HASSELT EXTRA MUROS

Page 1



Hasselt extra muros Hasselt buiten de stadswallen, beschreven aan de hand van het bunderboek van Petrus Vanpaesschen (1782)

Guido Caluwaerts



VOORWOORD

Hasselt is een dynamische stad die door jarenlange groei een Limburgs en euregionaal centrum is geworden. Steeds meer mensen werken, wonen en ontspannen zich in Hasselt. De stad verenigt administratieve, toeristische en economische troeven en heeft nationale en internationale contacten. Mensen brengen graag een bezoekje aan Hasselt. Het is er fijn om te wonen, te leven en te ontspannen. En dat beperkt zich niet tot het gebied binnen de groene boulevard. Hasselt is meer dan de kleine ring. Binnen en buiten de grote ring kent de stad al sinds heel wat jaren de nodige uitbreiding met woningen, commerciële activiteiten en allerlei voorzieningen voor bewoners en bezoekers. Door de groei van de stad verandert dit buitengebied in een snel tempo. Sinds 1977 is Hasselt bovendien een fusiegemeente die naast het centrum zelf nog uit de deelgemeenten Kermt, Kuringen, Sint-Lambrechts-Herk, Spalbeek, Stevoort, Stokrooie en Wimmertingen bestaat. Het contrast met vijftig jaar geleden is enorm. Hoe groot is het contrast met 200 jaar geleden. In de achttiende eeuw was Hasselt een klein stadje in het prinsbisdom Luik. Groot-Hasselt was een uitgestrekt landelijk gebied aan de Demer waar in de eerste plaats aan landbouw werd gedaan. Bekend waren ook de jeneverproductie en de ossenteelt. Als grensplaats tussen de arme Kempen in het noorden en het rijke Haspengouw in het zuiden had de stad ook een handelsfunctie. Veel grote toegangswegen waren er nog niet. Limburg – en dus ook Hasselt – waren amper bereikbaar.

Het is vanuit dit kader dat het boek Hasselt Extra Muros vertrekt en ons leert hoe onze stad er op het einde van de achttiende eeuw uit zag. Het werk dat auteur Guido Caluwaerts hiervoor verrichtte is immens. Hij vertaalde de kaartgegevens van landmeter Petrus Vanpaesschen (1742-1809) en vulde ze aan met eigen opzoekingen tot een werk dat een zeer interessant beeld geeft van de Hasseltse buitengebieden aan de vooravond van de Franse revolutie. Een aantal jaren geleden schreef de heer Caluwaerts aan de hand van de notities van Jan Juliaan Melchior het boek Hasselt Intra Muros over de geschiedenis van Hasselt binnen de kleine ring. Ook deze evenknie is voor zowel gespecialiseerde onderzoekers als geïnteresseerde leken een ideale bron om de geschiedenis van Hasselt buiten de kleine ring te bestuderen. Op die manier leren we onze stad beter kennen en koesteren en kunnen we met kennis van zaken verder bouwen aan een toekomst voor Hasselt, een plaats waar het fijn is om te leven.

Hilde Claes, burgemeester van Hasselt


Een vijftal jaren geleden ontmoette ik op een zonovergoten augustusnamiddag tijdens een fietstochtje aan de grens Hasselt – Sint-Lambrechts-Herk bij het kapelletje van Hilst een vroegere klasgenoot. Als vanzelfsprekend ontspon zich op deze sacrale plaats een geanimeerd gesprek over de eindfase van de Boerenkrijg. Mijn jeugdvriend stak meteen van wal met tal van anekdotes uit het verleden van onze stad die onmiskenbaar in zijn geheugen waren geënt. “Hasselt”, zei hij, “had twee eeuwen geleden een dichtbevolkte woonkern. Buiten de wallen bewerkte de burgerij kleinschalige volkstuintjes voor persoonlijk gebruik. Langsheen de stadspoorten vormden een paar woningen en drankslijterijen het decorum voor de toegang tot de stad. De uitvalswegen die zich vanaf de heerbanen in alle richtingen vertakten doorsneden de vruchtbare landbouwgronden ten zuiden van de Demer en de dorre heidegronden in het noordelijke stadsdeel. Een paar boerenerven lagen geïsoleerd ingeplant tussen de akkers, de meeste lagen gegroepeerd bezijden de landelijke straten en veldwegen”. Summier en kernachtig schetste mijn gesprekspartner het onderscheid tussen de binnenstad en de buitingen als volgt: “binnen de wallen lagen er huizen bewoond door burgers en handelaars, buiten de wallen had het rurale de overhand.” Deze enigszins rudimentaire vaststelling was voor mij het uitgangspunt voor onderhavige studie Hasselt Extra Muros. Het reeds in 1989 verschenen Hasselt Intra Muros diende het opzet de panden van de binnenstad in te kleuren met de kleine geschiedenis van elk huis apart, de huisnamen en de beroepsbezigheden van de bewoners. Uit informatie ontleend aan de gichten werd de geschiedenis van deze families beschreven binnen de periode dat zij het woonpand betrokken. In het voorliggende Hasselt Extra Muros vormen de landbouwgronden, heidekavels, straten, weggetjes en verbindingsaders uit de periferie van de stad, de op een bonte lappendeken verstrooide woonerven en heredijen, waterlopen en plassen, een kleurrijke verzameling aan toponiemen die ons uit het erfgoed van onze voorouders werden overgeleverd, de rode draad binnen dit verhaal.


LECTORI SALUTEM

De kadastrale kaart die landmeter Petrus Vanpaesschen in 1783 voltooide in opdracht van het stadsbestuur bepaalt het frame tot deze studie. Vanpaesschen registreerde in opdracht van de stad minutieus alle erven gelegen buiten de wallen tot aan de grenzen met de omliggende gemeenten. Om de volledige kaart (300x180 cm) in bruikbare vorm aan de lezer voor te leggen, hebben wij deze geparcelleerd in dertig fragmenten die bij mekaar aansluiten en meteen de indeling van onze studie bepalen. Het belangrijkste opzet van de opdracht van Vanpaesschen was het uitschrijven van een exhaustief meetboek waarin de naam van de eigenaar(s), de aard van het goed, het perceelnummer op de kaart, de precieze oppervlakte en de naam (namen) van de eigenaar(s) van de belendende percelen opgetekend staan. Dit meetboek kan u inkijken op de cd-rom die bij het boek zit. Ter verduidelijking werden op het einde van het eerste hoofdstuk ook dertien (onvolledig bewaarde) deelkaarten – van de hand van zijn voorganger landmeter Putzeys anno 1724 – aan het meetboek van Vanpaesschen toegevoegd. De perceelsnummering van voornoemde Putzeys werd integraal door Vanpaesschen overgenomen. Sedert de invoering van het moderne kadaster in 1844 raakten heel wat traditionele toponiemen geleidelijk in de vergetelheid. Gelukkig bleven toch enkele vaste waarden voortleven in de huidige straatnaamgeving. Toponiemen waarvan de betekenis niet onmiddellijk evident was of die intussen uit circulatie verdwenen waren, werden, in zoverre de betekenis ervan achterhaald kon worden, samengebracht in een toelichtend repertorium. De originele spellingvorm(en) werd(en) telkens behouden. Een aantal illustratieve kaderteksten werden ingelast op plaatsen die om toelichting verzochten of waar zich in het verleden memorabele gebeurtenissen hadden afgespeeld, die aan de site een aparte inkleuring hadden nagelaten.

Onze betrachting is dat de lezer van de eenentwintigste eeuw met schroom en ontzag mag beseffen hoe intiem onze voorouders vergroeid waren met de grond waaruit zij geboren waren. Wetenschappers en studenten mogen er een vertrekbasis in vinden voor verder historisch onderzoek. Dank en erkentelijkheid ben ik verschuldigd aan: –– Mevrouw de burgemeester Hilde Claes en de leden van het schepencollege, die hun patronage verleenden aan deze publicatie; –– De heren rijksarchivarissen M. Van der Eycken en R. Nijssen, die bereid gevonden werden mij toegang te verlenen tot hun archiefstukken en secundaire bronnen; –– Mevrouw Annemie America, die met haar zesde zintuig de geknipte illustraties voor dit werk verzamelde; –– De leden van de Erfgoedcel Hasselt bij wie ik vele uren terecht kon voor de opmaak en uitwerking van deze studie. Inzonderheid breng ik hulde aan mevrouw Tine Rock en de heer Ward Segers, die ik steeds mocht beschouwen als mijn spreekwoordelijke rechter- en linkerhand; in dit woord van dank betrek ik eveneens de dames Veronique van Nierop en Hanne Indekeu die mij bijstonden inzake redactie en documentatie; –– De heer directeur B. Vanhoutte en eerstaanwezend inspecteur J. Thuwis van de administratie van het kadaster; –– De lezer, die ik een ontspannen wandeling toewens doorheen de laatste jaren van het ancien régime.

G. Caluwaerts



OPGEDRAGEN AAN LEENTJE



INHOUDSOPGAVE

Voorwoord Lectori salutem Inhoudsopgave

3 5 9

I. Historische kadering bij het boek “Hasselt extra muros”

11

1. Het bunderboek, een voorloper van het kadasterplan van de Hasseltse “buytingen” tijdens het ancien régime 2. Heerbanen, tolrechten, octrooien en uitvalswegen 3. De stad en haar omgeving 4. Woningbouw en huisvesting aan de stadsrand 5. De drie componenten van het hydrografische landschap van Hasselt 6. Sagen en legenden 7. Toelichtende index bij de toponiemen

13 30 35 41 44 60 66

II. Het meetboek van Vanpaesschen

117

III. Toelichting bij het meetboek

119

Kaart 1/1 Kaart 1/2 Kaart 1/3 Kaart 1/4 Kaart 1/5 Kaart 1/6 Kaart 2/1 Kaart 2/2 Kaart 2/3 Kaart 2/4 Kaart 2/5 Kaart 2/6 Kaart 2/7 Kaart 2/8 en 2/9 Kaart 3/1 Kaart 3/2 Kaart 3/3 Kaart 3/4 Kaart 3/5 Kaart 3/6 Kaart 4/1 Kaart 4/2 Kaart 4/3 Kaart 4/4 Kaart 4/5

121 121 123 145 172 189 191 199 203 227 232 237 237 245 246 246 251 255 257 258 259 284 285 286 286

Bibliografie Index op de plaatsnamen Index op de persoonsnamen Colofon

291 299 309 317



11

I. Historische kadering bij het boek “Hasselt extra muros�


12


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

1.

Het bunderboek, een voorloper van het kadasterplan van de Hasseltse “buytingen” tijdens het ancien régime Tot in 1727, het jaar waarin de prins-bisschop van Luik de belasting op het bunderrecht verving door een tiendheffing, werden de stadsfinanciën hoofdzakelijk gespijsd door de opbrengsten van belastingen op transacties van de plaatselijke handel en de consumptie van haar inwoners, de burgerij in de binnenstad. 1 Op de “buitingen” daarentegen was de belastingheffing afgestemd op het bundergeld; de eigenaars betaalden één gulden per bunder dat hun perceel groot was (1 bunder = 87,1884 are). De Luikse prins-bisschop Maximiliaan-Hendrik van Beieren was van oordeel dat het heffen van een specifieke taks op grondeigendommen heel wat geld in de kas van de gemeenten van zijn graafschap zou doen vloeien. Daarom werden in toepassing van zijn ordonnantie van 20 maart 1687 alle gemeenten binnen zijn prinsbisdom ertoe verplicht extra belastingen te heffen op het bezit van hovingen, groentetuinen, boomgaarden, weiden, akkers, bossen, heidegronden en voormalige feodale en allodiale onroerende goederen. De stadsmagistraat besloot derhalve voortaan een belasting te heffen van twee gulden op iedere bunder cultuurland en van twee gulden op wijers en bossen. 2 De aanleiding hiervoor waren de vele inkwartieringen in de binnenstad tijdens de

tweede helft van de zeventiende eeuw. In 1654 trachtte de stad het ongemak en de plagerijen van rondzwervende Lorreinen af te weren. De Hollandse Oorlog, die van 1672 tot 1678 gevoerd werd tussen de Franse koning Lodewijk XIV en de Hollandse stadhouder Willem III, bracht afwisselend Franse en Hollandse militia binnen onze muren. Vanaf 1675 eisten de Hollanders een inkwartiering, hetgeen voor de bevolking een overlast van zes jaar met zich meebracht. Dergelijke oorlogsperikelen brachten voor de magistraat uiteraard bijkomende uitgaven met zich mee, die volgens een verdeelsleutel gespreid werden zowel over de burgers van de binnenstad als over de bewoners van de periferie. De bewoners van de “buitingen”, die hoofdzakelijk actief waren in de landbouw, kregen een taxatie opgelegd uit hoofde van hun bunderbezit. Aanvankelijk betaalden zij een contributie van een gulden per bunder. In 1685 werd een nieuwe quotisatie van kracht: akkers en weilanden werden voortaan getaxeerd aan twee gulden per bunder, wijers en bossen daarentegen aan een gulden. De eigenaars moesten het verschuldigde bedrag zelf op het stadhuis komen vereffenen. De meeste belastingplichtigen kenden het precieze bundergetal van hun gronden niet, anderen gaven al dan niet opzettelijk foutieve oppervlakten op. Op misbruiken ter zake of foutieve aangifte stonden vaste boeten voorgeschreven. 3 Omdat het precieze bundergetal voor Hasselt nooit was vastgelegd, verwachtten de overheid en haar inwoners dat deze maatregel tot willekeur en misbruiken van de pachten zou leiden. In 1697 wilde men betwistingen over die bijdragen van de buitingen en van de binnenstad voorkomen en werd er een exact bundergetal voor ieder perceel vastgelegd. Hiervoor stelde het stadsbestuur op 15 juli 1697 de beëdigde landmeter Matthias Putzeys aan om de hele jurisdictie van het hele grondgebied van de stad op te meten.4 Putzeys (1652-1723) was niet alleen landmeter, maar tegelijkertijd schepen van de stad en notaris. Naast de opmeting van de percelen moest hij van het volledige territorium van de stad een

13


14

figuratieve kaart tekenen met aanduiding van de grenzen of palen, straten en stegen, rivieren en winterbeken. De precieze omschrijving van elk perceel werd opgetekend in een meetboek, ingedeeld in registers. Per register tekende hij een detailkaart uit. Tegen het eind van de maand mei 1699 ontving hij van de stadsmagistraat een honorarium van 1.300 gulden voor de opmeting van de buitenbunders. Waarschijnlijk had hij tegen het einde van het jaar 1700 zijn opdracht voltooid. In 1724 droeg Putzeys aan de magistraat een meetboek over dat onderverdeeld was in zeven registers: 1. deel een: de erven van de binnenstad; 2. deel twee: de erven ten oosten van Hilst, de Helbeemden, Holland en Trekschuren tot aan de Luikerbaan; 3. deel drie: de erven ten westen van de Truierbaan, Hilst, Runkst, Dormaal tot aan de Sliksteen, de Kuringerpoort en de Kuringerbaan; 4. deel vier: de erven vanaf de Sliksteen in de richting van de Plaaster, de Zeven Stichelen, de Casterstraat en vanaf Krutsen, de Haarbeemden, de Over-Demer, de Muggenbeemden, de Kemperheide en de Trichterheide; 5. deel vijf: de erven vanaf de Tomstraat, de oostkant van de Luikerbaan, de Zeven Stichelen, de Casterstraat, de Weggestraat, de Nieuwe Demer, de Oude Demer oplopend tot tegen de Palen van Diepenbeek, Rapertingen, de Vierbunder, het Natveld, Dorlik, Sint-Jansbeekveld, Singelbeek, Pietelbeek, Terpoorten, Wolfske, Kalverhuizen; 6. deel zes: Godsheide, Trichterheide; 7. deel zeven: Trichterheide, Kemperheide. Aan elk register voegde de landmeter enkele deelkaarten toe. Alleen de kaarten van het tweede en derde register zijn bewaard. Bovendien stelde Putzeys een algemene index op waarin de perceelnummers, de aard van de gronden, de namen van de eigenaars en de grootte van het perceel (bunders, grote roeden en kleine roeden) geregistreerd staan. 5

Nu was het wachten tot 1701, alvorens de eerste collecteur kon overgaan tot het innen van het nieuwe en achterstallige bundergeld. Jarenlang was er discussie geweest over een juiste taxatie van de gronden. Het vastgelegde bedrag schommelde tussen de een tot twee gulden per bunder. In 1701 besliste de stedelijke overheid eveneens dat gronden van mindere kwaliteit aan een lagere belasting onderworpen moesten worden. Deze reductie gebeurde vanzelfsprekend met de instemming van de prins-bisschop. De eerste Hasseltse collecteur voor het innen van het bundergeld was Simon van Herstal (°1633). Deze ambtenaar kon zijn opdracht slechts voor een korte periode vervullen: hij overleed op 21 december 1701. 6 Zijn opvolger was Joannes Lansmans (1656-1731), oud-burgemeester van Hasselt. Hij begon onmiddellijk met het opstellen van inningregisters. De achterstallige bedragen voor de jaren 1689-1701 kwamen slechts met mondjesmaat binnen en de stadsmagistraat had dringend geld nodig om de inkwartieringen als gevolg van de Spaanse successieoorlog te kunnen betalen. Lansmans stond voor een ondankbare taak: ieder jaar namen de nog in te vorderen restanten van bundergeld uit de vorige jaren steeds omvangrijkere proporties aan. Eind 1723 stelde Lansmans zijn mandaat ter beschikking. 7 Dionijs Keijnen zette het mandaat van collecteur van het bundergeld verder tot 1733. In 1727 verving prins-bisschop Joris-Lodewijk de Berghes de taxatie van het bundergeld door een tiendheffing. Deze tienden moesten jaarlijks per stadskwartier aan de hoogst biedende verpacht worden. Na heel wat getouwtrek tussen de stadsmagistraat en de prins-bisschop wordt de tiendenmaatregel opnieuw ingetrokken en vervangen door het gebruikelijke bundergeld, vastgesteld op 2 gulden per bunder.


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Ook de kloosters en abdijen, die aanvankelijk vrijgesteld waren van grondbelasting voor de eigendommen die tot hun eerste oprichting behoorden, werden voortaan belast voor de onroerende goederen die ze na hun stichtingsdatum verwierven. De paters augustijnen werden in 1705 vrijgesteld van belasting. De grauwzusters van het Sint-Barbaradal bedongen in 1722 een minnelijk akkoord met de stad. De witte nonnen van het Sint-Catharinadal, de augustijnen, de bonnefanten van Luik die sinds 1594 in het bezit waren van de priorij van Henegouw en de cisterciënzerinnen van de abdij van Herkenrode werden door de opgelegde grondbelasting verwikkeld in jarenlang aanslepende processen met de stad. De heffing van de nieuwe grondbelasting leidde de volgende jaren tot oeverloze discussies. Een tweede meting, ditmaal van de erven extra muros, drong zich op. Deze opdracht werd toevertrouwd aan landmeter Petrus Vanpaesschen (1742-1809). In het najaar van 1782 voerde hij een tweede meting van de gronden extra muros uit. Voor deze opmeting en voor het uittekenen van nieuwe “caerten” werd hem een honorarium van 1.200 gulden toegewezen. Vanpaesschen volgt minutieus de indeling van het meetboek van zijn voorganger Putzeys, zij het dat zijn opmetingen over acht registers gespreid worden ingevolge de toevoeging van een aantal nieuwe ontginningen: 8 1. eerste caerte (de nummers 1 tot 251): de erven gelegen langsheen de zuidkant van de stad en begrensd door de Luyckerbaen; 2. tweede caerte (de nummers 252 tot 493): de erven gelegen ten westen van de Luyckerbaen, Treckschueren, Holland, de Helbempden tot aan de oostkant van Hilst; 3. derde caerte (de nummers 494 tot 1002): de erven gelegen ten westen van de Sint-Truijerbaene en de Sint-Truijersteenwegh tot aan de Kuringerbaene, met name de Plaester, de Slicksteen, de Kuringerpoort, Hilst, Runxt, Dormael en de Galge;

4. vierde caerte (de nummers 1003 tot 1534): de erven gelegen tussen de Slicksteen en de Plaester, de erven buiten de Truijerpoorte, de Begijnenpoel, de Stadtsomvaert, het Diepenbeecker voetpad, de Maestrichterbaene tot aan het Teutelwijerken, de Weggestraet, het Sint-Cornelisveld, de Veldtmansbrugge en de Stalmansbrugge, den Wijngard, de Kemperbaene tot aan de Brouckmolenstraet, de Brouckermolen, het Wintmolenveldt, de Lasarijestraet, de Breestraet, Heckeleers, Krutsen, de Haerbempden, het Hooghvonder, de Muggenbempden, de Kemperbaen, de Kemperheijde, de Padestraet, het Kaefsveldt, de Trichterheijde, het Haeghbrouck, de Kapermolen en de Vilstraet; 5. vijfde caerte (de nummers 1535 tot 2144): de erven gelegen aan de Palen van Diepenbeek, oplopend tegen de Galgebeek tot aan de Tomstraete, Rapertingen, de Seven Stichelen, de Vierbonder, de Kasterstraete, het Nattveldt, het Dorlick, het Sint-Jansbeeckveldt, Singelbeeck, Pietelbeeck, Ter Poorten, Wolfsche, Calverhuysen; 6. zesde caerte (de nummers 2145 tot 2387): de erven gelegen tussen de twee Demers, de Weijbempden, de Roten, de Biessemweijden, de Voorstraat, de Brugbempden, de Vissebroucken, de Platte Vijver, Godsheijde, het Berckenshout, de vijvers van Godsheide, het Pijpersveldje; 7. zevende caerte (de nummers 2388 tot 2473): het noordelijk deel van de Trichterheide en van de Nieuwe Heide: de Elsracken, de Stadtsnieuwheijde, de Galgenvijver, de Hoelensheide, het Schrijnebrouck, de Nieuw Heijde, de Kemperheide, het Nieuwveldt, de Burgvenne, het Droogven, het Swertven, de Schaverden, de Jautiens, het Moken, de Sauvegardvijvers; 8. achtste caerte (de nummers 2474 tot 2491): vijvers en percelen gelegen in de Hasseltse Heide.

15


16

Aan de acht registers van zijn meetboek voegde de landmeter deelkaartjes toe, die evenwel niet bewaard zijn. De geparcelleerde overzichtskaart van de volledige jurisdictie van Hasselt diende tot uitgangspunt voor deze studie. 9 Die kaart werd uitgetekend op groot formaat (300x180 mm), papier op doek en werd voltooid op 30 april 1783. Op basis van die kaart stelde Vanpaesschen een algemene index en een nieuw schatboek met reductie van de bunders op. De landmeter tekende zorgvuldig al zijn opmetingen op in een meetboek, waarbij ieder perceel van een volgnummer voorzien werd en in een index nauwgezet de namen van de eigenaars, het soort erf en de oppervlakte van het onroerend goed eraan toegevoegd werden. 10 In 1783 werd Guillaume Stellingwerff voor een termijn van zes jaar als collecteur van het bundergeld aangesteld en in 1789 werd hij opgevolgd door Hendrik-Franciscus Stellingwerff, eveneens voor de duur van zes jaar. De laatste collecteurs waren Christiaan Hamakers, Guillaume Stellingwerff junior en Michael Duponceau. 11

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11

J. Molemans, ‘Reële en personele belastingen in Hasselt tijdens het Ancien Régime’, OLL, 42 (1987) 111. Rijksarchief te Hasselt (verder RAH), Stadsarchief Hasselt (verder SH), nr. 181. RAH, SH, nr. 73, ordonnantieboek 2, f° 229r°. RAH, SH, nr. 75, ordonnantieboek 4, f° 25v°-26r°. RAH, SH, nr. 223. RAH, SH, nr. 75, ordonnantieboek 4, f° 73r°-74v°. RAH, SH, nr. 75, ordonnantieboek 4, f° 86v°. RAH, SH, nr. 237. RAH, SH, nr. 238. RAH, SH, nr. 903. RAH, SH, nr. 80, ordonnantieboek 8, f° 194v°-195r°v°.


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

De onvolledig bewaarde reeks deelkaarten die Matthias Putzeys uittekende over de omgeving van de stad extra muros.

Eerste caerte (1), percelen 1 t/m 23: Henegouw

17


18

Eerste caerte (2), percelen 24 t/m 109: Mombeek


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Derde caerte (1), percelen 494 t/m 524: Hilst

19


20

Derde caerte (2), percelen 530 t/m 605: Sint Truyerbaene tot Gaerveldt


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Derde caerte (3), percelen 607 t/m 781: vanaf de Wanbeke tot de Dormaelstraete

21


22

Derde caerte (4), percelen 782 t/m 826: vanaf de Runxter straete tot de Dormael Breestraete


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Derde caerte (5), percelen 827 t/m 885: tussen de Dormael Breestraete en de Curingerbaene

23


24

Vierde caerte (1), percelen 1003 t/m 1157: percelen belendend aan de zuidelijke stadshelft


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Vierde caerte (2), percelen 1158 t/m 1272: percelen gelegen tussen de Curingerbaene en de Brouckmolenstraete

25


26

Vierde caerte (3), percelen 1273 t/m 1306: percelen gelegen tussen de grens met Curingen en de Breedestraete


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Vierde caerte (4), percelen 1307 t/m 1408: percelen gelegen tussen de Breedestraete en de Vogelstaff op de Kemper Heijde

27


28

Vierde caerte (5), percelen 1409 t/m 1534: percelen gelegen tussen de Villstraete en de passagie naer de Smeirmaese


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

losse caerte, percelen 2474 t/m 2485: percelen gelegen ten westen van de baan Boeckerouck-Zonhoven

29


30

2.

Heerbanen, tolrechten, octrooien en uitvalswegen In het bunderboek van Vanpaesschen wordt ook de uitbouw van het wegennet opgenomen, dat op het moment van de optekening nog nieuw was (midden achttiende eeuw) en de handelscontacten binnen het prinsbisdom en met de omliggende gebieden moest versterken. De tolheffing op de openbare wegen was ook een vorm van belasting. Tot aan het begin van de achttiende eeuw liep er doorheen het Land van Luik en het graafschap Loon geen gekasseide weg. Op 22 januari 1712 beslisten de Luikse Staten tot de aanleg van vier steenwegen, respectievelijk uitgaande van Luik naar Sint-Truiden, Verviers, de Condroz en Hasselt. De weg vanuit Luik naar Sint-Truiden moest de handelsbetrekkingen met het Land van Brabant intensifiÍren.12 De verbinding met Verviers naar Aken had tot doel het verkeer met de Oostenrijkse erflanden te bevorderen. De derde weg via de Condroz was er op gericht het vervoer van en naar Frankrijk te vergemakkelijken. De vierde, die langs Hasselt passeerde, moest de handelsrelaties met Holland opdrijven.13 In 1715 werd een aanvang gemaakt met de weg Luik – Sint-Truiden. In 1718 vaardigde de prins-bisschop van Luik een edict uit voor de aanleg van de weg Luik-Hasselt-Eindhoven. Doch slechts in 1738 werden de gronden onteigend en konden de werken worden aangevat. In 1739 begon men met het leggen van kasseien en in 1741 was het wegdek tot Hasselt klaar. Het afgewerkte stuk bracht onmiddellijk voordeel op voor de nijverheid en de handel, die een voelbare uitbreiding namen. Middels het vervoer van bouwmaterialen nam de nieuwbouw in Hasselt toe.14 Merkwaardig

genoeg werden toen de wegenwerken voor 21 jaar stilgelegd. De slechte verstandhouding tussen het prinsbisdom en de Oostenrijkse Nederlanden waren er de oorzaak van dat er aan de weg niet meer gewerkt werd. De wederzijdse tarievenverhoging van de tolrechten deed de handel stilvallen. Jan-Theodoor van Beieren had inmiddels begrepen dat er van het Oostenrijkse bestuur in Brussel niets te verwachten viel. Op 26 april 1758 werd op de rijksdag besloten gedurende een termijn van drie jaar een som van 30.000 kronen uit te trekken voor de afwerking van de heerbaan. Meteen werd er een begin gemaakt met de voltooiing van het stuk naar Holland. Deze steenweg liep recht naar het noorden van de provincie, dwars door de heide van de Kempen. Met het oog op de realisatie van dit gedeelte van de werken had de Hasseltse stadsmagistraat reeds in 1719 en 1720 een aantal kavels heidegrond verkocht aan particulieren. Bij gebrek aan de nodige fondsen vorderden de werken slechts aan een slakkengangetje. In 1765 werd een nieuw bedrag van 15.000 kronen uitbesteed voor een volgend gedeelte van de weg. In 1770 waren de werken gevorderd tot in Helchteren en in 1788 bereikte men de Hollandse grens.15 Er verliep nog een tijdsspanne, alvorens de Verenigde Provincies ertoe overgingen op het Hollandse grondgebied de steenweg verder te trekken tot ’s Hertogenbosch. In 1788 was het belangrijkste deel van de weg naar Lommel voltooid. De aanleg van het laatste stuk tot Lommel en Best werd pas gerealiseerd tussen 1790 en 1818.16 Uiteraard verhoogde deze verbindingsader ook de welvaart van Hasselt. Vanuit Luik konden voortaan bouwmaterialen, metalen en steenkool rechtstreeks onze stad bereiken, wat de bouwactiviteiten in de stad deed toenemen. Het tweede gedeelte van het waargenomen traject, dat het noorden van de provincie in twee evenredige delen splitste, werd gerealiseerd tegen 1788. Tot na 1830 was de steenweg Luik-Hasselt-Eindhoven de enige gekasseide baan die Hasselt met de omlig-


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

gende gemeenten verbond. In 1840 werden de Sint-Truidersteenweg en de Kuringersteenweg aangelegd.17 De Genkersteenweg volgde tussen de jaren 1843 en 1846 en de Maastrichtersteenweg werd afgewerkt in 1854. Om de aanleg en het onderhoud van de rijksbaan Luik-’s Hertogenbosch te bekostigen werd een tolheffing ingevoerd voor de weggebruiker die, naargelang deze zich te voet, te paard of met een voertuig verplaatste, aan een aangepast tarief onderworpen werd. Het mandement dat prins-bisschop Joris-Lodewijk van Berghen op 29 september 1741 had uitgevaardigd legde toltarieven op voor de doorgang van schapen, zwijnen, lastdieren, voertuigen met gespan en landbouwkarren.18 Op de Luikersteenweg, ter hoogte van de Langveldstraat, lag een tolhuis met een tolbarrier, waar ruim 100 jaar weggeld werd geïnd. Vanpaesschen maakte geen melding van dit pand, dat wel vermeld staat als ‘Aan het Barrier’ op de kaart van Bonniver uit 1820. Een gelijkaardige barrier met tolhuisje stond op de rijksweg naar de Kempen, een vijftigtal meter voor de plaats waar kort nadien het oud kerkhof aangelegd zou worden. Aanvankelijk werd de doorgangstol rechtstreeks geheven door de ontvanger van het tolkantoor en werden de opbrengsten vervolgens overgedragen aan de kanselarij van Luik. Vreemde bezoekers zoals buitenlandse vorsten, diplomatieke gezantschappen of krijgslieden, voorzien van een vrijgeleidebrief, genoten vrije doorgang aan de barelen. Eenzelfde uitzondering genoten ook de kapucijnen en de minderbroeders, wanneer zij op vertoon van een vrijgeleide in de omgeving van de stad op bedeltocht trokken. Dit systeem van belastingheffing bleek evenwel niet voldoende waterdicht. De vergadering van de Staten voorzag daarom vanaf 1745 een aantal nieuwe maatregelen, die vooral het onderhoud van de steenweg op het oog hadden. Voortaan werd de inning van de wegentaks voor een termijn van tien jaar verpacht aan de meestbiedende. Deze nieuwe werkwijze hield anderzijds in dat de tolpachter van zijn kant er in de regel toe gehouden was het tracé dat hem

was toegewezen op zijn kosten te onderhouden en regelmatig te laten herbestraten. De Luikse Staten bepaalden de modaliteiten die de pachter moest respecteren, zoals de lengte van het tracé dat van nieuwe keien voorzien moest worden, de kwaliteit van de stenen, enz.19 De pachter moest ook op geregelde tijdstippen de breedte van de weg opmeten om vast te stellen of de eigenaars van de belendende percelen geen stuk van de weg hadden ingelijfd bij hun eigendom. Om het baantracé af te palen, werden jonge wilgen of soortgelijke bomen langs de weg geplant. Tijdens de dooiperiode dienden de barelen gesloten te blijven om verzakkingen van het wegdek op de onstabiele ondergrond te voorkomen. De meeste wegen waren immers onvoldoende verhard en werden in de wintermaanden tot een ware modderpoel herschapen. Circa 1700 telde Limburg slechts twaalf kilometer verharde wegen. Verordeningen aangaande het wegenonderhoud stootten op tegenstand of onverschilligheid. De particulieren waren verantwoordelijk voor het onderhoud van de sloten en grachten die paalden aan hun eigendom, terwijl de gemeenten instonden voor het onderhoud van de openbare wegen. Tijdens de bezetting van ons land door de Franse sansculotten werd de inning van het tolgeld een tijdlang vervangen door een extra belasting op het verbruik van zout.20 De Franse overheid decreteerde dat de opbrengsten van deze speciale heffing dienden aangewend te worden voor het herstel van de wegen. In de Hollandse tijd werden de tolrechten opnieuw geheven volgens de normen die in het verleden van toepassing waren. Na de Belgische Omwenteling van 1830 werd het tolstelsel zelfs uitgebreid tot de overige buurtwegen. De volledige provincie Limburg omvatte in die tijd zowat een zestig tolbarelen. Het spreekt voor zich dat een dergelijke vorm van belasting niet sluitend kon zijn en dat de opbrengst van de tol meestal niet toereikend was om de wegen te laten herstellen. Vele tolpachters gaven zich zelfs niet de moeite om de broodnodige onderhoudswerken te laten uitvoeren.

31


32

12

13 14 15 16 17 18 19 20 21 22

De opkomst van de spoorwegen en de voordelen van het treinvervoer circa 1850 veroverden geleidelijk het vertrouwen van de traditionele weggebruiker. Meer en meer staken er stemmen op om de hinderlijke en tijdrovende tolbarrieren op te heffen. Baanbreker voor de afschaffing van de tolrechten was minister Frère Orban. Jarenlang werd er in de Kamer een vinnige strijd gevoerd, die uiteindelijk leidde tot de afschaffing van de tolbarrieren ingevolge de wet van 15 november 1866. Geleidelijk aan gingen de provincies vervolgens zelf over tot de afschaffing van de tolrechten op hun eigen buurtwegen. In vele gemeenten ging de afbraak van de barrieren met feestelijkheden gepaard.21 De opheffing van de bareelrechten en van de tolheffing in 1866 gebeurden tot eenieders tevredenheid. Het tolrecht dat als een zware belastingsdruk ervaren werd, belemmerde in grote mate een normale uitbouw van de handelstrafiek. Het voortbestaan van de octrooien of gemeentelijke douanekantoren bleef evenwel een hinderpaal binnen het vigerend belastingssysteem.

Enkel de grotere gemeenten konden zich een plaatselijke douaneadministratie veroorloven. De opbrengst van deze taks betekende voor sommige steden meer dan de helft van hun globaal inkomen. Onderlinge concurrentie en rivaliteit tussen de steden gaf meer dan eens aanleiding tot een ware tarievenoorlog. Geleidelijk maar zeker keerde de openbare opinie zich tegen deze verouderde formule van belastingen. In de kamer van volksvertegenwoordigers werden hevige debatten gevoerd tussen voor- en tegenstanders. Uiteindelijk besliste de wet van 18 juli 1860 dat de gemeentelijke octrooien werden afgeschaft. De weinige conservatieve voorstanders hadden tevergeefs de gemeentelijke zelfstandigheid ingeroepen.22 Vanzelfsprekend moest er nu dringend worden uitgezien naar andere fondsen om de uitgaven van de gemeentekas te spijzen. Hierin lag de oorsprong van het Gemeentefonds. De middeleeuwse stadsomwalling werd in Hasselt gesloopt tussen de jaren 1846 en 1849. Op dat ogenblik waren de octrooirechten nog niet afgeschaft.

In onze tijd, nu de douanecontrole aan de landsgrenzen alleen nog van toepassing is voor de registratierechten van internationaal transport, kan men zich nog bezwaarlijk voorstellen dat voorheen onze steden en grotere gemeenten over een eigen toldienst beschikten om de in- en uitvoerrechten te innen aan de stadspoorten. Deze taxatie gebeurde vooral op eetwaren, dranken, bouwmaterialen, zeep, kaarsen, enz. Deze gemeentelijke belasting werd eveneens verpacht aan de meestbiedende, naar analogie met de tolheffing op de wegen die vroeger werd toegewezen aan de pachter die het hoogste bod deed.

Het spreekt voor zich dat Hasselt na de sloping van de stadspoorten nog munt trachtte te slaan uit de inning van de octrooien. Daarom besloot de stadsmagistraat over de hele lengte van de ring grachten aan te leggen die met het water van de Nieuwe Demer gevuld werden. Hierdoor werd verhinderd dat bezoekers en handelaars van buiten de stad ongemerkt de stad konden betreden tenzij via een van de vier stadspoorten. Een laatste overblijfsel van deze omgrachting - tussen de huidige Boudewijnlaan en de kanaalkom – werd pas in 1940 gedempt.

O. Robijns, ‘De groote verkeerswegen in Limburg voorheen en nu’, Limburg, V (1933-1934) 49. M. Martens, ‘De weg van Luik op Hasselt’, Limburg, XXXIII (1954) 99-100. S.a., Nieuw-Hasselt (Hasselt 1980) 16-17. ‘De oude barrier. Over tolrechten en octrooien’, De Hasselaar 44 (1967) 2. O. Robijns, ‘Van Luik naar Eindhoven’, LPL, VIII (juni 1904), 45-46. L. Ceulemans, ‘Quelques renseignements sur les voies de communication dans le Limbourg’, BSM, VII (1871)105-110. M. Frère, ‘Verkeersverbindingen in de achttiende eeuw’, De Tijdspiegel, XIX:11 (1964) 240-244. O. Robijns, ‘De tol op den steenweg Luik-Eindhoven’, LPL, IX:4 (1905) 21. Robijns, ‘De tol op den steenweg Luik-Eindhoven’, 21. ‘De oude barrier. Over tolrechten en octrooien’, De Hasselaar, 44 (1967) 2. ‘De oude barrier. Over tolrechten en octrooien’, De Hasselaar, 44 (1967) 2. Robijns, ‘De tol op den steenweg Luik-Eindhoven’, 21.


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Op de plaats van de vier stadspoorten, de Maastrichterpoort, de Luikerpoort, de Kuringerpoort en de Kempische Poort, werden sierlijke ijzeren hekkens aangebracht en octrooihuisjes gebouwd. Na de afschaffing van de stadsoctrooien werden deze ijzeren sluithekkens gebruikt om het kerkhof op de Kempische Steenweg, het kerkhof van Godsheide en het stedelijk gasthuis langs de straatkant aan de Thonissenlaan af te sluiten. Jaren nadien werden de tolhuisjes toegewezen als woonverblijven aan politieagenten. Paul Bamps heeft deze tolhuisjes bij de stadspoorten op zijn aquarellen voor het nageslacht bewaard.

Overblijfsel van de stadsgrachten nabij de Kempische Poort. (postkaart, privécollectie)

33


34

Gezicht op de stadspromenade ter hoogte van de Kuringerpoort met links het tolhuisje. Gouache van P.M. Bamps, 1890. (Verzameling markiezin de Trazegnies)


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

3.

De stad en haar omgeving Meestal zijn historici geneigd de geschiedenis van een stad te schrijven aan de hand van gebeurtenissen die zich binnen de muren hebben afgespeeld. Even belangrijk is het nochtans de groei van een stad in de buitingen en binnen de periferie van haar vroegere begrenzing onder de loep te nemen. Hasselt is gelegen aan de Demer, die de natuurlijke scheidingslijn vormt tussen de noordelijke Kempen en het zuidelijke Haspengouw. Omstreeks het einde van de achttiende eeuw grensde de stad in het noorden aan Zonhoven, in het noordoosten aan Genk, in het zuidoosten aan Diepenbeek, in het zuiden aan Kortessem en Wimmertingen, in het zuidwesten aan Sint-Lambrechts-Herk en in het noordwesten aan Kuringen. In de loop van de volgende jaren bleven de grenzen met de randgemeenten nagenoeg ongewijzigd. Alleen in het noorden verloor Hasselt een strook heide ten voordele van Zonhoven als gevolg van een betwisting tussen de twee gemeenten die aansleepte van het begin van de vijftiende tot het begin van de negentiende eeuw. Tot in de zestiende eeuw maakte ook Bokrijk, dat thans onder Genk ressorteert, deel uit van het grondgebied van onze stad.23

Het centrum van de stad, dat een oppervlakte beslaat van zowat vijftig hectaren, vormt een cirkel met een omtrek van 2.350 meter. De grootste lengteas van noord naar zuid strekt zich uit over 10,5 km, de grootste breedteas over 7 km. De uitgebreide rand buiten onze wallen, die ruim zeventig procent besloeg van de totale oppervlakte van de gemeente, droeg vroeger een uitgesproken agrarisch karakter. Vlak buiten de wallen beschikten de Hasselaren sinds eeuwen over hovingen en kleine tuintjes die ze voor eigen gebruik bebouwden. Mantelius maakt in zijn Hasseletum gewag van deze jarenoude traditie: “cives namque suos quisque hortos extra moenia colunt.”24 De burgerij teelde er de groenten om in haar dagelijkse behoeften te voorzien. De verderop gelegen akkers en landerijen vonden in de binnenstad de nodige afzet voor hun landbouwproducten. Ingevolge de expansie van de stadskern en de inplanting van nieuwe woonwijken, is er vandaag welhaast niet veel meer terug te vinden van de landelijke ongereptheid van weleer.

35


36

Het landschap ten noorden van het centrum werd gedomineerd door de schrale uitgestrektheid van de dorre Grote Heide en de Hasseltse Heide. Het was een onvruchtbare zanderige vlakte, verlevendigd door de aanwezigheid van vijvers en dennenbossen. Enkele spaarzame velden tussenin, bewerkt met veel mankracht en hard labeur, verzekerden de eigenaars een magere opbrengst aan rogge en boekweit.25 De vruchtbare aanwezigheid van klei ten zuiden van de Demervallei vormt het overgangsgebied naar de kluitige Haspengouwse landbouwgrond. Malse korenvelden en rijke akkers, die ieder jaar opnieuw met een ongemeten gulheid voor de bewoners graan en andere veldgewassen opbrachten, sluiten dit deel van de stad af met een gordel van groen. Daartegen stelt Mantelius dat het bewerken van de grond in zijn vaderstad niet enkel de nodige hoeveelheid gerst, rogge en haver verzekerde aan de bevolking, maar bovendien een bron was van een vruchtbare hennepcultuur. Hennep vormde de grondstof voor de productie van zeilstof, een industrie die in de zestiende eeuw door meerdere gezinnen in Zonhoven beoefend werd. Zonder duidelijke aanleiding verdween de aanplanting van hennep nadien uit onze regio. Later werd er gedurende enkele jaren hop geteeld op Hasseltse bodem, al was deze cultuur een kort bestaan beschoren. Vlas werd vooral gecultiveerd in het oostkwartier van de stadsrand. Het spinnen van hennep en vlas was trouwens een van de belangrijkste bezigheden van vele huisvrouwen tijdens de lange winteravonden. De stadsmagistraat richtte zelfs een speciale markt (lintmerct) in voor de verkoop van vlasproducten, waarop aparte belastingen geheven werden.

Landschap op de Grote Hasseltse Heide. (postkaart, privĂŠcollectie)

De aanplanting van de aardappel, het veldgewas dat op alle tafels terechtkwam, gaat terug tot de achttiende eeuw. Het waren de Fransen die in de negentiende eeuw op grote schaal de tabakscultuur invoerden in onze gewesten. Het veld van Heckeleers langs de Oude Kuringerbaan genoot ter zake bekendheid. Het cultiveren van meekrap werd in Hasselt ingevoerd in de tweede helft van


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

de achttiende eeuw.26 De opbrengst van deze plant was deels bestemd voor Verviers, deels voor Antwerpen. Na het verdwijnen van de Franse bezetter uit onze gewesten verdween mede de aanplanting van de meekrap. Drie eeuwen geleden waren veel percelen in de periferie nog rijk aan vijvers en moerassen. De meeste van die stagnerende poelen verdwenen in de loop der jaren, vooral tengevolge van de ontginning van de bossen, wat nadelige gevolgen had voor het behoud van een evenwichtig waterbestand in de ondergrond. In het noordwestelijke stadsdeel waren op de voormalige landerijen van Crutsen tot in de twintigste eeuw nog sporen van verdwenen poelen zichtbaar. In de Planckeweide staan nog regelmatig sommige delen van het stadspark blank nadat de Helbeek er overkluisd werd. In de kwartieren gelegen noordwaarts van de Demer zijn de contouren van oude waterplassen nog altijd herkenbaar, maar vooral herinneren sommige toponiemen aan stilstaande vijvers en moerassen uit vroegere jaren. Vroeger werd het merendeel van de weiden en de akkers afgezoomd met aarden wallen en ingeperkt met hagen, kreupelhout en afgeknotte bomen. Het verdwijnen van deze natuurlijke afsluitingen wijzigde het landschappelijk uitzicht ten gronde en werkte de aanleg van tal van agrarische verbindingsweggetjes in de hand. Sinds de fusie van het centrum met de randgemeenten in 1977 behoren Wimmertingen en Sint-Lambrechts-Herk voortaan ook bij het grondgebied van Hasselt. Hierdoor is de zuidergrens van de stad tot tegen Alken en Kortessem verlegd. Ook Kuringen, Kermt, Spalbeek, Stevoort en Stokrooie werden door dezelfde fusiewet binnen de omschrijving van de stad opgenomen. Door toevoeging van voornoemde gemeenten wordt de stad in het noorden begrensd door Herk-de-Stad, Schulen, Lummen, Kozen en Heusden-Zolder.27

De naaste omgeving van de stadswallen Mantelius vermeldt in zijn Hasseletum dat de meeste Hasselaren eigenaar waren van een tuintje buiten de stadswallen: “cives namque suos quisque hortos extra moenia colunt”. Vooral vanaf de Franse tijd was het aantal groentetuinen in de onmiddellijke nabijheid van de ring zichtbaar toegenomen. Meerdere stadsbewoners waren in de negentiende eeuw eigenaar van een privétuintje buiten de Kuringerpoort, op de Vossekuilen (percelen 125-126) tegenover de Boekstraat of in de lengte van de Wijerstraat tot aan het Dorp (thans Dr. Bollenstraat). Tussen het Dorp en het Kattegat waren de buitenboorden van de stadsgrachten ingenomen door een stadsweide, de Keeskamersberg (percelen 1182-1183). Het uitgestrekte veld tussen de Wijerstraat en de Melkvoetweg (percelen 12041207), dat enkele jaren geleden doorsneden werd door een spoorvertakking die naar de kanaalkom leidde, werd aangewezen als het Windmolenveld. Noordwaarts van het Windmolenveld lag het Brouk dat reeds in de dertiende eeuw in teksten vermeld werd. Hier lag de Broukermolen (perceel 1317), de banale molen waarop de graaf van Loon zijn aanspraken kon laten gelden. Het pad dat afgeboord met een greppel langs het Brouk liep en de verbinding vormde tussen de Lazarijstraat en de Wijerstraat, heette de Zeyps. Het deel van de weg dat van het Windmolenveld vroeger naar de Broukmolen liep, werd de Volmolenstraat (percelen 1180-1181) genoemd, een herinnering aan de oude volmolen die bij het beginpunt van deze weg lag. In de Breestraat lagen de vijvers die naar de naam van hun eigenaar de Fredericivijvers (perceel 1251) werden genoemd. Ook buiten de Kempische Poort had de burgerij van de stad voor eigen gebruik hovingen liggen, meer bepaald tot aan de afspanning ‘In den lesten Stuyver’. Na de aanleg van de steenweg naar ’s Hertogenbosch werd op een vijftigtal meter vóór de Kempische Vilstraat in 1741 een woning gebouwd

37


38

voor de bareelwachter, die later dienst deed als octrooihuis, waar de tolontvanger zijn intrek nam. Nadien woonde er de opzichter van het kerkhof. Aan dezelfde kant van de weg in de richting van de stad bevond zich in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw de herberg met de sprekende naam ‘In den lesten Stuyver’. Op 7 oktober 1796 kocht de stad Hasselt een groot perceel akkerland aan, eigendom van de sepulchrienen, op de hoek van de heerweg en de Vilstraat. Hier werd het nieuwe stadskerkhof aangelegd. Tussen de Kempische Poort en de Vaartstraat lagen aan de westkant enkele tuinen. Op de noordelijke hoek van deze straat lag in het derde kwart van de negentiende eeuw ‘Le Petit Café’, een bordeel waarvan de toegang aan militairen verboden was. Herbergier Schaulioguet, die aanvankelijk een herberg uitbaatte aan de noordkant van de Witte Nonnenstraat, bracht zijn café over naar dit hoekhuis met de Vaartstraat. Tegenover dit kroegje lag aan de oostzijde van de Kempische Steenweg ‘Den Oranjeboom’, een herberg met danszaal, bewoond door Lambert Vanpaesschen, Godfried Kellens en een zekere Overheyden. Op 27 januari 1857 werd dit ruime pand, toen bewoond door Godfried Kellens die er de helft van betrok, terwijl Godfried Leurs in het andere deel woonde, door Kellens verkocht aan de broodbakker Jozef Hauwaert, die het later tot vier woningen verbouwde. De plaats waar de Nieuwe Demer via het Begijnhof de stad binnenvloeide werd bedacht met de naam van de fiere stadstoren die hier op de stadswal stond: Op de Luys of Op de Laus. De vlakte besloten tussen de Willekensmolenstraat, de Vilstraat en de stadswal wordt in het bunderboek aangegeven als Op de Wijngaard. Naar alle waarschijnlijkheid herinnert dit toponiem aan het bestaan van een wijngaard op deze plaats, meer bepaald tot het eind van de vijftiende eeuw. Een deel van dit veld, bekend als de Susteren Wijngaard, was eigendom van het franciscanessenklooster van het Katharinadal.28

De strook die besloten lag tussen de Willekensmolenstraat, de Casterhovensteeg en de Maastrichterbaan stond bekend als het Corneliskerkveld, een herinnering aan de vroegere Sint-Corneliskapel bij het begin van de Willekensmolenstraat. In de nabijheid van de Maastrichterpoort bevonden zich geen huizen. De gronden tot bij de ingang van de Willekensmolenstraat werden ingenomen door hovingen. Tussen het beginpunt van de Willekensmolenstraat en de Stalmansbrug lagen slechts twee winningen. Een smalle puntig uitlopende weide, het Teutelwijerke, vormde de hoek van de Trichterbaan met de Bosvoetweg. Op de kruising van het Diepenbekervoetpad (Windmolenstraat) met de Stadsomvaart stond in de zestiende eeuw bij de ingang van de Rapertingenweg de Geuzengalg. De percelen tussen het Diepenbekervoetpad en de Trichterbaan kregen de naam Op de Hoven wegens de vele tuintjes van de stadsburgerij die tot in het midden van de twintigste eeuw in deze steeg gelegen waren. Links van het eerste stuk van de uitvalsweg naar Luik (Ossesteeg-Toekomststraat) achter het eerste begijnhof lag in de vallei van de Helbeek een vochtig weidegebied (thans stadspark), de Plankeweide. Hier vond op 2 januari 1681 het treffen tussen de Hasseltse Jongmans met een Duitse cavalerie-eenheid plaats. De beek, die in geval van verhoogde regenval vaak buiten haar bedding trad, had een weinig verder richting Luikerbaan de Begijnenpoel (Rodenbachstraat) gevormd. Achter dit moerasgebied in de richting van de wallen lag de Begijnenboomgaard. Beide toponiemen herinneren aan de aanwezigheid van het eerste begijnhof van de stad.29 Ook langs de baan naar Sint-Truiden lagen tal van tuinen tussen de stadspoort en het Plaaster, waar de Vilstraat (de naam Fonteinstraat dateert van de jaren dat hier een artesische put werd aangeboord) zich aansloot bij de steenweg.30 Verder langs dezelfde baan werden ook hoven aangelegd tot aan de Tesch. De ruimte tussen de Vilstraat en de stadswal (tot aan de Sliksteen) (nu Leopoldplaats) werd aangeduid als de Hees (percelen 1003-1010). Tot in het midden van de achttiende eeuw lagen er geen woningen buiten de Luikerpoort. Pas omstreeks 1760 werd de afspanning ‘Het Vosken’ gebouwd.31


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Café ‘Het Vosken’ aan de Luikerpoort. (postkaart, privécollectie)

39


40

Om zich te beveiligen tegen inbrekers en plunderzieke soldaten op doortocht bouwden de bewoners in de buitingen van de stad hun huizen en pachthoeven bij voorkeur gegroepeerd. Daarom waren eigenaars van woningen in de stadsrand er ingevolge een ordonnantie van 1691 toe gehouden op geregelde tijdstippen te patrouilleren in hun omgeving om zodoende ongewenst bezoek af te wenden. 32

Een weggetje ten gerieve van de molenaars vanaf de Veltmansbrug langs de Nieuwe Demer tot aan de Meukens, de Watermansweg, is vandaag deels bewaard in de Watermansvoetweg. 33

Vóór het midden van de achttiende eeuw trof men op de buitingen bijna geen bouwsels in baksteen aan. Omstreeks die jaren werd de Crutsenhoeve herbouwd. De Broukermolen in de vernieuwde uitgave draagt het jaartal 1742. Een stal bij de brug over de Nieuwe Demer in de Voorstraat werd gebouwd in 1739 en uit dezelfde periode dateerde de Rode Poort in de Willekensmolenstraat. Tegenover het beginpunt van de Genkerbaan vertrok van op de Kemperheide de (niet meer bestaande) Molenstraat, die in de omgeving van het Hoogvonder (percelen 1329-1374) aan de Duivelsbrug (percelen 15071508) de Oude Demer kruiste om van daaruit haar weg naar de Broukmolen voort te zetten. Twee paden, de Broukmolenvoetweg en de Caperhoren sloten van op de grens met Kuringen aan op de Molenstraat ter hoogte van de Duivelsbrug.

J. Reynders, Toponymie van Hasselt (extra muros) (Leuven 1935) 1. Vertaling: “Want elke burger bewerkt zijn tuintje buiten de muren.” 25 J. Grauwels, ‘Een beschrijving van de Kempen en van Haspengouw (1809)’, Limburg, 39 (1960) 299-301. 26 De meekrap (Rubia tinctorum), ook wel ‘mee’ of ‘mede’ genoemd, is een plant die behoort tot de sterbladigenfamilie (Rubiaceae). Meekrap werd vroeger aangewend als grondstof voor de rode kleurstof alizarine, die werd gebruikt voor het kleuren van textiel en leer. Ook werd meekrap gebruikt in de miniatuurschilderkunst, als pigment om olieverf of lijmverf te kleuren. Daarnaast wordt er al sinds de oudheid een medicinale werking aan deze plant toe geschreven. http://nl.wikipedia.org/wiki/Meekrap Grauwels, ‘Een beschrijving van de Kempen en van Haspengouw (1809)’, 304-305. 27 S.a., Nieuw-Hasselt, 21-24. 28 C. Bamps en E. Geraets, ‘Hasselt-jadis. Recherches historiques et archéologiques sur la situation ancienne de la banlieue de cette localité’, Bulletin de la Société des Mélophiles (verder BSM), XXXI (1895) 92-93. 29 Bamps, ‘Hasselt-jadis’, 94-96. 30 Een artesische put is een door de mens gecreëerde artesische bron. Dit is een bron waaruit het water spontaan naar boven komt door de hydrostatische druk op het water dat zich in een ondergronds bekken bevindt. Als de diepere laag wordt aangeboord zal er “spontaan” water uit het boorgat stromen. http://nl.wikipedia.org/wiki/Artesische_bron 31 Bamps, ‘Hasselt-jadis’, 96-97. 32 Bamps, ‘Hasselt-jadis’, 98. 33 Bamps, ‘Hasselt-jadis’, 53. 23 24


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

4.

Woningbouw en huisvesting aan de stadsrand

De uitgestrekte Hasseltse heide tussen het Schrijnbroek en de Beverzak bood zich in de tweede helft van de achttiende eeuw aan als een desolate vlakte. Het allesbehalve herbergzame karakter van de bodem, verzengend onder de zomerhitte en bijtende koude tijdens de vriesmaanden, bracht met zich mee dat deze stadsstrook in het verleden slechts met mondjesmaat bewoond werd. De dungezaaide schamele stulpen van de heikleuters, die in dit barre landschapskader trachtten te overleven, getuigden voor zich dat dit noordelijk stadskwartier tweehonderd vijftig jaar geleden bepaald geen voorbeeld was van een dichte woonconcentratie. In zijn novelle De Heikleuters beschreef Alfons Jeurissen deze armzalige hutten van de bezembinders met een poëtische pen: “Het huizingske met zijn zwart schaddendak, dat hoog en gebocheld tot in de takken van de berken reikte, stond met spichtige grashalmen overzaaid, en het mos, dat met malse groene lappen over de euzie en de helling kroop, hield hogerop de wanstaltige schoorsteen dicht omsloten. Op manshoogte zonken de afgeknotte stropijlen van het dak tot boven de deur en het kleine venster, die beide in de achteroverzakkende lemen gevel droevig uitkeken naar de schamele heide.

Bessembindershuisje op de Grote Heide van de Hasseltse Beverzakstraat.

Het hutje scheen uitgestorven: alleen op de halfopenstaande onderdeur zat een oude haan met ontpluimde staart slaperig te knipogen op vijf, zes hennen, die zoekend en pikkend het huiske uit en in trippelden. Bezijden het hutje lag een onafgereend moestuintje te kleuren en langsheen de naaldbomen dingelden de geelgroene korenakkertjes in de blakering. In de vlakte liepen kleine koeien tot aan de buik in de houterige kruiden te grazen. Verderop vlekten enige als bont speelgoed, en heel wijd wemelden andere wolvlokken over de zwarte zonnelanden. 34

41


42

Zo ver het oog zien kon, gloeiden de kruinen der dennen in koperkleurige zonnebrand en tekenden met klimmen en dalen een lijn van spichtige naaldentakjes scherp af over het blauwende loof, dat dicht met schaduwschakeringen boven de duizenden rode stammen golfde. De hooggekuifde heide tierde weelderig en bebloemd in bruine en gele oker onder de diepblauwe avondlucht. Geen ademke wind milderde de hitte die schier smachtend over de brede vlakte trilde. De hommel gonsde met één brom kogelsnel voorbij. Ginder wijd, in het verzilverd zwarte moerven, kwaakten en reutelden de kikvorsen rusteloos: zij schenen het avondlied der krekels te begeleiden, die in brem en heide schril en sjirpend belden. Heel ver verwijderd lagen de hutten te schimmeren. ’t Vormde daar een vergezicht met groenblauwe achtergrond in een wazige neveling van rozenfloers, waaruit als een onvatbare schim de toren van Zonhoven oprees en waartegen de huizekes, achteloos afgelijnd en met zwarte en bonte vlekken, grof geklad stonden”.35 Aanleunend bij het Kempisch landschapstype trof men tussen de zompige vennen, de stroeve heide, de ondiepe wijers afgeboord met rietkragen, de sporadisch verspreide loof- en naaldbossen, ook enkele hoevetjes van het langgeveltype aan. Kenmerkend voor deze agrarische bouwstijl is het regelwerk waarin deze huisjes opgetrokken waren. Naar buiten toe was enkel het verticale frame van de steunbalken herkenbaar. De wanden werden geconsolideerd met vlechtwerk, opgevuld met een mengsel van leem en gehakt stro. Karakteristiek voor deze hoevebouw is het laag overhangend dak in compact stro, dat de bewoners moest beschermen tegen de ongure inslag van regen, sneeuw en wind.36 De solide boerendoeningen, die zich ontwikkeld hadden rond een complexe hofstee, vond men hoofdzakelijk terug ten zuiden van de stadskom, waar de vruchtbare grond zich leende tot een doorgedreven landbouwexploitatie. Typisch voor deze vakwerkstijl is dat het balkwerk in de buitenmuren met schuine windstijlen geprofileerd is, uiteraard

in de tussenvlakken eveneens opgevuld met leem. Meestal werden de balken langs de buitenkant bestreken met zwarte teer. Deze modellen variëren van de langgerekte winning tot een plattegrond in L-vorm of een vierkante opstelling van het woongedeelte en de stallen met een mestvaalt in het midden. De Scherpesteenwinning en de hoeve van Ter Hilst werden gebouwd volgens een kwadratisch grondplan. De zwaardere landbouwgronden brachten een hogere concentratie van boerderijen met zich mee, vaak gegroepeerd in lintbebouwing.37 Tot vandaag zijn meerdere hofsteden van dit type bewaard in het zuidelijke stadsgedeelte. Intussen zijn om brandtechnische redenen de strodaken uiteraard vervangen door pannen. De meeste boerderijen werden inmiddels herbouwd in baksteen en de nieuwbouw maakte uiteraard alleen gebruik van kareelsteen. Ingevolge de expansie van de stad werden de woningen gegroepeerd gebouwd in wijken of langs de grote verkeersaders en de uitvalswegen buiten de ring. In het tweede kwartaal van de twintigste eeuw werden bescheiden werkmanswoningen geconcentreerd in woonerven in de stadsperiferie, huisjes van een verdieping met aan de achterkant een tuintje voor eigen gebruik. Na de Tweede Wereldoorlog nam de stad het initiatief tot de bouw van meer riante wijken, waar een groot deel van de vroegere centrumbewoners zijn toevlucht zocht in een ruimtelijke omgeving. Meteen verdwenen hiermee de vele tuintjes in de onmiddellijke omgeving van de stadsboulevard, waar de negentiende-eeuwse stadsbourgeoisie haar groenten teelde. In de zestiende eeuw bleken de molens op de Stiemer en de Willekensmolen aan de Oude Demer niet meer voldoende productief om het ritme van de lakenindustrie te kunnen volgen. Daarom nodigde de magistraat op 23 juli 1545 de watermeesters van Luik (dijkmeesters) uit tot een plaatsbezoek aan de Broekermolen om te overwegen of die niet getransformeerd zou kunnen worden tot volmolen waar hennep en vlas ‘gevold’ werden tot laken. De watermeesters gaven hun goed-


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

keuring aan dit voorstel. De lakenmakers en -scheerders vroegen dan toelating aan de prins-bisschop om de Genkse volmolen op de Stiemer naar Hasselt “te moeghen hersetten ende transfereren”. Wegens de ongunstige ligging van de volmolen in Genk argumenteerden de ambachten dat de plaats op de Demer “bequamer” gelegen was. De gilden van de lakenmakers en de scheerders ontleenden voor dit project een bedrag van tweehonderd gulden. Hierna werd de Kapermolen als graanmolen in gebruik genomen. Na 1652 verkocht het stadsbestuur “sekeren schoonen timmer staende buyten Hasselt, genaempt die vollmuelen.” In de periode dat de lakenindustrie haar hoogtepunt doormaakte, was de gemeente eigenaar van twee volmolens, een op de Stiemer bij Genk; de andere was de Willekensmolen op de Oude Demer.

34 35 36 37

A. Jeurissen, Verzameld werk deel I (Borgerhout 1950), 30 en 23. Jeurissen, Verzameld werk, 49 en 104. J. Lyna, ‘Nos vieilles fermes’, Verzamelde Opstellen (verder VO), IV (1928) 77-92. Reynders, Toponymie van Hasselt, 11.

43


44

5.

De drie componenten van het hydrografische landschap van Hasselt Het hydrografisch netwerk van de vroegere omschrijving van de stad Hasselt wordt voor negentig procent ingenomen door het Demerbekken. Slechts tien procent van de totaaloppervlakte wordt bevloeid door de Molenbeek of de Mombeek, een zijarm van de Herk. Over een lengte van zowat vijftienhonderd meter vormt de Herk de natuurlijke grens van de stad met Wimmertingen, Kortessem en Sint-Lambrechts-Herk. De Demer betreedt het grondgebied van de stad via het gehucht Godsheide. Op dit beginpunt is de rivier vertakt over twee armen: de oorspronkelijke loop of de Oude Demer en de in de dertiende eeuw artificieel aangelegde Nieuwe Demer. Nadat beide takken een lang parcours hebben afgelegd, de ene via het centrum, de andere deels parallel lopend met de noordelijke singel rond de stad, vervoegen de twee Demerarmen zich opnieuw naast de kom van het Albertkanaal ter hoogte van de Herkenrodesingel op het punt dat in de volksmond de voor zichzelf sprekende naam De Vergadering kreeg. Ingekapseld vanaf zijn intrede op Hasselts grondgebied tot aan de Kapermolen tussen een groene galerij van beemden, markeert de Oude Demer de natuurlijke scheiding tussen de noordelijke zanderige stadshelft en de leemrijke gronden van het zuidelijke gedeelte.


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Figuratieve kaart van de Oude en de Nieuwe Demer vanaf Diepenbeek tot Kuringen, getekend door landmeter Charles Lecomte, oktober 1778. (Demerkaart Stadsarchief Hasselt)

45


46


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

47


48

De scheidingslijn tussen het Demerbekken en het bekken van de Herk wordt bepaald door de hoogtekam die vanuit Melbeek vertrekkend de Luikersteenweg dwarst ter hoogte van het kasteel van Henegouw, een tijdlang vanop afstand gelijk loopt met de grens tussen Hasselt en Sint-Lambrechts-Herk tot aan de spoorweg die Hasselt met Sint-Truiden verbindt, vervolgens afslaat in de richting van de watertoren aan de Sint-Truidersteenweg, om van daar af de vroegere Dormaalstraat te volgen tot aan de grens met Kuringen. Het stadsdeel ten noorden van deze kam behoort tot het Demerbekken. Wegens dat merkelijk hoogteverschil hebben de zijriviertjes op de linkeroever van de Demer een zodanig verzwakt debiet dat deze beekjes in periodes van weinig regenval vrij makkelijk droog komen te staan.

Langsheen vele meanders doorsnijdt de Oude Demer de Trichterheide op weg naar de stad. (postkaart, privĂŠcollectie)

De bijrivieren van de rechter Demeroever daarentegen worden voorzien van een rijkelijker watertoevoer. Enkele van deze wateraders bevoorraden zich aan waterreservoirs in Genk en in Zonhoven of putten hun water uit de talrijke vijvers en poelen die de Hasseltse Heide rijk is. Toen de Nieuwe Demer in de dertiende eeuw met vereende mankracht werd uitgegraven in opdracht van de graaf van Loon om zijn twee graanmolens in de stad van de nodige stuwkracht te voorzien, werd het debiet van de Oude Demer tot de helft van zijn aanvankelijk vermogen gereduceerd.

De Oude Demer

De Kimpel is thans een drooggelegde komvormige zijarm van de Oude Demer ter hoogte van de tweede Demerbrug over de Kiezelstraat in Godsheide

De Demer komt met zijn twee armen het grondgebied van de stad binnen via Godsheide ter hoogte van de brug aan de Kiezelstraat. De meest noordelijk gelegen arm, de Oude Demer, die in het Kapermolenpark met een respectabele bocht het stadscentrum ontwijkt, is de oorspronkelijke natuurlijke loop van de rivier. De andere, die door het centrum vloeit, is een kunstmatig aangelegde waterloop, uitgegraven in de dertiende eeuw in opdracht van de graaf van Loon. Vanaf de brug aan de Kiezelstraat doorsnijdt de Oude Demer een brede strook weilanden (thans voor een deel ingenomen door de golfclub), op zijn rechteroever de Brugbeemden geheten.


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Een weinig stroomafwaarts op de linkeroever maakt de Oude Maas of Oude Miserikbeek, die eerst richting Godsheide liep en vervolgens linksaf zwenkte in de richting Hasselt, een bocht om zich op zowat zeshonderd meter van de oostelijke stadsgrens in de Demer te werpen. De Oude Maas, eigenlijk een aftakking van de Miserikbeek op het grondgebied van Diepenbeek, was een soort vergaarbekken dat zijn water betrok uit de weiden die zich uitstrekten tussen de Miserikbeek en de Stiemer, zelf afkomstig uit een brongebied in Oud-Waterschei. Vroeger was op de plaats waar de Oude Maas Godsheide binnenkwam een brugje over een kolk gebouwd, de Kimpel genaamd, die door de aanleg van de Kiezelstraat versmald werd. De driehoekige opening die ontstaan was tussen de Demer en de Oude Maas werd door de plaatselijke bevolking ook wel de Laak (lacus = meer) genoemd. Twee zijriviertjes, de Borggravevijverloop en de Zusterkloosterbeek, komen vanuit het noordoosten het debiet van de Oude Demer royaal versterken. Beide beken betrekken hun water uit de talrijke vijvers en moerassen van de stadsheide. De oorspronkelijke loop en de richting van deze waterlopen zijn door de aanleg van de steenweg Hasselt-Genk en door het uitgraven van het Albertkanaal verstoord. De Borggravevijverloop ontspringt tegen de Genkersteenweg bij de Borggravevijvers.Net als de Herkenrodebeek waarvan het brongebied niet zover hier vandaan verwijderd lag, zwenken beide beken vanuit het noord-oosten van de stad af in de richting van het Albertkanaal. Vroeger sneed hij doorheen de Trichterheide om uiteindelijk uit te monden in de Oude Demer. De Borggravevijverbeek bepaalde de vorming van de brede strook weidelandschap tegen Godsheide gelegen, de Vissenbroeken, waaraan thans nog een straatnaam herinnert. Op zijn weg naar het Demerdal werd de beek nog verrijkt met het water van de drie Platte Vijvers, waarvan de ligging ook nog in een straatnaam herinnerd wordt. Bij de uitgraving van het kanaal werden de Platte Vijvers drooggelegd. Nu duikt de Borggravevijverloop als een kleine vliet weer aan de oppervlakte aan de overzijde van het kanaal en wordt hij opgenomen in de Oude Demer op het golfterrein, waarvan hij als het ware de grensafbakening vormt.

De Herkenrodebeek ontspringt niet zover van het brongebied van de Borggravevijverloop. Zij loopt voor een deel parallel met het tracé van de Genkersteenweg, kruist deze steenweg en zwenkt in een scherpe hoek links af in de richting van het kanaal. De Herkenrodebeek loopt dan even parallel met het kanaal tot op het punt waar zij door de Zusterkloosterbeek wordt opgevangen beneden aan de helling van het sas ter hoogte van de Heidestraat. De beek ontleent haar naam aan de Herkenrodeplaats op het domein van Bokrijk in de omgeving van haar brongebied. De Herkenrodeloop ontspringt bij het hoekpunt van de Turfstekersstraat met de Zandstraat. Zij volgt dan de bedding van het kanaal van bij de plaats waar voorheen de Zandstraat via een baileybrug over het kanaal verbonden was met de Kiezelstraat in het centrum van Godsheide. Nog vóór het sas van Godsheide werpt de Herkenrodeloop zich in de Herkenrodebeek. De Miserikbeek ontspringt bij de grens met Diepenbeek tegen het Albertkanaal. Op het grondgebied Hasselt loopt zij parallel met het kanaal. Ter hoogte van de Langwaterstraat maakt zij een hoek van negentig graden en loopt ze onder het kanaal door naar de overkant, waar ze uitmondt in het Miezerikbroek op het grondgebied van Diepenbeek. De Heiwijerbeek is een kleine beek uit het oostelijk grensgebied van de stad met Diepenbeek en Genk in de hoek van de Langwaterstraat. Ook deze beek loopt in de richting van het Albertkanaal. De Zusterkloosterbeek of Kloosterbeek, de voornaamste waterloop qua debiet van de Hasseltse heide, is de belangrijkste bevoorradingsader van de Oude Demer. Zij ontspringt in het Klotbroek, een moerasrijk bronnengebied bij de Boksbergheide in Genk. Al het water dat afkomstig is uit de bossen van Bokrijk en uit de waterrijke gronden van het noordoosten van de stad, zowel regenwater als secundaire vlietjes, voeden de beek op haar loop. Ontwateringswerken in het Klotbroek hadden evenwel tot gevolg dat het debiet van de beek voelbaar afnam.

49


50

Meerdere vijvers in Bokrijk vinden via een ingewikkeld systeem van vertakkingen eveneens hun voedingsbodem in de Zusterkloosterbeek. Het water van deze beek heeft een hoge zuurtegraad. Het bevat weinig kalk, maar is daarentegen rijk aan ijzer. De bruinrode kleur en de dito afzettingen op de bodem zijn hiervan een sprekend bewijs. Op de grens van de stad met het domein van Bokrijk stroomt de beek de Nieuwe Heide binnen en volgt er op afstand het traject van de Kloosterbeekstraat. Aanvankelijk komt zij langs de Cellebroedersvijvers (gelegen ten noorden van de Borggravevijvers), maakt onverwacht een forse draai naar links vóór het instituut van Doven en Spraakgestoorden en vervolgt haar weg naar het kanaal tussen de Heidestraat aan haar rechterkant en de Cellebroedersvijvers aan haar linker zijde. Verder op haar weg werd de beek nog gevoed door de Spilvoijekuilen (moerassen die thans gedempt zijn) en door de Slagmolenbeek, waaraan vandaag nog de naam van de Slagmolenstraat herinnert. Vóór de aanleg van het kanaal leverde de Slagmolenbeek de nodige energie aan de werking van de slagmolen op de Trichterheide. De Zusterkloosterbeek liep toen in de richting van de Sasstraat bij het Brierskapelleke, vervolgens naar het niet meer bestaande deel van de Willekensmolenstraat en stortte haar water uit in de Demer tegenover de Prinsen Oudebeemd, een weinig stroomopwaarts van de gewezen Willekensmolen. Op het eerste deel van haar tracé is het water van de Zusterkloosterbeek sterk verzuurd wegens de verhoogde aanwezigheid van ijzer. Op het ogenblik dat het water nu toekomt bij het Albertkanaal, is de kwaliteit ervan verbeterd dankzij de zeefzuivering van de beek.

Rusteloos vervolgt de Oude Demer zijn baan in de richting van de Willekensmolen


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

De Oude Demer maakt een brede bocht omheen de Prinsen Oudebeemd tot op de plaats waar twee eeuwen geleden nog de Willekensmolen lag. Aan de Willekensmolenbrug bij de Weijbeemdsteeg (de verbinding van de Weijbeemden met de Voorstraat) lozen de Weijbeemden hun water in de Demer, die na een scherpe bocht de richting inslaat van het westen. Het grasland dat zich verder uitstrekt op de noordelijke oever van de rivier, wordt op de oude kaarten aangewezen onder de gemeenschappelijke noemer Over de Demer. Het land dat hier tegenover gelegen is op de zuidelijke oever van de rivier, staat bekend als de Scheepstart en de Kapermolen. Een niet meer bestaande veldweg via de Veltmansbrug over de Nieuwe Demer, waaraan de huidige Kapermolenstraat herinnert, leidde naar de Kapermolen die in de achttiende eeuw werd afgebroken. Deze veldweg liep vervolgens van de Kapermolen naar de Duivelsbrug over de Oude Demer en sloot noordwaarts aan bij de Padestraat. De weidegronden aan de overzijde van het Demertracé tussen de Elfde Liniestraat en de Kempische Steenweg tot aan de Hoogbrug (weg naar Zonhoven) droegen de gezamenlijke naam Haagbroek of Hoogbroek. Op dit punt maakte de Oude Demer een dubbele bocht en ving hij het water van de vijvers van het Schrijnbroek op. De Schrijnbroekbeek heeft haar brongebied in de Grote Heide bij de Bokrijkseweg op de grens van Hasselt met Genk ter hoogte van de Zavelvennestraat. Het heldere beekje met zijn zuiver water doorsnijdt achtereenvolgens de Putvennestraat, de Tulpinstraat en de Walenstraat dwars doorheen Kiewit in zuidelijke richting, en loopt ten noorden van de voormalige Philipsfabrieken parallel met de spoorbaan naar Genk. De regio waar deze Kempische beek haar bronnen aanboort, ligt in de omgeving van het vliegveld van Kiewit. Kenmerkend is dat zelfs in de zomermaanden de beek nooit droog staat. Ter hoogte van de Tulpinstraat werd in de twintigste eeuw alle biologisch leven brutaal gedood door lozingen van het

Limburgs Galvanotechnisch bedrijf, dat nadien uitweek naar de Kanaalstraat in Kuringen. Ook de Philipsfabrieken loosden hun afvalwaters in de overwelfde riolering. Bovendien droeg de huishoudelijke afwatering vanuit de omgeving van de Kempische Steenweg er toe bij dat het laatste stuk van dit inmiddels gekanaliseerd water ontaardde in een grijszwarte stinkende riool waarin geen enkel biotoop kon overleven. De Schrijnbroekbeek werd in 1978 overwelfd afgeleid naar de Muggenbeek tot aan de Paalsteenstraat. De Muggenbeek ontspringt op het grondgebied van Kiewit ter hoogte van de Berkenlaan en volgt op haar loop naar het zuiden het tracé van de Paalsteenstraat. De bedding van deze bescheiden waterloop staat vaak droog in de zomermaanden en de slechte kwaliteit van haar water wordt in de hand gewerkt door de pollutie van huishoudelijk afvalwater. De Muggenbeek vangt sinds 1978 bij het station van Kiewit het water van de Schrijnbroekbeek op, waardoor haar stroming wordt versterkt. Vanaf haar vertrekpunt stroomt de beek zuidwaarts in de richting van de stad, volgt de rooilijn van de Paalsteenstraat en doorkruist enkele weilanden, als de Rommenbeemd, de Kriekelsbeemd en de Muggebeemden. Versterkt door de Schrijnbroekbeek, stroomt de Muggenbeek thans via een duiker door onder het opgespoten terrein van het kanaal en worden beide waters omgeleid tot in de Demer ter hoogte van de spoorwegbrug over het kanaal bij de Prinsenbeemden (grens met Kuringen). Niet zover van de sifon waarin het water van de Schrijnbroekbeek en de Muggenbeek wordt opgevangen, kronkelde de Oude Demer ongestoord verder langs het Hoogvonder, waar een houten brugje, eveneens een Duivelsbrug, de passage over de rivier verzekerde. Een honderdtal meter verder (nu aan de overzijde van de kanaalkom) worden de Oude en de Nieuwe Demer weer verenigd op de plaats die vereerd werd met het symbolische toponiem De Vergadering. De puntvormige uitloper van het perceel land dat vóór het uitgraven van het kanaal tussen de twee Demerarmen lag kreeg de vormnaam van Swaluwstert toegemeten.

51


52

Vroeger was de Galgebeek een bijrivier van de Nieuwe Demer. Thans loopt zij er onder door en stort zij haar waterdebiet in de Oude Demer. De Galgebeek komt aan de oppervlakte in het zuidelijk deel van de stad op het punt waar de Tomstraat de grens met Diepenbeek overschrijdt. Over een afstand van 4.140 meter volgt zij de grens met de buurgemeente in noordelijke richting langs het gehucht Pietelbeek. Aan het goed Ter Poorten steekt ze de Maastrichtersteenweg over. Verder volgt ze de stadsgrens achter het gehucht De Wolfkens en wordt ze gekanaliseerd onder de Universiteitslaan. Op dit punt zwenkt ze af in de richting van de Kiezelstraat en werpt zich vervolgens in de Oude Demer. Niet minder belangrijk is de Slangbeek die in het noorden van de stad de grens vormt tussen de Grote Heide en de gemeente Zonhoven. Als dusdanig vormt zij ter hoogte van de Hasseltse Beverzak de grens tussen de twee gemeenten. De bron van de Slangbeek is gelegen in het gebied van de Ballewijer in Zonhoven. Het naambepalend deel ‘slang’ vindt zijn oorsprong in de vele kronkels en bochten die de beek maakt langsheen haar traject. Vanaf het punt waar de beek de steenweg Hasselt-Eindhoven dwarst in de richting van Kuringen volgt ze de Slangbeekweg op het grondgebied van Zonhoven. Vervolgens overschrijdt ze de grens met Kuringen, loopt door het gebied van de Hommelheide en het kwartier Over de Demer en wordt dan onder het kanaal geleid. Aan de overzijde van het kanaal werpt ze zich in de Demer ter hoogte van het waterzuiveringsstation van Kuringen.

De Nieuwe Demer De Nieuwe Demer is een kunstmatig aangelegde waterweg, uitgegraven in opdracht van de graaf van Loon. Hiertoe werd de loop van de Demer gesplitst in de dertiende eeuw. Graaf Arnold IV bekrachtigde in 1232 de al vroeger toegekende vrijheden en privileges van de Hasseltse binnenstad, die ook de Luikenaren reeds genoten vanaf het eind van de twaalfde eeuw. Hierdoor genoten

de Hasselaren een statuut waardoor ze voor een ruim deel ontheven waren van leenheerlijke verplichtingen en voortaan hun eigen economie konden beredderen. De graaf behield evenwel voor zijn eigen persoon de inkomsten op de stadsmolens en de accijnzen op brouwerijen, de hennepteelt en de tolrechten op de wegen. Nu de stad een zelfstandige gemeente was geworden, dienden de burgers hun vrijheid te beveiligen door het aanleggen van wallen omgeven met grachten die met water gevuld waren. Arnold IV begon zijn ambtstermijn in 1227. Door de Demer te splitsen beoogde hij de inwoners van Hasselt drinkbaar water te verschaffen, de stadsmolen aan de Molenpoort en de Broekermolen van de nodige drijfkracht te voorzien en de dertig meter brede grachten rond de wallen als een defensief verweermiddel met water te laten vollopen. De Nieuwe Demer werd derhalve gegraven tussen de jaren 1227 en 1232. Mantelius benadrukt met de aanleg van deze artificiële zijarm van de Oude Demer hoofdzakelijk de economische voordelen voor de graaf: “Molas quidem, quod mutato Tamerae alves, aquae ipsius decursum diduxisset per vicum, magno incolarum bono, illasque aedificasset novas.”38 Toen zijn opvolger, Arnold V, in 1288 zijn grafelijke hoofdstad toonde aan een aantal Brabantse edelen met wie hij samen had gestreden in de slag van Woeringen, was Hasselt omgord met een dertig meter brede gracht gevuld met water van de Nieuwe Demer en met een tien meter brede aarden wal beveiligd door vestingmuren en door zestien verdedigingstorens. De aanleg van deze met mensenkracht uitgegraven waterweg was een imposante onderneming in een tijd dat de nivelleringsprocédés technisch vrijwel nog niet op punt gesteld waren. De plaats waar het water van de Nieuwe Demer naartoe geleid moest worden, was gelegen op een hoogtepeil van 34m boven de zeespiegel, terwijl de Oude Demer aan de Hoogbrug op de Kempische Steenweg slechts een peil van 30m bereikte. Er diende bijgevolg stroomopwaarts in de Demerval-


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

lei een plaats gezocht te worden die op een hoogte van 34 m gelegen was. Deze plaats lag op het grondgebied van Diepenbeek ter hoogte van de Peperstraat. Op dit punt, waar traditioneel het beginpunt van de Oude Demer wordt gesitueerd, stortte de Laak zich in de Demer. Om de nieuwe artificiële waterweg van het nodige water te voorzien werden alle zijlopen aangesloten op de Nieuwe Demer, terwijl de Genkse Kaatsbeek en de beken op de rechteroever het debiet van de Oude Demer bleven aanvullen. Later heeft men om het debiet van de Nieuwe Demer te verhogen, de loop van de Stiemer, waarvan het brongebied in Oud-Waterschei ligt, via een primitieve houten waterleiding omgeleid tot aan de Nieuwe Demer, bij de Hasselaren bekend als de Meukens. Tegen de Demerbedding ter hoogte van de vroegere Xios-hogeschool zijn de fundamenten van de Meukens nog zichtbaar. In dit (huidig) keldercomplex werd vroeger het water van de Stiemerbeek opgevangen en gefilterd. Via een systeem van gietijzeren buizen belandde het gezuiverde drinkwater in de watertoren van de Bosstraat. Het Stiemerzand dat het water filterde werd door de bouwvakkers als metselzand gebruikt. In de nabijheid van de stad moest deze vertakking diep genoeg worden uitgegraven om voldoende verval te geven aan de molen aan de Molenpoort. Ingevolge deze ingreep werd de Stiemer de bevoorradingsader die de stad van water voorzag.

53


54

‘De Meukens’ was een houten aquaduct dat het water van de Stiemer over de Oude Demer tot in de Nieuwe Demer transfereerde. Aquarel van P.M. Bamps, 1890. (Het Stadsmus, Hasselt)


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

De omleiding tussen de Oude Demer en de Nieuwe Demer ter hoogte van de Peperstraat werd later gedempt. De dijken van de Nieuwe Demer werden aangehoogd en van een aantal sluizen voorzien. Vóór de aanleg van deze artificiële omleiding stortte de Stiemer zich in de Oude Demer ter hoogte van de Kimpel bij de tweede brug van de Kiezelstraat die naar Godsheide leidt. Bovendien irrigeerde de Nieuwe Demer regelmatig de weidegronden die gelegen waren tussen beide Demerarmen. Alle vooropgestelde maatregelen ten spijt bereikte, in tijden van onvoldoende regenneerslag en ingevolge gebrekkig onderhoud van de oevers, niet altijd voldoende water het stadscentrum om de inwoners van het nodige drinkwater te bevoorraden en de molens van de vereiste stuwkracht te voorzien. Om dit euvel in de mate van het mogelijke te verhelpen, werden door de overheid dijkmeesters aangesteld. Prins-bisschop Jan-Theodoor van Beieren vaardigde in 1760 een verordening uit waarbij de molenaars van Diepenbeek, van Rooi, van de Willekensmolen, van de twee stadsmolens en van de molen van Kuringen ’s zaterdags en ’s zondags op vooraf vastgestelde uren de sluisschotten van hun molens moesten openzetten.

De Nieuwe Demer vervolgt zijn loop parallel met het Kempisch kanaal richting Kuringen. (postkaart, privécollectie)

De Nieuwe Demer deed zijn intrede op het grondgebied van de stad ter hoogte van het kruispunt Universiteitslaan/Kiezelstraat. Op de grens met Diepenbeek ving hij aanvankelijk het water van de Galgebeek op. Nadien werd de loop van laatstgenoemde beek bij middel van een sifon verlegd naar de Oude Demer. Te vertrekken vanaf de Kiezelstraat volgt de Nieuwe Demer in een rechte lijn zijn weg naar de stad, waarbij hij verschillende weilanden aandoet: Op de Sluijs, De Roten, De Meeuwet, De Blaas, De Penxtenbeemd, De Biessenweiden en De Weidebeemden. Op zijn traject loopt de Nieuwe Demer onder enkele bruggen door: de Bossteegbrug, de Biessenbrug, de Voorstraatbrug en ter hoogte van de Willekensmolenstraat onder de Stalmansbrug en de Veltmansbrug. Vanaf de Elfde Liniestraat slingert hij zich verder onder het Koekerellenpad. Aan de huidige Martelarenlaan ontmoette hij de forse Laustoren en deed langs de muur van het begijnhof zijn intrede in de stad. Aan de kapel van de Paardsdemer jumeleerde hij met het water van de Helbeek.

55


56

Met verenigde kracht activeerden de Nieuwe Demer en de Helbeek samen de molen aan de Molenpoort en de Broekermolen buiten het Kattegat om, op de plaats die de Vergadering genoemd wordt, bij de Herkenrodesingel, zich te verenigen met de Oude Demer, het grootste overstort van de stad. Bij de Bossteegbrug ontving de Nieuwe Demer vroeger het water van de Sint-Jansbeek. Nu mondt de Sint-Jansbeek via een sifon uit in de Oude Demer. Het brongebied van de Sint-Jansbeek ligt in Trekschuren bij de autosnelweg Antwerpen-Aken, meer bepaald aan de overzijde van de Rodeberg aan de kant van het stadscentrum. Op dit punt draagt de beek nog de naam van Trekschurenbeek. Vanaf hier volgt deze beek een vrijwel recht tracé langs de Salvatorkliniek naar de Luikersteenweg, even voorbij het Voddekapelleke in de richting van de stad. Hier maakt ze een lichte terugslag naar het centrum, wordt dan overwelfd onder de steenweg en vervolgt haar weg ter hoogte van de Voesterveldstraat, waarmee ze een eindje parallel loopt. Vanaf dit punt herdoopt tot de Sint-Jansbeek kruist ze verder op haar weg de Kroonwinningstraat en de Singelbeekstraat, om uiteindelijk samen met de Helbeek in Singelbeek te worden opgevangen in een vergaarbekken. Vóór de bouw van dit overstort, kruiste de Sint-Jansbeek de Diepenbekervoetweg aan het Dorlik, dwarste de Maastrichtersteenweg achter de singel en werd ter hoogte van het provinciehuis geloosd in de Nieuwe Demer, na de Bosstraat doorsneden te hebben. Nadat de Nieuwe Demer op deze plaats ondergronds gekanaliseerd was, vloeide de Sint-Jansbeek door de Roten om uiteindelijk zijn water te storten in de Oude Demer op het terrein van de Hasseltse golfclub. Op haar traject ving de Sint-Jansbeek in de Kroonwinningstraat ook nog het water van de Rapertingenbeek op. De Rapertingenbeek heeft haar brongebied in de omgeving van de bocht die de Luikersteenweg maakt bij Rapertingen. Van hier uit vloeit ze in de richting van de Scherpesteenwinning, loopt voor een stuk parallel met het rechte stuk van de Kroonwinningstraat, waar ze zich in de Sint-Jansbeek stort.

De belangrijkste bijrivier van de Nieuwe Demer is de Helbeek. De traditie wil dat Hasselt ontstaan was bij de Helbeek. Tot op het ogenblik dat de Nieuwe Demer werd uitgegraven, volgde de Helbeek in de binnenstad haar traject vanaf de Beekstraat tot aan het Kattegat. Vele eeuwen liep het beekje niet overwelfd door de binnenstad en fungeerde het gewoon als een open riool, waarin de afvalwaters van de huizen en van de winterbeken werden opgevangen. Tot in de tweede helft van de negentiende eeuw bevond zich midden in de Beekstraat ter hoogte van de Berenstraat een sluis waarvan de schotten regelmatig werden opgetrokken om het opgestapelde vuil door te spoelen. De Helbeek liep doorheen de Beekstraat over de hele lengte, vervolgde haar weg langs de Aardappelmarkt, werd omgeleid achter het hoogkoor van de Sint-Quintinuskerk – aanvankelijk liep ze recht op recht vóór het hoogkoor van de kerk door naar de Fruitmarkt – en stak vervolgens de Botermarkt over. Vóór de zestiende eeuw lag de beek nog open aan de westkant van de Zuivelmarkt, wat met zich meebracht dat zij op geregelde perioden moest geveegd worden. Vanaf 1883 was het eerste deel van de Helbeek vanaf de boulevard tot aan de Paardsdemerstraat overwelfd. Later werd ze over haar hele lengte in de binnenstad gekanaliseerd. Tot in 1845 vervulden de vroegere stadsgrachten de functie van verzamelaar van het regenwater. Pas tegen het eind van de negentiende eeuw werd er begonnen met de systematische uitbouw van de stadsrioleringen. De Helbeek ontspringt nabij de zuidoostelijke grens met Sint-Lambrechts-Herk op de plaats De Helle waar de Trekschurenstraat gekruist wordt door de spoorweg Sint-Truiden/Hasselt. Met een licht verval volgt de beek op haar weg naar de stad het tracé van de spoorbaan, doorsnijdt ze de brede strook weilanden die gekend zijn als de Helbeemden, en kruist vervolgens de Bergstraat en de Meiliedstraat. Vanaf het spoorviaduct op de Luikersteenweg zwenkte de Helbeek naar het Helbeekplein en wat verder in de richting van het stadspark aan de Planckeweide.


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS�

Op haar weg werd de Helbeek hier vervoegd door de Casterbeek of de Planckeweidebeek. De Casterbeek vertrok vanop de Maastrichtersteenweg halverwege de Casterstraat en de Harpstraat. Na de Peter Benoitstraat te hebben gekruist en een stuk van het Natvelt, slaat ze vanuit de hoek van de Casterstraat met de Kunstlaan plots af naar de linker achterhoek van het cultuurcentrum, loopt dan verder naar het stadspark en stort zich vervolgens in de Helbeek.

De Ertbeek, die ontspringt in het zuidwestelijk kwartier van de stad in de Ertbeekstraat, werd overkluisd onder het station tot aan de vroegere branderij Noblesse aan de Kuringersteenweg. Vanaf daar liep de Ertbeek gelijk met de Thonissenlaan, om zich uiteindelijk te storten in de loop van de versterkte Helbeek/Nieuwe Demer ter hoogte van de kanaalkom. Deze beek werd omstreeks 1880 overwelfd en vanaf 1957 opgenomen in het rioleringsstelsel.

Volgens anderen zou deze Casterbeek, een zijarm van de Helbeek, vanuit het Hollands Veld haar weg gebaand hebben naar de Planckeweide, zwenkte ter hoogte van de ingang van de Planckeweidelaan plots af naar de achterkant van het cultuurcentrum om zo verder haar loop te vervolgen tot aan de Maastrichtersteenweg. Vanuit de Planckeweide liep de Helbeek bezijden de Begijnenpoel en het eerste begijnhof, kruiste de boulevard en vervolgde haar loop langs de Beekstraat. Het verdere traject van deze open stadsriool werd in de negentiende eeuw overwelfd tot aan het kruispunt van de Paardsdemerstraat met de Bonnefantenstraat, waar de Nieuwe Demer van uit het Begijnhof zich aansloot bij de Helbeek.

Ook de Crutsenbeek vindt haar oorsprong op het gehucht Dormaal, van waar zij zich naar het noorden beweegt. Ingekluisd onder de spoorbaan, volgt zij haar weg door het voormalig goed van Crutsen langs de Oude Kuringerbaan, vanwaar haar naam. De Breemstraatbeek werd gesitueerd in de omgeving van de Breestraat en de Korte Breestraat, waaraan ze haar naam ontleent. Crutsenbeek en Breemstraatbeek bewegen zich in de richting van de Herkenrodesingel en werpen zich aan de overkant van de Oude Spoorbaan in de Kleine Demer aan de grens van Hasselt met Kuringen. Dit kleine riviertje op de grens tussen de twee buurgemeenten liep parallel met de Oude Spoorbaan, die de treinverbinding met Genk en de Kempen verzekerde. Haar brongebied situeert zich achter de nieuwe gevangenis van Hasselt.

In de tweede helft van de twintigste eeuw werd de loop van de Helbeek vanaf de spoorovergang aan de Luikersteenweg verlegd naar de Oude Demer. De beek werd volledig overwelfd via een nieuwe route onder de fietsbaan langs het spoor naar Diepenbeek, ter hoogte van de Singelbeekstraat opgevangen in een wachtbekken, waar de waters van de Helbeek en van de Sint-Jansbeek samenvloeien. Van hieruit lopen de gejumeleerde beken richting Maastrichtersteenweg, Bosstraat en Universiteitslaan en storten zich in de Oude Demer op het Hasseltse golfterrein. Alvorens de Helbeek gekanaliseerd werd, ontving zij als bijkomende voedingsbodem ook nog het water van de Ertbeek.

Vanaf het kapelleke aan de Paardsdemer volgt de Nieuwe Demer overkluisd de bedding van de Helbeek naar de Molenpoort, verlaat het stadscentrum aan het Kattegat, volgt de Slachthuiskaai in rechte lijn, activeerde onderweg het molenwiel van de Broekermolen en verenigt zich verderop ter hoogte van de plaats De Vergadering broederlijk met de Oude Demer.

57


58

Het bekken van de Herk De Herk, die ten zuiden van Hasselt de gemeente Sint-Lambrechts-Herk doorsnijdt, betrekt zijn water uit de Hasseltse bodem. De zijarm van de Herk met het sterkste debiet is de Molenbeek of de Mombeek, die over een lengte van 1.500 meter de natuurlijke grens vormt tussen Hasselt en de gemeenten Kortessem en Wimmertingen. Deze beek leverde de nodige drijfkracht om de voormalige molen van Mombeek te activeren. Vandaar dat ze ook wel Molenbeek wordt genoemd. Daarbij houdt ze de bodem van een aantal weilanden vochtig waar ze langs loopt: de Eckarden (percelen in de nabijheid van de molen van Mombeek), de Donkerbeemden en de Kwaadhovenbeemden. De Mombeek loopt naar Sint-Lambrechts-Herk. Op dit grondgebied wordt ze de Kleine Herk genoemd.

De Mombeekmolen nadat het molenrad verwijderd werd.

De Oude Mombeek of de Laak, gelegen op het grondgebied van de voormalige gemeente Wimmertingen ten zuiden van de Mombeek, stroomde vrijwel parallel met deze beek. Zij wordt gevoed door een vloedgracht die aan de oppervlakte komt nabij de Luikersteenweg aan de grens met Kortessem. In het verleden was deze beek de oorzaak van geregelde overstromingen, die tal van weiden en velden onder aan de berg van Henegouw blank zetten. De Melbeekgracht is een smalle waterweg die ontspringt links van de Mombeekdreef op de grens van het gehucht Melbeek. Aanvankelijk liep de gracht parallel met de Tomvoetweg. De gracht doorloopt enkele percelen van de Moordkuil in zuidelijke richting naar de grens met Wimmertingen om zich in de omgeving van de Luikersteenweg op te lossen in het water van de Mombeek. De Misenbergbeek vormt de natuurlijke grens met Diepenbeek tussen de gehuchten Melbeek en Mombeek. Ze ligt besloten tussen de uitloper van de Melbeekstraat en de uitloper van de Molenvoetweg en loopt achter de vijver van het kasteel van Mombeek door. De beek ontleent haar naam aan de Misenberg, een gehucht op het grondgebied van de gemeente Diepenbeek. Een andere bijrivier


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

van de Herk is de Wanbeek, die haar brongebied heeft ter hoogte van de vroegere hofstee Klein-Hilst, rechts van de oude baan van Hasselt naar Sint-Truiden. Samen met een aantal weilanden, waaronder Het Duivelsgat, vormt zij de grens tussen Hasselt en SintLambrechts-Herk. Op de uiterst noordwestelijke uithoek vloeit de Wanbeek samen met de Runksterbeek. De Runksterbeek ontspringt in Kuringen en vormt over zowat honderd meter de grens met deze gemeente. Over het volgende stuk loopt zij parallel aan de Runkstersteenweg samen met de Wanbeek om uit te monden op het grondgebied van Stevoort in de Herk. Als bijrivier van de Wanbeek dient ook de Windhalmbeek te worden vermeld. Die ontspringt bij de hoeve De Windhalm, waaraan ze haar naam ontleent. De Windhalmbeek komt aan de oppervlakte tegen de afrit van de autosnelweg E313 Antwerpen-Luik ter hoogte van de afrit aan de Sint-Truidersteenweg. Over een paar honderd meter volgt de beek de bedding van de snelweg richting Antwerpen en zwenkt vervolgens in een sterke bocht naar de grens met Sint-Lambrechts-Herk, na onderweg de Dormaalbeek te hebben opgevangen. Op de grens met Sint-LambrechtsHerk storten beide waters zich in de Wanbeek. De Dormaalbeek heeft haar brongebied bij de rechter zijkant van de autosnelweg E313 Antwerpen-Luik, een weinig ten noorden van de Runkstersteenweg. De bron is gelegen in Dormaal, een voormalig gehucht van Runkst, waaraan de beek haar naam ontleent. De Dormaalbeek loopt onder de Runkstersteenweg door in de richting van Sint-Lambrechts-Herk en wordt na een paar honderd meter opgenomen in de Windhalmbeek.

38

39

Het Albertkanaal Het eerste kanaal dat tot Hasselt werd aangelegd, was een aftakkingkanaal van de Kempische Vaart. Dit en andere Kempische kanalen moesten Antwerpen en Luik, twee economische hotspots op dat moment, met elkaar verbinden. In 1858 werd het kanaal, dat liep tussen Hasselt en Dessel, voor de scheepvaart opengesteld en in 1859 deden reeds 307 schepen Hasselt aan. Maar de bestaande waterwegen voldeden niet. De trip van Luik naar Antwerpen nam te veel tijd in beslag. Het Koninklijk Besluit van 1 maart 1927 voorzag dat er een rechtstreekse waterweg voor het verkeer van boten zou gegraven worden tussen Antwerpen en Luik, het Albertkanaal, genoemd naar de toenmalige koning van België, Albert I. Economische redenen, zoals het vervoer van Limburgse steenkool naar Luik en van Luikse ertsen naar de zeehaven van Antwerpen, lagen aan de grondslag van dit concept. Ook militaire en strategische overwegingen zouden tot de realisatie van dit kanaal geleid hebben. Aanvankelijk had de aanleg vóór 1941 klaar moeten zijn, maar de werken werden bespoedigd, omdat de regering het kanaal wenste klaar te hebben tegen de wereldtentoonstelling van Luik in 1939. In 1939-1940 was het kanaal tot Hasselt bevaarbaar voor schepen tot 2.000 ton. Stroomopwaarts waren de sluizen evenwel nog niet afgewerkt.39

“Nadat hij de bedding van de Demer had doen verleggen, leidde hij de loop ervan om door de stad, tot welzijn van haar bewoners, en bouwde er nieuwe molens.” Gegevens ontleend aan de Atlas van de Waterwegen 1883, ter beschikking gesteld door de Technische Dienst van de stad Hasselt, dienst Groen en Wegen.

59


60

6.

Sagen en legenden Binnen het kader van hun dagelijks leven, dat vroeger meer dan vandaag verbonden was met de natuur, beschikten onze voorouders over een uitgebreid repertorium aan overleveringen en verhalen, die mondeling van generatie tot generatie werden overgeleverd. Toch zijn niet alle volksverhalen authentiek. Heel wat verhalen werden overgenomen uit omliggende dorpen en gemeenten en werden vervolgens, met een lokaal verflaagje, opgenomen binnen het patrimonium van de Hasselaar. Sommige getuigen van een verregaande fantasie of zwartgallige humor. In andere werd het frĂŞle volksgeloof doorweekt met een ingeboren of kunstmatig ontwikkelde angst voor onbegrepen of bovennatuurlijke fenomenen. Daar waar de wetenschap een sluitend antwoord op een fenomeen schuldig bleef, werden bepaalde natuurverschijnselen in de oververhitte verbeelding van de volksmens aangedikt tot een realiteit. Deze straffe verhalen gingen van mond tot mond en werden zodoende met een onverklaarbare verbeeldingskracht verkocht als vaststaande gegevens. Hierbij gaat het vooral om al wat om ons heen uitstijgt boven de natuur. Gevaren, ziekten, dood, eeuwigheid, geesten, allemaal elementen die de angst in de ziel van de mens pompten, lagen verankerd in het volksgeloof en waren derhalve nieuws van de bovenste plank. Verhalen over heksen gingen in de negentiende eeuw nog over de tafel in de afgelegen hoeven. Het bannen van duivels, boze geesten en zielen van overledenen was een privilege van de geestelijkheid. Weerwolven waren gewone mensen, die met een wolvenkop op het hoofd en een wolvenhuid of duivelsvel om hun lichaam opdoken op afgelegen plekken en zo de eenzame voorbijgangers de stuipen op het lijf joegen. Uiteraard dook de

plaaggeest nooit op in het bijzijn van getuigen of in dichtbevolkte wijken. Ouders dreigden soms met verhalen over de weerwolf en de kettinghond, om hun kinderen bang te maken wanneer ze na schooltijd bleven treuzelen alvorens naar huis te komen. Eenmaal de weerwolf door iemand verwond werd, nam hij opnieuw zijn menselijke gedaante aan. Heksen waren in de volksoverlevering een geliefd onderwerp van gesprek. Vooral oude en mismaakte vrouwen werden met de vinger nagewezen, ten onrechte verdacht en beschuldigd van omgang met de duivel en werden in vele gevallen verwezen naar de brandstapel. Zij werden er vaak van verdacht mekaar onderling te ontmoeten op bijeenkomsten waar zij zich overgaven aan ongebruikelijke braspartijen. Wanneer zij dan ’s nachts op hun bezems door de lucht vlogen, hoorde men van op de grond een snerpende muziek. Dit verschijnsel noemde men de Tilkensjacht. Deze boosaardige vrouwtjes verrichtten hun kwaad bij voorkeur in het holst van de nacht. Dan trokken zij erop uit om oogsten te vernielen, het fruit van de boeren te beschadigen of velden extra te bemesten waar dit al gebeurd was. Heksen hadden het vooral gemunt op kinderen. Het is bekend dat wanneer een heks een kind over zijn kopje streelde of krulletjes draaide in zijn haar, het kindje de daaropvolgende dag dood was. Vroeger beschikte de volksmens over een aantal middelen om de kwade hand buiten zijn erf te houden. Sommige landbouwers legden een relikwie onder de dorpel van de stal of nodigden de bruine paters uit om de stallingen te overlezen. Tegen zo’n overmacht was geen heks opgewassen. Landbouwers die ongewenst bezoek buitenshuis wilden houden, plaatsten een bezemsteel bij de deurstijl of tekenden met een krijtje een kruis op de dorpel naast een stal. Heksenmeesters gaven soms aan de boeren een gebedje dat zij iedere dag op een andere plaats in de boerderij moesten hangen, waardoor de rust in de veestallen terugkeerde.


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Minder frequent kwam men met de duivel op de proppen. In een café met slechte naam in een zijstraatje van de Sint-Truidersteenweg verschool de duivel zich tijdens de winteravonden in de gedaante van een hond achter de kachel. Niet te verwonderen dat het cliënteel zienderogen afnam. Tot groot ongenoegen van de kaartersclub kwam de hond zich iedere avond bij de kachel verwarmen. Ten einde raad liet de eigenaar van de herberg een bruine pater komen om de hond te belezen. Vanaf die dag kwam het beest niet meer terug. Een gepensioneerde stadsmus was de haag van zijn hofje in de Windmolenstraat gaan snoeien. Op zijn terugweg werd hij lastiggevallen door een hond die een ketting achter zich meesleepte. De man wist te ontkomen. Een weinig verder werd hij weer opgemerkt door het dier dat zich in een gracht had verscholen. Met een prikkeldraad kon onze brave burger het beest uitschakelen. De man was ervan overtuigd dat het dier een incarnatie van de duivel was. Nadien werd hij nooit meer lastig gevallen. Een ander verschijnsel dat tot de volksverbeelding sprak waren de vuurgeesten. De meest onschuldige vorm van deze geesten waren de dwaallichtjes. In de buurt van de Oude Demer werden veel dwaallichtjes aangetroffen. Men vertelde dat het de zielen van ongedoopte kinderen waren. Deze zieltjes zweefden bij voorkeur boven moerassen en stilstaande vijvers. Naast de Oude Demer, niet zo ver van de Willekensmolen, lag een grote waterplas. De boeren gingen er de poten van hun paarden afwassen. Vandaar dat de mensen die plaats de Pjaardskolk noemden. Verderop in de richting van Godsheide lag het Wijwaterskoet, een vijver die eigendom was van een kloosterorde uit de stad. Voorbijgangers zagen er dikwijls dwaallichtjes zweven boven de waterspiegel. Men vertelde dat in deze poel ooit een kapel verzonken was. Een wandelaar zag er op een dag een vogeltje op een tak zitten met een draad in zijn snavel. De man begon aan de draad te trekken waarop even later het kapelletje boven water kwam. Toen evenwel het kruis boven de wateroppervlakte uitstak, verzonk het gebedshuisje voor altijd in het moeras.

Een man die met paard en kar op de Luikersteenweg in Rapertingen richting Wimmertingen reed, zag plots ter hoogte van de Ekkelgardenmoerassen, waar voorheen bloedegels werden gevangen, dat er een dwaallichtje op zijn kar was komen zitten. De man wist dat het ging om een ongedoopte kinderziel. Zonder nadenken doopte hij het lichtje met wat koffie. Het volgende ogenblik werd zijn volledige kar overrompeld door dwaallichtjes die allemaal wensten gedoopt te worden. Omdat hij geen koffie meer had, hield hij halt bezijden de weg aan de waterpoel. Zo kon hij alle dwaallichtjes dopen. Hetzelfde overkwam een vrouw op de Wolfkens. Zij had een dwaallichtje gedoopt met de woorden: “Ik doop u in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.” Omdat zij de formule “Ik doop u alleen” niet had uitgesproken, verschenen op dat ogenblik honderden dwaallichtjes tegelijk. In wezen waren deze lichtjes fosfordampen, die konden waargenomen worden in de omgeving van stilstaande waters. Volgens een andere versie waren het lichtgevende insecten. Een jonge man uit Singelbeek die terugkwam van de kermis voelde zich op zijn weg gevolgd door een vuurman. Een vuurman leek op een baal stro die in brand stond, vandaar de naam Schoverik. De kermisganger kon nog net zijn huisdeur dichtslaan voor de neus van de vuurman. De volgende ochtend stond de paardenhoef van de vuurgeest in zijn buitendeur gebrand. In werkelijkheid was een vuurman salpeter dat al fluorescerend uit de grond kwam. Sommige boeren zagen in de vuurmannen een verpersoonlijking van landmeters, die tijdens hun leven de akkers bedrieglijk hadden afgepaald. Binnen dezelfde context ging ook het verhaal van de grenspaalverzetter van mond tot mond. Een boer uit Pietelbeek die de grenspaal van zijn land had verplaatst, kwam na zijn dood spoken met de woorden: “Waarheen moet ik het dragen? Waarheen moet ik het dragen?” Op een avond antwoordde een dronkaard op de vraag van het spook: “Draag het verdomme terug naar de plaats waar je het gehaald hebt!” Daarop antwoordde het spook: “Dank u wel, mijn jongen, nu ben ik gered!”

61


62

Een analoog geval speelde zich af bij de Platvijvers, waar elke avond een spook ronddwaalde met een zwarte kap op. Steeds herhaalde de geest: “Waar moet ik mijn grenspaal zetten?” Op een avond antwoordde hem iemand: “Gek, zet hem gewoon waar je wil.” Sindsdien heeft men het spook niet meer gezien of gehoord. Plaaggeesten kwamen in Hasselt en omgeving minder voor. Een plaaggeest die nog tot na de Tweede Wereldoorlog bleef bestaan was de Bietebouw. Ouders maakten hun kinderen bang, wanneer ze stout waren, en dreigden ermee dat de Bietebouw hen zou komen halen. Een gelijkaardige geest, gevreesd om de volwassenen de stuipen op het lijf te jagen, was de lange man. Dit spook van meer dan twee meter kwam ’s nachts zomaar ongewenst binnen in ‘Het Stenen Kopke’ in de Berenstraat, om vervolgens weer ongemerkt te verdwijnen. Op hun beurt kregen de veehouders rond middernacht bezoek van het horemanneke, dat het vee in de stallen losmaakte en dooreen joeg. Andere geesten hadden boosaardiger bedoelingen. Een keuterboerke op de Bessemerheide kon geen boter meer maken. Goede raad was duur. Een vrome pater kwam de kwade geest ter plaatse verbannen. Met een koord werd de plaaggeest naar de Heksenberg geleid. Vooraf had de pater om een handdoek gevraagd. Een eerste handdoek had geen effect, omdat hij op een zondag geweven was. Een tweede evenmin, omdat hij gemaakt was door een vrouw die nooit naar de kerk ging. De derde voldeed wel. De geest sloeg zijn zwarte verbrande hand in de handdoek en verdween stante pede. Het vaakst werden onze voorouders geconfronteerd met luchtgeesten die zich manifesteerden onder de vorm van een menselijke gestalte of van een dier. Een meisje dat in de Paalsteenstraat een afgelegen huisje bewoonde, maakte elke avond een wandeling met haar vriend, die haar terug naar huis begeleidde tot aan de Hoogbrug. Op het laatste stuk weg tot aan haar huis werd het meisje steevast gevolgd door een haas. Wanneer ze zich bukte

om het beestje in de armen te nemen, bleek de haas zwaarder te wegen dan een zak stenen. Dit overkwam ook een vrouw die op weg naar huis in de Ossensteeg langs de beek een mooi wit konijntje zag zitten. Voorzichtig nam zij het konijntje op en rolde het in haar voorschoot. Eenmaal thuisgekomen, vouwde ze haar schort open. Tot haar ontsteltenis viel er een steen op de grond. Haar man adviseerde haar de steen zo vlug mogelijk terug te brengen. Nog was het vrouwtje niet terug op de vindplaats, of een levend konijn sprong uit haar schort. Een boer uit Godsheide reed in de vroege morgenuren naar Genk om er zijn groenten en fruit aan de man te brengen. Ter hoogte van het kasteeltje van Robinet op de Genkersteenweg kwam er een hele meute katten uit het bos die zich al miauwend opstelden voor zijn paard. De man greep naar zijn kerkboekje en begon het Sint-Jansevangelie te lezen, waarop de katten uit mekaar stoven. Priesters en religieuzen gaven zelf toe dat de aanvang van het evangelie van Sint-Jan de kracht had om boze geesten te verdrijven. Daarom werden vroeger alle misvieringen afgesloten met de lezing van het eerste hoofdstuk van dit evangelie. Bij het kapelletje aan de Kwakkel verscheen iedere avond bij maneschijn een spokende non die de poort van de nabijgelegen boerderij kwam openen. Een boerenknecht die rond die tijd water ging halen in de Kloosterbeek, zag hoe de non zich verwijderde via het weggetje langs de beek en vervolgens door de waterspiegel werd opgenomen. Niet ver daarvandaan, in een andere boerderij bij de Kwakkel, kreeg de zoon van de boer ’s nachts bezoek van zijn overleden tante, die naast hem op het bed kwam zitten. Nadat de jongeman het spook gevraagd had wat het wilde, trok hij op bedevaart naar Scherpenheuvel. Bij zijn vertrek moest hij dan de vraag stellen: “Wie mee wil gaan moet me maar volgen.” Anders moest hij het spook over het hele traject zelf dragen. Een bewoner uit de Berenbroekstraat wilde zelf eens onderzoeken waarom het iedere avond spookte bij de kanaaldijk. Om zichzelf de nodige moed in te spreken, goot hij eerst een halve fles jenever


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

in zijn keelgat. In die toestand begaf dappere Jan zich op weg naar het kanaal. Zodra hij langs de dijk opstapte, werd hij achtervolgd door een gloeiende lamp op het wateroppervlak. Jan kreeg schrik en zette het op een lopen. Maar de gloeiende lamp achtervolgde hem op de voet tot hij een zijweg insloeg en weer thuis belandde. Een bekend verhaal van een geest die na zijn dood bleef rondzwerven om verlossing te verkrijgen was dat van Janneke van de Maten. In de tijd dat de postkoets nog iedere dag van Maastricht naar Hasselt reed, raakte de postiljon op een mistige avond verdwaald in de bossen van de Platvijvers. Wegens de barre weersomstandigheden klopte de koetsier aan bij het afgelegen boerderijtje van Janneke, waar hij vroeg om de nacht te mogen doorbrengen. De gastheer en zijn vrouw waren evenwel weinig minzame armoezaaiers die het gemunt hadden op de geldkist die in de postkoets vervoerd werd. De koetsier werd in zijn slaap vermoord en zijn lijk werd in de Platwijer gedumpt. Vanaf dat ogenblik werd het erf van Jan onophoudelijk door ongeluk getroffen. Zijn veestapel werd door allerhande ziekten aangetast en in de stallingen deden zich meerdere onverklaarbare verschijnselen voor. Jan was ervan overtuigd dat de geest van de koetsier er regelmatig kwam rondhangen. Met zijn geld durfde de boer niet naar buiten te komen. De buurt zou zich immers afvragen hoe de arme luiszak aan deze goud- en zilvermunten geraakt was. Toen Jan de dood in de ogen zag, stelden zijn kinderen hem voor het geld terug te geven aan de regie van de post. De stervende antwoordde kort en bitsig: “Houd wat ge hebt, ik zal lijden wat ik kan.” Kort na zijn dood kwam Jan regelmatig spoken in de omgeving van zijn stulp. Dan riep hij zonder ophouden: “Geef weer, geef weer!” De paters van Rooierheide verbanden het spook voor 99 jaar en ketenden het vast aan een struik in de Maten bij Genk.

