Issuu on Google+

VitaNova

Rederijkerskamer

Door Bea van de Bovenkamp, Heidi Heinonen, RiĂŤt Hummel, Wilma de Jong en Anita Simons Voorwoord door Wanda Dijkstra


colofon Schrijven over de 17e eeuw © april, 2011: Bea van de Bovenkamp, Heidi Heinonen, Riët Hummel, Wilma de Jong en Anita Simons* Voorwoord en uitleg pagina 53: Wanda Dijkstra, docent creatief schrijven, Scholen in de Kunst, www.scherpschrijver.nl www.scholenindekunst.nl Ontwerp en realisatie: Anita Simons, www.symsign.nl Foto’s pagina 30 t/m 35: Bea van de Bovenkamp, www.beavandebovenkamp.nl Met dank aan Henk van Tilburg voor zijn geschiedkundige adviezen en aan hotelboot ‘Vita Nova’ voor hun gastvrijheid!

*Cursisten van de cursus creatief schrijven, Scholen in de Kunst, Amersfoort

Rederijkerskamer Vita Nova


V voorwoord

Door Wanda Dijkstra, docent creatief schrijven, Scholen in de Kunst, Amersfoort Met een lichte schrik in hun ogen kijken ze mij aan. Niemand zegt iets. Mijn woorden zijn kapot gevallen op het tafelblad. Gedachten. Moet ik het wel zo doen? Is dit de juiste aanpak? Ik heb geen alternatief bedacht. Als je een alternatief bedenkt en dat valt óók niet goed, dan blijf je bezig. Dan heb je een eindeloze reeks alternatieven nodig. Die heb ik niet. Er is maar één optie: volhouden. Dus ik kom met mijn argumenten en ik zeg dat de opdracht veel kansen biedt. Dat je er alle kanten mee op kunt. Dat grootse thema’s als liefde en dood van alle tijden zijn. Dat de beperking juist een verrijking is. Ze lijken niet overtuigd. Ook terwijl we naar schilderijen van grote meesters kijken, gebeurt er niets. Geen sfeer van inspiratie. Ik weiger te twijfelen. Ik nodig voor de volgende bijeenkomst zelfs een expert uit om meer te vertellen. Ik zet door. Drie maanden later. Voor u liggen verhalen en gedichten die eerder niet bestonden. Die niet geschreven waren als in de aankondiging van de ­cursus had gestaan wat we gingen doen. Hadden de cursisten dit van te voren geweten, dan hadden ze zich niet aangemeld. Of ze er nu nog zo over denken, waag ik te betwijfelen. In de Eemhaven bracht de Vita Nova ons als een teletijdmachine twee­ wekelijks naar een tijd die ik altijd erg inspirerend heb gevonden en die tot leven kwam in de warme buik van het gezellige schip. Dankzij de toe­lichting van Henk van Tilburg van Archief Eemland en vooral dankzij de volharding van vijf dames die zich niet uit het veld lieten slaan, ligt hier literatuur voor u over die tijd: de veelzijdige, bijzondere zeventiende eeuw. Anita, Bea, Heidi, Riët en Wilma, jullie prachtige uitwerkingen hebben mij ervan overtuigd dat het toch een goed idee was. Zonder enige twijfel. Bedankt!

Schrijven over de 17e eeuw




T

Dam in Amsterdam J.H. Isings

Rederijkerskamer Vita Nova


T

trijntjes vlucht Door Wilma de Jong Het is midden in de nacht en het is koud. Trijntje ligt op het voordek van de tjalk van schipper Johannes. Ze heeft een paar stukken zeildoek gekregen om onder te liggen. Echt slapen kan ze niet. Haar hart klopt in haar keel. Ze hoort het klapperen van de zeilen, dan het krijsen van een meeuw. Onrustig draait ze haar hoofd van links naar rechts, gespitst op elk geluid. Bovendien heeft ze een buidel met flink wat geld bij zich die ze niet uit het oog wil verliezen. Dat geld heeft ze nodig voor haar nieuwe leven. Ze heeft eindelijk het heft in handen genomen en is nu op weg naar het land, waar ze al zo lang van droomt. De dag begon zoals veel andere dagen. Ze werd wakker in de herberg net buiten de stadsmuren van Amsterdam. Daar had ze met haar vader Cornelis en haar moeder Anna de nacht doorgebracht. De herberg zat vol met boeren, handelaren en artiesten die van heinde en verre kwamen. En een lawaai dat het was vannacht, al die onbeschaamde mannen die liters bier dronken en dan luidkeels vals begonnen te zingen en te lallen. En nu tet­ terde haar moeder aan één stuk door in haar oor: “Trijn, Trijn, kom uit bed, schiet nou eens op, we moeten gaan.” Ze stond zuchtend op en kleedde zich aan. Van de waardin kreeg ze een stuk brood mee voor onderweg. Samen met haar ouders ging ze op weg naar de stad. Zodra ze binnen de stadsmuren kwamen werd het drukker. Boeren trokken hun handkarren met aardappels, uien, wortelen en suiker­ bieten. Enkele haveloze landlopers zaten voor één van de vele kroegen met geen andere bezigheid dan te hopen dat er later op de dag wat te eten achterbleef. Ondertussen kwamen ze de dag door met bier drinken en ruzie zoeken. De markt vond plaats op de Dam, een groot plein in het midden van de stad. Ze liepen langs tafels met verse vis, varkenskoppen, manden vol met kippen, brood, eieren. Kooplieden verhieven hun stem om hun waar aan te prijzen. Groepjes dienstmeiden liepen druk kwebbelend naar de kramen om voor hun meester inkopen te doen. Kleine kinderen zaten

Schrijven over de 17e eeuw




elkaar joelend achterna tussen de kramen en pikten hier en daar een 足appeltje. Midden op het grote plein waren de ordehandhavers bezig met het oprichten van de schandpaal. Later die dag mochten omstanders de vastgesnoerde dieven en andere misdadigers bespugen, uitjoelen en bekogelen. Soms kregen de dieven vissenkoppen en verrot fruit naar hun hoofd gegooid, maar als ze minder geluk hadden waren het stenen of hompen klei. Haar vader liep voorop. Hij zocht net zolang tot hij een plekje had gevonden dat hem beviel, tussen de man die een haveloze beer aan een ketting kunstjes liet doen en de oude, kromgegroeide vrouw met de baard. Haar vader zette een houten stellage op met daaroverheen een gordijn. Trijntje moest hierachter gaan staan. Haar moeder liet de buidel met het in de afgelopen weken verdiende geld en het eten bij Trijntje achter en ging naar de kroegen. Hier probeerde zij mensen over te halen om de reuzin te gaan bekijken. Want zo noemde ze haar dochter. Voor 5 dukaten mochten mensen naar haar kijken en voor 10 dukaten mochten ze haar aanraken. Trijntje was een bijzonder meisje. Op haar vijfde was ze net zo groot als haar moeder. Vier jaar later was ze al zeven Amsterdamse voet * lang. Ze moest bukken om door de deur van hun eigen huis naar binnen te gaan. Overal waar ze kwam trok ze veel bekijks. Al gauw had haar vader, die een schamele boterham verdiende als schipper besloten om het varen eraan te geven. Hij had zijn boot verkocht en vanaf die tijd had Trijntje het hele jaar met haar ouders door de Republiek der Nederlanden gereisd. Op elke markt was Trijntje een sensatie geweest en zo was Cornelis een rijk man geworden. Trijntje was inmiddels 17 jaar en negen Amsterdamse voet lang. Niemand had ooit een man of vrouw gezien die langer was dan zij. Toen ze jonger was, vond Trijntje het leuk om zo groot te zijn. Iedereen was aardig voor haar omdat ze zo bijzonder was. Nu ze ouder was en haar ouders haar op de markt tentoonstelden, waren de meeste mensen niet aardig meer. De kinderen waren het ergste niet. Die waren oprecht verbaasd over haar lengte en staarden haar nieuwsgierig aan. Maar de 足volwassenen lachten haar uit, raakten haar aan met een vies gezicht en riepen gemene dingen.

*De Amsterdamse voet is 0,283133 m (onderverdeeld in 11 Amsterdamse duimen). De Verenigde Oost-Indische Compagnie voerde deze voet in 1650 als standaard in. Trijntje was op haar 17e 2.54 meter lang. Bron: Wikipedia

Rederijkerskamer Vita Nova


Trijntje Keever Bijgenaamd De Groote Meid (geb. 10/16-4-1616 – begr. Edam 7-7-1633), bezienswaardigheid: reuzin. Dochter van Cornelis (of Crelis) Keever, schipper, en Anna Pouwels, dienstmeid. Trijntje Keever bleef ongehuwd.

