Jason magazine (1992), jaargang 17 nummer 3

Page 1

Jaargang 17

Juni 1992

Nummer 3

Losse Nummers

f

4,95

Magazine voor Internationale Vraagstukken

Eén wereld, één probleem?


I N HOU

JaSOIl Magazine is een tweemaandelijk:se uitgave van de Stichting ja"",

Redactie

0

SOP

REDACTIONEEL: TOENADERING EN CONFLICT

Wat is Jason?

Door Peter Lingg

De Stichting Jason is in 1975 door jongeren opgericht om te voorzien in een duidelijke behoeFte van jongeren aan evenwicht ige informatie over internati onale vraagstukken. Jason is niet gebonden aan enige politieke partij en heeft geen levensbeschouwelijke gronds lag. Jason in fo rmeert op twee mani eren. Door het tweemaandelij ks uitgeven van dit blad en door het organiseren van acti vite iten, zoals buitenl and-borrels, congressen, excursies, Fora en uitwisse lingen. Recente onderwerpen van Jason Magazine waren: de internati onale v Iuc hte l in genprobl ematie k, het Middellandse Zeegebied en de ni euwe veili gheidsproblematiek in internati onale betrekkingen (Engelstalige editie).

Hoofdredactie: Martîjn Hop

Heino Wal broek Eindredactie: Silvio Milia Atnout Nuyt Arjen Boin

Elena van der Hoorn Marie-José Jouker Peter Lingg

Dagelijks bestuur: VoorziUèr: Marianne van Leeuwen Vice-voorziuer: Ruud Raker.; Secretaris: Martijn Boelen InL Secretaris: 0110 Jellemll Penningmeester. IngeboTg van Dijck Foodseuwerving: Richard l"Ql,lwers PR-coordinatie: Marona van den Heuvel Act. coördinatie: Michiel de Weger Algemene Zaken: Eisa Fruggink

Algemene bestuur: Jhr.Mr. A.G.EM. Alting 'Ion Geu$IIu Drs. r.G.H. van den Broek Mr. F.C,M. Caris. M.B.A. Drs. F. Clelon Drs. A.H. Gierveld Mr. F.A.M. van den Heuvel Drs. JA de Koning, M. Pbi!. Mr. R.H. VAn der Meer Drs. EU. Prina.-n

Ir. I.WJ.M. Rutten, M. B.A. Drs. EJ. Weterings

Raad van Advies ?rof.Or. W. Dekker, voorzitter F. de Bakker Prof.Or. J.Th.1. van den.Berg Prof.Dr. H. de Hnan Prof.Drs. V. Halberstadt Dni. GJ.J.M. Uayen C.c. vall den Heuvel HA M. Hoefnagels

Mr. lG.N. de Hoop Scheffer

Drs. R.W. MeÎnes R.D. Praaning Drs. W.K.N. ScftJ,AeI~~ .. Prof.Dr. l G.SiCCáma Prof.Dr. A. van Staden Prof.Dt U.W. Tromp Drs. L Wecke

Stichting J.$on laan van Meerdervoort 96 2517 AR Den H.ag tel . 070-360S6S8 De Stichtin8 Jasón is niet aiJnsprak~lijk \·OO( de meningen die in bijdragen naar \'oren worden gebracht.

ONTWIKKELINGSHULP JAPANSE STIJL Door Frans Bevort

2 DEMOCRACY, ETHNICITY AND APARTHEID IN CHANGING AFRICA Door Chud i Ukpabi

8 PROFIEL: STAATSMANSCHAP IN ONTWIKKELINGSLANDEN : PRESIDENT ANWAR SADAT Door Jan M ichiel OltO

11 BRUGFUNCTIE TUSSEN RIJKE NOORDEN EN ARME ZUIDEN. HET BEVOORRECHTE MEZICO Door A nto nio Pérez M anzano

14 ONTWAPENING, ONTWIKKELINGSSAMENWERKING EN ONTWIKKELING IN DE DERDE WERELD: EEN HOOPVOLLE HERKANSING Door Mam ix Lambert s

16 MACHT EN ONMACHT VAN NGO'S IN HET UNCED·PROCES Door Arth ur van Bu itenen

ISSN 0165·8336

Wil je meer infonnatie over de acti viteiten en/of een grati s proefnumm er? Be l 070 - 3 60 56 58 of schrijf naar: Stichting Jason , Laan van Meerdervoort 96, 2517 AR Den Haag . Voor nadere infonnatie kun je ook de achterin vermeide personen bellen.

20 "UNCED: EEN GROEN BREEKIJZER VOOR ECONOMISCHE GROEI. GROEN, GROENER, DE GROOTSTE GROEI" door Peter L ingg

22 VERDWIJNT DE AFSCHRIKKING? DE HISTORIE ALS AFSCHRIKWEKKEND VOORBEELD Doo r He mlan de Lange

Druk: Haagse Drukkerij en UitgevcrSmaatschappij/SijthotY Pers

G A V E

27

Copyright Overname van bijdragen is slechts toegestaan meI een bronvermeldi ng naar het volgende voorbeeld. waarbij lussen haakjes de gevraagde gegevens moeten zijn ingevu ld: "Onderstaande bijdrage van (auteur) is overgenomen uit Jason Maguine. jaargang (nr.). num mer (nr.). (maand. jaar). dat gewijd is aan het thema (thema). Jason Magazine is een tweemaandelijkse uitgave van Jason. Stichting voor Internationale Vraagstukken.

Den Haag."


RED

ACT

ION

E

E

L

Toenadering en conflict Het is juni 1992, de maand en het jaar van de UNCED, de VN-conferentie over milieu en ontwikkeling in Rio de Janeiro. Zuid en Noord ontmoeten elkaar aan de Braziliaanse onderhandelingstafel als vertegenwoordigers van werelddelen en praten daar over de gemeenschappelijke belangen . Maar niet als gelijkwaardige partijen of op eigen initiatief. Amerika komt niet echt vrijwillig, en het was lang onzeker of de VS uberhaupt aanwezig zouden zijn. M aar belangrijker dan deze "oversized" conferentie en politieke show zijn een tweetal processen van politieke en communicatieve aard, die achter de UNCED schuil gaan: Zuid en Noord zoeken opn ieuw toenadering tot elkaar, om verschillende beweegredenen

en onder verschillende voorwaarden. De fase van open lijk conflict dient zich wellich t aan.

Multipolariteit in Zuid en Noord komt in plaats van de bipolariteit tussen Oost en West. Maar vee l krachten in Azie sluimeren nog en we di enen bijvoorbeeld China als

slapende reus niet te vergeten. De Nederlandse minister Jan Pronk werd geconfronteerd met een nieuwe stij l politiek van de oude regeerders in Jakarta. Indonesie brak met de oude koloniale machthebbers en zoekt toenadering onder andere voorwaarden. Handel is prima, kriti sche bemoeienis is overbodig. In een overzichtsartikel van Frans Bevort wordt de rol van Japan in de Derde Wereld beschreven. Japan is inmiddels de grootste ontwikkelings hulpdonor ter wereld geworden, en maakt hiermee ken baar dat het were ld wijd grotere

aspiraties heeft. In eeste instanti e natuurlijk economisch, maar wellicht indirect ook politiek.

Ook Afrika gaat zich steeds duidelijker manifesteren in deze veranderende wereld. Het heeft vooral meer respect voor zichzelf. De journalist Chudi Ukpabi schrijft over het openbreken van oneigenlijke politieke en culturele structuren in zijn continent. In het daaropvolgende artikel van de hand van Jan Michiel Ono staat een leider van het Africaan se continent centraal: wij len Anne Saoat.ln Latijns-Amerika wil Mexico groeien middels de band met de grote boven broer VS. Antonio Perez Manzano pleit voor vrije handelsrelaties met de rijke buurman. Een ander voorbeeld waarbij sprake is van veranderende houdingen, toenadering en conflict is hel issue rondom de bewapening in de Derde Wereld. Mamix Lamberts beschrijft de recente voorzichtige pogingen om de overmatige bewapening in Zu id te helpen terugdringen, niet door dwang maar met name door dialoog en overleg. Een van de we inige middelen die hiervoor gebruikt kunnen worden als onderhandelingsinstrument is misschien ontwikkelingshulp. En wij in het Noorden zullen ook een stuk geloofwaardiger zijn in deze toenadering, als we zelf een goed voorbeeld kunnen geven.

Louis Emmerij , president van het Development Centre van de OESO, vindt dat het Zuiden nu bij de UNCED op een intelligente manier gebruik moet zien te maken van een van haar weinige machtsinstrumenten ten opzichte van het Noorden, het milieu. In een interview met Jason geeft hij aan dal 'groen ' en economische groei volgens hem goeds samengaan, zowel in hel Noorden, al s in het Zu iden. In de reeks artikelen over vrede en veil igheid is voorts het eerste deel geplaatst van een betoog van Prof. Herman de Lange over hel vraagstuk van (n ucleaire) vei li gheid. In dit eerste deel zal worden ingegaan op de hisorische context van de afschrikk en aan het begin van deze eeuw. •

P.F.P. Lingg

Een interessante internationale ontwikkeling is teven s de veranderende ro l van overheden en het samenspel met niet-gouvernementele organisaties, de zogenaamde ngo's. Arthur van Buitenen beschrijft de relevantie en mogelijkheden van deze mensen, groepen en organisaties om samen met overhede n de maatschappelijke, politieke en andere problemen te lijf te gaan.

Foto Omslag: Via de UNCED moeten afvalstromen worden gestopt. 5.F. Milia

jason Magazine nr. 3, juni 1992

1


Dfl.F.V.G . 8evort, econoom, is sinds 1916 werkzaam op het Ministerie van Buitenlandse Zaken, en vanaf 1983 senior beleidsmedewerker voor het DGIS, afdeling Beleidsvoorbereiding.

Ontwikkelingshulp Japanse stijl Door Frans Bevort

Drie jaar geleden,in 1989, herdachten Japan en Nederland dat 380 jaar geleden officiele handelsrelaties werden aangeknoopt. In datzelfde jaar is Japan ook de VS voorbijgestreeft als grootste donor van ontwikkelingshulp en zijn voorts nieuwe accenten gelegd in deze hulpverlening. Dit artikel geeft een overzicht van achtereenvolgens de geschiedenis, doelstellingen, omvang, inhoud, organisatie en kritiek op de Japanse ontwikkelingshulp. Ter illustratie en vergelijking wordt ook af en toe de positie van de Nederlands ontwikkelingssamenwerking bij dit overzicht betrokken.

D e basis voor de hedendaagse Japanse ontwikkelingshulp werd in de jaren '50 gelegd, toen Japan in 1951 het Vredesverdrag van San Francisco ondertekende en in 1954 toetrad tot het Colombo-plan voor technische sam enwerking met de

zgn. Maekawa-rapport, waarin

voorstellen werden gedaan om het structurele Japanse betalingsba-

tin g in hebben). In deze fase stelt Japan ook de diverse hulpverleningsorganisaties in; het Overseas

Economie Cooperati on Fund (OECF) in '6 1 en het Overseas Technical Cooperation Agency in '62, dat in ' 74 werd omgevormd tot het huidi ge Japan [nternational Cooperati on Agency (JICA). Japan gebruikte in deze periode de ontwikkelingshulp vooral als middel om de export te bevorderen. 3) De derde fase begint in de beginjaren '70, wanneer Japan door di verse gebeurtenissen

wikkelingslanden kan in vijf fasen

betrekking tot de Amerikaanse opstelling jegens China, de opheffing van de dollar/goud-con-

het Vredesverd rag verplichtte tot herstelbetalingen aan de buurstaten (de laatste herstelbetaling werd in 1977 verricht). Deze betalinge n waren aan Japanse leveranties

gebonden, waardoor deze ook de Japanse economie bevorderden.

Japan kreeg daardoor de mogelijkheid op de markten van de buur-

. 88 werd vervangen door het vier-

waar de meeste donorlanden zit-

ten van de regering Nixon met

toen Japan zich in het kader van

derde medium -term target dat in

OESO (ee n samenwerkingsorgaan

Zuidoostaziatische landen. De

I) De eerste fase ving aan in 195 1

medium-term target, in '86 met het

de target. In '87 verschijnt ook het

Japanse samenwerking met ont-

Historisch overzicht.

'M edium-term Target', waarin een

verdubbeling van de ODA binnen 5 jaar wordt aangekondi gd. In '8 1 we rd dit gevolgd door het tweede

Assistance Committee van de

gedwongen wordt zijn hulpveri e路 ningsbeleid te herzien. De beslui-

worden verdeeld.

vertibiliteit, de insteUing van een

Amerik aanse invoerheffing en de Arabische olie-boycot doen Japan beseffen, dat de ontwikkelingen in

het buitenl and ernsti ge gevolgen

lansoverschol terug te dringen, onder meer door de binnenlandse vraag te stimul eren en door een

deel van het betalingsbalansoverschot terug te sluizen (recyclen) naar de ontwikkelingslanden voor een bedrag van $ 65 mld. in vijf jaar tijd. 5) De huidi ge fase begint in 1989. In dat jaar wordt Japan de grootste donor en kondi gt de Japanse Mini ster van Buitenlandse Zaken

Nakayama het zgn. Initiati ef ter bevordering van vrede en welzijn aan. Japan publ iceert studies op

het ge bied van armoede, milieu en vrouwen en stelt als eerste donorcriteri a op voor de re latie tussen

ontwikkelingshulp en de militaire uitgaven van hulpontvangende

landen (zie hiervoor het andere artikel in deze Jason). Tenslotte wordt besloten tot nauwere samenwerking met andere donoren,

waaronder de EG (op 18 juli 199 1 tekenen Japan en de EG een ver-

kunnen hebben voor de eigen economie. In reactie hierop maakt

kl aring voor nauwe re samenwer-

Japan ont wikkelingshulp tot een vast onderdeel van het buitenlandse beleid, verhoogt het de ODA en wordt het Midden Oosten toege-

king, waarin op Japans voorstel ook afspraken zijn gemaakt op het gebied van ont wikkelingssamenwerking).

voegd aan de regio's die voor

'Request-principle' en 'self-help' .

hulpverlenin g in aanmerking komen. In deze fase wordt de ontwikkelingshulp vooral gebruikt

Tot voor kort hanteerde Japan

om de grondstoffenvoorzi ening uit

twee principes bij het verlenen van

2) Ei nd j aren ' 50 begon de tweede fase. toen Japan ook hulp ging ver-

het buitenl and veilig te stellen.

ont wikkelingshulp, te weten non-

strekken aan India, in de vorm van

4) In '77 begint de vierde fase met

de eerste ODA-Iening (ee n yen路

de aanvaardin g van het eerste

interventie en economische samenwerking. Vanwege het oorlogs verleden en omdat Japan zich-

landen te penetreren. In deze fase

trad Japan toe tot het IMF, de Wereldbank, de GAIT en de VN o

2

lening met rentes ubsidie ter grootte van $ 50 mln. ). [n de jaren '60 werd de hulp uitgebreid met Zuid Amerika ('6 1 een yen lening aan Srazilie; in '66 een yen-lenin g aan Oeganda). In deze fase treedt Japan toe tot de Development

Jason Magazine nr. 3, juni 1992


zelf nog lang als een ontwikkelings land besc houwde_ heeft Japan steeds getracht zich verre te houden van bemoeienis met binnenlandse aangelege nheden van de ontwikkelingslanden. Bijgevo lg nam Japan niet zelf het initiatief om ontwikkclingsprogramma's te beginnen, maar wachtte totdat ontwikke lin gs landen ze lf met voorstell en kwamen. Dil was het zgn.

'request-principle', dat van Japan een vrij passieve donor maakte.

Het andere principe, dal van economische samenwerking, bepaalde in sterke mate de wijze waarop Japan hulp verleende. Naar analogie van hel eigen model moesten ontwikkelings landen worden geholpen zichze lf te helpen en moel ontwikkelingssamenwerking bijdragen aan de economische en sociale ontwikkeling van het ontvangende land, het zgn. 'self-he lp' beginsel. Om dezelfde reden ve rstrekte Japan een belang rijk deel van zijn hulp in de vonn van concessionele leningen (dit zijn leningen op bepaalde voorwaarden e n met Q.a. een zgn. schenkingselement van tenminste 25%). Japan hoopte met het verstrekken van leningen te bewerkstelligen, dat de middelen worden aangewend voor projekten, die economisch rendabel zijn e n zichze lf terugverdienen. Bijgevolg werden vee l co ncessionele leningen aangewend voor de financiering van (grote) kapitaalprojekten, zoa ls wegen, elektriciteitscentrales, spoorwegen, enz.

Nieuw beleid Japan is than s een economische grote moge ndheid in de wereldhandel en in het diensten- en Financiele verkeer, maar ontbeert deze macht in het buitenlandse beleid. Dit heeft tot vee l kritiek ge leid op de wijze waarop Japan zijn verantwoorde lijkhe id jegens de Derde Wereld nakomt. Japan werd opgeroepen de hulpverlening drasti sch te verhogen, mede ter vennindering van het betalingsbalansoverschot, en gevraagd landen te helpen in kriÎieke regio's (zoa ls Turkije vanwege Iran/ Irak, Pakistan vanwege de Afghaanse bezetting , enz.). Toegevend aan deze

toenemende kritiek uit het bui l.enland toonde Japan zich in de loop van de jaren' 80 meer en meer bereid te handelen naar het concept van verantwoordelijkheid van een economische grote mogendheid.

In ·89 kondigde Minister Nakayama het initiatief tot internationale samenwerkin g voor we reldwijde vrede en welzijn aan, dat bestaat uit actieve medewerking aan het bevorderen van de were ldv rede, internationale culturele uitwisseling en toeneming van de ODA. In het kader van de actieve vredesbevordering speelt de vraag of Japan kan deelnemen aan VN -vredeskorpsen (momenteel een politiek zeer gevoeli g thema) en de reeds genoemde relatie tussen on twikkelingshulp en militaire uitgaven. Bij het derde e lement van het Nakayama-initiatief gaat het om mondialise ring van de ontwikkelingshulp en een grot.ere leidersrol bij het ondersteunen van de economische ontwikkeling van Derde Were ldlanden. De mondi aliserin g krij gt inmidde ls vorm. Japan verstrekt ontwikkelingshulp aan nagenoeg elk ontwikkelingsland en is in meer dan 30 landen de grootste individue le donor. Het streven naar economisch leiderschap blijkt 0.111. uit de groei ende invloed van Japan in internationale (m.n. financiele) organisaties zoal s de Wereldbank en de Aziatische Ontwikkelings-

bank. Hoewel in het beleid het beginsel van niet-inmenging gehandhaafd blijft, ziet Japan voo r zichzelf ook een taak wegge legd bij het adv iseren van ontvangende landen over ontwikkelingsstrategie en econom isch beleid. Per huJpontvangend land wordt sind kort een hulpverleningsbe leid geformuleerd en wordt met de betreffende landen een beleidsdialoog aangegaan.

Een Japanse vracht· wagenfabriek in Brazilië (foto : Sijthoft Pers)

Zo werd in '87 voor het eerst een beleidsdialoog op ministersniveau gevoerd over economische samenwerking met de Filipijnen. Eveneens wordt samenwerking met de particuliere sector aangemoedigd in het kader van de zogeheten ' Minkatsu' (v rij vertaa ld vee lomvattende economische samenwerking), waarb ij officie le ontwikkelingshulp, Japanse direkte investeringen, export, samenwerking met bedrijven en overdracht va n tec hnologi e tot een pakket worden samengevoegd. ODA fun gee rt hierbij als katalisator om de stroom van particuliere middelen naar de ontwikkelingslanden te versterken, door de Japanners 7..elf ' prime pumping' genoemd. Ook wordt getracht de samenwerking met de niel-commerciele sec tor. i.c. de niet-gouvernementele organi saties (ngo's)te vergroten (z ie verderop in dit artikel ).

Omvang en samenstelling Japan werd in 1989 de grootste hulpdonor in de wereld . In 1989

lasoll Magazille nr. 3. juni 1992

3


bedroegen de Japanse nello ODAuitgaven $ 8,8 mld tegenover $ 7,6 mld Amerikaanse netto ODA-uitgaven.

Nederlandse tinanciele stroom

de produktiesector inclusief land-

naar de Derde Wereld weergege-

bouwen industrie, programmahulp ter ondersteuning van economische aanpassingsprogramma 's, en de categorie overige met o.a.

ven.