Een gelijkaardig spookverhaal speelde zich af in Rapertingen in een woning aan de Luikersteenweg. Een jongeman had aan zijn ongehuwde zus beloofd na haar dood voor haar dochtertje te zullen zorgen. Omdat de man zijn belofte niet nakwam, kwam de geest van zijn zuster bij hem ’s nachts spoken. Aan deze ellende kwam pas een einde toen de man besloot zijn nichtje bij hem in huis op te nemen. Sommige huizen werden in de volksmond bestempeld als spookhuizen. Dit was het geval met een eenvoudig lemen huisje in de Heidestraat. In de beginjaren van de twintigste eeuw werd het huisje niet meer bewoond, omdat de bewoners ervan gestorven waren. Tot een nieuw gezin met twee flinke dochters er zijn intrek nam. Niet lang nadien stierven de twee dochters en ook de moeder werd ernstig ziek. Vanaf dat ogenblik verscheen er iedere nacht in de slaapkamer een roodharige spookgestalte zonder benen. Tegen deze overmacht waren de echtelieden niet opgewassen en noodgedwongen zochten zij elders onderdak. Twee jaar later brandde het verlaten huisje af. De vuurman had zijn werk grondig afgemaakt. Tinus de mandenvlechter van de Luikersteenweg, had het zwaar te verduren van de concurrentie. Een andere strovlechter was zich komen vestigen in de buurt en haalde zowaar al zijn klanten bij hem weg. De wanhoop nabij ging de man zich verdrinken in een waterpoel achter zijn erf. Ook nu hij dood was, kwam de geest van Tinus niet tot rust. Hij had immers tijdens zijn leven een beurs vol goudstukken van zijn buurman gestolen. Als straf moest de zelfmoordenaar iedere nacht komen spoken in de omgeving van zijn vroegere korverij. Verhalen over spoken en luchtgeesten kenden niet altijd een gelukkige afloop. Zo speelde zich op de Kroonwinning als gevolg van een verzonnen verhaal een drama af met dodelijke afloop. Een nieuwe knecht werd er door zijn compagnons uitgedaagd om ’s nachts naar het landgoed te trekken aan de overzijde van de straat, waar naar verluidt de

63


64

geest van een vroegere eigenaar ronddoolde. Om middernacht zouden de twee waaghalzen samenkomen bij de koetspoort van de hoeve. De nieuwkomer wapende zich uit voorzorg met een mestvork om zich in voorkomend geval te kunnen verdedigen. Plots zag hij achter het koetshuis een schim wegspringen. Met de gaffel in de hand sloeg hij toe en doodde aldus zonder het te weten zijn werkmakker die hem de uitnodiging had voorgesteld. Een tragisch einde van wat aanvankelijk als grap bedoeld was. Luchtgeesten manifesteerden zich graag in de gedaante van een witte juffrouw. Berucht waren de drie witte juffrouwen, die ’s nachts een wandeling maakten door het park van Henegouw zonder de voorbijgangers lastig te vallen. De overlevering wilde dat het de schimmen waren van drie overleden grafzusters, die vroeger in het convent van Henegouw geleefd hadden en daar begraven lagen. Geheimzinniger was het verhaal van een koppeltje uit de Grote Steeg, dat op een septemberavond blij en uitgelaten terugkeerde van Hasselt-kermis. Pas hadden zij de deur achter zich dichtgeslagen of een witte juffrouw wenkte hen minzaam toe aan het keukenraam van hun huisje. De jongen wou zonder dralen zich ervan vergewissen wat zich buiten de woning afspeelde. Naarmate hij dichterbij kwam, bewoog de witte juffrouw zich naar achteren. Wanneer de man aanstalten maakte om terug naar binnen te gaan, kwam de verschijning opnieuw dichterbij. Nooit zijn ze te weten gekomen wie de witte juffrouw was en of ze met goede of met kwade intenties bezield was. Op het brugje over de Nieuwe Demer ter hoogte van de Broekermolen verscheen ’s nachts soms een witte juffrouw. De meeste voorbijgangers waren doodsbang voor de verschijning en sloegen op de vlucht, wanneer ze met de witte juffrouw geconfronteerd werden. Een zelfverzekerde burger, pennenlikker op de gelatinefabriek, die bij valavond van zijn dagtaak terugkeerde, kwam oog in oog te staan met de witte dame. Hij sprak haar aan: “Ben je van God, spreek dan. Ben je van de duivel, ga dan opzij.” Hierop zette de juffrouw een stap terzijde, om de man door te laten.

De Alverberg, waar nu het stedelijke sportcentrum gelegen is en waaraan de naam Alverbergstraat herinnert, was de woonplaats van de Alvermannekens. Alvermannekens waren kleine, eigenzinnige, lelijke ventjes die zich overdag schuilhielden in hun spelonken en onderaardse pijpen en die ’s nachts opdoken om zich naar de bewoonde wereld te begeven. Men vertelde dat de Alvermannekens ’s nachts in de woningen kwamen om deeg te kneden, mest te spreiden, boter te maken en zelfs brood te bakken in ruil voor wat rijstpap, dat de huisbewoner voor hen klaarzette. Deze aardgeesten hielden er helemaal niet van in hun doen en laten door de mensen bespioneerd te worden. In voorkomend geval werden zij ondeugend en trachtten zij de eigenaars schade te berokkenen of lastig te vallen. Vele verhalen gaan terug tot een historische kern en werden nadien door de volksverbeelding uitgebouwd tot een legende, die jarenlang van generatie tot generatie werd overgeleverd. Zo was de Boerenkrijg voor onze voorouders een realiteit geweest die hen nog vele generaties lang bleef aangrijpen. De sage van de Moeffelhiër is een van die vele verhalen die zich in ons erfgoed hebben ingeburgerd. Nabij het Hilsterveld, langs de Oude Baan van Hasselt naar Sint-Truiden, werd het lijk gevonden van een priester die door de Franse sansculotten was afgeslacht. Op die plaats hadden de bewoners uit de omgeving een kapelletje opgericht met het beeld van een zittende Christus, dat door de Hasselaren druk bezocht werd. In de Hasseltse sage van de Moeffelhiër verschijnt op deze plaats omstreeks middernacht de geest van de vermoorde priester. Bleek en bebloed staat hij dan in het midden van de weg, de handen weggeborgen in een moffel.40 Wordt hij door een wandelaar benaderd, dan trekt hij zich terug en verdwijnt hij in het niets. Eigentijdse getuigenissen hadden vroeger het verhaal opgetekend over de moord op deze brave priester, die gebeurd was op de avond van donderdag 5 december 1798 tijdens de finale slag van het boerenleger tegen de Franse overweldigers. De priester werd


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

met bajonetsteken afgemaakt en zijn lijk vervolgens in de gracht geworpen. Zijn lichaam werd gevonden aan de Oude Baan, dicht bij de plaats waar deze weg aansluiting geeft op de steenweg Hasselt-Sint-Truiden. Het kapelleke van Hilst werd op de plaats van de beslissende fase van het gevecht omstreeks 1850 gebouwd door mevrouw Bamps-Lebon. De geest van de Moeffelhiër doolde rond over het Hilsterveld en de Oude Truiderbaan. Een zekere veearts Claes, die ’s nachts dagelijks op deze plek voorbijreed, verklaarde onder ede dat hij hier herhaaldelijk de schim van de priester had ontmoet. Gedurende vele jaren kwamen talrijke bedevaarders uit de Antwerpse Kempen de plaats vereren waar de martelaar viel. Ieder jaar nog wordt op de vooravond van 5 december bij het kapelleke door het boerenkrijgcomité uit Hasselt een korte herdenkingsplechtigheid gehouden.

40

Een moffel is een soort want, grove handschoen.

65


66

7. Toelichtende index bij de toponiemen Alfabetische index op de toponiemen Aerdhoutboschken (het)

Bosje gelegen onder het Hoogveld in de omgeving van de Seypsbeek, een greppel

730, 731

die uitmondde op de Runxterstraat. Alverberg (de)

Beemd gelegen onder aan het Pietelbeekveld op de Galgebeek tegen de grens met

1916

Diepenbeek. Armerweijde (de)

Weide gelegen aan de Boekstraat op het Dormaal. De weide besloeg drie percelen

937, 938, 951

akkerland, gelegen aan de Boekstraat en eigendom van het gasthuis of de armendienst van de stad. Augustijnen bosken

Klein bos gelegen op het Runkster Hoogveld.

728, 729, 730, 732

Augustijne winninge (de)

Winning die voorheen eigendom was van het Hasselts augustijnenklooster, gelegen

795, 796

op de Runxterstraat. Net als de overige kloosterorden bezaten de Hasseltse augustijnen in de omgeving van de stad meerdere landeigendommen. Bamp (den platten -)

Beemd en weide gelegen onder het Stuck op de Luikerbaan. In deze context bete-

131, 1798, 1799

kent “plat” niet vlak, maar wel moerassig, vanwaar een drassige beemd. Bampt (den langen-)

Weide gelegen aan de Helbeemden. Het bepalend bestanddeel “lang” weerspiegelt

348, 349, 350, 351, 352, 393,

de vormaanduiding van een smal uitlopend perceel.

396

Batsweide (de)

Weide gelegen achter het goed van Crutsen op de limieten van Hasselt en Kuringen. 1277, 1278

Batsweide/Batsbloock

Weide en blook gelegen aan de Vuursteeg bij de Trekschurenstraat. Een blook is

479, 480, 481

een afgesloten of geheind stuk grond. Het naamgevend element “bats” gaat in oorsprong terug tot de familienaam De Baets, etymologisch te verklaren als “vrouwenonderbroek, bak, trog of krib”. Be(ck)en (de)

Verwijst zowel naar de beek die gelegen is bij de Mombeek als naar de beemd op

43, 44, 45

het Reukenis. Dit toponiem vindt zijn verklaring in de ligging van het perceel tussen twee beken. Beeldtiensveld,

Dit veld ligt als een enclave midden tussen de goederen van Henegouw. Het perceel 22, 23

Beeldjensveld

dankt zijn naam aan een beeld van een heilige of van Onze-Lieve-Vrouw, dat op een staak of in een kleine nis bij het veld was opgesteld.

Beken (de)

Beemden gelegen op het Reukenis in Melbeek. Het toponiem “beken” verwijst naar

93, 94, 95

de aanwezigheid van een gracht in de omgeving. Beken (de)

Beemd gelegen langs de Rapertingenstraet bij het Lanck Cruijs.

1821, 1822, 1823, 1848, 1849, 1851

Begijnenboomgaard (de)

Akkerland en boomgaard, gelegen in de omgeving van de Planckeweide en de Stadsomvaart achter het eerste begijnhof op de plaats waar de boomgaard van de begijnen lag.

1058, 1059, 1061


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Begijnenpoel (de)

67

Poel gelegen achter het eerste begijnhof bij de Helbeek langs de Luijckerbaene

1020, 1034, 1035, 1037, 1038,

(thans Rodenbachstraat).
Bij het beginpunt van de oude baan naar Luik lagen eer-

1059

tijds enkele vijvers, zowel op het goed van de familie Villers als langs de overzijde van de Luijckerbaen. 
Een van die vijvers, de Begijnenpoel, gelegen op het kruispunt van de baan naar Luik (thans Welvaartstraat) en de Stadsomvaart (achter het Sint-Jozefscollege), dankt zijn naam aan de nabijheid van het eerste begijnhof van Hasselt, dat buiten de muren lag. De Helbeek, die op het eind van de negentiende eeuw overwelfd werd, vormde de voedingsbodem van deze poel. Begijnhof (het)

Het eerste begijnhof van de stad was gelegen bij de Luijckerbaene (Toekomststraat). 1060

Benoetskruis (het)

Plaats bij de toegang tot het Kruisveld waar een kruis was opgericht bij de heerweg

429

van Hasselt naar Sint-Truiden. Berckenshout (het)

Bos in Godsheide bij de limiet van Diepenbeek. De naam “berckenshout” werd

2327, 2328, 2329, 2330

in de huidige straatnaamgeving verbasterd tot “beerhout”. De berk is een typisch Kempische boom. De vier aaneensluitende percelen waren omsloten door een omwalling van berkenhout of getuigen van een aanplanting van berken om de grensafbakening met de heide af te palen. De aanleg van een houtwal met boomaanplantingen diende om te beletten dat het stuifzand op de akkers zou terechtkomen. Berxensweijde (de)

Weide aan de Oude Demer gelegen tegen de Brugbempden.

2232

Biessembrug (de)

Brug over de Nieuwe Demer tussen de Voorstraatbrug en de Bosstegebrug ter

2117, 2118, 2164, 2185

hoogte van de Biessemweiden. Biessemstege (de),

Steeg die vanuit de Voorstraat leidt naar de Biessembrug over de Nieuwe Demer en

2108, 2109, 2110, 2111, 2115,

Biessemsteeg,

naar de Biessemweiden.

2116, 2118, 2119, 2165, 2166,

Biessemstraet Biessemweiden (de)

2167, 2168, 2169, 2171 Weiden gelegen aan de Nieuwe Demer bij de Roten, ter hoogte van het begin van

2160, 2162, 2163, 2164, 2165,

de Trichterheideweg, ingesloten door de Nieuwe Demer vanaf de Bosstegebrug tot

2166, 2167, 2168, 2169, 2170

aan de Biessemsteeg. Het naamgevend bestanddeel “bies” verwijst naar de bekende grasplant die in het water of op de boorden van een plas groeit. Deze plant wordt vooral aangetroffen in vochtige bodems en bij waterlopen. Alle vereiste voorwaarden voor een overvloedige begroeiing zijn aanwezig op deze Demerboorden. Biessemstraat,

Zijstraat van de Boomkensstraat, die op twee punten aansloot bij deze straat. Het

506, 508, 509, 510, 511, 512, 513,

Biesemstraat,

toponiem “biezen” is een aanwijzing voor een zuur perceel hooiland begroeid met

514, 515, 516, 517, 518, 519, 521,

Biezenstraat,

biezen.

524, 525, 526, 527, 528, 529,

Biessemstraete

530, 536, 537, 538, 539, 540, 541, 542, 543, 544, 576, 578, 579, 580, 584, 585, 586, 587

Biest (de)

Toponiem van enkele percelen grond gelegen op de hoek van de heerbaan naar

110, 111, 139, 140, 142, 143, 144,

Luik en de Melbeekstraat tegenover het klooster van Henegouw. Etymologisch geeft 145, 146, 147, 148, 149, 152 het toponiem “biest” een plaats aan die begroeid is met biezen. Als gevolg van deze oorspronkelijke landschappelijke fauna werd de grond nadien vaak omgezet in zure hooilandpercelen. Biest (de klein -)

Land gelegen aan de Luijckerbaen tegenover de kapel van het convent van Henegouw.

150, 151, 152


68

Bijvennen (de)

Naam van vier vijvers gelegen in de Goetscherheide. Vroeger heette de

2331

Bijvennestraat de Oude Goetscherheideweg.
“Bij” verwijst naar de ijverige insecten die in het zomerseizoen nektar en stuifmeel aanbrengen op de bloemen. De volwassen werksters en de darren voeden zich met nektar, de larven worden gevoed met stuifmeel. De honing wordt opgeslagen in de raten. “Vennen” zijn synoniem voor natuurlijke waterplassen. Waarschijnlijk werd het gebied bewoond door zandbijen, die vroeg in het voorjaar verschenen en zich in de grond nestelden. Blauwweijde (de)

Weide gelegen in Pietelbeek boven het Pinnepoelveld en bezijden het

1725, 1740, 1741, 1742, 1748,

Keyselvoetpad.
Dit perceel was vroeger afgebakend met blauwe arduinstenen,

1749

waarnaar de weide nadien benoemd werd. Blaese (de)

Weide gelegen aan de Nieuwe Demer naast de Biessemweiden.
“Blaas” is een

2162, 2163, 2164, 2165, 2168

plaatselijke benaming voor een bron of een wel. De naam is nadien overgegaan op het omliggende land. Blocken (op de)

Geheind perceel gelegen boven in de Helbeemden in de omgeving van het

427

Kruisveld.
“Blocken” (meervoud van blok) is een niet meer gebruikelijke benaming van een weide in de Helbeemden. Een “blook” of een “bloeck” is een door een gracht of omheining afgepaald stuk land. De kwestieuze weide was door steegjes van de belendende percelen afgesloten. Bloock (het Groot-)

Blook gelegen in de Boekstraat in de omgeving van de Ertbeek.

953, 954, 964, 965, 966, 967, 968

Boeckroeck = Bokrijk

2473, 2474

Boeckstraete

Straat die zich uitstrekte vanaf de Kuringersteenweg (nu Frans Massystraat) tot aan

887, 888, 891, 892, 896, 901,

het Dormael Hoogveld. Vertrekkend van op het beginpunt van de huidige Frans

902, 903, 904, 905, 906, 907,

Massystraat liep de straat in rechte lijn door tot aan de Dormaelstraat. Later werd het 912, 913, 914, 915, 916, 917, 925, tracé doorsneden door het derde station van de stad.
De Boekstraat is een straat

926, 927, 928, 932, 934, 935,

met een ver verleden. Het Middelnederlandse “boeke” staat synoniem voor beuk(en- 936, 937, 938, 951, 953, 966, hout). 
In 1930 werd de naam van het eerste deel van de Boekstraat gewijzigd in

967, 968, 969, 970, 971, 972,

Nijverheidsstraat en in 1945 andermaal vervangen door de Frans Massystraat. Dat

973, 974, 1212

er naast de huidige Boekstraat ook nog een Beukenstraat bestond bleek voor onze voorouders niet aanstootgevend geweest te zijn. Boomkensstraete,

Het beginpunt van deze straat lag aanvankelijk aan de Kuringerpoort. Vanaf hier

Boomkensstraet

volgde ze even haar loop buiten de stadswal (thans Schiervellaan), sloeg rechts af ter 545, 546, 549, 550, 551, 555,

538, 539, 540, 542, 543, 544,

hoogte van de Slicksteen en volgde een lang en recht tracé tot aan de Truyerbaen

556, 557, 560, 561, 564, 565,

op de plaats die de Kleine Linde genoemd werd.

566, 567, 568, 569, 570, 571, 574, 575, 577, 578, 996, 997, 1000, 1001, 1002, 1003

Boomkensvijver

De Groote en Clijnen Boomkensvijver zijn gelegen langs de Kiewitstraat op de grens

2333

met Bokrijk in het oosten van de Hasseltsche heide. Waarschijnlijk moet dit toponiem in verband gebracht worden met de aanwezigheid van bomen als markering van de limiet met Bokrijk. Borggraevevijver,

Vijvercomplex noordwaarts van de Genkerbaen gelegen. Deze vijvers waren eigen-

2218, 2332, 2334, 2335, 2336,

Borggraafvijvers

dom van de kastelein of baanderheer van de graaf van Loon. Het toponiem “borch-

2337, 2338, 2339, 2348, 2349,

grevenvijver” wordt voor het eerst geciteerd in 1446.

2350, 2351, 2352

Voedingsbeek van de Oude Demer.

2339, 2343, 2344, 2345

Borggraevevijverbeek


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Boschstege, Bossteeg

69

Steeg die de verbinding vormt tussen de Boschstraete en de Boschstegebrugge

2087, 2088, 2126, 2127, 2128,

op de Nieuwe Demer.

2129, 2130, 2131, 2132, 2157

Brug over de Nieuwe Demer bij de Biessemweyden.

2157, 2158, 2161, 2162

Boschstraete,

De Bosstraete vormde de lange verbindingsweg vanaf het Teutelwijerken ter hoogte

1540, 1544, 1545, 1554, 1555,

Boschstraet, Bosstraet

van de oude Trichterbaen / Casterstraet tot aan de Wolskestraet (thans Kiezelstraat). 2034, 2037, 2040, 2045, 2046,

Boschstegebrugge, Bossteegbrug

De naamkeuze toont aan dat zich hier vroeger een groot bos uitstrekte tussen de

2047, 2048, 2049, 2083, 2086,

Nieuwe Demer en de Maestrichterbaene.

2087, 2088, 2089, 2090, 2091, 2092, 2094, 2095, 2096, 2097, 2099, 2100, 2101, 2102, 2103, 2104, 2105, 2107, 2120, 2122, 2123, 2124, 2125, 2126, 2131, 2132, 2133, 2134, 2135, 2136, 2138, 2139, 2140, 2141, 2142

Boschveld, Bosveld

Toponiem van een aantal gronden gelegen achter de Kalverhoven aan de Bosstraet

2084, 2085, 2086, 2087, 2088,

bij de Sint-Jansbeek. Het Boschveld was een uitgerokken strook die in puntvorm

2089, 2090, 2091, 2092, 2093,

uitliep op de plaats waar de Voorstraat aansloot bij de Singelbeekstraat. De opper-

2094, 2095, 2096, 2097, 2098,

vlakte van dit veld lag besloten tussen de Bosstraet, de Trichterbaen en de Sint-

2099, 2100, 2101, 2102

Jansbeek. Het veld ontleent zijn naam aan de Bosstraet. Bosken

Winning aan de Luijckerbaen boven de Moordelkuyl. De naam van deze hoeve gaat

64

terug naar de vroegere begroeiing van de plaats waar de winning gelegen is. Bouteveld (het),

Toponiem van een veld op de Trichterheide bij de Padestraat. Het bepalend be-

1450, 1451, 1452, 1453, 1454,

Boeteveld(t), Bauteveldt

standdeel “boute” is een persoonsnaam, afgeleid van het Middelnederlandse “bou-

1456, 1457, 1458, 1459, 1484,

de” dat stout of moedig betekent.

1485

De Groote en Klijne Breenaeldtvijver zijn gelegen ten noorden van het spoor Hasselt

2333

Breenaeldtvijver

- Genk op de limiet met Bokrijk. Vermoedelijk gaat de oorsprong van de naam van deze twee vijvers terug tot de langwerpige vorm, waarin onze voorouders het beeld van een naald meenden te herkennen Breestraet, Breedstraet

Via een pad was de Lazarijstraat verbonden met de Breestraet die verder slin-

1235, 1236, 1237, 1238, 1239,

gerde tot aan het goed van Crutsen. Deze straat werd in 1426 vermeld als de

1240, 1247, 1248, 1249, 1250,

“Breytstraten”. Haar naam werd bepaald door de vorm die op bepaalde plaatsen

1251, 1252, 1253, 1270, 1271,

nogal breed was. Mogelijk is de etymologie afkomstig van de stam bree in de bete-

1298, 1299, 1300, 1301, 1305,

kenis van “slijkerige grond”.
Ingevolge de aanleg van de “schilderswijk” werd het hui- 1306, 1307, 1308, 1309, 1310 dig parcours van de Breestraat verlegd. Bremstraet, Breemstraet

De Bre(e)mstraet is een zeer oude straat die al vermeld wordt in 1323.
Het tracé

715, 838, 839, 840, 841, 842,

van deze straat vertrok op de Kuringersteenweg, een weinig verder dan de spoor-

843, 844, 845, 846, 850, 851,

baan die vroeger naar het kanaal leidde, schuin tegenover de Lazarijstraat, liep ver-

852, 855, 865, 866, 867, 868,

der doorheen de vlakte die nu ingenomen wordt door het vormingsstation, gaf haar

869, 873, 874, 875, 876, 877,

naam aan een deel van de huidige Spoorwegstraat en vertakte zich vervolgens in

881, 882, 883, 885, 886, 889,

de richting van de Dormaalstraat en de Runksterstraat. 
Het bepalend bestanddeel

890, 893, 894, 895, 896, 897,

“brem” is een aanwijzing van de vroegere begroeiing met bremstruiken.

898, 899, 900, 901, 902, 906, 907, 908, 909, 910, 911, 912, 915, 916, 917, 918, 919, 920, 921, 922, 1218


70

Broukmolen,

De Broukmolen, gelegen op de Nieuwe Demer langs de later aangelegde

1172, 1174, 1175, 1176, 1177,

Brouckermolen (de)

Kanaalkom, werd in 1742 van steen opgetrokken. Het bouwjaar was aangegeven

1197, 1312, 1313, 1314, 1315,

met muurankers op de voorgevel en was af te lezen op de arduinen sluitsteen bo-

1316, 1318, 1319, 1321, 1322

ven de toegangsdeur aan de straatkant.
Het was een graanmolen, waar vooral gerst maar nooit rogge werd gemalen. Toen de lakennijverheid nog in haar bloeiperiode verkeerde, functioneerde de Broukmolen vanaf 1545 als vollersmolen. Om die reden heette de noordelijke uitloper van de Wijerstraat een tijdlang Volmolenstraat. 
“Broek” is de gangbare benaming voor een perceel drassig hooiland gelegen in het depressiegebied van een beek. Broukmolenkolk (de)

Waterpoel bij de Broukmolen gelegen.

1317

Broukmolenstraat

Straat vanaf de Brouckermolen tot aan de Kemperbaen tegenover de Vilderstraet.

1158, 1160, 1163, 1164, 1318,

Het eindpunt viel samen met de huidige Havenstraat.

1319, 1320, 1323, 1324, 1325, 1326, 1334, 1354, 1355, 1356, 1357, 1358, 1362, 1363, 1364, 1365, 1366, 1367, 1368, 1369, 1370, 1371, 1372, 1373, 1374, 1375, 1404

Brouckmolenwegh,

Weg die de verbinding vormde tussen de Brouckermolen met de Kemperbaen, de

1164, 1165, 1167, 1168, 1169,

Brouckerwegh

huidige Vaartstraat.

1170, 1171, 1173, 1174

Bruggacker

Akker of blook gelegen aan de Molenstraet bij de grens met Wimmertingen. De hui-

28, 29, 30

dige Bruggenakker ligt aan de Molenvoetweg onder de Moordelkuil.
De Brugakker strekte zich uit tussen de Molenstraat, de Luikerbaan en de Molenbeek. Het brugje dat over de Molenbeek lag vormde het naamgevend component van dit toponiem. Brugakkerweide

Weide gelegen aan de Brugakker bij de Molenstraete.

30

Brugbeemd

De Brugbeemd of Brugbamp lag in de Donkerbemden op de hoek van de

38

Mombeek. Deze beemd wordt aldus geheten naar het brugje dat over de Mombeek lag. Brugbempden,

Een reeks beemden gelegen aan de Trichterheide tussen de Oude Demer en

2147, 2204, 2205, 2206, 2207,

Brugbeemden

de Vissenbroeken. Een van de oudst geattesteerde namen binnen het gehucht

2213, 2221, 2222, 2223, 2224,

Godsheide zijn de Brugbeemden. De Brugbeemden vormen een smalle drassi-

2225, 2227, 2228, 2229, 2230,

ge strook percelen, onregelmatig gegroepeerd aan de noordzijde van de Oude

2231, 2232, 2233, 2234, 2235,

Demer, een weinig oostwaarts van de Willekensmolenstraat, tot aan de brug op de

2236, 2237, 2238, 2239, 2240,

Wolfskestraat en noordwaarts tot aan de Platte Vijver.
Het was een vlakte van beem- 2241, 2242, 2243, 2244, 2245, den en graslanden, moeilijk toegankelijk voor het vee. Boeren maakten er hoofdza-

2246, 2253, 2254, 2255, 2256,

kelijk gebruik van als hooiland. De grond was er zo zompig dat karren en gespan

2257, 2258, 2259, 2260, 2261,

zich niet op het terrein durfden begeven en halt hielden op een zijwegeltje waar de

2262, 2263, 2264, 2265, 2266,

knechten het hooi met hun handen naar toe brachten. 
Reeds in 1350 is er sprake

2267, 2268

van de “brugghebampt situm in wolscherre”, een aanwijzing dat deze beemd genoemd werd naar de brug over de Oude Demer aan de Wolfskestraet. Brugbempsteeg

Steegje naast de Demerbrug van Godsheide dat vanuit de Goetsche straet leidt naar 2268 de Brugbempden.


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Burgvenne

Vijver gelegen ten noorden van de Schrijnbroekstraat boven het Pannenhuis aan de

71

2466, 2467

palen van Kuringen en Hasselt.
Een “ven” is een natuurplas in de heide. Omdat het grondwater er te hard en te zuur is, kan er in de heidevennen geen vis gekweekt worden. 
“Burg” in de betekenis van slot of kasteel kan hier niet van toepassing zijn. In de omgeving valt immers geen slot te bekennen. Burg is in deze context een wisselvorm van “berg”, waarmee een hoger gelegen perceel wordt aangegeven naast de lager gelegen Muggebeek die er langsheen vloeit. Buskensveldt

Akkerland gelegen tussen de Keijselvoetweg en de Singelbeekstraat. Buskensveld

1728, 1729, 1730, 1732, 1733,

of Boskensveld is een gangbare benaming voor een perceeltje bos, een heideveld of 1734, 1735, 1736, 1737, 1741, een gerooid bosperceel.

1742, 1743, 1744, 1745, 1748, 1771

Caltensvijver

Vijver gelegen bij het Hommelvenne en bij de Borggraefvijver. De Caltensvijver dankt

2332

zijn naam aan een van de eigenaars. Calverhuijsen: zie

capelle, kapel van

De kapel van Godsheide was gelegen aan het pleintje op de tweesprong tussen de

2284, 2285, 2286, 2287, 2289,

Goetsche

Goetsche straete (Kiezelstraat) en de Beerhoutstraete.

2318, 2319, 2323, 2324, 2325

Capucienenmuer

Muur van het Capucienenklooster tegen de stadsvesten.

1062, 1063, 1064, 1066, 1068,

Kalverhoven

1069 Capucienenthoren

De grote smedentoren van de stadswal die gelegen was achter het

1064, 1065, 1066, 1067

Capucienenklooster. Cellebroedersboschken

Bos in de omgeving van de Vissebroucken.

2351, 2356

Drie vijvers gelegen bij de Zusterkloosterbeek ten noorden van de Borggraefvijvers

2334

Cellebroedersboske Cellebroedersvijvers

aan de Gemene heide. De Cellebroedersvijvers lagen noordwaarts van de Borggraefvijvers. Zoals de naam het aangeeft waren zij vele jaren in het bezit van het klooster van de Hasseltse cellebroeders. Vervolgens werden zij eigendom van de deken van Sint-Quintinus en van de burgemeesters. De eigenaars van de Cellebroedersvijvers moesten jaarlijks twaalf dikke karpers schenken aan de gouverneurs van de stedelijke ambachten. Celsusteren bamp,

Beemd gelegen aan de Brugbempden bij de Oude Demer.

2240

Blook gelegen op de Toest bij de Langkruisweide.

1841

Celsusteren ste-

Steegje gelegen bij de Grote Lindestraete in de nabijheid van de Sint-

440, 441

ge, Celzusterssteeg,

Truijerbaene.
Voornoemde steeg werd aldus geheten omdat de celzusters of grauw-

Celsusteren dreef

zusters van de stad eigenaar waren van een belendend perceel.

Cnaepeweijde (de)

Weide gelegen op de Vochdije tegen de grens met Sint-Lambrechts-Herk. Kennelijk

Celsustersbeemd Celsustersblook,
 Celsusteren bloocksken

is de plaatsnaam afgeleid van de familienaam Knapen. De etymologie van deze eigennaam gaat terug tot het Middelnederlandse “cnaep”, een gezel of een schildknaap die in de leer ging bij een meester om een ambacht aan te leren.

226


72

Corneliskerck (Sint-)

Deze kerk was gelegen aan de ingang van de Grote Steeg of Willekensmolenstraat.

1090, 1091, 1092, 1093, 1095, 1096, 1097, 1103, 1104, 1105, 1106, 1113, 1114, 1118, 1131

Curingerbaene,

Heerbaan naar Kuringen.

Kuringerbaan

853, 854, 855, 858, 859, 860, 861, 862, 863, 868, 869, 870, 871, 872, 873, 874, 876, 878, 879, 880, 883, 884, 885, 886, 887, 975, 976, 1212, 1213, 1214, 1215, 1217, 1218, 1219, 1220, 1259, 1260, 1261, 1262, 1265, 1267, 1268, 1269, 1270, 1271, 1272, 1273, 1274

Curingerpoorte,

Stadspoort gelegen bij het beginpunt van de baan naar Kuringen.

Kuringerpoorte Demer (den Alden)

974, 975, 976, 977, 978, 1000, 1001

1273, 1281, 1282, 1284, 1285, 1286, 1303, 1304, 1320, 1328, 1331, 1332, 1333, 1339, 1340, 1341, 1355, 1357, 1359, 1360, 1473, 1474, 1497, 1498, 1499,
1501, 1506, 1507, 1508, 1509, 1510, 1515, 1520, 1521, 1525, 1528, 1529, 1530, 2146, 2147, 2148, 2153, 2154, 2173, 2174, 2179, 2180, 2181, 2197, 2198, 2202, 2203, 2204, 2232, 2240, 2241, 2242, 2243, 2258, 2259, 2260, 2261, 2262, 2263, 2264, 2265, 2266, 2267

Demer (de Nieuwe)

1119, 1120, 1121, 1122, 1123, 1124, 1125, 1126, 1127, 1140, 1141, 1148, 1149, 1150, 1151, 1171, 1172, 1175, 1176, 1177, 1180, 1181, 1183, 1304, 1308, 1310, 1311, 1312, 1314, 1317, 1318, 1319, 1320, 1330, 1332, 1522, 1523, 1526, 1527, 1532, 1533, 1534, 1535, 1536, 1546, 2114, 2115, 2117, 2118, 2120, 2121, 2124, 2127, 2128, 2129, 2137, 2144, 2145, 2149, 2150, 2152, 2155, 2156, 2157, 2158, 2162, 2163, 2164, 2185, 2186, 2188


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

73

Diepenbekervoetpad

Bezijden de Maastrichterpoort lag het beginpunt van de Diepenbekerweg, die langs- 1557, 1558, 1559, 1560, 1565,

(het), Diepenbekerpad,

heen “de Hoeven” doorliep tot in de Castersteeg. Vanaf dit punt nam de weg de

1566, 1570, 1571, 1572, 1576,

Diepenbeekvoetpad,

naam aan van Diepenbekervoetpad om het tracé van de huidige Peter Benoîtstraat

1577, 1581, 1583, 1584, 1585,

Diepenbeker voetpad

en de Jan Van Helmontlaan tot aan de Singelbeekstraat te volgen. Van hieruit liep

1588, 1589,
1650, 1651, 1652,

het pad verder in de richting van de Sint-Jansbeek om nadien aan te sluiten bij de

1655, 1656, 1657, 1658, 1661,

Trichterbaan.

1662, 1663, 1664, 1665, 1666, 1667, 1668, 1670, 1671, 1673, 1675, 1676, 1677

Diepenbekerweg (de)

Deze weg komt overeen met de huidige Windmolenstraat.

1049, 1064, 1070, 1071, 1072, 1074, 1075, 1076, 1077, 1078, 1079, 1080, 1081, 1082, 1083, 1084, 1085, 1086

Diepstraat (de)

Straat gelegen tussen de Groot Stucksteeg en de Wanbeek. Het naamgevend be-

745, 747, 748, 750, 778, 780

standdeel “diep” is een kenmerkend element van een natte en drassige grond, hier verklaard door de nabijheid van de Wanbeek. Donckerbempden,

Beemden gelegen aan de Luikerbaen bij de brug van Wimmertingen tussen de

31, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 38,

Donkerbeemden (de)

Mombeek en het Molenpadt. De nabijheid van de Molenbeek was bepalend voor de

39, 40

donkere en vruchtbare gronden in de omgeving. Dorlick (op ‘t)

Uitgestrekt veld gelegen in Singelbeek tussen de Singelbeekstraet en het

1645, 1646, 1647, 1648, 1649,

Keyselvoetpad.
Het toponiem “Dorlick” is afgeleid van de familienaam Doerlicx/

1650, 1651, 1652, 1653, 1654,

Duerlick, een naam die teruggrijpt naar de Middelnederlandse stam “doorlijc” (=

1655, 1656, 1657, 1658, 1659,

dwaas). Peter Dorlix uit Zonhoven, doctor in de geneeskunde en nadien professor

1660, 1661, 1662, 1663, 1664,

en rector te Leuven, overleden in 1677, stichtte in zijn geboortedorp in 1675 een offi-

1665, 1666, 1667, 1668, 1669,

cie, ondermeer voor het verstrekken van geloofsonderricht aan ongeletterden. Dit le- 1670, 1671, 1672, 1673 gaat werd gegenereerd uit onroerende bezittingen van de stichter.
Ongetwijfeld bezat Dorlix ook een aantal gronden in Hasselt, ondermeer op voornoemd perceel dat naar hem genoemd is. Dormael (het), Dormaal

Runkster kwartier gelegen tussen de Boekstraet en de Dormaelstraet.

602, 660, 665, 668, 669, 674, 675, 676, 677, 678, 679, 681, 707, 924, 927, 928, 929, 931, 940, 941, 942

Dormael Breestraete

Dit stuk van de Dormaelstraete in de richting Kuringen ligt in de omgeving van het

810, 825, 826, 827, 828, 829,

Kermisveldje en de Drij Veldtiens.
Het tracé van de Dormaelstraete loopt vanaf de

834, 836

Hontsribbe op de hoek van de Biezenstraat tot aan de limieten van Kuringen. Het laatste stuk van de straat eindigt kennelijk op een verbreding, vanwaar het toevoegsel “bree”-straet. Dormaelpadt (het)

Vertrok bij de Kuringerpoort (tegenover de Slicksteen) als een smal wegeltje, sloot

583, 592, 593, 594, 595, 596,

aan bij de Dormaelstraet en verder bij de Winthalm, vanwaar het richting Sint-

597, 665, 668, 669, 943, 944,

Lambrechts-Herk ging.

945, 947, 948, 956, 957, 958, 959, 961, 978, 979, 980, 981, 982, 989, 990, 991, 992, 993, 994, 995, 1000


74

Dormaelstraete

Lange weg die vanuit de grens met Kuringen door het gehucht Dormaal naar het

508, 585, 586, 587, 589, 592,

Gaarveld liep.
“Dormael” was een oud laathof gelegen op de grens van Hasselt met

593, 599, 600, 601, 605, 606,

Kuringen. Naar zijn grondbetekenis is “dormael” een kleine aal.

607, 608, 609, 610, 613, 665, 666, 667, 670, 671, 672, 673, 708, 709, 710, 711, 715, 716, 821, 822, 823, 837, 838, 845, 922, 923, 924, 927, 928, 929, 930, 941, 943

Dorne Croon landt,

Smal perceel grond gelegen onder het “Kermisveldje” en in de omgeving van “Het

Doornekroonland

Tommeken” bij de Dormaelstraet.
Het toponiem “Doornekroonland” typeert een per-

721

ceel grond begroeid met ruwe heesters of omzoomd met doornachtige hagen van het soort van de meidoorn en de haagdoorn. Dreftstege (de)

Erfsteeg die vertrekt aan de Lazarijstraat en uitmondt achter de percelen van de

1223, 1224, 1226, 1242, 1259

Heckeleer (thans Plantenstraat). Dries (de)

Winning en naar dit pand genoemd toponiem gelegen tussen de Rapertingenstraat

1872, 1873, 1876, 1877, 1878,

en de Pietelbeekstraat.
“Den dries” was een uitgestrekt complex van landerijen gele- 1881, 1882, 1884, 1885, 1886, gen bij de Pietelbeekstraat. Het toponiem dat afgeleid is van het telwoord “drie” ont-

1887

stond uit de traditie van de driejaarlijkse wisselbouw (drieslagstelsel). “Den dries” in Rapertingen was gewoon een huisdries, een stuk grasland of weide, gelegen rondom de boerderij waar het huisvee kon gehoed worden. Dries (den Quaeden)

Percelen grond gelegen in de Melbekerstraat.
Het hoedanigheidsadjectief “kwaad”

114, 115, 116

verwijst naar de minder goede bodemkwaliteit van het perceel. De drassige grond was er onvruchtbaar en leende zich moeizaam tot bewerking. Ook in dit geval ging het om grasland waar het vee werd uitgezet om te grazen. Dries (den Witten)

Akkergronden gelegen midden op het Pietelbeekveld bij de steeg die leidde naar de

1883, 1885, 1886, 1887, 1926,

winning “Den Dries”.
Het adjectief “wit” slaat in deze samenstelling niet op de kleur

1928, 1929, 1930

van de grond, maar wijst op een begroeiing met teenwilg (cf. het Middelnederlandse “wide, wyde”). “Wit” is de volksetymologische reïnterpretatie van deze niet meer begrepen boomnaam. Drooghvenne (vijver)

Vijver gelegen boven het Burgven aan de grens van Hasselt met Kuringen. Het kwa-

2467

lificatief bestanddeel “droog” verwijst naar een ven waarvan de bodem uit droge zavelgrond bestond en voor het grootste deel van het jaar met weinig of geen water gevuld was. Duijffhuijs hof,

Het “Duifhuijshof” was een perceel met een alleenstaand duifhuis,

Duijffhuijshoff

gelegen aan de Luijkerbaen bij de Zeven Stichelen.

Duifhuis (het)

Perceel grond gelegen aan de heerweg naar Luik tegenover het duifhuis van

1613, 1614, 1615, 1616

1801

Ambrosij op de Echelgarden. Duijvels brugge (de)

De “Duivelsbrug” waarover hier sprake is lag in het verlengde van de straat die

1507, 1508, 1509, 1515, 1516,

Duijvelsbrug(ge)

vanuit de Willekensmolenstraat loopt in de richting van de Veltmansbrug (huidige

1519, 1520

Kapermolenstraat) en vandaar haar loop verderzet naar de Oude Demer.
De herhaalde keuze van deze volkse benaming, waarvan een homoniem bij het Hoogvonder lag (nr. 1354), verwijst andermaal naar de bouwvallige constructie van smalle overbruggingen over de Demer.
Het bepalend bestanddeel “duivel” wees op de gedelabreerde toestand van het staketsel, waarbij instortingsgevaar niet denkbeeldig was.


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Duivelsgat (het),

Weide gelegen in Runkst bij de Wanbeek.
De grillige en bochtige loop van de

Duijvelsgat

Wanbeek op deze plaats sprak tot de verbeelding van de gewone mens en leidde in

75

754, 755, 758

de volksmond tot het toponiem “duivelsgat”. Eckarden (de)

Weide gelegen bij de Mombeek op de grens met Kortessem.
Alle percelen rond-

41

om de molen van Mombeek worden gerangschikt onder de gemeenschappelijke noemer van de Eckarden. 
Deze oude benaming komt reeds voor in de gichten van 1453 als het “Echelsgaet” en is vandaag bewaard in de Ekkelgardenstraat. 
De echel of bloedzuiger, die gekweekt werd in poelen en in vennen, werd in de geneeskunde door onze voorouders benut voor aderlatingen. Eckelgard, Echelgarden

Gronden gelegen op Trekschuren aan de Echelgardensteeg en de heerweg naar

245, 246, 247, 248, 250

Luik. Eckelgardsteeg (de)

Steegje gelegen in Trekschuren dat uitgeeft in de Trekschurenstraat.

Eexterbosch (den jongen) Bos gelegen achter de hoeve “De Winthalm” bij het steegje dat leidt naar de

238, 239, 250, 251, 253 641, 642, 643, 644, 774

Wanbeek. Elsracken, Elseracken

Reeks weiden gelegen in de Trichterheide tegen de Stads Nieuwheide.
De Elsracken 2388, 2389, 2390, 2391, 2392, vormen een complex geheel van bouw- en hooilanden, struwelen en moerassen.

2393, 2394, 2395, 2396, 2397,

Het gebied ligt afgezonderd in de heide ten noorden van de Gebanne Groesen. 
Het

2398, 2399, 2400, 2402, 2403,

vormt een langgerekte strook land, waarin de betekenis van het grondwoord “raak,

2404, 2405

rack” als een smalle strook land volkomen tot zijn recht komt. 
Het naambepalend bestanddeel “els” spreekt voor zich: een met elzen beplante of omzoomde strook grond gelegen langs de waterkant. Elleboghe (den Krommen) Winning en gronden gelegen aan de Uijlesteeg bij de limieten van Sint-Lambrechts-

291, 478, 480, 482

Herk.
Steegje dat in het verlengde ligt van de Uijlesteeg. Deze perceelsnaam dankt zijn oorspong aan de kromming die de Uijlesteeg maakte in de vorm van een elleboog. Ertbeke, Ertbeek

Deze bijrivier van de Nieuwe Demer ontspringt in het zuid-westelijk deel van de

575, 576, 578, 579, 580, 582,

stad en stort zich aan de Thonissenlaan ter hoogte van het Kattegat in de Nieuwe

961, 966, 967, 968, 972, 977,

Demer.
Veeleer dan te stellen dat het gaat om een beek die haar weg baant door-

978, 979, 982, 983, 984, 985,

heen velden die begroeid zijn met struikerwten, is het bestanddeel “hart” of “hert”

986, 987, 988, 989

relevant voor de kwaliteit van hard water. Euseren bosch (het)

Bos gelegen in Trekschuren op de limieten van Sint-Lambrechts-Herk.

483, 485

Eusere weijden (de)

Weiland gelegen bij de limieten van Sint-Lambrechts-Herk in de omgeving van de

465, 468, 469, 470, 473, 484,

Hoeresteeg en de Trekschurenstraat.
“Euser” of “eusel” is een afleiding van de stam

486

“eeuwen”, in de betekenis van “voeren, laten grazen, weiden”. Een “euser” is gewonnen grasland van mindere kwaliteit, waarop het vee te grazen werd gezet. Fommaels driessen

Dries gelegen bij het Nieuwland in Runkst aan de weg van Stevoort naar Hasselt. Uit 756, 757, 760, 771, 772, 773, 776 de aanvankelijke betekenis van dorpsplein ontwikkelde het kernwoord “dries” zich tot de betekenis van een onbebouwd land of een schrale weide.
Het perceel ontleent zijn naamgevend bestanddeel aan baron de Fommal die de gronden in zijn bezit had.


76

Gaerveldt (het)

Uitgestrekte vlakte in het centrum van Runkst gelegen tussen de Dormaalstraat en

581, 583, 588, 590, 591, 595,

het Dormaalpad.
De woordafleiding als zou de naam “Gaerveldt” zijn oorsprong vin-

596, 597, 598, 599, 600, 601,

den in een veld dat afgesloten was met een draaiende sluitboom (gaer) is hier niet

602, 603, 604, 605, 666, 940,

voor de hand liggend. Meer aannemelijk conform aan de vorm van het perceel is een 942, 944, 945, 946, 947, 948, afleiding van “ghaer” of “geer”, in de zin van een puntig uitlopend stuk land.

949, 950, 952, 955, 956

Een “gaar” is een afsluithek of een barrière om hooilanden, weiden of velden af te

567, 571, 572, 573, 575, 581, 582,

sluiten.
De Gaarveldsteeg vormt de verbinding tussen de Boomkensstraat en het

583, 594, 956, 957, 958, 959,

Dormaelpad.

960, 990, 992, 995

Galge (de)

Terechtstellingsplaats aan de Kuringerbaen op de limiet met Kuringen.

1274

Galgebeek

Lange beek die de grens vormt tussen het grondgebied van Hasselt en dat van

1862, 1868, 1891, 1893, 1896,

Diepenbeek. Deze beek dankt haar naam aan de galg van Diepenbeek, die op-

1897, 1898, 1899, 1913, 1916,

gericht was naast de weg Diepenbeek-Hasselt ter hoogte van Ter Poorten. De

1961, 1962, 1969, 1970, 1988,

galg stond opgesteld achter de winning Ter Poorten. Het tegenoverliggend veld

1989, 1990, 1991, 1992, 1993,

droeg de sprekende naam “Het droevig spektakel”. Aanvankelijk zou deze beek de

2007, 2010, 2011, 2012, 2013,

Pieterbeek geheten hebben. De beek, een bijrivier van de Nieuwe Demer, ontspringt

2015, 2016, 2017, 2018, 2019,

in Rapertingen aan de Vosserveldsteeg bij de grens met Diepenbeek.

2023, 2024, 2025, 2026, 2027,

Gaerveldt stege

2028, 2035, 2036 Galgestraete (de)

Straat die de verbinding vormde van de Genkerbaen met de Padestraat. De

1440, 1441, 1447, 2417, 2418,

Galgestraete vormde de limiet van de Kemperheide. Zij dankte haar naam aan de

2419

nabijheid van de “Galgevijver”, in de omgeving waarvan een galg stond opgesteld. Galgevijver (de)

Gebanne Groesenstraat

Vijver gelegen aan de Genkerbaen op de limiet tussen de Trichterheide en de

1440, 2401, 2402, 2419, 2420,

Kemperheide bij de Galgestraete.

2423

Straat gelegen bij de Slagmolen op de Trichterheide die via de Galgestraat aansloot

2387

bij de Genkerbaen.
“Groes” staat hier als synoniem voor grasland, de met groen of bontgras begroeide heide.
“Gebanne” is het verleden deelwoord van “bannen”. Een ban is een plechtige bekendmaking waardoor een heer in het bezit gesteld wordt van een eigendom dat hij doorgaans met palen afbakende. Gebanne groesen verwijst eveneens naar het verbod om koeien langs deze heideweg te laten grazen. 
Tot de ban behoorde ook het gebied waar de slagmolen stond. Ook op deze molen liet de heer zijn heerlijke rechten (banrecht) gelden, door de boeren uit de omgeving te verplichten er hun graan te laten malen. 
De “gebanne groesen” vormden een uitgestrekt heide- en vijvergebied ten noorden van de Spilvoijekuylen en ten westen van de Cellebroedersvijver. Gemeijne Hasselsche

De gemene heide, ook geheten de Grote Heide, besloeg de ganse oppervlakte

2321, 2322, 2326, 2329, 2330,

heide, Gemeene

van het heidegebied ten noorden van de stad. Deze wijdse strook strekte zich uit

2334, 2337, 2344, 2345, 2355,

(Hasseltse) heide (de)

ten noorden van het Schrijnbroek en van de Kemperheide tot aan de grenzen met

2390, 2400, 2401, 2422, 2462,

Kuringen, Zonhoven en Genk.

2465, 2468, 2469, 2470, 2471, 2472, 2473, 2474, 2475, 2476, 2477, 2478, 2479, 2480, 2481

Gerichtsplijn (het)

Plein aan de grens met Kuringen waar een van de galgen van de Hasseltse justitie

853

opgesteld was. Hier was een galg opgericht waar terdoodveroordeelden werden gehangen. Geusegalgh, Geuzengalg Driehoekig pleintje bij de Stadsomvaart aan het beginpunt van de Luikervoetweg/ (de)

Rapertingenvoetpad waar de geuzen werden gehangen op het hoogtepunt van de Beeldenstorm. Dit toponiem gaat terug tot de tweede helft van de zestiende eeuw toen op dit perceeltje wederdopers en gereformeerden werden opgeknoopt.

1070


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Goet (het Gebrant)

Naam van een hoeve gelegen in Melbeek op de Kwaeden Dries.
Dit toponiem ver-

77

117

wijst naar een voormalige winning of bos, dat opzettelijk met het oog op de grondverbetering of per ongeluk werd afgebrand. Goetsche

Het gehucht Godsheide wordt in het bonderboek steeds “Goetsche” gehe-

2145, 2146, 2147, 2221, 2246,

ten.
Elders treffen wij alternerende oude schrijfvormen aan als “goetschey”, “goed-

2247, 2248, 2250, 2252, 2253,

scheyde” en “goetsche”, varianten die etymologisch naar eenzelfde grondvorm

2267, 2268, 2270, 2271, 2272,

verwijzen. 
“Goed/goet” staat synoniem voor een domein. “Schey/scheyde” is

2273, 2274, 2283, 2284, 2285,

taalkundig verwant aan scheiding of grens. Godsheide was derhalve een grens-

2286, 2287, 2290, 2291, 2292,

gebied tussen Hasselt en Diepenbeek en ook wel een scheidingsstrook die de

2295, 2296, 2297, 2298, 2299,

overgang tussen het vruchtbare Haspengouw en de droge zandgronden van de

2301, 2302, 2303, 2304, 2305,

Kempische heide vormde. 
Voor de aanleg van het Albertkanaal was het gehucht

2306, 2307, 2308, 2309, 2310,

Godscheide gelegen op de weg die Hasselt verbond met Genk. De bodemstruc-

2316, 2317, 2318, 2321, 2322,

tuur wordt gekenmerkt door een zanderige ondergrond. Vroeger werd het gehucht

2323, 2324, 2325, 2326, 2336,

vooral bewoond door kleine landbouwers die er een bescheiden langgevelige hoe-

2337

ve betrokken waarin de stallingen aanleunden tegen het woonhuis. 
Na de tweede wereldoorlog kwamen meerdere inwoners vanuit het stadscentrum er zich vestigen, wellicht gedreven door een behoefte aan rust. Goetsche brugge

Weide gelegen aan de Goetschestraet dichtbij de kolk van de Oude Demer.

2269

Goetsche straete,

Vroegere benaming van de huidige Kiezelstraat. De “Goetschestraete” volgt vanaf

2269, 2271, 2272, 2274, 2275,

Goetsche stege (de)

de brug over de Oude Demer vrijwel het tracé van de Kiezelstraat. Laatstgenoemde

2276, 2277, 2278, 2279, 2280,

straat dankt zijn benaming aan het materiaal dat werd aangewend voor de verhar-

2281, 2282, 2288, 2289, 2290,

ding van het straatvlak.

2291, 2297, 2310, 2311, 2312, 2313, 2314, 2315, 2317, 2318, 2319, 2320

Goetscherheijde (de)

Heidegebied van Godsheide dat omschreven werd door de Oude Demer, de

2308, 2309, 2321, 2327, 2328,

Vissebroucken, de Borggraeve wijers en de limieten van de gemeente Diepenbeek.

2329, 2330, 2331, 2343

Godscheide werd langs de noorderkant afgezoomd door een brede strook heide. Het gebied dat rijk was aan vijvers en moerassen, werd geleidelijk ontgonnen en toegevoegd aan de zone met cultuurland. Groenstraete (de)

Deze straatnaam dient geïnterpreteerd te worden als de weg die leidt naar de groe-

334, 390, 391, 392, 396, 397,

ne zone, grasland en beemden.
Vanaf 1977 werd de naamgeving vervangen door

398, 400, 401, 402, 403, 404,

Hefveldstraat. 
De vroegere Groenstraete lag besloten tussen de Luijckerbaene en

405, 406, 407, 409, 413, 419,

de “Klijn Linde” bij het Kruisveld.

420, 421, 422, 423, 424, 425, 426, 429, 1029

Groene boomgaard (de)

Winning en boomgaard gelegen in Melbeek aan de Tomstraat.
Het adjectivale be-

105

standdeel “groen” verwijst naar een grasland, hier met fruitbomen beplant. Haarbemden,

Beemden gelegen ten noorden van de eigendommen van Crutsen tot aan de Demer 1279, 1280, 1281, 1282, 1283,

Haerbempden (de)

en de Laeck.
De oudst bekende vorm van dit toponiem wordt in 1458 teruggevon-

1284, 1285, 1286, 1287, 1288,

den onder de spellingsvorm “hairdbampde”. Het bestanddeel “harde” van dit com-

1289, 1290, 1291, 1292, 1293,

positum heeft betrekking op de bodemgesteldheid en wijst op een steenhoudende

1294, 1295, 1296, 1299, 1302,

ondergrond die moeilijk te bewerken was.

1303

Steeg gelegen bij de goederen van Crutsen en de Prinsenbamp.

1296, 1297, 1299, 1302

Perceel gelegen aan de Dormaelstraat tussen het Kapermolenveld en het

941

Haarbemdsteeg, Haerbampstege, Haerbempstege (de) Halvenwegh (de)

Trichterveld. Het stuk lag halfweegs het tracé van de Dormaelstraat.


78

Hasselsche heijde (de),

= gemene heide of grote heide

2333

Heffelt (het), Heffeldt,

Een geheel van gronden besloten tussen de Casterstege en de Groenstraet.
Het

310, 311, 342, 343, 344, 345,

Heffeld, Hefveld

toponiem “Hefveld” werd in 1365 gespeld als “huffelt”. 
Een “huffel” is het

346, 347, 348, 349, 354, 397, 399

Hasseltse heide

Middelnederlands synoniem voor heuvel. Heffveldt stege (de)

Deze steeg komt overeen met de huidige Bergstraat. De steeg mondde uit in de

400, 422

Groenstraet op de plaats waar zich thans de spoorovergang bevindt. Heckeleers

Winning en gronden gelegen tussen de Oude Kuringerbaen en de Breestraet.

1242, 1243, 1244, 1245, 1246,

Heckeleers was een uitgestrekt hoevecomplex dat bekend stond om zijn tabakscul-

1247, 1254, 1255, 1256, 1257,

tuur. Het toponiem is afgeleid van de persoonsnaam Heckeleers, die zelf teruggaat

1258, 1259, 1260, 1261, 1262,

op het Middelnederlandse “heckelaer”, een vlas- of een hennepkammer. Een andere 1263, 1264, 1265, 1266, 1267, interpretatie wil dat deze plaatsnaam afgeleid is van de “heckel”, een visje van 5 cm

1268

lang met een zilveren lijf en een groenachtige rug, dat zijn habitat opzoekt in poelen en plassen in de omgeving van de stad. De omgeving van de Breestraat telde vele waterreservoirs. Heckeleersteeg

Steeg gelegen bij de Heckeleerwinning, uitgevend op de Kuringerbaene.

1256, 1257, 1258, 1259, 1263

Heerschapswinninge

Winhof op de Goedtschestraet gelegen naast de brug over de Oude Demer.

2279

Heesch (de)

Vlakte besloten tussen de Fonteinstraat en de Leopoldplaats.
De “hees” is een drie-

1003, 1004, 1005, 1006, 1007,

hoekig vlak perceel besloten binnen het tracé van de stadsvesten, de Truijerweg,

1008, 1009, 1010

de Vilstraet (Fonteinstraat) en de Boomkensstraat. 
Toponymisch is de naam een aanwijzing van een oord dat begroeid is met kreupelhout en struikgewas. Het werd doorsneden door de spoorbaan naar Tongeren en naar Sint-Truiden. Heibloemke, Heiblomken, Kleine hoeve op de Kemperheide niet ver van de Vogelstaf.
“Heibloem” is een erg

1391, 1397, 1398, 1399, 1400,

Heijbloemke,

1402

Heijbloomken

verspreide en veel voorkomende huis- en straatnaam in de Limburgse Kempen.


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Hel (de)

Plaats waar de Helbeek ontspringt aan de Trekschurenstraat. De Helbeek (vulgo de

79

375, 377, 380, 447, 474

beek) vindt zijn brongebied op de plaats genaamd “de hel(le)” tegenover de Helstraat bij de voormalige grens tussen Hasselt en Sint-Lambrechts-Herk. Hij zoekt zijn weg vanuit de Helbeemden noordwaarts in de richting van het stadscentrum langsheen de spoorbaan Hasselt - Sint-Truiden over een afstand van 4 km. Vervolgens loopt hij onder de Bergstraat door, duikt onder de Luikersteenweg ter hoogte van het spoorviaduct en slingert zich in de richting van de Oude Luikerbaan. Verder loopt hij langs de Begijnenweide, vormde naast de Planckeweide de Begijnenpoel en nam vanaf dit punt de naam “klein kanaalke” aan. Dan zette de Helbeek haar weg overwelfd verder langs het Sint-Jozefscollege, doorsneed tot in 1847 de stadsgracht en liep in de lengte langs het volkskwartier De Beek. Op een dertigtal meter vóór de Berenstraat lag een stevig gebouwde sluis die in 1860 werd afgebroken. Tegenover de Berenstraat ving de Helbeek het afvoerwater van de “Sauwe” (of Joedenbeke) op, kruiste ten westen van de afgebroken “Eeckel” de Maastrichterstraat, stroomde links van de Schorsmarkt en vervolgens onder de gewezen vleeshal (dekenaat) door.
Van hieruit liep hij over de Zuivelmarkt tot aan het kapelletje van de Pertsdemer en kruiste de Paardsdemerstraat bij “Den Paternoster” (hoekhuis). Vanaf dat huis lag hij open tot aan de Demerstraat, vervolgde zijn loop over de “Draeybaen” verliet de stad aan het Kattegat waar hij het water van de Ertbeek opnam, stroomde tussen het kanaal en het slachthuis naar de Brouckermolen en mondde even verder op de plaats “De Vergadering” naast de weide “De Swaluwstert” uit in de Oude Demer.
Het toponymisch bestanddeel “hel” verwijst naar een aflopend stuk grond, duidelijk herkenbaar in het hellend terreinprofiel dat de beek volgt vanaf zijn vertrekpunt tot bij de aansluiting met de Oude Demer. Helbeek (de)

De Helbeek, die zijn loop vindt tussen de Trekschurenstraat en de Vergadering, is de 335, 342, 343, 1037, 1038, 1039, oudste waterweg die het centrum van de stad aandoet.

1040, 1060

Helbeemden,

Brede strook beemden langsheen de bedding van de Helbeek. Deze beemd wordt

349, 350, 351, 352, 353, 357,

Hellbempden,

aldus genoemd omdat de Helbeek er doorheen stroomt.

358, 359, 360, 361, 364, 372,

Hellebempden,

373, 376, 378, 379, 382, 383,

Helbempden

384, 385, 386, 387, 388, 389, 393, 427, 428, 467, 469, 472, 474

Helleplas (de)

Vochtrijke weide in de Hoerensteeg bij de Helbempden. Mogelijk verwijst het topo-

377, 380

niem naar een drinkplaats voor vee. Helbeemdsteeg, ook

Verbindingswegeltje tussen de Groenstraat en de Helbeemden.

geheten Kruisveldsteeg

382, 383, 384, 385, 386, 390, 427, 428, 429, 430, 435

(Kruijsveldtstege) Hellbempstege, Hellbampstege Helm (de)

Akker gelegen aan de Sint-Truidersteenweg tegen de “helm twee bunder”.
De helm

418, 419

was een perceel van twee bunder akkerland. Na de oogst werden de halmen van riet, stro en graan samengeraapt en vervolgens weggeworpen. Symbolisch betekent dit gebaar dat de eigenaar afstand deed van zijn eigendom. Helmweijde (de)

Weide gelegen aan de “Hel” in de Hoerensteeg bij de Grote Lindenstraat.

444, 446

Henegouw, Henegauw

Gronden die eigendom waren van de voormalige priorij van Henegouw op

16, 19, 20, 21, 22, 23, 64, 151,

Henegouwberg.

166

Convent van de voormalige priorij van Henegouw nabij de Luijckerbaen.

21, 150

Henegouwklooster


80

Herckenrode landt

1994

Herckenrode tiendhof

Stuk grond gelegen naast het Tiendhof van de Herkenrodeabdij nabij de “wijngaard” 1137 tegen de stadsgrachten.

Herkenrode weijden

Weidegronden gelegen aan het “Hoogveld” op de Runxterstraete. Deze weiden wer- 738, 739, 789, 791 den aldus genoemd naar de abdij van Herkenrode die deze gronden in eigendom had.

Hert (het blij)

Winning gelegen in de Willekensmolenstraat op het Cornelisveld.

1110

Hijligh Huijsken, Hijligh

Perceel gelegen op de hoek van de Dormael Breestraete en de Runxterstraet aan de 827

Huysken

“dry velden” op de limiet met Kuringen.
Deze plaatsnaam verwijst kennelijk naar een kleine kapel die de augustijnen gebouwd hadden bij hun winning en waarover vooralsnog verdere informatie ontbreekt.

Hilst (ter)

Hoeff (de)

Hoeven en gronden van de winningen “Kleyn Hilst” en “Groot Hilst”, gelegen

455, 456,457, 458, 462, 487, 488,

langs weerszijden van de oude steenweg naar Sint-Truiden op de limiet met Sint-

490, 491, 492, 493, 494, 495,

Lambrechts-Herk. De etymologie van deze plaatsnaam en naam van de winning

496, 497, 498, 499, 500, 501,

vindt zijn oorsprong in zijn ligging in de nabijheid van de “Hel”.

502, 503, 504, 514, 515, 654, 657

Weide gelegen op de hoek van de Trekschurenstraat en de Eckelgardensteeg.
Het

239

toponiem “de Hoeff” is een perceelsnaam waaronder een landbouwuitbating wordt aangeduid. Hoeffven, Hoofven (de)

Een reeks tuinen gelegen tussen de Maastrichterpoort en het Diepenbeker voetpad.

1007, 1011, 1012, 1013, 1014,

“Op de Hoeven” was een vlakte die besloten lag tussen de Diepenbekerweg, de

1017, 1018, 1072, 1073, 1074,

Trichterbaan en de Castersteeg. Enkele stadsbewoners beschikten er voor eigen ge- 1075, 1076, 1077, 1078, 1079, bruik over een privé tuintje.

1080, 1081, 1082, 1083, 1084, 1085, 1086, 1088, 1089, 1090, 1131, 1132, 1156, 1167, 1168, 1203, 1205, 1206

Hoeisch (de)

Huis gelegen in Trekschuren op de hoek van de heerbaan naar Luik tegenover “de

159

pleijn”. Hoelensheijde (de)

Deel van de heide gelegen tegen het Schrijnbroek.
De etymologie van dit topo-

2421, 2422, 2423

niem leent zich tot meerdere interpretaties.
Ofwel is “hoel” een afleiding van “hool”, waarmee verwezen wordt naar een door het steken van turf of klot uitgehold terrein, waardoor een holle moerbodem ontstond. 
Mogelijk stamt het toponiem van de familienaam Holens als vroegere eigenaar. Deze eigennaam, verwant aan het Middelengelse “holin”, gaat terug naar een grondwoord met de betekenis van “steeneik, hulst”. Hoerensteeg (de)

Zijstraatje van de Trekschurenstraet gelegen in de omgeving van “de hel”.

443, 444, 445, 446, 447, 448, 449, 460, 461, 462, 463, 464, 465, 466, 467, 487

Hoerestege (de)

Steegje onder het Crutsen Swertvelt, gelegen tussen de Curingerbaen en de

845, 855, 856, 857, 860, 861,

Breemstraet, thans Kleine Breemstraat.
Volkomen onjuist en ten onrechte zou men

863, 864, 865

geneigd zijn in deze straatnaam een aanknoping te zoeken met de wereld van de prostitutie en van de dames van lichte zeden. Het bestanddeel “hoere” gaat terug tot een oudere stamvorm “hore”, dat de betekenis heeft van slijk, drek, vuile grond.


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Hollandt (het)

81

Herenwinning met bijhorende gronden gelegen in Trekschuren. Thans

254, 256, 257, 274, 275, 276, 277,

Salvatorkliniek. Voorheen een kasteeltje.
Het toponiem “Holland” verwijst naar een

299, 300

inzinking van de bodem. Mogelijk kan de plaatsnaam ook ontstaan zijn uit de stam “onland”, synoniem voor moeras. Hollandts veldt

Percelen en landerijen gelegen in de omgeving van de winning “’t Hollandt” ten noor- 268, 269, 270, 271, 272, 273, den van de Hollandsche steeg.

302, 304, 305, 306, 307, 310, 311, 317, 318, 319, 320, 321, 322, 323, 324, 325, 326

Hollantse stege,

Verbindingsweg tussen de Luijckerbaen en het kasteel “’t Hollandt”.

253, 254, 255, 256, 258, 259,

Hollandsche stege,

262, 266, 267, 271, 272, 273,

Hollandtse stege

274, 275, 276, 277, 279, 280, 281, 282, 284, 294

Hommelvenne (vijver)

Vijver gelegen ten oosten van de Borggraafvijvers tegen de Caltensvijver aan de

2332

grens met Bokrijk.
Het eerste lid van deze samenstelling, “hommel”, typeert een begroeiing met hommelheide of dopheide, een natte heide die fijner is dan de gewone struikheide. 
Het grondwoord “venne” is synoniem voor een natuurlijke waterplas. Hontsribbe (de)

Akkerland op de hoek van de Biessenstraat en de Dormaelstraat. “Hontsribbe” is

586, 587, 588, 589, 599

een regionale benaming voor smalle weegbree, een plantje dat meestal bezijden de straatkant groeit. Hooghbrugge

Brug over de Oude Demer aan de Kempische steenweg. De eigennaam “Hoogbrug” 1327, 1328, 1359, 1360, 1472, wordt reeds geattesteerd in 1290. Het adjectivale “hoog” in dit compositum wijst

1473, 1510

op de ietwat hogere ligging van de brug over de Demer. Ofwel wordt hier “hoofd”brug bedoeld: de belangrijkste brug over de Oude Demer, die de verbinding naar de Kempen verzekerde. Hooghveldt (het)

Weide gelegen tegen de Biessemweijde bij de Nieuwe Demer in Godsheide. Het

2168, 2170

“Hoogveld” was een ietwat hoger gelegen perceel midden in een depressiegebied tussen de twee Demerarmen. Hooghveld (Runkster)

Verzameling van percelen tussen Dormael en Runxt. Het bestanddeel “hoog” in dit

682, 693, 694, 695, 696, 697,

compositum wijst op de hogere ligging van het veld ten opzichte van de omgeving.

698, 699, 700, 701, 702, 703,

“Runkst” is mogelijk een afleiding van het Latijnse rumicetum (braamstruik) of van

704, 705, 706, 713, 714, 717, 718,

het Latijnse runcare (wieden, rooien van een bos). De oudst bekende schrijfwijze

719, 720, 721, 722, 723, 724,

“Rongese” (1147) leunt het dichtst aan bij de tweede hypothese.

725, 726, 727, 728, 729, 730, 731, 732, 733, 734, 735, 736, 737, 738, 739, 740, 741, 803, 804, 814, 815, 818, 819

Hooghvonder (het)

Hoger gelegen weiland in de omgeving van de Oude en de Nieuwe Demer en de

1311, 1312, 1329, 1330, 1331,

Laeck aan de Molenstraet. Een vonder, afgeleid van de stam van het Latijnse “pons”, 1332, 1333, 1334, 1335, 1354, is een smal brugje over een waterloop, soms een eenvoudige plank dienend als

1355, 1356, 1357, 1374, 1375

voetgangersbrug. Het Hooghvonder was een relatief hoger gelegen terrein dat doorsneden werd door de Oude Demer. Een houten brugje verzekerde de overgang over de rivier. Hooghweijde (de)

Weide gelegen op de hoek van de Trekschuerenstraet en de Trekschuerensteeg bij

244

de Mastbroucken. Het bestanddeel “hoogh” verwijst naar een ietwat hoger gelegen perceel hooiland in een depressiegebied. Hotspot

= volkse benaming voor de hoeve van Crutsen.


82

Houff (de)

Akkerland en winning “de houff” gelegen op de Goetschestraet.

2305, 2306, 2307, 2309, 2310, 2311

Houve (op de), Houff

Akker en gronden gelegen tussen de Wolskestraat en de Galgebeek. Onder de ge-

2016, 2017, 2018, 2019, 2020,

meenschappelijke noemer “op de houve” worden al de landerijen gerubriceerd die

2021, 2022, 2023, 2024, 2025,

gesitueerd worden rond de Wolfkestraet en de Galgebeek. Het toponiem “op de

2026, 2027, 2028, 2029, 2030,

houve” is van oorsprong een landbouwuitbating rondom een centraal hof of een

2031, 2032, 2065

winning. In dit geval gaf het pachthof “de Houff” zijn naam aan de ganse omgeving gronden in de Wolfkestraat. Elders wordt datzelfde toponiem in vele gevallen toegekend aan afgelegen gronden. Er bestaat geen enkele aanwijzing dat er op dit veld landbouwuitbatingen lagen die eigendom waren van kloosters. Klaarblijkelijk ging het over vroegere gemeentegrond die met het oog op een systematische ontginning omgezet werd in kultuurland. Hussen Huijs (het)

Akkerland gelegen in de Lazarijstraet en aan de Weijerstraet. Dit huis werd aldus ge- 1197, 1198 noemd naar een van zijn vroegere eigenaars. Hasselt telde meerdere inwoners die de naam Hussen droegen, waaronder zelfs een stokersfamilie.

Huttweijde (de)

Weide gelegen op de Voogdij tegen de limiet met Sint-Lambrechts-Herk. Het eerste

229, 232

bestanddeel van deze weidenaam wijst op een perceel bouwland dat gelegen was in de nabijheid van een kleine armzalige stulp. Ilgat (het)

Perceel gelegen tegen de Rapertingenstraat en de Zeven Stichelen. Een “gat”, ver-

1620, 1621, 1622, 1623, 1624,

want aan het Duitse “Gasse”, is een toegangsweg. “Ile” is het Middelnederlandse

1625, 1626, 1627, 1629

equivalent voor bloedzuiger. Vanwaar: een verlaten plaats waar bloedzuigers gevangen werden. Deze interpretatie lijkt ons minder ad rem. Een andere woordverklaring is meer conform aan de omgeving. “Gat” komt op hogere gronden voor als een terreinwoord voor lage en vochtrijke gebieden. Het Middelnederlandse “ile” is stamverwant met het Nederlandse “els”. In die zin is het “ilgat” een met elzen begroeide of omzoomde strook waterrijke grond. Jacobs Broeders landt

Blook gelegen op het Runxter Nieuwlandt tegen de doorvaart naar de Wanbeke, ei-

(Sint-)

gendom van de broederschap van Sint-Jacob.

760, 761

Jansbeeck, Jansbeek

De Sint-Jansbeek ontspringt in Trekschuren dicht bij de Rodenberg, beweegt

249, 250, 252, 253, 254, 257,

(Sint-)

zich vervolgens in de richting van ‘t Holland, dwarst de Luijckerbaen bij het

260, 261, 1643, 1644, 1647,

Lanckveld, doorsnijdt de Rapertingenstraat vóór de Kroonwinning, doorsnijdt de

1648, 1649, 1669, 1670, 1671,

Singelbeekstraat aan het Dorlik en verder de Trichterbaen en de Bosstraet, loopt on- 1672, 1673, 1674, 1675, 1676, der de Nieuwe Demer door via een sifon en werpt zich uiteindelijk in de Oude Demer. 1697, 1698, 1766, 1768, 1769, 1770, 1771, 1772, 1773, 1774, 1775, 1776, 1777, 1789, 1793, 1794, 1795, 1796, 1797, 1798, 1811, 2082, 2083, 2084, 2086, 2131, 2132, 2133 Jansbeeckveldt

Het Sint-Jansbeekveld, dat zijn naam ontleent aan de Sint-Jansbeek, strekte zich uit 1674, 1675, 1676, 1677, 1678,

(Sint-) (het)

over meerdere percelen grond, met als natuurlijke grens de beek en werd verder be- 1679, 1680, 1681, 1682, 1683, grensd door de Singelbeekstraat, de Keyzelvoetweg en de Sint-Jansbeekveldsteeg

1684, 1685, 1686, 1687, 1688,

tot aan de Trichterbaen.

1689, 1690, 1691, 1692, 1693, 1702, 1703, 1704, 1705, 1706, 1707, 1708, 1709, 1710, 1711, 1712, 1713, 1714, 1715, 1716, 1729, 1730


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Jansbeeckveldtstege (de) Aftakking van het Keyzelvoetpad tot aan de Pietelbeekstraet.

83

1682, 1683, 1684, 1703, 1704, 1705, 1706, 1707, 1708, 1711, 1712, 1713, 1714, 1719, 1720, 1726, 1727

Janspoel (de Sint-)

Vijver gelegen aan de Trekschuerestraet tegenover het brongebied van de

252, 284

Sint-Jansbeek. Jautiens (de)

Beemd gelegen aan de gemene heide boven de Schaverden. De Zonhovenaren

2470, 2471

gaven aan dit broek de naam Schroensbrouck of Schrounxbrouck. “Jautiens” is afgeleid van de spellingsvorm “jaut”, een grafie van het Zonhovens dialect voor het algemeen geldende “eeuwt” (van de stam “eeuwen” = het voeren van dieren). In de Kempen maken eeuwsels het stadium uit, waarbij heide wordt ontgonnen tot winnend land, schrale weide of weide in een bos. Kaefsveld (het)

Veld gelegen aan de Trichterheide bij de Padestraet en de Genkerbaen. Het

1421, 1424, 1432, 1433, 1434,

Middelnederlandse “kaf” is een aanwijzing voor een minderwaardige kultuur.

1435, 1436

Klaarblijkelijk lagen hier gronden die weinig geschikt waren voor landbouwexploitatie. Kaefsveldsteeg

Steeg gelegen aan de Trichterheide achter de Padestraet uitlopend op de

1416, 1417, 1418, 1435, 1436

Genkerbaen. Kalverhoven,

Uitgestrekte vlakte percelen besloten tussen de Weggestraet, de Bosstraet en de

1100, 1102, 1535, 1536, 1537,

Calverhuysen,

Voorstraet. Kalverhoven was een voormalig laathof dat reeds in de veertiende eeuw

1538, 1540, 1541, 1542, 1543,

Calverheese

geattesteerd werd. Het toponiem verwijst naar de graslanden waar kleinvee werd

1544, 1545, 1546, 1547, 1548,

uitgezet.

1549, 1550, 1551, 1552

Kapell (plijn), Kapel (plein) Pleintje aan de Kiezelstraat en de Beerhoutstraat in Godsheide, waar de vroegere

2284, 2285, 2286, 2287, 2289,

(het)

kapel van de parochie stond. Midden op het pleintje dat de verbinding vormt tus-

2314, 2315, 2316, 2317, 2322,

sen de twee voornoemde straten stond reeds in de zestiende eeuw een kapel. Hier

2323, 2324, 2325, 2326

werden voor de plaatselijke bevolking misvieringen gehouden en zelfs lijkdiensten verzorgd. Het gebedshuis bleef in gebruik tot 1858, toen de nieuwe parochiekerk in dienst genomen werd. Kapellekensbamp

Weide gelegen tegen het Gaarveld op het Dormaalpad. De benaming van dit per-

948, 952, 955, 956

ceel toont aan dat op deze grond eertijds een kapel stond. Sinds 1977 wordt het toponiem bewaard in de Kapellekensbampstraat. Het kapelleke dat aan de Heilige Maagd was gewijd stond op deze plaats (bron: J. Gessler, Limburg, XII 1930-1931, 136-137). Kapermolen (de)

Naam van de voormalige molen en weide ten zuiden van de Oude Demer (thans be-

1501, 1506, 1507, 1515, 1519,

zijden de Elfde Liniestraat). De Kapermolen nam in de zestiende eeuw de rol over

1520, 1521, 1522, 1523

van de Brouckermolen toen deze laatste tot volmolen werd omgebouwd. Zodra de Brouckermolen opnieuw tot graanmolen werd getransformeerd, viel de afgelegen Kapermolen in onbruik en werd ze in de achttiende eeuw afgebroken. “Kaper” is een adjectivale afleiding van “kap”, het ronde hoofd waarmee de top van de molen was afgedekt. Kapermolenbempden,

Beemden aan de Oude Demer gelegen, puntig uitlopend op een hoek aan de

Kapermolenbeemden

Vilstraet.

1524, 1525, 1526, 1528

(de) Kapermolenveldt

Veld aan de Dormaelstraat gelegen. Waarschijnlijk was deze akker eigendom van de uitbater van de Kapermolen, die het veld in exploitatie gaf aan een pachter in ruil voor een vergoeding in natura.

928, 929, 930, 931, 941


84

Kast (de)

Gronden gelegen op het Hollandsveld tussen het Hefveld en de Castersteeg.

316, 317, 318, 339, 340, 341, 342,

Het toponiem “kast”*, waarvan de samenstellingen Casterstraet en Castersteeg

1046, 1047, 1048

zijn afgeleid, is de Middelnederlandse benaming voor een herenschuur of een opslagmagazijn. Kastersteeg, Castersteeg Deel van de Casterstraet vanaf de Rode Berg tot aan de Luijckerbaen.

296, 297, 298, 299, 300, 301,

(de)

302, 303, 308, 309, 310, 311, 312, 313, 314, 315, 330, 331, 333, 334, 336, 337, 338, 340, 341, 342, 343, 345, 346, 347, 348, 351, 353, 354, 355, 356, 362, 363

Kasterstraete,

Lange straat gelegen tussen de Maastrichtersteenweg en de Rode Berg.

1045, 1046, 1047, 1048, 1049,

Casterstraat (de)

1086, 1087, 1098, 1572, 1573,

Casterstraet[e]

1574, 1603, 1604, 1605, 1607, 1608, 1611, 1612

Kattegat (het)

Het Kattegat was een vestingtoren gelegen op de stadswallen bij de plaats waar de

1181

Ertbeek wordt opgevangen door de Nieuwe Demer. De etymologie van het woord “catte” verwijst naar een werptuig waarmee zware stenen naar eventuele belegeraars werden geslingerd. In de toren bevond zich een onderaardse ruimte (=gat), die na 1832 tijdelijk dienst deed als gevangenis. Keeskamersbergh

Akker gelegen tegen de stadsbleekhof aan de Wijerstraet. De “Keeskamersberch”

1182, 1183

was een gemeenteweide gelegen tegenover het “Dorp” en het “Kattegat”. Ze paalde aan het Windmolenveld, de vlakte tussen de Wijerstraat en de Melkvoetweg, en langs de andere kant aan het Broek. De Keeskamersberch werd door de spoorwegvertakking naar de Kanaalkom in tweeën gesneden. Volgens het Middelnederlands woordenboek is “caescamer” de kamer van een boerderij waar kaas bereid werd. De etymologie van deze zo betoverende plaatsnaam vergt evenwel een diepgaander analyse van elk van beide componenten van de samenstelling. In Klein-Brabant wordt het woord “kees” gebruikt als synoniem voor hondsgras. “Kamer” is taalkundig verwant aan het Latijnse “chamomilla”, dat de betekenis heeft van hondenmei of hondsdille. Beide konstituenten van de samenstelling vullen zodoende mekaar semantisch aan. “Keeskamer” is gewoonweg hondenmei of hondsdille. Keijselvoetpadt,

Het Keijselvoetpad, een uitloper van het Diepenbekervoetpad, waarvan vandaag nog 1650, 1651, 1652, 1673, 1674,

Keijselvoetwegh,

het laatste tracé bewaard is onder de naam “keiselvoetweg”, was een lang en smal

1682, 1683, 1684, 1685, 1687,

Keijselvoetpad,

pad dat zich langs het Sint-Jansbeekveld en het Pinnepoelveld richting Diepenbeek

1688, 1689, 1690, 1702, 1703,

Keyselvoetpad

verder slingerde. Het ontleende zijn naam aan het “Hoog Keizel” op het grondgebied 1709, 1710, 1723, 1724, 1725, van Diepenbeek en was een dialectale woordvervorming van “kiezel”.

1727, 1728, 1729, 1730, 1739, 1740, 1748, 1749, 1750, 1918, 1919, 1937, 1938, 1939, 1940, 1941, 1946, 1948, 1959, 1960

Kempen (passagie naer de -)

= Kempische steenweg

2433, 2445, 2446, 2450, 2451, 2452, 2453, 2454, 2455


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Kemperbaene

= Kempische steenweg

85

1154, 1156, 1157, 1158, 1159, 1161, 1162, 1166, 1167, 1168, 1326, 1327, 1328, 1358, 1359, 1360, 1361, 1389, 1390, 1391, 1392, 1393, 1394, 1408, 1409, 1410, 1411, 1471, 1472, 1473, 1510, 1511, 1512

Kempersteenwegh,

Kempense steenwegh Kemperpo(o)rte

1154, 1156, 1157, 1159, 1161, 1162, 1166

1156, 1157, 1161, 1162, 1167, 1168, 1172, 1511, 1513, 1515, 1516, 1517, 1519

Kempeneren bempdeken Kleine beemd gelegen tussen de Platvijvers en de Oude Demer.

2255, 2257

Kemperheide,

De Kemperheide was het territorium van de gemeente dat zich uitstrekte tussen de

1363, 1364, 1365, 1366, 1367,

Kemperheyde,

noordelijke grens met Kuringen, het Schrijnbroek en de Trichterheijde. Aan de over-

1368, 1369, 1370, 1376, 1377,

Kemperheijde

zijde van de steenweg naar de Kempen grensde de Kemperheide aan de Nieuwe

1378, 1379, 1380, 1381, 1382,

heide.

1383, 1384, 1385, 1386, 1387, 1388, 1389, 1390, 1391, 1392, 1393, 1394, 1395, 1396, 1397, 1398, 1399, 1400, 1401, 1402, 1403, 1404, 1405, 1406, 1407, 1408, 1409, 1412, 1413, 1414, 1415, 1416, 1417, 1418, 1420, 1421, 1422, 1424, 1425, 1426, 1427, 1428, 1429, 1430, 1431, 1432, 1433, 1434, 1435, 1436, 1437, 1438, 1439, 1441, 1442, 1443, 1444, 1445, 1460, 1461, 1462, 1463, 1464, 1465, 1466, 1467, 1468, 1469, 1470, 1478, 1479, 1480, 1482, 2400, 2401, 2402, 2418, 2419, 2420, 2422, 2423, 2424, 2426, 2427, 2428, 2429, 2430, 2431, 2432, 2433, 2434, 2435, 2436, 2437, 2438, 2439, 2440, 2441, 2442, 2443, 2444, 2445, 2446, 2447, 2448, 2449, 2450, 2451, 2452, 2453, 2454, 2455, 2456, 2457, 2458, 2459, 2463, 2464, 2465

Kermisveltie (het),

Veld gelegen tussen Runkst en de Dormael Breestraet. Een dubbele interpretatie is

793, 796, 797, 798, 799, 800,

Kermisveldje,

hier mogelijk. Ofwel gaat het om een veld waarvan het pachtgeld ten goede kwam

802, 803, 804, 805, 806, 807,

Kermisveldtie,

van de jaarlijkse viering van het feest van de kerkwijding. Ofwel werd bij de aankoop

808, 809, 810, 811, 812, 813, 815,

Kermisveldtje,

van deze grond een supplementair bedrag betaald voor het organiseren van een

816, 817, 818, 823, 824, 825

Kermisveldtien

kermis.

Kermisveldt stege,

Steegje in het kermisveldje gelegen tegen de Dormael Breestraet.

Kermisveldtstege

817, 825, 826


86

Kermisvijverken,

Vijvertje gelegen op de hoek van de Weggestraet en de Willekensmolenstraat op de

Kermisvijvertje

Nieuwe Demer. Het naambestanddeel van deze samenstelling wijst er op dat voor

1533, 1534

de exploitatie van deze vijver of voor de verkoop ervan geld betaald werd om een kermis of een volksfeest mee te betalen. De oudere Hasselaren zullen zich herinneren dat op deze plaats gedurende enkele jaren het stedelijk zwemdok lag. Kimpel (de)

Waterkolk aan de Demerbrug over de Kiezelstraat te Godsheide. De kimpel was een

2269

soort kolk gevormd in de bedding van de Oude Demer. Kimpel is een diminutief van het substantief “kom”, in het dialect uitgesproken als “kimpke”. Het suffix -el wordt vaak gebruikt als achtervoegsel bij plaatsnamen. Kroonwinning

Winning gelegen aan de Rapertingenstraat bij de Sint-Jansbeek. In het begin van

1766, 1770

de twintigste eeuw werd de Kroonwinning getransformeerd tot een alleenstaand gebouw, een soort herenhuis met een tuin errond. Een torenachtige uitbouw geeft eraan de allure van een klein kasteeltje. Het bestanddeel “kroon” werd vaak gebezigd als huisnaam. Wellicht hing aan de gevel een krans als uithangbord, in de volksmond “kroon” genoemd. Kost (den Verloren)

Winning gelegen in de Trekschurenstraet boven de “Rode Berg”. “Verloren kost” is

369, 370, 371, 476, 477

een volkshumoristische benaming voor een onvruchtbaar en weinig rendabel perceel akkerland. Kromstrate

Perceel gelegen bij het beginpunt van de Bremstraet bij de Curingerbaen, waar de

886

vloetgracht een kromme bocht maakt naar de Lazarijstraet. Kruijcen (de twee)

Plaatsnaam op het raakpunt van de Oude Luijckerbaen met de heerbaen Hasselt-

260, 262, 263, 266, 1786, 1787,

Luik (thans Roppesingel). De twee zoenkruisen waren ingeplant op deze plaats te-

1789, 1797

genover de Hollandse steeg. Kruisveld, Kruijsveldt

Veld begrensd door de Groenstraet, de Truijerbaen en de Helbeemdsteeg. De be-

429, 430, 431, 432, 434, 435

naming van dit veld is te danken aan het kruis dat bij het veld was opgesteld. In het register van de Leenzaal van Kuringen (1524-1536) is er sprake van een kruis, het Benoetskruis, gelegen naast de weg van Hasselt naar Sint-Truiden. Naast het Benoetskruis lag het niet nader gedefinieerde “croemphoefken”. Kruisveldsteeg,

Winning en landerijen gelegen rechts van de oude baan naar Kuringen, thans door-

859, 1253, 1266, 1272, 1273,

sneden door de Herkenrodesingel.

1274, 1275, 1276, 1277, 1278,

Kruijsveldtstege : zie Helbeemdsteeg. Krutsen, Crutsen

1279, 1280, 1295, 1296, 1297, 1298 Krutsen Hotspot

Spotnaam voor de winning van Crutsen. De verklaring van dit toponiem is niet on-

862

middellijk voor de hand liggend. Moet er in deze samenstelling een verband worden gezien tussen de vorm van het perceel en de in het Hasselts dialect geheten “hutsepot”, een houten bak waarin teerlingen of bikkels geschud werden bij kansspelen? Krutsenbosch Crutsenbosch

Bos van Crutsen ten noord-oosten van de winning gelegen

1278, 1279, 1294


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Krutsen Swert veldt

87

Veldnaam aan de Oude Kuringerbaen aan de overkant van de winning van

846, 854, 855, 856, 857, 858,

Crutsen. Het perceel ligt gevat tussen de Bremstraet, de Kuringerbaen en de

859, 860

Hoerensteeg.
“Swert, zwart” is een volksetymologische vervorming van het Middelnederlandse “swette” of “zwette”, een woord dat een grensscheiding aangeeft. Het is een specifiek grenstoponiem dat in onze streken gebruikt werd voor velden en vijvers die op de grens met een naburige gemeente liggen. 
De toevoeging van de familienaam Krutsen/Crutsen is een aanwijzing dat de Crutsenwinning, gelegen aan de Kuringerbaan, eigenaar was van het hier besproken veld. Kuringerbaene: zie

Doorwaadbare beemd tussen de Oude Demer en de Oude Maas (een bijrivier van

2257, 2258

Curingerbaene Laeck (de)

de Demer) bij Godsheide. “Laak” heeft hier niet de betekenis van “beek” of “natuurlijke waterloop”. Laeck (de)

Benaming van een aantal weiden bij de Haerbempdsteeg en bij de Oude Demer.

1283, 1284, 1285, 1289, 1290,

Laeck is de benaming van een oude rivierarm in deze omgeving.
De Laak was een

1291, 1292, 1296, 1334, 1335,

natuurlijke waterloop, een beek gelegen in een depressiegebied. Etymologisch heeft 1336, 1337, 1338, 1340, 1341, “laeck” trouwens dezelfde betekenis als beek. Het substantief laak zou trouwens

1342, 1343, 1344, 1354

stamverwant zijn aan het werkwoord “leken” in de zin van “een lek hebben, niet dicht zijn”. Vanuit die invalshoek is de Laak synoniem voor een afleidingsbeek, in casu de vloetgracht die in de Breestraat vertrekt aan de vijver van Fredrici. Lanck Cruijs

Aantal weiden gelegen op de Toest langs de Luijckerbaen.

167, 251(3), 251(4), 1840, 1841, 1844, 1845, 1846, 1847, 1848

Lanckveld

Langveld

Lange smalle strook van vijf percelen gelegen ten noorden van de Muggebeek op de 1378, 1379, 1380, 1381, 1382, grens met Kuringen.

1383, 1384, 1385

Veld gelegen bij de Twee Kruisen tussen de Luijckerbaen en de Sint-Jansbeek.
Dit

1782, 1783, 1784, 1785, 1786,

veld, gelegen tussen het “Ilgat” en de Sint-Jansbeek, grenzend aan de Luijckerbaen, 1788, 1789, 1790, 1791, 1793 dankt zijn naam aan de smal uitlopende percelen die op dit veld gelegen waren. Langenackers weijde

Weiden gelegen bij de Brouckermolenstraat, genaamd naar hun eigenaar Van

1320, 1323

Langenacker. Langen bampt,

Een reeks beemden gelegen aan de Helbeemden en aan het Hefveld.

Langenbamd Langenbeemd

348, 349, 350, 351, 352, 393, 396

Beemd ten zuiden van de Muggebeek, die zijn naam ontleent aan zijn lange uitlo-

1377, 1404

pende vorm. Langenbeemd

Beemd gelegen tussen de Nieuwe en de Oude Demer. Nogmaals een toponiem ge-

2159

noemd naar de vorm van het perceel. Het was een onregelmatige zevenhoekige weide met een smal uitlopend uiteinde. Lasareij, Lazarij (de)

Pesthuis gelegen op de hoek van de Kuringerbaan en de Lazarijstraat. De Lazarij was een pand, buiten het stadscentrum gelegen, waar de leprozen tijdens de Middeleeuwen en later werden verpleegd en in afzondering gesekwestreerd leefden. Melaatsen waren aangewezen op de openbare liefdadigheid en dienden hun aanwezigheid kenbaar te maken door met een bel te rinkelen of met een klepper te ratelen.

1217, 1218, 1219


88

Lasareijstraet

Verbindingsstraat tussen de Kuringerbaen en het Brouck.

884, 1197, 1198, 1199, 1200, 1201, 1207, 1208, 1209, 1216, 1217, 1218, 1219, 1221, 1222, 1223, 1224, 1225, 1226, 1227, 1228, 1229, 1230, 1231, 1232, 1233, 1234, 1240, 1241, 1242, 1311, 1312, 1313

Leemkuijle weijde

Weide gelegen tussen het Runkster Hoogveld en de Seijpsbeek.
De “leemkuil” was

728, 729, 731, 732, 733

een plaats waar de ingezetenen van een gehucht naar eigen behoeften leem mochten steken. Liefvrouwken,

Weiden gelegen tussen de Molenstraat, de Kemperbaan en de Genkersteenweg.

1361, 1362, 1363, 1404, 1405,

Liefvrauken

Waarschijnlijk bevond zich op de hoek van de Molenstraat en de Kemperbaan een

1406, 1407, 1408, 1409, 1410,

Lieve-Vrouwkapelletje, dat zijn naam gaf aan het toponiem.

1469

Percelen gelegen aan de Truijerbaan in de omgeving van de Groote Linde. Deze

434, 437, 438, 451, 452, 453,

straat is verbonden met de Trekschuerenstraet.

454, 522, 531, 532

De Kleine Linde stond op de plaats waar de Groenstraat aansloot bij de Oude

431, 535, 537, 545, 546, 547

Linde (de Grote)

Linde (de Klijn)

Truijerbaen. Hier werd in de laatste faze van de Boerenkrijg de aalmoezenier van het boerenleger, kanunnik Melin, door de Franse ruiterij met sabelsteken vermoord. Een weinig verder op de Truijerbaen stond de Grote Linde. Lindestraete (de Groote)

De Groote Lindestraete is de verbindingsstraat tussen de Trekschuerenstraet en de

381, 436, 437, 438, 439, 440,

Truyerbaen. Een Grote Linde was aangeplant op de Truyerbaen bij het beginpunt

441, 442, 443, 446, 450

van de Groote Lindestraet. Luijckerbaene

Vroegere benaming voor Luikersteenweg.

12, 13, 14, 15, 16, 22, 23, 24, 27, 36, 37, 38, 46, 47, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 129, 131, 136, 137, 141, 142, 143, 150, 151, 152, 153, 159, 160, 161, 163, 164, 165, 167, 168, 169, 170, 181, 182, 247, 247 bis, 249, 260, 261, 262, 263, 266, 312, 313, 314, 323, 325, 327, 330, 331, 332, 333, 334, 335, 341, 404, 405, 406, 413, 1011, 1012, 1013, 1014, 1018, 1019, 1020, 1021, 1022, 1023, 1025, 1026, 1027, 1028, 1029, 1030, 1031, 1032, 1033, 1034, 1035, 1036, 1037, 1041, 1042, 1045, 1612, 1615, 1616, 1617, 1625, 1626, 1627, 1786, 1787, 1789, 1798, 1799, 1800, 1801, 1802, 1838, 1839, 1843, 1844, 1845, 1847, 1848, 1849

Luyckerbaene (Oude)

Het beginpunt van deze route lag tussen de gebouwen van de vroegere stoke-

262, 327, 329, 330, 331, 332,

rij Villers (thans Welvaartstraat), liep langs het eerste Hasseltse begijnhof, volg-

333, 334, 1018, 1019, 1020,

de de Ossensteeg (nu Toekomststraat), sloeg vervolgens de nog bestaande Oude

1021, 1022, 1041, 1042

Luikerbaan in, liep voorbij de “Zeven Stichelen” en verder tot op het punt waar ze aansloot bij de heerbaan naar Luik.


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Luijckervoetwegh

89

Dit wegeltje wordt ook wel de Rapertingenvoetweg geheten.
Deze voetweg die ver-

1039, 1040, 1041, 1042, 1043,

trok aan de stadswal ter hoogte van de Capucienenstraat volgt het tracé van de

1070

huidige Gerlachestraat, loopt doorheen de Planckeweide en sluit aan bij de Oude Luijckerbaen achter het rusthuis Zonnestraal. Maes (oude)

Zijarm van de Oude Demer op het grondgebied van Godsheide.

2257, 2258

Maestrichterbaene (zie

De grote weg die via Diepenbeek naar Maastricht voert.

1090, 1091, 1553, 1555, 1571,

ook Trichterbaene)

1661, 1662, 1664, 1665, 1666, 1669, 1676, 1677, 1678, 1716, 2015, 2016, 2062, 2067, 2068, 2069, 2070, 2071, 2073, 2074, 2081, 2082, 2085, 2093, 2094, 2095, 2096, 2097, 2098, 2101

Maestrichterpoorte (zie

De zware stadspoort die bij het beginpunt van de baan naar Maastricht stond.

ook Trichterpoorte) Mastbroucken (de)

1052, 1053, 1064, 1070, 1072, 1521

Hooiland/broek gelegen op de hoek van de Trekschuerenstraet en de

244

Trekschurensteeg.
Een mastbroek is een hooiland dat beplant is met hoge pijnbomen of afgezoomd is met houten palen. Meeuwet (den), Meuwet

Beemdgronden gelegen tussen de Oude Demer en de Nieuwe Demer in de

2150, 2151, 2152, 2153, 2155

Roten.
Deze plaatsnaam is afgeleid van de persoonsnaam Bartholomewis Massingh, een van de eigenaars van deze beemd. Meuwe (de)

Blook gelegen tussen de Runksterstraet en de Groot Stucksteeg. Nadere informatie

787

omtrent deze winning met aanhorigheden ontbreekt. Gaat het om een perceel waar de meeuwen bij voorkeur op neerstreken? Meir (de)

Uitgestrekt veld gelegen op Pietelbeek tussen de Pietelbeekstraet, de Galgebeek en

1944, 1945, 1947, 1949, 1950,

het Keyselvoetpad.
De Meir of de Meer dankt zijn naam aan een omheind land, in-

1951, 1952, 1953, 1954, 1955,

gemeerd door grachten van levend hout. Het Middelnederlandse “meer” als grond-

1956, 1957, 1958, 1959, 1961,

woord betekent grens of grensscheiding. 
De grafie “meir” betekent dat het woord

1963, 1964, 1965, 1966, 1967,

met een zware ê werd uitgesproken.

1968, 1969, 1970, 1971, 1972, 1973, 1974, 1975, 1976, 1977, 1978, 1979, 1980, 1981, 1982, 1983, 1984, 1985, 1986, 1987, 1988, 1989, 1990, 1991, 1992, 1993, 1994, 1995, 1996, 1997, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013

Meirstege, Meirsteeg

Melbeek, Melbeeck

De Meirsteeg, het verlengde van de Sint-Jansbeekveldsteeg, liep vanaf de

1943, 1944, 1995, 1997, 1999,

Pietelbeekstraet tot in het midden van het veld dat “de meir” werd geheten.

2000

Gehucht in het zuid-oosten van de stad grenzend aan Diepenbeek.
De naam “mel-

79

beek” zou een verschrijving zijn van het oorspronkelijke “maelbeek”. In die zin zou het grondwoord “mael” kunnen verwijzen naar de rivier die leidt naar de molen waar het graan gemalen wordt. 
Volgens een andere interpretatie zou “mael” hier gebruikt zijn in de betekenis van “grens”, zodat Melbeek het gehucht is dat op de grens (met Diepenbeek) ligt.


90

Melbeekerstraete,

Straat die doorheen Melbeek loopt vanaf de Luijckerbaen in de richting van het

76, 77, 78, 80, 81, 82, 83, 84, 85,

Melbeeckerstraete

grondgebied van Diepenbeek.

86, 87, 105, 106, 107, 108, 109, 110, 111, 112, 113, 114, 137, 138, 139, 140, 141

Melkvoetweg

De Melkvoetweg was een erfsteeg met ingang tegenover de Thyspoel (n. 976), die

1204, 1205, 1206, 1207, 1223,

de verbinding vormde van de Kuringerbaan met de Lazarijstraat. Een deel van deze

1224, 1240, 1242

voetweg is thans opgenomen in de Melkvoetstraat. Langs dit pad begaven boeren en veehouders zich naar de graasweiden om hun dieren te gaan melken. Meskensgoed

Blook, vijvers en weide gelegen tegenover het Lanckkruijs op de Luijckerbaen.
Het

167

eerste lid van deze perceelsnaam is waarschijnlijk afgeleid van de familienaam van een van de vroegere eigenaars, Meuskens. Bij de ingang van de huidige Rapertingenstraat aan de Luijckerbaen, die naar het Rapertingenplein leidt, stond weleer een smal opstaand kruis, het Lang Kruis. Metteweijde (de)

Weide gelegen op de Treckschurenstraat naast de Mastbroucken.

244

“Mette” is een metroniem afgeleid van de voornaam Mechtelt of Mathilde. Moken (het)

Veld gelegen tegen het Pietelbeekveld bij de Galgebeek. Het Moken is een geheel

1908, 1909, 1910, 1911, 1912,

van zes percelen. Samen vertonen zij de vorm van een kneedbak of van een baktrog 1913, 1914, 1915, 1916, 1917,

Moken

(= “mouw”).

1962

Langwerpige vijver gelegen bij de Savegardvijvers. Deze vijver was verbonden met

2472

de Jauten. Moken is een diminutief van “mo”, het Zonhovens equivalent voor een baktrog. Het Hasselts dialect gebruikt de alternerende vorm “meu”. De betekenis van dit woord is hier overdrachtelijk gebruikt om een uitdieping in de bodem aan te geven. Molenbeemdje

Beemdje bij de “Donkerbeemden” aan de Molenbeek en de Mombeekmolen.

40

Molenstraete

Wegje tussen de molen van Mombeeck en de Luijckerbaen.

24, 26, 28, 29, 43, 55, 56, 57

Molenstraet

De Molenstraet verzekerde via de “Duivelsbrug” over de Demer bij het “Hoogvonder” 1334, 1354, 1355, 1356, 1357, de verbinding tussen de Brouckermolen en het kruispunt van de Kempische steen-

1358, 1361, 1362, 1363, 1364,

weg/Genkersteenweg voor landbouwers die kwamen vanuit de richting van de

1365, 1366, 1367, 1368, 1369,

Trichterheide en de Kempische heide.

1370, 1371, 1372, 1373, 1374, 1375, 1404, 1408

Mombeeck = Molenbeek

Bijrivier van de Herk. Vormt over een lengte van 1,5 km de grens met Kortessem en

1, 2, 38

Wimmertingen. Mombeeck

Kasteel gelegen ten zuiden van Melbeeck op de grens met Diepenbeek.

40, 41, 42, 43, 44, 45, 76

Mombeecker veldt

Veld gelegen aan de Moordelkuijl.

74, 75

Moordelkuijle,

Percelen grond langsheen de Luijckerbaen tussen Henegouw en Wimmertingen

43, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 50, 51,

Mordelcuijle,

langs de kant van Mombeeck gelegen.

52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60,

Moordelkuijle

Het toponiem “Moordelkuil” wijst op een ondergrond van beslagen kalk en mortel-

61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69,

specie. De naam wordt frequent aangetroffen bij gronden die regelmatig onder water 70, 71, 72, 73, 74 komen te staan. Moordelkuijle vijverken

Vijvertje gelegen in de Moordelkuijle.

74


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Mottmans hof

Blook gelegen op de hoek van de Trekschuerenstraet en het voetpad dat leidt naar

91

193

de Luijckerbaen. Een van de vroegere eigenaars van dit perceel, een zekere Gerd Mottmans uit Herk, droeg zijn naam over op de grond. Muggebeek

De Muggebeek ontspringt aan de Beverzak bij de grens met Zonhoven, volgt zuid-

1303, 1342, 1343, 1347, 1348,

waarts het circuit van de Paalsteenstraat, wordt vervolgens onder het kanaal door-

1349, 1350, 1351, 1352, 1353,

geleid en mondt uit in de Demer ter hoogte van de spoorwegbrug over het kanaal.

1376, 1377, 1378, 1379, 1380,

Het toponiem “Muggebeemden” ontleende zijn naam aan de beek die er langs

1381, 1382, 1386, 1403

stroomt. Muggebempden,

Een aantal beemden gelegen in het westelijk stadsdeel tussen de Oude Demer, de

1303, 1336, 1337, 1338, 1339,

Muggebeemden

Muggebeek en de limiet met Kuringen.

1340, 1341, 1342, 1343, 1344, 1345, 1346, 1347, 1348, 1349, 1350, 1351, 1352, 1353, 1354

Muntelbeeckstraete

= Quaethovestraete.

1

Thans Herkerstraat. Natteweijde (de)

Weide deels gelegen aan de Luijckerbaen, deels aan de Bieststraat.

160, 161

Nattveldt, Natveld

Uitgestrekte vlakte besloten tussen de Maastrichterbaan, het Singelbeekvoetpad en

1556, 1557, 1558, 1559, 1560,

de Casterstraet. Het Natveld was een laag gelegen en drassig hooiland, vanwaar de

1561, 1562, 1563, 1564, 1565,

naam.

1566, 1567, 1568, 1569, 1570, 1572, 1573, 1574, 1575, 1576, 1577, 1578, 1579, 1580, 1581, 1582, 1583, 1584, 1585, 1586, 1587, 1588, 1589, 1590, 1591, 1596, 1599, 1600, 1601, 1602, 1603, 1604, 1605

Nieuwgracht

Gronden gelegen bij de Swimelerestege tegen het Runkster Hoogveld. Het bepalend 686, 687, 688, 689, 693, 694, bestanddeel “nieuw” werd hier gebruikt ter aanduiding van gemeentegronden die

695, 696, 697

ontgonnen werden om nieuwe bouw- en weilanden aan te leggen. Het grondwoord “gracht” heeft de betekenis van een houtgracht die de percelen afsloot. Nieuw(e) heide,

Ook geheten Nieuwveld. Dit gebied lag besloten tussen de Kemperbaen en de

2398, 2399, 2400, 2401, 2402,

Stadsnieuwheijde (de),

Genkerbaen.

2403, 2404, 2405, 2407, 2408,

Nieuwheijde

2409, 2410, 2411, 2412, 2413, 2414, 2415, 2422, 2423, 2428, 2431, 2432, 2433, 2440, 2445, 2446, 2450, 2451, 2452, 2454, 2455

Nieuwland, Nieuwlandt

Landerijen gelegen in Runkst aan de Wanbeek bij het Duivelsgat.

757, 758, 759, 760, 761, 762,

Het naamgevend bestanddeel “nieuw” wijst in dit drassig gebied op een aantal ont-

763, 765, 766, 767, 768, 769,

waterde broekgronden, die vrij recent ontgonnen werden en omgezet werden tot

770, 771

landbouwgrond. Nieuwveld (het)

Deel van de Nieuwe Heide dat besloten lag tussen de Kemperbaen, de Genkerbaen

2422, 2424, 2426, 2427, 2428,

en het Schrijnbroek.

2429, 2431, 2434, 2435, 2436, 2437, 2438, 2439, 2440, 2441, 2442, 2443, 2444, 2445, 2446, 2447, 2448, 2449, 2450, 2452, 2453, 2454, 2455


92

Oudestraet, Oudestege,

Deze weg lag op de Trichterheide aan de Oude Demer bij de Princenbampt en de

Aude straet, Audestraet

Willekensmolensteeg. Deze straat, veeleer een steeg, vormde de verbinding van en-

2200, 2201, 2202, 2208, 2209

kele landerijen bij de Trichterheide en de Willekensmolenstraat, aldus genaamd naar haar ligging bij de Oude Demer. Padestraet, Paedestraet

Straat die aanvangt midden op de Trichterheide en uitgeeft op de Genkerbaen. De

1413, 1414, 1415, 1417, 1418,

Padestraet, ook geheten de Parkestraet, is een lange straat die de verbinding vorm-

1419, 1420, 1421, 1422, 1423,

de tussen de Kemperheide en de Trichterheide. De betekenis van de naam verwijst

1451, 1452, 1453, 1457, 1458,

naar een enge weg of een veldpad.

1459, 1460, 1461, 1464, 1465, 1466, 1467, 1468, 1479, 1480, 1481, 1482, 1483, 1484, 1485, 1487, 1505

Paeschman

Niet meer bestaande hoeve gelegen bij de Donckerbeemden en de

36

Quaethovenbeemden. Deze huisnaam gaat terug tot de familienaam van een van de eigenaars van het pand. Pannenhuis

Winning met wenhof, weiden en boomgaard, gelegen op de Kemperheide boven de

2458, 2459, 2460, 2461, 2464,

Schuttersboom aan de limiet met Kuringen.

2466

Vroeger waren de meeste hoeven en winningen met strowissen bedekt. Een dakbekleding met pannen of schaliën was eerder uitzonderlijk. Paters Lieffvrouken (het)

Akkerland gelegen aan de Kuringerbaen bij de Heckeleers.

1268, 1269, 1270, 1271, 1361,

De etymologie van de naam van dit akkerland blijkt vooralsnog niet te achterha-

1362, 1363, 1404, 1405, 1406,

len. Laten wij er van uitgaan dat een Hasseltse kloostergemeenschap op dit veld

1407, 1408, 1409, 1410, 1412,

een Lieve-Vrouwebeeld met een kapelletje plaatste, waaruit nadien het toponiem

1469

ontstond. Peperkoecksken

Weide gelegen tegen het Gaarveld bij de Kapellekensbamp. De oorsprong van deze

954, 957

sympathieke plaatsnaam is niet vanzelfsprekend. Gaat het hier om een afleiding van “peper”, het tweede meel dat afgepeld werd van de boekweit? Of is de naam gegroeid uit de volksetymologie die in het perceel een connotatie zag met de vorm van een peperkoek? Pietelbeek

Gehucht gelegen bij de Galgebeek op de limiet met Diepenbeek. Het ligt be-

1724, 1725, 1726, 1727, 1881,

sloten binnen het Keyselvoetpad, de Sint-Jansbeekveldsteeg, de Meirsteeg, de

1944, 1945, 1946, 1947, 1948,

Pietelbeekstraet en de Maastrichterbaen.

1951, 1952, 1953, 1954, 1955,

In een verheffing van 1365 wordt de naam van het gehucht gespeld als “pieterbeek”. 1956, 1957, 1958, 1959, 1960, Naar de inhoud heeft deze naam de betekenis van “beek van Pieter”, ofschoon er

1961, 1962, 1963, 1964, 1965,

geen enkele waterloop onder die naam is overgeleverd.

1966, 1967, 1968, 1969, 1970, 1971, 1972, 1973, 1974, 1975, 1976, 1977, 1978, 1979, 1980, 1981, 1982, 1983, 1984, 1985, 1986, 1987, 1988, 1989, 1990, 1991, 1992, 1993, 1994, 1995, 1996, 1997, 1998, 1999, 2001, 2002, 2003, 2005, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011, 2015


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Pietelbeekstraete

Verbindingsweg tussen de Wolskestraet en de Rapertingenstraet.

93

1716, 1717, 1718, 1719, 1720, 1721, 1722, 1723, 1750, 1751, 1752, 1753, 1754, 1755, 1760, 1761, 1762, 1763, 1873, 1876, 1877, 1878, 1879, 1880, 1891, 1933, 1934, 1940, 1941, 1942, 1943, 2000, 2002, 2003, 2004, 2015, 2067

Pietelbeekveld

Het Pietelbeekveld was begrensd door de Rapertingenstraet, de Pietelbeekstraet,

1864, 1865, 1866, 1867, 1868,

de Keyzelvoetweg en ten zuiden door de Galgebeek die de grens met Diepenbeek

1869, 1870, 1871, 1882, 1883,

vormde.

1885, 1886, 1887, 1888, 1889, 1890, 1892, 1894, 1895, 1896, 1897, 1898, 1899, 1900, 1901, 1902, 1903, 1904, 1905, 1906, 1907, 1908, 1909, 1910, 1911, 1912, 1913, 1914, 1915, 1917, 1918, 1919, 1920, 1921, 1922, 1923, 1924, 1925, 1926, 1927, 1928, 1929, 1930, 1931, 1932, 1933, 1935, 1936, 1937, 1938, 1939, 1940, 1941, 1946, 1948, 1949, 1959

Pinnepoel (veld)

Het Pinnepoelveld tussen Singelbeek en Pietelbeek lag begrensd ten noorden van

1723, 1724, 1746, 1747, 1748,

de Pietelbeekstraat en het Keyselvoetpad. De oorsprong van het toponiem kan niet

1749, 1750, 1751, 1752, 1753,

met zekerheid achterhaald worden.

1754, 1755, 1756, 1757, 1758,

Ofwel gaat het om een afleiding van het Middelnederlandse “pinne” in de betekenis

1759, 1760

van “pin” of “pen”. Overdrachtelijk gebruikt gaat het dan om een perceel dat op een punt uitloopt. Ofwel is de eigennaam afgeleid van het Middelnederlandse “pueyn” dat puin betekent. In die zin gaat het om de typering van de bodemgesteldheid, met name een steenhoudende ondergrond. Pijpersveldje (het)

Veld gelegen in Godsheide tussen de Borggravevijvers en de Platte Vijvers. Het eer-

2336, 2337, 2338, 2339, 2340,

ste lid van deze samenstelling, “pijpers”, is, zoals aangetoond wordt in een akte van

2341, 2342, 2343, 2344, 2345,

1497 “int vissebroec dat die pijperskinderen onder hun haldende syn”, de familie-

2346, 2347, 2348

naam van de eigenaar van het veld. De familienaam Pijpers verwijst in oorsprong naar de beroepsnaam van een pijper, een fluitspeler of een speelman. Een volksetymologische uitleg wil dat de naam van het veld zijn verklaring vindt in de afwateringspijpen en greppels die in dit veld waren aangelegd. Plaaster (de), Plaester

De “Plaaster” was een zeshoekig plein dat de uitloper vormde tussen de Vilstraet

406, 407, 410, 411, 412, 413, 414,

(Fonteinstraat) en de Sint-Truijersteenweg. Het toponiem gaat terug tot de plaats

558, 559, 1010, 1011, 1012, 1013,

waar voorheen pleisterkalk geblust werd.

1014, 1025, 1026, 1027


94

Planckeweijde,

Huidig stadspark. De Planckeweide is een strook die ten oosten grenst aan de

1044, 1047, 1052, 1054, 1055,

Planckweide,

Casterstraat, ten zuiden aan de Oude Luikerbaan, ten westen aan de Helbeek

1056, 1057, 1058

Planckweijde

en de Begijnenpoel en ten noorden aan de Stadsomvaart, waar ze paalt aan het Begijnenland en aan de Begijnenboomgaard. De Planckeweide is een moerassig en vochtig gebied, gelegen achter het begijnhof, dat herhaaldelijk onder water stond wanneer de Helbeek buiten haar oevers trad. Om de weide toegankelijk te maken en een transit toe te laten, legden de buren planken over de zompige strook. Op 11 januari 1724 betaalt de stad aan Lambrecht Merkelbach tien gulden voor “80 bouten gemaect om door de plancken te slaan in de planckeweyde”.

