Jason magazine (1998), jaargang 23 nummer 2

Page 1

MAGAZINE VOOR INTERNATIONALE VRAAGSTUKKEN JAARGANG 23, NO 2 AUGUSTUS 1998

• De buitenlandspolitieke dimensie van de EU-uitbreiding • Partnership for Peace vanuit Nederlands perspectief • Heeft de Nederlandse krijgsmacht nog toekomst? • Inflatie van mensenrechten? • Onrust aan de zuidflank van de Russische Federatie • Het territoriaal geschil tussen Japan en Rusland


Inhoud JASON MAGAZINE

1 RedaCJie A.W.L van der lee, hoofdredacteur a.i. drs. G.J. Mentjox, ei ndredacteur drs. R. Sa nd~, redactiesecretaris mevr. J.J.R. Deets drs. M.J. Fraanje drs. M.j. van der Net

Ca spar Veldkamp, senior beleidsmedewerker Directie Politieke Zaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

7

drs. E. van den Berg, Theo Mentjox, drs. MA Veenendaal

Redactie-adres

Dagdijks Bestuur J.IA Posseth, voorzitter aj./ penningmeester mevr. M.e. Czaikowsky, vice·voorzitter D.R. Changeer, secretaris P. Masurel, fondsenwerver drs. I. Fritz, internationaal secreta ris mevr. E. H.N. Kuiper, public relations mevr. F.E. Sligter, algemene zaken

12

Raad

Heeft de Nederlandse krijgsmacht nog toekomst?

Verslag van het tweede Jasonjorum door Hans van der Lee.

14

Inflatie van mensenrechten?

Dr. Stefan Treehsel, voorzitter van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens.

20

Onrust aan de zuidflank van de Russische Federatie

Gerard Mentjox en Ronaid Sandee over wahhabisme in Centraal-Azië.

Algemeen Bestuur dr. A. Boxhoorn (namens de Atlantische Commissie) drs. T. HA Dersigni drs. R.E. Genemans mevr. drs. N.Y. Jaarsma d rs. G.O. Jeuken drs. JA de Koni ng mevr. drs. H.M. Ruijg mevr. drs. M. Sie Dhian Ho drs. F.F.J.Q. Sm its van Oyen drs. E.I.L van Uum

Partnership for Peace vanuit Nederlands perspectief

Een interview met drs. TJ. Postma, beleidsmedewerker van het Centre for European Security Studies, door Julia Doets.

Medewerkers

jASON Magazine Heidevenstraat 33 6533 TJ Nijmegen

De buitenlandspolitieke dimensie van de EU-uitbreiding

25

Het territoriaal geschil tussen Japan en Rusland

Thomas Keijzer. slavist.

Redactioneel "Operatie geslaagd, patiC'nt herstellende/"

..,0" Ad..,ies

prof. dr. W. Dekker, voorzitter dr. w'F. van Eekelen, vice-voorzitter F. de Bakker prof. dr. j.Th.J. van den Berg dr. H. de Haan prof. drs. V. Halberstadt drs. G.J.I.M. Haren e.c. van den Heuvel HAM. Hoefnagels mr. j.G. N. de Hoop Scheffer R.W. Meines R.D. Praaning prof. dr. J.G. Siccama mevr. drs. LF.M. Sprangers prof. dr. A. viln StOlden drs. L Wecke

Geachte lezers,

Waarschijnlijk merkte u vorig jaar dat het langzamerhand stiller werd aan het jasonfront. Misschien aan het verminderde aantal activiteiten. Of wellicht aan de verschijningsfrequen. tie van het blad die, in elk geval voorlopig, werd teruggebracht to t vier maal per jaar. jason was ziek, maar herstelt zich met de levenskracht die van een 23-jarige te verwachten is. Eerste levenstekenen waren de twee geslaagde fora die voor de zomer plaatsvonden in het Defensie Voorlichting Centrum. Wat kunt u tegemoet zien voor dit najaar? Ten eerste een congres over mensenrechten , in samenwerking met de Studentenvereniging voor Internationale Betrekkingen en het Duitsland Instituut aan de Universiteit van Amsterdam, alsmede kleinere activiteiten. Ten tweede een vernieuwdJason Magazine. Wat kunt u daarbij precies van ons verwach· ten? Er wordt gewerkt aan een nieuwe bladformule en een nieuwe opmaak. Verder zal er e~terne,

internationOile OIuteurs, zoeken wij naar vaste

Adres

meer gebruik worden gemaakt van

Stichting IASON laan viln Meerdervoort 96 2517 AR Den Haag t 070 - 3 605 658 (070 - 3633285

medewerkers in Brussel, Moskou en Washington en wordt internationale economie een

ISSN 0165.8336 De stichting JASON noch de redactie vanjASON Magazine is verantwoordelijk voor de in bijdragen weergegeven meningen. Abonnementen worden automatisch verlengd, tenzij een schriftelijke opzegging voor 1 december is ontvangen. lar·out: A/Z grafisch serviceburo b.v., Den Haag Druk: Drukkerij lakerveld b.v., Den Haag

terugkerend aandachtsveld, om enkele dingen te noemen. Een ingrijpende verOIndering kost tijd . De herpositionering zal gestalte krijgen in de resterende nummers van 1998. Wij vragen uw vertrouwen.

Hoogachtend en met vriendelijke groet.

oom,"(d'' i' ""

A1á~"

jo,on Maga"'''

Foto voorpagina: Straatsburg, de zetel van de Raad Europees Parlement (foto Raad van Europ a) .

van Europa en het


De buitenlandspolitieke dimensie van de uitbreiding Caspar Veld kamp

Drs. C C). Veldka mp was lid van het algemeen bestuur van de Stichting jason van 1993-'94. H ij was tweede secretaris van de Nederlandse Ambassade te Wa rschau (1995'98). Momenteel werkt hij bij de Directie Politieke Zaken van het Ministerie van Buitenla ndse Zaken. Hij schreef dit artikel op persoonli jke titel.

JASON MAGAZ INE

De Europese Unie staat voor een aantal belangrijke uitdagingen. Naast totstandko· ming van de EMU is vooral de uitbreiding met Midden· en Oost.Europese landen van belang. Daaraan ligt een wezenlijk (veiligheids)politiek belang ten grondslag: uitbreiding van de West· Europese zone van politieke stabiliteit, waarin welvaart kan gedijen .

Twee vragen spelen de laatste tijd weer een belangrijke rol in Europa. De eerste vraag betreft het einddoel van de Europese eenwording. Jarenlang spraken Europese leiders in mooie termen over het belang van een federale, of juist van een interstatelijke inrichting van Europa; over totstandkoming van een Verenigde Staten van Europa, of juist over een Europa der Staten of Vaderlanden. Maar in wezen konden zij het antwoord op de vraag in wolken hullen: in de praktijk was het allemaal nog lang niet aan de orde. Welke onderlinge twisten men ook over de beoogde vormgeving van Europa kon hebben, voorlopig moest op de weg erheen nog het nodige aan concrete zaken gebeuren waarover men het in ieder geval met elkaar eens konden worden. De vaders van het verenigd Europa Monnet, Schuman, Spaak, Bech, Beyen en anderen - spanden met de oprichting van de EGKS en de EEG destijds bewust de kar voor het paard en begonnen met praktische economische zaken en concrete details. Nu zoveel is bereikt op het punt van de zogenaamde negatieve integratie (het afbreken van tariefmuren en dergelijke), maakt confrontatie met terreinen van positieve integratie (zoals de EMU) de vraag over het einddoel van de Europese eenwording weer actueel; in de publieke opinie en dus ook in de politiek.' Op de vraag over het einddoel, de beoogde vormgeving en inrichting van Europa, hoeft hier niet al te zeer te worden ingegaan . De vraag is jaarga ng 23, numme r 2, augustu s 1998

weliswaar belangrijk, maar kent een zodanig existentieel karakter dat zij een afzonderlijk opstel zou verdienen . Zij verkrijgt hier echter wel vermelding, omdat de oorspronkelijke gangmakers van de Europese eenwording over de uiteindelijke vormgeving misschien veelal minder, maar over een bepaalde doelstelling van het eenwordingsproces altijd des te meer eenstemmigheid hebben gekend: het scheppen van een zone van politieke stabiliteit in Europa, waarin welvaart kan worden gecreëerd. Kort gezegd: 'nooit meer oorlog, wel meer welvaart'. Met de uitbreiding van de Europese Unie (EU) voor de deur krijgt deze wezenlijk politieke doelstelling opnieuw actuele betekenis. ' De tweede vraag is veel ouder, maar evenmin afdoende beantwoord. Het betreft de vraag waar Europa begint, en waar het ophoudt. Sinds het uiteenva ll en van het Romeinse rijk lijkt het antwoord op deze vraag alleen maar complexer geworden. Behoorden Byzantium en het latijnse westen tot eenzelfde entiteit tegenover de islamitische wereld? Ook voor wie bijvoorbeeld terugzoekt op kaarten uit 19' eeuw wordt niet duidelijk hoezeer de voornaamste erfgenamen van Byzantium - Rusland en Turkije - al of niet tot Europa kunnen worden gerekend. De nu voor de deur staande oostwaartse uitbreiding van Westelijke structuren maakt het debat slechts acuter, of in ieder geval reëler. De loop der geschiedenis heeft overigens zijn best gedaan om de complexiteit van het vraagstuk nog te vergroten, met de kema listische revolutie in Turkije en - recenter - de ondergang van het communisme in het Russische imperium en zijn satellieten. Het mag duidelijk zijn dat ook de vraag naar de grenzen van Europa recentelijk - met de kwestie-Turkije - nieuwe actualiteit heeft verkregen. Vragen over doelen en grenzen van de Europese integratie lijken op het eerste gezicht nogal abstract. Maar te verwachten is dat ze zich de komende jaren in de Europese besluitvorming telkens opnieuw zullen stellen -


op directe dan wel indirecte wijze. In de praktijk van het diplomatieke werk van alledag moeten zij echter veelal wijken voor concretere problemen.

IASON MAGAZ INE

misschien belangrijk, maar vormt niet de kern van de zaak. Ons belang bij de EU-uitbreiding is primair veiligheidspolitiek van aard. Dit kan niet genoeg worden benadrukt. Het is van historisch veiligheidspolitiek belang dat de westelijke zone van veiligheid en stabiliteit naar het oosten wordt uitgebreid.' Het is tevens van historisch belang dat de na-oorlogse politiek van westelijke inbedding van Duitsland in internationale kaders (de zgn. Westbindung) met een oostelijke component wordt gecompleteerd. De Duitse eenwording lijkt niet voltooid zonder een dergelijke actualisering van de Duitse inbedding in Europa.

Last ige keuzen Zo heeft de EU op haar topbijeenkomst in Luxemburg (12 en 13 december 1997) lastige keuzen moeten maken met betrekking tot de systematiek en de volgorde van de EU-uitbreidingsonderhandelingen . Het ging om concrete landenkeuzen, keuze tussen startlijn- en andere modellen, toetredingspartnerschappen en inhaalsporen. De Europese Raad van Luxemburg heeft bevestigd dat alle Midden- en OostEuropese kandidaatlidstaten in beginsel een gelijk toetredingsperspectiefhebben . Op Nederlands initiatief was voor deze 'inclusieve' benadering gekozen . Medio maart jl. zijn de kandidaat-lidstaten bijeen gebracht in een Europese Conferentie te Londen. Het toetredingsproces ging enkele weken later officieel van start. Op 31 maart 1998 zijn de onderhandelingen met zes kandidaatlidstaten begonnen, in bilaterale intergouvernementele conferenties onder leiding van het EU-voorzitterschap met de specifieke kandidaten ) In eerste instantie vindt een acquis screening door de Europese Commissie plaats. Deze screening biedt input voor de voortzetting van de onderhandelingen . Tevens worden de resultaten van de screening gebruikt voor de voortgangsrapportage over het uitbreidingsproces aan de Europese Raad van Wenen, die in december 1998 plaatsvindt. Op basis van de voortgangsrapportage kan dan worden bepaald of ook met de andere Midden- en OostEuropese kandidaten toetredingsonderhandelingen kunnen worden gestart. Inmiddels zijn voor al deze kandidaten , in het kader van de zogenaamde versterkte pre-toetredingsstrategie, zogeheten Partnerschappen voor Toetreding opgesteld , waarin alle vormen van communautaire bijstand (via bijvoorbeeld het PHAREprogramma) in een kader worden samengebracht. Daarin wordt bijvoorbeeld aandacht besteed aan economische wetgeving, de versterking van het judicieel systeem (rechtspraak en uitvoering van vonnissen), milieu, maatschappelijke transformatie, allerlei andere specifieke problemen (bijvoorbeeld de positie van bepaalde minderheden) enzovoort. Duidelijk is dat de EU zich binnen een jaar of tien zal uitstrekken tot ver in het voormalige Oostblok en zelfs een stukje van de voormalige Sovjetunie zal omvatten. De buitenlandspolitieke betekenis van dit alles kan niet worden overschat. Het debat over technische kwesties, kosten, baten en exportkansen bij EU-uitbreiding is

Kwalitatieve gevolgen Bondskanselier Kohl heeft zich vanuit dit politieke inzicht de afgelopen jaren zeer sterk gemaakt voor EU-uitbreiding, met en soms tegen de zin van zijn vakministers . Er schuilt echter wel iets paradoxaals in Kohls streven. Een uitgebreide Europese Unie zou uiteindelijk weleens een verwaterde Unie kunnen worden. Dit is ook de reden waarom de Britten zich vaak zo sterk voorstander tonen van uitbreiding. De aanstaande uitbreidingsronde is van een zodanige omvang en van een zo ander karakter dan voorgaande uitbreidingen, dat deze niet slechts kwantitatieve, doch vooral ook kwalitatieve gevolgen zal hebben voor het Europese eenwordingsproces. Voormalig Europees commissaris Frans Andriessen heeft dit al eens gesignaleerd . Met de uitbreiding zal volgens hem een definitief einde komen aan de illusie van homogeniteit binnen de EU . Een uitgebreide Unie zal , misschien meer dan we ons realiseren , eenheid in verscheidenheid opleveren , aldus Andriessen.S De uitbreiding stelt ons daarmee voor wezenlijke vragen over de toekomst van Europa. Leidt de heterogeniteit die hoort bij een uitgebreide Unie ertoe dat we fundamentele inbreuken op het acquis communautaire maar moeten accepteren voor het hogere politieke doel, zoals Andriessen suggereert? Wat zouden de gevolgen zijn voor de interne markt, waarvan de Nederlandse economie zoveel profijt heeft? Men kan zich afvragen of het al te zeer verwateren van gemeenschappelijke Europese verworvenheden, Europees recht en interne markt een soort cement dat de Europese Unie aaneensmeedt - de Europese stabiliteit ook in politiek opzicht zou kunnen ondermijnen. Duidelijk mag zijn dat het gaat om zaken die zich moeilijk laten vatten in een beknopte kostenbatenanalyse. Verwatering van het integratieproces zou ook kunnen worden bevorderd doordat toet reders misschien niet gemakkelijk bereid zullen zijn steed s meer delen van hun recent herwon-

jaargang 23, nu mme r 2, augustus 1998

2


Externe politieke dimensie Vaak wordt de Europese Unie verweten nauwelijks enige buitenlandspolitieke impact te hebben. Op een aantal punten hebben critici daarin gelijk. Aan de zogenaamde Tweede Pijler van de Unie, het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) , valt inderdaad nog wel het een en ander te verbeteren . Maar niet vergeten mag worden dat de EU als geheel wel degelijk reeds een enorme buitenlandspolitieke impact kent, vooral in haar directe omgeving. Wie de uitkomst beziet van de Europese Raad van Luxemburg, moet iets dergelijks wel concluderen. Concentreren we ons bijvoorbeeld op de Oostzee regio, dan zien we dat het aan de drie Baltische staten geboden toetredingsperspectief, inclusief de beslissing om toetredingsonderhandelingen te openen met één van hen - Estland - een positieve uitwerking heeft op de veiligheid en stabiliteit van het gehele Oostzeegebied. Dit temeer daar de NAVO tijdens haar Top van Madrid in juli 1997 nog niet zover heeft kunnen gaan. Ook in dergelijk opzicht is het karakter van de uitbreiding van wezenlijk politieke aard. Opname van Estland in de eerste groep landen waarmee de EU nu toetredingsonderhandelingen is aangegaan, betreft dan ook een goede zet, waaruit besef van de Unie's geopolitieke impact blijkt. Vermelding van dit voorbeeld is hier op haar plaats om aan te geven dat de externe politieke dimensie van de Europese integratie niet kan worden gereduceerd tot zuivere Tweede Pijler-activiteiten, zeker niet als het om Midden- en Oost·Europa gaat. De buitenlandspolitieke d imensie van de EU laat zich niet opsluiten in de formele institutionele inrichting van de Unie. De EU als geheel, alle pijlers afzonderlijk en in synergie, hebben zeker met deze majeure uitbreiding voor de deur· een externe politieke dimensie, waarvan we de implicaties niet moeten onderschatten. Misschien is dat laatste door sommigen met betrekking tot Turkije wel gebeurd . Ten aanzien van Turkije is de Europese top

van Luxemburg ongelukkig verlopen. Weliswaar is op het hoogste EU-niveau het Turkse toetredingsperspectief nog eens bevestigd , maar door de aparte categorisering van het land in een soort derde klasse en door de weinig subtiele presentatie daarvan richting Turkije, is de relatie tussen de EU en Ankara onnodig onder druk komen te staan. De Griekse diplomatie valt hierbij overigens niet eens zo veel te verwijten. Die heeft slechts de buitenkans uitgebuit die haar door EU-partners is geboden. Jammer is dit alles wel, want het strategische belang van een goede relatie met Turkije is voor West-Europa zeer groot. Dit niet alleen vanwege Turkije's geografische ligging. Turkije is een van de belangrijkste landen in de regio die zich Westerse democratische waarden en cultuurpatronen hebben trachten eigen te maken en zich aan Westerse maatstaven trachten te meten. Turkije kampt onmiskenbaar met een aantal problemen, zoals de situatie in het Koerdische zuidoosten, die zich meer en meer aan de rest van het land - en ook aan Europa - opdringt als gevolg van migratie; of de belangrijke situatie van de mensenrechten. Het is echter in ons belang dat de Westerse oriëntatie van Turkije niet in een mislukking eindigt. Turkije is gelukkig op een aantal man ieren reeds aan het Westen gebonden: bijvoorbeeld door lidmaatschap van de NAVO en de Raad van Europa, en ook door een douane-unie met de EU, waarvan uitbouwen verdieping is voorzien . De moeizame verhouding van Europa tot Turkije raakt uiteraard ook de gecompliceerde problematiek rond de voo rziene EU-toetreding van Cyprus. Het is te hopen dat de toetredingsonderhandelingen met Cyprus een oplossing van de deling van het eiland naderbij brengen en niet in het tegendeel verkeren, waardoor ook de Grieks-Turkse betrekkingen verder zouden verslechteren. Wat betreft Cyprus spelen er op dit moment twee ontwikkelingen . Enerzijds wordt onder auspiciën van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties gepoogd een politieke oplossing voor het conflict te vinden op basis van het concept van een bi ·zonale en bi-communale federatie. Anderzijds zijn eind maart jl. toetredingsbesprekingen met Cyprus geopend. Toetreding van Cyprus tot de EU zal beide gemeenschappen ten goede moeten komen. De EU·toetredingsbesprekingen dienen daarnaast een positieve bijdrage te leveren aan het vinden van een politieke oplossing. Met andere woorden: beide processen dienen elkaar wederzijds te versterken . De wijze waarop de betrokkenheid van de Turks-Cypriotische gemeenschap vorm zal worden gegeven vormt een belangrijk aspect bij de toetredingsonderhandelingen .

jaargang 23. nummer 2, augustus 1998

3

nen soevereiniteit aan supranationale organen over te dragen. De aard van hun vocation européenne is een andere dan die welke wij gewend zijn. Midden- en Oost-Europeanen willen vooral uit economische en historisch-culturele overwegingen zo snel mogelijk bij Westelijke clubs behoren , zonder al te veel aan hun zo recent herwonnen soevereiniteit op te hoeven geven. De uitbreiding zal daarom een druk kunnen uitoefenen in intergouvernementele richting, ten koste van het grotendeels supranationale institutionele evenwicht dat de Unie kenmerkt.

