakter van deze instanties door bijvoorbeeld Geert Wilders nogal eens in twijfel getrokken. Wilders heeft er dan ook een kunst van gemaakt om zelf met feiten op de proppen te komen die hij nergens op baseert behalve op ‘onderbuikgevoelens’. Alle andere partijen nemen een groot deel van deze ‘feiten’ over omdat ze anders niet met hem in debat kunnen en dan wordt hen verweten dat ze de problemen negeren. Kortom consensus over de feiten is van groot belang voor het debat in ons parlement. Politici zouden dan ook niet beoordeeld moeten worden op de feitelijke juistheid van hun argumenten. Hun uitgangspunt is namelijk gelijk, er is consensus over de feiten waarvan wordt uitgegaan, maar wat ze er vervolgens mee doen is verschillend. Toch doen alle fracties alsof ze ‘feitelijk’ weten wat de uitkomst van het door hen geprefereerde beleid zal zijn. Ze doen die op basis van ‘objectieve instanties’ die rond het parlement zijn ontstaan, zoals de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid. Maar zoals blijkt uit de discussie die ontstaat tussen de verschillende partijen, zijn de ‘feiten’ verschillend uit te leggen. Dus kan niet feitelijk vastgesteld worden wat de uitkomst van een bepaald beleid zal zijn. Beleid is altijd ideologisch geladen, maar over de ideologie achter het beleid wordt nooit gediscussieerd. Politiek is het maken van ideologisch geladen keuzes. Dit zijn tegelijkertijd ook morele keuzes omdat ze een afweging van belangen zijn. Op deze morele afwegingen zouden wij politici moeten beoordelen en aanspreken. Als ze in onze ogen moreel verwerpelijke keuzes maken moeten wij daarover onze stem laten horen. Wij geven in onze parlemen-

taire democratie, idealiter, de politici het vertrouwen dat ze de juiste morele afwegingen kunnen maken en we moeten blijven controleren of ze dat vertrouwen waard blijven. Morele afwegingen zijn zeer persoonlijke afwegingen. Als we iemand om een moreel oordeel vragen, zegt het antwoord voor ons veel over hoe die persoon is. Als we iemand vragen om een oordeel te geven over de juistheid van een antwoord op een rekensom, verbinden we geen normatieve consequenties voor die persoon aan het antwoord. Iemand wordt, in onze ogen, niet een beter of slechter mens door op een bepaalde manier een som op te lossen. We vinden iemand wel een beter of slechter mens als diegene een bepaald moreel oordeel velt. Daarom is het voor het beoordelen van een morele keuze beter als er direct persoonlijk contact is tussen de kiezer en de politicus, want dan kan een politicus direct aangesproken worden op zijn eigen uitspraken. Het excuus ‘ik ben verkeerd geciteerd/verkeerd begrepen’ is dan niet meer te gebruiken. Hiervoor zijn moderne communicatietechnieken beter uitgerust dan de oudere media, omdat daar altijd een journalist bij betrokken is die de fout gemaakt kan hebben. Door bijvoorbeeld Twitter en Facebook kunnen de kiezers ‘persoonlijk’ contact hebben met de politici. In deze zin is de ontwikkeling van informatie- en communicatietechniek goed voor de parlementaire democratie. Tenminste als je ervan uitgaat, dat de kiezer een politicus kiest gebaseerd op het vertrouwen dat de politicus om de juiste morele keuzes te maken.

Gelijkwaardig of gelijk? Maar of politici op die basis worden gekozen, is afhankelijk van het discours omtrent het gelijkheidsprincipe waarop de parlementaire democratie is gebaseerd. Er zijn op dit moment twee soorten discours die spelen rond dit principe. Het eerst discours is dat van gelijkwaardigheid. Dit is samen te vatten in de gedachte dat iedereen het recht heeft om invloed uit te oefenen op de wijze waarop hij/zij bestuurd wordt. Alleen geeft het volk het vertrouwen, om de juiste keuzes te maken, aan de politici. Het volk houdt wel de controle over de politici door zicht te houden op basis waarvan zij hun keuzes maken. Daarmee accepteert het volk dat zij niet de expertise heeft om te beoordelen of de feiten juist zijn (en gaat er dus vanuit dat de feiten waarover consensus bestaat juist zijn), maar wel om te bepalen of de morele overwegingen de juiste zijn. Politici worden in dit geval beoordeeld op hun morele onderbouwing van keuzes en politici kunnen dan dus ook worden aangesproken op hun persoonlijke moraliteit. In dit discours zijn politici en

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3

19


het volk gelijkwaardig maar niet gelijk. Niemand heeft meer recht dan de ander om te besluiten wat goed is, want beide hebben hetzelfde vermogen tot moraliteit. Politici krijgen echter het vertrouwen om de keuzes te maken omdat zij meer informatie hebben. Het andere discours is samen te vatten in de gedachte dat iedereen evenveel bepaald hoe hij/zij geregeerd wordt. Het is een discours van gelijkheid. Iedereen is hetzelfde. Dit verschilt van het andere discours doordat het de waarde van de expertise ontkent. Het gaat ervan uit dat elke mening over elk onderwerp even zwaar moet wegen voor de uiteindelijke besluitvorming. Dit degradeert politici van experts naar uitvoerders. Politici moeten dezelfde keuze als hun kiezers maken. Hieruit volgt dan dat ‘omdat het volk het wil’ een argument wordt voor een keuze van een politicus. Politici worden ontslagen van hun morele verantwoordelijkheid. Ze worden niet meer beoordeeld op hun persoonlijke moraliteit maar op hoe goed ze kuddegedrag vertonen. De volksvertegenwoordigers hoeven hun persoonlijke moraliteit ook niet meer openlijk te verdedigen en zijn daarom weinig aanspreekbaar op hun moraliteit. Dit is het discours van het populisme, het letterlijke ‘het volk regeert’. Een extreem voorbeeld dat dit discours pur sang vertegenwoordigt, is de aspirant-partij ‘De Stem van Jezelf’, die in de aanloop van de verkiezingen van 9 juni 2010 verscheen. Het idee achter deze partij was heel simpel. Met behulp van de nieuwste communicatietechnieken kon men op de website van de partij stemmen over Kamerkwesties. De Kamerleden van deze partij zouden dan precies zo stemmen als er uit de stemming op hun website kwam. De procentuele uitkomst van die stemming zou dan zo exact mogelijk gekopieerd worden door de parlementariërs van de partij. Dus als tien procent van de kiezers voor stemde op de website, zou een op de tien Kamerleden van de partij ook voor stemmen. Hiermee zou het volk dus direct bepalen welke keuzes er gemaakt zouden worden in de Kamer. Elke mening zou even zwaar tellen, zonder enig belang te hechten aan expertise of de moraliteit van de keuze, want de massa heeft, in tegenstelling tot het individu, geen moraliteit. Zo lang de individuen opgaan in de groep, lijkt niemand moreel aansprakelijk. De partij ‘De Stem van Jezelf’ heeft het overigens niet gehaald om op tijd klaar te zijn met de procedures die nodig zijn voor het oprichten van een partij. Het idee dat het volk direct zou moeten regeren wordt wel hoog gehouden in de Kamer door bijvoorbeeld Geert Wilders. Henk en Ingrid willen hun geld niet uitgeven aan Griekenland, volgens Wilders, dus moet de regering dat ook niet doen. Het maakt hem niet uit wat er door de experts wordt gezegd of dat er geen moraliteit in dit argument zit.

