Issuu on Google+

pantheon// winkelen tweemaandelijkse uitgave van d.b.s.g. stylos / nummer 5 / jaargang ’04’05

kaft_winkelen.indd 1

18-7-2005 12:03:46


Redactioneel Kobe Macco

pantheon// colofon het Delftsch Bouwkundig Studenten Gezelschap Stylos werd in 1894 opgericht ter behartiging van studie- en studentenbelangen van studenten aan de faculteit Bouwkunde van de TU Delft. bestuur 111 D.B.S.G. Stylos voorzitter: Sander Dekker secretaris / PR: Maudy Dekkers penningmeester: Marten Dashorst onderwijs bachelor: Wouter Homs onderwijs master: Wouter Oostendorp evenementen: Jouke Sieswerda paviljoen / debat: Laura Ubachs adres D.B.S.G. Stylos, kab. 1.01 Faculteit Bouwkunde Berlageweg 1 2628 CR Delft telefoonnummers bestuurskamer 015 2783697 commissiekamer 015 2784168 secretariaat 015 2781369 fax 015 2783059 internet mail@stylos.nl http://www.stylos.nl lidmaatschap Stylos 10 euro per jaar gironummer 296475 donateurschap Stylos Stichting 45 euro per jaar eerste twee jaar 25 euro per jaar bedrijven 90 euro per jaar gironummer 1673413 Stylos Bookshop geopend maandag t/m vrijdag 12.45 tot 13.45

tweemaandelijkse uitgave van D.B.S.G. Stylos jaargang 8, editie 5, juli 2005 oplage: 2000 leden van Stylos en donateurs van de Stylos Stichting ontvangen pantheon vijf maal per jaar redactieadres Berlageweg 1, kab. 1.01 2628 CR Delft pantheon@stylos.nl redactie Dennie Jansen Jeroen Borst Kim van Klooster Kobe Macco Kria Djoyoadhiningrat Marien Daamen Marten Dashorst Sanne van Manen aan dit nummer werkten mee Barbara Luns Evert Verhage Gijs van Tuyl Ivo Oosterbaan Janneke Wesseling Jouke Sieswerda Jurriën van Duijkeren Katharina Rößler Keith Goh Jih Huei Marijn Boterman Meike Mertens Michiel van Raaij Miguel Heilbron Fräser Nathalie de Vries Sander Dekker Wiechert Schenk Wouter Homs advertenties Marten Dashorst druk Koninklijke De Swart, 's-Gravenhage schilderij omslag Joachim Beuckelaer (1530-1574) Olieverf op hout

kaft_winkelen.indd 2

Het rommelt in Nederland en in de rest van de wereld, wereldsteden staan op hun grondvest te schudden, het stedelijk klimaat is op zijn retour, de samenleving staat onder druk, problemen in het onderwijs, stijgende werkloosheid en criminaliteit. In Nederland zorgt de nieuwe nota Ruimte tevens voor een hoop onrust en veranderingen in de maatschappij, de marktwerking in de woningbouw laat van de 'Superdutch' architectuur ,waar we zo trots op waren, geen spaan heel, we keren steeds meer terug naar het traditionalisme waar het 'veilig' zou moeten zijn. De moderne burger lijkt onzeker te worden. Deze pantheon// winkelen gaat over hoe men keuzes maakt en hoe men gezien wil worden door de maatschappij. Er zijn steeds meer partijen waar rekening mee gehouden dient te worden en er wordt steeds minder geaccepteerd. Bouwen we om ons eigen ego te strelen of willen we nu daadwerkelijk iets bijdragen aan deze maatschappij. Het is nu meer dan ooit tijd om te kijken waar we zelf voor staan en of we op deze ingeslagen weg verder willen gaan.//

Niet van de voorzitter maar van iemand anders Marten Dashorst

Winkelen beheerst onze levens. Ook dat van Stylos. Als bestuur van Stylos moet je elk jaar ergens in maart beginnen te winkelen voor een nieuw bestuur. En dat is niet altijd even makkelijk. Soms bieden de potentiële bestuursleden zichzelf aan alsof het een bonusaanbieding is bij die ene die op de kleintjes let, en soms lijkt het wel een Russisch warenhuis waar je met moeite een maaltje bijeen kan schrapen. Misschien is de faculteit ook wel een warenhuis. Wij zijn de klanten, en de docenten zijn de mensen achter de balie. Elke klant is op zoek naar iets anders. Zoals al in het artikel "de student is geen consument" al aangekaart wordt, probeert de faculteit haar studenten binnen de deur te houden, maar helaas niet langer dan noodzakelijk. Er wordt niet genoeg op de impulsieve aard van de student ingespeeld, er liggen geen aanbiedingen bij de kassa. Wij leven in de westerse wereld. Wij zweren bij de vrije markt, zodat we elke dag lekker kunnen doen waar we op dat moment zin in hebben. Een van de eigenschappen van de vrije markt is dat het zich verhoudt volgens het systeem van vraag en aanbod. Een van de leuke dingen van vraag en aanbod is dat het aanbod soms de vraag genereert en vice versa. Kijk maar naar de mobiele telefoon. Iedereen moet tegenwoordig bereikbaar zijn, elk moment. Vroeger kon je nog wat later op je afspraak komen, tegenwoordig heb je dan gelijk een sms'je "waar ben je?" Stylos genereert ook haar eigen vraag. En speelt in op het aanbod van de faculteit en haar leden. Of was het nou andersom?//

18-7-2005 12:03:58


Stylos

Thema// Winkelen

2 Student is geen consument!

8 thema: Het winkelparadijs

31 Het gelijk van de grootgrutter

Sander Dekker

Sanne van Manen

Jeroen Borst

Wouter Homs

Kobe Macco

9 MeVRouwDeVries 3 Maak je eigen Masterplan

Interview met Nathalie de Vries

34 Lorre is aan't verbouwen

Marten Dashorst

Jeroen Borst

Kria Djoyoadhiningrat

Michiel van Raaij

Marien Daamen

Marten Dashorst

4 Honey, I shrunk the Campus!

12 Euroshopper

Michiel van Raaij

Jurriën van Duijkeren

5 'Comm_on'

14 the Poetics of shopping

Ivo Oosterbaan

Keith, Goh Jih Huei

Algemeen

16 Art goes where money flows...

36 De Gouden Piramide

Barbara Luns

Sanne van Manen

Katharina Rößler Meike Mertens

6 INDESEM2005: "a political act"

Sanne van Manen

38 Libero

Jouke Sieswerda

20 De verborgen markt

Redactie

Miguel Heilbron Fräser

39 // goddelijk 24 Het visitekaartje van de architect

Redactie

Dennie Jansen

40 Pantheon//forum Lezers

27 Het leek wel uitverkoop Een dagje Dag van de Architectuur

41 Agenda

Marien Daamen

Redactie

Marten Dashorst

I N H O AU LD GS EO MP EG EA NV E

Stylos1_P_1tm7.indd 1

W I N K E L E N

S T Y L O S

pantheon 5 ’04’05

1

18-7-2005 11:56:06


De discussie die is ontstaan naar aanleiding van het artikel "Kennis is minder belangrijk dan tevreden onderwijsklanten" van Adrienne van den Boogaard (verschenen in Delta en het NRC Handelsblad), snijdt een aantal onderwerpen aan waar Stylos het afgelopen jaar veel mee bezig zijn geweest.

Student is geen consument! Wouter Homs Sander Dekker

Het heeft ons erg verbaasd dat veel reacties op het stuk persoonlijk gericht waren, soms zelfs met een aanvallend karakter. Adrienne beschrijft immers eerder een "systeem". In dit artikel willen wij ook die invalshoek kiezen. Waarbij wij uiteraard reageren vanuit onze ervaringen hier op bouwkunde. Efficiency In een op prestatie ingerichte maatschappij wordt de druk om de opleiding efficiënt en economisch in te richten groter. Studenten moeten zo snel mogelijk en massaal door de opleiding worden gejaagd. Het leerrechtenplan van staatssecretaris Rutte, wat eerder leerbeperkingen zijn, en de OOD zijn gevolgen van het efficiency denken. Ook het Bachelor-Master systeem heeft een sterk structurerende uitwerking en voert de druk op de doorstroming op. De ruimte voor reflectie, het stil kunnen staan waar men mee bezig is en welke positie men inneemt in de maatschappij wordt steeds kleiner. Dit heeft zijn weerslag op activiteiten van onder andere de studieverenigingen. Wij merken dat de animo voor het organiseren van dan wel participeren in workshops, lezingen en debatten terug loopt. Juist dit soort activiteiten stimuleert de kritische houding ten opzichte van je omgeving en houdt het academische klimaat uitdagend en levendig. Systeem Het efficiencydenken heeft geleid tot een organisatie waarin een drang ontstaat om alles toetsbaar en meetbaar te maken, ook wel geduid als "bureaucratie"”. Er kan niets overgelaten worden aan het toeval of het experiment. Wil je buiten de structuur iets opzetten dan kom je

2

Stylos1_P_1tm7.indd 2

pantheon 5 ’04’05

al snel terecht in lange en moeilijke bureaucratische processen waaraan de inhoud ondergeschikt wordt. Dit proces kost zo veel energie dat enthousiaste studenten en docenten geremd worden in het ontwikkelen van initiatieven. Naar onze mening is de zucht naar overmatige controle in strijd met de academische attitude die wezenlijk is in een universitair milieu. Onzekerheid in uitkomsten is namelijk inherent aan deze academische attitude. Een voorbeeld waar dit toe heeft geleid zijn de semesterboeken van de BSc, waarvan de lesstof tot in het 3e jaar zeer gedetailleerd is uitgewerkt. Per week staat er beschreven welke producten geleverd moeten worden, zodat er zo min mogelijk overgelaten hoeft te worden aan de eigen verantwoordelijkheid. Dit is dodelijk voor de academische werkhouding. Kwaliteitszorg Een andere ontwikkeling is de positie van de student als klant. In deze één dimensionale benadering neemt de student minder verantwoordelijkheid voor de inhoudelijke kwaliteit van het onderwijs dat "toch top down" wordt geregeld. Het onderwijs wordt steeds meer in hapklare brokken als een soort consumptiegoed aangeboden met als uitkomst studenten die zich ook als klant gaan gedragen. Dit wordt versterkt door het kwaliteitszorg systeem dat een product is van de drang naar meetbaarheid en controle. Evaluatie enquêtes en een centrale klachtencoördinator zorgen ervoor dat studenten niet meer de tijd en verantwoordelijkheid nemen om de inhoudelijke kwaliteit met de docenten te communiceren. Alle vakken moeten via een systeem worden geëvalueerd.

S T Y L O S

W I N K E L E N

Kunnen we dan niks meer aan de verantwoordelijkheid van studenten, docenten en professoren overlaten? Vertrouwen we alleen nog maar op de bureaucratie? De docent en de student worden met dit systeem tegen elkaar opgezet "omdat zij via omwegen over elkaar lopen te klagen". De relatie tussen student en docent is van essentieel belang in het onderwijs want zij zorgen beiden in belangrijke mate voor het niveau van de opleiding. Kwaliteitszorg heeft ook zijn goede kanten, de faciliteiten bij Bouwkunde zijn bijvoorbeeld sterk verbeterd. Maar of het huidige systeem van kwaliteitszorg ook de inhoudelijke kwaliteit van het onderwijs heeft verbeterd, is nog maar de vraag. Kwaliteitszorg moet uitdagend en kritisch zijn, en moet niet verworden tot een vastgeroest stelstel van procedures. Vertrouwen in initiatieven van enthousiaste studenten en docenten, die de grenzen van het systeem overschrijden, is een stap in de goede richting. Een goed voorbeeld hiervan is het "explore-lab", dat het afgelopen jaar op Bouwkunde is opgezet in nauwe samenwerking met docenten en professoren. Ook de student is verantwoordelijk voor de inhoudelijke kwaliteit van het onderwijs. Wij dagen onze medestudenten uit voor een reactie!//

> Delta 15, Kennis is minder belangrijk dan tevreden onderwijsklanten. > Delta 20. We willen niet terug naar de sixties. > Delta 22. Docent en student worden tegen elkaar opgezet.

A L G E M E E N

18-7-2005 11:56:06


Het gezicht van de TU gaat veranderen. Over 7 jaar moet de Mekelweg, de centrale as van de TU-wijk, veranderd zijn in een landschappelijk park. Mecanoo Architecten is door de universiteit in de hand genomen een ontwerp hiervoor te maken. Maar is een 'lik verf' voldoende om de Mekelweg tot leven te laten komen? Stylos denkt van niet.

Maak je eigen Masterplan Marten Dashorst Michiel van Raaij

Het Campusplan voor de TU Delft van Francine Houben/Mecanoo is geen slecht plan, er zit slechts een slechte opdracht aan verbonden. Na de bestudering van de verschillende plannen die Mecanoo over de jaren heen heeft afgeleverd, hebben wij als Stylos moeten concluderen dat dit voor een belangrijk deel te wijten is aan de slechte opdracht die het bureau is meegegeven vanuit het College van Bestuur van de TU Delft. Reden voor Stylos om door middel van een prijsvraag een discussie op gang te brengen over het programma van eisen van het Campusplan en alternatieven voor te stellen voor het Campusplan van Mecanoo. Al in 1998 is besloten dat de TU-wijk moest veranderen. De Mekelweg, eind jaren zestig aangelegd, begon steeds meer een barrière te worden in de ogen van het College van Bestuur van de TU Delft. Een fysieke én een mentale barrière. Auto's reden er te hard, de entree’s van de verschillende faculteiten lagen verscholen achter de parkeerplaatsen en een stukje over de Mekelweg lopen wilde je eigenlijk ook voorkomen, omdat het er altijd hard waaide. In het eerste plan van Mecanoo, uit 2000, liep de geplande tramlijn nog om de campus heen; langs de bibliotheek en dan over de Schoenmakerstraat. De Mekelweg zelf was een groot groen glooiend landschap geworden met volop voorzieningen en faciliteiten. Een ambitieus maar onhaalbaar plan. Ambitieus omdat het een oprechte impuls aan de nagenoeg functieloze Mekelweg gaf, onhaalbaar omdat er

A L G E M E E N

Stylos1_P_1tm7.indd 3

simpelweg geen geld beschikbaar was om al die voorzieningen te bouwen. Mecanoo werd teruggestuurd met een nieuwe opdracht. In 2004 werd het nieuwe plan gepresenteerd. In het nieuwe Campusplan - uitdrukkelijk geen masterplan - liep de tram ondertussen wel over de Mekelweg. Ook de grote groep faciliteiten op de Mekelweg was wegbezuinigd. In plaats ervan kwam een landschappelijk park, een Ingenieurs-'Walk of Fame' en themavelden met gevarieerde beplanting. Dit plan was leuk om te zien, maar een stuk minder visionair dan het eerdere masterplan. Het grote probleem van de Mekelweg is niet zozeer dat het er onaantrekkelijk uitziet, maar juist het gegeven dat eigenlijk niemand de noodzaak heeft er aanwezig te zijn. De Mekelweg is ooit aangelegd als onderdeel van het vervoerssysteem, en is dat nu ook nog. Het is verkeersruimte, geen verblijfsruimte, iets wat wel gesuggereerd wordt in het plan van Mecanoo. Juist dat gegeven heeft Stylos ertoe aangezet een prijsvraag uit te schrijven. Het doel van de prijsvraag is om een discussie rond de Mekelweg op gang te brengen en kennis op Bouwkunde te ontsluiten. Na de discussie over de loop van het tramtracé is het stil geworden rond het Campusplan. Bovendien is het op zijn minst vreemd dat de Faculteit Bouwkunde met al zijn aanwezige kennis niet beter betrokken wordt bij de planvorming rond de Mekelweg. Reden genoeg dus voor een prijsvraag. Stylos heeft alle studenten uitgenodigd hun visie op de Mekelweg/TU-wijk te geven. Het plan van Francine Houben/Mecanoo is daarbij als referentie gebruikt. De prijsvraaginzendingen zijn beoordeerd door een jury, bestaande

W I N K E L E N

uit Harm Tilman (Hoofdredacteur de Architect), Luisa Calabrese (Associate Professor Urbanism, lid klankbordgroep Mekelweg) en Marten Hillen (Studentenraadlid Oras en lid klankbordgroep Mekelweg). De winnaars worden gepubliceerd in 'de Architect' en pantheon//. De jury is tot twee winnaars gekomen; het plan 'Honey, I shrunk the Campus' van Michiel van Raaij en het plan 'Comm_on' van Ivo Oosterbaan, Katharina Rößler en Meike Mertens. Bij de presentatie van de winnaars door de jury in het Paviljoen waren ook Francine Houben van Mecanoo Architecten en Dirk Gutlich van TU Vastgoed aanwezig. Na een korte presentatie van de verschillende inzendingen door de ontwerpers zelf werden de winnaars bekend gemaakt en heeft Francine Houben gereageerd op de plannen. Geen enkele architect is verheugd als er alternatieven worden gepresenteerd voor zijn/haar plan. Francine Houben stelde zich echter in eerste instantie politiek op en vertelde dat ze blij was met deze prijsvraag en nodigde iedereen van harte uit ideeën aan te dragen. Bij Industriëel Ontwerpen is er al een course met een aansluitende prijsvraag waarbij studenten een tramhalte ontwerpen, waarbij het winnende ontwerp wordt gebouwd op de Mekelweg. Waarom zijn er vanuit Bouwkunde niet dergelijke initiatieven? Bij Urbanism zou de TU-wijk herontworpen kunnen worden. En een ontwerpopgave als een tramhalte zou prima door Architectuur en/of Bouwtechnologie gebruikt kunnen worden. Vanuit de jury en het publiek kwam er kritiek op de gebrekkige communicatie van het nieuwe Campusplan. Francine Houben en Dirk Gutlich schoten direct in de verdediging en ontkenden dat er slecht gecommuniceerd werd. Ze stelden dat ze toch echt met alle inspraakgroepen en Faculteiten

S T Y L O S

hadden overlegd. De studenten zijn ze echter vergeten. De vraag waarom het Campusplan niet in bijvoorbeeld Delta is gepubliceerd bleef onbeantwoord. In de prijsvraaginzendingen zag Francine Houben niets nieuws. Als een getrainde verkoopster boog ze de prijsvraaginzendingen om van plannen die kritiek leverden tot plannen die haar Campusplan ondersteunden. Het concept van het krimpen van de Campus van ‘Honey, I shrunk the Campus’ was helemaal niet nieuw, reageerde Francine Houben, de Campus krimpt al jaren! Veel laboratoriumruimte aan de achterkant van de 'herenhuizen' langs de Mekelweg is immers overbodig geworden met de introductie van ICT. Het Campusplan van Mecanoo geeft die krimp al vorm. De meeste prijsvraaginzendingen probeerden de geïsoleerde Faculteitsgebouwen met ingenieuze oplossingen te openen naar de Mekelweg. Ook dat zat allang in haar Campusplan met het beleid is dat de Modernistische gebouwen naar het maaiveld 'zakken'. Zo zakt de kantine van Civiele Techniek naar de begane grond. Het idee van de prijsvraag om de idee-vorming rond de Mekelweg te verbreden werd zo vakkundig afgeserveerd. Francine Houben deed haar naam eer aan. Francine Houben gebruikte de gelegenheid om haar Campusplan eens goed uit te leggen. Het park moet volgens haar idee een openlucht tentoonstelling worden van resultaten van onderzoek van de verschillende Faculteiten. Een geplande verrommeling dus? De Campus als een technologisch pretpark, met de toren van Elektrotechniek als 'weenie', het centrale sprookjeskasteel? Wordt vervolgd. Op de volgende bladzijdes worden de twee winnende inzendingen gepresenteerd..//

pantheon 5 ’04’05

3

24-7-2005 16:13:19


Honey, I shrunk the Campus! Michiel van Raaij De beste reden voor een organisatie/ bedrijf om nieuw te bouwen is groei. De TU Delft groeit al jaren niet meer. Het aantal studenten blijft nagenoeg gelijk en het bestuur staat onder constante druk van de overheid om te bezuinigen. In de eerste versie van het Campusplan van Mecanoo werd de Mekelweg nog opgesierd met een aantal 'servers'; grote paviljoens met nieuw gemeenschappelijk programma. Dat plan is terecht te duur bevonden. Er is vanuit de faculteiten simpelweg geen behoefte aan een zoveel extra vloeroppervlak. In de huidige ruimtebehoefte kan worden voorzien door de beschikbare ruimte efficiënter te gebruiken. Zo wordt er bijvoorbeeld nagedacht over een luchtbrug tussen Bouwkunde en Civiele Techniek om het ruimtetekort van Bouwkunde op te lossen. Probleem is nu dat met het weghalen van de paviljoens het Campusplan van Francine Houben/Mecanoo een totaal nieuwe wending heeft gekregen, die de geloofwaardigheid van Francine Houben ernstig heeft ondermijnd. In plaats van een dynamisch campusleven rond centraal gelegen ‘servers’ is het plan nu totaal omgedraaid. Plotseling wordt een plan verdedigd zónder enig programma. Het gebied waar studenten en medewerkers elkaar kunnen ‘ontmoeten’ is zo groot geworden in het nieuwe plan dat je je afvraagt of het niet een achteruitgang is op de huidige situatie. Het zo eenvoudig omgooien van het Campusplan door Francine Houben/Mecanoo doet ook vragen