Planckeweijde

Steeg of voetweg die, vertrekkend van de geuzengalg aan de Stadsomvaart, door-

1044, 1045, 1046, 1047, 1051,

steeghsken

heen de Planckeweide liep tot aan de Casterstraat.

1052, 1053, 1054, 1070

Platte beemd

Weide gelegen op “het Stuck” aan de Bieststraat.

131

Platte beemd (de),

Twee naast mekaar liggende weiden aan de Luijckerbaen bij de Sint-Jansbeeck. Het 1798, 1799

Plattenbamp, Platten

adjectief “plat” betekent hier niet vlak, wel moerassig of drassig.

bamp Platte vijvers, Platte(n)

Reeds in 1463 wordt deze plaatsnaam als “platten wijer” gelocaliseerd op de heide

2219, 2220, 2221, 2246, 2247,

vijver

van Godsheide. Vandaag geeft de Platte Vijverstraat uit op het Albertkanaal. In feite

2248, 2249, 2250, 2252, 2271,

gaat het om drie vijvers die naast mekaar gelegen waren en bij het uitgraven van het

2272, 2273, 2274, 2281, 2282,

kanaal werden drooggelegd.

2290, 2291, 2292, 2297, 2298,

Het bepalend bijvoeglijk naamwoord “plat” heeft hier niet de betekenis van vlak,

2299, 2300, 2301, 2302, 2303,

maar wel van moerassig, drassig, slijkerig, conform aan de vele vijvers die gelegen

2308, 2365, 2366

waren in de Grote Heide. Popelier, Popeleren (den)

Winning gelegen aan de Trichterbaen op het Natveld (nu Bosstraat). Ooit waren er bij 1553, 1554, 1563, 1567 dit pachthof populieren aangeplant. Derhalve werd de winning en haar aanhorigheden de Populier geheten.

Porten, Poorten (ter)

Ter Poorten was een uitgestrekte hoeve, voormalig eigendom van de abdij van

1678, 1679, 1680, 1681, 1682,

Herkenrode, gelegen in Pietelbeek op de limiet met Diepenbeek bezijden de

1683, 1703, 1704, 1705, 1706,

Trichterbaen. Ter Poorten was een middelgroot bedrijf, bestaande uit landbouw-

1707, 1708, 1714, 1715, 1716,

grond, weiden en boomgaarden. De abdis gaf het goed in pacht en ontving er jaar-

1717, 2004, 2005, 2006, 2007,

lijks een vaste huur voor in geld en in natura. Het fonisch bestanddeel “ter” is ver-

2008, 2010, 2011, 2012, 2013,

groeid met het toponiem. De naam verwijst eigenlijk naar het poortgebouw, dat

2014, 2015, 2016, 2017, 2018,

meestal als duiventil werd ingericht.

2068, 2069

Predikheerenbunder,

Akkerland aan het Keyselvoetpad, gelegen op het Pietelbeekveld. Het veld wordt al-

1935, 1936, 1939

Predikherenbunder

dus genoemd naar de predikheren of dominikanen van Maastricht die er eigenaar van waren. Dezelfde paters beschikten ook over een huis in de Capucienenstraat te Hasselt.

Prince bamp,

Beemd gelegen aan de Haarbempsteeg.

Prinsenbeemd

De beemd naast het goed van Crutsen, grenzend aan de Breestraet tegenover de vijvers van Fredrici, wordt Prinsenbeemd genoemd omdat de prins-bisschop van Luik er eigenaar van was.

1297, 1298, 1299


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

95

Princen aude bamp,

Beemd gelegen bij de Oude Demer boven de Willekensmolen aan de Oudestraet.

2181, 2195, 2196, 2197, 2198,

Princen auwen bamp

Het adjectief “oud” in het samengestelde konstituent “oudebeemd” verwijst, in te-

2202, 2203

genstelling tot een recente ontginning, naar een perceel dat reeds vroeger in gebruik genomen was. Het bepalend component “prinsen” gaat terug tot de tijd dat de beemden bezit waren van de inkomstentafel van de prins-bisschoppen van Luik. Pruijncken (het),

Akkers gelegen in de Bosstraet vóór de kruising met de Voorestraet. De naam van

Pruimken, Pruijnken

dit akkerland gaat terug tot een vroegere begroeiing toen deze percelen nog met

1541, 1544, 1554, 1555

pruimelaars beplant waren. Putsteeg, Put(t)stege

Veldsteeg die haar beginpunt had aan de Casterstraet bij de Vierbunder (thans

1593, 1594, 1595, 1597, 1598,

Catharinalaan) en doorliep tot in Singelbeek.

1599, 1606, 1607, 1608, 1609,

De nog bestaande Putsteeg bij de spoorbaan Hasselt-Tongeren is een overblijfsel

1610, 1632, 1633, 1635, 1636,

van de vroegere steeg die zich vertakte vanaf de Casterstraet.

1637, 1638

Quaebrugge,

Drassig hooiland op de Trichterheide aan de Slagmolen op de Slagmolenbeek. Het

2213, 2214, 2215, 2216, 2378,

Quaedtbrugge

kwalificatief “kwaad” is een eigenschap van minderwaardig bouwland, gelegen bij

2379, 2383, 2384, 2385

een vijvergebied, een drassig hooiland met een lage watertafel vanwege de ligging tegen de heide. Het eerste lid “quae” is afgeleid van het Middelnederlandse “quaet” in de betekenis van “slecht”. “Brug” is hier kennelijk gegroeid uit een volksetymologische verbastering van “broek”, moerassige grond. In de omgeving is er immers geen aanwezigheid van een brug te bespeuren. Quaethove bempden

Beemden gelegen aan de Mombeek.

1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15

Quaethovestraete

Straat bij de grens van Wimmertingen die de scheiding vormt van de

1, 2, 15, 16, 17

Kwaadhovenbeemden en de Donkerbeemden. “Kwaad” heeft in deze samenstelling de betekenis van moerassig. “Hof, hove” is een aanwijzing van akkerlanden die dicht bij een boerderij gelegen zijn. Rapertingen

Gehucht in het zuid-oostelijk stadsdeel.

1742, 1743, 1744, 1763, 1811,

De naam van het kwartier Rapertingen, in een veertiende-eeuwse schrijfvorm “ro-

1812, 1813, 1851, 1859, 1861,

bertinge” gespeld, is samengesteld met het suffix “-ingen”, een aanwijzing voor be-

1863, 1865, 1866, 1867, 1868,

bouwde velden of weilanden.

1869, 1873, 1874

Rapertingen was de zetel van een voormalig laathof. Was een zekere Robert ooit de meier of een laat van dit hof? Het gehucht Rapertingen groeide nooit vanuit een centrum. De boerendoeningen lagen willekeurig gespreid langs de belangrijkste straten of in de velden. In het voormalig park van de priorij/het kasteel van Henegouw werd vanaf 1970 een residentiële wijk aangelegd. Rapertinge plijn,

Kruispunt van de Rapertingenstraat en de Tomstraat.

125, 127, 128, 129, 131, 136, 137,

Rapertingenpleijn,

141, 161, 165, 166, 1849, 1850,

Rapertingenpleyn

1853, 1854, 1855


96

Rapertinge straete,

Verbindingsstraat vanaf de Oude Luikerbaan tot aan het Rapertinge Plijn. Het eer-

127, 1616, 1617, 1618, 1619,

Rapertingenstraet

ste stuk van de Rapertingenstraat, te vertrekken vanaf het kruispunt Lentestraat/

1620, 1621, 1622, 1623, 1628,

Kroonwinningstraat op de Luyckerbaen, tot aan het punt waar ze door de

1629, 1630, 1631, 1763, 1764,

Singelbeekstraet vervoegd wordt, werd vanaf 1954 herdoopt tot Kroonwinningstraat. 1768, 1775, 1776, 1778, 1779, Deze nieuwe straatnaam was ontleend aan de “Kroonwinning”, een pachthoeve die

1780, 1781, 1792, 1793, 1811,

op het einde van dit gedeelte van de straat gelegen was.

1813, 1821, 1822, 1852, 1853, 1854, 1855, 1860, 1862, 1863, 1864, 1873, 1874, 1875, 1876, 1891

Rapertingen (straete lij-

dende naer-)

1619, 1620, 1622, 1623, 1629, 1630

Rechtstraet

Rechtlopend deel van de Breestraet.

1300

Reuckenis (het)

Reeks percelen besloten tussen de Tomstraat en de Melbeekstraat. Het verklein-

87, 88, 89, 90, 91, 92, 93, 94, 95,

woord “reuke” is een afleiding van “rodeke”. Het Middelnederlandse “’rode” heeft

96, 97, 100, 101, 102, 103, 104

de betekenis van “gerooid bos of struikgewas”. Het etymologisch verband met een waterpoel waarin vlas of hennep werden geroot kan hier aan de orde zijn, gezien de lage ligging van het veld. Reukenissteeg

Steeg die midden door de akkers van het Reukenis loopt.

99, 100, 101, 102

Roedenbergh,

Veldnaam in de Trekschurenstraat bij het brongebied van de Sint-Jansbeek. De ety-

278, 279, 280, 281, 295, 296,

Roeijenbergh (den)

mologie van de “Rode Berg” duidt op een hoger gelegen plaats waar in vroegere ja-

297, 298

ren bossen gerooid werden. Rommenbamp,

Beemd gelegen in de Muggebeemden op de limiet met Kuringen.

Rommenbeemd (de)

Deze beemd wordt genoemd naar de voornaam van een vroegere eigenaar, een ze-

1345, 1346, 1349, 1350, 1351

kere Rommen, vleinaam van Rombout. De familie Rommen beschikte over meerdere eigendommen op de Kemperheide. Roten (de)

Naam van een aantal weidegronden tussen de Oude Demer en de Nieuwe Demer

2148, 2149, 2150, 2151, 2152,

tot aan de limiet met Diepenbeek.

2155, 2156, 2157, 2158, 2159,

Een vochtig gebied waar voorheen vlas en hennep geroot werden. Het roten bestaat 2160, 2161 erin in een waterkuil de stengel van de plant aan de werking van het water bloot te stellen en zo de bast los te weken. “Root” is een verbaalnomen afgeleid van het werkwoord “roten”. Runxt

Runxterstraet

Gehucht ten westen van de stad dat besloten werd door de limieten van Kuringen en 692, 742, 745, 746, 749, 751, 752, Sint-Lambrechts-Herk.

753, 754, 755, 756, 757, 758,

De naam Runxt, stamverwant aan het Latijnse “runcare” (=wieden, rooien van een

766, 767, 771, 772, 773, 774, 775,

bos), wordt al betuigd in 1147. Runxt beschikte van oudsher over een laathof dat af-

778, 781, 782, 786, 796, 801,

hankelijk was van het kapittel van Sint-Jan in Luik.

802, 807

Thans Runkstersteenweg.

764, 775, 776, 777, 779, 783, 784, 785, 786, 787, 788, 789, 790, 791, 792, 793, 794, 795, 810, 827, 830, 831, 845, 851

Runxter Breestraete

= Dormael Breestraete

Runxter Diepstraat,

Verbindingsweg tussen de Groot Stucksteeg in de richting van de Wanbeek.

778, 779, 780

Runxter Diepstraete


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Runxter Hooghveldt: zie

97

Weide gelegen aan de Weijbampstege. Het blook werd genoemd naar een van de

2194

Hooghveld Rutten (de)

eigenaars. Savegard vijvers

Drie vijvers gelegen op enige afstand langs de Zusterkloosterbeek tegen de grach-

2472, 2473

ten van Bokrijk. Het toponiem “savegard” is gecopieerd naar het Franse werkwoord “sauvegarder” in de betekenis van “bewaren, behouden, beschermen”. Het bonderboek vermeldt dat er in de nabijheid van de savegarden vijf “tommen” (begraafplaatsen) lagen, die op een niet nader te bepalen jaar met de grond gelijkgemaakt werden. Wellicht werden op deze plaats de lijken begraven van de soldaten die sneuvelden in de strijd van Everard III van der Marck tegen prins-bisschop Jan van Horn. Beide troepenmachten geraakten in 1490 slaags op de heide tussen Zonhoven en de Vlasberg. Mantelius verwijst naar deze confrontatie in zijn “Kroniek van Hasselt” (f. 24v): “en sloegh sijnen leger bij Bockrijck daer de tomben staen”. Savelven(ne)

Vijver gelegen in het noord-oosten van de Grote Heide tussen de Savegardvijvers en 2492 het Moken. “Savel” is synoniem van zand. In dit geval is het ven afgedekt met fijne witte of gele kwartszand onder een grijsgetinte bovengrond.

Schavautenveldje,

Veld gelegen tussen de Winthalmsteeg, het Dormaelpadt en de Dormaelstraet.

Schauvautenveldeken

Het Schavautenveldje of Schavelierenveldje is een weinig voorkomend toponiem.

664, 665, 667, 668, 669, 670

Bestaat er een verband tussen deze naam en “schavei”, in de zin van het uitgraven of uithollen met het oog op ontginningen? Of bestaat er een verband met schaven, schaafkrullen of afschrapen? Schaverden

De vier Schaverdenvijvers met reservoir waren via de Jauten verbonden met het

2469

Moken bij de Swertvenne. Het toponiem “schaverden” is een personificerende afleiding van de stam van het werkwoord “schaven” in de betekenis van het uitgraven of uithollen van de bodem. “Schaverden” of “schabberten” zijn plaatsen waar strooisel, gras en heidestroken werden uitgegraven. Het stuk heide dat met een spade werd afgestoken (=klotsteken) liet men vervolgens drogen om het als brandstof te gebruiken. Schailliewinninge,

Winning gelegen in Trekschuren op het hoekpunt van de Trekschurenstraat en de

Schaliewinning

Hollandsesteeg aan de Rodeberg.

282, 294

Deze huisnaam wijst op een woonerf waarvan het dak met leien bedekt was. Scheepstaet (de),

Blook gelegen in de Vilstraat (Vilderstraat) ten zuiden van de Oude Demer. De vorm

Scheepstart

van dit perceel, waarvan het achterste deel enige gelijkenis vertoonde met de ach-

1516, 1517

tersteven van een schip, kleurde het toponiem met deze plastische gelijkenis. Scheperspoelken (het)

Het scheperspoelken was gelegen aan de driesprong van de Boomkensstraat en de 565, 566, 567,992, 995, 996 Gaarveldstraat. Waarschijnlijk bevond zich op deze plaats een poel waar schaapherders hun kudden lieten drinken alvorens ze naar de graasweiden te leiden. Tot in het midden van de achttiende eeuw waren er in de buitenwijken van de stad veel schapenfokkers gevestigd.

Scherpesteen (winninge)

Hoeve gelegen in de Rapertingenstraat. Gesloten hoeve, waarvan de bakstenen gebouwen gegroepeerd waren rondom een rechthoekig erf. Het woonhuis ligt op de westkant. Op de zuidkant ligt de grote dwarsschuur. Tegenover het woonhuis staat het bakhuis en een duiventil.

1764, 1811


98

Schotteveld

Veld gelegen aan de Siegersveldsteeg in de nabijheid van de limiet met Sint-

287, 289

Lambrechts-Herk. Het bepalend gedeelte “schot” van deze plaatsnaam herinnert aan het opsluiten van vee dat in een schutkooi werd ondergebracht. Loslopende dieren konden immers door de akkeromheiningen uitbreken en schade berokkenen aan de veldgewassen die ze met hun poten vertrappelden. Schrijnebrouck,

Vijvers en weiden gelegen langs de twee kanten bezijden de heerweg naar de

Schrijnbroek (het)

Kempen op de Kempische Heide, afgezoomd door de spoorweg naar Genk. De vij-

2422, 2433, 2468

vers van het Schrijnbroek vormden de noordergrens van de Kempenerheide. Tot aan deze grens lieten de Zonhovenaren hun aanspraken gelden om hun kudden te laten grazen. De etymologie van deze naam gaat waarschijnlijk terug tot de vorm van het broek dat enige gelijkenis vertoonde met een opbergkast. Schrijver (de)

Hoeve, winning, moeshof, boomgaard en landerijen gelegen aan de

1627, 1628, 1775, 1776, 1778,

Rapertingenstraat.

1780, 1781, 1782, 1784, 1792

Dit toponiem gaat terug tot de familienaam van een van de eigenaars van het goed. De naam evolueerde van familienaam tot beroepsnaam van ambtenaren van hogere en lagere rang die zich inlieten met het uitschrijven en opstellen van ambtelijke stukken. Schroensbrouck

benaming door de Zonhovenaren gegeven aan de “Jauten”.

Schuttersboom

Houten staak bij de ingang van de huidige Paalsteenstraat, waar de schutterij van

1388, 1389, 2462

Hasselt zich ging bekwamen in het neerhalen van de vogel. Schuttersraam

Paviljoentje bij de Schuttersboom op de hoek van de Kemperbaen en de

1387

Paalsteenstraat. In Hasselt bestond reeds in de zestiende eeuw een voetboogschutterij, die in 1545 circa vijftig leden telde. In oorlogstijd stond deze paramilitaire organisatie de stedelijke milities bij. Het driehoekig pleintje, waar de vogelstaf of schuttersboom stond opgesteld, leidde naar de Gebrandestraet in Kuringen. De schutters oefenden zich in de kunst om het eerst de vogel of papegaai neer te halen. De vereniging beschikte ter plaatse over een paviljoentje, het schuttersraam, waar zij zich bij ontij konden schuilen en waar ze hun materiaal konden opbergen. Seijpsbeek (de)

Beekje in Runxt dat van bij het Kermisveldje naar het “Groot Stuck” bij de

787, 789, 801, 802

Runxterstraet op de limieten met Kuringen vloeide. Het Middelnederlandse “sijpe”, afgeleid van “sipe” (druppelen, zijpelen) betekent een greppel of een smal slootje. Seijpsbeek (de)

Grachtje langs het pad dat de Brouckmolen verbindt met de Wijerstraet.

1194

Sengelbeeck,

Gehucht in het zuid-oosten van Hasselt bezijden de baan naar Maastricht tussen de

1637, 1646, 1647, 1648, 1649,

Singelbeeck

Singelbeekstraet en het Keyselvoetpad.

1694, 1695, 1696, 1728, 1729, 1730, 1732, 1733, 1735, 1736, 1737, 1738, 1739, 1740, 1742, 1743, 1744, 1766, 1767, 1769, 1770, 1771, 1772, 1774, 1778, 1793, 1794, 1811


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

99

Sengelbeeckstraete,

Verbindingsweg tussen de Maestrichterbaen en de Rapertingenstraet.

1646,1654, 1657, 1658, 1659,

Singelbeeckstraete,

De Singelbeekstraet ontleende vreemd genoeg haar naam niet aan een plaatse-

1697, 1698, 1699, 1700, 1701,

Singelbeekstraet

lijke beek, maar aan de weg die leidde naar Singelbeek, een gehucht dat onder

1730, 1732, 1737, 1738, 1739,

Rapertingen ressorteerde.

1764, 1765, 1766, 1768, 1770,

Het Middelnederlandse “singel” heeft de betekenis van “grens van het grondgebied,

1771, 1772, 1773, 1775, 1776,

grenslijn, weg om de stad”. Het cirkelvormig circuit van deze straat is wellicht niet

1777, 1779, 1780, 1781, 1792,

vreemd aan deze naamgeving.

1794, 1811

Deze verbinding tussen de Casterstraat en de Singelbeekstraat loopt doorheen het

1574, 1579, 1580, 1582, 1587,

Natveld. Een restant van dit voetpad dat uitgeeft achter de appartementsgebouwen

1590, 1591, 1600, 1601, 1602

Singelbeekvoetpad

van het Katharinaplein is nog altijd bewaard. Sevenroedesteeg,

Zijsteegje van de Winthalmsteeg.

Sevenroedestege

Samenstellingen met oppervlaktematen en lengtematen zijn altijd benaderende

655, 656, 657, 658

waarden. Siegersveldt

Veld gelegen tegen het Schotteveld bij de limieten van Sint-Lambrechts-Herk. Deze

230, 283, 286, 287, 288, 290

veldnaam is afgeleid van de familienaam van een van de vroegere eigenaars. Siegersveldsteeg

Steegje dat de Trekschurenstraet verbindt met de limiet van Sint-Lambrechts-Herk.

Slaghmolen, Slachmolen, De slagmolen lag in de Trichterheide dichtbij de Gebanne Groesen. Slagmolen

289, 293 2381, 2382, 2387

Een slagmolen of een oliemolen is een molen waar olie (smout) uit lijn-, raap- of koolzaad werd geslagen. Vooral raap- en lijnzaad werden als grondstoffen gebruikt. De slagmolen werd in beweging gebracht door water dat stuwde langs de onderkant of tegen het bovenste deel van het rad.

Slachmolenbeke,

Zijarm van de Zusterkloosterbeek. De Slagmolenbeek verzekerde de werking van de 2210, 2211, 2213, 2214, 2385,

Slagmolenbeek

slagmolen.

2387

Slicksteen

Restant van de vroegere stadswallen tegenover de ingang van de Boomkensstraat.

997, 998, 999, 1000, 1001, 1002,

De Slicksteen of Mariatoren was een van de veertien torens waarmee de stad tot

1003, 1004

in de helft van de negentiende eeuw omwald was. Volgens Mantelius werd de Slicksteen in het begin van de zeventiende eeuw gebouwd met de gelden die de verkoop van het bijhuis van de lakenmakers in Antwerpen had opgebracht. Deze forse hoektoren was voorzien van een uitkijkpost vanwaar de wachter een uitzicht had over de Vuilbeek, Runxt en de Boomkensstraat. Het onderste gedeelte van de toren bleef na de sloping van de stadsmuren in 1846 behouden, tot grote ergernis van de Hasselaren, die aan de ruïnes van de toren hekelend de naam Ezelsberg gaven. Omdat er bij de bouw van dit bolwerk meer stenen verwerkt werden dan in de overige vestingtorens, had de volksmond het over de “slicksteen”. Uiteindelijk werd in 1848 de Ezelsberg geruimd. Sloothof

Hoeve en veld gelegen in de Singelbeekstraat tegenover de Sint-Jansbeek. De oor-

1766, 1767, 1768, 1769, 1775

sprong van de naam van dit hoevecomplex bij de Kroonwinning ligt in de “sloot” die er langs stroomt, in casu de Sint-Jansbeek. Sluys (de Afgebrande-),

Winning en aangrenzende percelen gelegen in de Wolfkestraat waarop een sluis aan 2143, 2144, 2145, 2146

Sluis, Sluijs

de Nieuwe Demer had gestaan. Het kwestieuze sluiscomplex moest het waterdebiet van de Nieuwe Demer regelen.


100

Smeirmaese (passagie

De “smeermaas” was een moerasachtige site langs de baan naar Maaseik, waar

1409, 1415, 1416, 1436, 1437,

naer de -)

zich de toegang tot het heidegebied bevond.

1438, 1439, 1440, 2424, 2425,

“Smeer” is hier gebruikt in de betekenis van “vuil”.

2429, 2430, 2431, 2435, 2436,

“Maas” is een variant van het Middelnederlandse “mos”, een aanduiding voor de

2442, 2443, 2448, 2449, 2452,

aanwezighied van een poel of van moerassige grond.

2453, 2454

Weide gelegen bij de Brugbeemden aan de Oude Demer.

2227

Sondaghs bempdeken

De etymologie van het eerste lid van dit toponiem verwijst waarschijnlijk naar de familienaam van een zekere Sondaghs die eigenaar van de beemd was. Speelhof (de)

Vermoedelijk was “de speelhof” een speelterrein, een omheinde ruimte die de gele-

1811, 2422

genheid bood om aan openluchtspelen te doen. De speelhof was het oefenplein waar de voetboogschutters zich kwamen oefenen in het schieten-op-lange-afstand. Verdere attestaties hieromtrent ontbreken, zodat wij niet durven vooropstellen dat in dit deel van de heide ooit een oefenterrein lag. In het complex van de Scherpesteenwinning was ook een Speelhof uitgespaard. Wellicht was het een perceel waar de bewoners zich terugtrokken om zich te ontspannen. Spilvoijekuilen (de)

Moerassen gelegen op de Trichterheide onder de “Gebanne Groesen”.

2360, 2361, 2362, 2369, 2371

De Spilvoijekuilen waren moerassen, die in het verleden gedempt werden en vandaag niet meer zichtbaar zijn. Het kernwoord “kuil” is een aanduiding dat er vroeger waterkuilen op deze plaats gelegen waren. “Voie” is een Middelnederlands uit het Frans afgeleid woord met de betekenis van “pad, omgang”. “Spil” beschrijft een vorm met een scherpe punt. Het wegeltje rondom dit moeras liep uit in een puntvorm. Spilvoeijeplack

Percelen land gelegen bij de Spilvoijekuilen. “Plak” is een gangbare benaming voor

2369, 2370, 2371, 2372, 2373

een perceel land. Stadts Blijckhoff

Bleekweide tussen de Wijerstraat en de stadspromenade.

1182, 1183

De stadsbleekhof was een wijdse vlakte tussen de “bierethoren” (ter hoogte van de huidige Manteliusstraat) en het Kattegat. Naast dat bleekplein was er ook een washuis voorzien. Op 18 april 1495 schonk de stadsmagistraat aan de de voller Henrick Bonen een stuk grond achter de windmolen van de Reddelberg, op voorwaarde dat hij er ramen zou opstellen voor het drogen van lakenweefsels. Naast dit perceel lag de “stadtsbleyck” met washuis en woning. Stadtsbosch

Synoniem voor de Nieuwe Heijde.

2308

Stadtsomvaert

Circummeatus buiten de wallen tussen de Maastrichterpoort en de Luikerpoort.

1056, 1057, 1059, 1061, 1065, 1066, 1067, 1068, 1069, 1070, 1071

Stalmansbrugge,

Brug over de Nieuwe Demer in de Willekensmolenstraat aan de overzijde van de

1120, 1121, 1526, 1527, 1531,

Stallmans brugge

watertoren.

1532, 1533, 1534

Steenhovenweijde

Weide gelegen in de Gaarveldsteeg. Het is niet geweten of op deze plaats ooit brik-

573

ken gebakken werden. Stenartscapelleke, Stenarts Capelleken

Beter bekend als het Voddekapelleke aan de Luikersteenweg.

249


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Stichelen (de Seven-)

101

Enkele velden gelegen naast de “Vier Bunder” aan de Oude Luijckerbaen, begrepen

327, 328, 329, 330, 1611, 1615,

tussen de Casterstraet en de Twee Kruisen.

1616, 1617, 1618, 1619, 1620,

Een stichel is een laag muurtje van zowat twee voet hoog. Wellicht gaat het hier om

1621, 1622, 1623, 1624, 1628

een aarden berm die de toegang tot de landerijen moest verhinderen of om een trapje in een weidedoorgang dat het vee belette om uit te breken en tegelijk de mensen doorgang verschafte. Later werd het systeem meestal vervangen door een molentje. In het Hasselts dialect is een stichel een vierarmige vertikale dwarspaal om een erf, een weide of een veld af te sluiten voor het loslopend vee. Stil Hoofken (het-)

Blook gelegen bij het Rapertingenplein.

129

Streep (de)

Gronden gelegen langs de Maestrichterbaen en de Wolfkestraete.

2061, 2062, 2063, 2064, 2065,

“Streep” is een frekwent voorkomend toponiem voor een lange smalle strook land.

2066, 2067, 2068, 2069

Als dusdanig gaat het om een benoeming naar de vorm. Het land komt voor als een samenraapsel van langwerpige enge perceeltjes. Stuck (het)

Een aantal akkers gelegen tussen de Tomstraat en de Melbeekstraat. In het topo-

119, 120, 121, 122, 123, 130, 131,

niem “Het Stuck” leeft de herinnering voort aan een vroeger bos van hoogstammig

132, 133, 134, 135, 136, 138

hout of aan boomstronken (=stok), die bij het roden zijn blijven staan. Stuck (het Groot-)

Een aantal velden gelegen naast het Runkster Hoogveld.

739, 740, 741, 742, 743, 744, 781, 787

Stuckstege (Groot-)

Steeg gelegen bij het “Groot Stuck”, die aansloot bij de Runxterstraet.

692, 780, 781, 782, 783

Stuijver (den Lesten-)

Kroegje gelegen aan de Kempische steenweg vóór het oud kerkhof.

De onverwachte samenvoeging van twee ongewone elementen in een huisnaam lokt een glimlach bij de voorbijganger uit. In die zin is het opschrift “In den Lesten Stuijver” een uitdaging voor de kroegbezoeker, die alvorens de stad te verlaten, zijn laatste duit verbraste in een kroegje buiten de stadspoort. Deze herberg floreerde van de zestiende tot in de achttiende eeuw. Susterenbamp, Susteren

Beemd gelegen achter de “Toest” bij de Rapertingenstraat.

1820, 1821

bempdekens Susterenclooster

Wijngaard, eigendom van het Sint-Catharinadal, gelegen tussen de Veltmansbrug en 1151

wijngard

de stadswal (omgeving Wijngaardstraat).

Susterenclooster

Weiden besloten tussen de Oude Demer, de Kemperbaen en de Padestraet.

1470, 1474, 1475, 1476, 1477,

Haeghbrouck

Het “Haagbroek” was een moerasachtig hooiland ingesloten door houtwas. Het

1478, 1479

broek was eigendom van het franciscanessenklooster van Sint-Catharinadal, dat in dit kwartier van de stad over meerdere eigendommen beschikte. Susterenvierbonder

Land gelegen op de “Vierbonder” in Singelbeek tussen de Casterstraet en de

1610, 1611, 1612, 1613, 1614,

Rapertingenstraet.

1625, 1626, 1631

De Susterenvierbonder, genaamd naar het klooster van het Sint-Catharinadal in Hasselt, was een ruime akker gelegen op de Vierbonder. Susterenvijver

Vijver gelegen tegen de oude Genckerbaen, van waaruit een klein riviertje de weiden 2388, 2389 van de Elsracken bevoorraadde.


102

Sustercloosterbeek

De belangrijkste collector van het water afkomstig uit de bossen van Bokrijk.

De beek doorsneed de Genkerbaen, bevoorraadde de Spilvoijekuylen en de Slagmolenbeek en wierp zich uiteindelijk in de Oude Demer ter hoogte van de “princen auden bampt”. Susterencloostervijvers

Reeks aan mekaar sluitende vijvers gelegen aan de Rapertingenstraet nabij de

1811, 1812, 1813, 1814, 1815,

Scherpesteenwinning.

1816, 1817

Deze vijvers werden aldus genoemd omdat de franciscanessen van het klooster van het Sint-Catharinadal binnen Hasselt er eigenaar van waren. Susterenveldt

Blook gelegen bij de “Twee Kruisen” aan de Luijckerbaen, aldus genoemd naar de

263, 264, 265, 266, 1625, 1626

witte nonnen van het Catharinadal in de stad, die eigenaars waren van de gronden. Swaluwestert

De “Swaluwstert” was een akker gelegen op het punt waar de Oude Demer en de

1304, 1332

Nieuwe Demer samenvloeien naast het huidige kanaal. De volksetymologie heette het veld “zwaluwstaart”, een schilderachtige benaming naar analogie met de vorm van de staart van het kwikke vogeltje. Swaluwestertbrugge

Brug over de Nieuwe Demer gelegen aan de Breestraet.

1307, 1308, 1309, 1310

Swertvenne

Vijver gelegen midden in de Gemeene Heide boven het Schrijnbroeck tussen de

2468, 2469

Putvenne en de baan naar Genk. De benaming “swertven”, nog bewaard in de Zwartvennestraat, die de Putvennestraat verbindt met de Zavelvennestraat, is een volksetymologische vervorming van “swette” (=grens). Dit ven lag vrijwel tegen de grens met Zonhoven. “Zwart” zou ook op de donkere kleur van het venwater kunnen wijzen. Swertveldt

Weide gelegen tussen de Swimeleresteeg en de Sevenroedesteeg in Runxt.

658, 659

“Swert” is een volksetymologische vervorming van “swette”, waarmee een grensscheiding wordt aangegeven. Deze interpretatie is overeenkomstig de ligging van de site weinig aannemelijk. Veeleer verwijst dit toponiem naar een afleiding van “swaerde”. In deze zin verwijst het naambepalend deel naar een met gras begroeid veld, een grasland. Swimelerestege,

Steeg gelegen aan het “Runxter Hoogveld” tussen Runxt en Dormael. Zij vormt de

652, 654, 659, 660, 669, 679,

Swimelereveldt

verbinding tussen de Winthalmsteeg en de Groot Stucksteeg.

680, 681, 682, 683, 684, 685,

Het Middelnederlandse “swimel” is een synoniem voor “draaierigheid”. Wellicht kreeg 686, 687, 695, 696, 697, 698,

Tesse, Tesch (de)

de steeg deze naam omwille van haar vele kleine bochten en draaien.

736, 740, 741

Akkerland gelegen aan de Luijckerbaen tussen het beginpunt van de Groenstraete

401, 406, 407, 408, 409

en het wegje dat leidde naar het “Plaaster” (huidige Bloemenstraat). Een etymologische verklaring van de volksbenaming tes(ch) in de zin van een buidel of een zak lijkt ons niet aangewezen. Mogelijk moet de betekenis gezocht worden in het dialectale “tjes”, verwant aan het Waalse “tièsse” (hoofd). Het terrein langsheen de Luikersteenweg is gelegen op het hoofd van de gronden die zich uitstrekken tot aan de Helbeemden en tot aan het Hefveld. De overweging of dit toponiem afgeleid is van de voornaam Eustachius, vanwaar de familienamen Stessens en Tessens afstammen, vindt geen genoegzaam bewijs in de namen van de eigenaars van de gronden ad locum.


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

103

Teutelweijrken,

Percelen gelegen op de Trichterbaen tegenover de ingang van de Casterstraet

1087, 1098, 1099, 1100, 1566,

Teutelvijverken (het)

(thans begin van de Bosstraat) tot aan de ingang van de Weggestraet.

1569, 1570, 1571

Het Teutelwijerke was een kleine weide - voordien een vijvertje - gelegen bij het begin van de Bosstraet. Het dialectale “teutel”, afgeleid van het Middelnederlandse “toot”, is een spits toelopend uiteinde. Het hier besproken perceel vertoont inderdaad nog altijd een spitse vorm. Thienen (Jan van-)

Duifhuis met winning gelegen aan de Luijckerbaen, ter hoogte van het voetpad dat

247

leidt naar de Trekschuerenstraet aan de Ekkelgarden. Op deze plaats stond een alleenstaande duiventil. Duifhuis en aanhorigheden werden genoemd naar een van de eigenaars. Thijspoel (den)

Poel gelegen links van de Kuringerbaen tegenover de Melkvoetsteeg. Links bij de

976

aanvang van de steenweg bevond zich jarenlang een waterpoel, vermoedelijk genoemd naar de eigenaar van een van de belendende percelen, een zekere Thijs (=Matthias). Thoele(n) stege

Tichelrije (de)

Verbindingssteeg tussen de Dormaelstraet en de Winthalmsteeg. “Thoelesteeg” is

606, 607, 614, 615, 616, 619,

afgeleid van een persoonsnaam. In 1520 woonde een zekere Jan Thoelen op Hilst.

620, 662, 663, 665

Plaatsnaam gelegen bij de “Twee Kruijsen” aan de Oude Luijckerbaen.

264, 265, 325, 326

Het toponiem “Tichelrij” verwijst naar een site waar brikken en tegels gebakken werden. Tilensweide

Weide gelegen tussen de Trekschuerenstraet en de limiet met Sint-Lambrechts-

232

Herk. Het patroniem Ti(e)lens is een afleiding van Tiel, een vleinaam van Diederik. Toeist (de) (Klijn)

Akkerlanden gelegen aan de Luijckerbaen in de omgeving van de Toeststraat.

1802, 1803, 1804, 1815, 1816,

Waarschijnlijk een dialectale aanpassing van het Middelnederlandse “doest” in de

1817, 1818, 1819, 1820, 1824,

betekenis van “spelt”.

1825, 1826, 1827, 1828, 1829, 1830, 1831, 1832, 1833, 1834, 1835, 1836, 1837, 1838, 1839, 1840, 1841, 1843, 1844

Tommeke (het)

Akkerlanden gelegen aan het “Tommeke” tegen de Dormael Breestraet en de

716, 835, 836, 837, 838, 839,

Breemstraet.

840, 841

Wij kunnen ons bezwaarlijk voorstellen dat er ooit op het “Tommeke” een begraafplaats werd aangelegd. Het toponiem zal klaarblijkelijk zijn oorsprong vinden in een heuvelrugvormige verheffing die de vroegere eigenaars deed denken aan een grafheuvel. Tommen

Verwijst naar de vijf tommen (tomben=begraafplaatsen) bij de Savegardvijvers.

2473

Tomstraete

Straat langs de oostzijde van Rapertingen die de grens vormt met Diepenbeek. De

97, 98, 99, 100, 105, 107, 114,

Hasseltse Tomstraat ligt in het verlengde van de Tomstraat in Diepenbeek, waarvan

117, 118, 119, 120, 121, 124, 125,

ze een uitloper is. De Tomstraat in Diepenbeek ontleent haar naam aan het “tom-

126, 127, 1855, 1856, 1857, 1858,

beveld” tegen de autosnelweg Antwerpen-Luik, een prehistorische begraafplaats of

1859

cultusplaats waar een veld van megalieten werd opgegraven.


104

Trekschueren

Dit randgebied strekt zich uit tussen de Luijckerbaen vanaf Henegouw tot aan de

156, 157, 158, 192, 205, 206,

Groenstraat, de limieten met Sint-Lambrechts-Herk en de Trekschuerenstraet tot

239, 285, 368, 369, 370, 371,

aan de Truijerbaen.

372, 374, 467, 469, 472, 474, 476,

Dit toponiem is ontstaan uit de samentrekking van de oudere plaatsaanduiding “ter

478

eycke schueren�. Trekschuerenplijn

Driehoekig plein aan de Luijckerbaen bij de ingang van de Trekschuerenstraet.

143, 153, 159

Trekschuerestraete

Verbindingsstraat tussen de Luijckerbaene en de Truijerbaene.

153, 154, 155, 156, 158, 193, 207, 209, 210, 213, 214, 215, 216, 234, 235, 236, 237, 239, 240, 241, 242, 243, 244, 252, 253, 282, 283, 284, 286, 287, 293, 294, 366, 368, 369, 370, 373, 374, 375, 466, 469, 472, 473, 474, 475, 476, 477

Treckschuereveldt,

Uitgestrekt veld dat besloten ligt tussen de Luijckerbaen en de Trekschuerenstraet.

162, 163, 164, 165, 166, 168,

Treckschueren veldt

Midden door het veld loopt een voetpad dat beide wegen verbindt.

169, 170, 171, 172, 173, 174, 175, 176, 177, 178, 179, 180, 181, 182, 183, 184, 185, 186, 187, 188, 189, 190, 191,192, 193, 194, 195, 196, 197, 198, 199, 200, 201, 202, 203, 204, 206, 244

Trichterbaen

Heerweg naar Maestricht, Maestrichterbaen.

1087, 1088, 1089, 1090, 1091, 1093, 1095, 1096, 1097, 1098, 1099, 1100, 1544, 1552, 1553, 1554, 1555, 1556, 1557, 1561, 1562, 1563, 1567, 1569, 1570, 1571, 1656, 1659, 1660, 1661, 1662, 1663, 1664, 1665, 1666, 1667, 1668, 1669, 1670, 1676, 1677, 1678, 1716, 2015, 2016, 2062, 2067, 2068, 2069, 2070, 2071, 2073, 2074, 2081, 2082, 2084, 2085, 2093, 2094, 2095, 2096, 2097, 2098, 2101


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Trichterheide (de)

105

Heidegebied dat zich uitstrekte vanaf de baan naar Genk tot aan de twee Demers.

1446, 1447, 1448, 1449, 1450,

De Trichterheide vormde een uitgestrekte zone ten noorden van de Oude Demer.

1451, 1452, 1453, 1454, 1455,

Binnen deze oppervlakte lagen een deel van de Galgestraet, de vloetgracht die

1456, 1457, 1458, 1459, 1480,

vanuit de Galgestraet naar de Oude Demer loopt, het Bouteveld, een deel van de

1481, 1482, 1483, 1484, 1485,

Padestraet, de uitloper van de Willekensmolenstraet en de slagmolen tot onder het

1486, 1487, 1488, 1489, 1490,

Vissenbrouck besloten.

1491, 1492, 1493, 1494, 1495, 2199, 2200, 2201, 2205, 2206, 2207, 2208, 2209, 2210, 2211, 2212, 2213, 2214, 2215, 2216, 2217, 2218, 2226, 2371, 2372, 2373, 2374, 2377, 2378, 2379, 2380, 2381, 2382, 2383, 2384, 2385, 2386, 2387, 2388, 2390, 2391, 2392, 2393, 2394, 2395, 2396, 2397, 2398, 2399, 2403, 2404, 2405, 2406, 2407, 2415, 2416, 2417, 2418

Trichterpoorte

Stadspoort gelegen bij het beginpunt van de heerbaan naar Maastricht.

1050, 1051, 1071, 1073, 1074, 1075, 1076, 1077, 1078, 1079, 1080, 1081, 1082, 1083, 1084, 1085, 1086, 1087, 1088, 1089, 1090, 1091, 1092, 1093, 1094, 1095, 1096, 1097, 1098, 1099, 1102, 1103, 1105, 1106, 1107, 1108, 1109, 1110, 1128, 1129, 1130, 1131, 1132, 1133, 1140, 1520, 1522, 1523, 1525, 1526, 1527, 1528, 1529, 1530, 1531, 1532, 1533

Trichterveldt

Percelen gelegen langs de “Halven Wegh” tegenover en langs de ingang van het

667, 941, 942, 944, 950

Dormaelpadt en de Dormaelstraet tegen het Capermolenveld en tegenover het Schavelierenveldje. Een naaminterpretatie in de zin van een trechtervormig land lijkt voor de hand te liggen. Trichtervoetwegh

= Diepenbekerpad

1049

Truijer baene (Sint-),

Vroegere heerbaan naar Sint-Truiden. Was het verlengde van de Truijersteenweg

431, 432, 433, 437, 438, 451,

Truijerbaene

vanaf de “Kleine Linde”.

452, 453, 454, 455, 456, 459, 460, 461, 462, 491, 492, 493, 494, 497, 515, 516, 517, 518, 519, 520, 522, 523, 524, 525, 526, 528, 529, 530, 531, 532, 533, 534, 535, 536, 546

Truijerpoorte (Sint-)

Stadspoort gelegen bij het beginpunt van de steenweg naar Sint-Truiden.

1003, 1004, 1005, 1006, 1007, 1008, 1009, 1010, 1012, 1013, 1014, 1015, 1016, 1017, 1018, 1019, 1022, 1023, 1024, 1025, 1026, 1027, 1028, 1029, 1032, 1035, 1060


106

Truijersteenwegh (Sint-)

Het eerste stuk van de heerbaan naar Sint-Truiden vanaf de Truijerpoort tot aan de

409, 410, 411, 412, 413, 414, 415,

“Kleine Linde”.

416, 417, 418, 419, 420, 421, 423, 425, 426, 429, 545, 547, 548, 549, 550, 551, 552, 553, 554, 558, 559, 1007, 1008, 1009, 1010

Uijl (den)

Velden gelegen tussen de Singelbeekstraet en het Keyselvoetpad.

1694, 1695, 1699, 1700, 1701,

Het adjectief “vuil”, dat gesubstantiveerd werd tot “uil”, zinspeelt op een natte bo-

1702

demgesteldheid en alluviale grond. De volksetymologie associeerde het toponiem met de naam van de roofvogel. Uijlestege (de)

Zijsteeg van de Trekschuerenstraet op de limiet met Sint-Lambrechts-Herk. Deze

291, 292, 293

steeg wordt ook wel “vuursteeg” geheten. Velden (de Drij-), Velden

Blook- en akkerlanden gelegen aan de Runxterstraet en aan de Dormaelbreestraet

828, 829, 830, 831, 832, 833,

(Dry-), Veldtiens (Drij-),

bij de limieten met Kuringen.

834, 835, 836, 842, 847, 848,

Velden (Drij-)

“Veld” was in de Middeleeuwen het algemeen gebruikte woord voor onbebouw-

849, 850, 851

de grond. Bij het in kultuur brengen van delen uit een veld in de late Middeleeuwen kreeg het woord de sekundaire betekenis van een perceel akkerland. Hieruit ontstond een lange lijst veldtoponiemen, meestal samenstellingen. Het bestanddeel “drie” wijst op een aanvankelijke verkaveling in drie velden. De huidige Veldstraat ontleent haar naam aan dit toponiem. Veldtmans (Veltmans)

Brug over de Nieuwe Demer ter hoogte van de Kapermolenstraat en de Vilstraat.

brugge

1125, 1126, 1127, 1128, 1129, 1130, 1146, 1147, 1148, 1149, 1519, 1522, 1526

Vergadering (de)

Het punt waar de Oude en de Nieuwe Demer bij het kanaal samenvloeien werd in de 1332 volksmond ook wel “de vergadering” geheten.

Vierbonder, Vier bonder

Uitgestrekt veld besloten door de Planckeweide, de Casterstraet, het

1046, 1591, 1592, 1593, 1594,

Singelbeekvoetpad, de Singelbeekstraet en de Rapertingenstraet.

1595, 1596, 1597, 1598, 1599,

De huidige Vierbunderstraat, gelegen achter de spoorlijn Hasselt-Tongeren, herinnert 1606, 1607, 1608, 1609, 1610,

Vissebroucken

aan dit oude toponiem.

1611, 1630, 1631, 1632, 1633,

“Vierbonder” is een verwijzing naar de grootte van het oorspronkelijke perceel. De

1634, 1635, 1636, 1638, 1639,

Hasseltse bunder stond gelijk met 87,1884 aren.

1640

Broek en weidegronden besloten tussen de Quaebrug, de Platte vijvers, de

2218, 2219, 2220, 2221, 2222,

Borggraafvijver en de Gebanne Groesen.

2235, 2236, 2338, 2340, 2346,

Het “Vissenbroek” vormde de verbinding tussen de Borggravevijvers met de

2347, 2348, 2351, 2352, 2353,

graslanden naast de Oude Demer. Het broek was gelegen langsheen de vloetgracht 2354, 2355, 2356, 2357, 2358, die vanuit de Borggravevijvers naar de Oude Demer stroomde op een strook tussen

2359, 2360, 2362, 2363, 2364,

de Spilvoijekuijlen en de Platte vijvers. In 1438 werd de plaats gelokaliseerd “int vis-

2365, 2366, 2367, 2368, 2374,

senbroeke” en vanaf 1952 wordt het toponiem bewaard in de Vissenbroekstraat.

2375, 2376, 2377

“Broek” wijst op de bodemgesteldheid, meestal een ontwaterd hooiland of een beemd. Het element “vissen” verwijst naar een vroege aanwezigheid van voormalige viskuilen. De wijers werden later gedempt, maar het kwalificatief bestanddeel ging over naar het weiland. Vijverstratie(n)

Viller Mosa, Villermosa

= Wijerstraat

1176, 1178, 1179, 1180, 1181,

De Wijerstraat, vroeger het “vijverstratie” geheten, dankt haar naam aan de aanwe-

1182, 1184, 1185, 1186, 1187,

zigheid van de poel die bij de Broukmolen lag. Wijer, een dubbelvorm van vijver, is

1188, 1189, 1190, 1191, 1192,

ontleend aan het Latijnse “vivarium” dat visvijver betekent.

1193, 1194

Hoeve gelegen aan de Weggestraet.

1115, 1549


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

107

Villstraete, Vilstraete,

Verbinding van de Gaarveldstraat met de Groenstraat, thans Fonteinstraat.

557, 559, 560, 561, 562, 563,

Vilstraet

Deze straatnaam herinnert aan de plaats waar krengen van paarden en ander vee

564, 1003, 1004, 1005, 1009,

gevild werden. Toen op deze plaats in 1851 een artesische put geboord werd om

1010

de buurt en het station van (drink) water te voorzien, werd de naam gewijzigd in Fonteinstraat. Vilstraat (de Kempische-)

Verbindingsweg van de Kemperbaen naar de Veltmansbrug.

1149, 1152, 1153, 1155, 1157,

De huidige Vilderstraat, vroeger Kempische Vilstraet, was zoals haar homoniem in

1511, 1512, 1513, 1514, 1516,

Runxt een plaats waar krengen van vee gevild werden. Om begrijpelijke hygiënische

1517, 1518, 1519, 1521, 1522

redenen verrichtten de vilders hun werk buiten de rand van de wallen. voetpadt van Stevort naer Voetpad op de limieten met Kuringen dat liep van bij het Runkster Hoogveld door-

737, 762, 765, 766, 767, 768,

Hasselt

heen het Nieuwland.

769, 770

Vogelstaf

Houten staak bij de ingang van de huidige Paalsteenstraat, waar de schutterij zich

1388, 1389, 1390

ging oefenen in het afschieten van de vogel. Vollmolen

Verdwenen molen op de plaats waar de Ertbeek uitmondde in de Nieuwe Demer te-

1180, 1181

genover het Kattegat. Volmolenkolk

De kwestieuze kolk was een uitdieping, ontstaan op het punt van de samenvloeiing

1181

van de Ertbeek en de Nieuwe Demer. Op deze plaats stond een tijdlang een gewezen volmolen. Voogdij (de)
Vochdije

Hoeve en akkerland in Trekschuren, gelegen tussen de Trekschurenstraat, de grens

207, 208, 209, 211, 212, 213, 214,

(de)
Voghdije

met Sint-Lambrechts-Herk en de Voogdijsteeg.

216, 217, 218, 219, 220, 221, 222,

(de)
Voochdije

Deze perceelsnaam verwijst naar enkele akkerlanden die voorheen onder toezicht

223, 224, 225, 226, 227, 228

stonden van de priorij van Henegouw. Voogdijsteeg

Verbindingssteeg tussen de Trekschurenstraat en de grens met

Sint-Lambrechts-Herk. Voren (ter)

Onder de naam “Ter Voren” ressorteren enkele landerijen begrepen tussen de

2103, 2104, 2105, 2106, 2107,

Voorstraet, de Bosstraet en de Nieuwe Demer.

2108, 2109, 2110, 2111, 2112, 2113, 2114, 2115, 2116, 2117, 2118, 2119, 2120, 2121, 2122, 2123

Vo(o)restraete, Voorstraat, Verbindingsstraat tussen de Willekensmolenstraet en de Trichterbaen.

1535, 1536, 1537, 1538, 1539,

Vorestraet

De Voorstraete wordt circa 1350 geciteerd als de “mansio in vorrode”. Taalkundig

1540, 1555, 1556, 2102, 2103,

verwijst deze naam naar een ondiepe doorwaadbare plaats waar men door een ri-

2106, 2110, 2111, 2112, 2113,

vier - in casu de Nieuwe Demer - kon stappen.

2114, 2186, 2187, 2188, 2191

Vossekuilen (de),

Weide gelegen bij het eerste stuk van de Tomstraat.

125, 126

Vossekuijlen,

Het gaat hier om minderwaardig bouwland, waarin kuilen werden uitgegraven om

Vossekuylen

vossen te vangen.

Vossekuilen (de)

Veld gelegen aan de Kuringerbaen tegen het Windmolenveld tegenover de ingang van de Boekstraet. “Kuilen” verwijst naar een laagliggend land. Het is vooralsnog niet meer te achterhalen of op deze plek ooit vossen hun leger hielden dan wel of het attributief “vos” hier een afleiding is van het dialectale woord voor “kikvors”. Een derde mogelijkheid is dat het toponiem zijn oorsprong vindt in de familienaam Vos.

1212


108

Vosserveldt,

Veld gelegen in Singelbeek tussen de Sint-Jansbeek en de Scherpesteenwinning.

1794, 1795, 1797, 1804, 1805,

Vosserveltien,

De etymologie van deze plaatsnaam verwijst naar met houtwas begroeide gronden,

1806, 1807, 1808, 1809, 1810

Vosserveldje

waar in het verleden vossen hun leger vonden. Een andere interpretatie kan gezocht worden in de aanwezigheid van gaspeldoorn (vos=vors, Engels furse).

Vosserveldtstege

Steeg bij het Vosserveldt in Rapertingen tussen de Rapertingenstraat en de palen

1861

van Diepenbeek. Klein smal steegje dat vanuit de Rapertingenstraat in de richting van de Galgebeek liep. Vuerstege

Andere benaming voor de Uijlestege.

291, 292, 293, 478, 479, 480

Het naambepalend lid van “vuursteeg” is een verwijzing naar een perceel dat afgebrand werd om de grond voor akkerland vruchtbaar te maken en een grensafbakening met een aangrenzende gemeente in een rechte lijn aan te brengen. Wanbeke, Wanbeek (de)

Beek die de natuurlijke scheiding vormt tussen Hasselt en Sint-Lambrechts-Herk.

494, 495, 496, 497, 498, 637,

De Wanbeek ontspringt bij de hoeve van Hilst aan de vroegere baan naar Sint-

638, 639, 640, 649, 650, 747,

Truiden, werpt zich in de Runksterbeek die in Kuringen ontspringt en de voormali-

748, 749, 750, 752, 753, 754,

ge grens vormde tussen Hasselt en Kuringen en tenslotte uitmondt in Stevoort in de

755, 758, 759, 762, 763, 764

Herk. Etymologisch is een “wan” een beek met weinig water. Weggestraete,

Deze straat dankt haar naam aan de wigvormige (“wegge, wigge”) uitloper

1100, 1101, 1115, 1116, 1117,

Weggestraet

van de belendende percelen ter hoogte van de plaats waar zij aansluit bij de

1119, 1533, 1534, 1535, 1546,

Willekensmolenstraat.

1548, 1549, 1550, 1551, 1552,

Ingevolge woordverbastering en - verwarring werd de naam vanaf 1825 omgevormd

1566

tot Muggenstraat. Weijbampstege,

Steegje tussen de twee Demers langsheen de Weijbeemden, uitgevend op de

2181, 2182, 2183, 2184, 2185,

Weijbeemdsteeg,

Willekensmolensteeg.

2191, 2192, 2193, 2194, 2195

Weijbempden, Weijde

De Weijbeemden of Weijdebeemden zijn een verzamelnaam van een twintig-

2153, 2154, 2169, 2170, 2171,

bempden (de)

tal beemden die zich uitstrekten bij de linkeroever van de Oude Demer tussen de

2172, 2173, 2174, 2175, 2176,

Biessemsteeg en de uitloper van de Weijbeemdsteeg.

2177, 2178, 2179, 2180, 2181,

Weijbampsteeg

Het eerste lid van deze samenstelling, afgeleid van het Middelnederlandse “wide, wij- 2182, 2183, 2195, 2197, 2204 de”, verwijst naar een begroeiing met teenwilg of waterwilg. Willekensmolen

De Willekensmolen was een watermolen gelegen op de Oude Demer.

1107, 1108, 1109, 1110, 1111,

De Willekensmolen werd in het begin van de zestiende eeuw gebouwd als volmolen. 1112, 1120, 1121, 1122, 1123, Bij de teloorgang van de lakenindustrie op het eind van de zestiende eeuw werd ze

1124, 1128, 1130, 1131, 1499,

omgebouwd tot schorsmolen. Vanaf dan werd er schors gemalen voor leerlooierijen. 1500, 1501, 1502, 1529, 1530, Waarschijnlijk werd ze afgebroken na 1841.

1531, 2190, 2191, 2192, 2193,

“Willeken” is een patroniem afgeleid van “wille” (= Wilhelm).

2196, 2197, 2198, 2199, 2202, 2203

Willekensmole(n)straet

De oude verbindingsstraat tussen de Trichterbaen, via de Trichterheide, naar Bokrijk. 1092, 1094, 1107, 1108, 1109, De volksmond spreekt in dit geval over de Grote Steeg.

1110, 1111, 1112, 1120, 1121, 1122, 1123, 1124, 1128, 1130, 1131, 1492, 1493, 1496, 1497, 1498, 1499, 1500, 1516, 1529, 1530, 2189, 2190, 2192, 2196, 2197, 2198, 2199, 2209

Wimmertingen

Vroeger autonome gemeente ten zuiden van Hasselt.

12, 38


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Winterbeek, Winterbeke

Vloetgracht die door de Helbeemden stroomt.

109

359, 360, 374, 378, 379, 382, 387, 388, 395, 399, 402

Winthalm

Winning gelegen aan de Winthalmsteeg.

620, 622, 623, 624, 625, 626,

De hoeve was een landbouwbedrijf met aanhorige eigendommen. Deze oude be-

627, 628, 629, 630, 631, 632,

naming wordt reeds in 1364 aangetroffen in de oorkonden onder de spellingsvorm

634, 636, 637, 639, 640, 641,

“wenthalm”.

642, 643, 644, 645, 646, 647, 648, 649, 650, 651, 652, 653, 654, 657, 661

Winthalmstege

Steeg die vanuit de Dormaalstraat leidde naar de Winthalmhoeve.

616, 617, 618, 619, 622, 623, 624, 625, 626, 627, 628, 629, 640, 641, 642, 644, 645, 648, 654, 655, 656, 660, 661, 662, 663, 664, 670, 671, 672, 673, 676, 678, 679

Wintmolen

Voormalige windmolen op het Wintmolenveld.

1203, 1204

Wintmolen veldt

Het Windmolenveld lag besloten binnen de oppervlakte omschreven door de

1184, 1185, 1186, 1187, 1188,

Melkvoetweg, het Broek en de Wijerstraet. Op dit veld stond vóór het jaar 1567 een

1189, 1190, 1191, 1192, 1193,

houten windmolen. In welk jaar de molen werd opgericht is niet bekend.

1194, 1195, 1196, 1198, 1199, 1200, 1201, 1202, 1203, 1204, 1205, 1206, 1207, 1208, 1209, 1210, 1211, 1212

Weurffveldt, Wurfeld (het), Bouwland ten noorden van Hilst bij de Wurfeldsteeg gelegen.

498, 499, 500, 501, 502, 503,

Weurfveldt

Het dialectale component “wurf” in de samenstelling werf-veld staat voor bouwlan-

504, 505, 589, 614, 619, 622,

den die begroeid zijn met water- of teenwilg.

624, 631, 632, 633, 634, 635, 636

Weurffeldtstege,

Steegje dat vanuit de Dormaalstraet door het Wurfeld naar Sint-Lambrechts-Herk

505, 506, 507, 508, 599, 610,

Wurfeldsteeg

leidde.

611, 612, 614, 619, 620, 621, 622, 623, 624, 625, 626, 631, 632, 633, 634, 635, 636

Wijerstratie(n), Wijerstraat Verbindingsstraatje tussen de Kuringersteenweg en de Brouckermolen. Werd ook wel het Vijverstraatje geheten.

1176, 1179, 1180, 1181, 1182, 1184, 1185, 1186, 1187, 1188, 1189, 1190, 1191, 1192, 1193, 1194

Weijeren (op de-)

Winning gelegen op de Rapertingenstraat ter hoogte van de Pietelbeekstraat. Deze

1876

plaatsnaam wijst op de vroegere aanwezigheid van een wijer, een vijver of een poel, wat voor de hand liggend is in de nabijheid van de Susterenvijvers. Wijers werden niet enkel als kweekplaats voor vis, maar ook voor turfontginning gebruikt. Wanneer ze drooggelegd waren, werden ze als hooiland geëxploiteerd. Weijenberg

Blook gelegen aan de Castersteeg tegen het Hollandt bij de Rode Berg.

298

De naam “weijenberg” is een aanwijzing voor een hoger gelegen perceel waar tevoren teenwilg groeide. Wijngard, Wijngaard (den) Vlakte aan de huidige Wijngaardstraat die zich uitstrekte tot aan de Veltmansbrug.

1129, 1130, 1131, 1132, 1133,

De “wijngaard” was een uitgestrekt terrein tussen de Kapermolenstraat, de arm van

1134, 1135, 1136, 1137, 1138,

de Nieuwe Demer en de stadswallen.

1139, 1140, 1141, 1142, 1143,

De huidige Wijngaardstraat bewaart de herinnering aan dit veld, waar voorheen de

1144, 1145, 1146, 1147, 1148,

wijngaard gelegen was, die toehoorde aan het klooster van de wittenonnen van het

1151

Sint-Catharinadal.


110

Wolfsteeg, Wolfstege

Zijwegeltje van de Dormaelstraet met vloetgracht die naar de Winthalm leidde.

657, 673, 675, 676, 681, 682,

Vaak hebben de “wolf”-toponiemen betrekking op een grensligging, een uithoek

689, 690, 706, 707, 708, 713

waar vogelvrijverklaarden zich ophielden. In andere gevallen herinnert het toponiem aan een plaats waar ooit rondzwervende wolven werden gevangen genomen. Vooralsnog blijft de juiste toedracht van deze straatnaam in het ongewisse. Wolfske(n)

Wolfke - ook Wolfske en Wolske gespeld - was een uitgestrekt gebied in het zuidelijk 2016, 2022, 2023, 2024, 2025, stadsdeel, dat begrensd werd door de Trichterbaen, de Bosstraet, de Wolfkestraet,

2026, 2027, 2028, 2029, 2030,

de Nieuwe Demer, de Galgebeek en de Weggestraet. Vrijwel de meeste woningen

2031, 2032, 2033, 2034, 2035,

van dit kwartier lagen gegroepeerd in de omgeving van de Wolfkestraat zelf.

2040, 2041, 2047, 2063, 2064,

Vanaf de Trichterbaen loopt de Wolfskestraet in de richting van het gehucht

2065, 2136, 2137, 2138, 2139,

Godsheide, waar zij zich vanaf de brug over de twee Demers aansloot bij de

2140, 2141, 2142, 2144, 2247,

Goetscherstraet.

2252, 2255, 2261

Veel wolf-toponiemen worden teruggevonden bij de grens van een gemeente, wat ook hier het geval is. Er is evenwel geen enkel bewijs dat deze straatnaam etymologisch teruggaat naar een vroegere aanwezigheid van wolfskuilen. Een wolf-toponiem kon in voorkomend geval ook verwijzen naar de verblijfplaats van vogelvrijverklaarden die, eenmaal uit de gemeenschap gesloten, zich ophielden in de uithoeken van de gemeente. De verklaring die zich hier terzake opdringt is wellicht heelwat prozaïscher: “wolf” is een synoniem voor draaikuil (cf. “welven”). Toponiemen samengesteld met “wolf” verwijzen naar een minderwaardig bouwland, een soort driesgrond. In deze kontekst is het niet uitgesloten dat hier ter plaatse ooit kuilen gegraven werden om wolven te vangen. Wolfskestraet,

Deel van de vroegere verbindingsweg tussen Godsheide en Wimmertingen, thans

2016, 2017, 2018, 2019, 2020,

Wolskestraet

Kiezelstraat geheten.

2021, 2033, 2034, 2035, 2036, 2037, 2038, 2039, 2057, 2058, 2061, 2062, 2063, 2064, 2065, 2066, 2067, 2142, 2143, 2144, 2145, 2146

Wolfskeveldt

Veld dat besloten lag tussen de Trichterbaan, de Sint-Jansbeek, de Bosstraet en de

2041, 2042, 2043, 2044, 2045,

Wofskestraet.

2046, 2047, 2048, 2049, 2050, 2051, 2052, 2053, 2054, 2055, 2056, 2057, 2059, 2060, 2061, 2070, 2071, 2072, 2073, 2074, 2075, 2076, 2077, 2078, 2079, 2080, 2081, 2082

Zevenstichelenwinning

Winning gelegen bij de Zeven Stichelen aan het beginpunt van de Rapertingenstraat. 1618, 1619

Zeyps (de)

Verbindingswegje tussen de Lazarijstraat en de Weijerstraat.

1194, 1315, 1316, 1317

De Zeyps was een paadje met een gracht er langs gelegen bij het Brouk (Broukermolen). Het Middelnederlandse “sijpe”, afgeleid van “sipen” (=druppelen, zijpelen) is een greppel of een smalle sloot. Zonhoven (weg naar -)

Andere benaming voor Kempenerbaen.

2422, 2455, 2456, 2462, 2463


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Andere toponiemen komen niet voor in het inventaris van Vanpaesschen. Zij ontstonden wellicht later in de achttiende of in de negentiende eeuw en bleven zich handhaven tot op onze dagen. Niettemin maken zij evenzeer deel uit van het kleurrijke patrimonium van onze plaatsnaamkunde. De hierbij gevoegde lijst is slechts een beperkte greep uit het jargon dat vooral in de eerste helft van de twintigste eeuw door onze voorouders gebezigd werd. aa Bân (de)

De Oude Kuringerbaan.

aa Broekermeele (de)

De Broekermolen die de plaats moest ruimen voor de bouw van de gelatinefabriek.

aa Rut (de)

Bedding van de oude spoorroute die langsheen de grens met Kuringen in de richting van het kanaal loopt.

aâe Barrèjer (den)

Voormalig tolhuis, nadien herberg gelegen op de steenweg van Hasselt naar Luik, een weinig verder dan de huidige singel in de richting van Tongeren.

Baron Joly

Verdwenen kasteeltje op de hoek van de Rapertingenstraat en de Singelbeekstraat.

Barong de Deis (Diest)

Plaats achter de lijmfabriek.

Begèènepoeël (de)

Plaats gelegen aan de Planckeweide/Rodenbachstraat, waar bij overvloedige regenval de Helbeek de omgeving regelmatig onder water zette.

Bêmkes (de)

De Helbeemden, die zich uitstrekten tussen het kerkhof en de spoorweg Hasselt/Sint-Truiden.

Berreg (obbe)

De Sint-Truidersteenweg ter hoogte van het kerkhof.

Bèrregske (het)

Hoger gelegen deel van de Castersteeg bezijden de Sint-Martinuskerk ter hoogte van de Bergstraat.

Bessem Heinke (achter)

De grens met Zonhoven, genaamd naar een van de laatste bezembinders.

Bessemerhee (de)

Noordelijke strook van de Grote Heide grenzend aan Zonhoven, voormalig woongebied van de bessembinders.

Bleek (de)

Grasweide bezijden de oude gevangenis op de Martelarenlaan achter het huis Theunissen, pelouse waar de wasvrouwen tegen betaling het linnen van de burgerij kwamen bleken.

Bleu Kestiêlke (het)

Het blauw kasteeltje van Oosterbos in de Casterwijk op de hoek van de 11-Novemberlaan en de Jan Palfijnlaan.

Bleu Stilkes (de)

Kroegje gelegen bij de aanvang van de Kiezelstraat ter hoogte van de vroegere treinoverweg op de Maastrichtersteenweg.

Blok nummereu twej

Seinhuis aan de vertakking van de spoorlijn Houthalen/Genk, gelegen tussen het kanaal en de Kempische steenweg.

Deuëlof (den)

Het kasteel Terpoorten op de Maastrichtersteenweg bij de grens met Diepenbeek, waar een labyrint was aangelegd.

Disselhoek (den)

Bifurcatie van de Maastrichtersteenweg met de Bosstraat.

Draaikolk (de)

Sifon van de Oude Demer die ter hoogte van de yachting onder het kanaal doorloopt.

Dreef van Robinet (de)

Dreef gelegen ter hoogte van de draai op de Genkersteenweg, waar nu de firma Boermans gevestigd is.

Eekeboske (het)

Klein bos gelegen aan de Genkersteenweg bezijden de weg (nu Heidestraat) die voor de aanleg van het kanaal naar de Kwakkel liep.

Èèl (den)

Landerijen tussen de Maastrichtersteenweg en de Singelbeekstraat achter de spoorbaan naar Tongeren.

111


112

Hel (de)

Plaats in de Trekschurenstraat waar de Helbeek ontspringt; plaatsnaam waarmee sommige Hasselaren het kerkhof op de Sint-Truidersteenweg aanwijzen.

Jardin Agréable (de)

Café met speeltuin, tafeltjes en gloriettes aan de Oude Kuringenbaan tussen het goed van Crutsen en de Alverbergstraat. Eindpunt van de zondagwandeling van vele Hasseltse families. Uitbater: Schuurmans.

Kaapermeeleke (het)

De Kapermolen gelegen aan de Oude Demerarm gaf haar naam aan het huidige Kapermolenpark.

Karessâsestiëgkse (het)

Gazometerstraat.

Keeterdoeës Arrêt (de)

Tramhalte aan de overzijde van het huidig kanaal ter hoogte van de bifurcatie van het tramspoor naar Zonhoven en naar Genk; hier baatte Jènke een volkscafè uit.

Kestiêlke van Vroêëne

De huidige kinderboerderij.

(het) Klee Kenaâlke (het)

Moerasachtig gedeelte van de Planckeweide waar de Helbeek de omgeving onder water zette.

Krètsewènning

Crutsenwinning gelegen op de uitloper van de Oude Kuringerbaan.

Kwakkel (de)

Kwartier van het Sas aan de Sasstraat en de Trichterheideweg.

Lèèmpot (de)

De lijmfabriek of gelatinefabriek.

Leuës (obbe)

Ruimte besloten tussen de oude gevangenis aan de Martelarenlaan en de Dusartkazerne, aldus genoemd naar de hoogste toren op de stadswallen.

Mèggeboske (het)

Het muggenbos in de Trekschurenstraat.

Mèggenhèske (het)

Oud huis Ilsen in de Muggenstraat.

Meukens (de)

Houten aquaduct tussen de Stiemer en de Demer ter hoogte van de Xios-hogeschool tegen de grens met Diepenbeek.

Ossestiëg (de)

Toekomststraat.

Pâterskoeët (het)

Weide gelegen tussen de twee Demerarmen bij de Verwilghensingel.

Patsj (de)

Andere benaming voor de oude barrier op de Luikersteenweg bij het Voddekapelleke, genoemd naar de laatste tolontvanger.

Pjaârdskollek (de)

Samenvloeiing van de twee Demers.

Pjaârdspouël (de)

Drenkplaats voor paarden bij de vroegere stortplaats tegen de Oude Demer.

Poalstien (de)

De historische paalsteen in de Paalsteenstraat die de grens aanduidde tussen Hasselt, Kuringen en Zonhoven.

Reutje (het)

Speelplein voor jongeren op het eind van de Gazometerstraat bij de spoorbaan die naar het kanaal leidde.

Roebbeningsbos (het)

Het bos van Robinet aan de Genkersteenweg, grondgebied Godsheide.

Rood leeuwke (het)

Het eerste huis links bij de ingang van de Oude Luikerbaan, waar bij de eeuwwende 19de/20ste eeuw een café in ondergebracht was; nu de inrit naar garage Piet

Scherrepestienwènning (de)

Winning aan de Rapertingenstraat.


I. HISTORISCHE KADERING BIJ HET BOEK “HASSELT EXTRA MUROS”

Sjars (de)

De chasse of de niet meer bestaande sluis van Kuringen.

Slivveniërke obbe kaaë

Het kapelletje van Hilst waar een beeld van Onze-Lieve-Heer op de koude steen bewaard wordt.

stiên (oas) Soldatenkollek (de)

Plaats bij de Oude Demer niet zover van de Willekensmolen waar de soldaten van het Elfde Linieregiment zich gingen baden en verfrissen.

Stenaertskapelleke (het)

Het voddekapelleke aan de Luikersteenweg.

Stiëgske van iene man

Steegje ter hoogte van de Manteliusstraat/begin van de Rozenstraat, ter hoogte van het Vrijwilligersplein, uitloper van de

(het)

Melkvoetsteeg.

Strontstiëg (de)

De Bloemenstraat.

Tèjer (den)

Schietbaan gelegen tussen de Luikersteenweg en de Oude Luikerbaan; thans is de ruimte ingenomen door de rijkswachtkazerne.

Tivoli (den)

Laatste huis in de Voorstraat bij de Nieuwe Demer.

Trien Coenen

Tramhalte bij het begin van de Kempische Steenweg op de hoek van de Kempische Poort. De waard van het café stak een rode vlag uit aan de gevel wanneer er in de verbruikerszaal reizigers wensten mee te gaan met de tram.

Trien van ‘t Sas

Café aan de sluis van Kuringen. Rustoord voor kanaalvissers.

Twej cruysen (de)

Memoriekruisen ter hoogte van het kruispunt van de gouverneur Roppesingel en de Luikersteenweg.

Velodrome (de)

Oefenpiste voor wielrenners in de Kleine Breemstraat op de plaats van de huidige Technische Ambachtschool van het H.Hart.

Villers (achter)

Percelen met parkje besloten tussen de Luikersteenweg, Toekomststraat en Welvaartstraat waar zich tot over enkele jaren de villa van de stoker Florent Villers bevond.

Vleigplaan (de)

Vliegveld van Kiewit dat zijn hoogtepunt kende circa 1910.

Vosseberg (de)

Zanderige heidestrook naast de Genkersteenweg besloten tussen de Zandstraat en de Vossebergstraat.

Wee van scherpejouën

Weide van Scorpion aan de Harpstraat.

(de) Witte èèzers (de)

Ijzeren leuning van de wandelweg bezijden de Kempische steenweg waar de Oude Demer onder het kanaal door loopt.

Zandbèrreg (de)

Uitgestrekte vlakte besloten tussen de Hoebanxkazerne, de Elfde Liniestraat en de singel, waar in de tweede helft van de twintigste eeuw de campus van verschillende scholen werd uitgebouwd; de plaats dankt haar naam aan het zand dat uit het kanaal werd gedregd.

Zandboske (het)

Thans verdwenen bos op de plaats waar in 1930 het Albertkanaal gegraven werd, aansluitend met de Zandstraat.

Zwarte Brèk (de)

Spoorwegoverbrugging van de Demer achter de nieuwe gevangenis op de grens met Kuringen.

113


114


115

II. Het meetboek van Vanpaesschen


116


II. HET MEETBOEK VAN VANPAESSCHEN

Op de bijgevoegde cd-rom werd het meetboek van Petrus Vanpaesschen opgenomen. Het bevat de lijst van de door Vanpaesschen opgemeten percelen, gerangschikt volgens perceelnummer. Elk perceelnummer wordt vervolgens verduidelijkt door bijkomende informatie (huis, pachthof met boomgaard, akkerland, beemd ‌), de oppervlakte van het goed en ten slotte de naam van de eigenaar of gebruiker.

117


118


119

III. Toelichting bij het meetboek


120


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Kaart

1/1

Kaart

121

1/2

De Runksterstraat

Gehucht Runkst

De Runxsterstraat (thans Runkstersteenweg) vormt op de westelijke uitloper van het grondgebied van de stad de grens met Kuringen. De Groot Stuckstege sloot aan bij de Runksterstraat en vanuit deze steeg vertakte zich de Diepstraat in de richting van de Wanbeek. Het weggetje dat op het onderste deel van de kaart wordt aangegeven als ‘steeg’ is de uitloper van de Winthalmstege, die zich vanuit de Dormaalstraat vertakt naar de Windhalmhoeve.

Het gehucht Runkst lag ingesloten door de hoek die gevormd werd door de grensafbakening met Sint-Lambrechts-Herk en met Kuringen. Er lagen een vijftiental winningen in dit kwartier, waarvan de Augustijnenwinning aan de Runksterstraat (nu Runksterkiezel) de belangrijkste was. Bekende veldnamen in deze omgeving waren: de Grote en de Kleine Linde op de Truijerbaan aan de overzijde van het Kruisveld (huidige begraafplaats).

Het Groot Stuck Dit toponiem omvat een geheel van velden gelegen ten zuiden van het Runkster Hoogveld.

De hierbij aansluitende dichtbebouwde woonzone Runkst werd vooral ontsloten vanaf het midden van de negentiende eeuw. Runkst bleef steeds een op zichzelf aangewezen entiteit, afgesloten van de stadskern door de aanleg van het station en de spoorlijnen die van hieruit vertrokken in beide richtingen. Op zijn beurt ontwikkelde Runkst zich vanuit de aanvankelijke kern van het Gaarveld verder over nieuwe verkavelingen rond de Boekstraat, de Boomkensstraat en de Dormaalstraat. Het gehucht beschikt momenteel over drie parochies: Sint-Hubertus, het Heilig Kruis en Sint-Kristoffel.

Gehucht Dormaal Het gehucht Dormaal in de zuidwesthoek van de stad telde een zestal winningen langs de Dormaalstraat. Eén ervan was de celzusterswinning. In het centrum van Dormaal lagen het Kapermolenveld, het Richterveld, het Trichterveld en het Schavautenveld. Oostwaarts hiervan lagen het Gaarveld en de Hontsribbe en westwaarts hiervan aan de grens met Kuringen, het Tommeke (of de Tommelen) en De Drie Velden. Tussen Dormaal en Runkst la-


122

gen het Runkster Hoogveld of Swimelereveld, het Groot Stuk en het Kermisveldje. Het Wurfeld situeerde zich tussen Hilst, de Winthalm en het Dormaalpad. De Kapellekensbampd en het Scheperspoelken waren plaatsnamen tussen Dormaal en de stadswallen. In het westkwartier van de stad groeide het gehucht Dormaal geleidelijk uit tot een volwaardige woonbuurt met eigen parochie en scholeninfrastructuur.

Grote en Kleine Windhalm Een weinig verder in het verlengde van de huidige Winthalmstraat lagen de Grote en de Kleine Windhalm. Beide hoeven, gelegen aan de Winthalmsteeg, vormden samen met de aanhorige eigendommen een landbouwbedrijf.

Schavelieren veldjen Het Schavelieren veldjen of Schavelierenveldje vormt een verzameling van een zestal velden, ingesloten tussen de Winthalmsteeg, het Dormaelpadt en de Dormaelstraat.

Trichterveld Naam van een vijftal percelen gelegen halverwege de Dormaelstraat tegen het Capermolenveld en tegenover de ingang van het Dormaelpadt.

Capermolenveld Akker gelegen aan de Dormaelstraat tegenover het Schavelierenveldje.

Kermisveldeken

De Drij Velden

Dit veld van enkele percelen die aanleunden tegen de Dormael Breestraat, was gelegen in het noordelijk kwartier van het gehucht Runkst.

Bleekgronden en akkerlanden gelegen aan de Dormael Breestraat tussen de Runxterstraet en Het Tommeken.

Het Tommeken Deze veldnaam verwijst naar enkele akkerlanden, omsloten door de Dormael Breestraat en de uitloper van de Breestraat.

Het Runxter Hoogveld Verzameling van verschillende percelen ten oosten van Runxt en ten zuiden van Dormael, ingesloten tussen de Dormael Breestraat en de vloedgracht die uitmondt in de Wanbeek.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Kaart

1/3

De Kuringerbaan De baan die vroeger van Hasselt naar Kuringen leidde, vertrok aan de Diesterpoort. Zowat een kilometer verder maakte ze een lichte bocht in noordelijke richting. Ter hoogte van de Lazarijstraat, die tot in de vijftiende eeuw Broekstraat werd genoemd, sloot zij aan met het tracé van de huidige Oude Kuringerbaan om tegenover de winning van Crutsen (nu hoek Oude Kuringerbaan - Herkenrodesingel) de steenweg naar Diest te vervoegen. De vroegere verbindingsweg tussen Kuringen en Kortessem kwam aan de grens met Kuringen het grondgebied van Hasselt binnen tussen Het Tommeke (percelen 716, 835 - 841) en de Augustijnenwinning (percelen 795 - 796), volgde door het gehucht Dormaal de loop van de Dormaalstraat (percelen tussen 508 en 943), sloot voor een deel aan met de Boomkensstraat en stak de Sint-Truidersteenweg over onder de benaming Grote Lindestraat (percelen 436 - 446). Vervolgens nam deze weg de naam aan van Helstraat (percelen 386, 390) en verder in de richting van Rapertingen heette hij Trekschurenstraat (tussen percelen 153 en 477). Eens de Luikersteenweg over, liep hij onder de naam Melbeekstraat (tussen percelen 76 en 141) doorheen het gehucht Melbeek. Hier verliet hij het grondgebied van Hasselt om in Diepenbeek zijn loop te vervolgen onder de naam Kruisstraat en uiteindelijk de molen van Luimertingen te bereiken op het grondgebied van Kortessem.

Windmolen op het Wintmolenveld Het Wintmolenveld was gelegen buiten de Kuringerpoort (tussen de percelen 1184 en 1212). Volgens de kadastrale gegevens strekte dit veld zich uit tussen de huidige Weijerstraat en de Melkvoetstraat. Reeds in de zestiende eeuw bestond deze molen niet meer zoals blijkt uit een akte van 1567, toen door het stadsbestuur aan de kolveniers (schuttersgilde), tot dekking van hun kosten en feesten, een veld werd gegeven buiten de Kuringerpoort ter plaatse “die Wentmoelen kuyle oft waer die voertyden een wentmoelen pliecht te syn regenoet het wentmoelenvelt…” Hier stond vóór 1567 een houten windmolen van het standaardtype. In dat jaar werd het veld door de stad aan de kolveniers geschonken. Het bouwjaar van de molen is niet bekend.

De Wijerstraat De eerste zijstraat rechts van de Kuringersteenweg was de Wijerstraat (tussen percelen 1176 en 1194). Dit veeleer smalle straatje liep op enige afstand parallel met de oude stadswallen tot aan de Broekermolen. Vanaf de huidige Manteliusstraat profileert de straat zich als een enge steeg, die zich in een smalle bocht voortslingert doorheen het Wintmolenveld tot aan de Broekerstadsmolen. Aan de overzijde van de Geraetsstraat lag de Melkvoetweg (tussen percelen 1204 en 1224), een steegje dat na een paar honderd meter een fikse bocht naar links nam, over het negentiende-eeuwse verbindingsspoor met de kanaalkom liep, de Lazarijstraat kruiste en ten slotte uitmondt in het weiland van de huidige Palmstraat en Plantenstraat.

123


124

De Boekstraat

De Lazarijstraat

De Boekstraat (nu Frans Massystraat, in de negentiende eeuw Nijverheidsstraat) was de tweede zijstraat links op de Kuringersteenweg, te vertrekken vanaf de stadswal. Haar tracé werd onderbroken door de aanleg van het station in 1866. Aan de overzijde van het spoorcomplex vervolgde de Boekstraat haar weg naar Dormaal waar zij uitgaf op de Dormaalstraat (tussen percelen 508 en 943). Vanaf dit punt vervolgde ze haar loop als een bescheiden pad tot aan de Runksterstraat (thans Runksterkiezel) op de grens met Kuringen. Ter hoogte van de Dormaalstraat vertrok een kleine veldweg, de Dormaalvoetweg (tussen percelen 583 en 1000) in de richting van Sint-Lambrechts-Herk. Dit weggetje liep parallel met het tracé van de Runkstersteenweg.

De Lazarijstraat was de tweede zijstraat rechts van de Kuringersteenweg, schuin tegenover de ingang van de Breemstraat en leidde naar de Broekermolen (perceel 1317). Tot in de vijftiende eeuw werd zij daarom Broekstraat genoemd. De Kuringersteenweg (Kuringerbaan) maakte ter hoogte van de Lazarijstraat een lichte zwenking naar rechts en vervolgde zijn weg op het tracé van de Oude Kuringerbaan tot aan de grens met Kuringen.

Minder bekend is de Wurfeldsteeg (tussen percelen 505 en 636), die vanaf de Kuringerpoort midden door het Gaarveld in een vrijwel rechte lijn naar Sint-Lambrechts-Herk liep. De nog bestaande Wurfeldstraat kan bij deze een oriënteringspunt zijn. Vanuit de Dormaalstraat vertrokken meerdere stegen, onder meer de Jodesteeg, de Wolfsteeg (tussen percelen 657 en 713) en de Swimeleresteeg (tussen percelen 652 en 741).

De Lazarijstraat sloot aan bij de Wijerstraat via een pad dat de Zeyps (perceel 1194) heette en dat langs het perceel van het Broek opliep. De Lazarijstraat sloot aan bij de Breestraat (percelen 1235-1310), die de verbinding vormde met de Alverberg en vroeger langs een drietal vijvers liep.


125

De Lazarijstraat dankt haar naam (lazarij = leprozenhuis) aan enkele houten noodwoningen die bij de aanvang van de straat waren gebouwd om een onderkomen te bieden aan de melaatsen of leprozen uit de stad. Ongelukkigen die door de lepra waren aangetast moesten immers geweerd worden uit de bewoonde agglomeratie. Het was hun overigens verboden het stadscentrum te betreden. Om ieder contact met de gewone burgers te vermijden verplaatsten zij zich met een witte stok en meldden zij hun komst met een ratel. De huisjes waren opgetrokken voor de slachtoffers van de pest. De volksmond maakte in feite geen onderscheid tussen de pest en de lepra. In een schrijven van 15 juni 1450 gaf prins-bisschop Jan van Heinsberg de toelating aan de Hasseltse stadsmagistraat om op de hoek van de Broekstraat (Lazarijstraat) en de Kuringersteenweg “een lazarushuys, een capelle met eenen altaer ende eenen kerckhoff” te funderen ten gerieve van de pestlijders. 41 Jan van Heinsberg verleende de magistraat ook het recht een priester aan te stellen om de kapel van de melaatsen te bedienen. Voorwaarde evenwel was dat deze priester zelf melaats was. Zolang er geen kapel voor de melaatsen beschikbaar was, mocht de priester in een van de huisjes de mis opdragen mits hij zelf een altaarsteen zou meebrengen. Waarschijnlijk werd de kapel nooit gebouwd, want tweehonderd jaar later maakte Mantelius er in zijn Hasseletum geen gewag van. 42 Burgers die leden aan besmettelijke ziekten, werden sinds de eerste grote pestepidemies van de veertiende eeuw onderworpen aan strenge maatregelen, waarbij contact met gezonde burgers zoveel mogelijk vermeden moest worden. De oprichting van de huisjes in de Lazarijstraat was één van de maatregelen van de Hasseltse stadsmagistraat, genomen tijdens een grote pestgolf in de vijftiende eeuw. Zowat zestig jaar later (11 december 1511) nam ook prins-bisschop Erard van der Marck in een ordonnantie dringende maatregelen om de lepra in te dijken. De steden werden op dat moment overspoeld door tal van armen en bedelaars die als (vermeende) leprozen een beroep deden op de hulp van de stadsmagistraat. Erard droeg de overheid op om alle leprozen in de steden door te verwijzen naar het klooster van Terbank bij Leuven, waar de hoofdleprozerie van het hertogdom Brabant gelegen was. Het opduiken van de pest in het midden van de veertiende eeuw had voor heel Europa catastrofale gevolgen. De epidemie overspoelde vanuit het Midden-Oosten het hele Europese continent. Drager van de ziekte was de rattenvlo. Eenmaal dat de rattenpopulatie in een bepaalde stad door de ziekte was gedecimeerd, werd de bacil overgedragen op de mens, bij wie zich de gevreesde builenpest ontwikkelde. De besmette persoon werd in dit geval overvallen door een hoog oplopende koorts en ontwikkelde hierbij puisten in de lymfezones van het lichaam. In het merendeel van de gevallen volgde de dood binnen de drie weken. Een aantal geïnfecteerden werden fataal besmet op hun luchtwegen. Wanneer de pestlijder dan overvallen werd door een onbedaarlijke hoestbui, werd de bacil via de lucht automatisch overgedragen op zijn omgeving. Wanneer een normale ademhaling onmogelijk was geworden, viel de zieke in coma, waarop na een drietal dagen de dood volgde. De Zwarte Dood had in de jaren 1346-1353 een vierde van de totale bevolking van WestEuropa geveld. Zowat een eeuw later, in het tweede kwartaal van de vijftiende eeuw werd het Land van Loon opnieuw overvallen door een dodelijke pestgolf. Het stadsbestuur weerde zo veel mogelijk vreemdelingen uit de stad en ontraadde burgers de stad te verlaten. Het bestuur keek ook toe op de leefomstandigheden binnen de stadsmuren. De maatregelen bleken evenwel ontoereikend, toen de stad in 1435 bezoek kreeg van doortrekkende Bourgondische legereenheden. Terwijl hertog Filips de Goede erin geslaagd was de meeste hertogdommen en vorstendommen in de Nederlanden onder zijn gezag te verenigen, stonden de Luikse gemeenten er op hun autonomie tegen elke prijs te vrijwaren. Toch kon niet verhinderd worden dat het Land van Luik doorkruist werd door afgedankte Bourgondische soldeniers, die binnen Hasselt de pest onder de plaatselijke bevolking aanstaken. 43 De stadsmagistraat riep de hulp in van de alexianen uit Diest, ook wel bollarden of cellebroeders genoemd, om de zieken te verplegen en de doden te begraven op het pestkerkhof (d.i. het lager gelegen gedeelte van de Fruitmarkt). Willem Zelender, Willem Desseleers en Natalis van den Driessche kwamen zich in 1439 als eerste kloosterlingen in onze stad vestigen op een terrein dat hen geschonken was door het begijntje Katlijne Noels, gelegen op de plaats van het gerechtshof aan de


126

Havermarkt. Hun gebedshuis, dat vlak naast hun klooster lag, werd ingezegend in 1510. Het was een rechthoekig, eenvoudig gebouw, dat met de zijkant aanleunde tegen de huidige Cellebroedersstraat. 44 Het vrij sobere interieur van de kerk was afgedekt met een houten spitsbooggewelf. Op 24 juli 1483 sloten de alexianen met het stadsbestuur een akkoord af over hun definitieve vestiging in Hasselt. In ruil voor hun liefdadigheidswerk ontving de orde van de burgerlijke overheid een compensatie in geld en in natura. Bovendien werd hun vrijstelling op accijnzen en op belastingen verleend, op voorwaarde dat zij zich voortaan ook over zwakzinnige en demente stadsgenoten zouden ontfermen. Tevens liet de overheid een kar maken, waarmee de cellebroeders de lijken van overledenen konden vervoeren naar het kerkhof. Het behoorde bovendien tot hun taak ook de lichamen van terechtgestelden, zelfmoordenaars en drenkelingen waardig ter aarde te bestellen. 45 De zieken zelf betaalden aan de broeders een kleine vergoeding voor verstrekte zorgen. De echte pestlijders daarentegen kregen gratis medische hulp geboden. Ook het kisten en begraven van overledenen maakten deel uit van de caritatieve taken van de broeders. Tot ver buiten onze stad stond de ervaring van de Hasseltse cellebroeders hoog aangeschreven. In 1515 en 1519 werden zij door de magistraat van Tongeren uitgenodigd om ook daar de bevolking bij te staan, toen de epidemie andermaal de kop opstak. Toen in 1519 de pest opnieuw toesloeg in Luik, deed ook Erard van der Marck een beroep op de Hasseltse alexianen, om er de zieken te komen verzorgen en de doden te helpen begraven. De Luikse magistraat wees hun een vaste verblijfplaats toe achter de kerk van Sint-Servaas. De broeders bouwden er eigenhandig hun klooster met de gelden van aalmoezen die ze ontvingen van weldoeners. Krankzinnigen en behoeftigen werden er met traditionele gastvrijheid opgenomen. Naar aanleiding van deze transfer merkte Mantelius schalks op: “daer syn tegenwoordich al duytsen (= Vlamingen), want de waalen en leet aen dat ambacht niet veel.” Op 12 november 1520 brak er in het cellebroedersklooster van Hasselt zelf een pestepidemie uit, waarbij één van de broeders overleed. De andere cellieten bleven niettemin ongestoord hun caritatieve werk waarmaken onder de bevolking. Hierop legde de prins-bisschop de overblijvende kloosterlingen formeel verbod op “dat ghy van nu voertaen ut ure cloester niet en gaet, staet noch onder tvolck koemt noch inder kercken”. 46 Op 22 augustus 1568 gaf de prins-bisschop van Luik wegens het hoge aantal lijken toelating de slachtoffers van de pest in ongewijde grond te begraven, gezien het bestaande kerkhof te klein geworden was. De prelaat stuurde vervolgens een van zijn kapelaans om een apart stuk grond te wijden, waar deze lijken begraven konden worden. 47 In 1571 decreteerde de magistraat dat de namen van alle inwoners die reeds waren aangetast of op zijn minst ervan verdacht werden dat zij door de ziekte besmet waren, zo vlug mogelijk aan de overheid ter kennis gesteld moesten worden. Bovendien moest aan de gevel van de huizen die door pestlijders bewoond werden gedurende zes weken een bussel stro worden gehangen. Geen van de inwoners mocht de geïnfecteerde woningen verlaten noch betreden. Zelfs meubels en huisraad uit besmette woningen halen, was strikt verboden. Op 17 september 1575 werden meerdere personen beboet met een som van drie gulden, omdat zij het pesthuis verlaten hadden en zich in weerwil van de verbodsbepalingen onder de bevolking begeven hadden. In opdracht van de stedelijke overheid moest een glazenmaker in 1576 vensters aanbrengen in de Sint-Jacobskapel van de hoofdkerk “als die schoelmeester mette jongens daer waeren om der pest wille.” De schout van Hasselt diende een klacht in tegen Margriet Hans op 29 juli 1578 omdat zij ondanks het verbod van de overheid haar geïnfecteerde huis had verlaten en zich in het openbaar op de markt tussen de menigte begeven had. Op 12 augustus 1578 diende de schout een klacht in tegen Jan Heyn en zijn vrouw Marie, omdat zij binnen de zes weken na het verstrijken van een epidemie het slot van de woning “Het Sweert” hadden opengebroken, de meubels eruit verwijderd hadden en het pand inrichtten als hun woonverblijf, ofschoon het huis als besmet geklasseerd was. De vrouw van Haub Lenarts uit Hasselt werd er op 1 september 1578 van beschuldigd dat zij haar kind, dat door de pest was aangetast, had weggedragen buiten de stadsmuren en het bij één van de pesthuisjes in een gracht had gedeponeerd, waar het een hele nacht op zijn moeder bleef roepen. 48


127

Na een maandenlange belegering werd de stad Maastricht in 1579 ingenomen door de troepen van Parma. In het jaar dat “den grooten pesttijdt” werd genoemd, werd de ziekte vanuit deze stad door rondtrekkende soldaten doorheen het Land van Loon verspreid. Ook in Hasselt sloeg de pest gewelddadig toe. De augustijnen spaarden geen enkele inspanning om hun besmette stadsgenoten een helpende hand toe te steken. Op de duur werden de kloosterlingen zelf aangetast. De een na de andere bezweek, zodat hun convent na korte tijd uitgestorven was. Meerdere notabelen, onder wie de echtgenote van burgemeester Jan de Geloes, bezweken eveneens aan de ziekte. Gelijktijdig brak er een nijpende hongersnood uit. De uitgehongerde bevolking ging op zoek naar voedsel. Het leegstaande augustijnenklooster werd geplunderd en vernield. Toen de prior van het klooster van Mechelen, de Hasselaar Hendrik Jaupen, de toedracht van de situatie omtrent het klooster van Hasselt te horen kreeg, stuurde hij zijn confrater Nicolaus Cannaerts naar zijn geboortestad om er een nieuwe kloostergemeenschap op te starten. Andere confraters kwamen hem hier vervoegen. Op hun beurt werden ook pater Cannaerts en enkele novicen geveld door de pest. Andere medebroeders die de dans ontsprongen, verlieten het klooster dat andermaal het doelwit werd van roof en plundering. 49 Eén van de cellebroeders, broeder Jan, stelde in 1598 een kleine handleiding samen van remedies tegen de pest. Het werkje werd nadien gekopieerd door Jan van Manshoven, burgemeester van Hasselt in 1632 en in 1642. Tijdens de eerste fase van de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) werden de protestantse legerleiders Ernest van Mansfeld en de Dolle Halberstadt van Brunswijk in 1622 te Fleurus verslagen door de Spaanse veldheer Gonzales van Cordua. Hun ronddolende soldeniers zochten onderdak op verschillende plaatsen in het Land van Luik. Enkele zwaargekwetsten werden in Hasselt opgevangen. Al te lang waren hun verwondingen niet verzorgd. De meeste soldaten leden aan etterende kwetsuren, andere werden gekweld door ontstekingen die zich via de bloedbanen verspreidden over heel hun lichaam. Dit ziektebeeld manifesteerde zich als de pest, ook wel eens de rode loop (“melissoen” of “haestighe sieckte”) genoemd. De ziekte was niet enkel dodelijk voor al diegenen die erdoor aangetast waren, maar besmette even ongenadig al wie met zieke personen in aanraking kwam. 50 Op 3 maart 1624 vaardigde de stadsmagistraat een aantal nieuwe maatregelen uit om de epidemie te bestrijden. Kenmerkend voor het krachtdadige optreden was de verbanning voor de duur van drie maanden van twee grafmakers die in Sint-Lambrechts-Herk pestslachtoffers ter aarde hadden besteld en door mogelijke besmetting zelf en een reëel gevaar betekenden voor hun medeburgers. Tijdens de periode 1623-1625 werden door de pastoor van de Sint-Quintinuskerk 433 overlijdens van de dodelijke pestepidemie opgetekend in zijn dodenregister. De kapucijnen waren zich in 1616 in Hasselt komen vestigen op het Engelant. Zij bouwden er een eenvoudige eenbeukige zaalkerk, waarvan de puntgevel naar de stad gericht was. Rechts van de kerkbouw bevond zich het woonkwartier van de paters, gecentraliseerd rond een vierkant kloosterpand met binnenhof en pandgang. Binnen hun apostolaatswerk lieten de kapucijnen zich ook in met de verpleging van pestlijders en dragers van besmettelijke ziekten. Bij het uitbreken van de pest in 1668 maakten de kloosterlingen zich, op verzoek van de pastoor, verdienstelijk met de verzorging van zieke medeburgers. In oktober 1668 werd het Schuttershof ontruimd om de kapucijnen toe te laten hier zieken te verzorgen. Er bestaat geen enkele aanwijzing dat de paters pestlijders opnamen in de infirmerie van hun convent. Het kerkhof van het klooster lag op de open ruimte langs de evangeliekant van hun kerk. Herman Van der Rijst, pastoor van het Hasseltse begijnhof, stichtte in 1625 een fundatie van 150 gulden voor kloosterzusters die bereid gevonden werden naar Hasselt te komen om er de zieken te helpen verplegen. Als tegengebaar zou de stad de “Pestbogaerd” bij het Kattegat aan de nieuwe stichting ter beschikking stellen. 51 Prins-bisschop Ferdinand van Beieren verleende op 15 september 1626 zijn instemming aan de grauwzusters van de reguliere Derde Orde van Sint-Franciscus om in Hasselt een klooster en een daaraan verbonden gebedshuis op te richten, om er pestlijders te verzorgen. Dankzij de bemiddelende rol van de augustijn Mantelius slaagde de stadsoverheid er in op 28 mei 1626 drie zusters vanuit het Sint-Annadal in Diest naar Hasselt te laten overkomen. Tegen een


128

geringe vergoeding verpleegden de zusters zieke vrouwen aan huis. Zij beschikten naast hun klooster over een pesthuis, waar besmette mannen en vrouwen verzorgd konden worden. Welstellenden werden er opgenomen tegen een vergoeding van één gulden per dag. Behoeftige pestlijders konden er verblijven op kosten van de armenmeesters. 52 Op 6 juli 1631 kregen de handelaars uit Kuringen, Sint-Truiden, Zonhoven en Wijer een verbod opgelegd om hun koopwaar, kaas, boter, fruit en kleding in Hasselt op de markt aan de man te brengen, omdat al die gemeenten door de pest bezocht waren. Datzelfde jaar stierf de Hasseltse pastoor-deken Joannes de Geloes op 25 september aan de gevolgen van de zwarte dood. De stadsvaderen stuurden in oktober 1631 een bode naar Luik om “daer te halen meester Pier Mariaen die de peste soude verdryven.” De Hasselaren kochten er bij die gelegenheid tevens een kar kolen om “een vuer te stoken opden merct ende die peste daermet te doen cesseren.” Tijdens een nieuwe pestgolf in 1633 maakten de cellebroeders zich nogmaals verdienstelijk: “Sy hebben over de tachtentich borgers deser stadt geholpen ende tot gesontheyt gebracht. Sy kregen van de stad honderd gulden ende een kareeloven om hun clooster dat ruineus is ende hun kerck te repareren ende te bouwen.” 53 Hun klooster lag op de hoek van de Havermarkt en de Cellebroedersstraat, op de plaats van het gerechtshof. Hun eerste kapel, ingewijd in 1510, en de aanliggende kloostergebouwen waren zo bouwvallig geworden dat zij nu, een honderdtal jaren later, aan herbouwing toe waren. Hun nieuw bedehuis werd ingezegend op 3 oktober 1639 en toegewijd aan Sint-Rochus, de pestheilige bij uitstek. Al deze ingrijpende en preventieve maatregelen konden evenwel niet voorkomen dat er van 1631 tot 1634 419 slachtoffers onder de gesel van de epidemie stierven. Vanaf 1664 verspreidde zich andermaal een nieuwe pestgolf over Europa. Ook ditmaal kreeg Hasselt zijn deel van de rekening. Prins-bisschop Maximiliaan-Hendrik van Beieren verordende in 1668 dat al diegenen die in onze stad door de pest besmet waren en de overigen die met hen in aanraking gekomen waren, verplicht werden gedurende zes weken huisarrest te houden op straffe van verbannen te worden. Tegelijkertijd was het de inwoners verboden binnen de muren varkens, duiven, konijnen of andere “infecterende beesten” te houden. Alle preventieve voorzorgsmaatregelen ten spijt bleef de pest ongenadig toeslaan. In 1676 werden in Hasselt 607 dodelijke slachtoffers geteld, wat overeenkomt met ongeveer tien procent van de bevolking. Op 24 mei 1690 had de stadsmagistraat vernomen dat vreemde officieren en soldaten in de buitenwijken kinderen en jongemannen rekruteerden om ze in te lijven bij hun huurtroepen. Om deze willekeurige werving te voorkomen, werden tientallen volwassen Hasselaren ingeschakeld om in de buitingen de wacht op te trekken en indien nodig zich met geweld te verzetten tegen deze onaanvaardbare ronselpraktijken. De “haestighe sieckte” verdween uit onze contreien in de beginjaren van de achttiende eeuw.

41 42

43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53

M. Bussels, ‘De hoeve van Crutsen te Hasselt’, Limburg, XL:3-4 (maart-april 1961) 69-74. C. Bamps en E. Geraets, ‘Hasselt-jadis. Recherches historiques et archéologiques sur la situation ancienne de la banlieue de cette localité’, BSM, XXXI (1895) 52. J. Mantelius, Kroniek van Hasselt, (ed. Caluwaerts, G.) (Hasselt 1996) 261. J. Mantelius, Hasseletum sive ejusdem oppidi descriptio qua continetur totius historiae Lossensis compendium (Leuven 1663) 158. J. Gessler, ‘Over Alexianen en Celzusters’, Varia hasselensia (1949) 16-17. P. Daniels, ‘Quelques notes sur les Alexiens à Hasselt’, VO, VIII (1932), 14-15. J. Grauwels, Kroniek van Hasselt (1078-1914). Grepen uit het dagelijks leven (Hasselt 1982) 53. Grauwels, Kroniek van Hasselt, 60-61. E. Houtman, ‘Het augustijnerklooster te Hasselt’, De vrienden van het stadsmuseum, 6 (1981) 28. Mantelius, Kroniek van Hasselt (ed. G. Caluwaerts), 329. J. Lambrechts, Het oud Ste. Barbaradal of beschrijving van het oud klooster der Grauwzusters Hospitalieren te Hasselt (Hasselt 1881) 15-16. J. Arras, ‘De grauwzusters in Hasselt’, De vrienden van het stadsmuseum Hasselt, X (1987) 23. Grauwels, Kroniek van Hasselt, nr. 516.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Rosmolen Gelegen aan de Lazarijstraat / Kuringerbaan. In 1603 wees de stadsmagistraat aan de lakenmakers een bouwplaats toe bij het pesthuis om er een rosmolen te bouwen, die als volmolen zou fungeren. De molen werd aangedreven door de trekkracht van paarden, die binnen het gebouw hun rondjes liepen. Hier werd de wol verwerkt tot stoffen. De productie moet beperkt geweest zijn, waardoor de molen geen lang leven beschoren was. In 1607 werden de activiteiten gestaakt.

Heckeleer Een zijstraatje van de Oude Kuringerbaan, de Heckeleersteeg (percelen 12441254), herinnert aan de naam van de voormalige hoeve, die vóór 1763 door brand werd verwoest. Vanpaesschen tekende enkel de gronden en het weiland, geen hoeve. Tussen Crutsen en Heckeleer lagen het Paters Lieffvrouken (tussen percelen 1268 en 1469) en de Bart. Het toponiem “op den Heckeleer” herinnert aan de vroegere hoeve van Heckelers, gelegen op de vlakte die ingesloten werd door het Breestratenveld, de Haarbemden en de Oude Kuringerbaan. Het uiterste stuk langs de kant van Kuringen grensde aan het goed van Crutsen. Ook de sportvelden van voetbalclub Excelsior liggen voor een deel op dit vlakke veld dat zich uitstrekte tot aan de huidige Plantenstraat. Op de velden van de Heckel werden vooral granen en veldgewassen geteeld. Vaak streken er hele zwermen vogels neer die de oogst aan veldvruchten onherroepelijk vernielden. Om deze schade in te dijken, schreef de stadsmagistraat in maart 1765 een prijs uit om diegene die tegen 1 mei het grootste aantal mussen had binnengebracht te belonen met twintig gulden, op voorwaarde dat er minstens 400 mussen werden ingeleverd. Op 3 mei van dat jaar had de prijsuitreiking plaats. In het totaal werden er 1.497 mussen binnengebracht, waarvan er 722 gevangen waren op de Heckeleer. 54

Onder impuls van de Franse bezetters werden in de eerste jaren van de negentiende eeuw meerdere velden op Heckeleer geëxploiteerd voor de tabakscultuur. In het begin van het jaar 1867 werden er in Hasselt 3.405 hoornbeesten geteld, waarvan 1.083 bij landbouwers in de omgeving van de stad, voornamelijk uit de weiden en de stallen van de Heckeleer. 55

De hoeve van Crutsen Perceelnummer: 1273. Gelegen aan de Curingerbaan, ten zuiden van de Demer. In 1783 was deze hoeve waarschijnlijk in het bezit van de familie de Geloes. De Kuringervoetweg (nu Crutzenstraat) leidde rechtstreeks van de Crutsenwinning naar het centrum van Kuringen. Het laatste gebouwenensemble vóór de grens met Kuringen was de hoeve van Crutsen. Zij was gelegen op het laagste punt van de stad. De mondelinge overlevering laat de geschiedenis van het pachthof Crutsen teruggaan tot de periode van de kruistochten. In het westen grensde het hof aan het Crutsen Savelveld, links van de baan naar Kuringen aan het Crutsen Swertvelt (tussen de percelen 846 en 860) en de Crutsen Hotspot (perceel 862), in het noordwesten aan het Crutsenbos (tussen percelen 1278 en 1294) en in het noorden aan de Alverberg. Bekende weiden hierbij gelegen waren de Haarbemden (tussen percelen 1279 en 1303) en de Laak (tussen percelen 1283 en 1354). De laatste vernieuwingen aan de pachthoeve werden in de tweede helft van de achttiende eeuw aangebracht door de familie de Geloes. Volgens een eigentijds bestek bevond de hoeve zich in 1723 nog in goede staat, in 1760 was de toestand ronduit slecht en in 1788 erbarmelijk. Vanpaesschen heeft de gebouwen dus waarschijnlijk in deze laatste staat gezien. De vierkante toren bij de ingangspoort en het tuinpaviljoentje dateren van bij het begin van de negentiende eeuw. 5

129


130

Vooraanzicht van de Crutzenwinning. (Foto M. Impen)

54 55

56

Grauwels, Kroniek van Hasselt, nr. 818. C. Bamps en E. Geraets, ‘Hasselt-jadis. Recherches historiques et archéologiques sur la situation ancienne de la banlieue de cette localité’, BSM, XXXI (1895), 13 voetnoot 3. C. Bamps en E. Geraets, ‘Hasselt-jadis. Recherches historiques et archéologiques sur la situation ancienne de la banlieue de cette localité’, BSM, XXXI (1895), 91.


131

In 1967 werd de Crutsenwinning, op dat moment in pacht door de familie Philippaerts en eigendom van de familie de Schaetzen, ontruimd voor openbaar nut. Het urbanisatieplan van de stad Hasselt voorzag in de aanleg van de Grote Ring. De stoere kwadraathoeve moest wijken en Crutsen met haar rijke geschiedenis verdween voor altijd van de kaart van Hasselt. Het Crutsenhof werd reeds op 12 april 1364 in een in het Latijn opgestelde schenkingsakte van de schepenen naar Loons recht onder de naam “Cutersen” vermeld. In een akte van 10 oktober 1384 wordt de naam van het hof “Cruytsen” gespeld en in een akte van bekentenis van de Leenzaal van Kuringen wordt het goed geciteerd als het “Hof van Crutz”. De heren van het hof droegen een kruis in hun wapenschild, volgens de overlevering een verwijzing naar de kruistochten. Ook de stamnaam van het goed, cruce (kruis), later omgevormd tot Crutse, zou hiernaar verwijzen. 57 Het hof – of de curia – van Crutsen (een leengoed van de Loonse graaf) hield er zelf een klein leenhof op na. Bij het overlijden van de leenheer (aanvankelijk de graaf van Loon en vanaf 1364 de prins-bisschop van Luik in zijn hoedanigheid van graaf van Loon) of van de leenman zelf, moest het leen aan de leenheer worden teruggeschonken. Deze plechtige overdracht werd verheffing (relief) genoemd. De nieuwe bezitter betaalde voor deze belening aan de Leenzaal van Kuringen 12 realen (48 gulden), wat een aanzienlijk bedrag vertegenwoordigde. Een verheffing van 1456 omschrijft de verschillende bezittingen van het hof met name als een kasteel, landbouwgronden, beemden, weiden en bossen, lenen en cijnzen (“cum mansione, terris arabilibus, pratis, pascuis, nemoribus, homagiis, censibus”). De spilelementen van het bedrijf waren de boerderij, het laathof en het leenhof. 58 Volgens een beschrijving, vervat in de registers van het Hof van Crutsen uit 1519, omvatte de boerderij een kemphoeve met een oppervlakte van 24 bunder, 13 grote roeden en 6 kleine roeden, 14 bunder beemden en weiden en 3 bunder bos. De totale omvang van de boerderij bedroeg derhalve 44 bunder, 13 grote roeden en 6 kleine roeden. De Crutsenbeek, een beekje dat de vijvers van Michiel van Caulille (burgemeester van 1606 tot 1607, van 1611 tot 1613, van 1614 tot 1615, van 1620 tot 1621 en van 1624 tot 1625) van water voorzag, mocht sinds 1605 slechts twee dagen per week door het goed van de Geloes lopen. 59 Het laathof was, conform aan de andere laathoven, samengesteld uit een meier en zeven laten. Het was hun taak de cijnzen in geld of in natura voor hun heer te innen. Verheffingen en verkopen van landerijen die aan cijns onderworpen waren, moesten voor het laathof gebeuren. Het laathof sprak ook vonnissen uit inzake grensbepalingen, het plaatsen van hagen, servitudes en in kleine geschillen van de laten onderling. Op 26 december, op Sint-Stevensdag, werd er jaarlijks voor het laathof een cijns van 20 ¾ kapuinen ten voordele van de heer van Crutsen vereffend, wat neerkomt op een kapuin cijns per familie. De geldelijke cijnsbijdrage was vastgelegd op 4 stuiver en 3,5 oord, hetgeen voor de heer een totale opbrengst betekende van 5 rijksgulden en 4 stuiver per jaar. 60 In 1519 telde het leenhof van Crutsen nog meerdere leenmannen. Deze houders moesten tegenover hun leenheer de eed van getrouwheid afleggen. In tegenstelling tot de cijnsplichtigen waren de leenmannen er niet toe gebonden een jaarlijkse cijns te betalen. De hogervermelde cijns van twintig kapuinen bewijst dat de heer van Crutsen twintig laten in zijn hof telde. Zelf was hij ertoe gehouden zijn ridderdienst te bewijzen aan de graaf van Loon. In deze hoedanigheid werd hij bijgestaan door twee schildknapen, met name de houder van de hoeve van Hilst en de houder van het hof van Vechmaal, beiden zijn adjuncten in het Loonse feodale leger. Crutsen was dus een Loons ridderleen dat over zijn laathof een lagere jurisdictie uitoefende, maar zelf ressorteerde onder de hogere rechtspraak van de schepenen van de buitenbank van Hasselt. In datzelfde jaar bestond het leengoed van Crutsen uit 10 bunder en 5 roeden grond, 6 mud koren, 11 ½ gulden en 4 schildgulden, een huis in de Maastrichterstraat in Hasselt en een laathof dat beheerd werd door Geert Duyfkens. Dit laathof was het hof van Vechmaal, waaronder in de binnenstad van Hasselt alle panden en gronden op het Engelant ressorteerden. Tot het leengoed van Crutsen behoorde ook een hoeve van 13 bunder gelegen op Hilst, die voor de ene helft toehoorde aan Hendrik Loerendorp en voor de andere helft aan Jaen Wyens. 61


132

De namen van de oudste heren zijn niet overgeleverd. Ofschoon zij ongetwijfeld deel uitmaakten van de hoge Loonse adel, hebben zij nooit ambten binnen de hofhouding van de graaf waargenomen. Waarschijnlijk waren zij herenboeren die hun wapenuitrusting aflegden, wanneer de oogst op hen wachtte. Het chronologisch overzicht van heren, huurders, eigenaars en pachters die bij naam gekend zijn, begint bij Luikenaar Willem de la Tour uit Fexhe. Hij was heer van Crutsen in de veertiende eeuw. Hij werd in 1333 vermeld als schildknaap van de graaf. Het goed van Crutsen werd in 1361 verheven door zijn zoon ridder Jean de la Tour, die in de omgeving van Hasselt een hof met aanhorigheden bezat. Laatstgenoemde ridder verhief zijn leenhof opnieuw op 13 augustus 1364 bij het aantreden van prins-bisschop Jan van Arkel. 62 Verder besliste hij dat wanneer hij kinderloos zou overlijden, een rente van 60 mud spelt op het goed van Crutsen aan zijn schoonbroer en zijn schoonzuster Giles en Marie Chabot geschonken zou worden. Het vruchtgebruik zou in voorkomend geval bestemd zijn voor zijn moeder Isabella, genoemd Prisonette, weduwe van Willem de la Tour. Isabella deed afstand van haar vruchtgebruik in het voordeel van haar zoon Jean de la Tour, die met instemming van zijn schoonzonen op 1 december 1390 zijn goederen verkocht aan de burgemeester van Hasselt Jan Stas en diens zoon Eustachius van Zonuwen. 63 Johan van den Steenweghe verhief op zijn beurt het hof van Crutsen op 4 november 1427 na de dood van zijn vader Jan Stas. Dit erfgoed kwam hem immers rechtmatig toe bij testament. Johan van den Steenweghe verkocht de hoeve aan zijn zuster Aleidis op 12 februari 1445 tegen een rente van 100 grijpen voor zichzelf en 30 gulden voor zijn vrouw Lysbeth Poppen, indien deze hem zou overleven. De volgende die tot de verheffing van de hoeve overging was Steven Vilters of de Vilter, zoon van Aleidis. Na de dood van Aleidis kwam een andere zoon, Nicolaas Vilters, op 29 juli 1456 in het bezit van het leen. 64 Diens dochter Kathrien Vilters kreeg de winning van haar vader als bruidsschat naar aanleiding van haar huwelijk met Jan de Geloes in 1487. Kathrien liet op 23 juli 1517 het hof van Crutsen verheffen door haar zoon jonker Steven de Geloes van Nyswilre, die gehuwd was met Margriet de Cyney, weduwe Tybouts. Ingevolge dit huwelijk kwam Crutsen voor vele jaren in handen van de familie de Geloes. Na de dood van vader Jan de Geloes en moeder Katharina, dochter van Claes Vilters en Aleidis van den Steenweghe, volgde de definitieve verheffing op 13 april 1518. 65 Een andere nazaat, Jan-Renier de Geloes, advocaat en burgemeester van Hasselt in 1653 en 1674, was bekend als grootgrondbezitter en eigenaar van verscheidene hoeven, waaronder die van Crutzen. Rond 1650 herbouwde Jan-Renier de winning in steen. Tot diep in de negentiende eeuw bleven de afstammelingen van Steven de Geloes het hof van Crutsen beheren. Het was lange tijd het enige Loonse leen dat de familie in bezit had. Krachtens dit eigendomsrecht maakte de familie de Geloes deel uit van de cavaliers van de Leenzaal van Kuringen, behoorden zij uit hoofde van hun geboorte tot de Loonse adel en waren zij eveneens opgenomen in de Luikse adel of de Tweede Stand van het prinsbisdom. Zelfs toen ze hun familiewoning in Hasselt, het Gravenhuis in de Nieuwstraat, samen met andere bezittingen op 28 juli 1784 tegen 26.000 Luikse gulden van de hand deden aan Willem Royers, bleven zij eigenaars van het hof van Crutsen. Het wapen van de familie de Geloes “van sabel met een getand kruis van goud” en hun leuze “in hoc signo vinces” (in dit teken zal je overwinnen) herinneren aan de feodale oorsprong van de hoeve van Crutsen. 66 In het derde kwartaal van de negentiende eeuw woonde op Crutsen als eigenaar de markies de Grimaldi, afstammeling van het prinselijk geslacht van Monaco en echtgenoot van de gravin de Geloes uit het Waardenhof. Boven de toegangsdeur prijkte het portret van de markies van de hand van J. Courroit (1831-1906). De familie de Schaetzen was de laatste eigenaar van Crutsen. In 1927 werd pachter Joris opgevolgd door het echtpaar Felix Schepers-Goossens, dat met zijn vier kinderen op de boerderij een melkbedrijf exploiteerde. Na een pachttermijn van negen jaar werd pachter Felix Schepers in 1936 opgevolgd door de familie Vinke Schepers-Sneyers en haar tien kinderen. Met de opbrengst van de verkoop van de melk van een veertigtal koeien, die zij dagelijks bedeelden op de Kuringersteenweg en in enkele zijstraten, kon het gezin royaal leven.