JASON MAGAZINE


Gelet op de grote sociaal-economische verschillen op het eiland, is het van belang dat de TurksCypriotische gemeenschap wordt doordrongen van de voordelen van het lidmaatschap van de Unie, ook wat betreft de bescherming van nationale minderheden. Bij dit alles dient te worden vermeden dat de betrekkingen met Turkije nog verder schade oplopen, zonder dat dit overigens zou mogen betekenen dat Turkije een veto inzake toetreding zou hebben. Eventuele toetreding van een verdeeld Cyprus lijkt niet erg wenselijk. De inspanning moet erop zijn gericht een politieke oplossing nader bij te brengen, zodat uiteindelijke toetreding van het gehele eiland kan worden gerealiseerd. Europese integratie speelt zich niet alleen af in het kader van de Europese Unie. Juist in een uitdijende Unie van meer snelheden komen andere fora om de hoek kijken. NAVO, OVSE, WEU en Raad van Europa hebben en houden een belangrijke rol bij het eenwordingsproces, zeker waar het gaat om het verzekeren van bepaalde randvoorwaarden waarbinnen verdere EU-integratie zich zal kunnen ontwikkelen. De NAVO komt hierbij uiteraard een speciale rol toe. Waarbij dient te worden benadrukt hoezeer onze belangrijkste NAVO-partner, de Verenigde Staten, de Europese eenwording reeds in een vroeg stadium heeft gestimuleerd. 6 Het Europese integratieproces is op zichzelf ook niet antiAtlantisch, althans hoeft het niet te zijn . Nu de uitbreiding het integratieproces terugbrengt bij zijn twee wezensvragen, te weten die over einddoel en grenzen van Europa, is het niet verwonderlijk dat de Amerikaanse diplomatie buitengewone belangstelling voor de ontwikkeling van de Unie toont. Ook in Washington wordt kennelijk ingezien wat na de va l van de muur misschien wel de belangrijkste doelstelling van de Europese integratie is geworden: het succesvol exporteren van politieke stabiliteit en welvaart naar Midden- en Oost-Europa.

JASON MAGAZINE

Gevolgen voor Nederlandse positie Voor een succesvolle uitbreiding van de Europese Unie, inbegrepen de bestendiging van de betrekkingen met de landen daarbuiten, is de komende jaren een grote inspanning nodig. De Nederlandse buitenlandse betrekkingen zullen de komende tijd voor een belangrijk deel in het teken staan van de uitbreiding. De Nederlandse positie in de EU is namelijk in het geding. Enerzijds wordt Nederland in een uitgebreide Unie slechts een van de velen. Anderzijds blijft Nederland zowel bereid als in staat aan EU-kopgroepen deel te nemen, met bijbehorende sturende invloed op het integratieproces. Bovendien: als een mede-oprichter met bijbehorende

ervaring en met een zekere internationale en Europese roeping, geeft Nederland zijn aspiraties niet gauw op. Over het geheel genomen zal echter onze kwantitatieve rol afnemen . We moeten dus sterker bezien waar Nederlands kwalitatieve kracht ligt. Dit vormt reden om structureler aandacht te besteden aan de diplomatieke betrekkingen met EU-partners en toetredingskandidaten en de cruciale rol van onze ambassades daarin. Sommigen verkeren in de veronderstelling dat Europese besluitvorming tegenwoordig uitsluitend via Brussel verloopt en dat Nederland bijgevolg geen bilaterale ambassades meer nodig heeft in Europese hoofdsteden. Men leze het artikel dat oud-PvdA-politicus Stemerdink onlangs schreef voor het blad Internationale Spectator} Europese ambassades zouden wat hem betreft kunnen worden omgevormd tot zuivere handelsmissies 8 Stemerdink is zich er kennelijk niet van bewust welke belangrijke rol ambassades vaak achter de schermen spelen in de promotie van ons land, zijn samenleving en cultuur; iets wat met het oog op gevoelige kwesties als de Europese dimensie van het Nederland se drugsbeleid in belang slechts is toegenomen. 9 Ook het belang van bilaterale politieke betrekkingen binnen Europa mag niet worden onderschat. Ondanks jaren van succesvolle integratie is Europese besluitvorming in veel opzichten een zaak gebleven van nationale hoofdsteden en hun onderlinge betrekkingen. Nederland moet zich daarom niet alleen concentreren op het Brusselse besluitvormingstraject. Wil Nederland in de EU een effectief beleid kunnen voeren, dan doet het er goed aan de posities van de Europese partners en bijzondere bilaterale verhoudingen in Europa, zoals de Frans-Duitse, in zijn tactische opstelling te verdisconteren. Voldoende aandacht voor bilaterale politieke en andere contacten in de nationale Europese hoofdsteden blijft daarvoor noodzakelijk. Het belang van coalitievorming en daarmee bilateraal vooroverleg is de afgelopen jaren in geheel Europa (en daarbuiten) aan herwaardering onderhevig geweest. lO Ook Den Haag onderkent nu dat voortdurend voeling houden met wat er leeft binnen de Europese partners belangrijk is om aan de Brusselse onderhandelingstafels succesvol te kunnen zijn. In een uitdijende Unie met een steeds gecompliceerder institutionele ontwikkeling zal hiervan nog sterker sprake worden. De altijd al enigszins kunstmatige scheiding tussen bilaterale en multilaterale diplomatie lijkt verder te vervagen. Een intensieve en operationele bilaterale diplomatie is cruciaal om als kleinere lid staat in de EU en andere internationale fora invloed te kunnen

jaargang 23, nummer 2, augustus 1998

4


blijven uitoefenen. In dit verband kan ook de politieke Beneluxsamenwerking van belang zijn. Met de komst van de EU-interne markt is de betekenis van de Benelux als economisch samenwerkingsinstrument afgenomen, maar de politieke samenwerking tussen België, Luxemburg en Nederland kan nog een bepaalde waarde hebben. Regelmatig vindt overleg plaats over zaken die in EU-verband aan de orde zullen komen. Dergelijk overleg kan een nuttige aanzet- en initiatieffunctie vervu llen en biedt een middel voor behartiging van sommige gemeenschappelijke belangen, met name op institutioneel gebied. " Benelux-samenwerking moet niet leiden tot geforceerde eensgezindheid. Van belang lijkt het eerder om door serieus informeel vooroverleg ten aanzien van elkaars belangen en beleidsoptiek goed voeling te hebben, zodat in het Europese besluitvormingsproces rekening met elkaar kan worden gehouden . Enige variatie in visie vanuit de verschillende Benelux-regeringscentra is daarbij helemaal niet erg. Waar het om gaat is dat de Beneluxlanden in een vroeg stadium in besloten kring met elkaars belangen en visies vertrouwd raken; op zichzelf beschouwd reeds een nuttige exercitie, temeer daar op Europese schaal in wezen hetzelfde nodig zal zijn. " De Nederlandse ambassades in Midden- en Oost-Europa maken alle momenteel een transformatie door in het karakter van hun werkzaamheden. Stonden vroeger algemene contacten (o.a. met dissidenten) en rapportage in het politieke werk centraal , nu wordt ook en voora l alert gebruik van specifieke contacten in de multilaterale en EU-sfeer verwacht en meer gerichte rapportage over allerlei zeer gecompliceerde zaken daaromtrent. Het uitbreidingsproces heeft daarmee ongetwijfeld gevolgen voor werklast en werkprioriteit. Dat is echter niet te vermijden. Een adequaat bilateraal netwerk en optimale informatie-uitwisseling tussen Den Haag en bilaterale ambassades is voor Nederland namelijk van vitaa l belang om als middelgrote lidstaat binnen een uitdijende Unie invloed te kunnen blijven uitoefenen. De opbouw van kennis van beleidsattitudes, inhoudelijke voorkeuren en preoccupaties van aanstaande mede-lidstaten is essentieel voor de Nederlandse positionering binnen de nieuwe Unie die na de uitbreiding zal zijn ontstaan.

IASON MAGAZINE

jaargang 23, nummer 2, augustus 1998

De komende jaren zullen alle Nederlandse betrokkenen worden geconfronteerd met zaken die de concrete toetredingsonderhandelingen met kandidaatlidstaten betreffen, of er een uitvloeisel van zijn. Allerlei handelstechnische, wetgevings- en andere kwesties die in de toetredingsonderhandelingen een rol gaan spelen kunnen aan de orde komen. Bovendien zal de vergaande interne aanpassing van de EU ten behoeve van de uitbreiding, in institutionele en financiële zin, hoog op de Europese agenda staan.'l Aanpassing van het gemeenschappelijk landbouwbeleid , van de structuurfondsen en van de algehele financiën van de Unie, zal gevolgen hebben voor de politieke agenda. Dergelijke zaken zijn van groot belang voor Nederland en zijn economisch welvaren. Het is essentieel dat er in Den Haag goed overzicht en gedegen kennis van bestaat. De aard van de problematiek zal met zich meebrengen dat we sterk door het technische en financiële karakter ervan zullen worden geabsorbeerd. Het publieke draagvlak voor Europa's eenwording zal door al of niet reële beweringen over kosten en offers voor de uitbreiding verder onder druk kunnen komen te staan.

Tegen die achtergrond is het van belang de hierboven kort geschetste externe politieke dimensie altijd in het achterhoofd te houden: uitbreiding van de Europese Unie geschiedt om het wezenlijke belang van stabiliteit in Europa. Daarmee zijn ook de toekomstige kansen voor welvaart en welzijn gemoeid, niet alleen voor de toetredende landen, maar ook voor huidige lidstaten als Nederland. Europa staat voor een van de belangrijkste uitdagingen van de afgelopen decennia. Nieuwe lidstaten gaan toetreden, juist met argumenten die verband houden met de oorspronkelijke doelstellingen van de Europese integratie. Ze geven daarmee wellicht nieuwe impulsen aan beantwoording van de belangrijke vragen waarmee Europa zich opnieuw geconfronteerd ziet: die over het einddoel en de geografische afbakening van de Europese eenwording.

5


sadeur in Den Haag, john Swift, 'De veranderende rol va n ambassadeurs en diplomatieke missies' , in: Internationale Spectator, jrg. 52, nr. 2 (februari 1998) , blz.

Noten Negatieve integratie: het wegnemen van belemmerin·

gen tussen lidstaten, zoals afbraak van tariefmuren, libera lisering van personenverkeer, et cetera. Positieve integratie: de werkelijke totstandkoming van gemeen· schappelijk beleid en gezamenlijke instellingen, zoals

met betrekking tot het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid in de Tweede Pijler, of de Economische en Monetaire Unie. 2

Zie ook een artikel van Ambassadeur Philippe de Schoutheete, die jarenlang als Belgisch permanent vertege nwoordiger bij de EU fungeerde: 'l'avenir de l'Union européenne', in: Politique Etrangère, jrg. 62,

nr. 3 (najaar 1997). blz. 263-277 en diens boek: Une Europe pour tous, uitg. Odile Jacob, Parijs, 1997. 3 De toetredingsonderhandelingen vangen aan met Estland, Polen, de Tsjechische Republiek, Hongarije en Slovenië, alsook met Cyprus. Ook Letland, Litouwen, Slowakije, Roemenië en Bulgarije maken deel uit van het toetredingsproces. Het toetredingsperspectief van Turkije is in Luxemburg nog eens bevestigd. AI deze landen waren uitgenodigd voor de Europese Conferentie. Turkije liet uit onvrede met de uitkomst van de top van Luxemburg verstek gaan. 4 Vgl. de bekende uitspraak van Vaclav Havel: "Wanneer het westen het oosten niet stabiliseert, zal het oosten het westen destabi liseren."; zie over deze thematiek ook een officiële Zweedse regeringsstudie , A Larger EU· A More Secure Europe, welke in oktober 1997 te Stockholm is uitgebracht. In een vraaggesprek met NRC Handelsblad, 16 maart 1996.

6 Men leze: Pascaline Winand, Eisenhower, Kennedy and the United States ofEurope, uitg. Macmillan, Lon· den, '993.

7 A. Stemerdink, 'Aardappels en Gloeilampen: it's the economy, stupid', in een themanummer ' Diplomatie ter Discussie', in: Internationale Spectator, jrg. 51, nr. 10 (oktober 1997), blz. 546-549.

8 Te meer een vreemde suggestie daar de West-Europe· se economieën vaak al zo open en transparant zijn, dat een overheidsrol hier eerder van af· dan toenemend belang lijkt. Vgl. het artikel van de Ierse ambas-

97-lOl.

9 De Duitse diplomatie besteedt aan dergelijke taken prioritaire aandacht, zie: Staatssekretär Or Peter Hartmann, Auswärtiger Dienst und schlanker Staat, Au swärtiges Amt, Bonn, 1998, blz. 4: "Selbstdarstel· lung und Ansehen eines Staates im Aus land sind eben auch für seine politischen und aussenwirtschaftlichen Chancen ein massgeblicher Faktor". 10 Vgl. George F. Kennan, ' Diplomacy without Diplomats', in: Foreign Affairs, jrg. 76, nr. 5 (herfst 1997), blz. 198'212. Volgens Kennan zal een bilaterale ambassadeur beter in staat zijn aan te geven wat een onder· handelingsdelegatie uit diens gastland bij een internationale conferentie beweegt, alsmede beter overzi cht hebben van het bredere spectrum van belangen en beleid van dat gastland, dan multilatera le diplomaten of onderhandelaars die rechtstreeks worden afgevaardigd naar internationale conferenties. Hij breekt dan ook een lans voor algemene herwaardering van de rol van de bilaterale ambassadeur, juist ook ten behoeve van en in het verlengde van het onderhandelingsspel in internationale fora. 11 Zie ook het 4,e Benelux-jaarverslag over de samenwer· king op het gebied van buitenlands beleid, Den Haag, februari 1998. 12 Zie ook hoofdstuk 12 in: Arendo joustra, Het Hof van Brussel: ofhoe Europa Nederland overneemt, Pro met· heus, Amsterdam, 1997. 13 De Europese Commissie deed in juli 1997 reeds belangrijke voorstellen in haar veelomvattende rapport Agenda 2000. Hierin zijn de volgende onderwerpen opgenomen: de meningen ('Avis') over de kandi daat-lidstaten en de uitbreidingsstrategie; de hervorming van de Structuurfondsen; de herziening van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GlS); en de financiële perspectieven voor de periode 2000-2006. De Nederlandse bewindslieden van Buitenlandse Zaken hebben op 3 november 1997 een reactie op dit complexe en samenhangende geheel aan voorstellen aan de Tweede Kamer gezonden.

Uitgaven van Sdu Uitgevers op het gebied van (internationale) politiek en veiligheid: Eekelen, W.F. van Debating European Security,

1948-1998,

i.S.m. Centre for European Policy Studies (CEPSI, Den Haag,! Brussel, 1998. paperback, engelstalig, f 58,75, ISBN 90 399 1482 6 Elands, M. e.a., 250 jaar Genietroepen 1748-1998,

Den Haag, 1998, gebonden, f 49,50, ISBN 9012085764

Engelen, D. Geschiedenis van de Binnenlandse Veiligheids Dienst,

Haffenaar, J. en G. Teitler (red.l, De Koude Oorlog. Maatschappij en krijgsmaCht in de jaren '50,

Jensen, MW. en G. Platje, De Marid. De Marine Inlichtingendienst van binnenuit belicht,

Den Haag, 1995, gebonden, f 59,50, ISBN 90 12082501

Den Haag, 1992, gebonden.

Den Haag, 1997, gebonden, f 59,50, ISBN 90 120 8375 3

Hellema, D.A., C. Wiebes en B. Zeeman (red.), Jaarboek Buitenlandse Zaken_ Vierde jaarboek voor de geschiedenis van de Nederlandse buitenlandse politiek,

Hoffenaar, J. en J.P.M. Schoenmakers, November Romeo Treed nader! De

f 49,90, ISBN 9012066166

Nationale Reserve 19481998,

Den Haag, 1998, gebonden,

f 45,00, ISBN 90 12085756

Schoenmaker, B. en J .A.M.M. Janssen (red.), In de schaduw van de Muur, Maatschappij en krijgsmacht

rond 1960,

Den Haag, 1997, paperback, f 45,00, ISBN 9012085039

Den Haag, 1998, paperback, f 39,90, ISBN 90 12085799

Sdu Uitle ve n

JASON MAGAZINE

ElI!

Bestellingen: Sdu Servicecentrum Uitgevers Postbus 20014, 2500 EA Den Haag 070 - 3789 880 - fax 070 - 3789 783

bron van informatie voor besli sse rs

jaargang 23, nummer 2, augustus 1998

6


Een doorslaggevend succes?

Partnership for Peace vanuit Nederlands perspectief Julia Doets

Julia Doets is redacteur van jason Magazine.

Het Partnership for Peace-programma (pfp) van de NAVO werd in 1994 opgezet ten behoeve van het voormal ige Warschaupact. In het kader van het pfp organ iseert het Centre for European Security Studies (CESS) van de Rijksuniversiteit Groningen scholingsprogramma' s in Bulgarije, Oekraïne, Polen , Roemenië, Slowakije en Tsjech ië. Dit artikel is voor een groot deel gebaseerd op een interview met de heer drs. T.J. Postma, beleidsmedewerker bij het CESS.