rijzen naar de andere ingrepen die zij voorstelt. Het lijkt er ernstig op dat financiële haalbaarheid de enige leidraad is geweest. Het Campusplan oogt door en door goedkoop. De ingreep die Francine Houben/ Mecanoo voorstelt neemt vooral programma weg. Het is stedenbouw in de achteruitversnelling. Wegen verdwijnen, parkeerplaatsen verdwijnen. Het enige dat overblijft is..... natuur. Ook vraag je je af of het argument om de Mekelweg op te heffen wel is ingegeven door de wens naar een rustig park of doordat er geen geld is voor de aanleg van een doorgaande weg. Waarom wordt juist het hart van de Campus verstopt voor de stad en ontoegankelijk gemaakt? Het zou omgekeerd moeten zijn; het hart van de campus moet het meest toegankelijke en meest representatieve deel zijn van de campus. Een tweede goede reden voor een organisatie/bedrijf om nieuw te bouwen is in geval van krimp. Een krimpende organisatie kan zichzelf her-huisvesten in een kleinere behuizing en in die weer passende jas efficiënter werken. De Modernistische opzet van de huidige Campus is veel te ruim. ‘Honey, I shrunk the Campus’ stelt daarom voor de Campus radicaal te krimpen. In navolging van de Universiteit Utrecht zou de TU Delft moeten kiezen om tegelijkertijd te krimpen en te verdichten. In plaats van geïsoleerde faculteitsgebouwen moet er een dynamische stedelijkheid komen. Een 'culture of congestion', zo je wilt. De gewenste uitwisseling binnen de TU tussen de verschillende

faculteiten en de vorming van een gemeenschappelijke identiteit vindt plaats in de openbare ruimte en in publiek programma zoals café's en restaurants. Door de hoeveelheid openbare ruimte te beperken en het aantal ontmoetingsplekken te verminderen kom je elkaar vaker tegen. Het krimpen en intensiveren van de campus gebeurd met hoofdzakelijk drie ingrepen: 1. Herlocatie van de Botanische Tuin in het centrum van de Campus. De Botanische Tuin van de TU Delft is op dit moment verborgen achter het Kluyver-Laboratorium aan de Julianalaan. De Botanische Tuin herbergt een verzameling van 4000 plantensoorten, waarvan een deel is ondergebracht in een kas. 'Honey, I shrunk the Campus' stelt voor de Botanische Tuin een plek te geven in het centrum van de Campus voor Elektrotechniek. Wat betreft openbare ruimte wordt het succesvolle grasvlak bovenop de Centrale Bibliotheek door de Botanische Tuin aangevuld met een bloementuin, bomentuin, kruidentuin en een semibuitenruimte in de vorm van een kas. Juist deze kas kan in de winter een aangename verblijfsplek zijn. 2. Een (tweede) centrale eetgelegenheid in de Botanische Tuin. Zoals de bibliotheek en het café/ restaurant in de Aula het grasvlak bovenop de Centrale Bibliotheek voeden, zo zou ook de Botanische Tuin gecombineerd moeten worden met een groot café/restaurant. Dit nieuwe café/restaurant vervangt de bestaande kantines van omliggende faculteiten. 3. De openbare ruimte van de Campus wordt verkleind door het zuidelijke deel onder water te zetten. Waar Francine Houben een bijna oneindig lange openbare ruimte voorstelt, stelt dit plan juist voor de ruimte duidelijk te begrenzen met een kade ter hoogte van het zuidelijke deel van Civiele Techniek. Voorbij deze grens staat alles onder water. Het watervlak is een ondiepe moerassige plas met dichte begroeiing van riet. Het riet wordt doorsneden door minimale verkeersroutes. Het begrenzen van de Campus-ruimte zelf zorgt al voor een impuls aan het identiteitsgevoel van de TU Delft. Het Bouwkunde-gebouw komt als eiland in dit landschap te liggen. De bijzondere positie van de

4

Stylos1_P_1tm7.indd 4

pantheon 5 ’04’05

S T Y L O S

W I N K E L E N

Faculteit Bouwkunde binnen de TU Delft wordt geïnstitutionaliseerd doordat het gebouw nu werkelijk buiten de Campus komt te liggen. 'Honey, I shrunk the Campus' sluit qua architectonische middelen aan op de Modernistische architectuur en stedenbouw van de Campus, maar werkt die op een on-modernistisch kleine schaal uit. De middenzone van de Campus vormt twee parallele wanden langs de Mekelweg. Deze twee wanden worden in 'Honey, I shrunk the Campus' op twee plaatsen doorbroken. Allereerst door het ensemble Centrale Bibliotheek en Aula. Ten Tweede door het ensemble van de toren van Elektrotechniek en de kas van de Botanische Tuin. Deze twee monumentale ‘momenten’ definiëren het centrum van de Campus. Deze twee momenten zijn de oorzaak van het ombuigen van de Mekelweg. In de traditie van Van de Broek en Bakema vormen de twee momenten ook een complexe symmetrische compositie. De Mekelweg transformeert van een hobbelweg tot een grootstedelijke as, waar alle vervoersstromen bij elkaar worden gebracht. De Mekelweg voert studenten, medewerkers en bezoekers langs de belangrijkste plekken op de Campus. De bocht in de weg accentueert de dynamiek van het verkeer in de nieuwe situatie. De Mekelweg vormt ook de kernverbinding met de te ontwikkelen Technopolis direct ten zuiden van de Campus. De nieuwe Mekelweg is opgevat als een extra polderweg tussen de Schoenmakerstraat en de Rotterdamseweg en integreert de Campus zo in het polderlandschap. De met bomen omzoomde straat verdeelt de Campus is twee gelijkwaardige polderkamers. Het klassieke Modernisme van Le Corbusier en Mies van der Rohe heeft twee typen gebouwen opgeleverd; Schijven en hallen. Deze hallen zijn gebouwen met een grote overspanning en een hoogtechnologische constructie. 'Honey, I shrunk the Campus' stelt voor de monocultuur van schijven op de Campus aan te vullen met een 'dome', die het nieuwe café/restaurant en de kas van de Botanische Tuin huisvest. De 'dome' completeert de uitstraling van de TU Delft als Technische Universiteit met een levendig academische klimaat.//

A L G E M E E N

24-7-2005 16:13:23


Comm_on Ivo Oosterbaan Katharina Rößler Meike Mertens

Come on to the common space Communication platform Come together This design offers a solution for re-designing the area between the faculties of the TU Delft. The existing Mekelweg is lacking qualities for representing the university. Our design is trying to improve the quality of the Mekelweg as common space. Analysis TU Delft district The TU district is placed near to the center of Delft. It is not far away from the highway and also accessible by train. A tram line through the TU island is planned to make this area attractive and easy accessible for people from afar. This will change the actual appearance of the district totally. The traffic situation (concept) Our aim is a car free zone and a tram line in the middle on the Mekelweg. Parking spaces are placed on the side. By adding functions we create new possibilities for contact between students. And what can be better to bring students in contact than having a beer together? Playing soccer or basketball together? Functions The buildings of the faculties are placed along the Mekelweg. The Aula and the library are the only institutions that offer common space that can be used by all students. Contact between students from different faculties is not stimulated. There are no gathering points in the open air on the Mekelweg. Every faculty of the TU Delft has a strong individual identity.

A L G E M E E N

Stylos1_P_1tm7.indd 5

W I N K E L E N

Spatial analysis Almost all the faculties can be reached from the Mekelweg. But the faculties seem to be very closed and far away from the Mekelweg. It is not always easy to know where each faculty is or to find its entrance. The western and the eastern side fall apart. There is only one cycle path on the western side and there are big parking lots on the eastern side. The Mekelweg divides both sides. The potential of the Mekelweg as first address for each faculty can definitely be used better. The space between the faculties should be, or have, a connecting element between the faculties. At the same time each faculty should be visible on the connecting element. "Visible" means that both each faculty and its entrance can easily be found from the Mekelweg. That is why we introduce a unifying element “the strip” that emphasizes the length of the location. The strip is

S T Y L O S

a wide platform for communication and connection. This route must enable a fast passing by, a connection between the faculties and a connection with the city centre. Diverse spatial beplanted spaces will help create a “friendly“ picture of the university. Atmosphere Based on the characteristics of the existing situation the spaces between the buildings and the strip will have different atmospheres ranging from urban at the aula to rural at the cultural centre. Between Natural Sciences and Civil Engineering the area is in transition to rural. The materialisation is based on wood for a stage and at Mechanical Engineering Water for a Relax Area. Coming closer to the Faculties of Electronic Engineering and Architecture the landscape becomes greener. A basketball court, a street soccer field and a skate area make this space a total sports attraction.//

pantheon 5 ’04’05

5

18-7-2005 11:56:13


It was inescapable: from the 4th till the 10th of June the entire Faculty was RED. In the hall there were a lot of (red) fatboys along with a (red) movie box and a (red) bar, 'Zaal A' hosted two or three lectures a day, and in the (red) 'Blokkenhal' 80 students of different nationalities worked together in a week long workshop.

INDESEM2005: "a political act" Jouke Sieswerda

During this year's International Design Seminar we wanted to address the role of the architect in cultural, social and political conflict. The theme 'a political act' determined the content of all the activities of INDESEM2005: the lectures, the movies and documentaries, the excursion and the workshop. For the workshop we selected ten groups of eight students and asked them to design – under the guidance of one or two tutors - the headquarters of either the AEL (ArabEuropean League) or the 'Vlaams Belang' – both radical political parties - within the complex urban context of Antwerp. With this controversial design task we wanted to establish a concrete, architectural base for a discussion on the political, cultural, social and religious dimensions of architecture and urbanism. The results of the workshop were presented Friday to a panel of visiting critics. It was interesting to see that a lot of groups more or less ignored the (party-)political aspect of the assignment but rather focussed on the cultural and socio-economical problems in the city. In the culturally segregated city of Antwerp they examined these problematics from an architect's point of view and investigated the possibilities of architecture and urbanism to make a difference.

6

Stylos1_P_1tm7.indd 6

pantheon 5 ’04’05

The jury panel – consisting of Christine Boyer, Deborah Hauptmann, Hilde Heynen and Miguel Robles-Duran - commented on all the different plans, approaches, strategies and designs and finally chose the three best proposals: the groups of Luisa Calabrese and Willem Hermans, Ana Dzokic and Marc Neelen with Borut Separovic and Leslie Lam Lu. These plans will be sent to A10: New European Architecture for possible publication. The selected plans were definitely the most concrete and architectural and showed three very different takes on the assignment. The group of Luisa and Willem looked for an architectural composition in which a party like the AEL could work within a democratic system. They incorporated various institutions within the building that are essential to democratic society, like an auditorium (education), independent media (impartial news), a cultural café (debate) and a speaker's corner (free speech). The group of Ana Dzokic, Marc Neelen and Borut Separovic took certain characteristics of both parties and magnified them to such an extend that the negative (and fearful) aspects became visible in architectural expression. Leslie Lu and his group focussed on bridging the gap between several

S T Y L O S

W I N K E L E N

segregated districts and cultures of Antwerp, by designing a structure that connects different parts of town that at the same time could house much more functions besides a party headquarters. After the final review, some issues raised during the presentations were further discussed in a debate. There was much interaction between the audience (students, tutors and other visitors) and the panel (joined by Rients Dijkstra of MAXWAN). The topics discussed ranged from the ethic of architectural practice (Should there be something like a Vitruvian oath?) to the boundaries of the architectural discipline (Do architects involve themselves too much with other disciplines like sociology and politics?) and changing the system from within (Should we just except every assignment and make the best of it?) It was the conclusion to a very hectic week that left a lot of impressions. A week full of architecture, politics, fat boys, ethnic minorities, little sleep, cooperation, engagement, fun, cultural differences and meeting a lot of nice and interesting people. A precise documentation of the whole INDESEM week will be compiled this summer. It will include the results of the workshop, transcriptions of the lectures and debates, documentation of the excursion and other relevant articles. Hopefully it will be ready before the end of the summer. If you want a copy please send an e-mail to indesem@bk.tudelft.nl.//

A L G E M E E N

18-7-2005 11:56:22


A L G E M E E N

Stylos1_P_1tm7.indd 7

W I N K E L E N

S T Y L O S

pantheon 5 ’04’05

7

18-7-2005 11:56:43


Het winkelparadijs Inleiding op thema winkelen Sanne van Manen

8

Thema1_P_8tm13.indd 8

pantheon 5 ’04’05

Elk jaar is het wel een paar keer raak. Een bezoekje aan het winkelparadijs. De huiselijke woning kan wel weer wat nieuwe goedkope, maar toch smaakvolle meubels gebruiken. 9.00 uur. De familie maakt zich op voor vertrek richting het Zweedse warenhuis. Na het parkeren van de auto "schat, vak F, onthou jij het" maken ze hun entree. De kinderen houden zich nog rustig, want het is nog vroeg. De ouders, door ervaring wijs geworden dat weldra het Grote Gejammer en Gezeur zal losbarsten, brengen de kinderen naar het kinderparadijs. 10.00 uur. Nu kan het echte winkelen beginnen. De kleine achterafdeur die direct toegang geeft tot het magazijn zien ze over het hoofd. Met de moed nog in de schoenen beginnen ze aan De Route. 11.00 uur. De live catalogus bevalt goed. Wat staan er toch opzienbarend veel leuke spulletjes tussen die eigenlijk niet op het lijstje staan. "Het is maar goed dat ze hier alles nog even uitstellen, anders

S T Y L O S

hadden we nog een dag terug moeten komen voor de dingen die we nu anders zouden vergeten." 14.30 uur. Meneer en mevrouw Modaal noteren keurig in welk vak ze hun nieuwe aankopen kunnen ophalen. 16.00 uur. Binnen anderhalf uur zit alles in de kar. De rij valt ook erg mee, tien wachtenden. Gelukkig biedt het kassagebied genoeg winkelplezier. "Een afwasborstel voor een euro, dat is niet duur…" 17.00 uur. De kinderen hebben zich via de intercom weer bij het gezin gevoegd. 17.30 uur. De dag kan afgesloten worden met een lekker hapje eten in het interne restaurant. Wederom hier ook speciaal kindervermaak. 19.00 uur. Na de maaltijd trekt moeders zich nog even terug in het moederhoekje (de nursing area), aangezien zij zich toch enigszins ongemakkelijk voelt om de baby open en bloot te voeden. Op deze manier is winkelen nuttig én leuk. 19.30 uur. Het gezin verlaat gelukkig en voldaan het Winkel Paradijs...//

W I N K E L E N

A L G E M E E N

24-7-2005 16:18:09


Ook MVRDV is klein begonnen. Voor hun eerste grote opdracht, Villa VPRO, moest er op de valreep voor een paar dagen een extra ruimte worden gehuurd en een adviseursteam in pak worden opgetrommeld. Ondertussen is het bureau dat ooit begon met de naam van een advocatenkantoor; Maas, van Rijs en De Vries, verworden tot een veelgevraagd bureau met de inmiddels gewijzigde naam MVRDV.

MeVRouwDeVries Interview met Nathalie de Vries Jeroen Borst Marien Daamen

MVRDV is een veel gevraagd bureau omdat ze interessante gebouwen ontwerpen. Maar wil je in de architectuurwereld een rol van betekenis spelen dan moet je op zijn minst een boekenkast vol aan publicaties op je naam hebben staan. MVRDV maakt veel boeken. Hoeveel heeft dit bijgedragen aan hun succes? Het schrijven van boeken lijkt in ieder geval wel een goede strategie om een plaats in de markt te veroveren. Pantheon: Waarom maken jullie boeken? Lang niet elk architectenbureau doet dat. Nathalie de Vries: "De output van het bureau zijn niet alleen gebouwen. We besluiten niet van tevoren om een boek te maken. Tijdens het proces is er een concrete aanleiding om een onderzoek of reflectie op papier te zetten. Je kijkt altijd naar wat voor thema's er op het ogenblik spelen. Onze onderzoeken hebben altijd een aanleiding." Helder overzicht van je oeuvre "Je kunt je ontwerpen als een losstaand feit zien, maar het is natuurlijk nog interessanter om je ontwerpen als een reeks te gaan beschouwen. En zelf ook bepaalde wetmatigheden in je ontwerp te herkennen en de ontwikkeling in reeksen te herkennen. Zo krijg je een overzicht van een aantal projecten en dat overzicht bieden we aan.

Boeken als ontwerpmethode "Toen wij begonnen met het bureau was er wel sprake van een soort boekjescultuur. Mijn collega’s hebben bij OMA gewerkt. En daar werd letterlijk van elk project een boek geproduceerd. Met daarin de verschillende stappen. Ikzelf heb bij Mecanoo gewerkt daar was meer aandacht voor de standaardisatie van een project. Altijd liggend A3 dezelfde lettertypes enzovoort. Gedurende het proces van het ontwerp produceer je boekjes van de stappen die tot dan toe zijn gedaan, en daarmee communiceer je naar de opdrachtgever toe. Je gaat naar een vergadering en je deelt boeken uit en presenteert het in een powerpoint. Juist in het voortgaan in het project leg je niet een stapel tekeningen neer op de vergadertafel. Deze moeten er uiteindelijk wel op tafel komen, maar halverwege het project gebruik je alleen de boekjes om het betoog te voeren. Die boekjes hebben een kop en een staart. Ze geven een reeks problemen weer, of een reeks deeloplossingen. Tegenwoordig zie je het steeds meer veranderen richting powerpoint. Het niet gebruikelijk om de schetsrol op tafel erbij te leggen, die schets is dan minstens al een of meerdere malen bewerkt. De boeken zijn onderdeel van de ontwerpmethode." >

"De boeken zijn onderdeel van de ontwerpmethode." Het is belangrijk je daar als architect in te verdiepen, zodat je niet van het ene in het ander project terechtkomt. Het is een soort paradox, omdat je als architect aan de ene kant opnieuw moet beginnen aan een opdracht en dat je open moet staan voor het nieuwe, maar dat je je tegelijkertijd realiseert dat je steeds meer kennis opbouwt en je je kennis constant vergroot. Je hebt een geschiedenis. Zo werk je aan een oeuvre dat bij opdrachtgevers kan aanspreken voor toekomstige opdrachten. Je zou het als een soort van intelligente samenvatting kunnen zien waarbij soms de som van de delen meer is dan de afzonderlijke delen alleen. Met zo'n boek rond je een gedeelte af en creëer je de afstand om het van een andere kant te bekijken."

A L G E M E E N

Thema1_P_8tm13.indd 9

W I N K E L E N

S T Y L O S

pantheon 5 ’04’05

9

24-7-2005 16:18:12


> P: Proberen jullie met het publiceren van de boeken bepaalde klanten of opdrachten binnen te halen? NdV: "Komende uit de boekjescultuur hebben we als beginnend bureau op het moment dat we samen gingen een boekje Statics gemaakt. Dat boekje is op een gegeven moment terechtgekomen bij de selectiecommissie van de VPRO. Je zou kunnen zeggen dat ons eerste opdracht wel degelijk voortkomt uit een boekje. Dat boekje is daar niet met opzet terechtgekomen. Het boek is aan een vriend gegeven die het weer aan een kennis heeft gegeven die in de selectiecommissie zat. Wij wisten niet eens dat die selectiecommisie bestond. We hebben het boekje toentertijd gewoon opgestuurd aan mensen met de gedachte van 'wie weet vloeit er iets uit voort'."

"Wat voor ons bureau specifiek is, is dat we veel aan buitenlandse prijsvragen meedoen." "Soms worden er ook boekjes opgevraagd omdat mensen benieuwd zijn naar wat MVRDV nou eigenlijk doet. Dat zijn dan acquisitieboekjes, iets wezenlijk anders dan de hiervoor besproken boeken." "Opdrachten worden vooraf gegaan door heel veel selecties. Daar worden alle aspecten meegewogen. Hoeveel omzet je hebt gemaakt, hoe vaak je een bepaald soort type gebouw hebt gemaakt, diploma's et cetera."

"We werken op veel verschillende vlakken, op verschillende schaalniveaus en typen gebouwen. Dan kennen opdrachtgevers ons vaak alleen van een paar gebouwen uit een bepaald type segment. Je moet toch iedere keer weer moeite doen om aan opdrachten te komen. Wat voor ons bureau specifiek is, is dat we veel aan buitenlandse prijsvragen meedoen. Op een gegeven moment zijn we in bladen gepubliceerd die over de hele wereld gelezen worden. Vanaf dat moment ging het wel makkelijker om opdrachten te krijgen."

P: Letten jullie er op wanneer bepaalde stukken over jullie gepubliceerd worden? Proberen jullie dat in banen te leiden? NdV: "Nee, bladen vragen zelf waar we mee bezig zijn. Ze houden gewoon bepaalde bureaus in de gaten en zorgen dat ze aan hun materiaal komen. Wanneer men echter bezig is met een bepaald thema, kunnen we natuurlijk wel een specifiek project naar voren schuiven." Goede communicatie is belangrijk. Ook naar jezelf. "Het is belangrijk om vanaf het begin van het project te communiceren met heldere modellen, die oplossingsrichtingen representeren. Door de discussie over de modellen wordt de opdracht vaak helderder geformuleerd. Uiteraard is een duidelijk concept een goede leidraad om tot en met het laatste detail beslissingen te kunnen nemen. Een serie ontwerpboekjes geeft dan ook een reeks beslissingen weer die zijn genomen."

"Wij hebben absoluut geprofiteerd van de conjunctuur." P: Zien jullie jezelf als ambassadeur van de Nederlandse architectuur na Expo 2000? NdV: "Niemand wil graag de Koningin zijn. De Expo 2000, dat is een interessant geval. Je moet een ontwerp maken dat representatief is voor Nederland. Bij de totstandkoming daarvan kregen we met heel veel verschillende partijen te maken. Dan merk je al heel snel welke visies er bestaan en wat je wel en niet mag zeggen. Uiteindelijk is het wel van belang om een beeld te laten zien wat je als bureau graag wilt laten zien. Daarmee is het natuurlijk makkelijker overleggen. Ik ben zelf vaak

10

Thema1_P_8tm13.indd 10

pantheon 5 ’04’05

S T Y L O S

W I N K E L E N

A L G E M E E N

24-7-2005 16:18:13


ook verbaasd over wat voor een opdrachten we krijgen. Ik laat me graag verbazen. Ik heb niet zo een voor opgezet idee." P: Hoe willen jullie als architectenbureau graag gezien worden? NdV: "Ik denk dat we wel graag vernieuwend willen zijn. Niet in de tijdsgeest van modieus, maar vooruitdenkend. Aanvoelen wat er gaat spelen."