Regio 's en sectoren In de begroting was ca. 755,5 mld yen (ca. $ 5,4 mld) van de zgn. General Account Budget gereser-

De Japanse ontwikkelingshulp is traditioneel sterk geconcentreerd

sc henkingen en technische hulp. Daarnaast werd uit het zgn . Fiscal Investment and Loan Program (het zgn. tweede budget, dat gefinan-

op Azië. Tot 1970 ging de meeste hulp naar deze regio. Na de oliecrisis nam het Aziatische aandeel relatief af tcn gunste van het Midden-Oosten, Afrika en Zuid- en Centraal-Amerika. Nadien is het Aziatische aandeel geleidelijk

cierd wordt uit overheidsleningen)

weer toegenomen tcn koste van de

615 mld. yen gereserveerd voor ODA-Ieningen. Japan is genoodzaakt een deel van de ODA te

hulp aan het Midden-Oosten. De landen die de laatste jaren de meeste bilaterale hulp van Japan

financieren via leningen uit het

ontvingen, waren Indonesië,

tweede budge~ omdat het met ee n tekort op de overheidsbegroting

China, de Filipijnen, Thailand, Bangladesh, Pakistan, Binma, SriLanka, India en Egypte.

veerd voor hulpverlening; deze middelen werden aangewend voor

kampt en daardoor niet is staat is

de versnelde ODA-toename uit het eerste budget te financieren.

Nederland kampte met soortgelijke problemen in de jaren '70, toen de Nederlandse ODA werd verdubbe ld zonder dat daar voldoende begrotingsmiddelen voor beschikbaar waren; Nederland stelde toen ook het instrument van hel concessionele krediet in, dat

pas eind jaren' 80 kon worden afgeschaft. Doodat de VS in '90 een aantal achterstallige bijdragen aan multilaterale instellingen betaalde, en vanwege de koersdaling van de yen t.o.V. de dollar, wist de VS in '90 wederom de eerste plaats te bezetten. In '9 1 is Japan de VS echter opnieuw voorbijgestreefd. In onderstaande tabel is de samen-

stelling van de Japanse en de

in procenten van de totale bilaterale hulp voor 1989 weergegeven.

Zoals de tabel laat zien, wordt een aanzienlijk deel van de Japanse hulp aangewend voor de versterking van de economie, waarbij vooral ODA-Ieningen worden ver-

strekt. In de Nederlandse hulp ligt het accent meer op de sociale sectoren, zoals onderwijs en gezondheidszorg, en ondersteuning van

het platteland. waar de allerarmsten moeten worden gezocht.

In het Nederlandse bilaterale hulpbeleid gaat ca. 45% naar landen in Azië, 43% naar landen in Afrika

Instituties

en de resterende 12% naar landen

De institutionele organisatie van de Japanse ontwikkelingssamen-

in Centraal- en Zuid-Amerika. Landen en regio's die veel Nederlandse ontwikkelingshulp ontvan-

werking is tamelijk gecompliceerd. De meeste donorlanden kenn en of een soort Rijksdienst

gen zijn Q.a. India, lndonesië, de

voor ontwikkelingshulp, zoals US

regio Oost-Afrika, de regio Nijl en Rode Zee, de regio Sahel en WestAfrika, de regio Zuidelijk Afrika en Bangladesh.

AID in de VS, of is ontwikkelings-

Een andere indicatie over de wijze

samenwerking een onderdeel van het Ministerie van Buitenlandse

Zaken, zoals in Nederland (een enkele donor heeft een eigen ministerie voor Ontwikkelingssa-

waarop Japan ontwikkelingshulp

menwerkin g, zoals Duitsland). In

verstrekt, is de verdeling over de diverse sectoren. Standaard wordt sen de sociale sektor met o.a.

Japan zijn beide organisatievormen gecombineerd: meer dan 6 ministeries en diensten zijn bij de vonngeving en/of de uitvoering

onderwijs en gezondheidszorg, de

betrokken.

daarbij onderscheid gemaakt tus-

economi sche infrastructuur met O.m. transport en communicatie,

'*' Net als in Nederland is het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Gaimusho, verantwoordelijk voor de overall coordinatie en

Tabel : financiële stromen naar ontwikkelin slanden 1989

ODA

voedselhul p, schuldverlichting en noodhulp. In de volgende tabel is de sectorgewijze verdeling van de Japanse en de Nederlandse bilaterale hulp

Japan 8.965

Nederland 2.093

6.779 3.037 3.741 2. 186 1.544

1.511 1.371 140 582 0

voor het algemene ontwikkelingsbeleid. In dit ministerie houden twee bureau 's zich bezig met de

bilaterale ODA schenkingen leningen

multilaterale ODA

Overige overheidsstromen, w.o. nettoexportkredieten, direkte investeringen, enz. 13.502 private stromen 11.290 w.o. exportkredieten, direkte investeringen mln.$ 24.1 33 Totale netto stroomx % 0,32% ODA in % van het BNP bron: Japan's ODA 1990; OESOIDAC

4

Jasoll MagazilIe nr. 3, juni 1992

168 540 mln.$ 2.460 0,93%

ontwikkelingshulp. Een bureau, het Economic Cooperation

Burea u, draagt zorg voor het bilaterale beleid. De multilaterale hulp via VN-organisaties (zoals UNDP, UN ICEF, enz.) valt evenwel onder het VN-bureau van hel ministerie.

Gaimusho heeft geen afzonderlijk bewindspersoon voor Ontwikkelingssamenwerking. • Het Japanse Ministerie van


Financien draagt de beleidsverantwoordelijkheid voor de multilaterale hulpverlening via de internationale tinanciele instellingen, zoals de Wereldbank en de regionale ontwikkelingsbanken en is voorts verantwoordelijk voor alle begrotingsaspek ten van de hulpverlening.

• Het Economic Planning Agency (EPA) van het Prime Ministers Office is verantwoordelijk voor de ODA-Ieningen. .. Het machtige Ministerie van internationale handel en industri e, MITI , wordt in all e gevallen geraadpl eegd, de andere ministeries worden geraadpleegd afhankelijk van de aard van het hulpverleningsprojekt of -programma. • De Expon-Impon Bank van Japan, een onafhankelijke overheidsinstelling, verstrekt leningen met een schenkingselement van minder dan 25% (vanwege dit lage schenkingselement worden deze leningen niet al s ODA gewaarmerkt). Bij de uitvoering van de Japanse hulpverlening zijn eveneens meerdere instellingen betrokken, waarvan de belangrijkste zijn het reed s genoemde Economic Cooperation Bureau van Gaimusho, het Japan International Cooperation Agency (J1CA) en het O verseas Economic Cooperation Fund (OECF).

stelling voor ont wikkelingssamenwerking slechts marginaal is. Dit blijkt O.m. ook uit de ge ringe belangstelling voor ontwikkelingshulp bij het Japanse parlement (Die!) en de politieke panijen.

eiste. Door het ontbreken van een bewindspersoon voor OS en vanwege de verkokerde struktuur verloopt deze coordinatie moeizaam en kost veel tijd.

Kritiek Een opmerkelijk initiatief is gestan op I januari 199 1 door de Japanse PlT. Vanaf die datum kan iedereen di e bij de PTT een rekening opent, 20% van zijn genoten rente afstaan (ong. 2,4%) aan Japanse ngo's. Nu ruim I jaar later zijn er al 6,5 miljoen rekeninghouders die hieraan meedoen, en al een opbrengst geven van ruim 33 miljoen gulden! Vervol gens ontfennt dit ministerie van post en telecommunicatie zich over dit geld, en wijst het aan ontwikke-

Door de jaren heen is vee l kritiek geleverd op de Japanse ontwikkelingshulp: de hulp was te laag, te commercieel, kwam niet de arn1sten ten goede, was niet duurzaam, schaadde het milieu, enz. Japan heeft zich deze kritiek te hane genomen en diverse maatregelen getroffen om de kwaliteit van de hulp te verbeteren. Zo werden evaluatie-eenheden ingesteld om uitgevoe rde projekten te beoordelen en uit de fouten de nodige lessen te trekken. Voorts is Japan zich meer gaan interesseren voor de

Tabel 2: sektorgewijze verdeling van de bilaterale hulp 1989. Japan

sociale sektor economische infrastruktuur produktiesektoren

Nederland

I

2

74 14 58

26 85 32

w. v.

latte land programmahulp overige

0$ 13

totaal

38

3

17 32 17 60% 100$ 20$

626 20 25 75% 14$ 14,5

62

100

100

1= ODA-schenking, in % van kolom 3 2= ODA-Ienin g, in % van kolom 3 3= totaal van de sektor, in % van het eindtotaal.

Particuliere initiatieven Naast deze instellingen is nog een groot aanta l, al dan ni et aan de overheid gelieerde organisaties aktief op het gebied van de ontwikkelingshu lp, zoals medefinancieringsorganisaties die geheel of gedeeltelijk met overheidsgeld opereren (vergelijk NOVIB en ICCO in Nederland), het Japan International Development Organisation van de Japanse werkgeversorganisatie Keidanren, en de ca. 270 non-gouvernementele organisaties (ngo's) die met donaties van particulieren (kerken , bedrijven, enz.) werken. De invloed van deze ngo's is overigens geringer dan in Nederland, mede omdat in Japan de belang-

Iingsprojecten van ngo's toe. Door de toch geringe belangstelling zijn de meeste Japanse instellingen die zich met Ontwikkelingssamenwerking bezighouden, zwaar onderbemand. De gemiddelde tum-over per ambtenaar is zo' n $ 6111111 ., de hoogste lurn-over van de donorlanden. Logi scherwijze bein vloedt deze onderbezetting de ontwikkelingshulp in negatieve zin: het jaarl ijks uitgeven van de begrote bedragen is dan vaak belangrijker dan de aard en kwaliteit van de voorgenomen projekten of programma 's. Doordat zoveel organisaties bij de hulpverlening betrokken zijn, is goede coord inat ie een eerste ver-

ontwikkelingshu lp van andere donoren; diverse missies uit Japan bezochten bijv. Nederland om zich naar het Nederlandse OS-beleid te orienteren. Eveneens werden beleidsrichtlijnen in- of bijgeste ld om meer aandacht te besteden aan belangrijke thema 's als armoedebestrijding, milieu. en de positie van de vrouw. • Een belangrijk punt van kritiek is de omvang van de Japanse ODA. Hoewel het sinds 1977 de ODA geleidelijk is opgevoerd, bedraagt de Japanse ODA slechts 0,32% van het BNP, wat lager is dan het gemidde lde van alle donorlanden tesamen (het zgn.

jasol/ Magazine nr. 3, jun i 1992

5


o AC-gemiddelde, dat 0,35% bedraagt) en nog ver verw ijderd is

en rea lisering van de hu lpprojek-

van de intern ati onaal overeenge-

ten.

aan wal genoemd zou kunnen WOTden de niel-economische aspekten

deze doelstelling niet te verwach-

• Vanwege de afwachtende houding bij het entameren van hulpprojekten als gevolg van het eerde r genoemde 'request-principle' is de

ten.

continuiteit lang niet altijd ge waar-

van de hulpverlening . zoals milieu. mensenrechten. enz. Tot voor kon kwamen dergelijke begrippen ni et voor in het Japanse ont wikkelingsbeleid. Dank zij het

• Dok de samenstelling van de Japanse DoA laat het nodi ge te

het ve rlenen van hulp is tijdrovend en bergt het ri sico in zich dat pro-

wensen over. Het schenkingsele-

jekten voonijdig worden gestaakt

voor deze aspekten van de ontwik-

ment is het laagste van alle dono-

of vertraagd vanwege bij v. regerin gswisseling, prioriteitswijzi-

kelingshulp. Japan is zelfs als eer-

komen DoA-doelstelling van 0,7% van het BNP. Mede gezie n de Japanse beg rotings problemen is een spoedige implementatie van

en consultants bij de vonngev ing

borgd. De huidige procesgan g bij

ren (Japan 75,5%, Nederl and 97,5%, oAC-gemiddelde 92%) en dreigt door de toename van de D o A- leninge n nog verder te dalen. • Het hoge aandeel van de Do Alening in het ontwikke lingshulpbudget is eveneens een punt van

te weinig aandacht besteed aan de kosten van onderhoud van dergelijke projekten, di e als een zware last op meni g ontwikkelingsland drukken. .. Japan is ook vaak bekriti seerd

om de zgn. binding van de hulp. Hiemlee wordt bedoeld dat ontwikkelingslanden met de ontvan-

gen gelden produkten en/of di en-

kelingshulp en de militaire uitga-

vredelievend land de vraag te stelIen of landen ont wikkelingshulp moet worden onthouden die zelf grote bedragen aan be wapening uit geven. Nederland en de meeste andere donorlanden beraden zich thans ook op dit vraagstuk.

in zogenaamde regio- en landenbe-

leidsdocumenten (de beleidsdoc umenten voor de periode 1992-'95

een dergelijke werkwijze nog niet, maar is doende zoiets dergelijks

commerciele leningen kunnen worden gereali seerd. Vaak ook is

ste donor een stap verder gegaan door ook de relatie tussen ontwik-

en het beleid daarbij vast te leggen

denprobleem. Voorts noodzaakt het gebruik van leningen om de hulp vooral in economisch rendabele projekten te investeren teneinde aflossing van de leningen te

komen maar zelden de annsten ten

thans in Japan ook de aandacht

ven van ont wikkelingslanden in ogenschouw te nemen en zich als

zijn in februari '92 aan het parle-

goede en hadden even goed met

huidige internationale debat over milieu en mensenrechten groeit

met de ontwikkelingslanden een meerj arige hulpre latie aan te gaan

krit iek. Dergelijke leningen dragen bij tot het vergroten van het sc hul -

waarborgen; vee lal betekent dit dat de hulp wordt aangewend voor grootsc halige ontwikkelings projekten zoals wegenaanleg of stu wdammen. Dergelijke projek ten

ment aangeboden). Japan kende

thans te ont wikkelen.

• Een bekend disc ussiepunt betreft de ve rdeling van de ontwikkelingshulp over de di verse

• Vanwege het 'self-help' principe ligt bij de Japanse ontwikkelingshulp het accent vooral op de

regio's/continenten. Japan concen-

economische verzelfstandiging

sen Japan en de buurstaten heeft

van het ont wikkelingsland. Landen worden geholpen om econo-

steeds een sterke band bestaan, die als een soon liefde-haat verhou-

misch op eigen benen te leren staan. Daarbij wordt ervan uitgegaan, dat de aldus te genereren economische ontw ikkeling vanzelf ook de arm sten in de samenleving

ding is te kenschetsen; haat van-

ten goede zal komen (het zgn. trick Ie-down effect van ontwikkelingshulp).

Deze verstrenge ling blijkt uit de onderlinge handel, de Japanse

Ruim 25 jaar ont wikkelingssamenwerking heeft inmiddels aange-

toond dat dit effekt lang niet altijd en vaak zeer vertraagd doorwerkt. Dm die reden ligt in het Nederlandse beleid het accent op zowel

treen de hulp vooral op Azie. Tus-

wege het oorlogsverleden en de vrees voor Japanse dominantie in

de regio, liefde van wege de verstrengelde economische banden.

investeringen in de regio en uit de

Japanse ontwikkelingshulp. De omringende landen zijn belangrij ke grondstoffenleveranciers, bie-

den goedkope arbeidskrac hten, staan (nog) soepeler tegenover milieu-riskantere prod uktieprocessen en hebben minder last van

de economische ver.lclfstandiging

hoge wisselkoersen en handelsre-

als op de armoedebestrijding (de

strikties dan Japan. Het zijn

ding, ook Nederl and. Japan had

zgn. strukturele annoedebestrij-

echter een slechte reputatie, die in

di ng). Hoewel in het Japanse

bovend ien belangrijke afzetmarkten en daardoor aantrekkelijk voor

de loop van de tijd geleidelijk is verbeterd. Japan heeft th ans een

beleid nu ook meer aandacht uitgaat naar de positie van de annsten, blijft de economische ver-

Tot in de loop van de jaren ' 70

zelfstandi ging het hoofddoel.

trachtte Japan de economische

Daannee wijkt de Japanse ontwik-

ke lingshulp belangrijk af van de

belangen gesc heiden te houden van de politieke belange n in de

hulpverl ening van de meeste andere donorl anden.

nadi en geleidelijk afgestapt. Eind

sten uit Japan moet aanschaffen. Iedere donor zondigt aan deze bin-

betere staal van dienst dan menige

andere donor op dit gebied en biedt de meeste hulp thans ongebonden aan . Desondanks blijven er tw ijfels bestaan, getui ge de grote rol van de Japanse handelshui zen

6

ging, enz. Nederland heeft dit continuiteitsprobleem opgelost door

De vraag is ook of economische hulp vo ldoende aandac ht besteedt

jason Magazine nr. 3. juni 1992

Japan se in vesteringen.

Aziati sche reg io. maar is daarvan


jaren '70 vervaagt deze sc heiding, treedt Japan toe to t de ASEAN en gaat geleidelijk a ls spreekbui s voor de regio fungeren in bij v. de Economische Topconferenties van de G-7 en in de OESO. Overigens worden deze Japanse rol en in vloed door de buurlanden met arg usogen gevo lgd en lang niet altijd in dank aanvaard. Meni g Azi aat verdenkt Japan ervan dat het uiteinde lijk uit is op bescherming van e igen belangen. Bovendien verdringt de Japanse hulp. m.n. de ODA-Ien in gen, de hulp van andere donoren en van internatio nale tinanciele instellingen zoals de Were ldbank, waardoor oo k de kenni s van deze inste llinge n moet worden o ntbeerd. Er gaan soms stemmen op om ont wikkelingshulp te concentreren op

samenwerking, op voorstel van Japan, in de e ind '9 1 ondertekende Verklaring 10 1 same nwerkin g tussen de EG en Japan, is ee n belan grijke stap in die richting . • Een tevreden AfriAanbevolen literatuur: - Ma)'. Bernhard . Die neue Enwicklung.\.politil.. Japans. Asianjan. 89. - Nuschcler. Franz. Japans Entwieklungspolitik. E+Z. 1992, In. - Japans ODA Annual report. 1987- 1990. Ministry of Foreign Affairs of Japan, - Japan International Cooperation Agenc)' Annual repon 1988-199 1, - Overseas Economie Coopcration Fund Annual report 1988·1990, - Rede Minister van Buitenlandse Zaken N3kayama voor de 44c ziuing van de Algemene Verga· dering van de VN, 26.09.89, - Directory of ngo's in Japan. Japancse NOO Cemrc for lmernational Coopcration. 1988, - A guide 10 Japan's Aid: As:.ocialion of International Co-operahon, - Ministerie van BuZa, VOO. Begroling Onlwik· kei ingssarnenwerking, - OESO/DAC-statistieken.

kaans meisje ;s afgebeeld op een Japanse folder van ontwikkelingshulp (bron: F. Bevort)

bepaalde regio's: Japan zou zich moete n concentreren op Azie, Europa of Afrika, en de VS/Canada o p Zuid- e n Ce ntraal-Amerika. Zo' n regionaJisali e kan tot domi nantie leiden, wat ni et door de o nt vangende landen wordt geapprecieerd en bovendien de gezamen lijke verantwoordelijkheid van donoren jegens ontwikkelingslanden en hun problemen schaadt. Japan is ni et voor zo'n regionalisatie. getui ge het feit dat he l aan nagen oeg alle ontwikkelin gslanden hulp verleent. Slot: Uit het voorgaande blijkt, dat de ontwikkelingssamenwerking in Japan vanuit een andere invalshoek is o ntstaan e n o p ee n andere leest is gesc hoeid dan voor de meeste andere donorlanden ge ldt. Eco nomÎ sc he o nt wik keling en vc rzelfstandi gin g wordt belangrijker gevonden dan aJl11oedebestrijding. Japan is inmiddels de grootste donor geworden e n neemt steeds meer de leiding bij het hulpverl enin gsbe leid. Het Japan se hulpbeleid wordt ook ze lfbewuster en mee r ze lfverzekerd.De tijd is rijp om mee r aandacht te schenken aan dil fenomeen en een dialoog mei Japan aan te gaan, niet alleen over de handel srelatie e n de financi e le relatie, maar ook over samen we rking op het geb ied van ontwikkelingssamenwerking. De opname van het onderwerp ontwikkelings}asoll Magazill' nr. 3. juni 1992

7


Democracy, ethnicity and apartheid in changing Africa Door Chudi Ukpaki Politieal developments and society changes in Afriea today give several signals that the "democratie wind of change" that swept through Eastern Europe finally is blowing through Afriea as weil. Apart from the developments in South Afriea, dictatorships all over Afriea are finding it uneasy to keep to their thrones. Marxist Benin, Ethiopia and Moxambique have fallen to forces that demand new and accountable systems of government. Drs. Chudi Ukpabi,