Was dit het nieuws? Dit egalitaire discours ligt ook ten grondslag aan het ontstaan van nieuwe communicatietechnieken als nieuwsbron. Twitter is hier een goed voorbeeld van. Er is hierbij geen sprake van een voorpagina of controle zoals in de traditionele journalistiek gebruikelijk is. Elk nieuws is even belangrijk en het maakt niet uit of er een kern van waarheid in zit. Iedereen, en elke mening, is gelijk. Hierdoor wordt het werk van journalisten

20

overbodig. Dat lijkt goed omdat hun taak het informeren van het volk was en het volk kan nu zichzelf informeren. Maar hierbij wordt ook weer het belang van expertise verwaarloosd. Journalisten worden getraind om kritisch te kijken naar de informatie die ze ontvangen en om die informatie te duiden. Ze geven hiermee een extra laag aan het nieuws waardoor mensen in ieder geval beter begrijpen waar bepaalde uitspraken vandaan komen. Dit maakt het beoordelen van politici makkelijker. Men krijgt namelijk niet alleen te horen wat ze zeggen, maar ook de geschiedenis die leidt tot die uitspraak. In deze laag zijn ook vaak de morele keuzes te vinden. Juist deze laag mist Twitter-nieuws meestal. Sonja Barend lijkt een oude garde binnen de journalistiek te vertegenwoordigen die de duidende en controlerende taak van de journalistiek uitdroeg. Ze staat voor een tijdperk waarin journalisten belangrijker werden geacht dan tegenwoordig. Uit een tijd waarin hun expertise belangrijk werd geacht. Maar dat was dan ook een tijd waarin men niet tegen het discours van gelijkheid op hoefde te boksen en dus geen concurrentie had van Twitter. In dat tijdperk gaf Pierre Bourdieu twee lezingen over de invloed van televisie op het politieke en journalistieke veld. Volgens Bourdieu hebben journalisten een ondergeschikte rol in het veld van culturele productie, het veld van beeldvorming en dus van politiek. Maar ze hebben wel degelijk macht, omdat journalisten de middelen van publieke uiting controleren, ofwel ze controleren de middelen voor de politici om exposure te krijgen. Journalisten controleerden volgens Bourdieu dus het punt waar informatie uitgewisseld werd tussen politici en de kiezers. Tegenwoordig zijn mensen van mening dat ze via Twitter ook wel goede informatie kunnen vinden, met als gevolg dat politici niet meer afhankelijk zijn van journalisten. Dit zou een oorzaak kunnen zijn voor het feit dat Witteman tegenwoordig onderhandelingsjournalistiek bedrijft. Hij moet meer moeite doen om een goede relatie met de politici te onderhouden dan Barend hoefde te doen.

Nieuwe technologie: goed of kwaad? De technologische ontwikkelingen hebben nu een negatief effect op onze democratie. Politici krijgen de mogelijkheid om verantwoordelijkheid voor morele keuzes te ontduiken. En het journalistieke veld verliest macht en kwaliteit. Maar belangrijk is om te beseffen dat dit niet een intrinsiek gevolg van technologische ontwikkeling is. Alles staat en valt bij het heersende discours, want in een veld waar moraliteit niet loont, zal geen moraliteit te vinden zijn (Bourdieu 1998: 56). Als er een discours heerst dat het belang van moraliteit ontkend, dan zal er dus in dat veld geen moraliteit zijn. Dit is dus niet het gevolg van technologische ontwikkeling. Momenteel heerst er een dergelijk discours in het Nederlandse publieke veld. Moraliteit speelt een minimale rol, terwijl we politici juist op hun persoonlijke moraliteit zouden moeten beoordelen.

Bourdi eu, P. 1998 On Television. London: T h e New Press.

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3


Culinair

Een vacuüm broodje hamburger speciaal voor monsieur? CULinair

Kooktabel voor vacuümgaren Gebraden lamsbeen 70mm, > 56 graden, 18-48 uur Spare ribs 50mm, 80 graden, 24-72 uur Appel plakjes, 83,5 graden, 1-8 uur Hardgekookt ei in de schaal, 71 graden, 45min-1,5 uur

Do o r C h ar l ot te Reeker s en Goss e Vu i j k

Het restaurant El Bulli, dat nu tijdelijk gesloten is, wordt wel het beste restaurant ter wereld genoemd. Van heinde en verre kwamen mensen naar Noord- Oost Spanje om de culinaire hoogstandjes van chef-kok Ferran Adrià Acosta te proeven. Één van de redenen voor het grote succes van El Bulli is de ‘wetenschappelijke’ manier van koken. Bij El Bulli wordt er namelijk sous-vide gekookt en dit wordt door de top van de culinaire wereld beschouwd als een van de beste kooktechnieken ter wereld. Wat houdt het precies in, sous-vide koken? Het belangrijkste verschil met ‘gewoon’ koken is dat de producten vacuüm worden verpakt voordat ze worden bereid. Op die manier blijven de smaak en textuur van de producten beter behouden. Dit leidt er toe dat eigenlijk alles wat op de ‘sous-vide manier’ bereid is, lekkerder is dan wanneer hetzelfde product op een ‘gewone’ manier bereid is.

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3

B eeld E vite Ancarola

Tenminste, dat is wat de culinaire wereld vindt: El Bulli heeft drie Michelinsterren. Hoewel er niet over smaak te twisten valt, zegt het toch veel over mensen. Zo komt onder andere de klassenachtergrond van mensen naar voren in hun smaak. Bourdieu beschreef in zijn boek ‘Distinction’ dat de upper-class zich van de lower-class onderscheidt door een highbrow smaak te ontwikkelen terwijl mensen uit de lowerclass een lowbrow smaak zouden hebben. Een voorbeeld hiervan is het verschil in eetgewoonten. Vroeger at de Franse adel bijvoorbeeld graag kikkerbilletjes, terwijl de lagere klasse daarvan walgde. Zoals Johnston en Baumann aangeven in hun artikel ‘Democracy versus Distinction: A study of omnivorousness in Gourmet Food Writing’ (2007), is het onderscheid tussen de hogere en lagere klasse tegenwoordig niet meer zo gemakkelijk te maken op basis van productkeuze. Door de opkomst van de meritocratie zou de smaak van de hogere klasse zijn veranderd. De grens tussen de hogere en lagere klasse is tegenwoordig meer poreus en daardoor is de culturele grens tussen beiden dat ook geworden. De hogere klasse eet nu naast Franse delicatessen ook hamburgers, maar onderscheidt zich van de lagere klasse door te ‘weten’ welke hamburger het lekkerste is. De lagere klasse ontbeert het aan dit cultureel kapitaal. Dat zou een verklaring kunnen zijn voor de populariteit van het sous-vide koken. Op deze manier worden ‘normale’ gerechten lekkerder gemaakt dan bij een willekeurig ander restaurant. Iemand die begrijpt dat een broodje hamburger bij El Bulli lekkerder is dan één van snackbar ‘Hannie’, laat daarmee zien over het juiste culturele kapitaal te beschikken om bij de top van het ‘veld’ te behoren. Volgens Bourdieu is dat uiteindelijk toch waar we allemaal naar streven.

21


English

Tintin and the Colonial Curse

The notion of disease in The Seven Crystal Balls and Prisoners of the Sun

In the late 1940s, the Belgian comics writer Hergé wrote the Tintin albums The Seven Crystal Balls (1948) and Prisoners of the Sun (1949), which together form one adventure set in Belgium and in the Andes. This story starts with a Belgian archeological expedition discovering an Inca mummy. After they take the mummy to Belgium, all members of the expedition become the victim of a unknown, terrible disease. Resembling the early 20th century discourse of ‘the Curse of Pharaoh Tutankhamen’, this double album tells us something about Hergé’s perspective on the Other: the Other as someone the Self should not encounter. D oor Zwaa n Lak maker

The Seven Crystal Balls and Prisoners of the Sun are marked by the extensive research Hergé did to authenticate his story, from the scenes in Belgium to the culture of Peru – both contemporary and Inca. The journal of a journey to Peru of 1882 was Hergé’s main source from where he got acquainted with both the lifestyle and history of the Incas, and got images he used as models for his drawings (ibid.: 10-12). But in the key scene of Prisoners of the Sun, Hergé makes a fundamental mistake. The clue of the adventure is that the reporter Tintin makes the Inca’s, who have taken Tintin and his friends professor Calculus and captain Haddock as prisoners, believe that he can instruct their Sun God to give a sign to show that he does not approve of the executions of the Belgians. Having read this in a newspaper, Tintin knew there would be an eclipse of the sun. The eclipse terrifies the Inca’s, who let Tintin and his companions free. Writing this, Hergé crucially underestimated the knowledge of the Inca’s. In real life, the Inca’s knew very well when eclipses were about to happen, as they had much knowledge of astronomy. Three decades later, Hergé states he would definitely rewrite that scene if possible: “Because in the course of years I have gotten more and more regards for the Other. And here the Other, in this case the Inca people, would never have made such a blunder” (1977, as cited in Peeters 1991: 12). Saying this, Hergé indicates that in the time he wrote The Seven Crystal Balls and Prisoners of the Sun his regards for the Other were not as high as his regards for the Self. Although the Quechua and Inca Indians in the albums are not as stereotypically represented as the Congolese people in Hergé’s first full-color album, Tintin in Congo, there are more signs in the two albums that reveal Hergé’s inner, perhaps latent, ideas on the Other. In this essay I will focus on The Seven Crystal Balls and Prisoners of the Sun, with a focus on the first: how are Hergé’s ideas on the Other represented in The Seven Crystal Balls and Prisoners of the Sun? How does Hergé use the notions of disease?