"Om een goede organisatie te behouden, is het soms van belang om de grootte van je bureau aan te passen." P: Werken jullie nog op dezelfde manier samen als in de eerste jaren van MVRDV? NdV: "Veel wordt nog met zijn drieën besproken, maar zoals we in het begin met zijn drieën naar vergaderingen zijn gegaan gebeurt niet meer. Het gebeurt nog steeds wel eens dat we switchen tijdens een project. Niemand heeft zin om maar één rol te spelen. Als collectief kun je soms ook veel beter juist een bepaalde situatie komen dan wanneer je er alleen voor staat. We weten zelf ook niet precies wanneer wie van de drie naar voren moet treden. Vaak bediscussiëren we dat zelf ook. De mensen die aan het project werken weten wel precies hoe alles in elkaar steekt. Dat is belangrijk."

het soms van belang om de grootte van je bureau aan te passen. We hebben dan veel projecten in het buitenland en toch zijn we niet zo groot, dat komt omdat we veel samenwerken met partners. De architectentaken zijn verspreid over meerdere bureaus. De medewerkers die je hier ziet, zijn niet alle architecten die aan de projecten werken. Vanwege de verschillende schaalniveaus en de verschillende landen waar wij werken is onze bureaustructuur optimaal. We kunnen een ontwerp van A tot Z uitvoeren, maar zijn meer geïnteresseerd in het samenstellen van verschillende samenwerkingsvormen per project, omdat dan iedereen kan doen waar hij of zij goed in is." "Wij hebben ook absoluut geprofiteerd van de conjunctuur. Tijdens mijn studie was het heel moeilijk om voor net afgestudeerde architecten meteen een baan te vinden, maar toen wij eindigden met onze studie was het economisch vooruitzicht weer rooskleurig. Je moet ook een beetje geluk hebben."//

> met dank aan Nathalie de Vries > www.mvrdv.nl

P: Willen jullie nog groter worden? NdV: "Ons bureau bestaat nu uit 30 mensen, maar wij zijn groter geweest. Een verbouwing aan een schuurtje doen wij niet meer, maar de schaal waarop wij werken is nog steeds zeer divers. Maar om een goede organisatie te behouden, is

A L G E M E E N

Thema1_P_8tm13.indd 11

W I N K E L E N

S T Y L O S

pantheon 5 ’04’05

11

18-7-2005 11:00:13


Grondwet of geen grondwet, de Europese Unie maakt wel degelijk verschil. Wonen, studeren en werken in het buitenland is nog nooit zo eenvoudig geweest. Na de laatste uitbreidingsronde is er weer een stuk meer van dat buitenland bijgekomen. Extra voordelig.

Euroshopper Jurriën van Duijkeren

Europa als supermarkt vol mogelijkheden: semesters of hele masters, stage's of echte banen. Je mag met je winkelwagentje zo doorlopen van de Franse mosterd naar de Hongaarse salami, zonder bureaucratisch geweld. Het Erasmus-programma als Airmilespas. Behaalde punten kunnen ingewisseld worden bij faculteit van herkomst. Omdat vrije keuzeruimte leuker wordt naarmate er meer van is, mogen we hopen dat het uitbreidingsproces doorgaat tot Europe Inc. compleet is en je in Kiev, Bucaresti of Ankara je kleurenprintjes met Euro’s afrekent. Wishfull thinking, zegt de één: nationale sentimenten zullen de ontwikkeling en groei van de Unie doen verzanden. Noodzaak, zegt de ander: nationale sentimenten of niet, uiteindelijk is een grote (economische) Unie het enige antwoord op een krachtig China. Ook als we de macro-economische beschouwingen overlaten aan The Economist, Tegenlicht1 of AMO, en binnen het 'vakgebied'2 proberen te blijven, kunnen we er niet omheen. Beter ruim denken, zeg van Reykjavík tot Krasnoyarsk, dan dat we Antwerpen en Köln al een flink stuk over de grens vinden. Waarom? Niet omdat het cool is ('t is hier in Praag best warm), maar omdat alleen bouwen plaatsgebonden is, ontwerpen niet. Ontwerpen is internationaal. Dit is niet meer afhankelijk van wat China wel of niet doet of hoeveel referenda er ook met 'nee' beantwoord worden. Dit is de realtiteit. Nederlandse bureaus hebben internationale werknemers, opdrachtgevers, vestigingen en worden overal gekopieerd. In Nederland worden ontwerpen uitgevoerd van in het buitenland gevestigde bureaus (wellicht met Nederlandse werknemers). Nota bene is de verbouwing van het Rijksmuseum aan het buitenland uitbesteed. Dit heeft momenteel misschien meer te maken met trends en minder met efficientie. Het is echter te verwachten dat met een markt die steeds opener wordt en volledige consolidatie van het internet, gewone economische wetten gaan gelden. Wie levert het beste werk tegen de laagste prijs? Kennis van stijlen en technieken is voor iedereen toegankelijk. Iedereen leest dezelfde tijdschriften en kan de laatste toonaangevende projecten op internet vinden. Arbeid is een binaire aangelegenheid geworden en kan uit iedere uithoek aangeleverd worden. Zolang de uitvoerende persoon de opdracht maar kan lezen en aanvoelt wat de bedoeling is.

Kubisme in Praag

CVUT Faculteit Architectuur en Bouwkunde in Praag

12

Thema1_P_8tm13.indd 12

pantheon 5 ’04’05

Delftse huisgenoten vroegen bij mijn vertrek naar Praag schertsend: "Hebben ze daar al computers?" Het antwoord is "ja, helaas wel". Ze weten ook hoe

S T Y L O S

ze werken, kunnen ontwerpen en vinden 3 Euro per uur een goedbetaalde baan. Gelukkig is hun Engels nog gebrekkig. Daar had mijn huisgenoot Anton uit het -niet toevallig- eerder genoemde Krasnoyarsk (Centraal Siberië) dan weer geen last van. Ook rendert, autocad't, photoshopt en html't hij de gemiddelde Delftse student lang en breed voorbij. Via LAN net zo dichtbij als Zoetermeer. Echter, een ander begrip van stijl en ontwerpen op zijn faculteit, plus een vervelende visumplicht, maakt hem als ontwerper voorlopig ongevaarlijk op de Europese markt. Rusland blijft voorlopig dan misschien alleen een land waar de visualisaties aan uitbesteed worden, studenten van binnen de EU zijn directe concurrenten voor de Nederlandse student. Hoe minder verwend (hoe meer naar het oosten) hoe harder ze bereid zijn te werken. Je kan besluiten zelf ook heel hard te gaan werken. De Europese vrije keuzeruimte is dan opeens toch niet zo leuk meer. Je kan ook besluiten de boel te gaan managen. Wordt het lekker gezellig bij RE&H, zeg maar dag tegen je ontwerpambities. Wat ook kan, en dan zijn we weer terug bij de Europese supermarkt, is lekker gaan rondshoppen. Je zoekt een plek uit waar je nieuwsgierig naar bent en gaat er studeren of werken en vooral heel veel rondkijken. Spieken bij de buren zonder het risico de klas uitgestuurd te worden. Een verblijf in het buitenland zal niet veel bijdragen aan het 'meetbare' onderwijsniveau of 'relevante' werkervaring. Het cliché van heel veel feesten en weinig studeren is gewoon waar, en in het geval van stage of werk kun je meestal toch niet volledig meedraaien. Je leert daarom niet zozeer 'meer' maar eerder 'hetzelfde' in een andere omgeving toepassen. Opeens reageert een Tsjechische architect op jouw manier van ontwerpen. Opeens blijkt presenteren ook anders te kunnen. Opeens stellen een andere stad, cultuur en regelgeving toch verrassende eisen aan je ontwerp. Zo leer je wat de echte kwaliteiten van je opleiding zijn. Je leert wat je gemeen hebt met studenten uit andere landen en wat misschien in de toekomst je concurrentiepositie op de vrije Europese markt kan gaan bepalen. Even snel de balans opmaken na een krap jaartje Praag. Delft is goed in concepten, het meenemen van constructie en detaillering in het ontwerp, economisch denken en creatief omgaan met programma. Dit gaat ten koste van architectonische zuiverheid en 'rust'. We zijn getraind meer mogelijkheden te zien, maar soms ook teveel. We zijn niet gewend om op de

W I N K E L E N

A L G E M E E N

18-7-2005 11:00:15


praag Tsjechische vlag

compositie en esthetische uitvoering van een ontwerp en de presentatie aangesproken te worden. We staan volgens anderen midden in de (architectonische) wereld, maar hebben dit zelf wellicht onvoldoende door. We hebben een school met heel veel faciliteiten, maar buiten deze niet voldoende uit.

Tot slot schakelen we van Pantheon even over naar de Consumentengids. Deze keer voor u uitvoerig getest: Praag (Praha), 1.2 miljoen inwoners. Hoofdstad van de Tsjechische Republiek. Voertaal: Tsjechisch.

De strekking tot nu toe is: kiezen voor een verblijf in het buitenland is, naast leuk, ook verstandig met het oog op de toekomst. Je neemt dit advies ter harte of je wist het eigenlijk al. Het maakt niet uit. Daar sta je dan in de Europese supermarkt van buitenlandervaringen. Als kritische consument wil je natuurlijk een verstandige keuze maken. Nu wordt het lastig, want niemand kan je een compleet overzicht bieden en iedereen zal zeggen dat de plaats waar zij zelf ervaring mee hebben leuk en leerzaam is. Uiteindelijk zal er wel een plaats uitkomen met de meest positieve berichten. Dit is dan of de eerlijke winnaar, of en waarschijnlijk eerder gewoon de plek waar de meeste mensen zijn geweest.

· Een prachtige stad vol architectuur. Gothiek, renaissance, barok, kubisme, constructivisme, functionalisme en modernisme. Ook de afgelopen 10 jaar is er veel gebouwd. Mondaine sfeer. · Een stad in transitie. Grote contrasten. De oude stad ademt geschiedenis, de periferie begint Amerikaanse trekjes te krijgen. · Goedkoop wonen, eten en drinken. · Goedkoop en goed werkend 24-uurs openbaar vervoer. · Ontwerponderwijs in ateliers met meerdere begeleiders. Persoonlijk. Vriendschappelijk. Gemengd met Tsjechen. Flexibel. · Speciale lessen in het Engels, aangepast aan buitenlandse studenten. Betrekking op de stad. · Actieve club voor internationale studenten, gerund door Tsjechen. Veel trips en feestjes. Veel buitenlanders in de stad. Een gezellige internationale community.

Als je de schrijvers van het boek Funky Business3 mag geloven, is het in in een geglobaliseerde economie met een vrije uitwisseling van informatie noodzakelijk om 'funky' te zijn en dodelijk om af te gaan op wat algemeen verstandig gevonden wordt. 'Funky' is het op een creatieve manier combineren van de uitzonderlijke eigenschappen van een bedrijf om de beste te worden met iets raars. Met alleen een opeenstapeling van algemene kwaliteiten kan kort overleefd worden, want dat is gemakkelijk door anderen in te halen. Vertaald naar onze supermarkt en de keuze waar we nog altijd voor staan: je kan misschien beter ervaring hebben met het ontwerpen van een opvanghuis voor Finse alcoholverslaafden in Tampere, dan een kantoorgebouw in Barcelona getekend hebben en een beetje Spaans spreken zoals zovelen voor je. Ook al is het in Barcelona zeker veel leuker. Uiteindelijk moet iedereen na wat wikken en wegen, met zijn eigen funky product de winkel uit lopen. Het feit dat dit artikel in Praag geschreven is en niet ergens anders, heeft ook zo zijn redenen. Maar dat is iets voor een ander verhaal.

A L G E M E E N

Thema1_P_8tm13.indd 13

Pluspunten:

Praagse Burcht

Minpunten: · Onderwijs in ontwerpateliers door meerderheid van Tsjechen niet echt in het Engels. Systeem flexibel, kan daarom wat vaag overkomen. · Beheersing of bereidheid tot het spreken van Engels in het algemeen is matig. · In de door de universiteit geboden huisvesting: kamers delen. · Onderwijsniveau van de lessen in het Engels gedrukt door verschillen in taalbeheersing en niveau van buitenlandse studenten · Onvriendelijkheid of botheid van Tsjechisch bedienend personeel naar buitenlanders. In winkels, café's restaurants etc. Minder een probleem op de universiteit. Praag, Voordelige Keus.//

Atelier van Ivan Kroupa

>1. Tegenlicht. VPRO. Riverside Conversations I, II, III. Online te bekijken op: http://www.vpro.nl/programma/tegenlicht/afleveringen >2. Juist fenomenen als OMA/AMO maken het lastig om nog van vakgebied te spreken, omdat het door dit soort kruisbestuiving steeds lastiger te definiëren valt. >3.Funky Business. Jonas Ridderstrale, Kjelle Nordstrom, BookHouse Publishing AB, Zweden 2002

W I N K E L E N

S T Y L O S

pantheon 5 ’04’05

13

24-7-2005 16:18:28


Along the delightful avenue of commerce between the dazzling lights and silent corners, one treads within an unimpressive space of display.

The poetics of shopping Keith Goh Jih Huei

The unintelligible showcases of merchandise lined in an overwhelming array; behind or beyond the tiled threshold that seeks to catch the attention of a shopper even for a fleeting second. This is the shopping realm, where our new means of production dictates our fashion. The celebration of utopian mass production creates the emergence of our indecisive or mindless demands. The vast selection of materials and varieties proliferates our sense of purchasing; myriad multiplicities of a simple object; countless inscriptions upon the soulless and banal glass panels; the shops overloaded with prices. Our industrial luxury on display and shopping becomes part of lifestyle. Of what joy do we gain then? Thrown into the ocean of products, how do we find the one we need?

"... in my dazzled eyes the various postures a butterfly in flight assumes successively in space are discrete things that remain in visible space…" ~Fernando Pessoa In details one finds the poetry of life. In details one finds the product on his mind. Carved, embossed, imprinted, scanned, moulded, and embroidered, onto the body of the merchandise one would buy. Streams of customers flood a naked space; whispering to oneself in denial of the fact that one does not really have in mind what to buy or what to choose.

"I like the one in red, lined with tiny serried curves by the side…" "I prefer its plain and grainy surface, finished with matted steel…" The second-hand bazaars where streets are strewn with objects of innumerable sizes, shapes and colours, all shown in their most honest details; the panorama of shopping arcades; and the rudimentary fact that one knows the thrill of seeking a 'treasure' within these mountains of commodities. Unconsciously, the fingers skid along the surface of the object, caressing its body, breathing its scent. The eyes edge across its plane, exploring and imagining its secrets behind the

14

Thema2_P_14tm19.indd 14

pantheon 5 ’04’05

S T Y L O S

skin; looking at the design between this and the other product lying side by side, one is seeking the difference. It would happen at that moment, a sudden salient spark appears before the very eyes, nothing particularly special, just a small detail but enough to make a difference. For that moment one is enchanted by ones own vertigo and there is something enigmatic and poetic about this. The delights of shopping is not so pretentious after all, understanding and enjoying the few seconds of sensuous exaltation before purchasing a product, one is undeniably excited. The anxiety of shopping is ephemeral yet meaningful. Who is then to say that shopping is too commercialized, too senseless and who is to curse the banality of shopping. The consumers preserve the power in all societies, even in Marx's. Let one indulge in his paying. The poetics of shopping emerges as 'modernity' is cast. A transformation from those days when buying a product is a chore, less the joy as there are simply no choices. Authentic or artificial they may be, one loves the efforts composed in the details. Exquisite antiquities lying in its glorious dust; Zara or Versace’s clothing worn upon lifeless mannequins; tons of meat packed in saturated vacuum plastics; these are the facts and these are the commodities.

W I N K E L E N

A L G E M E E N

18-7-2005 10:54:03


Hence both the manufacturers and consumers know that the difference lies in the details. Observation of details belongs to the domain of imagination; imagination requires unflagging attention to observe the details. The poetics of shopping is an act of thoughts, intense yet simple. Be arrogantly ignorant, enjoy the moment while it lasts - the poetry of shopping.//

> Fernando Pessoa, 'The Book of Disquiet', Pantheon Books, New York, 1991

A L G E M E E N

Thema2_P_14tm19.indd 15

W I N K E L E N

S T Y L O S

pantheon 5 ’04’05

15

18-7-2005 10:54:07


Het museum vercommercialiseert. Onze musea voor moderne kunst, waaronder het Stedelijk Museum te Amsterdam hebben nog maar weinig naam in het buitenland. De kritieken vanuit de kunstwereld groeien. Kunnen we momenteel inderdaad spreken van McMusea of is het allemaal een beetje overdreven?

Art goes where money flows... Sanne van Manen Barbara Luns

Janneke Wesseling

Het museum. Een tempel van de kunst. Binnenin een modern museum is het moeilijk voor te stellen dat de oorsprong hiervan ligt in kasten, waarin mensen in de zestiende en zeventiende eeuw curieuze voorwerpen uit de natuur en wetenschapsinstrumenten bewaarden. De zogeheten rariteitenkabinetten zijn uitgegroeid tot enorme gebouwen, waar voor miljoenen aan kunst wordt getoond. In de loop der jaren is ook de betekenis van musea erg veranderd. Het museum als verzameling, het museum als statussymbool en het museum als behoeder van ons cultureel erfgoed. Op dit moment ondergaat de betekenis van het museum een verandering. Chris Dercon, oud-directeur van het Museum Boijmans van Beuningen vraagt zich af wat heden ten dage nog het verschil is tussen een museum en een pretpark of warenhuis. “Het museum is in haar hele opzet aan het veranderen in een soort shopping mall. In het museum van de 21ste eeuw wordt alles op één lijn tentoongesteld, alles sluit naadloos in elkaar, als ware het een decor of een etalage. Het museum als op zichzelf staand object bestaat niet meer. ‘Ceci n’est pas une pipe’ kent zijn toepassing ook op het museum; ceci n’est pas une musee… Het museum kent meer functies dan de tentoonstellingsfunctie. De museumwinkel is een van de functies die de laatste tijd enorm groeit. Bezoekers wandelen door het museum en bij de museumwinkel zijn de kunstobjecten, wellicht in kleiner formaat, te koop. In dit licht liggen de concurrenten van het museum niet bij de andere musea, maar bij winkels als de Prada’s en Gucci’s. Hier vormt de kleding het tentoonstellingsmateria al, wat tevens gekocht kan worden.”

'ceci n'est pas une musee...' Dit zijn vrij heftige woorden, maar ze luiden een interessant onderwerp in. Is dit een radicale gedachte van één persoon, of denken meerdere mensen er zo over? We vroegen het aan twee partijen binnen het museumcircuit. Enerzijds vanuit het oogpunt van de kunstcriticus en anderzijds de museumdirecteur zelf. De kunstcriticus is Janneke Wesseling. Zij schrijft voor het NRC Handelsblad. Een aantal essays, die zij voor het NRC heeft geschreven, zijn gebundeld tot een boek met de titel ‘Het museum dat niet bestond’. De museumdirecteur is Gijs van Tuyl, directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Na 12 jaar directeur van het kunstmuseum in Wolfsburg te zijn geweest, vervangt hij nu Rudi Fuchs in het Stedelijk Museum.

Gijs van Tuyl

16

Thema2_P_14tm19.indd 16

pantheon 5 ’04’05

S T Y L O S

Museum equivalent voor warenhuis? Volgens Wesseling heeft het museum zeker veranderingen ondergaan. “Niet alleen in Nederland, maar over de gehele wereld. Nederland heeft echter de meest radicale verandering ondergaan. Een land als Amerika kent een heel andere museumtraditie. Daar is men al lang gewend aan het grote aandeel van bedrijven in de kunstwereld. De Nederlandse musea zitten in een soort identiteitscrisis.” Deze crisis heeft mede te maken met de terugtrekkende overheid, maar nog meer met de vercommercialisering van de cultuur. Vroeger bestonden de inkomsten van musea voor 75 procent uit overheidssubsidies en 25 procent eigen inkomsten. Nu de overheid haar subsidies grotendeels aan het intrekken is, moeten musea hard op zoek naar inkomsten. “De Nederlandse musea mikken vooral op grote populaire tentoonstellingen. De zogeheten ‘blockbusters’ (tentoonstellingen waar zeer veel aandacht aan wordt besteed, met en in de media). De tentoonstellingen die het goed doen, zijn vaak de tentoonstellingen die een hang naar traditie hebben. Een mooi voorbeeld hiervan is de tentoonstelling ‘knus’ in het Noordbrabants Museum, een tentoonstelling over Nederland in de jaren 50. (Andreas Huyssen, professor in de literatuur, verklaart dit aan de hand van de angst die mensen hebben voor geheugenverlies in deze drukke tegenwoordigheid.) Dat de musea zich te veel richten op entertainment, bezoekersaantallen en geld, maakt dat er geen tot weinig ruimte overblijft voor het experiment.