Na de woelige jaren '80 met onder andere de discussie over burdensharing (over de kosten van de Europese veiligheid, red.) en het kruisra· kettenvraagstuk was de NAVO in 1989 eindelijk in wat rustiger vaarwater terechtgekomen. Toen viel het Ijzeren Gordijn en begon de politieke omwenteling in Oost-Europa, in 1990-'91 gevolgd door de Duitse hereniging en het uiteen vallen van de Sovjet-Unie. De dreiging waartegen de NAVO was opgericht bestond niet langer meer. Gedurende 40 jaar had men een enorme hoeveelheid mensen en materiaal tegenover het Warschaupact opgesteld. De vraag naar de bestaansreden van de organisatie kwam boven. Enkele redenen om de NAVO in stand te houden, waren: het functioneren als 'verzekeringspolis' tegen een eventuele terugkerende dreiging vanuit het Oosten en het feit dat de lidstaten dit belangrijke podium voor politiek overleg niet wilden laten verdwijnen.

IASON MAGAZINE

heroriëntatie van de alliantie zou komen en dat zij zich moest beraden op een nieuwe missie. Er kwamen belangrijke verklaringen geweest in '990 en '99', waarbij de NAVO getuigde van een scherp inzicht in de veranderde veiligheidsituatie in Europa, met nieuwe bedreigingen. Die bedreigingen komen voort uit politieke geschi llen binnen staten, zogenaamde intrastatelijke conflicten. In 1991 werd het nieuwe Strategisch Concept aangenomen . Ook gaf de NAVO al impliciet signalen over een mogelijke uitbreiding van de organisatie met de voormalige Warschaupactlanden. Dat bleek uit de slotcommuniqués van verschillende van de ha lfjaarlijkse ministeriële vergaderingen. De landen uit Midden- en OostEuropa reageerden vervolgens op die teksten en maakten hun belangstelling kenbaar voor het lidmaatschap van de NAVO. Rond de jaarwisseling van '992 naar 1993 bereikte de discussie over uitbreiding een eerste hoogtepunt. Het antwoord van de NAVO was het zogenaamde Partnership for Peace (kortweg PIP) in januari '994. I n elk geval werd besloten dat uitbreiding nog maar niet moest plaatsvinden.

Artikel 5 van het NAVO-Verdrag was de kern van de organisatie. Dat bevat de belofte dat landen elkaar steunen als één of een aantal landen van de NAVO wordt aangevallen. Toen de dreiging van buitenaf was weggeslagen, vroeg men zich af wat te doen. De NAVO reageerde daar verrassend snelop. AI in '990 gaf zij aan dat er een omvangrijke

De uitkomst van de PIP-conferentie betekende een grote teleurstelling voor de voormalige Warschaupactlanden. Het PIP omvatte geen steun zoals bedoeld in artikel 5 van het NAVOVerdrag, maar een in politieke termen opgestelde verklaring, die luidde dat er een nieuwe veiligheidsysteem in Europa zou woren opgezet. De Midden- en Oost-Europese landen beschouwden dit echter wel als het voorportaal voor lidmaatschap en besloten en masse om aan PIP deel te nemen. Het was de bedoeling van het PIP dat elk land individueel zou nadenken over de eigen bijdrage aan de NAVO. Zij moesten bezien waar hun prioriteiten lagen voor wat betreft de hervorming van de krijgsmacht.

jaargang 23, nummer 2, augustus 1998

7


Een dreiging van de terugkeer van het communisme of van een militaire dictatuur was indertijd wel degelijk aanwezig in de SovjetUnie, zoals de mislukte couppoging van 1991 liet zien. Met het aantreden van Boris jeltsin als president stabiliseerde de situatie zich enigszins. Het pfP kreeg daarna meer inhoud. Van de deelnemers aan het pfP werd verwacht dat ze een /ndividua/ Partnership Programme (IPP) zouden maken. Zo'n IPP bestaat uit een plan voor een op een land toegesneden pakket van activiteiten ter verbetering van de krijgsmacht en van de democratische controle erop. Bij IPP's ging het verder om materieel, maar ook bijvoorbeeld om de kwaliteit van opleidingen. De optelsom van alle IPP's was een gedetailleerd overzicht van hoe de Europese veiligheid daadwerkelijk in elkaar zat. Rusland is geen lid van de NAVO, maar inmiddels wel actief in de Rusland-NAVO Partnerschapsraad. Deze constructie maakte de weg vrij voor de uitbreiding van de NAVO in eerste instantie met Hongarije, Polen en TsjechiĂŤ. Het pfP leerde deze en andere Midden- en Oosteuropese landen niet alleen te denken in termen van 'consumptie' van veiligheid, maar ook van 'productie' van veiligheid. Het resultaat van de tijdwinst die voortkwam uit pfP was de Nato Study on Enlargement van september 1995. Dat document werd de basis voor een tweede hoogtepunt in de uitbreidingsdiscussie: de Top van Madrid. Toen werd besloten de drie genoemde landen uit te nodigen om onderhandelingen te beginnen voor lidmaatschap van de NAVO, die in december 1999 worden afgerond. Intussen werd door de Middenen Oost-Europese landen en ook Westeuropese landen aangegrepen als een paraplu om al bestaande assistentieprogramma's te kanaliseren .

Een PfP-activiteit wordt gefinancierd door de NAVO-lidstaat die het betreffende onderdeel uitvoert. De NAVO kent een zogenaamde pfP Coordination Cell, die zetelt in Mons.

Die cursussen zijn door het CESS gestart, voordat het PfP er was. Zijn die langzaam ingebed in PfP? "Het CESS is sinds 1993 vooral actief in het adviseren van ministeries van defensie over hoe zij hun educatieve structuren kunnen verbeteren. Omdat wij van mening zijn dat de transformatie van de krijgsmachten op korte, middellange en op lange termijn daarbij gebaat is. Het is belangrijk die mensen beter op te leiden, zodat zij later in staat zijn om noodzakelijke veranderingen gestalte te geven. Daarom is het CESS begonnen met het in eerste instantie opleiden van mensen daar, door middel van het geven van cursussen in de regio. Later heeft het CESS gepoogd die cursussen te institutionaliseren. Om te komen met ideeĂŤn die de landen, waarin wij werken, kunnen gebruiken om hun curricula voor militaire educatie te veranderen en te verbeteren."

Dergelijke educatie bestond soms ook helemaal niet? "Soms is educatie van een bepaald niveau niet voor handen, omdat bijvoorbeeld van de hoogste militaire en civiele rangen, de opleiding in Moskou plaatsvond en niet in de lidstaten zelf. De Tsjechische Republiek is daar een goed voorbeeld van Zij hebben pas sinds 1996 een volledig programma voor de opleiding van hun topfunctionarissen. Het CESS heeft bijgedragen aan het ontstaan van dat programma."

Hoe worden de projecten van het CESS gefinancierd?

"Het CESS is ontstaan vanuit het Institute voor East West Security Studies in New York, waar professor Peter Volten een hoge functie had (nu hoogleraar aan de faculteit Beleid en Bestuur in Internationale Betrekkingen te Groningen, red.). Na 1989 wilde hij heel graag actief iets doen in de landen van het voormalige War-

"Het CESS wordt gefinancierd op projectbasis en onze sponsors, zijn, vanaf het begin tot nu geweest, in willekeurige volgorde: de Europese Unie in de vorm van de democratiseringsprogramma's PHARE en TACIS, de Nederlandse regering, de Duitse regering, de Zwitserse regering en de Britse regering. Wat wij doen in sommige gevallen, is het uitvoeren van de beleidsdoelstellingen van die staten. Op het moment dat staten als beleidsdoelstelling hebben het verbeteren van democratische controle of het

jaargang 23, nummer 2, augustus 1998

8

Mijnheer Postma, hoe ontstond het CESS en welke rol speelt het bij de uitvoering van het PfP?

JASON MAGAZINE

schaupact. Daar is een eerste project uitgekomen, dat heel succesvol was. Toen hij terugkwam in Nederland heeft hij dat met zich meegenomen en rondom dat project is het CESS opgezet. Wij, de staf van het Centre, hebben steeds verder dat oorspronkelijke project - dat waren mobiele cursussen in de regio - uitgebreid, zodat we in sommige gevallen echt heel nauw met autoriteiten in Centraal- en OostEuropa samenwerken om hun militaire educatie duurzaam te verbeteren."


assisteren bij een politieke transformatie en onze programma's passen in die doelstelling, dan is de weg vrij om ons te financieren ."

In welke landen is het CESS op het ogenblik werkzaam? "Toen het pfp kwam, heeft het CESS zijn werkterrein uitgebreid en allerlei educatieve activiteiten opgezet in zes Centraal- en Oosteuropese landen. Dit zijn Tsjechië, Slowakije, Polen, Bulgarije, Roemenië en Oekraïne. In al die landen heeft het pfp zo'n kanaliserende werking gehad , die ik zojuist noemde. Vaak worden onze projecten, zoals een internationale stafcursus in Bulgarije of een aantal managementscursussen, die wij doen in Slowakije, door de ontvangende kant, onze samenwerkingspartners van het ministerie van defensie daar, gebruikt om aan de NAVO te laten zien dat zij serieus bezig zijn met het verbeteren van de kwaliteit van hun organisatie."

Waarom loopt dit soort projecten eigenlijk via non-gouvernementele organisaties (NCO 's), zoals het CESS en worden ze niet uitgevoerd door gouvernementele internationale organisaties, bijvoorbeeld in dit geval de NAVO zelJ? "Ik denk dat ik wel kan zeggen dat sommige activiteiten die wij doen , dat de NAVO die eigenlijk zelf zou willen doen. Maar over die mogelijkheid beschikken ze niet. Ze hebben er de menskracht niet voor en in sommige gevallen is het politiek onmogeli jk dat de NAVO zich bemoeit met een bepaalde kwestie in een land, dat kan

terie van defensie. Voor deze pfp-activiteit zijn eigenlijk alle pfp landen uitgenodigd. Het mooie, en dat is echt Pfp, is dat westerlingen en mensen uit het Oosten , naast elkaar in de banken zitten om te leren over Europese veiligheid. Een ander aspect dat aan bod komt betreft de civiel-militaire betrekkingen , waarbij militairen en ambtenaren uit lidstaten samen met militairen en ambtenaren van niet-lidstaten over dezelfde onderwerpen praten. Ik ben van mening dat, met name de eerste jaren na '89, de coöperatie tussen Oost- en Westeuropese landen een nogal eenzijdig karakter had . De Westeuropese landen zeiden van zo doen wij het en wij doen het goed, dus als jullie slim zijn pakken jullie het ook zo aan . Echter, op een gegeven moment moeten landen op gelijkwaardige basis kunnen samenwerken ."

En is er langzamerhand sprake van zo'n 'gelijkwaardige basis', zoals u het noemt? "Dat is één van de mooie uitvloeisels van het pfp. Was het vroeger zo, om het maar even heel zwart wit te zeggen, dat de westerlingen voor de klas stonden en de Oosteuropeanen in de zaal zaten, nu is dat gemengd in dat soort activiteiten. Ik merk dan ook in gesprekken met zowel West- als Oosteuropese deelnemers dat dit soort cursussen enorm op prijs wordt gesteld . Bovendien blijkt tijdens de gedachtenwisseling tussen Bulgaren , Armeniërs, Polen, Tsjechen en Slowaken , en de Westeuropese beleidsmakers dat zij heel ander idee hebben over Europa . Dat is soms een schok voor hen ."

gewoon niet. "

Omdat zo'n onderwerp dan te gevoelig ligt? " In sommige gevallen ligt dat te gevoelig. En dan is het alleen mogelijk voor een NGO als het CESS om zich vrij te bewegen. Wij zijn 100 procent ongebonden, wij kunnen dingen zeggen, die mensen die staten vertegenwoordigen of internationale gouvernementele organisaties vertegenwoordigen , niet kunnen zeggen . Wij kunnen dingen ter discussie stellen die politiek gevoelig zijn . En het gaat ons ook niet om het forceren van een bepaalde politieke beslissing. Het gaat ons alleen om het verbeteren van inzichten in Europese veiligheid ."

Kunt u misschien een voorbeeld geven van een activiteit die het CESS organiseert in het kader van het PfP?

JASON MAGAZINE

Kunt u daar een voorbeeld van geven? Van dingen die naar voren komen, die anders bleken te zijn dan wij, in het Westen, gedacht hadden? "Een heel simpel voorbeeld is dat het voor mensen bij Westeuropese ministeries van defensie het vaak moeilijk is zich voor te stellen in welke omstandigheden hun collega's in Centraal- en Oost-Europa , hun werk moeten doen. Als er dan tijdens zo'n cursus, die een maand duurt en dus een hele belangrijke sociale component heeft, gediscussieerd wordt hoe de organisatie eruit ziet en welke facil iteiten zij tot hun beschikking hebben , dan zie je dat het respect van de Westerse deelnemers voor die Oosteuropeanen groeit."

Hoe zijn de omstandigheden, waarin zij werken?

"Een goed voorbeeld is een internationale stafcursus van een maand, die wij in 1996 en 1997 hebben gegeven. Dit project loopt in de Bulgaarse plaats Varna, aan de Zwarte Zee. Het initiatiefhiervoor komt van het Bulgaarse minis-

"Om een voorbeeldje te noemen; een gesprek waar ik bij was tussen een Nederlandse majoor en een Bulgaarse majoor, die adressen uitwisselden. Op het kaartje van de Bulgaar stond echter geen telefoonnummer. De Nederlander vroeg: "Hoe kan dat nu?" Waarop de Bulgaar

jaargang 23, nummer 2, augustus 1998

9


zei: "Nou, ik zit in het gebouw ernaast, waar geen telefoon is." Met andere woorden, je hebt te maken met een belangrijke militaire faciliteit, waarbij één van de topmensen uit die faciliteit... dat was de luchtmachtacademie in Pleven , een gebouw waar 300 mensen werken, waar dus geen telefoon is. Voor mensen die hier in Nederland ambtenaar of militair zijn, is dat een onvoorstelbare situatie. N u is Bulgarije dan naar onze maatstaven een arm land, maar in landen die nog iets verder weg liggen, zoals Armen ië en Albanië, is de situatie nog moeilijker."

U zei al dat het initiatiefbij het Bulgaarse ministerie van defensie ligt. Wat zijn de motieven daarvoor? " Het geeft de Bulgaren de mogelijkheid om gastvri j te zijn, om niet alleen te steunen op bliksembezoekjes van ministers van defensie met gevolg, of een staatssecretaris, of een NAVOgeneraal. Het geeft de Bulgaren de kans om Bulgarije te presenteren als een land dat iets wil betekenen in Europa. Dat de wereld eigenlijk wel wil informeren over Zuid-Oost-Europa en over de situatie, zoals die in de Balkan is . Omdat men voelt dat daar de nodige vragen over bestaan in West-Europa en Noord Amerika. Men zegt: kom dan maar eens naar Bulgarije toe, kom dan maar eens kijken hoe het hier is en volg dan maar gewoon een cursus, waar we over dat soort dingen kunnen gaan praten . En dat vind ik heel nuttig."

Hoe is over het algemeen de reactie van Westeuropese deelnemers aan die cursus? "De Westeuropese deelnemers, dat waren vooral Nederlanders, Italianen , Grieken en Fransen tot nu toe, vonden het te lang, een maand in zo'n oord, feitelijk opgesloten. Maar zij beschouwden het wel als een ervaring die hen duurzaam veranderd heeft. Ze hebben een veel genuanceerder beeld van wat die landen uit Centraal- en Oost-Europa kunnen en niet kunnen en waarom dat dan zo is."

En komen er tijdens zo'n training ook onverwachte dingen naar voren? Heeft zo'n training aspecten die jullie van tevoren niet voorzien hadden? "Als je zo lang met elkaar optrekt in zo'n cursus, dan zijn er dingen bespreekbaar, die eigenlijk onbespreekbaar zijn. Een voorbeeld is de scheiding van Tsjechië en Slowakije. Tijdens een van die cursussen zaten een Tsjech en Slowaak broederlijk naast elkaar te praten in het Tsjechisch, die trokken enorm naar elkaar toe. Wat aan een Italiaan de opmerking ontlokte: "Why did JASON MAGAZINE

jaargang 23, nummer 2, augustus 1998

you split up the country anyway? You seem to be good friends." En dat lijkt een hele grappige of naïeve vraag, maar de Tsjech en de Slowaak kijken elkaar sprakeloos aan en vragen zich vervolgens af wat voor antwoord ze daarop moeten geven. Dus dat levert zowel grappige als nuttige momenten op."

Wat voor soort activiteiten organiseert het CESS nog meer? "Eind vorig jaar heb ik een tweedaags seminar georganiseerd voor Bulgaarse parlementariërs, waarin we ons door middel van een simulatiespel bezig hielden met een case-study over de aanschaf van een nieuw type gevechtsvliegtuig. Hierbij was er de keuze tussen een Russisch en een Amerikaans toestel. Daar komen allerlei overwegingen bij kij ken , die gedeeltelijk technisch, gedeeltelijk economisch en gedeeltelijk politiek zijn. Uiteindelijk moet er een besluit genomen worden: Bulgarij e gaat dat en dat vliegtuig kopen als het daar geld voor heeft. Door zo'n case-study ga je in heel kort bestek door een politieke discussie. Bijvoorbeeld de werkgelegenheid, de Amerikanen bieden dan aan een fabriek te bouwen , maar zijn veel duurder. Een voordeel van Russische toestellen is dat ze die al hebben, du s al de kennis in huis hebben om ze te gebruiken. Aan de andere kant willen zij lid worden van de NAVO, dus kunnen ze eigenlijk beter Amerikaanse toestellen nemen, dan zijn ze meer compatible. Het oefenen van zulk soort debatten is ontzettend nuttig."

Als ik zo naar u luister, klinkt het alsof het PjP een groot succes genoemd kan worden? Is dat zo? "Het heeft ervoor gezorgd dat er, in eerste instantie, tijd is gewonnen om beter na te denken over die uitbreiding. Daarnaast heeft het een schat aan informatie opgeleverd over de intenties van landen hoe men denkt over Europese veiligheid . Dan is er nog het genoemde, het denken in termen van 'consumptie' én 'productie' van veiligheid . Dat zijn voor mij de drie grote pluspunten van het pfp-programma. Het pfp is door niemand gezien als een strategische bedreiging of een politieke provocatie. Het is geen ingewikkeld verdrag waar lang over geruzied is. Nee, het is gewoon een algemene bereidheid van landen om samen na te denken en samen te werken. En juist omdat het zo lowkey was, zijn de resultaten des te spectaculairder te noemen."