22

Colonial infection – the notion of disease The story begins with the returning of an expedition of Belgian archeologists from Peru and Bolivia. They have discovered several Inca tombs, one of them containing an Inca mummy called Rascar Capac, which they bring back to Belgium (Hergé 1975 [1948]: 1). After a few days, all seven members of the expedition are attacked by a mysterious illness: they fall into a coma, awake every day at a certain time in terrible agony, only to fall into a coma after a few minutes again. First it is uncertain whether this is a new epidemic or a kind of curse that will only strike the members of the expedition. Tintin thinks back to the moment he first read of the expedition returning to Belgium, when a man sitting next to him in the train warned him for the consequences the stealing of the mummy could have (ibid.: 17). Tintin and his companions try to prevent the last scientists from being attacked, but they are unsuccessful: all expedition members have become a victim. They do discover that the illness arises after a crystal ball is secretly thrown at the victim. So it is no revenge by the ghost of Rascar Capac. Neither is it a coincidence that only the members of the expedition are victims: it is a kind of biological terrorism. The crystal balls contained something that contaminated the victims immediately after contact. It is no revenge of the mummy himself, but revenge in name of the mummy, by humans, as is pointed out by Hugo Frey (2004: 179-180). Doctors cannot figure out what is actually causing the illness. They do all they can to find out what is happening to the seven cursed people (Hergé 1975 [1948]: 49). The best doctors and scientists are taking care of the victims, but it does not help. That science cannot help in this case is disturbing, but the fact that the mysterious disease is coming from a once colonized country, is even more frightening, states Frey (2004: 180-181). When Tintin enters the ward he is devastated by what he sees

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3


Picture 1 : T i nt i n e nter s t h e war d. Fro m Th e Seven Cr ystal Bal l s by Herg é (1975 [1948]: 49)’ .

(see picture 1). Frey points out that Hergé lays much emphasis on this scene (2004: 181): “Breaking from the traditional 10–12 mini-frame text and drawings per page of a classic bande dessinée, the reader is treated to a third-of-a-page rectangular image of the hospital, the suffering ethnographers, perplexed orderlies and nurses attempting to restrain the patients. (…) It is entirely visual, with Tintin and Milou [the French name of Snowy, Tintin’s dog, ZL] placed at the front of the ward, looking inwards, sharing the position of the reader and thereby drawing in the reader. Tintin’s only speech comes in the form of a single question mark (‘?’), in black font contrasting the blues, whites and greys of the medical uniforms and the pyjamas worn by the patients.” The notion of disease thus is a very important element of the atmosphere of The Seven Christal Balls. A colonial infection has contaminated the people who have invaded a holy grave of the Inca’s. The public fear for the disease the seven scientists suffer from tells a lot about the perspective of Hergé of the Other: as Hergé pointed out later, he did not have that much regard for the Other in the years when he wrote The Seven Crystal Balls and Prisoners of the Sun (Hergé 1977, as cited in Peeters 1991: 12). When looking more closely to the meaning of disease in these two albums, it can be stated that Hergé actually fears the Other. David Sibley explains the role disease plays in defining the Self and in the construction of stereotypes (1995: 24). Disease points to imperfection and makes people fear for contamination. The most dangerous part of disease is that it can threaten personal, local and national boundaries. It can cause dissolution, which, very frightening, can result in the collapse of the own community, in social disintegration: ‘Thus, the ‘diseased other’ has an important role in defining normality and stability’ (ibid.). In the case of Tintin, it is not the Other that is diseased, and can thereby contaminate, but the Self is contaminated by a healthy Other – as a means of vengeance. That is what is threatening

the most for Tintin and his compatriots. But it comes down to the same point: by making contact with the Other, contamination will occur. Metaphors of disease were characteristic of scientific discourses in the nineteenth century that used science in support of racist thoughts. The idea was that contamination led to being diseased, which meant being imperfect. Diseases were transferred from the Other to the Self. Therefore, contact with others was seen as something dangerous. The fear for disease was thus a code for the fear of mixing with other people (ibid.: 24-25).

Boundaries of Self and Other That the colonization of other people was a danger for the purity of the self was well known by colonizers (Bhabha 1994): inherent to colonization is the decrease of the natural selfassurance of the colonizers. Colonized people are encouraged to learn about the culture and values of their colonizers. Therefore, by the constructing of a colonial culture, the colonizers admit that culture is a set of signs, which can be repeated by the colonized. A culture is not something essential or superior that can never be achieved somewhere else. Bhabha calls this colonial mimicry: “… the desire for a reformed, recognizable Other, as a subject of a difference that is almost the same, but not quite (ibid.: 122).” Not quite, because it is not in the interest of the colonizers that the people they dominate resemble them so much that their pretext for domination is questioned. While the act of colonizing is something that exists of very clear boundaries – we are dominating and colonizing you – the boundaries become fused immediately: by colonial mimicry, the superiority of the colonizing group can be questioned. Boundaries are fading here, mixing between cultures can occur. In this sense, colonization can form a threat for the colonizing nation. This form of feeling threatened by colonization out of fear for mixing is what Taguieff calls mixophobia (1994: 98, cited in Frey 2004: 183). This fear is a way of protecting the nation: by deci-

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3

23


When foreigners invade their sacred temples again, they take revenge

ding not to mix or to interfere with other people, the nation will be, so is believed, kept from harm (ibid.). It is a combination of nationalism and a critique of colonialism, or imperialism. Here the man in the train who is sitting next to Tintin becomes relevant again. He is an example of this mixophobia. As an anonymous figure (he is not introduced, nor comes back in later parts of the story) he plays a specific role in the story: as the very first character in the album talking to Tintin, he sets the framework for both The Seven Crystal Balls and Prisoners of the Sun (see picture 2)(ibid.: 1). By referring to the perceived curse that stroke the discoverers of the tomb of Pharaoh Tutankhamen, he already warns the reader - and Tintin – that something terrible is about to happen. By referring to the absurdity of the case – “What would we say if the Egyptians or the Peruvians came over here and started digging up our kings!” he blames the scientists for causing trouble. He holds the opinion that interfering with other peoples’ cases will do nothing good. And it turns out that this is indeed the case: an illness strikes seven people and no scientist can cure them. The expedition to Peru and Bolivia has, as the man in the train already pointed out, resemblances with the expedition that discovered the tomb of Pharaoh Tutankhamen in Egypt in 1922.

Vengeance of the colonized In 1922, the team of Howard Carter did archeological research in Egypt in search for the tomb of Pharaoh Tutankhamen. They discovered a nearly intact tomb, with a beautiful sarcophagus containing the mummy of the Pharaoh. The discovery became world news. But soon a British sponsor of archeology in Egypt, Lord Carnarvon, died. Although already very ill before he first set foot in the tomb, newspapers from all over the world immediately referred to the Curse of the Pharaoh’s (James 2006). At the same time, it was well known that scientists declared that

24

there could be no curse. More deaths of people connected with the expedition followed in the following years, but most of the crew did not die until their elder years (ibid.: 426). Why, then, did this rumor of a curse emerge? Why did people believe in a vengeance of the old Egyptians? There are reasons to believe that archeological research in grave tombs – both the tomb of Tutankhamen as the tomb of Rascar Capac – is unwanted for the people who are buried there. When translated to the own situation, desecration of graves is perceived as a very harsh crime. As the man in the train next to Tintin said: “… why can’t they leave them in peace?...” (Hergé 1975 [1948]). There are no relatives of the old Pharaohs alive that can take be angered by the grave digging, but that did not stop people from believing in a curse of the spirits. But in The Seven Crystal Balls and Prisoners of the Sun, there are relatives of the old Inca’s alive – and they are the ones who have contaminated the scientists. As a means of resistance, the Inca’s who are still living in Peru have created a means of revenge after the stealing of the mummy. They could not resist the Spanish colonizers of the 16th century, but when foreigners invade their sacred temples again, they take revenge. One could state that in the nature of archaeology and anthropology lies the possibility of angering the people of the researched society. This counts in a lesser degree for anthropologists, but also they can highly influence the place of research by their presence. The work of archeologists often leaves a bigger foot print. Grand discoveries of remains of the past change the particular place. An example is the ruin of Machu Picchu, which is affected by the excessive high amount of tourists visiting the Inca city. In the past, archeologists and anthropologists have contributed to the force of colonial powers with their knowledge (Kohl and Fawcet 1995; Evans-Pritchard 1948). By extracting scientific knowledge from colonized countries, they immediately hel-

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3


Picture 2 : t h e ano ny mo us ma n in t he t rain set s th e f ram ework for both T h e Seven Cr ystal Bal l s and Prisoner s of the S u n. Fro m T h e Seve n Cr yst a l B alls by H erg é (1975 [1948]: 1) ped the colonizer dominating the colonized people. By doing research in countries that are not ‘their own’, such as (former) colonies, archaeologists transgress borders of time. They do not let the past rest, but take it to the surface- and often to the home country of the archaeologists, as is the case in The Seven Crystal Balls. The Inca’s in The Seven Crystal Balls and Prisoners of the Sun did not want their old, sacred temples to be discovered. The transgression of time is one of the reasons why the Inca´s came in resistance against the Belgian scientists. Besides the transgression of time, transgression of place is also taking place. This also happens during anthropological research: foreign scientists conduct research in a place they have nothing to do with in the first place. The gaining of knowledge of the Other can be seen as a colonial act – even though the Belgian scientists in The Seven Crystal Balls were acting in a post-colonial setting.