'Eat & Art, een mooie combinatie.' Museumdirecteur Van Tuyl heeft een meer genuanceerde kijk op het museum versus het warenhuis. “Het is zeker zo dat het museum van nu anders is dan het museum van vroeger. Het museum is geen tempel van de kunst meer, het is veel opener geworden. Aan de andere kant is het museum ook zeker geen kermis, het zit er een beetje tussenin. Binnen een museum vormt de kunst zelf de kern (het rode gebied), daarom heen bevindt zich een overgangsgebied (het roze gebied). Dit is het gebied dat er vroeger niet of nauwelijks was. Hierin bevinden zich onder andere de museumwinkel en het restaurant. Dit overgangsgebied is niet ontstaan vanuit een marktidee, maar als communicatieplatform. Het overgangsgebied vormt de brug tussen maatschappij en cultuur. Dit moet een gebied zijn waar mensen zich prettig voelen en interactief met elkaar omgaan, dit staat los van de kern waar mensen (interactief) bezig zijn met kunst. Eat

W I N K E L E N

A L G E M E E N

25-7-2005 13:54:54


flyer van tentoonstelling 'knus'

Het Guggenheim in Bilbao

& Art, is in het museum een mooie combinatie, waarbij de kunst uiteraard voorop staat. De overgang tussen de twee gebieden mág ook heel hard zijn, door bijvoorbeeld in de eerste ruimte binnen de kern een tentoonstelling met hard geluid te plaatsen. Wat echter niet mag gebeuren is dat de kern verandert in overgangsgebied. Het museum is dus veranderd, maar dat moet ook. In deze tijden mag en kan een museum geen klassiek museum meer zijn. Een museum is momenteel veel meer.” Sponsoring Tien jaar geleden werd vanuit de overheid de eerste dwingende stap richting marktwerking gezet met de verzelfstandiging van de Rijksmusea. Hierbij hield het rijk de gebouwen in bezit, gaf de collecties langdurig in bruikleen en stelde een vierjaarlijkse subsidieronde in voor de exploitatie. Kortom, meer eigen inkomsten, meer bezoekers, meer marktgericht werken. Om positief uit de vierjaarlijkse subsidierondes te komen moet voldaan worden aan deze door de overheid gestelde eisen. Concreet komt het erop neer dat musea hoognodig naar extra geld op zoek moeten. Dit leidt tot grote problemen. Het Centraal Museum in Utrecht kampt met een tekort van 1,3 miljoen, het van Abbemuseum in Eindhoven krijgt na 1 jaar zijn begroting niet rond en het Bonnefanten museum in Maastricht balanceert met nog meer collega-musea op de rand van de afgrond. Musea kunnen zich niet meer puur bezighouden met hun collectie en tentoonstellingen. Op deze manier worden ze gedwongen zich te ‘positioneren’ op de ‘markt’ en zich een ‘marketingtarget’ voor ogen te stellen. Er zijn al musea in Nederland waar de artistieke directeur is vervangen door een manager uit het bedrijfsleven. Iets wat zowel Wesseling als van Tuyl afkeuren. Op dit moment ligt het Stedelijk Museum zwaar onder vuur in de pers. Momenteel bereidt het Stedelijk een sponsorcontract met ABN AMRO en Audi voor. Ondank dat de mogelijke contracten niet openbaar worden gemaakt, gaan er veel speculaties rond in de pers. Het toekomstige sponsorcontract met de bank zou voor Nederlandse begrippen vrij heftig zijn. De ABN AMRO wordt voor vier jaar ‘partner’ van het Stedelijk Museum. Geruchten gaan de ronde dat de bank het museum voor zo’n kleine 2 miljoen euro zal sponsoren. Verder zou ABN AMRO reclameborden mogen ophangen, objecten uit eigen kunstcollectie mogen toevoegen en elk persbericht, aangaande de tentoonstelling zou vijf regels over de sponsor moeten bevatten. Hierbij komt ook nog dat de bank en het museum

A L G E M E E N

Thema2_P_14tm19.indd 17

organisatorisch met elkaar verbonden worden. De bestuursvoorzitter van de ABN AMRO, Rijkman Groenink, is namelijk tevens de voorzitter van de Raad van Toezicht van de Stichting Stedelijk Museum Amsterdam. Dit levert veel kritiek op vanuit de pers. Van Tuyl vindt de kritiek veel te overdreven. “ Rijkman Groenink is inderdaad de voorzitter, maar de Raad van Toezicht bestaat uit nog zeven bekwame mensen. De pers is erg slecht geïnformeerd over het onderwerp en ze reageren erg benepen. De ABN AMRO mag haar naam verbinden aan bepaalde tentoonstellingen en heeft recht op sponsorstatements. Dit zijn bijgevoegde blaadjes van de hand van de sponsor, waarin zij bijvoorbeeld uitleggen wat zij voor het museum betekenen. Wanneer de overheid zich terugtrekt, moet een museum wel op zoek naar andere inkomsten. Dan moeten we ons wel gaan richten op particulieren. Waarbij ik moet melden dat de collectie van het Stedelijk zonder particulieren er überhaupt niet was. Zonder particulieren als van Eeghen (een Amsterdams zakenman) had het Stedelijk nooit opgericht kunnen worden. Verder is er gebleken dat zowel sponsoren als particulieren ook daadwerkelijk interesse hebben om te investeren in de kunstwereld. Tenslotte moet men niet vergeten de vermelding van sponsoren in Amerika heel gebruikelijk is. Bij de heropening van het MoMa waren in de persmap sponsorstatements toegevoegd van bedrijven als JPMorganChase, IBM en Banana Republic.” (Van Tuyl laat ons het mapje zien, met de stapel sponsorstatements die overigens niks met kunst te maken hebben). Vrij Nederland schreef een artikel over het sponsorcontract met de kop: ‘hoe het Stedelijk zich verkoopt aan ABN AMRO.’ Veel mensen vragen zich af waar de grens ligt. “De grens ligt bij de kunst zelf. Van productpresentatie mag geen sprake zijn. Geen Audi in het Stedelijk Museum. Bij het belang van de kunst hoort ook het belang van het museumbeleid. De sponsor mag absoluut niks afpakken van onze artistieke onafhankelijkheid. De ABN AMRO is een betrouwbare sponsor. Zij willen zich helemaal niet bemoeien met het kunstbeleid. De verbinding van hun naam aan het museum is genoeg. Op een andere manier hadden we nooit zo’n veel geld kunnen binnenhalen. En uiteindelijk is het heel simpel; art goes where money flows…

Eat & Art, ook in het Rijksmuseum

'Het is dood tij in Nederland.' Ook Wesseling concludeert dat de musea niet om sponsoring heen kunnen. Al moet ze wel een flinke voetnoot plaatsen bij de opstelling van musea ten opzichte van het overheidsbeleid. “Geen enkel museum heeft een groot protest aangetekend tegen de intrekking van de subsidies.

W I N K E L E N

S T Y L O S

grote hal in Tate Modern Londen

pantheon 5 ’04’05

17

25-7-2005 13:54:55


Het nieuwe Stedelijk aan het Museumplein, Benthem Crouwel De directeuren spelen het spel mee, in plaats van de handen in een te slaan en een vuist te maken.” Er is echter een ander punt wat ze als een veel groter probleem ziet voor de Nederlandse musea. Waar we in de jaren ’70 met onze grote musea nog veel prestige genoten in het buitenland, zijn we nu in internationale ogen niet meer dan een lokaal verschijnsel. Rutger Pontzen schreef in de Volkskrant een artikel met de titel; ‘musea zijn internationale allure volkomen kwijt. Het is dood tij in Nederland’. In Nederland zou ‘Het aura, het sappige, de energie, de fantasie in Nederland’ verdwenen zijn. Nederland is zijn internationale aura kwijtgeraakt en zou zelfs in een lethargische slaap zijn gedompeld. “Het organiseren van blockbusters en tentoonstellingen met zeer clichématige of platvloerse onderwerpen, trekt misschien wel veel bezoekers, maar het levert weinig status op onder kunstenaars.” Volgens Wesseling ligt de oorzaak van onze status in het buitenland in de wet van de remmende voorsprong. “Het ging zo goed met de Nederlandse kunst en musea, dat we veel te zelfgenoegzaam zijn geworden. Door een te lakse houding, omdat we toch dé musea van de wereld bezaten, zijn we nu op een punt aanbeland, waar het haast verbazend is dat het Stedelijk Museum ooit nog model stond voor het Centre Pompidou.”

Niet alleen internationaal, maar ook binnen Nederland hebben de grote musea hun status verloren. Binnen de kunstwereld zelf verliezen ze het van de kleinere galeries en paviljoens. “Op dit moment staat het voor een kunstenaar beter op zijn CV om werk in de Vleeshal in Haarlem te hebben tentoongesteld, dan in het Stedelijk Museum. Deze kleine gelegenheden zijn veel gedurfder en begeven zich meer op onbekende gebieden. Wat niet wil zeggen dat een blockbuster of een tentoonstelling over een bekende kunstenaar per se slechte is. Het is alleen vaak zo dat de kunst zelf, zodanig overschaduwd wordt door alles eromheen, dat het bijna letterlijk niet meer te zien is. Dit was bijvoorbeeld het geval bij de tentoonstelling van Jeroen Bosch in het Boijmans van Beuningen, waar de schilderijen zelf nauwelijks te zien waren.” Van Tuyl beaamt dat ‘het er niet meer is’. Hij ziet het dan ook als een belangrijke taak om het Stedelijk weer op de kaart te zetten. “We moeten hard en zonder concessies op zoek naar nieuwe kunst. Het kunstklimaat in Nederland vind ik op dit moment erg lauw, er gebeurt betrekkelijk weinig (een statement dat Wesseling overigens niet met hem deelt). Wat niet wil zeggen dat er geen goede kunst in Nederland of in het buitenland is, we moeten gewoon zeer goed zoeken. Wederom

komt hier een sponsorvoordeel om de hoek kijken; veel geld levert veel mogelijkheden op om de collectie uit te breiden. Uiteindelijk draait het als museum allemaal om je programma. We willen ons binnenkort profileren met een tentoonstelling die uit vier delen bestaat: de studio, de stad, het stedelijk en de rest wereld. Het is als het ware een zoektocht naar onze identiteit, op verschillende schaalniveaus. Het toverwoord van toekomstige tentoonstellingen wordt in elk geval ‘avontuurlijk’.” Hiermee zijn van Tuyl en Wesseling het in eerste instantie met elkaar eens. Wesseling vindt dat musea op zoek moeten naar nieuwe dingen en zich niet slechts moeten laten leiden door de bezoekersaantallen, maar juist verder kijken dan hun neus lang is. “Musea zouden zich meer op de kunst moeten richten dan op de commercie. Een voorbeeld is het van Abbemuseum, dat zich nu erg aan het oriënteren is op het Oosten. De biënnale van Istanbul. Zij begeven zich hiermee toch op een nieuw gebied.” Het nieuwe Stedelijk Het gebouw aan het museumplein werd te klein voor de hoeveelheid bezoekers. Tijd voor uitbreiding. Dit was tien jaar geleden onder directeur Wim Beeren. Hij zorgde voor een spectaculair ontwerp van Venturi & Scott Brown. Rudi Fuchs, de volgende directeur, veegde het plan

interieur van het nieuwe entreegebied, Benthem & Crouwel

18

Thema2_P_14tm19.indd 18

pantheon 5 ’04’05

S T Y L O S

W I N K E L E N

A L G E M E E N

25-7-2005 13:55:12


bij zijn aantreding van tafel onder het voorwendsel dat het te duur was. Fuchs kwam aanzetten met de Portugese architect Siza. Siza maakte in totaal 3 plannen voor het Stedelijk, maar deze konden niet goed genoeg het ruimteprobleem oplossen. Na deze fiasco’s besloot het Stedelijk het meer op safe te spelen. Er ontstond een shortlist met de volgende architecten; Herman Hertzberger, Hubert-Jan Henket, Benthem Crouwel, Claus & Kaan en Dirrix & Van Wylick. Op 2 september vorig jaar, werd officieel gekozen voor het plan van Benthem Crouwel. Een ervaren bureau dat na tien jaar de vaart erin kan zetten. Van Tuyl maakte zelf geen deel uit van de jury, maar hij ziet het plan zeker wel zitten. “ Het ontwerp biedt uitstekende mogelijkheden om het Stedelijk Museum weer naar de internationale top te brengen.” Het nieuwe ontwerp bestaat uit een enorme luifel die veertig meter over het museumplein uitsteekt. Het glazen entreegebied onder de luifel is zeer open en transparant. In het entreegebied komt de museumwinkel, een kenniscentrum, een restaurant en enorme roltrappen die de bezoeker à la Tate Modern in Londen naar de overige verdiepingen brengt. Tussen het entreegebied en de luifel hangt een soort zeppelin van wit aluminium. Dit gedeelte is bevestigd aan het oude gebouw en steunt op slanke kolommen. Hier komen het auditorium

'Het ontwerp biedt uitstekende mogelijkheden om het Stedelijk weer naar de internationale top te brengen.' en twee nieuwe tentoonstellingszalen. Onder het geheel komt dan nog een twee verdieping tellende kelder, speciaal voor een grote flexibele tentoonstellingszaal, verlicht met vides en lichtschachten. Op plaatjes van Benthem Crouwel waar het entreegebied met haar prominent aanwezige roltrappen is te zien, is de vergelijking tussen museum en warenhuis niet ver te zoeken. Van Tuyl beaamt dit wel een beetje. “Je moet het zien als een soort grote publieksruimte. Het voorplein of piazza van het museum, vergelijkbaar met het plein voor het Centre Pompidou. Dit is het is roze overgangsgebeid waar ik het eerder over had. Dit is het gebied waar mensen met elkaar communiceren. Verder krijgt het museumplein een extra toegevoegde urbanistische waarde. Het wordt er een stuk levendiger op. Het lijkt mij zeer goed als ook de andere twee grote musea, het Rijksmuseum en het van Gogh hun ingang aan het plein leggen.” Wesseling vindt het jammer dat het ontwerp van Venturi van tafel is geschoven, maar dit ontwerp vindt ze ook zo gek nog niet. “ Wat meestal het probleem is bij nieuwbouw of verbouwing van musea, dat de architectuur zo belangrijk wordt geacht dat het de kunst wegdrukt. In Bilbao heeft Gehry weliswaar een heel bijzonder gebouw neergezet, waarvan de kwaliteit van de architectuur zeer hoog is gebleken, maar als je kijkt naar de kwaliteit van

A L G E M E E N

Thema2_P_14tm19.indd 19

tijdelijk onderkomen van het Stedelijk Museum de tentoonstellingsruimten dan is deze niet erg hoog. Het gebouw staat meer in het teken van de architectuur dan van de kunst. Een ideale tentoonstellingsruimte is juist een ruimte waar de kunst voorop staat. Hier zijn in de loop der jaren verschillende trends in geweest zoals de white cube, de witte kamer waarin de kunst het best tot uitdrukking zou kunnen komen. Op dit moment moet de ideale tentoonstellingsruimte vooral flexibel zijn. Hedendaagse kunst vraagt om vele verschillende ruimtes, in onder andere grootte, kleur en licht. De trend op dit moment zijn de oude industriegebouwen. Deze zijn namelijk architectonisch erg mooi en ze bieden grote ruimtes die flexibel gebruikt kunnen worden. Voor bijvoorbeeld het nieuwe Designmuseum in Amsterdam zou ik ook aanraden om op zoek te gaan naar een bestaand gebouw en deze te optimaliseren ten behoeve van de kunst. Op deze manier kom je als nieuw museum ook niet meteen in de problemen door de enorme exploitatiekosten.” Van Tuyl is het hiermee eens. “ Er is te veel aandacht voor de architectuur. Bij het nieuwe Stedelijk willen we natuurlijk ook een mooie uitbreiding, maar bij ons is de idee van het museum als podium, plein of piazza sterker dan de architectuur.”

W I N K E L E N

S T Y L O S

Hoe verder met het Nederlandse museum? Het Nederlandse museum moet wakker worden en zich opnieuw positioneren zowel nationaal als internationaal. Van Tuyl ziet het wel goed komen met het Stedelijk Museum. “Straks als ons gebouw klaar is, komt er een grand opening, met een nieuwe presentatie van de collectie en een paar bijzondere tentoonstellingen. Het wordt een echt kijkfeest.” Wij zijn benieuwd. Het nieuwe Stedelijk zal volgens de planning in 2008 haar deuren openen. // > met dank aan Janneke Wesseling > met dank aan Gijs van Tuyl > Wesseling, J. 'Het museum dat niet bestond', De Bezige Bij, 2004. Amsterdam > http://www.kunstbeeld.nl/digitaal_dossier_index.htm > documentaire VPRO > PS van de week (magazine van de Parool), 26 maart 2005 > NRC Handelsblad, 'Sponsoren vervangen subsidies Rijk', 12 juli 2005 > Boekman 61, Museum of Mausoleum, 2004 > NRC Handelsblad, Kunst van ANB-Amro, 2 juli 2005 > NRC Handelsblad, ABN-Amro vult onze hiaten in verzameling op, > de Volkskrant, 'Stedelijk krijgt spectaculaire nieuwe vleugel', 3 september, 2004 > de Volkskrant, ;Verkunsthallen', 14 april 2004 > NRC Handelsblad, 'Sponsors willen geen bemoeienis', 16 febr 2005 >Twee renders van de verbouwing van het Stedelijk Museum Amsterdam, bron Benthem Crouwel

pantheon 5 ’04’05

19

25-7-2005 13:55:19


Over geld gesproken… De helft van de wereldbevolking verdient minder dan 1,65 euro per dag – en moet daarvan rond zien te komen. Meer dan een miljard mensen zit vast in huisvesting te slecht voor woorden. Kunnen we hier iets mee vanuit ons vakgebied? Of is het te onrendabel?

De verborgen Markt Miguel Heilbron Fräser

Een informeel gebouwd huis volgens de oorspronkelijke Zenzele-techniek

Variatie op het basistype van het vernieuwde Zenzele-huis

20

Thema3_P_20tm26.indd 20

pantheon 5 ’04’05

Tien jaar geleden organiseerde het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam een tentoonstelling over zelfbouwwijken: De verborgen opgave. Het idee: architecten en stedebouwkundigen moeten niet alleen voor 'de rijken' bouwen, maar ook de gigantische opgave van arme zelfbouwwijken serieus nemen. De woning en de omringende 'habitat' (het woongebied) vormen één van de kernopgaven voor architecten en stedebouwers. Volgens de Habitatafdeling van de Verenigde Naties wonen – alleen al in steden – bijna een miljard mensen in ‘slumomstandigheden’ (een derde van alle stedelingen ter wereld), afgesneden van basisvoorzieningen als bijvoorbeeld water, met veel mensen op elkaar gepakt, soms op zwaar vervuilde grond. Stormloop Veel mensen die in dit soort omstandigheden leven, zijn al eerder uit plattelandsgebieden gevlucht. Ze verwachtten hun overlevingskansen te kunnen vergroten in de stad. In ontwikkelingslanden zorgt de stormloop naar steden in de komende vijfentwintig jaar voor een verdubbeling van het aantal stedelingen, grofweg van twee naar vier miljard mensen (terwijl de totale stadsbevolking in de geïndustrialiseerde wereld min of meer constant blijft: een miljard mensen). Vijfennegentig procent van de verwachte groei van de wereldbevolking van 2000 tot 2030 is groei van Derde Wereldsteden. Zestig jaar geleden was er nog maar één 'megastad' met meer dan tien miljoen bewoners: New York. In 2015 zullen er drieëntwintig megasteden zijn, waarvan maar liefst negentien in ontwikkelingslanden. Lagos, de dan op twee na grootste stad van de wereld, heeft inmiddels grote bekendheid gekregen door het nog te verschijnen onderzoek van Rem Koolhaas met Harvard Design School's Project on the City. De oud-hoofdstad van Nigeria groeide tussen 1950 en 2005 van 300 duizend tot meer dan 10 miljoen mensen. Met dit soort duizelingwekkende ontwikkelingen levert de aanleg van infrastructuur en woningen allicht problemen op. Veel mensen moeten zichzelf letterlijk een dak boven het hoofd bouwen. Omdat

S T Y L O S

hier vaak geen grond voor beschikbaar is, kom je al snel uit bij vervuilde of gevaarlijke plekken in de stad, grond die eigenlijk niemand wil. In het geval van Lagos zeggen plaatselijke autoriteiten van Lagos State: 'about two thirds of the state's total land mass of 3,577 square kilometres could be classified as shanties or slums' (The Daily Times of Nigeria geciteerd door Davis). Lagos heeft waarschijnlijk het grootste continue oppervlak van stedelijke armoede ter wereld. Maar vergelijkbare toestanden tref je aan in de favelas van Brazilie, in de villas miseria van Buenos Aires, in de colonias populares van Mexico City, in sommige townships in Zuid-Afrika, in de bidonvilles van Abidjan, kampungs van Jakarta, de chawls en zopadpattis van Mumbai, de katchi abadis van Karachi, etcetera

Men lijkt niet te beseffen wat een ontmenselijkend effect zulke ruimtes hebben. etcetera. Allemaal hebben ze gemeenschappelijke eigenschappen, maar ook eigen onderscheidende kenmerken. We hebben het immers wel over plekken in verschillende klimaten, culturen en werelddelen! People & Profits In de laatste decennia groeiden sloppenwijken explosief. De Verenigde Naties verklaren dit deels uit negatieve effecten van het huidige wereldhandelssysteem, maar ook economisch beleid waar ontwikkelingslanden toe bewogen zijn (o.a. door internationale financiële instellingen) hebben stedelijke armoede vaak doen toenemen. Een marktgerichte aanpak vergroot vaak de uitsluiting en marginalisering van armen, aldus de Verenigde Naties. Dit druist in tegen hun strijd voor mensenrechten, maar toch hebben ze inmiddels een 'Cities Alliance' gesloten met de Wereldbank (een van de drie internationale financiële instellingen) om ‘oplossingen voor de sloppenwijk-uitdaging te zoeken en te bepleiten, die adequate huisvesting voor iedereen zullen verzekeren’ (VN mediacentre). Het ligt dus niet meer zo zwart-wit.