One of Africa 's worst known dic-

journalist ond consul·

tators, MobulU of Zaire, is bein g foreed by intemal and ex temal pressures to accept a multÎ -party system of govemance and open up the co untry to same fonn of partic ipati ve govemm ent. The pressures thai have grown on tyranny in many African counlries, the latest being Kenya and Malawi , has been anributed by observers to a state of political maturity in Afri-

tont in development

programmes, works ar ETe Foundation, Con-

sultants in Development Progrommes,

Leusden.

ca than the intluence of the changes in Eastem Europe. Like a lea· ding newspaper commented in Kenya " we in Africa have been fighting bad leadership and unaccountable govemment in our societies for a lmast 100 decades now. Same of the faults we created o urselves and the larger bit were all Je ft-overs from our colonial heritage. BUI we have never given up hope that o ne day the people of th is continent wiU regain their pride, and create the right type of leadership to be trusted by the people. Today we see the li ght at the end of the tunne l, and it will never he the same again" Hav ing had the privilege to be in several African counlri es in the last years, I can identify with the comments, but I have often also questi oned why it must get so bad in Africa as of now. for some rays of hope (0 begin to come. Seeing

8

Ja son Magazine nr. 3, juni 1992

the situation of hun ger and destruction s that is still taking place in Somalia, Mozambique, " nd Ango la. the question that remains to be answered certainl y is "willthe maintenance of respect for nati onal sovereignty at any stage be put as ide 10 reslore the dignity of human quality of life to the people of a country?" The case of Irak showed that it can. It could also be imagined that the scale of s ufferi ng ea used largeIy by failed and unacco untabl e leadership in man y African coun tri es. wo uld be a legi timate ground for an interve ntion by the intenmti o nal community. Of course the argument of sening dangerous precedents is valid, but a dec ision at Qne point, and th at is now, must be made 10 show human solidarit y with a people whose government has lost the legitimacy to rule and proteet both national sovereignty and the fundame ntal human righ ts of its people. That was the princ ipal crime in the system of apart he id, but can not be limited la apartheid alo ne. A de li cate di scussion bearing in mind that it to uc hes o n the parameters of intemationallaw, but still at a point in time th is has become a valid di sc ussion, that must he a part of the development dialogue in Africa today. Beca use whateve r are the arg ume nts agai nst in internati onal law, it is equall y true that the respect of human ri ghts. the rights to speak o ut. to freely associate, and to freely participate in governmen t of o ne 's choice are the care of fo undat io n of free society and basis for natio nal dialogue. The traditional African society was nol functioning o n a di ctatorial platfonn of gave rnanee. Tribes had leaders and sometimes with abso lute power, but the leadership was always chosen by the people and al so in turn removed from

office by the decision - making processes us uall y a combin ation of king- makers, clan- e lders, and power- structures in groups such as re li gious and women's organisation s. Tyranny and di ctatorships in contemporary African society have largely s ucceeded to stay in power by mi srepresenting the core structure of the traditional society and th ai is the ' Ethnic factor' in Africa. President Moi of Kenya, has repeatedly said that hi s main reason to stay in power with the o ne-party dictatorship, is that a multi -party democratie system wou ld breed in tribalism and anarchy. Thi s argument is untrue and a mi srepresent ati o n of hi slory and society evolutio n in African society. Ethnic gro ups have hi storical differences in Africa, and thi s will continue, as there is noth ing special about thi s with Africa as eve nts in East Europe have shown . It will be correct to say that ethnÎ city itself is not a ' fundamentalist force' bu t when all owed to functi on in an arena of mutual compromi ses, can provide astrong balanc ing force fo r toleranee in a multi -pa rty democracy of diverse ethni c peoples. The failure in Afri can soc i,,1 change today, is the betrayal of the leadership to maintain and build o n foundations that provided coll ecti ve responsibility, stabilit y and democratie principles in traditional Africa. The Nigerian Nobel Pri ze laureate, Wole Soyinka, insists that Africa's future and evolutio ns in the c han ging society would mean that ' the African Gods and weste rn technology must coll aborate side by side' in the society. Travelling thro ug h the villages and rural communiti es in Africa today, and espec iall y in th e hunger ravaged areas, a nc is constantl y confronted with the di sappointed faces


of fam,ers, the unemp loyed, and even the faithful feeling "increasing ly humiliated by the leadership, by bein g tumed beggars of aid". Recentl y in Tanzania I was confronted by an ang ry farmer who insisted that "we are nOl lazy people just silling and wai ting for food aid. we work hard for any litti e gain in lire. but hunger is defe-

and have enjoyed economie growth and affluence since independence, the such that has been autside the reach of man y African countries. Vet their citizens have nOl had the privilege to enjoy equally democratie systems to guarantee protection of the quality of life in Ihe countries.

ating us and has been imposed on us", FOT man y reasons he will he

Wh at has gone wrong

speak in g fo r millions of others across the continent.

Both foreign and indigenous economi sts in the recent past agreed that authoritarianisrn was necessary 10 curb the redistributive pressures of labour and ta increase investment and sav ings. In the same tune. political scientists have called attent ion la the need for creating political order, blaming the elhnic faClor for all that has done wrong la stability in the continent. The multinationals openly preferred stron g govemments Ihat can maintain order and discourage nationalism even when such gavemments have proved to be very dictatorial. And international development arganisatians and agencies convineed th emselves

It is a maller of concern for many leade rs that people have decided to stop being apathet ic and actively wanting a change for an entirely new society based on democracy and respect fo r human rig hts. This is particul arly true of Kenya, wh ich a few years ago was being described in the west as th e best example of open and democratie

regime in Africa. Malawi has been refered 10 as "one of the most slabie". The truth of the matter is nol to imply that trul y democratie and accountable leaders hip will be aJicn to Africa, far from thai , as most of the present di scredited

with Africa ?

and everyane else, Ih at development is a maller of appl ying sc ientif茂 c consensus. In Africa itself the leadership defending self-interest, defined development only in tenns of natianal unity, embark ing on brutal suppression ta eliminate apponen ts af their ideas and govemment by a 路corrupt clan '. By operating with a siege mentality, with concern fo r surv ival on ly as a means la accumu late power, wealth, and authority, everything e lse including developmen! was marginalised, accountability was lost and lyranny became the code of gavernment. Tyranny has depicted human resources in African society, driving large num bers of sk illed persons into ex ile and ravaging fertile country lands with deslruclive war and famine. Slatislies confiml th at Illare human caused refugees live in African countries. Sudan, Ethiopia, Somalia, Tanzania, Kenya, lhan in any ether parts of Ihe world. Their numbers ure in millions, aften marginalised peopIe without land or social rights. They are the first vict ims of a

Demonstratie voor democratische hervormingen in Togo, maart 1991 . Botsingen met politie en leger waren het gevolg (foto: 5ijthof{ Pers)

leadership are bein g helped in power by "friendly allies in the west", Since independence the Franco-

phone fam il y in Africa has enjoyed a relative stability due to Freneh policies wh ich offered strong economie support to the farmer colonies. France has a150, with

military basis in Gabon, Ivory eaaS!, several times prevented a

military take-over even when the leadership has totall y fai led with regard to its people. Rece ntl y it seems as if thi s father-san re lationship with France is coming to and end, as influential policymakers in France call for a change in a African policy that is ta he based on the respect of hum an ri ghts and the building of democratie regimes. The result has been uneasiness in Cameroon, Niger, Benin , Gabon and Ivory Coast, where within the past year student riots and demonstrations have signall ed a serious problem fac ing the leadership. In facl , Gabon, Ivory Coast and Ke nya are among the most amuent countries in Africa

Ja.w ll Magazine nr. 3. juni 1992

9


natural disaster like the present colossal drau ght which threatens bOlh ecology. animais, and humans in these parts of Africa.

Apartheid and democracy

(foto: Sijthoff Pers)

For many years the one thing that brought govemments together in Africa, was the issue of 'apartheid' in Sou th Africa. This is an ev il system that has but shame on the faces of decent men and women over the world , irrespective of colour. race and religion in thi s century. A fatal price has been paid by millions. But the historical events which started with lhe release of Nelson Mandela from prison, and the 'conversion' by De Kl erk , has put the process of postapartheid South Afri ca to the point of 'no return'. It musl be noted that once a leadership was found to put thi s proce ss in motion. the rest of Africa was prepared, just like M andela for true reconciliation, and extend the hand of

10

Jasol/ Magazil/e nr. 3, juni 1992

De vrijlating van Mandela een keerpunt in democratische processen op het Afrikaanse continent

friendship to the white Sou th Africans. The recent visit by De Kle rk to Nigeria, and the wann welcome he recieved was the clearest sign to international community and especially to the western world, thaI 'reconciliation and forgiveness ' is a human quality Africans c herish and trul y believe in. Aithough deeply painful years have characterized apartheid, the Nigerian head of State Babangida. had thi s to say 'Nigeria found hi s refonn policies tremendously exciting and de lighted that we have at last someone in South Afri ca with whom we can do bu siness '. It is interestin g to nol thai Nigeria's action speaks for many African countries at thi s time. It is the common belief in Africa, and especially in the Southern A fri can countries, that South Africa free frorn apartheid will be the motor of economic rev ival in the region. With sufficient modem technology and skilI s South Africa, combined

with olher regional powers like Nigeria, Ivory Coast, and Kenya, could fonn the pillar of bath economie and social change in the African continent. Th ere is the realisation in Africa, that De Kl erk in effect 'has c10sed the baak on apartheid'. There is also the reali sation th at, the best way to show solidarity with th e farces of change in South Africa today. is ' ta look to the future with them. to build new bridges in human communications. reconciliation , reconstruction, and not on hate and revenge'. The African understanding of the position of the Afrikaners in Sou th Africa. is that with the recent unanimous positi ve vole to repent and renounce apartheid, they have included them selves legitimately as 'one of the many tri bes making up the multi-racial and ethnic society in South Africa' . •


PRO

F

IEL

Staatsmanschap in ontwikkelingslanden:

Dr. j.M. Otto is directeur van het Van Val·

President Anwar Sadat

lenhoven Instituut voar recht en bestuur in nietwesterse landen te Lei· den

Door Jan Michiel OUo

Regeringsleiders in ontwikkelingslanden staan binnenslands doorgaans voor de taak met een ontoereikend apparaat en gebrekkige middelen in een weerbarstige omgeving dringende maatschappelijke problemen op te lossen. De politieke situatie is gewoonlijk instabiel, wat gepaard gaat met machtsconcentratie bij regering en leger en onderdrukking van oppositie. Vele leiders gaan dan ook als autoritaire, ondemocratische, wrede heersers de geschiedenis in : Pinochet, Moboetoe, Marcos, Saddam Hoessein. Hervormingsgezinde leiders wordt veelal falende beleidsuitvoering of zwak leiderschap verweten: Nyerere, Mao, Indira Gandhi, Cory Aquino. De kans dat een regeringsleider van een ontwikkelingsland als groot staatsman te boek komt te staan is kortom tamelijk gering. Een van de weinigen die in brede kring in de westerse wereld die eer wel te beurt is gevallen, was Anwar Sadat. In deze bijdrage wordt teruggeblikt op de aard van zijn leiderschp. Een dergelijke beschouwing is ook nu nog relevant omdat voor stabiele internationale verhoudingen, zeker in het Midden-Oosten, nationale leiders nodig zijn die erin slagen zowel binnenlandse als buitenlandse problemen op harmonische wijze aan te pakken.

H et is inmiddels ruim tien jaar ge leden dat An war Sadat. in oktober 1981, werd vernlOord. Elf jaren had hij als president Egypte geleid en daarbij een drasti sche politieke ommekeer gereali seerd. Hij had het pro-russ ische Egypte

omgetoverd tot Amerika 's trouwste bondgenoot in de arabi sc he wereld. Bovendien had hij na jaren van oorlog en haat vrede met lSTael geslo ten. Binnenslands had hij vastgelopen en impopulaire onderdelen van Nasser 's o verheidsapparIaat ontmanteld en het volk vrijheden teruggegeven. Ook van het socialisme als eco nomi sche politie k nam hij afstand en de parti culi ere sector kwam weer lan g-

zaam tot bloei. Begrijpelijkerwijs brachten wes-

terse politici bij het vernemen van zijn dood hem hulde . In de Arabi sc he wereld daarent.egen we rd het doodsbericht van Sadat met gejuich ontvange n. Men had hem de vrede met Israel nict vergeven. Hij werd er afgeschilderd al s een verrader, een pion van imperialisme en zionisme. In Egy pte ze lf g ing de bevo lking zonder grote droefeni s betrekkelijk sne l over tot de orde van de dag. De westerse pers was verdeeld over Sadat's verdiensten. Het is nict te verwonderen dat in de jaren na Sadat 's dood een aantal wetensc happers en journalisten over de hele were ld zich bleef ve rdiepen in het werk en leven van deze fantasti sche fi g uur. Welk beeld van hem kunnen wij nu , ti en jaar na zijn dood, op grond

van de verschenen studi es reconstrueren?

Visie Een aantal grote prestaties is inmiddels onbetwist. Het bele id van Nasse r was verzand in economi sche stagnati e e n repressie ve machtscentra. Ni emand ve rwachtte in 1970 dat Sadat wezenlijke veranderin gen zo u doorvoeren. De wij ze waarop hij het roer omgoo ide wij st op g rote visie en buitengewoon tacti sch inzicht. Voordat in de meeste ande re ontwikkelingslande n het Russ ische model werd afgezworen, besloot Sadat daart oe voor Egypte. De verrassende wij ze waarop hij zijn ri valc n tcr linke r zijde. waaronder het kabinet, in 197 1 buitenspel zelle. en in 1972 dui zenden Ru ss ische advise urs de deur wees, maakte duide lijk dat hij geen kle urloze fi guur was. Twil1lig jaar lang had hij onder Nasser kunnen leren, had hij ook di ens fouten gezien, maar o m te overleven had hij moeten zw ijgen. De 1973·00rlog, die Egypte de Sinai weer terug brac ht , werd zij n triomf en gaf hem de eretite l ' Held van de oversteek '. In 1974 legde hij zijn visie op Egypte tot het jaar 2000 neer in het Oktober Docume nt economi sc he en po litieke liberalisering. Sadat herste lde het contact met de elites van de Egyptische maat schappij. Onder Nasser's reg ime was dat met de uit de middenklas· se afkom stige militairen verloren gegaan . Zakenli eden en techn ocraten traden toe tot de ' inner circle ' rond Sadat, maar hij hi eld ze lf de teugels duidelijk in hande n. Parti · c uli ere industrie , hande l en dienstverl ening bloeiden op, deels met behulp van buitenlandse in vesteringen.

Ja.on Magazine nr. 3, juni 1992

11


Staa ts- en partijmonopolies wer-

Rechtopstaand ontving Sadat de

den door hem doorbroken en er

kogels van zijn moordenaars;

werden nieuwe politieke partijen

en bewegingen opgericht. Vooral de gegoede burgerij kreeg meer

socialisten hebben dat uitgelegd ni et alleen als blijk van persoon lij-

Het Egyptische krachtenveld dwong Sadat om behoedzaam een

ke moed, maar ook als een verl an-

recht van spreken.

gen te sterven als held en marte-

evenwicht te zoeken: tussen links en rechts, tussen traditie en modernisatie. tussen geloof en wetenschap, tussen vrijheid en controle, tussen de droom van vooruitgang

laar voor zijn idealen van vrede en

Weerbarstige omgeving

vrijheid.

Toch moest Sadat 's democratie wel een gematigde democratie met 'tanden en klauwen ' zijn want de

vijanden lagen links en rec hts op de loer. Dat bleek met name vanaf 1977 toen hij in januari op aandrang van de Wereldbank aankondigde de voedselsubsidies te verminderen en de broodprijzen te verhogen. Er brak een vo lksoproer uit wat Sadat di ep griefde. Ook zijn vredespolitiek jegens Israel was koren op de molen van zijn tegenstanders, die hem ervan

beschuldigden het arabische kamp te hebben verl aten. Felle, gevaarIijke aanvallen op zijn beleid vo lgden, zowel van communisten en Nasseri sti sche socialisten als van

Verdiensten en kritiek Tegenover deze lange lijst van verdiensten, Slaat ook veel kritiek: hij

had met zijn vredespolitiek Egypte vervreemd van de Arabische broe-

derIanden en hij had corruptie getolereerd. Als persoon werd hij afgesc hilderd als opportunistisch en ijdel. Op deze kritiek is we l wat af te dingen. De bekendste en hertigste criticus is wellicht Moham-

med HeykaI, ooit de vertrouweling van Nasser, die door Sadat als hoofdredacteur van het dagblad AI Ahram was ontslagen. lijn boek ' Autumn or the fury ' over Sadat is rancuneus en verre van onpartij-

dig.

Moslimgroeperingen. Nadien deed hij zich vaker kennen als een man van disc ipline en tra-

De geschiedenis lijkt Sada!'s keuze voor vrede met Israel te gaan rechtvaardigen: Egypte is

en de neerdrukkende we rkelijkheid van het leven van alledag in Egypte. Sadat 's kunst was om dat evenwicht te vi nden en tegelijk het volk te blijven mobiliseren voor de idealen van de vooruitgang. Als men kijkt naar de moeilijke omstandigheden waarin zijn land verkeerde en overigens nog verkeert, kan men hem beschouwen als een groot visionair strateeg soms ook wel als illusionist - in

tegenstelling tot de zakelijker Mubarak. De Egyptische Nobelprijswinnaar Naquib Mahfouz schreef in 1983 een boek over Sadat: 'In front of the throne ' . Het speelt aan de hemelpoort waar Sadat na zij n dood wordt ondervraagd alvorens hem in de hemel of de hel te doen

ditie, hechtend aan de leefwijze van de Egyptische dorpelingen, die hij idealiseerde. Hij zonderde

weer teruggekeerd in de Arabische

belanden. De ondervragers zijn de

Liga en een vredesconferentie tu ssen Israel en een aantal arabische

zich steeds vaker af om te mediteren en vastte vaak. Nog altijd wg

Wat de corrupti e betreft: Sadat

hij zichzelf graag als 'de vader van de Egyptische familie' , boven de

werd vooral als zondebok gebru ikt

goden Isis en Osiris, geassisteerd door alle vorige heersers van Egypte, vanaf de eerste Farao. De meesten van hen waren goede heersers en zijn dus in de hemel

om de aandacht af te leiden van de

gekomen. Goede heersers, dat

scherpe tegenstelling tussen de

houdt in Mahfouz ' roman in dat zij

desnoods streng. Zo werd ener-

anne massa 's en een rijke, corrupte elite van zakenlieden, waaronder zich inderdaad een broer van

Egypte beschermen tegen vijanden, de ee nheid en de onderlinge verbondenheid bewaren, onnodige

zijds in 1980 de liberalisering in

hem bevo nd . Daarop had hij wel-

nieuwe grond wetsbepalingen

licht alerter moelen reageren.

oorlogen vennijden, en uitbuiting van de massa's voorkomen. Zowel

partijen, rechtvaardig, wetend wat goed is voor een ieder en, indien

onverm ijdelijk, strafrend,

bekrachtigd, en voo r het eerst sinds 70 jaar de noodtoestand afgeschaft. Maar anderzijds werd in dat jaar een strenge wet op de

Moraal arge kondi gd, waarmee politieke tegenstanders wegens

onethi sch gedrag konden worden opgepakt. Vooral in de laatste

landen is inmiddels begonnen ..

Sadat zelf leidde in weerwil van een zeker uiterlijk vertoon volgens recente studies toch een tamel ijk sober, ja zelfs asceti sche leven. Opportunisme was een verwijt van

zowel links als rechts di e hem beide te nex ibel vonden. Maar het verwijt van ijdelheid en eigendunk

Nasser als Sadat zijn hard ondervraagd, en geen van beiden wordt definitief toegelaten tot de hemel. Beiden wacht nog een laatste ondervraging voordat over hun uit-

eindelijk lot wordt beslist.

maanden van zijn bewi nd trad hij

is niet ongegrond; Sadat meende

Nie uwe brug g e nbo uwe rs n o d ig

tegen politieke tegenstanders hard op.

dat het zijn roeping was Egypte te leiden. Hij genoot van zijn optre-

Als wij Nasser en Sadat vergelijken met de meeste andere rege-

Sadat en zijn vrouw Jihan hebben veel gedaan om de positie van de Egyptische vrouw te verbeteren onder meer door een voor haar gunstige huwelijkswet in te voeren

dens voor de buitenlandse pers in diverse kostuum s en met zijn onaf-

in 1979.

sc heidel ijke pijp. l ijn urenlange redevoeri ngen voor de Egyptische televisie maak ten ook op de bevolking soms wel een groteske

indruk.