Hoe ziet u de politieke en militaire transformatie van Centraal- en Oost-Europa in de toekomst? "Ik denk dat het van heel groot belang is om 10


de landen die niet tot die eerste golf behoren het gevoel te geven dat ze er wel degelijk bijhoren en dat ze niet vergeten worden. Ik denk dat de de mogelijkheid lid te worden van de NAVO - en dat geldt ook voor de EU natuurlijk - een belangrijke stimulans is voor landen die het nu heel moeilijk hebben . Voor hen is dat de stimulans om, ondanks de problemen die ze hebben , door te gaan met het democratiseringsproces."

Die motivatie moeten ze niet verliezen? "Ja, de Westerse landen en de drie nieuwe lidstaten, met name die drie nieuwe lidstaten, hebben een belangrijke verantwoordelijkheid om hun buurlanden, hun voormalige bondgenoten, om die gerust te stellen en om die heel goed te betrekken bij hun nieuwe situatie."

economie,"

Maar niet alleen zij, ook de huidige lidstaten van de NAVO, moeten er dus voor waken dat deze landen dat optimisme, die stimulans behouden?

"Ik denk dat ze dat over het algemeen te wei nig zien en ik denk dat hun houding te veel er één is van : zo wij zijn nu binnen , heel zwart-wit gezegd. Maar er zijn ook hele positieve ontwikkelingen. Eén van de voorbeelden daarvan is dat Hongarije besprekingen voert met Roemenië, over het feit dat Hongarije de belangen van Roemenië zal behartigen , bij besprekingen in NAVO-verband. Of daar ook iets van terecht

"Ja, ik denk om het maar eens heel realistisch te zeggen, dat het in ons belang is dat die lan den in staat zijn een uitgebalanceerde buitenlandse en veiligheidspolitiek te kunnen voeren . Ik denk dat dat uiteraard in ons belang is . Daarom is het ook zo belangrijk om de democratisering en de sociale, politieke en economische transformatie in die landen te steunen . Dergelijke structuren zijn noodzakelijk voor stabiliteit in Europa . Het is van het allergrootste belang dat de NAVO, maar ook de Europese Unie, zijn buitengrenzen zo permeabel mogelijk maakt. De activiteiten van het CESS zijn er in ieder geval op gericht om nieuwe scheidslijnen in Europa te helpen voorkomen ."

jaa rgang 23 , nummer 2, augu s tus 1998

11

Zien ze dat in, zal dat gebeuren?

JASON MAGAZINE

komt weet ik niet. Maar ik denk dat met name landen die het moeilijk hebben en dan bedoel ik vooral economisch moeilijk, zoals Bulgarije en Roemenië, dat die landen het idee hebben ; we worden weliswaar geen lid van die club, maar onze toekomst ligt wel in Europa . Onze toekomst ligt in democratie en in het verder ontwikkelen van een op marktwerking geba seerde


jason{orum

Heeft de Nederlandse krijgsmacht nog toekomst? Hans van der Lee

Hil ns viln der Lee is redacteur vil n Jason Milgazine.

In het tot de nok gevulde Defensie Voor· lichting Centrum vond op 22 april jl. het tweede Jason·forum plaats. Onderwerp was de toekomst van de Nederlandse krijgsmacht. Deelnemers waren generaal b.d. H. Couzy (oud· Bevelhebber der Land· strijdkrachten) , drs. J.Th . Hoekema (Twee· de· Kamerlid voor D66), drs. T. Pitstra (Eer· ste·Kamerl id voor Groen Links) en dr. P.M .E. Volten (d irecteu r van het Centre for European Security Studies) .

Onder de vakkundige leiding van generaal· majoor mr. drs. C. Homan (directeur van het Instituut Defensie Leergangen) kregen de ruim 100 toehoorders een pittige discussie voorge· schoteld . In zi jn inleiding presenteerde de voorzitter enkele nuchtere cijfers. Het Defensiebudget is sind s '990 met 27 procent gedaald, van 3,1 naar 1,9 procent van het Bruto Nationaal Product, en kwam daarmee onder het NAVO·streefcijfer (2,2 procent). Als gevolg hiervan heeft de krijgs· macht nu 40 procent minder personeel dan in '990; er zijn 30 procent minder schepen en vliegtuigen dan in '990. Groen Links·senator Pitstra onderscheidde twee taken· vredesoperaties en verdediging van het grondgebied· en beschreef hoe zijn partij na de toestand met de Koerden in Noord·lrak uit· kwam op 'herijkt pacifisme': d.w.z. humanitaire interventie is toegestaan. Een vervlechting van beide taken acht hij onjuist. Het op de been houden van een groot defensie·apparaat van uit de gedachte "Je weet maar nooit" vindt hij zin· loos. De eerste taak moet worden omgebouwd; de heer Pitstra toonde zich daarbij voorstander van een staand VN·vredes leger. Hij eindigde zijn betoog met de stelling dat als de Neder· landse krijgsmacht alleen vredestaken heeft, zij in de huidige omvang nog veel te groot is.

lASON MAGAZINE

jaargang 23, nu mmer 2, augustus 1998

Tweedel ing

De heer Hoekema signaleerde een tweedeling na het debàcle van Srebrenica (1995): CDA en VVD staan terughoudend tegenover nieuwe vre· desoperaties door Nederland; D66 en PvdA hebben een genuanceerder standpunt. Deelna· me met vier bataljonstaken tegelijk blijft volgens de D66·er mogelijk. In het partijprogramma van D6 6 staat 1 mil · jard gulden aan bezuinigingen op Defen sie. Waar wil Hoekema dat geld vandaan halen? Het onderscheid in taken van Groen Links vindt hij prakti sch onuitvoerbaar, omdat hetzelfde mate· rieel en personeel voor beide taken kan worden ingezet. De landmacht is al zwaar getroffen, daarom moeten de luchtmacht en de marine dit maal inleveren : het aantal F·, 6's en fregatten, de onderzeedien st en de marineluchtvaartdien st staan voor hem ter discu ss ie . Verder kan wor· den bezuinigd bij de centrale organisatie en op i nformatietech nologie. Oud ·bevelhebber Couzy koos een andere invals· hoek en stelde de vraag "Wat willen wij met Defen · sie in de komende perio· de? " Hij vindt dat de Prio· riteitennota (1992) niet langer als leidraad kan dienen , gezien de ontwik· P.M.E. Volten: "De middelen beperken de doelstellingen."

kelingen sindsdien . Zware eenheden zij n ab sol uut

noodzakelijk voor vredes. operaties , aldu s Couzy. H ij noemde de luchtmobiele brigade een con· cept van '5 jaar geleden , geba seerd op rapporte· ren en waarnemen , niet op vechten . Volgen s hem moet het leger overgaan van tankeenheden op pantserinfanterie·eenheden , ook de lucht· mobiele brigade. Er kan worden bezuinigd op huisvesting, oefeningen in het buitenland , per· (foto 1"001

12


soneel swerving en reserveonderdelen . Het behoeft geen verbazing te wekken dat de heer Couzy eveneens aan de luchtmacht en de marine denkt. Hij noemde tenslotte 2015 als richtpunt voor het op zijn plaats hebben van een nieuwe organisatie.

Professor Volten, in de jaren '80 auteur van het geruchtmakende boekje Voor hetzelfde geld meer defensie, waarin hij pleitte voor vergaande taakspecialisatie van de Nederlandse krijgsmacht, stelde dat zijn benadering van destijds achterhaald is. Niet de doelstellingen beperken de middelen, maar andersom, zei hij . Daarop volgde een mini-college compleet met schoolbord, met daarop in een grafiek 'het gat van Volten ', waarmee hij illustreerde dat zonder prijscompensatie in 2009 nog maar 66 procent van de huidige capaciteit over is . Hij is het eens met 2015 als richtpunt, maar zei dat de vraag moet luiden "Waar zijn wij goed in?" Bij vredestaken te ver van huis voorziet hij weinig animo; de NAVO-taken acht hij belangrijk voor de binding met de maatschappij. De Nederlandse landmacht heeft geen militaire traditie, daarom zou hij voor peacekeeping alleen commando's en mariniers inzetten. Volten noemde nog een probleem: de VS verlangt steun van haar bondgenoten voor het nieuwe Strategisch Concept van de NAVO; in elk geval kost de uitbreiding met Hongarije, Polen en Tsjechië Nederland 200 miljoen gulden.

acht criminaliteitsbestrijding door de krijg smacht een slecht idee. Volten ziet verstrekkende gevolgen voor de operationele mentaliteit bij een al te drastische vredesinzet, zoals het geval was bij Russische militairen die aardappelen oogstten. In het licht van de posi tie van Nederland als wapenexporterend land, vroeg een toehoorder aan de heer Pitstra wat er zou gebeuren met het surplus aan

materieel,

wanneer

Nederland zich alleen richt op vredestaken . De senator moest het antH . Couzy: "Van notarisklerk woord schuldig blijven. geen infanterist maken." Op een vraag over de rela(foto ministerie van Oefen· sie) tie tussen de plannen van de VS en de bezuinigingen antwoordde Hoekema dat omvorming van de NAVO tot reële planning en reële doelen leidt. De heer Volten stelde dat het defensiebeleid in feite al 'gerenationaliseerd' is ; de Defence Planning Questionnaire van de NAVO is een stuk minder belangrijk geworden .

D iscu ssie

Over de vraag van de heer Homan hoe om te gaan met het wervingsprobleem werd verschillend gedacht. Het door Volten als zandhazenimago gekwalificeerde beeld is volgens Couzy geen typisch Nederlands probleem . De oudbevelhebber ziet meer in een financiële prikkel , dan in studeren in het leger. Nadruk op het avontuurlijke, uitdagende kan helpen. Hij wil niet met valse voorwendselen een notarisklerk tot infanterist maken . Hoekema acht scholing en studie wel degelijk een extra motief voor geïnteresseerden. Verder moet de contractduur van BBT-ers worden verlengd . Pitstra vindt het idee van PvdA-senator Zijlstra wel sympathiek om hoogopgeleiden met een hoge studieschuld te lokken met het vooruitzicht van aflossing aan het einde van hun dien stverband . De voorzitter stipte vervolgens het vervagende onderscheid aan tussen interne en externe veiligheid. Hij vroeg of er op dat gebied geen taken zijn . Hij noemde de Marechaussee en de kustwacht als voorbeeld . Pitstra en Hoekema staan hier positief tegenover; de laatste ziet grenzen op het vlak van bevoegdheden. Couzy IASON MAGAZINE

jaa rgang 23, nummer 2, augustus 1998

Vacatures bestuursleden Binnen het Dagelijks Bestuur van de stichting jason komen dit najaar diverse functies vrij . Wij zoeken daarom gemotiveerde studenten of werkende jongeren met bestuurservaring en kennis van internationale politiek, die zich minimaal1 jaar willen inzetten.

Geïnteresseerd? Stuur dan zo spoedig mogelijk een brief met e.v. naar:

stichting jason t.a.V. johan Posseth Laan van Meerdervoort 96 2517 AR Den Haag

Voor meer informatie draait u tijdens kantooruren 070 - 3789331 (Hans van der Lee) .

13


Inflatie van mensenrechten? Stefan Trechsel

Eind september vindt het tweede congres van de Jason-S.I .B.-campagne plaats. Het thema is mensenrechten. Dit artikel is een voorproefje op de them atiek.

Dr.

St ~fa n

voor:zi lt~r

Tre(hs~1

van

is

d~

Europ~s~ Commissj~ voor d~ R ~ch t ~n van d ~ Mens en

hoogl~r a ar St rafr~cht ~n St ra fproc~s r~cht Unjv~rsjt~jt

aan d~ van Sankt

G a ll~n, Zwj l s~ rland. Hij sch r~~f d~z~ b jj d rag~

op

persoonlijke tit~1.

JASON MACAZINE

"Inflatie van mensenrechten" . Is deze titel, ondanks het vraagteken , geen schandalige hypothese? In de afgelopen 50 jaar stonden de mensenrechten in een groot deel van de wereld prominent op de agenda. Mensenrechten zijn een belangrijk aandachtspunt van de Verenigde Naties en de grote regionale organisaties in Afrika , Amerika en Europa. Non -gouvernementele organisaties (NCO's) als Amnesty International en Human Rights Watch zijn erg populair geworden. Je kunt geen krant openslaan zonder over een zaak te lezen die met mensenrechten te maken heeft. En, zoveel is duidelijk, niemand lijkt tegen mensenrechten te zijn . Er is op dit gebied veel bereikt en ik kan het niet beter zeggen dan Thomas Buergenthal: "Over the past fifty years, the individual human being has gradually acquired a growing number of internationally recognized human rights and obligations. Human beings have to this extent become subjects of international law in their own right. This development gives meaning to the proposition that the last half century has witnessed the internationalization of human rights and the humanization of international law. What we have here is a still evolving pro路 cess th at began with the adoption of the U N charter and continues to this day ... " 1 Strijdpunten blijven er, zoals over de vraag welke rechten moeten worden gezien als mensenrechten en - belangrijker nog - wie erop moet toezien dat deze in een staat worden gerespecteerd. Droevig genoeg is er ook een andere kant van de balans: mensenrechten worden nog steeds op grote schaal ernstig geschonden - voormalig Joegos lavi毛, Rwanda en Algerije zijn slechts de bloedigste voorbeelden , maar er is vrijwel geen land ter wereld waar geen enkele schending jaa rgang 23, nu mmer 2, augustus 1998

plaatsvindt. Laat er dus geen twijfel over bestaan dat de wereld ondanks het bereikte nog steeds behoefte heeft aan meer en betere bescherming van de mensenrechten . In economische termen zijn mensenrechten een schaars goed , met een vraag die het aanbod verre overtreft. Hoe komt het dat wij desondanks kunnen spreken van inflatie? De term inflatie slaat op hoeveelheid en het is verleidelijk om een li jst op te sommen van alle internationale rechtsbronnen die van belang zijn voor de bescherming van mensenrechten . Dat zou al snel saai worden. Er zijn ook nogal wat vragen over wat er op die lijst zou moeten staan: alleen verdragen of ook verklaringen en aanbevelingen, zoals bijvoorbeeld de diverse minimumvoorwaarden inzake vrijheidsberoving. Moet het humanitair recht ertoe worden gerekend? Moet er onderscheid worden gemaakt tussen verdragen met betrekking tot de mechanismen van tenuitvoerlegging? Volgens een recente telling bedraagt het aantal verdragen niet minder dan 72.' Verklaringen zijn niet meegeteld, maar aanvullende protocollen w茅l.l Momenteel zijn er 28 internationale teksten over foltering.4 Dit cijfer is inclusief verklaringen , dat wil zeggen teksten die niet juridisch bindend zijn. Ik sta kritisch tegenover dit soort aantallen . Dit verplicht mij de vraag te beantwoorden: wat is er verkeerd aan een dergelijke grote hoeveelheid verdragen, verklaringen en aanverwanten?

Voordelen van veelheid Laat mij beginnen met enkele positieve aspec路 ten van een veelheid van regels en verdragen. , . Alles dat wordt gedaan in het kader van mensenrechtenbescherming moet worden toegejuicht. Het is bemoedigend om te zien hoe niet alleen idealisten en NCO's, maar ook politici en zelfs regeringen bereid zijn om - zij het vaak door ondertekening in plaats van ratificatie - zich onderwerpen aan instrumenten voor de bescherming van mensenrechten .


2. Een aantal recente instrumenten heeft betrekking op kwetsbare leden van de samenleving, zoals kinderen, godsdienstige minderheden , vrouwenS, gastarbeiders of vluchtelingen. Afgezien van het feit dat adequatere mensenrechtenbescherming het lot van deze personen kan verbeteren, vormt dit een erkenning van de legitieme vraag naar bescherming van deze categorieën. 3. Sommige instrumenten zijn bedoeld om gebreken van het ene ten opzichte van het andere instrument te verhelpen. Dit was de gedachte achter Aanvullend Protocol nr. 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM, 1950). Een belangrijker voorbeeld is Protocol nr. 6, waarmee de doodstraf is afgeschaft en dat als het ware de ongelukkige aanvaarding van deze strafin artikel 2, § 1 EVRM amendeert. 4. Waar instrumenten bedoeld zijn om een regering onder druk te zetten, kan een veelheid aan pressiegroepen de druk, en daarmee de kans op succes, verder vergroten. 5. Een veelheid aan instituties - inclusief NGO's - die informatie verzamelt leidt tot een gedetailleerder en nauwkeuriger beeld van de toestand van de mensenrechten in een bepaa ld land . Op deze manier zorgt zij voor een meer solide basis waarop, bijvoorbeeld, een besluit kan worden genomen dat een regering een vreemdeling niet mag uitwijzen, onder Regel 36 van de procedureregels van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (ECRM). Er zijn echter wel degelijk gevaren die samenhangen met de proliferatie van instrumenten en instituties. Uitbreiding binnen het systeem Wij bekijken eerst de gevaren van aanvullende, substantiële waarborgen binnen een bestaande organisatie. Zoals bekend zat de Raad van Europa bepaald niet stil sinds de aanvaarding van het EVRM. Afgezien van het hervormen van procedures van tenuitvoerlegging is keer op keer de lijst van beschermde rechten uitgebreid. Protocol nr. 7 en een ontwerp van Protocol nr. 12 (dat nooit is aangenomen) mogen als illustratie dienen. Protocol nr. 7 diende een zeer specifiek doel. Hoewel het voorbereidende werk voor het EVRM en het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten van de VN (hierna : BuPo-verdrag, 1966) in eerste instantie parallel liep en de wederzijdse invloed groot was 6 , werd het EVRM zestien jaar eerder getekend dan het BuPo-verdrag. In de tussenliggende periode ging het werk aan de laatste gewoon door en daaruit zijn dan ook de ontstane verschillen te verklaren. De Commissie van Deskundigen die de zaak