W I N K E L E N

A L G E M E E N

18-7-2005 10:30:37


In The Fortune at the Bottom of the Pyramid betoogt C.K. Prahalad dat je je op armen moet richten als je geld wil verdienen: de markt van die doelgroep is gigantisch! Alle informele behuizing, door mensen zelf gebouwd, zouden in geregistreerde vorm duizenden miljarden dollars aan real estate value kunnen betekenen, zegt Hernando DeSoto in The mystery of Capital. Architecten klagen maar dat ze steeds meer terrein verliezen aan projectontwikkelaars. Ondertussen blijkt echter een onverwachte ‘groep’ mensen het grootste aandeel veroverd te hebben in de wereldwijde woningproductie en stedenbouw: alle armste mensen van de wereld samen, aldus VN-Habitat. Positief gegoochel met cijfers – maar zet het zoden aan de dijk? Wat te doen? Ismaïl Sarageldin, een Egyptische architect en topman bij de Wereldbank, keurt af dat 'bij het huisvesten van armen [steeds wordt ingezet] op herhaling van een standaard-unit. Men lijkt niet

te beseffen wat een ontmenselijkend effect zulke ruimtes hebben – en dat je verschillende ruimtes en schalen moet maken door de opeenvolging van publiek naar semi-publiek naar privé.' Als er eenmaal iets gebouwd gaat worden, lijkt hij te zeggen in The architecture of Empowerment, kan de ontwerper voor hetzelfde geld 'meer bieden dan alleen maar elementaire beschutting en voorzieningen (water, sanitaire voorzieningen en elektriciteit).' Obstakels liggen vooral in de visie waarmee sociale programma's worden gebouwd. Laten we drie concrete bouwkundige projecten in arme zelfbouwgebieden onder de loep nemen. Het eerste project laat zien hoe de juiste toepassing van simpele middelen voor grote verbetering kan zorgen. Het tweede project toont hoe geld en daadkracht van (toekomstige) bewoners ingezet kan worden. En het derde laat zien hoe hiermee – rendabel – op grote schaal gebouwd kan worden. De teksten zijn overgenomen uit twee boeken uit onze faculteitsbibliotheek.

1. Zuid-Afrika: Zenzele huizen – ontwerper: Willie Els Zenzele is het Xhosa-woord voor 'doe het zelf'. Xhosa is een bevolkingsgroep die in de township van Rini woont. In de oorspronkelijke Zenzeletechniek bouwden zij met takken een eenvoudig houten frame waarover klei werd aangebracht. Het probleem: onder invloed van het klimaat veroudert deze constructie snel en komt het houten skelet weer tevoorschijn. Daarom is een betere techniek ontwikkeld: samen met de bewoners wordt een orthogonale structuur van houten palen opgezet. Hierop wordt het dak geconstrueerd. Aan weerszijden van de palen wordt een stevig metalen gaas gespannen, voor de muren. Dit kan worden opgevuld met klei, maar ook met aarde vermengd met cement of bijvoorbeeld met afval van een baksteenfabriek. Vervolgens worden de muren gepleisterd. De verdere afwerking is afhankelijk van het inkomen van de bewoners. Zo kan de vloer uit beton of uit compacte aarde bestaan. Het vernieuwde Zenzele-huis voldoet aan de normen van het Zuid-Afrikaanse bouwbesluit en heeft ook een uitstraling gelijkwaardig aan het felbegeerde bakstenen huis. (Bron: De verborgen opgave) >

Oost-Wahdat Upgrading Program: na upgrading

A L G E M E E N

Thema3_P_20tm26.indd 21

W I N K E L E N

S T Y L O S

pantheon 5 ’04’05

21

18-7-2005 10:30:37


> 2. Jordanië: Oost-Wahdat Upgrading Programma – ontwerpers: Urban Development Department, Amman Het doel van dit project was het 'upgraden' van een aantal zelfbouwwijken, o.a. door de introductie van infrastructuur en voorzieningen voor de gemeenschap, maar ook door de juridische status

Oost-Wahdat Upgrading Program: tijdens upgrading

het probleem van sloppenwijken zal niet opgelost worden door het leveren van verbeterde huisvesting en voorzieningen alléén. wat betreft bewoning te regelen. Hiervoor werd de grond gekocht van de oorspronkelijke eigenaren en via maandelijkse afbetalingen aan de bewoners verstrekt. Ook voor nieuwe infrastructuur werd geld geïnd van de bewoners. Er werden nieuwe kavels gemaakt, waarna bestaande constructies van de bewoners verplaatst werden naar een hoek hiervan, als tijdelijk onderkomen. In het midden van de kavel werd vervolgens een sanitaire kern gebouwd, verbonden met nieuwe riolering. Van hier uit konden de bewoners het huis zelf afmaken. En scholen, medische posten en buurthuizen bouwen. Ook werden functies geïntroduceerd om inkomen te genereren, zoals bazaars om handwerk te verkopen. Het project kreeg in 1992 de Aga Khan Award voor Architectuur, een prijs voor architectuurprojecten die moslims ten goede komen. (Bron: The Architecture of Empowerment)

Grameen Bank Housing Project: sneldrogende modder is een belangrijke construdtief element, dat voor de fundering en soms voor de wanden gebruikt wordt.

3. Bangladesh: Grameen Bank Housing Project – ontwerper: Ashraful Hassan (Grameen Bank engineering section) Het Grameen huisvestingsprogramma, buiten de stad, is erop gebaseerd minimale frames, dakmateriaal en sanitaire basisvoorzieningen aan te bieden die de mensen zelf in elkaar kunnen zetten, met lokale materialen en simpele technieken. Alles bij elkaar kost het pakket 300 dollar, wat in tien jaar terugbetaald kan worden. De Grameen Bank verstrekte in de eerste drie jaar al 45 duizend leningen en in 1997 stond de teller

op 340 duizend. De resultaten waren zo goed dat het project de Aga Khan Award voor Architectuur kreeg in 1989. De leners van de bank, vooral arme vrouwen (in 1997 waren het er al 1.5 miljoen) vormen ook het bestuur van de bank. De Grameen Bank leent 20 miljoen dollar uit per maand en werkt in 32 duizend dorpen (alle cijfers uit 1997). De gemiddelde lening is 100 dollar en het terugbetalingpercentage is met 98% heel hoog. Dit leningsprincipe wordt microkrediet of microfinanciering genoemd. (Bron: The Architecture of Empowerment) Mogelijkheden binnen onze faculteit Door hun omvang en groei kunnen zelfbouwwijken met recht beschouwd worden als hèt internationale bouwkundige vraagstuk van dit moment, relevant voor alle afstudeerrichtingen op onze faculteit. Bij Real Estate & Housing zijn bijvoorbeeld al verschillende mensen afgestudeerd op woningbouw in Zuid-Afrika. Voor stedebouw begeleidt Marisa Carmona afstudeerders en verzorgt elk voorjaar het vak ‘Globalization’. Goedkope bouwtechnieken met lokale materialen zijn vaak essentieel, net als slimme architectonische oplossingen. Binnen het nieuwe Explore-lab kan het Duurzaamheidslab, dat momenteel door Cees Duijvestein en Machiel van Dorst wordt begeleid, mogelijkheden bieden voor afstudeerders van alle richtingen. VN-Habitat waarschuwt ons alvast: het probleem van sloppenwijken zal niet opgelost worden door het leveren van verbeterde huisvesting en voorzieningen alléén. Want dat raakt niet aan onderliggende redenen, waarvan armoede de belangrijkste is. Toch zijn voor bouwkundigen hier en daar veel zinnige vraagstukken te vinden, zoals verschillende projecten laten zien.//

> Adri Duivesteijn e.a., "De verborgen opgave, thuis in de stad", NAi Uitgevers, Rotterdam, 1994 > Ismaïl Sarageldin (ed.), "The Architecture of Empowerment", Academy Editions, London, 1997 > Mike Davis, "Planet of Slums", Verso Books, London, 2004 > "The Challenge of Slums", UN-HABITAT Global Report on Human Settlements 2003 (helaas nog niet beschikbaar in onze bibliotheek, voor dit stuk is gebruikgemaakt van samenvattingen te vinden op: http://www.unhabitat.org/mediacentre/presskits.asp) > foto's en illustraties bij dit artikel komen uit de bovenstaande boeken en van www.archnet.org

Grameen Bank Housing Project: Axonometrie van constructie van het huis

22

Thema3_P_20tm26.indd 22

pantheon 5 ’04’05

S T Y L O S

W I N K E L E N

A L G E M E E N

18-7-2005 10:30:46


A L G E M E E N

Thema3_P_20tm26.indd 23

W I N K E L E N

S T Y L O S

pantheon 5 ’04’05

23

18-7-2005 10:30:53


Enkele maanden geleden hielden Robert Venturi en Denise Scott Brown een lezing over hun architectuuropvatting en de vertaling ervan naar hun projecten. Het architectenpaar staat bekend om hun wat onorthodoxe benadering in het vertalen van architectonische 'problemen' naar gebouwen. De interesse van RV en DSB ligt vooral bij wat de meeste architecten als vulgair beschouwen. Want zeg nou zelf, wat is er 'eerlijk' aan houten panelen in de vorm van palmbladen boven een zwembad die je het idee moeten geven te zwemmen in een tropisch zwemparadijs, of gevels van gebouwen die compleet zijn bedekt met elektronische billboards?

Het visitekaartje van de Architect Dennie Jansen

the duck

'de droom van de architect'

's Nederlands iccon

24

Thema3_P_20tm26.indd 24

pantheon 5 ’04’05

Het was dan ook erg opvallend dat er zo veel studenten (en docenten) maar wat graag naar het bejaarde echtpaar wilden luisteren. Ziet het er naar uit dat RV en DSB er in zijn geslaagd om een passend antwoord te vinden op het probleem van het geven van een betekenis aan gebouwen? Enkele decennia na het uitkomen van 'Complexity and Contradiction in Architecture' (RV) en 'Learning from Las Vegas' (RV en DSB) lijkt de invloed van de commercie in de architectuur niet alleen te zijn toegenomen, maar de architectuur wordt zelfs vaker ingezet om producten of een merk te verkopen. Opmerkelijk is ook dat deze projecten zonder enige vorm van schaamte worden gepubliceerd in de architectuurbladen en dat de architecten ronduit en zonder enige twijfel over hun architectuur als communicatiemiddel praten. Het gebouw is geaccepteerd als een teken en kan daarom zondermeer ingezet worden als een middel om een product of merknaam herkenbaarheid mee te geven. Kan hieruit worden geconcludeerd dat de huidige generatie architecten de visie van RV en DSB hebben geaccepteerd en daarbij overtuigd zijn geraakt van de architectuur als communicatiemiddel boven de abstracte vormentaal die de architectuurwereld voorheen voorstond? Inmiddels is er al behoorlijk wat aandacht besteed aan de architecten die hun visie op winkelen of beter gezegd de commerciële kant van de architectuur kenbaar hebben gemaakt. Hoeveel publicaties zijn er al niet uitgebracht en hoeveel essays zijn er al niet geschreven over de betekenis van het winkelen in de architectuur en daarmee de invloed van deze vorm van commercie op onze directe leefomgeving? Zelfs in dit themanummer van pantheon// zijn hiervan enkele voorbeelden te vinden. Maar moeten wij, als auteurs van een architectuurtijdschrift en wellicht als architecten in spé, ons alleen richten op de producten, merknamen en droombeelden die middels deze gebouwen worden verkocht? Wat gebeurt er op het moment dat deze gebouwen en ontwerpen uit het commerciële licht worden geplaatst? Wat zijn het voor gebouwen die duidelijk willen communiceren met haar gebruikers en passanten? Is de boodschap van deze architectuur nog wel gericht op het programma waarvoor het is ontworpen of trekken deze gebouwen meer de aandacht naar zichzelf of naar de architect die ze hebben ontworpen? Wat gebeurt er met architectuur die zichzelf gaat verkopen of zich richt op een ideaalbeeld dat los staat van het programma? Naast al deze vragen en de vraag of architecten deze betekenis bewust of onbewust aan hun ontwerpen toekennen (die discussie laat ik liever

S T Y L O S

over aan RV en DSB) is het veel interessanter om te kijken of op dezelfde wijze over deze architectuur gesproken kan worden als dat we doen bij de meer 'traditionele' architectuur van de 'abstracte vorm'. The iconic building In 1999 liet de stad Porto in Portugal een prijsvraag uitschrijven voor een nieuw muziektheater Casa da Musica dat ter gelegenheid van de eeuwwisseling zou moeten worden gebouwd. Het theater zou de stad een nieuwe positieve impuls gaan geven en daarmee Porto op de Europese- of wellicht ook op de wereldkaart kunnen plaatsen. Een groot aantal bekende buitenlandse architecten werd gevraagd een ontwerp te maken voor dit nieuwe gebouw op een aangewezen locatie in de stad en Rem Koolhaas won met zijn bureau OMA deze prijsvraag. Inmiddels is het gebouw opgeleverd en volop in gebruik, maar tegelijkertijd is de discussie over de keuze voor Rem Koolhaas als winnaar van de prijsvraag met de daarbij behorende inzending nog lang niet tot een einde gekomen. De wijze waarop het ontwerp tot stand is gekomen is hoogst opmerkelijk te noemen. In de eerste plaats heeft Rem Koolhaas in het verleden een zekere naamsbekendheid opgebouwd welke voor een stad als Porto en haar ambities zeker een rol zal hebben gespeeld bij de keuze voor OMA. Porto zou wel gek zijn om daar geen gebruik van te maken. In de tweede plaats is de inzending van OMA voor de prijsvraag in een relatief kort tijdsbestek tot stand is gekomen. Als ik de publicaties mag geloven had OMA slechts drie weken de tijd om tot een ontwerp te komen. Maar wat de keuze het meest omstreden maakt is dat het ingezonden ontwerp elke context in de traditionele theaterbouw mist en geen directe poging doet om een relatie aan te gaan met de omgeving... Het achterliggende concept voor Casa da Musica is afgeleid van een ontwerp voor een woning in Rotterdam (een project genaamd Y2K). Het eerste concept dat werd bedacht voor deze woning leidde tot een ontwerp dat voldeed aan alle eisen uit het gegeven programma. Toch voelde het schijnbaar niet aan als een project van OMA. Het was in ieder geval een ontwerp geweest dat een ander architectenbureau ook zou kunnen bedenken of zelfs beter zou kunnen maken dan OMA. Het eerste concept werd dan ook losgelaten en vervolgens vervangen door het concept van het uitgeholde massief dat meer paste in de lijn van ontwerpen en de werkwijze van het architectenbureau OMA. De woning bestaat uit een massieve sculptuur die ontstaat door de schakeling van de ruimtes waaruit de woning is opgebouwd. Het massief is uitgehold op specifieke plaatsen,

W I N K E L E N

A L G E M E E N

24-7-2005 16:28:54


zodat het uitzicht op het omliggende gebied en de ruimte binnen de woning kan worden benadrukt. Helaas ging de opdrachtgever niet akkoord met het getoonde concept waardoor het niet direct in de praktijk kon worden gebracht. De prijsvraag voor Casa da Musica bracht daar verandering in. Het bijzondere programma dat vroeg om een grote muziekzaal paste ideaal bij het idee van een uitgehold massief. De negatieve ruimte die ontstaat bleek een uitstekend alternatief voor de gesloten schoenendoos die normaal gesproken wordt gebruikt voor deze gebouwtypologie. In zekere zin is Casa da Musica dus een directe afgeleide van de woning Y2K. Het concept is exact gekopieerd en het programma heeft zijn vertaling gekregen in de vorm en uithollingen van een gigantisch massief ogend stuk beton in de stad.

Kan een gebouw als Casa da Musica bekritiseerd worden aan de hand van criteria waaraan een traditioneel muziektheater moet voldoen? Door deze benadering van de ontwerpopdracht houdt het gebouw niet direct rekening met de bestaande stedelijke structuur (het is een massief stuk beton op een groot leeg kavel) en de keuze voor het concept is direct afgeleid van een werkwijze die OMA nastreeft. Het gevolg is dat nog voor dat het gebouw werd opgeleverd er enorm veel kritiek ontstond op de wijze waarop Rem Koolhaas het programma had vertaald. Maar is deze kritiek wel terecht? Rem Koolhaas heeft in zijn carrière verscheidene ontwerpen gemaakt en verschillende publicaties uitgebracht waaruit blijkt dat zijn gebouwen niet zozeer tot stand komen uit de traditionele ontwerpmethoden, maar dat ze eerder beschouwd moeten worden als een zoektocht om op andere manieren met architectuur om te gaan. Kan een gebouw als Casa da Musica bekritiseerd worden aan de hand van criteria waaraan een traditioneel muziektheater moet voldoen? Ik denk dat op de eerste plaats de ontwerpmethode hier belangrijker is geworden dan het gebouw zelf en het programma dat het huisvest. Binnen deze context kan het ontwerp wellicht beschouwd worden als een briljante zet van OMA, omdat het onmogelijk is om met een andere ontwerpmethode een gebouw te ontwerpen van deze schaal en programma in zo'n korte periode. In de tweede plaats is het zo'n afwijkende vorm in zo een herkenbare beeldentaal, dat het gebouw zonder

A L G E M E E N

Thema3_P_20tm26.indd 25

enige twijfel een icoon is geworden van de stad. Het directe gevolg van dit ‘iconic building’ is dat het gebouw naast het visitekaartje van de stad ook een visitekaartje is geworden van Rem Koolhaas en zijn bureau. Gewoon omdat het mooi is Voor vele Masterstudenten in Architecture in Delft die mochten proeven van de collegereeks building technology, is het ontwerp van EEA (Erick van Egeraat associated Architects) voor het stadhuis van Alphen aan de Rijn een herkenbaar probleem geworden. De esthetische idealen van de architect lijken hier zwaarder te wegen dan de maakbaarheid, de bruikbaarheid of de kosten van het gebouw. Uit een eerder interview dat pantheon// met Erick van Egeraat heeft gehouden blijkt dat hij in zijn ontwerpen wel op zoek is naar een relatie van zijn gebouw met de omgeving… maar dan om er juist vanaf te wijken! Opvallender is nog dat deze gedachte geen architectonische grondslag lijkt te hebben. Hij zegt hierover: "Het is altijd wel aardig om onderscheidend te zijn, omdat dat nou eenmaal het leven een beetje aantrekkelijker maakt dan alleen maar voorspellend te zijn." Op het moment dat je als architect op een dergelijke manier met een ontwerp omgaat, wordt het net als voor het Casa da Musica erg lastig om op dezelfde wijze over deze gebouwen te praten als over bijvoorbeeld de omgeving waarin deze gebouwen staan. In het geval van Erick van Egeraat spelen criteria als schoonheid en saaiheid de belangrijkste rol evenals de persoonlijke voorkeur voor architectonische oplossingen van de architect. Dit zijn alle begrippen die architecten over het algemeen lijken te schuwen vanwege het sterk subjectieve karakter ervan. Maar waarom zou je altijd op een objectieve manier een ontwerpopgave moeten benaderen? Veel van de gebouwen die EEA heeft ontworpen worden door de meeste mensen mooi gevonden. En als ze niet mooi zijn, dan zijn ze in ieder geval erg bijzonder of interessant en trekken ze de aandacht van zowel gebruiker als passant. Zo heeft het stadhuis in Alphen aan de Rijn een glazen gevel die op verschillende plaatsen een buiging heeft meegekregen en er daarom voor zorgt dat geen van de vier gevels hetzelfde zijn. De keuze voor het vele glas en metaal wijkt sterk af van de harde stenen omgeving waarin het staat. Wellicht is het ontwerp wat hij maakte voor het poppodium Mezz in Breda nog veel radicaler. Hier is gebruik gemaakt van een blobvormig aanhangsel dat in een bestaand gebouw is geschoven. Er moet wel worden opgemerkt dat het bestaande gebouw ooit

W I N K E L E N

S T Y L O S

onderdeel was van een militair kazernecomplex. Het gehele kazernecomplex is door OMA voorzien van een masterplan en is nu een residentiewijk in de stad geworden. Het Chassépark wijkt in opzet al sterk af van de omgeving in het centrum van Breda. De straten en dichte bebouwing van het centrum zijn losgelaten en er opent zich een gebied dat is opgebouwd uit een afwisseling van een park- en pleinachtige omgeving, waarin grote woongebouwen zijn geplaatst. Het masterplan heeft wel enkele voorzieningen in zich die aansluiten op de bestaande stedelijke structuur. Binnen die context van voorzieningen schreeuwt het ontwerp van EEA behoorlijk naar aandacht. Waar de omliggende nieuwbouw nog aansluiting probeert te zoeken met de bestaande situatie en de bestaande stedelijke structuur, worden die bij het poppodium geheel losgelaten. Dit geldt ook voor de renovatie van de bestaande bebouwing waartegen het blobvormig volume is geplaatst. EEA zoekt duidelijk naar de grens van wat binnen de restauratie/ renovatieopdracht nog acceptabel is en benadrukt zijn ingrepen nog eens extra door de extravagante vormentaal en detaillering. Toen het gebouw nog in productie was sprong de vreemde vorm al behoorlijk in het oog bij de voorbijgangers. De staalconstructie met de vreemd gevormde portalen verraadden al voor een groot deel de afwijkende vorm die het poppodium zou gaan krijgen. (Mezz is de enige blob in de stad Breda voorzover dit valt te achterhalen). De discussie tussen voorbijgangers over de vraag wat er zou moeten gaan komen is inmiddels vervangen door een discussie over hoe lelijk het gebouw wel niet is. Voor de niet-ingewijden is het zelfs gissen naar wat er in het vreemde gebouw afspeelt, omdat het programma zich niet in het exterieur vertaalt. Ook is het gebouw al meerdere malen in de lokale kranten gepubliceerd, ware het niet dat het voornamelijk negatieve berichtgeving betrof. De kritiek richt zich voornamelijk op de hoge kosten van het toch wel bijzondere gebouw, maar ook (zij het in mindere mate) op de slechte kwaliteit van de akoestiek in de zaal. Kan hier, net als bij het Casa da Musica oprecht worden gesproken van een slecht gebouw? Erick van Egeraat is er wel in geslaagd om een bijzonder ontwerp te laten bouwen dat de aandacht trekt van de passanten (waardoor het café wat ook in het poppodium is gelegen zeker niet hoeft te klagen). Daar komt bij dat de Mezz door zijn afwijkende vorm de aandacht van de passanten laat richten op het Chassépark en daarmee een brug vormt over de drukke doorgaande weg die tussen de binnenstad en het park is gelegen. Voorheen was deze locatie nog een dode hoek in

pantheon 5 ’04’05

25

18-7-2005 10:30:56


hun brood kunnen verdienen omdat er vraag naar is. Deze architectuur hoeft niet per definitie betekenisloos te zijn, maar het blijft natuurlijk de vraag of een architect die blijft hangen in een zelfde vormentaal voor al zijn gebouwen nog voldoende zijn ontwerpen kan rechtvaardigen. Ik denk zelf dat het hier gaat om dezelfde situatie als eerder bij architecten als Koolhaas en van Egeraat. Deze benadering van architectuur is enerzijds onvermijdelijk en anderzijds geeft het sturing aan andere architecten die zich kunnen verzetten of juist mee kunnen gaan in een bepaalde opvatting.

het gebied, dat is nu wel veranderd. Ondanks de hoge kosten en de wat slechte akoestiek lijkt de Mezz toch een succesverhaal te zijn voor Breda en het Chassépark. De stempel van de architect In veel gevallen kan aan de hand van het gebouw worden afgeleid wie het heeft ontworpen, omdat het voldoet aan bepaalde kenmerken die een architect of ontwerper eigen zijn. De vraag is natuurlijk of van een architect kan worden geaccepteerd dat hij of zij bewust een stempel drukt op het ontwerp van een gebouw? Het gebouw wordt door deze stempel niet alleen een visitekaart(je) voor de opdrachtgever, maar ook direct voor de architect die het heeft ontworpen. In wezen zal dit altijd wel gebeuren, omdat er altijd sprake is van een zekere subjectieve vertaling van een ruimtelijk ‘probleem’. De hand van de maker blijft in die zin altijd zichtbaar of dit nu bewust of onbewust gebeurd. Toch lijken er nogal wat architectenbureaus te zijn die blijven hangen in een bepaalde bureaustijl, waarbij elke opdracht een zekere herkenbaarheid krijgt. Een mooi voorbeeld hiervan is het werk van het architectenbureau Benthem Crouwel uit

26

Thema3_P_20tm26.indd 26

pantheon 5 ’04’05

Amsterdam. Of nu een bezoek wordt gebracht aan de hightech ontvangsthallen van Schiphol, het betonnen kantoorcomplex de Malietoren in Den Haag of aan het renovatieproject Museum De Pont in Tilburg, ze verwijzen allemaal naar de staal- en glasarchitectuur met de gelikte detaillering die het bureau zo kenmerkt. Los van de architectuur uit het oeuvre van Benthem Crouwel valt deze architectuuropvatting te bekritiseren op een gebrek aan betekenis (= diepgang) en een gebrek aan relaties die deze gebouwen met de omgeving aan zouden moeten gaan.