12

Evenwichtkunstenaars

Jasoll Magazille nr. 3,juni 1992

ringsleiders van onlwikkelingslan-

den, dan lijkt een plaats in Mahfouz' hemel voor beiden wel voor de hand liggen, voor Nasser vanwege zijn sociaal-economische hervonningen, en voor Sadat juist ook vanwege zijn betekenis voor


de internationale verhoudingen in de were ld van vandaag. Nu het communi sme voor de o nt wikkelin gs landen zijn aantrekkingskracht als alternatief heeft verloren, kan de tegenstelling tussen Noord en Zuid sc herper worden dan ze lange tijd is geweest. Saddam Hoessei n heeft ons het gevaar van radicale, anti-westerse heersers uit het Z uiden. met name uit het Midden-Oosten getoond. Onrust onder islamitische minderheden in Europa kan dit proces versnellen. Daarom zijn er zowe l in Noord a ls in Z uid politieke bruggenbouwers nodig met een grote visie, evenwichtskunstenaars , met kennis van en waardering voor de wereld van de ander. Sadat was zo'n man .•

Moe barak loodst Egypte • naar rustig vaarwater KAlRO (Reuier) - Hosnl Moebarak, de Egypllsche

president, heeft de eerste drie maanden van ziJn beo wind gebruiklom de verhllte gemoederen In liJn land

te kalmeren. PoUtici en auteurs

gramma's op de televisie en

de Literatuur Bake r. Raymond. Egypt's unccr1ain rcvolu lion under Nasser and Sad:JI. Cam bridge (Mass.). 1978 B:Jker, Ra ymond. Sadat :lIId after. Cambridge (Mass.) 1990 lÀ-eb .. Sadat. in: Reieh. Polilicallcadcrs o f Ihc conlcmporary Middle casl. New Vork 1990 Femandez· Annesto. Felipc. Sadal and his l>tatccraft. Windsor Forcst (UK) 1983

die

door Sadat gevangen waren gezet verschijnen nu in prol'

3.rlementaire oppositie

1x..:\lOfde de nieuwe presi· dent tijd te geven een nieu· we poijtlek te ontwikkelen.

Verzoening De toon van de laatste re· devoeringen van president Sadat, waarin hij uitvoer tegen crltlcl van zijn bewind ts bijna vergeten. Moebarak

nam een verzoeningsgezinde houding aan met een oproep tot nationale eenheid

en steunde zijn woorden met concrete maatregelen.

Al enkele dagen na zijn In-

auguratie ontving hij de opHa ykal. Hass:mcin. Aulumn of fury, LondOIl 1983 Hinncbusch. Raymond A .. Egypl under Sadat.clites. power slruelurc, and political change in a poSI-populi~1 slate, in: Sodal problems 28( 1981)4

442-464 Jsmdi . Raphael. Man of defiance. a political bio-graph y of Anwar Sadat. TOlowa (NJ .)1985 (314pp) Lippmann. Walter. Egypt after Nasser. Ncw Vork 1989 Me Dcnnoll. Anthony. Egypt from Nasser 10 Muharak. a fiawed revolution. London 1988 MClzemaekers. L.A.V.. S,ldals fundamentele mislukking. in : IntenJ:llionale Spectator december 19!H.731-733 Sadal. Anwar. In search of idelllily. London 1978 Springborg.Roben. Mubarak's Egypt. fragmentation ofthe politicalorder. Bouldcr (Col.) 1989 W:l1crbury. Johl1. me Egypt of Nasscr and Sadal. Princeton 1983

positieleiders Ibrahlm Shukri en Chaled Mhieddln en beloofde hen In de toekomst te zullen raadplegen bIJ alle belangTljke besUsslngen_ Die stap loonde de moeite: 1n de campagne voor een tussentijdse verkiezIng in december klok Shukri, lel· der van de linkse socialisU~ sche arbeldersparttj (;SLP) volgens waarnemers meer pro-regering dan de regering zelf. Hoewel de SLP de twee vacante zetels verloor, noemde Shukri de verkiezIngscampagne "de eerlijkste sinds jaren". Toen Moebarak "ziJn ambtsperIode begon schortte de soclaUsUsche parttj haar oppositie tegen het verdrag van Camp David met Israël op met verwIjzing naar de door de president geërfde verpltlchtlngen.

Voordeel Zets de verboden moslim oederschap, decennia lang

het brandpunt van islamitische fundamentalistische gevoelens, meent dat zij van het nieuwe leiderschap voordeel heeft. De leider van de broederschap. Omar Telmessan1. die door Sadat als de voornaamste aanstichter van de rellen van vorige zomer werd beschouwd en die in december werd vrijgelaten, verwierp het geweld en riep op de parttjgeschillen van het verleden te begraven. Het waren de straatge· vechten tussen christen-kopten en islamitische extremisten 1n de voorstad Zawya al-Hamra van Kairo die leidden tot de moord op Sadat. Afgelopen september Het Sadat ruim 1.MO mensen gevangen nemen" die erV811 werden beschuldigd religieuze haat te stichten. Een maand later vermoordde een commando van fanatieke moslims de president.

De journalisten van ' de door de regering gecontroM ' leerde media zeggen dat zij zich vrije':- voelen dan in jaren en de Egyptische kran·. ten bieden een scala van meningen. Op de Egyptische televisie worden wekelijkS debatten gehouden over deM mocratie, politieke economie en zelfs over "hypocrisie onder ambtenaren".

Maar . Moebaraks nieuwe stijl van regeren heeft ook ztjn scherpe kanten. Onbezwaard van politieke schulden. behalve aan zijn voorganger die hij zes "jaar als vice-president diende, wachtte Moebarak niet lang om zich van impopulaire politici uit het tljdperk-Sadat te ontdoen.

Programma

In zijn Inauguratierede voor het Egyptische parleVrijheid ment kwamen de strijd tegen corruptie en de uitwasMoebarak heeft 86 vooraanstaande gevangenen In sen van het bestuur als vrijheid gesteld. Onder hen voornaamste punten van het ziJn Mohammed Helkal. de regeringsprogramma naar bekendste journalist van de voren. In het nieuwe Egyptiarabische wereld. Fouad Se- sche kabinet, dat zondag rageddin, een politicus uit werd beëdtgd, ontbrak de naam van minister Abdel de tijd van de monarchie en Razzak van financiën en een tiental leden van de moeconomie. Zijn naam dook sUm-broederschap. op in het proces tegen het parlementslid Rashad OsM Met een presidentieel de man, die terechtstaat op beereet werden begin deze schuldIging van corruptie~ week 59 journaUsten en hoogleraren in hun ambt N ahawl IsmaU, de mbilshersteld. dat ziJ In de arrester van binnenlandse zaken tatiegolt van september om dIe de arrestaties in septemhun politieke en godsdienstiber organiseerde, is naar ge ldeeên hadden verloren. een minder belangTljke post In de Egyptische koptische overgeplaatst en een' famimlnderhetd van vijf miljoen lielid van Sadat. Sayyed zielen gelooft· men dat de Marei, voor&ltter van de nieuwe president geleidelijk raad van presidenUële advl M de betrekkingen met de kopM seurd. en schoonvader van tische patriarch paus Sheeen van Sadats dochters, nouda, die door Sadat naar heeft te horen gekregen dat een klooster tn de woestijn zijn politieke carrière voorts verbannen, zal herstellen, bij Is.

No de moord op Sadfat verschenen er analyses in de krant (Bron: S.F.

Milia)

Jasoll Magazille nr. 3. juni 1992

13


Brugfunctie tussen rijke noorden en arme zuiden

Het bevoorrechte Mexico Door Antonio Pérez Manzano

Een van de voornaamste doelstellingen van de Mexicaanse buitenlandse politiek is diversificatie. De nabijheid van de Verenigde Staten bepaalt de prioriteiten van onze betrekkingen op het gebied van economie en handel met dat land, maar tevens werkt Mexico aan een uitbreiding van de economische betrekkingen met de EG, waarmee een uitgebreid en voor beide partijen voordelig akkoord is getekend. Ook heeft een belangrijke toenadering plaatsgevonden met de lidstaten van de "Cuenca del Padfico" (Pacific basin), en met latijns-Amerika, waarmee Mexico historische en culturele banden heeft. D e M exicaanse minister van buitenlandse zaken Fernando Solana verwees in dit verband naar het "Nieuwe lnternationaJ e Verband."

De globalisering wordt nog versneld door de techni sc he revolutie, met name door de informatica, de telecommunicatie en de ontwikkeling van nieuwe materialen. Het

begrip globalisering om vat alle technologische processen, politieke verschijnselen en economische reorganisaties, die de onderlinge

afhankelijkheid tussen landen vergroten. Vandaag de dag zijn de besluiten die de één neemt, van

invloed op de ander. De markten, de industriële produktie en de financiële stel sels vullen elkaar aan. Barrières verdwijnen lang-

zaam maar zeker op het gebied van de handel en de investeringen en wisselwerkingen krijgen daardoor meer vrij spel.

Global isering vertegenwoordigt een ware internationale revolutie, met ontspanning als één van de belangrijkste gevolgen. De moderni sering en verbreiding van nieuwe communicatiemiddelen zorgen ervoor dat de vooruitzichten en verwachtingen van miljoenen mensen zich in korte tijd ingrij-

pend wijzigen. Binnen enkele

Verder zei hij dat "het einde van de twintigste eeuw te boek zal

maanden zijn muren, regeringen en macht.ssystemen, die heel solide

staan als een periode waarin de internationale betrekkingen zich

leken, ingestort. De kaart van Europa is veranderd. Het politieke

snel wijzigen. We hebben het

evenwicht en de oude allianties

voorrecht te leven in een dyna-

zijn door elkaar geschud. Het einde van de koude oorl og zet een proces in gang, dat de internati onale betrekk ingen doet herzien. De

misch tijdperk met dui zelingwekkende veranderingen. Een tijdperk dat nieuwe wegen baant en vol ri sico 's is, maar dat ook volop

toenadering tussen de Verenigde

mogelijkheden biedt inzake de

Staten en de toenmalige Sovjet-

coëx ist.entie tussen landen." Hoewel veel veranderingen zich voordoen, kunnen deze worden samengevat in de volgende vier

Un ie heeft ruimte geschapen voor een diepgaande wijziging van de wereldeconomie. Globalisering en ontspanning hebben een nieuwe economische en politieke ruimte gecreëerd, waarin zich een

Antonio Pérez Manzano

verschijnselen: globalisering, ont-

is Chargé d'Affaires a.i.

ambassade in Neder-

spanning, multipolarit.eit, en een vergroting van de verschillen tussen arm en rijk. De wisselwerk ing

land.

tussen deze factoren bepaalt de

14

jason Magazine nr. 3, juni 1992

van de Mexicaanse

wereld waarin Mex ico zijn plaats moet vinden.

kunnen zich nog belangrijke veranderingen voordoen, maar het is te voorzien dat in het begin van de volgende eeuw meer dan twee economische, polit.ieke en militaire machtscentra zullen overheersen.

De Verenigde Staten zu llen een beslissende rol blijven spelen en in dat land zullen ook de voornaamste beslissingen genomen worden, zij het wel in afnemende mate. Na

de Tweede Wereldoorlog bedroeg het Bruto Nationaal Product van de Verenigde Staten 50% van de totale wereldproductie. Nu ligt dat rond de 26% en zeer waarschijnlijk zal dit percentage nog ve rder dalen. Het huidige overwicht van de Verenigde Staten neigt tot verdere afname. Gezien de toegenomen technologi sche achterstand van de laatste jaren, waarin ook weinig we rd gespaard en geïnvesteerd, en gezien de venninderde

productiviteit ten opzichte van de voornaamste concurrenten en mede gezien de toestand van de openbare financiën in de Verenig-

de Staten, is het moeilijk een ander resultaat te voorspellen. Door de

impuls en synergie die verkregen zijn door de nieuwe economische en politieke structuur van de EG, zal deze haar toenemende rol binnen de internati onale gemeenschap consolideren, waarbij Duitsland onvenn ijdelijk een centrale ro l zal

spelen. Aan de vooravond van de eenentwintigste eeuw, binnen een context van globalisering, ontspanning en multipolariteit, zijn de verschillen in levensstandaard tu ssen de geïndustrialiseerde landen ener-

zijds, en de ontwikkelingslanden anderzijds, dramat.isch toegeno-

men. Tussen 1980 en 1988 st.eeg het gem iddelde product per hoofd

(beperkt) aanta l machtscentra profi leert. De bipolaire wereld van de

van de bevolking in de lidstaten van de Organisatie voor Economi-

naoorlogse jaren verdwijnt. Er

sche Samenwerking en Ontwikke-


ling (OESO) van 9200 naar 17500 doll ar. Daarentegen bedroeg de toename in de ontwikkelingslan-

den slechts 860 dollar, dat is 10 keer minder dan in de lidstaten van

de OESO. Wanneer de ontwikkelingslanden vergel eken worden

met de lidstaten van de G-7, is het verschil nog veel groter. De internationale veranderingen die pl aatsv inden zijn van grote betekeni s, en niet alleen door de wijze waarop ze de huidige wereld vorm geven. Zij zijn vooral van

gevoelens jegens de Vereni gde

ee n recht vaardi g akkoord voort-

Staten tu ssen wedijver en afwijzing. Ook in de houding van de Verenigde Staten ten opzichte van M ex ico nemen wij ambi valentie waar. Al s het goed gaat in M ex ico is er in de Verenigde Staten onver-

vloeiende voordelen veel groter zijn dan de daaraan verbonden

schilligheid, maar zodra deskundi gen op gebied van de binnenl andse veiligheid menen dat het slecht gaat, zijn de Amerikanen plotse-

ling bezorgd. De M ex icaanse buitenlandse poli -

kosten. Ook moeten wij duidelijk maken dat deze nieuwe handels-

mogei ij kheden op geen enkele wijze de waarden. principes en belangen van onze landen zullen

beperken. Een vrijhandelsakkoord belet Mexico en de Verenigde Staten niet hun economische betrekkingen met derde landen uit te breiden. M exico heeft verschillende verplichtingen met Latijn samerikaanse landen en de Verenigde

naal scenario voor de volgende eeuw suggereren, dat wezenlijk

ti ek met betrek king tot de Vereni gde Staten baseert zich op het feit dat wij buurlanden zijn en zu llen

verschillend zal zijn van hel huidi-

blijven. en daardoor een gemeen-

die ve rpli chtingen of ve rdrage n

sc happelijke geschiedenis he bben.

zullen worden beïn vloed door een nieuwe handelsbetrekking. De draag wijdte van een dergelijk verdrag hee ft niets van doen met een

betekenis omdat zij een internatio-

ge scenario. Zoals altijd al het geval is geweest.

nomi sch e betrekkingen onderh ou-

De wisselwerking tu ssen beide landen zal nog in belangrijke mate toenemen. Hoewel het overwicht van de Verenigde Staten met

den worden met de Verenigde Stalen. Wat de betrekkingen tussen beide landen betreft , kunnen wij

betrekking tot de rest van de wereld zal afnemen, zullen de Vereni gde Staten voor Mex ico het

stellen dat die intens, gecompli -

centrum van economi sche en politi eke macht blij ven. Deze drie factoren vonnen de richtlijnen voor het Mex icaanse

zullen wat M exico betreft ook in de toekomst de voornaam ste eco-

ceerd en soms moeilijk zijn, maar dat zij tevens volop mogelijkheden bieden. In dit verband di enen wij dri e hoofdfactoren te onderscheiden: nabijheid, geschi edenis en toekom st.

M exico en de Verenigde Staten

hebben ee n gemeenschappelijke grens van 3234 km., en j aarlijks

wordt deze ge passeerd door 200 miljoen personen. 65% van M exi-

co's ex port gaat naar de Ve reni gde Staten. M exico is hiern1ee de derde leverancier van de VS en neemt 5,7% van hun totale import voor zijn rekening. Op we reldniveau gezien, is het grensgebied

beleid ten opzichte van de Vereni gde Staten. Het is een beleid dat uitgaat van het feit dat beide landen buren zijn, een beleid dat zijn wortels in de geschiedenis hee ft en het hoo fd aan de toekom st moet bieden. Het is fund amenteel gericht op het streven naar de best mogelijke ve rhouding en het overwinnen van het verl eden. Een en ander werd in november 1988 in Houston. Tex as vastgelegd tijdens een ontmoeting tu ssen President Carl os Salinas en de toenmalige

Vice- President George Bush.

Staten hebben handelsve rdrage n met Israel en Canad a. Geen van

gemeensc happelijke markt : e r zu Ile n geen gemeensc happelijke douanetarieven worden vastgelegd ten

opzichte van derde landen. Er zu Ilen geen verdragen komen tenein-

de monetair beleid of het verstrekken van krediet te coördineren. en politieke kwesties zullen absoluut niet aan de orde komen. Bij de onderhandelingen inzake een

mogelijk vrijh andelsakkoord is ook Canada betrokken, een land waarmee M ex ico altijd al bij zon-

der goede betrekkingen heeft onderhouden. Voor alle dri e de partijen zullen de voordelen van

ee n vrijhandelsakkoord talrijk zijn . Er zou een markt ont staan van meer dan 360 miljoen personen: een belangrijke stimul ans voor de in vesteringen en een grote impuls voor de regionale- en wereldeconomie.•

Voor veel Mexica nen de economische aantrekkingskracht van de VS, achter een streng bewaakte grens (Foto: Sijthof( Pers)

tussen beide landen het gebied waarvan de economie het snelst groeit, en deze groei zal waar-

schijnlijk aanhouden. In de Verenigde Staten leven 4.7 miljoen M ex icanen. Al s daarbij Amerikanen van M ex icaanse oorsprong

worden opgeteld komt dit aantal op 15 miljoen. Hoewel M exico in de relatie tu ssen beide landen niet altijd even gelukkig is geweest, is de geschiedenis toch een bepal ende factor in

De vo lge nde impul s in de betrekkingen tussen M ex ico en de Verenigde Staten zou kunnen voortkomen uit de ondertekening van een nuttig en creati ef vrijhandelsakkoord tussen beide landen. Het door beide presidenten genomen

besluit het akkoord te onde rsteunen is bijzonder belangrijk, maar om de gestelde doelen te bereiken is het noodzakelijk dat beide lan-

de betrekkingen met de Vereni gde

den veel werk verrichten en respect voor elkaar tonen. M ex ico dient zich in te spannen om zowel

Staten. Gedurende bijna twee eeuwen schommelden de M ex icaan se

buitenland te overtui gen dat de uit

het binnenlandse publiek al s het

Jason Magazine nr. 3, juni 1992

15


Ontwapening, ontwikkelingssamenwerking en ontwikkeling in de Derde Wereld:

Een hoopvolle herkansing Door Marnix Lamberts Jarenlang is het vraagstuk omtrent de militaire uitgaven in ontwikkelingslanden omgeven met taboes. Sinds ongeveer oktober 1991 lijkt het onderwerp ook in de internationale fora bespreekbaar te worden . In dit artikel wordt geschetst waarom deze militaire uitgaven een onderwerp van gesprek zijn geworden. De vragen die hierbij gesteld worden gaan met name over wie bij deze discussies betrokken zijn, wat de inhoud ervan is en welke achtergronden er bestaan bij deze belangrijke discussie van de jaren negentig? Wezenlijk in de discussie is de vraag hoe te komen tot ontwapening in de Derde Wereld op een zodanige manier, dat deze landen bereid zijn de vrijgekomen middelen te investeren in met name onderwijs en gezondheidszorg. De waarde en mogelijkheid van ontwikkelingshulp als instrument hiervoor lijkt verbonden te worden aan deze discussie. Drs. M.H. Lamberts,

O ok de mate van kredietverle-

bestuurskundige, heeft

ning door de Wereldbank en het IMF heeft invloed op het nationa le beleid van veel ontwikkelingslanden. Ontwikkel ingslanden, met

dit artikel op persoonlij-

ke titel geschreven, en heeft voor zijn afstudeerscriptie onderzoek

gedaan naor dit onderwerp op het Ministerie

van Buitenlandse Zaken.

naar de mening van hulpdonoren te hoge militaire uitgaven in verhouding tot hun sociale uitgaven,

zouden wellicht met behulp van overl eg en dialoog hiertoe gebracht kunnen worden. Eerder dan dreigen met een verlaging van deze hulp en kredietverlening. Het omgekeerde is ook mogelijk , ontwikkelingslanden kunnen worden beloond en ondersteund als zij actief streven naar een verlaging

van hun militaire uitgaven, en verbel.ering van investeringen in soc ia le uitgaven zoals onderwijs en gezo ndheiszorgde eigen economi e en coll ectieve sociale voorzieningen zoals onderwijs en gezondheid szorg.