Al een tijdlang was ze het leven dat ze leidde meer dan zat. Ze wilde niet meer als bezienswaardigheid op markten staan. Trijntje had een plan dat hopelijk haar leven voorgoed zou veranderen. Op haar negende was ze ontvangen bij de verbannen Boheemse koning Frederik, die samen met zijn vrouw Elizabeth en dochter prinses Amalia in de zomers in Den Haag had gewoond. De koning had gehoord dat er in Holland een meisje was van wel acht voet lang. En omdat hij haar graag met eigen ogen wilde zien had hij haar en haar ouders uitgenodigd. Haar moeder was bijna uit elkaar gebarsten van trots. Trijntje wist het nog precies. Toen ze bij het zomerverblijf van de koning aankwamen, hadden er twee lijfwachten bij de poort gestaan. Trijntje kon zich haar verbazing en blijdschap nog goed herinneren, want één van die lijfwachten was zelfs iets langer dan zij. De koning had haar verteld dat deze lijfwacht John heette en uit Schotland kwam. Vanaf dat moment droomde Trijntje van een leven in Schotland, het land van de grote mannen, het land waar ze niet zou opvallen en waar ze niet als kermisattractie door het leven hoefde te gaan. Haar wensen waren bescheiden. Misschien kon ze ergens als dienst­ meid werken of als kindermeisje. En later trouwen, kinderen, wie weet? Plots klonk er rumoer op de markt. Mensen riepen, duwden elkaar opzij. Zou het te maken hebben met die koopman uit Antwerpen, waar gisteren iedereen in de herberg over sprak? Men zei dat hij mensen verkocht, zo zwart dat je in het donker alleen hun witte tanden kon zien. Trijntje keek over de menigte heen. Er kwam een man aangereden met paard en open wagen. Hij droeg een donkerblauwe pofbroek van fluweel met een goud­ gelen jasje met grote gouden knopen. Hij leek wel een edelman. Op de wagen zaten twee mannen en een vrouw, zo zwart als de nacht. Ze waren bijna helemaal bloot en rilden. Hun handen waren vastgebonden met

Schrijven over de 17e eeuw




touw en ze zaten aan elkaar vast met een ketting. Omstanders dromden samen rond de koopman om zoveel mogelijk te zien. Ook de marktkooplui lieten hun eigen waar even in de steek om te gaan kijken. Dit was het moment. Ze had het afgelopen jaar op elke markt geloerd op een kans om weg te lopen. Ze keek om zich heen. Haar vader was, net als iedereen, in de ban van de zwarte mensen. Haar moeder liep nog bij de kroegen langs. De tas van haar moeder met het geld en het eten stond bij haar voeten. Even aarzelde ze, dacht aan haar ouders, aan het verdriet dat ze misschien zouden hebben. En hoe moesten ze zonder haar aan geld komen? Maar voor sentiment was nu geen tijd. Als ze een ander leven wilde, moest ze sterk zijn en voor zichzelf kiezen. Ze haalde snel de tas leeg en stopte alles in de buidel om haar middel. Toen liep ze snel weg en glipte het eerste het beste steegje in. Haar hart ging woest tekeer in haar keel. Ze liep verder zo snel ze kon maar ook weer niet te snel, want ze viel al genoeg op door haar lengte. Toen ze buiten de stadsmuren was, bleef ze even staan om uit te rusten maar ze had geen rust in haar lijf. Ze liep snel verder richting de haven. Gistermiddag waren ze daar langs gelopen op weg naar de herberg. Daar lagen meer schepen dan ze ooit bij elkaar had gezien. Ze hoopte daar een schipper te vinden die haar naar Schotland zou kunnen brengen. Ze had geld. Haar eigen, zuurverdiende geld. Bij de haven aangekomen vroeg ze elke schipper of hij naar Schotland ging en of ze mee mocht. Maar helaas, de grote schepen voeren allemaal naar het verre Indië. De kleinere boten voeren alleen buitengaats of ze vertrok­ ken pas ’s avonds en daar kon Trijntje niet op wachten. Uiteindelijk zag ze aan het eind van de kade nog één schip dat op het punt van vertrekken stond. Ze stapte op de schipper af. Hij had een woeste rode baard. “Gaat u misschien naar Schotland?” vroeg ze hem. “Ik ga naar Engeland, dat ligt daar in de buurt. Maar eh, waarom wil jij naar Schotland? Daar wonen toch alleen maar barbaren, die constant met elkaar aan het vechten zijn? Dat is gevaarlijk, hoor, voor zo’n leuke jonge meid als jij.“ Ze vertelde hem dat ze had gehoord dat in Schotland allemaal lange mensen woonden. De schipper nam haar van top tot teen op. Er ging een koude rilling door haar heen, maar ze vermande zich. Ze wilde perse naar Schotland. “Och”, zei de schipper met een valse grijns, “als je een beetje aardig voor mij bent onderweg, dan mag je wel met mij mee hoor.” “Nee”, zei Trijntje, “ik heb geld om voor de reis te betalen”. “Zozo”, zei de schipper, ”hoe kom jij aan dat geld?” Trijntje dacht razendsnel na. Ze vertelde hem dat haar ouders haar verkocht hadden aan een wrede man, die haar gevangen hield en haar

Rederijkerskamer Vita Nova


op markten liet optreden. En dat ze vandaag ontsnapt was en geld van hem had gestolen. Om de twijfel in zijn ogen weg te nemen, liet ze hem de bui­ del met geld zien. Toen ging hij overstag. Voor 50 dukaten mocht ze mee en Trijntje stapte snel aan boord. Ze verstopte zich op het schip en kwam pas tevoorschijn toen ze vanaf het schip de wal niet meer kon zien. Toen ging ze op de voorplecht van de boot staan en ze tuurde naar de horizon, daar waar Schotland ergens moest liggen. Het is nacht. De zeilen klapperen in de wind, de touwen schuren langs de mast en de golven slaan in een regelmatig ritme tegen de boot aan. Het zeildoek biedt niet veel bescherming tegen de kou, maar alles is beter dan bij de schipper in het vooronder te slapen. Ze is de blik die hij haar gisteren toewierp nog niet vergeten. Opeens hoort ze een geluid. Het is alsof er iets verschuift. Ze knijpt haar ogen een beetje toe, maar ze ziet niks. Dan hoort ze weer iets, geschuifel. Het lijken voetstappen. Dat kan maar één ding be­ tekenen: de schipper is uit het vooronder gekomen en loopt nu op het dek. Haar nekharen gaan overeind staan, maar ze blijft heel stil liggen en tuurt de donkere nacht in. Opeens ziet ze een donkere gestalte, die haar kant opkomt. Wat moet ze doen? Stil blijven liggen of opspringen en weglopen? Maar waar kan ze naartoe? Overboord springen? Wat wil hij? Meer geld? Ze rommelt met haar handen in haar buidel en laat de munten rinkelen. “Wil je meer geld?” vraagt ze met een klein stemmetje. “Ik heb nog wel wat geld.” Maar hij reageert niet. En voor ze het weet voelt ze zijn handen op haar lichaam. Ze gilt van schrik. “Hier, mijn geld, pak alles maar” zegt ze angstig, terwijl ze vergeefs probeert los te komen. “Ik hoef je geld niet,” zegt de schipper. Zijn gezicht is zo dicht bij het hare dat ze de alcohol in zijn adem ruikt. Ondertussen drukt hij haar steviger tegen het dek. Hij lalt meer dan hij praat: “Ik wil een vrouw, ik heb goddomme al zolang geen vrouw meer gehad. Je komt precies op tijd, schatje!” Trijn schopt, maar ze raakt hem niet. De schipper is niet groot maar wel sterk. Met één hand drukt hij haar tegen het dek, met de andere hand probeert hij onder haar rokken te komen. Trijntje gilt en schreeuwt om hulp, tegen beter weten. De schipper vloekt luid, dan probeert hij haar te kussen, zijn vieze lippen op haar mond. Ze draait haar gezicht opzij en weer de andere kant op. De schipper vloekt nog een keer hartgrondig. Hij haalt de hand waarmee hij haar in bedwang houdt weg met de bedoeling om haar een flinke klap te geven. Trijntje profiteert door snel onder hem vandaan te rollen. Ze staat snel op. Eerder nog dan ze hem ziet, hoort ze hem. Hij hijgt en vloekt en komt op haar af. Maar ze is niet meer bang, alleen maar woedend.