Conclusion Although the Other in The Seven Crystal Balls and Prisoners of the Sun is not put down as inferior to the Self, there is still a strong notion of the Other as a potentially dangerous figure. The entire adventure is framed by the warning words of the man in the train next to Tintin, who points out, before the first signs of a potential curse, that it is no good to interfere with other peoples’ business. When the first victims of the vengeance of the Inca’s fall, Tintin thinks back to the words of the anonymous man. The disease the seven members of the expedition suffer from is made by humans, but contains something supernatural. The only way the curse is lifted is after Tintin asks the Inca’s for it in Prisoners of the Sun (Hergé 1977 [1949]). The revenge of the Inca’s is very powerful: the Belgians cannot solve it by themselves. By interference, boundaries that distinguish the Self from the Other can become unclear. The illness the Other contamina-

tes the Belgian scientists with, is a threat to the superiority of the Belgians. Hergé uses the anonymous man in the train to frame the story in an idea of mixophobia, the fear for mixing with other people. This mixophobia is a form of anti-imperialist nationalism: not interfering with others – so not to dominate or colonize the Other either – is seen as the best for the nation. It becomes clear, therefore, that Hergé, is no supporter of colonialism – as is often thought by readers of the first Tintin album, Tintin in Congo. Bh abh a, Hom i K. 1994 Th e Location of Cultur e . New York: Routl edg e Eva ns- Pri tc h ard, E. E. 2005 [1940] Th e Nuer : A D escri pti on of the Modes of Li vel i h ood and Pol i ti cal Insti tutions of a Ni l oti c Peopl e. Ox ford: Cl arendon Press. Frey, Hug o. 2004 Contag i ous col oni al di seases i n H ergé’s T h e Adventures of T i nti n. Moder n and Contempor ar y Fr ance: 1 2[2]: 177–1 88. Herg é. 1975 [1948] Th e S even Cr y s tal Balls . London: Ma g net. 1977 [1949] P r isoner s of th e S un . Boston: Little , Brown and Com pany. Jam es, T. G. H. 2006 Howard Car ter. Th e path to Tutankha mun. L ondon: Tauri s Parke Paperbac ks. Koh l , Ph i l i p L. and Fawcett, Cl are P. 1995 Nationalism, politics, and th e pr ac tice of ar ch aeolog y . Cam bri dg e: Cam bri dg e Univer sity Press. Tag ui ef f , P. 1994 S ur la Nouvelle D r oite. Pari s: D escar tes. Si bl ey, D av i d. 1995 G eog r aph ies of exclusion . Soci ety and D i f ference i n th e West. London and New York: Routl edg e.

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3

25


Um ber to B oc c i oni ‘U ni eke Vor m en van Cont i nuï tei t ( 191 3)

Articul

ArtiCul

Onvermijdelijke identificatie van mens met motor Technologie en geweld in het futurisme Do o r Z waan Lak m aker

In het begin van de twintigste eeuw ontstond in Italië de modernistische kunststroming het futurisme. Ideeën over hoe de toekomst moest worden uitten zich in literaire manifesten, schilderijen, beeldhouwwerken en geluidsinstallaties. De stroming vormde een tegenreactie op de romantiek en was een uiting van frustraties over de langzame ontwikkeling van Italië. Het enige wat op waardering kon rekenen waren mechanica, jeugdigheid, snelheid en geweld.

26

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3


Gi aco m o B al l a ‘Dyna miek va n e en ho nd aan een l i j n’ (191 2)

Een eeuw geleden legde de Italiaanse schrijver Filippo Tomasso Marinetti (1876-1944) met het schrijven van het eerste Futuristisch Manifest de basis voor de kunststroming het futurisme. Vol passie zweert het Futuristisch Manifest alles af wat oud is en prijst het de schoonheid van het moderne stedelijke leven. Het industrialisme wordt omhelst, technologische innovaties in oorlogsvoering idem dito. Het futurisme behelst niet alleen de kunst, maar is ook een sociale beweging. Voor veel futuristen betekende de waardering van kracht en geweld ook een interesse in het fascisme, de dominante politieke stroming in Italië begin twintigste eeuw.

Oorlog en vernietiging In futuristische kunstwerken werd op verschillende manieren vormgegeven aan de ideeën van de futuristische manifesten. De esthetisering van geweld en oorlog komt treffend naar voren in het beroemde beeld van Umberto Boccioni (1913), ‘Unieke Vormen van Continuïteit in Ruimte’. De kracht en snelheid van een krijger worden vormgegeven door de combinatie van grove vormen en gladde lijnen. Het glimmende brons geeft de man een

sterke uitstraling. Het is de uitbeelding van de futuristische mens, een Übermensch door schoonheid, gewelddadigheid en techniek. Nog sterker komt het ideaal van oorlog naar voren in Boccioni’s schilderij ‘De Aanval van de Lansier’. Dit schilderij verbeeldt een oorlogsscène waarin een ruiter met een lans vecht tegen soldaten met geweren. Het geeft de gewelddadige confrontatie tussen het verleden en het moderne weer. De basis van het futurisme ligt in de sociale en politieke crisis waarin Italië in het begin van de twintigste eeuw verkeerde. Italië was nog geen vijftig jaar een eenheid, en de Industriële Revolutie was pas net begonnen. Het futurisme paste in het nationalistische discours van oorlog en vernietiging als manier om een wereldmacht te worden. Op gewelddadige wijze diende het verleden afgeschud te worden. De achtergesteldheid van Italië ten opzichte van West-Europa was een doorn in het oog van Marinetti. Hetgeen waarom zijn land geprezen werd, werkte volgens hem als een belemmerende factor en moest vernietigd worden: de kunstschatten uit de Romeinse tijd en de Renaissance. De Italiaanse cultuur moest grondig herzien worden.

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3

27


Titel intro D oor

U m b e r to B o cci oni ‘De A anval va n de Lansier’ (1915)

Vernietiging van cultureel erfgoed Oorlog is, aldus Marinetti, “‘s werelds enige hygiëne”1, waarmee een doorstart gemaakt kon worden naar een nieuwe sociale en esthetische wereldorde. Futuristische kunst moest uitdrukking geven aan ‘de versnelde polsslag van het moderne leven’. Voor een nieuw tijdperk van Italiaanse grandeur zijn de waarden van snelheid, vernietiging en geweld noodzakelijk, aldus het eerste manifest van Marinetti. Het manifest behandelt de vernietiging van Italië’s erfgoed op literaire wijze: “Vanuit Italië slingeren wij ons manifest vol meeslepende en geestdriftige heftigheid de wereld in, waarmee wij vandaag het futurisme oprichten, want wij willen dit land bevrijden van het kankergezwel van professoren, archeologen, reisleiders en handelaren in oude boeken. Al te lang is Italië al een rommelmarkt. Wij willen het van de ontelbare musea bevrijden die het als talloze begraafplaatsen geheel en al bedekken. (….) Eenmaal in het jaar kunt u daarheen een pelgrimage maken, zoals men op Allerzielen naar het kerkhof gaat, dat sta ik u toe. Eens in het jaar mag u een boeket bloemen voor de Mona Lisa neerleggen, dat sta ik u toe. Maar ik sta niet toe dat men dagelijks in de musea ons armzalig bestaan, onze gebrekkige moed en onze verkrampte onrust uit wandelen stuurt. Waarom wil men zich vergiftigen? Waarom wil men verrotten?”2 Er is een grote verscheidenheid aan kunststijlen binnen het futurisme. Het kernconcept bij iedere vorm van futuristische kunst is simultaneïteit. Om snelheid te kunnen vastleggen, worden verschillende gebeurtenissen (bewegingen) tegelijkertijd afgebeeld. Onder andere Umberto Boccioni (1882-1916) en Giacomo Balla (1871-1958) geven uiting aan het moderne, industriële, en dynamische leven

28

in hun schilderijen. De snelheid van auto’s, wielrenners, paarden en honden wordt duidelijk door het simultaan afbeelden van bewegingen. In de jaren voor de Eerste Wereldoorlog waren de meeste futuristen gefocust op machines als middel van vooruitgang. Paradoxaal genoeg geeft Marinetti in zijn teksten de voorkeur aan de negentiende-eeuwse, praktische term macchine (machines) boven het modernere, meer conceptionele tecnologia (technologie) of tecnica (technieken), aldus Katia Pizzi3 (2009). Ondanks hun gebrekkige technologische kennis kreeg het futurisme na de Eerste Wereldoorlog een nog technologischer inslag. Het gebruik van technologische oorlogsmiddelen was een stimulans voor een preciezere reflecties op machines, waarbij de esthetiek van machines werd geconceptualiseerd.