Taboes Wat zijn deze taboes die nu bespreekbaar lij ken? Allereerst de

16

1asoll Magazille nr. 3, juni 1992

inmenging van donor- landen in de interne aange legenh eden van de ontvangende landen in de Derde Wereld. Natuurlijk is dit in het verleden al gebe urd , niet ze lden werd en wordt de invloed van een donorland aangewend om het interne beleid van een land bij te sturen. Maar bij militaire uitgaven betreft het de be誰nvloed ing van het beleid van de ontvangende landen op een zeer gevoe l ig punt. Gevoelig, want het gaat in de ogen van de leiders in ontwikkelingslanden om de vei li gheid van hun in woners en hun bezittingen. Daarnaast levert de discussie spann in gen op in het beleid van de donoren. Ontwikke lingssamenwerking en buitenlands beleid worden gescheide n door een dunne maar zorgvuldig bewaakte scheids lijn . Zeker in Nederland is dit het geval. De aanwending van ontwikke lingsh ulp als instrument bij o ntwapening in de Derde Wereld lijkt deze dunne lijn op ond ubbelzi nni ge wijze te overschrijden. Als volgende taboe zou genoemd kunnen worden de verbondenheid van de discuss ie over ontwapening in de Derde Wereld met het defensiebeleid van de donoren ze lf! Wil een donorland een ontwikkelingsland kunnen aanspreken op de hoogte van de milita ire uitgaven (in verho udin g tot haar collectieve sociale uitgaven), dan zal aan een tweetal vere isten moeten zijn vo ldaan. Allereerst moet de verhouding tus se n deze twee soorten uitgaven in het donorland zelf geen reden zij n voor di sc uss ie. Ten tweede mag er geen sprake zijn van wapenexporten van de betrokken donor naar het ontvangende land. Anders sc haadt en ontkrac ht dit de ge loofwaardi ghe id van het buitenlandse bele id van de hulpdonoren. Duidelijke voorbee lden va n hoge militaire uitgaven zijn te vi nden in o.a. de nuvolgende landen. Per land zijn deze uitgaven berekend in % van de nationale

overheidsbestedin gen: Indi a 17,2% (1989), Pakistan 29,5% (1988), Thailand 17,8% ( 1989), Mij anmar 18,7% ( 1989), Z imbabwe 16,5% (1989), Burkina Faso 17,9% ( 1989), Egypte 14,4% ( 1989), Dem. Volksrep. Yemen 31,2% ( 1988), Tan zani a 15,8% ( 1987), Uganda 26,3% (1988), EI Salvador 27,9% (1989) en o.a. Peru 20,2% ( 1989). (Bron: Wereld Bank en UN DP, 1987 -88-89-90). En ook regeringen van andere landen spenderen veel aan hun defensie, waarbij het Midden Oosten met Irak, Iran, Syrie, Jo rdanie, Saudi Arabie, Libie, Ethiopie, de Sudan, of diverse landen in Midden-Amerika zoals Nicaragua e n C uba hoog scoren. Vaak zijn er hi erover internationaal geen betrouwbare gegevens beschikbaar.

Einde van de Koude Oorlog Interessant is de vraag hoe deze o ntwapen in gdi sc uss ie in de Derde Were ld op gang is gekomen? Ogenschijnlijk bestaat e r gewoon een direct verband met de ontspanning tu sse n Oost en West en de gewenste o nt wapenin g in de Derde Were ld. Maar dit verband is ingew ikke lder dan het op het ee rste gez icht lijkt. De these dat na Oost en West het Zuiden aan de beurt is voor ontwapenin g is te eenvoudi g. Als ee rste bestaat het gevaar dat a ls gevo lg van de o nt wapen ing in Oost en West er een verspre iding van (nucleaire) wapens op gang komt. Die spre iding zal, zo wordt gevreesd, in de richting gaan van de o ntwikkelings landen. Wapen ex po rten di e vroeger richting satelietstaten van de beide machtsblokken g ingen komen terecht op ni euwe markten. Maar de ontwapening tussen Oost e n West lijkt nog meer gevolgen te hebben voor


Ol1t wikkel ingslanden. De ontwapeningsdiscussie is voor een deel gebaseerd op economische motieven. Kort gezegd; het ge ld ontbrak om nog verder te gaan met de bewapeningswedloop. M et name in de voonnalige Sovjet Unie was en is dit het geval. Door de onrust in de voonnalige Sovjet Unie en de herorientering van het buitenlands beleid ten aanzien van de Vereni gde Staten, zijn vee l ontwikkelingslanden in een machtsvacuurn terecht gekomen. Waar vroeger een (politiek-strategisch) doel gediend werd door het ondersteunen van een ontwikkelingsland, lijkt dit na de huidi ge (tijdelijke?) Oost-West ontspanning minder van belang.

Gedurende de Koude Oorlog was het O.a. de strategie, om de invloed van de andere grootmacht te beperken door zelf zoveel mogelijk landen te binden aan het eigen machtsblok. Dit had en heeft grote militaire en economi sche consequenties met zich meegebracht. Allereerst de militaire consequenties. Veel ontwikkelingslanden zijn op deze wijze met actieve hulp van de twee supennachten bewapend. Deze wapens zijn er nog steeds maar de aandacht en sturende rol van de supennachten I ijkt voor een groot deel te venninderen. Het lijken ec hter de economi sche consequenties te zijn van het verdwijnen van de invloed van de supermachte n in de Derde Wereld, die als voorn aamste verklaringsgronden kunnen dienen voor de toename van de aandacht voor ontwapening in het Zuiden, door met name hu lpdonoren.

Hist orie De hierboven genoemde economische argumenten voor ontwapening in de Derde Were ld bestaan reeds langer dan nu. Al jaren wordt gesproken over de ontwikkelingsmogelijkheden die zouden ontstaan voor de arn1ere ontwikkelingslanden, wanneer zij zouden bezuinigen op hun militaire uitgaven, en de vrij gekomen middelen vooral zouden aanwenden voor onderwijs en gezondheidszorg. Maar met name in de tachtiger jaren werd er nog een ander aspect

belicht van de mogelijkheden van bezuinigingen op militaire uitgaven. Dit aspect betreft de 'peace-di vidend discussie'. De discussie komt erop neer dat ontwikkelingshulp zou kunn en worden verhoogd wanneer de donor-landen zelf zouden bezuinigen op hun militaire bestedingen. De hi erdoor vrijgekomen middelen zouden kunnen worden aangewend voor de verhoging van ontwikkelingshulp. Alleen al een verlaging van de militaire uitgaven van de Vereni gde Staten en de toenmalige Sovjet Unie met 10 procent zou een verdubbelin g van de totale ontwikkelings hulp op mondiaal ni vea u genereren. In de jaren '80 we rd dit voorstel als onhaalbaar bestempeld. Niet alleen leek een drastische vennindering van de militaire uitgaven op zich al niet haalbaar, een overheveling van de vrijgekomen middelen van de defensiebegrotin g naar ontwikkelingssamenwerking bleek onrealistisch. Als er al middelen vrij zouden komen dan zou ontwikkelingssamenwerking zeker niet de eerste begrotingspost zijn die daarvan zou profiteren. In deze di scussie bestond er ook aandacht voor relatie tussen ontwapening en ontwikkeling zelf. In die zin is de huidige discussie een vervo lg op de peace-dividend discuss ie, of beter gezegd, een vervolg op de gedachte achter deze discussie. Door lagere militaire bestedingen zou een hoger ni veau van ontwikkeling kunnen worden bereikt. Wederom door een ve randerde toewijzing van middelen van de defensiebegroting naar die voor bijvoorbeeld onderwijs of gezondheidszorg. M et name voor ontwikkelingslanden zou dit resul taat kunnen hebben. Maar er werden geen duidelijke keuzes gemaakt ten faveure van ontwikkelin gslanden. Nu lijkt de aandacht met name uit te gaan naar de effecten van ontwapening op de ontwikkeling van de landen in de Derde Wereld, niet van de ontwikkelde landen. En hi er gaat het dan om ontwikkeling niet in eerste

instantie door verhoging van de donorhulp, maar door interne beleidswij zigingen in de Derde Wereld landen.Oftewel meer nadruk op 'no-nonsense'beleid in de Derde Wereld.

Aand acht binnen de Wereldbank De internationale aandacht voor mi litaire uitgaven in ontwikkelingslanden kent zijn internationale primeur tijdens de jaarvergadering van het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank in oktober 1991 te Bangkok. Door vertegenwoordigers van de Wereldbank worden op meerdere momenten oproepen gedaan tot grotere besparingen op mondi aa l

De Wereldbank benadrukt investeringen in 'menselijk kapitaal'_ niveau. Dit is volgens hen nodig omdat de vraag naar kredieten van de Wereldbank toeneemt, terwijl deze niet in staat is om haar kredietmogelijkheden uit te breiden. Dit heeft een aantal oorzaken die samenhangen met de economische consequenties van de ontspanning tu ssen Oost en West. Als eerste me rkt de top van de Bank op dat er grote concurrentie bestaat als het gaat om het ontvangen van middelen van donorlanden. Middelen die vroege r aan de Wereld Bank ter beschikking werden gesteld, worden nu verdeeld over meerdere instellingen. Maar ook door het verd wijnen van donoren als de voormali ge Sovjet Unie en de buurstaten, heeft de Wereldbank te kampen met lagere reserves. Maar ook aan de vraagzijde treden veranderingen op die de kredietschaarste veroorzaken. Voorn1ali ge Oostblok slaten verdwijnen niet alleen als donor, maar een groot aantal dient zich aan als ontvanger van kredieten van de Wereldbank .

Hoe wordt er gedacht binnen de Wereldbank: Niet alleen het aanbod van kapitaal zal moe ten stij gen, de vraag zal moeten dalen. Dit kan alleen wanneer de arn10ede in de Derde Wereld wordt bestreden. Hiervoor

1asol/ Magazil/e nr. 3, juni 1992

17


zijn o.a. investeringen nodig in het 'menselijk kapitaal' van de Derde Wereldlanden. Dit komt neer op het benadrukken van onderwijs- en gezondheidszorgbeleid. Alleen met een goed opgeleide en gezonde beroepsbevolking is een land in staat om zich aan de armoede te ontworstele n. De Wereldbank stelt vast dat het de taak is van een goede regering om zorg te dragen voor een goede beroepsbevolking en veroordeelt een zeer sterke nadruk op militaire bestedingen. Het doen van militaire uitgaven op zich wordt niet veroordeeld. De aandacht richt zich op effectief en goed bestuur, defensie van een land maakt daar deel van uit. De Wereld Bank spreekt haar veroordeling uit over hoge militaire uitgaven wanneer deze onevenredig hoog zijn en ze een verhoging van sociale uitgaven in de weg staan.

Nederlandse en Europese aandacht De Nederlandse minister voor Ontwikkelingssamenwerking J.P.Pronk verkondigde het Nederlands standpunt over dit onderwerp in een speech voor het Development Committee op 14 oktober 1991. In zijn speech getiteld 'The iss ue of military spending no longer taboo ' ging de mini ster in op de doelstellingen van ontwikkelingshulp en hel effect van militaire uitgaven op deze doelstellingen. Daarnaast besteedde hij aandacht aan de implicaties voor het beleid van de Wereldbank en de afzonderlijke donoren. De di sc ussie over de rol die ontwikkelingshulp kan spelen bij de beperking van militaire uitgaven door ontwikkelingslanden is in Nederland op gang gekomen naar aanleiding van de aanvaarding van de motie ingediend door de leden Tommei en TerpSIra in de Tweede Kamer op 10 december 1990. In deze motie wordt de regering uitgenodigd om de factor 'onevenredig ' hoge militaire uitgaven van een land niet alleen consequent onderwerp te maken van de bilaterale en multilaterale beleidsdia-

18

Jason Magazine nr. 3, juni 1992

loog, maar deze bovendien een zwaar gewicht te geven bij de verdeling van financiテォle middelen over ontwikkelingslanden. Ook in EG verband, met name tijdens de raadsvergaderingen van de EG-ministers voor Ontwikkelingssamenwerking, wordt over gemeenschappelijke beleidswijzigingen gesproken. Op 28 november 1991 werd een resolutie aanvaard van de EG-ministerraad van Ontwikkelingssamenwerking. In deze resolutie inzake mensenrechten, democratie en ontwikkeling, vraagt de Ministerraad om ook een passage op te nemen over militaire uitgaven. Buitensporige militaire uitgaven kunnen volgens de Raad ook bijdragen tot een toename van spanning tussen regio's, tot schendingen van het internationaal recht en ze worden vaak bestemd en gebruikt voor interne repressie en miskenning van de universeel erkende mensenrechten. N u de donorlanden betrokken raken in een proces om de bewapening tot een strikt ' noodzakelijk ' niveau terug te brengen , is het moeilijk te verantwoorden dat hulp wordt geboden aan regeringen die een veel omvangrijker militair apparaat in stand houden dan ' redelijkerwijs' noodzakelijk is. Concrete maatregelen tegen overbewapening worden momenteel door de Raad overwogen om de politieke, bestuurlijke en militaire leiding in ontwikkelingslanden hi erbij positief te ondersteunen en projecten met een economische of sociale strekking ten uitvoer te kunnen leggen. Met deze maaatregelen voor ogen kunnen zij overwegen de steun aan landen die hun bewapeningsuitgaven aanzienlijk vemlテ始deren, te verhogen, en deze te verlagen ten aanzien van landen die dit niet doen. De Raad erkent dat ten aanzien van de overdracht van conventionele wapens aan ontwikkelingslanden terughoudendheid en transparantie noodzakelijk is. De Gemeensc hap en haar lidstaten zullen de landen waarmee zij ontwikkelingssamenwerkingsbetrekkingen onderhouden, verzoeken vrijwillig mee te werken aan het nieuwe regi ster van de

Verenigde Naties inzake het verkeer van wapens. Ook binnen het DAC (Development Assistance Committee) bestaat serieuze aandacht voor ontwapening in zuidelijke landen. De DAC is een gespecialiseerde commissie van de organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), waarvan vrijwel alle belangrijke hulpgevende landen van de wereld lid van zIJn. Er zijn nog vele conferenties en plaatsen van overleg te noemen di e aan dit overzicht toegevoegd zouden kunnen worden. De drie hierboven beschreven, Wereldbank/l.M.F., EG, en de DAC, geven de aard van de discussie weer. De di sc ussies worden gevoerd op mondiaal niveau en veelal door politiek verantwoordelijken. De ontwapeningsdiscussie lijkt niet meer langer alleen door de wetenschappers te worden aangegaan. BRD en Japan In hoeverre met enige zekerheid gesteld kan worden dat het variテォren van de hoogte van ontwikkelingshulp een geschikt instrument is om te komen tot een verhoging van het ontwikkelingspeil in ontwikkelingslanden, zal in de praktijk nog steeds elke keer moeten blijken. Verder zijn er toch altijd weer problemen omtrent de politieke wil van de diverse betrokken leiders en de reikwijdte van hun politieke en bestuurlijke macht. Zowel Duitsland als Japan hebben beleidscrit.eria opgesteld voor de bewapeningsproblematiek. Een belangrijk verschil tussen beiden is, dat de Japanse richtlijnen reeds worden gebruikt, de Duitse nog niet. De Bondsrepubliek Duitsland lijkt voorop te lopen in de uitgebreide studi es die een antwoord moeten kunnen geven op een van de belangrijkste vragen. Namelijk de vraag, wanneer een land in de Derde Wereld zal worden aangespoord om in plaats van militaire bestedingen de bestedingen voor onderwijs en gezondheidszorg


ex tra aandacht te geven? Wanneer kan er gesproken worden van een redelijke mate van bewapening e n wanneer is dit niet meer het geval? De Duitse minister van Wi ssenschaftli che Zusammenarbeit heeft ee n aantal mogelijk bruikbare ri chtlijnen hierover verspreid, tijdens een informele EG-Raadszitting voor Ont wikkelingssamenwe rking in juli 1991 in Apeldoorn. In het gepresenteerde non-pape r (d.i. een vornl van dipl omatieke correspondentie, waarbij de herkomst erv an als dusdanig niet herkenbaar is), wordt een drietal stappen uitgewerkt die moeten leiden tot kwantificeerbare criteri a die behulpzaam kunnen zijn bij de vas tstelling van de defensiebehoefte in een land. De eerste Slap bestaat in het Duitse voorstel uit het uitdrukken van de militaire bestedingen in verhouding tOl de overi ge bestedin gen. Dit wordt gezien al s een eerste stap om te komen tot bruikbare criteria om overbewapening vast te stellen. De belangrijkste stap die hij neemt in het proces om te komen tot duidelijke kwantificeerbare criteria is een strategische anal yse die de volgende vragen omvat : I. Streeft het land in kwestie naar reg ionale hegemonie? 2. Hoe verhoudt de positie van het land zic h tot de omrin gende lande n, zijn er historisc h bepaalde afh ankelijkheidsrelalies? Als er sprake is van regionale concurrenten is het land in staat zich daartegen militair te weer te stellen? 3. Van we lke all ianties maakt hel land deel uit? Zijn er histori sc h bepaalde oorl aken voor eventuele hoge militaire uitgaven? Bij het laatste wordt gedacht aan bewapenin g als gevolg van verbondenheid mei een groot-macht of verpli chtingen als gevolg van militaire bondgenootschappen . 4. Wel ke 'veiligheidsfil osofie' hangt de regering van een land aan? CoĂśperatie, confrontatie of een filosofie gebaseerd op mi litaire Il'mchlsmiddelen. 5. Is hel land in het verleden betrokken geweest bij militaire interventies? 6. Heeft het land deelgenomen aan

'vrede-bewarende operati es' van de Vereni gde Naties of deelge nomen aan regionale veiligheids-ini ti atieven? 7. Bestaat de be re idheid om mee Ie werken aan internati onaal wapentoezicht? 8. Is het land betrokken bij terroristi sche acti viteiten? 9. Welke militaire bedreigingen ziet de r~ge rin g van het land, en stemmen de militaire bestedingen overeen met deze bedreiging? Het overzicht geeft aan dat meer nodig is dan een stati sti sch overzicht. In stap 2 en 3 gaat het in op ' het verhaal' ac hter de cijfers. Daarbij komt de visie van het aangesproken land uitge breid aan de orde. Dit is belangrijk omdat een vemndering van beleid moeten komen vanuil het land zelf. Er zijn echter al donoren die verder gaan. Japan schenkt bij de (her)overweging van een relati e met een ontwikkelingsland aandacht aan een viertal ri chtlijnen. 1 de trend in militaire uitgaven van het ont vangende land, 2 de trend in de prod ukt ie van massaverni etigingswapens, 3 de trend in ex- en import van wapen s, 4 democrati sering, mensenrechten en introductie markteconomie

Conclusie Tot slot de vmag hoe nu verder? Duidelijk is dal de di scussie wordt gevoerd op een niveau en schaal waarvan we resultaat mogen verwachten. Is deze verwachting gerecht vaardi gd? Zoals het er nu uitziet we l. Maar. er is nog een lange weg Ie gaan. Als eerste zal duidelij k moeten worden over we lke getallen we spreken . Hoe hoog zijn hoge militaire bestedin gen? Wanneer noemen we sociale bestedinge n laag? Binnen de Wereld Bank is men aan het werk om gegevens te verzamelen en te interpreteren op basis waarvan mogelijk beleid zal worden geformuleerd . Daarn aast zal gekeken moeten worden naar de effecten van het verl agen van de hulp aan landen met hoge militaire uitgaven en/of lage sociale bestedingen. Ook zal er seri euze aandacht moeten zijn voor de oorLaken van de

hoge militaire uitgaven. Alleen wanneer deze oorzaken worden weggenomen kan verwacht worden van regeringen dat zij hun mililai re uitgaven zullen verl agen. Daarnaast zal er aandacht nodig zij n van de donoren voor de gevolgen van ontwapening in ont wikkelingslanden. In met name een aantal Afrikaanse landen zijn grote problemen ontstaan als gevolg van de demobilisatie van vaak enorme lege rs. De gevolgen van ont wapening op de ontwikkeling van een land zijn pas op de lange duur merkbaar. In de tu ssentijd moeten regerin gen die een beleid van demobilisering voeren,gesteund worden. De vee lheid aan vragen geeft aan dat we hier spreken over een beleidsterrein dal ni euw beleid vraagt. De vragen en gerezen

Zowel Duitsland als Japan hebben beleidscriteria opgesteld voor de bewapeningsproblematiek. De ontwikkelingshulp wordt daaraan gerelateerd moeilijkheden zijn echler geen redenen voor pessimisme. Dit omdat de discussie al resultaat heeft opgeleverd. Een aanl al ont wik ke lings lande n heeft aangegeven mee t.e willen werken aan ontwapening. Zij worden aangemoedigd door de di scussie waarin duidelijk wordt dat donorlanden bereid zijn deze landen te helpen bij het overwinnen van de moeil ijkheden. Daarbij make n het mondiale niveau waarop de di scussie wordt gevoerd . en de actoren in die discussie een groot aantal van de gerezen onderwerpen bespreekbaar. En dat lijkt vooralsnog de grote winst van de huidige discussie ten opzichte van de in het verleden gevoerde discussies over de relati e tu ssen ont wapening en ont wikkeling . •

jasoll Magazine nr. 3, juni 1992

19


Macht en onmacht van NGO's • In het UNCED-proces Door Arthur van Buitenen Deze maand vindt de VN-conferentie plaats over milieu en ontwikkeling in Rio de Janeiro. Ook niet-gouvernementele organisaties (NGO's) uit Nederland zijn hierbij betrokken, zij het niet met een officie Ie politieke status en mandaat zoals de regeringsvertegenwoordigers die hebben. Organisaties zoals het Platform Brazilie, Greenpeace en de IUCN zijn betrokken bij het politieke spel omtrent het milieu. Arthur van Buitenen bezocht meerdere onderhandelingsbijeenkomsten en voorbereidende ' prepcoms' (preparation committees) die aan de UNCED vooraf zijn gegaan. In het onderstaande artikel geeft hij zijn analyse van de invloed van NGO's op de politieke besluitvorming.