133

Zicht op het pachthof van de Crutzenwinning. (Foto M. Impen)

De Tweede Wereldoorlog betekende een keerpunt in het boerenleven op het bedrijf. De bombardementen van de geallieerde luchtmacht op het rangeerstation van Hasselt op paaszaterdag en paaszondag 1944 vernielden meteen de schuur, de inrit met de toren en enkele aanpalende vertrekken van de Crutsenwinning. Na de bevrijding keerde Vinke Schepers er terug en werd het verwoeste gedeelte heropgebouwd. De familie bleef er nog tot 1954. De laatste pachter van de winning was het echtpaar Lambert Philippaerts-Asnong. Zij betaalden hun pachtgeld aan de eigenaar de Schaetzen. Ook deze familie voorzag in haar dagelijkse bestaan door de verkoop van melk. In het beknopte historisch overzicht dat in 1519 van de boerderij werd opgesteld, beweerde Steven de Geloes dat de winning ook lange tijd bewoond werd door een halfwin, die in ruil voor zijn arbeid de helft van de veldgewassen voor zichzelf mocht behouden. 67 Pachter Jean Moens betaalde een huur van 55 rijksgulden, Yngel daarentegen 52 hornsgulden omdat hij het bos niet in pacht had. In 1571 was de pachtsom opgelopen tot 80 gulden, in 1684 tot 100 pattakons, het daaropvolgend jaar zelfs tot 635 gulden. Een dergelijke prijsstijging was doorgaans het gevolg van slechte oogsten. Pachter Henri Plomteux moest zelfs een deel van zijn graanoogst afstaan. Met het verloop van de jaren bleef de pachtprijs alsmaar stijgen. In 1772 werd de Broekerwinning onder Kuringen geaffilieerd aan Crutsen, waardoor de huurprijs van beide hoeven voor pachter Paulus Schouterden opliep tot 1.350 gulden. In het jaar 1771 bracht de verkoop van bomen anderzijds 1244 gulden op. Volgens een opmeting besloeg Crutsen in 1714 een oppervlakte van 45 bunder, 4 grote en 9 kleine roeden. Het Broek, dat reeds in 1295 vermeld werd in het testament van Hendrik Tant, werd in 1727 afgekocht door Maurits-Ferdinand de Geloes van Nicolas de Smackers tegen een bedrag van 1.000 schilden. In 1788 besloeg het een oppervlakte van 23 bunder. Crutsen zelf had toen een oppervlakte van 52 bunder. De twee erven werden tegen 1.700 gulden aan de drie gebroeders Marchal uit Loon verpacht. De broers vernieuwden het huurceel op 27 prairial an XI voor zes jaar. De huurprijs bedroeg 1.770 gulden of 2.151,50 frank voor 75 bunder of 65 ha 40 ca. De huurders namen al de lasten van


134

het nieuwe gebouw op zich en deden afstand van 1,52 ha met de hoeve van het Broek. 68 Zij kregen vervolgens een vergunning om op een zekere afstand van hun hoeve een stokerij te bouwen (25 thermidor an 12). Toch raakten ze in moeilijkheden en werden ze in 1817 op straat gezet. Hun inboedel werd in 1817 openbaar verkocht. De stokerij vond geen overnemers en bleef voor het bedrag van 3.150 fr. eigendom van de heer de Geloes. Pachter Nicolas van Dormaal betaalde voor de periode 1827 tot 1836 een huur van 3.200 fr en pachter Steegmans voor de Broekwinning 120 gulden. Onder het Franse bewind wou de eigenaar Crutsen verkopen. Het goed werd toen geraamd op 70.700 gulden voor de hoeve, 1.000 gulden voor het bos, 30.000 gulden voor de gebouwen van Crutsen en van het Broek, een totaalbedrag dus van 101.700 gulden.

57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67

68

RAH, verheffingen van de Leenzaal van Kuringen (eerste tien registers) J. Lyna, ‘De schepenbanken van Hasselt’, VO, IX (1933), 11. M. Bussels, ‘De hoeve van Crutsen te Hasselt’, Limburg, XL:3-4 (maart-april 1961), 69-70. Bussels, ‘De hoeve van Crutsen te Hasselt’, 71. G.C. De Corswarem, Mémoire historique sur les anciennes limites et circonscriptions de la province du Limbourg (Bruxelles 1857) 218. J. Reynders, Toponymie van Hasselt (extra muros) (Leuven 1935) 45. C. De Borman, Les fiefs du comté de Looz sous Jean d’Arckel (s.l. 1875) 8. RAH, Leenzaal van Kuringen, verheffingen VI, f° 56 en X, f° 39. RAH, Leenzaal van Kuringen, verheffingen XII, f° 90. Bussels, ‘De hoeve van Crutsen te Hasselt’, 73. Een ander woord voor halfwin is halfman. Halfmannen waren tot de Franse tijd pachters van grote boerderijen, die de helft van de opbrengst mochten houden, de andere helft was voor de eigenaar van de boerderij. http://www.ppsimons.nl/stamboom/halfman.htm. Bussels, ‘De hoeve van Crutsen te Hasselt’, 73.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Galg Perceelnummer: 853. De galg, die ook het Gericht van Hasselt genoemd werd, stond op de grens van Hasselt met Kuringen, op het Crutsen Swertveldt, op de plaats die kadastraal als de Galgeberg werd aangewezen. Het Crutsen Swertveldt bij de grens met Kuringen strekte zich uit tussen de Kuringersteenweg en de spoorweg naar Diest. Mantelius verhaalt dat deze galg in 1492 was opgericht in opdracht van prins-bisschop Jan van Horn: “trifurca illa solidi operis via Curingiana in ultimo districtus Hasseletensis limite jussa est aedificari a Joanne Hornaco principe circiter annum 1492�. Op de spits van de pilaar waren ijzeren wimpels aangebracht waarop drie hoorns afgebeeld stonden, het wapenschild van de familie van Horn. De galg werd in 1525 door een exemplaar in steen vervangen. 69

69

Mantelius, Kroniek van Hasselt, 282.

135


136


137

Terechtstellingen in Hasselt Aangezien de meeste strafwerktuigen bij de uitvalswegen van de stad opgesteld stonden, werden de voorbijgangers dagelijks geconfronteerd met het akelige schouwspel van half vergane lijken. De rechtspleging trachtte hiermee de vrije burger de schrik voor de misdaad in te boezemen. Meestal werd in opdracht van de Hasseltse schepenbank een executie uitgevoerd door ophanging, omdat de dood aan de galg doorgaans onmiddellijk intrad. Wanneer het einde op zich liet wachten, werd de veroordeelde door de beul gewurgd, om hem zodoende verder fysiek lijden te besparen. Het lichaam van de gehangene bleef doorgaans aan de galg bengelen tot het volledig ontbonden was. Aan de voet van de paal was een kuil gegraven waar de lichamen later werden ingeworpen. In zijn hoedanigheid van schout diende Steven de Geloes (1493-1581) iedere executie bij te wonen. In zijn bijzijn werd Simon Melaers uit Tongeren, die van ketterij beschuldigd was, op deze plaats levend verbrand. Een uur later werden twee protestanten en een wederdoper er op dezelfde manier aan hun eind gebracht. 70 Tussen 7 mei 1606 en 30 juni 1618 – over een tijdspanne van twaalf jaar – werden vijftien terechtstellingen in de rolregisters opgetekend, waaronder één van een tovenares. Op 12 september 1617 werden aan de drievorkige galg op het Swertveldt bij de grens van Kuringen vijf personen gehangen door de beul van Luik, Steven Balza. Ook Jan Pyp werd hier opgehangen. Op 22 november 1661 werd Pyp, een welgestelde burger, echtgenoot van de rijke Christina Bisschoppen, er terechtgesteld, omdat hij zelfmoord had gepleegd. Overeenkomstig de verklaringen van zijn vrouw was hij door een “hete koorts” bevangen. Gezien zelfmoordenaars niet in gewijde grond mochten worden begraven en hun lijk eerst met een been aan de galg moest worden geknoopt, “anderen ten spiegel ende exempel”, wat door de familie als een schande ervaren werd, begroeven de cellebroeders in overleg met zijn naaste verwanten het lijk in de tuin van zijn huis. De justitie was het evenwel niet eens met deze illegale wijze van begrafenis. Het geding werd verder in beroep behandeld voor de schepenen van Luik. Alle interventies ten spijt werd het lichaam van Pyp veroordeeld tot verhanging en werd het vonnis tien dagen na zijn dood voltrokken, conform de voorschriften van de wet: het lijk werd opgegraven en opgeknoopt aan de galg. 71 Jan Baptist Lemaire uit Hasselt en Jan Bando uit Kermt werden op 3 december 1774 door ophanging geëxecuteerd wegens diefstallen, die zij in augustus 1763 met een bende Bokkenrijders te Stevoort gepleegd hadden. Op 11 maart 1792 werd Francis Rol aan deze galg opgehangen. De laatste gehangene op de Galgenberg bij het Swertveldt was een zekere François Pagneau, die zich had bezondigd aan diefstal met inbraak ten nadele van de Hasselaar Arnold Cordens. De man had hooguit enkele tinnen schotels ontvreemd voor een bedrag van 65 gulden. De formulering van de uitspraak van de schepenbank toont aan dat iedere vorm van elementair menselijk begrip afwezig was in de besluitvorming van de rechters: “Vonnis in zake den hoogedelen hooggeboren heer grave de Geloes, hoogen officier der stadt en jurisdictie van Hasselt, door zynen lieutenant-drossart d’heer J.B.Alen qu. qu. inquirent, Tegens François Pagneau ghevanghenen: Praesentibus dominis scabinis Pyp, Janssens, Salez, Bosch et Claes de consilio, Dom. De Stellingwerff scabino Leodiensi. Schepenen van de hooghe justitie der stadt Hasselt ten Loonschen recht, naer overzien der akten, wyzen den officier wel gefundeerd om den ghevanghenen te doen brengen ter plaetse van justicie en denselven aan de ghalghe aldaer te doen hanghen ende worghen, tot dat de doodt daerna volght anderen tot spieghel ende exempel. Actum in judicio den 26 Julius 1792 ende aldaer den 27 Julii dito ghepronunceerd en voorgelezen aan François Pagneau ghevanghen, ten dezen per Broeckx bode ut refert bedaegt, in praesentie van de heeren schepenen Pyp, Janssens, Claes, Salez en den heer lieutenant-drossart Alen. In ghevolgh der ghemelde sententie is François Pagneau op den 31 Julius 1792 omtrent den middag, naer inhoud derselve, aen de ghalghe op ’t grens teghen Curinghen, geexecuteerd ende dood gestorven. Signé J. Baptiste Alen, drossart”. 72 Het hier besproken strafwerktuig werd op 27 november 1795 op bevel van het gewestelijk bestuur van Maastricht door de stadsmagistraat afgebroken. De terechtstelling aan de galg werd trouwens in 1795 door de Franse bezetter opgeheven. Het jongste rolregister van de stad Hasselt


138

vermeldt hieromtrent: “Den 27 november 1795 is de ghalghe, staande op ’t grens van Hasselt en Curinghen omtrent Crutzen, afgebroken door den magistraet van Hasselt, op order van de administratie van Maestricht en den franschen commissaris Le More.” Alle overige galgen waren toen ook al verdwenen. Er stonden aanvankelijk nog galgen tegenover de Lakenhalle op de Grote Markt, op de plaats waar vandaag het Jonkmansplein ligt, bij de Galgenvijver en aan de Beverzak in Kiewit. Tijdens de eerste jaren van de opkomst van het protestantisme (tweede helft zestiende eeuw) in Hasselt stond er ook voor de Lakenhalle aan de Grote Markt een galg opgesteld. De plaatskeuze van dit moordtuig was uitzonderlijk, omdat in alle gemeenten de “plaetse van supplicie” buiten de bewoonde kom gelegen was, meer bepaald op de grens met een naburige gemeente. Deze galg, die in weerwil van de traditie op de Grote Markt werd opgesteld, was een kort bestaan beschoren. Mantelius vermeldt dat er in februari 1543 zes anabaptisten werden opgeknoopt. Kanunnik Jean Chapeauville (1551-1617), ketterrechter en aartsdiaken van Luik, bericht in het derde deel van zijn Gesta dat er in Kuringen negen mannen als ketters levend verbrand werden en dat er tien vrouwen in het water werden versmoord. 73 Na de beschieting van de stad door Gerard van Groesbeek in 1567 werd opdracht gegeven om de galg op de Grote Markt af te breken. Of dit werkelijk gebeurde, weten wij niet, want de stad betaalde op 12 januari 1679 vier gulden aan de cellebroeders “van dat sy eenen patient van die galghe op den merct afgesneden ende begraven hebben, cathelijck synde.” 74 Een tweede executiemethode was het radbraken, vooral uitgesproken tegen daders die zich bezondigd hadden aan moord met bezwarende omstandigheden. Terwijl de ter dood veroordeelde nog leefde, werden op het rad zijn armen, dijen, benen en de nierstreek gebroken. Dan werd zijn verminkte lichaam op een wiel vastgesnoerd dat tegen het schavot werd gelegd. De betrokkene bleef hierop uitgestald tot de dood hem uit zijn lijden kwam verlossen. Wanneer de beul met een paar rake slagen de dood bespoedigde, werd dit beschouwd als een blijk van genade. Naast ophanging en radbraken kwam ook onthoofding als strafmaatregel vrij frequent voor. De beul bediende zich van een bijl of van een zwaard. Deze techniek veronderstelde een zekere handigheid om met één slag het hoofd van de romp te scheiden. Meestal moest de beul meerdere keren toeslaan. Er zijn gevallen bekend waarin de beul zijn werk pas tot een goed einde bracht na tien à vijftien pogingen. Soms waren de rechters van mening dat zelfs een kapitale straf niet zwaar genoeg doorwoog in verhouding tot het gepleegde misdrijf. In voorkomend geval werd na de terechtstelling het lijk van de geëxecuteerde op een rad uitgestald of aan een staak opgehangen of werd zijn hoofd op een piek gespietst. Soms liet de prins-bisschop of één van de landsheren in geval van doodslag het huis van de moordenaar afbranden. Wanneer de woning binnen de stadskern gelegen was, werd het pand afgebroken en werden de brokstukken op een afgelegen plaats verbrand. Deze kapitale executies waren geen zeldzaamheid in Hasselt. Ze staan summier opgetekend in de registers van de bouwmeesters en in de rollen, omdat de stadsmagistraat “de dieffhencker en syne rakkers” (de beul en zijn secondanten) voor hun werk moest betalen. De stad Hasselt had trouwens zelf geen beul permanent in dienst. Doorgaans moest de overheid een beroep doen op een vreemde scherprechter. In 1511 ging Jan Appelzouwen zes dagen lang op zoek in Leuven, Mechelen en Antwerpen “om eenen scherprechter die men niet gecrijgen en cost”. De beul van Rummen, meester Michiel, stond bekend om zijn vaardigheid bij het hanteren van het zwaard. Daarom deed de stad Hasselt doorgaans een beroep op zijn diensten. Vanaf 1734 nam de staat deze uitgaven voor haar rekening. Het Oostenrijkse bestuur betaalde aan de gerechtelijke officieren zestig gulden voor de uitvoering van een kapitale straf en dertig gulden voor een geseling. De stadsmagistraat bleef soms in gebreke tegenover de secondanten die bij een terechtstelling een handje toestaken. Zo moest in het jaar 1615 in het midden van de nacht de stadsbode de pastoor van Kuringen gaan halen om de biecht af te nemen van een ter dood veroordeelde. De prior van de augustijnen, die gewoonlijk voor deze taak werd aangezocht, had ditmaal geweigerd, omdat hij enkele keren geen vergoeding had ontvangen om een misdadiger bij zijn terechtstelling bij te staan met geestelijke en morele steun. 75


139

Behalve aan de galg werden er ook kapitale straffen aan de perrons in de binnenstad uitgevoerd. Hoewel de perrons symbolen waren van de burgerlijke vrijheden tijdens het ancien régime, en zij voornamelijk de plaats waren waar openbare aankondigingen gebeurden, dienden zij ook als plaats waar vonnissen uitgesproken werden, waar straffen voor lichtere vergrijpen uitgevoerd werden en in sommige uitzonderlijke gevallen ook als terechtstellingsplaats. Op de Grote Markt tegenover de Lakenhalle en “Die Hoichbrugge” stond het perron, een stenen zuil gemonteerd op een arduinen voetstuk van een zestal treden, versierd met het wapen van de stad Hasselt en bekroond door een vergulde pijnappel met een kruisje in top. Henneken Bloesen zwoer op 19 november 1522 zich te zullen wreken op Lemmen Thoers “al solde men hem sijnen hals aenden piroen aeffslaen”. Een andere betichte wilde zijn woede botvieren op de raadsheren, “al solde hij aenden piroen op een raet sitten.” 76 Jan Swennen uit Hasselt werd wegens overspel veroordeeld om van 9u tot 13u op de markt aan de schandpaal te worden gebonden. Boven zijn hoofd werd een bordje met de toelichting over de reden van deze straftoepassing gehangen. 77 Een vonnis van 9 januari 1716 voorziet een straf voor diegenen die op het kerkhof “dreck ende secreten derven uytgieten.” Burgers die zich hieraan bezondigen zullen drie dagen aan de schandpaal gesteld worden “om aldaer met dreck ende vuyligheijt overworpen te worden.” 78 Tussen de zestiende en de achttiende eeuw stond er een tweede perron opgesteld op een achttal meter van het hoekhuis tussen de Raamstraat en de Botermarkt. Deze zuil was veeleer een schandpaal, waar misdadigers aan de kaak werden gesteld. In september 1546 werd een zekere Rombout van Mechelen onthoofd aan de voet van dit perron “voer zeickeren excesse hier bedreven.” Overeenkomstig de privileges wilde de stadsontvanger aan de beul een hornse gulden uitbetalen. De baljuw, die bij de terechtstelling aanwezig was, antwoordde dat alle onkosten door de stad gedragen moesten worden. Waarop de burgemeesters aan de beul dertien gulden en zes stuiver deden uitbetalen. Op 4 maart 1548 werd Heynken Speelmans in Hasselt terechtgesteld door de beul meester Happf. Het is niet bekend door welke wijze van executie hij om het leven gebracht werd. Op 10 oktober 1549 vond aan dit perron de terechtstelling plaats van Hencke Bamps door de “diefhencker meester Hans.” 79 Onterende lijfstraffen, zoals geselen, brandmerken, kuipdragen en het verslepen van aan mekaar geketende stenen – uitgesproken tegen overspelers en begeleid door de bespotting van de samengestroomde volksmassa – , werden ook uitgevoerd op de Verckensmerct (Havermarkt) tegenover het stadhuis. 80 Toen Geurt Squaeden het drankhuis en gasthof “De Cat” aan de Havermarkt uitbaatte, overnachtte er op 27 juli 1615 de beul en scherprechter Steven Balza, aan wie opgedragen was de ter dood veroordeelde Thomas Boul op de Verckensmerct te onthoofden. De stad betaalde aan Squaeden negentien gulden voor logies en verteer van de beul en zijn knechten. Aanvankelijk weigerde Balza de executie uit te voeren omdat hij geen vergoeding had ontvangen voor vroegere terechtstellingen, “synde geensints tevreden met spreeken oft beloefte van loen.” Daarom voelde de stad zich verplicht hem eerst de achterstallige 56 gulden uit te betalen. 81 De kapitale en andere straffen maakten deel uit van de soms harde rechtspraak tijdens het ancien régime – een rechtssysteem dat door zijn onoverzichtelijkheid willekeur in de hand werkte. De naam Hasselt komt voor het eerst voor in een attestatie van 1165. In deze periode was er van een uitgebreide rechterlijke structuur geen sprake. De kleinschalige samenleving liet zich leiden door haar tradities en gebruiken, die de basis vormden van een primaire vorm van gewoonterecht, dat terugging op het Frankische recht. Dit gewoonterecht zou eeuwenlang blijven bestaan in de niet-stedelijke gebieden. Hasselt kreeg in 1232 van graaf Arnold IV van Loon de bevestiging volgens het Luikse recht te kunnen rechtspreken: “Het weze aldus bekend … dat ik Arnold, graaf van Loon, hetzelfde recht en dezelfde vrijheid die de stad Luik bezit, zowel van rechtswege als volgens het gewoonterecht, aan mijn villa Hasselt heb geschonken.” Het Luikse recht was een privérecht, waarin de persoonlijke vrijheid van het individu, het cijnsrecht, de schuldenregeling, het eigendomsrecht, erfenissen, regelingen bij vechtpartijen en andere beschikkingen vervat lagen. Met deze bevestiging bekrachtigde de graaf een bestaande toestand, want de binnenstad hanteerde het Luikse recht al vóór 1200. Een persoon werd dus naargelang zijn woonplaats volgens een ander rechtssysteem beoordeeld. In de buitenbanken bleef het traditionele Loonse landrecht van toepassing. 82


140

De strafrechtbanken werden ingedeeld in een lagere en hogere justitie. De lagere justitie was de bevoegdheid van de schepenen in een schepenbank. De landsheer (de graaf van Loon) benoemde hen voor het leven. Gewoonlijk waren zij zeven in getal en kregen zij aan hun schepenbank een secretaris toegevoegd om het schrijfwerk te verrichten. Zij werden opgeroepen door de schout in burgerlijke zaken en door de drossaard in criminele materies. Naast het beslechten van rechterlijke aangelegenheden hadden zij ook nog tal van administratieve plichten, zoals het registreren van eigendommen, onder hun bevoegdheid. De hogere justitie was de bevoegdheid van enkele Loonse – na 1366 nam de prins-bisschop alle Loonse gerechtelijke instellingen over – instellingen, zoals het Hof van Vliermaal, een soort beroepshof. Zoals het Hof van Vliermaal, waren er in het graafschap nog vijf andere drossaardschappen. Daarnaast bestond ook nog de Leenzaal van Kuringen. De functionarissen aan het hoofd van het Hof van Vliermaal en de Leenzaal van Kuringen waren vertegenwoordigers van de graaf en nadien van de prins-bisschop. Hun functie kan vergeleken worden met die van de huidige procureur des Konings. In de rechtsgedingen nam de drossaard de rol waar van het openbaar ministerie. Hij delegeerde zijn bevoegdheid aan de luitenant-drossaard, die zijn functie cumuleerde met het ambt van stadhouder van het graafschap Loon en in deze hoedanigheid de Leenzaal van Kuringen voorzat. Het Hof van Vliermaal was een hoofdrechtbank in criminele zaken. Zij functioneerde ook als appèlbank en sprak een advies uit voor lagere schepenbanken. Hun hoofdopdracht waren de recharges, lezingen van een vonnis van een lagere rechtbank. Hun vonnis moest ongewijzigd overgenomen worden door de inleidende rechtbank. De Leenzaal van Kuringen was de hoogste leenrechterlijke instantie, waar de verheffingen werden vastgelegd. Vanaf de zestiende eeuw functioneerde deze ook als appèlbank van het graafschap Loon, waartegen enkel beroep bij de Duitse rijksgerechten mogelijk was. De schepenen kregen feiten en getuigenissen van een wederrechterlijk gebeuren voorgelegd, gingen vervolgens over tot de ondervraging van de verdachte en stelden daarna een onderzoek (instructie) in. Zodra het onderzoek was afgerond, begaf één van de schepenen zich met het dossier naar het oppergerecht van Vliermaal om er hierover juridisch advies te vragen. Deze fase van het geding heette “in lering gaan”. Een dergelijke lering was nodig, omdat de zeven schepenen van de lagere rechtbank doorgaans geen geletterde mensen waren. De schepenen van het hof van Vliermaal daarentegen hadden een universitaire vorming genoten. Meestal spraken de Hasseltse schepenen een definitief vonnis uit in criminele zaken, behalve wanneer er twijfel bestond over de schuld van de betrokkene. In voorkomend geval gingen zij in lering bij de schepenen van de soevereine justitie van Luik of bij het Hof van Vliermaal. Terwijl de procedure van een rechtsgeding zich in de middeleeuwen gewoonlijk beperkte tot de beschuldiging van de veroordeelde, werd vanaf 1316 elk dossier onderworpen aan een onderzoek. Rechtsbijstand was onbestaande. Pas vanaf de Franse tijd mocht een verdachte zich laten bijstaan door een advocaat. Het is opvallend dat de strafmaat verschilde van geval tot geval. De rechters oordeelden met een zekere willekeur. Hun beslissingen misten elke elementaire eenvormigheid in de toepassing van de strafmaat. Het is op zijn minst bevreemdend dat daar, waar de procedure van de ondervraging volgens strikt geëigende formules plaatsvond, de eigenlijke strafwetgeving nooit gerubriceerd werd in een vaste codex. Het ancien régime kwam er niet toe de strafwetgeving te codificeren. Pas in 1582 onder Ernest van Beieren werd in het Land van Luik een eerste poging ondernomen om dit overgeleverd gewoonterecht in geschreven teksten vast te leggen. De strafbepalingen, opgelegd door de vroegere rechtspraak, weerspiegelden vaak een karakter van vooringenomenheid tegenover de beschuldigde en misten derhalve de nodige objectiviteit. De vonnissen leken vaak op een soort wraakneming tegenover een individu in naam van de maatschappij. Ondanks het afschrikwekkende karakter van vele straffen bleef de misdaad weelderig tieren. De Franse Revolutie maakte een eind aan deze willekeurige rechtspleging en stoelde het nieuwe rechtssysteem op menswaardiger principes, die de schuldige de kans gaven te boeten voor zijn daden en zodoende zich eventueel voor te bereiden op zijn terugkeer naar de maatschappij. 83


141

Terechtstellingen in Kuringen Sommige kapitale straffen – zoals de brandstapel, het vierendelen en de verdrinkingsdood – waartoe onder meer ingezetenen van Hasselt veroordeeld waren, werden uitgevoerd in Kuringen. Waarschijnlijk vindt dit feit zijn verklaring in de aanwezigheid van de Leenzaal van Kuringen in die gemeente. Een zekere Hendrik Durbuy werd in 1505 in Kuringen gevierendeeld in opdracht van Jan van Horn. Voor welk misdrijf de man veroordeeld werd, is niet geweten. Het spektakel werd bijgewoond door de burgemeester en de schepenen. Aan elk van zijn voeten en armen werd met een touw een paard vastgemaakt. De dieren werden vervolgens opgezweept en trokken uit volle macht in de tegenovergestelde richtingen, waardoor de vier ledematen van de terechtgestelde van zijn lichaam werden afgescheurd. Zodra de strafuitvoering voltrokken was, nam de beul de diverse onderdelen van het lichaam mee. De romp werd vóór het perron op de hoek van de Botermarkt uitgestald. De overige lichaamsdelen werden naar verschillende steden van het graafschap opgestuurd, om de bevolking af te schrikken. 84 De terechtstelling op de brandstapel was zowel in Hasselt als op andere plaatsen in het graafschap Loon eerder uitzonderlijk. Wel werd deze vorm van strafuitvoering in de zestiende eeuw vrij frequent toegepast. Inzonderheid lutheranen eindigden hun leven op de brandstapel. Op 29 maart 1534 werd een zekere Andries uit Niel er gewurgd en verbrand. Op 31 maart 1534 beëindigde Simon Melaers uit Tongeren zijn dagen op dezelfde manier. 85 Op 28 februari 1535 werd er een vrouw uit Sint-Lambrechts-Herk verbrand en op 2 maart 1535 overkwam een man uit dezelfde gemeente hetzelfde lot. In 1538 gingen negen anabaptisten dezelfde weg op. Ketters en andersdenkenden die beschuldigd werden van hekserij, werden ook door het vuur omgebracht. Zij werden er immers van verdacht een pact met de duivel te hebben afgesloten. In dit opzicht was er in de rechtspraak in onze gewesten geen enkele evolutie te bespeuren. Zelfs in de achttiende eeuw werden de onderzoeken naar de praktijken van de Bokkenrijders nog steeds afgewogen naar hun contacten met de duivel. Op 24 juli 1535 werd Goerken van Wimmertingen onthoofd, omdat hij luthers was. Hij had in zijn hagenpreken vooropgezet dat men geen heiligen mocht vereren, dat biechten uit den boze was, dat men geen geloof mocht hechten aan het heilig sacrament, dat aflaten slechts bedrog waren, dat vasten geen gebod van Christus was en dat de pausen allemaal bedriegers waren. “Syn lichaem waert geworpen onder den raetboem ende synn hoefft opt raet in eenen staeck teenen spiegel.” 86 In 1538 werden negen wederdopers in Kuringen geëxecuteerd en tien vrouwen strafrechtelijk “verzopen”.

Andere strafvormen Naast de doodstraffen werden uiteraard door de schepenbanken ook minder zware straffen uitgesproken, die evenmin in een evenredige verhouding stonden tot het gepleegde misdrijf. De rechters deinsden er niet voor terug een veroordeelde de hand te laten afkappen of zijn oren te laten afsnijden. Ongewenste zwervers moesten doorgaans een geseling ondergaan. Misdadigers van gemeen recht werden in het publiek aan de kaak gesteld, zodat zij door elke voorbijganger naar willekeur bespuwd konden worden of met slijk besmeurd worden. Een van de klassieke lijfstraffen bestond er in de beschuldigde met een gloeiend ijzer te brandmerken op de schouder, op de wang of op het voorhoofd. Tiel de lakenvoller, die op de Broekermolen woonde, leefde in overspel met Marie Gheets. Hij werd veroordeeld om “de steene te dragen” en zijn minnares werd gedwongen “de cuype te dragen”. Wanneer de rechtbank beslag legde op de eigendommen van een ter dood veroordeelde, kwam de helft van deze bezittingen ten goede aan de prins-bisschop en werd de andere helft onder de rechters verdeeld. De verbanning, die gepaard ging met een zeker ceremonieel, was een vorm van tijdelijke vrijheidsberoving. De rechtbanken uit het ancien régime kenden immers geen opsluiting in een gevangenis. In voorkomend geval werd de veroordeelde tot voor het stadhuis gebracht met een hennepkoord om de hals, symbool voor de strop die hem te wachten stond wanneer hij het zou wagen


142

opnieuw in de stad te verschijnen voordat de termijn van zijn verbanning verstreken was. Nadat hij voorafgaandelijk verscheidene uren aan de kaak was gesteld ten aanschouwen van zijn stadsgenoten, werd hij tot aan één van de stadspoorten geleid, waar hem bevolen werd de stad stante pede te verlaten. Al te vaak sprongen de schepenen lichtzinnig om met deze zwaarwegende straf. Zo werd de slagersknecht Van Bilsen, die zijn patroon twee schaapsvellen had ontstolen, op 26 oktober 1793 veroordeeld tot een verbanning van veertig jaar, nadat hij bovendien nog twintig stokslagen te verduren had gekregen. 87 Soms werd een verplichte bedevaart als straf opgelegd. De veroordeelde was in voorkomend geval er toe gehouden zich naar een bekend bedevaartsoord te begeven als boetedoening voor zijn misdrijf. Bij zijn vertrek werd hij met de pelgrimsstaf in de hand tot voor de magistraat geleid. Bij zijn terugkeer moest hij aan ditzelfde college een attest voorleggen van de pastoor of van de geestelijke autoriteiten van de plaats(en) waar hij op bedevaart was geweest. Gilis Blasen, die veroordeeld was tot een bedevaart naar het graf van de Drie Koningen in Keulen, kon bij zijn terugkeer in maart 1465 een schriftelijk bewijs voorleggen van de notaris van het aartsbisdom Keulen, waaruit bleek dat hij een bezoek had gebracht aan het heiligdom. Bekende bedevaartsoorden waren Rocamadour (Rutsemedouwe) aan de voet van de Pyreneeën, Sint-Jacob van Compostella in Galicië, Montserrat in Catalonië, Rome, Onze-Lieve-Vrouw van Loreto in Italië, Onze-Lieve-Vrouw van Kevelaar in het hertogdom Kleef, Onze-Lieve-Vrouw van Hal en Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel. Peter Stessens, die in 1427 in Hasselt een stadsgenoot had vermoord, werd veroordeeld tot twee boetebedevaarten, één naar Sint-Jacob van Compostella en één naar Rocamadour. Binnen de dertien dagen na het vonnis moest hij zijn schelp en staf ter hand nemen om zijn boetetocht aan te vatten. Uiteraard moest hij bij zijn terugkeer de nodige geloofsbrieven aan de rechterlijke overheid voorleggen. 88 Een humaner vonnis kreeg de Hasselaar Peter Loex. De man werd door de plaatselijke schepenbank veroordeeld op 27 maart 1531 om mee op te stappen in de processie op palmzondag, paasdag en sacramentsdag “barvoets en met een opschrift aen syn hoet met groeten letteren gescreven van de misdaet met een brandende keerse”. Daarna moest hij het Heilig Sacrament van Herkenrode gaan bezoeken en op bedevaart vertrekken naar Meerssen en naar Brussel. 89 De maatschappij van vandaag telt zowel voor- als tegenstanders van de doodstraf. De tegenstanders zien in een terechtstelling in het openbaar een schandelijke herinnering aan de barbaarse praktijken uit vroegere tijden. De Franse Revolutie zag in de guillotine een meer humane vorm van bestraffing. De guillotine bleef in België van kracht tot aan het begin van de Eerste Wereldoorlog. In Hasselt werd tijdens Wereldoorlog I door de Duitsers nog een kapitale straf door ophanging uitgevoerd. Andere terechtstellingen werden door de bezetter voltrokken met de kogel, niet meer in het publiek weliswaar maar op de binnenplaats van de Dusartkazerne of op de schietstand aan de Luikersteenweg (de tir). Na de bevrijding van Wereldoorlog II werden aan het munitiedepot van het Belgisch leger op de Maastrichtersteenweg nog een achttal personen gefusilleerd door de krijgsrechtbanken. Dit waren de laatste openbare terechtstellingen op het grondgebied van Hasselt. Een paar honderd meter verder, maar dan op het grondgebied van Diepenbeek, achter het goed van Terpoorten, stond de galg van deze gemeente opgesteld. Deze site droeg de sprekende naam van “Het droevig spektakel”.

Mildere vormen van rechtspraak In de loop van de eeuwen nam de rechtspraak in onze stad mildere vormen aan, zeker wanneer het ging om tovenaars en heksen die er van verdacht werden omgang te hebben met de duivel of met boze geesten. Tot in de late middeleeuwen werden mannen en vrouwen die van deze praktijken verdacht werden naar de brandstapel verwezen of in ziedende olie versmacht. Het was bijna vanzelfsprekend dat tijdens de contrareformatie jacht gemaakt werd op dat soort mensen, tegen wie – vaak al te lichtzinnig – bij justitie een aanklacht was ingediend van omgang met bovennatuurlijke kwaadaardige krachten.


143

Een inwoner van de Kalverheze, de mandenmaker Leys Paesmans, werd er op 6 februari 1627 van beschuldigd met de hulp van zijn huisvrouw Trieneke vreemde en ongepaste praktijken met geesten te hebben verricht. Zo hadden zij Mielis Geerts ervan verzekerd zijn ziek kind te kunnen genezen op voorwaarde dat hij hun raad zou opvolgen. Hierop diende de vader hem van antwoord: “Hij soude Godt laten geworden: hij hevet gegeven, hij salt oock afnemen alst sijnen godlycken wil is.” Enigszins geërgerd door dit antwoord reageerde Trieneke opgewonden: “Leys, en soudt ghij hem oock niet eenen duyvel cunnen thuys zendene.” De getuige die deze verklaring aflegde, voegde eraan toe dat Leys hem ooit vertelde “datter eenen duvel inde helle is die alle seven jaren eens uut coemt, hij sal mij soe veel gelts brengen dat ich mijn leven sal genoch hebben ende niet en sal behoeven te wercken.” Een tweede beschuldiging in het dossier tegen Leys Paesmans kwam van David Boelen. Zijn zoon Willem zou voor een zestal weken een reis naar Luik maken in het gezelschap van de betichte. Willem moest namelijk een bedrag van dertig gulden gaan betalen voor zijn meester en vreesde onderweg bestolen te worden. Leys stelde hem evenwel gerust en zei: “Als ghy ten huys uut gaet spreeckt vijff pater noster ende vijff ave maria ende segt: dits inden naem des heeren, ende op alle cruyswegen spreect eenen pater noster ende ave Maria.” Waren de beschuldigingen tegen Leys Paesmans en zijn vrouw dan toch niet overdreven? Enerzijds zou de man omgaan met de duivel, anderzijds raadde hij de mensen aan te bidden om zich te beschermen tegen aanranding. Dergelijke tegenstrijdige aanklachten waren voor een rechtbank niet uitzonderlijk. De interne contradictie van de getuigen pleitte in het voordeel van Paesmans. De geschiedenis dient de feiten binnen hun juiste context te plaatsen. De vroegere bevolking in onze kontreien was immers erg bijgelovig. De gewone burger schreef alle onheil en tegenslagen toe aan de aanwezigheid van heksen en tovenaars, die als het ware deel uitmaakten van zijn dagelijks bestaan. 90 In datzelfde daglicht dient ook de aanklacht te worden gezien die Aerdt Happenaerts op 29 oktober 1652 indiende tegen de echtgenote en de dochter van Jacob Vrancken, waarbij hij de twee vrouwen ervan betichtte dat hij door beiden betoverd was. Tegenover de rechtbank uitte de aanklager de wens dat zij als heksen verbrand zouden worden. Even lichtzinnig en ongegrond was de uitspraak van de bazin van “Het Moriaenshoofd”, die zich tegen Jan Jamaer had uitgelaten dat een vreemde vrouw, van wie ze zelfs de naam niet kende, “eenen quaden naem hadde.” Een dergelijke verklaring volstond om er zeker van te zijn dat die vreemdelinge zijn blind en kreupel kind had betoverd, temeer daar de vrouw het huis was uitgevlucht, nadat men haar dit verwijt had toegeslingerd. 91 Vrouwen die ’s avonds samenkomsten belegden in een drankhuis, stonden bij de gewone mens ook in een kwaad daglicht. Het gewone volk verkeerde immers in de mening dat zij samen naar een heksensabbat gingen. Toen het verhaal de schepenbank ter ore kwam, riep luitenant-drossaard Leo de la Montaigne op 21 juli 1638 vijf getuigen op om van hen te vernemen of zij onlangs tegen de avond geen twee vrouwen ontmoet hadden, van wie er één lichtjes hinkte bij het stappen. De nachtelijke bijeenkomsten vonden plaats in “De Boerendans”, een kroegje bij de Kuringerpoort dat gerund werd door een vrouw uit Bolderberg en door Magdalena, de huisvrouw van Willem Boyen. De vrouwen zochten naar een bovennatuurlijk hulpmiddel om Aert Schoupen te genezen, want de huisvrouw van Frans Goessens had van een onbekende vernomen dat Schoupen “nu sal geholpen worden”, waarop mevrouw Goessens zou geantwoord hebben “helpt mij dan oech”. De betichte Ida Menten droeg al lang de naam zich in te laten met toverpraktijken. Men herinnerde zich dat toen Jan Jamaer kersen aan het plukken was, mevrouw Menten eensklaps te voorschijn kwam met een brandende kaars in de hand en deze in de boom wierp. De kersenboom verloor zijn vruchten en bladeren en verdorde. 92 Een geliefkoosde verblijfplaats van de heksen was de Kalverheze. Op 13 januari 1635 stelt de officier van de stad Hasselt Dionijs van Sutendaal een onderzoek in om te achterhalen of er in dat stadskwartier geen weerwolven verbleven. Hieromtrent waren er onrustbarende geruchten in


144

omloop. Op de avond van Driekoningendag tussen zeven en acht uur hoorden inwoners van de Kalverheze een vrouw “moort ende hulpe” roepen. Toen een paar mannen “met eenich geweyr” toesnelden, vonden zij de vrouw “heel machteloos ende ontstelt”. Zij vertelde dat er op het ogenblik dat zij met haar zoontje onderweg was uit een haag “een schroemelijcke beeste hebbende die forme van eenen groeten hondt oft wolff” te voorschijn kwam. Het ondier sprong haar op het lijf, bracht haar enkele beten toe en scheurde haar rok. Hierop daagden enkele gewapende buren, vergezeld van hun honden op en het beest verdween. Soms werd het bestaan van weerwolven al te goedkoop voor werkelijkheid genomen. Aldus het verhaal van een boer die buiten de Kuringerpoort zijn akker aan het bewerken was. Zonder kennelijke aanleiding verdween de man, terwijl hij zijn ploeg en zijn paarden in de steek liet, hetgeen door verschillende voorbijgangers werd vastgesteld. Totaal onverwacht daagde de boer even later weer op en ondervroeg de omstaanders naar de reden van hun aanwezigheid. Het gebeuren scheen op zich niet de minste interesse op te wekken, tot iemand van de toeschouwers zich liet ontvallen dat hij tijdens de afwezigheid van de landbouwer een weinig verder een wolf of een reuzenhond had zien ronddwalen. Op een zonnige najaarsmiddag waren een vijftal keuterboeren op de heide aan het “lappen” (= de heide maaien). Een van de boeren, een echte zonderling, raadde zijn maat aan vroegtijdig terug naar huis te keren, “anders ten saude u niet wel bekomen”. De veldwerker liet zich dit geen tweede maal zeggen omdat hij wist dat er in de heide soms vreemde dingen gebeurden. Hierop verlieten beiden hun werkmakkers en sloegen elk hun eigen weg in. De overige drie zetten hun werk ongestoord verder. De daaropvolgende dag verspreidde zich het nieuws dat de drie achtergebleven “heylappers furieuselijck” waren aangevallen door een weerwolf en het met hun leven bekocht zouden hebben, indien een gewapende voorbijganger hun geen hulp geboden had. Kort nadien bleek dat de eerste maaier, die zogezegd vroegtijdig naar huis was teruggekeerd, de dader was die onder de vermomming van een weerwolf zijn werkmakkers had aangevallen. Toen de betichte voor de rechter verscheen, verklaarde hij dat de kunst van het “weerwolven” hem door zijn moeder was bijgebracht. Weerwolven hebben immers nooit in levenden lijve bestaan. Telkens is er sprake van onverwachte aanvallen op nietsvermoedende personen door eenzaten die een dierenvel over hun hoofd trokken. Dit soort marginalen werd door de justitie zonder meer veroordeeld als vulgaire straatrovers.

70 71

72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92

C. Bamps, Notes historiques sur Hasselt (1474-1580) (Hasselt 1889) 52. C. De Baere, ‘Een zonderling proces te Hasselt uit de XVII eeuw, LPL (1910) 24-25. Grauwels, Kroniek van Hasselt, nr. 574. G. Caluwaerts, Hasselt Intra Muros (Deurne-Antwerpen 1989) 145. M. Geraets, ‘Notice sur la justice répressive à Hasselt sous les princes-évêques de Liège’, BSM, XXXV (1899) 109-130. Bamps, Notes historiques sur Hasselt (1474-1580), 53. Grauwels, Kroniek van Hasselt, nr. 622. Grauwels, Kroniek van Hasselt, nr. 464. C. Vanderstraeten, ‘Geschiedkundige verscheidenheden betreffende Hasselt (tweede reeks)’, VO, XIII (1937) 329. Grauwels, Kroniek van Hasselt, nr. 300. Grauwels, Kroniek van Hasselt, nr. 713. Bamps, Notes historiques sur Hasselt, 59. Caluwaerts, Hasselt intra muros, 179. Grauwels, Kroniek van Hasselt, nr. 462. Geraets, ‘Notice sur la justice répressive’, 111. Geraets, ‘Notice sur la justice répressive’, 111-118. Bamps, Notes historiques sur Hasselt, 24 en 52. Geraets, ‘Notice sur la justice répressive’, 133. Geraets, ‘Notice sur la justice répressive’, 131. Grauwels, Kroniek van Hasselt, nr. 201. Geraets, ‘Notice sur la justice répressive’, 134-135. Grauwels, Kroniek van Hasselt, nr. 64. Grauwels, Kroniek van Hasselt, nr. 181. C. Vanderstraeten, ‘Van heksen en tooverij te Hasselt’, VO, XI (1935) 178-179. Vanderstraeten, ‘Van heksen en tooverij te Hasselt’, 179. Vanderstraeten, ‘Van heksen en tooverij te Hasselt’, 180.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Kaart

1/4

De Kemperbaan of de weg naar Zonhoven In 1718 vaardigde de prins-bisschop van Luik een edict uit voor de aanleg van de weg Luik-Hasselt-Eindhoven. In 1741 was het wegdek van Luik tot Hasselt klaar. Het zou echter tot 1770 duren vooraleer de werken tot in Helchteren gevorderd waren. De aanleg van deze eerste Hasseltse steenweg kende een bewogen geschiedenis. Deze vroegere Kemperbaan liep tot aan het beginpunt van de Genkerbaan vrijwel parallel met de huidige Kempische Steenweg. Aan de Kempische Poort stond tussen 1788 en 1866 een hek met tolhuisje, een vijftigtal meter vóór het oude kerkhof.

Het Oud Kerkhof Perceelnummer: 1157 Ligging: op de hoek van de Kemperbaan met de Vilstraet. Aan de Kemperbaan zou vanaf 1796, een tiental jaar nadat Vanpaesschen zijn kaart opmaakte, een nieuw kerkhof in gebruik genomen worden. In de jaren die de Franse Revolutie voorafgingen, was het kerkhof rond de hoofdkerk oververzadigd geraakt. Op 14 februari 1796 zou de Franse municipaliteit een verbod uitvaardigen om voortaan nog lijken ter aarde te bestellen in de kerken en op de kerkhoven die binnen de wallen gelegen waren. Burgemeesters Stellingwerff en Jacobs kregen de opdracht grond aan te kopen buiten de wallen, voor het inrichten van een dodenakker.

Op 18 juni 1793 kocht de stad een stuk grond aan buiten de Maastrichterpoort, 2 bunder groot, eigendom van ridder de Thier, gelegen “tegen de vesten en gelaboureerd door den burgemeester Stellingwerff”, voor de som van 7.540 gulden. 93 Er zou contact opgenomen worden met de pastoor, om de nodige kerkelijke goedkeuring te verkrijgen en nadien “den ouden kerckhoff tot stadsprofyt te vercoopen”. De grond werd openbaar verkocht voor 7.540 gulden, waarvan 4.000 gulden afbetaald werden met het geld dat burgemeester Jacobs vanuit Brussel ontvangen had voor leveringen door de stad aan de keizerlijke troepen. Het is niet bekend of er op dit nieuwe perceel grond ooit lijken begraven werden. 94 Stellingwerff en Jacobs kozen nog een tweede locatie, op enkele minuten buiten de stadsvesten, ten noorden van de stad. Het terrein van 16 bunder, gelegen achter de Kempische bareel ten zuiden van de Vilstraat (of de straat van Capermeer) was eigendom van de dames bonnefanten. De stad zou er een jaarlijkse rente van 180 gulden voor betalen. De koop werd gesloten op 12 oktober 1796. Op 16 oktober van dat jaar vonden de eerste begrafenissen plaats. Tien jaar lang lag de nieuwe dodenakker er bij als een open veld zonder omheining. Op 12 mei 1807 keurde de municipale raad een krediet goed van 11.415 frank voor het bouwen van een omheiningsmuur. In 1809 werd nog een toelage van 2.000 frank verleend om de muur met pijlers en steunberen te versterken. Die steunberen zijn thans aan de noordkant en aan de oostzijde nog altijd zichtbaar. Ook werd het kerkhof in twee stukken verdeeld, teneinde de gelovigen van de niet-kerkelijken te scheiden. 95 Ofschoon het bevolkingsaantal traag aangroeide, werd het kerkhof in 1854 uitgebreid met een stuk grond aan de kant van de steenweg en in 1864 vergroot met een perceel aan de achterkant, waarvoor bijkomend een stuk grond aangekocht werd, dat in de richting van de stad lag. Bij die gelegenheid werd ook de scheidingsmuur tussen de begraafplaats van de gelovigen en die van de andersdenkenden afgebroken. 96

145


146

Toen op 19 juli 1860 de inningen op octrooirechten werden afgeschaft, werden de stadspoorten en de tolhuisjes overbodig. Eén van die ijzeren traliepoorten werd dan in de kerkhofmuur gehangen, nadat de muur parallel met de steenweg werd vooruitgeschoven. Het stemmige Oud Kerkhof met zijn roodgekleurde beuken, taxusbomen, wilgen en cipressen is als het ware een groene oase buiten de stad. De vele nog bewaarde ijzeren en marmeren kruisen, grote en kleine grafmonumenten en grafkapellen weerspiegelen de rijkdom van de negentiende-eeuwse bourgeoisie. De rijke families van renteniers, ambtenaren en jeneverstokers wedijverden om het meest pompeuze en opvallende grafmonument als blijk van hun sociale aanzien en fortuin. Midden in de muur langs de straatkant van het Oud Kerkhof hing aanvankelijk een houten toegangspoort waarboven een groot houten kruisbeeld bevestigd was. Aan dat kruis is volgend verhaal van het Zat Jeuriske uit de Kempische Heide verbonden. Zat Jeuriske van de Kempische Heide keerde vaak dronken uit de jeneverstad huiswaarts. Telkens wanneer hij voorbij het kerkhof kwam, nam Jeuriske zijn pet af, maakte een diepe buiging en zei even deemoedig als luid: “Goeien avond lieven Hier!” De hovenier Achten, die het huis naast het kerkhof bewoonde (later werd het een veldwachterswoning), ergerde zich aan deze herhaalde zattemansgroet en besloot Jeuriske zowel zijn drankzucht als zijn spottend groeten af te leren. Hij verschool zich ’s avonds achter het kruis. Zodra Jeuriske weer kwam aangestrompeld en zijn hartelijke avondgroet uitsprak, klonk het ernstig antwoord van het Christusbeeld (uit de mond van Achten): “nen avond zaatlap!” Het zat Jeuriske antwoordde: “ ’t Zen oer affaire nie, ich drenk van ’t mèèn!” – “Ich zal oech hebbe, zaatlap!”, weerklonk het en Jeuriske

93 94 95 96 97

zag de twee armen van het beeld zakken als wilde Onze-Lieve-Heer van het kruis afkomen om hem bij de kraag te vatten. Plots vond Jeuriske zijn nuchterheid terug, liep op een draf de Hoogbrug voorbij tot aan de Keuterdoos, waar hij buiten adem neerzeeg. Daarna heeft hij zijn avondgroet niet meer uitgesproken. Ook durfde hij niet meer in staat van dronkenschap langs deze weg naar de Kempische Heide terugkeren. 97 Op het moment dat Vanpaesschen zijn bunderboek maakte, was er van het kerkhof aan de Kemperbaan echter nog geen sprake. Al sinds honderden jaren werden de Hasseltse doden op een aantal andere plaatsen begraven. De kerkhoven intra muros waren die aan de Sint-Quintinuskerk, de Onze-Lieve-Vrouwekerk en bij de kloosters. De plaats waar je begraven zou worden, werd bepaald door lichamelijke toestand (ziekte), leeftijd en sociale stand van de overledenen.

C. Vanderstraeten, ‘Hasseltsche kerkhoven en begrafenissen’, VO, XII (1936), 18. Grauwels, Kroniek van Hasselt, nr. 901. M. Lipkens, ‘Het Oud-kerkhof, negentiende-eeuwse parkbegraafplaats’, Stedelijk Museum Stellingwerff-Waerdenhof, 31 (2000),7. M. Bussels, J. Grauwels en E. Houtman, 52 waardevolle Hasseltse gebouwen en monumenten (Hasselt 1982) nr. 52. Caluwaerts, Hasselt intra muros, 322.


147

Tot aan het eind van het ancien régime werden de meeste Hasselaren begraven rond de SintQuintinuskerk. De plaats van deze dodenakker midden in de bebouwde stadskom, waar bovendien de Helbeek langs vloeide, beantwoordde vanzelfsprekend niet aan de elementaire hygiënische omstandigheden. Door de snelle aangroei van de bevolking zag de magistraat zich verplicht oude graven opnieuw te openen om er nieuwe lijken te bergen, wat uiteraard in de omgeving een verderfelijke, adembenemende lucht verspreidde. De dodenakker rond de Sint-Quintinuskerk was onderverdeeld in vier delen: een armenkerkhof, een rijkenkerkhof, een kinderkerkhof (ook wel engelenkerkhof genoemd) en een pestkerkhof. De kerkhoven waren zoveel mogelijk afgescheiden van het verkeer en het leven in de binnenstad. De kerkhoven mochten niet ontwijd worden. Toegang tot het armenkerkhof was er vanaf de Grote Markt via de Kortstraat (“den vuilen hoek”) en vanaf de Maastrichterstraat via de Schorsmarkt (later Vismarkt), het in de gichten omschreven als het “straeteken gaende van de triechterstraet naer den kerckhoff”. Aan deze laatste doorgang stond aan een nu verdwenen hoekhuis van de Korte Maastrichterstraat en de Schorsmarkt in de achttiende eeuw een stichel (draaiboom) opgesteld om de doortocht voor eenwielige voertuigen te beletten. Langs ‘De Eikel’ was er maar één doorgang voorzien voor een kar. Hierdoor werd vaak de passage voor voetgangers bemoeilijkt. 98 Zo spande de weduwe Stellingwerff in 1772 een proces aan tegen de oud-burgemeester Wagemans, omdat deze laatste de doorgang had versperd met een hooikar die hij in zijn schuur wilde lossen. Hierdoor kon mevrouw Stellingwerff, op het ogenblik dat zij uit de hoofdkerk kwam, haar woning (‘Het Wijnvat’) in de Maastrichterstraat niet meer bereiken. Via de verbinding tussen de Hoogstraat en de Fruitmarkt was er toegang tot het kinderkerkhof. Het zuidelijke hoekhuis tussen de Hoogstraat en de Fruitmarkt was het huis ‘Den Laurier’, woning van Servaas van der Hoeven, rentmeester van de prins-bisschop en burgemeester van de stad. Op 15 maart 1533 werd deze er toe gemachtigd zeven passen van het kerkhof af te nemen, teneinde zijn woning op de Hoogstraat te verbreden. ‘Den Laurier’ was met het noordelijke hoekhuis ‘De Blauwe Clock’ verbonden met een muur die tot afsluiting van het kerkhof diende. Een smal ijzeren poortje met traliewerk in de muur gaf toegang tot de dodenakker. Naast ‘De Blauwe Clock’ stond een haspel of een draaistichel. Oorspronkelijk werd dit punt van de begraafplaats afgesloten door lindebomen en een eiken bank. De Kolfsteeg had op dat ogenblik nog geen naam. Tijdens de achttiende eeuw werden er op het kinderkerkhof ook volwassenen bijgezet, omdat het gewone kerkhof te klein geworden was voor de aangroeiende bevolking. 99 Het grootste deel van de Fruitmarkt was voorbehouden aan het rijkenkerkhof, terwijl slechts twee vierkante roeden en achttien el van dit perceel waren uitgespaard voor het pestkerkhof. Die sector was gelegen ongeveer in het midden van het noordelijke deel van het rijkenkerkhof, waarvan het gescheiden was door een laag muurtje. Omdat het op die wijze binnen de rest van de dodenakker ingesloten lag, werd het dan ook het “Cleyne besloetene kerckhoff” geheten. Hier werden de slachtoffers van besmettelijke ziekten als melaatsheid, pest, cholera, huid- en bloedkwalen begraven. Het verbindingssteegje dat het pestkerkhof verbond met de Zuivelmarkt en voor ‘De Muyseval’ en ‘De Blauwe Handt’ doorliep, heette “het cort straeteken tussen die sauvelmerct en den pester kerckhoff”. Achter het koor van de Sint-Quintinuskerk liep een verbindingsweggetje tussen het armenkerkhof en het rijkenkerkhof. Hier lag ‘Het Heyligen Huysken’, een zogenaamd knekelhuis, waar alle beenderen geborgen werden die op het kerkhof aan de oppervlakte kwamen. Dat de overbegraving op het kerkhof geregeld voor problemen zorgde, bewijzen de stadsrekeningen: in 1618 betaalde de stad een gulden aan Marten Muyteners, “van eenen cuyl te maecken opden kerkhoff ende alle doodsbeenderen die aen de kerck lagen daerinne te begraeven.” 100 Een begraafplaats in het stadscentrum leidde tot een aantal gedragsbepalingen die aan de bevolking werden opgelegd, om een serene omgang met de overledenen te verzekeren. Toch werd het kerkhof vaak gebruikt als afvalplaats, zo stelde bijvoorbeeld de aartsdiaken van Haspengouw in 1613 vast tijdens een bezoek aan de Hasseltse kerken en kapellen. Op 28 augustus 1558 werd Lijn van Ophoven aan het perron aan de kaak gesteld, omdat hij voor de deur van de woning van de commissaris een vijfentwintigtal doodshoofden opgestapeld had. Als straf werd hij acht dagen in de


148

gevangenis opgesloten op water en brood en moest hij in een linnen kleed blootshoofds opstappen in de processie met een wassen kaars in de hand. In het jaar 1566 maakten de iconoclasten, die tegen de muur van de kerk heiligenbeelden hadden stuk geworpen, zich ook schuldig aan het werpen en rollen van doodshoofden op de straten van de binnenstad. 101 Roepen en tieren op het kerkhof werd volgens een ordonnantie van 1575 bestraft met een boete van drie rijnsgulden of een opsluiting van drie dagen en nachten op water en brood. Ouders werden verantwoordelijk gesteld voor hun kinderen. “Diegene die het aandurft secreten uit te gieten op het kerkhof zal drie opeenvolgende dagen aan de kaak gesteld worden. Iedere voorbijganger zal hen drek en andere vuiligheid naar het hoofd mogen werpen.” Omdat de verbodsbepalingen van de aartsbisschop onvoldoende werden nageleefd en de kerkhoven zonder schroom gebruikt werden om hout, mest en afval te dumpen, bepaalde de aartsdiaken dat er rond het kerkhof een muur diende opgetrokken te worden van 570 voet lang, 5 voet in de grond, 5 voet boven de grond en anderhalve steen dik. Het werk werd uitgevoerd in 1766. Soms vonden er op het dodenveld en in de aanpalende straten weinig stichtende taferelen plaats. Grappenmakers en straatgespuis maakten er vaak een spelletje van mekaar te bekogelen met doodshoofden en knekels, die er zomaar voor het oprapen lagen. Aan dit pand is volgende anekdote verbonden. In het café ‘De Gulden Arent’ aan de Kiekenmarkt waren een half dozijn stamgasten onder het drinken van een pint Diesters betrokken in een hoogoplopende discussie over spoken. 102 De meid, een struise deerne, lachte boudweg met de heksen en spoken, die door de Franse Republiek definitief verbannen waren naar de wereld van de fabel en de legende. Eén van de jonge tooghangers riep haar uitdagend toe: “Gij durft toch niet op het middernachtelijk uur in het Heyligen Huysken achter het kerkkoor een beentje gaan halen, want dan snapt u Kip-Kap-Kenis.” De meid snoefde dat zij hiervoor niet in het minst bevreesd was, waarna voor een pint bier werd gewed dat zij na klokslag twaalf het proefstuk zou wagen. Het was haar evenwel niet opgevallen dat een lid van het gezelschap de gelagzaal in het geniep had verlaten om zich in het ‘Heyligen Huysken’ achter een hoop beenderen te gaan verschuilen. Het meisje begaf zich naar de afgesproken plek en raapte een knook op. “Laat dat liggen, het is van mijn moeder zaliger”, klonk het van achter de stapel knekels. De meid grabbelde naar een andere knook. “Dat is van mijn vader zaliger,” klonk het nog luider. “Of het nu van uw vader of van uw grootvader is, ik neem het mee,” hield de dienstmeid onverschrokken vol. Ze zette het op een lopen en wierp even later het bewijs van haar onverschrokkenheid voor de verblufte herberggasten van ‘De Gulden Arent’ op tafel. Nu had de jonge vrouw weliswaar die weddenschap gewonnen, zo verhaalt de historie, maar een week later werd zij zelf naar het graf gedragen. 103 Een aantal Hasselaren werd met meer egards behandeld na hun dood. Personen van adellijken bloede of behorend tot de gegoede burgerij werden in de hoofdkerk begraven, waarvan enkele nog bewaarde grafstenen getuigen. Hun namen staan opgetekend in het register van de “kerckelycke lijcken”. De kerkvloer was helemaal bedekt met grafstenen. Op deze plaats werd naar aanleiding van het jaargetijde van de overledene gebeden en werden waskaarsen gebrand. Gekende Hasseltse families hielden eraan dat hun verwanten werden bijgezet in de familiekelders, die meestal in een kapel waren ondergebracht. Wanneer er geen rechtstreekse afstammelingen meer gevonden werden, had de kerkfabriek het recht de steen te verwijderen en aan te slaan. De pastoors van de SintQuintinuskerk Jan Geloes, Jan Frederici, Arnold Gielkens, David Brouckmans, Paulus Guilielmus Sigers en Josephus de la Court hadden het voorrecht een grafsteen te krijgen vóór het koor. Enige brokstukken van het grafmonument van pastoor Henricus Duyfkens, de eerste deken van het concilie van Hasselt, werden geplaatst tegen de zuidelijke kooromgang. Twee andere grafstenen bevinden zich in de muurkasten bezijden de sacramentskapel. 104 Ook in de Onze-Lieve-Vrouwekerk werd de mogelijkheid tot begraving voorzien door de stichter van de kapel in 1334. Priester Renier Baintsoyn, de schenker van de grond waarop de klerkenkapel gebouwd werd, hield er rekening mee dat er ooit overledenen in zijn kapel begraven zouden worden. Toch liet hij de pastoor van de hoofdkerk vrij de beslissing te nemen. De kapel zelf diende


149

onder meer in uitzonderlijke gevallen tot begraafplaats van weldoeners en leden van de broederschap, die daartoe de wens uitdrukten. 105 Sommige leden van de Onze-Lieve-Vrouwebroederschap wensten in de Onze-Lieve-Vrouwekapel begraven te worden. De eerste broeder die er een graf kreeg in 1702, was Ludovicus Cox. De familie Sigers wenste ook een grafkelder in de kapel te verkrijgen. Hiervoor betaalde ze vanaf 1702 elk jaar twintig Brabantse gulden aan de sociëteit. In 1715 werd ook een begraafplaats toegestaan aan de stadscommandant, de adellijke Ferdinand de Mirbach. In 1757 mochten juffrouw Weijtens en haar erfgenamen een grafkelder laten maken voor het altaar van SintBarbara. In 1783 werd de toenmalige rentmeester van de broederschap, Arnold Peuskens, bijgezet tegenover het altaar van Sint-Anna. 106 Na de Franse Revolutie werd het verbod om in kerken te begraven veralgemeend. Weinig confreers hadden slechts van het door henzelf toegekende voorrecht genoten. 107 Na de wederingebruikneming van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in 1802 was er van begraven in de vroegere klerkenkapel geen sprake meer. Ook in de vele kloosters die tussen de dertiende en de zeventiende eeuw opgericht werden, drukten hun weldoeners en oprichters de wens uit in de kloosterkerk begraven te mogen worden. Meer dan eens leidde dit tot conflicten met de Hasseltse pastoors omdat dit financieel in het nadeel van de parochiekerk uitviel. Zij zagen namelijk hoge honoraria en dotaties, die bij begrafenissen van burgers met aanzien werden geschonken, aan hun neus voorbijgaan. Ofschoon volgens een pauselijk privilege uit de dertiende eeuw leken in de kloosterkerk van de augustijnen mochten begraven worden, deden er zich hieromtrent regelmatig incidenten voor met de parochiegeestelijkheid. De augustijnen sloten hierrond in 1635 een overeenkomst met de Hasseltse pastoor, die in 1648 opnieuw werd gewijzigd in het nadeel van de augustijnen. De orde kwam met deken Frederici overeen dat voortaan de kloosterlingen vrij in hun eigen kerk mochten worden begraven. Leken die de wens hadden uitgedrukt in de kloosterkerk te worden bijgezet, dienden evenwel eerst naar de hoofdkerk te worden gebracht waar een lijkdienst werd gecelebreerd, op straffe van 20 goudgulden. Pas daarna mocht een tweede uitvaartdienst worden gehouden bij de augustijnen, gevolgd door de zinking in de conventskerk. Heel wat vooraanstaande families uit de stad en de regio beschikten trouwens over een gezamenlijke grafkelder in hun kerk. 108 Naar aanleiding van aanpassingswerken in de kloosterkerk van de paters in 1876 werden meerdere stoffelijke resten aangetroffen. Deze werden verzameld en naar het kerkhof op de Kempische Steenweg overgebracht. De alexianen of cellebroeders begroeven de pestlijders, die zij in hun klooster of aan huis verzorgd hadden. Zij ontvingen een blank voor het begraven van het lijk van een volwassene en drie stuiver en een halve voor de teraardebestelling van een kind. 109 Kinderen die ongedoopt stierven werden in de kerk van de alexianen begraven. Soms ondervonden de cellebroeders bijzondere moeilijkheden naar aanleiding van een teraardebestelling. Hiervan getuigt de speciale vergoeding die zij in 1534 van het stadsbestuur ontvingen “van een dooden man op den kerckhoff gebracht die een wyle doet was geweest, wederom vanden kerckhoff te draegen”. Lijken van overledenen die aan de pest gestorven waren moesten na middernacht begraven worden. Toen in de nacht van 11 op 12 juli 1574 een cellebroeder met een doodskist een huis verliet, werd hij met stenen bekogeld en bedreigd met een mes. Wanneer de vergoeding voor een begrafenis hun niet werd uitgekeerd, moesten de kloosterlingen meer dan eens de hulp inroepen van de magistraat. In 1533 ontvingen de cellebroeders van priester Van Buylen een fundatie van 119 rijngulden. Als blijk van erkentelijkheid kregen de verwanten van de schenker toelating begraven te worden in de kerk van de alexianen vóór het altaar. 110 Ook de kapucijnen, die in 1616 naar Hasselt gekomen waren om naast hun apostolaatswerk ook pestlijders te verplegen, begroeven pestlijders aan de open ruimte langs de evangeliekant van hun kerk op het Engelant (de huidige Capucienenstraat). Bij de afbraakwerken van de kloostergebouwen in 1978 werden op deze plaats meerdere skeletten gevonden, die niet verder geïdentificeerd konden worden. Mogelijk werden ook paters begraven in de kerk zelf, zoals in hun klooster van SintTruiden, onder een eenvoudige tombe zonder grafsteen. Het slopen van het kerkgebouw in Hasselt leverde van dit gebruik slechts enkele sporadische overblijfselen op. 111


150

Prins-bisschop Ferdinand van Beieren verleende op 15 september 1626 zijn instemming aan de grauwzusters van de reguliere Derde Orde van Sint-Franciscus om in Hasselt een klooster en een daaraan verbonden gebedshuis op te richten om er pestlijders te verzorgen. Dankzij de bemiddelende rol van de augustijn Mantelius slaagde de stadsoverheid er in op 28 mei 1626 drie zusters vanuit Diest naar Hasselt te laten overkomen. Honderd dagen na haar aankomst in Hasselt, bezweek op 6 september van dat jaar moeder Barbara Rummens. Omdat de grauwzusters in deze beginjaren van het Sint-Barbaradal nog niet over een eigen begraafplaats beschikten, werden zij ter aarde besteld op het kerkhof van de witte nonnen van het nabijgelegen Sint-Katharinadal. In deze toestand kwam evenwel verandering, toen op 8 juli 1631 een eigen kerkhof van de grauwzusters werd ingewijd op een gedeelte van de tuin van hun klooster. De grauwzusters onderhielden de traditie om bij het graf van hun overledenen nog dertig dagen na hun overlijden de psalm “miserere mei Deus� te bidden. Een ander gebruik was dat de overleden zusters op een plank werden gesjord in hun habijt en zo in het graf geborgen. Pas vanaf 1778 werden de overleden ordeleden begraven in een houten kist. De kapel van het Sint-Barbaradal was voorzien van verscheidene glasramen, waarop wapens van weldoeners van het klooster stonden afgebeeld. Bij gelegenheid kregen sommige weldoeners er ook hun laatste rustplaats. Voor hen waren minstens drie begraafplaatsen uitgespaard. Op 30 november 1792 werd in deze kapel tegen de communiebank een ridder van de lijfwacht van de Franse koning, Neomandel, bijgezet, die bij de revolutie van 1789 zijn land ontvlucht was en een onderkomen had gevonden bij de grauwzusters. 112 In 1707 werd begonnen met de aanleg van het derde begijnhof op de linkeroever van de Nieuwe Demer. Het werd een plein-begijnhof met de kerk in het midden en de woningen van de begijntjes in een halve kring er rond gespreid. De hele achttiende eeuw door zou er gebouwd worden aan het huidige begijnhof. In 1759 werd de kerk ingewijd. Begijnen en soms ook hun verwanten werden in het kerkschip begraven. Priesters werden er ter aarde besteld op het koor van het godshuis. Het obituarium dat voor het Hasseltse begijnhof werd bijgehouden vanaf het jaar 1614 vermeldt uitzonderlijke begravingen op het kerkhof, dat gelegen was rond de kerk, waar trouwens nog meerdere grafstenen van bewaard zijn gebleven. 113 Het kerkhof, verbonden aan dit begijnhof, werd in 1761 gewijd door de suffragaan van de bisschop van Luik. Voor de begrafenis van leken op deze rustplaats van het begijnhof werd twee gulden en tien stuiver betaald, voor kinderen negen stuiver. Voor kinderen die in de kerkruimte ter aarde besteld werden, betaalde de familie achttien stuiver. Voor overledenen die in het kerkkoor bijgezet werden, betaalden de nabestaanden een gulden en zestien stuiver. 114 In 1428 verleende prins-bisschop Jan van Heinsberg zijn goedkeuring aan de oprichting van een klooster van franciscanessen-penitenten te Hasselt, de zogenaamde witte nonnen. De nieuwe stichting vestigde zich in de Witte nonnenstraat op de Wolfkens tussen de Nieuwe Demer en de Blinde Muren (de huidige Bonnefantenstraat). In 1441 mochten de zusters binnen de omheining van hun klooster een kerkhof aanleggen, zowel voor eigen gebruik van hun ordeleden als voor het overleden dienstpersoneel, op voorwaarde dat zij jaarlijks acht vaten tarwe aan de pastoor van de parochie zouden betalen. Op dit kerkhof vonden ook de grauwzusters van het Sint-Barbaradal hun laatste rustplaats. 115 Priorin Anna-Maria Dierna liet in 1726 tussen de paterswoning rechts en het klooster van de witte nonnen links een grafkelder met achtentwintig compartimenten aanleggen, waarin tussen 1726 en 1757 achtentwintig zusters werden bijgezet. Deze gewelfde kelderruimte is tot op heden deels bewaard. De dames die tussen 1757 en de komst van de sansculotten overleden, werden op hun kerkhof begraven. Ook van dit klooster is een obituarium bewaard gebleven. Toen de kerk en het klooster van de witte nonnen in 1839 werden afgebroken, omdat zij plaats moesten ruimen voor een militair hospitaal en een kazerne, werden de stoffelijke resten van de bewoonsters van het Katharinadal overgebracht naar het stadskerkhof op de Kempische Steenweg.


151

Nadat zij in 1634 het ‘Minderbroedershuys’ aan de Kapelstraat verlaten hadden en tijdelijk hun intrek genomen hadden in het huis ‘Die Pasteye’ op de hoek van de Isabellastraat en de Vleminckstraat, betrokken achttien minderbroeders definitief hun nieuwe klooster in de Minderbroedersstraat vanaf 1647. Zij verbleven er tot 30 januari 1797, de dag waarop zij door de republikeinen werden uitgewezen. Tijdens het ancien régime begroeven de franciscanen hun overledenen op de binnenplaats van hun klooster, waar tot op heden sobere graftegels getuigen van de vroegere dodenakker. De aanwezigheid van enkele monumentale graftomben, die inmiddels verdwenen zijn, getuigen ervan dat ook sommige weldoeners en weldoensters van het klooster hier hun laatste rustplaats vonden. Achter de stadsschuur (op de hoek van de Isabellastraat en de Molenpoort) en tegen de kloostertuin van de minderbroeders lag nog een tweede pestkerkhof. De kloosterlingen hadden zelf deze plaats gekozen en moesten ze in 1652 op bevel van de magistraat omgeven met een muur, hoog genoeg opdat men de grafdelvers niet zou zien vanop de vesten. De nabijheid van een begraafplaats voor slachtoffers van de “haestige zieckte” betekende voor de paters een bron van ongemakken: de bevolking was hierdoor afgeschrikt om hun kerk te bezoeken en kloosterlingen die om een aalmoes bedelden, werden geschuwd. 116 Uiteindelijk kregen de minderbroeders een eigen begraafplaats toegewezen tegen de zuidmuur van het oude kerkhof aan de Kempische Steenweg. Vandaag worden de overleden leden van deze orde bijgezet in een gemeenschappelijk graf op het Kruisveld. Buiten de muren werden er slechts in enkele gevallen doden begraven; dit werd pas echt verplicht vanaf 1796. Uitzonderingen waren begravingen in het klooster van Henegouw, in de SintCorneliskapel en op het pestkerkhof aan de Lazarijstraat. 117 Het pestkerkhof aan de hoofdkerk volstond in de jaren dat de ziekten in de stad woedden niet om alle lijken te bergen. Zowel de magistraat als de kerkelijke overheid ging ermee akkoord dat op deze plaats pestlijders begraven werden. Vóór 1927 maakten de Hasseltse en de Kempische heide deel uit van de Hasseltse SintQuintinusparochie. In geval van overlijden werden de overledenen van de heide overgebracht naar het kerkhof op het Kruisveld, om daar begraven te worden. Deze afstand van zeven kilometer drukte jarenlang als een last op de bewoners van Kiewit. Ofschoon Kiewit vanaf 1927 als een autonome parochie erkend was, moest de bevolking van het gehucht nog vierentwintig jaar wachten om over een eigen kerkhof te kunnen beschikken. Op 20 november 1932 stond dit punt geagendeerd op de vergadering van de kerkfabriek. Op aandringen van provinciegouverneur H. Verwilghen kwam het kerkbestuur samen met een paar afgevaardigden van de stad om andermaal een onderzoek in te stellen naar drie stukken grond die in aanmerking kwamen voor de aanleg van een begraafplaats ter plaatse. De gouverneur wees in een schrijven het stadsbestuur op de hoogdringendheid van het probleem. Op 5 januari 1936 sprak de kerkfabriek zijn voorkeur uit voor een veld dat in de volksmond “De Berg” heette. In 1939 antwoordt het college van burgemeester en schepenen aan het raadslid Jozef Van Oostveldt dat de keuze voor een gepast terrein niet zomaar voor de hand lag. Het college was van oordeel dat de aanleg van een nieuw kerkhof een precedent zou scheppen voor de overige parochies in Hasselt. Op 7 augustus 1939 gelastte het gemeentebestuur pastoor Vandervoort onderhandelingen aan te gaan met de eigenaar van een perceel in de Putvennestraat. In 1946 werd de aanleg van een kerkhof nogmaals aangekaart bij het stadsbestuur. Uiteindelijk werd door de stad in 1947 een lastenboek opgemaakt voor de aanleg van een begraafplaats. Ditmaal viel de keuze op een terrein in de Tulpinstraat. De gemeenteraad keurde de aankoop van het stuk grond goed op 21 november 1949. De inwijding volgde op 7 januari 1951. 118 De parochie Godsheide was opgericht bij Koninklijk Besluit van 13 mei 1845. De eerste steen van de kerk werd gelegd in 1853. In 1869 werd de nieuwe kerkbouw definitief in gebruik genomen. Bezijden en achter de kerk werd toen een dodenakker aangelegd.


152

In de loop der jaren verdwenen vele graven wegens plaatsgebrek. Ingevolge de ramp met een veerpont over het Albertkanaal op vrijdag 14 februari 1941, waarbij vijfendertig kinderen en twee volwassenen het leven verloren, werd het kerkhof verruimd. Nadien werd de dodenakker nog tweemaal vergroot. 119 In de jaren zestig werden alle grafmonumenten op het kerkhof van Godsheide opgeruimd, om plaats te maken voor grafkelders. De grafstenen van de overleden parochiepriesters werden opgesteld tegen de apsis van het kerkschip. Als huldeblijk en uit erkentelijkheid werden de grafstenen van de familie Robinet de Villefal, voormalige weldoeners van de parochiegemeenschap, teruggeplaatst aan de rechterzijde vóór de hoofdingang van de kerk. Het kerkhof is ingedeeld in begraafplaatsen voor één of twee personen, familiegrafkelders, begraafplaatsen voor kinderen, een columbarium, een strooiweide voor volwassenen en een voor kinderen, een begraafplaats voor kloosterlingen en een erepark voor gesneuvelden en oud-strijders. 120 Het sierlijke hekken, dat in de eerste helft van de negentiende eeuw naast het tolhuisje aan de Luikerpoort te Hasselt de toegang tot de stad afsloot, werd in 1868 in Godsheide geplaatst als afsluiting van de kerk en van het kerkhof.

98 99 100 101 102

103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113

114 115

116 117 118 119 120

De Eikel was het thans afgebroken hoekhuis van de Korte Trichterstraat met de Schorsmarkt. Caluwaerts, Hasselt intra muros, 57-58. Caluwaerts, Hasselt intra muros, 321. Vanderstraeten, ‘Hasseltsche kerkhoven en begrafenissen’, 10. Café De Gulden Arent is vandaag samen met de twee belendende woningen opgeslorpt in het grootwarenhuis voor kleding op de hoek van de Kiekenmarkt met de Kolfsteeg. Caluwaerts, Hasselt intra muros, 202. Vanderstraeten, ‘Hasseltsche kerkhoven en begrafenissen’, 16. H. Van Neuss, ‘Actes et documents anciens concernant Hasselt’, BSM, XXXV (1899), 201. G. Verbeeck, Virga Jesse. Schat van de Hasselaar (Hasselt 1988) 50-51. Confreers zijn leden van de Broederschap van de Virga Jesse. Vanderstraeten, ‘Hasseltsche kerkhoven en begrafenissen’, 16-17. Blank: muntstuk met een laag zilvergehalte ter waarde van drie vierde stuiver. P. Daniels, ‘Quelques notes sur les Alexiens à Hasselt’, VO, VIII (1932), 12 en 15. G. Caluwaerts e.a., 1844-1944, 150 Jaar Stijl Koninklijk Atheneum Hasselt (Hasselt 1994) 33 en 16 voetnoot 34. J. Arras e.a., ‘De grauwzusters in Hasselt’, De vrienden van het stadsmuseum Hasselt, X (1987) 35. Een obituarium of jaargetijdenboek is een handschrift waarin een lijst werd bijgehouden van de doden die moesten herdacht worden door een religieuze gemeenschap, een kapittel van een collegiale kerk of een parochie. http://nl.wikipedia.org/wiki/Obituarium J. Lambrechts, Het oud Begijnhof of beknopte geschiedenis van het begijnhof van Hasselt (Hasselt 1886) 107. J. Lambrechts, Het oud St. Catharinadal of beknopte geschiedenis van het klooster der Franciscanessen-Penitenten, bijgenaamd “de Witte Damen” te Hasselt (Mechelen 1892) 43. Vanderstraeten, ‘Hasseltsche kerkhoven en begrafenissen’, 17. D. Anten, ‘Losse aanteekeningen over en rond de St.-Corneliskapel te Hasselt’, LPL, XVI (1912), 25-27. G. Verbeeck e.a., Kiewit van heidegebied tot bloeiende leefgemeenschap (Kiewit-Hasselt 1985) 27-34. L. Schrijvers, 1849-1889 Godsheide (Hasselt 1988) 65. L. Schrijvers, Godsheide oudste gehucht van Hasselt (s.l. 2002) 193-196.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Hoogbrug Perceelnummer: 1328.

De Hoogbrug over de Oude Demer aan de Kempische steenweg en de brouwerij ‘De Hoogbrug’. (postkaart, privécollectie)

Vóór de uitgraving van het Albertkanaal in 1935-1938 maakte de Kemperbaan een lichte afwijking naar links vanaf de Hoogbrug. Hoogbrug was de naam van de brug over de Oude Demer op de Kempische Steenweg. Deze brug werd in maart 1722 op bevel van Spierrelet, drossaard van Vogelsanck, herbouwd in steen en “catsysteen” door de meester-metselaar Daniel Verstraeten. Op 20 juni 1553 werd Seger Lauwereten uit Den Laurier aan de Hoogstraat door prins-bisschop Joris van Oostenrijk aangesteld als ontvanger van de doorgang over voornoemde brug. Op dat ogenblik was de brug nog een houten constructie, die hersteld werd met eikenhout afkomstig uit de bossen van Herkenrode. In de negentiende eeuw lag naast de brug de brouwerij van Vinckenbosch, uiteraard De Hoogbrug geheten. 121

Genkerbaan Deze baan vertrok op de hoek die gevormd werd door de tweesprong van de baan naar Genk en de baan naar Zonhoven. De Padestraat, die vanuit de Trichterheide kwam, mondde uit op de Genkerbaan. Een weinig verder lag de Smeermaas, een moerasachtig perceel dat toegang gaf tot de gemene (gemeentelijke) heide. Van hieruit vertrokken twee wegen naar Bokrijk.

Landweg op de Grote Heide richting Genk. (postkaart, privécollectie)

153


154

Kemperheide Perceelnummers: 1386, 1387, 1388, 2415, 2417, 2456, 2458 en 1391. De Kemperheide was de heidestrook die gelegen was tussen de Trichterheide en de grens met Kuringen. De vijvers van het Schrijnbroek vormden de noordelijke begrenzing van dit gebied. Omstreeks de achttiende eeuw lagen hier een vijftiental landbouwerswoningen, verspreid over de Gebrandestraat, de Kemperbaan, de Genkerbaan en de Padestraat. Onder meer het Pannenhuis (percelen 2458-2466) bevond zich bij de ingang van de weg die naar de Paalsteen leidde. Met het verloop van de jaren werden de gronden gelegen tussen de Gebrandestraat, de Kemperbaan, de Genkerbaan en de weiden in de Demervallei omgevormd tot landbouwgrond. Het ging om het Lanckveld (percelen 13781383) tussen de Muggebeek en de grenzen met Kuringen, de weidestrook het Liefvrouken (percelen 1404-1410), eveneens gelegen bij de Muggebeek, en het Kaefsveld (percelen 1432-1436) op de hoek van de Padestraat en de Genkerbaan.

Vogelstaf Perceelnummers: 1387 – 1388. Deze ‘boom’ was in 1783 eigendom van de Hasseltse schutterijen. Een paar honderd meter verder in de richting van Zonhoven gaf de Gebrandestraat, die zich vóór de aanleg van het kanaal vanuit Kuringen vertakte, uit op de Kemperbaan. Op deze plaats stond de Schuttersboom of Vogelstaf, een houten staak waar de schuttersverenigingen van de stad kwamen oefenen in de kunst van het boogschieten en in het hanteren van de kruisboog. Deze plaats was gelegen op het snijpunt van de Paalsteenstraat met de Schutterboomstraat. Niet ver hiervandaan lag het Schuttersraam, een paviljoentje waar de wapenbroeders hun materiaal konden opbergen. Ook lag hier in de omgeving de kleine hoeve Het Heibloemke (percelen 1397-1400). 122

121 122

Caluwaerts, Hasselt intra muros, 48. Bamps, ‘Hasselt-jadis (2e partie)’, 41 voetnoot 4 en 65 voetnoot 1.

Detail van de kaart van landmeter Deplaye (zie p. 183) waar de plaats van de Vogelstaf aangegeven is, naast perceel nummer 2456 bij het vertrekpunt van de nieuwe steenweg naar Holland.


155

De Hasseltse schuttersgilden Vóór de veertiende eeuw werd de verdediging van de Loonse centra verzekerd door de milities en de geharnaste ridders, die het grafelijk leger vormden, al dan niet bijgestaan door de militie van bevriende landheren of de troepen van de prins-bisschop van Luik. Naarmate de steden binnen het graafschap hun zelfbestuur verwierven, dienden de poorters en de burgers zelf in te staan voor het vrijwaren van hun eigen autonomie. De bepalingen vervat in het charter van 23 augustus 1330, waarbij graaf Lodewijk IV van Loon aan de Hasseltse magistraat het eigendomsrecht van de stadswallen schonk, impliceerden dat de Hasselaren voortaan zelf de verantwoordelijkheid zouden dragen over de verdediging van hun stad. Hasselt beschikte hiertoe over een versterking (munitio) van beperkte omvang. Wanneer de stadsmilities in het verweer gingen, stonden ze onder het bevel van de heer van Mombeek. Reeds in 1170 werd een zekere Wouter van Mombeek vermeld als baanderheer van Hasselt. Het stadsleger was samengesteld uit leden van de ambachten, stadsbewoners en buitenpoorters. Hun uitrusting bestond aanvankelijk uit primitieve tuigen als gaffels, stokken, messen, bijlen en hamers, een bewapening die veeleer als amateuristisch te omschrijven valt. Vanaf de vijftiende eeuw deed de magistraat regelmatig een beroep op de inzet van de schutterskamers (voetboogschutters, handboogschutters en kolveniers), een soort paramilitaire organisatie die het hanteren van de boog veeleer beoefende als een vrijetijdsbezigheid en een liefhebberij. Zij werden toegevoegd aan het stadsleger. Kroniekschrijvers beweren zelfs dat er in de jaren dertienhonderd voetboogschutters werden ingezet op de Europese slagvelden. De eerste schermutselingen bij een treffen tussen twee legers werd traditioneel geopend door de handboogschutters. De Loonse bronnen maken geen melding over de inzet van hun schutterijen bij een eventueel militair treffen. Wel wordt er bij het beleg van het slot van Rummen in 1366 gewag gemaakt van eenheden die de boog hanteerden. Tegen het eind van de veertiende en in de vijftiende eeuw trokken de Hasseltse stadsmilities naar buiten om ondersteuning te bieden bij krijgsverrichtingen in Gelderland, Maastricht en Grevenbroek. De Hasselaren waren meer vertrouwd met hun schutterijen door hun optreden naar aanleiding van landjuwelen en ommegangen. Het gildeleven manifesteerde zich in het bijzonder rond een viertal jaarlijkse feesten die gepaard gingen met braspartijen – waarbij bier, wijn en brandewijn de hoofdmoot vormden – die meestal ontaardden in straatruzies en man-aan-mangevechten. 123 Omstreeks het pinksterfeest sleepten de baldadigheden een week aan en bij het patroonfeest van de Heilige Sebastiaan, rond sacramentsdag en vooral rond de septemberkermis was de stad gedurende vier dagen het toneel van uitspattingen en gekrakeel van de lolbroeken. Anderzijds werden de schutterijen dagelijks ingezet bij het verzekeren van de nachtwacht en het opsporen van misdadigers. Door hun aanwezigheid luisterden zij ook de processies en de blijde intreden van een nieuwe landsheer op. Het was een feeëriek schouwspel als de schutterij in vol ornaat, met opgepoetste wapenuitrusting, gekleed in rode kaproenen met een witte pluim op hun hoed, defileerde achter haar banier in een kleurrijke stoet. 124 Schuttersverenigingen waren wettelijk erkend door het stadsbestuur en werden door de stad gesponsord met subsidies. Hun vaandel, uniformen en schiettuig werden door de overheid bekostigd. De schuttersgilden rekruteerden hun leden onder de gegoede burgerij en in de ambachten. Zij beschikten over een vergaderlokaal binnen de stad en over (een) oefenterrein(en) om hun schietoefeningen te houden. 125 Om de uitspattingen van het schuttersleven binnen de perken te houden, vaardigde Jan van Horn op 11 december 1501 een reglement van interne orde uit. In zijn Hasseletum bevestigt Mantelius het bestaan van vier schuttersgilden of kamers: de sagittarii of handboogschutters van Sint-Catharina, de ballistarii van Sint-Quintinus die de voetboog hanteerden, de sclopetarii of haakbusschutters van Sint-Joris en de armentarii of kanonniers van Sint-Sebastiaan. Sommige historici betwijfelen dat de laatste categorie opgenomen was in een van de schuttersgilden. De kanonniers waren zo weinig in aantal dat zij veeleer als huurlingen gekwalificeerd werden. 126


156

De Sint-Catharinaschutterij was de oudste en de langst bestaande handboogkamer van Hasselt. Met zekerheid kan gesteld worden dat deze gilde bestond vanaf 1418 toen prins-bisschop Jan van Beieren haar privileges verleende. In 1447 beschikte zij over een oefenterrein “buyten die curinxporte” op het Wentmoelenveldt, waar zij regelmatig toernooien organiseerde. 127 Aanvankelijk had de schuttersvereniging door het stadsbestuur een vergaderlokaal toegewezen gekregen in de Hoichbrugge op de Grote Markt, waar ook het Hof van Vliermaal zetelde. Vanaf de zestiende eeuw mochten de schutters vergaderen in de Hantboegecamer in de Lombaardstraat uit erkentelijkheid voor de gemeenschapsdiensten die ze de bevolking verleenden bij het verzekeren van de stadswacht en het opluisteren van officiële en kerkelijke plechtigheden. Het schuttershof werd in 1675 een tijdlang verhuisd naar de Boomgaardstraat (Hemelrijk). Op 7 mei 1771 vroeg Hendrik Vissers, eigenaar van de ‘Buyle Kist’ (hoek AldestraatHoutmarkt), toelating aan het stadsbestuur om in zijn herberg een wedstrijd voor handboogschutters te organiseren, met als inzet tal van prijzen in zilver en in tin. 128 Ingevolge de oprichting van nieuwe gilden in de beginjaren van de zestiende eeuw Blazoen van de handboogkamer Sint-Catharina, circa 1675. (Het Stadsmus) voelden de leden van Sint-Catharina zich gediscrimineerd. Op 7 december 1506 werd de nieuwe gilde van de kolveniers (haakbus) officieel geïnstalleerd. Hiermee zou de voetboog van langsom meer zijn slagkracht verliezen en de plaats ruimen voor de meer efficiënte haakbus. Een rechtstreeks gevolg hiervan was dat de kruisboogkamer van Sint-Quintinus en de handbusschutters zich hergroepeerden in de nieuwe associatie van de “gesworene scutters” in 1520. De kruisboog had immers vanaf de laatste jaren van de vijftiende eeuw volwaardig burgerrecht verworven ten nadele van de handboog. Ingevolge voormelde herschikkingen voelden de gezellen van de edele handboogkamer van Sint-Catharina zich geminoriseerd. Bovendien kregen zij bij openbare plechtigheden regelmatig de laatste rang toegewezen. Misnoegd legden de leden een protestbrief voor aan de prins-bisschop. Vanaf toen ontstond er regelmatig onenigheid tussen de magistraat en de schuttersvereniging, die nu eens ontbonden werd en dan weer opnieuw bestaansrecht verkreeg. De bekrachtiging van nieuwe statuten door Gerard van Groesbeek in 1575 bracht de gemoederen tot bedaren. In 1585 hield de Sint-Catharinagilde haar schietoefeningen op de heide buiten de Kempische Poort. 129 Ofschoon Ferdinand van Beieren hun nieuwe statuten pas had goedgekeurd in 1614, verloren de handboogschutters hun privileges andermaal in 1616, omdat het ledenaantal te laag bevonden werd. Ditzelfde scenario herhaalde zich nogmaals tegen het eind van de zeventiende eeuw. In 1688 was een nieuwe daling in het cijfer van de vaste leden merkbaar en in 1693 werd de maatschappij andermaal ontbonden wegens interne ruzies en meningsverschillen. Toch kwam zij in 1696 opnieuw van de grond. Ook de achttiende eeuw was gekenmerkt door opeenvolgingen van vallen en opstaan. Toch vervulden zij in 1789 nog altijd wachtdiensten ten voordele van hun stadsgenoten. Uiteindelijk werden, zoals vele andere genootschappen, de Sint-Catharinaschutters in 1794 ontbonden door de Franse overheid.


157

De Sint-Sebastiaanskamer wordt als voetboogkamer vermeld circa 1450. 130 Om zijn kruisboog aan te spannen met een windas gebruikte de schutter zijn voet om de boog bewegingloos te houden. De kruisboog had als wapen een nauwkeuriger trefzekerheid dan deze van de handboog. Mogelijk gebruikten zij hetzelfde oefenterrein als de SintCatharinakamer buiten de Kuringerpoort. De Sint-Joriskamer was een tweede vereniging van voetboogschutters. Zij worden voor het eerst vermeld in 1491. Zij fusioneerden in 1499 of 1505 met de SintSebastiaanskamer tot de gilde van de “gezworen schutters”. 131 De nieuwe vereniging telde een vijftig gezellen die regelmatig verzamelden in hun lokaal op de Lintmarkt. Vanaf 1507 vergaderden zij ook in de ‘Hoichbrugge’ op de Grote Markt. Zij waren er toe gehouden ieder jaar de sacramentsprocessie op te luisteren met hun aanwezigheid en een vogelschieting te organiseren. De voetboogkamer van SintQuintinus nam binnen de Hasseltse milities reeds vóór 1496 zijn plaats in. 132 Toen Joris van Oostenrijk in 1545 officieel de kamer van de voetboog met eigen statuten installeerde, telde deze vijftig leden. Jaarlijks verkozen zij binnen hun broederschap een deken, twee meesters en vier commissarissen. De schutters waren er toe verplicht aanwezig te zijn op de dag van de vogelschieting en bij de processies van het Heilig Sacrament en van Onze-Lieve-Vrouw. 133 Omdat zij de wachtdienst verzekerden op de stadswallen, dienden zij in 1546 een aanvraag in om erkend te worden als verdedigingskorps van de stad. Buiten hun normale bewakingsdiensten begeleidden zij ook gevangenen en ter dood veroordeelden. 134 Deze voetboogkamer hield haar bijeenkomsten aanvankelijk ook in de Voetbogecamer van de ‘Hoichbrugge’ op de Grote Markt. Voor het hanteren van de voetboog oefenden zij vanaf 1455 in het Schuttershof. Het Schuttershof met zijn uitgestrekte tuin was gelegen tussen de Kleine Ridderstraat en de verdedigingstoren van de Sliksteen. De andere schutterijen hadden ook toegang tot deze tuin om zich te bekwamen in het hanteren van de buks en de boog. 135 Buiten de Kempische Poort was de Vogelstaf

Staf van de schuttersgilde Sint-Sebastiaan, circa 1840. (Het Stadsmus)


158

opgericht, een weinig verder dan de tweesprong van de baan naar Zonhoven en de weg die naar Bokrijk leidde. Opzet van hun schietkunst bestond erin de vogel naar beneden trachten te halen. Vlakbij stond een klein paviljoentje of speelhof, waar de gezellen hun dorst konden lessen en bescherming konden zoeken bij ontij. Om zich te bekwamen in het schieten-op-lange-afstand huurde de stad een speelhof in de heide, een uitgestrekt terrein dat met grachten afgezoomd was. Een deel van dit oefenplein lag op gronden die thans ingenomen worden door de steenweg Hasselt-Zonhoven. Stilaan werd het duidelijk dat de haakbus als wapen trefzekerder was dan de voetboog. 136 Daarom besloot de stadsmagistraat in 1548 in de kamer van de “gezworen schutters” een afdeling van veertig haakbusschutters op te richten. 137 Voortaan zouden haakbusschutters en voetbooggezellen samen de bewaking op de stadswallen verzekeren. Wellicht werden de haakbusschutters hoofdzakelijk gerekruteerd onder de leden van de Sint-Sebastiaansgilde. De haakbusschutters vormden een elitekorps waar vooral afstammelingen van aristocratische families deel van uitmaakten. Het was een bijzondere eer lid te mogen zijn van deze schuttersgilde van Sint-Quintinus en een voorrecht de bezoeken van hoogwaardigheidsbekleders aan onze stad met hun aanwezigheid te mogen opluisteren. Vooral hun lichtweerkaatsende borstharnas en rode kaproen met witte pluim vielen in de smaak van het publiek. De haakbusschutters maakten geen deel uit van een schutterskamer. Zij bedienden de lichte artillerie die opgesteld stond op de wallen. In 1520 groepeerden zij zich in de “Gezworen haakbusschutters”. Reeds vanaf 1483 voorzagen de bouwmeesterrekeningen een aantal uitgaven voor buskruit en kogels voor de “busschen”, kleine kanonnen die de artilleristen in geval van ongewenst bezoek bedienden. Hun aantal varieerde tussen de vijfentwintig en achtentwintig schutters. Toen zij zich in 1548 aansloten bij de Grote Kamer dienden de meeste haakbusschutters tot versterking van de kolveniers. 138 De kolveniers of musketiers werden op 7 december 1506 opgericht door Erard van der Marck onder het patronaatschap van Sint-Quintinus. De vereniging telde veertig leden. In 1568 was hun aantal opgelopen tot honderd schutters. 139 De voetboog bleek nu volledig zijn slagkracht verloren te hebben ten voordele van de haakbus en de slangenbus. De colver of de slangenbus was de lichtere versie van de haakbus, evenwel veel doelgerichter, omdat de infanterist zijn wapen met de hand kon bedienen, waardoor de kogel of loden bol vanuit de ontstekingskamer met meer precisie zijn doel kon treffen. De overheid verplichtte de kolveniers ertoe langs de straten te patrouilleren om toezicht op de publieke orde uit te oefenen. Bovendien waren zij er toe gehouden deel te nemen aan het jaarlijkse schuttersfeest en aan openbare plechtigheden. Ieder jaar ontving elk van de schutters van het stadsbestuur vijf pond buskruit, acht pond lood en vijf lonten. In 1521 was het ledental opgelopen tot zestig man. Samen met de haakbusschutters trad de vereniging in 1548 toe tot de Grote Kamer. In 1524 werden de eerste snaphanen aangekocht: hiermee had het moderne geweer zijn intrede gedaan in de verdediging van de stad. De kolveniers hielden hun schietoefeningen ook in het Schuttershof aan de Koetelstraat. De stadsmagistraat stelde hun daarbij ook nog de Windmolenkuil, een oefenplein buiten de Kuringerpoort, ter beschikking. 140 Aanvankelijk hielden zij hun bijeenkomsten in de Voetbogecamer op de Grote Markt, waar zij over een wachtlokaal beschikten. Nadien verhuisden zij naar het Aldt Raedthuis op de Havermarkt, waar ze ook hun banketten hielden. Ieder jaar op tweede pinksterdag vierden zij hun schuttersfeest, waarop elk lid zijn beste beentje voorzette om de vogel neer te halen. Bij die gelegenheid werden de gezellen door de magistraat getrakteerd op twee amen rijnwijn. 141 Notabelen, die zich tot koning of tot keizer hadden geschoten, nodigden de overige gildebroeders uit op een copieus banket dat rijkelijk met wijn en sterke dranken overgoten werd.


159

De Grote Kamer De opkomst van de infanterie met nieuwsoortige wapens als haakbussen, clovers, musketten en snaphanen tijdens de eerste helft van de zestiende eeuw had de traditionele pijl en boog definitief naar het archief van de historische curiosa verwezen. 142 Circa 1585 fusioneerden de gezworen schutters, de kolveniers en de gezworen haakbusschutters samen tot De Grote Kamer. Voortaan namen de drie verenigingen gezamenlijk deel als één kamer aan de vogelschieting. In perioden van oorlogsdreiging nam de Grote Kamer haar plaats in op de stadswal naast de leden van de voetboogkamer van Sint-Quintinus. De Grote Kamer leverde ook haar aandeel in de beurtrol van de wachtdiensten. Om veiligheidsredenen vonden vanaf 1771 de schietoefeningen plaats op de Grote Heide aan de grens met Zonhoven. 143

De rederijkerskamer De Roode Roos In de loop van de vijftiende en de zestiende eeuw werden in de Lage Landen in verscheidene steden rederijkerskamers opgericht. De leden van deze verenigingen legden zich toe op de beoefening van dichtkunst, toneel en welsprekendheid. Hun activiteiten droegen in ruime mate bij tot de intellectuele ontwikkeling van de bevolking. In Hasselt werd deze kamer gesticht in 1515. 144 In meerdere opzichten vertoonde hun organisatie heel wat gelijkenissen met de echte schuttersgilden. De leiding berustte in handen van een hoofdman, ook kapitein genoemd. Andere functies werden waargenomen door een penningmeester, een vaandrig, een blazoendrager en een bode, die de gezellen samenriep. Het hoogste gezag berustte bij de prins, een ceremoniële functie, toegekend aan de meest bekwame onder de rederijkers. De keure, waarin hun activiteiten omschreven waren, ontvingen ze van de stadsmagistraat. Onder de Loonse gezellen was de Hasseltse kamer de oudste. Net zoals de schuttersgilden was ook De Roode Roos een gewapende kamer. Hiervan zijn meerdere aanwijzigingen bewaard gebleven in de bouwmeestersrekeningen. De registers van 1553 en 1558 voorBlazoen van de Rederijkerskamer ‘De Roode Roos’ met de kenspreuk “Hitte verkoelt”, begin achttiende eeuw. (Het Stadsmus) zagen bijzondere uitgaven voor veldtekens, trommels en klaroenen van de kamer. Op 7 mei 1617 stapten zij in volle wapenrusting op naar Zonhoven, voorafgegaan door hun trommels en vendel. In 1623 begeleidden de rederijkers, gewapend met hun geweer, een ter dood veroordeelde naar zijn terechtstelling op de heide. In 1664 namen de gezellen van Rhetorica deel aan de belegering van Mombeek. Toen de Lorreinen in 1654 de stad bedreigden stelden zij zich met de schutterijen in het verweer tegen de vreemde agressor. Een rekening van 1717 vermeldt de aankoop van een hoeveelheid poeder voor de schietingen van de gilde. Tussen 1770 en 1789 komen hun namen voor op de lijsten voor de wachtdienst. Al deze activiteiten tonen duidelijk aan dat De Roode Roos een gewapende kamer was. In 1611 hielden zij hun vergaderingen in een huis in de Aldestraat, waar Jan van Beverst had gewoond. Als oefenterrein gebruikten zij het “stadt bleickhoff achter het susterenclooster”. De kamer werd opgeheven in 1796. 145


160

De rotgezellen en de nachtwacht De verdediging van het stadsterritorium werd traditioneel toevertrouwd aan de twaalf ambachten. De niet aflatende druk van het protestantisme in de tweede helft van de zestiende eeuw deed de prins-bisschoppen ertoe besluiten de dienstplicht op te leggen aan alle gezinshoofden, een soort van burgerwacht. Met dit doel voor ogen werd de stad opgedeeld in vijf sectoren of rotten. De verdediging van de binnenstad werd gespreid over vier rotten: de Kempische Poort (187 man), de Maastrichterpoort (238 man), de Truierpoort (215 man) en de Kuringerpoort (197 man). Het vijfde rot werd gerekruteerd uit de bewoners van de buitingen: de wijk Henegouw (7 man), de Steenstraat (9 man), Dormaal en Runkst (44 man), Caster en Singelbeek (8 man), Kalverhuysen en Trichterheide (49 man), Godsheide en Wolske (42 man), Melbeek (20 man), Trekschuren (19 man), de Kempische heide (29 man) en de Tomstraat (113 man). In 1747 werden bovendien twee nachtwachters aangesteld. In 1777 werd hun aantal verdubbeld. Iedere stadswachter beschikte over een hellebaard, een snaphaan, een bajonet, een geweer en een zwaard. 146 De garde civique uit de negentiende en de twintigste eeuw, die in 1817 werd opgericht, was een verre nazaat van deze nachtwacht. 147

De Hasseltse Jonckmanskamer Een aparte semi-militaire organisatie van ongehuwde gezellen vormden de Jonckmans, een keurbende die zich reeds vanaf de zestiende eeuw inzette voor de bescherming van de stad en voor het vrijwaren van haar vrijheden. Mantelius verslaat in zijn Kroniek van Hasselt het relaas van de confrontatie tussen de militia van Jan van Horn en de partijgangers van Everard III van der Marck in april 1490 op de heide tussen Zonhoven en de Vlasberg (gemeente Zonhoven, kwartier Termolen). Ondersteund door 2.500 man voetvolk en 500 ruiters, en met de hulp van de milities van Hasselt, Sint-Truiden, Tongeren en Maastricht, trok de prins-bisschop de vijand tegemoet. Het bisschoppelijk leger, aangevoerd door Ferrius Novellus, behaalde een uitgesproken overwinning op de troepen van Van der Marck. Mantelius vermeldt dat aan die memorabele slag ook een tweehonderdtal Hasseltse jonckmans deelnamen, waarvan meerderen het leven lieten en begraven werden “onder de tomben die men noch siet”, niet ver van de Sauvegardvijvers (percelen 2472-2473). Wellicht waren de jonckmans, waarvan hier sprake, op dat ogenblik een niet-georganiseerde groep jonggezellen. 148 Tot haar voornaamste activiteiten rekende de maatschappij het vogelschieten, het opluisteren van processies, de feestviering naar aanleiding van Vastenavond, het naamfeest van de heiligen Petrus en Paulus, Hasselt kermis, en vanzelfsprekend de feestdag van hun patrones de Heilige Lucia. In 1561 ontvingen zij van stadswege een vergoeding voor de opvoering van een wagenspel. Eén van hun privileges bestond erin de blijde inkomst van de prins-bisschop te mogen opluisteren met hun aanwezigheid. Dit geschiedde onder meer naar aanleiding van de blijde intrede van Gerard van Groesbeek in 1565. Toen luisterden zij de plechtigheid op met een vijftigtal leden. Verder waren zij als een afzonderlijke eenheid dienstplichtig in de stedelijke milities, waardoor zij gerechtigd waren wapens te dragen. Op 16 december 1633 dienden acht en twintig jongmans een aanvraag in bij de stadsmagistraat om hetzelfde statuut als de schutterskamer te mogen genieten. Eenmaal dat de kamer geïnstalleerd was, kwam de overheid voor een deel tussen in het betalen van hun uitrusting. Zo kregen zij groene stof om er hun sjerpen mee te vervaardigen, dezelfde kleur als hun vaandels. In 1654 hernieuwden zij de statuten van hun sociëteit, die geplaatst werd onder de bescherming van de heilige Lucia. Nog altijd siert de beeltenis van deze heilige een zestiende-eeuwse muurschildering in de Sint-Quintinuskerk. Eén van de memorabelste feiten uit de annalen van het genootschap was hun ondoordacht optreden tegen de Duitse huurlingen van brigadier de Weix op 2 januari 1682 op de Planckeweide. Ondanks het grote verlies van een tweeëntwintigtal jongmans, zette deze confrontatie geen punt achter hun activiteiten.


161

Weliswaar werd de vereniging, zoals de overige gilden van de stad, door de Franse bezetter opgeheven in 1794, maar in 1811 werd zij als enige kamer weer opgericht, zij het dat zij zich voortaan verdienstelijk zou maken in de wereld van de folklore en als vrijwillig brandweerkorps. Vanaf dan werd hun agenda regelmatig opgevuld met tal van activiteiten die het Hasseltse volksleven ten goede kwamen: hun deelname aan processies, het inrichten van schutterswedstrijden, bals, carnavalstoeten en volksvermaak. Anno 1840 stelde de vereniging een nieuw huishoudelijk reglement op: vanaf dat jaar werden bij voorkeur ongehuwden met een onberispelijk gedrag opgenomen binnen hun rangen. Telkens zij opstapten in een processie of deelnamen aan bluswerken, waren zij ertoe gehouden het insigne van de kamer te dragen. De traditie van de vogelschieting op de Maastrichterheide, die vermeld wordt vanaf 1686 op de feestdag van het Heilig Kruis, werd vele jaren in stand gehouden. In de lijn van dit volksfeest trokken zij met hun trom en hun schuttingen in 1854 opnieuw naar Zonhoven voor een meeting in het schieten op de schijf. 149 Bij gelegenheid van Hasselt kermis in 1869 organiseerden de Jongmans volksspelen aan de Kempische Poort. Sterke mannen konden er zich uitleven in kuipstoten, boomklimmen, broodbijten, papeten, haanslaan en zaklopen. Op 3 juli 1887 gingen de leden kraaischieten in de herberg van Schuermans op de Kuringersteenweg. 150 Vooraleer er sprake was van de door de stad georganiseerde carnavalstoeten, trokken de Jongmans al vóór 1860 verkleed door de straten. Later namen zij deel aan de officiële cavalcades. Naar aanleiding van hun patroonfeest op Hasseltkermis richtten ook zij volksspelen in en organiseerden zij een bal in de stadsfeestzaal. Een enkele keer zouden zij zich zelfs aan een toneelvoorstelling gewaagd hebben. Naast de officiële schuttersvergaderplaatsen, hierboven beschreven, maakte de Jongmanskamer regelmatig gebruik van de ‘Wijngaerdtranck’ op de Havermarkt om het glas te heffen en er stoere taal te spreken. Bij het begin van de negentiende eeuw was het lokaal van de Jongmans ondergebracht in ‘De Ossekop’ aan de Demerstraat en in de tweede helft van die eeuw in de ‘Trap-Af’ aan de Luikerpoort. Een tijdlang betrokken zij ook een lokaal in ‘De Glazen Hoek’ op de Zuivelmarkt.

De Hasseltse Jonkmanskamer in 1897. (Fotoarchief Stad Hasselt)

De Jonckmanskamer beschikte zelfs over een eigen reus, Peerke Grauls, de evenknie van de Langeman. In 1941 telde het gezelschap nog vier leden. Het overlijden van de laatste voorzitter, Armand Boussu, maakte een einde aan het bestaan van de Jonckmanskamer.


162

Ook de burgerlijke en geestelijke overheid lieten zich niet onbetuigd bij het hanteren van de boog. Op 16 mei 1539 schoot prins-bisschop Cornelis van Bergen eigenhandig de vogel af te Luik en op 26 mei 1539 haalde de schout Willem van Mombeek in Hasselt de papegaai naar beneden in naam van de prins-bisschop. Cornelis van Bergen oefende zich met de voetboog in Kuringen op 29 september 1538 en in 1544 woonde Joris van Oostenrijk het schutterstornooi bij in Hasselt. J. Lyna, ‘Het heldentijdperk van onze schuttersgilden’, VO, XV (1939), 276 voetnoot 26. 124 Een kaproen (van het Franse chaperon voor “kap”) is een kapachtig hoofddeksel dat veel in de middeleeuwen gedragen werd. De kap reikte tot aan de schouders, zodat het hoofd en de nek van de kaproendrager helemaal bedekt waren; alleen het gezicht werd vrijgelaten. De kaproen eindigde achter op het hoofd in een lange punt (lierepijp of lamfer genoemd) als een soort puntmuts. http://nl.wikipedia.org/wiki/Kaproen_(hoofddeksel) 125 J. Lyna, ‘Het heldentijdperk van onze schuttersgilden’, VO, XV (1939), 282. 126 Mantelius, Hasseletum, 102 en 168. 127 RAH, Hasseltse schepenbank, nr. 1879. 128 F. Vanloffeld, Van huyslieden tot schutten: Limburgse schutterijen (Maasmechelen 1984) 15. 129 RAH, SH, Bouwmeesters, nr. 616. 130 RAH, Hasseltse schepenbank, nr. 1878. 131 RAH, Hasseltse oorkonden, nr. 40. In 1657 vereerden de leden van de Sint-Jorisgilde en van de Sint-Sebastiaansgilde hun patroonheiligen aan een gemeenschappelijk altaar in de hoofdkerk. 132 RAH, SH, Bouwmeesters, nr. 498 f° 11. 133 De stad stelde hun ook jaarlijks een prijs ter beschikking bij de organisatie van hun toernooi. Gillis Vinkenroy, burgemeester in het jaar 1636, slaagde er in met de voetboog drie opeenvolgende jaren de vogel te schieten, wat hem de titel van keizer opleverde. W. Roggen, De schutterskamers en jonckmanskamer van Hasselt (Hasselt 1995) 3. 134 RAH, SH, Recessen, nr. 86. 135 Voor het schijfschieten ontvingen zij een vergoeding van de stad. 136 De haakbus of lontslotgeweer was een primitief vuurwapen dat van de vijftiende tot de zeventiende eeuw werd gebruikt. Het was de voorganger van de musket en was iets kleiner dan zijn voorgangers, zodat het gemakkelijker te dragen was. Het wapen werd ontstoken met een lont. Het dankt zijn naam aan de haak die aan de loop werd bevestigd en waaraan het wapen kon worden opgehangen. http://nl.wikipedia.org/wiki/Haakbus. 137 RAH, SH, bundel nr. 1262. 138 RAH, SH, bundel nr. 1262. 139 RAH, SH, bundel nr. 1258. 140 RAH, SH, Bouwmeesters, nr. 537 f° 17. 141 Een aam is een inhoudsmaat die overeen komt met 156 liter. 142 In 1672 werden alle voetboogschutters verplicht zich met hun musket naar de wallen te begeven. 143 RAH, SH, Bouwmeesters, nr. 891-892. 144 Roggen, De schutterskamers, 18. 145 Nadien werd De Roode Roos omgevormd tot een literair en folkloristisch gezelschap. C. De Baere en J. Gessler, ‘De Roode Roos. Geschiedenis der Hasseltsche Rederijkerskamer’, Limburgsche Bijdragen, IX (1911-1912), 37. 146 Een hellebaard is een houw- en stootwapen uit de middeleeuwen dat bestaat uit een lange houten stok met een ijzeren punt, en daaronder, tegenover elkaar geplaatst, een bijl en een haak. http://nl.wikipedia.org/wiki/Hellebaard. Een snaphaan was een vuurwapen, waarvan de ontsteking veroorzaakt werd door een silexsteentje. 147 Vanloffeld, Van huyslieden tot schutten, 121. 148 Mantelius, Kroniek van Hasselt, f° 24. 149 Roggen, De schutterskamers, 35. 150 Waaruit deze sport bestond, is niet geweten. 123


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Broekermolen Perceelnummer: 1317. Gelegen aan de Nieuwe Demer. In 1783 was deze molen waarschijnlijk in het bezit van de Onze-Lieve-Vrouwekapel in Hasselt. De Broekermolen was vanaf de stadswallen bereikbaar via een aantal wegen, die vandaag doorsneden worden door het Albertkanaal. De Broekmolenvoetweg (thans Vaartstraat) vormde de verbinding tussen de Broekermolen en de Kemperbaan en de Broukmolenstraat (Havenstraat) maakte de verbinding van de Broekermolen met de Vilstraat. De Vilstraat (thans Vilderstraat) maakte de molen bereikbaar voor landbouwers uit de omgeving van het Maastrichter kwartier via de Veltmansbrug (percelen 1125-1128) over de Nieuwe Demer. Door het uitgraven van de kanaalkom in 1859 verdween de westelijke uitloper van de Broekmolenstraat. In feite lag deze straat in het verlengde van de Vilderstraat die ten noorden van het oud kerkhof loopt. Dit tracĂŠ werd door de bewoners van de Trichterheide en van de Willekensmolenstraat gevolgd om de Broekermolen te bereiken.