JASON MAGAZINE

jaargang 23. num mer 2, augustus 1998

onderzocht, rapporteerde in augustus 1970 dertig verschillen: de waarborgen in het BuPo-verdrag waren vaak ruimer dan die in het EVRM. Om een uniform niveau van bescherming onder het Europese stelsel te bereiken , werd een Aanvu llend Protocol voorbereid. Een vroege versie van dat protocol bevatte rechten als het recht om "te communiceren met een raadgever van zijn eigen keuze" (artikel 14, § 3 [b] BuPo-verdrag) en het recht om "niet gedwongen te zijn tegen zichzelf te getuigen of schu ld te bekennen" (artikel 14, § 3 [g] BuPo-verdrag). Kritiek leidde tot het intrekken van het ontwerp, hoewel het belang van deze waarborgen voor een eerlijke procesgang wel werd onderkend . De redenering was dat deze waarborgen ook uit het EVRM konden worden afgeleid door interpretatie van de notie 'eerlijke procesgang'. Je kunt je afvragen of het Aanvullend Protocol niet simpelweg dubbelop was, een onschuldi ge, zelfs nuttige specificatie? Dat zou zo zijn als de verdragsluitende staten allen het protocol zouden ratificeren. De ervaring heeft · uitgewezen dat dit niet automatisch mocht worden verwacht; op dit moment is geen enkel Aanvullend Protocol van het EVRM geratificeerd door alle staten die partij zijn bij dit verdrag. Zodra een bijzondere waarborg zijn eigen artikel of paragraaf heeft gekregen, zal interpretatie uitwijzen dat deze geen deel uitmaakt van de algemene waarborg. Daardoor zou het vrijwel onmogelijk worden - zoals later zou gebeuren in de Straatsburgse rechtspraak 7 - om artikel 6 EVRM zodanig te interpreteren dat de bijzondere waarborgen kunnen worden ingeroepen tegenover een staat die het betreffende protocol niet heeft geratificeerd. Dit was in elk geval de werkwijze van de ECRM toen zij. in het verzoekschrift Guzzardi 11, het bevel om in een bepaa lde woonplaats te wonen een beperking achtte van het recht op bewegingsvrijheid van artikel 2 Protocol nr. 4 en daarom niet tevens kwa lificeerde vrijheidsberoving volgens artikel 5 EVRM.8 Recenter waren er plannen voor een 12e protocol over de rechten van gevangenen .9 Gezien de reacties van de ECRM en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna : Hof) werd ook hier het werk gestaakt; de meeste waarborgen die erbij zouden komen, werden immers al bestreken door het EVRM . Meerdere, gelijktijdige rechtsbronnen Een ander gevaar schuilt in de 'overlap' tussen instrumenten van mensenrechten bescherming. Er zal nauwelijks sprake zijn van strijd tussen het Amerikaanse en het Europese verdrag ofhet Afrikaanse Verdrag voor de Rechten van de Mens, omdat zij van toepassing zijn op verschillende regio's . Een confiict in toepassing kan optreden op twee manieren: tussen algemene 15


JASON MAGAZINE

instrumenten die verschillende geografische gebieden bestrijken en tussen algemene en bijzondere instrumenten voor verschillende gebieden of voor hetzelfde gebied. In veel Europese landen gelden zowel het EVRM als het BuPoverdrag, terwijl in de Europese Unie daarnaast de mogelijkheid bestaat van autonome bescherming door het Europese Hof van Justitie in Luxemburg; staten die partij zijn bij het EVRM die zijn voortgekomen uit de Sovjet-Unie, zoals Moldavië of Oekraïne, zullen het Mensenrechtenverdrag van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS) hebben geratificeerd. Bovendien worden zaken als foltering en discriminatie in Europa bestreken door de algemene instrumenten én door de (VN- en Europese) verdragen tegen foltering of discriminatie naar geslacht. Strijd tussen bijzondere instrumenten is ook mogelijk. Di scriminatie van een ls-jarig gekleurd meisje op Barbados kan worden behandeld onder het BuPo·verdrag, het Ameri· kaanse Mensenrechtenverdrag, het Verdrag over de Rechten van het Kind , het Verdrag ter Eliminatie van alle vormen van Rassendiscrimi· natie of het Verdrag ter Eliminatie van alle vor· men van Discriminatie van Vrouwen. Als het kind een vluchteling of een gastarbeider is , kun· nen nog meer instrumenten van toepassing zijn . Deze 'coëxistentie' van instrumenten heeft verschillende implicaties. Op het internationale vlak is er vaak een regel die de verhouding tus· sen instrumenten specificeert, maar niet een die zich richt op problemen die voortvloeien uit de verschillende reikwijdtes van de waarborgen . Ik beperk mij tot de coëxistentie van EVRM en BuPo-verdrag. Een voorbeeld inzake het VN·ver· drag tegen Foltering volgt verderop. Er zijn twee aspecten te onderscheiden: een verschil kan liggen in de tekst van een verdrag of is het gevolg van een verschil in rechtspraak. Een verschil in verdragstekst bestaat bijvoorbeeld waar artikel 26 van het Bupo-verdrag een algemene waarborg bevat van gelijkheid en bescherming tegen discriminatie, terwijl artikel 14 EVRM slechts discriminatie verbiedt "in het genot van de rechten en vrijheden uit het (EVRM, red.)" . In de zaak-Breiiny v. de Republiek Slowakije'" klaagde verzoeker over discriminatie. Zijn eis van restitutie was verworpen , omdat hij geen persoon was met de Slowaakse nationaliteit die woonachtig was in de Republiek Slowakije. De ECRM was van mening dat de eis niet ging over 'bezit' in de zin van artikel 1 Protocol nr. 1; de kwestie van discriminatie speelde daarom niet en verzoeker werd niet-ontvankelijk verklaard. De VN-CRM hoefde zich niet te buigen over deze kwestie en concludeerde in een soortgelijke zaak tegen de Republiek Tsjechië, dat verzoeker Simunek het slachtoffer was

geweest van discriminatie. ll Een ander verschil bestaat in de manier waarop de instrumenten de onderwerpen definiëren waarop de waarborgen van toegang tot de rechtsgang en eerlijke procesgang van toepas· sing zijn. Onder het EVRM is de formule 'buro gerlijke rechten en plichten ', het BuPo-verdrag spreekt van het bepalen 'van zijn rechten in een rechtszaak '. Een Franse ambtenaar genaamd Casanovas klaagde in eerste instantie bij de ECRM over de lange duur van de administratie· ve procedure rond zijn ontslag. Verzoeker werd niet·ontvankelijk verklaard , omdat diens verzoek niet lag binnen de reikwijdte van het EVRM : bij confiicten inzake ambtenaren zijn geen 'burgerlijke' rechten en plichten in het geding. 12 Dezelfde verzoeker richtte zich daarop tot de VN-CRM en die verklaarde hem ontvanke· lijk; uiteindelijk vond men daar echter dat er geen sprake was van een schending. 'J Verschillen in de interpretatie van identieke teksten traden bijvoorbeeld op inzake de uitwijzing van een persoon onder dreiging van de doodstraf in het land waarnaar zou worden uitgewezen. Waar de ECRM verzoeker Kirkwood niet-ontvankelijk verklaarde, aanvaardde zij later Soering V. Verenigd Koninkrijk'., waarin het Hof uiteindelijk een hypothetische schending ontdekte van artikel 3 EVRM, gezien de bijzondere omstandigheden van de zaak en het fenomeen 'dodencel'. In de soortgelijke zaak-Kindler v. Canada vond de VN·CRM geen schending.'5 Bovendien gaf zij een specifieke betekenis aan het recht op 'veiligheid ' in combinatie met persoonlijke vrijheid '6 , dit in tegenstelling tot de ECRM en het Hof." In een algemeen commentaar was zij ook van mening dat uitwijzing op dezelfde manier moest worden behandeld al s uitzetting,g, terwijl de Europese organen de term 'uitzetting' in artikel 1 van Protocol nr. 7 naar alle waarschijnlijkheid in engere zin zou interpreteren . Hoe moet de nationale rechter reageren op zulke verschillen? Volgens Claudia Sciotti is arti· kei 60 EVRM of een analoge voorziening uit een ander verdrag van toepassing en moet de gun· stigste voorziening worden toegepast. Hier past een waarschuwing tegen oversimplificatie. Ik heb moeite met een dergelijke kwantitatieve benadering van mensenrechten, als waren zij te vergelijken met rijst, olie of suiker. De rechten van de mens zijn in essentie richtlij· nen voor en in een delicaat afwegingsproces van belangen. Het is geen uitzondering dat twee men senrechten botsen , zoals het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op privacy. Tussen artikel 8 en 10 EVRM bevindt zich slechts een kleine marge van waardering die een staat een zekere handelingsruimte biedt tussen de het optreden tegen een journali st en het

jaargang 23, num mer 2, augustus 1998

16


Veelheid aan instituties De waarde van een mensenrechtenverdrag ligt in het algemeen meer in zijn mechanismen van tenu itvoerlegging dan in zijn waarborgen. De meest algemene rechten zijn van nul en generlei waarde, omdat deze zonder gevolgen door een staat kunnen worden ontzegd. Ik ontken geenszin s het belang van niet-institutionele pogingen om naleving afte dwingen. NGO 's als Amnesty International zijn wij veel respect verschuldigd voor de druk die zij uitoefenen op regeringen . Zo nu en dan zijn er ook regeringen die protesteren tegen bijzonder zichtbare schendingen , d.w.z. schendingen die duidelijk in de internationale media naar voren worden gebracht. Politieke overwegingen zijn echter doorslaggevend; zie bijvoorbeeld het Amerikaan se China-beleid . Daarom is de uitbreiding van het aantal instituties dat toezicht houdt op de toepassing van de verdragen alleen maar te verwelkomen. Commissies zijn onder meer opgezet voor de beide VN-verdragen (naa st het Bupo-verdrag het Verdrag voor Economi sche, Sociale en Culturele Rechten) , de verdragen voor de rechten van het kind, tegen discriminatie op grond van geslacht, tegen rassendiscriminatie of tegen foltering. De Raad van Europa heeft de Commissie en het Hof, de Commissie voor de Bescherming van alle Personen Beroofd van hun Vrijheid tegen Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing, de Commissie van onafhankelijke deskundigen (Sociaal Handvest), de Commissie voor de gelijke behandeling van vrouwen en mannen en de Europese Commissie tegen racisme en intolerantie; verder zijn er monitoringsystemen voor de naleving van de verdragen , ondergebracht binnen het ambtelijk apparaat van de Raad van Europa. Onder het Verdrag voor de Bescherming van Mensenrechten en Menselijke Waardigheid met betrekking tot de Toepassing van Biologie en

Geneeskunde van april '997 kan een 'stuurgroep bio-ethiek' het Hof verzoeken om een advies over de interpretatie van dat verdrag. Tot nog toe heeft zich tussen de Europese organen nog geen fundamentele competentiekwestie voorgedaan. De relatie tussen de ECRM en de VN-CRM is minder eenvoudig. Beide verdragen bevatten regels waarmee is geprobeerd het gebruik van de ene organisatie tegen de andere uit te sluiten. De ECRM probeert zorgvuldig een tweevoudig onderzoek van hetzelfde verzoek te vermijden; artikel 27, § 1 (b) wordt toegepa st wanneer verzoeker ook bij de VN -CRM aanklopt, zelfs tijdens de procedure over ontvankelijkheid en na toelating van het verzoek.' 9 Echter, de VN-CRM zag in de zaak-Casanovas geen belemmering in het feit dat de ECRM verzoeker niet-ontvankelijk had verklaard - artikel 5, § 2 (a) van het Optionele Protocol bij het BuPoverdrag verbiedt slechts dat verzoeken "die worden onderzocht onder een andere procedure van internationaal onderzoek of arbitrage" nog eens op hun merites worden bekeken , terwijl in het EVRM sprake is van verzoeken "die al in een andere procedure aanhangig zijn gemaakt". Het is bekend dat vele staten die partij zijn bij het EVRM een voorbehoud maakten bij de ratifica tie van het genoemde BuPo-protocol, teneinde de mogelijkheid van een beroep op het VN orgaan uit te sluiten. ,a Met betrekking tot de veelheid aan instituties acht ik de vervanging van de ECRM en het Hof door één nieuw Hof onder Protocol nr. 11 een goed voornemen . Tegelijkertijd besloot de Top van Straatsburg van oktober '997 tot het in stellen van een Europese Commissaris voor de Mensenrechten (CM) . Het is nog niet duidelijk wat dien s taak moet worden maar, afgaande op de eerste voorstellen van de regering van Fin land , er bestaat een reëel gevaar dat hij in het vaarwater van het Hof terechtkomt. Wat zijn nu de schaduwkanten van deze veelheid aan instituties? Een belangrijk probleem ligt in de verwarring die is ontstaan bij de 'consumenten ' van mensenrechten . Naar welke organisatie moet iemand toestappen? Wie is er in staat om op eigen kracht zijn weg te vinden door dit woud van normen en in stituties? Het gaat niet alleen om kwantitatieve complexiteit. Zelfs een goede advocaat weet niet een-tweedrie of hij beter bij de ECRM of de VN -CRM terecht kan . Kort samengevat is het probleem al s volgt. De VN-CRM heeft zich ruimhartiger opgesteld dan de ECRM . De eerste koos een mindere formele benadering van ontvankelijkheid, waardoor een relatief lager percentage van verzoekers nietontvankelijk wordt verklaard . In de overwegingen heeft zij het BuPo-verdrag - toch al een tekst

jaargan g 23, num mer 2, augustus 1998

'7

tegelijkertijd niet inperken van diens recht op vrijheid van meningsuiting. Zelfs binnen één waarborg kunnen er intrinsieke spanningen bestaan : volgens artikel 6, § 1 EVRM heeft een verdachte recht op een snelle procesgang, op een uitspraak binnen redelijke termijn , terwijl volgen s § 3 (b) van hetzelfde artikel de verdachte voldoende tijd moet worden geboden om zijn verdediging voor te bereiden. Snelheid én traagheid kunnen op deze manier dus allebei leiden tot een schending. Deze voorbeelden duiden niet op een gebrek aan coherentie van het EVRM , maar laten wel zien dat het verkeerd is om zulke kwesties te benaderen vanuit de houding 'hoe meer, hoe beter'. Dit betekent echter niet dat een kwantitatieve benadering altijd afkeurenswaardig is.

JASON MAGAZINE


JASON MAGAZINE

die gunstiger uitpakt voor het individu· stelselmatig als veelomvattender geïnterpreteerd ten opzichte van de benadering van het EVRM door de ECRM en het Hof. Tot 3' juli '995 ontving de VN-CRM 645 'communicaties' (een neutraler term dan verzoeken), waarbij in 160 gevallen sprake was van een of meer schendingen van het BuPo-verdrag." Ter vergelijking: tot 3' december 1996 ontving de ECRM 34.297 verzoeken, waarvan er 3-458 ontvankelijk waren en 2.324 vers lagen met overwegingen werden aangenomen . Helaas is het aantal gevallen waarin schending werd geconstateerd hier onbekend, maar het lijkt aannemelijk dat het de 2 procent niet te boven gaat. Een groot aantal verzoeken betreft de lengte van een procedure, met name in Italië. Deze vergelijking duidt erop dat een verzoeker beter naar Genève kan gaan dan naar Straatsburg. Een vergelijking zonder het in aanmerking nemen van de mechanismen voor tenuitvoerlegging kan echter niet serieus zijn. Er bestaat een relatie tussen de rechten en de mechanismen: hoe zwakker het mechanisme, hoe makkelijker een staat een bindende regeling op het gebied van mensenrechten kan aanvaarden. Het omgekeerde geldt natuurlijk ook . Zoals wij hebben gezien, verleent het BuPoverdrag meer rechten dan het EVRM . De procedure van tenuitvoerlegging is echter aanzienlijk zwakker, zelfs als je aanneemt dat de partij in kwestie het Optionele Protocol heeft geratificeerd." Fundamenteler dan het verschil in terminologie (verzoeken versus communicaties) is dat de VN-CRM geen formeel besluit neemt, laat staan een uitspraak doet. Artikel 5, § 4 van het Optionele Protocol voorziet slechts daarin "dat de VN-CRM haar zienswijze aan de betrokken staat en het betrokken individu zal overbrengen"; daarnaast wordt een overz icht van activiteiten onder het protocol opgenomen in het jaarverslag. Er bestaat geen enkel toezicht op het gevolg dat wordt gegeven aan een zienswijze van de VN-CRM. Dit betekent niet dat deze activiteiten nutteloos zijn. Een zienswijze definieert een toestand van recht, en waar wordt gewezen op een inbreuk op het verdrag kan de betrokken staat zich er niet op beroepen dat zij handelde in overeenstemming met het verdrag. Er gebeurt echter niets, als een staat geen gevolg geeft aan een zienswijze. Geen schadeclaims, en geen netelige vragen, zoals die regelmatig de ministers van de Raad van Europa bereiken onder artikel 32, § 2-4 en artikel 54 EVRM . Voorbehouden gemaakt bij de ratificatie, onder andere door Nederland, bieden geen bescherming tegen verschillen in rechtspraak. Het NJCM Bulletin van december '997 bevatte de zienswijze van de VN-Commissie tegen Fol-

tering (CTF) in de zaak-Alan v. Zwitserland.') De heer Alan dreigde naar Turkije te worden uitgewezen en de CTF vond een dergelijke uitwijzing een inbreuk op artikel 3 VN-verdrag tegen Foltering (daarmee zou het ook een inbreuk zijn op artikel 3 EVRM). Het is heel goed mogelijk, dat 'Straatsburg' tot dezelfde conclusie zou zijn gekomen, maar daar gaat het hier niet om . De CTF verwierp nadrukkelijk de Turkse redenering dat zij ook het EVRM had geratificeerd en achtte de VN-CRM bevoegd om de communicatie te ontvangen en te onderzoeken. De ECRM heeft deze redenering in een aantal gevallen gevolgd. Het resultaat is dat verzoekers beter bij de VNCRM kunnen aankloppen dan bij de ECRM. Professor Roei Fernhout annoteerde bij deze zaak dat de CTF eerder vindt dat er sprake is van een schending, dan de Europese organen, in het bijzonder het Hof. Ik vind het niet verrassend dat een gespecialiseerde commissie als de CTF ruimhartiger is dan een orgaan dat bevoegd is op het gehele gebied van de mensenrechten en dat wellicht meer in acht moet nemen bij het afWegen van de belangen van een verzoeker tegenover andere waarden van een democratische samenleving. Voorafgaand aan uitspraken is er een procesgang met inbegrip van een publiek verhoor. Is het wel eerlijk om 'zienswijzen' en 'uitspraken' als gelijke grootheden te beschouwen? Is er sprake van gelijkwaardig respect en naleving? In internationaal-publiekrechtelijke zin zijn de zienswijzen gezaghebbend, maar ik vraag mij af of het realistisch is te verwachten dat een staat hetzelfde gewicht toekent aan een zienswijze als aan een uitspraak; ik denk het niet. Je kunt je ook afvragen wat de zin is van een uitgebreide (en kostbare) juridische procedure, als hetzelfde resultaat langs andere, goedkopere wegen kan worden bereikt. Het moet echter worden gezegd, dat staten vaak toch de 'zienswijzen' respecteren, ondanks de wankele legitimiteit

jaargang 23, nummer 2, augustus 1998

18

ervan.

Er blijft echter een discrepantie bestaan, waarvoor ik op de lange termijn geen bevredigende oplossing zie, anders dan één coherent, wereldwijd systeem voor de bescherming van de mensenrechten.