Schrijven over de 17e eeuw




Ze zoekt op het dek naar iets waarmee ze zich kan verweren. Ze vindt een stuk hout maar net op het moment dat ze het probeert te pakken voelt ze de handen van de schipper op haar lichaam. Ze weert hem af en duwt hem weg. Maar hij heeft haar stevig vast. Hij gromt, briest en vloekt en dwingt Trijntje achteruit. Zo komen ze ongemerkt steeds dichter bij de rand van het schip, vlakbij de reling. Trijntje probeert van hem los te komen. Opeens merkt ze dat zijn grip iets losser wordt. De worsteling kost hem veel kracht. Bovendien staat hij niet meer zo stevig op zijn benen door de drank. Trijntje grijpt haar kans. Ze spant al haar spieren, pakt hem stevig vast en schudt hem heen en weer. Dan voelt ze dat hij haar loslaat. Met haar laatste krachten geeft ze hem een flinke duw. Dan hoort ze een schreeuw en op hetzelfde moment een plons. De schipper ligt in het koude water van de Noordzee. Ze ziet hem niet, maar ze hoort hem wel. Hij schreeuwt om hulp, vraagt om genade, terwijl hij uit alle macht worstelt om zijn hoofd boven water te houden. Trijntje staat te trillen op haar benen. Ze wilde de schipper alleen maar afweren, maar nu ligt hij in het water. De schipper slaat met zijn armen, smeekt, bidt. Trijntje blijft staan, weet even niet wat ze moet doen. Dan snelt ze naar de reling. Ze strekt haar armen uit in de richting van waar ze net nog de schipper hoorde schreeuwen. “Pak mijn hand dan, toe dan!� schreeuwt ze. Dan hoort ze vanuit het water nog een kreet, wat gespetter, en vervolgens niks meer. Trijntje zijgt hijgend neer op het dek, verdoofd en uitgeput. De rest van de nacht brengt Trijntje in het vooronder door. Bij het eerste ochtendlicht klimt ze op het dek en kijkt om zich heen. Ze ziet niets dan water, maar ze weet van de schipper dat ze om in Schotland te komen naar het noordwesten moet varen. En hoe moeilijk kan dat nou zijn, ze is toch niet voor niets een schippersdochter? Af en toe voelt ze een steek als ze aan de schipper denkt, maar ze zet hem snel uit haar hoofd. Ze heeft al het mogelijke gedaan om hem te redden, het was een ongeluk. Vastbesloten om haar oude leven zo snel mogelijk te vergeten hijst ze een extra zeil, kijkt op het kompas en stelt het roer bij. En zo zeilt ze vol verwachting haar nieuwe leven tegemoet tussen de grote mensen in Schotland. Einde

Rederijkerskamer Vita Nova


Door Wilma de Jong

U

Uit liefde voor haar vaders knecht Verliet zij huis en haard De goede partij haar toebedacht gedachteloos versmaad. Vaders eer geschonden maar ‘t geluk gevonden

Geïnspireerd door Elisabeth de Flines, dochter van een rijke zijdenkoopman, die in 1700 van huis wegloopt met de knecht van haar vader en daardoor in een jarenlange strijd met haar vader verwikkeld raakt. Machiel Bosman heeft over haar leven een boek geschreven onder de titel “Elisabeth de Flines, een onmogelijke liefde in de achttiende eeuw”.

Schrijven over de 17e eeuw

11


Door Wilma de Jong

De nacht wacht op het ondergaan van de zon dan valt hij hard en zonder pardon en in de nacht wacht ik vol geduld op de droom die mijn diepste verlangen onthult.

D

Ge誰nspireerd door de Nachtwacht.

Rederijkerskamer Vita Nova


D

De Nachtwacht Rembrandt

Schrijven over de 17e eeuw

13


johannes vermeer Door RiÍt Hummel Johannes Vermeer, sfinx van Delft genoemd, omdat zijn werk zo raadselachtig scheen. Het spel van licht, het maakte hem beroemd. Als ook de kleuren blauw en geel bijeen. Naast schilder was hij handelaar in kunst. Net Rooms geworden huwde hij Cathrien en heus haar moeder huisde hen als gunst. Subtiel bestierde zij het nest sindsdien. Veel dames portretteerde hij in huis en bezig met het alledaagse doen. Rond brieven, muziek voelde hij zich thuis. Met ingetogen sfeer en goed fatsoen. En toen het rampjaar, alles stortte in. Er restte hem alleen nog somberheid. Rap stierf hij. ’t Leven miste zo zijn zin.

Rederijkerskamer Vita Nova


geesje

G

Door RiĂŤt Hummel

Je tekeningen zien er zo ondeugend uit, ruiken naar aardse genoegens, smaken naar het goede leven, voelen als een spannende belofte, klinken door in mijn verlangen naar een gepassioneerd bestaan. Je groet me zoals het een keurige dame betaamt.

Schrijvende vrouw in het geel Johannes Vermeer

GeĂŻnspireerd op Gesina ter Borch. Een keurige kunstenares uit Zwolle die zich hield aan de ongeschreven regels van het vrouwelijke gedrag in haar tijd. Een aantal van haar tekeningen was echter nogal ondeugend.

Schrijven over de 17e eeuw

15


A

anna maria Door Riët Hummel

Zo veel geluk vind ik in dit vertrek. Heel kalm en vredig kan ik hier studeren, voed er mijn eeuw’ge honger om te leren. Aan geest’lijke verlokking geen gebrek. Verlichte dames komen op gesprek. Ik schrijf geregeld met geleerde heren en wil nog vele werken publiceren. Gezegend voel ik mij met deze plek.

En daar opeens jouw brief. Mijn hart bonkt luid. Ik neem de woorden op en zucht ontsteld. De knokkels wit. Een druppel op mijn huid. Mijn vaders laatste dagen zijn geteld. Je wilt dat ik nu snel een huw’lijk sluit. Geleerde maagden kosten te veel geld.

Geïnspireerd op Anna Maria van Schurman, de eerste vrouwelijke student in Nederland.

Rederijkerskamer Vita Nova


A Brieflezende vrouw Johannes Vermeer

Schrijven over de 17e eeuw

17


hendrickje Door RiĂŤt Hummel

H

Lieve nicht, ik vind dat je mijn lot moet weten. De familie heeft het echt laten afweten. God zij dank is moeder niet meer in leven. Lieve nicht, ik vind dat je mijn lot moet weten. Uit huize Randenbroeck zijn wij verdreven. We zijn zelfs uit de adelstand ontheven. Lieve nicht, ik vind dat je mijn lot moet weten. De familie heeft het echt laten afweten.

Mijn broer Jacob schilderde mensen zo prachtig en was als bouwmeester zeer bekend en machtig. Hij was een schepper met veel volgelingen. Mijn broer Jacob schilderde mensen zo prachtig. Vaak verkeerde hij in de hoogste kringen. Hij geloofde niet in vrouwen en ringen. Mijn broer Jacob schilderde mensen zo prachtig en was als bouwmeester zeer bekend en machtig. Jacob had de buitenplaats schitterend verbouwd. Het was werkelijk een lusthof in steen en hout waar veel kunstenaars regelmatig kwamen. Jacob had de buitenplaats schitterend verbouwd. We waren er allemaal heel graag samen. Er werd na zijn dood hier ook massaal gerouwd. Jacob had de buitenplaats schitterend verbouwd. Het was werkelijk een lusthof in steen en hout.

GeĂŻnspireerd op Jacob van Campen.

Rederijkerskamer Vita Nova


H

Dame en dienstbode Johannes Vermeer

De dronken begrafenisgasten gingen slaan. Hem werd weinig eervol uitgeleide gedaan. Er werden zelfs rake klappen uitgedeeld. De dronken begrafenisgasten gingen slaan. Een aantal kreeg hiervoor een straf toebedeeld. Sindsdien is het bergafwaarts met ons gegaan. De dronken begrafenisgasten gingen slaan. Hem werd weinig eervol uitgeleide gedaan. Ik weet, we hebben elkaar jaren niet gezien. Het is uit wanhoop dat ik dit verzoek indien. Ons fortuin is er volledig doorgegaan. Ik weet, we hebben elkaar jaren niet gezien. Nu ben ik dakloos. Zo is het mij vergaan. Wil je mij, zo in nood, alsjeblieft bijstaan? Ik weet, we hebben elkaar jaren niet gezien. Het is uit wanhoop dat ik dit verzoek indien.

Schrijven over de 17e eeuw

19


Schrijvende vrouw met dienstbode

S

Johannes Vermeer

saskia Door Riët Hummel De meid bracht me net je bericht. Meteen ben ik toen weer gezwicht. Jij wacht buiten achter een struik. De kriebels gieren door mijn buik.

Mijn veer vertraagt en valt zelfs stil. Is leven met hem wat ik wil? Verstand, gevoel, ze strijden fel. Een goede naam staat op het spel.