163


164

Voorzijde van de Broekermolen op de Nieuwe Demer. (postkaart, privĂŠcollectie)


165

De Broekermolen was één van de twee banmolens waar de Hasselaren hun graan (gerst) verplicht moesten laten malen tegen betaling van een maalgeld, dat tussen 1/13 en 1/20 van de waarde van het aangevoerde graan kon bedragen. 151 Op een banmolen stonden banale rechten, dit wil zeggen dat de heer eigenaar was van de molen en dat de heer een deel van het maalgeld uitbetaald kreeg. Voor het jaar 1495 bijvoorbeeld werd deze belasting omschreven als volgt: “Item soe wanneer een vaet terven sal kosten vyf stuivers soe sal men hun taxeren metten maelghelt op ses stuivers.” Toen de graaf van Loon in 1232 de vrijheidsrechten van de stad bevestigde, had hij ook het gebruik bekrachtigd van de Broekermolen als stadsmolen. Hij behield evenwel voor zichzelf en voor zijn opvolgers de exploitatierechten op de molens, de accijnzen op brouwerijen, tolrechten en andere inkomsten die hij reeds inde of in de toekomst zou innen (“salvis tamen mihi meisque posteris, molendinis, cambis, theloneis et aliis meis reditibus iam habitis et habendis”). 152 Volgens Mantelius had hij met deze inkomsten in het achterhoofd de Nieuwe Demer laten uitgraven om er banmolens op te richten: “Molas quidem, quod mutato tamerae alves, aquae ipsius decursum deduxisset per vicum, magno incolarum bono, illasque aedificasset novas.” (Nadat hij de bedding van de Demer had verlegd, leidde hij de loop ervan om door de stad tot groot welzijn van haar bewoners en bouwde hij er nieuwe molens) 153 Toen het graafschap Loon in 1366 ingelijfd werd bij het prinsbisdom Luik ging het eigendomsrecht op de twee banmolens over naar de bisschoppelijke Tafel van Luik, die er de bezitter van bleef tot in het midden van de achttiende eeuw, toen de twee bedrijven verkocht werden aan oud-burgemeester Jacob Minten. 154 Op 23 juli 1545 “syn hier geweest watermeesters van Ludick om die Deymer te visiteren aen die Brouckmolen end elderswar, oft men daer een vollmolen solde kunnen gestellen.” 155 Als eigenaar van de stadsmolens lieten de prins-bisschoppen op geregelde tijdstippen stalen nemen van het water van de Nieuwe Demer. Met dat inzicht hadden zij bezijden de rechteroever van deze artificiële rivier een pad laten aanleggen, de Watermansvoetweg. In naam van de prins had de stad het eigendomsrecht over dit paadje verworven. Om het waterdebiet en de bevloeiing van de aanliggende weilanden te regelen en de drijfkracht van de verscheidene molens onderweg op elkaar af te stemmen, vaardigde Jan-Theodoor van Beieren op 27 maart 1760 een ordonnantie uit, waarbij hij verordende: “De molenaar van Diepenbeek zal zijn sluisdeuren openzetten op zaterdag van 9 u ’s morgens tot een uur na middernacht; de molenaar van Rooi ’s zaterdags van 9 u ’s morgens tot 2 u in de nacht van zondag; die van de Willekensmolen van 10 u ’s zaterdags voormiddag tot 3 u ’s morgens; die van de twee stadsmolens van zaterdag voormiddag 11 u tot zondagmorgen 4 u en de molenaar van Kuringen vanaf zaterdagmiddag tot zondagmorgen 5 u.” Als de twee banmolens door vrieskou, aanhoudende droogte of onvoldoende uitgediepte rivieren niet werkzaam waren, liet de bisschop de bevolking toe haar graan te laten malen in een van de molens die dienden voor een ander gebruik, zoals die aan de barrier buiten de Luikerpoort, de windmolen in de Casterstraat of de Kuringermolen. Deze Kuringermolen in het centrum van Kuringen is wellicht de oudste molen van het dorp. De vroegste vermelding van deze molen is al terug te vinden in een oorkonde van het jaar 1078. De molen, beter bekend als de dorpsmolen, was een banmolen. Net zoals de twee banale molens in de stad was ook de molen van Kuringen eigendom van de bisschoppelijke Tafel. Deze molen beschikte trouwens over een uitbatingsrecht in een gedeelte van de stad. Wanneer deze concessie verworven werd, is niet precies geweten. De onduidelijke aflijning van deze vergunning gaf in 1623 aanleiding tot een conflict tussen Robert Beerden, de maalder van de stad, en Hendrik Willems, de molenaar van Kuringen. Op 7 april 1623 werd in gemeen akkoord het conflict beslecht onder beperkende voorwaarden voor de molenaar van Kuringen: –– De molenaar van Kuringen kreeg verbod opgelegd om met twee karren gelijktijdig binnen de stadswallen te komen. Bij de ingang van de Wijerstraat moest hij zijn tweede kar laten staan, in afwachting ervan dat hij met zijn eerste voertuig zijn ronde door de stad had gemaakt.


166

–– Zodra de molenaar van Kuringen met een eerste lading de stad was binnengereden via de Kuringerpoort moest hij een opgelegd stratentracé volgen: bij de hoek van de Diesterstraat en de Maagdendries links afslaan tot aan de Lombaardstraat, deze straat volgen tot aan de Demerstraat, waar hij niet mocht inslaan. Via de Zuivelmarkt, Meldertstraat en Maastrichterstraat kwam hij uit op de Grote Markt. In de Nieuwstraat volgde hij zijn weg tot aan de Varkensmarkt en keerde dan terug op zijn passen tot aan de Grote Markt. Via de Koeienmarkt en de Maagdendries belandde hij terug aan zijn beginpunt. 156 Sinds de oprichting van de molens tot in het jaar 1893, toen zij verkocht werden, werd de uitbating ervan verzekerd door particulieren in eigen beheer of in huur uitbesteed en in sommige perioden werden zij uitgebaat door de gemeentelijke administratie. De pachter van de molen werd de “moelemeester” genoemd. Zo bijvoorbeeld nam de stad Hasselt de uitbating van de twee graanmolens op de Nieuwe Demer in huur bij protocol van 16 december 1539. Hiervoor betaalde ze jaarlijks aan de bisschop tachtig mud rogge en tachtig mud haver met een supplement van veertien gulden Brabants en bovendien nog een hoeveelheid was. Uiteraard was ook de overheid ertoe gehouden de molens in behoorlijke staat te onderhouden. Om de onderdelen van het frame op gepaste tijdstippen te vernieuwen, had de stad de toelating gekregen om in de bossen van Herkenrode het nodige hout te kappen. 157 De protocolregisters van de stadsmagistraat bevatten een verordening van 28 mei 1622 omtrent de plichten van de molenmeester, de waagmeesters, de wagenvoerders en de molenaars. Een andere verordening van 28 december 1653 verplicht de molenaars zonder voorkeursbehandeling het graan te malen van de kleine man, van de rijke burgers en van de bakkers. Zij zullen het graan malen in de volgorde dat de zakken binnenkomen en de molenaar zal van niemand drinkgeld mogen aanvaarden.

Gezicht op de achterzijde van de Broekermolen. Aquarel van P.M. Bamps, 1894. (Het Stadsmus, Hasselt)


167

Vanaf 1689 nam de stad opnieuw de twee molens op de Nieuwe Demer in huur voor een termijn van zes jaar tegen volgende voorwaarden. Hasselt diende meteen driehonderd gulden Brabants te betalen voor dringende herstellingen aan het bisschoppelijk paleis van Luik en daarenboven nog 2.500 gulden in twee aflossingen, één voor het naamfeest van Sint-Jan en één voor kerstmis. De magistraat verbond zich ertoe de banrechten op beide molens stipt te zullen naleven. Bij het verlopen van het huurcontract moesten de molens opnieuw in de oorspronkelijke staat worden gebracht. 158 In 1692 legde de stadsmagistraat het maalgeld vast op 8 stuiver voor een vat tarwe en 2 stuiver per vat rogge. Op 24 juli van datzelfde jaar “comitteerde zij tot den ontfanck van voorsc. impost Sr Godefridus Vanderlocht en accordeerde voor gagie 200 g.” De onder die voorwaarden aangestelde inner van het maalgeld wordt in de stadsregisters geciteerd als “l’oeil du moulin”, onder welke benaming vanaf 15 oktober 1650 “de impost” zelf werd aangeduid. In 1710 werd het huurcontract van 1689 weer vernieuwd voor een termijn van zes jaar aan dezelfde hierboven genoemde voorwaarden. In 1740 besloot prins-bisschop Joris-Lodewijk van Beieren om de banmolens van Hasselt, de Broekermolen en de molen aan de Molenpoort, en de banmolen van Kuringen te koop te stellen. De stadsmagistraat van Hasselt gaf zich op als kandidaat-koper. Aanvankelijk kwam men tot een compromis over de verkoopvoorwaarden. Uiteraard moest eerst de instemming worden bekomen van het kapittel van de kathedraal van Luik. De kanunniken oordeelden als eigenaars dat het verkieslijker was het bedrijf te verkopen aan een particulier en niet aan een gemeentelijke administratie. 159 Zo kwamen de stadsmolens in 1749 in handen van de Hasseltse schepen en oud-burgemeester Jacob Minten. De magistraat van Hasselt betwistte de wettelijkheid van de verkoop en spande een rechtsgeding aan in dat jaren aansleepte. Tussen Minten en de stad ontspon zich een lang proces voor de Rekenkamer van Luik met betrekking tot het maalgeld en de vrijstelling van militaire lasten op de molens. Het geding werd op 29 juni 1757 beslecht met een transactie tussen beide partijen en op 14 juli van datzelfde jaar goedgekeurd door de prins-bisschop. De gichten stipuleren dat de man eigenaar werd van de “banale moelen met het huyseken” aan de Molenpoort. Minten deed onmiddellijk grote uitgaven om de gebouwen te herstellen en om de houten waterleiding van de Meukens (op de grens met Diepenbeek), die het water van de Stiemer over de Oude Demer naar de Nieuwe Demer voerde, te vernieuwen. 160 Ook herstelde hij de sluis aan de Wolfkens bij “Die Laus” om het waterverlies ten voordele van de stadsgrachten en ten nadele van de molens te voorkomen. Ook de Broekermolen werd ingrijpend gewijzigd door Jacob Minten, met bouwmaterialen afkomstig uit het voormalige prinsenkasteel van Kuringen. Minten bouwde er een houten achtkantige stellingmolen naast om graan te malen. De Broekermolen fungeerde van dat moment als een dubbelmolen. 161 Gezicht op de stadsmolen bij de Molenpoort vanuit het noordwesten bekeken. Aquarel van P.M. Bamps, 1894. (Het Stadsmus, Hasselt)


168

Op een geaquarelleerde tekening van vóór 1857 – waarop de windmolen reeds onttakeld was – maakte Philippe de Corswarem een schets van het bedrijfscomplex van de Broekermolen. In het gebouw rechts op de tekening was de vroegere volmolen geïnstalleerd. Ze ligt tegenover de graanmolen waarvan het onderslagrad zichtbaar is. Het gebouw links hiervan is de zeskantige onttakelde windmolen. Vooraan ligt een vijvertje. In het midden, haast verscholen achter een bosje, bevindt zich een hoeve met een imposant poortgebouw. Uiterst links op de aquarel, aan de oever van de Nieuwe Demer staat een rechthoekig gebouw in baksteen. 162 In 1893 kwamen het molencomplex en de aanliggende gronden in het bezit van de firma Hertz en Wolff. 163 Deze industriëlen lieten een weinig later de molen afbreken om er op de nabijgelegen gronden de gelatinefabriek op te richten. Een sluitsteen van de vroegere molen met het jaartal 1742 wordt bewaard in het begijnhof. 164 Aan de zijde van de Nieuwe Demer blijven nog enkele schamele muurresten van dit eeuwenoude gebouw over. Na de dood van Minten in 1773 stelden zijn erfgenamen Marie-Elisabeth Minten, haar schoonbroer oud-burgemeester Guillaume Stellingwerff en M. Wagemans, de echtgenoot van Marie-Anne Minten, op 17 april 1773 de molens aan de Molenpoort, de Broekermolen, de Kuringermolen en het huis ‘De Valck’ publiek te koop. Een bod van 25.500 Brabantse florijnen, gedaan door Jan-Antoon Bamps, werd beneden de beoogde waarde geschat. De verkoop ging niet door. 165 Uiteindelijk werden de lasten voor 30.000 gulden toegewezen aan Marie-Kathrien Peuskens, weduwe van oud-burgemeester Joannes-Franciscus Stellingwerff.

Gezicht op de Broekermolen omstreeks het begin van de negentiende eeuw: rechts de voormalige watermolen, links hiervan de zeskantige windmolen, waaraan de wieken ontbreken. Aquarel van Ph. de Corswarem. (R. Nijssen – R. Van Laere, Kastelen op papier, p. 44)

Achterzijde van de Broekermolen op de Nieuwe Demer. (postkaart, privécollectie)

Het regime van de Franse Republiek schafte in 1796 alle feodale rechten af, waaronder uiteraard alle banale rechten. Voortaan stond het elke ingezetene vrij zijn graan te laten malen waar hij ook maar wilde. Door deze beslissing werd het verval ingeluid van de stadsmolens. Op 1 september 1854 werd Frans Teuwens-Cox, jeneverstoker in Henegouw, eigenaar van de stadswatermolen, de Broekermolen, de windmolen buiten de Maastrichterpoort op het Natveld en het molenhuis met de watermolen op het Schadenhof van Kuringen. Tot in het jaar 1888 werden de molens verder uitgebaat door de toenmalige eigenaar Wagemans. De stad werd eigenaar van de molens binnen de muren in 1893 en liet de Molenpoort kort daarna slopen. Drie molenstenen van de stadsmolen aan de Demerstraat zijn opgenomen in het trottoir rechts van de toegangspoort tot het Begijnhof op de Zuivelmarkt.


169

De Kuringermolen kwam nadien nog in het bezit van de familie Wagemans (1844), Teuwens (1855), Jacobs-Teuwens (1888), Roelants-Duvivier (1898), de Schaetzen (1927) en Van Uytven (1931). In 1958 kwam ze in handen van de familie Robben: toen werkte er voor het laatst een molenaar. In 1967 verwierf Jaak Dijkmans-Wijnen de oude molen en sinds 1994 is er een restaurant in gevestigd.

De watermolen van Kuringen op de Demer. (postkaart, privĂŠcollectie)

Behalve de twee banmolens waren er nog vele andere molens binnen en buiten de stadsmuren. Wind- en watermolens waren voor de dagelijkse voeding en voor bepaalde economische bedrijvigheden van de bevolking een noodzaak. Naast de traditionele graanmolens telde onze stad een aantal slagmolens (olieslagerijen), ook genaamd smoutmolens waar lijnolie werd geproduceerd, schorsmolens waar schors gemalen werd voor de leerlooierijen en volmolens voor het vollen van lakens. Laatstgenoemde bewerking had tot doel de wolhaartjes aan de voor- en de achterzijde te vervilten, zodat het laken over de hele oppervlakte voldoende ruig werd. Het bestaan van deze molens is tot op vandaag bewaard gebleven in enkele straatnamen en toponiemen: Willekensmolenstraat, de Kapermolenstraat en de Windmolenstraat. Ten zuiden van het kasteel van Mombeek is de Molenvoetweg een herinnering aan de vroegere molen op de grens met Wimmertingen en ter hoogte van de Genkersteenweg ligt de Slagmolenstraat.


170

151

152

153 154 155 156 157 158 159 160 161

162

163 164 165

Een banmolen of dwangmolen, was een molen waar de naburige boeren verplicht waren hun graan te laten malen. Vaak waren deze molens eigendom van de plaatselijke heer of een andere hogere autoriteit, zoals een abdij. Het doel van deze molendwang was een deel, bijvoorbeeld een tiende, van (de waarde van) het graan als belasting te kunnen innen. http://nl.wikipedia.org/wiki/Banmolen Vrijheidscharter van mei 1232: “behoudens nochtans voor mij en mijn nakomelingen de molens, brouwerijen, tollen en mijn andere inkomsten reeds geïnd of nog te innen”. M. Bussels e.a., Hasselt 750 jaar stad 1232-1982 (Brussel 1982) 29. Mantelius, Hasseletum, 12. Zelfs na deze verkoop ontvingen de prins-bisschoppen nog steeds de maalrechten. C. Bamps en E. Geraets, ‘Notice historique sur les anciens moulins banaux de Hasselt’, BSM, XXX (1894) 5 voetnoot 2. Bamps, ‘Notice historique sur les anciens moulins banaux de Hasselt’, 9. Bamps, ‘Notice historique sur les anciens moulins banaux de Hasselt’, 4. Bamps, ‘Notice historique sur les anciens moulins banaux de Hasselt’, 6. Bamps, ‘Notice historique sur les anciens moulins banaux de Hasselt’, 9. J. Jans, ‘De Meukes’, Kunst in de Kijker, 36 (1994) 6. Een dubbelmolen is een combinatie van twee molens naast elkaar, de ene aangedreven met water, de andere door wind, de ene fungerend als graanmolen, de andere als volmolen. C. De Baere en C. Vanderstraeten, ‘De volmolens in de Hasseltsche lakennijverheid’, Limburg, XII (1921-1922), 223-224. De overgeleverde bronnen zijn erg onduidelijk over de rol van de Broekermolen als volmolen. In 1527 is er sprake van twee volmolens op de Stiemer bij Genk. In 1546 zou een volmolen ingericht zijn in de Broekermolen. W. Smet en H. Holemans, Limburgse windmolens in heden en verleden (Nieuwerkerken 1981) 64-65. R. Nijssen en R. Van Laere, Kastelen op papier: aquarellen van Limburgse kastelen uit de eerste helft van de negentiende eeuw (Wijer 2005) nr. 44. S.a., ‘Wind- en watermolens’, De Hasselaar, 18 (1960) 117-118. Caluwaerts, Hasselt intra muros, 256 voetnoot 1. Bamps, ‘Notice historique sur les anciens moulins banaux de Hasselt’, 10.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Meekrapmolen Luikerpoort

Oliemolen Maastrichterstraat

Franciscus Farcy hield van 1844 tot 1863 een meekrapmolen aan de Luikerpoort. Hasselt beschikte in de negentiende eeuw over een aantal meekrapmolens en oliemolens. Reeds in de zeventiende eeuw werd in Hasselt 12 ha grond geëxploiteerd voor de cultuur van meekrap. 166 In de loop van de negentiende eeuw raakte deze cultuur echter in verval. In 1819 bedroeg de productie 113 ton of 48.456 pond en in 1820 136 ton of 53.330 pond. Deze laatste hoeveelheid werd volgens een dienstbrief van burgemeester L. Jacobs van 20 december 1820 aan het provinciebestuur te Maastricht tegen een zo lage prijs verkocht dat de kwekers zich geleidelijk aan genoodzaakt zagen op te houden met de meekrapteelt. Als oorzaken van het verval gaf de burgemeester aan: het verlies van de uitvoer naar Frankrijk, de lage invoerrechten van de Franse meekrap in België, de verlamming van de krapmolens door de aanvoer van vreemde koopwaar en het sturen van grote hoeveelheden Zeelandse meekrap naar België. 167

Ludovicus Roosen exploiteerde van 1844 tot 1878 een oliemolen in de Maastrichterstraat tegenover de kazerne. Andere oliemolens in de stad waren terug te vinden in de Berenstraat en de Meldertstraat.

Oliemolen Luikerpoort Jacob Vanvinkenroye en kinderen bedienden van 1844 tot 1855 een oliemolen buiten de Luikerpoort. 168

Meekrapmolen Capucienenstraat In 1845 telde Hasselt nog 78 meekraptelers met 17 ha 62 a 27 ca grond. De Hasseltse meekrap werd in binnen- en buitenland om haar kwaliteit geprezen. De molens waar meekrap verwerkt werd, getuigen van een kleinschalige huiselijke bedrijvigheid. In 1844-1846 baatten Gerard Pierloz, Arnold Maes en Emilie Rousseau een meekrapmolen uit in de Capucienenstraat.

Windmolen Ouden Barrier Perceelnummer: 261. Deze windmolen was gelegen aan de heerbaan van Hasselt naar Luik. Willem Vannes liet in het jaar 1803 aan de Luikersteenweg op de plaats die Den Ouden Barrier werd geheten een windmolen oprichten. 169 De Almanak van het departement van Nedermaas uit het jaar 1805 verwijst er ondubbelzinnig naar: “1803 in de meert heeft de heer Willem Vannes een wintmolen laten setten op den steenwegh naer Luyck.” De Ouden Barrier lag tegenover de ingang van de Langveldstraat. De molen was een houten windmolen van het standaardtype. Ze werd al in 1809 gesloopt.

Oliemolen Meldertstraat De familie Josephus Willems en nadien Louis Bielen bezaten van 1844 tot 1891 een oliemolen in de Meldertstraat naast de bierbrouwerij van Godfried Vanrusselt.

171


172

Muggebeemden percelen 1335-1354 De Muggebeemden vormden weleer een verzamelgebied van beemdgronden en maaibeemden, gelegen bij de Muggebeek waaraan de site haar naam ontleende. Ingesloten tussen de Laeck en de Muggebeek, vormde deze uithoek boven het Hoogvonder een smalle grensstrook tegen de Palen van Kuringen. De Muggebeek was een vloedgracht die ontsprong bij de Beverzak aan de grens met Zonhoven en van hieruit de loop van de Paalsteenstraat volgt. Uiteindelijk mondt deze gracht uit in de Demer. Op de huidige kaart van Hasselt zijn de Muggebeemden gelegen bij de spoorwegbrug die het kanaal overspant aan de grens met Kuringen. Het toponiem wordt reeds in 1429 betuigd als de Mugghenbampde.

Kaart

1/5

Kemperbaan Aan de overkant van de weg Hasselt-Zonhoven liep de Nieuwe Heidevoetweg, die naar het Schrijnbroek en de Schrijnbroekstraat leidde. Mogelijk is deze straat de huidige Nieuwstraat die vanuit Kuringen de grens met Hasselt overschrijdt. Vanpaesschen tekende tussen de Nieuwe Heide en het Schrijnbroek een paar weggetjes. Wellicht gaat het hier om de Nieuwe Heidevoetweg. Het meetboek maakt geen melding van deze straatnaam. De huidige Nieuwe Heidestraat vertrekt aan de Borggravevijvers. Tussen de grenzen met Kuringen en de steenweg naar Zonhoven bevonden zich in de elfde eeuw noordwaarts vanaf het Schrijnbroek elf vijvers met twee waterbekkens en vier vierkante veenderijen. Twee van deze vijvers, het Burgven en het Droogven, werden verkocht in 1865. Een stuk aangrenzende heide werd door de stad aangeslagen en in 1732 omgevormd tot bos. Het overige heidegebied, dat deel uitmaakte van de Gemene Heide, werd op 18 februari 1761 te koop gesteld. De nieuwe eigenaars waren ternauwernood begonnen hun domeinen met sloten af te bakenen, of op 30 juni 1761 kwamen een zevenhonderd Zonhovenaren hun werk vernielen. De geweldenaars wendden voor dat dit stuk heide bij Zonhoven hoorde en dat de verkoop derhalve onwettig was. Hieruit groeide een jarenlang aanslepend proces tussen de inwoners van beide gemeenten. Enigszins gelijklopend met de huidige steenweg liep de Kemperheidevoetweg in de richting van de Beverzak. Hier verliet deze weg het grondgebied van de stad bij de Sopjanskruk, een van de galgen van de stad. Mogelijk is deze weg de huidige Paalsteenstraat.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

De heikleuters bewerkten de schrale grond met een stevig ossengespan. (postkaart, privĂŠcollectie)

173


174

Nieuwe Heide Het Nieuwveld of de Nieuwe Heide, gelegen tussen de Kemperbaan en de Genkerbaan, werd pas bij het begin van de achttiende eeuw voor landbouwdoeleinden bewerkt. Tot in de beginjaren van de twintigste eeuw bewaarde Kiewit het uitzicht van een Kempische heidevlakte. Vanaf diezelfde periode nam de bevolkingsaangroei er duidelijk toe. Ingevolge een immigratie van voormalige inwoners van het centrum ontstond vanaf 1950 in het deel dat besloten ligt tussen de spoorweg Hasselt-Genk en de Genkersteenweg de Banneuxwijk. Door de bouw van de wijk Kempenhof bezijden de Paalsteenstraat kwam Kiewit nog dichter bij de stad te liggen. Ten tijde van de optekeningen van Vanpaesschen zag de Nieuwe Heide er nog uit als de zandrijke Kempische heidevlakte, die het hele noorden van Hasselt kenmerkt. Deze heidevlakte wordt van het vruchtbare Haspengouw gescheiden door de alluviale vlakte van de Demer. De heidevlakte werd her en der onderbroken door de vijvers, de zogenaamde wijers, en enkele beken. De zanderige vlakte, begroeid met dopheide, ademde een monotone sfeer van stilte en bewegingloosheid. Enkele samengetroepte berken, getooid met wat spaarzaam loof, her en der enkele sporadische schrale dennenboompjes en alleenstaande taxusbomen benadrukten het desolate karakter van de grenzeloze vlakte, verlevendigd door de weerkaatsing en de flikkering van het zonlicht in het water van de vijvers en de moerassen. De lichtbreking van de hoogte van de Bolderberg in het westen, van de bewoonde agglomeratie van Zonhoven in het noorden en van de bossen van Bokrijk in het oosten tekenden de natuurlijke demarcatielijn van de Hasseltse heide. 170 De kaart van Vanpaesschen toont duidelijk dat de heide zich vóór de zestiende eeuw uitstrekte tot aan de boorden van de Demer. De toponiemen Goetscherheide, Trichterheide en Kemperheide staven deze stelling.

Heuvele scheydende de iurisdictie van Hasselt en Curingen De grens met de gemeente Kuringen tussen de Gebrandestraat en de Paalsteen werd aangegeven door een aarden dam, het Bouteland geheten.

De Paalsteen De paalsteen heeft geen perceelnummer in het bunderboek. Hij ligt boven het perceel 2467 aan de breuklijn met de Beverzak van Zonhoven op een 50-tal meter van de huidige spoorlijn. Aan de oostzijde van de steenweg bevond zich de galg tegenover de Ranonkelstraat. De Ranonkelstraat, die vroeger aansloot op de Zavelvennestraat, vormde het tracé van de oude verbindingsweg tussen Herkenrode en Bokrijk. Op het kruispunt van de gemeenten Hasselt, Zonhoven en Kuringen werd op 18 oktober 1666 een paalsteen geplaatst, als niet te betwisten grensaanduiding. 171 De vier robuuste arduinen paalstenen staken 1,25m boven de grond uit. De afmetingen van de zijkanten bedroegen 0,35m op 0,42m. De voorzijde, die naar de kant van de stad gericht was, droeg in het bovenveld het wapen van prins-bisschop Maximiliaan-Hendrik van Beieren en aan de onderkant het schild van de stad Hasselt. Op het middenveld werd volgend opschrift gebeiteld: LIMITES/MERICARUM/ HASSELENS/A/SERmo MAX HENRICO/ CONFIRMATI/ANNO 1666 (Grensbepaling van de Hasseltse heide, vastgelegd door zijn doorluchtige hoogheid Maximiliaan Hendrik, in het jaar 1666). De keerzijde, die naar Zonhoven gericht was, droeg geen enkel teken als versiering. Op het middenveld werd in een niet mis te verstane taal volgende verbodsbepaling aangebracht: NON ULTRA/ SONHOVIENSES/SUB POENA CORPORALI/EX EDICTO SERmi/ANNO 1666 (De inwoners van Zonhoven (mogen hier) niet verder (gaan), op risico dat zij een lijfstraf (zouden oplopen). Op bevel van zijn doorluchtige hoogheid. In het jaar 1666). 172


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Paalsteen geplaatst in het jaar 1666 door prins-bisschop Maximiliaan-Hendrik van Beieren, op het raakpunt van de limieten van Hasselt, Kuringen en Zonhoven. (Potloodtekening van Paul Bamps, in APL 1910, nr. 5-6)

175


176

De grenspaal kwam er na eeuwen van twisten over het eigendomsrecht over een stuk heide van zo’n 1.600 bunder, tussen Zonhoven en Hasselt, maar kon ook niet alle betwistingen ongedaan maken. Het bezit van de heide was immers van vitaal belang voor een ruim deel van de bevolking. De talrijke hofsteden in het centrum van de stad waren immers verplicht hun vee te hoeden in de naaste omgeving buiten de wallen. Maar ook de Zonhovenaren eigenden zich dezelfde gronden toe met dezelfde bedoelingen. De burenruzie begon zowat in het laatste kwartaal van de vijftiende eeuw, toen de inwoners van Zonhoven met de steun van de heer van Vogelsanck in 1481 een groot stuk van de Hasseltse heide voor zich opeisten. 173 De Hasselaren beriepen zich echter op een schenkingsakte van 23 augustus 1330, waarin graaf Lodewijk IV van Loon bepaalde dat: “Praeterea damus et concedimus in perpetuum, et irrevocabiliter, praedictis sculteto, scabinis, juratis, totique communitati praedicti oppidi de Hasselt, communitates nostras, seu pascua nostra communia in territorio de Hasselt, seu ejus confinio jacentes seu jacentia, usque ad loca seu terminos, ubi de Queckwijde pecora dictorum nostrorum hominum de Hasselt hactenus pasci communiter consueverunt …” 174 Volgens dit charter deed de graaf aan de schout, de schepenen, de gezworenen en de stadsgemeenschap Hasselt een donatie van de gemene gronden en weiden gelegen op het grondgebied van de stad tot aan de Queckweide, de heide waar de Hasselaren hun vee lieten grazen. In zijn Nederlandstalige Kroniek van Hasselt omschrijft Mantelius de schenking als volgt: “Anno 1330 geeft Graaf Lodowijck aen Scholtis, Schepen, gesworen, ende voorts aende gemeijnte van Hasselt de Vrunten, daer de gemeijn beesten plochten te wijden, of de kempensche heijde, daer soo langhen tijdt om strijdt is geweest met die van Sonhoven, aengaende de limiten of uijterste paelen van dees donatie.” Lodewijk schonk hierbij aan de Hasselaren het eigendomsrecht op zijn vroenten (herenland), die zich uitstrekten tot aan de palen van de Queckweide. De vage en

onnauwkeurige omschrijving van deze heidestrook vormde de aanleiding tot een jarenlang aanslepend geschil tussen de stad Hasselt, de abdij van Herkenrode en de gemeente Zonhoven. 175 De eigenlijke vijandelijkheden tussen beide gemeenten begonnen in 1484, toen Jan van Autel, heer van Vogelsanck, zijn aanspraken liet gelden op de heide. Zijn drossaard Philip van der Meulen had ten onrechte een ingezetene van Hasselt, die in de hei aan het werken was, aangehouden en opgesloten in de gevangenis onder de toren van zijn kasteel. Bij vonnis van 30 oktober 1484 werd de drossaard verplicht door de rechtbank van de XXII te Luik de man onmiddellijk in vrijheid te stellen en terug te brengen naar de plaats waar hij was aangehouden. 176 Met vastberadenheid en beslistheid eiste de magistraat van Hasselt in 1484 van Hasselt het bezit van de Kempensche Heijde voor zich op. Volgens de Hasseltse magistraat strekte het territorium van de stad zich uit vanaf de grens met Kuringen (= de Kuylen van Curingen), langs de grachten van de Beverzak en de Wagemanskuylen tot aan de bossen van Bokrijk. De Zonhovenaren beriepen zich op het recht hun kudden te laten grazen van aan het Schrijnbroek tot aan de grens met Bokrijk. De Leenzaal vonniste op 9 april 1481 dat vier leden van de adel en vier schepenen van het hoog gerechtshof van Vliermaal voorlopige grenspalen lieten aanbrengen in het betwiste gebied. In de jaargedingen of veldordonnanties van de genachten van de Leenzaal van Kuringen dd. 11 mei 1484 werd de grensbepaling tussen beide gemeenten ruimer omschreven: “Van der kuylen van Curingen opgaende lancx die grachten van Beverraeck (sic), ende die ander grachten van Zonuwen tot op seker tommen onder die berghe in de Hachdoeren ind voert op eyn hulsken staende daer teghen, die een van den anderen gaende, soo voert in Wagemans keele peyselyck ende vredelyck hebben ghebruyckt”. 177 Van hun kant vaardigden de rechters van de Leenzaal van Kuringen op 12 juni 1487 een arrest uit waarbij de grenzen van het betwiste gebied opnieuw werden vastgelegd. Tegen de wil van


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

de heer van Vogelsanck en van de Zonhovenaren werd het bezit van de betwiste heide andermaal bevestigd ten voordele van Hasselt. Tijdens de duur van het proces hadden enkele ingezetenen van Zonhoven zich opnieuw tal van weilanden toegeëigend. De gemeente Zonhoven werd veroordeeld tot het betalen van een jaarrente van 66 Rijnse gulden en 13 stuiver aan de stad Hasselt. Ofschoon de Zonhovenaren instemden met deze uitspraak en de schadeloosstelling van 1.000 Rijnsgulden betaalden, gingen zij onverminderd verder met er hun kudden te laten grazen en turf uit te steken. Nog steeds kon Zonhoven niet berusten in het vonnis uitgesproken door de Leenzaal van Kuringen. Meer nog, de gemeente liet op haar jaargeding een tekst voorlezen waarin vervalste grensafbakeningen werden voorgesteld. 178 Nieuwe gewelddaden bleven dan ook niet uit: grenspalen werden uit de grond gerukt en pesterijen, zoals het uiteendrijven van het vee van de tegenstander, scheldpartijen, slagen en onwettelijke aanhoudingen, bleven schering en inslag in de eerste jaren van de zestiende eeuw. Op 15 februari 1518 legden 33 personen als heidevorsers de eed af voor de schout en de schepenen van de stad Hasselt “om die heyde wel voor die van Zonuwen te verdedigen ende dieghene die op de heide meyen ende daer gebruycken, te vangen oft te panden na allen hunnen besten vermogen.” In juni 1519 besloot de magistraat “in de heyde te trecken om er de stadspaelen tegen die van Zonhoven te vernieuwen.” 179 De Zonhovenaren gaven zich echter niet zonder meer gewonnen. In een zitting van de gemeenteraad gaven zij een document ter lezing waarin vervalste grenzen van de gemeente naar voren werden gebracht. Opnieuw velde de zaal van Kuringen in haar zitting van 15 januari 1523 vonnis, waarbij al wie door de heidevorsers betrapt werd op verboden terrein, veroordeeld zou worden tot een voettocht naar de Vendôme. Bovendien zou zijn vee zonder verwijl in beslag genomen worden. Als weerwraak staken die van Zonhoven de turf in brand die door de Hasselaren uitgestoken was. 180

Een ordonnantie van de prins-bisschop Erard van der Marck legde op 14 mei 1533 een rigoureus verbod op van dergelijke frauduleuze praktijken. Prins-bisschop Erard van der Marck had in een ordonnantie van 14 mei 1533 nog bevolen dat Hasselt in het vredig bezit zou blijven van de hun toegewezen heide en dat eventuele overtreders zouden aangehouden en opgesloten worden in de “homperlepompe”, dit is de kerker van het kasteel van Kuringen. De Hasselaren bleven in 1534 en 1535 onverminderd voortgaan met vee aan te slaan en vergeldingsmaatregelen te nemen. Moegetergd door de hardhorigheid van zijn buurgemeente riep de magistraat van Hasselt op 8 september 1535 alle weerbare stadsbewoners boven de zestien jaar op om “met synen geweire ende met scuppen in de Hasseltsche heyde die paelen van Hasselt tegen die van Zonuwen op te halden ende te vernuwen.” 181 De oproep dreigde met een boete van een goudgulden voor wie niet kwam opdagen. De samenkomst had plaats op de Grote Markt. Om vijf uur ’s morgens bij het luiden van de klok verzamelden ongeveer drieduizend gewapende mannen met stokken, schiettuigen en haakbussen, levensmiddelen, fluiten en tamboers. Omdat een dergelijke paramilitaire expeditie strijdig was met de prerogatieven van de prins-bisschop in zijn hoedanigheid van staatshoofd, werden de stadsmagistraat en enkele ingezetenen van Hasselt op 1 oktober 1535 gedaagd om te verschijnen voor de schepenbank van Luik. Na een procedure die twee jaar aansleepte, werd de stad Hasselt op 4 december 1537 in het ongelijk gesteld en veroordeeld tot het betalen van twee derden van de onkosten van het geding. 182 Aangemoedigd door dit vonnis gingen de Zonhovenaren ongestoord verder met maaien en turf te steken op Hasselts grondgebied. Wegens dit aanslepende geweld stelde prins-bisschop Joris van Oostenrijk in 1550 de Hasselaren onder zijn sauvegarde. Niettemin lieten de heren van Vogelsanck Joris van Elter en Ferdinand van Kniphausen geen kans onbenut om de aanspraken van Zonho-

177


178

ven met wettelijke en zelfs onwettelijke middelen te steunen. Prins-bisschop Gerard van Groesbeek stelde zich op aan de zijde van Hasselt door de stad een nieuwe sauvegarde te verlenen. Desondanks bleven er de volgende jaren aanhoudend nieuwe grensschendingen plaats vinden. De schermutselingen hielden niet op: langs weerszijden werden staldieren in beslag genomen en mannen aangehouden. De ene rechtszaak volgde de andere op. Niettegenstaande het verbod van de prins-bisschop “syn die van Zonuwen op 5 juli 1550 wederom inder heyden geweest, een der selver waert doen ghevangen met twee oft drie kerren.” Om verder gebruik te kunnen maken van de heidewegen verzochten de Hasselaren prins-bisschop Joris van Oostenrijk om een vrijgeleide teneinde hun bezittingen te kunnen handhaven, welke hun werd verleend op 12 juli 1550. In tussentijd had de heer van Vogelsanck, Joris van Elter, in de heide van Bokrijk bij de Wagemanskuilen Hasselaar Antoon Houben in 1554 aangehouden en in de kerker van zijn kasteel opgesloten, omdat deze het gewaagd had turf te steken en hei te kappen. De man stierf in de gevangenis. Het tribunaal van de XXII veroordeelde de heer van Vogelsanck in 1577 om een boetekruis op te richten in de Sint-Kwintensheide tussen de Vlasbeemd en het Arensnest. Dit gebeurde op 21 november 1579 in het bijzijn van een afgevaardigde van de overleden baron en in aanwezigheid van de burgemeester en de schepenen van de stad. 183 Op 16 juli 1565 gelastte de schout van Hasselt tot een onderzoek in verband met gevechten die plaats gevonden hadden in de heide, waarbij de gezworen heidevorsers aangevallen waren door inwoners van Zonhoven “met stenen, katsbalgers, heyeriecken, heyezysemen, werpbylen en veltkeyen.” Tevens wilde de schout laten onderzoeken wie de paarden van de Hasselaren uit de Hasseltse heide hadden verjaagd tot in Zonhoven, om ze vervolgens in beslag te nemen. 184 Ook prins-bisschop Gerard van Groesbeek zag zich verplicht op 4 september 1565 de be-

schermende maatregelen ten voordele van de Hasselaren te vernieuwen. Gezien de twisten en processen aanhielden, moest zelfs de keizerlijke kamer van Spiers op 22 juni 1569 tussenbeide komen in de debatten en een veroordeling uitspreken tegen Catharina van Batenburg, vrouw van Vogelsanck. Op 3 augustus 1627 sprak het hoge gerechtshof van Vliermaal een vonnis uit waarbij Jan Vandermaesen, schepen van Zonhoven, tot een boete werd veroordeeld omdat hij zijn vee had laten weiden op de Elsracken binnen het heidegebied van Hasselt. Op 27 juni 1658 namen enkele boeren uit Zonhoven het trekdier van Tilman Rommen in beslag, een burger uit Hasselt die met zijn paard en kar turf was komen steken in de heide. Voor dit feit werd Bartholomeus Vandermaesen door de schout van Hasselt aangehouden. Vandermaesen werd voor eeuwig uit de jurisdictie van de stad verbannen. De conseil ordinaire van het prinsbisdom Luik bekrachtigde op 23 juli 1659 de beslissing van de schepenbank. 185 Vanaf 1652 had Ferdinand van Kniphausen, heer van Vogelsanck en Zonhoven, een aanslepende procedureslag ingezet tegen de Hasselaren, om het bezit van de heide weer op te eisen voor Zonhoven. Deze poging lokte vanzelfsprekend tal van onophoudelijke twisten en gewapende aanvallen uit. Aanslagen op personen en eigendommen deden in de twee kampen de haat en de woede tussen de tegenstrevers opnieuw oplaaien. De schepenbank van Hasselt veroordeelde op 23 oktober 1663 de Zonhovenaar Hendrik Schoetmans, omdat hij bij herhaling de Hasseltse heide geschonden had door er heidekruid te maaien om er bezems van te maken. 186 Teneinde de zaak krachtdadiger aan te pakken onderwierp prins-bisschop Maximiliaan-Hendrik van Beieren alle dossiers en processtukken in 1666 aan een fundamenteel onderzoek, waaruit hij afleidde dat de Hasselaren het gelijk aan hun kant hadden. Na overleg met en advies van zijn Geheime Raad liet hij op 23 juli 1666 ten voorlopigen titel in de heide eenentwintig grensstenen plaatsen als een soort demarcatielijn tussen de twee gemeenten.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Uiteindelijk bleek ook deze maatregel geen voldoening te geven. Daarom verordende de prins-bisschop Maximiliaan-Hendrik van Beieren op 18 oktober 1666 dat de burgemeesters van Hasselt in het bijzijn van twee afgevaardigden van de prins vier solide paalstenen zouden plaatsen, om de begrenzing tussen de twee gemeenten duidelijk af te lijnen: een eerste steen ter hoogte van de “Kuylen van Curinghen” op het raakpunt van de gemeenten Kuringen, Zonhoven en Hasselt; een tweede steen aan de “Beversack” bezijden de oude heerbaan van Hasselt naar Zonhoven; een derde aan de Molenschans naast de weg die van Zonhoven naar Bokrijk leidt; een vierde op het uiterste punt van de grachten van Zonhoven op het raakpunt van de jurisdicties van de gemeenten Zonhoven en Houthalen. De dreigende taal van het opschrift gericht aan de Zonhovenaars bracht echter een omgekeerd effect teweeg. Reeds het daaropvolgende jaar werd de paalsteen bij de Molenschans uit de grond gegraven, verminkt en nadien in opdracht van de overheid opnieuw op zijn plaats gezet in aanwezigheid van twee raadsheren van de prins, de heren van Mombeek en de Creeft. In 1699 werden opnieuw twee paalstenen uit de grond gelicht en triomfantelijk naar het centrum van Zonhoven gevoerd. Datzelfde jaar kwamen gewapende dorpelingen van Zonhoven naar Hasselt, namen er een stadspoort in en voerden drie stuks vee, aangeslagen door de heivorsers, terug naar hun dorp. Op 25 juni 1714 wensten de schepenen van het hoge gerechtshof van Vliermaal zich van de toestand te vergewissen. Bij hun terugkeer naar de stad werden zij lastig gevallen door een vijftal gewapende Zonhovenaren. De schabouwelijke scheldtirades namen langs weerszijden alsmaar scherpere vormen aan. Wanneer het tot een confrontatie kwam, zongen de Hasselaren vol misprijzen: “Op onze heyde en op ons land, Werden er noch galgen geplant, Om de Sonuweneers op te hangen, Die de Hasseleers zullen vangen!” De Zonhovenaars antwoordden even onvervaard als perfecte meesters in de poë-

zie: “Pakt u van den berm af, Of ik kap uw kop er af!” Of een ander dubbelvers dat tot dezelfde tijd teruggaat: “Zijt gij van Zonuwen dan zijt gij mijn neef, Zijt gij van Hasselt dan krijgt gij sleeg!” Dergelijk taalgebruik was nu eenmaal niet van aard om de gemoederen te bedaren. Door de successieoorlog tussen Spanje en Frankrijk had de Hasseltse magistraat de volgende jaren geen tijd om zich bezig te houden met de schending van hun grondgebied door de Zonhovenaren. De bevolking werd verplicht om de voorbijtrekkende Franse troepen voedsel, karren en logies te verstrekken. In januari 1760 kwam een eskadron paardenvolk in de stad overwinteren, in 1761 werden de burgers verplicht Franse officieren te huisvesten en in 1763 moest een voltallige afdeling ruiterij ingekwartierd worden. Om deze onverwachte uitgaven te drukken, ging het stadsbestuur in 1761 over tot de openbare verkoop van percelen op een deel van de heide. Hierdoor kwamen de gronden van het Schrijnbroek, het Zavelven, het Burgven, het Zwartven, de Schaverden en de Sauvegardevijvers in privébezit. De nieuwe eigenaars begonnen zonder verwijl hun percelen af te bakenen met boompjes en hagen. Vergeefse moeite, want op 30 juni 1761 trokken een zeshonderdtal Zonhovense boeren er op uit “met snaphaenen, schuppen en rieken in de hand, die aen de nieuwe erven door de borgers van Hasselt onlanx gecocht, besigh waeren met de grachten en bereytsels tot de agricultur gedaen, te destrueren.” De Zonhovenaren rukten de hagen uit de grond en wierpen de grachten dicht. Uit de getuigenissen blijkt dat de burgemeesters van Zonhoven bevel hadden gegeven om tot die actie over te gaan, en dat de stormklok in Zonhoven was geluid om half zes ’s morgens.

179


180

Deze figuratieve kaart van de heidepercelen (rood) en de bossen en weiden (groen), die de stad Hasselt op 10 mei 1775 aan haar inwoners verkocht, werd in 1782 getekend door landmeter P. Vanpaesschen. (Rijksarchief Hasselt)


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Landmeter J.J. Van Horen maakte in 1762 een figuratieve kaart, waarop de grenspaal van de Beversack de scheiding tussen het toegewezen (maar nog steeds betwiste) gebied tussen Zonhoven en Hasselt aangeeft. Deze kaart werd getekend naar een ouder model uit 1660. (Rijksarchief Hasselt)

181


182

De Zonhovenaars begaven zich naar de heidestrook tussen de paalsteen aan de Beverzak en de stad Hasselt, naar de percelen die Hasseltse particulieren in pacht hadden gekregen en verklaarden de strook tot hun eigendom. Meteen werden zij met vergeldingsmaatregelen bedreigd, wat andermaal aanleiding gaf tot een nieuwe rechtszaak. Het Tribunaal van de XXII in Luik en de Keizerlijke Kamer van Wetzlar stelden de nieuwe eigenaars opnieuw in het bezit van hun gronden en de tegenpartij werd veroordeeld tot zware geldboeten. 187 Daarop liet de magistraat van Hasselt in 1762 een lijvige status quaestionis drukken over de historie van de betwisting van de heide met inbegrip van alle processtukken en schendingen: Analyse ou sommaire des pièces probatoires qui fait [sic] voir dans la dernière évidence que la bruyère, située entre Hasselt et Zonhoven appartient notoirement à la dite ville, et que les limites de cette bruyère sont pareillement de notoriété publique. Aan deze status over de geschiedenis van de heideruzie, waarin het volledige (Hasseltse) verhaal van het geschil uit de doeken werd gedaan, voegde de schepenbank een kopie van de figuratieve kaart van landmeter Matthias Putzeys uit het jaar 1697 toe, aangepast door landmeter Deplaye in oktober 1761 en voorzien van een legende, waarvan Vanpaesschen de perceelnummers overnam: –– A: Eerste paalsteen, opgericht op 18 oktober 1666 op de site die men heet de “Kuylen van Kuringen”, dit zijn de grachten van Kuringen. –– B: Tweede paalsteen, opgericht aan de Beverrack of Beversack, rechts van de baan van Hasselt naar Zonhoven. –– C: Derde paalsteen, opgericht aan de Molenschans, rechts van de weg van Bokrijck naar Zonhoven. –– D: Vierde paalsteen, opgericht bij de grachten van Zonhoven, waar de jurisdictie van deze gemeente begrensd wordt door deze van Houthalen.

–– EEE: plaats van de drie graftombes aan Wagemans-Keele. –– F: De Startwijer. –– G-K: De Elstracken (kaart 2388-2405). –– H: De Rustwijer. –– I: Wijer van de weduwe Squaden, later Peter Briers. –– K: Hoek van de Elstracken. –– L: De Vaesbempt of het Vaesbemptje, rechts van de weg van Bokrijck naar Zonhoven. –– M: De drie Sauvegardewijers, gelegen aan de grachten van Bockrijck (kaart 24722473). –– N: De Savelvenne (kaart 2472). –– O: De weide die Moken geheten wordt (kaart 2472). –– P: De weide die door de Hasselaren Jauten genoemd wordt en door de Zonhovenaren Schroensbrouck. –– Q: Heidedeel dat het Baggersvenne wordt geheten. –– R: Plaats van de Sopjans-Kruck. –– S: Swartvennevijver (kaart 2468). –– T: Schaverdenvijver (kaart 2469). –– VV: De Schrijnebrouckvijvers (kaart 2422, 2433, 2468). –– X: De heide die de Kleine Bergvenne genoemd wordt. –– Y: Berchvennewijer-Burgvennewijer (kaart 2466-2467). –– Z: Drooghvennevijver (kaart 2467). Tevergeefse moeite, want op 18 juli 1763 “bedryven de Sonhovenaers alle hun excessen in onse heyde ten minste by nacht en s ‘avonts ’t sy met onse heyde op hunne grense te bederven en selfs onse gebannen groesen uyt te steken en wegh te nemen. Men weet tot wat excessen sy bequaem syn.” De pesterijen bleven onveranderd aanhouden, ook tegenover privépersonen. Zo maakte de stadssecretaris Roelants op zondagavond 5 januari 1765 een wandeling op de Kempische Heide. Hij werd er uitgescholden door een troep Zonhovenaren: “Mordieu, dat is een Hasselaer! Ich hebbe mijn mesken geslepen, ich heb hier een recht stoxken. Schelm, hondsvod! Ich sal Uw moffel noch wel uyt uw pooten nemen.” 188


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Kaart van de Gemene Hasseltse Heide van de beëdigde landmeter Deplaye naar een origineel van Matthias Putzeys uit 1697. (privécollectie)

183


184

Inmiddels was de zaak uitgegroeid tot een proces met ongemene proporties. Verscheidene rechtbanken, de Leenzaal van Kuringen en de raad van de XXII hadden in casu vonnissen geveld. Uiteindelijk werd het geding aangespannen voor de keizerlijke kamer van Wetzlar. Deze vonniste op 16 juli 1768 een oordeel waartegen geen verder beroep meer ingesteld kon worden. Hasselt werd in het gelijk gesteld als rechtmatige bezitter van de heide en Zonhoven werd veroordeeld tot de gerechtskosten. Naar aanleiding van deze uitspraak lieten de Hasselaren op 20 juli 1768 een plechtig Te Deum zingen. Toch gaven de Zonhovenaren zich niet gewonnen en vroegen een herziening aan van de rechtszaak op basis van nieuwe argumenten. Op 15 juni 1795 bevestigde de kamer van Wetzlar haar vonnis van 1768 en veroordeelde andermaal de gemeente Zonhoven tot het betalen van de onkosten van het proces.

De inval van de Fransen, met alle perikelen die er aan verbonden waren, maakte de ruzie tussen de twee gemeenten voor enkele jaren monddood. In 1813 richtte de maire Cox met kennis van zaken een pleidooi aan de Franse overheid, waarin hij verwees naar de opeenvolgende veroordelingen van de Zonhovenaren en aantoonde dat de heide zoveel jaren bemest was en vruchtbaar gemaakt door de runderen van de stokers, terwijl de gemeente Zonhoven ter zake geen enkele inspanning had geleverd. Vanaf 1813 werden door het Franse département de la Meuse Inférieure de gemeentegrenzen eens en voorgoed vastgelegd. 189

De meekrap (Rubia tinctorum), ook wel ‘mee’ of ‘mede’ genoemd, is een plant die behoort tot de sterbladigenfamilie (Rubiaceae). Meekrap werd vroeger gebruikt als grondstof voor de rode kleurstof alizarine. Daarnaast wordt aan meekrap ook een medicinale werking toegeschreven. http://nl.wikipedia.org/wiki/Meekrap. 167 Smet, Limburgse windmolens, 65. Caluwaerts, Hasselt intra muros, 256 en 335. 168 Andere oliemolens lagen aan de Maastrichterstraat, de Berenstraat en de Meldertstraat. Caluwaerts, Hasselt intra muros, 265. 169 Het hier gelegen tolhek heette de Luikerbareel of Tivoli. 170 Bamps, ‘Hasselt-jadis (2e partie)’, 65-66. 171 C. Vanderstraeten, ‘Paalstenen’, De Hasselaar, 10 (1958) 10. 172 J. Blux, ‘De Hasseltse paalstenen’, Nieuws uit Limburg, VI:10 (1954), 82-83. 173 W. Segers, ‘Tot hier en terug: burentwisten tussen Hasselt en Zonhoven’, Kunst en Erfgoed in de Kijker, 29 (2011) 4. 174 Mantelius, Hasseletum, 22. 175 Mantelius, Kroniek van Hasselt, f° 5 r°. 176 E. Poncelet, ‘Note relative aux conflits entre Hasselt et Zonhoven au sujet de la bruyère’, VO, XII (1936), 43-49. 177 RAH, Oud archief stad Hasselt, nr. 1086, Jaergedinghen, 2. 178 Een jaargeding was een jaarlijkse vergadering van alle volwassen mannelijke inwoners van een dorp, waarbij de burgemeester rekenschap diende af te leggen (de rekeningen voorleggen) en een nieuwe burgemeester werd verkozen. http://nl.wikipedia.org/wiki/Jaargeding 179 Grauwels, Kroniek van Hasselt, nr. 148. 180 E. Geraets, ‘Histoire des contestations qui ont surgi entre Hasselt et Zonhoven pour la possession de la bruyère entre les deux communes’, BSM, III (1866), 80. 181 Grauwels, Kroniek van Hasselt, nr. 202. 182 E.B. Hulsmans, ‘Verbeten twisten tussen Hasselt en Zonhoven’, Nieuws uit Limburg, XIV:5 (1962) 49. 183 W. Segers, Tot hier en terug: burentwisten tussen Hasselt en Zonhoven (Hasselt 2011) 40. 184 Grauwels, Kroniek van Hasselt, 312. 185 Grauwels, Kroniek van Hasselt, 566. 186 Grauwels, Kroniek van Hasselt, 584. 187 Geraets, ‘Histoire des contestations qui ont surgi entre Hasselt et Zonhoven’, 82-83. 188 Grauwels, Kroniek van Hasselt, nr. 817. 189 J. Dewit, ‘Deux documents concernant le procès entre Hasselt et Zonhoven’, LPL, XIV:5-6 (mei-juni 1910), 26. 166


185

De publicatie van een devotieboekje, het Marianum Hasletum, van de hand van de minderbroeder Hendrik Jonghen, toont andermaal hoe gevoelig de verhoudingen tussen de twee buurgemeenten wel lagen. Aanleiding van de commotie was het verschijnen in 1660 van dit vrome werkje in het Latijn, dat de pater in opdracht van de broederschap van de Virga Jesse van Hasselt had geschreven over de geschiedenis van de Onze-LieveVrouw en de verering van haar beeltenis in de haar toegewijde kapel. Datzelfde jaar publiceerde zijn confrater Petrus Vaele een vertaling van dit Marianum in de volkstaal. 190

Kopergravure van de Hasseltse Virga Jesse van de hand van de Antwerpenaar Frederik Bouttats de Jongere naar een tekening van Philippe Fruitiers, anno 1660.

Pas waren de eerste exemplaren door de leden van de broederschap verspreid of de bevolking begon druk op straat te discussiëren, omdat zij aanstoot nam aan een naar hun smaak aanstootgevende passage. Op pagina 16 van zijn werkje had pater Jonghen namelijk de te wraken passus ingeschakeld: “Anno item 1484 sub Illustrissimo D. Joanne Hornaeo, quinquagesimo tertio Principe Leodi … factus est conflictus in Mirica Sonhoviana” (In het jaar 1484 onder Zijn doorluchtige hoogheid Joannes van Horn, de drieënvijftigste prins van Luik … vond er een conflict plaats in de Zonhovense heide.” In de ogen van het Hasseltse bestuur had dat conflict plaatsgehad op de Hasseltse heide en in naam van de stad die zeker in die jaren op haar eigendomsrechten stond, lieten de burgemeesters en de gemeenteraad van Hasselt de verkoop van het boekje op 17 augustus 1660 stopzetten. Alle uitgaven van het gewraakte werkje werden ingezameld op het stadhuis. 191

Jonghen vergiste zich, wanneer hij de veldslag tussen de twee rivalen liet plaatsvinden op de Zonhovense heide in 1484. De militia van de clan Van der Marck hadden zich teruggetrokken in het kasteel van Vogelsanck. Aan het hoofd van 2.500 man voetvolk en 500 ruiters, ondersteund door de milities van de steden Hasselt, Sint-Truiden, Tongeren en Maastricht, trok Jan van Horne zijn tegenstrever tegemoet. Op 3 april 1490 kwam het tot een treffen tussen beide legers waarbij de troepen van Van der Marck een nederlaag moesten incasseren. 192


186

Om de goede vrede met de stadsmagistraat te bewaren, lieten de minderbroeders en de broederschap van de Virga Jesse daarop een nieuwe druk met uitgezuiverde versie van het boekje van Vaele in Antwerpen verschijnen. De oorspronkelijke passus “op de heyde bij Sonhoven” werd vervangen door het zinnetje “niet verre van Hasselt, op een plaetse daer toe bequaem”. Nadat de betwiste passage was aangepast, liet het stadsbestuur de verkoop van de gezuiverde exemplaren weer toe op 4 november 1660.

Frontpagina van de Nederduitse vertaling van het Latijnse Marianum Hasletum van de minderbroeder F.H. Ionghen, door zijn confrater F.P. Vale, anno 1660.

190

191

192

H. Jonghen, Onze-Lieve-Vrouw van Hasselt, uitgave Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Studiekring van Hasselt, (Hasselt 2003) passim. P. Vale, Onze L. Vrouwe van Hasselt ofte corte historie van haer H. Beeldt ende broederschap: eerst in ‘t Lattyn beschreven door den Eerw. Pater F. Henricus Jonghen, Minder-broeder, ghe-Jubileerden leermeester der H. Godtheyt. Nu in ‘t neder-duyts vertaelt door Eerw. Pater F. Petrus Vale (Antwerpen 1660) passim. C. Bamps, ‘Mise à l’index par le magistrat de Hasselt d’un ouvrage intitulé Marianum Hasletum imprimé à Anvers en 1660’, Revue belge de numismatique (Brussel 1898) 1-19. Mantelius, Kroniek van Hasselt (editie Caluwaerts), 280-281.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

De Sopjanskruk aan de Beverzak Op de grens van Zonhoven met Hasselt, aan de Beverrick of Beverzak, stond tijdens het ancien régime de Sopjanskruk, een mikgalg (eenarmige paal of kruk). De juiste standplaats van de Sopjanskruk staat duidelijk omschreven in het gichtregister 208 naar Loons recht folio 300, waar de aanwezigheid van de vier paalstenen in de heide tussen Hasselt en Zonhoven precies wordt aangegeven. 193

De etymologie van de benaming Sopjanskruk gaat terug op een middeleeuwse woordvorming. Kruk staat hier voor het Oud-Germaanse “stam met afgekapte takken” of “stok met een haak”. “Sopjans” is een volkse woordspeling met de betekenis van “gepeupel”. “Sop” of geweekt brood was het dagelijkse voedsel van de eenvoudige heidebewoner. 194

Detail van de Sopjanskruk (letter R) aan de Hasseltse Beverzak bij de limieten van Zonhoven (kaart Putzeys-Deplaye: zie p. 183).

Aan deze galg werden mensen terechtgesteld, net zoals aan de galg op de grens met Kuringen. In 1538 was de beul meester Michiel van Rummen met zijn helpers te gast in “De Valck” aan de Maastrichterstraat. Hij was door de stadsmagistraat gevorderd om een zekere Heyn Thoelen te radbraken. De ongelukkige Thoelen werd eerst tweemaal bij de ondervraging aan de tortuur onderworpen, om bijkomende bekentenissen af te dwingen. De grootbaljuw van Loon, tevens heer van Rummen, had voor deze klus een beroep gedaan op de beul van Rummen. De strafuitvoering vond plaats op de heide aan de Beverzak. De prior van de augustijnen van Hasselt moest de veroordeelde geestelijke bijstand verlenen. Voor deze caritatieve hulp werd hem een Hornse gulden uitgekeerd. 195

187


188

Een andere terechtstelling op 26 februari 1570 getuigt andermaal van de excentrieke werkwijze die de justitie tijdens het ancien régime aan de dag legde. Een ter dood veroordeelde werd in de namiddag naar de Kempische Heide gevoerd. De galg lag op een kar die de stoet begeleidde. Toen het gezelschap bij de grenzen van de stad arriveerde, was de kuil om de galg in te plaatsen nog niet klaar. Intussen moest de arme stakker met zijn biechtvader, een pater augustijn, twee uur lang de snijdende winterkoude ondergaan tot de kuil gegraven was. Inmiddels was de duisternis gevallen en werd de sukkelaar in de maneschijn gehangen. De veroordeelde was zo arm dat de justitieambtenaren hem een rood hemd aantrokken, om geen aanstoot te geven aan de omstaanders. 196 Op 8 april 1566 vond op de Beverzak een postume terechtstelling plaats. De genaamde Mevis Moenen zat in januari 1566 opgesloten in het cachot van de toren van de Kempische Poort. De aanleiding tot zijn vrijheidsberoving kon niet worden achterhaald uit de processtukken. Na de traditionele procedure van ondervraging werd hij door de schepenen veroordeeld om geradbraakt te worden. De beschuldigde tekende tegen het vonnis beroep aan bij de Luikse Staten en bij het tribunaal van de XXII. Het proces sleepte aan en verplichtte de stad tot uitgaven die opliepen tot boven de achthonderd gulden. Inmiddels wist Moenen uit zijn kerker te ontsnappen. Bij die vluchtpoging kwam hij door een ongelukkige val terecht in de grachten van de wallen, waarin hij door verdrinking om het leven kwam. Ontgoocheld dat hun prooi op deze tragische manier had weten te ontkomen aan de gerechtigheid, besloot de magistraat een ultieme wraak te nemen op het dode lichaam van Moenen door op zijn stoffelijk overblijfsel de straf toe te passen, waartoe hij tijdens zijn leven veroordeeld was. Zijn lijk werd derhalve overgebracht naar de heide aan de Beverzak, waar het rad stond opgesteld. Heel wat stadsbewoners, leden van de clerus en zelfs schoolkinderen woonden het schouwspel bij. Zonder enige emotie te tonen, voltrok de beul

zijn werk op het levenloze lichaam, brak met een ijzeren stang de armen en de benen en bond het verminkte kadaver vast op het rad waar het uitgestald bleef voor de aanwezigen en voor de voorbijgangers. 197 Het meest stekelige element in de uitvoering van dit vonnis was wel dat de burgemeesters, om de strafmaat als blijvend voorbeeld te stellen voor de komende generaties, het wenselijk hadden geoordeeld de schoolgaande kinderen en jongeren uit de stad op te roepen voor het bijwonen van deze lugubere plechtigheid. Terwijl de beul zich van zijn werk kweet, werden aan de scholieren voor deze uitzonderlijke gelegenheid witte broodkoekjes als versnapering uitgedeeld. De aanwezigheid van de schoolgaande jeugd “onder ’t raet” was en bleef een eenmalig gebeuren dat niet voorzien was in de pedagogische voorschriften uit die tijd. Hoe dan ook bleef het een niet te verantwoorden vorm van de opvoedkunde uit die jaren om jonge mensen te laten opstappen in de “lijkstoet” achter de drossaard en de schout, en hen bovendien nog een staanplaats toe te wijzen in de onmiddellijke nabijheid van de galg. Onze voorouders hadden een andere kijk op volksopvoeding en waren van mening dat strafuitvoeringen vooral moesten dienen “tot spieghel ofte exempel van anderen”. Het is niet geweten of dit soort aanschouwelijk onderricht, waarbij kermisgebak werd aangeboden als versnapering, voor herhaling vatbaar was. 198 Terechtstellingen wogen uiteraard zwaar door op de stadskas. Dit bewijst onder meer een rekening uit het jaar 1606 voor een executie aan de galg van de Beverzak: ”Betaelt een vat biere dwelck ettelycke borgers verdroncken hebben toen zij het radt metten boom aen Beverick gevuert hebben alsoock het lichaem ter aerde begraeven om die daervan te schouwen”. 199 De zaak Moenen kostte aan de stad acht honderd gulden. De schepenen van Hasselt veroordeelden op 27 mei 1729 de moordenaar Baltus Francken: “Men sal hem doen afkappen syne twee handen met de acxe waermede hy eenen der moorden begaen heeft ende daernaer


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

levende doen radbraecken ende sonder interruptie doen onthalsen ende het doodt lichaem doen leggen op een radt ende het hoofd te stellen op hetselven radt ende aen den staeck doen nagelen de twee afgekapte handen ende te doen aenhangen de acxe ende het bijlken met welcke hy de twee moorden begaen heeft.” 200

De galg bij de Galgenvijver Perceelnummer: 2419. In de veertiende en de eerste helft van de vijftiende eeuw stond er op de grens van de Trichterheide met de Kempische Heide bij de Galgewijer (vijf bunder twaalf roeden) aan de hoek van de Galgenstraat een galg opgesteld. De aanwezigheid van deze terechtstellingsplaats werd verder bewaard in de naam van de Galgenstraat, die uitgaf op de huidige Genkersteenweg. De Galghenvijver (achttiende eeuw) en de nabijgelegen Swartvennevijver waren eigendom van de familie Van Melbeeck. De twee vijvers werden op 5 mei 1730 tegen 2.900 gulden verkocht aan de Hasseltse advocaat en schepen Arnold Briers. 201

189

Kaart

1/6

Gebanne Groesen Perceelnummer: 2387. Dit waren graasvelden, eigendom van de heer (ban van de heer), waarvan hij het maeygelt ontving. De Gebanne Groesen vormden een uitgestrekte heide- en vijvergebied ten noorden van de Spilvoije Kuylen en ten noorden van de Cellebroedersvijvers. Ook verderop in de Grote Heide trof men nog Gebanne Groesen aan.

Kaart

1/7, 1/8 & 1/9

Legende van P. Vanpaesschen bij de kaart Hasselt extra muros.

193 194 195 196 197

198 199 200 201

Zie kaart Putzeys-Deplaye. J. Collen, Alfons Jeurissen en de folkloristische gastronomie (Antwerpen 1982) 4. Caluwaerts, Hasselt intra muros, 135. Grauwels, Kroniek van Hasselt, nr. 361. Mantelius, Kroniek van Hasselt (editie G. Caluwaerts), nr. 352. M. Geraets, ‘Notice sur la justice répressive à Hasselt sous les princes-évêques de Liège’, BSM, XXXV (1899), p. 109-142. Caluwaerts, Hasselt intra muros, 48 voetnoot 15. C. Bamps, Notes historiques sur Hasselt (1474-1580) (Hasselt 1889) 66. J. Gessler, ‘Hasseltsche schooljeugd bij beulswerk toeschouwend’, VO, XVII (1942), 264. Grauwels, Kroniek van Hasselt, nr. 450. Grauwels, Kroniek van Hasselt, nr. 741. Caluwaerts, Hasselt intra muros, 48 voetnoot 16. Bamps, ‘Hasselt-jadis (2e partie)’, 36 en 63.


190

Uittreksel van de eerste kadasterkaart van de stad Hasselt, met de juiste ligging van de winningen Groot Hilst en Klein Hilst naast de baan naar Sint-Truiden.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Kaart

2/1

De Oude Truierbaan De Oude Truierbaan loopt vanuit het stadscentrum tot aan de grens met Sint-Lambrechts-Herk. Vertrekkend vanaf de Truiderpoort volgt hij een recht tracé tot aan het Plaaster. Vanaf dit punt maakt hij een kromming (Kerkhofstraat) tot aan het Klein Lindeke om vervolgens rechtdoor zijn weg te vervolgen tot aan de grens met Sint-Lambrechts-Herk. In Hilst loopt de Truierbaan langs de winningen Groot Hilst en Klein Hilst, vlakbij het brongebied van de Wanbeek.

Groot Hilst en Klein Hilst Perceelnummers: 497 en 492. In 1783 waren deze gronden in het bezit van advocaat Vuskens (Klein Hilst) en burgemeester Ambrosij (Groot Hilst). Dit gehucht in het zuidwestelijke kwartier van de stad ligt aan de Oude Truierbaan. De pachthoeven Groot Hilst en Klein Hilst en een bijhorende woning gelegen aan de overzijde van de Oude Truierbaan vormden het Hof van Hilst. Als leengoed ressorteerde de winning onder de Leenzaal van Kuringen, waar telkens bij de wisseling van een nieuwe eigenaar de officiële verheffingen geregistreerd werden. Het domein van het Hof van Hilst was gelegen tegen Sint-LambrechtsHerk, ten noorden van de Sint-Truidersteenweg. Het werd voor het eerst vermeld in 1420. In 1437 was het eigendom van Johan van den Steweghe, “knape van wapenen en de leenhere des hoefs van Hilst met sinen toebehoerten.” Deze curia maakte deel uit van een groter leengoed onder Stevoort. Dit hof werd ook soms “curiam ten Langen Holt” geheten. 202

De pachthoeve Groot Hilst was in de tweede helft van de zestiende eeuw in het bezit van Gerard van Hilst (1551-1618), bouwmeester en burgemeester van Hasselt. In 1580 trad Gerard voor de eerste maal in de echt met Clara van Vinckenroye. Na de dood van zijn eerste vrouw hertrouwde hij met Goburg Sjonkeren. Na Gerard werd zijn zoon Jan (1609-1676) eigenaar van het goed Groot Hilst en van de winning van Melbeek. Hij was gehuwd met Ida van Vinckenroye. Jan was chirurgijn van beroep en net als zijn vader bouwmeester en burgemeester van de stad. Na Jan kwam de winning Groot Hilst in handen van Antoon van Hilst (1662-1712), kleinzoon van Gerard, drossaard van Lummen. Een tweede zoon van stamvader Gerard, ook gedoopt onder de voornaam Gerard (1600-1661), was eigenaar van de hoeve van Rapertingen. Deze tak van de familie van Hilst behoorde tot de welstellende burgerij van de stad. Zij investeerde de opbrengsten van hun immobiliën en gronden in de aankoop van nieuwe eigendommen. Nadien kwam de pachthoeve Groot Hilst in handen van Joannes Schipmans. Via erfenis van deze laatste kwam het goed in het bezit van Jan Duynen, afkomstig uit Diest (1724-1807), chirurgijn en stadsheelmeester van Hasselt in 1747 en woonachtig in de Kapelstraat. Groot Hilst besloeg toen een oppervlakte van 17 bunder en 18 roeden. 203 Niet zover van dit herengoed lag de pachthoeve Klein Hilst, waaraan een moestuin, landerijen, een boomgaard en een vijver verbonden waren. De totale oppervlakte van dit cijnshof besloeg 24 bunder en 2 roeden. Aanvankelijk was dit goed in het bezit van de familie de Libotton, heren van Stevoort in 1701. Later kwam het in handen van de families Lebon-Bamps en Hermant-Bamps. Beide landgoederen, in één woord Hilst genaamd, waren in de eerste helft van de achttiende eeuw eigendom van baron Godlaf-Adolf van Oppeln de Liebich. Rentmeester van deze laatste was priester Godfried Palmers. Ter nagedachtenis van de gesneuvelde boerenkrijgers werd op de plaats van de eindfase van de strijd het kapelletje van Klein Hilst opgericht door de moeder van de familie A.

191


192

Bamps-Lebon. Op 4 december 1798 sneuvelde bij het Hilsterveld onder anderen priester Joannes-Henricus Melin, aalmoezenier van het Boerenleger, bijgenaamd de Moefelhier. 204

Het kapelletje van Hilst, opgericht op de plaats waar tal van Boeren sneuvelden in de finale strijd tegen de Fransen. (postkaart, privécollectie)

Centraal voor het altaar staat een beeld van de “Ecce homo, de Christus-op-de-Kouden-steen.” Een inscriptie op een marmeren gedenkplaat in de vloer vermeldt foutief 6 december als datum van de veldslag, in plaats van 5 december: “A la mémoire des Paysans-Patriotes/tués ici le 6 décembre 1798.” 205 Jarenlang lag de kapel er verlaten bij midden in een oase van rust en ongerepte natuur. Tot de site de aandacht trok van een maatschappij in onroerende goederen, die een herverkavelingplan ontwierp van de omliggende kadastrale percelen. In korte tijd verdwenen het bomenpark en de vijvers die tot dan toe de charme uitmaakten van de omgeving. De kapel zelf bleef evenwel onaangeroerd en raakte van langsom meer en meer in verval. Alleen het houten frame en een paar fragmenten van de lemen wanden overleefden het verweer van de tijd. Een onverwacht initiatief van de Vlaamse Toeristenbond redde het gebouw van zijn definitieve ondergang. Voornoemde vereniging kocht een perceel grond in de nabijheid van de aanvankelijke bouwplaats van de kapel. Buurtbewoners staken een helpende hand toe bij het uitgraven van de fundamenten en versleepten het houten raamwerk naar zijn nieuwe standplaats. Met de hulp van vele welwillende vrijwilligers werd het gebouw gerestaureerd en in zijn oorspronkelijke toestand hersteld. Op 12 juni 1938 vond de inwijdingsplechtigheid plaats. Op 23 december 1943 werden de kapel en het erbij horend plantsoen in eigendom aan de stad Hasselt geschonken. Sindsdien vindt hier ieder jaar op de avond van 5 december een fakkeltocht plaats naar de plaats waar het verzet van de brigands werd gefnuikt door de overmacht van de Franse sansculotten. 206

202

203 204

205 206

Reynders, Toponymie van Hasselt, 44. J. Lyna, ‘De schepenbanken van Hasselt’, VO, IX (1933) 12. J. Lyna, ‘De cijnshoven in het graafschap Loon’, Limburg, X (1928-1929) 41-86, 70-78, 81-86. Caluwaerts, Hasselt intra muros, 172 voetnoot 6. Bamps, ‘Hasselt-jadis (2e partie)’, 28, 49, 89 en 90. F. Schlusmans, Bouwen door de eeuwen heen, Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur. Deel 6, nr. 1 (A-Ha), Provincie Limburg. Arrondissement Hasselt (Gent 1981) 407. J. Blux, ‘De kapel van Klein Hilst’, Nieuws uit Limburg VII:8 (1956), 63. W. Van Gelder, Hasselt, toeristisch thuis in Vlaanderen (Hasselt 1985) 117.


193

De Boerenkrijgers, of brigands, waren sinds juli 1794 op de vlucht voor de Fransen (sansculotten). Ze hadden Hasselt ingenomen op 4 december 1798, maar werden in de vroege ochtend gealarmeerd door berichten over nakende Franse troepen. Deze laatsten hadden de stad sinds 1794 ingenomen en waren tijdens de nacht van 4 op 5 december verjaagd door de Boerenkrijgers, die sinds september van dat jaar overal te lande hun onvrede met de Franse conscriptiewet kracht bijzetten. De sluiting van kerken en kloosters, de verstaatsing van de geestelijkheid en de opeising van kerkelijke goederen ten voordele van de republikeinse domeinen werden door de bevolking ervaren als een doelgerichte fanatieke kerkvervolging. Voeg daarbij de gehate conscriptiewetten waarbij jongemannen uit onze contreien ertoe verplicht werden te dienen onder de Franse kokarde. 207 Op 5 september 1798 werd de wet van kracht. De daaropvolgende maand reeds werden 200.000 Franse en Belgische jongens door loting aangewezen om ingelijfd te worden. De invoering van de conscriptiewet bij de mannelijke bevolking van Vlaanderen en Wallonië, die nooit eerder geconfronteerd was met het systeem van de verplichte lichtingen, stak de vonk aan het kruitvat van alle extreme gevoelens van haat die zich tot nog toe hadden opgestapeld tegen de Franse bezetter. Hierin lag de directe aanleiding tot het losbarsten van de Boerenkrijg. 208 Op 12 oktober 1798 brak de opstand los in Overmere en de weken erna breidde het verzet zich als een olievlek uit over het Waasland, Brabant, Wallonië en Luxemburg. Van 23 tot 26 oktober werd Diest bezet door ongeveer 800 opstandelingen om van hieruit de vrijheidsstrijders te dekken die Leuven wilden innemen. Op 9 november kwamen de Franse generaals Jardon en Chabert Diest ontzetten. Na hun vertrek op 11 november sloegen 6.000 Boeren opnieuw het beleg in de stad. Op 27 oktober maakte een detachement zich meester van Beringen. Dit feit was de aanleiding ervan dat de Franse municipaliteit van Hasselt haar waakzaamheid verhoogde om een mogelijke aanval van de Boeren tegen de stad te voorkomen. Daarom lieten zij de dijken van de Demer doorsteken, om zodoende het niveau van het water in de stadsgracht te doen stijgen. Op 17 november kwam een groep opstandelingen toe in Helchteren, Eksel en Peer. In de Noorderkempen werd de noodklok geluid. Op 21 november richtte de municipale raad van Hasselt een burgerwacht op waarin alle weerbare mannen tussen de achttien en de zestig jaar werden opgeroepen. Dit korps zou voor het eerst samenkomen op 3 december. Een paar dagen later werd de wacht ontbonden omdat de Fransen niet konden aanvaarden dat burgers over wapens zouden beschikken. Op 22 en 23 november werd een nieuw offensief ingezet in de Kempen. Ditmaal was Mol het centrum van een oorlogstoneel. Ook hier moesten de Boeren wijken voor de Franse colonnes en lieten er om en bij de 600 doden achter op het slagveld. 209 4 december 1798 was een gewone marktdag in Hasselt. De 5.655 inwoners van de stad, noch de landbouwers uit de Kempen en Haspengouw, hadden enig vermoeden dat er die dag een strijd zou losbarsten. Ook het municipale bestuur was het niet opgevallen dat enkele “conscrits” van stokken voorzien op de markt rondslenterden en nog minder hadden zij er weet van dat er een leger onderweg was naar de stad. Notaris Guillaume Claes noteerde dat die dag de sfeer in Hasselt rustig was en dat er niet gedacht werd aan enig dreigend gevaar. In Tongeren vernam de notaris dat de brigands op 3 december Alken hadden ingenomen waar schermutselingen hadden plaatsgevonden. In de voormiddag van 4 december sloeg een verkenner alarm met de melding dat zowat 2.000 brigands van wapens voorzien, vergezeld van een 70-tal stevig geboeide krijgsgevangenen, op weg waren naar Hasselt. 210 In een proces-verbaal van de municipaliteit staat het verhaal opgetekend over de intrede van de Boeren in de stad: “Op 4 december 1798 te 10u30 ’s morgens kwamen de Brigands onverhoeds de stad binnengevallen op een ogenblik dat niemand er zich aan verwachtte. De ambtenaren waren er van op de hoogte gesteld dat de avond voordien de Brigands Alken waren binnengetrokken. Er was geen verzet gekomen vanwege de plaatselijke bevolking. De commissaris van het directoire liep door de straten van Hasselt en riep de ingezetenen op hun stad te verdedigen. Zijn oproep bleef evenwel zonder gevolg, de komst van de Brigands was immers te overweldigend. Sommigen sprongen in de stadsgrachten, anderen klommen op de wallen of braken met geweld de poorten open. De ambtenaren zochten hun toevlucht in de huizen van de gegoede burgerij. De Brigands stapten op naar het gemeentehuis, waar zij alle archieven en registers overhoop haalden.”


194

Een ooggetuigenverslag werd opgesteld door een lid van de municipale raad, die uiteraard een collaborateur van de Fransen was. De man beweerde dat hij volstrekt onwetend was over de inval van de Brigands. Na zijn ontbijt begaf hij zich naar zijn jeneverstokerij. Hier hoorde hij dat er op straat tumult was, informeerde zich over wat er gebeurde en kwam zo te weten dat de Brigands waren binnengevallen via de Luikerpoort. Daarop liep hij naar de Kempische Poort, stelde vast dat deze nog openstond en gaf opdracht ze te sluiten. Op zijn terugweg zag hij hoe zijn schoonbroer Fabry gewapend met een geweer in de richting van de Luikerpoort liep. Zelf bezat hij geen wapen meer, omdat deze allemaal door de municipaliteit waren opgeëist. Toen de man bij de Luikerpoort toekwam, stelde hij vast dat verder verzet tegen de overweldiger zinloos was. Vluchten was geboden. Daarom ging hij terug richting Kempische Poort en wist op zijn tocht meerdere geweerschoten te ontwijken. Onderweg zocht hij zijn toevlucht in het huis van de tuinman Gelders, die hem onderdak bood in afwachting van de terugkeer van het Franse leger. De voorhoede van het Boerenleger, voor het merendeel jongens uit Brabant, was omstreeks half elf opgedaagd voor de stadswallen. De municipale raad liet onmiddellijk de stadswallen sluiten. De marktventers pakten overhaast hun koopwaar in en trachtten nog uit de stad te ontkomen. De bevolking sloot haar deuren. Commissaris Baerts liep met een aantal rijkswachters naar de wallen om van hieruit de Brabanders onder vuur te nemen. Vooral gezondheidsofficier Grisar onderscheidde zich door zijn moed en loste vanop de wallen zeven schoten waarvan naar zijn zeggen geen enkel zijn doel miste. Verscheidene ambtenaren, onder wie vrederechter G. Hussen, politieofficier W.Vos en oud-politiecommissaris H. Fabry, kwamen de verdediging versterken. Daarop verspreidden de aanvallers zich over de gehele lengte tussen de Maastrichter- en de Kuringerpoort, waadden door de grachten en beklommen de wallen. De republikeinen begrepen dat, voor het behoud van het vege lijf, het vluchten geblazen was en trachtten in de kortste tijd een veilig onderkomen te vinden. Slechts één Fransman, de rijkswachter Vannier, werd neergekogeld op de wallen ter hoogte van de Badderijstraat. Verschillende ambtenaren namen de vlucht richting Diepenbeek en Maastricht, andere collaborateurs en beëdigde priesters zochten een schuilplaats bij inwoners van de stad. 211 Zonder veel moeilijkheden namen de Brabantse jongens de stad in. Tussen de Maastrichteren de Sint-Truiderpoort klommen ze over de vestingmuren, ontgrendelden de poorten en liepen in stormpas naar de Grote Markt. De voorste linie achtervolgde de republikeinen tot buiten de Kempische Poort. Enkele Boerenkrijgers begaven zich naar de gevangenis waar ze een priester en hun gezellen bevrijdden. Anderen bezetten het stadhuis en verscheurden er een gedeelte van de nog aanwezige belastingsregisters en militielijsten. Een derde groep drong binnen in de kazerne van de rijkswacht in de Boomgaardstraat en vernielde er meubilair, voedsel voor de paarden en wapens. 212 Vervolgens openden de brigands de jacht op ambtenaren en collaborateurs, maar zij ontdekten er niet één. De Franse krijgsgevangenen werden opgesloten in “la salle de la société d’agrément” van de oude lakenhalle op de Grote Markt. De grote bressen in de wallen werden haastig gedicht met aarde en met stenen, en drie poorten werden gebarricadeerd. Enkel de Sint-Truiderpoort bleef open om een eventuele aftocht daarlangs mogelijk te maken. Het Boerenleger dat Hasselt bezette, was tussen de 3.000 à 4.000 man sterk. De kern ervan bestond uit een 400 Leuvense jagers, aangevuld met landlieden uit Wallonië en uit de Vlaamse Gewesten. Hun uitrusting was ronduit gebrekkig: sommigen waren in het bezit van karabijnen, jachtgeweren, snaphanen, sabels, knuppels of zeisen, anderen beschikten zelfs over geen enkel wapen. Jongens die afkomstig waren uit eenzelfde kanton, werden ingedeeld bij eenzelfde compagnie. In Hasselt lagen een zestigtal compagnies. 213 Het Boerenleger bestond uit drie colonnes. Jan van Haezendonck uit Aarschot had de algemene leiding, Constant uit Roux-Miroir voerde het bevel over de afdeling uit Waals-Brabant en Cornelis Elen uit Scherpenheuvel had de voorbereiding tot de veldtocht uitgewerkt. Verder werd aan de slag bij Hasselt deelgenomen door verscheidene priesters: Hendrik Jozef Melin, kanunnik van Sint-Goedele te Brussel, priester Jan Baptist Hens uit Duffel en vermoedelijk pastoor Guillaume Huveneers uit Nattenhaasdonk, rector Petrus Daniëls uit Zonhoven, pastoor Thomas Danis en zijn onderpastoor Jan Stevens uit Sint-Pieter-Rode. Ze maakten het strijdgebeuren mee als aalmoezenier. 214


195

Chabert, de Franse militaire bevelhebber van het departement van de Nedermaas, aarzelde geen ogenblik om een colonne vanuit Maastricht naar Hasselt te laten komen. Tegelijkertijd gaf hij de garnizoenen die in Bilzen en in de Noorderkempen gekantonneerd waren opdracht zich naar dezelfde bestemming te begeven. Generaal Colaud, de opperbevelhebber van de republikeinse legers te Brussel, stuurde op 4 december generaal Jardon en adjudant-generaal Lacroix naar Hasselt met de 66ste demi-brigade infanterie, het twintigste regiment jagers en een aantal artilleristen. 215 Op de vooravond van 4 december vond op de Grote Markt van Hasselt een indrukwekkende plechtigheid plaats. De Brabanders bliezen er verzameling en verdrongen zich in het licht van walmende fakkels rondom hun witte krijgsbanieren getekend met een rood kruis. Een bejaarde priester moedigde de verzetsstrijders aan en gaf hun de generale absolutie. In de voormiddag van 5 december keken de Boeren vol verwachting uit naar versterking, die hun vanuit de Kempen en vanuit Herkde-Stad was toegezegd, om samen met deze steuntroepen naar Maastricht op te trekken. Tot hun verbazing en onbegrip zagen zij daarentegen langs twee zijden van de stad de vijand opdagen. Een beperkte Franse voorhoede onder het bevel van adjudant-generaal Lacroix werd bij de Kuringerpoort door de Brabanders onder vuur genomen en diende de aftocht te blazen. Om 10 uur werden zij vervoegd door de met kanonnen uitgeruste brigade van generaal Jardon en spreidden hun front uit van de Kuringer- tot aan de Kempische Poort. Intussen was ook de vliegende colonne uit Maastricht toegekomen, aangevuld door het garnizoen van Bilzen, de rijkswachtbrigades van Maupoint en de soldaten van bataljonoverste Piston. Omstreeks 11 uur was de stad langs alle zijden ingesloten door ruim 3.000 Fransen. 216 Bij de eerste aanval van de republikeinen moest het Boerenleger zich onder de druk van het veldgeschut terugtrekken binnen de muren. Hierop voerden de Fransen drie charges uit, alle zonder resultaat evenwel. Van 10 uur in de morgen tot 4 uur ’s namiddags zetten beide partijen de strijd met verbetenheid voort. Grote bressen werden in de wallen geschoten tussen de Kuringer- en de Maastrichterpoort. Een vierde stormloop van de belegeraars viel niet meer te stuiten. De Fransen raakten de vesting binnen. De aanvoerders van de Boeren begrepen dat de toestand onhoudbaar was, verzamelden hun troepen en voorzagen een aftocht langs de Nieuwstraat. Intussen hadden de infanteristen van generaal Lacroix zich toegang weten te verschaffen via de Kempische Poort. Hierop sloegen de Brabanders in paniek op de vlucht in diverse richtingen. De wachtposten van de Maastrichterpoort namen de vlucht langs de Beekstraat, maar werden bij de wallen geveld onder het vuur van de ruiterij van bataljonchef Piston. De meeste boeren trachtten te ontkomen via de Nieuwstraat, achternagezeten door de Franse infanterie. Deze bevrijdde omstreeks 15 uur haar krijgsgevangenen die in de lakenhalle opgesloten zaten. Toen de vluchtende Boeren bemerkten dat de Sint-Truiderpoort geen doorgang meer bood, moest de achterhoede zich wel gewonnen geven. Sommige Boeren zochten een schuilplaats bij particulieren in de stad, terwijl een honderdtal manschappen met hun aanvoerder Constant van Roux-Miroir zich in de handen van de vijand gevangen gaven. 217 De voorhoede daarentegen probeerde te ontkomen via de weg naar Luik. Achternagezeten door de Franse ruiterij, werden zij uiteengedreven op de steenweg naar Kortessem. Het merendeel van de Boeren vluchtte in de richting van Alken en van Haspengouw. Via de Boomkensstraat stuurde generaal Jardon zijn huzaren op hen af. Het kwam tot een confrontatie bij het gehucht Klein Lindeke (perceelnummer 546). 218 Algauw bleek dat de Boeren niet opgewassen waren tegen de mobiliteit van het Franse paardenvolk. De Fransen sabelden neer wie ze konden treffen in een eenzijdig man-aan-man gevecht. Het strijdtoneel ontaardde in een moorddadige slachting. Een republikeins rapport maakt melding van een zestigtal dode rebellen. Hun lijken werden in een kuil geworpen op de plaats waar later in 1850 door mevrouw Bamps de commemoratiekapel van Klein-Hilst werd gebouwd. De bejaarde priester, Jean-Henri Melin, kanunnik van de collegiale van Sint-Goedele te Brussel, bijgenaam de “Moefelhier�, die zijn jongens op een huifkar vergezelde, werd door bajonetsteken gedood en zijn lijk werd in een gracht geworpen. 219


196

Plan van de uitvalswegen van het Boerenleger en van het leger van de Sansculotten tot aan het slagveld nabij Klein Hilst. (Ancien Pays de Looz 1897 nr. 2 p. 12)


197

Commemoratiemedaille geslagen in 1898 naar aanleiding van het eeuwfeest van de Boerenkrijg. De voorzijde geeft een voorstelling van het hoofd van Christus met doornenkroon en aureool, binnen de legende SALVATOR MVNDI. Op de keerzijde staat Maria met op het hoofd een aura, gevat binnen het omschrift MATER IESV CHRISTI. Deze naslag werd ontworpen naar een origineel dat na de eindslag op de lijken van verscheidene patriotten teruggevonden werd.

In hun overwinningsroes hadden de Fransen het over 600 à 1.000 dode Brigands, 800 gewonden en 100 krijgsgevangenen. De daaropvolgende dag bezocht de gezondheidsofficier Grisar het slagveld en telde er 339 lijken. Het parochieregister van Hasselt maakt melding van meer dan 200 doden. 220 Van Haezendonck, die in Hasselt het opperbevel voerde, kon ontsnappen. Elen nam de vlucht naar Holland, om van daaruit bij de grens de strijd voort te zetten, Constant van Roux-Miroir werd in de boeien geslagen en begin 1799 in Doornik gefusilleerd. De gevangengenomen Boerenkrijgers werden op transport gezet naar Brussel en nadien naar Rijsel overgebracht. In Brussel werden eenentwintig van hen ter dood veroordeeld en terechtgesteld. 221

De Boerenkrijg was ten einde. Hier en daar werden nog sporadisch gevechten geleverd. De wil tot verzet bleef levendig en de gezindheid van de bevolking tegenover de Fransen bleef vijandig. Tal van vrijheidsstrijders hielden zich schuil op verschillende plaatsen: in Peer, As, Lummen, Sint-Truiden, Zoutleeuw, Gingelom, Montenaken, Melveren, Nieuwrode, Begijnendijk, Geetbets en Budingen zwierven niet-georganiseerde benden rond en kwam het tot een beperkt handgemeen. Na de Boerenkrijg trad de Franse overheid met nog meer gestrengheid op. De stad Hasselt werd door de rechtbank van Maastricht veroordeeld tot een schadeloosstelling van 20.000 frank. Deze maatregel werd in beroep geannuleerd. Het Directoire zou ons land erna nog veel ellende bezorgen. Het vernietigde onze traditionele instellingen en morele waarden. Na vele jaren verdrukking zou de komst van Bonaparte de orde trachten te herstellen. Toen het concordaat met het Vaticaan in 1801 werd afgesloten, hield de godsdienstvervolging op. Ook onder Napoleon werden onze jongens verplicht te dienen in de oorlogen die de Franse wereldhonger moesten stillen. De conscriptiewet bleef even hatelijk als voordien: 156 opgeroepen Hasselaren keerden nooit meer naar hun vaderstad terug. 222 Tot begin januari 1814 bleef de stad Hasselt aan Franse garnizoenen onderdak verlenen. De nederlaag van de keizer in Waterloo in 1815 zette een punt achter een en twintig jaar Franse bezetting.

207

208 209

210 211 212 213 214 215 216 217 218 219 220 221 222

Een kokarde is een meestal rond insigne, vaak gedragen op een hoed of muts, dat een bepaald land, gebied of organisatie (zoals een leger, koninklijk huis of politieke partij) of een bepaalde rang of functie symboliseert. De rood-wit-blauwe kokarde stond symbool voor de Franse Revolutie en was de oorsprong van de Franse vlag. http://nl.wikipedia.org/wiki/Kokarde J. Grauwels, De Boerenkrijg na 175 jaar (Hasselt 1975) 4-5. C. Bamps en E. Geraets, ‘Episodes de la guerre des paysans dans le Limbourg’, LPL, XI-XII (1897), 66. M. Bussels, De Boerenkrijg, Het Oude Land van Loon (verder OLL) (1973) 126-127. J. Grauwels, ‘De slag bij Hasselt (1798)’, OLL, XXVIII (1973)131-160. G. Caluwaerts, ‘Hasselt bezet. De Boerenkrijg (1798): een tijdsbeeld’, Museum Stellingwerff, 27 (1998) 27. T. Vandebeeck en J. Grauwels, De Boerenkrijg in het departement van de Nedermaas (Maastricht 1961) 150-152. Vandebeeck, De Boerenkrijg in het departement van de Nedermaas, 155-157. Grauwels, ‘De slag bij Hasselt (1798)’,135. Caluwaerts, ‘Hasselt bezet. De Boerenkrijg (1798): een tijdsbeeld’, 29. J. Grauwels, ‘De slag bij Hasselt’, Mededelingen van het centrum voor studie van de Boerenkrijg, 87 (1975) 25. Grauwels, ‘De slag bij Hasselt (1798)’, 138. Grauwels, ‘De slag bij Hasselt (1798)’, 139. S.a., Herinnering aan de feesten der honderdste verjaring van den Boerenkrijg te Hasselt, 12. C. Bamps, ‘Autour de la guerre des paysans’, LPL, V (1901) 50. Grauwels, ‘De slag bij Hasselt (1798)’, 140. E. Geraets, ‘Hasselt sous la république et l’empire français’, BSM, XXVI (1889) 85.


198

In 1899 penseelde de Hasseltse kunstschilder Djef Swennen een olieverfschilderij op doek, waarop een priester vanop een huifkar de zegen uitspreekt over een menigte brigands die voor hem neerknielen. Deze samentroeping vond plaats bij valavond tussen 18 en 19 uur op 4 december 1798 op de Grote Markt te Hasselt. De gevels langs de westkant van het marktplein vormen de achtergrond van dit schilderij. Swennen portretteerde in de figuur van de priester zijn eigen oom, die pastoor was in Bocholt. De afgebeelde scène is een evocatie van de samenkomst van het Boerenleger in het stadscentrum op de vooravond van hun fatale confrontatie met de cavalerie van de Franse sansculotten op het gehucht Klein Hilst aan de Truierbaan te Hasselt. 223 In 1850 werden in de omgeving van de vijvers bij de voormalige herenhoeve Ter Hilst overblijfselen van menselijke resten uit een massagraf opgegraven: gebeenten, restanten van kleding, knopen, medailles. De skeletresten werden op het kerkhof van Sint-Lambrechts-Herk in een gemeenschappelijk graf geborgen.

Zegening van de Boeren. Olieverfschilderij van Djef Swennen, 1899. (Stad Hasselt, stadhuis)

223

L. François, ‘Zegening van boerenkrijgers op de Grote Markt’, Kunst in de Kijker, 52 (1996) 5.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Kaart

199

2/2

Truierbaan Tussen Hilst en de Sint-Truiderpoort loopt de Truierbaan nog langs de Grote Linde en Kleine Linde. Op de plaats waar de Truierbaan vervoegd werd door de Boomkensstraat stond twee eeuwen geleden een lindenboom: de Kleine Linde. Aan dit veld gingen de brigands een eerste confrontatie met de Franse legers aan in 1798. De Truierbaan loopt langs het Kruisveld en splitst iets verderop in de Boomkensstraat en de Biessemstraat. De Biessemstraat start ter hoogte van Groot Hilst en komt aan haar beginpunt terug uit in de Boomkensstraat.

De Boomkensstraat

Het Scheperspoelke bij de bifurcatie tussen de Boomkensstraat en de Gaarveldstraat. (postkaart, privécollectie)

In de achttiende eeuw lag het beginpunt van de Boomkensstraat aan de Kuringerpoort. Vanaf dit punt volgde de straat het tracé van de stadsgrachten tot de plaats waar nu de Schiervellaan een bocht maakt naar de Leopoldplaats. Tegenover de Sliksteen sloeg de straat de weg in naar Runkst op het punt waar zich in de jaren zestig van de vorige eeuw een bewaakte spooroverweg bevond. Dan volgde ze haar huidige loop tot aan het kruispunt met de Kleine Linde, waar ze aansloot op de Truierbaan. De eerste zijweg links bij de aanvang van de Boomkensstraat, de Vilstraat – nadien Fonteinstraat geheten, nadat er een artesische put was aangeboord – kruiste de Truierbaan om via een veldpad door te lopen tot in de Groenstraat. Een tweede zijweg rechts van de straat, gelegen bij het Scheperspoelken, de tweesprong met de Gaarveldsteeg, leidde naar het Gaarveld.


200

Breemstraat De belangrijkste weg die de aansluiting van Hasselt met Stevoort verzekerde was de Breemstraat. Het beginpunt van deze straat ligt op de Kuringersteenweg een weinig verder dan de vroegere spooraansluiting met de kanaalkom. De Breemstraat liep doorheen de plaats waar nu het rangeerstation van de spoorwegen is uitgebouwd, sloot aan de overzijde aan bij de Spoorwegstraat en vertakte zich onder het Crutsen Swartveld tot aan de Palen van Kuringen, waar ze de Runxsterstraat vervoegde, terwijl de linkerarm verderop uitmondde in de Dormael Breestraat. Een zijpad van de Breemstraat, de Hoeresteeg (Kleine Breemstraat), verzekerde de verbinding met de Kuringersteenweg.

Trekschurenstraat Dit is de lange verbindingsweg tussen de Luikerbaan en de Truijerbaan.


201

De munitio van Hasselt Op 22 juni 1203 droeg graaf Lodewijk II van Loon zijn allodium (eigengoed) Hasselt samen met de munitio (= versterkte plaats), het grondgebied van de stad en alle samenhorigheden over aan de kerk van Luik, om nadien volgens het stelsel van de leenroerigheid deze overgedragen goederen van de prins-bisschop en zijn kapittel terug in leen te ontvangen: “allodium etiam de Halud cum munitione ejus, cum omni etiam territorio suo et omnibus ejus appenditiis: “eveneens het eigengoed van Hasselt met zijn versterkte plaats, met inbegrip van het gehele grondgebied en zijn aanhorigheden.” In mei 1232 hernieuwde graaf Arnold IV (1223/27-1276/78) van Loon in een charter de stadsrechten en de vrijheden van Hasselt. 224 Arnold bekrachtigde met deze oorkonde de rechten en de vrijheden van de stad Hasselt, rechten die Luik reeds genoot sinds 1196 en door zijn voorganger Lodewijk II in 1203 reeds aan Hasselt waren toegekend: “ego Arnoldus idem jus et eamdem libertatem, quod et quam habet civitas Leodiensis, ville de Hasselt contuli, quoniam idem jus et eamdem libertatem a meis predecessoribus habuerit, confirmavi: ik Arnold bekrachtig dat ik hetzelfde recht en dezelfde vrijheid, welke de stad Luik reeds bezit, heb overgedragen op mijn villa Hasselt, vermits ze reeds door mijn voorgangers in het bezit gesteld is van dezelfde vrijheid en hetzelfde recht.” 225 In zijn Kroniek van Hasselt stelt Mantelius dat graaf Arnold V van Loon (1279-1323) Hasselt in 1282 voorzag van poorten, aarden wallen en grachten. De versterking van een stad geldt immers als één van de belangrijkste kenmerken van haar autonomie. 226 De datering van de stadsversterking in het jaar 1282 door Mantelius is dubieus. Klaarblijkelijk werd de versterking met aarden wallen aangelegd in de eerste helft van de dertiende eeuw en was het jaar 1282 veeleer de datum dat de stadsmuren boven op de aarden omwalling voltooid waren. De munitio daarentegen – ongetwijfeld ouder dan de wallen en de stadsgrachten – was een soort primitieve verschansing, opgericht door de graaf van Loon om het territorium waarrond de jonge stad zich ontwikkelde, in staat van verdediging te kunnen stellen wanneer zulks nodig bleek. De beleningsakte van Lodewijk II van Loon (1194-1218) vermeldt expliciet dat Hasselt in 1203 over een munitio beschikte. De meeste Loonse steden waren tot stand gekomen in de nabijheid van een versterking. Nadere informatie over de oorsprong van dergelijke verschansingen ontbreekt meestal in eigentijdse historische documenten. De geschiedenis beperkt er zich toe vast te stellen dat er in het begin van de dertiende eeuw in Hasselt een munitio bestond, waarover verder geen gewag meer gemaakt wordt. De juiste ligging van het grafelijk allodium en van de stedelijke munitio blijven vooralsnog verborgen voor de historicus. Rijksarchivaris A. Hansay ging uit van de veronderstelling dat de munitio gelegen was in het zuidoostelijke kwartier van de binnenstad, tussen de Capucienenstraat, de uitloper van de Maastrichterstraat en de stadswal. Deze hoek van de stad ressorteerde onder het cijnshof van Vechmaal, waar het Loons gewoonterecht van toepassing was. Hieruit meende Hansay te mogen besluiten dat op dit eigengoed van de graaf binnen de stad zijn munitio gelegen was. Wellicht schonk de graaf dit kwartier als beneficium aan één van zijn ministeriëlen, alvorens de stad zelf de Luikse vrijheid toegekend kreeg, zodat het Loons recht in dit deel binnen de wallen van toepassing bleef. Toen de graaf later zijn stad deed omgorden met een wal, liet hij ook dit cijnshof binnen de omheining opnemen, alleen maar om de weerbaarheid van de binnenstad te verhogen. De rechten van de bezitters van cijnshoven binnen de wallen bleven evenwel onaangeroerd. Tot dusver de these van Hansay. 227 Zijn opvolger archivaris J. Lyna trachtte in de plaatselijke toponymie een aanknopingspunt te vinden met de munitio van weleer. Hij meende een raakpunt te vinden in de Borggraevewijers, gelegen ter hoogte van de huidige Borggravevijverstraat. Volgens Lyna werden deze vijvers aldus genoemd naar de borggracht of borggraaf die in de onmiddellijke nabijheid lag. Hij bracht dit toponiem etymologisch in verband met de burggraaf, aan wie de verdediging van de munitio toevertrouwd was. In voorkomend geval maakten de wijers deel uit van de verdedigingsgordel van de munitio of werd er vis gekweekt ten gebruike van de burchtheer. 228 Lyna kon evenwel deze stelling niet verzilveren. De


202

burggraaf, aan wie de verdediging van een munitio was toevertrouwd, had deze munitio immers als beneficium toegewezen gekregen. Uit geen enkel ander document blijkt dat een beneficium van dit soort cijnsgoed kon worden. De Borggravewijers, die cijnsgoederen waren, konden derhalve niet beschouwd worden als een voormalig beneficium van de burggraaf. Enkele jaren later verdedigde Lyna de stelling dat de munitio van Hasselt gelokaliseerd moest worden op het grondgebied van de heren van Mombeek. Als baanderheren van Hasselt waren de heren van Mombeek de kasteleinen van de stad. Het lijkt dan ook vanzelfsprekend dat hun munitio gelegen was in de nabijheid van hun slot op Mombeek. De ligging van een munitio tegen Bokrijk is te verwerpen omdat de afstand tussen de woonplaats van de kastelein te Mombeek en een munitio aan de Borggravevijvers te groot geweest zou zijn in geval van onverwacht bezoek van vreemde militia. 229 Volgens het charter van 1203 bevond de munitio zich midden in het allodium (het eigen) van de graaf van Loon. Volgens de omschrijving opgetekend in de registers van de Leenzaal van Kuringen, strekte dit eigen zich uit ten zuiden van het territorium van de stad, meer bepaald “in loco dicto Treckschuren versus Sint Lambrechtsherke (1420) regenoit die gemeyn straete te Henegouw waert (1440), te Roenx int eijghen van Hasselt… by den hoff te Hils (1438)”. 230 Aanvankelijk strekte deze munitio zich dus uit tot Runxt. Een hoeve geheten De Vochdije wordt op een kaart van circa 1600 gelokaliseerd onder Trekschuren. Verder grensde het eigen aan het klooster van Henegouw, dat door één van de heren van Mombeek op zijn domein was gesticht. Een weinig verder lag het Herenbos. 231 Meer naar het zuiden toe, tegen de grens met Wimmertingen, loopt de Molenbeek, door samentrekking Mombeek geheten, waarop de molen van de heerlijkheid gelegen was. Het toponiem Trekschuren is een samentrekking van “te Exscuren, in Eyckenscueren, in loco dicto Ter Eijckeschueren”. De etymologie van deze plaatsnaam gaat terug naar een eiken schuur, die haar naam gaf aan het hele gebied. Deze schuur, gelegen in een domaniaal centrum met een eigen munitio, was ongetwijfeld van grote betekenis. 232 De heren van Mombeek, baanderheren van Hasselt, voerden het bevel over de voormalige munitio, die gelegen was op het eigen van de graaf van Loon. In de nabijheid bevonden zich een molen en een eiken schuur. Heel deze omgeving wijst er op dat de oudste versterking van Hasselt samen met een aantal landbouwbedrijven, gelegen was in het zuidelijke deel van het grondgebied van Hasselt.

224

225 226 227 228 229 230 231 232

Mantelius, Hasseletum: “anno 1232 mense Maio eadem libertate et privilegiis donat, quibus civitas Leodiensis vel de jure vel consuetudine frui solita: in de maand mei van het jaar 1232 begiftigde hij (zijn stad Hasselt) met dezelfde vrijheid en voorrechten, waarvan de stad Luik rechtshalve of volgens gewoonterecht pleegde te genieten.” Mantelius, Hasseletum, 11. Mantelius, Kroniek van Hasselt (editie G. Caluwaerts), 25 3v°. A. Hansay, ‘Les premiers siècles de l’histoire de Hasselt’, VO, II (1926), 54. J. Lyna, ‘De munitio van Hasselt. Haar verband met het ontstaan van de stad’, VO, III (1927) 22-32. J. Lyna, ‘Mombeek-Hasselt’, VO, VIII (1932), 99-110. Lyna, ‘Mombeek-Hasselt’, 103. Reynders, Toponymie van Hasselt, 26. Lyna, ‘Mombeek-Hasselt’, 103.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

De Helbempden

Kaart

Brede strook beemden, gelegen langs de bedding van de Helbeek, tussen de bron van de Helbeek en de Bergstraat. 233

Het Heffveld Perceelnummers: 310 en 399. Een geheel van gronden gelegen tussen de Castersteeg (vandaag een deel van de Generaal Lemanstraat) en de Groenstraat (vandaag de Hefveldstraat).

De Wurfeldsteeg Perceelnummers: 508-637. Steegje dat vanuit de Dormaalstraat doorheen het Wurfeld liep naar Sint-Lambrechts-Herk.

203

2/3

Truierbaan Aan het kruispunt met de Vilstraat (de huidige Fonteinstraat) passeerde de Truierbaan een plaats die de Plaaster (tussen percelen 413 en 1011) werd genoemd. De Truierbaan ging daarna langs de Moeshoven verder tot aan de stadswallen en de Sint-Truiderpoort. De moeshoven zijn de tuintjes van de burgerij die een typisch gezicht zijn rond de uitvalswegen aan de stadsrand. Op 5 december 1798 werd het Boerenleger door de Franse ruiterij op de hielen gezeten via de Boomkensstraat en via de Groenstraat, waardoor de toestand voor de Boeren, die langs twee fronten werden aangevallen, vrijwel uitzichtloos was. Een eerste confrontatie werd beslecht op het veld tussen de Grote Linde (perceel 437) en de Kleine Linde (perceel 431).

De Hondsribbe Perceelnummers: 586-589. Akkerland gelegen op de hoek van de Biezenstraat en de Dormaalstraat.

Het Gaerveld Uitgestrekte vlakte in het centrum van Runkst in de omgeving van de Dormaalstraat, het Dormaalpad en de Ertbeek.

Dormaalpad Dit smalle weggetje vertrok aan de Slicksteen, liep tot aan de Dormaalstraat, kruiste die en sloot aan bij de Winthalmsteeg.

Boomkensstraat en Gaerveldsteeg Ten noorden van de Truierbaan lagen de Boomkensstraat en de Gaerveldsteeg. De Boomkensstraat ligt besloten tussen de Kuringerpoort en de plaats met de naam de Kleine Linde op de Truierbaan (tussen percelen 538 en 1000), en de Gaerveldsteeg tussen de percelen 567 en 958.


204

Groenstraat Parallel met de Sint-Truiderpoort, liep ten zuiden hiervan de Groenstraat in de richting van de Luikersteenweg. Het begin van de Groenstraat (nu Hefveldstraat, ongeveer aan perceelnummer 405) sloot aan in een scherpe bocht bij de huidige Luikersteenweg ter hoogte van de plaats waar de Toekomststraat uitgeeft op de Luikersteenweg. De Groenstraat mondde vroeger uit op de Oude Truierbaan (ter hoogte van perceel 429, nu Kerkhofstraat).

Castersteeg De Castersteeg vormde de verbinding tussen de Maastrichtersteenweg, de Oude Luikerbaan en de Trekschurenstraat. Het eerste stuk van de Castersteeg werd doorsneden door de Diepenbekerweg (Windmolenstraat - Castersteeg). Vanaf de percelen 1571-1572 (de huidige Peter Benoitstraat en de Van Helmontlaan) liep deze weg verder onder de benaming Diepenbekerpad in de richting van Singelbeek. Een weinig verder links in de Castersteeg vertrok richting Singelbeek het Singelbeekvoetpad. Een honderdtal meter verder op dezelfde kant lag de Putsteeg, die onder Trekschuren haar uitloper vond in de Sasputsteeg, aldus genoemd omdat zij aansloot met het gehucht Sasput onder Sint-Lambrechts-Herk. Aan de overzijde van de Luikersteenweg volgde de Castersteeg het tracé van de huidige Generaal Lemanstraat. In het stadsdeel besloten tussen de Luikerbaan en de grens met Sint-Lambrechts-Herk waren tal van oude wegen gelegen. De velden langs de Castersteeg heetten de Vierbonder. Deze naam omvatte het geheel van velden besloten door de Plankenweide, de Casterstraat, het Singelbeekvoetpad, de Singelbeekstraat en de Rapertingenstraat. De kadastrale benaming van deze straat werd behouden in de naam van de wijk die hier in 1948 gebouwd werd tussen de Maastrichtersteenweg en de Oude Luikerbaan, de Casterwijk.

Windmolen aan de Casterstraat Perceelnummer: 1086. Deze windmolen was in 1783 in het bezit van Frans Teuwens. De huidige Windmolenstraat herinnert aan de aanwezigheid van een windmolen in de Casterstraat op het Natveld, tegenover de ingang van de Peter Benoitstraat, schuin tegenover de nog bestaande herberg “In de Windmolen”. Deze stenen molen werd gebouwd omstreeks 1741. Dat jaar kreeg Jacob Minten, die reeds eigenaar was van de twee stedelijke banmolens, toelating van de prins-bisschop om er een nieuwe windmolen op te richten. Minten gebruikte voor zijn nieuwbouw bouwstenen die afkomstig waren uit de afbraak van het voormalige prinsenkasteel van Kuringen. Naar deze windmolen verwijzen de vermeldingen uit het jaar 1800 “op de Casterstraat bij de windmolen” en uit 1835 “hors de la porte de Maestricht près du moulin à vent”. In 1817 was de molen eigendom van Lodewijk Wagemans en in 1844 van Hendrik Wagemans. Laatstgenoemde gebruikte de inmiddels bouwvallige windmolen slechts als de andere twee stadsmolens wegens watergebrek niet of onvoldoende konden malen. Op 1 september 1854 werden de twee watermolens van de stad en de windmolen aan de Casterstraat aangekocht door de jeneverstoker Frans Teuwens-Cox. Hij was het die de hier besproken windmolen liet afbreken. In 1887 wordt de molen niet meer vermeld op de kadasterplannen. Hij werd dus vóór die tijd afgebroken, waarschijnlijk al in 1857.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

De voormalige windmolen van rentenier G.N. Wagemans gelegen aan de Casterstraat op de Hoven besloeg een oppervlakte van 00 a 71 ca. Op het kadasterplan van 1844 staat deze molen geregistreerd onder het nummer 134.

205


206

De Oude Luikerbaan en de Luikersteenweg Deze oude heerbaan had haar vertrekpunt bij de Sint-Truiderpoort, aan de huidige Welvaartstraat. De vroegere baan liep niet helemaal gelijk met de huidige steenweg tussen Luik en ’s Hertogenbosch. Het eerste stuk liep aan het einde van de achttiende eeuw nog langs onbebouwd grasland met vijvers. In de negentiende eeuw exploiteerde F. Villers in de Welvaartstraat zijn likeurstokerij. In een scherpe bocht naar rechts sloeg de baan de Ossensteeg (vandaag de Toekomststraat) in. Tegenover de Groenstraat (de huidige Hefveldstraat) sloot zij aan bij het huidige tracé van de Luikersteenweg. Zowat tweehonderd meter verder sloeg de weg links af via de nog bestaande Oude Luikerbaan, waar ze de Helbeek en verder de Castersteeg kruiste op het punt waar nu het treinspoor over een brug loopt. Iets verderop lagen in het midden van de achttiende eeuw een aantal huizen op de hoek met de Rapertingenstraat en de winning de Zeven Stichelen. Het volgende stuk van de oude heerbaan naar Luik liep ononderbroken verder tot aan het perceel De Twee Kruisen (ter hoogte van de huidige Gouverneur Roppesingel). Vanaf De Twee Kruisen volgt de oude heerbaan het tracé van de Luikersteenweg.

Begijnenpoel Ligging: ten zuiden van de Luikerpoort, ter hoogte van de huidige Rodenbachstraat. Perceelnummers: tussen 1034 en 1059. In 1783 waren hiervan enkel nog resten te zien. In 1567 werd dit begijnhof tijdens de Beeldenstorm stukgeschoten.