Kan van een architect geaccepteerd worden dat hij of zij een stempel drukt op het ontwerp van een gebouw? Toch valt deze ietwat vastgeroeste opvatting van praktiserende architecten niet kwalijk te nemen. Architecten die jarenlang een eigen bureau runnen valt moeilijk kwalijk te nemen dat zij op een gegeven moment blijven hangen bij een architectuuropvatting waarbij zij zich goed voelen, of belangrijker nog, waarmee ze

S T Y L O S

Wat maakt het uit? Of het nu gaat om Rem Koolhaas die zijn ontwerpen uitkiest op concepten die bij de werkwijze van zijn bureau passen of dat er weer een gebouw wordt opgeleverd door Erick van Egeraat dat voldoet aan het criterium dat het er goed uitziet. Architecten hebben een zekere vrijheid om te bepalen hoe zij met hun ontwerpen omgaan. Het moge dan ook duidelijk zijn dat er niet maar één manier is om tot een ontwerp van een gebouw te komen. Het irriteert mij dan ook mateloos dat er binnen de architectuurwereld (dus zowel bij het architectuuronderwijs als de wijze waarop architecten onderling met elkaar omgaan) nog altijd met een beperkte kijk op bepaalde ontwerpmethoden wordt neergekeken als blijkt dat er niet op een traditionele, ietwat oubollige manier over kan worden gesproken. Het is veel interessanter om deze schreeuwende gebouwen eens uit de context te halen van de discussies over de stedelijke omgeving, de herkenbaarheid van een programma in de façade van een gebouw of de invloed van een trap in een ruimte... schijnbaar deel ik niet alleen deze mening, zo blijkt ook uit de interesse voor het werk van bovengenoemde architecten, maar vooral uit het werk van Robert Venturi en Denise Scott Brown. Het zijn juist deze afwijkende visies over de architectuuropvatting die ons als student, als auteur van architectuurpublicaties en in de toekomst als architect bewust moeten maken over wat we nou eigenlijk willen zeggen met hetgeen we ontwerpen. Pas dan kan er een interessante discussie gevoerd worden over hoe we met betekenis in architectuur om kunnen gaan en zullen de visies op de commerciële architectuur inhoud krijgen.//

> OMA@work.a+u/ Architecture and Urbanism: May 2000 Special Issue > Luns, B.; Van Raaij, M.; Het moet gewoon mooi zijn, Interview met Erick van Egeraat; Pantheon// Glamour; #3; jaargang 2003-2004

W I N K E L E N

A L G E M E E N

18-7-2005 10:31:00


Een transparante overheid, dat moet wel een verkoopbare slogan zijn, zullen de hoge heren in Den Haag gedacht hebben tijdens een brainstorm over het imago van ‘s lands bestuursorganen. Daarom waren tijdens de meest recente Dag van de Architectuur (DvdA) een hele reeks Haagse overheidsgebouwen open voor het publiek. Over de dag en over de gebouwen.

Het lijkt wel uitverkoop een dagje Dag van de Architectuur Marien Daamen Marten Dashorst

Castalia

Den Haag kampt al lange tijd met een probleem: het ziet er potdicht uit. En dan niet de stad, maar 'Den Haag', de overheid. Burgers hebben al jaren het idee dat ze niet weten wat er achter de gevels van de ministeries gebeurd, dat politici in zware taal praten en dat er niet naar hen geluisterd wordt. Het besef dat dit niet de manier is om met het volk om te gaan, is een aantal jaren geleden langzaam maar zeker ook tot de overheid zelf doorgedrongen. In de jaren negentig met de opkomst van de lokale politieke partijen in de gemeenteraden, die, in tegenstelling tot de klassieke grote partijen, aan niemand behalve hun kiezers verantwoording hoefden af te leggen en daarom snel en alert politiek konden bedrijven. In Den Haag was het Pim Fortuyn die een poging deed een einde te maken aan de 'achterkamertjespolitiek' en de 'regentenklasse' van de Tweede Kamer. Hoewel hij het zelf nooit heeft mogen meemaken, is er sinds zijn tijd wel het een en ander veranderd in een poging de overheid meer transparant te maken. Het Ministerie van VROM Een ander onderdeel van deze tactiek is het terugbrengen van alle ministeries naar het centrum van Den Haag. Na de Tweede Wereldoorlog zijn de verscheidene ministeries verspreid over Den Haag en zelfs Zoetermeer (OCW) in allerlei tijdelijke gebouwen gehuisvest. Vooral VROM, het ministerie dat de huisvesting van Nederland beheert, heeft lange tijd in barakken gezeten. Dit was dan ook het eerste overheidsorgaan dat de nieuwe gedachte van transparant bestuur moest gaan uitdragen, in een nieuw gebouw. In 1985 is door het toenmalige kabinet besloten dat het ministerie van VROM op een nieuwe locatie als geheel gehuisvest zou gaan worden. Voorheen waren de losse directoraten over heel Den Haag verspreid, een vervelende en geheel niet efficiënte behuizing. Als nieuwe locatie is gekozen voor de lege vlakte tussen het Centraal Station en de Zwarte Madonna. Een locatie vlak bij het openbaar vervoer, op een centrale plek tussen binnenstad en station. 13 jaar na haar opening heeft het ministerie van VROM, ontworpen door Jan Hoogstad, zich bewezen als een goed werkbaar en milieubewust gebouw. De grote daktuinen worden door haar gebruikers erg gewaardeerd, en de klimaatgevels met veel glas zorgen voor een laag energieverbruik. Maar is het voor de burger ook een transparant gebouw? Wij hadden moeite om binnen te komen.

A L G E M E E N

Thema4_P_27tm35.indd 27

W I N K E L E N

S T Y L O S

Je moest je aanmelden voor een rondleiding, je paspoort laten zien en geen minuut te laat weer voor de deur staan. De rondleiding vertrok stipt op tijd, te vroeg voor ons om deel te nemen. De portiers stonden buiten al een sigaretje te roken en waren helaas onverbiddelijk. De rondleiding was al onderweg, dus konden we niet meer mee. Wel mochten we even een kijkje binnen in de hal nemen. Een indrukwekkende hal. Gevarieerd in hoogte, nodigt de hal door de overspannende loopbruggen en vele balkons uit tot interactie. Over de hele diepte van de hal zijn drie 'terrassen' gesitueerd, die stuk voor stuk een andere functie hebben. Het terras op de begane grond is het receptieterras, met balies en informatieborden. Het tweede terras, dat bereikt kan worden door trappen en roltrappen, is het centrale plein waar alle liften op uitkomen. Het derde terras is het meest exotische terras, vol met palmbomen en kleurige bloemen. Dit is het 'relax'-terras. Helaas houdt hier ons relaas van het Ministerie van VROM op. We mochten helaas niet hoger en ook niet verder. Iets wat ons op de Dag van de Architectuur wel meer leek te overkomen. Castalia Het tweede gebouw op onze route door Den Haag was het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), in 1999 geopend na de 'vernieuwbouw' door Michael Graves & Associates. Gebouwd rondom het kantoorgebouw Transistorium (1967) van Jan Lucas, is Michael Graves uitgegaan van het sterotype Nederlandse pand met geordende ramen en een puntdak. Toen het gebouw net voltooid was, werd er alom afgevraagd wat er precies in de twee puntdaken zat. Helaas geen klimmuur, geen discotheek, maar slechts lege ruimte om het ornamentele dak te ondersteunen. Het ultieme postmoderne statement. Via een binnenplein tussen het Castaliagebouw en het Helicongebouw van SoetersvanEldonkPonec, ook onderdeel van VWS, kom je bij de entree. Helaas geen overweldigende hoge, lichte ruimte, maar eerder een metrostation bij binnenkomst. Michael Graves had natuurlijk te doen met het skelet van het Transitorium, maar de hal straalde bepaald geen transparante overheid uit. Een lang, laag tongewelf met aan het einde alleen maar twee roltrappen omhoog, het onbekende in. Een bijna depressieve omgeving, die vast nooit goed zal kunnen zijn voor de (volks)gezondheid van haar gebruikers. >

pantheon 5 ’04’05

27

24-7-2005 16:23:26


Het Logement > Het Logement is de meest recente uitbreiding van de Tweede Kamer. Gelegen aan de overkant van het Plein bestaat het uit twee gerenoveerde gebouwen en een nieuwe uitbreiding, beiden gedaan door Erik Knippers en van Hoogevest Architecten en voltooid in 2004. Voor de renovatie van het oude Logement van Amsterdam zijn de architecten erg zorgvuldig omgesprongen. Dit gebouw is gebouwd tussen 1737 en 1741, en hoewel het één gevel heeft, bestaat eigenlijk uit twee afzonderlijke bouwwerken. Het linkerdeel is oorspronkelijk in gebruik geweest als hotel voor de afgevaardigden van Amsterdam in de Staten-Generaal, het grotere rechterdeel was voor de Amsterdamse gedeputeerden in de Staten van Holland. Na dit gebruik heeft het onder andere als paleis gefunctioneerd, als rijksarchief en in de Tweede Wereldoorlog was het het hoofdkwartier van Arthur Seyss-Inquart, de Duitse Rijkscommissaris. Na de voltooiing in 2004 zijn de gebouwen in gebruik genomen als werkkantoren voor kamerleden en Europarlementariers.

Leistenen als gevelbekleding

Binnenin is er minimaal, maar wel smaakvol gerenoveerd. Een zaal, waarschijnlijk de oude balzaal, is in drieën gedeeld, maar wel op een manier waarop het plafond blijft doorlopen. Overal is nieuw meubilair gekomen, samengesteld uit stalen elementen en esdoorn stoelzittingen en tafelelementen. De belichting is zo uitgevoerd dat de directe verlichting nooit de overhand krijgt over het daglicht dat binnen komt. In de kelder is de oude ingang naar het 'Luftschutzraum' uit de Tweede Wereldoorlog bewaard gebleven, daarnaast is een nieuwe tunnel naar het grote gebouw van de Tweede Kamer, zodat kamerleden altijd veilig van en naar vergaderingen kunnen gaan. De nieuwbouw is het verbindende element geworden tussen het Logement en het voormalig Rijksarchief. De architect, Erik Knippers, heeft bij dit gebouw, wat bestaat uit een smalle ontsluiting die aan het Plein ligt en naar achter doorloopt, en de vierkante enquêtezaal in de oude binnenplaats van het Logement, gekozen voor 'openbaarheid van bestuur' als thema. Een glazen entree verwelkomt de bezoekers en pers in het gebouw wat bij uitstek een transparante overheid moet uitdragen. Bij de receptie zijn oude leistenen draagplanken uit het Rijksarchief hergebruikt als bekledingsmateriaal, en is ook de zandstenen muur van het Logement te zien.

het Logement aan de korte Voorhoutstraat

28

Thema4_P_27tm35.indd 28

pantheon 5 ’04’05

Eenmaal echt binnen valt vooral de lichtheid en transparantie van het gebouw op. Bezoekers worden omhoog geleid naar een 'balkon', van

S T Y L O S

waaruit zij de volksvertegenwoordigers onder zich kunnen zien lopen. Deze twee evenwijdige routes komen allebei uit bij de enquêtezaal, die verdiept lijkt te liggen ten opzichte van de binnentuin. Ook dit is een lichte, ruime zaal, waar veel hout in verwerkt is. Een praktisch nadeel van al het gebruikte hout, dat in horizontale stroken verwerkt is, is dat dit op televisie een schitterend effect opwekt wat als zeer storend wordt ervaren. Een opgespijkerd linnen doek was ook nu nog de 'tijdelijke' oplossing. Wat opvalt aan het nieuwe gedeelte van het complex is het extreem gevarieerde materiaalgebruik. De zaal heeft een groenkoperen dak, de balustrades zijn van geborsteld staal, de wanden van hout en van stucwerk en de vloer is lichtgeel. In een kleine, donkere ruimte zou dit misschien verwarrend en onrustig werken, maar in de lichtovergoten hal die Erik Knippers ontworpen heeft komt het erg goed tot zijn recht. Het derde deel van het complex is het oude Rijksarchief, tussen 1895 en 1903 gebouwd door toenmalig Rijksbouwmeester Jacobus van Lokhorst. Dit gebouw was in zijn eigen tijd en nu nog steeds uniek in Nederland. Ontworpen als een gigantische brandvrije stellingkast bevatte het alle voor die tijd moderne technieken. Omdat elektrisch licht nog niet veilig genoeg geacht werd, zorgen grote daklichten, die 's nachts hermetisch afgesloten konden worden, voor veel daglicht, dat door alle roostervloeren helemaal tot aan beneden kon doorkomen. Het oude Rijksarchief is misschien wel het interessantste gedeelte van het gehele project. Knippers moest hierin circa 70 werkplekken kwijt, terwijl de geringe verdiepingshoogte en de vele gietijzeren elementen het niet de meest veelzijdig in te richten ruimte maakten. Toch is hem dit op ingenieuze wijze gelukt, zonder de karakteristieke doorkijkjes en labyrintachtige indeling van het gebouw weg te halen. In de zijbeuken zijn de kantoren als dozen de constructie ingeschoven, en zorgen nieuwe glazen vloeren voor extra daglicht. Het centrale gedeelte is, op een nieuwe sprinklerinstallatie, in haar oorspronkelijke staat bewaard gebleven en functioneert nu als verkeersgebied. De Dag Het doel van de DvdA is het onder de aandacht brengen van architectuur bij een zo groot mogelijk publiek. In heel Nederland worden architectuurevenementen georganiseerd, uiteenlopend van boottochten, fietstochten, kinderevenementen, lezingen, rondleidingen, tentoonstellingen tot wandeltochten.

W I N K E L E N

A L G E M E E N

24-7-2005 16:23:30


In 1985 werd door de Union Internationale des Architectes de eerste juli uitgeroepen tot de DvdA. Het eerste kand dat de architectuurmanifestatie organiseerde was Nederland. Sinds 1986 is de DvdA een jaarlijks terugkerend groot evenement. In zijn stuk 'de kloof tussen architect en publiek' stelt Hans Ibelings dat nergens de smaken zo verschillen als tussen de architectuurwereld en het algemeen publiek. Volgens Ibelings beschikt de architect over zoveel cultureel kapitaal dat wat zij maken onherroepelijk ver verwijderd is van de smaak van het grote publiek. De architecten die er in slagen een gebouw te ontwerpen dat gewaardeerd wordt door het publiek lopen het risico door zijn collegae in het hokje 'populistisch' te worden gestopt. Ze worden in ieder geval minder serieus genomen. Tijdens de DvdA was te zien dat dat niet betekent dat het grote publiek geen interesse in architectuur heeft. Tienduizenden Nederlanders bezochten het weekend van 2 en 3 juli gebouwen die waren opengesteld. De nationale aftrap van het weekend was in het tweeduizend jaar oude Nijmegen. De stad heeft het groots aangepakt met (hoe kan het ook anders) een architectuur-vierdaagse. In Den Haag hebben meer dan drieduizend mensen een poging ondernomen de opengestelde VROM, OCW, VWS en het Logement te bewonderen, iets wat niet altijd lukte. De richtlijn van 2 rondleiders per gebouw en slechts 15 bezoekers per groep bleek niet voldoende. Lange wachttijden en teleurgestelde gezichten waren de consequenties.

een kantoor in het oude Rijksarchief

De Dag van de Architectuur is een prima middel om mensen op een andere manier naar gebouwen te laten kijken. Als bouwkundige doe je dat eigenlijk al elke dag, maar als gewoon persoon loop je door een stad als passagier, ga je een gebouw binnen om te werken of om iemand op te zoeken en bij de gemeente naar binnen om een nieuw paspoort te halen. De openstelling van deze gebouwen en de rondleidingen met veel verhalen en anekdotes maakten wederom duidelijk dat een gebouw niet slechts een huls voor een bepaald gebruik is, maar ook een onmisbaar onderdeel van dat gebruik. Zoals de volledig glazen enquêtezaal van het Logement moet uitstralen dat er niets voor niemand geheim wordt gehouden, zo zou elke dag een Dag van de Architectuur moeten zijn, zodat mensen kunnen zien en voelen hoe gebouwen besluiten beïnvloeden en gebruikers gebouwen.// > www.dvda.nl > http://www.architectenweb.nl/aweb/redactie/redactie_detail. asp?iNID=2208&iNTypeID=29# > Het Huis van VROM, publicatie Ministerie van VROM, 2003, Den Haag

A L G E M E E N

Thema4_P_27tm35.indd 29

de volledig glazen enquêtezaal

W I N K E L E N

S T Y L O S

pantheon 5 ’04’05

29

24-7-2005 16:23:31


30

Thema4_P_27tm35.indd 30

pantheon 5 ’04’05

SS TT YY LL OO SS

W B IU NR KE EN L E N A L G AE LM GE EE MN E E N

18-7-2005 10:19:36


Het gelijk van de grootgrutter Kobe Macco Kria Djoyoadhiningrat

ultrahippe Shoebaloo flagshipstore

De naschokken van de supermarktoorlog zijn nog steeds voelbaar, maar naar het schijnt is Nederlands grootste supermarktketen de grote winnaar. Zij handhaafde haar positie als marktleider, met een marktaandeel van 28,1% en de omzet in het eerste kwartaal van 2005 bedroeg 1,8 miljard euro. Desondanks hebben ook de welbekende prijsvechters hun positie op de markt verstevigd, hoewel deze ketens duidelijk een ander imago genieten. Ongeacht het beeld dat de verscheidene reclamecampagnes op hebben geroepen bij de consument, gelden bij het passeren van de schuifdeuren allemaal dezelfde gouden regels. Uiteenlopende strategieën worden ingezet om de zintuigen van de consument te stimuleren meer te kopen. Een belangrijk voorbeeld is de 'wet van chocola': Confrontatie + Verleiding = Rekbare Omzet. "Chocola is pure impuls. Omdat chocola niet op het boodschappenlijstje staat, moet de consument in de winkel worden geconfronteerd en worden verleid tot een aankoop. De kracht van chocola is dat de consumptie rekbaar is. Of je nu één of drie repen hebt liggen, chocola gaat op. De juiste routing met een goede hoeveelheid traffic garanderen een goede chocoladeverkoop."1 Voor een supermarkt loont het om 'te letten op de kleintjes', want verkoop gebeurt in grote hoeveelheden en de winst zit in een kleine marge. Subtiele effecten zijn significant merkbaar bij