Mechanische schoonheid Een belangrijk concept dat Marinetti in zijn manifesten gebruikt is het ideaal van mechanische schoonheid, zo bespreekt Anne Bowler4. De mechanische schoonheid symboliseert de waarden van snelheid en technologische innovatie5: machines, in dit geval de auto, hebben een erotische lading. Met name het geluid van de auto is hier erg belangrijk. Door de erotisering van de machine kan de futurist de Romantische notie van vrouwelijke schoonheid overstijgen, ten bate van een nieuwe kunststijl die het moderne leven weergeeft én verandert. Bowler beschrijft hoe het futuristische discours begint als een poging om de relatie tussen mens en technologie opnieuw vorm te geven, maar uiteindelijk de vorm aanneemt van de esthetisering van technologie, macht en dood. Of, zoals Marinetti schrijft: “We gingen naar de drie ronkende beesten, om liefdevolle handen te leggen op hun verzengde borst. Ik rekte me uit op mijn auto als een lijk op zijn baar, maar herleefde plots onder het stuurwiel, een guillotineblad dat mijn maag bedreigde.”6

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3


Het futuristisch idee van mechanische schoonheid blijft niet beperkt tot het opnieuw conceptualiseren van een schoonheidsleer die gebaseerd is op nieuwe technologie. Het is ook een poging tot het opnieuw creëren van natuur en menselijke natuur door de esthetiek van snelheid. Marinetti gaat uit van de “onvermijdelijke identificatie van mens met motor (ibid.)”. Er moet, aldus Marinetti, een niet-menselijk type gecreëerd worden, een type dat geen moreel lijden, goedheid, affectie en liefde kent. Dat is namelijk vergif voor de onuitputtelijke levensenergie, “verstoorders van onze machtige lichaamselectriciteit (ibid.)”. Marinetti’s politieke oriëntatie was sterk beïnvloed door zijn ideeën over schoonheid. Hij was een groot bewonderaar van Italië’s sterke leider Benito Mussolini:

Het is de futuristische mens, een ‘Übermensch’ door schoonheid, gewelddadigheid en techniek. in Marinetti’s ‘Portret van Mussolini’ uit 1929 komt duidelijk naar voren hoe Mussolini volgens hem symbool stond voor de triomf van de futuristische- fascistische revolutie. Deze revolutie zag Marinetti voor zich als een revolutie waarbij een nieuw “proletariaat van genieën”, een elite van futuristische kunstenaars en intellectuelen, de macht heeft.7 Over de futuristische mens zegt Marinetti: “Dit niet-menselijke en mechanische wezen, geconstrueerd voor een alomtegenwoordige snelheid, zal van nature wreed, alwetend en strijdbaar zijn”.8 De ideologie achter het futurisme was geen loos gepraat. Zo was Tomasso Marinetti nauw betrokken bij

het aan de macht komen van Benito Mussolini en gingen veel futuristen bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog het leger in. Het in de praktijk brengen van het verheerlijken van geweld werd echter de ondergang voor een aantal van de stroming’s belangrijkste kunstenaars. Zo stierf Umberto Boccioni, slechts een jaar na het schilderen van ‘Aanval van een Lansier’, tijdens een militaire oefening in 1916 door de val van een paard. Futuristische kunst heeft echter niet altijd met technologische innovatie of geweld te maken. Een onschuldig voorbeeld van futuristische kunst is Giacomo Balla’s ‘Dynamiek van een hond aan een lijn’ (1912) , waarbij de snelheid van hondenpootjes en de voeten van het baasje op treffende wijze zijn geschilderd.

1 Bron en vertaling: http://www.digischool.nl/ckv2/ moderne/moderne/futurisme/futurisme2.htm 2 Bron: ibid. 3 Bron: Katia Pizzi: Dancing and Flying the Body Mechanical. Five Visions for the New Civilisation.The European Legacy (2009) 14 (7):785-798. 4 Bron: Anne Bowler: Politics of Art. Italian Futurism and Fascism. Theory and Society (1991) 20: 775. 5 Bron: Tomasso Marinetti: Vermenigvuldigde man en de regering van de machine (1909). 6 Bron: Tomasso Marinetto 1909: 40, geciteerd in Bowler 1991: 775, eigen vertaling. 7 Bowler 1991: 775-776. 8 Bron: Marinetti 1909: 40, geciteerd in Bowler 1991: 776, eigen vertaling.

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3

29


Column

Scheiße Touris! Berlin liebt dich nicht! Afgelopen lente verscheen de leus opeens op Facebook. Aanleiding was de discussieavond die vlak daarvoor in Kreuzberg, een stadsdeel van Berlijn, had plaatsgevonden: Hilfe, die Touris kommen! D o or A nne ma ri e Sterk Tijdens de discussieavond beklaagden de inwoners van het stadsdeel zich over de enorme toeloop van toeristen naar de Duitse hoofdstad en over de negatieve effecten die dat zou hebben op hun leefomgeving. Vooral de toeristische feestgangers moesten het ontgelden: ze zouden teveel lawaai maken, teveel rotzooi en, misschien wel het belangrijkste, ze zouden de Berlijners zelf verdrijven uit hun lievelingsplekken. Geen enkele Berlijner wil namelijk op plekken gezien worden waar veel toeristen zijn en verplaatst zich daarom steeds door de stad, op zoek naar nog ‘onontdekte’, hippe oorden. Vele bars, restaurants en clubs hebben ze al moeten ‘prijsgeven’ aan de gulzige, feestende toerist. De toon van de Berlijners is dus allesbehalve matigend tegenover de Touris en op de Facebookpagina van ‘Berlin liebt dich nicht’ wordt dat nog eens bevestigd: Scheiß Touris! Boah, ich steh auf, geh vor die Tür und hör schon wieder englischquatschende Leute. Ich konnte kotzen! (Klote toeristen! Bah, ik sta op, sta voor de deur en hoor weer Engelssprekende mensen. Ik zou wel kunnen kotsen!) De organisatoren van de discussieavond en de maker van de Facebookpagina zijn dus geen uitzonderingen: het lijkt alsof er in de gehele stad een anti-toeristen sentiment hangt, zij het dat de een dat wat heftiger formuleert dan de ander. Het antitoeristen sentiment is ook de Amsterdammer niet onbekend: talrijk zijn de grappen over mensen uit de provincie, groot de irritatie over toeristen die zich per fiets over de Amsterdamse grachten bewegen. In de Damstraat wordt regelmatig de strijd om de straat tussen fietsers en toeristen ‘uitgevochten’; luid met de fietsbel rinkelend worden onwetende bezoekers van de hoofdstad vaak maar op een haar na ontweken. Toeristen op de fiets worden waar mogelijk nog minder ontzien: uitkijken zullen ze, en doorfietsen. Verder geen Amsterdammer die uit eten gaat op het Damrak of zich op een zaterdagmiddag aansluit in de rij voor het Anne Frank huis.