Langzaam maar zeker begint de

en infrastructu ren, die het overleg

zaken zelfs tot het beleidsniveau door te dringen. NGO's streven naar sturing van dit beleidsproces

en de strategiebepal ing ten goede

in een aanvaardbare richting, hetgeen moet leiden tot een situatie die sociaal rechtvaardig en ecologisch verantwoord is. De nood-

zaak tot een dergelijke duurzame ont wikkeling is door NGOs uit oord en Zuid op meerdere gelegenheden onderstreept. Wat kan er gezegd worden over de macht en onmacht van de NGO 's?

politicoloog en project· medewerker bij de

de "United Nations Conference on

Stichting Internatianal

Environment and Development" (UNCED) een precedent geschapen in het VN-systeem. Nog niet

8uÎt~nen

ij

Union far the Canserva-

fion of Nature and Natural

resou~es­

ledenkontakt (lUCN).

mogelijkheden kunnen NGOs doeltreffender dan voorheen invloed uitoefenen. Deze machtsbasis wordt versterkt

door een relatief neutrale houding ten opzichte van de belangen van

staten. NGO's hebben geen rekening te houden met internationale

economische belangen en "hogere politiek" als veiligheids- en buitenlandsbeleid. Toch blijkt het voor NGO's moeilijk hun cultureel bepaalde nomlat ieve kaders te ont-

De beleidsinbreng en participatie

kennen. Vele Noordelijke NGO's, zo blijkt in de voorbereidingen van de UNCED, zijn bijvoorbeeld zeer

van NGO 's wordt meer en meer door overheden. NGOs zijn specifiek van belang in de contacten met de "grass-roots" in ontwikkelingslanden. In deze contacten is het tactisch de regerin g van het

Zui delijke normen en waarden niet met net zoveel vuur verdedigen als

begaan met het lOl van Zuidelijke

landen, toch kunnen zij als gevolg van hun culturele achtergrond de

desbetreffende land te omzeilen

degenen die tot deze cultuur beho-

eerder waren zoveel individuele

om zodoende het vertrouwen van

experts, wetenschappelijke, com-

de lokale bevolk ing te winnen en

merciële, milieu- en ontwikkelingsorganisaties op de been voor

hun participatie te stimuleren. Meer in algemene zin spelen

de beïnvl oedi ng van een VN-proces. De redenen waarom de UNCED, die deze maand plaats vindt van I lOt 12 juni 1992, zo nauwlettend wordt gevolgd zijn

NGO's vooral in de onderkenning en wetensc happelijke onderbou-

ren. Een oplossing is hier niet voor handen. In het streven naar optimale verhoudingen is het niettemin van belang meer begrip te genereren voor elkaars standpun-

legio; gemene deler van al deze

voorname rol. De vaak zeer spe-

redenen is de zorg over de toeneming van de armoede in de wereld

cialistische wetenschappelijke

en hel daannee samenhangende exorbitant rijke bestaan van een

handvol Westerse volken. Deze volken slokken een onevenredig groot aandee l van de mondiale

milieugebruiksruimte op. Momenteel neemt het Westen, ongeveer

wHa rdigheid gebaseerde discussie is hiervoor essen ti eel, evenals de

van mogelijke oplossingen een

voorwaarde dat NGO's uit alle regio's van de were ld de mogelijk-

kennis is één van de voornaamste redenen waarom NGO's in het proces wo rden betrokken en vormt tevens de basis voor een effect ieve beïnvloeding van het proces. Een

heden worden geboden hun normen en waarden in internationale

processen als de UNCED in te brengen.

Diversiteit

goed voorbeeld hiervan is de wijze waarop NGO's het mensenrech-

De discussie moet voet aan de grond krijgen binnen een interna-

tenregime, zowel mondiaal als

tionale NGO-gemeensc hap die wordt gekenmerkt door een hoge

reg ionaal hebben gebruikt.

king, 75 lot 80% van deze ruimte

Zeker organi sati es die op mondiaal niveau opereren, zoals bijvoor-

beeld Greenpeace, World Resour-

milieugebruiksruimte, onder de

ces Institute en IUCN-lnternation-

overige 75-80% van de were ldbevolking worden verdeeld.

al beschikken daarbij over

Jasoll Magazille nr. 3, juni 1992

ten. Een constructieve, op gelijk-

wing van milieu- en ontwikkelingsprobiemen en het initiëren

20 tot 25% van de wereldbevolin beslag. De 20-25% die overblijft kan du s, bij een constante

20

komen. Door deze toegenomen

Macht

van belang geacht en gestimuleerd M et de ve rtegenwoordiging van meer dan vierduizend NGO 's heeft

Arthur van

en goed geouti lleerde netwerken

absurditeit van deze stand van

aanzienlijke financiële middelen

mate van diversiteit. In deze gemeenschap treft men naast vele landen-vertegenwoordigers ook mensen uit inheemse culturen aan; volken en culturen die soms niet door staten worden erkend.


Bovendien moet onderscheid worden gemaakt naar de aard van de

saties vo lledi g afh ankelijk van de we lwi llendheid van delegati eleden

NGO. Of ee n organisatie of indi vi-

om hen aan te horen. En zo deze wil al aan wezig is, worden geen garanties voor daadwerkelijke veranderin gen gegeven.

duele expert uit een wetenschappelijke, commerciële, mi lieu- of ont-

algemene NGO-"strategy meetin gs" di e ook iedere ochtend gedurende de vergaderperiode worden gehouden. De twee- tot

worden ingenomen in het onder-

vindt vooral plaats in de wandel-

driehonderd wisselende organi saties die zijn vertegenwoord igd streven zulke verschillende doelen na dal coördinatie welhaast onmo-

handelingsproces. In de NGOgemeensc hap wordt ondanks deze

gangen. de "lou nge" en de "cof-

gelijk is. Bovendien hebben velen

feecomer". Daarn aast is het uiteraard van groot belang op nati onaal

thui s hun strategie al voorbereid . Dat het coördinatieprobleem wel

meer bereidheid gevonden de dis-

ni veau te lobbyen voordat de dele-

cussie aan te gaan. Di versiteit

gati e-instructi e voor de vergadering wordt geschreven. Op intern ationaal ni veau loopt een

degelij k is onderkend, blijkt uit de opricht ing van NGO-"taskgroups" op negen verschillende UNCED-

wikkelingsachtergrond komt, is zeer bepalend voor de posities die

hoge mate van diversiteit steeds

betekent dus ni et dat ont wikkeling wordt geremd mits be naden als "onderscheid" in plaats van "ver-

schil". In de eerstgenoemde betekenis beschouwd, is diversiteit naar mijn mening een toegevoegde waarde.

Onmacht NGO 's nemen met verschillende moti even deel aan een proces als

de UNC ED. Ten eerste wordt geprobeerd directe belan gen voor het lokale niveau ve il ig te stellen. Een constructi eve, mondiale di scussie en informatie-uitwisseling

is vervolgens een doel dat bijna

Beïnvloedin g van delegati eleden

gezamelijke NGO-Iobby te vaak stuk op de gebrekkige coördin atie. Op zoek naar effec ti eve netwerken en consensus worden processen gestart zonder dat eerst wordt getracht bij een bestaand initiati ef aan te sluiten. Als de doelen van de diverse initiatieven naast elkaar zouden worden gelegd, is er meer overeenstemming binnen de NGO-

gemeenschap dan meni g deelnemer vermoed. Deze potentiële consensus gaat nu schuil achter een facade van verdeeldheid en een veelvoud aan netwerken.

iedere deelnemer voor ogen staat.

Een derde doel kan het streve n naar een rol in de intergouve rnementele besluitvorming zijn. Dit laatste is echter een zeer omstreden streven. Hoewel sommige. met name grotere NGO's, een

algemene vergadering hebben,

beleidsterreinen tijdens de tweede inhoudelijke voorbereidende ver-

gadering in Genève. Sommige " taskgroups" leiden ee n slape nd bestaan, anderen zijn zeer ac ti ef en succesvol. Zij hebben onder meer een belangrijke infonl1ati efuncti e

Met de vertegenwoordiging van meer dan vierduizend nietgouvernementele organisaties heeft de UNCED een precedent geschapen in het VN-systeem naar NGO's toe die niet over mid-

Algemene coördinatie m oelij k In het UNCED-proces is de "Womens Caucus" een voorbeeld van een actief en goed georganiseerd internationaal netwerk . In de "Caucus" zij n bewegingen ver-

kennen verreweg de meesten geen systeem van ledenvertegenwoordi -

enigd die ee n gelij ke behandeling van mannen en vrouwen nastre-

de len besc hik ken om alle ve rgaderingen bij te wonen. Hoewel de "taskgroups" zijn opgericht in

UNCED-kader zullen de meest actieve, waaronder de biodiversiteits- en de instituti es-"taskgroup",

na UNCE D blijven bestaan.

Balans

ging. Leden kunnen noc h de

ven. Iedere ochtend gedurende de

NGO 's ve rvullen belangrij ke func-

besruurders controleren, noch

voorbereidende vergaderingen van

ties in internationale beleidspro-

invloed uitoefenen op beleid .

de UNCED word t een "strategy

eessen als de UNCE D. Met name

Onder meer als gevolg van deze legitimiteitskwesti e is het op zijn

meeting" gehouden waarin de

de progressiviteit en de weten-

lobby-mogelij kheden voor die dag worden besproke n en de taken worden verdeeld. De basis van de lobby is reeds vóór de aan vang van de vergaderin gen gelegd doo r

schappelijke kennis worden meer

minst ondu idelijk met welk recht deze individuen en vertegenwoordigers van organisati es deelnemen in de besluitvorm ing. Hoewel het waarnemerschap bij VN gespecialiseerde organisaties en conferenties mogel ij k is, staan

NGO's formeel buiten de besluitvormin gsprocedures. Ook de UNCE D is als initiatief van de Al gemene Vergadering van de Vereni gde Naties geheel ee n overheidsaangelegenheid. Enerzijds versterkt dit de reeds genoemde onafhanke lij ke posi tie van NGO 's. anderlijds maakt het deze organi-

middel van consultaties en conferenties van de leden van het netwerk . Op deze wijze worden regeringsdelegati es van verschillende kanten bestookt met eisen van

dezelfde strekking. Bas is voor deze succesvolle lobby zijn de gedegen voorbereiding. een strakke leiding van het netwerk en het goed te omkaderen doel waarnaar

wordt gestreefd . Het laatste kan zich keren tegen het optimaal functi oneren van de

en meer op waarde geschat. Deze organisaties kunnen zeer invloedrijke posities innemen indien zij hun potentiële invloed zouden aanwenden. meer gericht gaan samenwerken en hun ac ti viteiten coördineren, bijvoor-

beeld doo r middel van de "taskgroups". Zee r van belang hierbij is de betrokkenheid en gelij ke panicipati e van NGO 's uit alle regio's van de wereld. "Di versiteil betekent kracht" is de

vlag di e de ladin g dekt. Het aanwenden van deze gebundelde krac ht leidt vervolgens tot sterkere posities . •

j asoll Magazille nr. 3, juni 1992

21


"UNCED : een groen breekijzer voor economische groei."

"Groen, groener, de grootste groei" Door Peter Lingg

Prof.dr. louis Emmerij, vanaf 1987 president van het Development Centre van de OESO in Parijs, gaat graag de discussie aan en geeft desgevraagd openlijk zijn persoonlijke visies over het wel en wee van zijn internationaal werkveld: de groei van de wereldeconomie in relatie tot ontwikkeling van Noord, Zuid en Oost. Jason had daarom met hem een interview over de VN·conferentie over milieu en ontwikkeling UNCED, welke deze maand in Rio de Janeiro plaatsvindt. Volgens Emmerij wordt de wereld niet geregeerd of bedreigd door de reële bedreigende factoren op zich, maar door de percepties van problemen. In dit interview geeft louis Emmerij een aantal van zijn eigen percepties van deze werkelijkheid, en wat zijns inziens de echte vraagstukken rondom de UNCED zijn.

Tweeentwinti g jaar na de belangrijke rapportage van de Club van Rome over de 'toestand van de

aarde ' en 20 jaar na de Stockholm· conferenti e volgt nu de VN wereldconferenti e UNCED (Uni· ted Nations Conference on Environ ment and Development), waar fundamentele vraagstukken rondom dit thema (eindelijk) op de internationale politieke agenda geplaatst zijn. lk verte l aan Emmerij , dat als ik aan al die tussenli g· gende jaren denk , ik ook moet denken aan al die gemiste kansen die de wereldpolitieke leiders reeds eerder hadden kunnen aan-

grijpen .

Emmerij gaat rechtop zitten en reageer' op mijn opmerking door een fam ilie-anekdote Ie geven over zijn vaak naar Londol1 reizende ooms. Deze ooms vertelden hem. toen hij 110g een kleine jongen was in Rotterdam , van de afschuwelijke smog en de verdwe!len zalm in de Theems. Die zalm is volgens hem later weer terug kunnen komen, vanwege de nieuwe mogelijkheden van de veranderde technologie en industrie.

van jason Magazine

Emmerij: " In 1972 hadden we de grote Stockholmconferentie, geor· ganiseerd door dezelfde man die nu de UNCED organi seert, Mauri·

22

Jason Magazine nr. 3, jun i 1992

Peter Ungg is redacteur

ce Strong (Canadees zakenman en mili eu·acti vist). Die reed daar op zijn witte fi ets door Stockholm, was 20 jaar jonger dan nu , en dit was een van de eerste grote confere nties uit de jaren 70. Daaruit is de UNEP voortgekomen en je kunt inderdaad di scussieren over de doelmatigheid van die organisatie. Strong was ook de eerste Secreta· ri s-Generaal van de UNEP. En toen kwam Mevr. 8rundland die een he le nieuwe dimen sie aan de di scussie toevoegde, namelijk de globale d imensie. Dan hebben we nog de traditionele problemen; verwoest ijning, uitlaatgassen, smog, etc. en daar is veel aan gedaan. De nie uwe meer globale problemen; het ozongat, stijgend water, etc., dat is du s relatief nie uw. Over die tweede groep problemen heb ik een vrij scepti· sche houding, maar opsommend kun je ni et zeggen dat de mili euproblemen verwaarloosd zijn in mijn life-time. Er is verzet, vooral in de geindustrialiseerde landen natuurlijk, vee l minder in de ontwikke lin gslanden. Landen, waar het ontwikkelings· probleem zo nauw verbonden is met het milieuprobleem. waar je het milieuprobleem alleen kunt oplossen door de economische ontwikkelingsproblemen op te los· sen. En daar wordt in Rio vee l

aandacht aan besteed. Je ziet dus nu dat de geind ustrialisee rde landen, mijn lidstaten dus van de OESO, dat die gewe ldi g strenge nonnen en standaarden aan het in voeren zijn ."

Op dil pUllI aanbeland verhefl hij zijn stem en spreekt luid zijn grote vrees uit dat die strenge normen en standaarden worden gegeneraliseerd naar de rest van de wereld lOe. Volgens hem Iigl hel ant· woord van veel vragen in de overdracht van schone technologie. Emmerij: " Milieuconditionaliteit is een add itionele co nditionalite it in het hele instrumentarium dat we al hebben. Essen ti eel is daarom de di sc ussie over de technologieoverdrac ht . We kunn en ni et tegen de Chi nezen zeggen : Jullie zijn al de derde grootste uitstoter van CO'2 en dus doe het maar een beetj e kalmer aan. Dat pikken die mensen natuurlijk niet! En je moet voor China lezen de hele Derde Wereld, en Oost-Europa ook, en dat is dus wel een domme houding waar we naar toe gaan. Ik vind dat de houdin g moet zijn, en dat zullen de ontwikkelingslanden in Rio ook zeggen: Wij den· ken er ni et aan langzamer te industrialiseren. Als jullie, rijke landen


die de he le rotzooi hebben veroorzaakt, willen dat wij op een sc hone mani er gaan industri ali seren, no u, dan moet daarover de di sc uss ie gaan. We hebben in het ve rl eden een di scuss ie gehad over sc ho ne tec hnolog ie, to ut court , en daar komen kosten- en batenanal yses aan te pas. Maar dat is we l de di sc uss ie di e gevoerd moet wo rden. En ik hoo p dat de zuidelijke landen zich hard op zu llen ste llen. of ze het doen is een tweede. Dat zuI len we dan zien."'

In Rio de .Ianeiro : ullen de ontwikkelingslanden ollder andere samenge\'oegd zijn in de G7. Lukt het die laf/dell eil{ell/ijk om een gezamenhjk en eellsge:ind stalldp Ulli in fe nemen, ge:ien de enorme \'erscheidellheid aan helangell binnen en tussen landen ill Z uid ? Hebhen ze uberhaupt uitvoerbare plannen hij zich ? Emmerij: "Zij moeten reeds nadenken over hun economi sche, financ iele en soc iale ontwikkeling. Wij hebben die ontwikkeling achter de rug, wij moeten nadenk en over duurzame o nt wikke lin g. De eerste rea lite it voor o nt wikkelin gs landen en Oost Europa is, dat je geen ondersc he id kunt maken tu ssen het o nt w ikkelin gsprobleem en het mili euproblee m, dat is een en hetzelfde din g.

Er zijn nuances natuurlijk , maar zo u ik uil een ontwikke lings land ko men en zou ik een intelli gent persoon zijn , dan zou ik twee priorite iten hebben; mij n ee rste prio ri te it is ont wikke lin g en de conferentie zou voor mij moeten heten 'Conferenti e over Ontw ikke ling e n Milieu' , ni et ' Milieu en Ont wikkeling'. Want zoa ls de slogan zegt, arm oede is de groo tste vervuil er. " Emm erij gee ft een voorbeeld van deze samenhang: ;. Kijk. ga naar elke grote stad in het Z uiden en zie wat er gebeul1.lk was verl eden week in Laor in Paki stan, op de g rens van Indi a. Dat was vroeger een prachti ge stad. Nu leven er zes miljoen mensen. Nu is er een woestijn van vuili gheid en daarin li ggen nog een paar pare ltjes, maar dan moet je di e met een lo upe zoeken. "

Voor de UNCED-conlerentie zijn lIa /lonale overh eden , het hedrijfsleven en ook niet-gouvernementele organisaties in het Zuiden (tijdelijk?) coalities met elkaar aangegaan , tegen het Noo rden. Dit is volgens nuj heel verhullend, wan! er bestaan in on!wikkelingslanden grote spanningen tussen de:e groepen. Mljll vraag aan Emmerij is oJ hij kali inschatten hoe geloofwaardig die coalitievorming is. en hoe lang de:e standhoudt?