Mijn veer raast over het papier. Hoe kan ik schrijven? Jij bent hier! M’n benen willen naar je toe. Het jubelt in mijn keel, en hoe.

Het is een liefde die niet mag. Me schikken is een hard gelag. Maar door samen weg te lopen, Zullen wij slechts schande kopen.

Ik smacht er naar bij jou te zijn. Snel in je armen, oh zo fijn. Een warme gloed trekt door me heen. Mijn hart klopt vurig. Haast bijeen.

Onrust, roddel, angst en beven. Nee, daar kan ik niet mee leven. Deze brief is al gevaarlijk. Voor ons minnaars zeer bezwaarlijk.

De meid wacht rustig op m’n brief. Kijkt door het raam. Daar is mijn lief. Veel te lang is hij niet geweest. Zijn geestdrift miste ik het meest.

Rederijkerskamer Vita Nova

 Mijn antwoord is nooit verzonden. De tijd heelde loom mijn wonden. Nog steeds als ik zijn parfum ruik, vliegt er een vlinder door mijn buik.


C

catherina Door Riët Hummel

Ik weet al bijna niet meer hoe je stem klinkt en moet raden hoe je lichaam voelt. De stormen en vreugde, nu verdragen in mijn eentje. Het huis is leeg. Zo is het niet bedoeld. Als we samen musiceren weet ik dat ik bof. Ik voel de dans van hoop en passie in de tonen en ik troost me met de luit.

En ik weet het kan niet anders. Je bent nog steeds niet vrij. Maar ik verlang, ik verlang, ik verlang, ik verlang, ik verlang naar jou en mij. En als je dan weer hier bent, veilig bij me. En misschien zijn w’ elkaar ontwend. Maar als je vingers spelen gaan de noten tot de hemel. En weet ik zeker, jij bent t’rug mijn vent.

Maanden langzaam stiller worden wachtend op bericht. Ik zie de meid lachend verschijnen en ik zucht. Krijg ik eind’lijk zekerheid? En ik weet het kan niet anders. Je bent nog steeds niet vrij. Maar ik verlang, ik verlang, ik verlang, ik verlang, ik verlang naar jou en mij. Ik verlang, ik verlang, ik verlang, ik verlang, ik verlang naar jou en mij.

Schrijven over de 17e eeuw

>>

21


Ik doe de kaarsen uit en de twijfels drijven boven. Een reizend leven is zo vol gevaar. En de mensen in de vreemde worden vrienden die gaan trekken. En vinden wij de woorden straks nog wel? Maar morgen word ik wakker met het beeld van jou en duiven, de bloei van zoete rozen in mijn hart en het zingen van je liefde. Ik hoop het gauw te horen. Vanavond ga ik slapen en dromen over jou. Want de golven van het leven zullen levenloze rimpels zijn. Zonder jou. En ik weet het kan niet anders. Je bent nog steeds niet vrij. Maar ik verlang, ik verlang, ik verlang, ik verlang, ik verlang. Kom snel naar mij. Ik verlang, ik verlang, ik verlang, ik verlang, ik verlang. Kom snel naar mij. En ik weet het kan niet anders. Je bent nog steeds niet vrij. Maar ik verlang, ik verlang, ik verlang, ik verlang, ik verlang naar jou en mij. Ik verlang, ik verlang, ik verlang, ik verlang, ik verlang naar jou en mij.*

* Op de melodie van Boudewijn de Groot – Avond

Rederijkerskamer Vita Nova


De liefdesbrief Johannes Vermeer

Schrijven over de 17e eeuw

23


T

Texel en omgeving in 1573 Detail uit de kaart van Christiaan Sgroten

Rederijkerskamer Vita Nova


T

tesselschade Door Heidi Heinonen Het is oktober en ik wacht geduldig binnen op de beloofde storm. De ver­ huisdozen houden mij gezelschap. Wonderbaarlijk genoeg heb ik mijn eigen geboortekaartje weer teruggevonden, toch stiekem bewaard gebleven dankzij de grote verzameling van mijn moeder. Mijn eigen kaartje heb ik ooit in woede weggegooid. Op een klein bescheiden groen wit kaartje staat te lezen: Onze dochter is geboren! Zij heet Tesselschade, maar wij noemen haar Tessel. Wat heb ik mij voor die naam geschaamd. Het heeft mij jaren gekost om van die schaamte af te komen. Wat dachten mijn ouders toch toen ze mij die naam gaven? Sinds ik weet dat ik oma word, ben ik er weer mee bezig. Nu ik het niet meer aan mijn ouders kan vragen, zal ik zelf op zoek moeten gaan naar de reden waarom ik die rare naam kreeg. 1641. Maria Tesselschade stond bij het raam naar buiten te kijken. Het was een stormachtig jaar geweest. Ze bewonderde de schoonheid van een echte storm meestal wel, maar zo triest had ze zich nog niet eerder gevoeld onder het gedonder. Schrijven als troost had ze al geprobeerd, maar de woorden bleven steken halverwege haar schrift. Ze was al tien keer aan een nieuw versje begonnen: Eerst stonden hier geen woorden.. en daar viel het stil, net als het huis waar ze nu al jaren alleen woonde. Hoe kon ze nu aan een vertelling over haar leven beginnen als de woorden zo gemakkelijk verdwenen? Ik herken ineens het geluid van de nieuwe telefoon en moet mij haasten voordat het antwoordapparaat aanspringt. ‘Dag, goedemiddag’ roep ik een beetje hijgend en probeer heel druk te klinken. ‘Hoi, mama, einde­ lijk! Ik bel even om te vragen hoe het gaat’, hoor ik mijn oudste dochter zuchten. Ze bedoelt het heus aardig, maar deze stem brengt altijd meer dan een keuvelend gesprek. Ze trekt mij uit mijn rustige isolement met haar dwingende vragen. ‘Heb je al tijd genomen om dag te zeggen tegen je buren zoals je vorige week van plan was?’ en ‘ je kookt toch wel elke dag voor je zelf, mam?’ en ‘ hoe is het met je aanmelding voor die cursus Lokale Geschiedenis?’. Waarom ik steeds ja blijf zeggen, weet ik niet, maar

Schrijven over de 17e eeuw

25


Loes klinkt tevreden na dit tien minuten verhoor en hangt op. Ze zegt niets over de baby dus ik neem aan dat het goed gaat. Loes hangt op en ik mag eindelijk terug naar mijn oude papieren, brieven, kaarten en aanmelding voor de cursus. December vliegt voorbij. 1634. Een eenzaam vogelgeluid schiet voorbij, sterft zachtjes weg en verdwijnt gauw uit je wereld. Maar de liederen die gezongen zijn bij een dienst ter afscheid van je dierbaren, die verlaten het hoofd niet meer. Het zijn regenbuien die blijven hangen net als een ziekte of een kwelling van geest. Maria Tesselschade wilde de bekende refreinen steeds opnieuw leven inblazen, maar daarmee kwam haar echtgenoot niet terug. Ze wilde liederen zingen voor haar dochter, maar haar stem vond geen geluid. Ze waren op één en dezelfde dag gestorven, haar dierbare echtgenoot en de broze kleine. Zij was lang ziek geweest en hij had die sterke geneesmiddelen van de dokter misschien moeten weigeren. Hij was de ochtend van het overlijden uitzinnig van verdriet geweest en de medicijnen die troost hadden moeten brengen, namen hem voor altijd mee. Als moeder voelde Maria Tesselschade zich sterker worden en gesteund in haar geloof. Nu had ze nog maar één dochter, Teetgen. Geduldig bleef Maria Tesselschade haar enige overgebleven kind onderwijzen in alles wat zij zelf zo goed kon: schilderkunst, literatuur, graveren, dichten. Ze troostte zich met schuldgevoelens. Als ik toch tijdens onze reis naar Amsterdam voorzichtiger was geweest dan had zij niet een dodelijke ziekte opgelopen, dacht ze. Waarom moesten wij al die gasten ontvangen in deze tijden van onzekere doktoren en nutteloze behandelingen? Ze huilde niet, maar leefde waardig met haar verdriet. Wat rijmt er nou in hemelsnaam op Tesselschade? Helemaal niets leuks! ‘Jij hebt een stomme naam!’, riepen de kinderen elke keer als ik mijn naam fluisterde in de klas. ‘ O, die arme Tesselschade, die kijkt weer zo aangebrade!’, ‘Tesselschade, Boze Brigade’. La-la-laa. Ha-ha-haa. Zij vonden het wél grappig. De barometer in mijn hoofd slaat de vrolijke bui in de richting van stormachtig chagrijnig als ik de stemmen van mijn schooltijd weer hoor. Ik heb mijn naam gehaat en ik heb mij er voor geschaamd. Ik leerde fluisteren, mompelen en wegkijken zodat ik bij nieuwe ontmoetingen mijn naam maar niet hoefde te noemen. Mijn kindertijd voelde als een Kleine IJstijd door de kille oorlog tussen mijn naam en de rest van de ­wereld en de rest won helaas heel vaak de strijd.In mijn hoofd stormt het nog als ik er aan denk!