Conclusies De vraag ofhet gerechtvaardigd is om te spreken van inflatie van mensenrechten kan bevestigend worden beantwoord . Inflatie betekent proliferatie met als effect devaluatie. Van een werkelijke verwatering van mensenrechten door de hoeveelheid aan instrumenten is geen sprake. Er schuilt echter wel een gevaar achter. Enige schade is al aangericht door de verwarring als gevolg van het grote aantal teksten en organen . Rivaliteit is onontkoombaar.


Zo was ik getuige van een competentiestrijd tussen de voorzitters van de VN-Commissies voor het Verdrag ter Eliminatie van alle vormen van Rassendiscriminatie (CER) en voor het Verdrag ter Eliminatie van alle vormen van Discriminatie van Vrouwen (CEDV) over de vraag of de discriminatie van personen van het vrouwelijk geslacht van een bepaald ras nu wel of niet binnen de bevoegdheid van de CER viel. Wat is de oorzaak van de infiatie? Mijn ant· woord is niet gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek. Het is waarschijnlijk moeilijk te onderzoeken, maar ik merk op dat mensenrech· ten een populair thema zijn onder politici. De aanvaarding is welhaast universeel en daarom is het een aantrekkelijk gebied om activiteiten te ontplooien. Dit leidt tot talloze initiatieven en voorstellen, maar niet altijd op basis van een reële behoefte. Soms ontstaat de verdenking dat het de bedoeling is iets te doen, het maakt niet uit wat, om aandacht te trekken. Een voorbeeld is het besluit tot het instellen van een Europese Commissaris voor de Mensenrechten . Er is op zichzelf niets mis met het creëren van een nieu· we Europese Ombudsman, maar het is duidelijk dat dit een kostbare zaak is voor een organisatie met financiële problemen . Verder neemt de verwarring bij de burger alleen maar toe. Het zal moeilijk zijn om aan de rem te trek· ken, laat staan de 'productie' tot staan te bren· gen. Er zit een zekere dynamiek in de vraag naar meer en niet alle initiatieven zijn overbodig. Toch zijn wij al geholpen als het bewustzijn van de gevaren verbonden aan de proliferatie van teksten en organen groter wordt. De collectieve energie zou moeten zijn gericht op versteviging en toenemende effectiviteit van bestaande ins· trumenten, in plaats van op het creëren van nieuwe.

7 Zie bijv. Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) , R., Funke v. Frankrijk, uitspraak van 25 februari 1993, Serie A nr. 256. 8 Verzoekschrift nr. 7960/77 v. Italië, niet gepubliceerd. Een soortgelijk probleem deed zich voor in de zaakLoizidou v. Turkije. Verzoeker, eigenaar van onroerend goed in Noord-Cyprus, klaagde onder artikel 8 EVRM en artikel, Protocol nr. 1 dat haar de toegang tot haar eigendom werd verhinderd door Turkije, waarvan de troepen de demarcatielijn bewaken tussen de twee delen van het eiland; de ECRM was tot de conclusie gekomen dat hetgeen door verzoeker werd ingeroepen feitelijk het recht op bewegingsvrijheid was van artikel 2 Protocol nr. 4. Daar Turkije dit protocol niet had geratificeerd, concludeerde de ECRM dat er geen sprake was van schending. Het Hof volgde deze redenering echter niet, getuige EHRM, Loizidou v. Turkije, uitspraak van 18 december 1996, Verslagen van Uitspraken en Besluiten 1996 VI, p. 2216.

9 Zie bijv. (vertrouwelijk) Document DH·DEV (94) 7· 10 11

al, '996, p. '3Zie bijv. Neigel v. Frankrijk, Verslagen van Uitspraken en Besluiten, '997 11 nr. 32, p. 399. Het beslu it van de ECRM in de zaak-Casanovas, verzoekschrift nr. 16992/90, van 3 oktober '99°, is niet gepubliceerd. 13 VN-CRM, Besluiten van 7 juli 1993 (ontvankelijkheid) en 19 juli 1994 (overwegingen), nr. 4411 / 1990. 14 Uitspraak van 26 januari 1989, Serie A nr. 161. 15 Zie echter Ng v. CAN, in Human Rights Law Journal15 (1994) p. 149 - schending door toepassing van de doodstraf middels verstikking. 16 VN-CRM, Besluit van 20 oktober 1993 nr. 468/1991, in Human Rights Law Journal1994 26. 17 Rapport van de ECRM inzake verzoekschrift nr. 7050/75, Arrowsmith v. Verenigd Koninkrijk, OR 19 p. 5, , 64, EHRM, Bozano v. Frankrijk, uitspraak van 18 december 1986, Serie A nr. 111, paragrafen 54 en 60. 18 VN-CRM in Officieel verslag van de Algemene Vergadering, 41e zitting supplement nr. 40 (A/41/40) Annex VI, , 9; zie ook Communicatie nr. 193/1985, Ciry, Besluit van 15 augustus 1985. 19 Trechsel, S., p. 629, in Pettiti, Oecaux en Imbert, La Convention européenne des droits de I'homme. Commentaire article par article, Paris 1995. 20 Voor een overzicht van de kritiek zie Nowak, M ., UNOPakt über die bürgerlichen und politischen Rechte und 12

Fakultativprotokoll , Kehl/Straatsburg/Ariington '989,

Noten 1 Buergenthal, T., The Normative and Institutional Evolution of International Human Rights. Human Rights

21

Quarterly, Vol. '9 (1997), p. 722 e.v. 2 Marie, j.B., InternationalInstruments Relating to Human Rights. Human Rights Law Journal, Vol. 18

22

(1997), p. 81 e.v. 3

Bijv. Aanvullend Protocol 2, 3, 5, 8 - 11 bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). 4 Sciotti, C, La concurrence des traités relatifs aux droits de I'homme devant Ie juge national, Brussel, 5 Hoewel ik het ermee eens ben dat het niet onproblematisch is om vrouwen zonder meer te rekenen tot de categorie van kwestbare individuen. 6 Bijv. artikels, , 1 EVRM is letterlijk overgenomen uit het voorbereidende materiaal van het Convenant; zie VN Doe. E/1371 , Annex 119.

jaargang 23, nummer

2,

augustus 1998

p. 852 e.v. Kälin, w., C. Malinverni en M. Nowak, Die Schweiz und die UNO-Menschenrech tspakte, 2e ed., Bazel/ Frankfurt am Main/Brussel, 1997, p. 25. Voor een vergelijking zie bijv. Trechsel , S. , en M.P. Wyss, Implementing international human rights guarantees. A comparison between the international covenant on civil and politica I rights and the European convention on human rights. NJCM Bulletin, 10/11

'994, p. 775 e.v. 23

'997, p. 9·

JASON MAGAZINE

Besluiten en rapporten (OR) 85-B, p. 65. VN-Commissie voor de Rechten van de Mens (VNCRM), Besluit van'9 juli 1995, nr. 516/1992, Simounek v. Tsjechische Republiek, in Human Rights Law Journ-

'9

NJCM Bulletin 22 (1997) p. 1096 e.v.; in een noot wijst Roei Fernhout op andere meningen over deze juridische lijn, a.w. p. 1102.


Wahhabisme

Onrust aan de zuidflank van de Russische Federatie Gerard Mentjox en Ronaid Sandee

De auteu rs zijn redacteur van jason Magazi ne. Met dank aan m r. J.c. Schep voor het ch ronologisch overzicht.

je kunt geen Russische krant openslaan of er wordt verhaald over de ondermijnende activiteiten van de wahhabieten in het zuiden van Rusland. Russische tv-zenders sturen ploegen naar Dagestan om te verhalen over hetgeen daar is voorgevallen. De Russische regering zendt troepen om de locale politiemachten bij te staan. Wat is het wahhabisme en in hoeverre is er sprake van een gevaar voor Rusland en de republieken in Centraal-Azië?

Gespannen situatie Uit de berichtgeving in de Russische pers en uit publieke uitspraken van hoge Russische functionarissen blijkt dat men in Moskou het bestrijden van het wahhabisme als een prioriteit ziet. Russische verslaggevers van radio en televisie reizen af en aan naar Dagestan om daar ter plekke verslag te doen van de strijd tussen 'duizenden' wahha-

bieten en veiligheidstroepen. Moslimextremisten kidnappen om de paar dagen nieuwe Russen of westerlingen. Halverwege de maand juni werden tenminste tien Russisch sprekende militairen in een van de buitenwijken van de Dagestaanse hoofdstad Makhachkala in gijzeling genomen. Op het moment dat dit magazine ter perse gaat, is over hun toestand nog niets bekend. Russische burgers vragen zich inmiddels af of ze nog wel op vakantie kunnen naar de badplaatsen aan de Zwarte Zee. En route worden treinen meerdere malen grondig doorzocht door soldaten van het ministerie van binnenlandse zaken. Vliegtuigen worden omgeleid en dienstregelingen van treinen zijn inmiddels aangepast. Toch gelooft majoorgeneraal Getman, hoofd van de afdeling transport van het ministerie van binnenlandse zaken, dat reizen naar de Kaukasus en de Zwarte Zee relatief veilig is . Het ministerie van binnenlandse zaken is echter niet gerust op de situatie. Er is inmiddels een onderminister aangesteld die zich alleen bezig gaat houden met de Kaukasus. Verder heeft de mini ster van binnenlandse zaken Stepashin na overleg met president jeltsin besloten om in de omgeving van Stavropol een hoofdkwartier te vestigen van waaruit men de maatregelen zal coördineren die moeten dienen om de rust te laten weerkeren in de Kaukasus. Tot commandant van de binnenlandse troepen in de NoordKaukasus werd kolonel-generaal Leontiy Shevtsov benoemd . Shevtsov was tot zijn benoeming op 9 mei 1998 plaatsvervangend minister van binnenlandse zaken. Volgens Stepashin zullen de te nemen maatregelen goed worden gecoördineerd , waarbij nauw zal worden samengewerkt met de Tsjetsjenen, om het wahhabisme en alle andere uitwassen van het moslimextremisme de kop in te drukken. In ieder geval zijn alle Binnenlandse Troepen in Dagestan en langs de grens met Tsjetsjenië aan het eind van de maand mei in de hoogste staat van paraatheid gebracht.

jaargang 23, nummer 2, augustus 1998

20

Kaukasus Terwijl Westerse en Russische multinationals vechten om olie- en gasconsessies en megacontraeten sluiten met de landen rond de Kaspische Zee, woedt er een strijd om de religieuze invloed in de Kaukasus en Centraal-Azië. Begin juni 1998 toonde de Russische president jeltsin zich verontrust over de exodus die in de Kaukasus op gang was gekomen. Russen verlaten massaal de Noord-Kaukasische Republieken. Het Russische leger kan geen grip krijgen op de situatie in republieken als Noord-Ossetië en Dagestan en loopt constant achter de feiten aan. Om een tweede Tsjetsjenië te voorkomen, deelde minister van binnenlandse zaken Stepashin op 26 mei 1998 mee dat: "de Russische leiders vandaag goedmaken wat in het verleden is misgegaan. Het ontbrak ons destijds aan de nodige coördinatie tussen de verschillende strijdkrachten, daarom kregen we Tsjetsjen ië. Vandaag hebben we de coördinatie tot stand gebracht", aldus Stepashin.

JASON MAGAZINE


Wahhabisme Binnen de Islam zijn er een viertal wetsrichtingen of rechtsscholen (Madzhab) . De hanafitische school, genoemd naar Aboe Haniefa (699-767) , heeft overwegend aanhangers in de voormalige gebieden van het Ottomaanse rijk (Turkije, Balkan en het Arabische Midden Oosten), Centraal Azi!, India en Pakistan . Naar Malik ibn Anas (712-795) is de mali . kitische wetsrichting genoemd, die men aantreft in de islami· tische delen van Afrika, met uitzondering van Beneden-Egyp· te en de Oostkust van Afrika. De rechtsgeleerde Mohammed ibn Idries as·Sjafi 'i (767' 820) wordt beschouwd als de stichter van de sjafi'itische rechtsschool. Deze heeft haar aanhangers in Beneden.Egyp-

te, Oost·Turkije en În de islamitische landen rond de Indische Oceaan, vooral in Oost-Afrika, de Zuidkust van het Ara· bisch Schiereiland en in Indonesië. De hanbalitische madz· hab, genoemd naar Ahmad ibn Hanbal (780-855) , is de jongste en de kleinste. Deze is de offici!le wetsrichting in Saoedi· Arabi! . De Hanbalitische school wijst het gebrUik van een zelfstandige rede ten allen tijde af. Alle vragen die bij mos· lims opkomen moeten worden beantwoord aan de hand van de koran, de soenna en eventueel met behulp van bindende uitspraken van de gezellen van Mohammed . De open ba· ringsgegevens moeten worden geaccepteerd zelfs zonder dat men probeert schijnbaar tegenstrijdige teksten met elkaar te verzoenen of de gegevens van de openbaring in een samenhangend systeem te ordenen . Halverwege de 18e eeuw ontstond op het Arabisch Schiereiland een militante beweging, de Wahhabijja, onder leiding van de hanbalitische wetsgeleerde Mohammed ibn Abd al· Wahhab (1703-1792) en de leider van de stam der Sa'oedi 's, Mohammed ibn Sa'oed en diens opvolger Abd al·Aziz. Het streven van de wahhabieten was een 'waarlijk' islamitische samenleving, die uitsluitend gebaseerd zou zijn op de koran en de soenna . Men bond de strijd aan met andersdenkende moslims met als verwoestend hoogtepunt de vernietiging van de heilige shi'itische stad Karbala in Irak. Daarnaast werden de heilige steden Mekka en Medina onttrokken aan het Ottomaanse bewind. De Ottomanen konden dit niet accepteren en stuurden begin 1g e eeuw de gouverneur van Egypte, Mohammed Ali, met een leger naar het Arabisch Schiereiland. Na een korte en krachtige strafexpeditie werden de wahhabieten verslagen. Aan het begin van deze eeuw herrees de beweging en momenteel is het wahhabisme de officii!le leer van Saoedi-Arabië. Sinds het uiteenvallen van de Sovjetunie proberen religi euze bewegingen hun invloed in de Kaukasus en CentraalAzi! uit te breiden. De wahhabieten hebben veel financiële reserves waardoor het hen is gelukt om een aantal 'onge· schoolde' moslims aan zich te binden . De puriteinse leer van de wahhabieten staat lijnrecht tegenover het soefisme dat grote navolging heeft in Centraal-Azië en de Kaukasus . De leden van Soefi·orden van de Naqshbandiya en de Qadiriya willen over het algemeen niets te maken hebben met de wahha bieten en staan zelfs vijandig tegenover hun volgelingen.

IASON MAGAZINE

jaargang 23, nummer 2, au gustu s 1998

Incidenten in Dagestan De directe aanleiding voor de huidige maatregelen is aanhoudende onrust in Dagestan. Dagelijks is er wel een incident waarbij geschoten wordt. Zo bezette op 20 mei een gewapende bende onder leiding van de gebroeders Khachilayev het Dagestaanse parlementsgebouw in het centrum van Makhachkala. Nadir Khachilayev is lid van de Doema en leider van de Unie van Russische moslims. Enige tijd wapperde de groene vlag van de islam boven op het parlementsgebouw. Het parlement werd hermetisch afgesloten en na een dag van schermutselingen werd de bezetting op 21 mei opgeheven. Nog dezelfde dag werden eenheden van de Russische (elite-)antiterreureenheid Alfa ingevlogen. Tegelijkertijd raakte een grote groep wahhabitische moslims in het Dagestaanse dorp Karamakhi slaags met vijftig agenten . De agenten werden omsingeld en vroegen assistentie van het Russische veiligheidstroepen in de regio. Het dorp werd van de buitenwereld afgesloten en troepen van het ministerie van binnenlandse zaken begonnen met een belegering. De militairen kwamen echter onder motiervuur te liggen van de goed bewapende wahhabieten, waarbij een tweetal politieagenten werd gedood. Nadat de moslims meerdere malen een bestorming van hun dorp hadden afgeslagen, kwam men uiteindelijk tot een vergelijk. Ook in andere gebieden in de noordelijke Kaukasus worden eind mei begin juni veel incidenten gemeld. Iedere dag vinden er schermutselingen plaats tussen de overheid en de zich steeds nadrukkelijker manifesterende wahhabieten. De wahhabitische jihad leidt tot gijzelingen en bij schietpartijen zijn vaak doden te betreuren. Om alles nog een beetje in de hand te houden proberen de Russische power ministries op korte termijn de aanwezige troepen, en de inderhaast overgeplaatste en of ingevlogen manschappen, met elkaar te leren werken. Een grote oefening was voor 5 juni aangekondigd, maar die werd afgelast om de aanstaande verkiezingen in Dagestan niet onder druk te zetten. Na aanleiding van de onlusten in Makachkala nam de minister van binnenlandse zaken van Dagestan ontslag. Verder stuurde Moskou een zware delegatie richting Dagestan om de situatie te inventariseren. Het is al meer dan een halfjaar onrustig in de autonome Russische republiek Dagestan . Het begon allemaal eind december '997. Op 22 december overvielen meer dan honderd wahhabieten in het midden van de nacht de basis in Boejnaksk waar een tankbataljon van 136 Mech Brig is gelegerd. Bij de aanval werden twee T-72 tanks vernietigd. Om de aftocht veilig te stellen 21


nam men een zevental gijzelaars mee naar het naburige Tsjetsjenië. De inmiddels gealarmeer. de Russische troepen in de Kaukasus grendel . den de grens met Tsjetsjenië af. Zij voorkwamen pogingen van gewapende moslimstrijders om Dagestan binnen te dringen. Op 1 februari van dit jaar werd dezelfde basis nog eens overvallen. De wahhabieten kregen bij laatste raid een plattegrond in handen waarop alle militaire facilitei ten van de brigade in de regio zijn vermeld. Op 27 februari kwam een politieofficier om het leven toen een bom op een brug nabij Kizlyar tot ontploffing werd gebracht. Een tweetal medepassagiers raakte gewond . Op 24 me i werd een gebouw van de overheid in het Buy· nakskiy-District in Makhachkala door wahhabieten aangevallen. Bij de aanval vielen slachtoffers. Er vonden nog diverse andere incidenten plaats. Contacten met de Tjetsjeense leiding Maar niet alleen Dagestan ondervindt momenteel hinder van de aanwezigheid van de wahhabieten, ook het naburige Tsjetsjenië blijft niet gevrijwaard van de acties van de moslimextremisten. Waarbij vermeld dient te worden dat de acties over het algemeen vanuit Tsjetsjenië plaatsvinden en dat ze vooral gericht zijn op naburige republieken als Noord-Ossetië of Dagestan. De houding van de Tsjetsjeense regering lijkt ambivalent. De Tsjetsjeense machthebbers ontkennen elke betrokkenheid bij acties van radicale moslims in de noordelijke Kaukasus en voelen zich niet verantwoordelijk voor acties die vanaf Tsjetsjeens grondgebied zijn begonnen . Een niet onbelangrijk detail hierbij is dat de Tsjetsjeense regering grondwettelijk niet aansprakelijk kan worden gesteld. Tijdens de actie in Makhachkala zouden speciale eenheden van het Russische leger telefoongesprekken hebben onderschept tussen de leiders van de bezetting van het parlementsgebouw in Makhachkala en tenminste een tweetal hoge Tsjetsjeense ambtsdragers. Zo zouden gesprekken met de Tsjetsjeense premier Shamil Basayev en diens minister van buitenlandse zaken Movladi Udugov zijn onderschept.