Daar waar de toeristen komen, verandert de situatie onherroepelijk In zowel Amsterdam als Berlijn bestaat er dus een soort algemene afkeur van de toerist: het liefst blijft de hoofdstedelijke bewoner zo ver mogelijk van de toeristische massa vandaan. Variërend van heftig tot sarcastisch is de mening in ieder geval onvriendelijk. Dat is opmerkelijk; ondanks de anti-toeristen stemming is Berlijn een van de grootste toeristentrekkers van Europa, na Londen en Parijs. Ongeveer acht miljoen toeristen per jaar bezoeken de stad. Vooral de clubscene is populair bij de veelal jonge toeristen. Berlijn is voor een groot deel financieel afhankelijk van de toeristen die naar de stad komen; ze

30

brengen veel geld in het laatje van de stad die jarenlang een enorme schuldenlast had; niet voor niets was het motto van Berlijn ‘arm aber sexy’. Het lijkt tegenstrijdig dat de hoofdstedelingen zo negatief zijn over de bezoekers van hun stad terwijl ze eveneens afhankelijk zijn van wat laatstgenoemden besteden. Tegelijkertijd is dat het ook niet. De hedendaagse toerist is continu op zoek naar een ‘authentieke’ ervaring tijdens de vakantie: het ‘echte’ Berlijn of Amsterdam beleven en, naar het bekende gezegde, doen zoals de locals doen. Hetzelfde eten, dezelfde winkels bezoeken en in dezelfde cafés hangen. Het liefst is de toerist onzichtbaar en niet als zodanig herkenbaar. Uiteraard is dat een onhaalbaar ideaal en ontstaat er een onhoudbare situatie; daar waar de toeristen komen, verandert de situatie onherroepelijk. Er wordt, voor het believen van de buitenstaander, een echtheid gecreëerd die uiteindelijk weinig meer met de dagelijkse werkelijkheid van de inwoners te maken heeft. Daar lijkt de afwijzende houding tegenover vakantiegangers dan ook vandaan te komen. Eenmaal vermeld in de Lonely Planet of een andere reisgids, kan de local zijn lievelingsplek wel op zijn buik schrijven. Adieu fijn terras. In Berlijn gebeurde het zelfs met een hele wijk: Prenzlauer Berg. Na de val van de Muur werd deze wijk de plek voor creatief Berlijn: studenten en kustenaars vestigden zich in de vervallen gebouwen van de buurt en maakten er een artistiek paradijs van. De aantrekkingskracht van de wijk was ongekend en reikte tot ver over de grenzen van Duitsland. Toen de toeristen kwamen, vertrokken de studenten en de kunstenaars uit Prenzlauer Berg vanwege de almaar stijgende huurprijzen. Tegenwoordig zijn er in de voormalige kunstenaarswijk vooral veel andere talen dan het Duits te horen; het zijn Denen, Zweden en Italianen die er een tweede huis hebben. Ook zij willen erbij horen en zijn zoals de Berlijners. De grens tussen toerist en echte inwoner van de stad ligt echter niet bij de inschrijving bij de gemeente. Om een echte Berliner te zijn, moet je er geboren zijn, of op zijn minst al heel lang wonen. Hetzelfde geldt voor de ‘echte’ Amsterdammer. In overtreffende trappen wordt er bepaald wie wel Amsterdams is en wie niet: iemand die veertig jaar in Amsterdam woont is meer Amsterdams dan iemand die er twintig jaar woont. Nog Amsterdamser wordt iemand als hij/zij zich op de juiste plekken laat zien. Wel in een bootje bij het Prinsengrachtconcert, niet op het Museumplein met Koninginnedag. Echt on-Amsterdams, dat zijn inderdaad de toeristen, maar iedereen daarbuiten is een stuk onduidelijker. In de strijd om wie er bij hoort en wie niet blijven de hoofdstedelingen zich verplaatsen van authentiek stadsdeel naar authentieker stadsdeel en van buurtrestaurant naar nog buurtser- restaurant. En lachen om de toeristen, die denken dat ze net als zij zijn.

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3


Column

Occupy Amsterdam Ons eigen mini-Tahrir Do o r Leon i e H os sel et

We leven in een tijd van ‘onttovering’, als we Weber mogen geloven. Voorheen waren er zaken waarvan de mens het idee had dat ze het verstand te boven gingen. Een deel van het leven was niet door de mens te verklaren en leek door een macht die buiten ons lag bestuurd te worden. De mens dacht dat ze niet alles kon begrijpen en legde zich hierbij neer door te bedenken dat er hiervoor magie of een hogere macht bestond. Maar dat is verleden tijd volgens Weber: doordat we wetenschap en technologie tegenwoordig als het grootste goed beschouwen, geloven we niet meer dat sommige processen te complex zijn voor de menselijke geest. We kunnen alles verklaren, de samenleving is onttoverd. Maar in hoeverre heeft die ontovering daadwerkelijk plaatsgevonden? Economie. Ik zal niet de enige zijn die haar luisterend oor automatisch op de pauzestand zet wanneer een gesprek hierover gaat. De financiële wereld komt op mij altijd over als iets onbevattelijks, iets wat mijn verstand te boven gaat. Theorieën over een ‘onzichtbare sturende hand’ maken het er niet beter op. En zoals mij gaan er een heleboel mensen door het leven: Economie? Laat dat maar over aan mensen die het begrijpen en er zin in hebben om met gortdroge informatie bezig te zijn!” Onttovering compleet? Niet dus. Maar doordat veel mensen denken dat de werking van de economie hen te boven gaat, speelt de financiële wereld zich grotendeels buiten ons blikveld af. Zo hebben we er geen controle over. En dan kunnen er gebeurtenissen plaatsvinden waarvan we zien dat ze niet goed zijn, maar waarvan we door gebrek aan kennis niet precies kunnen aangeven waarom. Laten we het een onderbuikgevoel noemen. Dit onderbuikgevoel is denk ik de drijfveer van veel mensen die zich aangetrokken voelen tot de huidige Occupy-beweging. Na in de zomer voor Tijdschrift Cul de tenten op Tahrir te hebben bestudeerd, sta ik nu zelf op het Beursplein. Vol trots mail ik mijn vrienden in Cairo dat we nu ook ons eigen mini-Tahrir hebben. Het is gek dat ik me nu in dezelfde positie bevind als de bezetters die ik maanden geleden in Egypte sprak. Het werkt als een soort participerende observatie met terugwerkende kracht. Hoe zou de sfeer zijn als aan de randen van het plein mensen op wapens gecontroleerd moesten worden? En wat zou ik doen als er ineens een tank uit de Kalverstraat kwam rollen? Nu ik me nog beter kan inleven in de situatie waarin de Egyptenaren opereerden, is mijn respect voor hen alleen maar gegroeid.

De situatie in Nederland is natuurlijk minder extreem, maar ik zie toch veel gelijkenissen tussen de twee bezettingen. Dan heb ik het in het bijzonder over de logistiek die bij een dergelijke operatie komt kijken. De Egyptische blogger Sandmonkey omschreef de dagelijkse gang van zaken op Tahrir als oefenen met een democratisch systeem op kleine schaal. Zo zie ik Occupy Amsterdam ook als een net opgerichte minisamenleving. Alle dilemma’s die daar bij komen kijken zijn de revue al gepasseerd: wat zijn onze regels (welke beperkingen kun je elkaar als gelijken opleggen?)? Wie hoort er bij ons en wie sluiten we buiten (zwervers die de vergaderingen verstoren, jagen we die weg of willen we niet op die manier met mensen die buiten de huidige samenleving vallen omgaan?)? Hoe gaan we het meest efficiënt om met de materialen die we hebben (bouwen we een tent speciaal voor lezingen of een gebouwtje voor een bibliotheek)? Waar kan de vuile was naar toe? Wie kookt er vanavond? Ook zijn er, net als op Tahrir, interne strubbelingen in onze minisamenleving, die tot een afscheiding hebben geleid. Een groep vertrok naar het Museumplein, om daar een kamp met andere regels te stichten. Er is nog iets wat Occupy Amsterdam gemeen heeft met de bezetters van Tahrir na de val van Mubarak. In beide gevallen klinken er uit de rest van de samenleving gemengde geluiden. “Waar zijn jullie nou TEGEN? Wat is precies het DOEL?” wordt hier meer dan eens gevraagd. Wat mij betreft is het doel van Occupy het visueel en tastbaar maken van de huidige onvrede die er wereldwijd heerst. Dat is de basis, en wat er verder vanuit dit uitgangspunt tot stand komt is aan iedereen die iets wil toevoegen. Zo heeft iedereen de mogelijkheid om suggesties te doen om de Occupybeweging een bepaalde kant op te sturen. Occupy is op het moment een open ruimte waar iedereen naartoe kan gaan om met elkaar in discussie te gaan. Op lokaal niveau heeft Occupy Amsterdam in ieder geval al iets bereikt: individuen, waaronder ikzelf, zijn zich beter gaan verdiepen in de werking van de economie. Robin Hood Tax? Transaction Fees? Credit Default Swap? Een maand geleden klonk het me nog als een hiphoptekst in de oren. Maar nu probeer ik, om iets waardevols te kunnen toevoegen aan de gesprekken op het plein, langzaamaan steeds meer van die enge economie te begrijpen. En ik niet alleen. Wat begon als een ‘onderbuikgevoel’ kan zo uitgroeien tot een steeds meer genuanceerde mening. Misschien komen we er wel achter dat het allemaal niet zo onbevattelijk is als we dachten. Verbeter de wereld, ontover eerst jezelf.