"Confrontatie + Verleiding = Rekbare Omzet"

elke millimeter telt in de supermarkt

de winst zit in de marge

A L G E M E E N

Thema4_P_27tm35.indd 31

het presenteren van de jaarcijfers. Door heldere zichtlijnen kan de klant snel een overzicht krijgen van de aanwezige producten en wordt zoveel mogelijk van de 170º kijkhoek benut. Het opstellen van sleutelproducten achterin, zoals zuivel en brood, verlengt feitelijk de afgelegde route en vergroot de kans op impulsaankopen. Een uitermate geschikte plek voor impulsaankopen is de kopse kant van de schappen. Deze wordt dubbel gepasseerd en de aangeprezen waren liggen goed in het zicht. Bij het bepalen van de breedte van de gangpaden moet rekening worden gehouden met de 'butt-brush'-factor. Hoe lang heb je nodig om een besluit te maken? Koopgedrag kan vroegtijdig beëindigd worden door ongewenst lichamelijk contact.2 Al deze technieken zijn varianten van massamanipulatie, omdat deze keer op keer

W I N K E L E N

S T Y L O S

het winkelgedrag van een hele stroom aan mensen sturen en beïnvloeden. Het succes van de supermarkt hangt af van de mate waarin de technieken in staat zijn op de belevenis van de klant in te spelen. Supermarkten kunnen dienen als laboratorium voor architectuur.3 De klant van de supermarkt is dezelfde als de gebruiker van de stad. Zijn beslissingen worden op basis van dezelfde emoties en impulsen genomen. Aspecten en mechanismen uit de supermarktwereld zijn zodoende terug te vinden in de stad. Supermarkten lenen zich goed voor experimenten met toegepaste massamanipulatie, omdat resultaten niet lang op zich laten wachten. Vanwege het grote belang is de controle snel en de afrekening hard. Missers worden snel en adequaat aangepast en verbeteringen doorontwikkeld. Hierdoor ligt de supermarkt vaak dichter bij zijn optimaal dan architectuur. Het schappenplan voor supermarkten zou gezien kunnen worden als model voor de stedenbouw. Wanneer de schappen van een winkel in kaart worden gebracht, kunnen net als in de stad verborgen patronen worden herkend. De positionering van A-merken of huismerken is een kwestie van status en wordt zelfs gebruikt als politiek pressiemiddel om fabrikanten onder druk te zetten. Een verwijzing van een product door de supermarkt naar het 'herniavak' heeft er al toe geleid dat grote spelers in de voedselindustrie de gang naar de rechter hebben gemaakt. Bij aankomst op Rotterdam Centraal valt op te merken dat de sleutelproducten allemaal achterin liggen. Een bezoek aan de welbekende iconen Erasmusbrug of de Oude Haven wordt altijd voorafgegaan door een tocht door het Rotterdamse winkelhart. Kenmerkend aan de modernistische uitvoering is echter dat de kopse kanten van de rijen winkels vaak moeizaam worden benut. Volgens Frits Abrahams van het NRC-Handelsblad een gemiste kans. Slechts zeventien procent van de bezoekers van een supermarkt koopt chocolade om de doodeenvoudige reden dat de winkels de spullen in het verkeerde schap leggen. Omgekeerd geldt dat de plaatsing van een sleutelproduct juist ook het einde van de routing kan afbakenen. Net zoals de Dom in Utrecht, vanuit het Centraal Station gezien, het einde markeert van het winkelgebied en de drukte. >

pantheon 5 ’04’05

31

18-7-2005 10:19:39


> Als Utrecht het winkelgebied zou willen uitbreiden, zou het een oplossing kunnen zijn om de Dom te verplaatsen? Meer stedenbouwkundige elementen zijn terug te vinden in de supermarkt. De profilering van een gangpad zou synoniem kunnen staan voor een straatprofiel. Zichtlijnen zijn een ingeburgerd begrip in de stedenbouw. Net zoals een schappenplan de marketingstrategie van een supermarkt kan blootleggen, is de ruimtelijke indeling van de stad een afspiegeling van de belangen binnen de maatschappij. Milieubewuste producten als producten met een Eco-keurmerk kunnen bewust naar voren geschoven worden op basis van principiële gronden. Het handhaven van een basisschool of een cultureel centrum in de binnenstad betreft een vergelijkbare keuze, die net zoveel discussie kan veroorzaken. In beide gevallen blijkt vaak dat economische belangen de doorslaggevende factor zijn.

"...een wilde en morsige collage van elementen die thuishoren in een kraakpand."

'mislukt' winkelcentrum de Kolk

Binnen het stedenbouwkundig plan speelt architectuur een rol die vergeleken kan worden met de aangeboden producten binnen een schappenplan. Het ontwerpen van een verpakking en het ontwikkelen van de inhoud gebeurt door onafhankelijke fabrikanten, met elk hun eigen belangen. De verpakkingen worden constant geoptimaliseerd, waarbij moet worden gelet op het behoud van de inhoud, de kosten van fabricage en transport, maar vooral ook de manier waarop de verpakking het product verkoopt. Esthetisch gezien moet de gevel van het product zowel dienen als middel om een voorbijganger over te halen, als een

flowdiagram van Van Berkel

32

Thema4_P_27tm35.indd 32

pantheon 5 ’04’05

gerichte zoeker het product te laten herkennen. Het bestuderen van de werking van supermarkten is een gerechtvaardigde en vooral nuttige bron van gegevens. Doordat kleine effecten goed merkbaar zijn en zich snel uiten kunnen uiteenlopende experimenten ook snel getoetst worden. Goed kijkend naar de interactie tussen de klant en de winkel zouden missers op grotere schaal kunnen worden voorkomen in de architectuur en stedenbouw. In de praktijk zijn voorbeelden te vinden van ambitieuze projecten waarbij inzichten vanuit de supermarktwereld over het hoofd zijn gezien. Doordat de routing naar Villa Arena in Amsterdam doodlopend is, ontstaat geen logische 'flow' van mensen, terwijl een supermarkt altijd zal zorgen dat de toegang tot de winkel precies naast de kassa gelegen is. De Haaglanden Megastores van OIII Architecten bij Hollands Spoor in Den Haag heeft hier beter rekening mee gehouden, omdat het vanaf verschillende omliggende straten toegankelijk is. Hierdoor is Megastores beter in staat de potentiële impulsmarkt aan te boren en is Villa Arena vooral afhankelijk van gerichte bezoekers. Het vinden van de ingang van de UBU van Wiel Arets is net zo lastig voor de Utrechtse student4 als het vinden van de ingang van winkelcentrum de Kolk in Amsterdam voor de Amsterdamse klant. Ondanks een uitvoerige studie naar de 'flow' door Ben van Berkel heeft hij niet duidelijk kunnen maken hoe voorbijgangers daadwerkelijk het gebouw moeten betreden om vervolgens in staat te kunnen zijn hun portemonnee lichter te maken. Twee jaar na de opening worden de laatste overgebleven huurders uitgekocht en maakt de eigenaar zich op voor verbouwing. De verpakking van het gebouw kon niet goed vertellen wat de inhoud van het gebouw te bieden had en werd getypeerd als een wilde en morsige collage van elementen die thuishoren in een kraakpand. De fouten worden toegegeven door Van Berkel zelf,

gevelstudie entree de Kolk

SS TT YY LL OO SS

W B IU NR KE EN L E N A L G AE LM GE EE MN E E N

18-7-2005 10:19:42


die volgens hem te wijten zijn aan een dreigend faillissement van het bureau. Met de handen geboeid moest akkoord worden gegaan met de veranderingen die de nieuwe opdrachtgever en de aannemer wilden.5 Recentelijk hebben spectaculaire ontwerpen voor exclusieve winkels veel publiciteit en waardering gekregen van binnen- en buitenlandse vakbladen. De flagshipstores van Prada, door OMA en Herzog en de Meuron, of Shoebaloo van Meyer en Van Schooten, hebben de status gekregen van iconen. Bij de bewondering van het succes van deze toonbeelden wordt vaak voorbijgegaan aan de unieke situatie waarin zij zich bevinden. Deze winkels zijn niet zozeer ontworpen om materiele spullen te verkopen, des te meer om het merk en zijn imago te promoten. Het draagvlak van de winkels komt vooral van extreem kapitaalkrachtige klanten die bereid zijn om bovenop de minimale materiaalkosten diep in de buidel te tasten voor het gevoel van decadentie. Een geheel andere tak van sport zijn de winkels die afhankelijk zijn van de verkoop van grote hoeveelheden en zich gedwongen zien de massa te overtuigen. Met het oog op winst wordt gegrepen naar strategieën die in staat zijn de massa te manipuleren en te sturen. Centraal in zowel het ontwerpen van architectuur als het inrichten van een supermarkt staat het bespelen van de zintuigen van de bezoeker. Desondanks zijn opdrachten voor supermarkten niet populair onder architecten. Door veel architecten wordt het verbouwen van winkels als een ondankbare en inferieure architectuuropgave beschouwd. Ze hebben het gevoel dat ze door de beperking van de commercie nauwelijks in staat worden gesteld om op een meer conceptueel niveau te ontwerpen.6 Dominique Perrault laat echter met drie voorbeelden van supermarkten ontworpen voor de MPreis-keten in Oostenrijk zien dat de opgave architectonisch een uitdaging is en niet zoveel verschilt van het ontwerp voor een museum.7 // 1 Abrahams, F. CHOCOLA, 2 dec 1999, NRC 2 http://www.bized.ac.uk/current/leisure/2004_5/140305.htm 3 Rodermond, J. LABORATORIA VOOR BELEVENIS ARCHITECTUUR, mei 2000, De Architect interieur 4 Daamen, M. UBU, Pantheon// 5 Rooy, M. v., EEN KRAAKPAND ONTWERPEN; HET SCHOTS EN SCHEVE OEUVRE VAN BEN VAN BERKEL, 23 aug 1996, NRC 6 Melis, L. DE WINKEL ALS DEEL VAN DE STAD, mei 1991, De Architect 7 Perrault, D. KLEINES MUSEUM ODER EINKAUFSZENTRUM, maart 2004, Detail

A LA GL EG ME EM EE NE N

Thema4_P_27tm35.indd 33

zorgvuldig ontworpen interieur Villa Arena

doods aandoende doodlopende boulevard Villa Arena

W IB NU KR EE LN E N

S T SY TL YO LS O S

pantheon 5 ’04’05

33

18-7-2005 10:19:44


Studentendisco Lorre is aan iets nieuws toe. Teruglopende bezoekersaantallen en een onduidelijke identiteit hebben het bestuur ertoe gezet de discotheek grondig te verbouwen. Momenteel gaat de disco op de schop en met de opening van het nieuwe studiejaar moet Lorre klaar zijn om de Delftse studenten weer te verwelkomen.

Lorre is aan't verbouwen Kria Djoyoadhiningrat Marten Dashorst

De slopershamer is er doorheen gegaan

De nieuwe Lorre

34

Thema4_P_27tm35.indd 34

pantheon 5 ’04’05

Het begrip studentendisco zal bij veel mensen een belletje doen rinkelen. Brallende studenten die veel te diep in het glaasje gekeken hebben, schreeuwende vrouwen en lekker tegen elkaar aan zweten. Vooroordelen of bewezen feiten, als je een beetje uitstraling wilt hebben, probeer je je daar in ieder geval niet mee te identificeren. Lorre ziet zichzelf liever als een plek waar studenten in een ongedwongen sfeer samen kunnen komen, zowel leden als niet-leden. Lorre is in feite al een volledig van het Corps losstaande organisatie, met een eigen bestuur en eigen regels en afspraken. Alleen uit juridisch oogpunt is het nooit helemaal los komen te staan van het Corps. Die regelen ook nu nog de financiële aspecten van Lorre. Ondanks al deze onafhankelijkheid heeft Lorre onder studenten nog steeds de reputatie een ballentent te zijn, een reputatie waar het bestuur niet blij mee is. "De ongedwongen, open sfeer moet voor iedereen voelbaar zijn, dus ook voor niet-leden. Dit blijft een lastig punt, omdat sommige leden van het Corps van mening zijn dat Lorre gewoon onderdeel van 'de Zaak' is, en 'knorren' liever niet al te vaak op de dansvloer zien. Een van de bedachte manieren om dit fenomeen uit te bannen is het aantrekken van extern, betaald personeel, in plaats van de op dit moment nog gehanteerde methode van roulerende jaarclubs als barcrews. Bezoekers kwamen met klachten over vriendjespolitiek en onprofessioneel gedrag zoals dronkenschap achter de bar, welke niet erg positief zijn geweest voor het imago van Lorre als open discotheek. Het deurbeleid staat bovendien niet toe om binnen te komen in jasje dasje." Ook heeft Lorre altijd veel moeite met de 'Lolita's', minderjarige middelbare schoolmeisjes, op zoek naar gezelligheid en jongens om mee te dansen. De gemeente ziet het liefst dat deze meisjes thuis blijven, vooral omdat Lorre met de lage bierprijzen een sterke troef in handen heeft ten opzichte van de andere Delftse discotheek, Speakers. Een andere, nieuwe concurrent in Delft is, sinds het instellen van disco-avonden in het weekend, jongerenvereniging de Koornbeurs. DJ en Koornbeurs-bestuurslid Maarten Epskamp: "Vroeger was Lorre open van donderdag tot en met zaterdag, maar sinds wij op vrijdag en zaterdag draaien, hebben ze bij Lorre de vrijdag opgeheven." Ook de Koornbeurs heeft veel jongere bezoekers,

S T Y L O S

maar dit ligt in de lijn van verwachting als jongerenvereniging. "De donderdag liep goed, maar zaterdag was de leegte te voelbaar. Er was sprake van een soort negatieve spiraal," aldus Wiechert Schenk, bestuurslid van Lorre. "Daarnaast moest verbouwd worden vanwege veiligheidsredenen. Op veel plaatsen is het te vochtig en is er schimmelvorming. In combinatie met alle elektronica die voor een disco gebruikelijk is, is dat natuurlijk een ongewenste situatie." De schimmel en stank liet zich ook niet meer schoonmaken. Omdat Lorre op weg leek te zijn een donkere, vochtige kelder te worden is besloten alles weer te verbouwen, zodat de discotheek weer prominent op de uitgaanskaart van Delft gezet kan worden.

"De donderdag liep goed, maar zaterdag was de leegte te voelbaar." Om te beginnen is er een marktonderzoek gedaan onder Lorre's grootste doelgroep, studenten in Delft. Een stevige thuisbasis is immers essentieel. Vanwege moeizaam op gang komende reacties, is men de verschillende faculteiten van de TU langsgegaan, met gevarieerde reacties. Werktuigbouwkundigen waren vaak niet goed bekend met Lorre of überhaupt niet met het fenomeen van uitgaan. Faculteiten als Industrieel Ontwerpen en Bouwkunde resulteerden in enthousiastere reacties. Uit het onderzoek bleek dat vertier vaak buiten Delft gezocht werd en dat de Delftse student in het weekend vaak niet in Delft zelf te vinden is. Er wordt geen illusie gewekt dat de concurrentie kan worden aangegaan met de grote steden Amsterdam en Rotterdam. Wel wordt gekeken of marktaandeel van steden als Leiden, Den Haag en Utrecht kan worden teruggehaald. Met een ultrahippe discotheek als de Jimmy Woo aan de Korte Leidsedwarsstraat in Amsterdam, luxueus vormgegeven door Erjan Borren, valt moeilijk te concurreren. De overtuiging heerst dat er moet uit worden gegaan van de eigen kracht. Dat is de ongedwongenheid waar een studentendisco voor staat. Zo is een metaaldetector uitgesloten, omdat die niet echt de ongedwongen sfeer uitstraalt waar Lorre zo naar op zoek is. Voor vergelijking is meer gekeken naar 'zusjes' de Woo in Utrecht en de Hi-Fi in Leiden.

W I N K E L E N

A L G E M E E N

18-7-2005 10:19:49


Vanuit het LORRE bestuur is een haalbaarheidsstudie gedaan naar vooral de financiële aspecten van een verbouwing. In overleg met bierbrouwer Heineken is de huisarchitect van Heineken, Henk Louwer, naar voren geschoven om de bouw te begeleiden en is er onder toezicht van Royal Haskoning een aannemer in de arm genomen. Voor een commissie van grijze heren, die toezicht houden op LORRE, is het plan van de prognose gepresenteerd. Na lang overleg over alle mogelijkheden is besloten dat het plan levensvatbaar zou zijn en is begonnen met een investeringsplan. Ook is het bestuur van het Corps overtuigd om de winst van het lustrum, twee jaar terug, voor een belangrijk deel naar LORRE door te sluizen. Op studentikoze wijze zijn de verschillende onderdelen die de discotheek succesvol moeten

Er is een nieuw logo ontworpen en de huisstijl is consequent doorgezet op website, posters en flyers. maken 'geregeld'. Naast dat Heineken de architect levert, wordt de hoofdbar ook door hen gesponsord. In vergelijking met de huidige situatie schuift de bar in de richting van de dansvloer, om zo reistijden ervan en ernaartoe aanzienlijk te verkorten. Red Bull geeft vleugels aan de DJ-booth en wodkamerk Eristoff sponsort het bruine café achterin de zaak.. De oude dansvloer blijft waar hij is, maar krijgt als meest opvallende ruimtelijke ingreep een dubbelhoog plafond, die de derde bar verbindt met het geheel. Het doel is om de huidige drankomzet van rond de 250 duizend Euro te vergroten. Dat betekent dat er meer dan 140 duizend pilsjes en sterke drank moeten worden verkocht.

A L G E M E E N

Thema4_P_27tm35.indd 35

Om Lorre een duidelijke, eigen identiteit te geven en sterk in de markt te zetten heeft ontwerpbureau Jongeeftvorm de graphics van Lorre onder handen genomen. Er is een nieuw logo ontworpen en de huisstijl is consequent doorgezet op website, posters en flyers. Net als Speakers hoopt Lorre nu makkelijk herkenbaar promotiemateriaal te kunnen verspreiden. Voor de invulling van het programma is gekeken naar de vele evenementen, ook die die vanuit het Corps zelf komen. De traditionele Kriminele is onvermijdelijk om buiten de deur te houden en is juist ook gewenst. Maar daarnaast wordt gekeken naar het laten oefenen en optreden van bandjes, het houden van activiteiten van Studium Generale, of het stimuleren van sportverenigingen voor het houden van een na-wedstrijd feestje. De vorige grote verbouwing van de voormalige kegelbaan in 1996, die feestelijk is geopend door Ruth Jacott is ook om vergelijkbare redenen gedaan. Kennelijk is het voor uitgaansgelegenheden in het algemeen nodig om van tijd tot tijd het imago weer op te frissen. De vraag is echter hoe structurele verbeteringen op het gebied van het toelaten van minderjarige bezoeksters en bemoeizuchtige Corpsballen zullen plaatsvinden. De bouwplanning is zo gepland dat Lorre weer in gebruik kan worden genomen tijdens de Owee. De verhoudingen binnen Delft zijn echter niet meer zoals de vorige opening. De Koornbeurs heeft aangekondigd om op donderdag een studentenavond te lanceren en manoevreert zich in hetzelfde vaarwater als waar Lorre koers op had gezet. In navolging van de supermarktoorlog een discotheekoorlog?//

> met dank aan Wiechert Schenk en Lorre

W I N K E L E N

S T Y L O S

pantheon 5 ’04’05

35

18-7-2005 10:19:50


De Gouden Piramide is de jaarlijkse Rijksprijs voor inspirerend opdrachtgeverschap binnen de architectuur, stedenbouw, landschapsarchitectuur, infrastructuur en ruimtelijke ordening. 23 April jongstleden werd in het NAi de Gouden piramide 2004, speciaal bedoeld voor gebiedsontwikkeling uitgereikt

De Gouden Piramide Sanne van Manen De prijs, bestaande uit een beeldje en 50.000 euro werd gewonnen door het Stadsdeel Westerpark, met het project Cultuurpark Westergasfabriek in Amsterdam. De gouden piramide is in het leven geroepen, omdat er in tegenstelling tot architecten en stedenbouwkundigen nog geen prijzen waren voor opdrachtgevers. Terwijl de "creatieve, deskundige en bezielende wijze waarop de opdrachtgever optimale voorwaarden tracht te creëren tijdens het ontwerp- en bouwproces is vaak de sleutel voor een betekenisvol eindresultaat", aldus de organisatie. Opdrachtgevers zijn er in alle soorten en maten, maar wat maakt een opdrachtgever een inspirerend opdrachtgever? Tijdens de televisie uitzending van de uitreiking wordt dit aan een aantal gasten gevraagd. Volgens Jo Coenen is de architectuur een dienende kunst. De architect staat in dienst van de opdrachtgever. Een inspirerend opdrachtgever is iemand die naast een inspirerende persoonlijkheid, inzicht heeft en een zekere dominantie om op bepaalde momenten voor te gaan en knopen door te hakken. Aaron Betsky, directeur van het NAi, stelt hier juist tegenover dat een goede opdrachtgever zich soms ook laat kennen door juist zijn of haar dromen los te laten en de architect meer vrijheid geven. "Soms is het beter dat de opdrachtgever juist niet precies weet wat hij wil." Jan Wolff, directeur en opdrachtgever van het nieuwe muziekgebouw aan het IJ, verklaart zijn succesvolle opdrachtgeverschap aan de hand van kennis. Als muzikant zag hij vele muziekzalen van binnen. Hij ontdekte de goede en slechte