Emmerij : " Luister, ik vind dat het Z uiden, en ook Oost-E uropa, ve le concessies heeft gedaan aan de ideolog ie van het Wes ten van de jare n tachtig. Kijk naar Cartagena , de UN CTAD VIII -conferentie. De meeste ontw ikkelings landen hebben zich gealliee rd naar de ho uding van de OESO-landen. Er is minder controverse, veel meer overee nstemming over het soort economi sch bele id dat gevoerd moet worden.to t af en toe op het karikaturale af! Z ij doen nu wat wij prediken. Wij (en spree kt hierbij een uitroepteken uit ) doen vee l minder. Voor de eerste keer in mee r dan ti en jaar ontdekken de ont wikkelings landen nu , en ik hoop dal ze bij hun leest blij ven, dat ze inderdaad een bele idsinstrument in handen hebben, waar het Westen de vrager is en ni et zij. Het Westen heeft e r belang bij dat di e mensen daar ook niet al di e romme l in de atmosfee r gaan stoten. Ik hoop dus inderdaad dat ze di e ontdekking gaan gebruiken, gaan uitwerken en dat ze daardoor een inte ressant uitgangs punt hebben om hun onderhande lin gspositie te versterke n. Ik geloof dat het in het belang is van de we reldont w ikke lin g. dat zij nu de weini ge ni et-economi sc he instrumenten gaan uitbuiten. die zij in handen gespeeld krijgen door een

jasoll Magazine nr. 3, juni 1992

Emmerij: " ... in het Westen is er sproke von een zekere mifieuhysterie " (foto : brochure VROM)

23


zekere hysterie die in het Westen plaatsvindt. "

Emmerij lacht hierbij en bagatell i-

voor de landbouw en de grond-

seert de ernst van de mi lieuproblematiek. Hij vindt dat er sprake is van 'milieuhysterie ' die thuis

stoffenverwerking. Vooral daar wordt erg veel schade aangebracht aan het mi lieu, zoals we dat zelf in

hoort bij het naderende einde van dit millenium. Emmerij: " In het jaar 992 waren er ook een heleboel

Nederland eigenl ijk ook weten.

van die 'einde-van-de-wereld-verhalen '.En die vinden we nu ook terug met die gaten in de ozon die net opengaan boven het buitenhuis

van de President van de VS , en dan weer d ichtgaan." Sinds vorig jaar is er een OESOwerkgroep bezig om richtlijnen te ontwikkelen om enerzijds handelsprotectionisme tegen te gaan. en dat er anderzijds toch milieuproteetie mogelijk is. Mijn vraag aan Emmen} is: Lukt het deze werkgroep om met stalldaardrichtlijnen te komen die voor iedereen gelden? Emmerij: "Er wordt onderzoek gedaan naar de relatie tussen internationale handel en milieuproble-

matiek. En dat is een berg werk die niet alleen gaat over die nieuwe conditionaliteit waar ik erg

bang voor ben. Maar het het gaat

Dus dat is een zeer techni sche dis-

cussie die in die werkgroep plaatsvindt. Is er harmonie tu ssen het herstructureren van de econom ie

in ontwikkelingslanden (het ombuigen van de economie naar een meer naar buiten gerichte

export) zonder dat dat schade toebrengt aan het milieu, of is er een connict? Dat is de vraag. "

Maar hoe zit het 1111 met die verdeelde belangen in het Zuiden? Het is ook een politiek vraagstuk en niet IOUler een technisch-instrumentele discussie. Emmerij: "Het is niet voor niets

dat di e werkgroep is opgericht in de OESO, want het zijn wij weer die meer de vragers zijn, veel min-

der de ontwikkelingslanden, die meer belang hebben bij die tweede meer techni sche discussie. En dat

vind ik zelf ook een belangrijke dicsussie, hoe wij inderdaad ook in ontwikkelingslanden -zonder de

een Noordelijke regio en een Zuidelijke regio, bijvoorbeeld tussen de VS en Latijns-Amerika, en de EG en Afrika, waar een wederkerige condititionaliteit wordt verwer-

kelijkt. In zo'n contract belooft een zuidelijk land a-b-c te doen. Wij beloven onze hande l toegankelijker te maken door de rem op de import los te laten. Niets daarvan. Met het handhaven van het huidige Multivezelakkoord, landbouwbeleid en de andere toegang tot onze markten is daar geen kans

op. We zien het in de Uruguayronde die helemaal vastgelopen is, en du s geloof ik niet dat het Westen concessies doet en de intell igentie en het inzicht zal hebben, om zich

werklijk op te stellen als een partner. "

Een ander punt van kritiek bij de UNCED is. dat alleen de vertegenwoordigers van de nationale overheden een beslissingsbevoegdheid hebben, Ie1wijl el' ook andere (representatieve) belangengroepen zijn die spreken namens een (deel vanlwo) bevolking. Hoe ziet Emmerij deze rol van met name ngo's (n iet-gouvernemelllele organisaties)?

industrialisatie en dus ook economische ontwikkeling af te remmen- kunnen komen tot een eco-

Emmerij: .. lk zie hierin vooruitgang. Ik vind dat er nu veel meer naar ngo's wordt geluisterd dan in

tot markten, verlaging van handel-

nomisch beleid, dat inderdaad ni et die rampgebieden tot gevolg heeft

sprotectioni sme- ,concessies

die men nu overal in ontwikke-

het verleden. Ik zie bijvoorbeeld de Wereldbank, de Inter American Development Bank, de African Development Bank, vee l meer vergaderingen beleggen met ngo 's.

ook over, hoewel niet hardop

genoemd natuurlijk, hoe in de internationale handel concessies kunnen worden gedaan -toegang

De milieu problematiek is een van de weinige beleidsinstrumenten die het Zuiden in handen heeft tegenover bepaalde condities die vervuld moelen worden in Zuid en Oost. Dat noem ik de nieuwe groene conditionaliteit, niet alleen op

het gebied van ontwikkelingssamenwerking dus, als ook op het

lingslanden ziet, vooral in de stedelijke gebieden." Zijn de belangen van Noord en Zuid eigenlijk niet teveel ongelijk, zodat de kans op eell acceptabele en dwingende uitkomst van UNCED- I voor deze partijen heel kleill is?

Dat was er tien jaar geleden gewoon niet bij. Toen waren er wel die parallel-wereldconferenties. Net zoals met Stockholm was er altijd wel een groot festijn daarnaast. Maar er was geen weder-

zijdse inbreng, dat zie ik nu veel meer.

gebied van de internationale han-

Emmerij : "Ja, de kans is zeer klein dat er in Rio de Janeiro een harmonieus besluit komt. De finan-

del.

ciele benodigheden, die beraamd

Ook het bedrijfsleven heeft een

Een tweede punt dal me interes-

zijn door Strong en zijn team in

vrij grote inbreng, maar niet altijd in de politiek . Ze zitten er in het milieudebat niet officieel bij, maar zoals je weet, wordt de politiek

santer lijkt en ook minder politiek, is hoe ontwikkelingslanden zich

Geneve, bedragen honderden miljarden dollars, die het Westen en

toch meer beinvloed door wat het bedrijfsleven zegt, dan wat de

economisch kunnen herstructureren , en hun export basis kunnen verwijden en verbeteren tegenover

vooral Amerika niet bereid zijn op te brengen. Er is ook geen vooruitzicht op 'ontwikkelingscontracten ' tussen

ngo's zeggen."

de marktmogelijkheden elders,

24

zonder al te veel schade toe te brengen aan dat milieu. Dat is een interessant discussie

jasoll Magazine nr. 3, juni 1992

Maar hoe zit het nu met die machtsongelijkheid aan de onder-


handelin!{stafel? Hoe :ouden de 'sterken' de ': wakkerell' eell hand toe kUl/ne" steken? Als ant woord geeft Emmerij een kort politiek college: " Luiste r, we zitten in een situatie van Realpoli tik , of je dat nou le uk vindt of ni et, zo is het nu eenmaal. Je kunt je onderhandelingspositie allee n maar versterken door meer macht, door meer instrumenten in handen te krijge n. Zijn we teru g op de vraag in het begin. dat de milieuproblematiek een van de weinige beleidsinstrument.en is in handen van Zuid en Oost, die deze zouden kunnen uitspelen in een intelligente onderhandeling met het Wes ten. Om het Westen meer concessies te laten doen. Gebeurt dat ook. dat intelligente onderhandele n? Daar ben ik niet absoluut zeker van. Ik merk dat meer en meer landen, vooral in Zuid, minder in Oost waar het een vrij chaotische situatie is naruurlijk, zich bewust worden van dit onderhandelingsmoment. Dat een eerste mini ster van Malays ie bij voorbeeld daar een grote rol in speelt, di e zeer c ruciaal is op dat gebied. Dat de groep van 15, dat is een nieuwe groep v,m ont wikkelingslanden. probeert onder aanvoering van deze minister dat instrument acceptabel te maken voor andere landen, om een hannonieuze uitgangspositie te krijgen. Maar ja, we hebben het dan over zo' n 140 landen. in Zuid en OOSI. En of dat werkelijk zo zal uitpakke n in Rio is de vraag. Maar Rio is slec hts I stap."

Mooie besluiten moeteIl ook uitge\'oerd kunnen worden. ell deze uitvoering moet ook weer gecontroleerd kUl/nel/ wordelI . Als ik kijk /laar voorbeelden om frent internationaal milieubeleid elders. bij\'oorbeeld de Middellandse Zeeregio. dali is hel bedroevend gesteld met de coordil1atie en capaciteil l'an de betrokken overheids- ell internmionale organisaties. Wat kan gedaa" wordelI opdm allerlei toekomstige VN- reorganisaties ell llieuwe clubs niet opnieuw langs elkaar heen zuIlelI werke,, ?

Emmerij: "Nou, er is in de afgelopen 15 jaar gee n enke le inte rn ati onale organisatie bijgekomen. Maar de wereld is natuurlijk snel aan het veranderen, en dus moeten ook deze organisati es veranderen, bijvoorbeeld in hun houding jegens nationale regerin gen en ngo 's, maar daar is veels te wei nig sprake van. De international e organisati es gaan door zoal s ze zijn, herstructureren zich niet snel genoeg, eigenlij k in het geheel niet, en dat moet wel gebeuren. Vooral de VN, maar ook de OESO, de Wereld bank en het IMF moeten zich aanpassen om in deze geheel nie uwe wereldpol itieke en economische situati e te kunnen functioneren. Ik ben het wel met je eens dat je beter de bestaande zaak kunt herstructurere n dan de hele zaak overboord te gooien. De ideal e situati e zou zijn dat je iedereen een inenting kon geven, iedereen valt in een winterslaap, en ze worden wakker in een hele nieuwe situatie. Maar dat is niet reali stisch. He t zijn vooral de klei nere OESOlanden die zich hierover buigen, want de G7 (VS, Canada, Japan, BRD, Frankrijk, ftalie en de UK), di e hebben hier geen e nke le belang bij . De verli chte despoten van de G7 doen het onder elkaar, spreken vee l over democrati e in Zuid en Oost, maar als je het hebt over de internationale democratie is het gewoon de dictatuur van de G7 ! De kleinere OESO-landen hebben er vee l belang bij dat die VN een werkelijke intern ati onale democratische rol kan spelen. M aar het is niet Nederl and dat nade nkt, voora l de Scand inav ische landen he bben een aantal goede rapporten op tafel gelegd." Waf heeft ti geleerd /l if die gebrekkige enfalende coordinatie hij imernationaal beleid?

Emmerij : " Ik geloof dat er wel geleerd is maar dat er all een grote veranderingen plaatsvinden na een ramp! lk zeg dat met veel tegenzin. maar tot die conclusie ben ik heel vroeg gekomen door de Watersnoodramp hier in Nederland. Dat was in februari 1953

toen er 1800 mensen ve rd ronken in Nederland. Toen bleek dat een aantal technici al gewaarschuwd had, dat bij een zeer uitzonderlijke constellatie van factoren zoiets mogelijk was. M aar die kans was zo kl ein dat de Nederl andse regering successievelijk zei: na ons de zond vloed. En toen die zondvloed kwam, gingen we plotseling van het ene uiterste naar het andere met he t De haplan. Dus mijn hele leven is erop gericht geweest te proberen de mensen en politici bij te brengen, acti e te nemen voor de ramp. Maar helaas he b ik tot op heden gezien dat we rkelijk belangrijke veranderingen niet plaats vinden voordat een ramp gebeurt. En bij een ramp kun je verschillende dingen zien, je kunt ook zeggen dat vanuit een bepaald oogpunt de ex plosie van de Sovjet-Unie een ramp is, en door bepaalde andere mensen als weer iets positiefs gezien wordt. Ik kom net teru g uit Paki stan. Paki stan Iran en Turk ye hadden een nieuwe organisatie opgezet, de E.C.O. Daar had ni emand ooit van gehoord . M aar daar komen nu de vijf Centraal-Aziati sche ex-Sovjet-Republieken bij. En er wordt ook geprobeerd vrede te verkrijgen in Afghanistan. Dan heb je plotseing een ti ental landen met 230 miljoen mensen, allen Islamiet .............. " En tamelijk cynisch wil hij nog de volgende opmerking kwijt. nu we het toch hadden over internati onaal samenhangend beleid. Emmerij: " En het Marshall-plan was de laatste intelligente daad van de VS. Sindsdien heb ik niets meer gezien waar de intell igentie het won."

WOl moel er gebeurellnadat de be:oekers \'an het UNCED-circus lIaar huis :ijll teruggekeerd en er r /l imle en tijd is \ '001' de be:illnillg ?

Emmerij :" Luister, Mijn Ie opmerking was, dat er al zoveel veranderd is ten goede, maar niet ge noeg. Mijn 2e opme rking was dat er vooral in de OESO. dus in de industri elanden, er een grote bewustwording heeft plaa tsgevonden omtrent milieu. Misschien zelfs ietsje te groot gezien he t end-

Jasol/ Magazine nr. 3, juni 1992

25


or-the-mi llennium-hystery. En wat

context niet vergeten worden , dat

al duidelijk, daar is geen UNCED

blematiek ' al een aantal jaren de

voor nodig. De werkelijke vraag is, hoever hel

structurele ont wikkelingsprobIemen in Zuid hebbe n verdrongen. Er is vee l minder belangstelling in

Westen er belang bij heeft dat Zuid en Oost (als 1,2 miljard Chinezen allemaal een auto krijgen) een aantal nonnen gaan invoeren en wal zij willen verkrijgen van het Westen om zo 'n beleid uit te voeren? De vraag zal verder zijn in hoeverre het westen intelligent daarop

inspeelt om hen te helpen om een schoner industriebeleid te voeren, dan eerder domweg conditionali-

teiten op te leggen, en zoals gebruikelijk meer barrieres in de

De slogon zegt dat armoede de groot¡ ste vervuiler is (foto: S.F. Milia)

26

weg te legge n dan te stimuleren. En verder mag binnen de politieke

er zeer zeker zal veranderen zijn de nonnen die wij versneld zullen invoeren in onze landen. Dat is nu

Jasoll Magazine nr. 3, j uni 1992

'Oost-Europa' en de ' milieupro-

de publieke opinie maar vooral in politieke kringen voor deze structurele vragen in Zuid. En dat voelt

men in Zuid heel goed aan, is daar zeer verbolgen over. Men spreek t daar over de modeverschijnselen

die het beleid in het Westen zo dikwijls hebben gekenmerkt! Nogmaals, in Rio moet dit op tarel komen en moeten zij hun ideeen kwantificeren in financiele eisen. "

•


Met enerzijds de de-militarisering en anderzijds de economisering van de internationale betrekkingen is recentelijk het traditionele veiligheidsdilemma van staten naar de achtergrond geschoven. Om deze reden tellen militaire macht en kracht, bewapening en strategie en aanvals- en verdedigingsplannen niet meer zo zwaar als vroeger in de politieke berekeningen en machtsafwegingen van staten. Zullen de afschrikkingspolitiek en afschrikkingsstrategie min of meer uit zich zelf verdwijnen of zal dit Door Herman de Lange geschieden onder invloed van allerlei politieke maatregelen en internationale verdragen? Met het slechts signaleren van deze ingrijpende omslag in de internationale politiek kan de vraag naar het verdwijnen of het voortbestaan van de afschrikking niet afdoende worden beantwoord. Om inzicht te verkrijgen moet men gebruik maken van historische en sociologische kennis en ervaringen en politieke analyse. Morele oordelen en politieke gebondenheid lenen zich minder voor dat doel. Dit eerste deel behandelt de historische context van de afschrikking aan het begin van deze eeuw. In een volgende en afsluitende bijdrage zal worden ingegaan op de herontdekking van de afschrikking in 1945 in de eerste maanden van het kernwapentijdvak en tenslotte kernwapen en afschrikking aan het einde van de Koude Oorlog en aan het begin van een tijdperk met nieuwe verhoudingen en prioriteiten in de Europese en mondiale politiek.

Verdwijnt de afschrikking ?

De historie als afschrikwekkend voorbeeld

waren bijna alle grote moge ndheEindigt de 20ste eeuw zoals hij begonnen is? Hel begin van onze eeuw kenmerkte zich als een

periode van snelle en diepgaande

den niet enkel verwikkeld in een hevige machtsstrijd , maar ook een intensieve bewapeningswedloop.

politieke en sociale veranderingen.

Machtsstrijd en bewapeningswedloop of anders gezegd statenanar-

Tegenstellingen tusse n de politieke

chie en vei ligheidsdi lemma

stromingen namen toe. Er yonnde

bepaalden de buitenlandse politiek

zich een internationale maatschappij waarin de machtsslTijd tussen de grote mogendheden steeds

van staten en de internationale

eigen autonomie en gezag op de lange duur zou aantasten. De internationale verdragen werden wel nageleefd, maar deze konden wor-

den opgeschort zodra de oorlog was uitgebroken. De internationale orde binnen multiculturele staten zoals de Donaumonarchie stond op instorten.

betrekkingen. Op deze manier

vaker nati onalistische en politiek-

sleepte de were ld zich voort van incident tot crisis en van dreige-

Oorlogsverwachtingen en visies op oorlog

ideologische kenmerken gi ng vertonen. Binnen de maatschappijen

menten ("coercive diplomacy") tot gewelddad ig optreden. Elke

Nati onalistische bewegingen in

en onder de mensen deden zich

staat en elke regering we igerde een ondergeschikte of nevengeschikte positie in te nemen en op

diepgaande belangenconflicten voor. Er bestonden grote economische tegenstellingen. Er was een uiterst dominante cultuur ontstaan

waarin waarden zoals strijdlust igheid, heroĂŻek, moed. bereidheid ri sico's te nemen, soldatenleven en kazerne, col lectieve agressiviteit, vijandbeelden, etnocentrisme en vreemdelingenhaat. stereotypering, racisme en tenslotte bellicisme een grote plaats innamen. De

oorspronkelijke waarden en deugden van de verl ichting, hetl ibera!isme en de civiele maatschappij hadden moeten wijken voor vi talisme, nationalisme. sociaal darwinisme en oorlogsbeweging. Aan het begin van de 20ste eeuw

Europa wac htten met spanning de komende oorlog af die voor hen een bevrijdingsoorlog zou worden en hen de nationale onafhanke lijk-

deze wijze de kans te lopen de

heid zou brengen. Nog grote groe-

andere partij de voorrang te moeten verlenen in een ernstige cri sissituatie. Men vreesde in de eerste plaats verlies van aanzien, statu s en prestige in de internationale

pen socialisten verwachtten dat de grote oorlog de socialistische revo-

politiek. Nog meer vreesden de

ideeĂŤn van sociale revolutie en politieke evolutie die de conservati eve internationale en nationale status-quo en orde dreigden aan te tasten, vemeitigd zouden worden

adel lijke en aristocratische eliten binnenlands gezichtsverl ies.

De internationale betrekkingen werden dus gekenmerkt door een hoge mate van statenanarchie. N iemand erkende een gezag en een orde hoger dan de eigen auto-

lutie naderbij zou brengen. De conservatieven hoopten dat in de

komende oorl og de krachten en de

zodat deze krachten ged urende enkele decennia zouden zijn uitge-

riteit. De staten hoedden zich ook

schakeld. Lang niet iedereen in 1900 of 1914

voor internationale afspraken en een internationale orde die hun

verafschu wde de oorl og. Pessimisten en politieke reali sten zoals

jason Magazine nr. 3. juni 1992

Prof. de Longe ;s polemoloog

27


Nietzsche, Jacob Burckhardt en Oswald Spengler voorzagen een 20ste eeuw waarin onder invloed van de stedelijke massabeschavingen de kans op grote oorlogen zou toenemen. De overkoepelende filosofie van de oorlogsbeweging bestond uit een allegaar van sociaaldarwinisme, patriottisme, nationalisme en vitalisme. Conservatieven en realisten zagen de problemen van oorlogvoering gerelativeerd door de moderne technologie. Meer en meer gaven zij zich over aan het drogbeeld dat de toekomstige oorlog kort zou duren , beperkt van aard zou zijn en een beslissende overwinning in het vooruitzicht zou stellen waardoor de politieke problemen in de wereld die uiteindelijk de veroorzaker van de oorlog waren geweest. voor eens en altijd uit de weg werden geruimd.