JASON MAGAZI N E

ders om Allah 's koninkrijk, desnoods met veel geweld te brengen . De gemiddelde Kaukasische of Centraal -Aziatische moslim heeft zo zijn eigen weg tot het hogere. Behoort hij tot de soefi-orde van de Naqshbandiya dan zal hij zich in een trance dansen, behoort hij tot de Qadariya orde dan zal hij overwegend zijn heil vinden in het mediteren . Wahhabisme in Centraal·Azië De situatie in Centraal·Azië is toch enigszins verschillend van die in het zuidelijke deel van de Russische Federatie. Het heeft er alle schijn van dat de wahhabieten in de nieuwe vijf landen in Centraal·Azië tot de personificatie van het kwaad zijn geworden . De machthebbers in die landen gebruiken het woord wahhabi voor alle vormen van islamitische oppositie en niet con· troleerbare religieuze moslimactiviteiten in hun respectievelijke landen. In een land als Oezbeki· stan heeft de president gezegd dat hij de wahha· bieten desnoods in eigen persoon zou dood· schieten als ze niet ophouden de orde in zijn land te verstoren. Dezelfde president, Islam Karimov, staat alleen politieke partijen toe als ze hem welgevallig zijn . Hetzelfde geldt voor het aanstellen van nieuwe moefti's en islamitische leerhuizen (medresses). In een recent rapport van Human Rights Watch wordt de inperking van religieuze bewegingsvrijheid in Oezbekistan aan de kaak gesteld . Een aantal religieuze lei· ders in het land is de laatste jaren verdwenen . Hoewel er veel fout is met de benadering van de overheden in Centraal-Azië betreffende de wahhabieten is het wel begrijpelijk. De veelal apparatsjiks die aan de macht zijn zien in de wahhabitische beweging een bedre iging voor alles waar ze voor staan. Wahhabisme is voor hen de grootst mogelijke gruwel en daarom zul· len ze zich tot het uiterste verzetten tegen alles wat enigszins riekt naar een islamitische heil· staat.

Geen toekomst Toch zal het overgrote deel van de moslims in de Kaukasus zich niet aangetrokken voelen tot de strikte leer van het wahhabisme. Bij de wahhabieten is geen enkele rede mogelijk. De Koran en de Soenna moeten zo letterlijk mogelijk gevolgd worden. Daarom moet het voor hen een gruwel zijn om in kerngebied en van het Soefisme te verkeren. Het moet haast wel een doel op zich zijn van de plaatselijke wahhabi-Iei-

Tadzjikistan, het slechte voorbeeld De zeer instabiele situatie in Tadzjikistan is voor de vier overige landen (Oezbekistan , Turk· menistan, Kirgizistan en Kazakstan) het voor· beeld hoe het niet moet. Sinds de onafhankelijk· heid van het land in 1991 woedt er een burger. oorlog tussen een Moskougezinde (en wereldlij. ke) stroming en islamisten. De laatsten hebben zich de laatste jaren geschaard onder de banier van het United Tajik Opposition (UTO). Langzamerhand wordt de situatie in Tadzjikistan over· zichtelijker, maar dit is niet in het belang van de buurlanden Kirgizistan en Oezbekistan . De grens tussen Tadzjikistan en Oezbekistan wordt streng bewaakt. Zelfs westerlingen

jaargang 23, nummer 2, augustus 1998

22


komen de grens niet over als ze niet beschikken over het juiste stempel. Onlangs nog haalde Oezbekistan zich de woede van de internationale gemeenschap op de hals omdat men niet toestond dat Tadzjiekse vluchtelingen uit Afghanistan via hun grondgebied naar hun land reisden. Het gevaar dat islamitische elementen Oezbekistan zouden binnen komen vond men te groot. Daarnaast ondermijnt het islamisme (in het bijzonder de puriteinse leer van de wahhabieten) het streven van president Karimov om van zijn land een regionale machtsfactor te maken. Het Oezbeekse leger is inmiddels het best getrainde en betaalde leger van de landen in de voormalige Sovjetunie. Trainingskampen in Pakistan Kreeg men voorheen het label van extremist, fundamentalist of terrorist opgeplakt, tegenwoordig wordt alle politieke tegenstand die enigszins islamitisch van aard is wahhabiti sch genoemd. In Pakistan worden volgens de Oezbeekse minister van buitenlandse zaken honderden jonge Oezbeken , Tadzjieken en Kirgiezen opgeleid om in de nabije toekomst sabotagedaden te plegen , de wereldlijke regimes te ondermijnen en de islamitische revolutie (volgens de wahhabitische leer) volgens het principe van de jihad te verspreiden. De islamitische oppositie in Tadzjikistan zou volgens berichten in de pers een akkoord hebben gesloten met de Taliban in het naburige Afghanistan op hun strijders op te leiden in guerrillatechnieken . Het feit dat vele Afghani 's (islamitische Afghanistan veteranen) betrokken zijn bij het opleiden van deze jonge wahhabieten baart tot zorg.

Een van de leiders van de Afghanistan strijders , de Saoedische miljardair Ussama bin Ladin , zou nauw betrokken zijn bij de training van jonge Centraal Aziatische wahhabieten. Samen ten strijde Hoewel de Russische regering en de regerin gen van de Centraal-Aziatische landen andere motieven hebben om het wahhabisme te bestrijden trekt men gezamenlijk ten strijde. Op een onlangs gehouden vergadering van de mini sters van binnenlandse zaken van de betrokken landen in Tasjkent werd besloten om nauw samen te werken en werden verregaande maatregelen aangekondigd om het oprukkende moslimfundamentalisme, of wahhabisme zoals het momenteel heet, tegen te gaan . Het opsporen van de wahhabieten is niet zo moeilijk denkt men . Wahhabieten zouden aan een aantal criteria voldoen . De vaak jonge mannen , begin twintig, dragen veelal een jallabiya of een ander soort wit gewaad . Verder dragen ze een wit mutsje en hebben een lange (onverzorgde) baard. De politie en veiligheidsdiensten in Oezbekistan weten wel raad met deze beschrijving. De situatie in Oezbekistan is inmiddels zover dat de politie mannen met een baard in de gaten houdt en van tijd tot tijd overgaat tot razzia's. Mannen met baarden worden dan massaai opgepakt en meegenomen naar de di chtstbijzijnde kapper om hun baard te laten scheren. Een hoogstwaarschijnlijk weinig effectieve manier om wahhabisme te bestrijden . Islam Karimov, de man die zichzelf graag ziet al s een verlicht despoot, zal met dit soort acties het wahhabisme eerder bevorderen dan verdrijven .

Het Registanplein in Samarkand. JASON MAGAZINE

jaargang 23, nummer 2, augustus 1998

23


Lijst met recente gebeurtenissen in de noordelijke Kaukasus 22-12-1997

Aanval op tankbataljon in Boejnaksk. Gijzeling van zeven personen.

01-02-1998

Wederom aanval op tankbataljon in Boejnaksk.

27-02-1998

Bom ontploft op brug nabij Kizlyar. Een dode en twee gewonden .

12-°3-1998

Russische troepen aan grens Tsjetsjenië in verhoogde staat van paraatheid gebracht in wegens mogelijke aanval wahhabieten.

16-°4-1998

Hinderlaag bij Mozdok in Noord-Ossetië, waarbij generaal-majoor Propkopenko, plv. commandant van het Militair District Noord-Kaukasus, wordt vermoord.

19-°4-1998

In Novolakskiy district (Dagestan) wordt een politieman gedood.

21-°4-1998

Een gasverdelingsstation wordt opgeblazen door een groep die zichzelf"Het zwaard van de islam" noemt.

22-°4-1998

Minister van binnenlandse zaken 5tepashin brengt werkbezoek aan Noord-Kaukasus.

01'°5-1998

De speciale gezant van president Jeltsin voor Tsjetsjenië, Valentin Vlasov, wordt in Noord-Ossetië gegijzeld.

17-°5-1998

Schietincident tussen politie en aanhangers Khachilayev.

2°'°5-1998

Onrust breekt uit in Makhachkala.

21-°5-1998

Bezetting parlementsgebouw Dagestan in Makhachkala. De bezetters hijsen de groene vlag op het dak van het gebouwen nemen wapens mee uit de wapenkamer van het parlement. Nog dezelfde dag wordt de Russische anti-terreureenheid Alfa ingevlogen.

21-°5- 199 8

Nog dezelfde dag brengt Stepashin een bezoek aan Makhachkala. Ook veiligheidschef Kovalev bezoekt Dagestan.

22-°5-1998

De Dagestaanse minister van binnenlandse zaken, Adilgerey Magomedtagirov, treedt af en wordt opgevolgd door Magomed Abdurazakov.

22-°5-1998

In het dorp Karamakhi worden vijftig agenten ingesloten door wahhabieten.

23-°5-1998

Abdurazakov meldt dat een Russische luchtlandingsdivisie uit de omgeving van Stavropol zal worden ingevlogen. Het Russische ministerie van defensie ontkent dit met klem.

23-°5-1998

De leger-, politie- en grensbewakingseenheden langs de grens met Tsjetsjenië worden in de hoogste staat van paraatheid gebracht.

23-°5-1998

Magomedav, een plaatselijke leider van de "Union of Muslims" wordt gearresteerd.

23-°5-1998

Karamakhi wordt belegerd door eenheden van het Russische leger en het ministerie van binnenlandse zaken.

25-°5-1998

De Staatsraad van Dagestan besluit de Russische troepen rond Karamakhi weg te halen .

27-°5-1998

In het huis van wahhabietenleideren lid van de Doema , Nadir Khachilayev, ontploft een granaat.

05-06-1998

Een grote gezamenlijke oefening van leger, grenstroepen en binnenlandse troepen in Dagestan wordt op het laatste moment uitgesteld.

08-06-1998

Zes inwoners van Bakato in Noord·Ossetië wordt gegijzeld .

11-06-1998

Tien Russische militairen worden in een buitenwijk van Makhachkala in gijzeling genomen.

11-06-1998

Op de Georgische Militaire Snelweg wordt een politie-eenheid onder vuur genomen .

12-06-1998

Een politiekantoor in Chmi (Noord-Ossetië) wordt beschoten met granaatwerpers.

12-06-1998

In Zamankul worden twee mannen in gijzeling genomen .

15'06-1998

Aanslag op hoofd fiscale opsporingsdienst Noord-Ossetië.

20-06-1998

Helikopterbasis van Russische grenstroepen met mortieren beschoten nab ij Kaspiysk in Dagestan.

20 -06-1998

Drie inwoners van het dorp Olginskoye (Noord-Ossetië) ontvoerd .

21-06-1998

Acht personen van één gezin bij het dorp Chermen in Noord-Ossetië vermoord.

22-06-1998

Aanslag op een busje van de Om on-troepen in Kizlyar in Dagestan . Eén lid van de elitetroepen kwam hierbij om het leven . Tien anderen raakten gewond . De Oman-troepen waren naar Dagestan gestuurd om de lokale politie te helpen de orde nabij de grens met Tsjetsjenië te handhaven .

22-06-1998

Ingushetië wil dat de noodtoestand wordt uitgeroepen in het Prigorodnyy-district in Noord-Ossetië.

02-07-1998

Nabij de Tsjetsjeense stad Gudermes wordt het lijk gevonden van de door schoten om het leven gebrachte plaatsvervangend officier van justitie van Khasavyurt in Dagestan.

02-°7-1998

In Stavropol opent minister van binnenlandse zaken Stepashin in aanwezigheid van de chef van de generale staf generaal Kvasnin het nieuwe operationele hoofdkwartier van het ministerie van binnenlandse zaken . Het hoofdkwartier staat onder leiding van plaatsvervangend minister van binnenlandse zaken kolonel-generaal Leontiy Shevtsov.

JASON MAGAZINE

02-°7-1998

In Maykop oefent 131 Mech Brig op het bestrijden van gueritlas.

°4-°7-1998

In Noord-Ossetië oefenen onderdelen van het 58e leger met scherp onder gevechtsomstandigheden.

jaargang 23, nummer 2, augustus 1998

24


Het territoriaal geschil tussen Japan en Rusland Thomas Keijzer

Thomas Ke1lze r is slavist.

JASON MAGAZINE

Dit artikel beschrijft het confl ict over de territoriale afbaken ing tussen Rusland en Japan. Het gaat daarbij om Sachalin en de naastgelegen eilanden , evenals de eilanden tussen Hokkaido en het schiereiland Kamtsjatka.' Aan de orde komen de ont路 wi kkelingen en belangrijkste kwesties sinds ,855 2 tot aan het huidige conflict over Itu 路 rup, Koenashi r, Sh ikotan en de Habomaieilanden.

kreeg Japan het deel van Sachalin ten zuiden van 50路 Noorderbreedte. Na de Russische Revolutie ('9'7) werd in '925 de Conventie over de leidende Beginselen voor de Betrekkingen tussen Rusland en japan gesloten. 'Portsmouth' bleef gelden; de overige verdragen zouden op een later tijdstip worden bezien. In de verdeling van Sachalin trad geen wijziging op en over de status van de Koerilen-eilanden - waarover niets was afgesproken te Portsmouth - zou nog worden onderhandeld _ Deze laatste onderhandelingen vonden echter steeds maar niet plaats; tot aan de Tweede Wereldoorlog bleven de eilanden onder japans gezag. Tussen de vestiging va n diplomatieke betrekkingen en de Tweede Wereldoorlog veranderden de grenzen tussen japan en Rusland drie maal. Iturup, Koenashir, Shikotan en de Habomaieilanden stonden in deze periode continu onder japanse jurisdictie.'

,855-Tweede Wereldoorlog Rusland en Japan openden in 1855 diplomatieke betrekkingen. In dat jaar sloten zij het Verdrag over Handel , Navigatie en Grensafbakening, dat onder meer de grenzen tussen beide landen markeerde. Sectie 2 van het verdrag stelt: "Voortaan ligt de grens tussen japan en Rusland tussen de eilanden Iturup en Urup. Het gehele eiland Iturup behoort toe aan Japan en het gehele eiland Urup evenals de andere Koerilen-eilanden ten noorden ervan behoort toe aan Rusland. Het ei land Karafuto (Sachalin) blijft als voorheen onverdeeld tussen japan en Rusland."J In de vroege jaren '70 van die eeuw werd er onderhandeld over de verdeling van Sachalin. Rusland wilde de grens op 48路 Noorderbreedte vaststellen, maar Japan wilde die op 50., zodat geen overeenstemming werd bereikt. Met het verdrag van 1875 kwam men vervolgens uit op een andere oplossing: het eiland Sachalin werd geruild voor de Koerilen-eilanden; het eerste werd Russisch, de Koerilen japans. Met het Verdrag over Handel en Navigatie van 1895 verviel dat van 1855, maar het verdrag van 1875 behield zijn geldigheid; er traden geen territoriale wijzigingen op. In 1904-'05 woedde de japans-Russische Oorlog, die eindigde met de ondertekening van het Vredesverdrag van Portsmouth. Daarmee ver-

Tweede Wereldoorlog Op '3 april '94' sloten de beide landen een neutra liteitspact, waarbij de wederzijdse territoriale integriteit werd erkend en waarin een bepaling was opgenomen van afzijdigheid in geval van een aanval van een derde staat op een van beide verdragstaten. Het pact was 5 jaar geldig, met de mogelijkheid tot verlenging met nogmaals 5 jaar, tenzij een van beide staten een jaren van tevoren zou opzeggen. Dat is wat er 4 jaar later gebeurde . De Sovjet-Unie zegde het pact op: "The Neutrality Pact between the Soviet Union and japan was signed on April 13'h, '94', i.e. before the German attack of the USSR and before the war between Japan on the one hand and England and the United States on the other hand. The situation has drastically changed since. Germany attacked the USSR, and japan, an ally of Germany, helps the latter in its war against the USSR. Moreover, japan is at war with the USA and England, who are allies of the USSR. Under these circumstances the Neutrali-

jaargang 23 , nummer 2, augustus 1998

25


ty Pact between japan and the USSR has lost its meaning and the extension of the Pact has become impossible." Vier maanden later, op 8 augustus '945, verklaarde de Sovjet-Unie de oorlog aan japan, met ingang van 9 augustus. Op 6 en 9 augustus werden de atoombommen tegen Hiroshima en Nagasaki ingezet, waarna japan op '5 augustus capituleerde. In september bezetten Sovjet-troepen vervolgens Sachalin en de Koerilen-eilanden , inclusief Iturup, Koenashir, Shikotan en de Habomai-eilanden .5 De japanse bewoners werden verwijderd en op 2 februari 1946 besloot de Opperste Sovjet dat Zuid-Sachalin en de Koerilen-eilanden voortaan behoorden tot de Sovjet-republiek RSFSR. Volgens de Sovjet-Unie zorgde het Verdrag van jalta (11 februari '945) voor de juridische grondslag van deze handelwijze. De belangrijkste bepalingen uit het verdrag over deze kwestie zijn de volgende: "The leaders of the three great powers, the Soviet Union, the United States of America and Great Britain have agreed, th at !wo or three months after Germany has surrendered and the war in Europe has terminated, the Soviet Union shall enter into the war against japan on the side of the Allies on the condition thaI: 2 . The former rights of Russia violated by the treacherous attack of japan in '904 shall be restored viz.: a. the southern part of Sakhalin as weil as all the islands adjacent to it shall be returned to the Soviet Union; 3. The Kurile islands shall be handed over to the Soviet Union."6 De japanse regering stelde dat zij noch juridi sch noch politiek was gebonden aan het Verdrag van jalta. Volgens haar was het niet de bedoeling op dat moment een definitieve bestemming te geven aan deze gebieden of een overdracht in juridische zin te bewerkstelligen .? Verder stelde zij dat zij niet kon worden gebonden door een overeenkomst tussen derde staten zonder daarbij partij te zijn. Behalve het Verdrag van jalta zijn drie andere documenten van belang: de Anglo-Amerikaanse Verklaring (het At/antic Charter) van '4 augustus '94' , de Verklaring van Cairo van 27 november '943 en de Verklaring van Potsdam van 26 juli