Rederijkerskamer Vita Nova


1625. Toen Lennart in het leven van Maria Tesselschade kwam, waren er al vele kandidaten geweest die naar haar hand hadden geprobeerd te dingen. Zij was even vaardig in schrijven als haar vader, en in het graveren van glas was zij een ster. Lennart won de strijd en trouwde met haar. Haar vader zou niet meer weten dat ze als een getrouwde vrouw naar Alkmaar zou verhuizen en net zo min zou hij zijn drie kleindochters bewonderen. Als liefhebber van dichtkunst was haar vader gedreven geweest, maar als koopman vertelde hij dat hij slechts eenvoudig geluk in het aardse bestaan te wensen had: niet te hongeren, niet te dorsten ende nyet te vervriesen. Zo had haar vader geleefd en zijn gewoontes gaf Maria Tesselschade ook vastberaden door aan haar kinderen. Mijn leven aan de kust is heel rijk geweest- rijk met kinderen, familie, water, werken in de tuin en de winkel, bezigheden waar andere hun neus voor ophaalden..en veel vis. Al sinds mijn kindertijd werkte ik het liefst hele dagen buiten. Ik mestte de stal uit of hielp in de tuin, liep rond met de hond of ging uit vissen. Lezen, musiceren of tutten zoals mijn zussen graag deden, was niets voor mij. Vergeleken met mijn zussen, leek ik bijna verdwaald in de familie: blond tussen donkere haren, eenzame bezigheden en die rare naam. Mijn familie was wel blij dat ik een visser vond en met hem trouwde, maar een werkelijke zegen kreeg ik niet van mijn moeder. Ze bleef hameren dat het vissersleven gevaarlijk is en dat het afscheid elk moment kon komen! Maar Jan en ik hadden het heel goed samen- de winkel verkocht goed, we leverden vis aan hele dorpen, de kinderen groei足 den als kool, hoe kan het ook anders? Na de dood van Jan heeft een nieuwe generatie Visschers de winkel over足 genomen. Loes belt helaas dagelijks over de ontwikkelingen van de zaak. Voor mij is het vaak een storm in een glas water, ik hoef niet meer alles te weten. Vroeger was ik een echte doener, maar dat begint met de biblio足 theek als buur te slijten. Ik kan uren in telefoonloze rust doorbrengen en mijn eigen historie overpeinzen. Ik ben weliswaar geen onderzoeker van beroep, maar nu voelt het echt zo. Na mijn verhuizing ben ik in de histo足 rie van mijn familie gedoken, naar mijzelf, naar mijn naam. Ik heb uren doorgebracht met meters kaartenbakken en aan muf oud papier geroken. Ik heb geduldig oude kerkboeken gelezen en heel wat puzzels opgelost om te vinden wat ik wilde weten. Tot mijn verrassing heb ik nu eindelijk een antwoord gevonden op mijn vraag- waarom ik Tesselschade heet.

Schrijven over de 17e eeuw

27


1604. Het leven van een tienjarig meisje aan de Geldersekade in Amsterdam bestond uit volle dagen van leren en rustige avonden thuis. Maria Tesselschade hield van heel lang tafelen en van het stiekem beluisteren van gesprekken tussen haar ouders en hun gasten. Een enkele keer mocht ze erbij blijven zitten. Maar het liefst luisterde ze in haar eentje naar de rustige, lome stem van haar vader. Ze smeekte hem bijna wekelijks om het verhaal over de oorsprong van haar naam te vertellen. Het verhaal van de gezonken schepen was elke keer een avontuur. De reis had maanden gekost en op een avond in december van 1593 waren de mannen klaar voor een heerlijk weerzien met Nederland, vrouw en kinderen. Ze konden de stranden van de noordelijke eilanden al ruiken maar konden niet dichterbij komen vanwege een opkomende noordwesterstorm. Ladingen graan en hout lagen in het ruim op de lossers te wachten- er lag werkelijk een heel rijkdom van vele koopmannen onder de vermoeide mannen! Ze waren met éénendertig schepen vertrokken en hadden met geluk slechts één fluitschip verloren in de Oostzee.

Rederijkerskamer Vita Nova


Nederlandse schepen op de rede van Texel Ludolf Bakhuysen

De Oostzee kon boos zijn, maar in een noordwesterstorm dichtbij de Nederlandse kust waren de schepen pas machteloos- je kon geen haven bereiken, terugvaren kon niet meer, de Noordzee was de kapitein op het schip. Na drie dagen van storm kwam die verschrikkelijke avond: de schepen dreven steeds verder uit elkaars zicht, hun ankers losgewoeld. De bemanning kon de losgeslagen lading niet meer redden hoewel ze steeds meer overboord gooiden. Het hielp allemaal niet. De wateren zo dichtbij thuis gehoorzaamden de storm en slokten de grootste schepen en de sterkste mannen van de vloot. Die avond vonden honderden mannen vlakbij Tessel hun zeemansgraf en de golven vraten het graan en het hout. Er was geen redden meer aan. En zo voor het eiland van Tessel is je naam geboren. Gered uit de storm van 1593. Stilte voor de storm. Zo leefde ik voordat de telefoon in de vroege ochtend van 25 maart ging en de eerste baby Visscher zich meldde. Loes belt ’s ochtends vroeg: ‘mama, jij bent oma geworden!’. Ik feliciteer natuurlijk de blije, opgeluchte ouders met de kleine en vergeet bijna te vragen hoe hij heet. ‘Ma-am, het is een meisje, hoor en ze heet Tesselschade en is helemaal gezond. We hebben haar onze familienaam gegeven’ roept de kersverse moeder trots! Ik zie en hoor even niets, mijn hart bonkt van de verrassing. Meisje, dochter, wat? Heb ik mijn dochter net gefeliciteerd met haar baby? Als ik op de bank neerkom, roep ik vagelijk nog iets over in de ochtend naar de kleine komen kijken. Ik lach om mijn eigen stom­ miteit want met m’n boerenwijsheid meende ik aan de vorm van de buik te zien dat het een jongen zou worden. Ja, vergeet het maar! ZIJ is er, mijn kleindochter en ze draagt de naam van haar tante Maria Tesselschade van lang geleden. Het is een eer om zo te mogen heten. Ik ga mijn kleindochter bewonderen en later alles vertellen over de verre familie. Zij gaat de naam met trots dragen. Zal zij blij als zij hoort dat zij op dezelfde dag geboren is als haar verre tante?

Schrijven over de 17e eeuw

29


K Rederijkerskamer Vita Nova


koffie Door Bea van de Bovenkamp Een geitenhoeder zag zijn dieren monter springen na ’t eten van een bes. Zo hield een kloosterabt zijn monniken met bidden ook ’s nachts nog bij de les. De bonen uit de bes met water overgoten brachten een zaligheid. Een heerlijk aroma, stimulerend besloten. De koffie was een feit! Vooreerst wat adellijk, maar snel voor volkse centen. De koffiehuizen vol. Dronkaards werden nuchter, werklieden en studenten maakten de grootste lol. Zwarte modder leek het, de werking doch kon helen. Het bracht ons bij elkaar. Gelijk een godendrank, bereikbaarder voor velen, de kracht was zonneklaar. De zeventiende eeuw: de VOC verscheepte. Een nieuwe handelsstad. Nederland stapte in en Amsterdam ging kweken, kans hebben we gehad. Tot de Franse koning, van ons een struik gekregen, hetzelfde wilde doen. Het monopolie is het Hollandse ontstegen. Maar wel door ons fatsoen.

Schrijven over de 17e eeuw

31


C T thee

Door Bea van de Bovenkamp

Een keizer uit China, voornaam Shen Nong geheten, bracht water aan de kook. Doch plotseling was hij zijn volk en ambt vergeten door hoe het water rook. Camellia Sinensis liet lieflijk blaadjes lonken en deed de thee ontstaan. Met melk en suiker werd het vocht het liefst gedronken, maar ook wel met saffraan. De dokter liet je soms wel honderd kopjes vullen, de vraag was dan ook groot. Prijzen stegen verder, een pond voor honderd gulden. Society genoot. Je ging naar het toilet ‘om theebrieven te halen’, zelfs winden was een eer. Totdat het aanbod steeg, eenieder kon betalen. De thee smaakte naar meer.