36

Algemeen_P_36tm40.indd 36

pantheon 5 ’04’05

eigenschappen. Deze kennis gebruikte hij voor het muziekgebouw aan het IJ. De jury van de Gouden Piramide 2004, met Mels Crouwel als voorzitter, hebben alle genomineerde projecten bezocht en per project de positie en inbreng van de opdrachtgever(s) bepaalt. In 1885 is de Westergasfabriek gebouwd. Samen met het station van Groningen behoort de Westergasfabriek tot de belangrijkste werken van de architect Isaac Gosschalk, vertegenwoordiger van het Hollandse neorenaissance. De Westergasfabriek was een fabriek waarbij gas vanuit kolen werd geproduceerd om de stad Amsterdam van gas te voorzien. Toen men in de jaren '60 overging op aardgas, zag de Westergasfabriek, net als andere stadsstokerijen zich genoodzaakt te sluiten. Helaas zag men pas de monumentale waarde van de gebouwen in na de sloop van de stokerij in 1967. Twee jaar later werden de rest van de gebouwen tot monument benoemd door de Rijksgebouwendienst. De gebouwen hebben toen een tijdje gediend als opslagplaats voor materieel van de gemeente. In 1978 kwam er een groen bestemmingsplan voor het gebied. In het bestemmingsplan kreeg het Westerpark een recreatieve functie. Pas in 1985 echter werd er het eerste voorontwerp gemaakt in Engelse landschapsstijl zoals het oude park. Een groot probleem stak zich de kop op; de bodem was zodanig vervuild door de oorspronkelijke functie van de fabriek, dat dit eerst uitgezocht en opgelost moest worden. Een belangrijke stap binnen het proces was de overdracht van het project van de 'centrale stad' aan het 'stadsdeel westerpark'. Dit

S T Y L O S

is ook het moment dat Evert Verhage ten tonele verscheen. Verhage is de projectmanager van het project. Hij is de hoofdopdrachtgever. Op 1 mei 1993 ging de Tijdelijke Invulling van start. De gebouwen werden leeggemaakt en men ging op zoek naar huurders binnen het culturele circuit. Zodra het gebied in cultureel Amsterdam een beetje bekendheid kreeg, boden zich voldoende huurders aan. Onder deze huurders bevonden zich kunstcollectieven, theatergroepen, maar het werd ook afgehuurd voor tijdelijke festiviteiten, zoals het dance-festival Awakenings of de KunstRai. De Tijdelijke Invulling werd een paar keer verlengd, maar men bleef wel doorgaan met een echt plan. In 1996 kwam er een stappenplan voor de keuze van de parkarchitect. Op bouwkunde hebben wij eigenlijk niet tot nauwelijks te maken met de kant van de opdrachtgever. Wij krijgen een programma van eisen en dat is het. Soms speelt de docent voor opdrachtgever, waardoor er toch nog een beetje sprake is van discussie. In de praktijk kan het opdrachtgeverschap zeer complex zijn. Dat bewijst het project westergasfabriek wel. Bij het project waren namelijk zeer veel partijen betrokken. - Het projectontwikkelingsbureau MAB. Het stadsdeel was van mening dat het beheren en restaureren van gebouwen geen taak was voor een stadsorganisatie. Een marktpartij zou beter in staat zijn het verschil tussen de restauratiekosten en de subsidies van onder andere Monumentenzorg 'risicodragend' te moeten investeren en vervolgens terug te verdienen met de huuropbrengsten. MAB was wel verplicht de gebouwen te verhuren binnen

W I N K E L E N

A L G E M E E N

24-7-2005 16:32:11


het culturele circuit. De culturele waarde van het gebied moest blijven bestaan. Deze manier van werken, noemde het stadsdeel raad 'cultureel ondernemersschap'. Dit wil zeggen dat de makers van cultuur zo economisch mogelijk werken door de kosten te beperken en de inkomsten op te voeren. - De buurtbewoners. Het contact met de buurt ging niet vlekkeloos. De opdeling van de stad in stadsdelen, was in de ogen van de bewoners een manier om de bewonersorganisatie te vervangen voor een stadsdeel. De bewoners vonden dat ze te weinig inspraak hadden en zagen niks in de plannen van de gemeente. Het stadsdeel heeft toen besloten een busreis te organiseren naar een vergelijkbaar project in Duitsland, het IBA Emscher Park. Bewoners konden zich opgeven om mee te gaan, op voorwaarde dat ze mee discussieerden over de nieuwe plannen. Op deze manier is het contact tussen bewoners en het stadsdeel herstelt. - Francine Houben (Mecanoo architecten), verantwoordelijke voor het masterplan. De basis van het masterplan is een ruimtelijke verdeling van het gebied in vier clusters. Ten eerste is er The village, dit zijn de gebouwen tussen de Haarlemmervaart en het manifestatieterrein. Van deze gebouwen is het zuiveringsgebouw het grootste; hier komen onder meer een ochtenden middagcafé, expositieruimten, kantoren en studio's voor culturele ondernemingen en een grote, monumentale hal voor theaterproducties, modeshows en andere evenementen. In het regulateurshuis naast de ophaalbrug komt het kantoor van de Westergasfabriek BV, inclusief de centrale balie en kaartverkoop voor bezoekers. Ten noorden van het zuiveringshuis liggen onder meer het machinegebouw, dat geschikt wordt gemaakt voor incidentele verhuur, en de twee meterhuisjes, die onderdak zullen bieden aan kleinschalige publieksfuncties, zoals een kiosk, toiletten en de verhuur van ligstoelen. Het is nog niet bekend of het Nederlands filmtheater in het ketelhuis blijft, of dat het een plaats krijgt in het zuiveringsgebouw. Het tweede cluster is het Spektakeldorp. Het Spektakeldorp bestaat uit de gashouder en het transformatiehuis en is speciaal bedoeld voor grote evenementen. De gashouder, de grootste ruimte op het terrein moet 'de grote publiekstrekker' worden. Het derde cluster en tevens het kleinste is het Kinderdorp. Dit bevat twee bazenwoningen en zoals de naam al doet vermoeden, worden hier activiteiten speciaal voor kinderen georganiseerd. Helemaal op het westelijke puntje van de Westergasfabriek komt het cité des arts. Dit cluster zal voornamelijk uit nieuwbouw bestaan waarin culturele bedrijven zich zullen huisvesten. - De parkachitect. De keuze voor de parkarchitect geschiedde via een werkgroep, waarin naast mensen van het stadsdeel ook onder andere drie buurtbewoners zaten. De werkgroep maakte een lijst van 12 architecten, welke zich kort mochten presenteren. Na de presentatie werden vijf hiervan uitgenodigd om aan de besloten prijsvraag mee te doen. Dit waren Adriaan Geuze, Michael van Gessel, Kathryn Gustafson, Edwin Santhagens en Lodewijk Wiegersma. De achitecten werd gevraagd hun visie en nog geen uitgewerkt ontwerp, te maken, op basis van

A L G E M E E N

Algemeen_P_36tm40.indd 37

het ontwikkelingsplan. In dit plan stond dat het terrein 'een groene recreatieve parkfunctie' moest krijgen, dat de omwonenden en de huurders van de gebouwen de belangrijkste gebruikers waren, dat de ecologische kwaliteit moest worden versterkt en dat het park een manifestatieterrein van ruim een hectare moest bevatten. Gustafson, een architect uit Amerika, won met zijn plan Changement, wat hij overigens in samenwerking met Mecanoo maakte. Changement gaat over een park dat zowel in ruimte als in tijd (met de seizoenen) wisselende ervaringen biedt. Van oost naar west verandert het park van karakter: van een meer formeel, stedelijk park naar een vrijere opzet met meer ruimte voor de natuur. Hoewel eigentijds is het ook een klassiek parkconcept, met traditionele ingrediënten als een grasweide, waterpartijen, bos, een bloementuin, een boomgaard en een centrale as. Gustafson heeft al vele parken ontwerpen en staat bekend om zijn dunne lijn tussen landschapsarchitectuur en land art. Dit is ook terug te zien in het Westerpark. - Ten slotte werkten er nog een aantal architectenbureaus mee aan de restauratie en nieuwbouw van een aantal gebouwen. Hieronder N2 architects en SeARCH. Inmiddels is het westergasfabriek een goed draaiend terrein. Buurbewoners zijn zeer tevreden met het park en de algehele sfeer die eromheen hangt. Ondanks alle moeilijkheden is het project toch geslaagd afgelopen. Hieronder nog een stukje uit het juryrapport van de Gouden piramide: De jury noemt drie trefwoorden die samenvallen met inspirerend opdrachtgeverschap; creatief, deskundig en bezielend. Bij het Cultuurpark Westergasfabriek vonden de juryleden deze begrippen alledrie volledig van toepassing

W I N K E L E N

S T Y L O S

"De organisatie onder leiding van Evert Verhagen moest een enorme verbeeldingskracht en inventiviteit aan de dag leggen om – ondanks alle barrières – het ideële project van de grond te krijgen." Ondanks dat coalitievorming met andere partijen onontbeerlijk was,bleef de strategie steeds vanuit de inhoud gevoerd worden. "Het landschap werd als drager gezien van de ontwikkeling van de culturele accommodatie. Het industrieel erfgoed werd niet als last ervaren, maar als geschenk. In het totstandkomingsproces oriënteerde men zich zowel op het buitenland als op de directe omgeving. Hiermee werd het credo think global, act local doeltreffend in praktijk gebracht. De georganiseerde prijsvraag heeft geleid tot een prachtig landschappelijk plan, dat ruimte laat voor de zo bepalende, informele sfeer in het park. De industriegebouwen zijn inmiddels met veel gevoel voor architectuur én gebruik gerestaureerd en gerenoveerd. Het cultuurpark is werkelijk een juweel geworden. Een 'gift' aan de stad als geheel, en een voorbeeld voor heel Nederland wat écht inspirerend opdrachtgeverschap vermag." De gouden piramide 2005 gaat over een nog groter schaalgebied. Projecten die mee willen doen moeten een regionale van landelijke betekenis hebben. Dus stedenbouwkundige uitbreidingen van steden of grote infrastructurele werken. Via de website van de goudenpiramide kunnen opdrachtgevers zichzelf opgegeven of opgegeven worden. Dit moet wel voor april 2005.//

> www.goudenpiramide.nl > www.westergasfabriek.nl > http://www.creatievestad.nl/Download/Boek/ > met dank aan Evert Verhage > de uitzending van de uitreiking van de Gouden Piramide 2004, op 23 april, bij de AVRO

pantheon 5 ’04’05

37

18-7-2005 11:21:45


Libero Architecture as Signs and Systems: for a mannerist time

Atlas van de Nederlandse Waterstad

Nickel and Dimed - on (not) getting by in America

Met de beststellers 'Complexity and Contradiction' en 'Learning from Las Vegas' kreeg het architectenechtpaar Robert Venturi en Denise Scott Brown internationale bekendheid in de architectuurwereld. In hun laatste geschreven werk 'Architecture as Signs and Systems' worden de theorieën die RV en DSB uit hun voorgaande werk hebben ontwikkeld in het daglicht geplaatst van de hedendaagse architectuurpraktijk. Met dit werk reageren ze direct op de kritiek dat RV noch DSB in de afgelopen decennia een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de architectuurtheorie. Het zijn juist RV en DSB die de evolutie van architectuurtheorie propageren boven het zoeken naar revolutionaire antwoorden.

De Atlas van de Nederlandse Waterstad is verschenen in het teken van de Tweede Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam. Deze is gecureerd door Adriaan Geuze en had als titel 'de Zondvloed'.

Iedereen weet dat je in Amerika als serveerster 'no money' maakt. Lange shift zonder noemenswaardige pauzes, slechte secundaire arbeidsvoorwaarden maar vooral geen salaris. Veel serveersters verdienen misschien maar 2 dollar per uur en de rest moet dus uit fooien komen.

Wat opvalt is dat Venturi en Scott Brown elk een deel van het boek op zich hebben genomen. De theorieën worden afgewisseld met voorbeelden uit hun eigen oeuvre, maar ook voorbeelden van andere architecten uit het heden en verleden. Hierdoor ontstaat voor de lezer een goed beeld waar het architectenduo voor staat en wat ze bedoelen. Het nadeel is wel dat verschillende projecten in de vorm van foto’s en uitleg meerdere malen terugkomen binnen het boek. De opbouw is daarmee wellicht te voorspelbaar en op sommige momenten straalt de tekst niet hetzelfde enthousiasme uit als de projecten die ze beschrijven. 'Architecture as Signs and Systems' mag dan een mager overzicht bieden van de projecten die RV en DSB hebben ontworpen en de theorieën die ze hebben ontwikkeld, het boek geeft duidelijk aan hoe de architecten Robert Venturi en Denise Scott Brown afzonderlijk tegen hun architectuur aan kijken. Niet eerder hadden zij zo duidelijk aangegeven wat hun werk heeft beïnvloed en in welke mate ten aanzien van invloeden van buitenaf als wel de invloed van elkaar. Het is deze onderlinge relatie die het boek aantrekkelijk maakt.// Dennie Jansen Architecture as Signs and Systems: for a mannerist time Robert Venturi & Denise Scott Brown Belknapp Press/2004/256 blz./eng/€ 39,00 ISBN: 0 674 01571 1

38

Algemeen_P_36tm40.indd 38

pantheon 5 ’04’05

De Atlas is een rijk geïllustreerd boekwerk dat de innige relatie tussen stad en water, die Nederland sinds de vroege middeleeuwen heeft gehad, uitvoerig beschrijft. In een aantal essays proberen de makers steeds op verschillende vlakken te bepalen of de rol de water heeft gehad bepalend is geweest voor het aanzien van de stad. Het boek is in drie delen onderverdeeld, drie delen van stedenbouw die elk op hun eigen manier in aanraking zijn gekomen met het water: Kust, Rivier en Polder. Per deel wordt eerst aan de hand van een aantal korte essays de geschiedenis beschreven van de stedenbouw in het betreffende waterlandschap. Deze essays, voorzien van een groot aantal (historische) foto's, diagrammen en kaartjes, geven steeds een andere kijk op de gebieden. Ook zijn zij vrij chronologisch ingedeeld, het eerste essay gaat meestal over 'verovering', het tweede over 'consolidatie' en het derde over 'wat nu te doen'. Deze verdeling geeft een interessant tijdsbeeld, niet alleen van het verleden, maar ook van het heden en de toekomst. Elk deel wordt afgesloten met een Atlas, waarin een aantal steden die typisch voor het beschreven waterlandschap behandeld worden. Ook hier weer worden aan de hand van veel historische kaarten, masterplannen en foto's steden beschreven die hun hele bestaan al met het water verbonden zijn. Onder andere Almere, Amsterdam en Vlissingen worden hier uitgebreid toegelicht. De Atlas van de Nederlandse Waterstad is een interessant en boeiend naslagwerk over de stad en het water in Nederland. Veel illustraties, soms erg veel illustraties, waardoor de tekst soms een beetje weggestopt moest worden, en een beetje ongewenst lijkt. Als geschiedenis, water en planning in je straat is, dan is dit een aan te raden boek. Lees het echter wel stukje bij beetje.//

Barbara Ehrenreich is een Amerikaans schrijfster die in het rijtje van Mike Davis (Ecology of Fear) en Naomi Klein (No Logo) past. Het boek Nickel and Dimed - on (not) getting by in America is dan ook geschreven op het grensvlak van sociologie, geografie en human interest. Het boek is onstaan uit een onderzoek naar de onderklasse van werkend America. Geen white collar (kantoorbanen), geen blue collar (industrie) maar eigenlijk no collar. Barbara Ehrenreich heeft een half jaar lang gewerkt als serveerster, schoonmaakster en verkoopster bij Wal-Mart. Wat volgde is een aangrijpend verslag van een samenleving gebaseerd op vreemde veronderstellingen. Zo heerst in Amerika het idee dat mensen die arm zijn, arm zijn omdat ze lui zijn. Na het lezen van Nickel and Dimed blijkt dat dit een naïeve gedachte is. Ehrenreich beschrijft hoe ze in elke stad waar ze bleef met moeite de eindjes aan elkaar kon knopen. Eén baan van 7 dagen in de week 8 uur werken was vaak niet genoeg om de huur te kunnen betalen, eten te kunnen kopen en een auto te kunnen rijden. 'Unskilled' werk bestaat niet, komt ze achter. Collega's die met artritis in hun knieën toch door blijven werk, bang ontslagen te worden. De eeuwige angst voor drugstests, het niet mogen praten op de werkvloer, de managers die je constant op de vingers kijken. Nickel and Dimed is een interessant boek. Ehrenreich probeert (helaas?) af en toe te pas en te onpas te relativeren dat zij het overleeft omdat ze geestelijk en lichamelijk fit is, maar toch spreekt er een ambigue gevoel uit het boek. Aan de ene kant de minachting voor de heersende klasse die deze mensen eigenlijk als slaven behandelt, aan de andere kant toch het besef dat ook zij onderdeel van die klasse is. Een aanrader.

Marten Dashorst Marten Dashorst Atlas van de Nederlandse waterstad Hooijmeijer, F.; Meyer, H.; Neinhuis, A. (red.) SUN/2005/220 blz./nl & eng/€ 29,50 ISBN: 90 587 5174 0

S T Y L O S

Nickel and Dimed - on (not) getting by in America Barbara Ehrenreich HHC/2001/230 blz./eng/€ 10,00 ISBN: 0 8050 6389 7

W I N K E L E N

A L G E M E E N

24-7-2005 16:32:15


// goddelijk Bouwkunst was vroeger bijna altijd goddelijk. Bijna alle gebouwen waar serieus over nagedacht was, werden in opdracht van de kerk gebouwd. Alleen koningen en keizers bouwden weleens iets moois, maar dan meestal pas na goedkeuring van de kerk. De kerk neemt steeds minder vaak een bepalende plek in ons leven in. Althans, in het leven van christelijke Nederlanders. Andere religies, zoals de islam, lijken op het eerste gezicht hier iets minder moeite mee te hebben. Loopt het christendom voor, of loopt het achter? In de volgende pantheon// behandelen we het thema goddelijk. En dan niet alleen het religieuze aspect hiervan. Brad Pitt heeft tenslotte ook een goddelijk lichaam.//

A L G E M E E N

Algemeen_P_36tm40.indd 39

W I N K E L E N

S T Y L O S

pantheon 5 ’04’05

39

24-7-2005 16:32:16


Het leek zo mooi. INDESEM2005 haalde veel betrokken bouwkundestudenten uit heel Europa naar onze faculteit. Die hebben vast wel een mening, is gedacht. En die hadden ze ook. Twee flip-overs volgeschreven met meningen over architectuur en politiek. Helaas mocht het niet zo zijn dat deze meningen in de pantheon// zouden verschijnen. Ze zijn verdwenen. Waarnaartoe, dat weet niemand. Alles wat ons rest is die ene quote, die iedereen zich wel herinnerd: "It's lame to discuss politics in a pile of fatboys!" En, gelukkig hebben we de foto nog...//

40

Algemeen_P_36tm40.indd 40

pantheon 5 ’04’05

S T Y L O S

W I N K E L E N

A L G E M E E N

18-7-2005 11:21:51


Agenda

sept

19 t/m 21 aug.

SteeOwee 2005 locatie: faculteit Bouwkunde, Delft

t/m 18 sept.

okt

conferentie info: www.stylos.nl/steeowee

Het frietkot, architectuur voor de snelle trek locatie: Kunsthal, Rotterdam

info: www.kunsthal.nl

prijs: n.v.t.

tentoonstelling prijs: 4,-

Verschillende fotografen tonen hun werk over de snackcultuur en haar geĂŻmproviseerde architectuur.

t/m 18 sept.

locatie: Boijmans van Beuningen, Rotterdam

t/m 18 sept.

info:www.boijmans.rotterdam.nl

TRIOMF , Man, macht en machine locatie: Boijmans van Beuningen, Rotterdam

t/m 18 sept.

tentoonstelling

Project Rotterdam

info: www.boijmans.rotterdam.nl

DUTCH POP ART & THE SIXTIES locatie: cobra museum, Amstelveen

info: www.cobra-museum.nl

prijs: 8,-

tentoonstelling prijs: 8,-

tentoonstelling prijs: 4,-

Kunstwerken van de belangrijkste Europese, Engelse en Amerikaanse Pop Art kunstenaars, belicht de Nederlandse deelname aan Pop Art.

4 t/m 30 sept.

Architecture and planning in the Netherlands locatie: faculteit Bouwkunde, Delft, Achterhal

19 sept -14 okt.

info: www.bk.tudelft.nl

prijs: gratis

tentoonstelling

LIVING IN MOTION locatie: Museum Hilversum

prijs: gratis

tentoonstelling

In dienst van de stad locatie: faculteit Bouwkunde, Delft, Blokkenhal

t/m 23 okt.

info: www.bk.tudelft.nl

tentoonstelling

info: www.gooismuseum.nl

prijs: 4,-

Flexibel wonen, met de volgende thema’s: monteren en demonteren, transporteren, opvouwen, aanpassen, combineren en dragen.

t/m 26 okt.

Indische Zomer in Madurodam locatie: Madurodam, Den Haag

info: www.madurodam.nl

tentoonstelling prijs: 12,-

Antieke schaalmodellen van traditionele Indonesische bouwkunst geven een impressie van de grote verscheidenheid aan huizen.

4 sept - 4 dec.

tentoonstelling

NU BINNEN locatie: NAi, Rotterdam

info: www.nai.nl_tel: 010-4401200

prijs: 4,-

De Nederlandse huiskamer herontworpen, bekende ontwerpers geven hun visie op de toekomst van het Nederlandse interieur.

25 sept - 8 jan.

Team 10 - Een utopie van het heden locatie: NAi, Rotterdam

info: www.nai.nl_tel: 010-4401200

tentoonstelling prijs: 4,-

Tentoonstelling rondom de groep architecten die vijftig jaar geleden de menselijke maat terug in de architectuur bracht.

8 okt - 26 nov.

Nederlandse architectuur voor China locatie: ARCAM, Amsterdam

info: www.amsterdamchinafestival.nl

tentoonstelling prijs: gratis

Ontwerpen van verscheidene Nederlandse architecten en stedebouwkundigen voor China.

kaft_winkelen.indd 3

18-7-2005 12:04:01


kaft_winkelen.indd 4

18-7-2005 12:04:05


pantheon// '04-'05 - winkelen