233 234

235

Het eerste begijnhof van de stad lag ten oosten van de Ossensteeg (de huidige Toekomststraat), in het vochtige valleigebied van de Helbeek, aansluitend bij de Planckeweide (vandaag het Stadspark). In geval van verhoogde regenval trad de beek vaak buiten haar bedding en vormde aldus de Begijnenpoel. Langs dit gebied lag de uitgebreide Begijnenboomgaard (perceel 1059). Het begijnhof was het oudste vrouwenconvent binnen onze stad. Het precieze jaartal van de stichting van dit eerste begijnhof is evenwel niet bekend. Plaatselijke geschiedschrijvers als Mantelius en Jonghen maken in hun werk geen melding van de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de oprichting van een begijnhof in Hasselt. Uitgaande van de stichtingsdata van andere begijnhoven als Tienen in 1202, Tongeren in 1230, Sint-Truiden in 1258 en Borgloon in 1259, mag worden afgeleid dat Hasselt als centrumstad van het graafschap Loon in het tweede kwartaal van de dertiende eeuw ook over een begijnhof beschikte. De begijnenbeweging maakte immers haar opgang in onze gewesten vanaf de beginjaren van de dertiende eeuw. Volgens de gegevens vervat in het Memorieboek van priester Willem Peuskens, die van 1760 tot 1780 pastoor was van het derde begijnhof (het nog bestaande begijnhof op de Zuivelmarkt), wees de Luikse prins-bisschop Robert van Thourotte aan de Hasseltse communauteit in 1245 een kapelaan (rector) toe. 234 Uit deze datum ante quem valt af te leiden dat er vóór dat jaar binnen onze stad een begijnhof bestond. 235 Deze precieze datering toont aan dat de bewoonsters ervan in 1245 hun leven deelden binnen een besloten hof (“beghinae clausae”) en afhingen van hun eigen gemeenschap. Eén en ander impliceerde dat een convent met een eigen herder onafhankelijk was van de plaatselijke parochiekerk en over een eigen gebedshuis (kapel) beschikte.

Een beemd is het toponiem (veldnaam) dat gebruikt wordt om graslandpercelen in een beekdal aan te duiden. http://nl.wikipedia.org/wiki/Beemd. J. Lambrechts, Het oud Begijnhof of beknopte geschiedenis van het begijnhof van Hasselt (Hasselt 1886) 10. J. Daris, Notices sur les églises du diocèse de Liége, II (1871) 206. Bij archeologisch en historisch onderzoek naar feiten uit het verleden maakt de geschiedschrijver gebruik van bronnen. In verband met de objectiviteitskritiek van de gebruikte bronnen is het van groot belang deze te dateren. Nu kan het gebeuren dat deze bronnen of getuigenissen niet exact gedateerd kunnen worden (= absolute datering). Ook in dit geval is het toch van belang een relatieve datering te bepalen. Daarbij werkt men met tijdslimieten of (in het Latijn) termini. Met ‘terminus ante quem’ (ook wel ‘terminus ad quem’ genoemd) bedoelt men de tijdslimiet tot waar men kan rekenen.


207

De begijnenbeweging was tegelijk een religieus en een sociaal verschijnsel. Alleenstaande vrouwen van wie de mannen op kruistocht vertrokken waren en jonge dochters die de eenzaamheid vreesden, zochten aanvankelijk huisvesting en onderdak uit veiligheidsoverwegingen in individuele panden die verspreid lagen over de binnenstad. Onder hen trof men zowel arme vrouwen als dames uit gegoede families aan. Toen na korte tijd bleek dat de materiële en financiële levensbehoeften te zwaar om dragen uitvielen voor sommigen onder hen, werd uitgekeken naar een gezamenlijke woongelegenheid binnen gegroepeerde huisjes vlak buiten de stadswallen. 236 In Hasselt opteerden zij voor een perceel grond gelegen buiten de omheining van de stadsvesten in de nabijheid van de baan die vanuit de Truierpoort naar Luik leidde, naast een moeras dat later de naam van Begijnenpoel kreeg. Aan de overkant van deze straat lagen de Begijnenweide, het Begijnenveld, de Begijnenboomgaard en de Planckeweide. De Begijnenpoel die het overtollige water van de Helbeek opving, was voor de bewoonsters van vitaal belang. Eén van de activiteiten van de begijnen bestond er namelijk in wol te wassen en te zuiveren, om deze vervolgens verder te verkopen aan de wevers. Om die reden waren begijnhoven steeds bij een waterloop gelegen. 237 Zodra de begijnen hun eerste huisjes op hun definitieve woonplaats (waarschijnlijk op perceel 1060) hadden gebouwd, omringden zij de site met een muur. Ze bouwden ook een gebedsruimte, een ziekenboeg en de strikt noodzakelijke nutsaccomodaties. Doordat zij er een leven leidden van gebed en onthouding, groeide hun begijnhof uit tot een centrum van bezinning en ingetogenheid van godvrezende vrouwen, een ware oase van werk in stilte, meditatie en zielevrede. Het was een wereld op zichzelf, een stad in miniatuur, een samenleving op gereduceerde schaal. Begijnen verbonden zich tot de navolging van geloften van gehoorzaamheid en zuiverheid. Zij behielden evenwel de volle beschikking over hun persoonlijke bezittingen, die zij naar eigen inzicht aanwendden om behoeftige begijntjes bij te staan en caritatieve werken te financieren. Om organisatorische redenen kozen zij vrijelijk binnen hun kring een hofmeesteres en legden zij hun godsdienstig leven in handen van een geestelijk raadsman. In een dergelijke gestructureerde gemeenschap werd het leven van iedere dag verdeeld tussen gebed (misviering, officies en getijden) en handenarbeid (ziekenzorg, borduren, kantwerk, weven). Sommige begijntjes stamden uit gegoede families, anderen moesten in hun dagelijks bestaan voorzien door middel van handwerkjes en legaten die in hun voordeel gedaan werden. Een ruim deel van de dag brachten zij door in hun kapel, waar drie altaren stonden opgesteld voor de eredienst. Zij hadden de keus zich na hun dood te laten begraven in hun conventkerkje of op het belendende kerkhof. Van begraving hier zijn echter geen aanwijzingen gevonden. 238 In sommige steden stonden pas gestichte begijnhoven onder het toezicht van paters franciscanen of dominicanen. In Hasselt is van een dergelijke supervisie geen spoor te bekennen. Hier was het de abdis van Herkenrode die het hof onder haar hoede nam. Als “overste en visitatresse” van het begijnhof werd de abdis steeds om advies gevraagd in belangrijke aangelegenheden. De begijntjes waren trouwens met hun eenvoudige bruinkleurige pij en hoofdsluier gekleed zoals de werkzusters van de abdij. De grootjuffrouw droeg het habijt van een koordame. De dagelijkse leiding over de gemeenschap was toevertrouwd aan de rector en aan twee meesteressen die gekozen werden uit eigen rangen. 239 Bij gebrek aan archivalia moet de geschiedenis van dit oudste begijnhof van de stad fragmentarisch geschreven worden aan de hand van bewaarde testamenten en schenkingsakten ten voordele van de communauteit of van individuele begijnen. Zo is er het testament van Renier van Tongeren, opgesteld op 31 juli 1267, waarbij de schenker drie maanden voor zijn overlijden een gift schonk aan het Hasseltse begijnhof. Ook voor de begijnhoven van Maastricht, Eyck, Hocht, Bilzen en Diest voorzag hij analoge schenkingen. Renier van Tongeren was vicaris-generaal van prins-bisschop Hendrik van Gelder (1247-1274). 240 In het testament van de welstellende Hasseltse burger Hendrik Tant en zijn vrouw Agnes, verleden in 1295, dragen beide echtgenoten een huis en twee bunder grond over aan de Tafel van de Heilige Geest. De grond was gelegen tegen het besloten hof van de begijnen. De begijn Catharina de Vorst doet in 1304 een schenking ten voordele van de abdij van Herkenrode en de begijn Elisabeth Elicom vermaakt in 1305 bij testament twee Luikse solidi aan de Tafel van de Heilige Geest.


208

De begijn Ida Tant, dochter van Hendrik, legateerde in 1308 vijf zwarte tourse groot en zes denarii aan de “gholdae Sancte Mariae de Hasselt” op een stuk grond gelegen buiten de wallen van de stad. Gholda is hier synoniem voor gilde of broederschap. Op 3 september 1318 stelde het begijntje Katharina Fabry in haar leefkamer haar testament op in het bijzijn van een notaris. Te oordelen naar de inhoud van haar legaten beschikte deze dame over een aardig fortuin. Zij bedacht in haar testament de parochiekerk, de rector van het begijnhof, de kapelaan van het Onze-Lieve-Vrouwealtaar, haar medebewoonsters op het hof, de kapel van het begijnhof, de armen, het hospitaal van de stad en de rector van de scholen. Bovendien stichtte zij in de parochiekerk van Sint-Quintinus een aantal jaargetijden voor zichzelf en voor haar familieleden. Dit testament bevestigt dat het begijnhof over een kapel beschikte die bediend werd door pastoor Diederik en dat Henricus Krenken er fungeerde als rector van het altaar van Onze-Lieve-Vrouw. Beide priesters genoten ook nog legaten, die hun op 14 november 1319 werden toegewezen door Lambertus de Fologne. 241 Op 26 juni 1319 bestond binnen het hof een instelling die van uitzonderlijk belang was voor de leden van de communauteit. Dat jaar is er sprake van een soort intern hospitaal, waarin niet enkel zieke begijnen werden opgenomen, maar ook zieke en gebrekkige vrouwen die binnen het hof een huisje bewoonden of een vertrek huurden. Arnold van Mombeek was de weldoener die het initiatief nam voor de oprichting van deze ziekenboeg. Begijn Helena voorziet in 1329 een legaat aan de pastoor van de Sint-Quintinuskerk, een tweede aan de rector en de kerk van het begijnhof, een derde voor de eremijten van Sint-Augustinus en een vierde aan de meesteressen van het hof waarmee deze aan de arme conventsleden de onkosten voor de koop van kaarsen konden vergoeden. Uit het testament van de begijn Oda Crutsen blijkt dat zij in 1334 in de conventskerk een jaargetijde stichtte voor zichzelf en voor haar verwanten. Dat jaar was Jan van Drische er rector. In 1356 trad de pastoor van het begijnhof Walterus Crencken op als getuige in de woonkamer van Gertrudis van Musele alias van Kerst, een welstellende dame van Hasselt, terwijl deze haar testament opstelde. Bij testament liet Jan Dullaert in 1364 aan de arme begijntjes een legaat over van een jaarlijkse rente van een maat zout (een prijzig product in zijn tijd!) en van twee pond vetkaarsen. In 1364 maakte de Hasseltse clericus Wilhelmus van Kermt een legaat van een jaarrente van 15 tourse sol over ten voordele van de pastoor van het begijnhof, van het altaar van zijn kerk en van de kerkfabriek. Op 24 oktober 1362 legateerde de begijn Catharina Peteren in haar testament zeven oude groten aan de broederschap van de Virga Jesse te Hasselt, deed meteen afstand van haar eigendommen en stichtte in de begijnhofkerk een eeuwigdurend beneficium ter ere van de heiligen Genoveva en Dymfna. Dat deze prebende 242 verbonden werd aan de oprichting van een nieuw altaar blijkt eveneens uit het testament van de begijn Aleydis Crachelbach die op 9 april 1365 een eeuwigdurende rente van 5 sol opdroeg aan dit nieuwe altaar in de conventskerk, verder nog een legaat aan de kerkfabriek van het begijnhof en bijkomend nog een legaat van 10 tourse sol, jaarlijks door de meesteressen van het hof te verdelen onder de behoeftige begijntjes, en ook enkele legaten ten voordele van de dominicanen en de minderbroeders. Haar testament wordt mede ondertekend door de pastoor van het begijnhof Waltherus alias Cortenaken, die optreedt als getuige. Vijf jaar later voegde Aleydis een codicil toe aan voornoemd testament, waarin ze de wens uitdrukte dat de begijnen Catharina van Bommershoven, Catharina van Hoyo en de meesteressen Agnes van Meuwen en Elisabeth van Zonhoven de overschotten van de uitbetaalde legaten zouden verdelen onder de armen. 243 Willem Meys legde in 1412 een fundatie vast van twee maten zout ten voordele van het begijnenconvent, staande op een beemd gelegen te Wolfscher bij de Demer. Mantelius notuleert in zijn Kroniek van Hasselt: “In ’t iaer 1420 hebben de begijnen van Hasselt een iaergetije gefundeert in de kerck van de Paters Augustijnen: waer uijt blijckt datter alsdoen een begijnhof was.” 244 Het begijntje Catharina Noels schonk in 1439 haar huis aan de alexianen, toen deze cellebroeders vanuit Diest naar Hasselt werden geroepen. De pest of “haestige siecte” werd in onze contreien verspreid via afgedankte Bourgondische en Franse soldeniers, die na het sluiten van de Vrede van Atrecht (1435) waren blijven wonen tussen de plaatselijke bevolking. Daarop riep de stadmagistraat de hulp in van de alexianen uit Diest om in Hasselt de zieken te komen verzorgen en de doden te begraven. De eerste cellebroeders kwamen zich in 1439 in Hasselt vestigen in een huis dat hun geschonken werd door Catharina Noels. Dit huis lag op de hoek van de Havermarkt en de Cellebroedersstraat, op de plaats waar zich thans de ingang van het gerechtshof bevindt. 245


209

In 1480 maakte de begijn Mechtildis Bussen een schenking over aan het altaar van de Heilige Severinus in de parochiale kerk van Sint-Quintinus. Deze fundatie was reeds drie jaar voordien gesticht door Aleydis van Elsrack met instemming van haar man Dierick van Quaethoven. Op datum van 20 april 1517 stelde de begijn Beatrix van Muysel haar testament op. Zij was zodanig gefortuneerd dat zij meerdere schenkingen voorzag ten voordele van het begijnhof: negen boddragers voor het stichten van een jaargetijde in de conventskerk, drie ponden jaarlijks voor het celebreren van de donderdagmis en de daarmee gepaard gaande broodbedelingen, en een legaat “tot hulpe eenen crucifix in ’t begijnhof”, een uitgebreide rente voor de arme begijnen, en linnen stoffen “om die bilders binnen der kerken des begijnhofs daermede te doen cleeden, versieren ende te stofferen met raede des pastoors Goermans.” 246 Jan Goermans trof als pastoor op 9 augustus 1525 een regeling dat de armste en de meest ziekelijke begijntjes op de zondagen drie mikken zouden krijgen. Aleidis de Lechy, abdis van Herkenrode, schreef in een brief dat hofmeesteres Catharina Tsoegen in 1544 tachtig hornsgulden schonk, waarvan een deel besteed moest worden aan de herstelling van een huis, eigendom van het begijnhof, dat gelegen was bij de Paardsdemer. Deze brief maakt bovendien ook nog melding van een aantal geldelijke giften gedaan door dezelfde schenker. 247 Op 4 december 1549 schonk de begijn Margareta van Coersel aan het convent een rente van anderhalve gulden hessels jaarlijks tot intentie van de zondagse vroegmis in hun kerk en bestemde tachtig hornsgulden om voornoemd huis op de Paardsdemer bij de Wolfkens te laten herstellen. De Wolfkens was de site die gevat lag tussen de Badderijstraat, de Blinde Muren, de Witte Nonnenstraat en de Susterendries. Op dit uitgestrekte terrein, dat door de Nieuwe Demer doorsneden werd, lagen een half dozijn huizen en schuren die later door de begijnen werden aangekocht. De rust en de sereniteit van deze op zichzelf aangewezen gemeenschap zou weldra grondig verstoord worden door externe invloeden, die vanuit het buitenland georchestreerd werden binnen het voormalige graafschap Loon. In de tweede helft van de zestiende eeuw drong de Hervorming door tot in het prinsbisdom Luik. Ook het Land van Loon bleef niet gevrijwaard van deze onrust. De aanhangers van de nieuwe leer hielden hun beruchte hagenpreken in de steden en dorpen hier te lande en drongen door tot in de verschillende klassen van onze samenleving. In de nacht van 14 op 15 juli 1566 werden in Hasselt het kruisbeeld en de heiligenbeelden, die tegen de muur van de SintQuintinuskerk waren aangebracht, stukgeslagen en werden de kerkhoven geprofaneerd. 248 Twee predikanten, Herman Moded en Jan de Vleminck, kwamen in Hasselt op 5 december 1566 de leer van Calvijn verkondigen. Alle dagen verzamelde een talrijke massa, om hun toespraken op de Grote Markt te beluisteren. Hun redenaarstalent wist bij de vele toehoorders een geest van twijfel en onzekerheid los te weken. Zowat driehonderd inwoners van de stad traden toe tot de nieuwe leer, wat bij de rest van de stedelingen misnoegdheid en tweedracht zaaide. De spanning nam toe en de sfeer onder de bevolking werd almaar grimmiger. 249 Op 19 januari 1567 poogde Jan de Vleminck met een bende heethoofden de toegangspoort van de parochiekerk met een wagen te rammen. Dit opzet mislukte evenwel. ’s Nachts kwamen de beeldenstormers opnieuw terug en forceerden ze een zijdeur met een houten balk als stormram. Nadat de parochiekerk gebeeldstormd was, begaven de hervormers zich naar de Onze-LieveVrouwekapel. De volgende nacht werden in de kerk van de augustijnen de beelden en het altaar verminkt en werden er kostbaarheden geroofd uit de kerkschat. De gasthuiskapel, de Sint-Jacobskapel en de kerk van de Witte Nonnen in het Sint-Katharinadal ontsnapten evenmin aan de iconoclasten. 250 Ook het oude begijnhof viel ten prooi aan de fanatieke en ongebreidelde vernielzucht van de wederdopers. Op 21 februari 1567 stelde de schout van Hasselt een onderzoek in naar de verwoestingen en de vernielingen die zij er aangericht hadden. Paul Maggis getuigde dat Paulus van Heffelt, bijgenaamd het Quaet Poulsken, buiten de Truiderpoort met een fakkel in de hand rondliep, terwijl hij het uitschreeuwde: “Ick heb het begynenhoeff onder den want aengesteicken.” 251 Aanvankelijk trachtte de Luikse prins-bisschop Gerard van Groesbeek met overreding de vreemdelingen ertoe te overhalen de stad te verlaten. Zijn pogingen bleven evenwel vruchteloos. Daarop besloot Groesbeek met vijf afdelingen voetvolk, ondersteund door grof geschut en ruiterij, over te gaan tot de belegering van de stad. Het beleg werd geslagen begin maart en duurde veertien dagen. Intussen werd het begijnhof plat geschoten. Mantelius houdt voor in zijn Hasseletum dat men


210

niet weet of het hof door de belegeraars of door de belegerden werd verwoest. Waarschijnlijk werden op dat ogenblik ook de oude archiefstukken van het hof vernield. 252 De begijntjes hadden tijdig de gebouwen kunnen verlaten en hun toevlucht gezocht in Het Schuttershof en bij enkele bekende families in de stad. Er diende vanaf nu uitgekeken te worden naar een nieuwe vestigingsplaats voor een tweede begijnhof, ditmaal uiteraard binnen de stadsmuren. De optie op een perceel grond op de Wolfkens – in de binnenstad, ter hoogte van het huidige Jeneverplein – dat zij door bemiddeling van hofmeesteres Tsoegen in 1544 hadden verworven, drong zich als vanzelfsprekend op. Dit terrein in de binnenstad op de noordelijke oever van de Nieuwe Demer bood voldoende veiligheid voor de inplanting van een tweede begijnhof. Zij bouwden er hun nieuwe woonhuisjes in pleisterklei, versterkt met eiken vlechtwerk, eiken “plaien” en bindwerk, rond een veeleer armzalig bedehuis. Dit stadskwartier, het Oud Begijnhof geheten, gelegen aan de Blinde Muren, werd later de plaats waar de Broeders van Liefde zich vestigden. Gerard van Groesbeek had op 24 maart 1568 de begijnen toelating verleend het afbraakmateriaal van hun eerste hof te benutten voor de bouw van hun nieuwe vestiging. 253 Vanaf 1707 verkozen de begijnen hun hof uit te breiden op de linkeroever van de Nieuwe Demer, de site van het derde, huidige begijnhof. Zij bouwden er vanaf 1711 de nog bestaande huisjes tussen de Nieuwe Demer en de Badderijstraat. Van 1723 tot 1762 volgden dan de tweede reeks woningen die opgericht werden in de lengte van de Badderijstraat. De imposante toegangspoort en de woningen langs de Zuivelmarkt werden voltooid in 1780. Een onvolledige lijst van geestelijken die de kerk van het eerste begijnhof bedienden, kon indirect worden gereconstrueerd: –– Diederik, pastoor in 1318; –– Henricus Krenken, kapelaan in 1318; –– Jan van Drische, rector in 1334; –– Walterus Crencken, pastoor in 1356; –– Walterus Cortenaken, pastoor in 1365; –– Walterus Hentjens, pastoor, overleden in 1430; –– Henricus Halenberch, pastoor, overleden in 1435; –– Leo Corten, pastoor, overleden in 1439; –– Leonard van Herckenroy, pastoor, overleden in 1440; –– Matthias Hemslaken, pastoor, overleden in 1470; –– Petrus van Herentum, pastoor, overleden in 1502; –– Joannes Goermans, vermeld anno 1517 in het testament van Beatrix Van Muysel; –– Arnold Kuppens, vermeld in 1540; –– Jan Voskens, overleden in 1559 en begraven in de kerk van het begijnhof. 254 Ook twee namen van meesteressen uit die periode zijn bewaard gebleven: –– Elisabeth Heeteleers, vermeld in 1517; –– Catharina Tsoegen, vermeld in 1549.

236 237 238 239 240 241 242 243

244 245 246 247 248 249 250

251 252 253 254

Caluwaerts, Hasselt intra muros, 210. Mantelius, Kroniek van Hasselt (editie Caluwaerts), 256. Lambrechts, Het oud Begijnhof, 7-8. P. Daniels, ‘Notes sur le premier béguinage de Hasselt’, VO, XIII (1937) 29 voetnoot 6. Mantelius, Kroniek van Hasselt (editie G. Caluwaerts), 257. P. Daniels, ‘Notes sur le premier béguinage de Hasselt’, VO, XIII (1937) 29 voetnoot 6. Een prebende (van het Latijn praebenda pars = te schenken deel) is het jaarlijkse inkomen van een geestelijke. http://nl.wikipedia.org/wiki/Prebende Een codicil of wilsbeschikking is een handgeschreven, gedagtekend en door de schrijver zelf ondertekend document, waarin de ondergetekende (de erflater) zonder tussenkomst van de notaris de nalatenschap van bepaalde roerende zaken regelt. http://nl.wikipedia.org/wiki/Codicil. P. Daniels, ‘Notes sur le premier béguinage de Hasselt’, VO, XIII (1937) 28. Mantelius, Kroniek van Hasselt, f° 14r°, r. 23-26. Mantelius, Hasseletum, 156. Daniëls, ‘Notes sur le premier béguinage de Hasselt’, 28. Lambrechts, Het oud Begijnhof, 191-192. Mantelius, Kroniek van Hasselt (editie Caluwaerts), f° 33v°. Mantelius, Kroniek van Hasselt (editie Caluwaerts), 301. J.G.C. Venner, Beeldenstorm in Hasselt 1567. Achtergronden en analyses van een rebellie tegen de prins-bisschop van Luik (Leeuwarden-Maastricht 1989) 109-110. Grauwels, Kroniek van Hasselt, nr. 340. Reynders, Toponymie van Hasselt, 57. Caluwaerts, Hasselt intra muros, 311. Lambrechts, Het oud Begijnhof, 66.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Stadtsommevaert Gelegen tussen de percelen 1059 en 1071. Vanpaesschen gebruikt deze naam om de verbindingsweg tussen de Ossensteeg (Toekomststraat) en de Diepenbekerweg (Windmolenstraat) aan te geven.

De geuzengalg Ligging: aan de Stadsommevaert. Perceelnummer: 1070. Gedurende enkele jaren in de zestiende eeuw was er een kleine galg, de geuzengalg, opgericht aan de driesprong van de Diepenbekerweg (Windmolenstraat) met de Stadsomvaart en de Rapertingenvoetweg of Luikervoetweg (nu Plankeweidevoetweg).255 Vanpaesschen beschrijft deze plaats als “een ackerlandt geleegen buyten de Maastrichterpoorte alwaer de guesen galg plaegt op t’staen, den luyckervoetwegh daer door loopende en de stads omvaert”. De juiste plaats van deze galg wordt op oude topografische kaarten van Hasselt gesitueerd in het Verckenslandt, niet ver van het Begijnenlandt, in het stadsdeel dat vóór Wereldoorlog I het Jonkmansplein werd genoemd. Na de beschieting van de stad door Gerard van Groesbeek in 1567 kreeg de stadsmagistraat opdracht om de geuzengalg af te breken.

Diepenbekerpad of Diepenbekervoetweg De Diepenbekervoetweg sloot aan op het tracé van de huidige Windmolenstraat. Vanaf de windmolen in de Casterstraat, die tegenover de hoek van de Casterstraat en de Peter Benoitstraat moet gelegen hebben, liep dit pad via de huidige Peter Benoitstraat en de Van Helmontlaan tot over de Sint-Jansbeek, waar het Diepenbekervoetpad opnieuw aansloot op de Trichterbaan.

De Vierbonder De velden gelegen aan de Casterstraat heetten de Vierbonder. Het was een uitgestrekt perceel van velden, besloten tussen de Planckeweide, de Casterstraat, het Singelbeekvoetpad, de Singelbeekstraat en de Rapertingenstraat.

Het Natveld Het Natveld was een uitgebreid geheel van landerijen tussen de Maastrichterbaan en de Oude Luikerbaan. Sommige bronnen brengen ook de landerijen bezijden de Oude Luikerbaan tot aan de Twee Kruisen onder deze noemer.

Moeshoven / Op de hoeven

Perceelnummer: 263. Dit perceel was in 1783 eigendom van het klooster van Sint-Katharinadal.

Mantelius vertelt in zijn Hasseletum dat de meeste Hasselaren eigenaar waren van een tuintje buiten de stadswallen: “cives namque suos quisque hortos extra moenia colunt” (want iedere burger bebouwt een eigen tuintje buiten de wallen). Vooral vanaf de Franse tijd was het aantal moestuinen in de onmiddellijke nabijheid van de ring zichtbaar toegenomen. Aan de Maastrichter- en Luikerpoort waren deze tuintjes in groten getale aanwezig. Andere moestuintjes of moeshoven zijn terug te vinden aan de Kempische Poort, de Kuringerpoort en de Sint-Truiderpoort.

Op één van de percelen van het Natveld (perceel 263) is vandaag nog (ter hoogte van de kruising van de Gouverneur Roppesingel en de Luikersteenweg) een boetekruis te zien, een overblijfsel van de rechtspraak in Hasselt tijdens de zestiende eeuw. Het kruis werd opgericht op de grens van het Langveld, aan een veldweg aan de overzijde van de straat die leidde naar het Holland (de huidige Salvatorkliniek). Het was tot aan zijn dwarsarmen in de grond gezakt. Bij de aanleg van de grote

211


212

ring rond Hasselt werd de memoriesteen tijdelijk uit de grond gelicht en verwijderd. Na het beëindigen van de wegenwerken werd hij opnieuw op dezelfde plaats naast de Gouverneur Roppesingel ingegraven. Langs één zijde zijn er nog sporen van de inscriptie bewaard. Helaas zijn deze niet meer duidelijk leesbaar. De steen is tot vandaag een herinnering aan de vermoorde Dierik van Elsraeck.

Het boetekruis op het Natveld.

Lemmen Erdens, alias Rollen, uit Wellen had op de grens van het Naetveld de Hasselaar Dierik van Elsraeck tijdens een ruzie met een “busschen” (geweer) doodgeschoten. Op 29 januari 1535 werd hij door de schout en de schepenbank van Hasselt veroordeeld tot een zoenstraf. Vóór Pasen eerstkomend moest Lemmen “eenen voetval doen” voor Claes, de zoon van Van Elsraeck, en diens naaste familieleden. 256 Verder verplichtte het vonnis de dader binnen de gestelde termijn een stenen kruis op te richten dat één voet boven de aarde uitstak, waarop de naam van Dierik van Elsraeck gebeiteld stond. 257 Dit kruis moest worden aangebracht op de plaats van de moord, op een weide op het Natveld die eigendom was van Gerit van Elsraeck, broer van het slachtoffer. Tevens moest de schuldige iedere vrijdag een jaar lang een mis laten lezen in de Sint-Quintinuskerk voor de zielerust van zijn slachtoffer. Bovendien moest Lemmen als blijk van boetedoening mee opstappen in drie “solemnelicke processien” van Hasselt, met een brandende waskaars van één pond in de hand, gehuld in een linnen kleed en “met eenre bussen (moordwapen) inden halsse hangende”. Mocht Lemmen zich niet houden aan deze opgelegde overeenkomst, dan zou hij worden veroordeeld tot een boetepelgrimage naar Rome. 258 Zo kwam de moordenaar er met een dergelijke humane straf goedkoop van af, afgezien van het smartgeld dat hij aan de familie van Van Elsraeck had moeten uitbetalen. Boetekruisen werden in de zestiende eeuw opgericht na een moord of een doodslag. In de zestiende eeuw gebeurde het dat een misdadiger kon ontkomen aan een kapitale straf. Meestal gebeurde deze procedure door middel van een “zoen”, een verzoe-


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

nende overeenkomst tussen de dader en de nabestaanden van het slachtoffer, waarbij laatstgenoemden meestal geldelijk werden vergoed. 259 Deze financiële vereffening was geen smartgeld ten voordele van de familieleden voor het verlies dat zij geleden hadden. Veeleer was het een soort eerherstel van het slachtoffer en een belegging die tegelijkertijd zijn zieleheil ten goede moest komen. 260 Deze gerechtelijke geplogenheid was voorzien binnen het oude gewoonterecht en werd van de dertiende tot de vijftiende eeuw vrij algemeen toegepast. Uit de praktijk van het zoengeld of vredegeld ontstond later het gebruik om een boetekruis of zoenkruis op te richten op de plaats van de misdaad. Ook de Kerk had in deze tijd de verzoening in haar rechtspleging opgenomen. Boetekruisen die door de Kerk werden opgelegd, waren meestal vervaardigd in steen. Het waren eenvoudige kruisen zonder enige versiering, klein van afmeting, die zelden meer dan één voet boven de grond uitstaken. Gewoonlijk werd de naam van het slachtoffer in het kruis gebeiteld naast de datum van de moord en het wapen waarmee de misdaad gepleegd werd.

Maastrichterbaan De Trichterbaan, ook Diepenbekerbaan geheten, volgde vanaf de Maastrichterpoort het tracé van de huidige Maastrichtersteenweg. Tegenover de Casterstraat week deze heerbaan ter hoogte van het Teutelwijerke links af, om over zekere afstand het parcours van de Bosstraat te volgen. Vanaf de Voorstraat sloot de Trichterbaan opnieuw aan op de Maastrichtersteenweg, die op dit punt een bocht naar rechts maakte. Ter hoogte van de hoeve Ter Poorten verliet de Trichterbaan het grondgebied van de stad. Rechts buiten de stadsomheining lag ‘Het Poepstertje’, het zuidelijke hoekhuis van de Trichterbaan. In het begin van de twintigste eeuw hield Hubert Nelissen er een herberg. Aan de overkant van de baan lag in

de tweede helft van de negentiende eeuw als eerste hoekhuis van de Grote Steeg (= Willekensmolenstraat) de herberg ‘Het Vuylwamis’, naamgenoot van het ‘Alt Wamis’, dat in het Hendriksdorp lag. Schuin tegenover de Bossteeg, op de vertakking van de huidige Maastrichtersteenweg en de Oude Trichterbaan lag eind negentiende, begin twintigste eeuw ‘De gelapte shako’ en even verderop ‘Het Lam’. In dezelfde buurt lag het huis ‘De drie padden’, dat in de correctieboeken van de achttiende eeuw wordt aangehaald als gelegen buiten de Trichterpoort. Ook het pand ‘De dry Engelen’, in de volksmond ‘De Drie Kneukskens’, lag aan de Maastrichtersteenweg.

De Sint-Corneliskapel Ligging: bij de ingang tot de Willekensmolenstraat (oostkant), zo’n tweehonderd meter van de Maastrichterpoort. Op het Sint-Cornelisveld, een vlakte die begrensd werd door de Willekensmolenstraat, de Nieuwe Demer (ten noorden), het begin van de Grote Steeg (tweede deel van de Willekensmolenstraat) (ten westen), de Weggestraat (later Muggesteeg) (ten oosten) en de Trichterbaan (ten zuiden). Perceelnummer: 1092. Eigenaar: het Hasseltse stadsbestuur. In de beginjaren van de achttiende eeuw – enkele decennia vóór Vanpaesschen de kaart opmaakte – werd de Sint-Corneliskapel, die hier eeuwenlang had gestaan, afgebroken. De straatnaam die door Vanpaesschen gebruikt wordt, verwijst tot vandaag naar deze kapel. In de kadastrale leggers staan dit perceel en de aanpalende hoven opgetekend als het Sint-Cornelisveld. De Hasseltse historicus Mantelius schreef in zijn Hasseletum uit 1663 dat de kapel zeker tweehonderd jaar oud was. 261 Vanuit zijn visie zou de kapel dus gebouwd zijn omstreeks het jaar 1463. Mantelius onderzocht evenwel niet of er vóór die datum nog een ouder gebedshuis op dezelfde plaats gelegen was. Dezelfde zegsbron meent dat het oratorium afgebroken werd circa 1675.

213


214

Situering van de Sint-Corneliskapel in de Willekensmolenstraat volgens Djef Anten. (APL mars-avril 1912, p. 10)

Heerweg naar Maastricht. Op de vertakking met de Bosstraat lag voorheen het Teutelwijerke. (postkaart, privĂŠcollectie)


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Mantelius beschrijft de kapel als een fraai bakstenen gebouw met een oppervlakte van 64 voet lang en 24 voet breed. De augustijnen lazen er sinds 130 jaar iedere zaterdag de mis. Het heiligdom telde talrijke bezoekers, waarvan velen door de voorspraak van de Heilige Cornelis genezen werden van lichamelijke en geestelijke ongemakken. 262 Dank zij de vele geldgiften die door de gelovigen geofferd werden, kon in de zeventiende eeuw een nieuw altaar worden aangekocht en werd er een nieuwe zwartmarmeren vloer gelegd. De oudst bekende vermelding van de kapel is opgenomen in een testament van 1429. De Hasselaar Johan van Elekom, eigenaar van het huis ‘Die Hant’ op de Grote Markt, ook geheten ‘De Capruyn’, besliste tussen andere erfgiften “der fabriken Sinte Cornelys te Calverheze een grype eens te hebben”. Uit deze laatste wilsbeschikking mag worden afgeleid dat de kapel al in 1429 in gebruik was en dat toen reeds haar fondsen en inkomsten beheerd werden door een kerkfabriek. 263 In 1445 is er sprake van een drietal woningen die gelegen waren achter de kapel. Ghebelen Toelen bewoonde het middelste huis. Naast hem woonde aan de ene kant de grafdelver Leenaert en aan de andere zijde Gonthier Schane. Waarschijnlijk was Leenaert de plaatselijke grafmaker van Calverheze en beschikte de kapel over een eigen begraafplaats. Volgens een Luiks prebendenregister uit het jaar 1497 stond er in de kapel op de Calverheze een altaar waar Sint-Cornelis werd vereerd en een tweede altaar waar de Heilige Barbara werd aanroepen. In 1519 werd in de Sint-Corneliskapel een jaargetijde gesticht door Dierick Somers en zijn huisvrouw Lysken Roetaerts. De fundatie voorzag een jaarmis op te dragen aan het altaar van Onze-Lieve-Vrouw. Hieruit mag worden afgeleid dat de kapel op dat ogenblik minstens drie altaren telde. Bij testament legden de stichters vast dat na hun dood het huis dat zij op de Calverheze bewoonden, moest overgedragen worden aan de kerkfabriek van de kapel. Als kapelmeesters in dat jaar werden vernoemd Claes Oems, Hendrick van Stapel en Peter Minne.

Mantelius bevestigt dat de mis die iedere zaterdag door de augustijnen in de kapel werd gecelebreerd door heel wat volk uit de stad en omgeving werd bijgewoond. Wegens deze massale opkomst maakten de buren er een punt van eer van de toegang tot de kapel netjes te onderhouden door de weg die er naar toe leidde in het regenseizoen op te vullen met houtgewas en stenen. Het register van de bouwmeesters vermeldt voor het jaar 1525-1526 dat de stadsmagistraat de buurtbewoners van Calverheze vergastte op een vat bier, waarvoor veertien stuiver betaald werd. Het stadsbestuur had er als eigenaar van de Sint-Corneliskapel alle voordeel bij dit gul gebaar te stellen, omdat zij er als officiële instantie zelf toe gehouden was de wegenwerken uit te voeren. In de beginjaren van de zeventiende eeuw waakte het stadsbestuur erover om de weg die van de kapel naar Godsheide en naar de slagmolen op de Trichterheide leidde regelmatig te laten opknappen ten gerieve van de bedevaarders en van de plaatselijke bewoners. Vanaf 1647 werd de steenweg naar de kapel extra gereinigd op de vooravond van de processie. Net zoals de parochiekerk en andere heiligdommen in de stad, bleef ook de Sint-Corneliskapel niet gespaard door de Beeldenstormers: het tabernakel, het meubilair en de kerkornamenten werden verbrijzeld. In februari 1567 sloeg prins-bisschop Gerard van Groesbeek met een tweehonderdtal huurlingen uit Luik, Tongeren en Sint-Truiden de belegering rond Hasselt om de stad te bevrijden van de beeldenstormers en de boosdoeners te bestraffen. De troepen van de prins beschoten de stad met elf kanonnen. Tijdens de belegering, die veertien dagen duurde, werd het begijnhof door het grof geschut vernield en werd er een bres in de stadsmuur geschoten. De Sint-Corneliskapel bleef intact, wellicht omdat zij buiten het bereik van het geschut lag. Na de belegering werd Hasselt door Gerard van Groesbeek bestraft met een schadeloosstelling van 30.000 gulden. Bovendien werden de inwoners blijvend geplaagd door de onafgebroken doortochten van vreemde militia.

215


216

De kapitein van de prinsbisschoppelijke compagnie stelde op 10 februari 1577 voor aan de stadsmagistraat om de Sint-Corneliskapel af te breken en opnieuw op te bouwen binnen de stadsmuren. De officier wees op het strategische gevaar van de ligging van de kapel in de nabijheid van de Maastrichterpoort. Bij een eventueel beleg of bij een aanval van vreemde troepen zou de kapel immers de nodige beschutting kunnen bieden aan het vijandelijke leger. In het belang van de veiligheid van de stadsbewoners was het raadzaam de kapel zo snel mogelijk af te breken. Toch gaf het stadsbestuur geen gevolg aan het voorstel van de kapitein. De magistraat durfde niet overgaan tot de afbraak wegens de tegenstand die dit voorstel zou ondervinden van de inwoners. 265 In andere Loonse steden werden in de laatste jaren van de zestiende eeuw tal van oude kapellen in de nabijheid van de stadsversterking omwille van de veiligheid van de burgers geslecht. In 1579 verzochten de inwoners van Calverheze de stadsmagistraat om een geldelijke toelage, om aan de Sint-Corneliskapel dringende herstellingswerken te laten uitvoeren. Zij argumenteerden dat het bouwwerk “vervallen end den toren gans swaeck es ende die clock haestelyck vallen sal.” Bovendien wordt in het verzoekschrift gesteld dat “de capel duer den onzaeligen bedructelyken tyd gans en geheel opengegraven es geweest om aldaer in te begraven sommige beutengen (buitenburgers) die vanden pest gestorven zijn, om met nachte en ontyden die stat porten niet te oepenen.” Hasselt werd in de periode van juli 1578 tot in 1579 geteisterd door de pest. De stadsrekeningen van 1578-1579 vermelden dat er in die periode inwoners die aan de pest gestorven waren op het Sint-Corneliskerkhof begraven werden. 266 De inwoners van Calverheze, bevreesd ervoor dat de zwarte ziekte zich hierdoor binnen hun woonhuizen zou verspreiden, richtten een protestbrief aan het bestuur van de stad, waarin ze eisten dat voortaan begravingen in de kapel van hun wijk verboden zouden worden. Toen de grafmaker Cornelis Wagemans op 4 mei 1578 opdracht

kreeg van de schout en de burgemeesters een nieuw graf te delven, vond hij ter plaatse alle deuren gesloten. De burgemeesters gaven vervolgens bevel aan Peter Min, die in het bezit was van de sleutels van de kapel, die te openen. Min weigerde categorisch. Uiteindelijk raakte Wagemans toch binnen in de kapel, om zijn werk te voltooien. Terwijl hij zich van zijn opdracht kweet, verscheen de beneficiaris Arnold Moers in het heiligdom en verbood de grafmaker zijn werk voort te zetten. Wagemans werd op straat gezet, de kuil gedicht en de deuren op slot gedaan en vastgenageld. 267 In het jaar 1602 zetten de Staatse legers van Maurits van Nassau een groots opgezette aanval in op het Land van Brabant. Via Tongeren en Sint-Truiden zakten zij af richting Tienen, om de strijd aan te gaan met de Spaanse troepen van veldheer Mendoza die in de stadsomgeving gelegerd waren. Volgens Mantelius zouden Hollandse legerbenden, waarvan een deel in de heide rond Hasselt hun kampement hadden opgetrokken, toen de Sint-Corneliskapel geplunderd hebben. 268 In 1672 brak de oorlog uit tussen de Franse Zonnekoning Lodewijk XIV en de Hollandse Republiek. Lodewijk eiste voor zijn gemalin, een dochter van Philips IV, een deel op van de zuidelijke gewesten. Het Land van Luik diende jarenlang als strijdtoneel tussen de twee kampen. Op 15 oktober 1675 verzocht graaf Frederik van Waldeck, generaal in het leger van de prins van Oranje, de magistraat van Hasselt de stadspoorten te openen voor de inkwartiering van een Hollands garnizoen. Omdat het antwoord te lang op zich liet wachten, begonnen de Hollanders met de beschieting, waarbij op 25 oktober 1675 de Sint-Corneliskapel onherstelbaar beschadigd werd. 269 Vanaf toen werd de kapel voor de eredienst ongeschikt bevonden en aan haar godsdienstige bestemming onttrokken. De ramen werden in februari 1676 met karelen dichtgemetseld. De tand des tijds zorgde voor de verdere aftakeling.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

De stadsarchieven bevatten geen enkele aanwijzing in welk jaar de kapel verdween. 270 Het register van de kerkfabriek van Sint-Quintinus bewaart een akte uit het jaar 1702, verleden voor notaris Herman Scholteten, waaruit blijkt dat de kapel kort voordien verdween. De akte heeft het over een zekere Jan Hans die jaarlijks een rente van vijf gulden Brabants belegde op veertien roeden land, “geleghen buyten die Trichtspoorte ontrent St-Corneliskercke offt wel daer die selve gestaen heefft”, naast juffrouw Elisabeth Vrerix en de Heerstraat. Kort nadien in datzelfde jaar werden door de rector Laurentius Custyns de meubels van de kapel verkocht en werden met de opbrengst van deze verkoop de renten van het beneficie vermeerderd. Tezelfdertijd werden de priestergewaden, het altaar en de ornamenten overgedragen aan de parochiale kerk Sint-Quintinus. 271 Hier werd het altaar opnieuw opgebouwd in de eerste kapel links van het noordelijke tochtportaal van de kerk. Het altaar is bewerkt in de stijl van Lodewijk XIV, afgeboord met vergulde Korinthische kapitelen, met in de kroonlijst het beeld van Sint-Cornelis in zittende houding. Een tweede zittend beeld van de heilige, gesculpteerd omstreeks het eind van de vijftiende eeuw, werd geplaatst in een nis naast het altaar. In top dragen twee engelen een schild, de ene met de wapens Sigers, Van Hilst, Squaeden en Van Abshoven, de andere met de wapens Aerts, Voskens en van Laeffelt. Het schilderij dat het middenveld boven het altaar versiert komt ook uit de Sint-Corneliskapel. Het doek werd in 1664 aan de kapel geschonken door Joannes Sigers, advocaat en secretaris van de Edele Leenzaal van Kuringen, zoals blijkt uit het opschrift dat onderaan op het doek werd aangebracht: “Ven(erabi)lis D(omi)nus Laur(entius) Custyns pastor in Bierbeeck Rector hujus capellae et Clar(issi)mus D(omi)nus Jo(ann)es Sigers J(uris) U(triusque) L(icentiatus), ad(mod)um Nob(ilis) Curiae Curingianae secret(arius), dictae capellae receptor, cum Christi fidelium donationibus fieri curavit a(nn)o 1664”. 272 Het doek geeft een voorstelling van Sint-Cornelis en de honderdman. 273

De klok werd in 1675 uit het eeuwenoude torentje gehaald en op bevel van de stedelijke overheid in de Halletoren gehangen. Toen in 1692 de klok van de cellebroederskerk gebarsten was, stemden de burgemeesters en de voormalige rector Joannes Custyns ermee in om de klok van de Sint-Corneliskapel tijdelijk in de toren van het heiligdom van de cellebroeders te hangen om ze later terug in de Halletoren te plaatsen. Waar de klok terechtkwam toen de Halletoren in 1806 werd afgebroken is niet bekend. 274 Vervolgens ging de kerkfabriek over tot de openbare verkoop van de schilderijen, de blauwe steen, de banken en de ramen afkomstig uit de voormalige kapel. De opbrengst van de verkoop, zegge driehonderd gulden en het kapitaal van een afgekochte rente, werden geïnvesteerd in een stuk landbouwgrond te Rapertingen. Het Sint-Corneliskerkveld, het driehoekige stuk grond van anderhalve roede, waar voorheen de kapel stond, bleef jarenlang als braakland onbebouwd achter. Deken Delacourt liet er in 1759 een tuin aanleggen. In 1772 grensde het veld langs één zijde aan de tuin van de celzusters en langs de andere twee zijden aan de straatkant. Anno 1788 werden hier tienduizend meekrapplanten geteeld. De eerbied van verschillende bewoners van de Calverheze voor de gewijde plaats en voor de dodenakker is wellicht de reden geweest waarom het veld lange tijd onbebouwd bleef. In 1796 decreteerde de Hasseltse municipaliteit dat het verboden was voortaan nog doden te begraven in de kerken en op kerkhoven binnen de stad gelegen. De municipaliteit liet toen haar keuze vallen op het Corneliskerkveld als officiële begraafplaats, maar de departementale raad in Maastricht wees deze beslissing af, omdat de plaats te dicht bij de stad gelegen was. 275

217


218

255 256 257 258

259 260 261 262

263

264 265 266 267 268 269 270 271 272

273 274

275

Caluwaerts, Hasselt intra muros, 20 en 273 voetnoot 1. J. Gessler, ‘Gerechtelijke verzoening en oervede’, Varia Hasselensia (1946) 24-25. Grauwels, Kroniek van Hasselt, nr. 195. E. Houtman, ‘Boetekruis aan de Prins-Bisschopsingel’, De Nieuwe Hasselaar, 1 (1980) 8. Bussels, 52 waardevolle Hasseltse gebouwen, 37. Geraets, ‘Notice sur la justice répressive à Hasselt sous les princes-évêques de Liège’, 127. W. Van Gelder, Hasselt, toeristisch thuis in Vlaanderen (Hasselt 1985) 135-136. Mantelius, Hasseletum, 159. Mantelius, Hasseletum, 159. Een paar maal (1508, 1532) wordt in de registers van de bouwmeesters gewag gemaakt van de “gesellen” van Sint-Cornelis. In hoever hiermee het bestaan van een broederschap ter ere van de heilige kan worden aangetoond is vooralsnog niet bewezen. De collatie of het recht om de beneficiaris van de kapel te benoemen kwam immers toe aan de magistraat en aan de twaalf kamers van Hasselt. Mantelius, Kroniek van Hasselt (editie Caluwaerts), 304 f°34v°. RAH, Schepenregisters, Luiks recht, nr. 219 f° 71. RAH, Registers van de bouwmeesters, 1525-1526. Mantelius, Kroniek van Hasselt (editie G. Caluwaerts), 304 f° 34v°. RAH, Registers van de bouwmeesters, 1578-1579. J. Gessler, ‘St.-Corneliskapel te Hasselt’, Limburg, 3 (1921-1922) 172. Mantelius, Hasseletum, 86. Grauwels, Kroniek van Hasselt, nr. 617 en 618. RAH, Stadsrekeningen, Bouwmeesters, 16.05.1676. D. Anten, ‘Losse aanteekeningen over en rond de St.-Corneliskapel te Hasselt’, LPL, XVI:11-12 (1912) 42. Vertaald: “Eerwaarde heer Laurentius Custijns, pastoor te Bierbeek, rector van deze kapel, en de zeer beroemde heer Joannes Sigers, licentiaat in de beide rechten en bovendien secretaris van de Edele Leenzaal van Kuringen, ontvanger van voornoemde kapel, deed mij vervaardigen met de giften van de christen gelovigen in het jaar 1664”. M. Bussels, Drie oude kerken van Hasselt (Hasselt 1975) 62. Grauwels, Kroniek van Hasselt, nr. 618. Anten, ‘Losse aanteekeningen over en rond de St.-Corneliskapel te Hasselt’, 42. Bamps, ‘Hasselt-jadis (2e partie)’, 45 voetnoot 1.


219

De jaarlijkse processie Een folkloristisch gebruik dat sinds de vijftiende eeuw ontstond rond de Sint-Corneliskapel, was de processie die jaarlijks op Palmzondag uittrok. Ieder jaar werd vanuit de kathedrale kerk van Sint-Paulus te Luik het sacrum chrisma (Heilige Olie) meegebracht naar de Sint-Corneliskapel, om er op Palmzondag processiegewijs te worden afgehaald en overgebracht naar de Sint-Quintinuskerk, waar het chrisma bewaard werd. Na de afbraak van de Sint-Corneliskapel werd het chrisma overgebracht naar de Onze-Lieve-Vrouwekerk. In het jaar 1500 liet Joannes Kangieters aan de twaalfmannen (het armenbureel van de stad) twee beemden na, op voorwaarde dat de armenmeesters “sullen doen eirlijck halden een eerlijcke processie als ingesatt is ende men gedaen heet op den heiligen Palmendage, om onse heere Gods in gelijckenisse in te halden, op den esel zittende, buten der Triechter porten, tot aen SinteCorneliscapelle.” Verder drukt Joannes Kangieters de wens uit dat met de jaarlijkse pachtprijs of opbrengst van de twee beemden goede tarwe aangekocht zou worden, om er mikken mee te bakken die zouden uitgereikt worden: –– twee mikken, ieder van twee pond, aan de pastoor, zover hij mee opstapt in de processie; –– twee mikken, ieder van twee pond, aan de koorleden die de stoet opluisteren met de gezangen van de passie van Christus; –– een mik van twee pond aan iedere priester, die in koorhemd deelneemt aan de processie over het volledige traject; –– een mik van twee pond aan de schoolmeester, die in koorhemd deelneemt aan de processie over heel het traject; –– een mik van twee pond aan de koster voor het luiden van de klok; –– een mik van twee pond aan elk van de twaalf apostelen om mee op te stappen in de stoet; –– een mik van twee pond aan iedere kerkmeester; –– een mik van twee pond aan de rentmeester van de Sint-Quintinuskerk; –– een mik van twee pond aan de bewaarders van het Sint-Quintinusaltaar en aan de paters augustijnen die deelnemen aan de processie; –– een mik van twee pond aan de prior van de augustijnen; –– een mik van twee pond aan de twee schoolkinderen die in koorhemd de vaandels dragen; –– een mik van twee pond aan ieder schoolkind dat in koorhemd aan de stoet deelneemt; –– een mik van twee pond aan iedere twaalfman die mee opstapt in de processie. Volgens de rekeningen van het armenbureel werden er acht vaten tarwe verbruikt voor het bakken van de mikken. Het reglement van de bode van deze commissie van openbare onderstand geeft eenzelfde hoeveelheid vaten aan. De mikken werden aan de aanwezigen uitgedeeld na de terugkeer van de processie op het hoogkoor van de Sint-Quintinuskerk, waar de broden waren bijeengebracht. Als vergoeding voor deze klus ontving de bode twee grote mikken. In 1530 maakte Mathijs van Diest twee renten over aan de twaalfmannen van Hasselt waarin hij bepaalde dat op Palmzondag aan de twaalf apostelen en aan diegenen die “onsen Heer trecken” (= die het wagentje voorttrokken waarop de ezel en het beeld van de Zaligmaker stonden) een haring te geven. Het resterende geld diende om spek aan te kopen dat op Paaszondag aan de armen van de stad werd uitgedeeld, “welck sedert het vertrek der Hollanders deur die kerckmeesters volgens obligatie noch aen die Heeren Borgemeesters kenbaer gemaeckt is, om die intentie der devote testateurs te voldoen ende te geschieden in alderbesten forme, tot meerder devotie ende iever der ghenen welcke tot sulcke fondatien geinclineert zijn te doen continueren.” Uit bovenstaande aantekening, opgeschreven door de kerkmeesters in hun register van ontvangsten, kan worden afgeleid dat tijdens het zesjarige verblijf van het lutheraans Hollands leger onder het bevel van de graaf van Nassau te Hasselt (1675-1681) de processie op Palmzondag niet is uitgetrokken. Het is evenwel vreemd dat de twee andere processies van Hasselt, die van het Heilig Sacrament en die van de kerkwijding op kermiszondag, zonder onderbreking hun omgang maakten. Na die tijd wordt er in de officiële documenten geen melding meer gemaakt van de processie met de ezel. Hieruit mag worden afgeleid dat zij in 1674 voor het laatst door de straten trok.


220

Sommige auteurs hekelden met bijtende spot de processie met de ezel, die ook in andere steden als Antwerpen, Leuven, Tienen en Brugge doorgang vond. Met hun scherpe pen trokken zij het theatrale gebeuren in het belachelijke, onder voorwendsel dat de clerus het gewone volk bewust in onwetendheid hield met dergelijke goedkope vormen van lichtgelovigheid. Overtuigde gelovigen konden toch niet zomaar ongenuanceerd hun eerbied betuigen aan de zaligmaker die op een houten ezel gezeten door de straten trok. De Franse historicus Michelet daarentegen sprak zich heel wat voorzichtiger uit over deze middeleeuwse traditie. Dankzij dit ritueel werd volgens hem, conform de verhalen in de Bijbel, de ezel in ere hersteld. Als een nederige getuige was het dier immers aanwezig geweest bij de geboorte van de zaligmaker en had het met zijn adem het kind in de kribbe verwarmd. Als lastdier had hij het kind met zijn moeder naar Egypte gedragen. Christus zelf had de ezel uitgekozen bij zijn zegepralende intocht in Jeruzalem tijdens zijn laatste levensweek. Sommigen schrijven aan de natuur van het dier een aantal christelijke deugden toe, als de matigheid, geduld en onderwerping. Naast al diegenen die in uitvoering van het testament van Joannes Kangieters op actieve wijze deelnamen aan de processie, stapten groot en klein, arm en rijk uit de stad op in de feestelijke stoet. Palmzondag was immers één van de hoogtepunten van het kerkelijke jaar, de dag waarop de juichende menigte die Christus vanuit Bethanië was gevolgd, zich mengde met de geestdriftige massa, die hun koning vanuit de stad met wuivende palmtakken tegemoet kwam. Zij spreidden hun mantels en gewaden uit op de grond waar hij voorbijkwam. Er werden palmtakken gestrooid op de weg die hij zou volgen en de welkomstgroet Hosannah weergalmde door de straten. In hun diep gewortelde godsvrucht wensten onze voorouders dit gebeuren opnieuw te beleven naar de letter van de Bijbel en de intrede van Jezus in Jeruzalem zo getrouw mogelijk uit te beelden. In Hasselt werden op Palmzondag de palmen gewijd vóór de hoogmis en vervolgens aan de gelovigen uitgedeeld,terwijl het koor de gregoriaanse gezangen van de dag zong. Na de misviering werd de wierook gezegend die, overeenkomstig de traditie, de straten moest reinigen tijdens de doortocht van de processie. Vervolgens trok de stoet van geestelijken de kerk uit, gevolgd door de stadsbewoners. De pastoor, bekleed met een paars misgewaad zonder kapmantel, droeg een kruisbeeld gehuld in een zwarte stof. Hij werd gevolgd door de diaken en de subdiaken die gewaden droegen in dezelfde liturgische kleur. Terwijl de processie zich in beweging zette onder het gelui van de zware klok en het koor de beurtzang “pueri Hebreorum” inzette, besprenkelde de geestelijkheid de menigte met gewijd water. Inmiddels zette de stoet zich in beweging naar de Sint-Corneliskapel. Een man trok de houten ezel op wieltjes, waarop een Christusfiguur gezeten was met een palmtak in de hand. Aan weerszijden van de ezel stapten twaalf mannen, die onder de hoogmis aan de offerzang hadden deelgenomen, een voorafbeelding van de twaalf apostelen. In Antwerpen werd de zaligmaker op de ezel uitgebeeld door een levende persoon, die in 1487 een pelgrim moest zijn die een bedevaart naar Jeruzalem had ondernomen. 276 Langs welke weg de processie zich naar de Sint-Corneliskapel begaf, is niet geweten. Buiten de Maastrichterpoort vervoegden de inwoners van Calverheze met bloemen en palmtakken de stoet, zoals weleer de inwoners van Jeruzalem zich aansloten bij het gezelschap dat Christus vanuit Bethanië gevolgd had. Eenmaal in de kapel toegekomen, werd het afgedekte kruis dat de parochiepriester had meegedragen, ontbloot. Vervolgens werd het kruis vereerd door de aanwezige geestelijkheid, terwijl de gelovigen hun devotie uitten door gewijde palm te offeren. Vervolgens keerde de processie terug naar de parochiekerk met het onbedekte kruis. Aangekomen bij de gesloten kerkdeur, sloeg de subdiaken driemaal met de staf van het kruis op de deur, die dan geopend werd, waarop alle processiegangers zich aansloten in de kerk. Deze middeleeuwse plechtigheid, waarin de mystiek gevisualiseerd werd, om het geloof van de volksmens een concrete gestalte te geven, wordt op onze dagen herleid tot een eenvoudige processie binnen de kooromgang van de kerk. 277

276

277

De registers van de bouwmeesters uit de zestiende eeuw maken regelmatig gewag van betalingen voor herstellingen aan de wagen, het schilderen van de ezel of het vervaardigen van een nieuw wagenstel. D. Anten, ‘Losse aanteekeningen over en rond de St.-Corneliskapel te Hasselt’, LPL, XVI:11-12 (1912) 42. J. Gessler, ‘St.-Corneliskapel te Hasselt’, Limburg, 3 (1921-1922)169-173.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Calverhese Aansluitend bij het Sint-Corneliskerkveld lag de uitgestrekte vlakte van Calverhese, Calverhuysen, Calverhoven of Calveris, ingesloten tussen de Nieuwe Demer ten noorden, de Voorstraat ten oosten, de Oude Trichterbaan ten zuiden en de Weggestraet (Muggestraat), die liep tot aan de thans verdwenen Stalmansbrug (perceel 1120) over de Demer, ten westen. 278 Reeds in de dertiende eeuw bezat de abdij van Herkenrode buiten de Maastrichterpoort een tiendschuur die opgetrokken was in hout en leem. 279 Ze lag aan de oude heerbaan op de zuidwestelijke uithoek van de Calverhese, tussen de pachthoeve ‘Den Populeer’ (perceel 1553) en de Weggestraat, ten noorden van de Trichterbaan tegenover het Teutelwijerke, dat later de tuin werd van de herberg ‘Het Lam’ van Renier Coenen en in 1755 aan Gaspar Cox toebehoorde. ‘Den Populeer’ was een lemen pachthoeve, gelegen aan de Oude Trichterbaan of de weg naar Godsheide, tussen de Weggestraet en de Voorstraat. 280 De tiendschuur stond derhalve in de tuin en de weide van leerlooier Jan Penxten. Naast de tiendschuur lag een woning. Uit het archief van de abdij blijkt dat een kinderloos echtpaar in 1299 al zijn goederen met behoud van het vruchtgebruik van een woning op Calverhese schonk, op voorwaarde dat zij meehielpen bij het inschuren van de tienden. De tiendschuur van Calverhese werd in 1557 afgebroken.

Planckeweide Perceelnummer: 1059. Achter het eerste begijnhof aan de Begijnenpoel, in de vallei van de Helbeek, lag van oudsher een vochtig gebied, de Planckeweide (vandaag het Stadspark). Op 2 januari 1682 vond hier een slag plaats, die gesitueerd moet worden in het kader van de opeenvolgende inkwartieringen van vreemde soldatentroepen, die zware financiële gevolgen hadden voor de lokale bevolking.

Na de dood van de Spaanse koning Filips IV in 1665 eiste de Franse Zonnekoning, Lodewijk XIV, krachtens zijn huwelijk met de erfdochter van Spanje Maria Theresia, en in toepassing van het devolutierecht, de Zuidelijke Nederlanden op als erfdeel voor zijn vrouw. Na de devolutieoorlog kende de Vrede van Aken (1668) aan Frankrijk een ruim deel van Vlaanderen en Henegouwen toe. Zulks was evenwel niet naar de zin van de Zonnekoning die hiermee de annexatie van de Verenigde Provincies aan zich zag voorbijgaan. Hij aarzelde dan ook geen ogenblik om met zijn legers op te trekken naar het noorden via Luik. De keurvorst van Luik, Maximiliaan-Hendrik van Beieren, koos de zijde van de Fransen en stelde zich welwillend op tegenover hen. Maastricht bezweek op 30 juni 1673 voor de Franse overmacht. 281 Van 1675 tot 1681 werd Hasselt bezet door de Hollanders. De Nederlandse generaal graaf Frederik van Waldeck eiste van het stadsbestuur inkwartiering voor twee regimenten voetvolk en een regiment ruiterij. Alvorens de poorten werden opengesteld, verkreeg de stadsmagistraat dat de rechten van de inwoners zouden geëerbiedigd worden. Niettemin zouden de bezettingskosten zwaar drukken op de burgers. 282 Bier, brandewijn, vis en wijn werden aan extra taksen onderworpen en voor het verlijden van notariële akten diende voortaan een speciaal zegelrecht betaald te worden. De stad zag zich verplicht bijkomende leningen aan te gaan om de krijgsbelasting en de opeisingen te kunnen betalen. De bezetting sleepte zes jaar aan. In strijd met de bepalingen vervat in de gesloten overeenkomst, had de Hollandse militaire bevelhebber de poorten, torens en stadsomheining in de lucht laten springen. Het spreekt voor zich dat de Hasseltse bevolking zich opgelucht voelde toen zij het ongewenste garnizoen uiteindelijk zag vertrekken. De blijdschap van de inwoners zou evenwel van korte duur zijn. Inmiddels waren de Luikenaren tegen hun wettelijke gezag in opstand gekomen wegens het eenzijdige autocratische optre-

221


222

den van hun prins-bisschop. Zodra de Franse milities de cité ardente verlaten hadden, ijverde het gepeupel om medezeggenschap in het bestuur van het prinsbisdom te verkrijgen. Maximiliaan van Beieren voelde zich niet meer veilig in zijn bisschopsstad en nam de wijk naar Keulen. Van daaruit orchestreerde hij de gebruikelijke tactiek van zijn voorgangers door Duitse huurlingen te rekruteren en hen in zijn prinsbisdom belangrijke centra te laten bezetten. 283 Op 3 december 1681 berichtte de prins-bisschop aan de stadsoverheid van Hasselt dat aan brigadier baron de Weix met zijn 262 voetknechten en een vendel ruiterij inkwartiering moest verleend worden. Een dergelijke tijding viel uiteraard niet in de smaak van de Hasselaren, die de onvermijdelijke nasleep van supplementaire uitgaven en plagerijen, veroorzaakt door ongewenst soldatenvolk, hartsgrondig beu waren. Een afvaardiging van raadsleden, twaalfmannen en gezworen schutters vond het aangewezen vooraf te onderhandelen met brigadier de Weix. Op voorwaarde dat een voorschot van zeshonderd gulden als financiële tegemoetkoming zou betaald worden, verzekerde de officier dat de stad in dit geval slechts aan honderd militairen onderdak zou moeten bieden. 284

Bitter waren dan ook de ontgoocheling en de woede van de bevolking, toen zij vernamen dat de volledige brigade naar Hasselt afzakte en dat Weix er zelfs mee gedreigd had de stad in brand te steken wanneer zijn troepen op enig verzet zouden stuiten. Tijdens de vergadering van de gemeenteraad op 30 december 1681 bepleitten de burgemeesters Lambert Caproens en Pieter Van Rijkel bij de Hasseltse burgers een houding van onderwerping en berusting tegenover de Duitse overmacht. De eenvoudige stadsmens weigerde evenwel zich passief neer te leggen bij de rauwe realiteit. Opruiers doorkruisten de straten en hitsten de weerbare mannen op naar de wapens te grijpen. Zonder meer woelig en buitenissig ging het er aan toe op oudejaarsavond in “Den Wijngaerdtranck” aan de Jodenstraat, waar Melchior Creten samen met zijn vrouw

en vier dochters Margareta, Anna, Cecilia en Beatrix een herberg uitbaatten. Deze afspanning was ook sedert jaren het vergaderlokaal van de Jongmanskamer en de ontmoetingsplaats van de gegoede burgerij. Op een morgen vond dochter Beatrix een schimpschrift op de deur van de familiewoning geafficheerd, waarop een anonieme hand de herberg bestempelde als een boevenhuis. Haar vader Melchior Creten fulmineerde dat de Duitse brigadecommandant een akkoord had afgesloten met de stad, houdende dat Hasselt slechts aan honderd manschappen onderdak moest bieden en dat er van een rebellie tegen de prins-bisschop hoegenaamd geen sprake was. Zijn dochters Anna en Beatrix kraamden een meer opruiende taal uit en drukten de jonggezellen op het hart vooral waakzaam te blijven: “Jonckmans waeckt, hebt gij geen cruyt ende loot, wij sullent u brengen, mede te eten en te drincken.” Eenparig werd besloten de Duitse compagnie de toegang tot de stad te verhinderen. Bij het ochtendgloren van 31 december werd er alarm geslagen, toen de wachters bij de poorten bemerkten dat vreemde huurlingen op weg waren naar de stad. Paniek maakte zich meester van de bevolking en de weerbare mannen kregen het bevel van hun officieren zich van hun wapens te voorzien. De burgemeesters Van Rijkel en Caproens spoorden daarentegen de burgers aan tot zelfbeheersing, maar zij werden op gejoel onthaald en als collaborateurs gebrandmerkt. De Jongmans bliezen verzameling in de voetboogkamer en in de grote zaal van het stadhuis, om er de bevelen van hun kapitein Godfried Vanderlocht en hun luitenant Jan Nobels af te wachten. Laat op de avond blies de hoofdwacht van de Maastrichterpoort alarm. De vijandelijke ruiterij was gevaarlijk dicht bij de wallen genaderd. Andermaal weigerde burgemeester Van Rijkel zijn gezag te laten gelden door alle weerbare mannen op te roepen tot de wapens. De poortwachters besloten vervolgens het heft zelf in handen te nemen en liepen zonder aarzelen naar de knaap van de voetboogkamer en naar de knapin van de grote kamer en droegen de twee burgemeesters formeel op onverwijld alle leden van de schutterijen op te trommelen.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Bij het krieken van de dag gaf kapitein Vanderlocht het bevel aan de tamboer van de Jongmans ook de leden van de schutterskamers samen te roepen. Vrijwel alle Jongmans volgden het bevel van hun oversten op. Slechts een viertal hielden zich aanvankelijk verborgen, maar werden door hun kompanen gedwongen hun korps in de kortste tijd te vervoegen. Intussen was Beatrix Creten naar het klooster van de cellebroeders gelopen. Zij slaagde erin broeder Laurens Swijns te overhalen de alarmklok te luiden, onder voorwendsel dat zij met deze opdracht gestuurd was door de burgemeesters.

de kwam het tussen de twee kampen tot een eenzijdig moorddadig gevecht in open veld. De kleine troep van verweerders, waartussen enkele kinderen van hooguit vijftien jaar gewapend met een schup rondliepen, was niet opgewassen tegen het volwaardig gedrild cavaleriekorps.Tweeëntwintig Jongmans schoten het leven in bij deze eenzijdige slachtpartij en veertien werden zwaar gekwetst. De Duitsers hadden slechts een officier en een drietal soldaten te betreuren. 286 Na de confrontatie werden de lijken beroofd van hun persoonlijke spullen: hemden, lijnwaad en buskruit werden onder de overwinnaars verdeeld.

Op nieuwjaarsdag 1682 kwamen de Jongmans en de schutters samen om hun strategie te overleggen. Eerst zouden zij het vreemde soldatenvolk, dat onderdak gevonden had in de onmiddellijke omgeving van de stad, trachten te verjagen. Vervolgens zouden ze de bruggen over de stadsgrachten en over de Demer onbruikbaar maken, om zodoende de toegang tot de stad af te snijden voor de Duitsers. 285 Tegen de avond trokken een paar gezellen naar de woning van burgemeester Caproens om er vuurwapens, zoals “haecken”, het “canon”, kogels en kruit op te eisen. Deze schiettuigen waren opgeborgen in het stadsmagazijn achter de hal. Andermaal weigerden de burgemeesters hun medewerking. Daarop werd de deur met mokerhamers verbrijzeld en werden twee manden met kogels naar buiten gesleept en onder de aanwezigen verdeeld. De “haecken” en het “canon” werden via een gat in de muur van de stadsschuur naar buiten gesleept.

Teneinde mogelijke revanchemaatregelen tegen de stad en tegen de burgerbevolking te voorkomen, werd op 3 januari 1682 een afvaardiging van een vijftal onderhandelaars naar Kuringen gestuurd, waar baron de Weix zich met zijn staf had teruggetrokken. De gezanten slaagden erin de brigadier te doen inzien dat het ongelukkige voorval alleen maar het gevolg was van enkele losbollige heethoofden en oproermakers tegen het gezag van de prins van Luik. Hun pleidooi wist de Weix te overtuigen van hun gelijk. Niettemin bleef de officier bij zijn aanvankelijke eis dat zijn soldaten onvoorwaardelijke inkwartiering zouden krijgen in de stad. 287 Op 4 januari 1682 trok de Duitse ruiterij in parade door de straten van Hasselt. Nochtans verliep het scenario helemaal niet rimpelloos en in strijd met de gemaakte afspraken. Terwijl de ongewenste bezoekers door het centrum defileerden, schoten zij op al wat bewoog om de bevolking schrik aan te jagen. De bewoners en de schutterijen beantwoordden het vuur met hun eigen wapens. Hierbij sneuvelden drie officieren, één luitenant en twee soldaten aan Duitse zijde. Op de Grote Markt werd een voorbijganger door een geweerschot gedood.

De daaropvolgende dag 2 januari 1682 om 8 uur ’s morgens stonden tweehonderd Jongmans strijdvaardig in het gelid opgesteld op de Grote Markt voor de voetboogkamer. Onder leiding van hun officieren marcheerden zij om 9 uur naar de Maastrichterpoort. Hun eerste opdracht bestond erin de soldaten die op de buitingen in privéhuizen ingekwartierd waren, te verjagen of krijgsgevangen te nemen. Op het ogenblik dat de Jongmans zich aan het werk zetten om de bruggen over de grachten bij de wallen op te breken, chargeerde de Duitse ruiterij in volle galop op het Hasseltse voetvolk. Ter hoogte van de Planckewei-

Nochtans bleef de stad van verder onheil gevrijwaard. De opeisingen van de bezetter beperkten zich tot voedsel en kleding en een geldelijke vergoeding voor de opgelopen schade. Op 25 februari werden de tien belangrijkste oproerkraaiers veroordeeld door de officier van justitie. Prins-bisschop Maximiliaan van Beieren verleende op 20 mei 1682 amnestie aan de stad.

223


224

Sint-Truiderpoort

Gezicht op de Truierpoort met tolhuisje. Gouache van P.M. Bamps, 1890. (Het Stadsmus, Hasselt) Zie ook p. 225: het bedevaartsvaantje van Sigers.

Deze stadspoort werd in 1318 in de gichten vermeld als de “portam opidi que duxit versus sanctum Trudonem�. Op het bedevaartsvaantje van Nicolaas Sigers (ca. 1660) wordt het gebouw voorgesteld als een rondeel (bepaald type vesting). Wellicht gaat deze bouwstaat terug tot in 1494, toen het Land van Loon tot rust gekomen was na de vele Bourgondische agressies. Het poortgebouw werd in 1681 verwoest bij de inval van Hollandse milities en in 1694 vervangen door een nieuwbouw. Ditmaal werd een rechthoekig gebouw opgetrokken dat via een houten voorbrug verbonden was met een rechthoekige voorpoort. Een voorstelling van deze nieuwbouw is bewaard gebleven op een gravure van Remacle Leloup en op een ets van A. Schaepkens.

Capucienentoren

Gezicht op de Sint-Truiderpoort, zestiende eeuw.

Gezicht op de Sint-Truiderpoort, achttiende eeuw.

De Capucienentoren of Grote Smedentoren lag achter de tuin van de capucijnen, ten zuiden van hun klooster. Volgens het bedevaartsvaantje van Sigers was dit vijftiende-eeuwse bouwwerk afgetopt met een uitkijkpost. Tot vandaag zijn de fundamenten van de toren bewaard gebleven in de tuin van het Koninklijk Atheneum.

Maastrichterpoort De aquarel van de fortificatie uit 1687 geeft een indrukwekkend beeld van het poortgebouw. De Maastrichterpoort was in die jaren een complexe constructie met overdekte weergangen en voorzien van een voorpoort. De toegang tot deze voorpoort was verzekerd door een ophaalbrug. Tegen de linkerhoektoren aan de buitenkant was een wachthuisje ingeplant. Vanaf 1662 werd aan de binnenkant van elk van de vier stadspoorten een beeld van Onze-Lieve-Vrouw in een nis geplaatst.

Gezicht op de fortificatie van de Maastrichterpoort, 1687. (Rijksarchief Hasselt) Zie ook p. 225: het bedevaartsvaantje van Sigers.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

1

2 3

4

225

5

6

Bedevaartsvaantje van Nicolaas Sigers, gegraveerd in de zeventiende eeuw naar een zestiende-eeuws model. 1. Kuringerpoort - 2. Sint-Truiderpoort - 3. Kempische poort - 4. Capucienenthoren - 5. Maastrichterpoort - 6. Sint-Corneliskapel


226

Kempische Poort

Curingerpoort

Deze stadstoegang werd in 1487 voorzien van een houten brug over de grachten. De ontwerpers hadden zich hierbij kennelijk laten inspireren door de Pont d’Avroy in Luik. Waarschijnlijk ging het in onze stad over een houten ophaalbrug. Het poorthuis van deze “Kempens Porte” werd in 1549 geflankeerd door twee ronde torens. Het gebouw was onderkelderd door een ruimte die gebruikt werd als gevangenis.

Op het bedevaartsvaantje van Sigers wordt de Curingerpoort omgeven door twee torens. Vóór de hoofdpoort staat een kleine toren met de vlag in top: wellicht gaat het om een voorpoort, zoals dat ook het geval was met de Sint-Truiderpoort. Op de pentekening van de Hollandse officier D. Theodoor Gevers van Endegeest uit 1831 is er geen voorpoort meer te bespeuren. Ook de stadswallen hadden hun luister van weleer verloren. Zij waren niets meer dan een eenvoudige opgeworpen aarden dam, waaronder de vroegere stadsmuren schuilgingen. De vroegere torens die de toegang flankeerden, waren inmiddels verdwenen. De poortopening laat nog enkele woningen van de Diesterstraat doorschemeren, terwijl de westgevel van de augustijnerkerk op de achtergrond verrijst vanuit een onjuist perspectief.

Broekermolenweg Pentekening van de Kempische Poort, circa 1549. (Hasselt intra muros, p. 90) Zie ook p. 225: het bedevaartsvaantje van Sigers.

Weg die de verbinding vormde tussen de Broekermolen en de Kemperbaan. Het eerste deel verdween bij de aanleg van de kanaalkom, het tweede deel is bewaard gebleven in de huidige Vaartstraat.

Weyerstraat Deze verbindingsstraat tussen de Kuringersteenweg en de Broekermolen werd ook wel het Vijverstraatje geheten. Het eerste stuk heet nu de Burgemeester Bollenstraat, het tweede stuk de Gazometerstraat.

Melkvoetweg Geaquarelleerde pentekening van de Kuringerpoort dd. 9 augustus 1831 van de hand van jonkheer D. Th. Gevers van Endegeest. (Atlas van Stolk, Rotterdam) Zie ook p. 225: het bedevaartsvaantje van Sigers.

De Melkvoetweg komt overeen met de huidige Rozenstraat. Langs deze weg begaven boeren en veehouders zich naar hun graasweiden, om hun dieren te gaan melken (Plantenstraat en omgeving). Deze weg gaf zijn naam aan de Moeshovensteeg, met ingang tegenover de Thyspoel op de Kuringersteenweg en die vanaf 1930 herdoopt werd tot Melkvoetstraat.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Kaart

2/4

Kempische Steenweg Deze steenweg was het vervolg van de steenweg van Luik naar ’s Hertogenbosch.

Broekermolenstraat Dit is de verbindingsstraat tussen de Broekermolen en de Kemperbaan. Het eindpunt ervan is de huidige Havenstraat. Door de aanleg van de kanaalkom in 1859 verdween een ruim deel ervan.

Broekermolen

288

Vilstraat De Kempische Vilstraat verbond de Kemperbaan met de Veltmansbrug (perceel 1125, op de kaart als brug aangeduid), de brug over de Nieuwe Demer. De naam verwijst naar het villen van de veekrengen. Om begrijpelijke hygiënische redenen verrichtten de vilders dit soort werk buiten het stadscentrum.

Op de wijngaard Het veld besloten tussen de Willekensmolenstraat, de Vilstraat en de stadsgrachten. Dit toponiem verwijst naar de “susteren wijngaard”, eigendom van de franciscanessen van het Katharinadal, die er druiven teelden (cfr. de huidige Wijngaardstraat).

Capermolen Perceelnummer: 1521. Gelegen aan de Oude Demer. In 1783 was deze molen waarschijnlijk in het bezit van de Armen van de stad Hasselt (het huidige OCMW). Over deze molen zijn de bronnen eerder spaarzaam. Hij werd in het laatste kwartaal van de achttiende eeuw afgebroken, maar diende in 1761 nog als graanmolen. De Kapermolen werd omstreeks 1545 als graanmolen in gebruik genomen ter vervanging van de Broekermolen, die voortaan enkel als volmolen fungeerde. 289 De bewoners van de Kempische Poort konden er nog in 1761 met hun karren over de Kapermolenstraat rijden tot tegenover de Hoogbrug zonder bareelrecht te betalen, omdat ze deze weg altijd gebruikt hadden voordat er tolrecht werd geheven op de steenweg Luik-Hasselt-Eindhoven. 290 Deze molen was gelegen op de Oude Demer, waarschijnlijk op de plaats die gelegen was in de verlenging van de huidige Kapermolenstraat en de Paggestraat. In die jaren bestond er een verbindingsweg die vanuit de Maastrichterpoort via de Willekensmolenstraat en de Kapermolenstraat leidde naar de Kapermolen. Naast de molen lag een brug over de Oude Demer, die in de oude akten de Duivelsbrug (1508) werd geheten. 291 Bij het verval van de lakenindustrie, omstreeks het einde van de zestiende eeuw, gaf de stad aan de bisschop de molens terug die zij van hem in huur hield. Toen de Broekermolen opnieuw als graanmolen werd ingeschakeld, werd de afgelegen Kapermolen afgeschreven. 292 Van de Kapermolen rest thans alleen nog de plaatsnaam: een weide naast de Oude Demer, voorheen eigendom van het ziekenhuis van de grauwzusters. De Kapermolenstraat bestaat nu nog ten dele. Noch van de Kapermolen zelf, noch van de Duivelsbrug die over de Oude Demer lag, is vandaag nog enig spoor te bekennen. De vroegere molenkolk bevond zich in een verbreding van de rivier.

227


228

Achter de Sint-Corneliskapel Achter de Sint-Corneliskapel strekte zich een ruimte vlakte van landerijen uit, die begrensd werd door de Willekensmolenstraat, de Nieuwe Demer, de Weggestraat (nu de Muggestraat) en de Maastrichterbaan.

Willekensmolenstraat Deze weg, in de volksmond de Grote Steeg geheten, vormde de verbinding tussen de Maastrichterpoort en Bokrijk. Tot aan het huidige waterzuiveringsstation was er bestrating voorzien. Vóór dit station liep de Willekensmolenstraat over de Stalmansbrug en volgde de Nieuwe Demer over zowat een lengte van honderd meter. Hier sloot de Weggestraat (percelen 1110-1119, 1533-1552) via een brugje aan op de Willekensmolenstraat. Op de plaats waar beide straten elkaar vervoegden lag vroeger een kleine vijver, het Kermisvijvertje (perceel 1533), waar in de twintigste eeuw het stedelijke zwembad werd aangelegd. Vervolgens zwenkte de Grote Steeg links af richting Bokrijk, stak de Oude Demer over aan de Willekensmolenbrug (perceel 1499), volgt even de loop van de Oude Demer en vervolgens de Sustercloosterbeek, steekt deze beek over via een brugje ter hoogte van het Brierskapelleke (aan de Sasstraat) en kwam zo uit op de Genkerbaan, om van hieruit richting Bokrijk af te slaan.

Willekensmolen Perceelnummer: 1499. Gelegen aan de Oude Demer. In 1783 was deze molen waarschijnlijk in het bezit van burgemeester de Horion. De Willekensmolen werd circa 1525 gebouwd in de bloeiperiode van de Hasseltse lakennijverheid om dienst te doen als volmolen.

De molen werd opgericht op de Oude Demer bij de plaats waar deze rivier de Willekensmolenstraat in een scherpe bocht kruist, links van de oude brug. Tijdens de verbredingswerken, die in 1959 aan de Oude Demer werden uitgevoerd, stuitte men op de funderingspalen van deze molen. In de Demerbedding werden toen ook nog verscheidene ijzeren voorwerpen teruggevonden die afkomstig waren van dit industriële gebouw. 294 293

Na de teloorgang van de lakennijverheid tegen het einde van de zestiende eeuw werd de Willekensmolen verbouwd tot schorsmolen. 295 Later fungeerde hij als book- of als lintmolen. 296 Gedurende enkele jaren werd hij ingeschakeld als graanmolen. In de registers van de stadsmagistraat werd hij dan ook aangehaald onder verschillende benamingen. De oudst bekende benaming is Willekensmolen, waarschijnlijk alzo geheten naar de familienaam van één der vroegere molenaars. Later werd hij als bookmolen geciteerd, toen zijn drijfkracht werd ingeschakeld voor het persen van lakens. De naam schorsmolen dook op na het verdwijnen van de lakennijverheid. Soms had men het in de volksmond over de Wijwatermolen: de etymologie van deze naam houdt verband met de Weijbeemdsteeg (percelen 2192-2195) die in de omgeving lag. 297

Omdat de Nieuwe Demer als gevolg van ongunstige weersomstandigheden periodisch onvoldoende debiet had, mochten de stedelingen in toepassing van de ordonnantie van 15 januari 1654 tijdelijk hun graan laten malen in de Willekensmolen in plaats van in de Broekermolen, die toen als schorsmolen functioneerde. 298 Zelfs nadat de molens door de Kerk van Luik verkocht waren, werd deze inschikkelijkheid nog geduld bij dringende noodzaak. In 1841 werd het gebouw nog als molen aangeduid op het kadasterplan, met als eigenaar H. Wagemans. Waarschijnlijk werd het enige tijd later gesloopt.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Volgens de kadasterkaart van 1844 lagen de restanten van de voormalige Willekensmolen op de rechteroever van de Demer. (Kadaster Hasselt)

229


230

Voorstraat

Paedestraat

Deze straat verzekerde de verbinding tussen de Willekensmolen, die op de Oude Demer lag, met het gehucht Rapertingen. Op het punt waar deze weg zich van de Willekensmolen afscheidde stak hij de Nieuwe Demer over ter hoogte van de Voorstraatbrug. Een weinig verder liep de Voorstraat op zijn linkerkant voorbij de Biesemweg, die een grote bocht maakte en de Nieuwe Demer kruiste aan de Biesembrug (perceel 2164). Hogerop kruiste de Voorstraat de Bosstraat en nog verder de Trichterbaan. Via de Singelbeekstraat liep hij naar het gehucht Singelbeek, om vervolgens aan te sluiten bij de Rapertingenstraat.

Het beginpunt van deze straat lag midden op de Trichterheide, het eindpunt op de Genkerbaan. Zodoende vormde de Padestraat, ook wel geheten de Parkestraat, de lange verbindingsweg tussen de Kemperheide en de Trichterheide.

Op de plaats waar de Voorstraat de Diepenbekervoetweg doorsneed, veranderde laatstgenoemde weg van naam en liep als de Pietelbeekvoetweg in de richting van Pietelbeek. Waar de Voorstraat het Singelbeekvoetpad doorsneed, begon het Keyselvoetpad (perceel 1650), dat zijn weg vervolgde tot aan de grens met Diepenbeek.

Kemperheide De Kemperheide was het gebied gelegen tussen de Trichterheide en het grensgebied met Kuringen, de Nieuwe Heide. In het noorden werd deze heide begrensd door de vijvers van het Schrijnbroek. De Gebrandestraat, de Kemperbaan en de Padestraat vormden zowat de kern. In het noordoosten was de paalsteen het uiterste punt.

Het Boute veldt Perceelnummers: 1450-1485 Dit geheel van landerijen, weiden, blook en greppels op de Trichterheide was gelegen tussen de Galgestraat, de Padestraat en werd in het noorden afgezoomd met een vloedgracht. 299


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

278 279 280 281 282 283 284 285 286 287 288 289

290 291 292 293

294 295

296

297 298 299

Caluwaerts, Hasselt intra muros, 125-126 voetnoot 11. Anten, ‘Losse aanteekeningen’, 7-8 (1912) voetnoot 2. Caluwaerts, Hasselt intra muros, 127 voetnoot 31. Mantelius, Kroniek van Hasselt (editie Caluwaerts), 551 f° 51v°. M. Bussels, Overzicht van de geschiedenis der stad Hasselt (1966) 128. C. Vanderstraeten, ‘De Hasseltsche jonkmans en het gevecht der Planckeweyde’, VO, XVI (1941) 107. E. Geraets, ‘Hasselt sous les princes-évêques de Liège’, BSM, XXIV (1888), 108-111. Caluwaerts, Hasselt intra muros, 184. H. Van Neuss, ‘Episode de l’histoire de Hasselt sous le règne de Maximilien de Bavière en 1681-82’, BSM, VII (1871), 69. C. Vanderstraeten, ‘De Hasseltsche jonkmans en het gevecht der Planckeweyde’, VO, XVI (1941) 119. Zie plaatsnamenindex voor de pagina’s met de uitleg bij deze molen. S.a., ‘Wind- en watermolens’, De Hasselaar, 18 (1960) 117-118. C. De Baere en C. Vanderstraeten, ‘De volmolens in de Hasseltse lakennijverheid’, Limburg, III (1922) 221-224. Caluwaerts, Hasselt intra muros, 256. Bamps, ‘Notice historique sur les anciens moulins banaux de Hasselt’, 133. Bamps, ‘Notice historique sur les anciens moulins banaux de Hasselt’, 134. Een volmolen of voldersmolen is een industriemolen die werd gebruikt om wol te ‘vollen’. Vollen is een nabewerking van geweven wollen stof waardoor de kwaliteit sterk verbeterde. Deze wollen stof was een tussenproduct van de lakenindustrie. http://nl.wikipedia.org/wiki/Volmolen_(machine) S.a., ‘Wind- en watermolens’, De Hasselaar, 18 (1960) 117-118. Een schorsmolen (ook runmolen of eekmolen) is een molen die werd gebruikt om eikenschors, ook wel eekschors of bark genoemd, fijn te malen tussen de molenstenen. Van deze gemalen schors werd run gemaakt, door er water aan toe te voegen. Dit bevatte looizuur. Het werd gebruikt voor het looien van leer. http://nl.wikipedia.org/wiki/Schorsmolen. Een bookmolen was een installatie om vlas te bewerken. De molen werd in beweging gebracht door een paard of een os. Na het boken (beuken) volgde dan het zwingelen (hout uit de vezel verwijderen). http://www.bokmolenhoeve.be/taverne/geschiedenis. Een lintmolen is een type molen waar op meerdere weefgetouwen tegelijkertijd linten worden geweven. Bamps, ‘Notice historique sur les anciens moulins banaux de Hasselt’, 133 voetnoot 9. Bamps, ‘Notice historique sur les anciens moulins banaux de Hasselt’, 135. Bamps, ‘Hasselt-jadis (2e partie)’, 20-21. Een blook is een afgesloten, omheind stuk grond.

231


232

Kaart

2/5

De Nieuwe Heide Het Nieuwveld of de Nieuwe Heide is het gedeelte van de heide dat besloten ligt tussen de Kemperbaan, de Genkerbaan en het Schrijnbroek (tussen percelen 2422 en 2455).

Galgevijver Perceelnummer: 2420. Deze vijver was in 1783 eigendom van Simon van Melbeeck. De Galgevijver, gelegen bij de huidige Genkersteenweg op het raakpunt van de Trichterheide en de Kemperheide, herinnert aan de aanwezigheid van de galg die in de nabijheid stond opgesteld. 300 De Spilvoijekuilen (perceel 2361), een moeras dat gelegen was in de nabijheid van het Vissenbroek (percelen 2353-2360) en de Borggraevevijvers (perceel 2335), waren rijke veengronden. Hof bij de Borggravevijvers in Godsheide. (postkaart, privĂŠcollectie)

Trichterheide Perceelnummers: tussen 1446 en 1495, 2199 en 2418. Het gebied van de Trichterheide strekte zich uit ten westen van het gehucht Godsheide tot aan de Padestraat en de Trichterheidestraat of Galgestraat, die de grens vormde met de Kemperheide. In het zuiden werd de Trichterheide begrensd door de weiden die zich langsheen de Oude Demer uitstrekten. In het noorden vormde de Genkerbaan de scheiding met de Grote Heide. De Trichterheide werd van noord naar zuid tot aan de Willekensmolen doorsneden door de Sustercloosterbeek.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

In de achttiende eeuw was het grootste deel van de Trichterheide ontgonnen. Toen lagen er een twaalftal woonerven, waaronder de Royepoort en de Slag- of Smautmolen (perceel 2387). De Trichterheide was een tiental vijvers rijk, waaronder vijf met een waterbekken. De vlakte die besloten lag tussen de Willekensmolenstraat en de Trichterheidestraat droeg de naam van Trichter Nieuwe Heide.

Twee watermolens op de Trichterheide Perceelnummer: 2381, 2382, 2387. Gelegen aan de Sustercloosterbeek. In 1783 waren zij waarschijnlijk in het bezit van advocaat Vuskens. Geert van Hilst uit “Den Ketel” en Marten Deckers bouwden in 1586 midden in de Trichterheide een slag- of een smoutmolen. Deze molen werd gevoed met het snelvlietend water van de vloedgracht van het “nieuw weyerken der cellebroeders”, dat vanuit de richting van de Borggravevijvers naar de Oude Demer stroomde. Een weinig noordwaarts ernaast lag langs de Slagmolenbeek of Sustercloosterbeek nog een kleinere slagmolen. Deze was eigendom van Jan de Geloes. De oudste en de grootste van deze oliemolens werd op 17 december 1588 voor zestig gulden jaarlijks verkocht aan Jan Paesmans. Geert van Hilst behield evenwel het recht om er jaarlijks twee amen smout gratis te laten slaan. Op 17 juni 1766 verkocht schepen Jan Vannes deze smoutmolen aan Gerard Lelièvre uit Boeshoven (Borgloon). Van beide slagmolens is geen enkel spoor bewaard gebleven. 302

Susterenvijver Ligging: één van de vijvers op de Trichterheide (perceel 2388) De Susterenvijver ligt in de omgeving van de Oude Genkerbaan en vanuit deze vijver liep een kleine watervliet naar de Elsracken, een strook weilanden waaraan de huidige Elsrakenstraat herinnert.

Buken bosch Ligging: ten noorden van de Cellebroedersvijvers Het omvangrijke Bokrijk (Buscurake) maakte tot in de eerste helft van de dertiende eeuw deel uit van het dominium van de graven van Loon. Buscurake, etymologisch een verwijzing naar een beukenbos, was een met bomen begroeid heidelandschap, ingesloten door moerassen en vennen. 303 Arnold IV, graaf van Loon en van Chiny, en zijn echtgenote Johanna verkochten op zaterdag 9 maart 1252 voor een bedrag van 450 Luikse mark (“vendidimus et tradidimus pro quatuor centum et quinquaginta marcis leodiensis”) het woud dat Buscurake geheten werd (“nemus quod appellatur Buscurake”) aan de abdij van Herkenrode. Het Latijnse “nemus” verwijst expliciet naar een verzameling van bomen met bijhorende fauna en flora. Dezelfde akte vermeldt bovendien dat de graaf de grond, die bij het woud hoorde en langs alle zijden afgepaald was, pro deo aan de abdij schonk. Een tweede akte, gedateerd op dinsdag 12 maart 1252, geeft een preciezere omschrijving van de transactie. De graaf zou het bos samen met de grond waarop de bomen geplant waren – dat alles omsloten door een omheining – verkocht hebben aan het convent (“silvam que vocatur Buksenrake cum fundo, terra scilicet in qua sita est, integraliter prout infra terminos et fossatum circumfossum

233


234

comprehenditur, vendidimus et tradidimus”). Bovendien stond hij de kloostergemeenschap toe hun kudden te laten grazen op de gemene weide of vroente die naast het bos in de omgeving lag (“conventui concessimus ut in locis circumjacentibus extra silvam communem pastum cum gregibus suis percipiunt”). 304 Nog datzelfde jaar werd de verkoop van het bos van Bokrijk aan de Herkenrodeabdij bekrachtigd door de elect van Luik, Hendrik van Gelder, en door de apostolische legaat, kardinaal Hugo van Sint-Sabina. 305 Het kapittel van Luik weigerde evenwel deze verwerving door Herkenrode te bekrachtigen. Hierop nam de abdis haar toevlucht tot paus Alexander IV, die in 1254 het kapittel van Luik verplichtte de verkoop goed te keuren. In deze omstandigheden kwam het domein van Bokrijk met bijhorende gronden en grachten in het bezit van Herkenrode. De abdij mocht eveneens vrijelijk beschikken over de vroenten (gemene weiplaatsen) die in de heide rond haar domein gelegen waren. 306 Maar over die gemene weiplaatsen zou er onduidelijkheid ontstaan. Graaf Lodewijk IV had immers in 1330 het heidegebied in het noorden en in het noordoosten van de stad afgestaan aan de Hasseltse koeiers die er ongestoord hun vee konden laten grazen (“damus et concedimus communitates nostras seu pascua nostra communia in territorio de Hasselt seu ejus confinio jacentes … ubi de Queckwijde, pecora dictorum nostrorum hominum de Hasselt hactenus pasci communiter consueverunt”). 307 Jarenlang hadden de Hasselaren ongemoeid hun schapen en hun koeien laten grazen op deze vroenten (= gemeenschappelijke gronden). Maar omdat de tekst waarin Lodewijk afstand deed van zijn heidegebied maar al te vaag de juiste ligging van het terrein lokaliseerde (“in territorio de Hasselt seu ejus confinio”) moest er vroeg of laat onenigheid ontstaan ten gevolge van deze onnauwkeurige grensafbakening. In de jaren na het verkrijgen van de gronden liet de abdis, conform de traditie van Cîteaux, de bossen van Bokrijk rooien door broeders van de orde en door haar on-

derhoudspersoneel, om de grond geschikt te maken voor landbouwuitbating. Vervolgens bouwden de broeders er een grangia, een modelhoeve met boerderij, weiden, vijvers en een woning voor de magister curie, die het goed beheerde in naam van de abdis. Omstreeks het begin van de vijftiende eeuw was het aantal lekenbroeders in die mate geslonken dat zij niet meer voldoende in aantal waren om de gronden te bewerken. 308 De abdis zag zich genoodzaakt de grangia in huur te geven aan een pachter. Deze mocht de helft van de landbouwopbrengsten voor eigen gebruik behouden, terwijl hij de andere helft moest afdragen aan de abdij. Uit een pachtovereenkomst uit 1442 blijkt het volgende: de pachters moesten de grachten rond het domein onderhouden en eventueel verhogen. De pachter kon zijn eigen vee laten grazen op de abdijgronden, maar moest ook dat van de abdij hier laten grazen en ook het vee van derden. De visvijvers waren voor exclusief gebruik van de abdij. Hieronder volgt een overzicht van de vijftiende-eeuwse pachtcontracten, vanaf 1430: –– 1430: Abdis Aleidis van Rijkel verpacht Bokrijk aan de Zonhovenaar Robijn van Papenhoven; –– In 1442 verlengt abdis Beatrix van Rechoven de overeenkomst met dezelfde pachter andermaal voor twaalf jaar; –– In 1455 verpacht Katharina van Schoonbeek de hoeve van Bokrijk voor twaalf jaar aan Thijs Jacobs en Rommen Stouten. Dit contract wordt al in 1462 om onbekende redenen ongedaan gemaakt en opnieuw toegewezen aan Robijn van Papenhoven; –– Nieuwe pachtcelen werden afgesloten in 1494 en 1498 met Mathijs van Bokrijk, in 1506 met Bartholomeus Vos, in 1533 met Jan Tshanen, in 1544 en 1549 met Michiel Min en in 1569 met Mathijs Aerts. Het aanhogen van de grachten zou tijdens de zestiende eeuw leiden tot een juridisch steekspel met de stad Hasselt. Omdat de grachten niet altijd voldoende aangehoogd werden, konden de Hasseltse veehoeders ongestoord hun kudden laten grazen binnen het


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

territorium van de abdis. De Hasselaren bleven onverminderd hun aanspraken laten gelden op het heiderecht en het weiderecht over Bokrijk, zich hierbij steunend op de “alde ende immemoriale possessie van aldaer die beesten te hueden ende te weyden”, overeenkomstig de toewijzing van de gemeenteweiden uit 1330. In de zestiende eeuw had de abdis op eigen initiatief vijvers laten uitgraven op de gemeentelijke vroente van de stad, die zich hiertegen aanvankelijk niet verzette. Wat later ontzegde de abdis aan de Hasselaren het recht hun kudden op Bokrijkse bodem te laten weiden. Herhaaldelijk werden zij met hun vee verdreven van het terrein dat de abdis voortaan als haar eigengoed beschouwde. Reacties konden dan ook niet uitblijven. Uit wraak staken de Hasseltse veehouders Martin Lenaerts en Art Coex de dijken van de vijvers door. 309 Voor die daad werden zij in het ongelijk gesteld door de schepenbank van Luik. De abdis wist de schepenen van Genk te overtuigen om Bokrijk juridisch en administratief bij hun gemeente in te lijven. In de schepenregisters van Genk staat in de vijftiende eeuw een akte genotuleerd die deze overheveling confirmeert. Genk vroeg niet beter en verzekerde onmiddellijk zijn steun aan de abdis in deze aangelegenheid. 310 Hiermee was het geschil definitief ingezet. Verscheidene dieren van Hasselaren werden op de Bokrijkerheide aangeslagen, en omdat de stadskoeiers het verbod in de wind sloegen, spande de abdis een geding aan voor het Hof van de Officiaal van Luik. Op 31 mei 1515 gaf de abt van de Sint-Jacobsabdij in Luik opdracht aan de pastoor van de Sint-Quintinuskerk een onderzoek in te stellen naar de plunderingen en verwoestingen waarvan de hoeve van Bokrijk het voorwerp was geweest.

Holle landweg op de Grote Heide richting Genk. (postkaart, privécollectie)

In 1544 vaardigde Herkenrode een verbodsbepaling uit dat zonder toelating van de abdis voortaan niemand meer op haar domein mocht komen turf steken, hout kappen, heide maaien of vee weiden. Om zich te weren tegen verdere agressie van de Hasselaren, liet de abdis zich verleiden tot machtsmisbruik. Zij liet haar domein afpalen met een lange opgehoogde scheidingsgracht, een aarden wal

235


236

van 600 passen lang en 9 voet breed, versterkt door boomstronken, takken en ander houtwerk. 311 De Hasselaren waren woedend, de maat was vol. Op 22 juli 1550 gingen vijf burgers de toestand ter plaatse verkennen. De dag daarop trokken zowat zeshonderd Hasselaren gewapend met hellebaarden, stokken en steekwapens op naar Bokrijk, vastbesloten om manu militari het recht zelf in handen te nemen. Om hun woede te bekoelen, doorstaken zij de dijken van de vijvers, vingen de vis op in manden en voerden de buit mee naar de stad, waar deze op de markt verkocht werd. Het spreekt voor zich dat dit gewelddadige optreden niet ongestraft kon blijven. De abdis diende een klacht in bij de bisschoppelijke Geheime Raad en voegde er de sauvegarde aan toe, waarbij Erard van der Marck vijfendertig jaar vroeger zijn bijzondere bescherming had verleend aan de abdis, haar kloostergemeenschap, het personeel van de abdij, de winningen, heide, vijvers en vee die onder haar bevoegdheid ressorteerden. Het onderzoek werd geleid door de drossaard van het Land van Loon, Joris van Elter, heer van Vogelsanck, die uitgesproken vijandig stond tegenover Hasselt, samen met de schepenen van Vliermaal. Het rechterlijk onderzoek vond plaats in Kuringen. Een tiental Hasselaren werden aangehouden en opgesloten in de kerker van het kasteel van Kuringen. 312 Het geding vorderde traag. Op 15 juli 1552 werd ĂŠĂŠn van de heethoofden, Willem Hoydonck, te Kuringen onthoofd. Deze terechtstelling veroorzaakte in de stad een panische schrik, temeer daar de veroordeelde enkele namen van deelnemers aan de raid op Bokrijk had verraden. Zowat 250 medeplichtigen die nog op vrije voeten rondliepen, zochten hun heil in de vlucht. 313 De Geheime Raad verplichtte op 14 april 1556 de stad Hasselt om de vijvers te herstellen en met de abdis een overeenkomst te maken over de schadevergoeding. De eisen van de abdis waren dermate onredelijk dat de prins-bisschop besloot de zaak zelf in handen te nemen. Op 19 juli 1556 vorderde prins-bisschop Joris van Oostenrijk de vertegenwoordigers van Herkenrode en van de stad Hasselt op zijn kasteel te Kurin-

gen. In zijn uitspraak veroordeelde hij de abdis voor machtsmisbruik. Daarom kreeg zij slechts vierhonderd florijnen schadevergoeding uitgekeerd, ofschoon zij in het bezit bleef van de vroente. De gerechtskosten die ten laste vielen van de stad Hasselt, werden teruggebracht op 1.200 florijnen. 314 Na dit vonnis werden de gevangenen opnieuw in vrijheid gesteld. Uiteraard kreeg elk van hen een aanzegging om zijn aandeel in de schuld te betalen. Sommigen betaalden onmiddellijk. Op 25 januari 1557 stelde de stad vast dat nog 113 personen hun aandeel moesten vereffenen, ieder volgens zijn graad van medeplichtigheid. Wanneer zij hun schuld vereffenden, is niet geweten. In al de gedingen die ter zake waren ingespannen werd op geen enkel ogenblik rekening gehouden met het recht dat Hasselt verkregen had op het vrij gebruik van de weiden te Bokrijk. Omdat de Bokrijkerheide vanaf toen definitief tot het grondgebied van Genk werd gerekend, vervielen meteen de rechten van Hasselt op haar voormalige vroente. 315

Gebanne Groesen Perceel: 2387. Uitgebreid perceel grasland (groes), met groen of bontgroes begroeide heide. Dit heide- en vijvergebied was gelegen ten noorden van de Spilvoijekuylen en ten westen van de Cellebroedersvijvers. De Gebanne Groesen lagen dicht bij de slagmolen op de Trichterheide en sloten via de Galgestraat aan bij de Genkerbaan.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Kaart

2/6

Kaart

237

2/7

Sustercloosterbeek

Gemeyne Heide

Deze beek ontspringt aan de vijvers van Bokrijk. Ze voert op haar traject al het water uit de bossen van Bokrijk en uit de waterrijke gronden van het noordoosten van de stad mee richting zuiden en was als dusdanig de belangrijkste voedingsbron van de Oude Demer, waarin ze haar water uitstort ter hoogte van de Prinsen Oudebeemd (perceel 2197).

De Gemene Heide, ook geheten de Grote Heide of de Hasseltse Heide, strekte zich uit over het noordelijke stadsdeel tot aan de grenzen met Kuringen, Zonhoven en Genk. Door middel van een charter van 23 augustus 1330 had graaf Lodewijk IV van Loon aan de stad Hasselt en aan haar magistraat het eigendomsrecht toegekend over de heide aan de kant van Zonhoven en Genk, door Mantelius de Queckwijde geheten, omdat de Hasselaren er hun vee lieten grazen. Bij het krieken van de dag werden koeien, schapen en varkens in de straten van de binnenstad samengetroept op een hoornsignaal van de veeherder en vervolgens geleid naar de gemeentelijke heide op anderhalve kilometer noordwaarts van de Kempische Poort. Veehouders uit de gehuchten Runkst, Dormaal, Trekschuren, de Tomstraat en Pietelbeek waren vrijgesteld van deze verplichting. De onduidelijke formulering van de grafelijke schenkingsakte gaf aanleiding tot driehonderd jaar durende betwistingen tussen de inwoners van Hasselt en Zonhoven. Het lijkt voor de hand te liggen dat de Goetscherheide, de Trichterheide, de Kemperheide en de Gemene Heide ooit deel uitmaakten van een groot heidegebied. Hoever de Hasseltse heide reikte in het noorden zal nooit onomstootbaar achterhaald worden. 316 De Hasseltse “jaergedingen� legden de grens vast vanaf de Kuylen van Curingen langs de Beverzak tot aan de bossen van Bokrijk. Op 18 oktober 1666 liet de stadsmagistraat ingevolge een ordonnantie van prins-bisschop Maximiliaan-Hendrik van Beieren vier zware grensstenen plaatsen op deze grens, waarvan tot op heden enkel de Paalsteen ter plaat-


238

se bewaard is. De Zonhovenaren daarentegen handhaafden hun standpunt dat zij hun kudden rechtmatig mochten laten grazen op de heidestrook tot aan het Schrijnbroek. Volgens hun visie liep de grensbepaling tussen beide gemeenten tussen de vijvers van het Schrijnbroek tot aan de bossen van Bokrijk. Toen de plagerijen in 1761 in een regelrechte agressie ontaardden, diende de Hasseltse magistraat achtereenvolgens klacht in bij de officiaal van Luik, het tribunaal van de XXII en de keizerlijke kamer van Wetzlar. De procedure sleepte aan tot in 1811. In dat jaar werd de stad Hasselt ingevolge een vonnis op vrijwel alle punten in het gelijk gesteld. Met uitzondering van de Sint-Quintinusheide en de Elsraken die aan Zonhoven werden toegewezen, kwam Hasselt in het volle bezit van de Gemene Heide. 317 Op dat ogenblik was dat gebied nog een woeste en braakliggende vlakte. In het westen lagen vooral wijers en moerassen: het Burgven (perceel 2466), het Droogven (perceel 2467) en de Armkenvijvers in de omgeving van de Paalsteen. Een aantal vijvers, gelegen op de Kemperheide tussen de oude weg naar Zonhoven en de Muggebeek, werden omgezet in weidegrond. Deze vijvers waren aangesloten op het Schrijnbroek (perceel 2422).

300 301

302 303 304 305 306 307 308 309 310 311 312 313 314 315 316 317

318

Aan de oostkant lagen een vijftiental vijvers gegroepeerd rond de Sustercloosterbeek en de bossen van Bokrijk: de Spilvoijekuilen (perceel 2361), de Borggraafvijvers (perceel 2335), de Cellebroedersvijvers (perceel 2334), de Breenaalden (perceel 2333), de Boomkensvijvers (perceel 2333), het Moken (perceel 2472, bij de huidige Molenweg), de Savelvennen (perceel 2492, thans Zavelvennestraat) en de drie Sauvegardvijvers (2473). Midden op de Gemene Heide lagen het Swertven (perceel 2468, de huidige Zwartvennestraat) en het Baggersven ten noorden van het Schrijnbroek. De vier Schaverden met elk hun waterbekken waren een groep vijvers die via de Jauten (percelen 2470-2471), weideland dat de Zonhovenaren als het Schroensbroek benoemden, verbonden waren met de Mokenvijver. Zonhoven had haar grensmarkeringen afgebakend met weilanden die bevloeid werden door het water van de Slangbeek. Bij de Beverzak stond rechts van de weg naar Zonhoven een galg opgesteld, de Sopjanskruk, die in bepaalde gevallen door de stad Hasselt gebruikt werd als terechtstellingsplaats voor ter dood veroordeelden. Een weinig verder op de grens tussen de twee gemeenten stond vroeger één van de vier paalstenen opgesteld, daar geplaatst in 1666 in opdracht van prins-bisschop Maximiliaan-Hendrik van Beieren. 318

Caluwaerts, Hasselt intra muros, 48 voetnoot 16. Smout is gesmolten dierlijk vet, meestal afkomstig van vet uit de buik van een varken. Smout maakt deel uit van ons culinair erfgoed. Het was niet alleen de boter van de arme man, maar werd ook gebruikt als bewaarmiddel voor vers vlees en zelfs als zalf. http://www.streekproduct.be/producten, zoekterm: smout. Caluwaerts, Hasselt intra muros, 256 voetnoot 3. H. Van Neuss, ‘Boeckrack’, BSM, XXVII (1891) 107 voetnoot. M. Bussels, ‘Bokrijk in de geschiedenis’, Nieuws uit Limburg, X:2 (1958) 13. J. Lyna, ‘De grensbetwisting van Genk’, De Tijdspiegel, XIII:7 (1958) 159. Van Neuss, ‘Boeckrack’, 108-109. Mantelius, Hasseletum, 22. Bussels, ‘Bokrijk in de geschiedenis’, 15. P. Smolders, ‘De strijd van Hasselt om de Bockrijker heide in de XVIde eeuw’, VO, III (1927) 70-71. Reynders, Toponymie van Hasselt, 71. M. Bussels, ‘Bokrijk in de geschiedenis’, Nieuws uit Limburg, X:2 (1958) 16. Zij werden er gevangen gehouden, gemiddeld tussen honderd drieëndertig dagen en vier jaar. P. Smolders, ‘De strijd van Hasselt om de Bockrijker heide in de XVIde eeuw’, VO, III (1927) 74. Reynders, Toponymie van Hasselt, 73. Smolders, ‘De strijd van Hasselt om de Bockrijker heide in de XVIde eeuw’, 78. Bamps, ‘Hasselt-jadis (2e partie)’, 66-67. De Sint-Quintinusheide en de Elsraken vormden een heidegebied gelegen boven de noordoosthoek van de Hasseltse gemene heide omtrent de Zonhovense Beverzakstraat en de Hasseltse Beverzakstraat. Bamps, ‘Hasselt-jadis (2e partie)’, 72-74.


239

Bessembinders op de heide De Gemene Heide, de noordelijke uitloper van Kiewit, had in de tweede helft van de negentiende eeuw nog altijd het voorkomen van een dunbewoond schraal bos, midden in een heidelandschap, omgeven door een natuurlijke rijkdom aan wijers en vennen. Dit landschap werd overdag verlevendigd door de aanwezigheid van schapen en hoornvee, die onder begeleiding van beëdigde veehoeders zich kwamen te goed doen aan het schrale gras. In de lente zag men al eens een eenzaam keuterboerke wat dunne zoden en lappen heide snoeien om als strooisel te dieEen van de talrijke vijvers die het heidelandschap ten noorden van Hasselt nen in zijn stallen, of klotten turf steken als kenmerkten. (postkaart, privécollectie) brandstof voor zijn haard. Bijwijlen werd de stilte onverwacht doorbroken door een opgejaagde zwerm watervogels, die hun voedsel pikten uit de talrijke vijvers en moerassen. In de gure wintermaanden waren raven en bonte kauwen de traditionele gasten van die troosteloze vlakte. In het verre verleden gebeurde het ook wel eens dat wolven en everzwijnen, geprangd door hongersnood, vanuit de nabije bossen hier op klein wild kwamen jagen. Deze grensregio lag vrijwel volledig geïsoleerd van de rest van de bewoonde wereld. Bovendien was de regio niet afgestemd op doorgaand verkeer en bepaald niet gastvrij voor individuele bezoekers. Enkele desolate weggetjes, die helemaal niet onderhouden werden, waren alleen maar afgestemd op de plaatselijke gebruiker. Tijdens de zomerhitte werd het stappen bemoeilijkt door het mulle zand en in de ongure wintermaanden moesten de sporadische voetgangers letterlijk door de modder ploeteren. Dankzij het reflecterende lichtspel van de zon in de talrijke vijvers, plassen en vennen baadde de eindeloze vlakte in een rijkgevarieerde, feeërieke kleurschakering. Van noord naar zuid werd de heide afgezoomd door de verharde kasseiweg die vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw Luik via Hasselt met ’s-Hertogenbosch verbond. Deze steenweg werd ter hoogte van de Ranonkelstraat en de Zavelvennestraat gekruist door de verbindingsweg die voorheen vanuit de abdij van Herkenrode leidde naar het domein van Bokrijk, toen nog eigendom van de abdis en haar kloostergemeenschap. De Kiewitdreef, die het kasteeltje van de familie Vroonen verbond met de Grote Steenweg, was met een aslaag bedekt. Een ongeordend stramien van bos- en heidepaden maakte, de nodige risico’s in acht genomen, een primitief buurtverkeer voor de plaatselijke bewoners mogelijk. De afwezigheid van een elementaire wooninfrastructuur bracht met zich mee dat deze heideuithoek aan de Beverzak er tot in de beginjaren van de twintigste eeuw zo goed als volledig geïsoleerd bij lag. 319 Toch was het mogelijk vanop de geringste terreinheuvel bij open weer de kerktorens van Hasselt, Zonhoven, Genk en Diepenbeek te herkennen. Wanneer de wind uit de juiste richting blies, kon men bij valavond zich makkelijk oriënteren aan hun doordringend klokkengelui. In zijn heimatroman De Heikleuters tekent de Hasseltse taalvirtuoos Alfons Jeurissen de hier besproken kale troosteloze vlakte met zijn lyrische pen: “Met de rug tegen de bronsgroene dennenlijn die floersig in de verre zwarte Kempengrond zinkt, kruipen de lemen hutten der bezembinders, grauw als de heide en gedrochtelijk onder hun wanvormige schaddendaken, uit het gele zand op. Ze staan op een lange rij van afstand tot afstand, gelijk oude bouwvallen krom en scheef te hellen, alsof ze steun verloren in de mulle zavel. Voor hen uit heuvelt de vlakte van Beverzak tot aan de zuidelijke bosketen, die naar de kant van Bokrijk opdromt terwijl in het Oosten de heide naar de blote dompige bergen uren ver wegdeint en aan de westerzijde de zware eiken van de Kempische heirbaan donker afsteken en hoog uitkijken boven het dichte loof van schaarhout, berken en dennen.” 320


240

De vlakte van de Beverzak liep als een golvend lint tot aan de bossen van Bokrijk. Dicht bij de grens met Zonhoven lagen de scheefgezakte witgekalkte stulpjes van de bessembinders ongeordend verspreid over dit ruwe land. Verder in de heide, op het grondgebied van Zonhoven en Genk, lagen ook nog nederzettingen van bessembinders. De schamele hutjes met scheefhangende strodaken waren opgebouwd uit houten vlechtwerk, opgevuld met leem. De door de bewoners zelf vast aangestampte klei vormde in het interieur een oneffen vloer. Een primitieve waterput, drie buizen diep en langs de binnenkant begroeid met mos, verzekerde de familie van het zo levensnoodzakelijke kristalheldere water. Naar aloude Kempische traditie werd er gekookt op een open vuur dat tezelfdertijd de woonkamer verwarmde. In de schouw waren op een hoogte en een breedte van een meter vuurvaste ijzerstenen in de wand ingewerkt. In deze ruimte werd het vuur gestookt met hout en turf, waardoor er permanent een dikke rook heerste in de woonruimte. Dient het gezegd te worden dat de lemen wanden en de zoldering van het interieur zwart gerookt waren door de walm die blijvend rondhing in het vertrek.