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3

31


Alumni

Berichten uit het veld Antropologie in de praktijk: wat is dat? De ‘Kring Antropologie’ (zie kader) vraagt het aan haar alumni in het veld. Wat voor werk doen ze en in hoeverre komt hun studie hen (nog) van pas? Deze en andere columns zijn ook te lezen op www.antropologennetwerk.nl.

Dag van de nieuwe krant D o or J e ssi ca H o o genbo o m Vijf mannen staan op de uitkijk voor het kleine distributiecentrum in Haarlem, als ik om half negen aan kom lopen. Ze staren zwijgend voor zich uit. “Goedemorgen, heren!”, roep ik enthousiast. Ze mompelen iets onverstaanbaars en turen verder in de verte. Het is mistig. “Is-ie er nog niet?”, vraag ik. “Nee, nog geen krant”, antwoordt Kees, terwijl hij behendig een shaggie tussen zijn bruine vingers draait. Het is de ‘dag van de nieuwe krant’, zoals dat heet bij Straatjournaal. Een maandelijkse, multiculturele happening, waarbij alle straatverkopers aanwezig zijn om Drs. Jessica Hoogenboom (1977, de nieuwe maandeditie uit te laden en naar de opslag te sjouwen. Woerden) – Culturele AntropoloGeroezemoes, gerinkel en rookwalmen komen me tegemoet, als ik naar binnen stap gie/Niet-westerse Sociologie 2004, voor een kop koffie. Aan ieder tafeltje wordt druk munten geteld, koffie gedronken Universiteit van Amsterdam - is en bijgepraat. Drie Armeense vrouwen kakelen luidruchtig aan de achterste tafel. hoofdredacteur en coördinator van Hun mannelijke wederhelften zitten een tafeltje verderop; ze zwijgen en roken Straatjournaal in Haarlem. Voor zware shag. Vlakbij de verkoopbalie zit de nieuwe verkoper, een jongeman uit haar masterscriptie deed HoogenBurundi. Hij heeft een wollen muts op en leest hardop voor uit het Haarlems Dagboom onderzoek naar de postkoblad. Niemand luistert. “Hallo mevrouw Jessica – mooi weer!”, roept hij plotseling. loniale en transnationale identiIk kijk verbaasd naar hem om. Toen de jonge vluchteling zich een maand geleden teitsvorming van de Franco-Indiase aanmeldde had ik een tolk nodig om hem de regels uit te leggen; inmiddels strooit gemeenschap in Pondicherry, Zuidhij kwistig met Hollandse uitroepen: Mooi weer, krantje kopen, twee euro, alstuIndia. Na haar afstuderen was ze blieft, dank u wel, doei. “Doei is niet netjes, zegt Dirk, een Haarlemse verkoper twee jaar hoofdredacteur van Indivan het eerste uur. Tot ziens moet je zeggen. Of: Fijne dag verder. Da’s ook beter aNu, het ledenblad van de Landevoor je fooi.” De jonge Burundees knikt en zegt het hem na: “Wijne dak vedder. lijke India Werkgroep te Utrecht, Fooi.” alvorens ze aan de slag ging bij het Verkoper Ali uit Irak roert stuurs in zijn koffie en kijkt strak voor zich uit. Als Noord-Hollandse dak- en thuisloik vraag hoe het met hem gaat, zegt hij dat hij een klacht wil indienen tegen zenproject. collega-verkoper Mohammad uit Iran. Die heeft hem uitgescholden. De twee mannen hebben altijd ruzie. Waarom of waarover is nooit duidelijk. Hun animositeit heeft ongetwijfeld te maken met hun etnische achtergrond, maar dat wordt niet hardop uitgesproken. Ik beloof dat ik met Mohammad zal spreken over het voorval. Ali knikt, stopt met roeren en neemt een slok van zijn mierzoete koffie. Even later meldt de Bulgaarse Katja zich discreet in mijn kantoortje. “Mijn broer is net aangekomen. Geen geld. Hij wil ook verkopen. Heeft u een pas voor hem?” Ze overhandigt me een grote bos bloemen en wil mijn hand kussen. Ik weer haar buigende beweging af en duw de bloemen terug in haar handen. “Voor u!”, roept Katja onthutst. “Nee, geen cadeautjes, dat heb ik al zo vaak gezegd. Je broer kan maandag langskomen voor een sollicitatiegesprek”, antwoord ik zo streng mogelijk. Veel verkopers komen uit landen waar je zonder gift niets voor elkaar krijgt. Dat dat hier niet (altijd) opgaat, vinden ze onbegrijpelijk – hoewel de meesten het na verloop van tijd gelukkig opgeven. Toen ik vijf jaar geleden solliciteerde bij deze krant was ik me er niet van bewust dat mijn antropologische achtergrond zo relevant zou zijn. Meer dan vijftien nationaliteiten lopen hier rond: van Nederlands tot Congolees; van Wit-Russisch tot Irakees. Hun gemene deler: ze redden het niet in Nederland. Ze hebben de straatkrant nodig om rond te komen, om sociale contacten op te doen, om wat om handen te hebben. De dagen zijn lang als je niets hebt. De een mag niet werken omdat-ie in een eindeloze asielprocedure zit; de ander kan geen baan vinden of houden omdat-ie verslaafd, dakloos of ernstig in de war is. Hier, bij Straatjournaal, moeten ze het samen zien te rooien: de jonge ex-zoutverkoper uit Burundi, de ex-chemisch analist uit Irak, de ex-tegelzetter uit Haarlem en de ex-mechanisch ingenieur uit Armenië. Ik hoor lawaai buiten. Een ronkende motor. Kees steekt zijn hoofd om de hoek van de deur en schreeuwt: “Krant!”. De jonge Burundees sjeest naar buiten. De anderen stommelen achter hem aan. Samen brengen ze de buit naar binnen. De nieuwe maand is begonnen.

32

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3


OC-Nieuwsbrief De opleidingscommissie (OC) is een adviesorgaan binnen de opleiding Culturele Antropologie. De commissie geeft gevraagd en ongevraagd advies over onderwijsgerelateerde onderwerpen en bewaakt de kwaliteit van het onderwijs. De OC bestaat uit vier docentleden en drie studentleden.

Kom bij de kring Afgestudeerd! Afgestudeerd! En En dan? dan?

Beste antropologen,

Antropologen belanden na hun studie in zeer diverse beroepen die niet altijd direct gerelateerd zijn aan de studie. De kans is groot dat je na verloop van tijd de binding met je vakgebied en de academische wereld kwijtraakt. Zonde, nietwaar? Wil je na je studie graag op de hoogte blijven van de ontwikkelingen in jouw vakgebied? In contact blijven met studiegenoten en docenten? Word dan lid van de Kring Antropologie/Amsterdams Netwerk Cultureel Antropologen (ANCA) Wat heb ik aan mijn lidmaatschap? Gratis toegang tot activiteiten (borrels, lezingen, filmavonden) van de Kring Antropologie Gratis lenerspas UvA-universiteitbibliotheken Gratis toegang tot de jaarlijkse Alumnidag van de UvA Flinke korting op UvA-voorzieningen (bijv.: Universitair Sport Centrum, UvA-colleges, Loopbaanprogramma). Kijk ook op: www.uva-alumni.nl/antropologie en www.antropologennetwerk.nl