De zeventiende eeuw: ook thee ging langzaam lonken, verrijkte ons bestaan. Vanuit Batavia, via Chinese jonken, voerden we blaadjes aan. Veel meer was mogelijk en blaadjes werden kruiden, getrokken in een pot. De thee floreerde goed, te zien in alle huizen. Een keizerlijk genot.

Rederijkerskamer Vita Nova


C cacao

Door Bea van de Bovenkamp

De oorsprong van cacao, al eeuwenlang geleden, verging in duisternis. Een drank werd al bereid door Maya´s en Azteken. Het zoet werd nog gemist. Xocoatl dronk men vooral met chilipeper. Opwekkend was de kracht. Hernando Cortez kwam cacao door reizen tegen en heeft het ons gebracht. Geroosterd en gezoet in chocoladehuizen, zo elitair bereid. Doch ook als medicijn kon je de boon gebruiken, vooral bij somberheid. De boter werd gescheiden, de massa werd geperst. Dit brak de gouden muur. Door dit systeem kon men de poeder los bereiden en werd het minder duur. De zeventiende eeuw: een driehoeksreis bevaren, De WIC in ´t nauw. Slaven werden handel, een reis met veel gevaren, maar wij kregen cacao. Van koekjes tot bonbons, voor troost en feestlijkheden. Het is een bitter zoet. De oorsprong is dan wel in duisternis gegleden, cacao floreerde goed.

Schrijven over de 17e eeuw

33


suiker Door Bea van de Bovenkamp In Nieuw-Guinea vond men riet om op te kauwen, het was zo heerlijk zoet. Het riet werd uitgebreid doordat men ‘t ging verbouwen en streelde het gemoed. Het suikersap verdampt gaf massa met kristallen. Sarkara werd de naam. Tijdens een reis is het Columbus opgevallen en suiker kreeg zijn faam. Suiker werd gezuiverd in suikerbakkerijen, gestampt tot korrels goud. Royaal werd het gebruikt in alle lekkernijen, doch ook voor versbehoud. Groente en zelfs oesters kon je met zoet bestrooien. De rijken hadden feest. De apotheker moest het ook met suiker rooien, het zoet genas de geest. De zeventiende eeuw: de handel kon beginnen dankzij de slavernij. Bloeiende plantages om zoet uit riet te winnen, de WIC nabij. Een suykercierder kwam ons land al snel versterken, uit Antwerpen gegaan. Het goddelijke zoet was niet meer weg te denken, vervlochten met bestaan.

Rederijkerskamer Vita Nova

S


S Schrijven over de 17e eeuw

35


K

koopman adriaensz Door Heidi Heinonen, Anita Simons, Riët Hummel, Wilma de Jong en Bea van de Bovenkamp Geertje, zo heette ze. Zij was de enige vrouw die mij bier mocht brengen en de enige die mijn voeten mocht wassen. Ik vertrouwde haar, stomme koopman als ik ben. Zij was een schone, witte vrouw die zeer fijngemaakt is in haar rondingen en haar lijf gaf mijn ogen wat ik dolgraag bij een vrouw wilde zien. Ik kon voelen dat de eerste bloei al in haar verleden lag, maar waarom ze toch bij een herberg buiten de stadspoort terecht was gekomen weet ik niet. Men fluisterde in de kroeg dat ze gevlucht was zodat ze niet met een oude kerel hoefde te trouwen. Maar ja, niemand had ooit wat mogen vragen en we wisten eigenlijk niet wie ze was. Zelf was ik ooit van plan geweest om een vrouw te trouwen. Dat wilde ik echt, maar een koopman als ik moet steeds harder werken om zijn bier en vermaak te kunnen betalen. Ik heb lang een rondreizend leven geleid en als ik eens geluk had, kon ik een deel van mijn rustige uren voor enig vermaak vrij maken. Zoals thuis in Naarden. Daar ging ik trouw bij Geertje langs en als ik eens een lange reis had gemaakt, kon ik haar ook echt in munten betalen. En mijn munten waren geen valse Engelse! Een begaafde koopman zoals ik kent natuurlijk vele steden en veel stede­ lingen kennen mij. Ik had nooit gedacht dat het mijn nadeel zou worden dat zoveel mensen mij kennen. Dit verhaal zou beginnen op de tweede avond na mijn thuiskomst in de haven van Amsterdam. Het schip dat eerst volgeladen had gezeten met koopwaar, lag schoongeboend aan het Prinseneiland te wachten op mijn volgende reis. De bemanning begon moegewerkt maar met volle zakken aan de thuisreis, behalve de kerels die aan boord bleven voor bewaking, en ik dacht al voorzichtig aan mijn gastvrouw, Geertje. Eenmaal aangekomen in Naarden, voelde ik eerst geen sfeer van twist of dreiging, niets wees erop dat ik in problemen zou komen. Toen ik uren later in dronken paniek zonder mijn paard op de vlucht sloeg, kon ik maar één zin uitschreeuwen: ‘Welke rat heeft mij verraden?

Rederijkerskamer Vita Nova


Bordeelscène Frans van Mieris

Schrijven over de 17e eeuw

37


Om mijn verhaal te begrijpen moet je eerst iets weten over mijn jeugd. Ik ben zo arm als Job geboren, in een gezin met tien kinderen. Mijn vader was een harde werker (hij werkte in de scheepsbouw), maar hij was ook een dronkelap. Als hij op vrijdag zijn weekloon kreeg bracht hij de helft rechtstreeks naar de kroeg. Wanneer vader na het avondmaal nog niet thuis was, stuurde moeder mij naar de kroeg om hem te halen. Daar vond ik hem meestal slapend, met zijn hoofd op de bar. Het is moeilijk om mijn gevoelens over mijn vaders gedrag te omschrijven. Ik werd heen en weer geslingerd tussen woede en medelijden. Diep in mijn hart vond ik mijn vader een slappeling. Ik worstelde erg met dat gevoel, ik heb altijd geleerd: eert uw vader en moeder. Het kwam er eigenlijk op neer dat ik het mijn vader kwalijk nam dat hij het mij onmogelijk maakte hem te respecteren. Dit alles speelde zich uiteraard alleen in mijn hoofd af, bin­ nen ons gezin was er geen ruimte voor het uiten van gevoelens. Waarom vertel ik je dit alles? Het verhaal van mijn jeugd maakt duidelijk waarom ik geworden ben wie ik ben. Eén ding was mij van jongs af aan ­helder: ik word niet als mijn vader. Ik zal rijk en succesvol zijn. Ook heeft het slechte fundament dat mijn vader bood voor zijn gezin mij er onbe­ wust van weerhouden zelf een gezin te stichten. Zeker toen ik merkte dat ik de drankzucht helaas van mijn vader had geërfd. De ongenaakbare koopman, dat was ik. Of nee, dat wílde ik zijn. Geertje had daar echter al lang geleden een einde aan gemaakt. Natuurlijk hield ik mij voor dat ze mij, net als de drank, slechts vermaak bood, maar diep in mijn hart wist ik beter. Ik was haar al jaren eerder gaan beschouwen als mijn vrouw, mijn eigendom. Hoe dom kun je zijn? Wilde katten laten zich niet kooien. Maanden had ik in het geheim toegeleefd naar deze avond. Het geluk lachte me al een poosje toe waardoor het mogelijk was geworden om mijn oude wens te verzilveren. Eindelijk zou ik het vertellen. Tijdens mijn laatste reis had ik mijn ogen goed de kost gegeven in Batavia. Mijn keus was gevallen op een mooi huis in een goede buurt waar ik het aanzien zou krijgen dat ik verdien. Ik was moe geworden van al het reizen, het werd tijd om ons te vestigen. De gedachte aan Geertje aan mijn zij vervulde me met warmte.