Bessembindershuisje op de Grote Heide aan de Hasseltse Beverzakstraat. (K. De Greeve, Een eeuw luchtvaart boven Kiewit, p. 9)

Meestal was er geen meubilair voorhanden in de keuken, die tegelijk de rol van woonruimte vervulde. Het gezin beschikte overigens over geen stoelen. De huisbaas ging zitten op een omgedraaide emmer. Moeder de huisvrouw nam plaats op een houten kist en het jong volkje hurkte gewoon Een boerenvrouw hoedt haar koeien op de heide. (postkaart, privĂŠcollectie) neer op de aarden bodem. Een grote tegen de wand geschoven koffer vervulde de rol van gemeenschapstafel. Een paar reclameknipsels en een gedrukte huiszegen waren tegen de wanden van de leefkamer gespijkerd. In enkele gezinnen hing boven het hoofd van het bed het gebed van keizer Karel ingekaderd.De ruimte naast het woonvertrek was ingericht als slaapkamer. Twee houten bakken, opgevuld met een paar stroschelven, een stapel gesprokkelde bladeren gemengd met wat heidekruid en afgedekt met een laken en een schapenvel, vormden de nederige bedstee van het gezin. 321 Beide vertrekken waren niet door een plafond afgeschermd van het dak. Datgene wat voor zoldering moest doorgaan waren eenvoudigweg naast elkaar liggende houten stokken en takken. Het huisje was aan de bovenkant afgedekt met een laaghellend dak van stro en wissen. De buitenmuur werd geschraagd door enkele solide houten balken, waartegen een paar latten geconsolideerd met dwarshoutjes het laddertje vormden waarlangs de kippen de hennenpolder konden bereiken. 322 In de muur was geen enkel raam uitgespaard, om de lucht in het interieur te verversen. Hooguit had de eigenaar bij de bouw van zijn woning een opening van 0,25 m in het vierkant voorzien, waarin hij een ruit met wat leem vastmetselde. Zodoende kon er toch een flauw daglicht doordringen tot in de woonkamer. Slechts een paar gezinnen konden zich de luxe van een stoof veroorloven. In voorkomend geval waren de muren beter beschermd tegen roetaanslag dan bij een open haard.


241

Vaak was er tegen het woonhuis aan een stalletje gebouwd om een koe of een geit schutting te bieden. Bessembinders die wat huisvee in pand hadden, behoorden tot de beter begoeden onder de armsten. Weliswaar waren zij geen eigenaar van het dier. Het waren immers huurkoeien. Wanneer het beest verkocht werd, dan moest de meerwaarde, te weten het verschil tussen de aankoopprijs en de verkoopprijs, gedeeld worden tussen de eigenaar en de huurder. In het geval dat de koe gekalfd had, mocht de huurder het kalf behouden, op voorwaarde dat hij veertig frank aan de eigenaar betaalde. 323 Dichtbij de woonhutten lagen moestuintjes waar de bewoners hun schaarse groenten teelden. Verder op een met draad afgepaald perceel deden een paar uitgemergelde koeien zich te goed aan een bundeltje dor heidekruid. Een paar graatmagere geitjes stilden hun hongerige maag met takjes struikheide en sprietgras dat de bosrand en de zandweggetjes afbakende. In het eerste decennium van de twintigste eeuw verdienden de meeste bewoners van dit stadskwartier als knecht of als meid op één van de herenboerderijen in de omgeving een karig loon met het rooien van aardappelen en het uitvoeren van allerhande karweien. Zwaar, afmattend werk voor slechts vijftig cent per dag, de kost inbegrepen. Anderen vonden als niet geschoolde arbeider werk in de gelatinefabriek, de keramiekfabriek, in één van de jeneverstokerijen van Hasselt of verdienden het zweet op hun boterham als scheepslosser aan de kanaalkom. Er waren zowel mannen als vrouwen die zich iedere dag veertien uur afsloofden boven de aspergebedden van Bokrijk tegen een armoeloon van één frank per dag. Zeldzame gelukvogels trokken naar de Luikse staalfabrieken en koolmijnen of naar de steenbakkerijen in Duitsland om er als tol voor mensonwaardige werkomstandigheden hun gezondheid te ondermijnen in ruil voor een dagloon van vier à vijf frank. Komt daar bij dat de sociale voorzieningen als kindergeld, pensioenfonds en ziekteverzekering in die jaren onbestaande waren. De opening van de Limburgse mijnen omstreeks het interbellum trok hun dagsalaris op tot vijftien frank. Rekening houdend met de afstand van hun woonplaats naar een koolmijn in het Genkse, bracht deze mogelijkheid een voelbare verbetering in hun levensstandaard met zich mee. 324 De autochtone bevolking van deze geïsoleerde woestenij, de bessembinders, sprokkelde in de vlakte wild jeneverhout, rijshout, brem, bussels heide, en in de bossen zaagden ze hele takken uit de witte berken. Uit dat basismateriaal vervaardigden zij bezems. Ze snoerden de twijgen samen met dunne repen bast, gesneden uit jonge eikentakken. Overal sprokkelden zij hout in de bossen uit de omgeving. 325 Meestal huurden ze voor het transport van hun “oogst” paard en kar van een rijke herenboer of sjouwden ze moeizaam de bussels op hun schouders naar huis. Een bessembinder met vaardige vingers kon wel honderd bezems per dag maken. Hij bracht ze met een stootkar, een kruiwagen of een hondenspan naar de markten van Hasselt, Tongeren, Sint-Truiden, Borgloon, en zelfs naar Landen. In 1908 verdiende hij gemiddeld drie frank per dag. Dit armoeloon moest dienen om zijn gezin te onderhouden. 326 Vrouw en kinderen hakten het flikkerhout voor de bezems, sneden het op maat en gingen op zoek naar wissen bij de drassige boorden van de vennen of bij de grachten in de omgeving van Bokrijk. De mannen van hun kant namen het stroeve bindwerk voor hun rekening. De bezems werden verkocht aan vijf cent per stuk. De laatste binder, de kreupele Bessem Heinke, leefde nog vele jaren na zijn dood verder in de gesprekken van de stadsbewoners. 327 Wellicht zou de stedelijke plaatsnaamcommissie, door de naam “Bessembindersstraat” toe te kennen aan een nieuwe openbare weg in de omgeving, een passende hommage brengen aan deze vroegere schamele besloten huisnijverheid. Een bessembinder kon meteen herkend worden aan zijn verfomfaaid voorkomen: een scheve pet op zijn kop, een korte afgeschoten kiel, een gelapte broek en een paar holleblokken aan zijn voeten. Onder het bolster van een ruwe schors droegen zij een gouden hart en waren zij sociaal sterk met elkaar begaan. Dit volkje was zich op de heide tussen Zonhoven en Hasselt komen settelen in de tweede helft van de negentiende eeuw. Alle gezinnen waren onderling verbonden door bloedverwantschap: inteelt was er schering en inslag. In dit opzicht vormden de heikleuters een hechte gesloten gemeenschap, een aparte volksclan, geïsoleerd van de rest van de bewoonde wereld in dit verlaten grensgebied. Wanneer een jongen zich voornam met een meisje in het huwelijk te treden, dan bouwde het paar zijn nieuwe woning met de gezamenlijke steun en inzet van alle buren, zodat het huis binnen een etmaal kant-en-klaar was. Het begrip “eigendom” behoorde niet tot hun vocabularium. Al wat ze


242

nodig hadden aan hout of bouwmaterialen werd geleend of scheefgeslagen in de naaste omgeving. Meerdere behuizingen werden afgedicht met platen die afkomstig waren van loodsen op het vliegveld van Kiewit. De grond waarop ze hun huisjes bouwden was in vele gevallen eigendom van de gemeente Zonhoven. Dikwijls leidde dit tot een juridisch kluwen. Vaak gebeurde het dat de grond zelfs kadastraal niet beschreven stond op naam van de bouwheer. Tot na verloop van tijd zelfs bleek dat deze niet de eigenaar was van het huis dat door hem gebouwd was. Het spreekt voor zich dat deze lap heide volledig afgesloten was van alle contact met culturele invloeden van buitenaf. In een dergelijk milieu was de behoefte aan geestelijke aspiraties bijna onbestaande. Jongens en meisjes waren aangewezen op scholen die in het verre Zonhoven of Hasselt gelegen waren: van naar school gaan kwam er dan ook doorgaans weinig of niets in huis. Vele jaren bleef de Hasseltse heide verstoken van onderwijs, cultuur en maatschappelijke vooruitgang. Voor een bessembinder bestond geleerdheid uit een rudimentaire kennis van de algemene beginselen van lezen, schrijven en rekenen. De ouders waren de mening toegedaan dat hun kinderen geen behoefte hadden aan stadhuiswoorden. Het jeugdig volkje moest kunnen opgroeien in de vrije natuur, hun ruggen laten bruinen onder de brandende zomerzon en zich in de winter opwarmen bij een deugddoend schaddenvuur. De kinderen werden vaak aan huis ingeschakeld om de ouders een handje toe te steken. Vaak waren zij om drie uur ’s morgens al in het gareel. Dan trokken zij naar de heide, om er voedsel voor het stalvee te verzamelen. Ofwel werden zij naar de markt in Hasselt gestuurd met een kruiwagen waarop vijftig bezems getast lagen. Ofschoon ze nooit hadden leren lezen noch schrijven, kenden zij toch de waarde van elke centiem als hun eigen broekzak. Het analfabetisme vierde hoogtij op de heide. Volwassenen waren uiteraard nooit in aanraking gekomen met letters of cijfers. Zij konden zelfs hun eigen naam niet schrijven en plaatsten gewoon een kruisje als handtekening. Heikleuters kenden weinig variatie in het dagelijkse menu dat de pot schafte. Iedere morgen stond er een gewone snee zwart brood met koffie of melk op het menu. Het middagmaal beperkte zich tot een hutsepot van natuuraardappelen of gewone aardappelen bereid met smout. Wanneer de heikleuter ’s middags op het veld of in het bos bleef werken, beperkte zijn middagmaal zich tot een “koude noen”, een grauwe boekweitkoek en een homp zwart brood, belegd met een stevige lap spek. Als toemaatje bewaarde hij zijn straffe koffie in een stoopje dat hij mee naar het veld nam. Eenmaal dat het hele gezin opnieuw thuis was van het werk, werd het avondmaal op de tafel gezet. De soepketel, boordevol gevuld met botermelk, werd aan het tandijzer in de open haard gehangen. Zodra de melk aan de kook was gebracht, werden ruwe brokken zwart roggebrood in de zure botermelk geworpen. Tijdens de gure wintermaanden werd dit standaardgerecht al eens afgewisseld met “hete bliksem”, stamppot op basis van zuurmoes, gemengd met aardappelen en gerookt spek. 328 Een aloud gebruik, een traditie in het leven op de heide en in vele dorpen, was het “uchteren”. Tegen de avond werden buren en kennissen uitgenodigd ten huize van een gezin om er te komen buurten. Op deze reünie werden rond de brandende haard of bij het smeulend ketelvuur allerhande gebeurtenissen of actualiteiten besproken: kleurrijke verhalen van blijde en droevige herinneringen, verkering en huwelijk, geboorte en dood. Verder werden er in groep liederen gezongen, raadsels opgelost, legenden en volksverhalen van man tot man doorgegeven. Uchteren was een geliefkoosde bezigheid bij vele Limburgers tijdens de lange wintermaanden. 329 De ouderwetse open haard wierp rode tongen en spookachtige schaduwen af op de muren van de woonruimte. Een zware boomstronk smeulde gezapig knetterend in de open haard, terwijl de turfklompen een gele smeuïge rook verspreidden doorheen het vertrek. Gezeten in een wijde kring rond het klank- en lichtspel van het open vuur, zaten de buren met gespannen aandacht te luisteren naar de straffe verhalen van weerwolven, spoken, heksen en ongebreidelde sabbatnachten. Tussendoor trokken de mannen met een verslavend genot aan hun stenen pijp en vulden zij het vertrek met de doordringende geur van krol of van tabaksbladeren die ze zelf teelden. Enkele kwajongens uit de buurt, met een korf tussen hun benen geprangd, vonden hun ontspanning in het peulen van bonen. Terwijl de dochters naarstig het spinnewiel lieten snorren, bakte moeder de vrouw heerlijk ruikende spekkoeken en hoge stapels boekweitflappen.


243

De bessembinders koesterden hun eigen voorvaderlijke zeden en gebruiken. Eén onder hen fungeerde als hoofd van de plaatselijke gemeenschap. Hij was het die als bemiddelaar op het stadhuis van Hasselt aangifte deed van de geboortes, huwelijken en overlijdens uit zijn buurt. Telkens er een koppeltje uit de omgeving in het huwelijk trad, wees hij de plaats aan waar het nieuwe gezinnetje kon gaan wonen en riep hij de nodige mankracht bijeen, om voor hen een nieuwe woning te bouwen. Verwanten en vrienden van de jonggehuwden zorgden voor een aangepaste feestdis. Vooraf trokken zij in de bossen op jacht naar konijnen en ander wild tot ongenoegen van de eigenaars van de grond. Toch werd er zelden een wildstroper op heterdaad betrapt en gestraft. In het milieu van de bessembinders bestonden geen wetten of geboden: hier was enkel het voorvaderlijk gewoonterecht van kracht. Dat ook morele principes hun wildvreemd waren, had voor een groot deel te maken met hun huisvesting. Het was dan ook niet te verwonderen dat de illegaliteit er hoogtij vierde: wildstroperij, hanengevechten, diefstal van hout en van bouwmaterialen, sluikcafés waar overvloedig jenever geschonken werd zonder tapvergunning. 330 Zij, die vertrouwd waren met de buurt, wisten dat er in het kwartier een sluikherberg lag. Aan de buitenkant was het een gewone stulp, zonder uithangbord of gevelopschrift, in niets te onderscheiden van de overige huisjes. Hier werd nog de stevige Diesterse bruine getapt in pinten die in geen eeuwigheid meer gespoeld waren. Wegens dit gebrek aan hygiëne liet de bezoeker zich doorgaans niet tot een tweede pint verleiden. Het gerstenat werd toen nog getapt uit een ton met een houten kraan. Ook het ontspanningsleven van deze natuurmensen was rond de eeuwwende nog ruw en primitief. Als volwaardige vechtersbazen trokken de jonge mannen zonder enige aanleiding hun kleren uit, bestreken zich van kop tot teen met groene zeep en gingen meteen op de vuist, om door hun krachtpatserij te bewijzen wie er als sterkste uit het gevecht kwam. Volwassenen daarentegen vonden hun ontspanning in Hasselt op de septemberkermis of op de jaarmarkt van Vette Dinsdag. Thans is het ras van de bezembinders uitgestorven. Ook de heksen moesten noodgedwongen hun beroep staken. Hun oude bezems waren tot op de draad na versleten en nieuwe werden er niet meer gemaakt. Gedaan dus met ’s avonds op hun bezemsteel door de lucht te gieren en de gewone mens de stuipen op het lijf te jagen. 331 Na een deugddoende uitstap naar het uiteinde van de bewoonde wereld ving de vermoeide stadssinjeur met lome benen de terugtocht aan naar zijn woning in de stad. In tegenstelling tot de drukte van vandaag was de Kempische Steenweg toen nog een weinig bevaren route. Hooguit werd de monotone stilte onderbroken door het schelle geluid van een rinkelend paardenspan met een huifkar. Halverwege op weg naar huis hield onze wandelaar nog even halt aan de Keeterdoeës, een ouderwets baancafé, gelegen bij de vertakking van het tramspoor naar Zonhoven en naar Genk. Het interieur van dit bekende kroegje was zindelijk en kraaknet. Dagelijks werd de vloer er een paar keer geschuurd met wit zand door Jeëke, de uitbaatster. Een bruisende pint bier gaf de wandelaar de nodige energie om de laatste kilometer naar zijn thuis aan te vatten.


244

E. Vliebergh, De Kempen in de negentiende en twintigste eeuw (Leuven 1908) 36. Jeurissen, Verzameld werk, 23. 321 Vliebergh, De Kempen in de negentiende en twintigste eeuw, 37. 322 Hennenpolder: slaapplaats voor kippen: paal met een strodak erboven, als een grote paddestoel, waaronder de kippen op dwarslatten rusten. http://www.dbnl.org/ 323 Vliebergh, De Kempen in de negentiende en twintigste eeuw, 38. 324 G. Caluwaerts, Kiewit en Banneux warm aanbevolen (Hasselt 2008) 38. 325 Het Allemansbos dat grensde aan het domein van Bokrijk, was de plaats waar iedereen zich naargelang zijn noden en behoeften kwam bevoorraden van het nodige hout. Niemand maakte zich immers scrupules over het toe-eigenen van andermans goed. 326 Vliebergh, De Kempen in de negentiende en twintigste eeuw, 39. 327 Caluwaerts, Kiewit en Banneux, 37. 328 J. Collen, Alfons Jeurissen en de folkloristische gastronomie (Antwerpen 1982) 8. 329 R. Moonen, ‘Zeven der laatste bezembinders van Kiewit tellen samen 559 jaar’, Het Belang van Limburg (22 juli 1953) 330 Caluwaerts, Kiewit en Banneux, 38. 331 Moonen, ‘Zeven der laatste bezembinders van Kiewit tellen samen 559 jaar’. 319 320


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Het Moken Perceelnummer: 2472. De weduwe van burgemeester Vrerix was in 1783 de eigenaar. Het Moken was een langwerpige vijver, gelegen bij de Sauvegardevijvers aan de Gemene Heide. Het Moken was verbonden met de Jautiens (perceel 2470-2471).

Het Savelvenne Perceelnummer: 2492. Eigenaar in 1783 was Simon Moors. Het Savelvenne was een vijver, gelegen op de Kemperheide, tussen het Moken en de Sauvegardevijvers. Wellicht was het op de zanderige bodem van dit ven dat later een visvijver werd aangelegd.

Kaart

2/8 & 2/9

De heidegrens tussen Kuringen en Zonhoven werd afgebakend door de Kuylen van Kuringen in het westen, de grachten van de Beversack in het noorden en de Waegemans kuylen in het noordoosten van de grens met Bokrijk.

Vanpaesschen tekende deze noordoosthoek van de Hasseltsche Heide uit op de kaarten 2/8 en 2/9. Deze gronden behoorden op dat ogenblik kennelijk nog tot het grondgebied Hasselt. Landmeter Deplaye identificeerde op zijn kaart (zie p. 183) de verschillende toponiemen en namen van de vijvers, gelegen ten noorden van de huidige Bokrijkseweg. Punten C en D geven de precieze plaatsing aan van de derde en vierde paalsteen. De drie markeringen van de letter E verwijzen naar de Wagemans Keele, waar zich de drie graftombes bevonden, op de grens met Bokrijk (zie p. 160) en waar Mantelius naar verwijst in zijn Kroniek van Hasselt. 332 Aan de hand van de kaart van Deplaye herkennen we volgende percelen: 2474 de Vaesbempt, 2475 de hoek van de Elstracken, 2476-2489 de Elstracken, 2479 de Rustwijer en 2491 de Startwijer. Ingevolge het eindvonnis van het Keizerlijk Hof van Wetzlaer werden de Elsracken en de Sint-Quintinusheide in 1811 als grondgebied toegewezen aan de gemeente Zonhoven.

Steen Perceelnummer: 2479 Deze steen was één van de vier paalstenen die geplaatst werden door de overheid als grenspaal voor het lang aanslepend conflict tussen Hasselt en Zonhoven.

Winterslag Vermoedelijk gebruikte Vanpaesschen deze plaatsnaam enkel als oriënteringspunt om de weg in de richting van Winterslag aan te geven.

332

J. Mantelius, Kroniek van Hasselt, f. 24 v, r. 26-27.

245


246

Kaart

3/1

Kaart

3/2

De Hoerensteeg

Weg van Hasselt naar Luik

Perceelnummers: 443-467.

Het volgende stuk van de oude weg naar Luik liep verder tot aan De Twee Kruisen (perceel 1787). Vanaf dit punt volgde de weg het nog bestaande tracé van de Luikersteenweg, terwijl een secundaire zijweg naar het kasteel ‘Het Holland’ leidde, de Hollandsche steeg (percelen 253-294) geheten. Eenmaal de Sint-Jansbeek voorbij lag rechts het drukbezochte Steenaertskapelleke (Voddekapelleke). De Luikerbaan maakte ter hoogte van Rapertingen een bocht naar het westen, richting Trekschuren en Wimmertingen. In de bocht lag het pleintje met het Lanckcruys en verderop het Rapertingenpleyn. Meer zuidwaarts ter hoogte van perceel 159, sloot de Trekschurenstraat aan op de Luikerbaan.

Kleine, smalle, doodlopende steeg in de omgeving van de Helbempden. Het is een zijsteeg van de Grote Lindestraat.

Uylensteeg Perceelnummers: 291-293. Dit is een zijsteeg van de Trekschurenstraat, gelegen op de grens met SintLambrechts-Herk, waar ze aansluit bij de Uilstraat. De huidige benaming op Hasselts grondgebied is de Elleboogstraat.

Het Siegersveld

Den Rooden Berg Perceelnummers: 278-281 en 295-298.

Perceelnummers: 286-290. Is een veldnaam van meerdere percelen grond besloten tussen de grens met SintLambrechts-Herk en de Trekschurenstraat.

De Siegersveldsteeg Perceelnummer: 293. Smalle steeg die de Trekschurenstraat verbindt met de grens van Sint-LambrechtsHerk. Deze steeg geeft uit op Den Rooden Berg.

Veldnaam van een aantal percelen besloten tussen de Trekschurenstraat en de Hollandse Steeg, bij het brongebied van de Sint-Jansbeek. Tussen de vallei van de Helbeek en die van de Sint-Jansbeek lagen de Rode Berg, het Hollandsveld en De Kast (bij de Castersteeg).

’t Hollandts veld Perceelnummers: 268-273 en 302-326. Aantal percelen gelegen tussen de Hollandsteeg en de Casterstraat.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

De Kast Naam van enkele gronden tussen het Hollandsveld en het Hefveld als uitloper van de Castersteeg (vandaag Generaal Lemanstraat).

Holland Perceelnummer: 254. Benaming van een winning met bijhorende gronden, gelegen in de Hollandsteeg.

Hollandsche steeg Gelegen tussen de percelen 253 en 262.

Kasteel Hollandsveld op de plaats van de vroegere winning.

De Hollandsteeg leidde van de Luikerbaan naar de winning Holland. De verlenging van deze steeg aan de overzijde van de Trekschurenstraat was de Schotteveldvoetweg (thans Schotteveldstraat).

Het Voddekapelleke Perceelnummer: 249. In 1783 was deze kapel in het bezit van de erfgenamen van Matthijs Feijtmans. Reeds in 1763 werd het Voddekapelleke vermeld op een kadastraal plan van Hasselt. Toen werd het nog de Steenaertskapel genoemd naar de familienaam van een zekere Willem Steenaerts, eigenaar van een stuk weiland in de omgeving. 333 Kasteel Hollandsveld en de toegangssteeg die er naartoe leidde.

Het kapelletje lag zowat 100 meter zuidelijker dan de kruising tussen de Sint-Jansbeek en de Luikerbaan. Het bescheiden gebouwtje, uit baksteen en mergelsteen, lag hier vermoedelijk ook al ten tijde van Vanpaesschen. Het heeft een rechthoekig grondplan, een driezijdige apsis en is afgedekt met een kunstleien zadeldak. 334

247


248

Het was toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw ter Koorts. Vele mensen zochten hun toevlucht tot deze plek, om er genezing van koorts te bekomen. De mensen bonden dan aan de tralies van het deurtje allerhande restanten van kledingstukken van zieke kennissen en familieleden: kinderluiers, hemdjes, rokjes, mutsen, zakdoeken, windels, kousen en zelfs gebreide handschoenen. De naam voor het kapelletje in de volksmond was dan ook niet toevallig Voddekapelleke. De traditie wil dat er vroeger op deze plaats drie wilgen stonden, waaraan door onze voorouders kledingstukken werden opgehangen om de koorts af te binden. Bij dit ritueel werd dan steevast de geijkte bezweringsformule uitgesproken: “Oude, oude, vuile wij, ik bind de koorts al aan uw zij.” 335 De Limburgse heimatschrijver Alfons Jeurissen citeert in zijn Heikleuters dezelfde magische formule in een verkorte vorm: “Wij, ik bind u de koorts al aan uw prij”, in begrijpelijkere taal: “Wilg, ik bind de koorts nu aan uw lijf.” 336 “Wij” staat hier voor het Middelnederlandse equivalent van “wilg”. De wilg staat immers in de volkgeneeskunde bekend voor zijn koortswerende eigenschappen.

Gezicht op het Voddekapelleke aan de Luikersteenweg.

Na het uitspreken van deze bezwering en het vastbinden van de stukjes stof, moest de verwenser zonder verwijl en zonder achterom te kijken weglopen van de plaats, om zodoende de koortsgeest om de tuin te leiden, zodat deze althans geen bezit kon nemen van de persoon die de ziekte of de koorts had overgedragen op het kapelletje. Met dit symbolische gebaar geloofde de volksmens dat de boze geest, die het kwaad veroorzaakt had, definitief vastgekluisterd was, waardoor meteen de ziekte afgebonden was en de koorts geweerd werd. 337 Voorbijgangers en andere bezoekers werden er ernstig voor gewaarschuwd de lapjes stof niet opnieuw los te maken. In voorkomend geval zou de koorts immers op henzelf terugslaan. Kinderen uit de omgeving werden voor dit risico door hun ouders bij herhaling vermaand. 338


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Tot 15 januari 1981 was het kapelletje eigendom van de familie Stiels. Nadien werd de stad Hasselt er eigenaar van. Tot voor enkele jaren werd het naar vroom gebruik door de buurt op de vooravond van 1 mei gereinigd en met bloemen versierd. Omdat het bouwwerkje stilaan in verval raakte, ging men in 1991 ertoe over enkele hoognodige renovaties aan te brengen. De voorgevel vertoont een houten raam en een deur, beide beveiligd met smeedijzeren diefijzers, en boven in de geveltop is een klein raamkozijn uitgespaard. Op een klein altaartje tegen de binnenmuur staan de beelden van Onze-Lieve-Vrouw (voorheen gekleed in een satijnen mantel), van Sint-Antonius en van Sint-Jozef.

Kasteel Claes, gelegen aan de vroegere voogdij.

Trekschuren Dit langwerpig uitgestrekte gehucht lag besloten tussen de weg naar Luik, de grenzen van Sint-Lambrechts-Herk, de gronden van het convent van Henegouw, de Groenstraat en de Oude Truierbaan. Een twintigtal hoeven lagen verspreid langs de Trekschurenstraat. Vier hiervan lagen in het veld tussen de Trekschurenstraat en de Luikerbaan. Van sommige winningen zijn de namen bewaard gebleven: ‘De Hoeisch’ (perceel 159) op het raakpunt van de Luikerbaan en de Trekschurenstraat; ‘De Voogdij’ bij het kasteeltje van Claes in de Trekschurenstraat; de ‘Thienenwinning’ (perceel 247) aan de Eckelgarden (percelen 245-250); ‘Holland’; de ‘Verloren Kost’ bij de Rode Berg. Trekschuren beschikte over een rijk en gevarieerd aanbod aan toponiemen. Het Trekschurenveld (percelen 162 en 206) vormde de hoek tussen de Steenweg op Luik en de Trekschurenstraat, het Meskensgoed tegenover het Lang Kruis (aan de Luikerbaan), de Tichelrij (percelen 235-236 bij de Twee Kruisen) en het Susterenveld (percelen 263-266, eveneens aan de Twee Kruisen) aan de kant van de Luikerbaan. Tussen de Trekschurenstraat en de grens met Sint-LambrechtsHerk lagen heel wat bekende velden: de Voogdij, het Diesterbos, de Cnaepeweide (perceel 266), het Siegersveld, de Batsweiden (percelen 479-481), de Cujensweiden, de Huttweide (perceel 229), de Tilensweide (perceel 232), de Eusereweiden (percelen 465-486) en de Helmweide (percelen 444-446). Langs de Sint-Jansbeek lagen de Ekkelgaarden, de Mastbroeken, de Duisterweide en de Drinkteil. De kleine vallei van de Helbeek werd aangewezen als In de Helle (perceel 375) en de omliggende gronden als de Helbeemden (percelen 349-374), het Helveld en de Helleplas (percelen 377-380).

249


250

Eckelgarden Perceelnummers: 245-250. Thienenwinning.

Eckelgardensteeg Perceelnummers: 238-250.

winning, die zes bunder grond exploiteerde, was gelegen op tien meter van de Sint-Jansbeek en van de Kroonwinning (perceel 1766). Het gebouw was opgetrokken in eikenhout en leem en afgedekt met een schaliëndak. Ook de vloer was in leem gestampt, althans tot in april 1919, toen het binnen- en buitenwerk een opfrissing kregen. In 1900 waren de stallen en de schuur reeds aan vernieuwing toe.

Een aantal akkers besloten tussen de Tomstraat en de Melbeekstraat.

Omstreeks de beginjaren van de twintigste eeuw bestond ook nog de eiken wenteltrap die naar de verdieping leidde. Bij herstellingswerken werd de eiken schoorsteenlijst, die tot schouwplaat diende, vervangen. Deze lijst droeg de ingekorven inscriptie “1563. P. (T)Hydongs”. Uit dit jaartal kan men afleiden dat de woning een halve eeuw vroeger werd gebouwd dan ‘De Draeck’ op de Grote Markt, dat traditioneel beschouwd wordt als het oudste huis intra muros. Na Hydongs werden achtereenvolgens Bangels, Henricus Slegers (achttiende eeuw), Vanvoorden, Martens en Petrus Philippaerts-Martens als eigenaars vermeld. 339

Rapertingenstraat

Rapertingenpleyn

Perceelnummers: 1616-1891.

Kruispunt van de Rapertingenstraat, de Tomstraat en de Bieststraat.

Een weinig verder dan de oude barrier op de Luikersteenweg vertakte zich de Ekkelgardensteeg, die doorliep tot aan de Trekschurenstraat.

Het Stuck Perceelnummers: 119-138.

Deze straat was de verbindingsweg tussen Wimmertingen en Godsheide. Vandaag is het gedeelte vanaf de Oude Luikerbaan omgedoopt tot Kroonwinningstraat. De straat vertakte zich vanaf de Oude Luikerbaan in de richting van Rapertingen, liep voorbij ‘de Kroonwinning’ (perceel 1766) en ‘de Scherpesteenwinning’ tot in het gehucht Melbeek.

Schaliënhuys Wellicht gaat het hier om het woonpand belendend aan perceel 1793. In de Rapertingenstraat lag ‘Het Schaliënhuys’, tot in de beginjaren van de twintigste eeuw de oudste woning van Hasselt. Deze

Rapertingen Gehucht in het zuidwestelijke deel van de stad. De grenzen tussen Rapertingen, Singelbeek en Pietelbeek kunnen niet precies afgebakend worden, maar de gehuchten liggen besloten in de regio die begrensd wordt door Melbeek, de Luikerbaan, de Casterstraat, de Trichterbaan en de Galgebeek. Rapertingen ontwikkelde zich in de schaduw van de Luikerbaan. De huidige Kroonwinningstraat, het tracé tussen de Oude Luikerbaan en de Scherpesteenwinning, heette voorheen ook Rapertingenstraat. Vanuit de stad is die straat de meest directe verbinding met het centrum van Rapertingen.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Kaart

3/3

Ten zuiden van de Nieuwe Demer werden de velden bewerkt door landbouwers en grootgrondbezitters en lagen de landerijen gecentraliseerd rond imposante winningen en hofsteden.

Luikerbaan Vanaf de aftakking aan de Oude Luikerbaan lagen in het midden van de achttiende eeuw verschillende huizen verspreid: de Zeven Stichelen (percelen 327-330 en 16111628) op de hoek met de Oude Luikerbaan, de Schrijver (perceel 1781), de Kroonwinning (perceel 1766), de Scherpesteenwinning (perceel 1811) en de winning Op de Wijeren (perceel 1876). Bezijden de Rapertingenstraat en de Luikersteenweg lagen enkele percelen met sprekende namen: het Duifhuishof (percelen 1615-1616) bij de Zeven Stichelen, het Ilgat (percelen 1620-1629) achter de spoorbaan naar Bilzen en de Gouverneur Roppesingel, het Langveld tussen de Kroonwinningstraat en de Luikersteenweg, de Toeist (percelen 1802-1844) tussen de Rapertingenstraat en de Luikersteenweg, en de Langkruisweide op het eind van de Rapertingenstraat bij de Luikerbaan.

Het Natveld

Het Lanckveld Perceelnummers: 1782-1793. Op de Luikersteenweg, tegenover de Langveldstraat, niet zover van het weggetje dat naar het kasteel Het Hollandt leidde, lag in het laatste kwartaal van de negentiende eeuw de herberg De Oude Barrier. Tot 1866 bevond zich op die plaats een tolhuis met een tolbarrier waar weggeld geïnd werd. De plaatsnaam “Aan het Barrier” wordt trouwens al vermeld op de kaart van Bonniver van het kanton Hasselt, opgemaakt in 1820 (zie p. 252). Dit toponiem werd nadien overgedragen op de herberg. Oudere Hasselaren wijzen deze omgeving doorgaans aan als “De Pats”, naar de naam van de laatste tolontvanger. Deze Depats had voordien nog als militair gediend in de legers van Napoleon. Hij was de laatste ambtenaar die dit kantoor bediende.

Sint-Jansbeek De Sint-Jansbeek bevloeide enkele omliggende weiden. Een zijarm van de Sint-Jansbeek, de Oude Maas, bevoorraadde een aantal vijvers in de Rapertingenstraat.

Singelbeek Midden in de vallei van de Sint-Jansbeek lag het gehucht Singelbeek. De Singelbeekstraat verbond het gehucht met de Rapertingenstraat. Vijf winningen lagen gespreid langs de Singelbeekstraat. Via de Diepenbekersteeg, de Pietelbekerweg en het Keijselvoetpad waren de voornaamste binnenvelden bereikbaar: het Pinnepoelveld (percelen 1723-1760), de Blauw Weide (percelen 17401749), het Buskensveld (percelen 1728-1737), het Sint-Jansbeekveld (percelen 1674-1730) en het Dorlik (percelen 1645-1673).

251


252

Detail van de kaart van Bonniver, opgemaakt omstreeks 1820, waarop de ligging van ‘Het Barrier’ aan de Luikersteenweg duidelijk aangegeven is. (Archief Topografische Dienst, Delft)


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

De Kroonwinning Het domein van ‘de Kroonwinning’ op de hoek van de Rapertingenstraat en de Singelbeekstraat, eigendom van baron Joly en zijn dochters, diende in de tweede helft van de twintigste eeuw tot vakantieverblijf van de Socialistische Jongeren (perceel 1766).

Vosserveldje Perceelnummers: 1794-1810. Veldje gelegen in Singelbeek tussen de Sint-Jansbeek en de Scherpesteenwinning.

Scherpesteenwinning Perceelnummers: 1764 en 1811. Gesloten hoeve gelegen in de Rapertingenstraat. Het woonhuis ligt op de westkant van de straat; de dwarsschuur, het bakhuis en de duivenstal aan de overzijde van de straat.

Pietelbeekstraat Kasteeltje van baron Joly op de hoek van de Kroonwinningstraat met de Singelbeekstraat, waar omstreeks de helft van de twintigste eeuw een jeugdheem van de socialistische mutualiteit in ondergebracht was. (postkaart, privécollectie)

Deze straat verbond Rapertingen via het gehucht Pietelbeek met Godsheide en met Diepenbeek. Langs de Pietelbeekstraat lagen acht pachthoeven, waarvan de Dries (perceel 1873) en Ter Poorten (perceel 2015) de belangrijkste waren. Tussen de Pietelbeekstraat en de Galgebeek liggen het Pietelbeekveld (percelen 1864-1959), de Witte Dries (percelen 1883-1887 en 1926-1930), het Moken (percelen 1908-1917), de Meir (percelen 1944-2013) en het Olrock.

253


254

Het kasteel van Pietelbeek Dit kasteel is niet aangeduid op de kaart van Vanpaesschen, maar op deze plaats stond eerder een gesloten hoeve, waarvan de sluitsteen in de boogvormige inrijpoort de datum 1767 als bouwjaar aangeeft. Van de voormalige gesloten hoeve, waarvan de gebouwen gegroepeerd lagen rond een gesloten erf, dat bij het kasteel aansloot, bleef enkel de zuidoostelijke vleugel langs de straatkant met zijn typische vierkante venstertjes bewaard. Zuidwestwaarts van de hoeve ligt een kapel, gebouwd volgens een rechthoekig grondplan en afgesloten met een halfronde apsis. De gevelsteen draagt het opschrift van de patroonheilige, aan wie de kapel gewijd was: “IN.S. AUGUSTINUS”.

Het kasteel van Pietelbeek in de gelijknamige straat was vele jaren de woning van burgemeester F. Portmans. (postkaart, privécollectie)

In het tweede kwartaal van de negentiende eeuw werd begonnen aan het herenhuis in neoclassicistische stijl dat het kasteel van Pietelbeek genoemd wordt. Het bakstenen huis op een L-vormig grondplan telt vijf traveeën verdeeld over twee bouwlagen. Het is afgedekt met een leien schilddak. Links hiervan sluit een statig torentje van een travee met een oeil-de-boeuf langs de voorkant aan bij dit woongedeelte. Ten westen van dit herenhuis strekt zich een weids park uit. Nadien werd tegen de toren een wagenhuis aangebouwd van drie traveeën en twee bouwlagen. Eén van de bekendste bewoners van dit kasteel was oud-burgemeester F. Portmans.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Kaart

3/4

Maastrichterbaan Bosstraat Onder de bescheiden naam van Bosvoetweg lag het beginpunt van deze zijstraat van de Trichterbaan aan het Teutelwijerke (tussen perceel 1087 en 1571) ter hoogte van de Casterstraat. Verderop in de richting van Diepenbeek doorsneed ze de Voorstraat en vervolgde haar weg oostwaarts tot aan de Wolfkestraat. De huidige Wolfkestraat verbindt het laatste stuk van de Maastrichterbaan met de Kiezelstraat.

Diepenbekervoetpad Perceelnummers: 1557-1677. Dit pad in het verlengde van de huidige Peter Benoitstraat en de Van Helmontlaan, kruiste de Sint-Jansbeek en gaf een weinig verder uit op de Maastrichterbaan.

Ter Poorten Perceelnummers: 1678-2069. Deze percelen waren eigendom van de abdij van Herkenrode en liggen vandaag deels op het grondgebied van Diepenbeek, deels op het grondgebied van Hasselt.

Wolfske Perceelnummers: 2016-2261. Wolfske of Wolske is een langwerpig gehucht dat besloten ligt tussen de baan naar Diepenbeek, de Nieuwe Demer, de Weggestraat en de Galgebeek. Langs de Wolfskestraat telde men zeven hoevetjes, waarvan ‘Op de Houve’ (perceel 2019) het bekendste was. Een andere winning, ‘Op de Sluijs’ (perceel 2144), ter hoogte van de Nieuwe Demer, werd afgebroken omstreeks het einde van de achttiende eeuw. Het gehucht telde ook drie hoeven in de Bosstraat dicht bij het aansluitingspunt met de Wolfskestraat, vier in de Voorstraat, drie in de Weggestraat en een met de naam ‘De Populier’ (perceel 1553) langs de weg naar Diepenbeek of Oude Trichterbaan. De vlakte tussen het Cornelisveld en de Voorstraat heette de Kalverhoven. Deze vlakte wordt in sommige akten ook Calverhuysen of Calverheese genoemd. Het Cornelisveld en Kalverhoven werden gescheiden door de Weggestraat (voorheen Casterhovenstege). Een kleine weide in de omgeving van De Populier op de uitloper van de Trichterbaan en het begin van de Bosstraat werd naar de aangeplante boomgaard Het Pruymken (perceel 1554) genoemd. Verder in de Bosstraat lagen het Bosveld (percelen 2084-2102) en het Wolfskeveld (percelen 2014-2082). De velden ingesloten tussen de Wolfkestraat en de Galgebeek werden gezamenlijk Op de Houve (percelen 2016-2065) genoemd. Twee weiden die verder in dezelfde straat richting Godsheide gelegen waren, noemde men Op de Streep (percelen 2061-2069). In datzelfde gehucht lag ook nog een Haverendries.

Wolfskestraat Perceelnummers: 2016-2146. Vanaf de brug over de Oude Demer wijzigde de Wolfskestraat haar naam in Goetscherstraat (nu Kiezelstraat).

255


256

Kruispunt van drie wegen: de Bosstraat (links), de Maastrichtersteenweg (midden) en de Casterstraat (rechts). (postkaart, privĂŠcollectie)


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Kaart

3/5

Godsheide of de Goetscherheide Dit deel van het heidegebied lag besloten tussen de Oude Demer, de Vissenbroeken (percelen 2353-2360, 2363-2368, 2374), de Borggraafvijvers (perceel 2335) en de grenzen met de gemeente Diepenbeek. De Goetscherheide was een verzamelgebied van meerdere vijvers. In het westen lagen de drie Platte Vijvers (perceel 2300), waar in de negentiende eeuw bossen op aangeplant werden; in het oosten lagen de vier Bijvennen (perceel 2331); het noorden kende de Borggraafvijvers, die in het verleden veel uitgestrekter waren; tegen de grenzen met Bokrijk lag het Hommelvenne (perceel 2332). In 1690 bouwden de inwoners van Godsheide een kapel waar zij de mis konden bijwonen. Deze kapel werd op 14 maart 1718 door een orkaan vernield en later weer opgebouwd. Ze stond op de tweesprong die gevormd werd door de Goetscherstraat en de Beerhoutstraat. Na de bouw van de huidige kerk raakte de kapel in onbruik en werd ze afgebroken. De opbrengsten van het Kapelveld, dat op de grens met Diepenbeek lag, dienden voor het onderhoud van de kerk. Omstreeks het begin van de achttiende eeuw bestond de agglomeratie in de omgeving van de kapel uit hooguit dertien woningen. De omschrijving van de Kapelveldstraat, de Zestien Bunderstraat, de Dijkstraat en de percelen in de omgeving van de Demer bestond uit landbouwgrond. De rest was braakland, met uitzondering van het Berkenshout (percelen 2327-2330) tegen de grens met Diepenbeek en het Pijpersveldje (percelen 2336-2348) tussen de Borggraafvijvers en de Vissenbroeken. In het midden van de negentiende eeuw leverden de Godsheidenaren gezamenlijke inspanningen om de heide langs het noorden van hun gehucht in te dijken. In die periode werd de Nieuwe Goetscherheide ontgonnen.

De eerste zijweg rechts in de Goetscherstraat ter hoogte van de kapel, de Beerhoutweg, leidde naar de Miserik, een gehucht van Diepenbeek. Ter hoogte van de kerk van Godsheide (gebouwd in 1845) heette de Kiezelstraat vroeger de Grotestraat. De weg schuin tegenover de kerk, de Kleinstraat, liep parallel met de Beerhoutweg, thans Beerhoutstraat, die de grens vormt met Diepenbeek. De Kapelveldstraat was een zijstraat van de Kleinstraat die uitmondde in de Beerhoutstraat. Een tweede zijstraat van de Kleinstraat, de Miserikstraat, leidde naar Diepenbeek. Alvorens het kanaal was uitgegraven, gaf de Grotestraat uit op de Goetsche Heyde. De weg die de Goetsche Heyde verbond met de Kleinstraat, heette dan ook de Goetscherheidestraat. Haaks op deze straat lag de Berebroekkantstraat, tot op de grens met Genk. Een zijstraat van deze Berebroekkantstraat, de Bijvennestraat, maakte de verbinding naar de Hommelvenne. Godsheide was verbonden met de weg naar Genk via de Zestien Bunderstraat. In het verlengde hiervan lagen de Dijckestraat en de Pijpersveldstraat, die leidden naar de Platte vijvers in de richting van de Willekensmolen. Tussen de Willekensmolenstraat, die tot aan de Borggraafvijvers liep, de Kemperbaan en de Genkerbaan lagen ook enkele minder belangrijke verbindingswegen. De belangrijkste daarvan was wel de Padestraat (percelen 1483-1487), die zich traceerde vanaf de Genkerbaan doorheen de Trichterheide in de omgeving van de Zusterkloosterbeek. Andere straten in diezelfde omgeving waren de Trichterheidestraat of Galgestraat die uitgaf op de Genkerbaan, de Gebanne Groesenstraat, de Putvennestraat, de Mokenweg, de Heideweg, de Swartvennestraat, de Susterkloosterweg, de Spilvoijekuilenweg, allemaal verbindingswegen in of naar het gebied van de Gemene Heide. Godsheide was ook rechtstreeks verbonden met Wimmertingen vanuit de Wolfkestraat via de Pietelbeekstraat en de Rapertingenstraat. Vanaf het Rapertingenplein leidde de Luikerbaan rechtstreeks naar Wimmertingen. Een zijstraat van de Rapertingenstraat, de Tomstraat (percelen 17-127 en 18551859), vormde over anderhalve kilometer de grens met Diepenbeek.

257


258

Winning De Houff Perceelnummer: 2310. Deze winning lag op de hoek van de huidige Kiezelstraat en de Boksbeemdenstraat.

Kaart

3/6

Cellebroedersvijvers Perceelnummer: 2334.

Burghgraefvijver Perceelnummer: 2335.

Hommelven Perceelnummer: 2332. Een jachtpartij op watervogels op de Borggravevijvers in Godsheide. (postkaart, privĂŠcollectie)

Bijvennen Perceelnummer: 2331.

333 334 335 336 337 338

339

M. Bussels, J. Grauwels en E. Houtman, 52 waardevolle Hasseltse gebouwen en monumenten (Hasselt 1982) nr. 10. Schlusmans, Bouwen door de eeuwen heen, 325. L. Indesteege, Lapjesproef voor drie zussen: 100 artikelen over volkscultuur in Limburg (Hasselt 2004) 58. Jeurissen, Verzameld werk, I, 137 en 143. Van Gelder, Hasselt, 116. Een gelijkaardige traditie werd vroeger ook in ere gehouden aan de kapel van de heilige Petronella in het gehucht Bovenwezelt te Rekem. Ook hier konden bedevaarders terecht om er de koorts af te binden. Zij knoopten een lint of een draad vast aan het traliewerk van het deurtje van de kapel en sloegen meteen op de loop zonder nog om te kijken. J. Frère, Volkskunde in Limburg (Gent 1992) 207. Caluwaerts, Hasselt intra muros, 48 voetnoot 3.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Kaart

4/1

Steenweg van Luik naar Hasselt Dicht bij de grens met Wimmertingen vormde de Kwaadhovenstraat (perceel 1) of Muntelbeekstraat (thans Herkerstraat) de verbinding tussen de Luikerbaan en Sint-Lambrechts-Herk. Aan de overkant van de steenweg verzekerde de Molenvoetweg (percelen 24-29, 55-57) de verbinding met de Mombeekmolen.

Henegouw en de OnzeLieve-Vrouwpriorij van het Heilig Graf 340

Ligging: Luikersteenweg, Henegouwberg. Perceelnummers: 16-23. In 1783 was dit gebied eigendom van advocaat Cramme uit Luik. De gronden van het klooster van Henegouw bevonden zich in 1783, het moment waarop Vanpaesschen de kaart opmaakte, in een overgangsfase. Van de twaalfde-eeuwse kloosterstichting in Wimmertingen, die verhuisde naar de Henegouwberg, bleef in de aanloop naar de Franse Revolutie niet meer veel over. Op 20 januari 1731 had het klooster Sainte-Elisabeth des Bons Enfants van Luik de voormalige priorij Henegouw aan mevrouw Cramme de Montpellier verkocht. Het feudum werd omschreven als een klooster met een pandhof, woonhuis, kapel, hoeve, tiendschuur, stallingen, aanhorigheden, weiden, beemden, bossen en vijvers, vijftig bunder in het geheel. 341

Tien dagen later, op 30 januari 1731, verhief mevrouw Marie-Cathérine de Montpellier, weduwe van de heer Nicolas Cramme, via haar zoon Joannes Cramme, die advocaat was bij het geestelijke hof van Luik, het leengoed Henegouw voor de leenzaal van Kuringen. Dit was de laatste verheffing van het leengoed Henegouw. Vanaf dan bleef het landgoed ononderbroken in het bezit van leken en groeide het uit tot een herenboerderij met aanliggende gronden. Tot in 1761 behoorde Henegouw aan de familie Cramme, daarna aan de familie de Montpellier. Op 27 juni 1786 verkochten de nazaten van de familie Cramme-de Montpellier de voormalige priorij voor 56 000 gulden aan Jan Vanderstraeten-Swaan, een groot industrieel uit Hasselt. 243 Na de dood van haar man deed zijn weduwe, Françoise Swaan, op 8 december 1791 een verheffing van het vruchtgebruik voor de leenzaal van Kuringen. 343 Sinds 1805 kwam het goed in het bezit van de familie Cox. Godfried Cox was geboren in Hasselt op 9 december 1762 als zoon van Renier en van Margaretha-Catharina van den Dweye. Hij huwde met Maria-Gertrudis Wagemans, dochter van Gerard en van Anna-Maria Minten. Godfried Cox was burgemeester van Hasselt. Hij overleed op het kasteel van Henegouw op 24 juni 1835. Later verbleef zijn schoonzoon Pierre-Gerard Teuwens (1774-1833) er tijdens de zomermaanden. Deze was groothandelaar en jeneverstoker. In 1830 werd hij lid van het eerste Belgische parlement en van het Nationaal Congres. Teuwens had in 1828 op het landgoed Henegouw een stokerij uitgebouwd, waar hij niet minder dan 2 315 800 liter jenever produceerde. De laatste eigenaar van het domein in zijn totaliteit was Pieter-Casimir Nys. De stoker Nys kocht op 8 november 1883 het kasteel van Henegouw van de laatste afstammelingen van Godfried Cox, de weduwe Henriette Teuwens-Cox en juffrouw Hortense Teuwens. De kerk was inmiddels verdwenen vóór of tijdens de Franse Revolutie. Het beeldhouwwerk in het park en in het kasteel werd goed onder-

259


260

Gezicht op het kasteel van Henegouw, negentiende eeuw. Aquarel van Ph. de Corswarem. (R. Nijssen – R. Van Laere, Kastelen op papier, p. 50)


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Kasteel van Henegouw. (postkaart, privécollectie)

261


262

houden. In het jaar 1910 werd het kasteel van de familie Nys gehuurd door prins Henri de Bourbon en zijn echtgenote Caroline de Kervel. Henri de Bourbon, hertog van Normandië, was een afstammeling van Nauendorff, de Franse kroonpretendent Louis XVII. De prinselijke familie woonde er tot in 1914. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog weken de Bourbons uit naar Nederland uit angst voor de Duitse bezetter. Gedurende de oorlog 1914-1918 nam de generale staf van het Duitse leger onder het bevel van generaal von Bülow zijn intrek in het kasteel. Gedurende de oorlog 1940-1945 werd het gebouw achtereenvolgens bezet door het Belgisch leger, de Duitsers, de Engelsen en de Amerikanen. De gebouwen hadden veel te lijden van de voorbijtrekkende troepen en van de leegstand tussendoor. Toen in het jaar 1951 een afstammeling van Henri de Bourbon, zelf een bekende Nederlandse dichter, naar Hasselt kwam om er een voordracht te geven over de Nauendorffkwestie, maakte hij van die gelegenheid gebruik om een bezoek te brengen aan het kasteel waar zijn ouders vier jaar lang hadden gewoond. Het weerzien met zijn vroegere woonst werd voor hem een pijnlijke verrassing. Hij vond er het “hagelwitte kasteel” terug in een erbarmelijke staat van verval. Aan dit bezoek wijdde hij een gedicht waarin hij zijn teleurstelling en ontgoocheling uitdrukte: …

De zoon van Casimir Nys, Pierre Nys-Croonenberghs, verkreeg Henegouw van zijn ouders door erfenis na de oorlog 1914-1918. Hij bleef met zijn familie het goed betrekken tot in 1954. Op 22 maart 1954 kocht dokter J. Bisoux-Desquiens van de familie Nys twee ha van het domein, namelijk het kasteel, de grond, de grote schuur en de hoeve. De boomgaard van 16 ha werd op 23 juni van datzelfde jaar aangekocht door de Federale Immobiliënmaatschappij uit Brussel. Op 10 januari 1961 kocht dezelfde maatschappij nog 20 ha van de resterende gronden. 345 Op zaterdag 2 november 1974 werd het kloostergebouw, nu kasteel genoemd, grotendeels door een brand vernield. De bovenverdieping en de zolder werden volledig door het vuur verteerd, terwijl het gelijkvloers vooral te lijden had onder de waterschade. Tachtig procent van het meubilair kon worden gered. Ook een paar waardevolle kunstvoorwerpen, zoals een vijftiende-eeuwse Piëta en twee engelenbeelden uit de veertiende eeuw, konden uit de vuurhaard gesleept worden. 346 Met enige moeite herkent de bezoeker vandaag het witgeverfde, rechthoekige gebouw uit de negentiende eeuw. De karakteristieke linkerzijgevel, die over de volle hoogte ovaalvormig is uitgebouwd met een balustrade op zuilen en bekroond met een torentje, is nog steeds herkenbaar. 347

en ik ging, vergrijsd, weer naar het kasteel der dromen maar vond het bos verwoest, de bloemenhof vergaan, de dag was, de regen viel bij stromen, de muur zo smetteloos, tot somber grauw verschoten, ’t gazon verdord, vermolmd de bomen van de laan. O jeugd’ kasteel, o droom, uw luiken zijn gesloten. 344

340 341

342

343 344 345 346 347

De gebruikelijke schrijfwijze is met ‘ou’, maar een paar Franstalige auteurs uit de negentiende eeuw gebruikten foutief ‘au’. M. Hereswitha, ‘De O.-L.-Vrouwpriorij van de Heilig-Graforde te Henegouw onder Hasselt (1312-1731)’, Handelingen Koninklijke Commissie voor geschiedenis, 141 (1975) 257. W. Smeets, persoonlijk archief, losse notities. RAH, SH, reg. 314, f° 267-270v°. RAH, Leenzaal van Kuringen, Verheffingen, nr. 46, 226. Toeristische dienst stad Hasselt, stadhuisnotities. s.a., Tijdspiegel, 6 (1951) 228. Bussels, 52 waardevolle Hasseltse gebouwen, 21. W. Smeets, persoonlijk archief, losse notities. D. Jacobs, ‘Geen toekomst meer voor het kasteel van Henegauw’, Het Belang van Limburg (24/01/2006).


263

De ruïne die we vandaag kennen, is het voorlopige eindpunt van een verhaal dat start in de twaalfde eeuw, de periode van de kruistochten. Onder leiding van Godfried van Bouillon hadden de eerste kruisvaarders in 1099 Jeruzalem bevrijd van de aanwezigheid van de Sarrazenen. Godfried verbond aan de kerk van het Heilig Graf een kapittel van kanunniken, die in gemeenschap leefden volgens de regel van de Heilige Augustinus. Zij kregen als specifieke opdracht het graf van Christus te beschermen en er voor de pelgrims de erediensten te verzorgen. De Heilig-Graforde werd officieel opgericht in 1114. In 1122 werd zij door paus Callixtus II officieel erkend als de “orde der Reguliere Kanunniken van het Heilig Graf”, ook genoemd de sepulchrijnen. Het koninkrijk Jeruzalem hield evenwel niet lang stand en het Heilig Land werd opnieuw heroverd door de moslims. 348 Bij de val van Jeruzalem in 1187 werd de zetel van het patriarchaat gevestigd te Akko. Het kapittel van Jeruzalem nam de wijk naar Perugia, waar zij hun hoofdzetel vestigden. De kanunnikale orde verspreidde zich weldra ook over Europa. Zo ontstonden de gemeenschappen van Denkendorf (Stuttgart) en van Burtscheid St. Leonardus (Aken). Andere ordeleden trokken naar de Lage Landen om er nieuwe vestigingen te stichten. Van in de twaalfde eeuw werden er door de graven van Loon en hun vazallen aan de orde tal van onroerende goederen geschonken: circa 1140 schonk de graaf van Loon – vermoedelijk Arnold II, die ook de abdij van Averbode stichtte – of één van zijn leenmannen gronden te Wimmertingen en Henegouw bij Hasselt en te Bierbeek bij Leuven en circa 1170 te Oetsloven onder Berlingen. De bedoeling was dat de ordeleden op al deze plaatsen nieuwe kloosters zouden stichten. 349

Priorij van het Heilig Graf en kerk van de sepulchrijnen langs de heerbaan in Wimmertingen. (Wimmertingen Warm aanbevolen, p. 12)

Binnen deze context werd in het jaar 1144 voor de nieuwe priorij van Onze-LieveVrouw in Wimmertingen een kapel opgericht ten zuiden van de Mombeek en de Laak. De eerst gekende prior was een zekere Alardus (1191). Hij bewoonde met zijn medebroeders het klooster opgetrokken ten oosten van de heerbaan (baan van Hasselt naar Tongeren), op de plaats van de latere brouwerij De Plas (deze brouwerij, gelegen op de Luikersteenweg 490, was actief in de negentiende en twintigste eeuw). De Mariakapel, de kapel van het klooster, lag ten westen van de heerbaan dicht bij de Wimmertingenstraat (voorheen Kapelstraat). Omdat de Mombeek en de Laak regelmatig buiten hun oevers traden, waardoor de weg onder water kwam te staan, bouwden de kanunniken een brugje over de heerbaan, die de kapel met hun klooster verbond.

In een bul van 7 mei 1244 neemt paus Innocentius IV de orde van het Heilig Graf onder zijn bijzondere bescherming en bekrachtigt hij haar voorrechten en bezittingen. Wimmertingen wordt expliciet vernoemd als de eerste priorij van de orde in de Nederlanden. In dit document wordt eveneens gewag gemaakt van de kapel van Wimmertingen, die bediend werd door de kanunniken van het Heilig Graf: “Ecclesia S. Sepulcri de Wimmertingen primum anno 1243 mentio fit.” Deze kerkgemeenschap was de kern van de aanvankelijke parochie. 350 Volgens het kerkelijk recht was deze kapel juridisch afhankelijk van de parochie Jesseren, die net zoals Wimmertingen ressorteerde onder de heerlijkheid Heers. De pastoor van Jesseren beschikte immers over het begevingsrecht van de kerk van Wimmertingen en inde bovendien de tienden in deze gemeente. Het waren niet de kanunniken van het Heilig Graf die de kapel gebouwd hadden, want dan hadden zij zelf aanspraak kunnen maken op het begevingsrecht en op het tiendrecht.


264

Zowel de kerk van Jesseren als de Mariakapel van Wimmertingen waren gebouwd door één van de wereldlijke grondheren, zoals de graaf van Loon of één van zijn vazallen, mogelijk één van de landheren van Heers. De heren van Heers stelden de pastoor van Jesseren aan, die zelf de kapel van Wimmertingen onder zijn ressort had. Het ligt voor de hand dat de pastoor van Jesseren de hulp inriep van de kanunniken van het Heilig Graf om de eredienst in de kapel te verzorgen. De afstand tussen de twee gemeenten vormde immers voor deze pastoor een obstakel om zijn pastorale verplichtingen naar behoren te vervullen. Tot de schenking van graaf Arnold II in 1140 behoorde ook de hoeve van Henegouw (perceel 21), gelegen op 2 km in de richting van Hasselt. Voor deze hoeve, een leengoed van 50 bunder land, betaalde de priorij aan de graaf van Loon een cijns van gemiddeld drie pond en aan de Leenzaal van Kuringen het verheffingsrecht. 351 Voor de kleine tienden op de 130 bunder landbouwgrond die hierbij hoorden, dienden de sepulchrijnen aan de abdij van Herkenrode jaarlijks negen lammeren te geven. 352 Weldra werd het begevingsrecht (recht op aanstelling van de pastoor) en het daaraan verbonden tiendrecht de wereldlijke gezagdragers uit handen genomen. In 1218 kocht de abdis van Herkenrode het begevingsrecht en het tiendrecht over de parochie Jesseren (en dus ook over Wimmertingen) af tegen het bedrag van 67 gulden. Eén en ander verklaart waarom de abdis in 1297 één van de medeondertekenaars was van de stichtingsakte van de parochie Wimmertingen. De abdis dagvaardde op 20 augustus 1250 de priorij van Wimmertingen voor de officiaal van Luik voor ingebrekestelling van uitkering van de kleine tienden op hun goed in Henegouw, waarop de paters door de officiaal ertoe gedwongen werden deze te vereffenen. Op 18 december 1252 erkenden de prior en zijn convent dat zij ten onrechte een deel van deze tienden betwist hadden. 353 Op 27 november 1297 werd Wimmertingen een autonome parochie met eigen bedienaar, onafhankelijk van Jesseren. De stichtingsakte werd ondertekend door de bisschop van Luik, Hugo van Châlons, de abdis van Herkenrode Margareta van Stein en Judocus Bastmans, pastoor van Jesseren. Wimmertingen had voortaan een eigen herder om de sacramenten toe te dienen en het godsdienstonderricht aan de kinderen te verzorgen. 354 In 1309 hadden Willem, heer van Mombeek en van Villary en baanderheer van Hasselt, en zijn echtgenote de tienden op hun landerijen vermaakt aan de priorij van Wimmertingen voor de inrichting en het onderhoud van een nieuwe woonaccommodatie op Henegouw. De kanunniken bouwden er een nieuw klooster. 355 Hun eerste zorg ging evenwel naar het bouwen van een conventskerk bij de poort van de hoeve. Hun godshuis, voltooid in 1316, werd onder de bescherming van Onze-LieveVrouw geplaatst. Na een verblijf van meer dan 150 jaar te Wimmertingen verhuisden de kanunniken van het Heilig Graf in 1312 naar hun landgoed op het hogergelegen Henegouw. Redenen voor dit besluit waren de overstromingsellende wanneer de Mombeek buiten haar oevers trad en het toenemend drukke verkeer op de heerweg. In 1313 werden de tienden en de jaarlijkse cijns van het convent, dat nu hof te Wimmertingen werd genoemd, door het convent van Henegouw aan een derde persoon in pacht gegeven. Intussen bleven de kanunniken van de priorij, en bij afwezigheid een seculiere priester, tot in 1606 trouw alle erediensten en het pastoraal van de parochie Wimmertingen verzorgen. De prior behield het patronaat over de Mariakapel. In 1366 was Michiel de Hoerne rector van de kapel. Omstreeks 1460 liet prior Cornelius Oeslinger aan de Mariakapel een stenen koor en een stenen dak bouwen. Peter van Oppeyen werd in 1562 vernoemd als rector. 356 De oudst bekende verheffing van het landgoed Henegouw voor de Leenzaal van Kuringen dateert uit de periode 1361-1364: “Curia de Henegowe: prior domus de Henegow relevavit per Wilhelmum de Mombeke suum mamburnum 40 à 50 bonre curiam censu caponum et alia pertinentia ad dictam curiam” (In 1361 liet de prior van het klooster van Henegouw door zijn momber Willem van Mombeek een laathof van 40 à 50 bonder tegen een cijns van kapoenen en de overige bijhorigheden aan voornoemd hof verheffen). De inhoud van deze verheffing toont aan dat de priorij niet gesticht werd door hun momber Willem van Mombeek en evenmin gelegen was op een deel van het domein van Mombeek.


265

De oude Mariakapel van de kanunniken van het Heilig Graf werd op zondag 9 juni 1628, onder het pastoraat van Jan Hechtermans, bij openbaar opbod en met uitbranden van de kaarsen, verkocht voor de som van negenenvijftig Brabantse gulden. De hoogste bieder, Lambrecht Schuermans, verbond er zich toe het bouwwerk af te breken mits behoud van de materialen die nog in de nieuwe kerk verwerkt konden worden, zoals lood, schalies, de klok, planken, bruggen, ijDe Onze-Lieve-Vrouwkapel van de sepulchrijnen te Wimmertingen. zerwerk, het deurslot en de ramen. Ook het kerkhof moest geruimd worden, waaruit kan worden afgeleid dat er een begraafplaats lag bij de oude kapel. Nauwelijks een maand later, op 6 juli 1628, werd de eerste steen gelegd van de nieuwe parochiekerk. In de eerste helft van de veertiende eeuw kreeg de priorij Henegouw ongewenst bezoek van enkele geestelijken die zich onrechtmatig legitimeerden als leden van de orde van het Heilig Graf. In korte tijd kwamen ze tot een openlijk conflict met de prior, Lambertus van Henegouw. Op verzoek van de proost van Denkendorf, die het hoofd was van de Germaanse provincie, en dankzij de bemiddeling van de Luikse prins-bisschop Adolf van der Marck en de Brabantse hertog Jan III, konden in 1339 prior Lambertus en zijn medebroeders opnieuw bezit nemen van hun priorij. 357 Tijdens de tweede helft van de veertiende eeuw ondervond Henegouw ook de weerslag van de militaire gevolgen van de opvolging van het bestuur van het graafschap Loon na de dood van Lodewijk IV in 1336. Na de eerste successieoorlog van 1338 wist Diederik van Heinsberg het bezit van het graafschap naar zich toe te trekken. Bij de tweede Loonse successieoorlog, waarin de prins-bisschop van Luik Engelbert van der Marck het opnam tegen de pretendenten Godfried van Dalenbroek en Arnold van Rummen, veroverde Engelbert de centra Loon, Hasselt, Bilzen, Herk-deStad en stootte hij verder door tot het Maasland. Het gevolg daarvan was dat Loon als een autonoom graafschap voortaan definitief ingelijfd werd bij het prinsbisdom Luik. Toch kon de verheffing van het leengoed Henegouw in 1345 voor de Leenzaal van Kuringen door prior Christophe van Henegouw normaal plaatsvinden. Dit was ook het geval voor de verheffing van het goed tussen 1361 en 1364 door prior Goffinus de Welnis via zijn momber Willem van Mombeek. Dit leengoed bestond uit het cijnshof, vijftig bunder land en twee vijvers. Tot aan de laatste prior, Jan van Mombeek (+1606), bleef de omvang van het goed ongewijzigd. Volgens een diploma van keizer Sigismond van 30 november 1416, verleend aan de stichting Denckendorf, hing de stichting Wimmertingen-Henegouw toen af van deze proosdij. 358 Cornelius Oeslinger uit Eupen, prior in Henegouw van 1456 tot 1484, was een sterke persoonlijkheid die steeds de belangen van de orde in haar totaliteit voor ogen hield. Door zijn bemoeienissen werd in 1442 te Sint-Odiliënberg het eerste vrouwenklooster van de Graforde in de Nederlanden opgericht. De nieuwe stichting hield evenwel geen stand, zodat de gebouwen er in 1460 verlaten bij lagen. Op 20 februari 1457 bekwam Oeslinger van prins-bisschop Lodewijk van Bourbon de erkenning van alle privilegiën die tot dan toe aan de orde verleend waren. 359 In 1465 rekruteerde Oeslinger tal van nieuwe leden voor zijn priorij, met de bedoeling in SintOdiliënberg een nieuwe priorij voor mannen te openen. In datzelfde jaar liet Cornelius Oeslinger Jan van Abroek toe tot de orde. 360 Hij werd de grote hervormer van de sepulchrijnen in ons land. Van Abroek was omstreeks 1440 geboren te Bree en studeerde in ’s Hertogenbosch en in Keulen. Op 18 januari 1471 werd hij als eerste prior aangesteld te Sint-Odiliënberg. In 1474 richtte hij in Kinrooi een nieuw convent op, waar hij vanaf 1480 het eerste vrouwenklooster van de Lage Landen in onderbracht. In 1484 werd hij benoemd tot provinciaal van de orde van de pas opgerichte provincie NederGermanië, zowel over de mannelijke als de vrouwelijke leden. 361 In 1486 opende hij een vrouwenklooster in Sittard. Dit klooster werd later overgebracht naar Luik onder de benaming Sainte-Elisabeth des Bons Enfants. De naam van dit huis werd in onze gewesten verbasterd tot Bonnefanten. 362


266

Het vrouwenklooster van Kinrooi werd in 1495 overgebracht naar Maaseik. Kinrooi beschikte bovendien nog over twee dochterkloosters: Nieuwstad en Gartzen-St. Antonii (bij Euskirchen). De kasteelheer van Gartzen stelde aan de kloostergemeenschap zodanig onredelijke eisen dat een verdere uitbreiding ter plaatse weliswaar onmogelijk werd. Met goedvinden van de provinciaal Jan van Abroek vond dit convent in 1507 een voorlopig onderkomen in een leegstaande vleugel van de priorij van Henegouw. De kanunnikessen leefden er onder het prioraat van Clemence van Abroek. De geestelijke leiding over het convent werd toevertrouwd aan pater Joost van Lyrop. Laatstgenoemde stierf op 21 juli 1509. 363 Zoals hoger gesteld, had Willem van Mombeek in 1309 de tienden van het hof van Mombeek afgestaan aan de priorij. Op 10 januari 1496 verkocht jonker Lambrecht van den Bossche (als momber van zijn echtgenote Maria Reys van Repen) het hof van Mombeek met al zijn aanhorigheden, met uitzondering van de molen, aan prior Dionys van Brede en zijn convent voor een bedrag van 2 220 rijngulden. Wellicht was deze aankoop verkeerd ingeschat, want reeds op 5 mei 1505 verkochten de nieuwe prior Goswijn van Bueren en zijn procurator Jan van Roy het huis en het hof van Mombeek terug aan de zoon van de vorige eigenaar, Willem van den Bossche van Repen, geheten van Mombeek. 364 In 1507 was de kloosterpopulatie in Henegouw herleid tot een viertal mannelijke en dertien vrouwelijke religieuzen: “in separatis edibus tres quaterve canonici regulares et tredecim minimum canonissae.” De dames vonden er een gastvrij onderkomen: “Ende hebben gevlucht in Henegouwe, daar de heeren uyt compassie hebben haer verleent eenige particuliere plaetsche.” De orderegel liet evenwel niet toe dat een mannenconvent en een vrouwenconvent op eenzelfde plaats gevestigd waren. Omdat de kanunniken hun voornemen hadden te kennen gegeven op het domein van Henegouw te blijven wonen, kocht het provinciaal kapittel in het centrum van Hasselt een huis aan. Aangezien deze nieuwe woning hun niet beviel, besloten de sepulchrienessen uit te wijken naar Luik en er hun intrek te nemen in het klooster SainteElisabeth, in de volksmond les Bons Enfants geheten, waar sedert 1496 reeds de communauteit van Nieuwstadt gevestigd was. 365 Vanaf die periode bleven de bonnefanten het goed van Henegouw evenwel beschermen als hun wettelijk eigendom. De priorij Henegouw, die in de vijftiende eeuw een crisisperiode had beleefd, kende in het tweede kwartaal van de zestiende eeuw een hoogtepunt onder het prioraat van Willem Zenders (1538-1559), mede door de intrede van nieuwe ordeleden, stichtingen van jaargetijden en de toename van het aantal dagelijkse missen. De priorij beschikte in die tijd over een indrukwekkende bibliotheek. Op 23 november 1542 onderschreef prior Zenders een goederenruil met de erfgenamen van wijlen Jan Rouben. Bij deze wissel werd het

Schets van de priorij van Henegouw, omstreeks de zestiende eeuw. Achterzijde van een document uit de zestiende eeuw, dat zich bevindt in het Rijksarchief in Brussel, registratienummer onbekend. (privécollectie) Verklaring van de nummers op de kaart: - 1, 2, 3 en 4: afgekapte bomen - 5: blauw, stenen kruis - 6: de sauvegardestaf - 7: de lindeboom waar naar gewoonte alle publicaties en mandementen werden geafficheerd - 8: holte in de gracht waarlangs het water wordt afgevoerd - 9: de gracht - 10: gracht langs de goederen van Henegouw


267

klooster in het bezit gesteld van vijf bunder leengoed, het Moersgoet genaamd, dat binnen het domein van het convent gelegen was. In ruil hiervoor werden de erfgenamen Rouben in het bezit gesteld van drie bunder cijnsgoed op de Quaeden Driesch tussen de Tomstraat en de Melbeekstraat en twee bunder land op het Ruekennest in Runkst. 366 De communauteit van Henegouw telde in die jaren zeven kapitulaire kanunniken. Dat het de gemeenschap voor de wind ging moge worden aangetoond door verbouwingswerken die aan de kerk en het kloostergebouw werden aangevat vanaf 1523. In de nieuwe conventskerk werden buiten het hoofdaltaar nog twee zijaltaren geplaatst. De plechtige consecratie van het nieuwe gebedshuis en van de twee toegevoegde kerkhoven vond plaats op 12 september 1546 door Gedeon van der Gracht, suffragaan van de prins-bisschop van Luik Joris van Oostenrijk. In deze kerk werden Willem van Mombeek en zijn vrouw Maria Garitz begraven. Jonker Willem van Mombeek, naamgenoot en afstammeling van de eerste weldoeners van Henegouw Willem van Mombeek en Agnes van Houffalize, baanderheer van de Loonse troepen en sedert 1503 gehuwd met Maria Garitz, kocht op 5 mei 1505 zijn voormalig eigengoed Mombeek af van de sepulchrijnen. Doorgaans verbleef deze edelman in zijn woning aan de Maastrichterstraat te Hasselt. Hij was een zoon van Lambert van Repen, die in de volksmond de edelman met de vijf namen (Stas, Scholteten, Van den Bossche, Van Repen, Van Mombeek) werd genoemd. Zijn echtgenote, dochter van Benedictus Garitz, overleed in 1545, Willem in 1548. 367 Toen na tien jaar verbintenis het huwelijk tussen Willem en Maria nog steeds kinderloos was, beloofden beide echtgenoten in de nieuwe kerk van Henegouw een altaar te stichten ter ere van de heilige Anna, mits hun kinderwens vervuld zou worden. Hun gebed werd mild verhoord: elf achtereenvolgende jaren werd er een tweeling geboren, in het totaal twaalf zonen en tien dochters. 368 Erflatenschappen ten voordele van één van de ordeleden kwamen uiteindelijk ten goede van de gemeenschap. Zo verkreeg broeder Aert Scepers, die in de priorij van Henegouw geprofest was, na het overlijden van zijn broer Martinus de volledige erfenis die hun ouders hun voor hun dood in onverdeeldheid hadden beschikt. Scepers maakte dit erfgoed van achttien roeden land, gelegen op het Pietelbeekveld, in zijn totaliteit over aan het patrimonium van de priorij. Bij de opkomst van het protestantisme in het Land van Loon sloeg ook de Beeldenstorm toe in Hasselt. Aanhangers van de nieuwe leer plunderden er de kerken, kloosters en kapellen leeg. Ook de priorij van Henegouw maakte als gevolg van deze troebelen moeilijke tijden door. Het convent werd door de beeldstormers een eerste keer geplunderd in 1566 en andermaal kreeg het in 1568-1569 ongewenst bezoek van dezelfde oproerkraaiers. Na de mislukte Pacificatie van Gent, getekend op 8 november 1576, laaiden de troebelen een derde keer op. Bij de inval van de calvinisten in 1578 maakte de prior van Henegouw zijn beklag bij de drossaard, jonker van Horion, over de gewelddaden die door de straatschenders waren gepleegd op zijn klooster en op zijn kerk. In de jaren 1579-1580 werd de priorij nogmaals geteisterd door de geuzen, die de geestelijkheid hier te lande achtervolgden en verjoegen. Deze vrijbuiters waren deels afgezakt uit Holland naar onze contreien en deels afkomstig uit eigen streek. In 1580 werden de enkele sepulchrijnen die er nog verbleven door de geuzen op de vlucht gedreven. Hun prior Jan van Mombeek, die vanaf 1574 fungeerde als vijfde en laatste provinciaal en tegelijkertijd archiprior was van Sint-Odiliënberg en prior van het klooster van Xhavije, zocht samen met zijn confraters een onderkomen in Sint-Odiliënberg, zetel van het provincialaat. Een lekenbroeder, vermomd als pachter in boerenkleren, bleef in de omgeving van de zwaar gehavende Henegouwpriorij wonen. 369 Omstreeks 1587 keerde Jan van Mombeek terug naar Henegouw, blijkbaar om zich te vergewissen van de toestand ter plaatse. De laatste tien jaren waren de gebouwen vrijwel niet meer bewoond, bij gebrek aan verjonging van de kloosterbevolking die kennelijk aan het uitsterven was. De reguliere kanunnikessen van Sainte-Elisabeth des Bons Enfants te Luik lieten opnieuw hun aanspraken gelden op de helft van het bezit over Henegouw en wendden voor dat hun het eigendomsrecht sedert 1507 was toegekend. Via enkele sympathisanten lieten zij de nuntius van Keulen, Octavio Mirto Frangipani, weten dat hun mannelijke confraters de priorij van Henegouw al geruime tijd verlaten hadden. Met een aantal drogredenen argumenteerden zij dat hun mannelijke confraters


268

hen uit Henegouw hadden weggestuurd en hun het klooster Sainte-Elisabeth in Luik hadden opgedrongen zonder daarvoor enige steun te hebben verleend. De nuntius onderstreepte de eenheid en de samenhorigheid van alle leden binnen de orde en beklemtoonde de noodzaak tot samenwerking tussen het huis van Henegouw en dat van de Bonnefanten te Luik onder beperkende voorwaarden. Bovendien liet hij de twee belanghebbende partijen dagvaarden. Op 11 februari 1594 liet paus Clemens VIII de priorij van Henegouw incorporeren bij het monasterium Sainte-Elisabeth des Bons Enfants te Luik. De Luikse religieuzen kwamen vervolgens naar Henegouw onder begeleiding van enkele soldaten en namen er met enig geweld bezit van de priorij. Over deze gang van zaken maakte prior Jan van Mombeek zijn beklag bij de prins-bisschop van Luik, Ernest van Beieren (1581-1612), hierin gesteund door zijn neef, vicaris-generaal de Lynden. Jan van Mombeek handhaafde zijn verzet en eiste dat de dames onverwijld de plaats zouden verlaten. Toen de nonnen op zijn eis afwijzend reageerden, werden de Hasseltse milities ingeschakeld om de dames manu militari te verjagen. De Hasselaren dreven de zusters met hun aanhang terug tot tegen Tongeren. Terwijl Van Mombeek trachtte zijn standpunt te verzilveren via de bisschop van Luik, zetten de nonnen hun onderhandelingen rechtstreeks verder met Rome. 370 Jan van Mombeek werd op het Vaticaan ontboden en geëxcommuniceerd en de prins-bisschop kreeg via een mandaat het verbod zich nog met de zaak in te laten. Wel werd overeengekomen dat de bonnefanten jaarlijks een pensioen zouden uitkeren aan Jan van Mombeek en aan de nog aanwezige lekenbroeder. Toen deze laatste zich ondanks zijn verzet toch moest gewonnen geven, sprong hij uit wanhoop in een waterput en verdronk. De oud-provinciaal trok zich terug in de abdij van de cisterciënzerinnen van Hocht, waar zijn nicht Françoise van Mombeek (1580-1609) abdis was. Hij overleed er in 1606 en werd er begraven in de abdijkerk. 371 Na het overlijden van Jan van Mombeek geschiedden de leenverheffingen van Henegouw regelmatig door de overste van de Luikse bonnefanten en dit tot het jaar 1731 toen zij hun eigendom verkochten. Dit gebeurde voor het eerst op 29 november 1606 toen de priorin zuster Marie de Slyns haar leengoed van zowat vijftig bunder met inbegrip van het cijnshof voor de Leenzaal van Kuringen liet verheffen bij monde van de momber van Henegouw, Renier Moers. 372 Nu de priorij definitief verlaten was door de mannelijke ordeleden, kwam een kleine groep zusters vanuit het Luikse klooster zich definitief vestigen op Henegouw. De naleving van alle verplichtingen die het bezit van het klooster met zich bracht, bleek al gauw een niet haalbare kaart voor het onderbezette convent. Fundaties en jaargetijden kwamen in het gedrang en ook de dagelijkse conventsmis bleek onmogelijk, omdat er geen kanunniken meer in de priorij woonden. In 1613 diende mevrouw Agnes de Wolfart van Mombeek een klacht in bij de vicaris-generaal Chockier van Luik (+1656), omdat er op Henegouw geen kerkelijke diensten meer verzorgd werden. Als tegenmaatregel besloot zij van haar kant de tienden van Mombeek in te trekken. Zij werd op het kasteel van Mombeek opgevolgd door Godfried van Mombeek. Godfried was drossaard en schout van Hasselt. Hij sloeg het beleg rond Mombeek en maakte zich meester van het landgoed met de hulp van de gezellen van de Rhetoricakamer. Ook hij formuleerde een nieuwe klacht tegen de bewoonsters van de priorij, andermaal uit hoofde van hun ingebrekestelling bij het verzorgen van de liturgische diensten. Meer in het bijzonder nam hij het hun kwalijk dat de heren van Mombeek als stichters van Henegouw in de intenties van de misvieringen niet gecommemoreerd werden. Samen met Livinus Francken, prior van de kanunniken van het Heilig Graf te Gulpen, liet hij de zusters dagvaarden voor de bisschoppelijke rechtbank in Luik. Het proces bleef evenwel zonder gevolg. 373 Bovenstaande notities werden opgetekend in 1705 door de Hasselaar Libertus van Elsrack, die als kanunnik van het Heilig-Graf geprofest was in het klooster van Xhavée en later werd aangesteld als apostolisch protonotarius. 374 Libertus was het negende kind uit het huwelijk van Arnold van Elsrack en Maria Colyns, een familie die meerdere generaties lang in Hasselt woonde. Hij werd gedoopt op 19 augustus 1627. In 1667 kreeg hij zijn benoeming tot prior in het klooster van Xhavée. Hij overleed op 19 juli 1718. 375


269

Op 7 september 1626 verscheen zuster Margaretha Massin in naam van het convent van Henegouw voor de schout en de schepenbank van de heerlijkheid Wimmertingen met het verzoek het stuk erfgrond waarop de kapel stond/had gestaan te releveren. Uit deze verheffing blijkt dat de bonnefanten van Henegouw op voornoemde datum nog steeds in het bezit waren van de grond (waarop de kapel stond of gestaan had: was zij inmiddels afgebroken?) op de hoek van de Kapelstraat (Wimmertingenstraat) en de heerbaan (Luikersteenweg). Nauwelijks was het Twaalfjarig Bestand afgelopen of de Spaanse militia en de troepen van de prins van Oranje vielen opnieuw het prinsbisdom Luik binnen. Uiteraard werd eerst het platteland geplunderd en gebrandschat. De bonnefanten stelden zich voorafgaandelijk veilig door op 5 mei 1631 aan de prins-bisschop een sauvegarde aan te vragen voor hun klooster en voor het cijnsgoed van Henegouw. Aanvankelijk trachtten de Luikse bonnefanten nog een hechte gemeenschap in Henegouw te vestigen. Hun opzet mislukte evenwel. Wel waren zich op 8 juni 1638 enkele dames uit het Luikse convent in Hasselt komen vestigen “om die meyskens françois te leeren en goede seden.” Pastoor Jan Fredericx zorgde er op 31 oktober 1649 voor dat hun een huis ter beschikking gesteld werd in de Paardsdemerstraat. Hiernaast bouwden zij een nieuw klooster, dat voltooid werd op 13 augustus 1668 met de eerstesteenlegging van hun nieuwe kerk, waarvan de westgevel gelegen was aan de Demerstraat. 376 Toen omstreeks de helft van de zeventiende eeuw Henegouw niet meer als klooster gebruikt werd, verpachtten de bonnefanten de gebouwen aan particulieren. Hierdoor ontstond er circa 1650 een rechtsgeding tussen het klooster Sainte-Elisabeth en het stadsbestuur van Hasselt. Vermits de priorij niet meer door zusters bewoond was, beschouwde de magistraat deze eigendommen niet meer als kerkelijk goed en meende het bestuur erop belastingen te kunnen heffen. De stad overwoog het domein Henegouw te belasten met een gulden per mud rogge. De Luikse sepulchrijnen besloten vervolgens het goed te verkopen. Rome stemde in met de verkoop op voorwaarde dat het herdenken van de jaargetijden, die aan de kerk van Henegouw waren verbonden, voortaan in het klooster van Luik zouden gecommemoreerd worden. Bijkomende voorwaarde van Rome was dat de verkoop minstens 3 000 écus moneta romana zou opleveren. De tienden van de kerk van Wimmertingen en het bezit van de kapel van Oetsloven bleven eigendom van het klooster van Luik tot aan de opheffing van de kloosters door de Fransen in 1796. 377 In 1664 werd het sepulchrijnenklooster door een decreet van paus Clemens IX opgeheven en werd Henegouw enkel nog bewoond door een pachter en zijn gezin die het goed moesten bewaken. In 1699 rezen er moeilijkheden tussen de pachter en de prins-bisschop over het verplichte gebruik van de molen. Ook bestond er onenigheid tussen de pachter en de stad Hasselt omtrent de belasting op het hout. Nog altijd was de toewijzing van het eigendomsrecht juridisch niet opgelost. Daarom besloot Godfried van Mombeek in 1705 een proces in te spannen vóór de vicaris-generaal en de aartsdiaken van Haspengouw tegen de aanspraken van de bonnefanten op Henegouw. De rechtbank eiste dat de oorspronkelijke charters zouden voorgelegd worden om aan te tonen hoe de nonnen in het bezit van Henegouw gekomen waren. Omdat deze bewijsstukken niet bestonden, riepen de dames verjaring in. Raadsheer Carolus de Mean weerlegde hun verzoek, waarop er van de kant van de beklaagden geen reactie meer kwam. In de procesvoering kwam ook het probleem van de tekortkomingen van de bewoonsters met betrekking tot het verzorgen van de liturgische diensten opnieuw ter sprake. De rechtbank toonde aan dat er naast het herdenken van de jaargetijden ook nog dagelijks een gezongen mis gecelebreerd moest worden. Bovendien waren zij verplicht om iedere maand een mis te laten opdragen in de kapel van Oetersloe bij Hoepertingen, omdat dit gebedshuis ook afhankelijk was van Henegouw. De rechtbank stond erop dat de misvieringen op de zondagen en de weekdagen stipt opgevolgd zouden worden. Dit was trouwens de aanleiding waarom de heren van Mombeek de tienden op hun eigendommen hadden ingehouden. 378 In 1715 werden de bonnefanten nog verplicht door het stadsbestuur van Hasselt belastingen te betalen op 50 bunder van het goed. Mochten zij er toen zelf nog gewoond hebben, dan zouden ze van deze verplichting ontslagen geworden zijn.


270

W. Smeets, persoonlijk archief, losse notities. M. Hereswitha, ‘Inleiding tot de studie van het kloosterleven in de Nederlanden’, Archief- en Bibliotheekwezen in België, 15 (1975) 80-82. 350 Hereswitha, ‘Inleiding tot de studie’, 85. 351 J. Daris, ‘Henegouw’, Notices historiques sur les églises du diocèse de Liège, II (1871) 168-170. 352 Hereswitha, ‘Inleiding tot de studie’, 86. 353 J. Coenen, Limburgsche oorkonden (Maaseik 1932-1942) nr. 1500 en 1505. 354 Vanaf het begin van de zeventiende eeuw werd de bediening van de erediensten in de parochie Wimmertingen geleidelijk aan overgenomen door seculiere priesters. De pastoor van Jesseren bleef evenwel het begevingsrecht waarnemen tot in de achttiende eeuw. Tot in de helft van de zeventiende eeuw gingen nog altijd 200 gulden van de tiendenopbrengst naar de pastoor en een minder beduidend deel van de tienden naar de koster en naar de abdij van Herkenrode. G. Caluwaerts, Wimmertingen: warm aanbevolen: vroeger en nu (Hasselt 2009) 5. 355 Coenen, Limburgsche oorkonden, nr. 2841. 356 Caluwaerts, Wimmertingen, 6. 357 Hereswitha, ‘Inleiding tot de studie’, 88. 358 Een proosdij in de tijd van het Heilig Roomse Rijk was een specifieke vorm van een sticht waar het kerkelijk en werelds gezag werd uitgeoefend door een proost, eerder dan de gebruikelijke abt of bisschop. De proost genoot in dit geval rijksvrijheid. http://nl.wikipedia.org/wiki/Proosdij_(sticht) 359 J. Molemans, ‘Reële en personele belastingen in Hasselt tijdens het Ancien Régime’, OLL, XLII (1987) 150. 360 Hereswitha, ‘De O.-L.-Vrouwpriorij’, 243. 361 Hereswitha, ‘Inleiding tot de studie’, 90. 362 Toeristische dienst stad Hasselt, stadhuisnotities. 363 Daris, ‘Henegouw’, 168-170. 364 Hereswitha, ‘Inleiding tot de studie’, 90. 365 W. Smeets, persoonlijk archief, losse notities. 366 Hereswitha, ‘De O.-L.-Vrouwpriorij’, 244 en 249. 367 W. Smeets, persoonlijk archief, losse notities. 368 Caluwaerts, Hasselt intra muros, 118. 369 Hereswitha, ‘Inleiding tot de studie’, 92. 370 C. De Borman, ‘Henegauw. Ex libris du protonotaire L. Van Elsrack’, APL, VI (1902) 5-9. 371 Molemans, ‘Reële en personele belastingen in Hasselt’, 150. 372 Hereswitha, ‘De O.-L.-Vrouwpriorij’, 245. 373 De Borman, ‘Henegauw’, 8. 374 De titel Apostolisch protonotaris is - binnen de Rooms-katholieke Kerk - zowel de hoogste erefunctie die door de paus kan worden verleend aan een zeer verdienstelijke priester, als een daadwerkelijke functie, die door prelaten van de Romeinse Curie wordt uitgeoefend. http://nl.wikipedia.org/wiki/Apostolisch_protonotaris. 375 De Borman, ‘Henegauw’, 1. 376 M. Hereswitha, De vrouwenkloosters van het Heilig Graf in het prinsbisdom Luik vanaf hun ontstaan tot aan de Fransche Revolutie 1480-1798 (Leuven-Antwerpen 1941) 246. 377 Hereswitha, ‘De O.-L.-Vrouwpriorij’, 246. 378 De Borman, ‘Henegauw’, 8. 348 349


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Henegouwbosch Perceelnummer: 21. Bossen en beemden die eigendom waren van de priorij van Henegouw, gelegen op de Henegouwberg tegen het grondgebied van Sint-Lambrechts-Herk.

Zevenhovenbemden Beemden gelegen aan de Quaethovenstraat, parallel met de Mombeek op de grens met Wimmertingen.

Donckerbemden Perceelnummers: 31-40. Beemden gelegen ten oosten van de Luikerbaan bij de brug van Wimmertingen, tussen de Mombeek en het Molenpad.

Mombeek Deze beek wordt ook de Molenbeek genoemd en is een zijrivier van de Herk, die de grens vormt tussen Hasselt, Wimmertingen en Kortessem.

Idyllisch hoekje in het park van het kasteel van Henegouwbos. (postkaart, privĂŠcollectie)

271


272

Het molenrad aan de Mombeekmolen in actie.

Schets van de Donckerbeemden, volgens de kaart van Vanpaesschen gelegen in het zuidelijke stadsdeel. (privĂŠcollectie)


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Mombekermolen Perceelnummer: 41. Ligging: aan de Mombeek, op de grens van Hasselt en Wimmertingen. In 1783 was deze molen eigendom van de heren de Geloes. Op één van de meest zuidelijk gelegen punten van het Hasseltse grondgebied ligt de Mombeekmolen, aldus genoemd naar de Mombeek of de Molenbeek, die de grens vormt tussen Hasselt en Wimmertingen. Deze molen was afhankelijk van het kasteel van Mombeek, dat sedert de dertiende eeuw een Loons leen was. In tegenstelling tot andere molens die totaal verdwenen zijn, rest van de Molenbeek nog een deel van het molenwerk. In de gevel was een arduinsteen ingebouwd met het opschrift “L. Van Briel – van Havere 1910”. Het eigenlijke molenrad is sedert enkele jaren afgebroken en de molen werd vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw niet meer als dusdanig gebruikt. Het weggetje dat vanaf de Luikersteenweg naar deze molen leidt, heet de Molenvoetweg. De watermolen van Mombeek op de Molenbeek bediende een deel van de inwoners van Trekschuren en Rapertingen.

Moordelkuil Perceelnummers: 43-74. Verzamelnaam voor een aantal percelen ten oosten van de Luikerbaan tussen Henegouw en Wimmertingen.

Kasteel van Mombeek Perceelnummer: 42. Ligging: aan het einde van de Mombeekdreef, op de grens met Diepenbeek. In 1783 was dit kasteel eigendom van de heren de Geloes.

De heerlijkheid Mombeek was in de middeleeuwen een Loons leengoed dat zich uitstrekte op zowat twee mijl ten zuiden van Hasselt langs de beek waaraan het zijn naam ontleent. Het domein van Mombeek, zelf een leen van Kortessem en een achterleen van Loon, bestond uit meerdere hectaren. In 1565 besloeg de omvang van het onroerend goed van Mombeek een oppervlakte van 113 bunder. Het kasteel zelf was omgeven met vijvers en weilanden. 379 In een beschrijving, opgesteld door Gilis Reys van Repen anno 1409, worden “dye goede des hoefs van Mombeek in naten en in droeghe” uitvoerig opgesomd. Het hof van Mombeek omvatte een huis, een boomgaard, een molen, beemden, wijers, bossen, cijnzen en erfrenten. Het woonhuis van de familie bestond uit een neerhof, vijf vijvers die errond gelegen waren, namelijk een huisvijver, een gracht rondom het neerhof, de Sint-Jansvijver, de bovenste en de onderste winterbeek en een boomgaard recht tegenover het hof, alles tesamen vijf bunder. Volgens het oudste leenregister van Kortessem besloeg de volle omvang van Mombeek in 1601 zowat honderdvijftig bunder. Jonker Godfried van Mombeek, zoon van Willem en van Adriana de Corswarem, gouverneur van het slot van Bouillon, stelde in dat jaar zijn eigendommen als borgstelling: “het slot van Mombeke, met alle sijnen aenhanghen, landen, bempden, bosschen, wijers, ten naten ende droeghen geens uitgesloten, aenhoudende hondert vijfftich bunders, belast met hondert viertich gulden brabants in aller voeghen ende manieren dat voergenoempde heere van Mombeek die selve leengoederen van onsse genadighe welgeboren Vrouwe, vrou Oda van Cortenbach, vrouwe van Cortessem, ten leene houdende is.” Godfried van Mombeek, zoon van voormelde Godfried en van Agnes van Wolffart, verhief op 11 februari 1629 na de dood van zijn vader de heerlijkheid Mombeek vóór het leenhof van Kortessem. Ook hij beschrijft naar aanleiding van deze verheffing zijn eigendom als volgt: “In den eersten huys ende hoff met syne watergraven, metten huyswyer, verkenswyer, twee savoyren, drie bonder

273


274

landts, den wenhoff, metten cleynen boscken genaemt den Asschbosch, soo dat te samen tot Mombeek in eender plaetsen gelegen is groot synde omtrent ses bonders, wenich meer off min, regenoeten die molenwyers ter eender, den bosch van Mombeek ter tweeder, die molenbeeckstraet ter derder, ende die acht bonder den heer van Mombeek oock toebehorende ter vierder syden. Ende is soo tsamen een heergeweer leen. Noch eenen bampt groot zynde vier bonder gelegen onder Hasselt in die bempden van Mombeek, ende is ten voerdaghen genaempt geweest den melderts bampt, nu geheyten den vleeschhouwers bampt, regenoeten den verckens wyer bovengeschreven ter eenre, des heeren van Heer bempden ter andere, de platten bampt ter derder, ende de bosch van Mombeek ter vierder syden. Noch eenen bampt genaempt den platten voortyds vercregen aen Godart Van der Hercken groot IIIII bonder gelegen onder Diepenbeeck, regenoeten den voorschr. vleeschhouwers bampt ter eender, den bosch van Mombeek ter andere, het goet van der Printhagen ter vierder syden.” 380

blijkt derhalve de kern van het aanvankelijke leengoed geweest te zijn.

Op 30 augustus 1673 maakte notaris J. Sighers in opdracht van baron de Rouveroy een gedetailleerde inventaris van de onroerende bezittingen van Mombeek op. In zijn beschrijving verwijst hij naar het kasteel, het hof, een huis, gronden en weiden, bijgebouwen en bijhorende gronden met name: “twee savoeren (kuilen), de weide die de vleeshouwersbamd (of meldertsbamp) geheten wordt, zes en een half bonder groot, een wijer die de verckenswijer werd genoemd, een andere wijer van drie en een halve bonder bij de molen gelegen, een kleinere wijer die aan tien gulden verhuurd werd, een halve bonder genaamd de Verloren Kost, de twee bonder grote pertsbampt, twaalf roeden genaamd de kalfstuin, het blau bosje, zeven bonder weiden waar koeien en paarden werden uitgezet, zeven bonder gemene weiden, een tuin met bomen van anderhalve bonder groot achter de stallen, een tuin met bomen van drie en een halve bonder genaamd De Duyvendries, in het totaal vijftig à zestig bonder landbouwgrond en twintig bonder bos.” 381 Het kasteel van Mombeek, met het omliggende blok,

In de loop der tijden werden herhaaldelijk aanpassingswerken uitgevoerd aan het gebouw. Zo was het kasteel omtrent de helft van de achttiende eeuw omsloten door een gracht, die omzoomd was met struiken. Een ophaalbrug verzekerde de toegang. Het kasteel zelf bestond uit drie componenten: op de noordzijde lag een kapel met een torentje, getopt met een bulbe (bloembolvorm) en een kruis; een langwerpig gebouw onder zadeldak en vensters in de zijwanden, gericht naar het oosten, bood wellicht onderdak aan het dienstpersoneel; het hoofdgebouw, dat naar het westen georiënteerd was, bestond uit een traptorentje met hierbij aansluitend het woonhuis van de heer.

Omstreeks het begin van de twintigste eeuw had het kasteel van Mombeek de allure van een neoclassicistisch herenhuis van zeven traveeën en twee verdiepingen met een zolder onder een schilddak. Ter hoogte van de eerste verdieping over een breedte van drie ramen was een balkon aangebracht, geschraagd door vier sierlijke Ionische zuilen. Parallel hiermee prijkte op dakhoogte een driehoekig fronton met in het midden een halfronde oeil-de-boeuf. 382 Aan weerszijden van dit fronton bevonden zich twee dakkapellen. De vorstkam was bekroond met een gietijzeren sierlijst waarop twee windvaantjes prijkten. De gecementeerde bakstenen gevels waren afgelijnd met hoekblokken. 383 Links achter de toegang tot het voorplein lag de kasteelhoeve, die in de loop van de eeuwen evolueerde van een L-vormig grondplan naar een U-vormige bouw. Nog in de negentiende eeuw was het binnenhof toegankelijk via een stenen brug, die geflankeerd was door twee pijlers.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

275

Detail uit voornoemde schets: langs de noordkant de kapel met een torentje; langs de oostzijde een langwerpig gebouw met een paar ramen, bekleed met een zadeldak; op de westzijde een hoogbouw onder zadeldak met schouw; het geheel is omringd door een gracht, afgezoomd met struikgewas. De vier siertuinen, omzoomd met hagen, werden aangelegd ten westen van het kasteel. Een waterpomp vult het decorum ten noordwesten van het hoofdgebouw.

Schets van het kasteel van Mombeek volgens een tiendkaart circa 1730. (privĂŠcollectie)

De hoevegebouwen werden opgetrokken ten noordwesten van het kasteel.


276

In noordwestelijke richting op het binnenpleintje stond een klein bouwwerk: uit de schets kan niet worden opgemaakt of het ging om een waterpomp of om een bakhuis. Ten westen van het kasteel, zuidwaarts van de ingang, had de Geloes op het binnenplein een barokke siertuin aangelegd, opgedeeld in vier compartimenten en afgeboord met lage haagjes. Van de hoeve in L-vorm, links van de ingang en op het noorden georiënteerd, is geen verdere indeling bekend. Langs de achterkant is het complex afgezoomd door de Misenbergbeek, die ter hoogte van de Tomstraat ontspringt. Vanuit de achterkant van het complex, dat naar het oosten gericht is, vertrok een dreef richting Diepenbeek. Langs de voorkant loopt de één km lange Mombeekdreef richting Henegouw, afgeboord met een dubbele rij platanen (vóór 1945 stonden er eiken), die de percelen van de Moordelkuyl doorsnijdt. In zijn Hasseletum seu historiae lossensis compendium schrijft Mantelius dat de heren van Mombeek van oudsher de titel voerden van baanderheren van Hasselt (“toparchae ab antiquissimo praetulerunt titulum barenetti de Hasselt”). Als dusdanig voerden zij het bevel over de stadmilities (“in expeditionibus bellicis praeferre soliti”) en droegen zij de banier (“signo seu vexillo militari”=“baen”). Elke keer dat één van de heren van Mombeek voor de verdediging van de stad werd opgeroepen, stelde de magistraat hem een strijdros en een schildknaap ter beschikking (“magistratus barenetto equum praestabat cum famulo”). Deze waardigheid raakte in onbruik na de periode van Karel de Stoute (“consuetudo illa paulatim defiit praecipue post Caroli Burgondi cognomento Audacis tempora”). In 1196 was het in Luik de geplogenheid dat de gemeentelijke troepen vestingtroepen waren en geen veldleger. Pas vanaf toen mochten de stedelijke vestingtroepen ingrijpen. 384 De overdracht van een ros en een schildknaap, samen met het overhandigen van de banier, was het voorwerp van een elementaire plechtigheid.

De heren van Mombeek, kasteleinen van de munitio van Hasselt, voerden als baanderheren het bevel over de gemeentelijke troepen, wanneer de stadsmilitie buiten de muren trok. 385 In de loop van zijn bestaan kwam de heerlijkheid Mombeek achtereenvolgens in het bezit van verscheidene families. De geslachten Van Mombeek, Van Repen, Van den Bosch, Geloes en Vannes volgden mekaar op door erfenis of via huwelijksverwantschap.

De eerste generatie: de heren van Mombeek De eerste bekende landheer was Gerard van Mombeek. Zijn naam werd vermeld in 1147. Hij huwde met Ermengardis, dochter van Arnold, heer van Aarschot. Hun zoon, Wouter van Mombeek, baanderheer van Hasselt in 1170, trad in het huwelijk met Emma, dochter van graaf Arnold van Loon. Zij waren de ouders van Gerard, die hieronder volgt. Gerard van Mombeek, ridder en eveneens baanderheer van Hasselt, was heer van Mombeek en van Villers. Hij was gehuwd met Alida, dochter van Gilis, graaf van Duras, en van Alida van Loon. Willem, heer van Mombeek en van Villers, was de echtgenoot van Agnes van Houffalize. Man en vrouw begiftigden in 1309 het klooster van Henegouw met de tienden van het goed van Mombeek voor het onderhoud van de reguliere geestelijken van het Heilig Graf. Dit waren de beginjaren van de inplanting van de priorij van Henegouw tegenover de dreef die naar Mombeek leidt. Wouter van Mombeek releveerde in 1367 de heerlijkheid Mombeek voor de Leenzaal van Kuringen. Verder is er nog sprake van een andere Willem van Mombeek. Diens vader, Willem, was gehuwd met Amelberga Mathon. De zus van deze Willem, Elisabeth van Mombeek, was in de echt verbonden met Adam van Gustingen. De dochter van Elisabeth en van Adam, Maria van Gustingen, huwde met Herman van Elderen. Zij waren de laatste vertegenwoordigers van deze eerste generatie. 386


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

De tweede generatie: de heren van Repen De schoonzoon van Herman van Elderen, Arnold Van den Swane of de Cigno, liet Mombeek over aan zijn dochter Maria. Deze laatste was gehuwd met Gilis Reys van Repen, de man die in 1409 een inventaris opstelde van alle goederen die onder Mombeek ressorteerden. Door dit huwelijk kwam Mombeek in het bezit van de familie van Repen uit Neerrepen. De erfgenamen van Gilis van Repen bleven in het bezit van het hof van Mombeek tot de beginjaren van de zestiende eeuw. Vanaf die periode kwam het goed in het bezit van de familie Van den Bosch, de nieuwe eigenaars van het leen. Gilis van Repen en zijn echtgenote Maria werden in Mombeek opgevolgd door hun zoon Arnold van Repen, die in het huwelijk trad met Maria van Gelinden, de erfdochter van de heerlijkheden Gors-Opleeuw, Guigoven en Wintershoven. Arnold van Repen en Maria van Gelinden lieten het goed van Mombeek over aan hun dochter Maria van Repen, die nadien zou huwen met Lambert van den Bosch. Uit het huwelijk van Lambert met Maria Reys van Repen werd Willem geboren. Willem van den Bosch van Repen (+1548) was een man van aanzien. Hij cumuleerde verscheidene ambten. Zo was hij heer van Mombeek en baanderheer van Hasselt en heer van Jongenbos. Tevens zetelde hij in het feodaal hof van Repen en als schepen in het hooggerecht van Vliermaal.Willem van Repen trouwde in 1503 in Mombeek met Maria Samonts, ook geheten Garitz. Zijn wapen droeg dezelfde kwartieren als de schilden die voorkomen op de graftomben van zijn zussen Antonia en Maria van den Bossche, beiden abdissen van de cisterciĂŤnzerinnenabdij van Hocht. Op 10 januari 1496 kocht de prior van Henegouw, Dionys van Brede, voor zijn convent van Henegouw, van jonker Lambrecht van den Bossche, die optrad als momber van zijn huisvrouw, het hof van Mombeek (met uitzondering van de molen) voor de som van 2 220 rijngulden. Op 5 mei 1505 kocht Willem Van den Bosch het hof van Mombeek terug van prior Goswin van Bueren en zijn procu-

rator Jan van Royen voor 190 rijngulden en drie bijkomende aflossingen. Bij deze transactie verving Van den Bossche het wapen van zijn vader door dat van Mombeek, dat sinds een eeuw verdwenen was en waarmee hij langs moederszijde verbonden was. In de verheffing van 1515 staat vermeld dat hij gehuwd was met Maria Samonts. Na twaalf jaar huwelijk was hun verbintenis nog altijd kinderloos. Man en vrouw gingen toen de gelofte aan om in de kerk van Henegouw een altaar op te richten ter ere van de Heilige Anna. 387 Hun gebed en hun geduld werden verhoord met de geboorte van twaalf kinderen, in volgorde: 1. Willem, heer van Mombeek, die in het huwelijk trad met Adriana de Corswarem. 2. Jan van Mombeek, regulier kanunnik van de orde van het Heilig Graf, prior van Henegouw en nadien provinciaal van de Nedergermaanse provincie van de orde; 3. Lambert van Mombeek, ridder, heer van Jongenbos en schepen van Vliermaal. Hij huwde een eerste keer met Catharina van Horn en voor een tweede maal met Gertrudis van Bolgry. Hij overleed zonder nakomelingen; 4. Arnold van Mombeek, ridder, heer van Habroek, baljuw en gouverneur van Grevenbroek. Hij was gehuwd met Johanna van Gersenich; 5. Anna van Mombeek, abdis van Hocht. Zij overleed op 30 april 1565; 6. Antoinette van Mombeek, die intrad bij de bernardinessen van Hocht; 7. Elisabeth, die religieuze werd in Millen; 8. Margareta, die religieuze werd in Tongeren; 9. Gertrudis, die religieuze werd in Herkenrode; 10. Catharina van Mombeek. Zij sloot op 5 februari 1551 een huwelijkscontract met Lambertus de Lardennois-de-Ville. Op 22 januari 1564 sloot zij een nieuw huwelijkscontract af, ditmaal met Philippe de Favillon d’Ochain; 11. Maria van Mombeek, die huwde met ridder Jean Dauvin. Zij overleed op 24 oktober 1601; 12. Agnes van Mombeek, die intrad in de abdij van Herkenrode. 388

277


278

Volgens een verheffing van 1551, waarin de naam van zijn vierde zoon, Arnold, werd geciteerd, was vader Willem toen al overleden. Willem van Mombeek stierf in 1548, zijn echtgenote Maria Samonts in 1545. Beide echtgenoten werden begraven in de conventskerk van Henegouw onder een gemeenschappelijke graftombe met het opschrift: Hier liet begraven joncker Willem van Mombeek sterf A° 1548 de 29 july ende joffrou Mari Tsa… sin huysvrouw sterf A° 1545 den 4 dach septembris Willem Van den Bossche werd opgevolgd door zijn zoon Willem, heer van Mombeek, baanderheer van Hasselt, luitenant van de lenen van het graafschap Loon, kapitein van driehonderd manschappen in dienst van de koningin van Hongarije, gouverneur van Dinant, baljuw van Hannuit. Hij huwde in 1538 met Adriana de Corswarem, burggravin van Hannuit, die in 1586 overleed. Adriana was de dochter van Godfried de Corswarem en van Françoise van den Bosch uit Mopertingen. Deze Willem was stadhouder van de Leenzaal van Kuringen en mag derhalve tot de voornaamste edelen van het graafschap Loon gerekend worden. Uit de echtverbintenis van Willem met Adriana de Corswarem werden geboren: 1. Willem, die later in het huwelijk zou treden met Catherine de Lonchin; 2. Wouter van Mombeek, ridder, gehuwd met Cecilia van Hinnisdael. Hun huwelijk bleef kinderloos. Mombeek besloeg toen een oppervlakte van 113 bunder. Na de dood van haar man beschikte Cecilia van Hinnisdael over het vruchtgebruik van Mombeek. Zij hertrouwde achtereenvolgens met Levedaal van Lamboye en Carle Van der Eycken; 3. Godfried van Mombeek bouwde een uitgebreid curriculum op. Hij was sergeantmajoor van de graaf van Mansvelt in 1581, gouverneur van Zoutleeuw in 1585, gouverneur van Hilst in 1587, gouverneur en kapitein van het slot van Bouillon in 1601, gouverneur van Hilst in 1602 en gouverneur van Rhynsberg in 1611. Nadat zijn schoonzus Cecilia van Hinnisdael hertrouwd was met Carle Van der Eycken,

verscheen de misdeelde Godfried op het toneel en eiste Mombeek op als zijn erfdeel. Het gerecht stelde Godfried in het gelijk, waardoor deze wetmatig in het bezit kwam van het kasteel. Het slot van Mombeek besloeg in 1601 een oppervlakte van 150 bunder. Godfried was op dat ogenblik gouverneur van het slot van Bouillon. Hij stelde toen als waarborg het slot van Mombeek met al zijn aanhorigheden, landerijen, beemden, bossen en wijers “ten naten ende droeghen”, dat toen belast was met 140 gulden Brabants. Het goed van Mombeek was op dat moment een leen van de welgeboren vrouwe Oda van Cortenbach, vrouwe van Kortessem. Naast Mombeek releveerde hij eveneens het Waerdenhof en het Enghelandt in de stad. In 1579 trad hij in het huwelijk met Agnes van Wolffart, die als weldoenster van de kapucijnen op het Enghelandt in Hasselt in 1615 de grond zou schenken waarop de paters hun kerk en hun klooster zouden bouwen. In 1593 werd Godfried verjaagd op Mombeek door Carle Van der Eycken. De prins-bisschop moeide zich met de zaak en beval dat Godfried opnieuw in het bezit van het kasteel gesteld zou worden. Toen Van der Eycken dit bevel in de wind sloeg, nam Godfried het recht in eigen handen en nam hij met de hulp van de plaatselijke justitie en van de Hasseltse rederijkers Mombeek weer in bezit. 389 Godfried overleed in Bouillon in 1613, Agnes overleed op 24 november 1628 op het kasteel van Mombeek en werd begraven in de kerk van Henegouw. Zij maakte haar testament op ten voordele van haar broer Karel, hetgeen tot een langdurig proces leidde. Godfried II, zoon van Godfried en Agnes van Wolffart, zelf zonder nakomelingen, verhief Mombeek voor het feodale hof van Kortessem op 11 februari 1629. 4. Agnes van Mombeek huwde met Eustachius van Munickhausen, heer van Esch en gouverneur van Vianden. Zij stelde zich tevreden met een rente. 5. Françoise van Mombeek werd in 1588 abdis van Hocht. Zij overleed op 5 februari 1609.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Willem, de oudste kleinzoon van Willem van den Bossche, was heer van Mombeek, baanderheer van Hasselt, burggraaf en groot baljuw van Hannuit. Hij was gehuwd met Marion de Rifflart. Deze Willem overleed in 1635 zonder nakomelingen. Willem, heer van Mombeek, baanderheer van Hasselt en burggraaf van Hannuit, behoorde tot een andere tak van de Mombeekstam. Uit zijn huwelijk in 1601 met Jacqueline de Waha de Baillonville werden geboren: 1. Godfried, die later zou huwen met Margareta-Dorothea van Scharemberg; 2. Willem van Mombeek, kapitein; 3. Françoise-Agnes van Mombeek. Zij trad op 16 april 1622 in het huwelijk met Thiry de Masbourg, heer van Somal; 4. Marie-Catherine van Mombeek deed haar intrede in de abdij van Herkenrode, werd er abdis en overleed er op 2 juli 1725; 5. Anne van Mombeek. Godfried was de oudste zoon uit het gezin Mombeek-de Waha. Hij was baron van Mombeek, baanderheer van Hasselt en gouverneur van het kasteel van Kuringen. Hij trad voor het eerst in het huwelijk met Margareta-Dorothea, dochter van Willem van Scharemberg, heer van Hoepertingen en Herten, en van Anna de Lynden. Hij huwde voor een tweede maal met Sibylle-Walburga-Agnes-Isabelle-Thérèse, barones van Harff d’Alstorff, die hem twee zonen en negen dochters schonk. Dit talrijke nageslacht zou nochtans nooit het genot hebben van het omvangrijke domein van hun voorouders. 390

De derde generatie: de heren van Geloes Bij akte van 2 december 1665 verkocht baron Godfried van Mombeek aan Jan-Renier de Geloes het Waerdenhof in de Maastrichterstraat te Hasselt voor 8 400 gulden. Hij verbond er zich toe binnen de twee jaar alle lasten en renten die nog op dit huis lagen te zullen vereffenen. In het geval dat hij deze belofte niet zou nakomen, had de koper het recht beslag te leggen op het Waerdenhof en op het kasteel van Mombeek, dat hij onder borg stelde.

Godfried van Mombeek slaagde er evenwel niet in zijn financiële verplichtingen tegenover Jan-Renier de Geloes aan te zuiveren. Om zijn schulden te delgen verkocht hij op 30 augustus 1673 het kasteel van Mombeek aan de Luikse edelman Renard de Rouveroy tegen een bedrag van 60 000 gulden Brabants. De verkoopakte werd gedagtekend op 30 augustus 1673. In uitvoering van het vonnis uitgesproken door de officiaal van Luik werd het kasteel van Mombeek met zijn grachten, wijers en gronden op 11 juli 1676 toegewezen aan de Geloes. Hierbij verkreeg de Geloes het “groot landtgebott ende possessie van het casteel van Mombeek, graven, wiiers ende andere gronden.” 391 Hij werd ervan in het bezit gesteld “met aentastinge vanden rinck oft cloppel der poorte vant selve casteel ende leveringe van risch, reijs ende aerde der gronden boven vermelt met injunctie aen onse boden die gewonelijcke conden te doen om die goederen te ruijmen binnen drij dagen op pene naerden lantrecht den man opden hals ende die vrouwe op den ban.” Zo gemakkelijk ging het evenwel niet. Vanaf nu werd de afhandeling van het geschil voortgezet tussen de Geloes en de Rouveroy. Toen de gerechtsboden zich de dag na het vonnis aanboden bij het kasteel, vonden zij de poort gesloten. Enkele dagen later verscheen notaris Bormans om de inventaris van het meubilair van mevrouw van Mombeek op te maken. De Rouveroy verklaarde tegenover deze ambtenaar dat de volledige inboedel zijn persoonlijke eigendom was. Op 28 september werd Mombeek bezet door enkele gewapende mannen onder leiding van luitenant Neven. Deze bezetting duurde tot 4 oktober. ’s Nachts hadden zij zich met een vijftiental verscholen in het bakhuis om vervolgens toe te slaan. De Rouveroy en zijn broer werden gevangen gezet. Van zijn kant had de Rouveroy in Wallonië versterking gevraagd. Vijftien Waalse soldaten werden als verdediging ingezet. Er ontstond een gevecht tussen de mannen van Neven en de Waalse soldaten. Twee vertegenwoordigers van de plaatselijke justitie schoten er het leven bij in, de overigen wisten via een keldergat te ontkomen.