De eerste acht weken van het nieuwe studiejaar zitten er alweer op. Na de zomer is de OC meteen hard aan de slag gegaan en via deze weg willen wij jullie graag laten weten waar wij mee bezig zijn. Dit jaar hebben zowel studenten als docenten te maken met een hoop veranderingen binnen de UvA. De al bekende 8-8-4 structuur en het nieuwe inschrijvingssysteem SIS, om maar wat te noemen. Hoewel deze systemen nog in de kinderschoenen staan, proberen wij als de OC een vinger aan de pols te houden zodat er zich zo min mogelijk problemen zullen aandienen. Via onder andere korte onderzoekjes over de inhoud en het programma van de vakken in de nieuwe structuur en middels het evalueren van SIS, willen wij deze veranderingen en haar consequenties in de gaten houden. Hierbij is het nodig dat jullie als studenten jullie stem laten horen wanneer er zaken niet gaan zoals ze horen te gaan! Naar aanleiding van de op- en aanmerkingen over de vorige Docent-van-het-Jaarverkiezing, hebben wij besloten deze verkiezing in een nieuw jasje te steken. Docenten worden nog steeds genomineerd aan de hand van de evaluaties die iedereen aan het einde van het semester invult, maar de daadwerkelijke verkiezing van de winnaar zal anders verlopen. Er wordt nog gewerkt aan de rest van de vormgeving van deze verkiezingen, zodra daar meer over bekend is zullen jullie hiervan op de hoogte worden gebracht. Daarnaast zijn wij bezig met de promotie van de OC zelf. Wij streven ernaar om meer aanwezig te zijn in de wandelgangen van het Spinhuis om gemakkelijker benaderbaar te zijn voor studenten met opmerkingen of studiegerelateerde problemen. Aangezien er een aantal verschuivingen op komst zijn binnen de studentleden, zullen wij dit studiejaar een paar keer langskomen om jullie kennis te laten maken met alle actieve studentleden van de OC. De bedoeling is dat jullie ons in en rond de UvA steeds meer gaan zien! Dus hopelijk tot snel! Tot die tijd kan iedereen ons voor op- of aanmerkingen bereiken via ons nieuwe e-mailadres oc_antro11@hotmail.com. Namens de studentleden van de OC,

M i c h el l e d e Gru i j l

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3

33


O, die goede oude tijd Koude maar knusse dagen staan voor onze deur… En dan bedoelen wij antropologen uiteraard de deuren waarachter iedereen zich thuis kan voelen, namelijk die van het Spinhuis. Na kerst volgt Oud & Nieuw, en voor je het weet is het laatste blok van het eerste semester al begonnen. Maar al deze gezelligheid moet ons niet doen vergeten dat een sfeervolle plek binnen de UvA voor toekomstige studenten niet zeker is. Het College van Bestuur is akelig laks in het kenbaar maken van haar volledige plannen voor de huisvesting. Hoewel er een stilte is aan de kant van het CvB naar studieverenigingen toe, wil dat niet zeggen dat er achter gesloten deuren geen beslissingen gemaakt worden. Deze beslissingen worden bij de UvA vaak nét voor vakanties kenbaar gemaakt, waardoor er minder mogelijkheid is om besluiten aan te vechten. Daarom is het aan onder andere de studieverenigingen de taak om transparantie te eisen. Alleen dan krijgen studenten de kans om nog te sleutelen aan de voornemens, zodat ze zich er beter in kunnen vinden. Meer transparantie is een goed voornemen voor het nieuwe jaar. Wat de voornemens van het UvA bestuur dan ook zijn mogen, Kwakiutl belooft in ieder geval om komend jaar door te gaan met helderheid vragen. In samenwerking met andere studieverenigingen binnen de FMG, zullen we de leden van het College van Bestuur in de rug blijven prikken. Zonder transparantie is streven naar het behoud van de Common Room met zekerheid een verloren strijd. De studieverenigingen moeten één front vormen en duidelijkheid over huisvestingszaken vragen. Alleen dan kunnen ze ons niet wegwuiven met de notie dat we slachtoffers zijn van een niet terug te draaien situatie. Agency! Daar gelooft de moderne antropoloog in, en dat zullen we laten zien. Laten we ervoor zorgen dat de positieve ervaringen van het nu voor de studenten van 2015 en daarna geen onderdeel worden van die ‘goede oude tijd’.

Kwakiutl presenteert: het 25ste bestuur!

Het is haast onwerkelijk om te bedenken dat Kwakiutl al bijna 25 jaar actief is. In 2012 bestaan we officieel een kwart eeuw, en dit jubileum laat het Kwakiutlbestuur niet zomaar aan zich voorbij gaan. Houd de nieuwsbrief en website in de gaten voor speciale festiviteiten rondom ons jubileum.

Boven van l i nk s naar rec ht s: A niek M e ijer ( Co ö rdi nator Soci aal ), Ruby Houwel i ng (Coördi nator Rei zen), Ghislaine Gill (Pe nni ngm e e s te r) Bened e n va n l i nk s naa r re c ht s: Luc ie n Palmb o om (Secretari s), Rom i Bi esh euvel (Coördi nator Studi eve rdieping) , Soufyan e l Ham m o ut i ( Co ö r dinato r Cul) en N ao m i Berg er (Voor zi tter)

34

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3


Actief lid worden?

agenda

De liftwedstrijdcommissie zoekt nog enthousiastelingen die volgend semester mee willen helpen de liftwedstrijd te organiseren! In het weekend van 24/25/26 februari zal een groep antropologen in groepjes van twee afreizen naar een nog onbekende locatie. In één dag moeten de koppels proberen om een nabije Europese bestemming als eerste te bereiken. Het spreekt voor zich dat ze dit moeten doen door hun duim eens flink in de lucht te steken. Voor de liftwedstrijd moet een locatie geregeld worden, een ophaalbusje voor de zielige gestrande studenten en eventueel leuke activiteiten in de stad van aankomst. De liftwedstrijdcommissie is hiervoor verantwoordelijk, en mag als enige de bestemming van te voren mag weten. Houd jij zo erg van geheimen dat je ‘in the loop’ wilt zijn, of wil je eigenlijk echt gewoon heel graag de liftwedstrijd organiseren? Geef je dan op voor de liftwedstrijdcommissie! Mail naar info@kwakiutl.nl Als je om de een of andere onverklaarbare reden een hekel hebt aan liften, kun je ook nog actief worden in de Nuttercommissie! Ieder jaar organiseert Kwakiutl samen met SEC het antropologie/sociologieweekend, dat dit jaar van 9, 10 en 11 maart is. Hierbij worden de banden tussen de twee studieverenigingen versterkt, en het is altijd erg gezellig! De locatie is de laatste jaren steeds het pitoreske dorpje Nutter geweest, en daarom heet dit weekend Nutterweekend. Voor dit weekend moet een locatie geregeld worden, boodschappen worden gedaan, en alles wat er verder bij komt kijken. Wil jij je organisatorisch talent ontwikkelen en veel leuke nieuwe mensen ontmoeten, kom dan bij de Nuttercommissie! Als je interesse hebt, stuur dan vooral een mailtje naar coordinator-sociaal@kwakiutl.nl

antropologisch verantwoord

Lezing Amnesty ‘Laat de Arabische Lente geen illusie worden’ Wanneer: 9 december 20:00-22:00 uur Waar: Pakhuis de Zwijger Algemene Leden Vergadering Wanneer: 15 december Waar: Binnengasthuis lokaal 2.11 Kerstdiner & kerstthemaborrel Wanneer: 15 december Waar: Common Room, Spinhuis Filmavond Wanneer: 19 januari Waar: VOC-zaal De Andere Blik & Themaborrel Wanneer: 26 januari 17:00 uur Waar: Common Room, Spinhuis Filmfestival Wanneer: 6/7/8/9 februari Hoeveel: gratis Kwakiutl/SEC Feest #2 Wanneer: 9 februari LaSSA Congres Wanneer: 13 februari Waar: Utrecht Liftwedstrijd Wanneer: 24/25/26 februari Waarheen: nog geheim! LaSSA beroependag Wanneer: 5 maart Waar: Utrecht

TIJDSCHRIFT CUL 2011-2012 - JAARGANG 19 - NUMMER 3

35


CREA Debat lezingen, films en documentaires en debatten

CREA Plug & Play nieuwe bands, iedere 1e donderdag

CREA Open Podium nieuw talent, iedere 2e donderdag

Theater

De nieu curs we usse n star in fe ten brua nieu ri in we p ons a n d : Nie Ach terg uwe rach t Sch 170. rij

CREA producties, improvisatietheater en studentengezelschappen

CREA Klassiek concertavonden, iedere 4e donderdag

CREA Popquiz

f je nĂş i n!

uitkateren met muziek op zondagmiddag

Goedkoop Cabaret het cabaret van morgen voor de prijs van gisteren

www.crea.uva.nl

CREA. Dat vind je nergenS Oude Culs, online blogs, fotoreportages, documaintares en meer...

Geslaagd? Ouders die je studie niet snappen? Lui? Word abonnee en krijg de laatste twee Culs van dit jaar thuis gestuurd!

Je vind het op:

Voor maar 7,50 euro krijg je de Cul gewoon in de bus! Mail naar redactie@tijdschriftcul.nl en zet in het mailtje je naam en het adres waar het heen moet.

w

d j i t . w w

r h sc

u c t f i

l n l.


19 * 3: Technologie