Rederijkerskamer Vita Nova


Als koopman in hart en nieren leg ik mijn oor altijd goed te luister op zoek naar nieuwe handelswaar. Twee jaar geleden hoorde ik in de Oost allerlei gepraat over een genotmiddel dat ook nog eens zou zorgen voor meer dapperheid en een beter geslachtsleven. Uiter­ aard heb ik dit zelf niet nodig, maar ik rook kansen. Al zo vaak had ik mannen in een melancholieke bui horen verzuchten dat ze wel iets stimulerends ­konden gebruiken. Ik tikte wat van het spul op de kop bij een Chinees en heb het goed verbor­ gen meegenomen naar Holland. De eerste mensen aan wie ik het verkocht vroegen me telkens om meer en iedere koopman weet: hoe schaarser het goed, hoe hoger de prijs. Hier kon ik goud mee verdienen! Van lieverlee benaderde een steeds grotere groep mensen mij in hun zucht naar wel­ behagen. Mijn handel bloeide, mijn kapitaal groeide, ik kon ernst maken van mijn droom. Geertje wist nog van niets. Het moest een verrassing voor haar blijven, maar ik wist zeker dat ze net zo verheugd zou zijn als ik. Wat was het moei­ lijk om het geheim te houden. Steeds meer mensen spraken me aan. Ook een keer in de herberg bij Naarden. Gelukkig had niemand iets gehoord. Menigmaal heb ik zelfs mijn drankzucht kunnen bedwingen, zo bang was ik dat ik mijn mond weer eens voorbij zou praten. Die avond maakte het niet meer uit. Mijn mooie vrouw waste mijn voeten en ze zorgde ervoor dat ik mijn dorst kon lessen. Ik voelde me totaal op mijn gemak. Nog even en ik zou het haar zeggen. In een opperbeste stemming proostte ik naar de mannen die binnenkwamen, me niet bewust van de kilte die met ze mee naar binnen was geslopen.

Schrijven over de 17e eeuw

39


Nog kon ik Geertje niet in vertrouwen nemen. Ze moest eerst de man­ nen bedienen die net binnen waren gekomen. Eén van hen is haar broer. Met veel gebaren en stemverheffing vertelde hij haar een verhaal. Ook de andere mannen deden een duit in het zakje. Uiteindelijk kalmeerde het gezelschap, waarschijnlijk door de drank en de goede zorgen van mijn Geertje. Eindelijk kwam ze naar me toe. Ze zag er een beetje bedrukt uit. ‘Kom, mooie meid’, zei ik en ik trok haar op mijn schoot. Ik vertelde haar dat ik in de laatste jaren veel geld verdiend had en dat ik tijdens mijn laatste reis naar Indie een huis met bedienden had gekocht. ’O,wat fantastisch’, zei Geertje. ‘Wat ben jij toch een goeie koopman.’ Ik trok Geertje iets dichter naar me toe. ‘Luister, lieve schat’, zei ik fluisterend. ‘Het product dat ik verkoop kan niet iedereen bekoren, sommigen spreken er zelfs schande van. Maar ik zie er geen kwaad in om zowel mannen als vrouwen plezier te bezorgen.’ ‘Vertel het me dan’, zei Geertje. En toen vertelde ik haar van het wonderzalfje dat geslachtsdelen van mannen doet gloeien en groeien. Maar terwijl ik mijn verhaal deed keek Geertje steeds geschokter, wat mij verbaasde. Zij is toch geen onbeschreven blad, haar maagdelijkheid is ze al lang geleden verloren. ‘Wat?’, zei Geertje. ‘Dan komt het dus door jou dat mijn broer nu zo ziek is.’ ‘Hoe bedoel je?’, vroeg ik. ‘Wat is er met je broer?’ Ik kreeg het langzaamaan heel warm. ‘Hij heeft een zalfje gekocht bij een handelaar hier in de stad en dat moest hij op zijn mannelijke trots smeren, maar nu’, ze snikt, ‘nu is alles rood, met blaren en puisten. De chirurgijn zegt dat hij misschien nooit meer samen met een vrouw kan zijn. Jij … jij, schoft!’ Geertje ging steeds harder praten. Het viel me op dat de andere bezoekers geïnteresseerd meeluisterden. Even wist ik niet wat ik met deze situatie aan moest. Mijn gedachten vlogen door elkaar heen. Hoe was dit mogelijk? Nooit had ik het zalfje aan haar broer verkocht. Nooit eerder hoorde ik van blaren en puisten na het smeren. Ik keek naar Hendrik, de broer van Geertje, en zag dat hij ons ge­ sprek met een glimlach gadesloeg. Kon hij dit verhaal hebben verzonnen? Maar waarom dan? Geertje was al lang van mijn schoot gesprongen en keek me nog steeds woedend aan. ‘Dit is een misverstand’, stamelde ik. ‘Het zalfje heb ik inderdaad het land in gesmokkeld, maar nimmer hoorde ik klachten.’ Te laat, Geertje liep met grote stappen terug naar de groep mannen rondom

Rederijkerskamer Vita Nova


haar broer. Op zijn gezicht zag ik de grijns groter worden. Even stonden ze met elkaar te praten, toen verdween Geertje naar de achterkamer. Hendrik kwam langzaam op me af. ‘Zoals je begrijpt is je aanwezigheid hier niet meer gewenst’, zei hij geamuseerd. Dit kon ik natuurlijk niet zomaar laten gebeuren. Al die jaren had ik gereisd en gewerkt om Geertje tot mijn vrouw te kunnen maken, dat kon niet allemaal voor niets zijn geweest. ‘Komaan, beste kerel. Je weet toch dat ik je dat zalfje nooit heb verkocht? Noch zijn er eerder klachten geweest over de huid.’ Hij boog zich voorover en fluisterde ‘Natuurlijk weet ik dat. Maar mijn zuster zal jou nooit geloven en dat is uiteindelijk het belangrijkste.’ Dus toch! Hij ging tegenover me zitten en vertelde over zijn ontmoeting binnen de stadspoort met een koopman. Deze koopman vertelde over een vriend die zijn toekomst probeerde te verrijken om te kunnen trouwen met de vrouw uit de herberg. Geïnteresseerd had hij geluisterd om erachter te komen welke vriend hij bedoelde en langzaamaan was dat duidelijk geworden. ‘Maar, mijn beste, jij bent niet de man die ik graag bij mijn zuster zie. Zij heeft eerder een huwelijk gesloten met een koopman en door zijn vuile handeltjes is zij buiten de stadspoort gezet.’ Op dat moment kwam Geertje weer uit de achterkamer en keek onze kant op. Hendrik sprong direct op en begon tegen me te schreeuwen. ‘Donder op man, dit kun je niet meer goedpraten!’ Hij sloeg met een vuist op tafel en de rest van zijn bondgenoten kwam op me af. Omdat ik helaas al de no­ dige drank had genuttigd, kon ik me niet snel genoeg uit de voeten maken. De mannen stompten en schopten en scholden me uit voor rotte vis. Na wat een eeuwigheid leek kon ik opkrabbelen uit mijn benarde positie en strompelde ik naar de deur. Een hele menigte stond me dreigend na te kijken, waaronder een rood aangelopen Geertje. Waarom wilde zij niet in me geloven? Waarom had ik haar vertrouwd? Ik, die eigenlijk nooit wilde trouwen door het voorbeeld dat ik had in mijn jeugd. Mijn gevoelens voor Geertje hadden alles veranderd. Ik bleef staan, maar daar was Hendrik niet van gediend. Hij rende op me af met een kandelaar in zijn hand en joeg me zo naar buiten. Iedereen kwam achter hem aan en ik had geen andere keus dan hard weg te rennen. Niet eens kon ik mijn paard benaderen en die bleef achter bij de herberg. Eén ding kon ik nog uitstoten: ‘Welke rat heeft mij verraden?’

Schrijven over de 17e eeuw

41


Door Bea Van de Bovenkamp Het leven bracht kracht, hun leven was genot. Ze hadden nooit ellende. Zij omarmden onbekenden. Geen vertrek en dood. Mogelijk was alles. Plezier overtrof, pijn ontbrak. Veel geluk, dat was duidelijk. Helaas waar, daar vloeiden nu tranen.

îź€îź Tranen nu vloeiden daar, waar helaas duidelijk was dat geluk veel ontbrak. Pijn overtrof plezier, alles was mogelijk. Dood en vertrek geen onbekenden. Omarmden zij ellende? Nooit hadden ze genot. Was leven hun kracht? Bracht leven het?