279


280

Op 8 oktober organiseerde de Hasseltse drost een nieuwe expeditie met zestien leden van de Hasseltse justitie. Krachtens een nieuw bevel van de prins-bisschop had de Geloes de kapiteins van de buitingen om bijstand gevraagd. Nu begreep de Rouveroy dat nog langer weerstand bieden uitzichtloos geweest zou zijn. Onverwacht vertrokken de Rouveroys met paard en koets, nadat ze eerst het hele kasteel hadden leeggeroofd. Er werd een gerechtelijk onderzoek ingesteld, dat evenwel zonder gevolg bleef omdat de familie inmiddels het Land van Loon verlaten had. Zodoende kon de Geloes pas op 25 november 1676 ten volle ongestoord bezit nemen van zijn eigendom. 392 Jan-Renier de Geloes werd op 25 februari 1627 te Hasselt geboren als zoon van Steven de Geloes en Johanna Brauns. Hij was licentiaat in de rechten, schepen van de hoge justitie van Vliermaal vanaf 1651 en heer van Mombeek, nadat hij op 2 september 1677 in het bezit van het kasteel gekomen was. Mombeek bleef eigendom van zijn familie tot in 1728. Jan-Renier de Geloes overleed op 6 september 1684. Uit zijn huwelijk met Maria van Daelem op 29 december 1652 werden volgende kinderen geboren: 1. Steven Gerard de Geloes, geboren op 21 november 1653, die priester werd; 2. Robert de Geloes, geboren op 6 januari 1656. Hij huwde op 3 juli 1686 met Anne-Charlotte de Montaigne. Hun huwelijk bleef kinderloos. Hij verkreeg de heerlijkheid Herten; 3. Marie-Agnes de Geloes, die geboren werd op 5 juli 1658, bleef jonge dochter. Zij stierf op 18 september 1680; 4. Renier de Geloes, licentiaat in de rechten, schepen van Vliermaal, heer van Herten, Mombeek en Hommelen, werd geboren op 12 juni 1661. Vader Jan-Renier had Mombeek nagelaten aan deze zoon. Renier huwde in 1705 met Anna-Catharina Thisius. Hun huwelijk bleef kinderloos, waardoor zijn nalatenschap overging naar zijn jongere broer Jan. Renier overleed op 5 juli 1708;

5. Jan-Mathijs de Geloes werd geboren op 4 september 1663. Hij huwde op 26 juni 1706 met Barbara-Gertrudis van Hilst, dochter van oud-burgemeester Joes van Hilst en Maria Caproens; 6. Willem Renier, geboren op 3 april 1666 en overleden op 1 juni 1666; 7. Helena Johanna, geboren op 9 juli 1667, overleden op 4 februari 1668; 8. Ferdinand Gerard, geboren op 3 februari 1670 en overleden op 17 maart daaropvolgend. Jan-Mathijs de Geloes was zonder twijfel de voornaamste vertegenwoordiger van de stam die het Waerdenhof bewoonde. Hij was twaalfman en nam, samen met Arnold Caproens, tot driemaal toe het ambt van burgemeester waar. Bovendien was hij heer van Herten, Mombeek, Hommelen en Rapertingen en eigenaar van de Borggravevijvers, de Platte Vijvers te Godsheide en de Kroonwinning te Rapertingen. Hij stierf op 2 december 1728 zonder nakomelingen, nadat hij op 9 oktober 1728 zijn testament had opgesteld. Het domein van Mombeek liet hij na aan de afstammelingen van Elisabeth de Geloes, een zus van zijn grootvader en haar echtgenoot Frederik Vrerix. Hij liet de heerlijkheid Herten over aan zijn weduwe Barbara van Hilst, die hertrouwde met Adriaan-Willem-Hendrik de Heusch, ridder en heer van Landwijk bij Donk. De erfgenamen van Jan-Renier de Geloes zetten het proces voort dat hun vader had aangespannen tegen baron de Rouveroy. De langdurige en kostelijke debatten sleepten achtendertig jaar aan. In laatste instantie werd het fameuze proces over het bezit van Mombeek voor de Soevereine Raad van Brabant afgesloten op 6 mei 1722 met een transactie tussen Jean-Jacques-Renard, baron de Rouveroy, en Jan de Geloes, heer van Herten. In ruil voor een bedrag van 14 000 gulden stond de Rouveroy aan zijn tegenstrever al zijn aanspraken op het goed van Mombeek af, waarover Jan-Mathijs de Geloes voortaan het alleenbezit kreeg.


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

De vierde generatie: de familie Vrerix Jan de Geloes wees de heerlijkheid Mombeek bij erfenis toe aan zijn neven langs vaderskant, de afstammelingen van Frederik Vrerix en van Elisabeth de Geloes. Dit waren: 1. Jan Vrerix, priester; 2. De kinderen van advocaat Balthazar Voskens en Anna-Robertine Vrerix; 3. De kinderen van advocaat Nicolaas-Willem de Borman en Anna-Ida Vrerix. 393

De vijfde generatie: de familie Vannes Naar aanleiding van een latere opdeling van het familiegoed in 1753 werd de heerlijkheid Mombeek toegewezen aan Barbara-Gertrudis Voskens, dochter van Balthazar Voskens, die gehuwd was met Gerard-Arnold Vannes, schepen van justitie van Hasselt. Hun zoon Godfried-Gerard Vannes, schepen van de hoge justitie van Vliermaal, was de laatste heer van Mombeek tijdens het ancien régime. Hij erfde het goed van zijn vader in 1762 en deed een verheffing van het landgoed op 5 december 1782. Hij trad op 17 april 1774 in het huwelijk met Maria-Aldegondis-Robertine Vanderstraeten. Kinderen uit dit huwelijk waren Jan en Frans-Willem Vannes.

379 380 381 382 383 384 385 386 387 388 389 390 391 392 393

Op 5 juli 1843 zag de verdeling van de goederen van Mombeek er als volgt uit: De Mombekerwinning was in het bezit van de erfgenamen van Jan Vannes, de molen van Mombeek van de familie Vlecken uit Maaseik, de hoeve Klein-Mombeek van Guillaume de Corswarem, het landhuis met stokerij op Henegouw van Frans Teuwens en een ander huis met stokerij op Henegouw van de kinderen Van Vinckenroye. De tweede zoon van Godfried-Gerard Vannes, Frans-Willem Vannes, huwde met Johanna-Arnoldine de Matthys. Hij overleed in Hasselt op 25 februari 1859. Na zijn dood kwam Mombeek in het bezit van zijn weduwe. De volgende eigenaar was de zoon van Frans-Willem, Gustaf Vannes, echtgenoot van Justine Van der Straeten. Hij slaagde er in het kasteel in 1859 te restaureren en er verbouwingswerken aan uit te voeren. Verder ontwierp hij een kasteelpark volgens een nieuw grondplan met siertuin en bloemenperken. Bij zijn overlijden in 1865 kwam Mombeek in het bezit van zijn weduwe. Van ridder Carolus de Donnea, eigenaar in 1891, die gehuwd was met Maria Vannes, kwam Mombeek in 1906 door verkoop in handen van Lodewijk Vanbriel de Havre. Deze bracht aan het gebouw opmerkelijke verbeteringen aan en breidde de oppervlakte van het goed uit van 181 ha tot 200 ha.

Bussels, 52 waardevolle Hasseltse gebouwen, nr. 12. W. Smeets, persoonlijk archief, losse notities. J. Gessler, ‘Toponymica: 1. Mombeek 2. Kapellekensbampd of O.L.V. kapel buiten Hasselt’, Limburg, XII (1930-1931) 134-135. Van Gelder, Hasselt, toeristisch thuis in Vlaanderen, 108. Schlusmans, Bouwen door de eeuwen heen, 398. J. Lyna, ‘Mombeek-Hasselt’, VO, VIII (1932), 100-102. J. Mantelius, Hasseletum sive ejusdem oppidi descriptio qua continetur totius historiae Lossensis compendium (Leuven 1663) 148-149. C. De Borman, ‘Notice sur Mombeeck’, BSM, IV (1859) 162-163. De Borman, ‘Notice sur Mombeeck’, 165. De Borman, ‘Notice sur Mombeeck’, 166. Lyna, ‘Mombeek-Hasselt’, 114. De Borman, ‘Notice sur Mombeeck’, 166-168. Caluwaerts, Hasselt intra muros, 119. Lyna, ‘Mombeek-Hasselt’, 116. De Borman, ‘Notice sur Mombeeck’, 170.

281


282

Gezicht op de voorzijde van het kasteel van Mombeek, negentiende eeuw. Aquarel van Ph. de Corswarem. (R. Nijssen – R. Van Laere, Kastelen op papier, p. 49)


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Achterzijde van het kasteel van Mombeek en belendende hoevegebouwen.

283


284

Kaart

4/2

Luikersteenweg Verder in de bocht van de Luikerbaan ter hoogte van Rapertingen lag de niet meer bestaande Muggenbosstraat, die haar weg vervolgde tot aan de Voogdij, het grensgebied met Sint-Lambrechts-Herk. Enkele korte steegjes vergemakkelijkten de doorgang van het zuidelijkste deel van de stad tussen de Trekschurenstraat en Sint-Lambrechts-Herk: de Uilensteeg (percelen 291-293), de Uilstraat (bestaat nog op het grondgebied van Sint-Lambrechts-Herk) of de Vuurstraat, de Wilserbosstraat (nog bestaande), de Helbeemdvoetweg (percelen 382310), die uitgaf op de Groenstraat en de Voogdijsteeg.

Trekschurenpleyn Perceelnummer: 159. Driehoekig plein op de plaats waar de Trekschurenstraat uitgeeft op de Luikersteenweg.

Heerbaen Verbinding van het Rapertingenplein met het huidige tracĂŠ van de Luikersteenweg. Deze verbinding vormt de oude loop van de Luikerbaan. De vroegere heerbaan maakte een kromming langsheen de percelen 26, 27, 43, 45, 46, 63 doorheen de Moordelkuijle.

Voetpad Dit is het voetpad dat de Biest doorsnijdt vanaf perceel 142.

Het Stuck Perceelnummers: 119-138. Een aantal landbouwgronden gelegen tussen de Tomstraat en het centrum van Melbeek.

Melbeekstraat Perceelnummers: 76-87, 105-141. Straat die vanaf het centrum van Melbeek doorloopt tot aan de grens met Diepenbeek, waar ze Kruisstraat genoemd wordt.

Melbeek Samen met de domeinen Mombeek en Henegouw vormt Melbeek in de zuidoostelijke uithoek van het grondgebied van de stad een gehucht. Langs de noordkant wordt het gehucht begrensd door de Trekschurenstraat en in het oosten door de Tomstraat. De meeste gronden waren eigendom van het klooster van Henegouw en van het kasteel van Mombeek. De goederen van Henegouw besloegen in totaal tachtig bonder, vier grote en dertien kleine roeden. Het kasteel van Mombeek, met inbegrip van de molen en de overige afhankelijke eigendommen, omvatte zesendertig bonder, twee grote en tien kleine roeden. De Molenbeemd (perceel 40) en de Brugbeemden (perceel 38) bij de Molenbeek zijn hierin niet verrekend. Het areaal van het klooster van Henegouw lag besloten tussen de grenzen met Sint-Lambrechts-Herk, de Luikersteenweg en de Kwaadhovenstraat. Het bestond uit bossen, weiland en landbouwgrond. Het Henegouwbos (perceel 21) strekte zich uit tot aan de grens met Sint-Lambrechts-Herk onder de benaming Herenbos. Een deel van dat bos heette de Macrall. Midden in het domein van Henegouw lag een omsloten terrein, dat de naam Beeldjensveld (percelen 22-23) droeg. De gronden tegenover het klooster, belendend aan de Luikerbaan en de Melbeekstraat, werden kadastraal opgetekend als de Kleine (percelen 150-152) en de Grote Biest (percelen 139-152).


III. TOELICHTING BIJ HET MEETBOEK

Het perceel dat zich vanaf de Mombeekdreef uitstrekte langs de Luikerbaan richting Wimmertingen, werd onder de gemeenschappelijke noemer als de Moordelkuil aangewezen. De zuidelijkst gelegen velden van de stad waren de Eckarden (perceel 41), bij de grens met Kortessem, de Brugakker (percelen 28-30), de Donkerbeemden (percelen 31-40) en de Kwaadhovenbeemden (percelen 1-15, bij de grens met Wimmertingen), alle gegroepeerd rond de Molenbeek. Tussen de Donkerbeemden en de Kwaadhovenbeemden lag voorheen de kleine hoeve ‘De Paeschman’ (perceel 36). Tussen de Melbeekstraat en de Tomstraat, het hoogste punt van de stad, waren ook tal van landbouwgronden gelegen: Het Reukenis, de Kwade Dries, het Stuk (percelen 119-123, 130-138), de Vossekuilen (percelen 125-126) en de Platte Beemd. In dit kwartier lagen tegen het eind van de achttiende eeuw een achttiental woningen. Tegenover Henegouw lag langs de Mombeekdreef Het Bosken (perceel 67), een landbouwuitlating van tien bonder, dertien grote en negen kleine roeden.

Den Kwaeden Dries Perceelnummers: 114-116. Een aantal percelen minderwaardig grasland gelegen tussen het centrum van Melbeek en de Tomstraat.

Het Reukenis Perceelnummers: 87-104. Een verzamelnaam voor een aantal laaggelegen velden ten zuiden van Melbeek op de grens met Diepenbeek.

Kaart

285

4/3

Pietelbeek lag ten oosten van Singelbeek en strekte zich uit tot de grens met Diepenbeek tegen de westelijke bedding van de Galgebeek, de natuurlijke grens met Diepenbeek.

De Galgebeek Perceelnummers: 1862-2036. De Galgebeek, de langste beek van de stad, komt aan de oppervlakte ter hoogte van het Vosserveld. Ze vormt er de natuurlijke grens tussen Hasselt en Diepenbeek over een afstand van 4 140 meter. Ter hoogte van het gehucht de Wolfkens wordt ze gekanaliseerd onder de Universiteitslaan, zwenkt vervolgens af in de richting van de Kiezelstraat en werpt zich in de Oude Demer.

Het Pietelbeekveld Perceelnummers: 1944-2013. Dit veld wordt begrensd door de Rapertingenstraat, de Pietelbeekstraat, de Keizelvoetweg en de Galgebeek.

De Meir Een uitgestrekt geheel van landerijen ten noorden van het Pietelbeekveld, begrensd door de Pietelbeekstraat, het Keyselvoetpad en de Galgebeek.

Pietelbeekstraat Verbindingsweg tussen de Rapertingenstraat en de Wolfskestraat.


286

Kaart

4/4

De erven 1192 – 2015 ten oosten van De Meir.

Kaart

4/5

Wapenschild van de stad Hasselt.


287


288


289

Bibliografie Index plaatsnamen Index persoonsnamen


290


BIBLIOGRAFIE

Literatuur ‘De oude barrier. Over tolrechten en octrooien’, De Hasselaar, 44 (1967) De Limburgsche Kempen, uitg. Geschied- en oudheidkundige studiekring te Hasselt (Hasselt 1936) Limburgs Haspengouw, uitg. Federatie der Limburgse geschied- en oudheidkundige kring, (Hasselt 1951) ‘Twee herdenkingsdagen (1798, 1898)’, De Nieuwe Hasselaar, 54 (1969) ‘Vlees (vleeshalle, slachthuizen)’, De Hasselaar, 56 (1969) ‘Wind- en watermolens te Hasselt’, De Hasselaar, 18 (1960) America, P.J., ‘Een woord over de “duchterooien” onder Hasselt in vroegere tijden’, Bulletin de la section littéraire de la Société des Mélophiles de Hasselt, XVII (1880) 87-104 Anten, D., ‘A propos de la plus ancienne charte mentionnant la ville de Hasselt’, L’ancien Pays de Looz, V: 4-5-6 (1901) 31-32 Anten, D., ‘Losse aanteekeningen over en rond de St.-Corneliskapel te Hasselt’, L’ancien Pays de Looz, XVI (1912), nr. 3-4, 9-12; nr. 5-6, 1720; nr. 7-8, 25-27; nr. 9-10, 33-36; nr. 11-12, 41-44; XVII (1913), nr. 1-2, 1-2; nr. 3-4, 15-16; nr. 5-6, 19-21 Anten, D., ‘Quelques pages concernant les notices publiées sur la chapelle de St.-Servais appelée communément « Ste-Croix » dans l’église paroissiale de Hasselt’, L’ancien Pays de Looz, XII: 11-12 (1908) 65-73 Arras, J., e.a., De grauwzusters in Hasselt (Hasselt 1987) Arras, J. & Maes, A., Kaartlandschap met paalstenen tussen Hasselt en Zonhoven, Kunst in de Kijker, 10 (1992) Baerten, J., Het graafschap Loon (11de-veertiende eeuw) (Assen 1969) Baetens, J., Driehonderdvijftig jaar Minderbroeders te Hasselt 1634-1984 (Hasselt 1984) Bamps, C. & Geraets, E., ‘A propos du Paelsteen’, L’ancien Pays de Looz, I: 1 (1896-1897) 13 Bamps, C. & Geraets, E., ‘Episodes de la guerre des paysans dans le Limbourg’, L’ancien Pays de Looz, I (1896-1897), nr. 7, 42-43, 53-54, 66-67; II (1897-1898), nr. 1, 6-7, 12-13, 21-22, 29-30, 33-34, 43-44, 45-47, 58-60 Bamps, C. & Geraets, E., ‘Hasselt-jadis. Recherches historiques et archéologiques sur la situation ancienne de la banlieue de cette localité’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXXI (1895) 9-122 Bamps, C. & Geraets, E., ‘Hasselt-jadis. Recherches historiques et archéologiques sur l’organisation communale et l’administration financière ancienne de cette ville’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXXII (1897) 3-79 Bamps, C. & Geraets, E., ‘Hasselt-jadis. Recherches historiques et archéologiques sur les vieux remparts, les vieilles rues, les vieux monuments et les vieilles maisons de cette ville’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXX (1894) 17-140 Bamps, C. & Geraets, E., ‘Index des noms de lieux anciens de la banlieue de Hasselt’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXXI (1895) 108-123 Bamps, C. & Geraets, E., ‘Le Paelsteen’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXVII (1891) 151-155 Bamps, C. & Geraets, E., ‘Les anciennes gildes ou compagnies militaires de la ville de Hasselt’, Annales de l’Académie royale d’archéologie de Belgique, L (1897) 21-56 en 214-242 Bamps, C. & Geraets, E., ‘Notice historique sur les anciens moulins banaux de Hasselt’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXX (1894) 131-140 Bamps, C., ‘A propos du siège de Hasselt par Gérard de Groisbeeck en 1567’, L’ancien Pays de Looz, VII-VIII: 6-7 (1903-1904) 38-39 Bamps, C., ‘Aperçu historique sur le nouveau local des sociétés Les vrais amis et les Mélophiles, dit In den Valck, Au Faucon à Hasselt, avec des notes inédites sur l’histoire de cette ville à la fin du XVe et au XVIe siècle’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXV (1889)73-142 Bamps, C., ‘Aperçu sur les découvertes d’antiquités antérieures au moyen-âge faites dans la province du Limbourg belge’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXIII (1886) 86-99; XXV (1889), 211-212; XXVII (1891) 141-142; XXX (1894)152-153 Bamps, C., ‘Aperçu sur les découvertes de monnaies et d’autres antiquités antérieures au moyen-âge’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXIII (1886) 86-89 Bamps, C., ‘Aperçu sur les découvertes de monnaies et d’autres antiquités antérieures au moyen-âge faites dans le nord, l’ouest et le centre de la province du Limbourg belge’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXIII (1886) 92-94; XXV (1889) 211-212; XXVII (1891) 141142; XXX (1894) 153 Bamps, C., ‘Autour de la révolution liégeoise à Hasselt’, L’ancien Pays de Looz, V: 1-2-3 (1901) 20-22 Bamps, C., ‘Les plus anciens sceaux de la ville de Hasselt’, L’ancien Pays de Looz, VII-VIII: 6-7 (1903-1904) 42-45 Bamps, C., ‘Liste alphabétique des communes du Limbourg où des objets de l’époque néolithique ont été rencontrés’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXV (1889) 211-212 Bamps, C., ‘Mise à l’index par le magistrat de Hasselt d’un ouvrage intitulé Marianum Hasletum imprimé à Anvers en 1660’, Extrait de la Revue belge de numismatique (1898) 1-30 Bamps, C., ‘Petite chronique inédite concernant les principaux évènements qui se produisirent à Hasselt pendant les années 1797 et 1798’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXV (1889) 177-184 Bamps, C., ‘Recherches sur l’origine des fers à cheval que l’on exhume fréquemment dans les prairies des environs de Hasselt’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXVIII (1892) 158-166 Bamps, C., Notes historiques sur Hasselt (1474-1580) (Hasselt 1889)

291


292

Bauwens-Lesenne, M., ‘Bibliografisch repertorium van de oudheidkundige vondsten in Limburg, behoudens Tongeren-Koninksem’, Oudheidkundige repertoria, VIII (1968) 105-112 Blux, J., ‘De Hasseltse paalstenen’, Nieuws uit Limburg, VI: 10 (1954) 82-83 Blux, J., ‘De kapel van Klein Hilst’, Nieuws uit Limburg, VII: 8 (1956) 63 Bussels, M. e.a., Hasselt 750 jaar stad 1232-1982 (Brussel 1982) Bussels, M., Grauwels, J. & Houtman E., 52 waardevolle Hasseltse gebouwen en monumenten (Hasselt 1982) Bussels, M., ‘Bokrijk in de geschiedenis’, Nieuws uit Limburg X: 2 (1958) 13-16 Bussels, M., ‘De hoeve van Crutsen te Hasselt’, Limburg, XL: 3-4 (maart-april 1961) 69-74 Bussels, M., ‘De munitio van Hasselt’, De Hasselaar, 69 (1971) 70 Bussels, M., ‘Het kanaal van Hasselt naar Lummen: een nooit uitgevoerd plan’, Het oude Land van Loon, XVII (1962) 115-126 Caluwaerts, G., ‘Hasselt bezet. De Boerenkrijg (1798): een tijdsbeeld’, Museum Stellingwerff, (27) 1998 Caluwaerts, G., e.a., 1844-1994, 150 Jaar Stijl Koninklijk Atheneum Hasselt (Hasselt 1994) Caluwaerts, G., Hasselt intra muros (Deurne-Antwerpen 1989) Caluwaerts, G., Kiewit en Banneux: warm aanbevolen (Hasselt 2008) Caluwaerts, G., Kroniek van Hasselt: Joannes Mantelius (Hasselt 1996) Caluwaerts, G., Runkst warm aanbevolen vroeger en nu (Hasselt 2001) Caluwaerts, G., Wimmertingen: warm aanbevolen: vroeger en nu (Hasselt 2009) Ceulemans, L., ‘Description des limites du territoire de la commune de Hasselt’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XIII (1876) 39-49 Ceulemans, L., ‘Quelques renseignements sur les voies de communication dans le Limbourg’, in: Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, VII (1871) 105-110 Ceyssens, J., ‘De Limburgsche Kempen van voorheen’, Limburg, I (1920) 3-34 Ceyssens, J., ‘Plaatsnaamkunde … Hasselt’, Limburg, II (1920-1921) 132-138 Coenen, J., Limburgsche oorkonden (Maaseik 1932-1942) Collen, J., Alfons Jeurissen en de folkloristische gastronomie (Antwerpen 1982) Cuvelier, J. & Huysmans, C., Toponymische studie over de oude en nieuwere plaatsnamen der gemeente Bilsen (Gent 1897) Daniels, P., ‘Een onuitgegeven handschrift van Mantelius - Hasseltsche Kronijk van Mantelius’,’t Daghet in den Oosten, VIII (1892) 1-8, 36-40; IX (1893) 68-71 Daniels, P., ‘Een register der waterschepenen’, Verzamelde Opstellen, IX (1933) 49-57 Daniels, P., ‘Notes sur le premier béguinage de Hasselt’, Verzamelde Opstellen, XIII (1937) 25-30 Daniels, P., ‘Notices historiques sur les communes du Limbourg’, Almanak Limburg, I (1868) 101-104; II (1869) 165-167; III (1870) 170-171; IV (1871) 150-151; VI (1876) 146-152, 160; VII (1877) 164-168; VIII (1878) 164-165; X (1880) 18-21; XI (1881) 17-25; XII (1883) 129-136; XIII (1885) 165-184; XIV (1887) 194-213; XV (1890) 232-250; XVI (1895) 231-236 Daniels, P., ‘Quelques notes sur les Alexiens à Hasselt’, Verzamelde Opstellen, VIII (1932) 11-28 Daris, J., ‘Henegouw’, Notices historiques sur les églises du diocèse de Liège, II Liège (1871) 59-60, 168-223 Daris, J., ‘Notice historique sur Hasselt’, Notices historiques sur les églises du diocèse de Liège, II (1871) 51-133 Daris, J., ‘L’ordre du Saint-Sépulchre dans l’ancien diocèse de Liège’, Notices historiques sur les églises du diocèse de Liège, II (1871) 167-258 De Baere, C. & Gessler, J., ‘De Roode Roos. Geschiedenis der Hasseltsche Rederijkerskamer’, Limburgsche Bijdragen, IX (1911-1912) 21-132 De Baere, C. & Gessler, J., ‘La prise de Mombeeck par les Rhétoriciens hasseltois’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XLI (1927) 32-34 De Baere, C. & Vanderstraeten, C., ‘De volmolens in de Hasseltsche lakennijverheid’, Limburg, III (juli 1922) 221-224; IV (juni 1923) 5-11 De Baere, C. & Vanderstraeten, C., ‘Geschiedenis van de lakennijverheid te Hasselt’, Limburgsche Bijdragen, XVII (1921) 87-145; XVIII (1923) 13-100 De Baere, C., ‘De Lorreinen rond Hasselt in 1654’, Limburgsche Bijdragen, VII (1909) 149-155 De Baere, C., ‘Een paar bladzijden uit Hasselt’s politieke geschiedenis’, Limburgsche Bijdragen, XIV (1916) 13-39 De Borman, C., ‘Henegauw. Ex libris du protonotaire L. Van Elsrack’, L’ancien Pays de Looz, VI (1902) 5-9 De Borman, C., Les fiefs du comté de Looz sous Jean d’Arckel (Brussel 1875) De Borman, C., ‘Notice sur Mombeeck’, Bulletin de la Société scientifique et littéraire, IV (1859) 161-183 De Corswarem, G.C., ‘Mémoire historique et étymologique sur les noms des anciens habitants, territoires, communes et hameaux de la province du Limbourg’, Bulletin de la Société littéraire du Limbourg, VI (1858) 39 s.q. De Corswarem, G.C., Mémoire historique sur les anciennes limites et circonscriptions de la province du Limbourg (Bruxelles 1857) De Dijn, C.G., Zichten van het oude Hasselt door P.M. Bamps 1862-1932 en aktuele schetsen door studenten van het Provinciaal Hoger Instituut voor Architectuur te Hasselt (Sint-Truiden 1975) De Klepper, J., ‘Notice sur l’origine de la ville de Hasselt. Renseignements fournis par les études de toponymie’, L’ancien Pays de Looz, IX (1905) 53-58; X (1906) 5-9


BIBLIOGRAFIE

De Marneffe, E., ‘Hasselt : étude de toponymie’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXXIII (1897) 81-88 De Wachter, L., Repertorium van de Vlaamse gouwen en gemeenten III (Antwerpen 1945) VI (Antwerpen 1957) Debrabandere, F., Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk (Brussel 1993) Dewit, J., ‘Deux documents concernant le procès entre Hasselt et Zonhoven’, L’ancien Pays de Looz, XIV: 5-6 mei-juni (1910) 26-28 François, L. ‘Zegening van boerenkrijgers op de Grote Markt’, Kunst in de Kijker, 52 (1996) Frère, M., ‘Verkeersverbindingen in de achttiende eeuw’, De Tijdspiegel, XIX: 11 (1964) 240-244 Geraets, E., ‘Hasselt sous la république et l’empire français’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXVI (1889) 17-93 Geraets, E., ‘Hasselt sous le règne de Guillaume I, roi des Pays Bas’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXVII (1891) 77-103 Geraets, E., ‘Hasselt sous Léopold I’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXVIII (1892) 17-77 Geraets, E., ‘Hasselt sous les comtes de Looz’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXI (1884) 25-86 Geraets, E., ‘Hasselt sous les princes-évêques de Liège’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXIII (1886) 17-71; XXIV (1888) 43-163 Geraets, E., ‘Histoire des contestations qui ont surgi entre Hasselt et Zonhoven pour la possession de la bruyère entre les deux communes’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, III (1866) 79-83 Geraets, E., ‘Le journal d’un bourgeois de Hasselt du 2 juillet au 3 octobre 1794’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXIX (1893) 15-42 Geraets, E., ‘Le Limbourg avant sa conquête par César’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XV (1878) 131-153 Geraets, E., ‘Note sur quelques instruments de l’âge de la pierre trouvés dans le Limbourg’, in: Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, VII (1871) 93-103 Geraets, E., ‘Note sur une pointe de flèche en silex’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, X (1873) 45-48 Geraets, E., ‘Notice sur une hache en pierre trouvée à Hasselt’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XI (1874) 90-92 Geraets, E., ‘Recherches sur l’augmentation de la population dans le Limbourg belge depuis 70 ans’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXIX (1893) 109-124 Geraets, E., ‘Recherches sur la population de Hasselt pendant les XVIIe et XVIIIe siècles’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXXIV (1898) 9-27 Geraets, E., ‘Un mot sur les conditions de la bâtisse au siècle passé à Hasselt et environs’, L’ancien Pays de Looz, IV (1899-1900) 16-18 Geraets, E., ‘Un vigneron hasseltois au XIVe siècle’, L’ancien Pays de Looz, II: 8 (1897-1898) 50 Geraets, E., ‘Ustensiles de l’âge de la pierre trouvés dans le Limbourg’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XIX (1883) 115-116 Geraets, M., ‘Etude sur l’organisation du travail à Hasselt aux siècles passés’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XL (1910) 57-72 Geraets, M., ‘La police rurale au pays de Looz’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XLI (1913) 85-94 Geraets, M., ‘Notice sur la justice répressive à Hasselt sous les princes-évêques de Liège’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXXV (1899) 109-142 Geraets, M., ‘Un tableau de Hasselt au début du XIXe siècle’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XL (1910) 73-96 Gerits, J., Historische steden in Limburg (Brussel 1989) Gessler, J., ‘De vrijheidsoorkonde van Hasselt en de uitgraving van de Demer’, Verzamelde Opstellen, I (1923) 95-100 Gessler, J., ‘Hasseltsche schooljeugd bij beulswerk toeschouwend’, Verzamelde Opstellen, XVII (1942), 263-269 Gessler, J., ‘La prise de Mombeeck par les rhétoriciens hasseltois’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XLI (1927), 32-34 Gessler, J., Varia Hasselensia: schetsen uit Hasselt’s verleden (s.l. 1946) Gessler, J., ‘St.-Corneliskapel te Hasselt’, Limburg, 3 (1921-1922) 169-173 Gessler, J., ‘Toponymica: 1. Mombeek 2. Kapellekensbampd of O.L.V. kapel buiten Hasselt’, Limburg, XII (1930-1931) 133-137 Geukens, F., e.a. Limburgs Haspengouw : bundel studiën uitgegeven bij gelegenheid van de honderdste verjaardag der stichting van het Koninklijk Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap te Tongeren (1951) Gorissen, J., ‘De versterkingen van Hasselt en de oudste geschiedenis der stad’, Het oude Land van Loon, II (1947) 67-82 Gorissen, P., e.a. Miscellanea J. Gessler I (1948) Grauwels, J., ‘Bibliografie over de geschiedenis van Hasselt’, Het oude Land van Loon, XXXVII (1982) 5-18 Grauwels, J., De boerenkrijg na 175 jaar (Hasselt 1975) Grauwels, J., ‘De paalsteen’, De Nieuwe Hasselaar, 6 (1978) 15 Grauwels, J., ‘De slag bij Hasselt (1798)’, Het oude Land van Loon, XXVIII (1973) 131-160 Grauwels, J., ‘De slag bij Hasselt’, Mededelingen van het centrum voor studie van de Boerenkrijg, nr. 87 (1975) Grauwels, J., ‘Een beschrijving van de Kempen en van Haspengouw (1809)’, Limburg, XXXIX (1960) 299-308 Grauwels, J., ‘Een schietspel te Hasselt in 1771’, Limburg, XXXIX (1960) 288-291 Grauwels, J., ‘Het kasteel van Mombeek’, De Nieuwe Hasselaar, 2:3 (1978) 4 Grauwels, J., ‘Het Voddekapelleke’, De Nieuwe Hasselaar, 2:2 (1978) 10

293


294

Grauwels, J., De straatnamen van Nieuw-Hasselt (Hasselt 1980) Grauwels, J., Kroniek van Hasselt (1078-1914). Grepen uit het dagelijks leven (Hasselt 1982) Habets, A., ‘Naar aanleiding van een twist tusschen Hasselt en Diepenbeek over het water van de Stiemer in 1548’, L’ancien Pays de Looz, XI:10-11 (1907) 43-45 Habets, A., ‘Route de Liège à Hasselt’, L’ancien Pays de Looz, VII-VIII : 6-7 (1903-1904) 47 Hansay, A., ‘Documents pour servir à l’histoire de la Réforme au 16e siècle’, Verzamelde Opstellen, VII (1931) 219-244 Hansay, A., ‘Le droit de bourgeoisie accordé par la ville de Hasselt à des bourgades au cours des XIVe et XVe siècles’, Verzamelde Opstellen, XI (1935) 367-396 Hansay, A., ‘Les premiers siècles de l’histoire de Hasselt’, Verzamelde Opstellen, II (1926), 54-71 Hansay, A., ‘Note relative au service de la voirie dans la banlieue de Hasselt en 1325’, Verzamelde Opstellen, IX (1933), 212-216 Hansay, A., ‘Notes critiques sur l’ Hasseletum de Mantelius’, Verzamelde Opstellen, IX (1933), 79-85 Hendrix, A.J., ‘De steenweg van Hasselt op Eijndhoven langs Peer…’, Limburg, IX (1927-1928) 41-42 Hereswitha, M., ‘De O.-L.-Vrouwpriorij van de Heilig-Graforde te Henegouw onder Hasselt (1312-1731)’, Handelingen Koninklijke Commissie voor geschiedenis, 141 (1975) 237-265 Hereswitha, M., De vrouwenkloosters van het Heilig Graf in het prinsbisdom Luik vanaf hun ontstaan tot aan de Franse Revolutie 1480-1798 (Leuven-Antwerpen 1941) 200-214 Hereswitha, M., ‘Inleiding tot de studie van het kloosterleven in de Nederlanden’, Archief- en Bibliotheekwezen in België, 15 (1975) 80-97 Hermans, E., Limburg. Gedrukte iconografie vóór 1900 (Hasselt s.d.) Holemans, H. & Smets, W., Limburgse windmolens in heden en verleden (Nieuwerkerken 1981) Houtman, E., ‘Boetekruis aan de Prins-Bisschopsingel’, De Nieuwe Hasselaar, 3:8 (1980) 8 Houtman, E., ‘Geschiedenis van de Hasseltse jenevernijverheden van de zestiende eeuw tot heden’, De Tijdspiegel, XXXIV (1979) 2-3, 22-33 Houtman, E., ‘Geschiedenis van het Waerdenhof - huis Stellingwerff in Hasselt en zijn bewoners’, Het oude Land van Loon, XXXV (1980) 85-112 Houtman, E., ‘Het augustijnerklooster te Hasselt’, De vrienden van het stadsmuseum, 6, (1981) passim Houtman, E., ‘Kasteel Henegouw’, De Nieuwe Hasselaar, 5:2 (1981) 9 Houtman, E., ‘Oud kerkhof aan de Kempische Steenweg’, De Nieuwe Hasselaar, 5:3 (1981) 7 Hulsmans, E.B., ‘Verbeten twisten tussen Hasselt en Zonhoven’, Nieuws uit Limburg, XIV: 5 (1962) 49-50 Huyge, D. & Van Impe, L., ‘Prehistorische polijststeen’, Kunst in de Kijker, 78 (1998) 2-7 Indesteege, L. e.a., Lapjesproef voor drie zussen: 100 artikelen over volkscultuur in Limburg (Hasselt 2004) Jans, J., ‘De Meukes’, Kunst in de Kijker, 36 (1994) 2-13 J.C.W., ‘Zonhoven en Hasselt’, ’t Daghet in den Oosten, XVIII (1902) 11-12, 177-181 Jappe-Alberts, W., Geschiedenis van de beide Limburgen I (Assen 1972) Jeurissen, A., Verzameld werk deel I (Borgerhout 1950) Jonghen, H., Marianum Hasletum sive historia perantiquae miraculosae imaginis et capellae necnon fraternitatis insignis B. Mariae, apud Haseletenses (Antwerpen 1660) Jonghen, H., Onze-Lieve-Vrouw van Hasselt, uitgave Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Studiekring van Hasselt (Hasselt 2003) Jorissen, R., ‘Grootheid en verval van Kiewit, eens de bakermat van onze burgerlijke en militaire luchtvaart’, De Tijdspiegel, XII: 3 (1957) 65-73 Kooken, G., ‘Hasselt in de middeleeuwen’, Kunst en Erfgoed in de Kijker, 30 (2011) 2-18 Kijk(er) op Hasselt 750 jaar stad. Tentoonstellingscatalogus (Hasselt 1982) Lambrechts, J., Het oud St. Catharinadal of beknopte geschiedenis van het klooster der Franciscanessen-Penitenten, bijgenaamd “de Witte Damen” te Hasselt (Mechelen 1892) Lambrechts, J., Het oud Ste. Barbaradal of beschrijving van het oud klooster der Grauwzusters Hospitalieren te Hasselt (Hasselt 1881) Lambrechts, J., Het oud Begijnhof of beknopte geschiedenis van het begijnhof van Hasselt, (Hasselt 1886) Linters, A., Het verenigingsleven te Hasselt 1831-1880, (onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Gent 1973) Lipkens, M., ‘Het Oud-kerkhof, negentiende-eeuwse parkbegraafplaats’, Stedelijk Museum Stellingwerff-Waerdenhof, 31 (Hasselt 2000) 3-12. Lyna, D., e.a., Een sprong voorwaarts. Hasselt tussen 1800 en 1900 (Hasselt 2007) Lyna, J., ‘Bij de verdwijning van de Nieuwe Demer’, De Tijdspiegel (1958) 238-240 Lyna, J., ‘De cijnshoven in het graafschap Loon’, Limburg, X (1928-1929) 41-45, 70-78, 81-86 Lyna, J., ‘De gemeente in het graafschap Loon’, Verzamelde Opstellen, XIV (1938), 219-262 Lyna, J., ‘De grensbetwisting van Genk’, De Tijdspiegel, XIII:7 (1958), 158-160 Lyna, J., ‘De hooge adel van de heeren van Mombeeck’, Verzamelde Opstellen, XI (1935) Lyna, J., De Limburgsche Kempen (Hasselt 1936) Lyna, J., ‘De militaire verplichtingen van de stad’, Verzamelde Opstellen, XI (1935) 273-283 Lyna, J., ‘De munitio van Hasselt. Haar verband met het ontstaan van de stad’, Verzamelde Opstellen, III (1927) 22-34


BIBLIOGRAFIE

Lyna, J., ‘De oudste postbode te Hasselt’, Verzamelde Opstellen, XI (1935) 202-203 Lyna, J., ‘De protestantsche revolutie te Hasselt (1566-1567)’, Verzamelde Opstellen, X (1934) 235-262; XI (1935) 295-296 Lyna, J., ‘De schepenbanken van Hasselt’, Verzamelde Opstellen, IX (1933) 7-20 Lyna, J., ‘De topografie van Hasselt’, De Tijdspiegel, (1953) 256-259 Lyna, J., ‘De vrijheidsoorkonde van Hasselt en de uitgraving van den Nieuwen Demer’, Verzamelde Opstellen, I (1923) 95-100 Lyna, J., ‘Hasseltsche folklore’, Verzamelde Opstellen, V (1929) 100-111 Lyna, J., ‘Hasselt-Zonhoven (Bijdragen tot de geschiedenis van Hasselt)’, Verzamelde Opstellen, XI (1935) 297-299 Lyna, J., ‘Het heldentijdperk van onze schuttersgilden’, Verzamelde Opstellen, XV (1938), 209-285 Lyna, J., ‘Les bonnes villes du comté de Looz. L’adoption du droit liégeois et leur origine’, Archéologie de Liège t. XLIX (1924) 72-76 Lyna, J., ‘Mombeek-Hasselt’, Verzamelde Opstellen, VIII (1932) 99-119 Lyna, J., ‘Nos vieilles fermes’, Verzamelde Opstellen, IV (1928) 77-92 Lyna, J., Aperçu historique sur les origines urbaines dans le comté de Looz (Tongres 1931) Maas, P., ‘Une sortie armée des habitants de Hasselt en 1441’, L’ancien Pays de Looz, VI : 3-4-5 (1902) 57-59, 67-71 Mantelius, J., Hasseletum sive ejusdem oppidi descriptio qua continetur totius historiae Lossensis compendium (Leuven 1663) Mantelius, J., Kroniek van Hasselt, (ed. G. Caluwaerts) (Hasselt 1996) Martens, E., ‘De spoorweg in Limburg’, De Tijdspiegel, XIX: 10 (1964) 219-223; XIX: 11 (1964) 245-247 Martens, E., ‘Een uitstapje rond Hasselt’, Nieuws uit Limburg, XII: 6 (1960) 52-54 Martens, E., ‘Het Albertkanaal’, Toerisme in Limburg, XVI: 5 (1964) 38-40 Martens, M., ‘De weg van Luik op Hasselt’, Limburg, XXXIII (1954) 99-100 Mennen, V., ‘Toponymie van Eksel’, Onomastica neerlandica, XVIII ( 2002) passim Mennen, V., ‘Toponymie van Hechtel’, Onomastica neerlandica, XX (2004) passim Mennen, V., Van Vriesput tot Klein Duitsland, acht eeuwen Lommelse plaatsnamen (Lommel, 1992) Molemans, J. & Mertens J., Zonhoven, Historisch-naamkundige studie (Zonhoven 1982) Molemans, J. & Mertens, J., Opglabbeek een rijk verleden (Opglabbeek 1984) Molemans, J. & Paulissen, E., ‘Toponymie van As’, Onomastica neerlandica, XI (1976) passim Molemans, J., ‘De priorij van Henegouw’, Het oude Land van Loon, XLII (1987) 149-157 Molemans, J., ‘Limburgse plaatsnamen 1, Kaulille’, Onomastica neerlandica (1973) passim Molemans, J., ‘Reële en personele belastingen in Hasselt tijdens het Ancien Régime’, Het Oude Land van Loon, XLII (1987) 111-181 Molemans, J., ‘Toponymie van Neerpelt, een socio-geografisch onderzoek’, Onomastica neerlandica IX (1975) passim Molemans, J., Toponymie van Overpelt (Gent 1976) Moonen, R., ‘Zeven der laatste bezembinders van Kiewit tellen samen 559 jaar’, Het Belang van Limburg (22 juli 1953) Nieuw-Hasselt, Tentoonstelling catalogus 9 mei-15 juni 1980 (Hasselt 1980) Papy, J. e.a., Henricus Jonghen: Onze-Lieve-Vrouw van Hasselt (Latijnse tekst) (Hasselt 2003) Paquay, J., ‘De hoeven der kerkelijke instellingen in Limburg’, Verzamelde Opstellen IV(1928), 121-141; V (1929) 48-64 Paquay, J., ‘La répression des troubles calvinistes à Hasselt par Gérard de Groesbeeck 1566-1567’, L’ancien Pays de Looz, VII-VIII (19031904) 35-38 Paquay, J., ‘Uit het Limburgsch Gildeleven. Iets over het maatschappelijk leven in vroeger eeuwen’, Limburgsche Bijdragen, XVI (1919) 13-62 Paquay, J., Tongeren voorheen (Tongeren 1934) Pipers, P., Diepenbeek (Hasselt 1978) Poncelet, E., ‘Note relative aux conflits entre Hasselt et Zonhoven au sujet de la bruyère’, Verzamelde Opstellen, XII (1936) 43-49 Raskin, L., ‘Inventaris van de Limburgse kastelen’, De Tijdspiegel, XXVI: 45 en 46 (1971) passim Reynders, J., Toponymie van Hasselt (extra muros) (onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Leuven 1935) Robijns, O., ‘De groote verkeerswegen in Limburg voorheen en nu’, Limburg, V, 1933-1934, 47-52 Robijns, O., ‘De tol op den steenweg Luik-Eindhoven’, L’ancien Pays de Looz, IX (1905), 21-22 Robijns, O., ‘Van Luik naar Eindhoven’, L’ancien Pays de Looz, VII-VIII (1904) 45-46 Roggen, W., De schutterskamers en jonckmanskamer van Hasselt (Hasselt 1995) Schlusmans, F., Bouwen door de eeuwen heen, Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur. Deel 6, nr. 1 (A-Ha), Provincie Limburg. Arrondissement Hasselt (Gent 1981) Schoofs, F., De gemeene heide in de Limburgse Kempen (Leuven 1939) Schreurs, M., Hasseltse historie (Hasselt 1985) Schrijvers, L., 1849-1889 Godsheide (Hasselt 1988) Schrijvers, L., Godsheide oudste gehucht van Hasselt (s.l. 2002)

295


296

Segers, W., Tot hier en terug: burentwisten tussen Hasselt en Zonhoven (Hasselt 2011) Segers, W., ‘Tot hier en terug: burentwisten tussen Hasselt en Zonhoven’, Kunst en Erfgoed in de Kijker, 29 (2011) 2-11. Segher, Herinnering aan de feesten der honderdste verjaring van den Boerenkrijg te Hasselt (Hasselt 1898) Smeets, W. Losse (niet gepubliceerde) nota’s omtrent de geschiedenis van de priorij van Henegauw en van het kasteel van Mombeek (s.l., s.d.) Smolders, P., ‘De strijd van Hasselt om de Bockrijker heide in de XVIde eeuw’, Verzamelde Opstellen, III (1927) 65-78 Snijders, D.- Geerkens, H.J., Ophoven en Geistingen door de eeuwen heen (s.l. 1966) Staelens, X., Dieksjenèèr van ‘t (H)essels: 6000 trefwoorden: Nederlands-Hasselts woordenboek (Hasselt 1982) Swennen, J.M., ‘Quelques notes inédites se rattachant à l’histoire de Hasselt sous la république française’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXIX (1893) 89-97 Vale, Petrus, Onze L. Vrouwe van Hasselt ofte corte historie van haer H. Beeldt ende broederschap: eerst in ‘t Lattyn beschreven door den Eerw. Pater F. Henricus Jonghen, Minder-broeder, ghe-Jubileerden leermeester der H. Godtheyt. Nu in ‘t neder-duyts vertaelt door Eerw. Pater F. Petrus Vale (Antwerpen 1660). Vaes, R., ‘Reeds meer dan 60 jaar vliegveld Kiewit’, De Hasselaar, 81 (1973) 5-6 Van de Poel, B., ‘De cromlech van het Koninklijk Atheneum te Hasselt en de voorhistorie’, De Tijdspiegel, II:7 (1947), 168 sq. Van de Poel, B. & Lyna, J., ‘De Oude Demer, de Nieuwe Demer en de Demer in de omgeving van Hasselt’, De Tijdspiegel, XIII: 10 (1958) 235-238 Van Gelder, W., Hasselt, toeristisch thuis in Vlaanderen (Hasselt 1985) Van Neuss, H., ‘Boeckrack’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXVII (1891) 105-116 Van Neuss, H., ‘Episode de l’histoire de Hasselt sous le règne de Maximilien de Bavière en 1681-82’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, VII (1871) 53-71 Van Neuss, H., ‘Nos anciens distillateurs’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, XXI (1884) 95-112 Van Neuss, H., ‘Notes sur l’origine de la ville de Hasselt et son histoire au XIIIe siècle’, Bulletin de la Société des Mélophiles de Hasselt, X (1873) 49-67 Van Neuss, H., Actes et documents anciens concernant Hasselt (Hasselt 1899) Van Passen, R., Toponymie van Kontich en Lint (Gent 1962) Van Swijgenhoven, Ch., ‘Autour de la guerre des paysans dans le Limbourg belge’, L’ancien Pays de Looz, IV (1899-1900) 68-70, 79, 89 Vandebeeck, T. & Grauwels, J., De Boerenkrijg in het departement van de Nedermaas, (Maastricht 1961) Vanderstraeten, C. & Coenen, J., ‘Hasseltse kronijk vanaf de vroegste tijden tot op heden’, Limburg, XXIX (1950) 1-12, 21-28, 41-46, 150-153, 161-163; XXX (1951) 44-45, 75-80, 99-100, 112-119; XXXI (1952) 31-34, 53-57, 156-157, 171-174; XXXII (1953) 30-32, 111-117 Vanderstraeten, C., ‘De Hasseltsche jonkmans en het gevecht der Planckeweyde’, Verzamelde Opstellen, XVI (1941) 101-126 Vanderstraeten, C., ‘De Hasseltsche schuttersgilden in de zeventiende en achttiende eeuw’, Verzamelde Opstellen, XIII (1937) 335-341 Vanderstraeten, C., ‘De slag der Plankeweide’, De Hasselaar, 14 (1959) 6 Vanderstraeten, C., ‘Geschiedkundige verscheidenheden betreffende Hasselt. De Hasseltsche veemarkten’, Verzamelde Opstellen, XI 1e afl. (1935)161-182. Vanderstraeten, C., ‘Hasselt contra Zonhoven’, De Hasselaar, 9 (1958) 3 Vanderstraeten, C., ‘Hasseltsche kerkhoven en begrafenissen’, Verzamelde Opstellen, XII (1936) 9-27 Vanderstraeten, C., ‘Iets over het bouwen te Hasselt in vroegere eeuwen’, L’ancien Pays de Looz, XIV (1910) 37-42 Vanderstraeten, C., ‘Paalstenen’, De Hasselaar, 10 (1958) 1 Vanderstraeten, C., ‘Uit Hasselt’s verleden’, Limburg, XVII (1935-1936) 140-148. Vanderstraeten, C., ‘Van heksen en tooverij te Hasselt’, Verzamelde Opstellen, XI (1935) 178-182. Vanloffeld, F. Limburgse schutterijen vroeger en nu (Eisden 1984) Vanloffeld, F., Van huyslieden tot schutten: Limburgse schutterijen (Maasmechelen 1984) Venner, J.G.C., Beeldenstorm in Hasselt 1567. Achtergronden en analyses van een rebellie tegen de prins-bisschop van Luik, Maaslandse monografieën, dl. 48 (Leeuwarden-Maastricht 1989) Verbeek, G., e.a., Kiewit van heidegebied tot bloeiende leefgemeenschap (Kiewit-Hasselt 1985) Verbeeck, G., Onze Hasseltse heide (s.l. s.d) Verbeeck, G., Virga Jesse. Schat van de Hasselaar (Hasselt 1988) Verdam, J., Middelnederlansch Handwoordenboek (’s-Gravenhage 1994) Vliebergh, E., De Kempen in de negentiende en twintigste eeuw (Leuven 1908) Wissels, L., Verklaring van de Genker straatnamen (Genk 1981)


BIBLIOGRAFIE

Archief Rijksarchief te Hasselt (RAH) –– Leenzaal van Kuringen, verheffingen –– Hasseltse oorkonden –– Hasseltse schepenbank –– Oud archief stad Hasselt –– Schepenregisters –– Registers van de bouwmeesters –– Stadsarchief Hasselt – Bouwmeesters – Recessen –– Stadsrekeningen, Bouwmeesters Verheffingen van de leenzaal van Kuringen (eerste tien registers) Schepenregister Hasselt, n. 208, f. 310, RAH 0.262, Analyse ou sommaire des pièces probatoires qui font voir dans la dernière évidence que la bruyère, située entre Hasselt et Sonhoven, appartient notoirement à la dite ville, et que les limites de cette bruyère sont pareillement de notoriété publique (1762) ‘Privilegien, statuyten ende reglementen der stadt Hasselt van oude tijden vergunt… ende nieuwelijke den 18 juni 1716 gheconfirmeert door Joseph Clemens, bisschop ende prince van Hildesheim ende Luyck’. Achter zijn bijghevoegt de politieke ordonnantien oft recessen ende jaer-gedinghen der stadt voorsc. Hasselt 1716 Technische Dienst van de stad Hasselt, dienst Groen en Wegen. –– Atlas van de Waterwegen 1883

297


298


INDEX PLAATSNAMEN

A

299

Boerendans, De - 143 Bokrijk - 35, 68, 153, 158, 174, 176, 179, 182, 202, 228,

Aan het Barrier - 31, 251, 252

233, 234, 235, 236, 237, 238, 239, 240, 241, 245, 257

Albertkanaal - 44, 49, 50, 59, 77, 94, 113, 152, 153, 163

Bokrijkerheide - 235, 236

Alt Wamis - 213

Bokrijkseweg - 51, 245

Alverberg - 64, 66, 124, 129

Boksbeemdenstraat - 258

Alverbergstraat - 64, 112

Bonnefantenstraat - 57, 150

Arensnest - 178

Boomkensstraat - 67, 76, 78, 97, 99, 121, 123, 195, 199, 203

Armkenvijvers - 238

Boomkensvijvers - 68, 238

Asschbosch - 274

Borggraafvijvers - 68, 81, 238, 257

Augustijnenwinning - 66, 121, 123

Borggravevijverbeek - 49, 68 Borggravevijverloop - 49 Borggravevijvers - 49, 50, 93, 106, 172, 202, 232, 233, 257, 280

B

Borggravevijverstraat - 201 Bosken, Het - 69, 285

Baggersven - 238

Bossteeg - 69, 213

Baggersvenne - 182

Bossteegbrug - 55, 56, 69

Bart - 129

Bosstraat - 53, 56, 57, 69, 94, 103, 111, 213, 214, 230,

Batsweiden - 66, 249

255, 256

Beekstraat - 56, 57, 195

Bosveld - 69, 255

Beeldjensveld - 66, 284

Bosvoetweg - 38, 255

Beerhoutstraat - 83, 257

Boute veldt - 69, 230

Beerhoutweg - 257

Bouteland - 174

Begijnenboomgaard - 38, 66, 94, 206, 207

Breemstraat - 69, 80, 113, 124, 200

Begijnenlandt - 211

Breemstraatbeek - 57

Begijnenpoel - 15, 38, 57, 67, 79, 94, 206,

Breenaalden - 69, 238

207, 221

Breestraat - 37, 57, 69, 78, 87, 122, 124

Begijnenveld - 207

Breestraet - 15, 69, 78, 85, 94, 96, 102, 103

Begijnenweide - 207

Breestratenveld - 129

Begijnhof - 38, 57, 67

Brierskapelleke - 50, 228

Berckenshout - 15, 67, 257

Broek, Het - 84, 106, 109, 124, 133, 134

Berebroekkantstraat - 257

Broekermolen - 42, 52, 56, 57, 64, 70, 111, 123, 124, 141,

Berenbroekstraat - 62

163, 164, 165, 167, 168, 226, 227, 228

Berenstraat - 56, 62, 79, 171, 184

Broekermolenstraat - 227

Berg, De - 151

Broekermolenweg - 226

Bergstraat - 56, 78, 79, 111, 203

Broekerstadsmolen - 123

Berkenlaan - 51

Broekstraat - 123, 124, 125

Bessemerheide - 62

Brouckmolenstraet - 15

Beversack - 179, 181, 182, 245

Brouk - 37, 110

Beverzak - 41, 52, 91, 138, 172, 174, 176, 182, 187, 188,

Broukermolen - 15, 37, 40, 110

237, 238, 239, 240

Broukmolenkolk - 70

Biesembrug - 67, 230

Broukmolenstraat - 70, 163

Biesemweg - 230

Broukmolenvoetweg - 40, 163

Biessemstraat - 67, 199

Brugakker - 70, 285

Biessemweijden - 15

Brugbeemden - 48, 70, 100, 284

Biessenbrug - 55

Brugbempden - 15, 67, 70, 71

Biessenweiden, De - 55, 67

Buken bosch - 233

Biest, de - 67, 284

Burgemeester Bollenstraat - 226

Bieststraat - 91, 94, 250

Burghgraefvijver - 258

Biezenstraat - 67, 73, 203

Burgven - 74, 172, 179, 238

Bijvennen - 68, 257, 258

Burgvenne - 15, 71

Bijvennestraat - 68, 257

Burgvennewijer - 182

Blaas, De - 55, 68

Buscurake - 233

Blau Bosje - 274

Buskensveld - 71, 251

Blauw Weide - 68, 251 Boekstraat - 37, 66, 68, 121, 124


300

C

Demer, Oude - 14, 40, 42, 43, 44, 48, 49, 51, 52, 53, 55, 56, 57, 61, 67, 68, 70, 72, 74, 77, 78, 79, 81, 82, 83, 85, 86, 87,

Calverheese - 83, 255

89, 91, 92, 95, 96, 97, 100, 101, 102, 105, 106, 108, 111, 112,

Calverhese - 221

113, 153, 167, 227, 228, 230, 232, 233, 237, 255, 257, 285

Calverheze - 215, 216, 217, 220

Die Laus - 167

Calverhoven - 221

Diepenbeecker voetpad - 15

Calverhuysen - 15, 83, 221, 255

Diepenbekerbaan - 213

Calveris - 221

Diepenbekerpad - 73, 105, 204, 211

Caperhoren - 40

Diepenbekersteeg - 251

Capermeer - 145

Diepenbekervoetpad - 38, 73, 84, 211, 255

Capermolen - 227

Diepenbekervoetweg - 56, 211, 230

Capermolenveld - 105, 122

Diepenbekerweg - 73, 80, 204, 211

Capucienentoren - 71, 224, 225

Diepstraat - 73, 96, 121

Capucienenmuer - 71

Diesterbos - 249

Casterbeek - 57

Diesterpoort - 123

Casterhovensteeg - 38, 255

Dijckestraat - 257

Castersteeg- 73, 80, 84, 109,111, 203, 204, 206, 246, 247

Donckerbemden - 271, 272

Casterstraat - 14, 57, 94, 165, 204, 211, 213, 246, 250,

Donkerbeemden - 58, 73, 90, 95, 285

255, 256

Dorlick - 15, 73

Cellebroedersvijvers - 50, 71, 189, 233, 236, 238, 258

Dorlik - 14, 56, 82, 251

Celzusterswinning - 121

Dormaal - 14, 57, 59, 66, 73, 74, 121, 122, 123, 124, 134,

Cnaepeweide - 71, 249

160, 237

Corneliskerkveld - 38, 217, 221

Dormael - 15, 22, 23, 68, 73, 74, 80, 81, 85, 96, 102, 103, 122

Cornelisveld - 80, 255

Dormaalbeek - 59

Crutsen - 37, 57, 66, 69, 77, 81, 86, 87, 94, 112, 123, 129,

Dormaalpad - 76, 83, 122, 203

131, 132, 133, 134, 208

Dormaalstraat - 48, 69, 74, 76, 109, 121, 123, 124, 203

Crutsen Hotspot - 86, 129

Dormael Breestraat - 73, 122, 200

Crutsen Savelveld - 129

Dormaelpadt - 73, 97, 105, 122

Crutsen Swartveld - 200

Dormaelstraat - 68, 77, 81, 83, 122

Crutsen Swertveld - 87, 135

Dormaelvoetweg - 124

Crutsen Swertvelt - 80, 129

Dorp - 37, 84

Crutsenbeek - 57, 131

Drie Kneukskens, De - 213

Crutsenbos - 86, 129

Drie padden, De - 213

Crutsenhoeve - 40, 129, 131, 133

Dries - 74, 75, 253, 267

Crutsenhof - 131

Drij Velden, De - 106, 122

Crutzenstraat - 129

Drinkteil - 249

Cujensweiden - 249

Drooghvennevijver - 182

Curingerpoort - 72, 226

Droogven - 15, 74, 172, 238 Dry engelen, De - 213 Duifhuishof - 74, 251

D

Duisterweide - 249 Duivelsbrug - 40, 51, 74, 90, 227

De Drie Velden - 121

Duivelsgat, Het - 59, 75, 91

De Houff, Winning - 258

Duyvendries - 274

De Populier - 255 De Twee Kruisen - 206, 246 De Wolfkens - 52, 209 Demer - 35, 37, 43, 44, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 72, 74, 77,

E

81, 87, 90, 91, 112, 113, 129, 157, 165, 172, 174, 193, 208,

Eckarden - 58, 75, 285

221, 223, 229, 257

Eckelgarden - 75, 249, 250

Demer, Nieuwe - 14, 32, 38, 40, 44, 48, 51, 52, 53, 55, 56,

Eckelgardensteeg - 80, 250

57, 64, 67, 68, 69, 70, 72, 75, 76, 81, 82, 84, 86, 89, 96, 99,

Ekkelgaarden - 249

100, 102, 106, 107, 109, 110, 113, 150, 163, 164, 165, 166,

Ekkelgardenmoerassen - 61

167, 168, 209, 210, 213, 221, 227, 228, 230, 251, 255

Ekkelgardensteeg - 75, 250 Elfde Liniestraat - 51, 55, 83, 113 Elleboogstraat - 246


INDEX PLAATSNAMEN

301

Elsracken - 15, 75, 101, 178, 233, 245

Grote Biest - 284

Elsraken - 238

Grote Heide - 36, 41, 51, 52, 76, 94, 97, 111, 153, 159, 189,

Elstracken - 182, 245

232, 235, 237, 240

Ertbeek - 57, 68, 75, 79, 84, 107, 203

Grote Linde - 88, 199, 203

Ertbeekstraat - 57

Grote Lindestraat - 88, 123, 246

Eusereweiden - 75, 249

Grote Smedentoren - 224 Grote Steeg - 64, 72, 108, 213, 228 Grotestraat - 257

F Fommaels Dries - 75 Frans Massystraat - 68, 124 Fredericivijvers - 37

H Haagbroek - 51, 101 Haarbeemden - 14 Haarbemden - 77, 129

G

Hachdoeren - 176 Haeghbrouck - 15, 101

Gaarveld - 76, 83, 92, 121, 124, 199

Haerbempden - 15, 77, 129

Gaerveld - 203

Harpstraat - 57, 113

Gaerveldsteeg - 76, 199, 203

Hasseltse Heide - 15, 36, 41, 48, 49, 78, 151, 174, 176, 177,

Galg - 135

178, 183, 237, 245

Galge - 15, 76

Havenstraat - 70, 163, 227

Galgebeek - 15, 52, 55, 66, 76, 82, 89, 90, 92, 93, 108,

Haverendries - 255

110, 250, 253, 255, 285

Heckeleer - 74, 129

Galgeberg - 135

Heckeleers - 15, 36, 78, 92

Galgenberg - 137

Heckeleersteeg - 78, 129

Galgenvijver - 15, 138, 189

Heerbaen - 284

Galgestraat - 76, 189, 230, 232, 236, 257

Hees - 38, 78

Galgevijver - 76, 232

Heffveld - 203

Gazometerstraat - 112, 226

Heffveldstraat - 203, 204, 206

Gebanne Groesen - 75, 76, 99, 100, 106, 182, 189, 236

Hefveld - 78, 84, 87, 102, 247

Gebanne Groesenstraat - 76, 257

Heibloemke, Het - 78, 154

Gebannen Groesen - 182

Heidestraat - 49, 50, 63, 111, 172

Gebrandestraat - 154, 174, 230

Heideweg - 257

Gelapte shako, De - 213

Heiwijerbeek - 49

Gemene Heide - 76, 172, 237, 238, 239, 245, 257

Heksenberg - 62

Generaal Lemanstraat - 203, 204, 247

Helbeek - 37, 38, 55, 56, 57, 67, 72, 79, 94, 111, 112, 147,

Genkerbaan - 40, 145, 153, 154, 174, 228, 230, 232, 233,

203, 206, 207, 221, 246, 249

236, 257

Helbeekplein - 56

Genkersteenweg - 31, 49, 62, 88, 91, 111, 112, 113, 169,

Helbeemden - 14, 56, 66, 68, 72, 79, 87, 102, 109, 111, 203,

174, 189, 232

246, 249

Geraetsstraat - 123

Helbeemdvoetweg - 284

Gericht van Hasselt - 135

Helbempden - 14, 15, 79, 203, 246

Geuzengalg - 38, 76, 211

Helle, De - 56, 79

Godsheide - 14, 15, 33, 44, 48, 49, 55, 61, 62, 67, 70, 71,

Helle, In de - 249

77, 81, 83, 86, 87, 89, 93, 94, 110, 112, 151, 152, 160, 215,

Helleplas - 79, 249

221, 232, 250, 253, 255, 257, 258, 280, 293

Helmweide - 79, 249

Godsheijde - 15

Helstraat - 79, 123

Goetsche Heyde - 257

Helveld - 249

Goetscherheide - 68, 77, 174, 237, 257

Henegouw - 15, 17, 48, 58, 64, 66, 67, 79, 90, 95, 104, 107,

Goetscherheidestraat - 257

151, 160, 168, 202, 249, 259, 260, 261, 262, 263, 264, 265,

Goetscherstraat - 77, 255, 257

266, 267, 268, 269, 270, 271, 273, 276, 277, 278, 281, 284,

Groenstraat - 77, 88, 104, 107, 199, 203, 204, 206, 249, 284

285, 290, 292, 293

Groot Hilst - 80, 190, 191, 199

Henegouwberg - 79, 259, 271

Groot Stuckstege - 121

Henegouwbos - 271, 284

Groot Stuk - 121, 122

Henegouwbosch - 271


302

Herenbos - 202, 284

Kalverheze - 143, 144, 255

Herk - 44, 48, 58, 59, 91, 108, 271

Kalverhoven - 69, 71, 83, 255

Herk, Kleine - 58

Kalverhuizen - 14, 255

Herkenrode - 15, 61, 80, 142, 153, 166, 174, 176, 207, 209,

Kalverhuysen - 160

221, 233, 234, 235, 236, 239, 255, 264, 270, 277, 279

Kanaalstraat - 51

Herkenrodebeek - 49

Kapellekensbampd - 83, 122, 181, 291

Herkenrodeloop - 49

Kapelveld - 257

Het Stuck - 101, 250, 284

Kapelveldstraat - 257

Hilst - 14, 15, 65, 80, 103, 108, 109, 113, 122, 131, 191,

Kapermolen - 15, 43, 44, 51, 83, 112, 227

199, 202, 217, 278

Kapermolenpark - 48

Hilsterveld - 64, 65, 192

Kapermolenstraat - 51, 74, 106, 109, 169, 227

Hoef, De - 258

Kapermolenveld - 77, 83, 121

Hoof, De - 58

Kast, De - 84, 246, 247

Hoeisch, De - 80, 249

Kasterstraete - 15, 84

Hoelensheide - 15, 80

Katharinadal - 38, 150, 209, 211, 227

Hoerensteeg - 79, 80, 87, 199, 246

Kattegat - 37, 54, 56, 57, 75, 79, 84, 100, 107, 127

Hoeven, Op de - 80, 147, 211, 255

Keeskamersberg - 37, 84

Hof van Crutsen - 131

KeeterdoeĂŤs - 112, 143

Hof van Hilst - 191

Keijselvoetpad - 84, 230, 251, 285

Holland - 14, 15, 30, 81, 82, 197, 211, 246, 247, 249, 251, 267

Keizelvoetweg - 285

Hollands Veld - 57

Kempenhof - 174

Hollandsche steeg - 81, 246, 247

Kempensche Heijde - 176

Hollandsteeg - 246, 247

Kemperbaan - 88, 145, 146, 153, 154, 163, 172, 174, 226,

Hollandsveld - 81, 84, 246, 247

227, 230, 232, 257

Hommelven - 258

Kemperbaen - 15, 70, 91, 98, 101, 107, 257

Hommelvenne - 71, 81, 257

Kemperbaene - 15, 85

Homperlepompe - 177

Kemperheide - 14, 15, 40, 76, 78, 85, 92, 96, 154, 174,

Hondsribbe - 203

230, 232, 237, 238, 245

Hontsribbe - 73, 81, 121

Kemperheidevoetweg - 172

Hoogbroek - 51

Kemperheijde - 15, 85

Hoogbrug - 51, 52, 62, 81, 146, 153, 227, 277

Kempische heide - 77, 90, 151, 160

Hooghvonder - 15, 81

Kempische Heide - 98, 146, 151, 182, 188, 189

Hoogvonder - 40, 51, 74, 90, 172

Kempische Poort - 33, 37, 38, 113, 145, 156, 157, 160, 161,

Houve, Op de - 82, 255

188, 194, 195, 211, 225, 226, 227, 237, 255

Hoven, Op de - 38, 205

Kempische steenweg - 81, 84, 85, 90, 101, 111, 113, 153

Huttweide - 82, 249

Kempische Steenweg - 33, 38, 51, 52, 113, 145, 149, 150, 151, 153, 227, 243

Kempische Vaart - 59,

I Ilgat - 82, 87, 251

Kermisveldeken - 122 Kermisveldje - 73, 74, 85, 98, 122 Kermisvijvertje - 86, 228 Ketel, Den - 233 Keuterdoos - 146

J

Kiewit - 51, 113, 138, 151, 152, 174, 239, 242, 244, 290, 292, 294

Jauten - 90, 97, 98, 182, 238

Kiewitdreef - 239

Jautiens - 15, 83, 245

Kiezelstraat - 48, 49, 52, 55, 69, 71, 77, 83, 86, 110, 111,

Jodesteeg - 124

255, 257, 258, 285

Jonkmansplein - 138, 211

Kimpel - 48, 49, 55, 86 Klein Hilst - 190, 191, 192, 196, 198, 290 Klein Lindeke - 191, 195

K

Kleine Bergvenne - 182 Kleine Demer - 57

Kaefsveld - 83, 154

Kleine Linde - 68, 88, 105, 106, 121, 195, 199, 203

Kaefsveldt - 15

Klein-Hilst - 59, 196

Kalfstuin, De - 274

Klein-Mombeek - 281


INDEX PLAATSNAMEN

303

Kleinstraat - 257

Luikerbareel - 184

Kloosterbeek - 49, 62

Luikerpoort - 33, 38, 39, 100, 152, 161, 165, 171, 194, 206,

Kloosterbeekstraat - 50

211

Klotbroek - 49

Luikersteenweg - 31, 48, 56, 57, 58, 61, 63, 79, 88, 100,

Koekerellenpad - 55

102, 112, 113, 123, 142, 171, 194, 204, 206, 211, 246, 248,

Koetelstraat - 158

250, 251, 252, 259, 263, 273, 284

Korte Breestraat - 57

Luikervoetweg - 211

Kriekelsbeemd - 51

Luyckerbaen - 15, 96

Kroonwinning - 63, 82, 86, 96, 99, 250, 251, 253, 280

Luys, Op de - 38

Kroonwinningstraat - 56, 96, 250, 251, 253

Laus, Op de - 38, 167

Kruisstraat - 123, 284 Kruisveld - 67, 68, 77, 86, 121, 151, 199

M

Krutsen - 14, 15, 86, 87 Kunstlaan - 57 Kuringerbaan - 14, 36, 57, 72, 87, 90, 111, 112, 123, 124,

Maastrichterbaan - 38, 89, 91, 211, 213, 228, 255

129

Maastrichterheide - 161

Kuringerbaene - 15, 72, 78, 87

Maastrichterpoort - 33, 38, 73, 80, 89, 100, 145, 160, 168,

Kuringermolen - 165, 168, 169

194, 195, 211, 213, 216, 220, 221, 222, 223, 224, 225, 227, 228

Kuringerpoort - 14, 15, 33, 34, 37, 68, 73, 123, 124, 143,

Maastrichtersteenweg - 31, 52, 56, 57, 84, 111, 142, 204,

144, 157, 158, 160, 166, 194, 195, 199, 203, 211, 225, 226

213, 256

Kuringersteenweg - 31, 57, 68, 69, 109, 123, 124, 125, 132,

Macrall - 284

135, 161, 200, 226

Maestrichterbaene - 15, 69, 89

Kuringervoetweg - 129

Manteliusstraat - 100, 113, 123

Kuylen van Curingen - 176, 237

Mastbroeken - 89, 249

Kuylen van Curinghen - 176, 179

Meekrapmolen - 171

Kuylen van Kuringen - 182, 245

Meeuwet, De - 55, 89

Kwaadhovenbeemden - 58, 95, 285

Meiliedstraat - 56

Kwaadhovenstraat - 259, 284

Meir - 89, 253, 285, 286

Kwade Dries - 285

Melbeek - 48, 58, 66, 77, 89, 90, 123, 160, 191, 250, 284,

Kwaeden Dries, Den - 77, 285

285

Kwakkel - 62, 111, 112

Melbeekgracht - 58 Melbeekstraat - 58, 67, 90, 96, 101, 123, 250, 267, 284, 285 Melderts Bampt - 274

L

Melkvoetstraat - 90, 123, 226 Melkvoetweg - 37, 84, 90, 90, 109, 123, 226

Laak - 49, 53, 58, 87, 129, 263

Melkweg - 226

Laeck - 77, 81, 87, 172

Meskensgoed - 90, 249

Lam, Het - 213, 221

Meukens - 40, 53, 54, 112, 167

Lanckveld - 82, 87, 154, 251

Miezerikbroek - 49

Langen Holt - 191

Misenbergbeek - 58, 276

Lang Kruis - 87, 90, 246, 249

Miserik - 257

Langkruisweide - 71, 251

Miserikbeek - 49

Langveld - 87, 211, 251

Miserikstraat - 257

Langveldstraat - 31, 171, 251

MoeffelhiĂŤr - 64, 65

Langwaterstraat - 49

Moersgoet - 267

Lasarijestraet - 15, 88

Moeshoven - 203, 211

Laustoren - 55

Moeshovensteeg - 226

Lazarijstraat - 37, 69, 74, 87, 90, 110, 123, 124, 124, 126, 151

Moken - 15, 90, 64, 182, 238, 245, 253

Le Petit CafĂŠ - 38

Mokenvijver - 238

Lesten Stuyver, In den - 37

Mokenweg - 257

Liefvrouken - 88, 154

Molenbeeckstraet - 274

Linde, Grote - 121

Molenbeek - 44, 58, 70, 73, 90, 202, 271, 273, 284, 285

Linde, Kleine - 121

Molenbeemd - 90, 284

Luikerbaan - 14, 38, 66, 70, 79, 88, 94, 96, 112, 113, 200,

Molenpad - 238, 271

204, 206, 211, 246, 247, 249, 250, 251, 257, 259, 271, 273,

Molenpoort - 52, 53, 56, 57, 151, 167, 168

284, 285

Molenschans - 179, 182


304

Molenstraat - 40, 70, 88, 90

Over de Demer - 51, 52

Molenvoetweg - 58, 70, 169, 259, 273

Over Demer - 14

Mombeek - 18, 44, 58, 66, 70, 73, 75, 90, 95, 155, 159, 162, 169, 179, 202, 208, 263, 264, 265, 266, 267, 268, 269, 271, 273, 274, 275, 276, 277, 279, 280, 281, 282, 283, 284, 291, 293, 294

P

Mombeek, Oude - 58

Paalsteen - 154, 174, 175, 237, 238

Mombeekdreef - 58, 273, 276, 285

Paalsteenstraat - 51, 62, 91, 98, 107, 112, 154, 172, 174

Mombekermolen - 58, 259, 272, 273, 281

Paardsdemer - 55, 57, 209

Moordelkuijle - 90, 284

Paardsdemerstraat - 56 ,57, 79, 269

Moordelkuil - 70, 90, 273, 285

Padestraat - 51, 69, 7, 153, 154, 230, 232, 257

Moordelkuyl - 69, 276

Padestraet - 15, 83, 92, 101, 105

Moordkuil - 58

Paedestraat - 230

Muggebeek - 71, 87, 91, 154, 172, 238

Paeschman, De - 92, 285

Muggebeemden - 14, 51, 91, 96, 172

Paggestraat - 227, 232

Muggenbeek - 51

Palen van Diepenbeek - 14, 15

Muggenbempden - 15

Palen van Kuringen - 172, 200

Muggenbosstraat - 284

Palmstraat - 123

Muggensteeg - 213, 228

Pannenhuis - 154

Muntelbeekstraat - 259

Parkestraat - 230 Paters Lieffvrouken - 92, 129 Pats, De - 251

N

Penxtenbeemd, De - 55 Pestbogaerd - 127

Nattveldt - 15, 91

Peter Benoitstraat - 57, 204, 211, 255

Natveld - 14, 91, 94, 99, 168, 204, 211, 212, 251

Pietelbeeck - 15

Natvelt - 57

Pietelbeek - 14, 52, 61, 68, 89, 92, 93 ,94, 230, 237, 250,

Nieuw Heijde - 15

253, 254, 285

Nieuwe Goetscherheide - 257

Pietelbeek kasteel - 254

Nieuwe Heide - 15, 50, 91, 172, 174, 230, 232, 233

Pietelbeekstraat - 74, 93, 109, 253, 257, 285

Nieuwe Heidevoetweg - 172

Pietelbeekveld - 66, 74, 90, 93, 94, 253, 267, 285

Nieuwveldt - 15, 91, 174, 232

Pietelbekerweg - 230, 251

Nijverheidsstraat - 68, 124

Pijpersveldje - 15, 93, 257 Pijpersveldstraat - 257 Pinnepoelveld - 68, 84, 93, 251

O

Pjaardskolk - 61 Plaaster - 14, 38, 93, 102, 191, 203

Olrock - 253

Plaester - 15, 93

Op de Houve - 255

Planckeweide - 37, 56, 57, 66, 79, 89, 94, 106, 111, 112,

Oranjeboom, Den - 38

160, 206, 207, 211, 221, 223

Ossensteeg - 62, 88, 206, 211

Planckeweidebeek - 57

Ossesteeg - 38

Planckeweidelaan - 57

Oud Kerkhof - 145, 146

Plankenweide - 204

Oude Baan - 64, 65

Plankeweide - 38, 294

Oude Barrier, De - 171, 250, 251

Plankeweidevoetweg - 211

Oude Kuringerbaan - 36, 57, 111, 112, 123, 124, 129

Plantenstraat - 74, 123, 129, 226

Oude Luikerbaan - 79, 88, 94, 96, 112, 113, 204, 206, 211,

Platte Beemd - 94, 274, 285

250, 251

Platte Vijver - 15, 70

Oude Maas - 49, 87, 89, 251

Platte vijvers - 94, 106, 157

Oude Miserikbeek - 49

Platte Vijvers - 49, 93, 257, 280

Oude Spoorbaan - 57

Platvijvers - 62, 63, 85

Oude Trichterbaan - 213, 221, 255

Platwijer - 63

Oude Truiderbaan - 65

Poepstertje, Het - 213

Oude Truierbaan - 191, 204, 249

Populeer, Den - 221

Ouden Barrier - 171

Populier, De - 94, 255, 297

Ouden Barrier, Den - 171

Prinsen Oudebeemd - 50, 51, 95, 237


INDEX PLAATSNAMEN

305

Prinsenbeemden - 51, 94, 237

Sauvegardevijvers - 97, 179, 245

Pruymken, Het - 95, 255

Sauvegardvijvers - 15, 160, 182, 238

Putsteeg - 95, 204

Savel venne - 245

Putvennestraat - 51, 102, 151, 257

Savelvenne - 182, 245 Savelvennen - 97, 238 SchaliĂŤnhuys - 250

Q

Schavautenveld - 97, 121 Schavelieren veldjen - 122

Quaethovenstraat - 271

Schaverden - 15, 83, 97, 179, 238

Queckwijde - 176, 234, 237

Schaverdenvijver - 182 Scheepstart - 51, 97 Scheperspoelken - 97, 122, 199, 200

R

Scherpesteenwinning - 42, 56, 97, 100, 102, 108, 250, 251, 253

Ranonkelstraat - 174, 239

Schotteveldstraat - 247

Rapertingen - 14, 15, 56, 61, 63, 74, 76, 95, 96, 99, 103, 108,

Schotteveldvoetweg - 247

123, 191, 217, 230, 246, 250, 253, 273, 280, 284

Schrijnbroek - 41, 51, 76, 80, 85, 91, 98, 154, 172, 176, 179,

Rapertingenbeek - 56

230, 232, 238

Rapertingenplein - 90, 101, 257, 284

Schrijnbroekbeek - 51

Rapertingenpleyn - 95, 246, 250

Schrijnbroekstraat - 71, 172

Rapertingenstraat - 74, 82, 86, 90, 95, 96, 97, 98, 101,

Schrijnebrouck - 15, 98

108, 109, 110, 111, 112, 204, 206, 211, 230, 250, 251, 253,

Schrijnebrouckvijvers - 182

257, 285

Schrijver - 98, 251

Rapertingenweg - 38, 211

Schroensbroek - 238

Reddelberg - 100

Schroensbrouck - 83, 98, 182

Reukenis, Het - 66, 96, 267, 285

Schuttershof - 127, 157, 158, 210

Richterveld - 121

Schuttersraam - 98, 154

Rode Berg - 56, 84, 86, 96, 109, 246, 249

Seven Stichelen - 15, 101

Rodenbachstraat - 38, 67, 111, 206

Siegersveld - 246, 249

Rommenbeemd - 51, 96

Siegersveldsteeg - 98, 99, 246

Rooden Berg, Den - 246

Singelbeeck - 15, 98

Rooierheide - 63

Singelbeek - 14, 56, 61, 73, 93, 95, 99, 101, 108, 160, 204,

Rosmolen - 129

230, 250, 251, 253, 285

Roten - 15, 55, 56, 67, 89, 96

Singelbeekstraat - 56, 57, 69, 71, 73, 82, 99, 111, 204, 211,

Roten, De - 55

230, 251, 253

Royepoort - 233

Singelbeekvoetpad - 204, 211, 230

Rozenstraat - 113, 226

Sint-Barbaradal - 15, 150

Rummen - 155

Sint-Catharinadal - 15, 101, 102, 109, 150, 209, 211

Runkst - 14, 59, 75, 76, 81, 85, 91, 121, 122, 160, 199, 203,

Sint-Corneliskapel - 38, 72, 151, 213, 214, 215, 216, 217,

237, 267, 290

219, 220, 225, 228

Runkster Hoogveld - 66, 88, 91, 101, 107, 121, 122

Sint-Corneliskerkhof - 216

Runksterbeek - 59, 108

Sint-Cornelisveld - 15, 213, 217, 221

Runkstersteenweg - 59, 96, 121, 124

Sint-Jansbeeckveldt - 15

Runksterstraat - 69, 121, 124

Sint-Jansbeek - 56, 57, 69, 73, 82, 83, 86, 87, 96, 99, 108,

Runxsterstraat - 121, 200

110, 211, 246, 247, 249, 250, 251, 253, 255

Runxt - 15, 81, 96, 98, 99, 102, 107, 122, 199, 202, 203, 237

Sint-Jansbeekveld - 14, 82, 84, 251

Runxter Hoogveld - 102, 121, 122

Sint-Quintinusheide - 178, 238, 245

Runxterstraet - 80, 96, 98, 101, 106, 121, 122

Sint-Truiderpoort - 194, 195, 199, 203, 204, 206, 211, 224,

Rustwijer - 182, 245

225, 226

Sint-Truidersteenweg - 31, 48, 59, 61, 79, 111, 112, 123, 191 Sint-Truijerbaene - 15, 71

S

Sint-Truijersteenwegh - 15, 106 Slachthuiskaai - 57

Salvatorkliniek - 56, 81, 211

Slagmolenbeek - 50, 95, 98, 99, 102, 233

Sasputsteeg - 204

Slagmolenstraat - 50, 169

Sasstraat - 50, 112, 228

Slangbeek - 52, 238


306

Slicksteen - 15, 68, 73, 99, 203

Toeist - 103, 251

Sliksteen - 14, 38, 157, 199

Toekomststraat - 38, 67, 88, 112, 113, 204, 206, 211

Sluijs, Op de - 55, 99, 255

Tommeke - 103, 121, 123

Smautmolen - 233, 236

Tommeken - 74, 122

Smeermaas - 100, 153

Tomstraat - 14, 52, 77, 95, 96, 101, 103, 107, 160, 237, 250,

Sopjanskruk - 172, 182, 187, 238

257, 267, 276, 284, 285

Spilvoije Kuylen - 189

Tomstraete - 15, 103

Spilvoijekuilen - 50, 100, 232, 238

Tomvoetweg - 58

Spilvoijekuilenweg - 257

Treckschueren - 15, 104

Spilvoijekuylen - 76, 102, 236

Trekschuren - 14, 56, 75, 80, 81, 82, 97, 107, 160, 202, 204,

Stadsomvaart - 38, 66, 67, 76, 94, 211

237, 246, 249, 273

Stadspark - 206, 221

Trekschurenbeek - 56

Stadtsnieuwheijde - 15

Trekschurenpleyn - 104, 284

Stadtsommevaert - 211

Trekschurenstraat - 56, 66, 75, 79, 80, 96, 97, 104, 107,

Stadtsomvaert - 15, 100

112, 123, 200, 204, 246, 247, 249, 250, 284

Stalmansbrug - 38, 55, 221, 228

Trekschurenveld - 104, 249

Stalmansbrugge - 15, 100

Trichterbaan - 38, 73, 80, 104, 110, 211, 213, 221, 230,

Startwijer - 182, 245

250, 255

Steen - 245

Trichterheide - 14, 15, 48, 49, 50, 69, 70, 75, 76, 83, 90,

Steenaertskapel - 100, 246, 247

92, 95, 99, 100, 105, 108, 153, 154, 160, 163, 174, 189,

Steenstraat - 160

215, 230, 232, 233, 236, 237, 257

Stenen Kopke, Het - 62

Trichterheidestraat - 232, 233, 257

Stiemer - 42, 43, 49, 53, 54, 55, 112, 167, 170, 192

Trichterheijde - 15, 85

Streep, Op de - 101, 255

Trichterpoort - 213, 217

Stuck, Het - 66, 94, 98, 101, 121, 250, 284

Trichterveld - 77, 105, 121, 122

Stuk - 285

Truiderpoort - 191, 194, 195, 199, 203, 204, 206, 209, 211,

Sustercloosterbeek - 102, 228, 232, 233, 237, 238

224, 225, 226

Sustere vijver - 233

Truierbaan - 14, 105, 191, 198, 199, 200, 203, 204, 249

Susteren Wijngaard - 38, 227

Truierpoort - 105, 160, 207, 224

Susterenveld - 249

Truijerbaan - 88, 121, 179, 200

Susterkloosterweg - 257

Truijerpoorte - 15, 105

Swaluwstert - 51, 79, 102

Tulpinstraat - 51, 151

Swartvennestraat - 257

Turfstekersstraat - 49

Swartvennevijver - 182, 189

Twee Kruisen - 87, 101, 102, 211, 249

Swertveldt - 102, 135, 137

Twee Kruisen, De - 206, 246

Swertven - 15, 102, 238 Swimeleresteeg - 124 Swimelereveld - 102, 122

U Uilensteeg - 106, 284 Uilstraat - 284

T

Universiteitslaan - 52, 55, 57, 285 Uylensteeg - 246

Ter Hilst - 42, 198 Ter Poorten - 15, 52, 76, 94, 213, 253, 255 Terbank - 125 Terpoorten - 14, 111, 142 Tesch - 38, 102

V

Teutelwijerke - 38, 103, 213, 214, 221, 255

Vaartstraat - 38, 70, 163, 226

Teutelwijerken - 15, 69

Vaesbempt - 182, 245

Thienenwinning - 249, 250

Van Helmontlaan - 73, 204, 211, 255

Thonissenlaan - 33, 57, 75

Veldtmansbrugge - 15

Thyspoel - 90, 103, 226

Veltmansbrug - 40, 51, 55, 74, 101, 106, 109, 163, 227

Tichelrij - 103, 249

Verckenslandt - 211

Tilensweide - 103, 249

Vergadering, De - 44, 51, 56, 57, 79, 106

Tivoli - 113, 184

Verloren Kost - 249, 274


INDEX PLAATSNAMEN

307

Vierbonder - 15, 101, 106, 204, 211

228, 229, 230, 232, 257

Vierbunder - 14, 95

Willekensmolenbrug - 51, 228

Vijverstraatje - 226

Willekensmolenstraat - 38, 40, 50, 55, 70, 72, 74, 80, 86,

Vilderstraat - 97, 107, 163

92, 100, 108, 163, 169, 213, 214, 227, 228, 233, 257

Vilstraat - 38, 97, 106, 107, 145, 163, 199, 203, 227

Wilserbosstraat - 284

Vilstraat, Kempische - 37, 107

Wimmertingen - 35, 37, 44, 58, 61, 108, 169, 202, 246,

Vilstraet - 15, 78, 83, 93, 107, 145

250, 257, 259, 263, 264, 265, 269, 271, 273, 275

Vissebroucken - 15, 71, 77, 106, 232

Windhalm - 122

Vissenbroeken - 49, 70, 257

Windhalm, Grote, Kleine - 122

Vlasbeemd - 178

Windhalm, De - 59

Vleeschhouwers Bampt - 274

Windhalmbeek - 59

Voddekapelleke - 56, 100, 112, 246, 247, 248, 291

Windhalmhoeve - 121

Voesterveldstraat - 56

Windmolen, In de - 123, 171, 204

Voetpad - 107, 284

Windmolenkuil - 158

Vogelsanck - 153, 176, 177, 178, 185, 236

Windmolenstraat - 38, 61, 73, 169, 204, 211

Vogelstaf - 78, 107, 154, 157

Windmolenveld - 37, 84, 107, 109, 123

Volmolenstraat - 37, 70

Winterslag - 245

Voogdij - 82, 107, 202, 249, 284

Winthalm - 73, 75, 109, 110, 122

Voogdij, De - 249

Winthalmsteeg - 97, 99, 102, 103, 109, 122, 203

Voogdijsteeg - 107, 284

Winthalmstege - 109, 121, 122

Voorstraat - 15, 40, 51, 67, 69, 107, 113, 213, 221, 230, 255

Winthalmstraat - 122

Voorstraatbrug - 55, 67, 230

Wintmolenveld - 109, 123

Vossekuilen - 37, 107, 285

Wintmolenveldt - 15

Vosserveld - 285

Witte Dries - 253

Vosserveldje - 108, 253

Wittenonnenstraat - 38, 150, 209

Vuurstraat - 284

Wolfkens, De - 52, 61, 150, 167, 209, 210, 285

Vuylwamis, Het - 213

Wolfkestraat - 82, 99, 110, 255, 257 Wolfsche - 15 Wolfscher - 208

W

Wolfske - 14, 110, 255 Wolfskestraat - 70, 255, 285

Wagemans-Keele - 182

Wolfskeveld - 110, 255

Wagemanskuilen - 178, 245

Wolfsteeg - 110, 124

Wagemanskuylen - 176

Wolske - 110, 160, 255

Walenstraat - 51

Wurfeld - 109, 122, 203

Wanbeek - 59, 73, 75, 91, 96, 108, 121, 122, 191

Wurfeldsteeg - 109, 124, 203

Watermansvoetweg - 40, 165

Wurfeldstraat - 124

Watermansweg - 40

Wurfeltsteeg - 203

Weggestraat - 14, 213, 221, 228, 255 Weggestraet - 15, 83, 86, 103, 106, 108, 221 Weidebeemden, De - 55 Weijbeemden - 51, 108

Z

Weijbeemdsteeg - 51, 108, 228

Zandstraat - 49, 113

Weijbempden - 15, 108

Zavelven - 179

Weijerstraat - 37, 110, 123

Zavelvennestraat - 51, 102, 174, 238, 239

Wentmoelen kuyle - 123

Zestien Bunderstraat - 257

Wentmoelenveldt - 156

Zeven Stichelen - 14, 74, 82, 88, 110, 206, 251

Weyerstraat - 226

Zevenhovenbemden - 271

Wijeren, Op de - 109, 251

Zeyps - 37, 98, 110, 124

Wijerstraat - 37, 70, 84, 100, 106, 109, 123, 124, 165

Zusterkloosterbeek - 49, 50, 71, 97, 99, 257

Wijngaard, Op de - 38, 101, 109, 227

Zwartven - 179, 238

Wijngaerdtranck, Den - 161, 222 Wijngard - 15, 109 Wijwatermolen - 228 Wijwaterskoet - 61 Willekensmolen - 42, 43, 50, 51, 55, 61, 95, 108, 113, 165,


308


INDEX PERSOONSNAMEN

A

309

Bisoux-Desquiens, J. - 262 Bisschoppen, Christina - 137

Abroek, van Clemence - 266

Blasen, Gilis - 142

Abroek, van Jan - 265, 266

Bloesen, Henneken - 139

Abshoven, Van - 217

Boelen, David - 143

Aerts - 217

Bokrijk, Mathijs - 234

Aerts, Mathijs - 234

Bommershoven, van Catharina - 208

Alardus - 263

Bonnefanten - 15, 145, 265, 266, 268, 269

Alen, J.B. - 137

Bonniver - 31, 251, 252

Alexander IV - 234

Borman, de Nicolaas-Willem - 281

Alexianen - 125, 126, 149, 208

Bosch, van den Françoise - 278

Alvermannekens - 64

Bosch, van den Lambert - 277

Ambrosi - 74, 191

Bosch, van den Willem - 277

Anabaptisten - 138, 141

Bossche, van den Lambrecht - 266, 277

Anten, Djef - 214

Bossche, van den Maria - 277

Appelzouwen, Jan - 138

Bossche, van den Willem - 266, 278, 279

Arkel, van Jan - 132

Bouillon, van Godfried - 263

Arnold II - 263, 264

Boul, Thomas - 139

Arnold IV - 52, 139, 201, 233

Bourbon, de Henri - 262

Arnold V - 52, 201

Bourbon, van Lodewyk - 265

Augustijnen - 15, 66, 80, 127, 138, 149, 187, 208, 209, 215,

Boussu, Armand - 161

219

Boyen, Willem - 143

Autel, Jan van - 176

Brauns, Johanna - 280 Brede, van Dionys - 277, 266 Briers, Arnold - 189

B

Briers, Peter - 182 Brouckmans, David - 148

Baerts - 194

Bueren, Goswijn - 266

Baintsoyn, Renier - 148

Bueren, van Goswin - 277

Balza, Steven - 137, 139

Bussen, Mechtildis - 209

Bamps, Hencke - 139

Buylen, Van - 149

Bamps, Jan-Antoon - 168 Bamps, Paul - 33 Bamps-Lebon - 65, 191, 192, 195 Bando, Jan - 137

C

Bangels - 250

Callixtus II - 263

Bastmans, Judocus - 264

Cannaerts, Nicolaus - 127

Batenburg, van Catharina - 178

Caproens, Arnold - 280

Beerden, Robert - 165

Caproens, Lambert - 222, 223

Beieren, van Ernest - 140, 268

Caproens, Maria - 280

Beieren, van Ferdinand - 127, 150, 156

Capucijnen - 224

Beieren, van Jan - 156

Caulille, Michiel van - 131

Beieren, van Jan-Theodoor - 30, 55, 165

Cellebroeders - 125, 126, 127, 137, 138, 208, 223, 233

Beieren, van Joris-Lodewijk - 167

Celzusters - 217

Beieren, van Maximiliaan - 222, 223

Chabert - 193, 195

Beieren, van Maximiliaan-Hendrik - 13, 128, 174, 178, 179,

Chabot, Marie - 132

221, 237, 238

Châlons, van Hugo - 264

Berghen, van Joris-Lodewijk - 31

Chapeauville, Jean - 138

Berghes, de Joris-Lodewijk - 14

Chockier - 268

Bessem Heinke - 241

Cisterciënzerinnen - 15, 268

Bessembinders - 41, 111, 239, 240, 241, 243

Claes - 65, 215, 249

Beverst, van Jan - 159

Claes, Guillaume - 193

Bezembinders - 41, 111, 239, 243

Clemens IX - 269

Bielen, Louis - 171

Clemens VIII - 268

Bietebouw - 62

Coenen, Renier - 221

Bilsen, Van - 142

Coersel, van Margareta - 209


310

Coex, Art - 235

Duyfkens, Henricus - 148

Colaud - 195

Duynen, Jan - 191

Colyns, Maria - 268

Dweye, van den Margaretha-Catharina - 259

Cordens, Arnold - 137 Cordua van, Gonzales - 127 Corswarem, de Adriana - 273, 277, 278 Corswarem, de Godfried - 278

E

Corswarem, de Guillaume - 281

Elderen, van Herman - 276, 277

Corten, Leo - 210

Elekom, van Jan - 215

Cortenaken, Walterus - 210

Elen, Cornelis - 194

Cortenbach, van Oda - 273, 278

Elicom, Elisabeth - 207

Courroit; J - 132

Elsrack, van Aleydis - 209

Court, de la Josephus - 148

Elsrack, van Arnold - 268

Cox, Gaspar - 221

Elsrack, van Claes - 212

Cox, Godfried - 259

Elsrack, van Libertus - 268

Cox, Ludovicus - 149

Elsraeck, van Dierik - 212

Crachelbach, Aleydis - 208

Elsraeck, van Gerit - 212

Cramme - 259

Elter, van Joris - 177, 178, 236

Cramme, Joannes - 259

Endegeest, van D. Theodoor Gevers - 226

Cramme, Nicolas - 259

Erdens, Lemmen - 212

Creeft, de - 179

Eycken, van der Carle - 278

Crencken, Walterus - 210, 208 Creten, Beatrix - 222, 223 Creten, Melchior - 222

F

Crutsen, Oda - 208

Fabry, H. - 194

Custyns, Laurentius - 217

Fabry, Katharina - 208

Cyney, de Margriet - 132

Farcy, Franciscus - 171 Favillon d’Ochain, de Philippe - 277 Feijtmans, Matthijs - 247

D

Filips IV - 221 Filips de Goede - 125

Daelem, van Maria - 280

Fologne, de Lambertus - 208

Dalenbroek, van Godfried - 265

Francken, Baltus - 188

DaniĂŤls, Petrus - 194

Francken, Livinus - 268

Danis, Thomas - 194

Frangipani, Octavio Mirto - 267

Dauvin, Jean - 277

Frederici, Jan - 148, 149

de Montpellier - 259

Fredericx, Jan - 269

Deckers, Marten - 233 Delacourt - 217 Depats - 251 Deplaye - 154, 182, 183, 245

G

Desseleers, Willem - 125

Garitz, Benedictus - 267

Diederik - 210

Garitz, Maria - 267

Diederik, pastoor - 208, 210

Geerts, Mielis - 143

Dierna, Anna-Maria - 150

Gelder, van Hendrik - 207, 234

Diest, van Mathijs - 219

Gelders - 194

Dijkmans-Wijnen, Jaak - 169

Gelinden, van Maria - 277

Dominikanen - 94, 208

Geloes - 273, 276, 279

Donnea, de Carolus - 281

Geloes, de - 129, 131, 132, 134, 137, 273, 276, 279, 280

Dormaal, van Nicolas - 134

Geloes, de Elisabeth - 280, 281

Driessche, van den Natalis - 125

Geloes, de Jan - 127, 132, 148, 233, 280, 281

Drische, van Jan - 208, 210

Geloes, de Jan-Mathijs - 280

Dullaert, Jan - 208

Geloes, de Jan-Renier - 132, 279, 280

Duponceau, Michael - 16

Geloes, de Joannes - 128

Durbuy, Hendrik - 141

Geloes, de Marie-Agnes - 280

Duyfkens, Geert - 131

Geloes, de Maurits-Ferdinand - 133, 280


INDEX PERSOONSNAMEN

311

Geloes, de Renier - 280

Hilst, van Gerard - 191

Geloes, de Robert - 280

Hilst, van Joes - 280

Geloes, de Steven - 132, 133, 137, 280

Hinnisdael, van Cecilia - 278

Geloes, de Steven Gerard - 280

Hoerne, de Michiel - 264

Gheets, Marie - 141

Hoeven, van der Servaas - 147

Gielkens, Arnold - 148

Horen, van J.J. - 181

Goermans, Jan - 209

Horion, de - 228, 267

Goermans, Joannes - 210

Horn, van Jan - 97, 135, 141, 155, 160, 185

Goessens, Frans - 143

Houben, Antoon - 178

Gracht, van der Gedeon - 267

Houffalize, van Agnes - 267, 276

Grauls, Peerke - 161

Hoydonck, Willem - 236

Grauwzusters - 15, 71, 127, 150, 227, 277

Hoyo, van Catharina - 208

Grimaldi, de - 132

Hussen, G. - 194

Grisar - 194, 197

Huveneers, Guillaume - 194

Groesbeek, van Gerard - 138, 156, 160, 178, 209, 210,

Hydongs, P.T. - 250

211, 215

Gustingen, van Adam - 276 Gustingen, van Maria - 276

I Innocentius IV - 263

H Haezendonck, van Jan - 194, 197 Halenberch, Henricus - 210

J

Hamakers, Christiaan - 16

Jacobs, L. - 171

Hans, Jan - 217

Jacobs, Thijs - 234

Hans, Margriet - 126

Jacobs-Teuwens - 169

Hansay, A. - 201

Jamaer, Jan - 143

Happenaerts, Aerdt - 143

Jan III - 265

Happf - 139

Jardon - 193, 195

Harff d’Alstorff, Sibylle-Walburga-Agnes-Isabelle-Thérèse

Jaupen, Hendrik - 127

- 279

Jeurissen, Alfons - 239, 248, 41

Hauwaert, Jozef - 38

Joly, Baron - 253

Hechtermans, Jan - 265

Jonghen, Hendrik - 185, 186, 206

Heeteleers, Elisabeth - 210 Heffelt, van Paulus - 209 Heinsberg, van Diederik - 265 Heinsberg, van Jan - 125, 150

K

Hemslaken, Matthias - 210

Kangieters, Joannes - 219, 220

Henegouw, van Christophe - 265

Kapucijnen - 31, 127, 149, 278

Henegouw, van Lambertus - 265

Keijnen, Dionijs - 14

Henricus Slegers - 250

Kellens, Godfried - 38

Hens, Jan Baptist - 194

Kermt, van Wilhelmus - 208

Hentjens, Walterus - 210

Kervel, de Caroline - 262

Hercken, vander Godart - 274

Kniphausen, van Ferdinand - 177, 178

Herckenroy, van Leonard - 210

Krenken, Henricus - 208, 210

Herentum, van Petrus - 210

Kuppens, Arnold - 210

Hermant-Bamps - 191 Herstal, van Simon - 14 Heusch, de Adriaan-Willem-Hendrik - 280 Heyn, Jan - 126

L

Hilst, Barbara-Gertrudis - 280, 281

Lacroix - 195

Hilst, van - 191, 217, 278

Laeffelt, van - 217

Hilst, van Antoon - 191

Lansmans, Joannes - 14

Hilst, van Barbara - 280

Lardennois-de-Ville, de Lambertus - 277

Hilst, van Geert - 233

Lauwereten, Seger - 153


312

Lebon-Bamps - 191

Min, Michiel - 234

Lechy, de Aleidis - 209

Min, Peter - 216

Leenaert - 215

Minderbroeders - 31, 151, 186, 208, 289

Lelièvre, Gerard - 233

Minne, Peter - 215

Leloup, Remacle - 224

Minten, Anna-Maria - 259

Lemaire, Jan Baptist - 137

Minten, Jacob - 165, 167, 168, 204

Lenaerts, Martin - 235

Minten, Marie-Anne - 168

Lenarts, Haub - 126

Minten, Marie-Elisabeth - 168

Leurs, Godfried - 38

Mirbach, de Ferdinand - 149

Libotton, de - 191

Moded, Herman - 209

Lodewijk II - 201

Moenen, Mevis - 188

Lodewijk IV - 155, 176, 234, 237, 265

Moens, Jean - 133

Lodewijk XIV - 13, 216, 217, 221

Moers, Arnold - 216

Loerendorp, Hendrik - 131

Moers, Renier - 268

Loex, Peter - 142

Mombeek, van - 179, 202

Lonchin, de Catherine - 278

Mombeek, van Agnes - 277, 278, 279

Loon, van Alida - 276

Mombeek, van Agnes de Wolfart - 268

Loon, van Arnold - 276

Mombeek, van Anna - 277, 279

Lorreinen - 13, 159

Mombeek, van Antoinette - 277

Lyna, J. - 201, 202

Mombeek, van Arnold - 208, 277, 278

Lynden, de Anna - 279

Mombeek, van Catharina - 277

Lyrop, van Joost - 266

Mombeek, van Elisabeth - 276, 277 Mombeek, van Françoise - 268, 278 Mombeek, van Françoise-Agnes - 279

M

Mombeek, van Gerard - 276 Mombeek, van Gertrudis - 277

Maes, Arnold - 171

Mombeek, van Godfried - 268, 269, 273, 278, 279

Maggis, Paul - 209

Mombeek, van Jan - 265, 267, 268, 277

Mansfeld, van Ernest - 127

Mombeek, van Lambert - 277

Manshoven, van Jan - 127

Mombeek, van Margareta - 277

Mantelius - 35, 36, 37, 52, 97, 99, 100, 125, 126, 127,

Mombeek, van Maria - 277

135, 138, 150, 155, 160, 165, 176, 201, 206, 208, 209, 211,

Mombeek, van Marie-Catherine - 279

213, 215, 216, 237, 245, 276

Mombeek, van Willem - 264, 265, 266, 267, 273, 276, 277,

Marchal - 133

278, 279

Marck, van der Adolf - 265

Mombeek, van Wouter - 155, 276, 278

Marck, van der Engelbert - 265

Mombeek-de Waha - 279

Marck, van der Erard - 125, 126, 158, 177, 236

Montaigne, de Anne-Charlotte - 280

Marck, van der Everard III - 97, 160

Montaigne, de la Leo - 143

Mariaen, Pier - 128

Montpellier, de Marie-Cathérine - 259

Martens - 250

Moors, Simon - 245

Masbourg, de Thiry - 279

Munickhausen, van Eustachius - 278

Massin, Margaretha - 269

Musele, van Gertrudis - 208

Mathon, Amelberga - 276

Muysel, van Beatrix - 209, 210

Matthys, de Johanna-Arnoldine - 281

Muyteners, Marten - 147

Mean, de Carolus - 269 Mechelen, van Rombout - 139 Melaers, Simon - 137, 141 Melbeeck, van - 189, 232

N

Melin, Hendrik Jozef - 194

Nassau, van Maurits - 216

Melin, Jean-Henri - 195

Nelissen, Hubert - 213

Melin, Joannes-Henricus - 192

Nicolaas Sigers - 224

Menten, Ida - 143

Nobels, Jan - 222

Meulen, van der Philip - 176

Noels, Catharina - 208

Meuwen, van Agnes - 208

Noels, Katlijne - 125

Meys, Willem - 208

Normandel - 150

Michelet - 220

Novellus, Ferrius - 160


INDEX PERSOONSNAMEN

313

Nys, Pieter-Casimir - 259, 262

Reys van Repen, Maria - 266, 277

Nys-Croonenberghs, Pierre - 262

Rifflart, de Marion - 279 Rijkel, van Aleidis - 234 Rijkel, van Pieter - 222

O

Rijst, van der Herman - 127 Robben - 169

Oems, Claes - 215

Robinet - 62

Oeslinger, Cornelius - 264, 265

Robinet de Villefal - 152

Oostenrijk, van Joris - 153, 157, 177, 178, 236, 267

Roelants - 182

Oostveldt, Van Jozef - 151

Roelants-Duvivier - 169

Ophoven, van Lyn - 147

Roetaerts, Lysken - 215

Oppeln-de Liebich, van Godlaf-Adolf - 191

Rol, Francis - 137

Oppeyen, van Peter - 264

Rommen, Tilman - 178

Orban, Frère - 32

Roosen, Ludovicus - 171

Overheyden - 38

Rouben, Jan - 266, 267 Rousseau, Emilie - 171 Rouveroy, de - 274, 279, 280

P

Rouveroy, de Renard - 279, 280 Roux-Miroir, van Constant - 194, 195, 197

Paesmans, Jan - 233

Roy, van Jan - 266

Paesmans, Leys - 143

Royen, van Jan - 277

Pagneau, François - 137

Royers, Willem - 132

Palmers, Godfried - 191

Rummen, van Arnold - 265

Papenhoven, van Robijn - 234

Rummen, van Michiel - 138, 187

Penxten, Jan - 221

Rummens, Barbara - 150

Peteren, Catharina - 208 Peuskens, Arnold - 149 Peuskens, Marie-Kathrien - 168 Peuskens, Willem - 206

S

Philippaerts - 131

Samonts, Maria - 277, 278

Philippaerts-Asnong, Lambert - 133

Scepers, Aert - 267

Philippaerts-Martens, Petrus - 250

Schaepkens, A. - 224

Philips IV - 216, 221

Schaetzen, de - 131, 132, 133, 169

Pierloz, Gerard - 171

Schane, Gonthier - 215

Piston - 195

Scharemberg, van Margareta-Dorothea - 279

Plomteux, Henri - 133

Scharemberg, van Willem - 279

Poppen, Lysbeth - 132

Schaulioguet - 38

Portmans, F. - 254

Schepers-Goossens, Felix - 132

Putzeys, Matthias - 3, 13, 14, 15, 17, 182, 183

Schepers-Sneyers, Vinke - 132, 133

Pyp, Jan - 137

Schipmans, Joannes - 191 Schoetmans, Hendrik - 178 Scholteten, Herman - 217

Q Quaethoven, van Dierick - 209

Schoonbeek, van Katharina - 234 Schoupen, Aert - 143 Schouterden, Paulus - 133 Schuermans, Lambrecht - 265 Sepulchrienen - 38, 263, 264, 266, 267, 269

R

Sigers - 149, 217 Sigers, Paulus Guilielmus - 148

Rechoven, van Beatrix - 234

Sighers, J. - 234, 274

Renier, van Tongeren - 207

Sighers, Nicolaas - 224, 225, 226

Renier, Willem - 277, 280

Sint-Sabina, van Hugo - 234

Repen, van Arnold - 277

Sjonkeren, Goburg - 191

Repen, van Lambert - 267

Slegers, Henricus - 250

Repen, van Maria - 277

Slyns, de Marie - 268

Reys van Repen, Gilis - 273, 277

Smackers, de Nicolas - 133


314

Somers, Dierick - 215 Speelmans, Heynken - 139 Spierelet - 153

U Uytven, Van - 169

Squaeden - 182, 217 Squaeden, Geurt - 139 Stapel, van Hendrick - 215 Stas, Eustachius - 132

V

Stas, Jan - 132

Vaele, Petrus - 185, 186

Steegmans - 134

Vanbriel de Havre, Lodewijk - 281

Steenaerts, Willem - 247

Van der Eycken, Carle - 278

Steenweghe, van den Aleidis - 132

Vanderlocht, Godfried - 222, 223

Steenweghe, van den Johan - 132, 191

Vandermaesen, Bartholomeus - 178

Stein, van Margareta - 264

Vandermaesen, Jan - 178

Stellingwerff, Joannes-Franciscus - 168

Vanderstraeten, Maria-Aldegondis-Robertine - 281

Stellingwerff, Guillaume - 16, 168

Vanderstraeten-Swaan, Jan - 259

Stellingwerff, Guillaume junior - 16

Vannes, Frans-Willem - 281

Stellingwerff, Hendrik-Franciscus - 16

Vannes, Gerard-Arnold - 281

Stessens, Peter - 142

Vannes, Godfried-Gerard - 281

Stevens, Jan - 194

Vannes, Gustaf - 281

Steweghe, van den Johan - 191

Vannes, Jan - 233, 281

Stiels - 249

Vannes, Maria - 281

Stoute, de Karel - 276

Vannes, Willem - 171

Stouten, Rommen - 234

Vannier - 194

Straeten, Van der Justine - 281

Vanpaesschen, Lambert - 38

Sutendaal, van Dionijs - 143

Vanpaesschen, Petrus - 1, 3, 7, 15, 16, 30, 31, 111, 115,

Swaan, Franรงoise - 259

117, 129, 145, 146, 172, 174, 180, 182, 189, 211, 213, 245,

Swane, Van den Arnold - 277

247, 254, 259, 272

Swennen, Djef - 198

Vanrusselt, Godfried - 171

Swennen, Jan - 139

Vanvinkenroye, Jacob - 171, 281

Swijns, Laurens - 223

Vanvoorden - 250 Verstraeten, Daniel - 153 Villers, Florent - 113, 206

T

Vilters, Katrien - 132 Vilters, Nicolaas - 132

Tant, Hendrik - 133, 207, 208

Vilters, Steven - 132

Tant, Ida - 208

Vinckenbosch - 153

Teuwens - 169

Vinckenroye, van Clara - 191

Teuwens, Frans - 204, 259, 281

Vinckenroye, van Ida - 191

Teuwens, Hortense - 259

Vissers, Hendrik - 156

Teuwens, Pierre-Gerard - 259

Vleminck, de Jan - 209

Teuwens-Cox, Frans - 168, 204

Vorst, de Catharina - 207

Teuwens-Cox, Henriette - 259

Vos, Bartholomeus - 234

Thier, de - 145

Vos, W.- 194

Thisius, Anna-Catharina - 280

Voskens - 217

Thoelen, Heyn - 187

Voskens, Balthazar - 281

Thoers, Lemmen - 139

Voskens, Barbara-Gertrudis - 281

Thourotte, van Robert - 206

Voskens, Jan - 210

Tiel de lakenvoller - 141

Vrancken, Jacob - 143

Toelen, Ghebelen - 215

Vrerix - 245

Tour, de la Jean - 132

Vrerix, Anna-Ida - 281

Tour, de la Willem - 132

Vrerix, Anna-Robertine - 281

Tshanen, Jan - 234

Vrerix, Elisabeth - 217

Tsoegen, Catharina - 209, 210

Vrerix, Frederik - 280, 281 Vrerix, Jan - 281 Vuskens - 191, 233


315

W Wagemans - 147, 168, 169, 216 Wagemans, Cornelis - 216 Wagemans, H - 228 Wagemans, Hendrik - 204 Wagemans, Lodewijk - 204 Wagemans, M. - 168 Wagemans, Maria-Gertrudis - 259 Waha de Baillonville, de Jacqueline - 279 Waldeck, van Frederik - 216, 221 Weix, de - 160, 222, 223 Welnis, de Goffinus - 265 Willem III - 13 Willems, Hendrik - 165 Willems, Josephus - 171 Wimmertingen, van Goerken - 141 Witte Nonnen - 15, 102, 150, 209 Wolffart, van Agnes - 268, 273, 278 Wyens, Jean - 131

Z Zelender, Willem - 125 Zenders, Willem - 266 Zonhoven, van Elisabeth - 208 Zonuwen, van Eustachius - 132


316


COLOFON

317

Auteur: Guido Caluwaerts Fotografie: Annemie America CoĂśrdinatie: Hanne Indekeu, Tine Rock, Ward Segers en

Veronique van Nierop (Erfgoedcel Hasselt) Vormgeving: The Second of May Druk: Baillien-Maris Oplage: 1000 ex. Wettelijk depotnummer: D/2013/12.542/4 ISBN: 9789078465485

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieĂŤn, opnamen of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Bij het achterhalen van de auteursrechten van de illustraties is met grote zorgvuldigheid te werk gegaan. Als er niettemin onvolkomenheden zouden worden geconstateerd, dan zal de uitgever daarvan graag op de hoogte worden gesteld.

V.U.: Hilde Claes, burgemeester, Groenplein 1, 3500 Hasselt

Hasselt Hoofdstad van de Smaak

Meer informatie over het Hasseltse erfgoed vind je op www.hasel.be


318




Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.