Conservatieven en realisten zagen de problemen van oorlogvoering gerelativeerd door de moderne technologie. Het is natuurlijk ook mogelijk andere en tegenovergestelde facetten uit het begin van de 20ste eeuw naar voren te halen zoals de nieuwe vredesbewegingen, de liberale en sociaaldemocratische partijen en kosmopolitische den kers die テ四1lemationale arbitrage, ontwapening en vrede door internationale samenwerking, handel en industrialisering bepleitten. In hun ogen waren de oorlog, de militaire en oorlogsvoorbereiding en de bereidheid tol het voeren van oorlog in strijd met de vooruitgang van mens en maatschappij en van de wetenschap. Deze groepen bepaalden echter slechts gedeeltelijk de binnenlandse en internationale politiek van de vroege 20ste eeuw. In feite domineerde een conservatieve en semifeoda le internationale elite de binnenlandse en internationale politiek van staten. Deze elite maakte zich in toenemende mate afhankelijk van de militaire staven. In hun denken over de toekomsti -

28

jasoll MagazilIe nr. 3.juni 1992

ge oorlog en de buiten landse politiek lieten ve le regeringsleiders en militairen zich meeslepen door wensdenken ( "wishfu l thinking") en door hun speci fieke ideologische referentie- en interpretatiekaders ("mindsets"). Bijvoorbeeld: de pacifistische politicus en schrijver Nonnan Angell wees in 1909 enkele jaren voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog er op dat de kosten van de komende oorlog te groot zouden zijn en dat dus de oorlog de nationale economieテォn en de financiテォle wereld in de afgrond zou storten . Voorkoming van oorl og was de enige gevolgtrekking die de politiek hieruit zou moeten trekken. Een uitputtingsoorlog was nu eenmaal niet goed voorstelbaar omdat de verzorging van miljoenen soldate n miljardenbedragen zouden vergen. De oorlog zou dus kort zijn. Op deze veronderstelling - een korte, heftige en beslissende oorlog bestaande uit hooguit twee intensieve veldslagen - werden de algemene politiek-strategische plannen van staten gebaseerd. In hun uitwerking betekenden zij een militaire voorbereiding die geconcentreerd was op de invoering van zogenaamde beslissende wapens. Met andere woorden: het defensiebeleid dien de zich te concen treren op kwalitatieve bewapening en militair-technologische innovaties waardoor op het slagveld voor tactische verrassingen en dus een beslissende militaire doorbraak zou kunnen worden gezorgd. Van de andere kant betekende de toenmalige heel rudi mentaire afschrikk ingspolitiek van staten dat het defensiebeleid van staten ook voorzag in een omvangrijke kwantitatieve bewapening als een afschrikki ng tegen een totale en onbeperkte volksoorlog waarin het onderscheid tusse n soldaat en burger in alle opzichten opgeheven was. Terwijl in de beeldvonning van de toekomstige oorlog de concrete oorlogvoering als het ware gebagatelliseerd werd, vond van de andere kant een omvangrijke militaire voorbereiding plaat s. Dankzij de wisselwerking tussen beeld en militaire voorbereiding terwijl daarenboven de bereidheid om oorlog te voeren niettegenstaande alle voorbehoud en zorg

die bestond bij de politieke elite, in het algemeen zeer groot was onder invloed van het virulente nationalisme en chauvinisme, werd du s alles in het werk gesteld om te zorgen dat de arsc hri kking niet zou werken. In plaats van maatregelen te nemen en strategieテォn uit te denken die zouden bijdragen tot stabilisering van de strategische en politieke verhoudingen en het ontscherpen van het veil igheidsdi lemma, aanvaardden de meeste politici en militairen dus het drogbeeld van de korte oorl og. Men ging zich voorbereiden op een waanvoorstell ing van de oorlog. In plaats van een behoedzame politiek gericht op oorlogspreventie uit te stippelen bereidden de staten zich via preventieve en zelfs pre-emptieve scenario 's en tactieken voor op een oorlog die zij door middel van wensdenken en wi llekeur beperkt was gaan noemen. Om de te verwachten ri sico 's van de oorlog dragelijker te maken werd de toekomstige oorlog voorgesteld als iets dat op een duel leek. Intussentijd voerde men steeds meer nieuwe wapens in en nam de bereidheid toe om in naam van de afschrikking een steeds riskantere buitenlandse politiek te voeren.

Afschrikking en oorlog Op grond van de nieuwste wapenomwikkelingen, de economische vemlOgens van de moderne industriestal.en en de massalegers zou een oorlog gemakkelijk ku nnen uitlopen uit een volksoorlog die totaal zou worden en niet beheerst zou kunnen worden . Het dilemma van de tijd was een hoge vorm van mi litaire voorbereiding en oorlogsvoorbereiding te combineren met een poli ti ek van oorlogspreventie waarin tenminste de totale volksoorlog vermeden zou kunnen worden. Nu ontstond de gedachte van afschrikking, d.W.Z. de nationalistische en militaristi sche krachten bij de rivalen die eveneens zwaar bewapend en goed geoefend waren, er van te weerhouden een volksoorlog te beginnen omdat deze in wezen uiterst gevaarlijk was. Wanneer militaire afschrikking zou falen, zou de militaire


macht er slechts toe dienen de tegenstander in een korte oorlog te overWlnnen. De zwakke plek in deze redenerin g was de gedachte dat een korte oorlog mogelijk was en dat men zich daarop diende voor te bereiden. Het drogbeeld van een korte en beperkte oorlog werd versterkt door planne n voor een pre-emptieve en preventieve operaties. Met het Duitse Von Schlieffenplan van 1905 (de aanval gericht op Frankrijk ) werd elke militaire en politieke mogelijkheid tot preventie in cri sistijd, mati ging en zelfbeheersing uitges loten. Omdat zulke plannen juist bestendig moeten zijn tegen emotionele reacti es van leiders in tijden van intensieve spanning, getui gde het bewuste aanvalsplan van weinig politieke en militaire wijshe id. In tijden van internation ale spanning en cri sis geven pas het opschorten van fatale besli ssingen en hel zoeke n naar nieu w internationaal overleg blijk van werkelijk politiek inzicht en verantwoordelijkheidsgevoel. Terwijl staten immateri eel zich voorbereidden op een korte en beperkte oorlog, getui gden hun bewapening en hun werkelijke strategische plannen van aanval en verdediging, met andere woorden het materi ële defensiebeleid, van het incalcu leren van een total e en onbeperkte volksoorlog. De plannin g met de handen wees du s in een geheel andere richting dan de planning die de politici en de militairen in hun hoofd hadden.

Het falen van de afsch rikking in 191 4 In 1914 faalde de afschrikking. De staten en regeringen hadden gewild en onbewust bijna alles gedaan om de oorlog mogelijk te maken . Voor een deel is dit een gevolg geweest van het feit dat zij de condities en vereisten van afschrikking ni et kenden. Zij hadden de afschrikking theoreti sch en politiek ni et grondi g laten onderzoeken op bas is waarvan beleidsadviezen en gedragsaanwij zingen aan regeringen, politieke leiders en militairen gegeven hadden kunnen worden. De facto was het fa len van de afsc hrikking al gegeven

gez ien de dominantie van de militaire instellingen en benaderingen van de oorlog en de mi litaire macht. De gebeu rteni ssen aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog kunne n verhelderd worden met behulp van theorieën over sociale verandering en het ontstaan van oorlogen. De beroemde Duitse socioloog Uil de jaren dertig en veertig Karl Mannheim - emi grant als velen van zijn tijdgenoten- signaleerde enkele diep ingrijpende culture le contradicties in de maatschappelijke, politieke en statelijke ontwikkeling van de mens. Terwij l wetenschap, techniek, industrie en verkeerssystemen de mensen steeds meer in contact met e lkaar brachten, werd de verni eti gingskracht van de destructi emidde len of wapensystemen steeds groter. Met het naar e lkaar toegroeien van de mensheid onder in vloed van de ee rstgenoemde factoren waren ec hter niet die vaardi gheden door de mensen ontwikkeld die nodi g ware n om op een vreedzame manier met en naast elkaar te leven. Mannhe im meende dat er enerzijds een grote culture le kloof en achterstand bestond tu ssen ontwikkeling van de tec hni ek en anderzijds de waarden en norme n in de sociale ethiek. Het ene deel van de cultuur, sociale ethiek, hobbe lde achter de ont wikkelingen in de tec hniek aan. Dankzij de techni ek leefden de mensen steeds di chter op e lkaar terwijl ze tegelijkertijd de beschikking hadden gekregen over effectieve des tructiemiddelen. De sociale ethi ek was nog gek lui sterd in nati onalisti sc he en chau vi ni sti sche ideologieën. Militaire en politieke leiders spraken over oorlog alsof de si tuati e van "de sport van de koningen" nog zou bestaan. Men dacht en plande in de militaire staven we l in tennen van afschrikking, maar in werke lijkheid was men bezig de oorlog die in theorie uitgebroken was, daad werkelijk uit te voeren door midde l van de gekozen militaire voorbereiding en strategische aan valsen ve rdedigi ngsp lannen. Men zag de dynamische en explosieve

dimensies van de oorlog over het oog. Men deed alsof massalege rs, volksoorlog met ste rke nat ionalisti sche tendenties en een permanente oorlogsroes en de kwalitatieve en kwantitatieve bewapening geen wezenlijke factoren waren die de oorl og zouden beïn vloeden. Een hoge mate van bellicisme, bereidheid tot oorlogvoering en voorts nati onalisme gepaard aan een uiterst moderne en destructieve bewapening heeft bijna vanze lf geleid tot de ongelukken die tesamen de geschi ede ni s van de Eerste Wereldoorlog vormen. De vrees voor de gevolgen van de oorlogvoerin g waren toen nu eenmaal vele mal en kleiner als de vrees voor de gevo lgen van de mogelijke agressie van de rivalen. Allen hoopten de rivaal of vijand via preventieve of pre-emptieve aanva llen uit te schakelen. Bij succesvo lle preventie zou de oorlogsduur kort zijn terwijl men een ongewoon hoog politieke rendement verwachtt e. Deze verwachtingen en prognosen waren ni ets anders dan fatale mi srekeningen.

De veronderstelling van een korte oorlog impliceerde de invoering van zogenaamde beslissende wapens De Engelse histori cus Taylor heeft het uitbreken van de oorlog in 19 14 omschreven als het mislukken van de afschrikking: "Nowhere was there conscious deternlinati on to provoke a war. Statesmen misealculated. They used the instruments of bluff and threat which had proved effective on previous occasions. This time thin gs we nt wrong. The deterrent on which they relied failed 10 deter; the statesmen became the pri soners of thei r own weapons". Een andere Engelse historicus en tevens beroe md strategisch denker, Michael Howard , relati veerde de afschrikkingsspecu laties van Taylor. Volgens Howard werd de afschrikkingsgedachte alleen maar aanvaard en verbreid door diplomaten en zakenli eden. Zij hebben gehoopt en geprobeerd de oorlog

jason Magazine nr. 3, juni 1992

29


te voorkomen. Alle andere politieke en sociale groepen en klassen in Europa verheerlijkten de oorl og, verlangden naar de oorlog of aanvaardden oorl og als een onvennijdelijk versc hijnsel. Met andere woorden: de strijdkrac hten waren eigenlijk niet bedoeld om af te schri.kken, maar om daannee oorlog te voeren en de oorl og te winnen: " Anni es were not, except perhaps in the eyes of the dipIomats, conceived of as deterrents. They were instruments for fi ghting a war...... Oorlo g a ls een cultuurkloof De 19de ee uwse wetenschappelijke, technologische en industri ële revoluties hadden de distantie tussen staten, bevolkingen en maatschappijen klei ner gemaakt. Tegelijkertij d hadden ze de staten en regeringen een bewapening van een onvoorstelbaar destructievermogen geschonken. Tenslotte

In tijden van internationale spanning en crisis geven pas het opschorten van fatale beslissingen en het zoeken naar nieuw internationaal overleg blijk van werkelijk politiek inzicht en verantwoordelijkheidsgevoel waren de wederzijdse percepties en de beeldvonning ni et veranderd. Deze werden beheerst door chauvinisme en agress ief nationalisme. De enonne bewapening kreeg onder invloed van de verminderde distantie of toegenomen interdependentie van staten en bevolkingen een angstaanjagende en onheilspellende betekenis. Er ontstonden gemakkelijk emotionele reacties van staten op elkaar gezien de nabijheid en de actualiteit van het gevaar. Er was gee n sociale ethiek in de 19de eeuw ontwikkeld met behulp waarvan de culturele klooftussen enerzijds bewapenin g en tec hno logie en anderzijds chauvinistisch en nat ionalistisch vooroordeel en vijandbeeld kon worden overbrugd. In feite geraakten de Europese sta-

30

Jason Magazine nr. 3, juni 1992

ten rond 1900 in een dubbelbindingsproces.Ze waren aan twee kanten met elkaar verbonden. Enerzijds waren zij verwikke ld in ri valiteit en competitie. Van de andere waren zij met elkaar verbonden door bewapening en angst. Nieuwe en toenemende bewapening bij de ene partij leidde tot emotionele reacties bij de tweede partij die op haar be urt haar bewapeni ng opvoerde. Als gevolg van deze emotionele reac ties waren de landen niet in staat hun onderlinge betrekkingen op een normale, minde r gespannen en vooral ook minder nati onalistische voet te regelen. Het ontbrak aan de kritische distantie of anders gezegd aan een nieuwe sociale en politi eke ethiek. Om deze reden herhaalden zij telkens die stappen en reacti es di e door de andere partij konden worden uitgelegd als gevaarlijke maatregelen. Staten waren gevangen in een vicieuze cirkel. In 19 18 waren de bevolkingen en de mensen in het algemeen we l genezen van hun oorl ogsroes. De 19de eeuwse geestdri ft voor de oorl og maak te plaats voor diepe angs t. Men accepteerde hoog uit de oorlog omdat men nog niet bij machte was deze te voorkomen. Afkeer voor en haat tegen de oorlog werden nu de gevoelens van de bevolkingen in de meer democratische samenlevi ngen.•

Literatuur Volker Berghahn. Rüstung und Machtpolitik. Zur Anatomie des " Kallen Krieges" vor 1914. Düsseldorf [973. Vo[ker Berghahn. Gennany and the approach of war in 1914. London 1973. Imlmucl GeÎss, Das deutsche Rei ch und die Vorgeschichte des ersten weitkriegs. München 1985. Imanuel Geiss. Der lange Weg in die katastrophe. Die Vorgeschichte des Ersten We itkriegs 18151914. München 1990. Paul Kennedy. The rise of the Anglo-Gennan Antagonism [860-[9 14. London 1914. Marce l van der Linden en Gottfried Me rgner. Kriegsbcgeisterung und mentale Kriegsvorbere ilung. Berl ijn 1991.

L.L. Farmr. Thc short -war illusion. Gennan policy. slrategy and domestic affai rs august-december 1914. Santa Barbara 1973. Raymond Aron. La societe industriclle et la guerre.Parijs 1959 pp. 3- 17. Kalevi 1. Holsti. Peace aOO war: anned conflicIS and international ordcr 1648-1989. Cambridge 1991 pp.154-174. Arno J. Mayer. The pcTSistence ofthe o ld regime. New Vork 1981. ArnoJ. Mayer. DynamÎcsof counterrevolutÎon in Europc. [870- 1956. New Vork 198 1. Oron J. Halc. The great il lusÎon 1900-1914, New Vork 1971 pp.2 1-27. CornclÎ a Navari. The grcat iIlusion revisited: the international thcory o f Nonnan Angel!. Review of international studies. 1989 nr. 4 pp. 341-358. Winfried Baumgan. Deutschland Îm Zeitalter des Im perialismus ( 1890-19 14 ). Frankfurt arn Main 1972 pp.[ 10. Karl Mannhcim. Men and society in an age of reconstruction. London 1966117-143. A.J.P. Taylor. The First World war: an illustmted hÎslory. London 1%3 Michacl Howard. Reflections on the fiTSt World War. in: Studies in war and pence. London 1970 pp.99-1 09.


Jason contactpersonen Amsterd a m Bas Berends Binnenkant 43 1011 BN AMSTERDAM 020-6206922

Gro ninge n Frederik Smits van Oyen Lopende Diep 14 97 12 NW GRONINGEN 050-128509

Yvette Schiffelers Bies bosc hstraat 39-3 1078 ML AMSTERDAM 020-626204 1

Herman Kok J.e. Kapteinl aan 48b 9714 CS GRON INGEN 050-7 17902

Patriek de Vries Nieuwezijds Kolk 3 1 101 2 PV AMSTERDAM 020-626204 1

Skander van den Heuvel TurflOrenstraat 59 97 12 BN GRON INGEN 050-1255 18

Maastricht

Leiden

Patri ek van Weerelt Koningin Emmaplein 4

Erica Zwaan

62 11 NG MAASTRICHT 043-256366

Korte Hansenstraat 10a 23 16 BP LEIDEN 07 1-2 15870

Erik-Jan Goris Sint Annadal 10h 62 14 PA MAASTRICHT 043-477392

Steven Evens Oude Ves t 35 23 12 XR LEIDEN 071-121976

Deze publicatie werd mede mogelijk gemaakt door:

Aegon

Internationale-Nederlanden Group

Amev

NATO Information Service

ATQT

Delta Lloyd

Philips

Royal Dutch/Shell


ama, bestaan er

no echte neushoorns? ....

.... ,-..: .... ~."' .~

....

GEEF O~ DE TOEKO~ST. Word voor f27,50 donateur van het Wereld Natuur Fonds. Giro 25, Zeist. ~ ,,,,,



Index Jason Magazine 1991

'92

9111. Het Indiase subcontinent

91 /4. Het Middellandse Zeegebied

Drs. P.E. Baak &

Migratie: zuidelijke dre iging voor de

Het Indiase subcont inent: eenheid en tegenstellingen

Dr. F. Sahagu n:

Drs. A. de Haan:

Profiel:

Raji v Gandhi

P. Lingg:

De Meditcrranee : een zee van problemen

Drs. J, P. Potey:

Bhutan: de droom voorbij?

Mr. F. van den Heuvel:

Corsica: Mallorca of KrolllÎë van de

G. Kreijen :

Sri Lanka: een spiraal van geweld

Prof.Dr. D. H .A. Kolff:

India: hel einde vlIn een beproefde

consensus Jason Ter Plekke:

Sch ieten in Darra en slopen in Gadani

Dr. BJ.S. Hocljcs:

India: big brother of vredesduif?

nieuwe NAVO?

toekom st?

H. van DUllIZig & A. N uyl:

Brugfîg uur tussen (wee werelden: interview mei Amin Maalouf

Dr. H. Obdeijn:

Europa en Noord -Afrika: van buren tot huisgenoten'!

9112. Vluchtelingen. Oorzaken van een groeiend probleem

92/1. "A ustralian neutrality" in "A ustrian Neutrality"

H. v.d. Lee:

Hel vl uchlc lingenvraagsluk

Maarten Brands (intcrview):

'The Europe.m gamc'

H. v.d. Lee:

De kwestie-Sc hengen

Jason on the Spo!:

The Strategie importanee of the Lathe

Jason Ter Plekke:

EBN -kaderconfercntie Geert Wis mans:

Who's afraid of ... Germany?

R.B. Denlener:

UN HCR: een kcnschets Profile:

Uni ted Nations: Changing of Ihe Guard

Mr. R. Bruin:

Politiek!: beoordeling in asielzaken: rechtspraak of bele id?

Doornbos and De Gaay Fortman (i ntcrview):

Afriea: Rebirth of a sovereign continent

Marlijn Hop:

Austrian Neutrality .md European Security Cooperation

Patri cio Silva:

Democralization. Politi cal Stability and Security in Latin America

Bibliografie:

Vluchtelingen

9113. Inlichtingendiensten

92/2. Europa ten prooi aan nationalisme

Drs. B.M. dc Jong:

De KGB in Oost-Europa

Koen Koch

Oude problemen. nieuwe perspect ieven

Profiel:

Kim Philby

Thco van der Voort

De orthodoxe kerk en de omwenteling

H. v.d. Lee &

Speeltui n der spionage?

Amo ul Nuyt

Profiel: Umberto Bossi

Leenden Jan Bal

Oud zeer in een nieuwe wereld

Jaap van Donselaar

Dilettantisme of dreigi ng?

Peter Kooijmans

De kwestie Timor

Fernando Sousa

Denken aan Oosl-Timor

P. du Lingg: G.A Carver:

Inlichtingen in de jaren '90

P. du Lingg:

Regenj:ls uit. laken pak aan

Jason Ter Plekke:

Slovenië onafhankelijk

Bibliografie:

In Iicht i ngend iensten