Rederijkerskamer Vita Nova


Door Anita Simons liefde geen eenzaamheid brengt vrijheid samen niet alleen zijn zijn vrij die mensen die leven zonder? misschien is liefde zonder vrijheid geen liefde

îź

liefde geen vrijheid zonder liefde is misschien zonder leven die mensen die vrij zijn zijn alleen niet samen vrijheid brengt eenzaamheid geen liefde

Schrijven over de 17e eeuw

43


G D geboorte 17

Vrouw met weegschaal Johannes Vermeer

Door Anita Simons

Ja, zestien keren had zij reeds gebaard En toch, gewoon dat zou het nimmer zijn Zo dik haar buik, wat voelde zij zich klein Groot leed was haar en Johan niet bespaard

Eerst Piet, toen Saartje, Trijn en kleine Gaard Fragiel, hun handjes open, teer en fijn Wat deed het afscheid elke keer weer pijn Na al die tijd hun dood nog niet aanvaard Springlevend is gelukkig ook de hoop Als God het wil dan blijft het kind gezond Ze weet het, en ze kijkt naar Sien en Joop

Een lachje krult zich langzaam om haar mond Vertrouwen heeft zij in een goed verloop Ze bid tot God en knielt neer op de grond

Rederijkerskamer Vita Nova


D

de zeepzieder

Door Anita Simons

Gedachteloos vermengt hij loog en traan Het ziedend vuur, het vet verzeept en heet Het lijkt magie als je niet beter weet Maar hij had het al duizend maal gedaan Drie generaties hem reeds voorgegaan In hitte, damp, de stank vermengd met zweet Zijn bloed bepaalde voor hem wat hij deed De zachte zepen maakten zijn bestaan En pijnlijk plots was het voor hem voorbij Een nieuwe zeep verkocht men bij Van Sluys De vrouwen stonden ervoor in de rij Ze haalden fruit- en bloemengeur in huis Het leek hem enkel volksverlakkerij Gelaten draagt hij sedertdien zijn kruis

Schrijven over de 17e eeuw

45


H Stilleven met kalkoenpast Pieter Claesz

Rederijkerskamer Vita Nova


H hutspot

Door Anita Simons

Een feestmaal moest en zou het voor haar zijn Met wittebrood, mals vlees, het rijpste fruit Volvette vis geroosterd op de huid Het beste bier en kannen vol met wijn Op zijden lakens, zuiver wit en fijn Boeketten vol met tulpen, knoppen uit Kristallen glazen, hemels hun geluid De lepels zilver, schalen porselein De smaak van zure wei verjaagt haar droom De hutspot in haar maag voelt zwaar als steen Een bruiloftsfeest gespeend van spek en room Weer terug op aard door pastinaak en peen Ze eet snel door met een gevoel van schroom Haar lot staat vast, daar kan ze niet omheen

Schrijven over de 17e eeuw

47


Z zoete koek Door Anita Simons

Ze hadden eerst de kermiskoek gedeeld Met honing. Zoetgevooisd was ieder woord Betoverd had zij alles aangehoord Hij had haar nog geen ogenblik verveeld Herinneringen... in haar hoofd een beeld Een paljas, apen, dansen op een koord Met luide lach had hij haar aangespoord Zo hadden ze gedanst, gelonkt, gespeeld Voorzichtig had hij haar toen aangeraakt Haar haar, haar rug, haar jurk, onder de rand Gevonden wat hij zocht, gestreel gestaakt Geluk verstomde haar gezond verstand Slechts dom en ijdel had hij haar gemaakt Hij reikte naar haar geld en niet haar hand

Rederijkerskamer Vita Nova

Boerenkermis David Teniers


D

den toorne godts Door Anita Simons

Te snel gegaan de weg van alle vlees Wat heeft zo plots ‘den toorne Godts’ verwekt? Iets kwaads heeft niemand ooit bij u ontdekt Met welke zonde maakte u mij wees? Zo sta ik bij uw graf en denk met vrees Aan God die u zo bruut aan mij onttrekt Met aarde wordt uw kist nu afgedekt De mensen druipen af naar de cafés

Abrupt verstilt het luiden van de klok Het voelt of ook mijn hart wordt stilgezet Het warme bloed maakt langzaam plaats voor wrok Het rouwen wordt mij door de kerk belet De kaarsen uit en in mijn keel een brok Valt mededogen niet onder Gods wet?

Schrijven over de 17e eeuw

49


Door Heidi Heinonen Aarde schat ik op waarde Tokio beeft, de reactor begeeft Ondeelbaar leed door een golf die dorpen beet Ouders die wenen om verloren genen Menselijk lot is wrang, de ene dood, anderen bang Evenwicht kwijt, ontwricht voor altijd Natuur betaalt aards’ huur nu zuur Evolutie verandert snel in brute executie Radioactieve kust is in slaap gesust Geen hoop voor dier, bloem of levensloop Isotoop stoot leven uit Japans’ biotoop Ellendig getel, opgraven doden in winters hel

Rederijkerskamer Vita Nova


Door Wilma de Jong Opeens verschijnt de lente daar Haar huid verwelkomt de zon Kon het leven nog mooier zijn? Fijn is ‘t buiten, ze voelt zich vrij. Bij Hoogland-West kent hij een pad Dat hij al eens heeft gelopen Open veld, weilanden groen en fris. Is dat misschien een kievit daar? Haar ogen turen, zien een vogel zwart met wit, Dit doet haar denken aan haar jeugd Verheugd, hand in hand lopen ze door. Hoor je die grutto, kijk dat jonge vee! Mee neemt hij haar tot halverwege Tegen een dijkje vleit hij haar neer. Keer op keer kust hij haar zacht, Lacht en zegt: het is een wonder Bijzonder gewoon en gewoon bijzonder.

Schrijven over de 17e eeuw

51


uitleg dichtvormen de 160 of het SMS gedicht Dit is een dichtvorm gebaseerd op het sms-format. Elk gedicht bestaat uit exact 160 tekens inclusief spaties en leestekens, het maximum aantal tekens van een sms-je. Wilma heeft twee SMS gedichten geschreven, zie pagina 11 en 12. zintuigengedicht Dit is een gedicht waarbij men deze vragen moet ­beantwoorden: - als je het kon zien, hoe zou het er dan uitzien? - als je het kon ruiken, hoe zou het dan ruiken? - als je het kon proeven, hoe zou het dan smaken? - als je het kon aanraken, hoe zou het dan voelen? - als je het kon horen, hoe zou het dan klinken? Men schrijft vervolgens, met behulp van vijf woorden, bij elk zintuig een dichtregel. Tot slot schrijft men de slotregel aan de hand van volgende vraag: als je het onderwerp van je gedicht toevallig tegenkomt, wat zou het dan doen. Zie ‘Geesje’ van Riët op pagina 15. sonnet Ook klinkdicht genoemd. Dit is een veertienregelig metrisch gedicht. Ieder regel moet bestaan uit 10 lettergrepen, waarbij een onbe­ klemtoonde en een beklemtoonde lettergreep elkaar afwisselen (jambi­ sche pentameter). Het rijmschema is vaak abba abba cdc dcd. Na de eerste 8 regels ligt een inhoudelijke wending. Zie ‘Anna Maria’ van Riët op pagina 16 en de gedichten van Anita op pagina 44 t/m 49. rondeel Een rondeel werd vroeger eerst als een soort lied gebruikt maar is later een dichtvorm geworden. Waar in een lied vaak een refrein terug­ komt is dat bij de rondeel een herhaling van bepaalde regels. Een rondeel heeft acht regels en regel 1,4 en 7 zijn het zelfde en de regels 2 en 8 ook. De andere regels zijn vrij in te vullen. Zie ‘Hendrickje’ van Riët op pagina 18 en 19. copla Een copla is een volkse Spaanse dichtvorm die vaak onderwerpen als liefde, heimwee, verlangen, enz. hebben. De structuur van een copla is vier regels die elk acht lettergrepen hebben. Er is niet een vast rijmschema. Zie ‘Saskia’ van Riët op pagina 20.

Rederijkerskamer Vita Nova


De 13/6-gedichten van Bea op pagina 30 t/m 35 zijn qua vorm ­geïnspireerd op het “Danck-Bewys Aen den uitnemenden en wijt­beroemden Rembrandt van Rijn” van Jeremias de Decker.

 In de zeventiende eeuw bestonden er schrijfgroepen die zichzelf Rederijkerskamers noemden. Het gebruiken van specifieke dichtvormen was erg belangrijk. Een aantal van deze vormen vind je in deze bundel: kreeftdicht Ook retrograde genoemd. Zo’n gedicht kun je twee kanten op lezen: van voor naar achter en van achter naar voor. Zo heb je twee ­gedichten ineen. Bea en Anita hebben beide een kreeftdicht geschreven. Zie pagina 42 en 43. naamdicht Ook acrostichon genoemd. Het beroemdste voorbeeld is ons volkslied, het Wilhelmus. De eerste letters van de coupletten vormen de naam Willem van Nassov. Dit kan ook met de eerste letters van de regels. In deze bundel vind je twee voorbeelden, geschreven door Riët en Heidi op pagina 14 en 50. binnenrijm Hierbij zie je rijm binnen de versregel. Heidi heeft deze vorm verwerkt in haar naamdicht op pagina 50. ketendicht In een ketendicht rijmt het laatste woord van een regel op het eerste woord van de volgende regel. Wilma heeft een ketendicht ge­ schreven, dat je vindt op pagina 51.

Schrijven over de 17e eeuw

53


VitaNova

Rederijkerskamer


Schrijven over de 17e eeuw