'945路

Het At/antic Charter beschrijft de grondbegin selen van de politiek van Amerika en Engeland . Twee van deze beginselen luiden: "First, their countries seek no aggrandizement, territorialor other. Secondly, they desire to see no territorial changes that do not accord with the freely expressed wishes of the peoples concerned." Op 24 september '94' hechtten de Sovjets hun JASON MAGAZINE

jaa rgang 23, nummer 2, augustus 1998

goedkeuring aan deze principes. De Verklaring van Cairo bevat twee relevante passages. De VS , Engeland en China verklaarden dat "they do not seek any conquests for themselves and do not have any intentions of territorial expansion". Tegelijkertijd werd verklaard dat "japan will also be driven from other territories which it seized by force and as the result of its greed". De Sovjet-Unie verklaarde zich hiermee akkoord op 8 augustus '945. De Verklaring van Potsdam van dezelfde drie staten stelt in sectie 8 dat "the terms of the Cairo Declaration will be fulfilled and japanese sovereignty shall be limited to the islands of Honshu, Hokkaido, Kyushu, Shikoku and such minor islands as we shall determine" .8 Ook deze verklaring werd door de Sovjet-Unie overgenomen op 8 augustus '945. japan capituleerde een week later onder aanvaarding van de Verklaring van Potsdam. In het algemeen zijn de formuleringen in de genoemde documenten dermate ruim dat zij kunnen worden gebruikt om de argumenten van beide partijen kracht bij te zetten . Vredesverdrag van San Francisco Van 4-8 september '95' vond in San Francisco de vredesconferentie plaats, die uitmondde in het verdrag dat naar die stad is vernoemd. japan deed afstand van alle aanspraken met betrekking tot Zuid-Sachalin en de Koerilen-eilanden. Het verdrag moet echter niet worden gezien als een eindregeling. Er zijn drie problemen. Ten eerste ondertekende een aantal landen het verdrag niet; een daarvan was de SovjetUnie. India en Birma weigerden aan de conferentie deel te nemen . De Centrale Volk-sregering van China was eveneens afwezig. Op 5 september becommentarieerde de eerste vice-minister van Buitenlandse Zaken , Andrei Gromyko, het 'Amerikaans-Britse ontwerpverdrag met japan '. Hij veroordeelde het voorstel over Sachalin en de Koerilen-eilanden, omdat de soevereiniteit van de Sovjet-Unie over dit gebied niet werd genoemd. Een van zijn conclusies was dat "the project of the treaty is in contradiction to the obligations undertaken by the USA and Great Britain under the Yalta Agreement regarding the return of Sakhalin and the transfer of the Kurile islands to the Soviet Union". Het verdrag wijst aanspraken af van staten die geen partij zijn . In sectie 25 wordt aangegeven dat een staat die geen Geallieerde is geen aanspraken heeft. Een van de voorwaarden voor het verkrijgen van de status van 'Geallieerde' was ondertekening en ratificatie van het Vredesverdrag van San Francisco. Het resultaat van deze bepaling was dat de aanspraken van de Sovjet-


Unie expliciet werden uitgesloten. Het tweede probleem is dat het verdrag niet bepaalde onder welke staat Zuid-Sachalin en de Koerilen-eilanden zouden vallen, nadat japan zijn aanspraken had opgegeven. Ten derde verschilt de interpretatie van het begrip 'Koerilen-eilanden'. Dit werd al in San Francisco duidelijk. Op die 5' september zei Gromyko verder "that the rights of the Soviet Union over the southern part ofSakhalin and all the islands th at belong to it, as weil as over the Kurile islands that are at present under the sovereignty ofthe Soviet Union - this interpretation includes Iturup, Kunashir, Shikotan and Habomai - are undisputed". De vertegenwoordiger van de VS zei daarover: "The question has been raised, if the geographic designation 'the Kurile islands', as mentioned in section 2C, includes the Habomai islands. The United States are of the opinion th at this is not SO."9 Twee dagen later maakte de premier va n japan een onderscheid tus sen de Noord-Koerilen (alles ten noorden va n Iturup), de Zuid-Koerilen (Iturup en Koenashir) en de Habomaieilanden en Shikotan, die volgens hem deel uitmaakten van Hokkaido.>O Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog is de juridische status van Zuid-Sachalin en de Koerilen-eilanden dus niet duidelijk. japan deed afstand van zijn aanspraken in San Francisco. Maar een rechtsopvolger werd niet genoemd in het verdrag en datzelfde verdrag wijst aanspraken van niet-partijen af. De Sovjet-Unie was geen partij bij het verdrag. Voorts waren er verschillende interpretaties van het begrip 'Koeri len-eilanden'. Er werd geen bilateraal verdrag gesloten tussen Moskou en Tokio _ Maar hoewel de juridische status onduidelijk was, was wel duidelijk wie in feite het gezag uitoefende: de Sovjet-Unie_

tries" .12

Met deze verklaring werd het bestaan van een territoriaal geschil in feite weer toegegeven .

1991-heden

Er werd daarna wel onderhandeld over een bilateraal vredesverdrag tussen japan en de Sovjet-Unie, maar er werd geen overeenstemming bereikt. Op 29 oktober '956 volgde een officiĂŤle briefWisseling tussen de eerste viceminister van Buitenlandse Zaken va n de SovjetUnie en de vertegenwoordiger van japan. Daarin kwamen partijen overeen om de onderhandelingen voort te zetten na het herstel van de diplomatieke betrekkingen. In de Gezamenlijke Verklaring va n de Sovjet-Unie en japan (19 oktober 1956) werd de staat van oorlog beĂŤindigd en diplomatieke en consulaire betrekkingen werden hervat. Men kwam overeen om na het afsluiten van een vredesverdrag Shikotan en de Habomai-eilanden over te dragen aan japan. In

Vanaf '99' werd de mogelijkheid van een vredesverdrag opnieuw op het hoogste niveau besproken_ In april van dat jaar volgde een Gezamenlijke Mededeling tijdens het staatsbezoek van Sovjet-president Gorbatsjov aan japan. In oktober 1993 werd vervolgens de Verklaring van Tokio'l getekend, tijdens het staatsbezoek van de Russische president jeltsin . Zowel de Mededeling als de Verklaring noemden de mogelijkheid van bezoeken over en weer door de bewoners van Iturup, Shikotan en de Habomai-eilanden en de bewoners van japan , teneinde de wederzijdse verstandhouding te verbeteren. De wenselijkheid van het spoedig afsluiten van een vredesverdrag werd benadrukt. Bovendien werden Iturup, Koenashir, Shikotan en de Habomai -ei landen expliciet genoemd als gebieden die in het geding zijn, en werd niet verwezen naar de Koerilen-eilanden ten noorden van Iturup of Zuid-Sachalin. De nadruk lag sindsdien op de vier genoemde eilanden. De beide staatsbezoeken zorgden echter niet voor een de~nitieve doorbraak. Wegens de uiteenlopende posities van beide landen werden twee tussentijds geplande bezoeken afgezegd. Voor de G-7-toP van juli '993 werd van tevoren overeengekomen dat het territoriale geschil niet zou worden besproken _ Een vredesverdrag is nog niet gesloten, ondanks nog enkele hoge bezoeken. Vele obstakels staan nog in de weg aan de

jaargang 23, nummer 2, augustus 1998

27

1951-199 1

JASON MAGAZINE

datzelfde jaar werd de verklaring door beide landen gerati~ceerd_ In 1960 ontstond er een conflict als gevolg van het Herziene Veiligheidsverdrag VS-japan. Op 27 januari eiste de Sovjet-Unie terugtrekking van alle buitenlandse strijdkrachten van het grondgebied van japan als extra voorwaarde voor overdracht van de genoemde eilanden_ De japanse regering protesteerde dat een eenzijdige verandering van de Gezamenlijke Verklaring niet mogelijk was, omdat deze al was gerati~­ ceerd in beide landen." Vanaf dat moment volgde de Sovjet-Unie de lijn dat het territoriaal geschil met japan al aan het einde van de Tweede Wereldoorlog was opgelost en daarom niet meer bestond . In 1973 verklaarden beide landen "that the regulation of the issues that remained unsolved after World War 11 and the conclusion of a peace treaty would contribute to the establishment of genuine friendly relations between both coun-


oplossing van het geschil. Hieronder bespreek ik enkele aspecten die op de eilanden zelf betrekking hebben, evenals van de Russische en japanse politiek in het algemeen. Met betrekking tot de eilanden zelf noem ik de aanwezigheid van de Russische bevolking aldaar, in het licht van nationalistische tendensen in Rusland; Ruslands militaire aanwezigheid'4 en het strategisch belang van de Zee van Ochotsk en de Koerilen-eilanden voor de Russische (nucleaire) vloot; de economische zone van 200 mijl, de visserijrechten en natuurlijke hulpbronnen rondom de eilanden. Het geschil heeft een grote invloed gehad op de Russisch·japanse betrekkingen in het alge· meen . Economische relaties zijn er nauwelijks. japan heeft echter interesse in gas en olie uit Sachalin en Siberië. Op een recente informele bijeenkomst in Krasnojarsk bespraken president jeltsin en de japanse premier Hashimoto de mogelijkheid van een pijplijn voor het transport van gas uit Siberië door Mongolië en China naar japan. Andere onderwerpen op het gebied van handel, transport en energie werden eveneens besproken. Hashimoto beloofde steun voor Ruslands kandidatuur voor het lidmaatschap van het Asian-Pacific Economic Forum (APEC) en jeltsin zei de wens van japan om permanent lid te worden van de VN-Veiligheidsraad te zuIlen ondersteunen.'S Bilaterale en multilaterale hulp zijn ook van belang. Zolang het geschil niet is opgelost, wil japan eigenlijk geen hulp verlenen aan Rusland. japan heeft op een C-l in '993 echter wel verklaard dat er geen verband bestaat tussen het geschil en multilaterale hulp in C-l·verband. Op hun ontmoeting in Krasnojarsk verklaarde Hashimoto dat tot het uiterste zal worden getracht om voor het jaar 2000 een vredesverdrag te sluiten. De onderhandelingen zullen zich toespitsen op de reeds genoemde vier eilanden, waarover japan de soevereiniteit wil herverkrijgen. Maar getuige de woorden van de Russische vice-premier Nemtsov, die zei dat Rusland meer voelt voor regionale economische ontwikkeling dan voor teruggave aan japan, is de uitkomst van onderhandelingen onzeker. De juridische status van de Koerilen-eilanden ten noorden van Iturup en Zuid-Sachalin moet ook nog aan de orde komen . In elk geval is duidelijk dat de Russische aanwezigheid in deze gebie· den voorlopig nog zal voortduren. Noten 1 Volgens Rusland zijn alle eilanden tussen het schiereiland Kamtsjatka en Hokkaido onderdeel van de Koerilen, inclusief Iturup, Koenashir, Shikotan en de Habomai-eilanden. Vanaf1g68 volgt Japan de lijn dat de vier laatstgenoemde geen Koerilen zijn, maar Noordelijke

JASON MAGAZINE

jaargang 23 , nummer

2,

augustus 1998

2

3 4

5

6

7

8

9

10

11

12 13 '4

15

Gebieden. Zie voor het japanse standpunt: 'japanese Government's View on the Definition of the Northern Territories' in: G. Allison, H. Kimura en K. Sarkisov, Beyond Cold War to Trilateral Cooperation in the AsiaPacific Region, aanhangsel 0, document 51 (1968) en japan's Northern Territories, brochure uitgegeven door het japanse ministerie van Buitenlandse Zaken (1996). Voor documenten van de periode voor 1855 zij verwezen naar het joint Compendium of documents on the History of the Territorial Demarcation between japan and Russia, uitgegeven door de ministeries van Buitenlandse Zaken van japan en Rusland (Moskou, Tokio 1992). Citaten en vertalingen zijn afkomstig uit en gebaseerd op Allison , Kimura en Sarkisov, aanhangsel D. Zie voor de betrekkingen gedurende de Tweede Wereldoorlog en het Vredesverdrag van San Francisco M. Beloff, Soviet policy in the Far East (London 1953) pp.102·154· De Amerikanen probeerden Sovjet-overheersing van de Koerilen-eilanden te voorkomen. Algemeen Bevel Nummer 1 sprak niet van de overgave van de japanse commandant op de Koerilen aan de Sovjet-troepen. Dit leidde tot een briefwisseling tussen Stalin en Truman. Zie Allison, Kimura en Sarkisov, aanhangsel 0, documenten 21, 23 , 24 en 25· Zie de twee verslagen van de onderhandelingen tijdens de Conferentie van jalta op p. 19 en 20 van het joint Compendium (1992). Roosevelt beloofde Stalin Zuid-Sachalin en de Koerilen-eilanden . Voor het Amerikaanse standpunt dat er in Jalta geen bindende besluiten werden genomen , zie het Joint Compendium (1992) , p. 32; Beloff, p. 114 en n6; W.F. Nimmo, japan and Russia; a Re-evaluation in the Post·Soviet Era, (Westport, 1994) p. 175, nr. 12 en 14. Eén interpretatie van deze formulering was vervat in het Memorandum van de Oppercommandant van de Geallieerden aan de Japanse Keizerlijke Regering van 29 januari 1946. Dit stelde dat de Koerilen-eilanden, de Habomai-eilanden en Shikotan niet tot het territorium van Japan behoren. Tegelijkertijd bevatte het Memorandum geen eind regeling voor zover het gaat om de kleinere eilanden genoemd in de Verklaring van Potsdam. Zie Beloff pp. 148-149 over een persconferentie in de VS in februari 1951, waarop werd gesteld dat tenzij de Sovjet-Unie het Vredesverdrag zou ondertekenen haar recht op de bezetting van de Habomai-eilanden en de Koerilen in het geding zou kunnen komen. Tegenwoordig verwijst de japanse regering naar de Zuid-Koerilen, Shikotan en de Habomai-eilanden als de Noordelijke Gebieden. De Gezamenlijke Verklaring van 1956 werd weliswaar genoemd in de Gezamenlijke Mededeling van 1991 , maar het hier beschreven contlict werd niet genoemd. Vertaling van de Russische tekst uit het joint Compendium (1992) , p. 48. Voor de Engelse vertaling zie http://c1ub.jpn .net/infomofafj ujq_a/declaration. html. In de Gezamenlijke Mededeling van 1991 stelt de Sovjet-Unie voor om het aantal troepen op het eiland te verminderen. In de brochure van 1996 suggereert het japanse ministerie van Buitenlandse Zaken dat Rusland zijn troepen heeft teruggetrokken na het bezoek van Boris Jeltsin aan Japan. Over de top zie NRCfHandelsblad en de Volkskrant van 3 november 1997·


Vooraankondiging Simulatiespel O p vrijdag 18 september a.s. organiseert de stichting Jason i.s .m. het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen "Clingendael" een simulatiespel over de Europese Unie. Nagespeeld wordt een zogenaamde Algemene Raad (van staatshoofden en regerings leiders van de EU-landen). Het ochtendgedeelte wordt besteed aan een procedurele inleiding en aan de drie onderwerpen op de agenda: de uitbreiding van de EU; de instit ut ionele hervormingen; de financiering. Aan de hand van uw keuze voor een van deze onderwerpen speelt u in de middag de Algemene Raad na. U kunt zich opgeven middels de antwoordkaart achterop dit magazine. De kosten zijn! 10,- voor abonnees,! 15,- voor n iet-abonnees (inclusieflu nch en receptie). Het aanta l inschrijvingen is beperkt, dus wees er snel bij. Deelnemers ontvangen z.s.m. na aanmelding nadere informatie.

Vooraankondiging jason-congres "De afdwingbaarheid van mensenrechten" [werktite l] Woensdag 23 september 1998, Duitsland Instituut Amsterdam Ontvangst 09.30 uur Ochtendprogramma Opening dagvoorzitter; in leiding keynote speaker; forum over de stelling "Mensenrechten moeten politiek kunnen worden afgedwongen" met deelnemers uit de (inter)nationale politiek, ngo's en de wetenschap Middagprogramma Twee rondes van werkgroepen over: humanitaire interventie/veiligheidspolitiek, mensenrechten en de VN, en democratie en mensenrechten Deelname Kosten! 15,- voor abonnees van jason Magazine,! 20,- voor niet-abonnees (excl. lunch) U kunt zich opgeven met de antwoordkaart achterop ditjason Magazine, onder gelijktijdige storting van het toepasselijke bedrag op gironummer 3561025, ten name van Stichting Jason, Den Haag, onder vermelding van "najaarscongres". Vergeet niet uw voorkeur voor de werkgroepen te vermelden .

Deze publicatie is mede mogelijk gemaakt dankzij steun van:

Ministerie van Buitenlandse Zaken ,

-$ I

NATO Information Service

MAO_C_ Gravin van Bylandt Stichting


ANTWOORDKAART

D

SIMULATIESPEL

Ik geef mij op als deelnemer aan het simulatiespel en stort het door mij verschuldigde bedrag op gironummer 3561025, t.n.v. Stichting Jason, Den Haag, o.v.v. "simulatiespel " De kosten zijn f 10,- voor abonnees,

f

'5.- voor niet-abonnees (inclusief lunch en receptie). Na inschrijving ontvang ik meer

gedetailleerde informatie.

D Ondergetekende abonneert zich op jason Magazine en ontvangt voor fI. 30,- vier nummers van voornoemd magazine alsmede uitnodigingen voor de activiteiten van de Stichting jason.

Naam: Adres:

Postcode: Woonplaats: Telefoon: Mijn voorkeur voor de onderwerpen (1 = eerste voorkeur, enz.): uitbreiding institutionele hervormingen financiering

Handtekening: Deze antwoordkaart in een enveloppe zonder postzegel sturen naar: Stichtingjason, Antwoordnummer 10711, 2501 WB Den Haag.

ANTWOORDKAART

D

CONGRES

Ik geef mij op als deelnemer aan hetjason-congres en stort het door mij verschuldigde bedrag op gironummer 3561025, t.n.v. Stichting Jason, Den Haag, o.v.v. "najaarscongres" (f 15,- abonnees, f 20,niet-abonnees). Na inschrijving ontvang ik meer gedetailleerde informatie.

D Ondergetekende abonneert zich op Jason Magazine en ontvangt voor fl . 30,- vier nummers van voornoemd magazine alsmede uitnodigingen voor de activiteiten van de Stichting Jason. Naam: Adres: Postcode: Woonplaats: Telefoon: .. Mijn voorkeur voor de werkgroepen (1

=

eerste voorkeur, enz.):

Humanitaire interventie Mensenrechten en de VN Democratie en mensenrechten Handtekening: Deze antwoordkaart in een enveloppe zonder postzegel sturen naar: Stichtingjason, Antwoordnummer 10711, 2501 WB Den Haag.